Page 1
Page 2
Page 3
The Project Gutenberg eBook of Nieuw Utopia
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Nieuw Utopia
Author: Bernard Alexander Canter
Release date: June 21, 2025 [eBook #76346]
Language: Dutch
Original publication: Amsterdam: Van Holkema & Warendorf, 1922
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/76346
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NIEUW UTOPIA
***
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Nieuw Utopia
Author: Bernard Alexander Canter
Release date: June 21, 2025 [eBook #76346]
Language: Dutch
Original publication: Amsterdam: Van Holkema & Warendorf, 1922
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/76346
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NIEUW UTOPIA
***
Page 4
[Inhoud]
[Inhoud]
NIEUW UTOPIA
[Inhoud]
[Inhoud]
NIEUW UTOPIA
[Inhoud]
Page 5
Page 6
NIEUW UTOPIA
DOOR
BERNARD CANTER
AMSTERDAM
VAN HOLKEMA & WARENDORF
[5]
DOOR
BERNARD CANTER
AMSTERDAM
VAN HOLKEMA & WARENDORF
[5]
Page 7
[Inhoud]
Page 8
NIEUW UTOPIA
door
Bernard Canter.
Aan Dr. B. J. C. te Hennepe Jzn., door wiens
woord, geschrift en voorbeeld, de schrijver
tot het vegetarisme werd gebracht.
door
Bernard Canter.
Aan Dr. B. J. C. te Hennepe Jzn., door wiens
woord, geschrift en voorbeeld, de schrijver
tot het vegetarisme werd gebracht.
Page 9
[Inhoud]
Page 10
I
De reeksen van zonderlinge gebeurtenissen, welke wij thans in dit boek
gaan verhalen, berusten op abstracte waarheid. Vandaar, dat zij veel
bestrijding zullen vinden van de zijde dergenen, die alleen in staat zijn een
concrete waarheid te begrijpen. Maar daardoor wordt aan de waarheid op
zichzelve geen schade toegebracht. „Wat is waarheid?” vroeg eens Pilatus.
Hij toonde daardoor, dat hij behoorde tot de, zeker niet zeldzame soort van
lieden, die altoos bereid zijn te vragen: „wat is dit?” en „wat is dat?” ten
einde voor zichzelf te verbergen, dat zij geen ziel bezitten en daardoor geen
antwoord in zichzelf vinden op de vraag „Wat Is?”. Want daar wij zijn, is er
een Is. Voor lieden, die niet zijn, daar zij in stede van een ziel, slechts
verstand, dat armelijke surrogaat, bezitten, luidt het antwoord op: [6]„Wat
Is?” niet „Ik ben”, maar „Ik ben geweest”. Mochten toch al deze lieden
zonder zijn, zonder wezen, er voor goed geweest zijn. De menschenwereld
zou dan verder gelukkiger kunnen worden, verlost van het vergankelijke
verstand en opnieuw vervuld van de eeuwige Ziel.
Professor Godefroy Leyden, den leeftijd van zeventig jaren bijna bereikt
hebbende en daardoor volgens de Nederlandsche wet, gedwongen zijn ambt
neer te leggen, voelde zich zeer bedroefd, dat hij zich voortaan van het
geven van onderricht aan zijn leerlingen zou moeten onthouden. Want hij
had in den loop der jaren de ondervinding opgedaan, dat hij nooit zelf meer
leerde, dan wanneer hij den studenten onderricht gaf. Daarom besloot hij op
het laatste college, dat hij had te geven en dat beëindigd zou worden door
een proef, zichzelf aan die proef te onderwerpen. In die dagen, kort na het
beëindigen van de kleine botsing tusschen eenige volken, welke die volken
zelf daarna, zonder eenig besef van de overdrijving, de schier tragi-
komische overdrijving, waaraan zij zich schuldig maakten, „den grooten
wereldoorlog” (sic!) noemden, beweerde een geleerde, dat het voor den
De reeksen van zonderlinge gebeurtenissen, welke wij thans in dit boek
gaan verhalen, berusten op abstracte waarheid. Vandaar, dat zij veel
bestrijding zullen vinden van de zijde dergenen, die alleen in staat zijn een
concrete waarheid te begrijpen. Maar daardoor wordt aan de waarheid op
zichzelve geen schade toegebracht. „Wat is waarheid?” vroeg eens Pilatus.
Hij toonde daardoor, dat hij behoorde tot de, zeker niet zeldzame soort van
lieden, die altoos bereid zijn te vragen: „wat is dit?” en „wat is dat?” ten
einde voor zichzelf te verbergen, dat zij geen ziel bezitten en daardoor geen
antwoord in zichzelf vinden op de vraag „Wat Is?”. Want daar wij zijn, is er
een Is. Voor lieden, die niet zijn, daar zij in stede van een ziel, slechts
verstand, dat armelijke surrogaat, bezitten, luidt het antwoord op: [6]„Wat
Is?” niet „Ik ben”, maar „Ik ben geweest”. Mochten toch al deze lieden
zonder zijn, zonder wezen, er voor goed geweest zijn. De menschenwereld
zou dan verder gelukkiger kunnen worden, verlost van het vergankelijke
verstand en opnieuw vervuld van de eeuwige Ziel.
Professor Godefroy Leyden, den leeftijd van zeventig jaren bijna bereikt
hebbende en daardoor volgens de Nederlandsche wet, gedwongen zijn ambt
neer te leggen, voelde zich zeer bedroefd, dat hij zich voortaan van het
geven van onderricht aan zijn leerlingen zou moeten onthouden. Want hij
had in den loop der jaren de ondervinding opgedaan, dat hij nooit zelf meer
leerde, dan wanneer hij den studenten onderricht gaf. Daarom besloot hij op
het laatste college, dat hij had te geven en dat beëindigd zou worden door
een proef, zichzelf aan die proef te onderwerpen. In die dagen, kort na het
beëindigen van de kleine botsing tusschen eenige volken, welke die volken
zelf daarna, zonder eenig besef van de overdrijving, de schier tragi-
komische overdrijving, waaraan zij zich schuldig maakten, „den grooten
wereldoorlog” (sic!) noemden, beweerde een geleerde, dat het voor den
Page 11
mensch mogelijk zou zijn, de eeuwige jeugd te verwerven, door de
transplantatie van eenige dierlijke klieren in het eigen lichaam. Dit lag zoo
in de richting van de wetenschap dier dagen, welke materialistisch en
dierlijk, soms gedoceerd door lieden, wien zelfs elk [7]besef van hoogere
menschelijkheid, dat is de vreeze des Heeren, het beginsel der wijsheid,
ontbrak, door dierlijkheid tot goddelijkheid meende te kunnen komen. Laat
ons hen deswege niet veroordeelen, maar bedenken, dat ook dit een der
wegen van de Godheid was om ons in Hare Richting meer te doen
ontwikkelen. Niet voor de stroom zijn laagste beddingen heeft gevonden,
kan hij zijn einddoel, de monding in de groote Zee, bereiken.
Inderdaad ging professor Leyden op zijn laatste college er toe over, in de
hoop, dat dit laatste college weder zou worden zijn eerste en hij de eeuwige
jeugd zou kunnen beërven, zich door zijn assistenten te doen opereeren en
op eenige plaatsen in zijn lichaam klieren van apen te doen aanbrengen. Wel
werd er van wege de juridische faculteit sterk tegen deze handelwijze
geprotesteerd, daar een dergelijke wijze van handelen als wetsontduiking
werd geduid. De medische faculteit stoorde zich daar echter niet aan,
immers gewend er aan, dat de juridische faculteit, den vorm van de wet
tegen den geest van de wet in bescherming neemt. Helaas, de wet dwong
den professor op 70 jarigen leeftijd tot het neerleggen van zijn ambt, omdat
de wetgever den mensch na zijn zeventigste jaar geestelijk en lichamelijk
niet krachtig genoeg meer acht, den jongeren onderricht te geven. Gelukte
het nu, door een zekere behandeling, een mensch van zeventig jaren weder
de krachten van een mensch van dertig jaren [8]te geven, dan verloor, zeker
voor dien verjongden mensch, de wet haar eigenlijke bedoeling. Maar
juristen hebben een afkeer van de eigenlijke bedoeling der wetten. Rechter
en advocaat zijn altijd met elkaar in strijd ten aanzien van de ware
bedoeling der wet en bij elke rechtzaak is er ten slotte slechts één persoon,
die diep in zichzelf de ware bedoeling van de wet ervaart, dat is degeen, die
tot de lijdende partij behoort. Want in zijn ziel ervaart hij, en hij alléén,
waar de wet des menschen faalt en de wet Gods niet.
transplantatie van eenige dierlijke klieren in het eigen lichaam. Dit lag zoo
in de richting van de wetenschap dier dagen, welke materialistisch en
dierlijk, soms gedoceerd door lieden, wien zelfs elk [7]besef van hoogere
menschelijkheid, dat is de vreeze des Heeren, het beginsel der wijsheid,
ontbrak, door dierlijkheid tot goddelijkheid meende te kunnen komen. Laat
ons hen deswege niet veroordeelen, maar bedenken, dat ook dit een der
wegen van de Godheid was om ons in Hare Richting meer te doen
ontwikkelen. Niet voor de stroom zijn laagste beddingen heeft gevonden,
kan hij zijn einddoel, de monding in de groote Zee, bereiken.
Inderdaad ging professor Leyden op zijn laatste college er toe over, in de
hoop, dat dit laatste college weder zou worden zijn eerste en hij de eeuwige
jeugd zou kunnen beërven, zich door zijn assistenten te doen opereeren en
op eenige plaatsen in zijn lichaam klieren van apen te doen aanbrengen. Wel
werd er van wege de juridische faculteit sterk tegen deze handelwijze
geprotesteerd, daar een dergelijke wijze van handelen als wetsontduiking
werd geduid. De medische faculteit stoorde zich daar echter niet aan,
immers gewend er aan, dat de juridische faculteit, den vorm van de wet
tegen den geest van de wet in bescherming neemt. Helaas, de wet dwong
den professor op 70 jarigen leeftijd tot het neerleggen van zijn ambt, omdat
de wetgever den mensch na zijn zeventigste jaar geestelijk en lichamelijk
niet krachtig genoeg meer acht, den jongeren onderricht te geven. Gelukte
het nu, door een zekere behandeling, een mensch van zeventig jaren weder
de krachten van een mensch van dertig jaren [8]te geven, dan verloor, zeker
voor dien verjongden mensch, de wet haar eigenlijke bedoeling. Maar
juristen hebben een afkeer van de eigenlijke bedoeling der wetten. Rechter
en advocaat zijn altijd met elkaar in strijd ten aanzien van de ware
bedoeling der wet en bij elke rechtzaak is er ten slotte slechts één persoon,
die diep in zichzelf de ware bedoeling van de wet ervaart, dat is degeen, die
tot de lijdende partij behoort. Want in zijn ziel ervaart hij, en hij alléén,
waar de wet des menschen faalt en de wet Gods niet.
Page 12
De operatie van de overplanting der klieren gelukte uitstekend en toen
professor Leyden uit de operatie-zaal naar het bed op de ziekenzaal werd
gebracht en daar ter ruste gelegd, totdat hij uit de narcose zou ontwaken,
twijfelde geen der aanwezige medici en aspirant medici, (onder welke
laatsten er velen waren, die nooit medicus zouden worden, zelfs voorzien
van een tasch vol bullen, waarop gedrukt stond dat ze het waren,) of zij
zouden hun hooggeschatten en moedigen professor in het leven èn als
hoogleeraar behouden.
Zelfs toen tegen den avond professor Leyden nog altijd niet uit de narcose
ontwaakt was, maakten de collega’s, die hem behandelden, zich niet
ongerust. Want pols- en hartslag waren bevredigend, de ademhaling was, de
omstandigheden in aanmerking genomen, normaal te noemen en er bestond
dus geen vrees dat de operatie, in stede van de [9]eeuwige jeugd, den
eeuwigen dood zou brengen.
Toen in den nacht professor Leyden nog altijd bewusteloos bleef, vonden de
collega’s het toch geraden een onderzoek in te stellen bij den dokter, die den
professor had gechloroformiseerd. Maar deze uitnemende specialiteit had
alle voorzorgen genomen, welke de wetenschap slechts kon eischen en zelfs
in aanmerking genomen, dat hij een man van bijna zeventig jaren onder
narcose bracht. En het was op bevel van professor Leyden zelf geweest, dat
afgezien was van locale anaesthesie, daar professor Leyden zich er te goed
bewust van was geweest, dat hij, zoo hij bij kennis de operatie op ’t eigen
lichaam had bijgewoond, niet de gewenschte passiviteit zou hebben kunnen
betoonen en daardoor de operateurs afgeleid of wellicht nerveus gemaakt.
Den volgenden morgen bleek professor Leyden nog altijd niet tot het
bewustzijn teruggekeerd te zijn. De verdooving hield aan en bleef
aanhouden, tot groote ontsteltenis van de collega’s, de pleegzusters en vele
van professors patiënten, welke laatste van zijn beterschap hun beterschap
verwachtten.
professor Leyden uit de operatie-zaal naar het bed op de ziekenzaal werd
gebracht en daar ter ruste gelegd, totdat hij uit de narcose zou ontwaken,
twijfelde geen der aanwezige medici en aspirant medici, (onder welke
laatsten er velen waren, die nooit medicus zouden worden, zelfs voorzien
van een tasch vol bullen, waarop gedrukt stond dat ze het waren,) of zij
zouden hun hooggeschatten en moedigen professor in het leven èn als
hoogleeraar behouden.
Zelfs toen tegen den avond professor Leyden nog altijd niet uit de narcose
ontwaakt was, maakten de collega’s, die hem behandelden, zich niet
ongerust. Want pols- en hartslag waren bevredigend, de ademhaling was, de
omstandigheden in aanmerking genomen, normaal te noemen en er bestond
dus geen vrees dat de operatie, in stede van de [9]eeuwige jeugd, den
eeuwigen dood zou brengen.
Toen in den nacht professor Leyden nog altijd bewusteloos bleef, vonden de
collega’s het toch geraden een onderzoek in te stellen bij den dokter, die den
professor had gechloroformiseerd. Maar deze uitnemende specialiteit had
alle voorzorgen genomen, welke de wetenschap slechts kon eischen en zelfs
in aanmerking genomen, dat hij een man van bijna zeventig jaren onder
narcose bracht. En het was op bevel van professor Leyden zelf geweest, dat
afgezien was van locale anaesthesie, daar professor Leyden zich er te goed
bewust van was geweest, dat hij, zoo hij bij kennis de operatie op ’t eigen
lichaam had bijgewoond, niet de gewenschte passiviteit zou hebben kunnen
betoonen en daardoor de operateurs afgeleid of wellicht nerveus gemaakt.
Den volgenden morgen bleek professor Leyden nog altijd niet tot het
bewustzijn teruggekeerd te zijn. De verdooving hield aan en bleef
aanhouden, tot groote ontsteltenis van de collega’s, de pleegzusters en vele
van professors patiënten, welke laatste van zijn beterschap hun beterschap
verwachtten.
Page 13
De medische wetenschap stond hier, als zoo vaak bij de toepassing van
nieuwe methoden, voor een geheel nieuw feit, waarvan voorloopig geen
werkelijk wetenschappelijke verklaring was te geven. Polsslag, hartslag,
ademhaling en bloedsomloop waren bij den patiënt normaal. Er werd
geenerlei verzwakking geconstateerd, hoewel de bijna zeventigjarige
patiënt [10]vast noch vloeibaar voedsel gedurende al dien tijd genoten had.
Maar het bewustzijn keerde niet terug.
Thans ging men er toe over, eenige wetenschappelijke kunstbewerkingen
toe te passen ten einde den patiënt weder te doen ontwaken. Doch alle
middelen faalden, ether noch ammoniak, wasschingen noch injecties,
rhythmische tongoefeningen, zuurstof, kamfer en electriseertoestel noch
lavementen hadden eenigerlei gunstig gevolg.
De patiënt bleef rustig in zijn bedwelming voortslapen, zonder eenig
kenteeken van verzwakking te toonen. Integendeel, hij lag rustig en kalm,
als iemand die in een diepen maar gezonden slaap is verzonken en zijn
waardig gelaat werd verhelderd door een uitdrukking van schier
bovenaardsche tevredenheid. En tot verwondering van de medische
faculteit, scheen het proces der verjonging zijn gang te gaan. In stede dat
professor Leyden, die toch geenerlei voedsel tot zich nam, steeds meer
vermagerde en verzwakte, schenen de ingeplante klieren haar werking te
doen en zag men den slapenden grijsaard als het ware langzamerhand
jonger worden. De rimpels van zijn gelaat slonken weg. Hij kreeg een
gezonde, jeugdige tint. De ademhaling werd krachtiger, de polsslag sneller.
De patiënt maakte geen ziekelijken indruk. En als de pleegzuster nu en dan
het ooglid optilde, was het blauwe oog van den professor helder en
[11]scheen te blikken naar een ver visioen, dat hem verbaasde en verrukte
tegelijkertijd.
En zoo was professor Leyden zelf de meest interessante patiënt van zijn zoo
beroemde kliniek geworden, werd hij het middelpunt en het studie-object
van de meest vooraanstaanden onder zijn collega’s.
nieuwe methoden, voor een geheel nieuw feit, waarvan voorloopig geen
werkelijk wetenschappelijke verklaring was te geven. Polsslag, hartslag,
ademhaling en bloedsomloop waren bij den patiënt normaal. Er werd
geenerlei verzwakking geconstateerd, hoewel de bijna zeventigjarige
patiënt [10]vast noch vloeibaar voedsel gedurende al dien tijd genoten had.
Maar het bewustzijn keerde niet terug.
Thans ging men er toe over, eenige wetenschappelijke kunstbewerkingen
toe te passen ten einde den patiënt weder te doen ontwaken. Doch alle
middelen faalden, ether noch ammoniak, wasschingen noch injecties,
rhythmische tongoefeningen, zuurstof, kamfer en electriseertoestel noch
lavementen hadden eenigerlei gunstig gevolg.
De patiënt bleef rustig in zijn bedwelming voortslapen, zonder eenig
kenteeken van verzwakking te toonen. Integendeel, hij lag rustig en kalm,
als iemand die in een diepen maar gezonden slaap is verzonken en zijn
waardig gelaat werd verhelderd door een uitdrukking van schier
bovenaardsche tevredenheid. En tot verwondering van de medische
faculteit, scheen het proces der verjonging zijn gang te gaan. In stede dat
professor Leyden, die toch geenerlei voedsel tot zich nam, steeds meer
vermagerde en verzwakte, schenen de ingeplante klieren haar werking te
doen en zag men den slapenden grijsaard als het ware langzamerhand
jonger worden. De rimpels van zijn gelaat slonken weg. Hij kreeg een
gezonde, jeugdige tint. De ademhaling werd krachtiger, de polsslag sneller.
De patiënt maakte geen ziekelijken indruk. En als de pleegzuster nu en dan
het ooglid optilde, was het blauwe oog van den professor helder en
[11]scheen te blikken naar een ver visioen, dat hem verbaasde en verrukte
tegelijkertijd.
En zoo was professor Leyden zelf de meest interessante patiënt van zijn zoo
beroemde kliniek geworden, werd hij het middelpunt en het studie-object
van de meest vooraanstaanden onder zijn collega’s.
Page 14
Slechts de juridische faculteit bleef met groote verontwaardiging het ziekte-
proces volgen, bereid om zoodra dit proces ten einde was, den ontwaakten
professor tot slachtoffer van een juridisch proces te maken, daar hij zich aan
den vorm van het recht vergrepen had.
Een dergelijke handelwijze vervolgt de juridische faculteit altijd met groote
hardnekkigheid en zij rust niet voor het vergrijp tegen den vorm der wet,
gewraakt en gewroken is. Dit behoedt haar er voor, gedwongen te worden
studie te maken van den geest der wetgeving. [12]
proces volgen, bereid om zoodra dit proces ten einde was, den ontwaakten
professor tot slachtoffer van een juridisch proces te maken, daar hij zich aan
den vorm van het recht vergrepen had.
Een dergelijke handelwijze vervolgt de juridische faculteit altijd met groote
hardnekkigheid en zij rust niet voor het vergrijp tegen den vorm der wet,
gewraakt en gewroken is. Dit behoedt haar er voor, gedwongen te worden
studie te maken van den geest der wetgeving. [12]
Page 15
[Inhoud]
Page 16
II.
De toestand van Prof. Dr. G. Leyden richtte de aandacht van de geleerden
op het wezen der narcose. Tot heden had men aangenomen, dat door het
gebruik van chloroform, lachgas, ether, chlooraethyl tijdelijk sommige
functies van een zeker deel der hersenen buiten werking worden gesteld,
waardoor gevoelloosheid intreedt.
De narcose, opgewekt door inademing van het verdoovende middel
waardoor het vluchtige narcoticum met de ademhalingslucht in de longen
komt en vandaar met de zuurstof in het bloed wordt opgenomen, waarop het
bloed het naar de hersenen voert, verlamt de werking van dit centraal
orgaan, concludeerde men. Maar de locaal-anaesthesie of plaatselijke
ongevoeligheid kon langs dezen weg niet verklaard worden. Men bereikte
deze plaatselijke ongevoeligheid ten eerste door afkoeling. Op de huid nabij
het te behandelen lichaamsdeel werd een snel verdampende vloeistof
gedruppeld, opdat de door de verdamping ontstane afkoeling de werking
der gevoelszenuwen zou opheffen. Vroeger [13]werd het meest hiertoe
aether gebezigd, later het nog eerder kokende chlooraethyl. Ten tweede
gebruikte men zenuwvergiften, hoofdzakelijk cocaïne. Door indruppeling
van een 1 tot 5% oplossing in het oog of de uretra of door het betten met
een in cocaïne gedrenkte tampon van neus of keel kunnen de uitwendig
bereikbare slijmvliezen voldoende verdoofd worden om eene, voor een
kortdurende operatie voldoende, gevoelloosheid te verkrijgen. Om het
zenuwvergift niet te sterk te doen werken, werd soms omsnoering van het te
behandelen lichaamsdeel gebezigd of de cocaïne vermengd met adrenaline.
Adrenaline wordt verkregen uit de bijnier en heeft de eigenschap om zelfs
in zeer sterke verdunningen onze bloedvaten te vernauwen, waardoor de
bloedtoevoer naar de slijmvliezen zooal niet geheel afgesloten, dan toch
zeer verminderd wordt.
De toestand van Prof. Dr. G. Leyden richtte de aandacht van de geleerden
op het wezen der narcose. Tot heden had men aangenomen, dat door het
gebruik van chloroform, lachgas, ether, chlooraethyl tijdelijk sommige
functies van een zeker deel der hersenen buiten werking worden gesteld,
waardoor gevoelloosheid intreedt.
De narcose, opgewekt door inademing van het verdoovende middel
waardoor het vluchtige narcoticum met de ademhalingslucht in de longen
komt en vandaar met de zuurstof in het bloed wordt opgenomen, waarop het
bloed het naar de hersenen voert, verlamt de werking van dit centraal
orgaan, concludeerde men. Maar de locaal-anaesthesie of plaatselijke
ongevoeligheid kon langs dezen weg niet verklaard worden. Men bereikte
deze plaatselijke ongevoeligheid ten eerste door afkoeling. Op de huid nabij
het te behandelen lichaamsdeel werd een snel verdampende vloeistof
gedruppeld, opdat de door de verdamping ontstane afkoeling de werking
der gevoelszenuwen zou opheffen. Vroeger [13]werd het meest hiertoe
aether gebezigd, later het nog eerder kokende chlooraethyl. Ten tweede
gebruikte men zenuwvergiften, hoofdzakelijk cocaïne. Door indruppeling
van een 1 tot 5% oplossing in het oog of de uretra of door het betten met
een in cocaïne gedrenkte tampon van neus of keel kunnen de uitwendig
bereikbare slijmvliezen voldoende verdoofd worden om eene, voor een
kortdurende operatie voldoende, gevoelloosheid te verkrijgen. Om het
zenuwvergift niet te sterk te doen werken, werd soms omsnoering van het te
behandelen lichaamsdeel gebezigd of de cocaïne vermengd met adrenaline.
Adrenaline wordt verkregen uit de bijnier en heeft de eigenschap om zelfs
in zeer sterke verdunningen onze bloedvaten te vernauwen, waardoor de
bloedtoevoer naar de slijmvliezen zooal niet geheel afgesloten, dan toch
zeer verminderd wordt.
Page 17
Maar waarom nu juist deze stoffen verdoovend werken en waarom zij bij
verschillende personen op zoo geheel verscheiden wijze resultaten geven,
zoodat b.v. het lachgas sommige menschen buitengewoon vroolijk en
luidruchtig (vandaar de naam), anderen echter diep zwaarmoedig maakt,
wist men niet. Het waren de psychologen en de physiologen die tot de
conclusie kwamen, dat narcose wel een zichtbare werking op en van
zenuwen en hersenen veroorzaakt, maar dat de eigenlijke werking uitgaat
van de ziel. [14]
De geheimzinnige bron van alle levensfuncties—de ziel—werd thans voor
’t eerst aan een streng wetenschappelijk onderzoek onderworpen. De
mensch bleek dus in staat door zekere stoffen zooals o.m. chloroformdamp
invloed op de ziel te kunnen uitoefenen. Het zichtbaar resultaat van dien
invloed was verdooving, was lichamelijke gevoelloosheid. Maar wat waren
de onzichtbare resultaten?
De meeste patiënten verhaalden later dat zij, toen zij genarcotiseerd werden,
eerst langzaam alle indrukken voelden vervagen. Zij hoorden ten laatste de
stemmen der nabijzijnde personen, professor, dokter, verpleegster als van
heel ver te komen. Daarna nog slechts zwakke geluiden, die niet meer tot
het bewustzijn doordrongen of niet meer door het geheugen werden
bewaard. Maar dan ontstond een toestand, gelijkend op den nachtdroom,
doch intenser, sterker, kleuriger. Sommigen droomden verward. Anderen
pijnlijk. Anderen kregen visioenen. Maar er waren er ook, die den narcose-
droom als een zaligheid hadden ondervonden. Alle besef van tijd, plaats,
lichamelijke gebondenheid was verdwenen en zij hadden in een toestand
van schoone extase verkeerd, welke naar hun zeggen, voor hen, zeer nabij
kwam aan ’t geen zij zich als hemelsche zaligheid of het eeuwige, tijdlooze
geluksleven na den dood, altijd hadden voorgesteld.
Inderdaad gebeurde er echter iets geheel anders. De tijdelijke vergiftiging
door de chloroform- of [15]andere dampen veroorzaakt, dreef de ziel uit het
lichaam, in het lichaam alleen de regeling der animale functies
verschillende personen op zoo geheel verscheiden wijze resultaten geven,
zoodat b.v. het lachgas sommige menschen buitengewoon vroolijk en
luidruchtig (vandaar de naam), anderen echter diep zwaarmoedig maakt,
wist men niet. Het waren de psychologen en de physiologen die tot de
conclusie kwamen, dat narcose wel een zichtbare werking op en van
zenuwen en hersenen veroorzaakt, maar dat de eigenlijke werking uitgaat
van de ziel. [14]
De geheimzinnige bron van alle levensfuncties—de ziel—werd thans voor
’t eerst aan een streng wetenschappelijk onderzoek onderworpen. De
mensch bleek dus in staat door zekere stoffen zooals o.m. chloroformdamp
invloed op de ziel te kunnen uitoefenen. Het zichtbaar resultaat van dien
invloed was verdooving, was lichamelijke gevoelloosheid. Maar wat waren
de onzichtbare resultaten?
De meeste patiënten verhaalden later dat zij, toen zij genarcotiseerd werden,
eerst langzaam alle indrukken voelden vervagen. Zij hoorden ten laatste de
stemmen der nabijzijnde personen, professor, dokter, verpleegster als van
heel ver te komen. Daarna nog slechts zwakke geluiden, die niet meer tot
het bewustzijn doordrongen of niet meer door het geheugen werden
bewaard. Maar dan ontstond een toestand, gelijkend op den nachtdroom,
doch intenser, sterker, kleuriger. Sommigen droomden verward. Anderen
pijnlijk. Anderen kregen visioenen. Maar er waren er ook, die den narcose-
droom als een zaligheid hadden ondervonden. Alle besef van tijd, plaats,
lichamelijke gebondenheid was verdwenen en zij hadden in een toestand
van schoone extase verkeerd, welke naar hun zeggen, voor hen, zeer nabij
kwam aan ’t geen zij zich als hemelsche zaligheid of het eeuwige, tijdlooze
geluksleven na den dood, altijd hadden voorgesteld.
Inderdaad gebeurde er echter iets geheel anders. De tijdelijke vergiftiging
door de chloroform- of [15]andere dampen veroorzaakt, dreef de ziel uit het
lichaam, in het lichaam alleen de regeling der animale functies
Page 18
achterlatende. Deze animale functies kan men b.v. waarnemen bij het hart,
wanneer het hart uit het lichaam wordt genomen en dan nog blijft
doorkloppen. Bij kippen, die men plotseling den kop afhakt, ziet men vaak,
dat het kop-looze lichaam nog een eind snel voortloopt om aan de laatste
impuls, te vluchten van de plaats des gevaars, uitvoering te geven.
De ziel verlaat dus tijdelijk het vergiftigde lichaam, dat voor haar geen
bewoonbare plaats aanbiedt en begeeft zich naar de sfeer van de zuivere
Psychia. Daar toeft zij, wachtend tot het lichaam, waaruit zij verdreven
werd, weder voor haar bewoonbaar is geworden. Duurt de
onbewoonbaarheid van het lichaam voor de ziel zoo lang, dat de animale
impulsen door de ziel voor haar vertrek achtergelaten, geheel verbruikt zijn,
dan is het voor de ziel onmogelijk in het lichaam weder te keeren. Zij blijft
voortaan in Psychia, in het zielerijk, en het lichaam, zonder ziel en animale
impulsen, vervalt en gaat tot ontbinding over. Dit noemt men sterven,
hoewel het slechts het scheiden is van een onbruikbaar geworden hulsel.
Hoe nu is de toestand in het zielerijk? Bij benadering is vast te stellen, dat
de toestanden in zieleland in overeenstemming zijn met de gesteldheid en
den aard van de ziel, zooals de toestanden in [16]het ziel-in-stoffelijk
lichaamrijk in overeenstemming zijn met die combinatie van ziel-in-stof.
De ziel heeft geen lichaam—dus bezit ook het zielerijk geen
lichamelijkheid. Zij, de ziel, kent geen tijd, geen vorm, geen gestalte, geen
begin, geen einde maar deswege Is zij toch en Is zij zichzelve bewust van
haar zijndheid. Dit moge op ’t eerste vernemen wonderbaar klinken, maar
iemand, die blind geboren is, bezit niet de faculteiten van het zien als
iemand, in ’t bezit van een paar normale, gezonde oogen. Toch ziet de
blindgeborene van ’t oogenblik, dat hij ter wereld komt, doch hij ziet op een
andere wijze dan degeen die oogen heeft en daardoor ziet hij ook geheel
andere dingen en de dingen geheel anders. Hij ziet met de ziel. En daar de
ziel tijd noch afstanden kent, eeuwig onveranderlijk is, de heugenis heeft
van al het eeuwige, dat is hetgeen geschied is, geschiedt en geschieden zal,
ziet hij zoolang hij als kind onbewust is, met de oogen van het verleden, als
wanneer het hart uit het lichaam wordt genomen en dan nog blijft
doorkloppen. Bij kippen, die men plotseling den kop afhakt, ziet men vaak,
dat het kop-looze lichaam nog een eind snel voortloopt om aan de laatste
impuls, te vluchten van de plaats des gevaars, uitvoering te geven.
De ziel verlaat dus tijdelijk het vergiftigde lichaam, dat voor haar geen
bewoonbare plaats aanbiedt en begeeft zich naar de sfeer van de zuivere
Psychia. Daar toeft zij, wachtend tot het lichaam, waaruit zij verdreven
werd, weder voor haar bewoonbaar is geworden. Duurt de
onbewoonbaarheid van het lichaam voor de ziel zoo lang, dat de animale
impulsen door de ziel voor haar vertrek achtergelaten, geheel verbruikt zijn,
dan is het voor de ziel onmogelijk in het lichaam weder te keeren. Zij blijft
voortaan in Psychia, in het zielerijk, en het lichaam, zonder ziel en animale
impulsen, vervalt en gaat tot ontbinding over. Dit noemt men sterven,
hoewel het slechts het scheiden is van een onbruikbaar geworden hulsel.
Hoe nu is de toestand in het zielerijk? Bij benadering is vast te stellen, dat
de toestanden in zieleland in overeenstemming zijn met de gesteldheid en
den aard van de ziel, zooals de toestanden in [16]het ziel-in-stoffelijk
lichaamrijk in overeenstemming zijn met die combinatie van ziel-in-stof.
De ziel heeft geen lichaam—dus bezit ook het zielerijk geen
lichamelijkheid. Zij, de ziel, kent geen tijd, geen vorm, geen gestalte, geen
begin, geen einde maar deswege Is zij toch en Is zij zichzelve bewust van
haar zijndheid. Dit moge op ’t eerste vernemen wonderbaar klinken, maar
iemand, die blind geboren is, bezit niet de faculteiten van het zien als
iemand, in ’t bezit van een paar normale, gezonde oogen. Toch ziet de
blindgeborene van ’t oogenblik, dat hij ter wereld komt, doch hij ziet op een
andere wijze dan degeen die oogen heeft en daardoor ziet hij ook geheel
andere dingen en de dingen geheel anders. Hij ziet met de ziel. En daar de
ziel tijd noch afstanden kent, eeuwig onveranderlijk is, de heugenis heeft
van al het eeuwige, dat is hetgeen geschied is, geschiedt en geschieden zal,
ziet hij zoolang hij als kind onbewust is, met de oogen van het verleden, als
Page 19
hij ouder wordt en bewuster, met de oogen van de toekomst en wordt
daardoor vaak profetisch, wordt „de blinde Ziener”. Zoodra men hem door
onderricht leert voelen, tasten, hem lichamelijke, ruimtelijke voorstellingen
bijbrengt, krijgt hij als het ware een zeker soort lichamelijke oogen in zijn
vingertoppen, zijn voetzolen, zijn ellebogen, zijn knieën, zijn schouders,
zijn neus, zijn lippen enz. enz. en naar de mate hij vordert in het gebruik
van deze gevoels-oogen (of gevoelstasters [17]en horens) zal zijn vermogen
om met de zielsoogen te zien verminderen en ten laatste zoo goed als
ophouden. Eerst als op hoogen leeftijd deze lichamelijke gevoels-oogen
weder verzwakken en afstompen (juist als de normale oogen bij den
normalen mensch) zal zijn zielsoog zich weder in zijn dienst stellen en
daarom zijn „de blinde zieners” doorgaans ook grijsaards. Want de jeugd,
ook de blindgeboren jeugd, wordt verhinderd in het zuivere zien, dat is het
vooruitzien, door de zinnelijkheid. De ouderdom kan de toekomst zuiver en
onzinnelijk toetsen aan verleden en heden en daardoor in enkele gevallen
tot ware profetie komen. Want in het zielerijk is alles wat gebeurende is,
ook reeds gebeurd en alles wat gebeuren zal, reeds gebeurende, daar er
immers in het zieleland niet zooals in ons normale, gewone leven, een
verdeeling is van tijd en ruimte. Toen nu professor Leyden onder narcose
van de klieren uit een dierenlichaam voorzien was, gebeurde er iets, dat
wonderbaarlijk scheen, maar inderdaad zuiver logisch verklaard kan
worden.
De ziel had het onbewoonbaar geworden lichaam tijdelijk verlaten, na voor
eenigen tijd animale impulsies te hebben achtergelaten. Deze animale
impulsies nu werden door de ingeënte, dierlijke klieren automatisch
opgenomen en automatisch opgevolgd, zoodat het lichaam niet tot
ontbinding kon overgaan, maar integendeel zich lichamelijk animaal
verjongde. Desondanks bleef het [18]helaas voor de ziel onbewoonbaar, daar
door dezelfde impulsen als de animale werkingen voortgingen, de
chloroformdampen vastgehouden werden. Zoo dus verbleef de ziel van
professor Leyden in Psychia, in het zielerijk en daar de ziel geen besef van
tijd heeft, bleef zij daar toeven, wachtende op het ontbinden van het
daardoor vaak profetisch, wordt „de blinde Ziener”. Zoodra men hem door
onderricht leert voelen, tasten, hem lichamelijke, ruimtelijke voorstellingen
bijbrengt, krijgt hij als het ware een zeker soort lichamelijke oogen in zijn
vingertoppen, zijn voetzolen, zijn ellebogen, zijn knieën, zijn schouders,
zijn neus, zijn lippen enz. enz. en naar de mate hij vordert in het gebruik
van deze gevoels-oogen (of gevoelstasters [17]en horens) zal zijn vermogen
om met de zielsoogen te zien verminderen en ten laatste zoo goed als
ophouden. Eerst als op hoogen leeftijd deze lichamelijke gevoels-oogen
weder verzwakken en afstompen (juist als de normale oogen bij den
normalen mensch) zal zijn zielsoog zich weder in zijn dienst stellen en
daarom zijn „de blinde zieners” doorgaans ook grijsaards. Want de jeugd,
ook de blindgeboren jeugd, wordt verhinderd in het zuivere zien, dat is het
vooruitzien, door de zinnelijkheid. De ouderdom kan de toekomst zuiver en
onzinnelijk toetsen aan verleden en heden en daardoor in enkele gevallen
tot ware profetie komen. Want in het zielerijk is alles wat gebeurende is,
ook reeds gebeurd en alles wat gebeuren zal, reeds gebeurende, daar er
immers in het zieleland niet zooals in ons normale, gewone leven, een
verdeeling is van tijd en ruimte. Toen nu professor Leyden onder narcose
van de klieren uit een dierenlichaam voorzien was, gebeurde er iets, dat
wonderbaarlijk scheen, maar inderdaad zuiver logisch verklaard kan
worden.
De ziel had het onbewoonbaar geworden lichaam tijdelijk verlaten, na voor
eenigen tijd animale impulsies te hebben achtergelaten. Deze animale
impulsies nu werden door de ingeënte, dierlijke klieren automatisch
opgenomen en automatisch opgevolgd, zoodat het lichaam niet tot
ontbinding kon overgaan, maar integendeel zich lichamelijk animaal
verjongde. Desondanks bleef het [18]helaas voor de ziel onbewoonbaar, daar
door dezelfde impulsen als de animale werkingen voortgingen, de
chloroformdampen vastgehouden werden. Zoo dus verbleef de ziel van
professor Leyden in Psychia, in het zielerijk en daar de ziel geen besef van
tijd heeft, bleef zij daar toeven, wachtende op het ontbinden van het
Page 20
lichaam. Maar daar deze ontbinding niet geschiedde, tegengehouden door
de werking van de animale ziel, welke met de werkzame klieren aan een
levend dier ontnomen, in het lichaam van prof. Leyden was gebracht,
ontstond er een toestand van stationaire gescheidenheid van ziel en lichaam,
zonder dat op deze de volkomen scheiding door de ontbinding van het
stoffelijk lichaam volgde.
Ziedaar waarom de medische faculteit voor een geval stond, dat voor haar
stimulans werd tot de meest diepgaande en voor de menschheid zegenrijke
onderzoekingen en de juridische faculteit tot een aantal nieuwe
wetsontwerpen inspireerde, welke alle ten doel hadden het zoover te
krijgen, dat ook ten aanzien van een bewustelooze, maatregelen konden
genomen worden ter bestraffing van volgens haar ontoelaatbare
wetsontduiking.
De juridische faculteit, er op uit een vergrijp tegen den vorm van de wet, te
wraken en te wreken, eischte niets minder dan de veroordeeling van prof.
Leyden tot een boete van ten hoogste duizend gulden subsidair één dag
hechtenis voor elke niet betaalde [19]vijftig cent, reglementair aangevuld
door de straf van de twee dagen op water en brood, welke volgens de wet
op elken hechteling toepasselijk is.
Onderwijl bleef professor Leyden rustig zijn narcotischen slaap doorslapen
en onbewust van het groote gevaar, de juridische faculteit tegen zich in ’t
harnas gejaagd te hebben, ademde hij kalm als een mensch, wien het
animaal-lichamelijk naar den vleeze gaat en wiens ziel verleden, heden en
toekomst kent in de synthèse der psychische extase. [20]
de werking van de animale ziel, welke met de werkzame klieren aan een
levend dier ontnomen, in het lichaam van prof. Leyden was gebracht,
ontstond er een toestand van stationaire gescheidenheid van ziel en lichaam,
zonder dat op deze de volkomen scheiding door de ontbinding van het
stoffelijk lichaam volgde.
Ziedaar waarom de medische faculteit voor een geval stond, dat voor haar
stimulans werd tot de meest diepgaande en voor de menschheid zegenrijke
onderzoekingen en de juridische faculteit tot een aantal nieuwe
wetsontwerpen inspireerde, welke alle ten doel hadden het zoover te
krijgen, dat ook ten aanzien van een bewustelooze, maatregelen konden
genomen worden ter bestraffing van volgens haar ontoelaatbare
wetsontduiking.
De juridische faculteit, er op uit een vergrijp tegen den vorm van de wet, te
wraken en te wreken, eischte niets minder dan de veroordeeling van prof.
Leyden tot een boete van ten hoogste duizend gulden subsidair één dag
hechtenis voor elke niet betaalde [19]vijftig cent, reglementair aangevuld
door de straf van de twee dagen op water en brood, welke volgens de wet
op elken hechteling toepasselijk is.
Onderwijl bleef professor Leyden rustig zijn narcotischen slaap doorslapen
en onbewust van het groote gevaar, de juridische faculteit tegen zich in ’t
harnas gejaagd te hebben, ademde hij kalm als een mensch, wien het
animaal-lichamelijk naar den vleeze gaat en wiens ziel verleden, heden en
toekomst kent in de synthèse der psychische extase. [20]
Page 21
[Inhoud]
Page 22
III.
Toen prof. Leyden zich aan de operatie onderwierp, was hij met het vaste
plan bezield geweest, voor zoover het maar eenigszins ging, te onderzoeken
welke de verschijnselen en bij-verschijnselen van de narcose zijn. Hij had
in zijn praktijk reeds honderden malen de patiënten na hun herstel omtrent
de indrukken, welke zij bij, tijdens en na de narcose hadden opgedaan,
ondervraagd. Hoewel hij zoo in het bezit van een groot aantal voor de
wetenschappelijke behandeling van het narcose-vraagstuk belangrijke
mededeelingen was gekomen, toch had hij het ware studie-materiaal niet
verworven. De patiënten waren doorgaans te veel onder den indruk van de
gebeurtenis, te bevreesd voor een, altijd mogelijken, dood tijdens of
dadelijk na de operatie onder narcose, dan dat zij zich voldoende nuchter
rekenschap van ’t geen met hen gebeurde, konden geven. Daarom voelde
prof. Leyden, toen hij nu eindelijk zelf zich op de operatie-tafel uitstrekte
en „onder de kap” zou gebracht worden, een zekere blijmoedige voldoening
om niet te zeggen, blijdschap. [21]De aanwezige jongeren, de aspirant-
medici waarvan gehoopt werd, dat enkelen het eens tot medicus zouden
brengen, met hun gewoon gebrek aan flair en genie om een goede diagnose
te stellen (waarvoor èn flair èn genie gevoegd bij goed geluk noodig zijn)
schreven deze vroolijkheid van den ouden heer op de operatie-tafel toe aan
zijn verwachting, dat hij na de operatie, als een van henzelf, zich weder aan
de velerlei vermaken van de jongelingschap zou kunnen overgeven. Waarbij
de professor dan het voordeel zou hebben, niet op vaders, ooms of tantes
kas, ja zelfs op moeders huishoudgeld te moeten teren, doch voorzien te
zijn van een professors-honorarium, benevens een in den loop der jaren
door de gegoede patiënten vereerd niet onaanzienlijk kapitaal. Hoe weinig
doorzien lichtzinnige studiosi het hart eens waardigen voorgangers, zelfs op
het oogenblik dat hij zich op de operatie-tafel neerlegt, ten einde door een
kunstbewerking zijn zilveren haren te doen veranderen in de kastanje-
Toen prof. Leyden zich aan de operatie onderwierp, was hij met het vaste
plan bezield geweest, voor zoover het maar eenigszins ging, te onderzoeken
welke de verschijnselen en bij-verschijnselen van de narcose zijn. Hij had
in zijn praktijk reeds honderden malen de patiënten na hun herstel omtrent
de indrukken, welke zij bij, tijdens en na de narcose hadden opgedaan,
ondervraagd. Hoewel hij zoo in het bezit van een groot aantal voor de
wetenschappelijke behandeling van het narcose-vraagstuk belangrijke
mededeelingen was gekomen, toch had hij het ware studie-materiaal niet
verworven. De patiënten waren doorgaans te veel onder den indruk van de
gebeurtenis, te bevreesd voor een, altijd mogelijken, dood tijdens of
dadelijk na de operatie onder narcose, dan dat zij zich voldoende nuchter
rekenschap van ’t geen met hen gebeurde, konden geven. Daarom voelde
prof. Leyden, toen hij nu eindelijk zelf zich op de operatie-tafel uitstrekte
en „onder de kap” zou gebracht worden, een zekere blijmoedige voldoening
om niet te zeggen, blijdschap. [21]De aanwezige jongeren, de aspirant-
medici waarvan gehoopt werd, dat enkelen het eens tot medicus zouden
brengen, met hun gewoon gebrek aan flair en genie om een goede diagnose
te stellen (waarvoor èn flair èn genie gevoegd bij goed geluk noodig zijn)
schreven deze vroolijkheid van den ouden heer op de operatie-tafel toe aan
zijn verwachting, dat hij na de operatie, als een van henzelf, zich weder aan
de velerlei vermaken van de jongelingschap zou kunnen overgeven. Waarbij
de professor dan het voordeel zou hebben, niet op vaders, ooms of tantes
kas, ja zelfs op moeders huishoudgeld te moeten teren, doch voorzien te
zijn van een professors-honorarium, benevens een in den loop der jaren
door de gegoede patiënten vereerd niet onaanzienlijk kapitaal. Hoe weinig
doorzien lichtzinnige studiosi het hart eens waardigen voorgangers, zelfs op
het oogenblik dat hij zich op de operatie-tafel neerlegt, ten einde door een
kunstbewerking zijn zilveren haren te doen veranderen in de kastanje-
Page 23
bruine lokken des jongelings. Verre er van, dat prof. Leyden in deze
oogenblikken dacht aan toekomstige jongelings-liefdesavonturen, hoewel
prof. Leyden sedert decennia weduwnaar was, gingen al de gedachten van
den eerwaardigen bijna zeventigjarigen geleerde slechts naar één doel—den
dienst der wetenschap tot heil der lijdende menschheid. Onbevreesd voor
den dood na een leven, vervuld van studie, arbeid en menschlievendheid,
niet in het [22]minst onder den indruk van al de voorbereidingen in de
operatie-zaal, die immers voor hem even gewoon waren als het koken van
de aardappelen voor een keukenmeid, popelde hij als het ware van vreugde,
dat hij nu eens rustig, nuchter en toegerust met een streng
wetenschappelijke veelomvattende studie ten aanzien van het geval, de
narcose en haar verschijnselen van nabij zou kunnen onderzoeken. Te voren
had hij nog in een rede, welke door een rector-magnificus bij het openen der
college’s gehouden, tot zelfs de bewondering van de on-deskundige
reporters zou afgedwongen hebben, welke deze rede, als naar gewoonte
verkort en van de hoofdzaken ontdaan, naar hun couranten hadden te
seinen, aan zijn assistenten uitgelegd, waarom in zijn geval een injectie van
stovaïne in den zak van de ruggemergvliezen, niet aanbevelenswaardig was.
Hij had het chloroform-zuurstofinhalatie toestel van Roth-Dräger, dat
gebruikt zou worden, zelf nog te voren nagezien. Hij had nog eens uitvoerig
aan zijn assistenten en de aspirant-medici (voor hoevelen der laatsten was
dit paarlen voor de niet-corpsleden geworpen?) uitgelegd, dat hij aan
chloroform de voorkeur boven aether gaf, omdat bij de aethernarcose de
kap zoo groot is, dat zij het geheele gelaat omsluit, ter voorkoming van
verlies door de ontwijking der vluchtige dampen. De kap, bestaande uit een
netwerk van vernikkeld koperdraad, waarover een stuk molton met de ruwe
[23]zijde naar binnen is gespannen, bedekt het gelaat geheel, waardoor de
zoo hoogst nuttige contrôle van de gelaatstint van den patiënt onmogelijk
wordt.
Het chloroformkapje is kleiner. Evenwel, aldus doceerde de eerwaardige
geleerde, één oogenblik voor hij zich op de operatie-tafel uitstrekte,
chloroform werkt bijtend op de huid. Om een verbranding door afdruipend
oogenblikken dacht aan toekomstige jongelings-liefdesavonturen, hoewel
prof. Leyden sedert decennia weduwnaar was, gingen al de gedachten van
den eerwaardigen bijna zeventigjarigen geleerde slechts naar één doel—den
dienst der wetenschap tot heil der lijdende menschheid. Onbevreesd voor
den dood na een leven, vervuld van studie, arbeid en menschlievendheid,
niet in het [22]minst onder den indruk van al de voorbereidingen in de
operatie-zaal, die immers voor hem even gewoon waren als het koken van
de aardappelen voor een keukenmeid, popelde hij als het ware van vreugde,
dat hij nu eens rustig, nuchter en toegerust met een streng
wetenschappelijke veelomvattende studie ten aanzien van het geval, de
narcose en haar verschijnselen van nabij zou kunnen onderzoeken. Te voren
had hij nog in een rede, welke door een rector-magnificus bij het openen der
college’s gehouden, tot zelfs de bewondering van de on-deskundige
reporters zou afgedwongen hebben, welke deze rede, als naar gewoonte
verkort en van de hoofdzaken ontdaan, naar hun couranten hadden te
seinen, aan zijn assistenten uitgelegd, waarom in zijn geval een injectie van
stovaïne in den zak van de ruggemergvliezen, niet aanbevelenswaardig was.
Hij had het chloroform-zuurstofinhalatie toestel van Roth-Dräger, dat
gebruikt zou worden, zelf nog te voren nagezien. Hij had nog eens uitvoerig
aan zijn assistenten en de aspirant-medici (voor hoevelen der laatsten was
dit paarlen voor de niet-corpsleden geworpen?) uitgelegd, dat hij aan
chloroform de voorkeur boven aether gaf, omdat bij de aethernarcose de
kap zoo groot is, dat zij het geheele gelaat omsluit, ter voorkoming van
verlies door de ontwijking der vluchtige dampen. De kap, bestaande uit een
netwerk van vernikkeld koperdraad, waarover een stuk molton met de ruwe
[23]zijde naar binnen is gespannen, bedekt het gelaat geheel, waardoor de
zoo hoogst nuttige contrôle van de gelaatstint van den patiënt onmogelijk
wordt.
Het chloroformkapje is kleiner. Evenwel, aldus doceerde de eerwaardige
geleerde, één oogenblik voor hij zich op de operatie-tafel uitstrekte,
chloroform werkt bijtend op de huid. Om een verbranding door afdruipend
Page 24
chloroform te voorkomen verzoek ik daarom de zuster, die hiermede sedert
jaren speciaal is belast, ook mij thans, den neusrand, de wangen en ten
laatste de lippen met vaseline in te smeren. Het aantal druppels chloroform,
dat moet verdampen heb ik zelf bepaald, ten einde zelf de geheele
verantwoordelijkheid van deze operatie op een, zich overigens volkomen
gezond gevoelend mensch, te dragen. In het uitnemende toestel van Roth-
Dräger, zullen deze druppels zich geregeld met zuivere zuurstof mengen.
„En nu, mijne vrienden, tot straks, na het ontwaken. Mors vita est.”
De verpleegster smeerde de lippen van den professor met vaseline in. Het
masker werd op een gedeelte van het gelaat gebracht, zoodat neus en
mondholte waren afgesloten, de kraan van den stalen cylinder waarin de
zuurstof zich bevond, werd geopend en professor Leyden, niet zonder het
gevoel van bevrediging, dat elken waarachtigen wetenschappelijken
onderzoeker ondervindt, wanneer hij de natuur een nieuw geheim hoopt te
gaan [24]ontwringen, ontving de eerste indrukken van den bewusten, nuchter
observeerenden mensch onder narcose.
Hij bemerkte, dat de patiënten welke hem allen onveranderlijk gezegd
hadden, dat het eerste gevoel overeenkomt met het gevoel, dat men heeft
even vóór het inslapen ’s avonds op bed, gedwaald hadden, zooals immers
van leeken op wetenschappelijk gebied altijd moet verwacht worden. Daar
men hun te voren had gezegd, dat het eerste gevoel ongeveer zoo zijn zou,
suggereerden zij zichzelf, dat het ook zoo was. Niet anders gaat het met de
menschen, die z.g. mooie natuurtafereelen voor ’t eerst bezichtigen, nadat
de schrijvers in hun reisgidsen allen eenstemmig verklaard hebben (ter wille
van de advertenties op de achterste of voorste pagina’s van het boek), dat
bedoeld natuurtafereel bijzonder mooi is. Zij vinden het natuurtafereel
verrukkelijk of schitterend, zelfs als een dichte mist het tijdens de
bezichtiging aan het oog onttrekt. Er zijn weinig menschen, die een eigen
overtuiging hebben en er zijn er nog minder, die den moed bezitten van die
eigen overtuiging te gewagen. De meeste menschen gaan hun leven door
jaren speciaal is belast, ook mij thans, den neusrand, de wangen en ten
laatste de lippen met vaseline in te smeren. Het aantal druppels chloroform,
dat moet verdampen heb ik zelf bepaald, ten einde zelf de geheele
verantwoordelijkheid van deze operatie op een, zich overigens volkomen
gezond gevoelend mensch, te dragen. In het uitnemende toestel van Roth-
Dräger, zullen deze druppels zich geregeld met zuivere zuurstof mengen.
„En nu, mijne vrienden, tot straks, na het ontwaken. Mors vita est.”
De verpleegster smeerde de lippen van den professor met vaseline in. Het
masker werd op een gedeelte van het gelaat gebracht, zoodat neus en
mondholte waren afgesloten, de kraan van den stalen cylinder waarin de
zuurstof zich bevond, werd geopend en professor Leyden, niet zonder het
gevoel van bevrediging, dat elken waarachtigen wetenschappelijken
onderzoeker ondervindt, wanneer hij de natuur een nieuw geheim hoopt te
gaan [24]ontwringen, ontving de eerste indrukken van den bewusten, nuchter
observeerenden mensch onder narcose.
Hij bemerkte, dat de patiënten welke hem allen onveranderlijk gezegd
hadden, dat het eerste gevoel overeenkomt met het gevoel, dat men heeft
even vóór het inslapen ’s avonds op bed, gedwaald hadden, zooals immers
van leeken op wetenschappelijk gebied altijd moet verwacht worden. Daar
men hun te voren had gezegd, dat het eerste gevoel ongeveer zoo zijn zou,
suggereerden zij zichzelf, dat het ook zoo was. Niet anders gaat het met de
menschen, die z.g. mooie natuurtafereelen voor ’t eerst bezichtigen, nadat
de schrijvers in hun reisgidsen allen eenstemmig verklaard hebben (ter wille
van de advertenties op de achterste of voorste pagina’s van het boek), dat
bedoeld natuurtafereel bijzonder mooi is. Zij vinden het natuurtafereel
verrukkelijk of schitterend, zelfs als een dichte mist het tijdens de
bezichtiging aan het oog onttrekt. Er zijn weinig menschen, die een eigen
overtuiging hebben en er zijn er nog minder, die den moed bezitten van die
eigen overtuiging te gewagen. De meeste menschen gaan hun leven door
Page 25
onder suggestie’s van anderen en van de voorgeslachten, zonder zelfs tot het
bewustzijn te komen van hun eigenlijk inwendig ik en diens werkelijke
indrukken en ervaringen.
Het was, constateerde prof. Leyden, geenszins het gevoel van voor het
inslapen des avonds. Het [25]was integendeel het gevoel van voor het
inslapen des middags voor het dutje. De niet-wetenschappelijk gevormde
mensch, meent dat er tusschen die beide perioden geen verschil is. Doch
een wetenschappelijk toegerust man als prof. Leyden, kende heel goed het
onderscheid tusschen het inslapen tegen den nacht, nadat de zenuwen en de
spieren zijn afgewerkt, de atmosfeer door het verdwijnen van het zonlicht
en de uitwaseming van aarde en planten van andere samenstelling is
geworden en het inslapen op den middag na het diner, in het volle licht van
de zon, met het bewustzijn op zijn hoogst na een uur weder te ontwaken.
Degeen, die zich des avonds te slapen legt, doet dit met een volkomen
overgave aan de lange nachtrust en zijn doel is een zoo diep mogelijke en
zoo vast mogelijke ononderbroken slaap van zes tot acht à negen uren. Hij
zoekt een vergetelheid, overeenkomende met een vorm van dood-zijn. Maar
wie voor een namiddag dutje „insluimert”, zoekt slechts een tijdelijk, licht
herstel van krachten. Hij wenscht geen zoo groot mogelijke vergetelheid,
maar alleen de hersenfuncties eenige oogenblikken buiten werking te
stellen. Men knapt een „uiltje” en staat dan op „frisch als een hoentje”.
Deze populaire uitdrukkingen wijzen er op, dat het middagslaapje
overeenkomst heeft met den lichten slaap van vogels. De middagslaper is
als de uil, die in het zonlicht niet of zeer onvolkomen ziet, hoewel hij niet
slaapt, wanneer des [26]daags de vogels ondeugend plagend en tartend om
hem heen vliegen.
„Niet als het inslapen des avonds, maar als het inslapen voor het
middagdutje” constateerde prof. Leyden en hij dacht er heel helder bij: „Al
weder een bewijs voor mijn stelling om den niet-wetenschappelijke slechts
naar de wijze van den wetenschappelijke te vertrouwen.”
bewustzijn te komen van hun eigenlijk inwendig ik en diens werkelijke
indrukken en ervaringen.
Het was, constateerde prof. Leyden, geenszins het gevoel van voor het
inslapen des avonds. Het [25]was integendeel het gevoel van voor het
inslapen des middags voor het dutje. De niet-wetenschappelijk gevormde
mensch, meent dat er tusschen die beide perioden geen verschil is. Doch
een wetenschappelijk toegerust man als prof. Leyden, kende heel goed het
onderscheid tusschen het inslapen tegen den nacht, nadat de zenuwen en de
spieren zijn afgewerkt, de atmosfeer door het verdwijnen van het zonlicht
en de uitwaseming van aarde en planten van andere samenstelling is
geworden en het inslapen op den middag na het diner, in het volle licht van
de zon, met het bewustzijn op zijn hoogst na een uur weder te ontwaken.
Degeen, die zich des avonds te slapen legt, doet dit met een volkomen
overgave aan de lange nachtrust en zijn doel is een zoo diep mogelijke en
zoo vast mogelijke ononderbroken slaap van zes tot acht à negen uren. Hij
zoekt een vergetelheid, overeenkomende met een vorm van dood-zijn. Maar
wie voor een namiddag dutje „insluimert”, zoekt slechts een tijdelijk, licht
herstel van krachten. Hij wenscht geen zoo groot mogelijke vergetelheid,
maar alleen de hersenfuncties eenige oogenblikken buiten werking te
stellen. Men knapt een „uiltje” en staat dan op „frisch als een hoentje”.
Deze populaire uitdrukkingen wijzen er op, dat het middagslaapje
overeenkomst heeft met den lichten slaap van vogels. De middagslaper is
als de uil, die in het zonlicht niet of zeer onvolkomen ziet, hoewel hij niet
slaapt, wanneer des [26]daags de vogels ondeugend plagend en tartend om
hem heen vliegen.
„Niet als het inslapen des avonds, maar als het inslapen voor het
middagdutje” constateerde prof. Leyden en hij dacht er heel helder bij: „Al
weder een bewijs voor mijn stelling om den niet-wetenschappelijke slechts
naar de wijze van den wetenschappelijke te vertrouwen.”
Page 26
Hij begon nu de geluiden in de operatie-zaal als meer verwijderd te hooren.
Doch opnieuw betrapte hij den leek op de gewone vergissing, den schijn
van het feit, voor het feit zelf te houden. Niet de geluiden kwamen
inderdaad van ver af. Dit was slechts zelf-suggestie. Inderdaad waren de
geluiden even dichtbij of ver-af als gewoonlijk. Een der aspirant-medici,
toegelaten tot het bijwonen van de kunstbewerking had de groote
achteloosheid betoond, in een linnen operatie-jas te verschijnen, die door
een klein, arm waschvrouwtje gewasschen was in stede van in de inrichting.
Het arme vrouwtje had de operatie-jas, evenals de andere wasch, gedroogd
voor het fornuis in het eenige vertrek, dat zij bewoonde met haar acht
kinderen, haar eigen moeder en haar schoonmoeder, benevens haar luiaard
en dronkaard van een man, die zoodra hij bemerkt had, dat zijn vrouw als
waschvrouw de kost voor het gezin kon verdienen tot de overtuiging was
gekomen, dat hij de „slavernij” op de fabriek of werkplaats en den stok van
den patroon kon ontgaan, door zichzelf tot stokdrager [27]over zijn
deemoedige huissloof te bevorderen en voortaan geen anderen heer meer te
erkennen dan koning Alcohol. Het gevolg van dit te consequent doorvoeren
van het principe der absolute monarchie was, dat de linnen operatie-jas van
den aspirant-medicus of semi-arts, rook naar al de geuren en geurtjes van
wat overdrachtelijk een troonzaal kon genoemd worden, als jenever, chloor,
huishoudzeep, kinderluiers, in ranzige olie gebakken panharing, slechte
tabak, cichorei-aftreksel, kortom naar de geuren, die eens den grooten poëet
Shakespeare er toe brachten te zeggen, dat het „volk stinkt”. De operateur
had nu den geur der armoede van den linnen jas van den student opgemerkt
en den uit een beurs studeerenden aspirant-medicus dringend verzocht
onmiddellijk de operatie-zaal te verlaten.
Professor Leyden nu, hoorde eerst het verontwaardigd bevel van den
operateur als van verre te komen. Maar daar ook hij zich ergerde over de
lakenswaardige onvoorzichtigheid van den jongen student, werd zijn
bewustzijn plotseling verscherpt en hij hoorde thans opeens weer duidelijk
en van heel dichtbij, dat een der assistenten „schandelijk!” zeide, waarop de
Doch opnieuw betrapte hij den leek op de gewone vergissing, den schijn
van het feit, voor het feit zelf te houden. Niet de geluiden kwamen
inderdaad van ver af. Dit was slechts zelf-suggestie. Inderdaad waren de
geluiden even dichtbij of ver-af als gewoonlijk. Een der aspirant-medici,
toegelaten tot het bijwonen van de kunstbewerking had de groote
achteloosheid betoond, in een linnen operatie-jas te verschijnen, die door
een klein, arm waschvrouwtje gewasschen was in stede van in de inrichting.
Het arme vrouwtje had de operatie-jas, evenals de andere wasch, gedroogd
voor het fornuis in het eenige vertrek, dat zij bewoonde met haar acht
kinderen, haar eigen moeder en haar schoonmoeder, benevens haar luiaard
en dronkaard van een man, die zoodra hij bemerkt had, dat zijn vrouw als
waschvrouw de kost voor het gezin kon verdienen tot de overtuiging was
gekomen, dat hij de „slavernij” op de fabriek of werkplaats en den stok van
den patroon kon ontgaan, door zichzelf tot stokdrager [27]over zijn
deemoedige huissloof te bevorderen en voortaan geen anderen heer meer te
erkennen dan koning Alcohol. Het gevolg van dit te consequent doorvoeren
van het principe der absolute monarchie was, dat de linnen operatie-jas van
den aspirant-medicus of semi-arts, rook naar al de geuren en geurtjes van
wat overdrachtelijk een troonzaal kon genoemd worden, als jenever, chloor,
huishoudzeep, kinderluiers, in ranzige olie gebakken panharing, slechte
tabak, cichorei-aftreksel, kortom naar de geuren, die eens den grooten poëet
Shakespeare er toe brachten te zeggen, dat het „volk stinkt”. De operateur
had nu den geur der armoede van den linnen jas van den student opgemerkt
en den uit een beurs studeerenden aspirant-medicus dringend verzocht
onmiddellijk de operatie-zaal te verlaten.
Professor Leyden nu, hoorde eerst het verontwaardigd bevel van den
operateur als van verre te komen. Maar daar ook hij zich ergerde over de
lakenswaardige onvoorzichtigheid van den jongen student, werd zijn
bewustzijn plotseling verscherpt en hij hoorde thans opeens weer duidelijk
en van heel dichtbij, dat een der assistenten „schandelijk!” zeide, waarop de
Page 27
operateur weder antwoordde: „Houdt u bij uw taak. Ik heb hier
toestemming noch afkeuring van u noodig!”
Het lag prof. Leyden op de lippen om te zeggen: „Volkomen juist,” toen hij
zich nog bijtijds herinnerde, [28]dat zijn lippen met vaseline besmeerd waren
en niet geopend behoorden te worden. Dat hij zich dit herinnerde en zoo
volkomen helder kon denken, achtte prof. Leyden een feit, van de meest
verstrekkende wetenschappelijke beteekenis. En hij memoreerde: „Tot het
volkomen genarcotiseerd worden is noodig:
„a. het zich bewust onderwerpen aan de operatie, door het met den wil in de
tweede macht verzwakken van den wil in de eerste macht;
„b. het zich onderbewust onderwerpen aan de operatie, door het
onderbewust onderdrukken van den onderbewusten wil door het
onderbewustzijn van de tweede macht onderdrukken van het
onderbewustzijn in de eerste macht.”
En hij formuleerde dit in „achter-gedachten” aldus (wil)2 : (wil)3 = w × w :
w × w × w, of algemeen de W (op zichzelf) is symbool van de (W)x, zijnde
de wil als levensdrijfveer concrete eigenschap van den wil als abstractie
(W)x, gelijk deze (W)x weder is omsloten in den Al-wil, voor te stellen als
((W)x)x, als synthèse op eenvoudige wijze tot zijn simpelsten vorm terug te
brengen als ((X)w)w.
Op hetzelfde oogenblik, dat prof. Leyden aldus zijn indrukken op anti-
laïstische wijze formuleerde, contrôleerde hij tevens de formulatie op
zichzelf en met groote voldoening constateerde hij, dat hij hoewel men
bezig was hem te narcotiseeren, in stede van z.g. bedwelmd te worden, zich
helderder voelde [29]en meer in staat tot de functies der zuivere rede dan
ooit te voren. Maar met de echt wetenschappelijke voorzichtigheid om nooit
een feit aan te nemen, zonder te bedenken, dat een feit altijd resultante is
van een ander feit, doch nooit axiomatisch een feit op zichzelf is, ging hij
thans na, wat de oorzaak kon zijn van dit ongewoon scherp en helder
toestemming noch afkeuring van u noodig!”
Het lag prof. Leyden op de lippen om te zeggen: „Volkomen juist,” toen hij
zich nog bijtijds herinnerde, [28]dat zijn lippen met vaseline besmeerd waren
en niet geopend behoorden te worden. Dat hij zich dit herinnerde en zoo
volkomen helder kon denken, achtte prof. Leyden een feit, van de meest
verstrekkende wetenschappelijke beteekenis. En hij memoreerde: „Tot het
volkomen genarcotiseerd worden is noodig:
„a. het zich bewust onderwerpen aan de operatie, door het met den wil in de
tweede macht verzwakken van den wil in de eerste macht;
„b. het zich onderbewust onderwerpen aan de operatie, door het
onderbewust onderdrukken van den onderbewusten wil door het
onderbewustzijn van de tweede macht onderdrukken van het
onderbewustzijn in de eerste macht.”
En hij formuleerde dit in „achter-gedachten” aldus (wil)2 : (wil)3 = w × w :
w × w × w, of algemeen de W (op zichzelf) is symbool van de (W)x, zijnde
de wil als levensdrijfveer concrete eigenschap van den wil als abstractie
(W)x, gelijk deze (W)x weder is omsloten in den Al-wil, voor te stellen als
((W)x)x, als synthèse op eenvoudige wijze tot zijn simpelsten vorm terug te
brengen als ((X)w)w.
Op hetzelfde oogenblik, dat prof. Leyden aldus zijn indrukken op anti-
laïstische wijze formuleerde, contrôleerde hij tevens de formulatie op
zichzelf en met groote voldoening constateerde hij, dat hij hoewel men
bezig was hem te narcotiseeren, in stede van z.g. bedwelmd te worden, zich
helderder voelde [29]en meer in staat tot de functies der zuivere rede dan
ooit te voren. Maar met de echt wetenschappelijke voorzichtigheid om nooit
een feit aan te nemen, zonder te bedenken, dat een feit altijd resultante is
van een ander feit, doch nooit axiomatisch een feit op zichzelf is, ging hij
thans na, wat de oorzaak kon zijn van dit ongewoon scherp en helder
Page 28
denken tijdens het toedienen van chloroform-zuurstofdampen met het
inhalatie-toestel van Roth-Dräger. Terwijl hij hierover nadacht, voelde hij
dat de wijze, waarop hij dacht, anders was dan gewoonlijk. Het was alsof
het orgaan waardoor de ziel het denken geleidt, alsof zijn hersenen,
vervangen waren door een orgaan, dat minder substantiëel dan de grijze
massa was. Hij voelde dit orgaan niet als grijs maar als cobalt-blauw, intens
cobalt-blauw met lichter-blauwe emanaties. En dadelijk stelde hij,
wetenschappelijk geschoold als hij immers was, vast dat het orgaan,
waardoor hij thans dacht, zoo het al geen phosphorus was, toch zeker
phosphoresceerde.
Met dit bewustzijn trachtte hij op concrete wijze op de hoogte te komen van
zijn toestand in dezen oogenblik. Doch hij bleek daartoe niet in staat, hoe
zeer hij zich ook inspande. Hij had een gevoel alsof hij in rhythmische
zweving verkeerde. Daarom besloot hij voorloopig afstand te doen van de
concrete observatie en zich over te geven aan de abstracte intuïtie. En dit
met een laatste rest van bewustheid doende, stelde hij vast, dat wat hij
bewustheid [30]noemde, op dit oogenblik voor hem onderbewustheid werd
en beter wetenschappelijk ander-bewustheid te noemen was, terwijl wat hij
vóór de narcose als onder-bewustzijn zou hebben geformuleerd, inderdaad
nu voor hem het normale, gewone bewustzijn, het bewustzijn onderworpen
aan een wilsvorm in een eerste macht, was geworden.
Op het oogenblik, dat prof. Leyden dit feit constateerde, lag zijn lichaam
volkomen roerloos en gevoelloos op de operatie-tafel uitgestrekt en was de
narcose volkomen, zoodat de operateur kon beginnen met de eerste snede in
de opperhuid, ten einde de gereed gehouden klieren, kort te voren uit het
lichaam van een genarcotiseerden aap gesneden, plaatselijk in het lichaam
van prof. Leyden aan te brengen. Te zelfder tijd was er bij de juridische
faculteit een consternatie, gelijk in een mierenhoop, waarover een
motorfiets is heengereden. Want prof. Leyden had onbetwistbaar een poging
inhalatie-toestel van Roth-Dräger. Terwijl hij hierover nadacht, voelde hij
dat de wijze, waarop hij dacht, anders was dan gewoonlijk. Het was alsof
het orgaan waardoor de ziel het denken geleidt, alsof zijn hersenen,
vervangen waren door een orgaan, dat minder substantiëel dan de grijze
massa was. Hij voelde dit orgaan niet als grijs maar als cobalt-blauw, intens
cobalt-blauw met lichter-blauwe emanaties. En dadelijk stelde hij,
wetenschappelijk geschoold als hij immers was, vast dat het orgaan,
waardoor hij thans dacht, zoo het al geen phosphorus was, toch zeker
phosphoresceerde.
Met dit bewustzijn trachtte hij op concrete wijze op de hoogte te komen van
zijn toestand in dezen oogenblik. Doch hij bleek daartoe niet in staat, hoe
zeer hij zich ook inspande. Hij had een gevoel alsof hij in rhythmische
zweving verkeerde. Daarom besloot hij voorloopig afstand te doen van de
concrete observatie en zich over te geven aan de abstracte intuïtie. En dit
met een laatste rest van bewustheid doende, stelde hij vast, dat wat hij
bewustheid [30]noemde, op dit oogenblik voor hem onderbewustheid werd
en beter wetenschappelijk ander-bewustheid te noemen was, terwijl wat hij
vóór de narcose als onder-bewustzijn zou hebben geformuleerd, inderdaad
nu voor hem het normale, gewone bewustzijn, het bewustzijn onderworpen
aan een wilsvorm in een eerste macht, was geworden.
Op het oogenblik, dat prof. Leyden dit feit constateerde, lag zijn lichaam
volkomen roerloos en gevoelloos op de operatie-tafel uitgestrekt en was de
narcose volkomen, zoodat de operateur kon beginnen met de eerste snede in
de opperhuid, ten einde de gereed gehouden klieren, kort te voren uit het
lichaam van een genarcotiseerden aap gesneden, plaatselijk in het lichaam
van prof. Leyden aan te brengen. Te zelfder tijd was er bij de juridische
faculteit een consternatie, gelijk in een mierenhoop, waarover een
motorfiets is heengereden. Want prof. Leyden had onbetwistbaar een poging
Page 29
gedaan, de wet, welke zoo duidelijk gebood na het 70ste jaar als professor
af te treden, te ontgaan door te trachten, juist na dien leeftijd, jonger en
krachtiger dan ooit, wetenschap te vergrooten door wetenschap te
verdeelen. [31]
af te treden, te ontgaan door te trachten, juist na dien leeftijd, jonger en
krachtiger dan ooit, wetenschap te vergrooten door wetenschap te
verdeelen. [31]
Page 30
[Inhoud]
Page 31
IV.
Toen prof. Leyden voldoende gewend was aan zijn nieuwen toestand,
begreep hij, dat hij zijn lichaam had verlaten. Ook ving hij aan, een begin
van vermogen te gevoelen, zijn nieuw lichaam tot een bepaalden vorm te
verdichten of liever, hij ervoer dat een zekere wensch opkomend in zijn
ziel, aan die ziel zonder eenige moeite den vorm gaf, dien met dien wensch
strookte. Het ging niet anders dan als met een vloeistof, welke men slechts
in een vat heeft te gieten, opdat zij precies den inwendigen vorm van zulk
een vat aanneme. Toen nu in hem de wensch opkwam, getuige te kunnen
zijn van hetgeen met zijn lichaam op de operatie-tafel gebeurde, stond hij
tezelfder tijd naast den operateur en het was voor hem niet anders, dan
wanneer hij zelf in volkomen normale omstandigheden een operatie bij den
een of anderen patiënt had verricht. Maar voor de aanwezigen in de
operatie-zaal was het wel anders. Want geen hunner bemerkte den
professor, zooals hij daar met een lichaam van damp, even doorzichtig als
de omringende dampkringslucht, [32]tusschen hen stond. Slechts enkelen der
meest sensibelen onder hen, hadden een vaag, door het onderbewustzijn
ontwaard vermoeden, dat de geest van professor Leyden aanwezig was en,
zooals dat gewoonlijk gebeurt, wanneer ons onderbewustzijn iets vermoedt,
maar de achterlijke, materiëele, onzuivere rede van het normaal bewustzijn
zich verzet tegen de overneming der aanvoelingen uit de andere sferen, zoo
deed nu ook de operateur, automatisch (hoewel hij meende zéér bewust iets
te zeggen, zich bijzonder „voelend” nu hij professor Leyden als operateur
verving) hooren, hetgeen in de onderbewustheid naar uiting zocht. „Mijne
heeren,” aldus sprak de operateur, „ik gevoel de tolk van u allen te zijn,
wanneer ik begin met te zeggen, dat ik als met den geest van mijn grooten
voorganger en leermeester, prof. Leyden, deze gewichtige
wetenschappelijke proefneming hoop aan te vangen en te voltooien.” En hij
nam het gesteriliseerde scalpel aan uit de steriele handen van den assistent,
Toen prof. Leyden voldoende gewend was aan zijn nieuwen toestand,
begreep hij, dat hij zijn lichaam had verlaten. Ook ving hij aan, een begin
van vermogen te gevoelen, zijn nieuw lichaam tot een bepaalden vorm te
verdichten of liever, hij ervoer dat een zekere wensch opkomend in zijn
ziel, aan die ziel zonder eenige moeite den vorm gaf, dien met dien wensch
strookte. Het ging niet anders dan als met een vloeistof, welke men slechts
in een vat heeft te gieten, opdat zij precies den inwendigen vorm van zulk
een vat aanneme. Toen nu in hem de wensch opkwam, getuige te kunnen
zijn van hetgeen met zijn lichaam op de operatie-tafel gebeurde, stond hij
tezelfder tijd naast den operateur en het was voor hem niet anders, dan
wanneer hij zelf in volkomen normale omstandigheden een operatie bij den
een of anderen patiënt had verricht. Maar voor de aanwezigen in de
operatie-zaal was het wel anders. Want geen hunner bemerkte den
professor, zooals hij daar met een lichaam van damp, even doorzichtig als
de omringende dampkringslucht, [32]tusschen hen stond. Slechts enkelen der
meest sensibelen onder hen, hadden een vaag, door het onderbewustzijn
ontwaard vermoeden, dat de geest van professor Leyden aanwezig was en,
zooals dat gewoonlijk gebeurt, wanneer ons onderbewustzijn iets vermoedt,
maar de achterlijke, materiëele, onzuivere rede van het normaal bewustzijn
zich verzet tegen de overneming der aanvoelingen uit de andere sferen, zoo
deed nu ook de operateur, automatisch (hoewel hij meende zéér bewust iets
te zeggen, zich bijzonder „voelend” nu hij professor Leyden als operateur
verving) hooren, hetgeen in de onderbewustheid naar uiting zocht. „Mijne
heeren,” aldus sprak de operateur, „ik gevoel de tolk van u allen te zijn,
wanneer ik begin met te zeggen, dat ik als met den geest van mijn grooten
voorganger en leermeester, prof. Leyden, deze gewichtige
wetenschappelijke proefneming hoop aan te vangen en te voltooien.” En hij
nam het gesteriliseerde scalpel aan uit de steriele handen van den assistent,
Page 32
hield het instrument even tegen het licht als om zijn fijnheid en zuiverheid
te onderzoeken en maakte daarna met vaste hand de eerste snede in de
opperhuid.
Voor de onderhuidsche weefsels werd daarna niet het scalpel, maar de
schaar gebruikt.
Prof. Leyden, ten hoogste voldaan over de van eerbied voor een, nog niet
overleden, slechts genarcotiseerden voorganger en leermeester, getuigende
woorden, stak naar zijn gewoonte, zijn wijsvinger tusschen [33]de geopende
beenen van de operatieschaar. Zoo beproefde hij altijd de effenheid der
snijvlakken. Tot zijn verwondering knipte de operateur veel sneller en
krachtiger de schaar dicht, dan hijzelf gewoon was. En nu hoorde hij, dat de
operateur tot den assistent zeide: „Een andere schaar, die met het slot van
Collin”. En zich tot de aspirant-medici richtend, wachtend op de schaar met
het slot van Collin, die tusschen de twee steriele handdoeken gereed lag,
zeide hij: „Het slot van Jetter en Schaerer is bij droog gebruik niet altijd
volkomen betrouwbaar.” Hij zei dit eigenlijk meer uit plichtsgevoel, dan dat
hij verwachtte, dat later de aspiranten, nadat zij hun bul zouden hebben
verworven, nu ook voortaan bij droog gebruik der chirurgische schaar, het
slot van Collin zouden de voorkeur geven. Zij gebruikten het
wonderschoone vermogen van het geheugen dat den mensch is gegeven,
alleen voor het onthouden van de namen dergenen die groot onder hen als
voetballers of als roeiers waren en voorts voor het behouden van de namen
der nieuwste dansen als Fox-Trott, Jazz, Two step. Sommigen waren zoo
ver, dat zij de namen van de meest bekende American Drinks er bij
vermochten te onthouden als Manhattan Cocktail, Texas Flip, Coney Island
Flap, en wenschten deswege pochend op hun geheugen voor „geheel
onthouders” door te gaan, hoewel zij van „onthouden” gesproken, ten
hoogste zichzelf het noodzakelijke weten onthoudende waren. [34]
Liever dan zich toe te leggen op de termen eener levende wetenschap,
scherpten dezulken hun geheugen om de namen eener, sedert de
te onderzoeken en maakte daarna met vaste hand de eerste snede in de
opperhuid.
Voor de onderhuidsche weefsels werd daarna niet het scalpel, maar de
schaar gebruikt.
Prof. Leyden, ten hoogste voldaan over de van eerbied voor een, nog niet
overleden, slechts genarcotiseerden voorganger en leermeester, getuigende
woorden, stak naar zijn gewoonte, zijn wijsvinger tusschen [33]de geopende
beenen van de operatieschaar. Zoo beproefde hij altijd de effenheid der
snijvlakken. Tot zijn verwondering knipte de operateur veel sneller en
krachtiger de schaar dicht, dan hijzelf gewoon was. En nu hoorde hij, dat de
operateur tot den assistent zeide: „Een andere schaar, die met het slot van
Collin”. En zich tot de aspirant-medici richtend, wachtend op de schaar met
het slot van Collin, die tusschen de twee steriele handdoeken gereed lag,
zeide hij: „Het slot van Jetter en Schaerer is bij droog gebruik niet altijd
volkomen betrouwbaar.” Hij zei dit eigenlijk meer uit plichtsgevoel, dan dat
hij verwachtte, dat later de aspiranten, nadat zij hun bul zouden hebben
verworven, nu ook voortaan bij droog gebruik der chirurgische schaar, het
slot van Collin zouden de voorkeur geven. Zij gebruikten het
wonderschoone vermogen van het geheugen dat den mensch is gegeven,
alleen voor het onthouden van de namen dergenen die groot onder hen als
voetballers of als roeiers waren en voorts voor het behouden van de namen
der nieuwste dansen als Fox-Trott, Jazz, Two step. Sommigen waren zoo
ver, dat zij de namen van de meest bekende American Drinks er bij
vermochten te onthouden als Manhattan Cocktail, Texas Flip, Coney Island
Flap, en wenschten deswege pochend op hun geheugen voor „geheel
onthouders” door te gaan, hoewel zij van „onthouden” gesproken, ten
hoogste zichzelf het noodzakelijke weten onthoudende waren. [34]
Liever dan zich toe te leggen op de termen eener levende wetenschap,
scherpten dezulken hun geheugen om de namen eener, sedert de
Page 33
drooglegging van Amerika volkomen verouderde,
drankmengingsterminologie, te behouden. Prof. Leyden zag onderwijl tot
zijn verbazing, dat de schaar met het slot van Jetter, toehappend om zijn
wijsvinger, daardoorheen was gesneden en dat het afgesneden bovenste lid
van zijn wijsvinger los en alleen in de lucht zweefde of liever rhythmisch
trillend op dezelfde plaats waar het afgesneden was, bleef in de lucht
hangen. Het was nu niet meer blauw of phosphoresceerend, maar zag er
precies uit als een gewoon menschelijk vingerlid, hoewel het aan de
afgesneden zijde niet bloedde. Ook bloedde de van een lid beroofde
wijsvinger van prof. Leyden niet en het afsnijden had hem niet de minste
pijn gedaan. Meer uit gewoonte, zooals elkeen doet, die iets gebroken heeft,
dan wel met een bewuste bedoeling, paste Prof. Leyden het afgesneden lid
weder aan zijn daarvan beroofden wijsvinger en tot zijn verwondering bleef
nu het lid er weder tegen aan zitten en was weer bruikbaar, alsof het er nooit
van verwijderd was geweest.
Ten einde omtrent dit merkwaardig herstellingsvermogen van zijn
psychisch lichaam meer zekerheid te verkrijgen, legde hij nu eerst zijn
vingers, daarna zijn middenhand, vervolgens zijn polsgewricht tusschen de
beenen van de chirurgische [35]schaar, welke op dit oogenblik door den
operateur juist gebruikt werd, om de diepere weefsels open te leggen,
waarin de dierlijke klieren zouden worden vastgehecht. Telkens bleven zijn
afgeknipte ledematen in de lucht trillend hangen, als bijen zwevend boven
een bloemkelk, en vereenigden zich onmiddellijk opnieuw met het
zielslichaam, zoodra hij de beide gescheiden lichaamsdeelen weer tot elkaar
bracht. Hij behoefde ze er niet eens tegen te drukken. Het ging op dezelfde
wijze als de magneet een stukje ijzer aantrekt. En prof. Leyden hield eerst
op met zijn proeven, toen de operateur ook de schaar met het slot van Collin
aan den assistent teruggaf, zeggende dat ook deze schaar zeker bij het
ontsmetten te veel uitgezet was en telkens stroef ging. Toen hij nu de schaar
met het dubbelslot van Collin gebruikte, was alle stroefheid verdwenen en
hij zeide tot de aspiranten: „Het dubbelslot van Collin heeft het voordeel,
zelfs na uitzetting tijdens de sterilisatie, altijd gelijkmatig te werken.”
drankmengingsterminologie, te behouden. Prof. Leyden zag onderwijl tot
zijn verbazing, dat de schaar met het slot van Jetter, toehappend om zijn
wijsvinger, daardoorheen was gesneden en dat het afgesneden bovenste lid
van zijn wijsvinger los en alleen in de lucht zweefde of liever rhythmisch
trillend op dezelfde plaats waar het afgesneden was, bleef in de lucht
hangen. Het was nu niet meer blauw of phosphoresceerend, maar zag er
precies uit als een gewoon menschelijk vingerlid, hoewel het aan de
afgesneden zijde niet bloedde. Ook bloedde de van een lid beroofde
wijsvinger van prof. Leyden niet en het afsnijden had hem niet de minste
pijn gedaan. Meer uit gewoonte, zooals elkeen doet, die iets gebroken heeft,
dan wel met een bewuste bedoeling, paste Prof. Leyden het afgesneden lid
weder aan zijn daarvan beroofden wijsvinger en tot zijn verwondering bleef
nu het lid er weder tegen aan zitten en was weer bruikbaar, alsof het er nooit
van verwijderd was geweest.
Ten einde omtrent dit merkwaardig herstellingsvermogen van zijn
psychisch lichaam meer zekerheid te verkrijgen, legde hij nu eerst zijn
vingers, daarna zijn middenhand, vervolgens zijn polsgewricht tusschen de
beenen van de chirurgische [35]schaar, welke op dit oogenblik door den
operateur juist gebruikt werd, om de diepere weefsels open te leggen,
waarin de dierlijke klieren zouden worden vastgehecht. Telkens bleven zijn
afgeknipte ledematen in de lucht trillend hangen, als bijen zwevend boven
een bloemkelk, en vereenigden zich onmiddellijk opnieuw met het
zielslichaam, zoodra hij de beide gescheiden lichaamsdeelen weer tot elkaar
bracht. Hij behoefde ze er niet eens tegen te drukken. Het ging op dezelfde
wijze als de magneet een stukje ijzer aantrekt. En prof. Leyden hield eerst
op met zijn proeven, toen de operateur ook de schaar met het slot van Collin
aan den assistent teruggaf, zeggende dat ook deze schaar zeker bij het
ontsmetten te veel uitgezet was en telkens stroef ging. Toen hij nu de schaar
met het dubbelslot van Collin gebruikte, was alle stroefheid verdwenen en
hij zeide tot de aspiranten: „Het dubbelslot van Collin heeft het voordeel,
zelfs na uitzetting tijdens de sterilisatie, altijd gelijkmatig te werken.”
Page 34
Prof. Leyden glimlachte, dit hoorend en dacht: „Nu doceert gij toch
waarlijk niet, zooals gij voornemens waart, in mijn geest. Want gij vervalt
in de gewone fout van den niet-wetenschappelijken mensch, die uit één feit
een gevolgtrekking maakt en van die gevolgtrekking een oordeel afleidt.
Immers alle scharen waren heden evengoed—maar wat gij toeschreeft aan
uitzetting door sterilisatie en ondeugdelijkheid van het slot van de schaar,
was in [36]werkelijkheid niet anders dan dat ik mijn psychisch lichaam
tusschen de gaping der schaarbeenen stak, waarop het zoo subtiele slot
reageerde. Dus wat gij, waarde collega-operateur, den jongeren voorhoudt
als een gebrek der instrumenten, is juist hun deugd.
„Inderdaad volgt hieruit, dat ook hetgeen de operateur aan de aspirant-
medici verweet, namelijk hun groote belangstelling in de edele roeisport en
de veredelende dans- en voetbalsport, zoowel als sommiger pogingen een
helaas verdwijnende subtiele kunst van drankmenging, zoo lang mogelijk te
subsidiëeren, op geen waarachtig wetenschappelijken grondslag berustte.
Immers, het is beter de namen van sport en spel te onthouden, dan
onwetenschappelijk gegronde beweringen nopens chirurgische scharen en
haar respectieve sloten.”
Toen nu prof. Leyden met groote voldoening het verdere verloop der
operatie op zijn animaal lichaam had bijgewoond en het vervolgens
begeleidde, toen het naar het ziekbed werd gereden, trachtte hij na eenige
uren wachtens, weder zijn psychisch lichaam in zijn stoffelijk lichaam te
brengen. Maar dit lukte niet. In ’t eerst vermoedde prof. Leyden, dat ook
voor deze kunstbewerking, een zekere ervaring noodig was en hij begon
zich dus te oefenen. Maar hoewel hij gedurende den geheelen nacht
onverpoosd bezig was, weder met zijn psychische gestalte in zijn stoffelijk
vormsel te dringen, bleek hem dit onmogelijk. Daar echter zijn pogingen
[37]hem niet in ’t minst vermoeiden, bleef hij zijn oefeningen doorzetten.
Maar aan ’t eind van de eerste dagen, was hij nog even ver als op den avond
na de operatie. Hij zag zijn aardsch lichaam rustig te bed liggen en ademen,
maar het gelukte hem niet, de bedwelming te doen verdwijnen, hoewel de
waarlijk niet, zooals gij voornemens waart, in mijn geest. Want gij vervalt
in de gewone fout van den niet-wetenschappelijken mensch, die uit één feit
een gevolgtrekking maakt en van die gevolgtrekking een oordeel afleidt.
Immers alle scharen waren heden evengoed—maar wat gij toeschreeft aan
uitzetting door sterilisatie en ondeugdelijkheid van het slot van de schaar,
was in [36]werkelijkheid niet anders dan dat ik mijn psychisch lichaam
tusschen de gaping der schaarbeenen stak, waarop het zoo subtiele slot
reageerde. Dus wat gij, waarde collega-operateur, den jongeren voorhoudt
als een gebrek der instrumenten, is juist hun deugd.
„Inderdaad volgt hieruit, dat ook hetgeen de operateur aan de aspirant-
medici verweet, namelijk hun groote belangstelling in de edele roeisport en
de veredelende dans- en voetbalsport, zoowel als sommiger pogingen een
helaas verdwijnende subtiele kunst van drankmenging, zoo lang mogelijk te
subsidiëeren, op geen waarachtig wetenschappelijken grondslag berustte.
Immers, het is beter de namen van sport en spel te onthouden, dan
onwetenschappelijk gegronde beweringen nopens chirurgische scharen en
haar respectieve sloten.”
Toen nu prof. Leyden met groote voldoening het verdere verloop der
operatie op zijn animaal lichaam had bijgewoond en het vervolgens
begeleidde, toen het naar het ziekbed werd gereden, trachtte hij na eenige
uren wachtens, weder zijn psychisch lichaam in zijn stoffelijk lichaam te
brengen. Maar dit lukte niet. In ’t eerst vermoedde prof. Leyden, dat ook
voor deze kunstbewerking, een zekere ervaring noodig was en hij begon
zich dus te oefenen. Maar hoewel hij gedurende den geheelen nacht
onverpoosd bezig was, weder met zijn psychische gestalte in zijn stoffelijk
vormsel te dringen, bleek hem dit onmogelijk. Daar echter zijn pogingen
[37]hem niet in ’t minst vermoeiden, bleef hij zijn oefeningen doorzetten.
Maar aan ’t eind van de eerste dagen, was hij nog even ver als op den avond
na de operatie. Hij zag zijn aardsch lichaam rustig te bed liggen en ademen,
maar het gelukte hem niet, de bedwelming te doen verdwijnen, hoewel de
Page 35
tijd waarop de chloroformdampen door het stoffelijk lichaam uitgewasemd
moesten zijn, reeds lang verloopen was.
Thans trachtte hij bij stukjes en beetjes met zijn psychisch lichaam in zijn
stoffelijk lichaam te dringen. Maar ook dit gelukte niet. Een afgebroken
psychisch vingerlid op het stoffelijk vingerlid gebracht, weigerde daarin
door te dringen maar ontweek ongeveer zooals wanneer men olie in water
zou willen dringen. Prof. Leyden beproefde daarna uit psychisch en
stoffelijk lichaam een soort emulsie samen te stellen, maar in het stoffelijk
lichaam huisde een zekere niet-stoffelijke kracht, welke hem verhinderde
zijn psyche weder in zijn lichaam te brengen. Het was alsof een andere
psychische kracht zijn psyche terugdrong en zijn verdubbelde pogingen met
den moed der wanhoop toegepast, bewerkten alleen een soort convulsieve
schokken van het stoffelijk lichaam. De zuster van de wacht riep
onmiddellijk den operateur en den geneesheer-directeur. Want zij was van
meening (half-wetenschappelijk als de gediplomeerde verpleegster immers
ontwikkeld is), dat het begin van de ontwaking [38]uit de verdooving, het
bekende symptoom der brakingen, zich voordeed.
Maar het waren geenszins braakneigingen, pogingen van het lichaam om
zoo spoedig mogelijk zich van de ingeademde chloroformdampen te
bevrijden. Het waren slechts de werkingen van de animale ziel in het
lichaam aangebracht door de klieren van een levenden aap. En toen prof.
Leyden, eindelijk zich hiervan bewust was geworden en zoo tevens ervoer,
dat de verjongingskuur door klieren van een dier onmogelijk is, daar het
dierlijke lichaam, resultante van de dierlijke ziel, nooit harmonisch kan
opgaan in het menschelijke lichaam, resultante van de menschelijke ziel,
gevoelde hij, dat hij, als zoo velen van zijn voorgangers, op
wetenschappelijk gebied slachtoffers had gemaakt, ja erger, zelf slachtoffer
was geworden van de te materialistische richting in de geneeskunde.
En voor ’t eerst sedert het voornemen tot de proef in hem opgekomen was,
wantrouwde hij de eigen rede en zonk deemoedig en gebroken in gebed
moesten zijn, reeds lang verloopen was.
Thans trachtte hij bij stukjes en beetjes met zijn psychisch lichaam in zijn
stoffelijk lichaam te dringen. Maar ook dit gelukte niet. Een afgebroken
psychisch vingerlid op het stoffelijk vingerlid gebracht, weigerde daarin
door te dringen maar ontweek ongeveer zooals wanneer men olie in water
zou willen dringen. Prof. Leyden beproefde daarna uit psychisch en
stoffelijk lichaam een soort emulsie samen te stellen, maar in het stoffelijk
lichaam huisde een zekere niet-stoffelijke kracht, welke hem verhinderde
zijn psyche weder in zijn lichaam te brengen. Het was alsof een andere
psychische kracht zijn psyche terugdrong en zijn verdubbelde pogingen met
den moed der wanhoop toegepast, bewerkten alleen een soort convulsieve
schokken van het stoffelijk lichaam. De zuster van de wacht riep
onmiddellijk den operateur en den geneesheer-directeur. Want zij was van
meening (half-wetenschappelijk als de gediplomeerde verpleegster immers
ontwikkeld is), dat het begin van de ontwaking [38]uit de verdooving, het
bekende symptoom der brakingen, zich voordeed.
Maar het waren geenszins braakneigingen, pogingen van het lichaam om
zoo spoedig mogelijk zich van de ingeademde chloroformdampen te
bevrijden. Het waren slechts de werkingen van de animale ziel in het
lichaam aangebracht door de klieren van een levenden aap. En toen prof.
Leyden, eindelijk zich hiervan bewust was geworden en zoo tevens ervoer,
dat de verjongingskuur door klieren van een dier onmogelijk is, daar het
dierlijke lichaam, resultante van de dierlijke ziel, nooit harmonisch kan
opgaan in het menschelijke lichaam, resultante van de menschelijke ziel,
gevoelde hij, dat hij, als zoo velen van zijn voorgangers, op
wetenschappelijk gebied slachtoffers had gemaakt, ja erger, zelf slachtoffer
was geworden van de te materialistische richting in de geneeskunde.
En voor ’t eerst sedert het voornemen tot de proef in hem opgekomen was,
wantrouwde hij de eigen rede en zonk deemoedig en gebroken in gebed
Page 36
neer aan de sponde, waarin zijn eigen, opzettelijk verdierlijkt, bewusteloos
lichaam nederlag.
De pleegzuster, die bij het lichaam waakte, voelde op dit oogenblik een
koude rilling langs haar rug loopen. En naar de gewoonte van half-
wetenschappelijk ontwikkelden, de naastbijliggende aanleiding voor de
eigenlijke oorzaak houdend, sloot zij de deur, waardoor volgens haar de
„tocht” gekomen [39]was en schonk zich een kopje warme thee in.
En zij keek op de klok om te zien of haar nachtwaak spoedig ten einde zou
zijn. Het was juist vier uur in den morgen. Dus zou zij nog twee uren
hebben te waken. Om den tijd te dooden, nam zij de courant en begon deze
te lezen. Haar oog viel op het volgende bericht onder „Rechtzaken”:
„De Nederlandsche Juristenvereeniging heeft tegen Maandag a. s. een
buitengewone vergadering uitgeschreven, waarin Mr. Hendrik Paragraaf,
voorzitter van de Arrondissements- Rechtbank te Rotterdam, het debat zal
openen over de stelling: Bewusteloosheid van een gedaagde, beschuldigd
van zich tegen den vorm van een wetsartikel te hebben verzet, behoeft jure
niet te leiden tot de verdaging van de zaak van eenen door een
onaanvechtbare dagvaarding gedaagden gedaagde.”
En haar zachte blik rustte met groot medelijden op den bedwelmden patiënt
in het bed uitgestrekt, die rustig ademhaalde, onbewust van de door
animositeit der juridische tegen de medische faculteit veroorzaakte tegen
hem ingestelde vervolging. [40]
lichaam nederlag.
De pleegzuster, die bij het lichaam waakte, voelde op dit oogenblik een
koude rilling langs haar rug loopen. En naar de gewoonte van half-
wetenschappelijk ontwikkelden, de naastbijliggende aanleiding voor de
eigenlijke oorzaak houdend, sloot zij de deur, waardoor volgens haar de
„tocht” gekomen [39]was en schonk zich een kopje warme thee in.
En zij keek op de klok om te zien of haar nachtwaak spoedig ten einde zou
zijn. Het was juist vier uur in den morgen. Dus zou zij nog twee uren
hebben te waken. Om den tijd te dooden, nam zij de courant en begon deze
te lezen. Haar oog viel op het volgende bericht onder „Rechtzaken”:
„De Nederlandsche Juristenvereeniging heeft tegen Maandag a. s. een
buitengewone vergadering uitgeschreven, waarin Mr. Hendrik Paragraaf,
voorzitter van de Arrondissements- Rechtbank te Rotterdam, het debat zal
openen over de stelling: Bewusteloosheid van een gedaagde, beschuldigd
van zich tegen den vorm van een wetsartikel te hebben verzet, behoeft jure
niet te leiden tot de verdaging van de zaak van eenen door een
onaanvechtbare dagvaarding gedaagden gedaagde.”
En haar zachte blik rustte met groot medelijden op den bedwelmden patiënt
in het bed uitgestrekt, die rustig ademhaalde, onbewust van de door
animositeit der juridische tegen de medische faculteit veroorzaakte tegen
hem ingestelde vervolging. [40]
Page 37
[Inhoud]
Page 38
V.
Gesterkt en gereinigd door het gebed, het eerste dat prof. Leyden sedert hij
student was geworden, had verricht, ging de hoogleeraar op een stoel zitten.
Hij merkte niet, dat hij op denzelfden stoel als de zuster, die bij zijn lichaam
waakte, zat en de zuster, hoewel zij zich eenigszins loom gevoelde en
telkens weer aan den professor dacht, gaf zichzelve ook geen nauwkeurige
rekenschap van ’t geen op haar schoot geschiedde. Zij vond het niet zoo
heel vreemd, zich ’s nachts loom te gevoelen en dat zij vervuld was van den
patiënt, dien zij had te verzorgen, vond zij evenmin bijzonder opmerkelijk.
Toen de zuster de courant ging lezen, las prof. Leyden de courant mede. Hij
was nooit een belangstellend courantenlezer geweest, daar hij meer wat hij
altijd genoemd had „de eeuwige waarheden” der wetenschap had
gewaardeerd, dan de vergankelijke berichten van de courant, waarvan de
weervoorspelling doorgaans nog het meest betrouwbaar is. Maar nooit
zooals thans had hij het onbeteekenende van wereldsche en erger
provinciale courantenberichten gevoeld. Toch, toen hij ten laatste met de
zuster, en naar het hem scheen door de oogen der zuster heen, met een
[41]faculteit in zichzelf, welke hem voorkwam te zijn de vaardigheid om te
zien zonder het lichamelijk optisch instrument, oog genaamd, het bericht las
dat de jurist hem zocht te belagen, kwam iets in hem, dat hij zelf zou willen
noemen, medelijdend glimlachen. Hij had altijd die medelijdende glimlach
voor de juridische faculteit en haar doeleinden over gehad. Van de zijde van
een faculteit, welke van de oudste tijden tot heden, zoovele uitstekenden
had belaagd of veroordeeld, kon de faculteit, waartoe prof. Leyden zich het
tot een eer rekende, te behooren, de medische faculteit, welke er zich van de
oudste tijden tot heden op had toegelegd, het lichamelijk leed der
menschheid te verzachten, te voorkomen en te verhelpen, niet anders
verwachten.
Gesterkt en gereinigd door het gebed, het eerste dat prof. Leyden sedert hij
student was geworden, had verricht, ging de hoogleeraar op een stoel zitten.
Hij merkte niet, dat hij op denzelfden stoel als de zuster, die bij zijn lichaam
waakte, zat en de zuster, hoewel zij zich eenigszins loom gevoelde en
telkens weer aan den professor dacht, gaf zichzelve ook geen nauwkeurige
rekenschap van ’t geen op haar schoot geschiedde. Zij vond het niet zoo
heel vreemd, zich ’s nachts loom te gevoelen en dat zij vervuld was van den
patiënt, dien zij had te verzorgen, vond zij evenmin bijzonder opmerkelijk.
Toen de zuster de courant ging lezen, las prof. Leyden de courant mede. Hij
was nooit een belangstellend courantenlezer geweest, daar hij meer wat hij
altijd genoemd had „de eeuwige waarheden” der wetenschap had
gewaardeerd, dan de vergankelijke berichten van de courant, waarvan de
weervoorspelling doorgaans nog het meest betrouwbaar is. Maar nooit
zooals thans had hij het onbeteekenende van wereldsche en erger
provinciale courantenberichten gevoeld. Toch, toen hij ten laatste met de
zuster, en naar het hem scheen door de oogen der zuster heen, met een
[41]faculteit in zichzelf, welke hem voorkwam te zijn de vaardigheid om te
zien zonder het lichamelijk optisch instrument, oog genaamd, het bericht las
dat de jurist hem zocht te belagen, kwam iets in hem, dat hij zelf zou willen
noemen, medelijdend glimlachen. Hij had altijd die medelijdende glimlach
voor de juridische faculteit en haar doeleinden over gehad. Van de zijde van
een faculteit, welke van de oudste tijden tot heden, zoovele uitstekenden
had belaagd of veroordeeld, kon de faculteit, waartoe prof. Leyden zich het
tot een eer rekende, te behooren, de medische faculteit, welke er zich van de
oudste tijden tot heden op had toegelegd, het lichamelijk leed der
menschheid te verzachten, te voorkomen en te verhelpen, niet anders
verwachten.
Page 39
Juist stond de zuster nog al haastig en plotseling op, daar haar nachtwaak
bij den zieke geëindigd was en de dagzuster binnentrad. Hierdoor merkte
prof. Leyden, dat hij als ’t ware op de schoot der nachtzuster had gezeten,
want door haar plotseling opstaan was het hem, alsof hij eenigszins in
verwarring raakte. Het was precies zoo iets, alsof iemand in een stilstaande
rookkolom had geblazen.
De professor had nu spijt, dat hij zich niet een weinig meer
wetenschappelijk op de hoogte had gesteld van de theoriën van het
spiritisme. Hij had, hoewel als streng wetenschappelijk gevormd man, ze
niet vooringenomen verwerpend, toch er afwachtend om niet te zeggen
sceptisch tegenover gestaan, [42]zooals dat bij de meeste medici het geval is,
die te sterk onder den invloed van hun mathematische opleiding leven.
Het werd morgen en de professor ervoer tot zijn verbazing, dat hij in den
toestand, waarin hij zich thans bevond, het licht van den morgen niet ervoer,
zooals voor zijn uittreden uit zijn lichaam, maar als een verandering van
kleur. Hij had den geheelen nacht alles even duidelijk onderscheiden, ook
buiten het venster in den tuin, die toch in nachtdonker was gehuld, alsof het
geen nacht was geweest. Maar terwijl hij in den nacht alles had ervaren,
alsof het goudgeel was omschimd, alsof hij alles zag door een bril met
lichtgele glazen, leek het hem nu toe dat hij alles door een lichtblauwe bril
zag. Gewoon streng wetenschappelijk te denken en begaafd met die echt
wetenschappelijke deugd zich over het wonder niet te verwonderen, daar dit
verwonderen de oorzaak is van alle bijgeloof en de menschheid in haar
waan houdt bevangen, besloot de professor uit deze ervaring, dat wat hij tot
heden voor licht had gehouden, niet licht op zichzelf was, maar het beperkt
vermogen van de zintuigen om de kleuren van wat „licht” genoemd werd, te
onderscheiden. Duisternis was dus slechts het gebrek van het menschelijk
vleeschelijk oog om de kleuren te zien of te ervaren, waaruit die
zoogenaamde duisternis bestaat. De oogen van sommige nachtdieren, als de
uilen en de katten, bezaten deze eigenschap tot op zekere hoogte [43]wel en
konden daarom, wat genoemd werd „in donker zien”. En wetenschappelijk
bij den zieke geëindigd was en de dagzuster binnentrad. Hierdoor merkte
prof. Leyden, dat hij als ’t ware op de schoot der nachtzuster had gezeten,
want door haar plotseling opstaan was het hem, alsof hij eenigszins in
verwarring raakte. Het was precies zoo iets, alsof iemand in een stilstaande
rookkolom had geblazen.
De professor had nu spijt, dat hij zich niet een weinig meer
wetenschappelijk op de hoogte had gesteld van de theoriën van het
spiritisme. Hij had, hoewel als streng wetenschappelijk gevormd man, ze
niet vooringenomen verwerpend, toch er afwachtend om niet te zeggen
sceptisch tegenover gestaan, [42]zooals dat bij de meeste medici het geval is,
die te sterk onder den invloed van hun mathematische opleiding leven.
Het werd morgen en de professor ervoer tot zijn verbazing, dat hij in den
toestand, waarin hij zich thans bevond, het licht van den morgen niet ervoer,
zooals voor zijn uittreden uit zijn lichaam, maar als een verandering van
kleur. Hij had den geheelen nacht alles even duidelijk onderscheiden, ook
buiten het venster in den tuin, die toch in nachtdonker was gehuld, alsof het
geen nacht was geweest. Maar terwijl hij in den nacht alles had ervaren,
alsof het goudgeel was omschimd, alsof hij alles zag door een bril met
lichtgele glazen, leek het hem nu toe dat hij alles door een lichtblauwe bril
zag. Gewoon streng wetenschappelijk te denken en begaafd met die echt
wetenschappelijke deugd zich over het wonder niet te verwonderen, daar dit
verwonderen de oorzaak is van alle bijgeloof en de menschheid in haar
waan houdt bevangen, besloot de professor uit deze ervaring, dat wat hij tot
heden voor licht had gehouden, niet licht op zichzelf was, maar het beperkt
vermogen van de zintuigen om de kleuren van wat „licht” genoemd werd, te
onderscheiden. Duisternis was dus slechts het gebrek van het menschelijk
vleeschelijk oog om de kleuren te zien of te ervaren, waaruit die
zoogenaamde duisternis bestaat. De oogen van sommige nachtdieren, als de
uilen en de katten, bezaten deze eigenschap tot op zekere hoogte [43]wel en
konden daarom, wat genoemd werd „in donker zien”. En wetenschappelijk
Page 40
doorredeneerend trok prof. Leyden de gevolgtrekking, dat dus ook wat licht
genoemd werd, slechts een kleurnuance is. Reeds is het den mensch
onmogelijk in het licht van de zon te zien zonder zich te verblinden, maar
zeker zou het hem nu mogelijk zijn sterkere lichtindrukken te gaan
ontvangen dan die van de zon. En het hart van den wetenschappelijk
gevormden man popelde van geluk, nu hij mocht vermoeden iets naders van
het Licht des Lichts te mogen leeren kennen. Desondanks ontveinsde de
professor zich niet, dat nu er grensverwijding naar boven en beneden ten
aanzien van het licht mogelijk bleek, die grensverwijding door velerlei
staten zou kunnen gaan, waaraan geen eind was, ten minste niet was te
denken, zelfs niet door een man van zijn geschoolde denkkracht.
Onderwijl was het nu geheel morgen geworden, de morgen van een
helderen, stralenden zomerdag en de professor voor een oogenblik afscheid
nemende van het bed, waarop zijn lichaam bewusteloos lag uitgestrekt en
van de dagzuster, een lieve blondine anders, met wie hij menigmaal, op
vaderlijke wijze, geschertst had, begaf zich in den tuin. Dat hij daartoe niet
het venster behoefde te openen, maar door de ruiten heenging, verwonderde
hem maar eventjes. Dadelijk bedacht hij, dat hij immers duizende malen
door diezelfde ruit naar buiten had gezien, en er zich niet over verwonderd
had, dat zijn [44]blik er doorheen drong, zonder zelfs eenig besef van
moeilijkheid. Zoo waren thans ook zijn bewegingen geleid door wetten der
physica, die nog niet volkomen wetenschappelijk onderzocht waren, wat
natuurlijk aan die wetten en hare waarachtigheid weinig afdeed. De milt en
de bijnieren van den mensch hadden immers ook duizende eeuwen haar
taak gedaan, zonder dat de wetenschap iets zekers omtrent haar functies
wist. „Wat wij weten is niet hetzelfde als de wetenschap,” dacht prof.
Leyden. Hij ging nu in den tuin op een bank zitten en rondom zich ziende,
kwam het tot zijn bewustzijn, dat hij thans alles in veel intensere kleuren
zag dan vroeger, toen hij met zijn lichamelijke oogen keek. Ik moet dat
goed in ’t geheugen prenten, dacht hij, want hoe meer het besef van hoe ik
het vroeger zag, zal verdwijnen, des te meer zal ik mij wennen aan de
tegenwoordige omstandigheden en dat zou er toe leiden, dat ik later, als de
genoemd werd, slechts een kleurnuance is. Reeds is het den mensch
onmogelijk in het licht van de zon te zien zonder zich te verblinden, maar
zeker zou het hem nu mogelijk zijn sterkere lichtindrukken te gaan
ontvangen dan die van de zon. En het hart van den wetenschappelijk
gevormden man popelde van geluk, nu hij mocht vermoeden iets naders van
het Licht des Lichts te mogen leeren kennen. Desondanks ontveinsde de
professor zich niet, dat nu er grensverwijding naar boven en beneden ten
aanzien van het licht mogelijk bleek, die grensverwijding door velerlei
staten zou kunnen gaan, waaraan geen eind was, ten minste niet was te
denken, zelfs niet door een man van zijn geschoolde denkkracht.
Onderwijl was het nu geheel morgen geworden, de morgen van een
helderen, stralenden zomerdag en de professor voor een oogenblik afscheid
nemende van het bed, waarop zijn lichaam bewusteloos lag uitgestrekt en
van de dagzuster, een lieve blondine anders, met wie hij menigmaal, op
vaderlijke wijze, geschertst had, begaf zich in den tuin. Dat hij daartoe niet
het venster behoefde te openen, maar door de ruiten heenging, verwonderde
hem maar eventjes. Dadelijk bedacht hij, dat hij immers duizende malen
door diezelfde ruit naar buiten had gezien, en er zich niet over verwonderd
had, dat zijn [44]blik er doorheen drong, zonder zelfs eenig besef van
moeilijkheid. Zoo waren thans ook zijn bewegingen geleid door wetten der
physica, die nog niet volkomen wetenschappelijk onderzocht waren, wat
natuurlijk aan die wetten en hare waarachtigheid weinig afdeed. De milt en
de bijnieren van den mensch hadden immers ook duizende eeuwen haar
taak gedaan, zonder dat de wetenschap iets zekers omtrent haar functies
wist. „Wat wij weten is niet hetzelfde als de wetenschap,” dacht prof.
Leyden. Hij ging nu in den tuin op een bank zitten en rondom zich ziende,
kwam het tot zijn bewustzijn, dat hij thans alles in veel intensere kleuren
zag dan vroeger, toen hij met zijn lichamelijke oogen keek. Ik moet dat
goed in ’t geheugen prenten, dacht hij, want hoe meer het besef van hoe ik
het vroeger zag, zal verdwijnen, des te meer zal ik mij wennen aan de
tegenwoordige omstandigheden en dat zou er toe leiden, dat ik later, als de
Page 41
gewone leek, geen werkelijk wetenschappelijk verslag van mijn bevinden in
den narcose-toestand zou kunnen uitbrengen. Wat ik thans ervaar is naar het
wezen niet zooveel anders dan wat ik als jongeling opmerkte, toen ik met
mijn geachten vader, een uitstapje naar het Duitsche Noordzee-eiland Sylt
maakte. Daar scheen het of alle bloemen in het duin en in de tuinen hellere
kleuren hadden, dan thuis. Mijn brave vader, hulde aan zijn dierbare
nagedachtenis, leerde mij toen, dat niet de bloemen zelve heller van
[45]kleur waren, maar dat de hellere dampkring op het ver in zee gelegen
eiland, de oorzaak er van was, dat wij ze heller zagen.
Nu de professor aan zijn waardigen vader dacht, die als beoefenaar in de
plant- en dierkunde zich bijzonder verdienstelijk gemaakt had, door het
opstellen van een naamlijst der in Nederland voorkomende in ’t wild
bloeiende vlinderbloemigen, waarvoor hij op zeventigjarigen leeftijd met de
ridderorde van de Eikekroon was begiftigd, kwam het in hem op, dat hij nu
wellicht in staat zou zijn, hem weder te naderen. Maar prof. Leyden liet het
bij een bescheiden wenschen, wel wetende dat nu hij in den toestand was
geraakt, waarin hij thans verkeerde, alle hoop op streng-wetenschappelijke
ervaring vervliegen moest, indien hij zich aan speculatieve neigingen te
buiten zou gaan. Indien hij werkelijk nu nader zou komen, tot wat men
gemeenlijk het rijk des doods had genoemd, dan zou dat wel geschieden op
het oogenblik, dat dit noodig werd geacht. Voor hem, als wetenschappelijk
vorscher, was het nu zaak, niet in de fouten van den leek te vervallen en
vooral niet in diens hoofdfout, gebrek aan geduld, maar bezonnen en
nuchter tegenover de feiten te blijven staan. Slechts nuchtere bezonnenheid
kan ontnuchtering voorkomen en vermijden. Zoo zat hij op de bank in den
tuin en genoot van den schoonen zomerdag. Hij zag de reconvalescenten
den tuin binnenkomen en zachtjes [46]wandelen, zich verheugen, dat zij
weder hun gezondheid en krachten voelden terugkomen, boomen en
bloemen beschouwend, als waren zij voor hen opnieuw geschapen. Een
gevoel van wetenschappelijke genoegdoening om niet te zeggen geluk
doorstroomde hem, toen hij al deze, door hem met zooveel succès
geopereerden, hier bijeen zag. Ginds liep een meisje van twaalf jaar, dat
den narcose-toestand zou kunnen uitbrengen. Wat ik thans ervaar is naar het
wezen niet zooveel anders dan wat ik als jongeling opmerkte, toen ik met
mijn geachten vader, een uitstapje naar het Duitsche Noordzee-eiland Sylt
maakte. Daar scheen het of alle bloemen in het duin en in de tuinen hellere
kleuren hadden, dan thuis. Mijn brave vader, hulde aan zijn dierbare
nagedachtenis, leerde mij toen, dat niet de bloemen zelve heller van
[45]kleur waren, maar dat de hellere dampkring op het ver in zee gelegen
eiland, de oorzaak er van was, dat wij ze heller zagen.
Nu de professor aan zijn waardigen vader dacht, die als beoefenaar in de
plant- en dierkunde zich bijzonder verdienstelijk gemaakt had, door het
opstellen van een naamlijst der in Nederland voorkomende in ’t wild
bloeiende vlinderbloemigen, waarvoor hij op zeventigjarigen leeftijd met de
ridderorde van de Eikekroon was begiftigd, kwam het in hem op, dat hij nu
wellicht in staat zou zijn, hem weder te naderen. Maar prof. Leyden liet het
bij een bescheiden wenschen, wel wetende dat nu hij in den toestand was
geraakt, waarin hij thans verkeerde, alle hoop op streng-wetenschappelijke
ervaring vervliegen moest, indien hij zich aan speculatieve neigingen te
buiten zou gaan. Indien hij werkelijk nu nader zou komen, tot wat men
gemeenlijk het rijk des doods had genoemd, dan zou dat wel geschieden op
het oogenblik, dat dit noodig werd geacht. Voor hem, als wetenschappelijk
vorscher, was het nu zaak, niet in de fouten van den leek te vervallen en
vooral niet in diens hoofdfout, gebrek aan geduld, maar bezonnen en
nuchter tegenover de feiten te blijven staan. Slechts nuchtere bezonnenheid
kan ontnuchtering voorkomen en vermijden. Zoo zat hij op de bank in den
tuin en genoot van den schoonen zomerdag. Hij zag de reconvalescenten
den tuin binnenkomen en zachtjes [46]wandelen, zich verheugen, dat zij
weder hun gezondheid en krachten voelden terugkomen, boomen en
bloemen beschouwend, als waren zij voor hen opnieuw geschapen. Een
gevoel van wetenschappelijke genoegdoening om niet te zeggen geluk
doorstroomde hem, toen hij al deze, door hem met zooveel succès
geopereerden, hier bijeen zag. Ginds liep een meisje van twaalf jaar, dat
Page 42
jaren lang aan maagpijnen had geleden en ten slotte tot op het been
vermagerd, op zijn kliniek was gebracht. Thans was het kind vroolijk, goed
doorvoed en zou binnenkort als geheel hersteld naar huis gaan en het leven
der ouders, wier eenig kind zij was, verhelderen. Zijn diagnose was bij de
operatie juist gebleken. Want het was geen maagzweer geweest, en geen te
sterke zure werking der maagsappen en geen kanker en geen „hysterie”, die
redplank der half-geleerden en geen neurose en geen vernauwde slokdarm
noch de tien andere gevallen, door kwakzalvers en wonderdokters en
natuurgeneeskundigen „geconstateerd”. Het kind had een vreemd voorwerp
in de maag, had professor verklaard en bij de operatie had men in de maag
een tinnen kootje gevonden. De moeder herkende het voorwerp dadelijk,
want zij had er als kind ook mede gespeeld en het haar kind gegeven, dat er
mede gebikkeld had, het in den mond had gebracht en ingeslikt. Uit vrees
voor straf had het kind het niet durven zeggen en toen het na een half jaar
pijnen kreeg, had het al [47]lang vergeten, dat het een tinnen kootje had
ingeslikt. En met Hein van der Velde, de man, die jaren lang op melk alleen
had geleefd, en daar zijn maag niets anders kon verdragen, ten laatste zelfs
geen melk ook, scheen het thans ook uitnemend te gaan, want hij hielp de
zusters bij het naar buiten dragen der ligstoelen. Ook hier had de professor,
wat de studenten noemden, een wonder verricht. De man, meubelmaker van
beroep, had de gewoonte gekregen, van de met spiritus aangemaakte
politoer te drinken. Enkele stoffen, in de politoer gemengd, waren in de
maag niet verteerd, doch tot een vaste klomp geworden. Alle
geneeskundigen vóór prof. Leyden hadden den man, nadat zij vernomen
hadden, dat hij een politoerdrinker was, streng alle gebruik van alcohol
ontzegd. Nu zou prof. Leyden hem ten slotte moeten opereeren. Maar vóór
prof. Leyden tot de operatie was overgegaan, had hij den man onder strenge
observatie genomen en hem geleidelijk aan elken dag heete alcohol doen
drinken, eerst kleine hoeveelheden daarna grootere en vervolgens weder de
hoeveelheden verminderd. En aldus was de politoer-aanzetting in de maag
langzaam opgelost en zonder operatie was van der Velde genezen. Hij at nu,
alsof hij den verloren tijd van het melk-dieet wilde inhalen. Prof. Leyden
had de fijngevoeligheid gehad, den man te zeggen, dat hij het volkomen
vermagerd, op zijn kliniek was gebracht. Thans was het kind vroolijk, goed
doorvoed en zou binnenkort als geheel hersteld naar huis gaan en het leven
der ouders, wier eenig kind zij was, verhelderen. Zijn diagnose was bij de
operatie juist gebleken. Want het was geen maagzweer geweest, en geen te
sterke zure werking der maagsappen en geen kanker en geen „hysterie”, die
redplank der half-geleerden en geen neurose en geen vernauwde slokdarm
noch de tien andere gevallen, door kwakzalvers en wonderdokters en
natuurgeneeskundigen „geconstateerd”. Het kind had een vreemd voorwerp
in de maag, had professor verklaard en bij de operatie had men in de maag
een tinnen kootje gevonden. De moeder herkende het voorwerp dadelijk,
want zij had er als kind ook mede gespeeld en het haar kind gegeven, dat er
mede gebikkeld had, het in den mond had gebracht en ingeslikt. Uit vrees
voor straf had het kind het niet durven zeggen en toen het na een half jaar
pijnen kreeg, had het al [47]lang vergeten, dat het een tinnen kootje had
ingeslikt. En met Hein van der Velde, de man, die jaren lang op melk alleen
had geleefd, en daar zijn maag niets anders kon verdragen, ten laatste zelfs
geen melk ook, scheen het thans ook uitnemend te gaan, want hij hielp de
zusters bij het naar buiten dragen der ligstoelen. Ook hier had de professor,
wat de studenten noemden, een wonder verricht. De man, meubelmaker van
beroep, had de gewoonte gekregen, van de met spiritus aangemaakte
politoer te drinken. Enkele stoffen, in de politoer gemengd, waren in de
maag niet verteerd, doch tot een vaste klomp geworden. Alle
geneeskundigen vóór prof. Leyden hadden den man, nadat zij vernomen
hadden, dat hij een politoerdrinker was, streng alle gebruik van alcohol
ontzegd. Nu zou prof. Leyden hem ten slotte moeten opereeren. Maar vóór
prof. Leyden tot de operatie was overgegaan, had hij den man onder strenge
observatie genomen en hem geleidelijk aan elken dag heete alcohol doen
drinken, eerst kleine hoeveelheden daarna grootere en vervolgens weder de
hoeveelheden verminderd. En aldus was de politoer-aanzetting in de maag
langzaam opgelost en zonder operatie was van der Velde genezen. Hij at nu,
alsof hij den verloren tijd van het melk-dieet wilde inhalen. Prof. Leyden
had de fijngevoeligheid gehad, den man te zeggen, dat hij het volkomen
Page 43
eens was met de doktoren, die hem vroeger behandeld hadden. Alleen door
geheelonthouder [48]te blijven, zou hij zijn gezondheid kunnen bewaren—
een raad niet zonder humor aan iemand, die door den alcohol genezen, ja
van een zekeren dood door verhongering, gered was!
En zoo genoot prof. Leyden van den heerlijken zomerdag in den tuin van
het ziekenhuis, rondom omgeven door de vele genezende patiënten, die hij
van een wissen dood had kunnen en mogen redden.
Het was een volkomen geluk, dat de leek niet geaarzeld zou hebben,
zaligheid te noemen, een zaligheid zelfs niet verduisterd door het besef van
een artikel, gepubliceerd in het Weekblad voor het Recht, waarin op zuiver
juridische gronden werd betoogd, dat „overschrijding van het verbod
nopens den leeftijdsgrens ten aanzien van en met betrekking tot het
uitoefenen eener functie, eener bediening of eens ambts, hetwelk aan een
leeftijdsgrens gebonden, jure niet kan overschreden worden, ook niet door
middelen, welke de wetgever niet heeft kunnen voorzien, als de daarstelling
eener wetsovertreding naar den vorm, behoort vervolgd en gestraft te
worden.” [49]
geheelonthouder [48]te blijven, zou hij zijn gezondheid kunnen bewaren—
een raad niet zonder humor aan iemand, die door den alcohol genezen, ja
van een zekeren dood door verhongering, gered was!
En zoo genoot prof. Leyden van den heerlijken zomerdag in den tuin van
het ziekenhuis, rondom omgeven door de vele genezende patiënten, die hij
van een wissen dood had kunnen en mogen redden.
Het was een volkomen geluk, dat de leek niet geaarzeld zou hebben,
zaligheid te noemen, een zaligheid zelfs niet verduisterd door het besef van
een artikel, gepubliceerd in het Weekblad voor het Recht, waarin op zuiver
juridische gronden werd betoogd, dat „overschrijding van het verbod
nopens den leeftijdsgrens ten aanzien van en met betrekking tot het
uitoefenen eener functie, eener bediening of eens ambts, hetwelk aan een
leeftijdsgrens gebonden, jure niet kan overschreden worden, ook niet door
middelen, welke de wetgever niet heeft kunnen voorzien, als de daarstelling
eener wetsovertreding naar den vorm, behoort vervolgd en gestraft te
worden.” [49]
Page 44
[Inhoud]
Page 45
VI.
Tegen den avond ontwaakte prof. Leyden uit zijn geluksroes. Hij ontwaakte
op dezelfde wijze als hij vroeger des morgens ontwaakt was, als hij zich den
avond te voren voorgenomen had, wat vroeger dan gewoonlijk wakker te
worden ten einde zich, vóór zijn studiën aanvingen, een weinig aan de
muziek te wijden. Want prof. Leyden bespeelde de dwarsfluit en hij had het
op dit, helaas ten onrechte in deze tijden verguisde instrument, dat in de
achttiende eeuw, bij den deftigen stand de viool verving, ver gebracht. Zelfs
had hij een tijd lang als student, de tweede en de eerste fluitpartijen
gespeeld in het studenten-muziekgezelschap „Semper Crescendo” en hij
had dit slechts gestaakt, toen dit gezelschap en helaas niet ten onrechte, den
treurigen bijnaam van „Slemp er Crescendo” had verworven.
Dus ook hier, dacht de professor, een wisseling van droom en
werkelijkheid, al zijn die droom en werkelijkheid nu voor te stellen als een
droom en werkelijkheid in de tweede macht. Of is het niet beter te zeggen
(droom en werkelijkheid)x, daar toch het vorige bestaan weder een droom
en werkelijkheid in een hoogere macht was ten aanzien van een voorvorig
[50]bestaan? Laat ons dus tijd en ervaringen niet vooruitloopen. Ik heb daar
bij het wetenschappelijk onderzoek nooit anders dan dwalingen uit zien
voortspruiten al wezen zelfs die dwalingen, zooals na de verkeerde
toepassing van Koch’s tuberculine, een weg. Vast staat, dat mijn
onderbewustheid van thans weder een andere onderbewustheid kent en dus
mijn huidige onderbewustheid, zoo ook onderbewustheid ten aanzien van
het vorige bestaan, bewustheid mag genoemd worden ten aanzien van mijn
tegenwoordigen toestand. Ziedaar mij tegen den avond ontwaakt op het
juiste oogenblik, hoewel ik nu niet, zooals in mijn studententijd, verlangend
was om in den vroegen morgen de vingeroefeningen van Drouet op mijn
Boehmfluit in te studeeren, maar om mij nogmaals goed rekenschap te
Tegen den avond ontwaakte prof. Leyden uit zijn geluksroes. Hij ontwaakte
op dezelfde wijze als hij vroeger des morgens ontwaakt was, als hij zich den
avond te voren voorgenomen had, wat vroeger dan gewoonlijk wakker te
worden ten einde zich, vóór zijn studiën aanvingen, een weinig aan de
muziek te wijden. Want prof. Leyden bespeelde de dwarsfluit en hij had het
op dit, helaas ten onrechte in deze tijden verguisde instrument, dat in de
achttiende eeuw, bij den deftigen stand de viool verving, ver gebracht. Zelfs
had hij een tijd lang als student, de tweede en de eerste fluitpartijen
gespeeld in het studenten-muziekgezelschap „Semper Crescendo” en hij
had dit slechts gestaakt, toen dit gezelschap en helaas niet ten onrechte, den
treurigen bijnaam van „Slemp er Crescendo” had verworven.
Dus ook hier, dacht de professor, een wisseling van droom en
werkelijkheid, al zijn die droom en werkelijkheid nu voor te stellen als een
droom en werkelijkheid in de tweede macht. Of is het niet beter te zeggen
(droom en werkelijkheid)x, daar toch het vorige bestaan weder een droom
en werkelijkheid in een hoogere macht was ten aanzien van een voorvorig
[50]bestaan? Laat ons dus tijd en ervaringen niet vooruitloopen. Ik heb daar
bij het wetenschappelijk onderzoek nooit anders dan dwalingen uit zien
voortspruiten al wezen zelfs die dwalingen, zooals na de verkeerde
toepassing van Koch’s tuberculine, een weg. Vast staat, dat mijn
onderbewustheid van thans weder een andere onderbewustheid kent en dus
mijn huidige onderbewustheid, zoo ook onderbewustheid ten aanzien van
het vorige bestaan, bewustheid mag genoemd worden ten aanzien van mijn
tegenwoordigen toestand. Ziedaar mij tegen den avond ontwaakt op het
juiste oogenblik, hoewel ik nu niet, zooals in mijn studententijd, verlangend
was om in den vroegen morgen de vingeroefeningen van Drouet op mijn
Boehmfluit in te studeeren, maar om mij nogmaals goed rekenschap te
Page 46
geven van mijn nieuw verworven eigenschap, in het donker evengoed te
kunnen zien als in het licht, alleenlijk nu alles in een goudkleurig licht
ziende.
De professor keek rond in den tuin. Hij ervoer tot zijn genoegen, dat hij
thans nog veel beter dan gisternacht, alles kon opmerken, hoewel de lichten
achter de vensters hem zekerheid gaven, dat het voor zijn collega’s en de
zusters goed donker moest zijn. Ook hier dus is een zekere ervaring noodig
en wellicht zal in de toekomst ook het goudbruine schijnsel lichter of
blauwachtiger worden. Hoe zou Rembrandt genoten hebben, als hij thans,
zooals ik, dezen tuin had mogen beschouwen. Of heeft [51]hij wellicht altijd
op deze wijze de wereld aanschouwd en bestaat het voor den gewonen
mensch, magische van het schilderij van Rembrandt slechts door het feit,
dat Rembrandt bij zijn leven reeds als visionair niet alleen de ziel, maar ook
het licht mijner huidige levensfeer zag en dat voor hem dus de
werkelijkheid was?
Hoe dwaas van den mensch om te vreezen, voor hetgeen na zijn aardsch
leven komt. Wat hij vreest, is ten slotte alleen zichzelf en de duisternis van
zijn eigen ziel verplaatsend in mijn huidige levenssfeer, niet geheel ten
onrechte door hem als het schimmenrijk vermoed, hoewel ik mij thans even
weinig schim voel als wie ook ter wereld en ware het Falstaff zelf!, is hij
levenslang in vreezen en beven voor iets, dat hij in denzelfden oogenblik
van zich werpt, als hij besluit deugdzaam te zijn.
Maar toch besef ik nu, waarom de mensch, wat hij den dood noemt, vreest
en de velen, die zich tot mij wendden om zooal niet dien dood voor goed te
ontgaan dan toch zoolang mogelijk, waren niet ondeugdelijken of lafaards.
Want inderdaad, hoe veel aangenaams ik tot heden ook ondervond, de
volkomen vrijheid, de verplaatsbaarheid van een lichaam even pijnloos en
toch vol indrukken en ontwaringen als het zien met het lichamelijke oog, de
heldere denkkracht, de schoonheid van alles om mij heen, de weelde van te
bezitten de macht om mee te leven het lichaamsleven en het huidige
kunnen zien als in het licht, alleenlijk nu alles in een goudkleurig licht
ziende.
De professor keek rond in den tuin. Hij ervoer tot zijn genoegen, dat hij
thans nog veel beter dan gisternacht, alles kon opmerken, hoewel de lichten
achter de vensters hem zekerheid gaven, dat het voor zijn collega’s en de
zusters goed donker moest zijn. Ook hier dus is een zekere ervaring noodig
en wellicht zal in de toekomst ook het goudbruine schijnsel lichter of
blauwachtiger worden. Hoe zou Rembrandt genoten hebben, als hij thans,
zooals ik, dezen tuin had mogen beschouwen. Of heeft [51]hij wellicht altijd
op deze wijze de wereld aanschouwd en bestaat het voor den gewonen
mensch, magische van het schilderij van Rembrandt slechts door het feit,
dat Rembrandt bij zijn leven reeds als visionair niet alleen de ziel, maar ook
het licht mijner huidige levensfeer zag en dat voor hem dus de
werkelijkheid was?
Hoe dwaas van den mensch om te vreezen, voor hetgeen na zijn aardsch
leven komt. Wat hij vreest, is ten slotte alleen zichzelf en de duisternis van
zijn eigen ziel verplaatsend in mijn huidige levenssfeer, niet geheel ten
onrechte door hem als het schimmenrijk vermoed, hoewel ik mij thans even
weinig schim voel als wie ook ter wereld en ware het Falstaff zelf!, is hij
levenslang in vreezen en beven voor iets, dat hij in denzelfden oogenblik
van zich werpt, als hij besluit deugdzaam te zijn.
Maar toch besef ik nu, waarom de mensch, wat hij den dood noemt, vreest
en de velen, die zich tot mij wendden om zooal niet dien dood voor goed te
ontgaan dan toch zoolang mogelijk, waren niet ondeugdelijken of lafaards.
Want inderdaad, hoe veel aangenaams ik tot heden ook ondervond, de
volkomen vrijheid, de verplaatsbaarheid van een lichaam even pijnloos en
toch vol indrukken en ontwaringen als het zien met het lichamelijke oog, de
heldere denkkracht, de schoonheid van alles om mij heen, de weelde van te
bezitten de macht om mee te leven het lichaamsleven en het huidige
Page 47
[52]leven, ze aan elkaar te kunnen toetsen en het besef te bezitten van een
volgende onderbewustheid, welke wachtende is om een bewustheid van een
weer hoogeren graad te worden; de mogelijkheid om zooals heden een
heelen heerlijken, langen zomerdag op te kunnen gaan in wat de leek
gelukzaligheid zou noemen en daaruit te kunnen ontwaken om tot het volle
bewustzijn er van te komen en als ’t ware er den nasmaak van te genieten,
ziedaar dat alles voldoet mij niet ten volle. Want ik voel mij in mijzelf
opgesloten. Zonder onwetenschappelijk verlangen naar mijn waardigen
vader en begrijpelijke, hoewel ongeoorloofde hoop op het wederzien van
mijn dierbare moeder, de zorgzame ziel en het vertrouwen op de herrijzenis
in deze sfeer van mijn geliefde gade, te vroeg mij ginds ontvallen, niet voor
de wetenschap, aan wie ik sedert mijn liefde geheel gaf, welke ik tot haar
dood tusschen mijn teerbeminde Neeltje en Scientia volgens eer, geweten
en zelfs hart, had verdeeld, ja zonder ongeoorloofd verlangen naar
hernieuwde kennismaking met zoovele mijner voor mij „overgegane”
collega’s, ware lichten der medische faculteit, voel ik toch een leemte. Ook
hier, als in wat ik nu maar noemen zal, het voorland, wordt het genot eerst
volmaakt door het te deelen met, ten minste het te kunnen uiten, aan
anderen. Zie ik voel mij eenzaam en ik voorzie, dat het veel zielskracht,
tenslotte te veel zielskracht van mij zou eischen, duurzaam gelukkig [53]te
zijn met het vele, dat mij, maar schijnbaar helaas aan mij alleen, hier
toebedeeld wordt. En ik ga nu, o begin van elke smart, degenen ginds
benijden, die zich ter ruste op hun bedden leggen, de oogen sluiten en een
slaap zonder droomen te gemoet gaan, waarin zij naar den bewusten geest,
werkelijk dood zullen mogen zijn.
Terwijl nu de professor zoo op de bank zat en daar de nieuwe maan van
achter de wolken kwam schijnen, in den tuin het goudgele licht nog
helderder zag worden, een licht alsof zonlicht door de bladeren van een
bruinen beuk scheen, rees voor hem langzaam een gestalte op van meer dan
menschelijke grootte.
„Herkent gij mij?” vroeg de gestalte.
volgende onderbewustheid, welke wachtende is om een bewustheid van een
weer hoogeren graad te worden; de mogelijkheid om zooals heden een
heelen heerlijken, langen zomerdag op te kunnen gaan in wat de leek
gelukzaligheid zou noemen en daaruit te kunnen ontwaken om tot het volle
bewustzijn er van te komen en als ’t ware er den nasmaak van te genieten,
ziedaar dat alles voldoet mij niet ten volle. Want ik voel mij in mijzelf
opgesloten. Zonder onwetenschappelijk verlangen naar mijn waardigen
vader en begrijpelijke, hoewel ongeoorloofde hoop op het wederzien van
mijn dierbare moeder, de zorgzame ziel en het vertrouwen op de herrijzenis
in deze sfeer van mijn geliefde gade, te vroeg mij ginds ontvallen, niet voor
de wetenschap, aan wie ik sedert mijn liefde geheel gaf, welke ik tot haar
dood tusschen mijn teerbeminde Neeltje en Scientia volgens eer, geweten
en zelfs hart, had verdeeld, ja zonder ongeoorloofd verlangen naar
hernieuwde kennismaking met zoovele mijner voor mij „overgegane”
collega’s, ware lichten der medische faculteit, voel ik toch een leemte. Ook
hier, als in wat ik nu maar noemen zal, het voorland, wordt het genot eerst
volmaakt door het te deelen met, ten minste het te kunnen uiten, aan
anderen. Zie ik voel mij eenzaam en ik voorzie, dat het veel zielskracht,
tenslotte te veel zielskracht van mij zou eischen, duurzaam gelukkig [53]te
zijn met het vele, dat mij, maar schijnbaar helaas aan mij alleen, hier
toebedeeld wordt. En ik ga nu, o begin van elke smart, degenen ginds
benijden, die zich ter ruste op hun bedden leggen, de oogen sluiten en een
slaap zonder droomen te gemoet gaan, waarin zij naar den bewusten geest,
werkelijk dood zullen mogen zijn.
Terwijl nu de professor zoo op de bank zat en daar de nieuwe maan van
achter de wolken kwam schijnen, in den tuin het goudgele licht nog
helderder zag worden, een licht alsof zonlicht door de bladeren van een
bruinen beuk scheen, rees voor hem langzaam een gestalte op van meer dan
menschelijke grootte.
„Herkent gij mij?” vroeg de gestalte.
Page 48
Professor Leyden merkte, dat de vraag gesteld werd in een taal, die hij
vroeger nooit gehoord had, maar dadelijk verstond. En het geluid van de
stem klonk niet als een menschelijke stem, maar helderder, zuiverder,
rhythmischer, klaarder, ja prof. Leyden had een sensatie als vroeger, toen hij
in zijn droomen wel eens bijzonder zuivere passages in een solo voor
dwarsfluit had hooren spelen. Zonder zich te verwonderen, dacht hij, juist
zooals de kleuren hier inniger en stralender zijn, zullen het ook de geluiden
wezen. Het tegendeel zou mij mogen verwonderd hebben. En dat ik zijn
vreemde taal dadelijk versta, mag ik toeschrijven aan het feit, dat hier niet
de aardsche taalverwarring heerscht, maar zooals reeds [54]op aarde elk
mensch denkt in denzelfden denkgang, alleen het gedachte anders
gearticuleerd uit, hier elkeen op dezelfde wijze articuleert. Laat ons op
streng wetenschappelijke wijze de proef nemen, door den vrager te
antwoorden. Waarschijnlijk zal ik dezelfde taal als hij spreken, hoewel ik bij
gebrek aan de macht tot toetsing, dienaangaande geen directe zekerheid
mag verwachtten te verwerven. Doch welke universitair geschoolde geest,
verwacht directe zekerheid, zoo hij er ook op hoopt? Ons deel is
betrekkelijke zekerheid en is dat niet reeds veel?
„Zeker herken ik u,” antwoordde de professor.
„En wie meent gij dan, dat ik ben?” zeide nu weder de verschijning.
Met een gevoel van genoegdoening, hetwelk de leek in zijn voorbarigheid
vreugde zou genoemd hebben, constateerde de professor, dat zijn
theoretische veronderstelling dat eenheid van denken en eenheid van
articulatie, tot taaleenheid moesten leiden, juist was geweest. Want de
gedaante had hem verstaan.
„Hoe zou ik, een Leidsch professor, u niet herkennen?” vroeg de professor
en zijn toon was niet zonder verdriet, gewantrouwd te worden. Dit was
hem, den eerbiedwaardige en waarachtige, in de laatste decennia slechts
eenmaal overkomen, n.l. toen de portier van zijn kliniek ernstig ziek was
geworden en zijn welmeenend aangeboden medische hulp had geweigerd,
vroeger nooit gehoord had, maar dadelijk verstond. En het geluid van de
stem klonk niet als een menschelijke stem, maar helderder, zuiverder,
rhythmischer, klaarder, ja prof. Leyden had een sensatie als vroeger, toen hij
in zijn droomen wel eens bijzonder zuivere passages in een solo voor
dwarsfluit had hooren spelen. Zonder zich te verwonderen, dacht hij, juist
zooals de kleuren hier inniger en stralender zijn, zullen het ook de geluiden
wezen. Het tegendeel zou mij mogen verwonderd hebben. En dat ik zijn
vreemde taal dadelijk versta, mag ik toeschrijven aan het feit, dat hier niet
de aardsche taalverwarring heerscht, maar zooals reeds [54]op aarde elk
mensch denkt in denzelfden denkgang, alleen het gedachte anders
gearticuleerd uit, hier elkeen op dezelfde wijze articuleert. Laat ons op
streng wetenschappelijke wijze de proef nemen, door den vrager te
antwoorden. Waarschijnlijk zal ik dezelfde taal als hij spreken, hoewel ik bij
gebrek aan de macht tot toetsing, dienaangaande geen directe zekerheid
mag verwachtten te verwerven. Doch welke universitair geschoolde geest,
verwacht directe zekerheid, zoo hij er ook op hoopt? Ons deel is
betrekkelijke zekerheid en is dat niet reeds veel?
„Zeker herken ik u,” antwoordde de professor.
„En wie meent gij dan, dat ik ben?” zeide nu weder de verschijning.
Met een gevoel van genoegdoening, hetwelk de leek in zijn voorbarigheid
vreugde zou genoemd hebben, constateerde de professor, dat zijn
theoretische veronderstelling dat eenheid van denken en eenheid van
articulatie, tot taaleenheid moesten leiden, juist was geweest. Want de
gedaante had hem verstaan.
„Hoe zou ik, een Leidsch professor, u niet herkennen?” vroeg de professor
en zijn toon was niet zonder verdriet, gewantrouwd te worden. Dit was
hem, den eerbiedwaardige en waarachtige, in de laatste decennia slechts
eenmaal overkomen, n.l. toen de portier van zijn kliniek ernstig ziek was
geworden en zijn welmeenend aangeboden medische hulp had geweigerd,
Page 49
zeggende, dat hij tot heden [55]zich altijd bij het gebruik van
Haarlemmerolie wel had bevonden en niet van plan was aan die
geneeswijze ontrouw te worden. De man had inderdaad een tiental fleschjes
van dit zeer schadelijke mengsel van terpentijn, zwavel en raapolie in twee
weken verorberd en was toen weder gezond, door zelf-suggestie genezen
van een zeer ernstig geval van gastro-enteritis niet door maar ondanks zijn
„geneesmiddel”. Men had daarna den man moeten ontslaan, daar hij de
patiënten der kliniek sedert op opdringerige wijze aangeraden had zich
zooals hij, te redden van de snijtafel door het gebruik van Haarlemmerolie,
van het echte merk, waarvan hij den alleenverkoop voor Leiden had
verworven.
„Gij beantwoordt een vraag met een wedervraag,” zei thans de verschijning
bestraffend. „Zoudt gij dat een student op het examen niet kwalijk nemen?
Hier nu, zijt gij als een student.”
„Ik herkende u dadelijk. Te vaak heb ik ons beroemd Leidsch Egyptisch
museum bezocht. Gij zijt Anubis, de god met het lichaam van een mensch
en den kop van een jakhals, zoon van Osiris, god van de duisternis, die naar
de Egyptenaren meenden, den mensch na zijn dood tot de poort van de
onderwereld geleidde, waar gericht werd over de daden van zijn leven.”
„Inderdaad, die ben ik.”
„Neen, met uw welnemen, die waart gij in de verbeelding der oude
Egyptenaars.” [56]
„Wat zegt gij?”
De stem klonk nu vervaarlijk en met sisklanken, gelijk een dwarsfluit,
gespeeld met een slecht embouchure.
„Wat ik gezegd heb, is gezegd en ik voeg er bij, dat ik een professor ben der
Leidsche universiteit.”
Haarlemmerolie wel had bevonden en niet van plan was aan die
geneeswijze ontrouw te worden. De man had inderdaad een tiental fleschjes
van dit zeer schadelijke mengsel van terpentijn, zwavel en raapolie in twee
weken verorberd en was toen weder gezond, door zelf-suggestie genezen
van een zeer ernstig geval van gastro-enteritis niet door maar ondanks zijn
„geneesmiddel”. Men had daarna den man moeten ontslaan, daar hij de
patiënten der kliniek sedert op opdringerige wijze aangeraden had zich
zooals hij, te redden van de snijtafel door het gebruik van Haarlemmerolie,
van het echte merk, waarvan hij den alleenverkoop voor Leiden had
verworven.
„Gij beantwoordt een vraag met een wedervraag,” zei thans de verschijning
bestraffend. „Zoudt gij dat een student op het examen niet kwalijk nemen?
Hier nu, zijt gij als een student.”
„Ik herkende u dadelijk. Te vaak heb ik ons beroemd Leidsch Egyptisch
museum bezocht. Gij zijt Anubis, de god met het lichaam van een mensch
en den kop van een jakhals, zoon van Osiris, god van de duisternis, die naar
de Egyptenaren meenden, den mensch na zijn dood tot de poort van de
onderwereld geleidde, waar gericht werd over de daden van zijn leven.”
„Inderdaad, die ben ik.”
„Neen, met uw welnemen, die waart gij in de verbeelding der oude
Egyptenaars.” [56]
„Wat zegt gij?”
De stem klonk nu vervaarlijk en met sisklanken, gelijk een dwarsfluit,
gespeeld met een slecht embouchure.
„Wat ik gezegd heb, is gezegd en ik voeg er bij, dat ik een professor ben der
Leidsche universiteit.”
Page 50
„Wat bedoelt gij daarmede?” brulde de verschijning.
„Indien gij meent, dat versterking der stem voor ons, streng
wetenschappelijk gevormden, gelijk voor den leek, versterking van het
argument beteekent, dan vergist gij u toch.”
„Ik ben Anubis en ik blijf Anubis!” zeide de verschijning. Maar in het nu
weer verzachte timbre van de stem hoorde het muzikaal-geoefende oor van
prof. Leyden onmiskenbaar een weifeling. „Ik ben Anubis en ik blijf
Anubis!” herhaalde de verschijning, niet wetende dat voor den universitair
opgevoeden mensch, de herhaling van een betuiging psychologisch als een
verzwakking daarvan wordt uitgelegd. „De goden der oudheid, welke gij in
uwe waanwijsheid meent, dat uitgestorven zijn, leven nog voort.”
„Geluk er mee,” antwoordde de geleerde onverstoorbaar. „Maar als dat zoo
is, wat ik niet wil betwijfelen, daar gij als oud-richter over het goede en het
kwade u zeker de verfoeilijke eigenschap van het niet-wetenschappelijk
getuigen, of kortweg, het overdrijven, ongegrond beweren, opsnijden en
[57]liegen niet zult hebben aangewend, dan nog, vraag ik u, wat ik met uw al
of niet-bestaan te doen heb? Uwe werkzaamheden alhier vallen even ver
buiten den kring van mijn werkzaamheden alhier als de zondagskout van
een portier buiten een dispuut tusschen twee professoren.”
„Gij vernedert mij en miskent mij. Ik ben hier door hooger macht
aangesteld om den mensch, voor hij tot hoogere wijding geroepen wordt,
door biecht te reinigen. Dus biecht uw zondig aardsch bestaan en ik kan u
den weg naar hooger effenen.”
„Niet om de voordeelen er aan verbonden, zal ik aan uw verlangen voldoen,
doch slechts om u een genoegen te bewijzen. Want om voordeel biechten
lijkt mij biechtend, een nieuwe zonde begaan. Ik heb als wetenschappelijk
man, bewust van een hooge roeping, alleen dan wat in mijn aardsch leven
bereikt, als ik te voren geen ander voordeel beoogde dan het geluk, wat
voor anderen te kunnen zijn. Welke zonden ik u zal hebben te biechten,
„Indien gij meent, dat versterking der stem voor ons, streng
wetenschappelijk gevormden, gelijk voor den leek, versterking van het
argument beteekent, dan vergist gij u toch.”
„Ik ben Anubis en ik blijf Anubis!” zeide de verschijning. Maar in het nu
weer verzachte timbre van de stem hoorde het muzikaal-geoefende oor van
prof. Leyden onmiskenbaar een weifeling. „Ik ben Anubis en ik blijf
Anubis!” herhaalde de verschijning, niet wetende dat voor den universitair
opgevoeden mensch, de herhaling van een betuiging psychologisch als een
verzwakking daarvan wordt uitgelegd. „De goden der oudheid, welke gij in
uwe waanwijsheid meent, dat uitgestorven zijn, leven nog voort.”
„Geluk er mee,” antwoordde de geleerde onverstoorbaar. „Maar als dat zoo
is, wat ik niet wil betwijfelen, daar gij als oud-richter over het goede en het
kwade u zeker de verfoeilijke eigenschap van het niet-wetenschappelijk
getuigen, of kortweg, het overdrijven, ongegrond beweren, opsnijden en
[57]liegen niet zult hebben aangewend, dan nog, vraag ik u, wat ik met uw al
of niet-bestaan te doen heb? Uwe werkzaamheden alhier vallen even ver
buiten den kring van mijn werkzaamheden alhier als de zondagskout van
een portier buiten een dispuut tusschen twee professoren.”
„Gij vernedert mij en miskent mij. Ik ben hier door hooger macht
aangesteld om den mensch, voor hij tot hoogere wijding geroepen wordt,
door biecht te reinigen. Dus biecht uw zondig aardsch bestaan en ik kan u
den weg naar hooger effenen.”
„Niet om de voordeelen er aan verbonden, zal ik aan uw verlangen voldoen,
doch slechts om u een genoegen te bewijzen. Want om voordeel biechten
lijkt mij biechtend, een nieuwe zonde begaan. Ik heb als wetenschappelijk
man, bewust van een hooge roeping, alleen dan wat in mijn aardsch leven
bereikt, als ik te voren geen ander voordeel beoogde dan het geluk, wat
voor anderen te kunnen zijn. Welke zonden ik u zal hebben te biechten,
Page 51
weet ik niet goed, daar wetenschappelijk gesproken, elke zonde niets anders
is dan de resultante van een organisch gebrek, hetzij geestelijk hetzij
lichamelijk en dikwijls van de wederzijdsche inwerking dier beide. Zoo
vond ik vaak, dat wulpschheid bij vrouwen en de vele gevolgen daarvan, in
onmiddellijk verband stonden met een aangeboren hartsgebrek.” [58]
„De menschheid is een erfzondig geslacht.”
„Hoe weinig wetenschappelijk oordeelt gij en ik vraag mij af, welke
werkelijk wetenschappelijke macht u op deze verantwoordelijke plaats
heeft kunnen stellen.”
„Wat zegt gij?” donderde Anubis.
„Geluid is voor ons rhythmische trilling, sterk of zwakker trillen verandert
daaraan voor ons niets. Dus niet meer deze te sterk bewogen vibraties. Ik
meen eenvoudig, dat wanneer de zonde opzichzelf wetenschappelijk
verklaard worden kan en daardoor naar haar wezen geheel anders
beschouwd moet worden, ook de erfzonde, dat is dus een reeks van zonden
door een reeks van geslachten begaan, het geval op zichzelf niet verandert.
Als een vrouw wulpsch is omdat haar hart abnormaal arbeidt, dan is zij niet
meer of minder schuldig, omdat ook het hart van haar grootmoeder en dat
van haar betovergrootmoeder, abnormaal werkten. Of als ik u, een Rechter,
eens een ander voorbeeld mag geven, er zijn geen meer misdadige
menschen dan rechters.”
„U meent, dan die de rechters veroordeelen?”
„Neen, dan rechters. Op gevaar af, dat gij mij als medicus
vooringenomenheid ten aanzien van de juridische faculteit verwijt, blijf ik
dat volhouden. En het eischt slechts een weinig psycho-analytisch
doordringingsvermogen om dat duidelijk te maken. Want wat is een rechter
en zijn aanhang van politie- en gevangenismenschen? Dat is iemand, die
den [59]aandrang in zich voelt, levende wezens gevangen te zetten. Die
is dan de resultante van een organisch gebrek, hetzij geestelijk hetzij
lichamelijk en dikwijls van de wederzijdsche inwerking dier beide. Zoo
vond ik vaak, dat wulpschheid bij vrouwen en de vele gevolgen daarvan, in
onmiddellijk verband stonden met een aangeboren hartsgebrek.” [58]
„De menschheid is een erfzondig geslacht.”
„Hoe weinig wetenschappelijk oordeelt gij en ik vraag mij af, welke
werkelijk wetenschappelijke macht u op deze verantwoordelijke plaats
heeft kunnen stellen.”
„Wat zegt gij?” donderde Anubis.
„Geluid is voor ons rhythmische trilling, sterk of zwakker trillen verandert
daaraan voor ons niets. Dus niet meer deze te sterk bewogen vibraties. Ik
meen eenvoudig, dat wanneer de zonde opzichzelf wetenschappelijk
verklaard worden kan en daardoor naar haar wezen geheel anders
beschouwd moet worden, ook de erfzonde, dat is dus een reeks van zonden
door een reeks van geslachten begaan, het geval op zichzelf niet verandert.
Als een vrouw wulpsch is omdat haar hart abnormaal arbeidt, dan is zij niet
meer of minder schuldig, omdat ook het hart van haar grootmoeder en dat
van haar betovergrootmoeder, abnormaal werkten. Of als ik u, een Rechter,
eens een ander voorbeeld mag geven, er zijn geen meer misdadige
menschen dan rechters.”
„U meent, dan die de rechters veroordeelen?”
„Neen, dan rechters. Op gevaar af, dat gij mij als medicus
vooringenomenheid ten aanzien van de juridische faculteit verwijt, blijf ik
dat volhouden. En het eischt slechts een weinig psycho-analytisch
doordringingsvermogen om dat duidelijk te maken. Want wat is een rechter
en zijn aanhang van politie- en gevangenismenschen? Dat is iemand, die
den [59]aandrang in zich voelt, levende wezens gevangen te zetten. Die
Page 52
aandrang heeft elkeen nog min of meer in zich. De lager ontwikkelden, de
atavisten, het meest. Nergens meer dan in achterbuurten vindt gij dieren
opgesloten in aquaria, kooitjes, hokken en nergens meer dan bij de
onontwikkelden is er behoefte om te lezen van opgesloten menschen en de
martelingen, welke men hun aandoet. Film en sensatie-roman, ook
schouwburgdraak, zijn niet compleet zonder scène in de rechtzaal of het
wegbrengen van een mensch naar de gevangenis. Welnu, gij vindt deze
zelfde handelwijze eenigszins minder gecompliceerd bij de kat, die met de
geknauwde muis speelt, voor zij haar verorbert. Het gevangen zetten en het
pijnigen van gevangen menschen is niets anders dan het toegeven aan de
atavistische neiging in den mensch, zijn prooi veilig in zijn hol opgesloten
te houden, onbereikbaar voor andere mensch-dieren, hem te kneuzen om de
overmacht te doen gevoelen en hem daarna te dooden. Voor ons
wetenschappelijk gevormden, bestaat er geen zonde, omdat er geen misdaad
bestaat. Maar wat wel bestaat zijn aangeboren of verworven lichamelijke en
psychische gebreken, waardoor anti-sociale handelingen worden
veroorzaakt. Zoo worden die menschen rechters, welke onderbewust nog in
zich de psyche van den oer-diermensch hebben en daarom hun prooi, dat is
de „misdadiger”, achter tralies in een hol sluiten, waartoe geen ander
[60]toegang heeft dan zijzelf. In abstractie is dus een rechter altoos
„schuldiger” dan de „misdadiger”, dien hij veroordeelt. En die „misdadiger”
is voor ons, wetenschappelijk gevormde menschen weder niets anders, dan
een andere atavistisch aangelegde persoonlijkheid, een mensch met
psychische of lichamelijke defecten. Iemand, die lijdt aan een slechte
spijsvertering komt naar mijn kliniek en ik onderzoek wat er de oorzaak van
is en tracht hem te genezen—wat soms zelfs gelukt. Iemand, die meer of
minder aan moral insanity lijdt, komt tot anti-sociale handelingen, wordt
betrapt en gevangen gezet of in de gevangenis of soms in een
krankzinnigengesticht. Vroeger waren geneesheeren en rechters het in
zooverre met elkaar eens, dat zij wat zij niet genezen konden, doodden.
Tegenwoordig houden wij medici alles zoo lang mogelijk in het leven—
omdat wij het leven heilig en geheiligd achten. Die van de juridische
faculteit hebben ten deze nog atavistische overtuigingen. Zoo kreeg ik
atavisten, het meest. Nergens meer dan in achterbuurten vindt gij dieren
opgesloten in aquaria, kooitjes, hokken en nergens meer dan bij de
onontwikkelden is er behoefte om te lezen van opgesloten menschen en de
martelingen, welke men hun aandoet. Film en sensatie-roman, ook
schouwburgdraak, zijn niet compleet zonder scène in de rechtzaal of het
wegbrengen van een mensch naar de gevangenis. Welnu, gij vindt deze
zelfde handelwijze eenigszins minder gecompliceerd bij de kat, die met de
geknauwde muis speelt, voor zij haar verorbert. Het gevangen zetten en het
pijnigen van gevangen menschen is niets anders dan het toegeven aan de
atavistische neiging in den mensch, zijn prooi veilig in zijn hol opgesloten
te houden, onbereikbaar voor andere mensch-dieren, hem te kneuzen om de
overmacht te doen gevoelen en hem daarna te dooden. Voor ons
wetenschappelijk gevormden, bestaat er geen zonde, omdat er geen misdaad
bestaat. Maar wat wel bestaat zijn aangeboren of verworven lichamelijke en
psychische gebreken, waardoor anti-sociale handelingen worden
veroorzaakt. Zoo worden die menschen rechters, welke onderbewust nog in
zich de psyche van den oer-diermensch hebben en daarom hun prooi, dat is
de „misdadiger”, achter tralies in een hol sluiten, waartoe geen ander
[60]toegang heeft dan zijzelf. In abstractie is dus een rechter altoos
„schuldiger” dan de „misdadiger”, dien hij veroordeelt. En die „misdadiger”
is voor ons, wetenschappelijk gevormde menschen weder niets anders, dan
een andere atavistisch aangelegde persoonlijkheid, een mensch met
psychische of lichamelijke defecten. Iemand, die lijdt aan een slechte
spijsvertering komt naar mijn kliniek en ik onderzoek wat er de oorzaak van
is en tracht hem te genezen—wat soms zelfs gelukt. Iemand, die meer of
minder aan moral insanity lijdt, komt tot anti-sociale handelingen, wordt
betrapt en gevangen gezet of in de gevangenis of soms in een
krankzinnigengesticht. Vroeger waren geneesheeren en rechters het in
zooverre met elkaar eens, dat zij wat zij niet genezen konden, doodden.
Tegenwoordig houden wij medici alles zoo lang mogelijk in het leven—
omdat wij het leven heilig en geheiligd achten. Die van de juridische
faculteit hebben ten deze nog atavistische overtuigingen. Zoo kreeg ik
Page 53
patiënten, die in de gevangenis door het slechte eten, maagzweren en
maagkanker hadden opgedaan, (het knauwen van de muis door de poes) en
nadat ik ze weer genezen had, werden ze van mijn ziekenzaal opnieuw naar
de gevangenis gevoerd. In die dagen heb ik zeker gevoeld, dat er wrijving
bestaat tusschen de beide faculteiten, de medische of reddende en de
juridische of straffende. Kortom een rechtzaak is ten slotte niets anders dan
een strijd tusschen [61]twee atavistische instincten. Een gevangenis is een
burcht van het kannibalisme.…”
„Zult gij thans met uw biecht beginnen, verwatene?” donderde Anubis.
„Welaan dan, mijn biecht—de biecht van een professor in de geneeskunde
aan de beroemde universiteit van Leiden.
„Ik ben geboren uit een familie, waarin van vaderszijde de volgende
beroepen werden uitgeoefend: vader, dokter; grootvader, dierenarts;
overgrootvader, predikant; betovergrootvader, onderwijzer. Moeder,
verpleegster; grootmoeder, onderwijzeres; overgrootmoeder, beroemd om
haar kunstnaaldwerken; betovergrootmoeder, huisnaaister. Ja, ja, het kost
heel wat voor-oefening van voorgeslachten, aleer de natuur in staat is een
werkelijken Leidschen professor in de geneeskunde te produceeren. Dacht
gij, dat een bijzonder mensch minder kweekkunst en kweekzorg noodig zou
hebben dan een raspaard of een zeldzame tulp, mijn waarde Anubis?
„Wij waren gedurende vijf geslachten arbeidzaam, leerzaam, oppassend en
deugdzaam.
„Toen ik vijf jaar oud was, ging ik naar de Fröbel-school en ontving er mijn
eerste opleiding. Van mijn zesde tot mijn twaalfde jaar was mijn tijd aldus
verdeeld: Opstaan om zeven uur. Studeeren tot acht uur. Ontbijten en spelen
tot negen uur. Leeren van negen uur tot twaalf uur. Eten en spelen tot half
twee. Leeren van half twee tot vier uur. [62]Spelen en eten van vier tot half
zeven. Leeren van half zeven tot acht uur. Dan naar bed. Van mijn twaalfde
jaar, toen ik op het gymnasium kwam, was de verdeeling als volgt: Opstaan
maagkanker hadden opgedaan, (het knauwen van de muis door de poes) en
nadat ik ze weer genezen had, werden ze van mijn ziekenzaal opnieuw naar
de gevangenis gevoerd. In die dagen heb ik zeker gevoeld, dat er wrijving
bestaat tusschen de beide faculteiten, de medische of reddende en de
juridische of straffende. Kortom een rechtzaak is ten slotte niets anders dan
een strijd tusschen [61]twee atavistische instincten. Een gevangenis is een
burcht van het kannibalisme.…”
„Zult gij thans met uw biecht beginnen, verwatene?” donderde Anubis.
„Welaan dan, mijn biecht—de biecht van een professor in de geneeskunde
aan de beroemde universiteit van Leiden.
„Ik ben geboren uit een familie, waarin van vaderszijde de volgende
beroepen werden uitgeoefend: vader, dokter; grootvader, dierenarts;
overgrootvader, predikant; betovergrootvader, onderwijzer. Moeder,
verpleegster; grootmoeder, onderwijzeres; overgrootmoeder, beroemd om
haar kunstnaaldwerken; betovergrootmoeder, huisnaaister. Ja, ja, het kost
heel wat voor-oefening van voorgeslachten, aleer de natuur in staat is een
werkelijken Leidschen professor in de geneeskunde te produceeren. Dacht
gij, dat een bijzonder mensch minder kweekkunst en kweekzorg noodig zou
hebben dan een raspaard of een zeldzame tulp, mijn waarde Anubis?
„Wij waren gedurende vijf geslachten arbeidzaam, leerzaam, oppassend en
deugdzaam.
„Toen ik vijf jaar oud was, ging ik naar de Fröbel-school en ontving er mijn
eerste opleiding. Van mijn zesde tot mijn twaalfde jaar was mijn tijd aldus
verdeeld: Opstaan om zeven uur. Studeeren tot acht uur. Ontbijten en spelen
tot negen uur. Leeren van negen uur tot twaalf uur. Eten en spelen tot half
twee. Leeren van half twee tot vier uur. [62]Spelen en eten van vier tot half
zeven. Leeren van half zeven tot acht uur. Dan naar bed. Van mijn twaalfde
jaar, toen ik op het gymnasium kwam, was de verdeeling als volgt: Opstaan
Page 54
om half zeven. Studeeren tot acht uur. Voorts studeeren van negen tot
twaalf. Van half twee tot vier. Van zeven tot negen, in de hoogere klassen
tot tien uur. Achttien jaar oud, ingeschreven als student op de Leidsche
universiteit. Mijn eerste jaar, o Anubis, wreker der menschelijke
zwakheden, heeft veel vergiffenis noodig. Wee, wee, op uw weegschaal zal
mijn arme ziel doorslaan—zooals ik in dat eerste jaar doorsloeg. Maar de
naalde van uw bascule zal haar evenwicht hervinden in het tweede jaar. En
toen ik, vijf-en-twintig jaar oud, promoveerde tot doctor in de geneeskunde
op proefschrift: „Over eenige functies van milt en bijnieren” en mijn
waardige vader eerst mij, daarna mijn lieve moeder schreiend om de hals
viel, toen hij op het op Oud-Hollandsch papier gedrukte schutblad van het
pracht exemplaar van mijn proefschrift las: „Aan mijn ouders”, verheugde
de ietwat lummelachtige, blonde melkmuil, dewelke daar voor hem stond,
zich in de volgende wetenschap. Kennis van twee klassieke en drie
moderne talen; de mathematica tot aan de hoogere wiskunde; de physica.…,
kortom in de kennis van ongeveer twintig wetenschappelijke vakken,
wetenschappelijk bestudeerd. Hij was daarbij, laat dit in de andere
weegschaal van mijn eerste jaar, o Anubis, die de zondige [63]menschheid
richt, wegen, een partij aan het schaakbord, die zijn probleem er niet zonder
verdienste afbracht; een fluitist die, zoo zijn spel ook technisch lang niet
volmaakt was, toch zijn tweede partij in „Semper Crescendo” bij alle
openbare uitvoeringen tot buitengewone voldoening van zijn moeder, zijn
tantes, nichten en andere vrouwelijke familieleden, er afbracht. Zelfs
meende mijn moeder, te recht of te onrecht dat zal ik niet beslissen,
hebbende bij haar nooit erg veel te beslissen gehad, dat ik gerust aan den
eersten lessenaar geplaatst had kunnen woorden. Ik was een passabel
partner op het lawntennisveld. Mijn vader, oordeelende dat manueele
vaardigheid den toekomstigen geneesheer niet vroeg genoeg kan
onderwezen worden, had mij jong liefhebberij voor het vervaardigen van
voorwerpen met de kerfsnede ingeboezemd en in de weinige uren, dat ik
mij er als student (na het eerste jaar) aan kon wijden, had ik het uitgebreid
tot het beeldhouwen in hout. Twee leeuwenkopjes van eikenhout,
aangebracht ter vervanging van de beschadigde aan mijn moeders
twaalf. Van half twee tot vier. Van zeven tot negen, in de hoogere klassen
tot tien uur. Achttien jaar oud, ingeschreven als student op de Leidsche
universiteit. Mijn eerste jaar, o Anubis, wreker der menschelijke
zwakheden, heeft veel vergiffenis noodig. Wee, wee, op uw weegschaal zal
mijn arme ziel doorslaan—zooals ik in dat eerste jaar doorsloeg. Maar de
naalde van uw bascule zal haar evenwicht hervinden in het tweede jaar. En
toen ik, vijf-en-twintig jaar oud, promoveerde tot doctor in de geneeskunde
op proefschrift: „Over eenige functies van milt en bijnieren” en mijn
waardige vader eerst mij, daarna mijn lieve moeder schreiend om de hals
viel, toen hij op het op Oud-Hollandsch papier gedrukte schutblad van het
pracht exemplaar van mijn proefschrift las: „Aan mijn ouders”, verheugde
de ietwat lummelachtige, blonde melkmuil, dewelke daar voor hem stond,
zich in de volgende wetenschap. Kennis van twee klassieke en drie
moderne talen; de mathematica tot aan de hoogere wiskunde; de physica.…,
kortom in de kennis van ongeveer twintig wetenschappelijke vakken,
wetenschappelijk bestudeerd. Hij was daarbij, laat dit in de andere
weegschaal van mijn eerste jaar, o Anubis, die de zondige [63]menschheid
richt, wegen, een partij aan het schaakbord, die zijn probleem er niet zonder
verdienste afbracht; een fluitist die, zoo zijn spel ook technisch lang niet
volmaakt was, toch zijn tweede partij in „Semper Crescendo” bij alle
openbare uitvoeringen tot buitengewone voldoening van zijn moeder, zijn
tantes, nichten en andere vrouwelijke familieleden, er afbracht. Zelfs
meende mijn moeder, te recht of te onrecht dat zal ik niet beslissen,
hebbende bij haar nooit erg veel te beslissen gehad, dat ik gerust aan den
eersten lessenaar geplaatst had kunnen woorden. Ik was een passabel
partner op het lawntennisveld. Mijn vader, oordeelende dat manueele
vaardigheid den toekomstigen geneesheer niet vroeg genoeg kan
onderwezen worden, had mij jong liefhebberij voor het vervaardigen van
voorwerpen met de kerfsnede ingeboezemd en in de weinige uren, dat ik
mij er als student (na het eerste jaar) aan kon wijden, had ik het uitgebreid
tot het beeldhouwen in hout. Twee leeuwenkopjes van eikenhout,
aangebracht ter vervanging van de beschadigde aan mijn moeders
Page 55
renaissance-buffet, vestigden bij haar de overtuiging, dat ik eigenlijk artist
had moeten worden. Niet gaarne aan hare overtuigingen tornend, hierbij
heb ik, ook niet op theologisch gebied, zelden bij haar eenig resultaat
kunnen bereiken, laat ik dat voor hare rekening, maar ik heb altijd veel van
de kunst blijven houden, bezit een schoone verzameling etsen, kleine
[64]bronzen en houten beeldjes en later in de operatiezaal, heb ik dankbaar
het inzicht van mijn vader herdacht. Want de vastheid van hand en de
gewoonte om met scherpe werktuigen om te gaan, kwam mij bij de
operaties te stade, ja ik had ten deze wellicht door mijn oefening, iets op
sommige zeer geleerde maar niet even handige, collega’s voor. Na mijn
promotie heb ik te Berlijn en te Parijs eenige jaren mijn studiën voortgezet.
In het „Tijdschrift voor Operatieve Heelkunde” zult gij, o Anubis, ten deze
vele mijner zonden vinden. Want in de verslagen en brieven uit Berlijn,
welk ik daarin publiceerde komen—genade, o wreker aller doodzonden,
machtige Anubis—vele germanismen voor, dewelke mijn vader mij, met
rood potlood onderstreept en op den rand in zuiver moedertaalsch
verbeterd, toezond. Ik heb te Berlijn en te Parijs bij Gretchen’s en Mimi
Pinsons wellicht andere, uw weegschaal gevaarlijk doen doorslaande,
zonden begaan. Maar als gij mij, den schrijvenden Nederlandschen
medicus, mijn germanismen kunt vergeven.… dan vergeeft gij mij ook
alles. Acht-en-twintig jaar oud, in patria teruggekeerd, ben ik tot assistent
van den beroemden chirurg, prof. dr. Friesinga benoemd. Vervolgens heb ik
één jaar algemeene praktijk te Leidschendam uitgeoefend, waar ik door den
toenemenden invloed en vloed van den ouden erfvijand der Nederlandsche
medische faculteit, de Haarlemmerolie, een rustkuur kon doormaken en
mijn ver uit elkaar wonende patiënten [65]op de fiets bezoekend, mijn
lichaam, dat ik te lang te weinig oefening in de buitenlucht had kunnen
geven, gestaald. Wellicht ietwat te ijdel op mijn verkregen nieuwe
vaardigheid van velocipedist, had ik den overmoed mij bij eene club van
dergelijke snelvoetigen op het rad van beiderlei kunne aan te sluiten, met
het door iedereen behalve door mij verwachte gevolg, dat ik verliefd en
verloofd raakte, huwde en mij te Leiden vestigend, bij een gelukkig
huwelijksleven een gelukkige praktijk voegde. Begrepen en bemind door
had moeten worden. Niet gaarne aan hare overtuigingen tornend, hierbij
heb ik, ook niet op theologisch gebied, zelden bij haar eenig resultaat
kunnen bereiken, laat ik dat voor hare rekening, maar ik heb altijd veel van
de kunst blijven houden, bezit een schoone verzameling etsen, kleine
[64]bronzen en houten beeldjes en later in de operatiezaal, heb ik dankbaar
het inzicht van mijn vader herdacht. Want de vastheid van hand en de
gewoonte om met scherpe werktuigen om te gaan, kwam mij bij de
operaties te stade, ja ik had ten deze wellicht door mijn oefening, iets op
sommige zeer geleerde maar niet even handige, collega’s voor. Na mijn
promotie heb ik te Berlijn en te Parijs eenige jaren mijn studiën voortgezet.
In het „Tijdschrift voor Operatieve Heelkunde” zult gij, o Anubis, ten deze
vele mijner zonden vinden. Want in de verslagen en brieven uit Berlijn,
welk ik daarin publiceerde komen—genade, o wreker aller doodzonden,
machtige Anubis—vele germanismen voor, dewelke mijn vader mij, met
rood potlood onderstreept en op den rand in zuiver moedertaalsch
verbeterd, toezond. Ik heb te Berlijn en te Parijs bij Gretchen’s en Mimi
Pinsons wellicht andere, uw weegschaal gevaarlijk doen doorslaande,
zonden begaan. Maar als gij mij, den schrijvenden Nederlandschen
medicus, mijn germanismen kunt vergeven.… dan vergeeft gij mij ook
alles. Acht-en-twintig jaar oud, in patria teruggekeerd, ben ik tot assistent
van den beroemden chirurg, prof. dr. Friesinga benoemd. Vervolgens heb ik
één jaar algemeene praktijk te Leidschendam uitgeoefend, waar ik door den
toenemenden invloed en vloed van den ouden erfvijand der Nederlandsche
medische faculteit, de Haarlemmerolie, een rustkuur kon doormaken en
mijn ver uit elkaar wonende patiënten [65]op de fiets bezoekend, mijn
lichaam, dat ik te lang te weinig oefening in de buitenlucht had kunnen
geven, gestaald. Wellicht ietwat te ijdel op mijn verkregen nieuwe
vaardigheid van velocipedist, had ik den overmoed mij bij eene club van
dergelijke snelvoetigen op het rad van beiderlei kunne aan te sluiten, met
het door iedereen behalve door mij verwachte gevolg, dat ik verliefd en
verloofd raakte, huwde en mij te Leiden vestigend, bij een gelukkig
huwelijksleven een gelukkige praktijk voegde. Begrepen en bemind door
Page 56
mijne vrouw, kon ik mij aan de voortzetting mijner lievelingsstudiën
wijden. Zij stelde de wetenschap boven zich zelve. Anubis, gij effenaar van
den weg naar zaliger oorden, vergeef mij, dat ik hetzelfde deed, de
wetenschap te vaak boven mijn brave Neeltje stellend. Het heeft lang
geduurd, eer ik, toen ik na vele jaren er tot de erkenning van kwam, het
mijzelf heb kunnen vergeven. Zij was een brave moeder voor onze drie
kinderen, één zoon, als arts in het noorden des lands gevestigd, en twee
dochters, alle twee in den medischen stand gehuwd. Door mijne
gepubliceerde studiën bekend geworden, kon ik mij eerst vestigen als
specialist voor interne gevallen, werd tegen mijn veertigste jaar tot
professor benoemd en heb dertig jaren lang mijn best gedaan, de medische
faculteit der Leidsche universiteit niet tot oneer te strekken, wat ik hoop dat
mij gelukt is. Indien ik werkelijk in dit mijn leven, zonden heb begaan, dan
stel ik [66]daartegenover, dat ik levenslang getracht heb ze te bestrijden door
het meest werkzame middel er tegen, arbeid en arbeid in dienst van de
lijdende menschheid. Ik heb van mijn vijf en twintigste tot mijn zeventigste,
dat is gedurende vijf en veertig jaren of ruim 16436 dagen, ten minste
gemiddeld elken dag en nacht, want vaak ben ik ’s nachts voor dringende
gevallen geroepen, tien patiënten behandeld. Dat is dus samen 164360.
„Als dus, o machtige Anubis, deze stoet van door mij behandelde
menschen, vaak gered van afschuwelijke pijnen, kwijnend lijden,
vroegtijdigen dood met al de vreeselijke gevolgen voor de nabestaanden,
die hun zorg nog behoefden, op de weegschaal te mijnen voordeele wordt
gelegd en gij daarbij, zoo de schaal nog niet moge doorslaan, wilt voegen
het onderwijs dat ik den studenten gaf om hen den weg te doen volgen, dien
ik insloeg op het voorbeeld mijner voorvaderen, dan twijfel ik niet of het
zal u, machtige, gelukken, wat mijn waardigen vader helaas nooit gelukt is,
mij mijn grootste zonden te vergeven—de germanismen in mijn medische
verhandelingen.”
„Wat was uw godsdienst?”
wijden. Zij stelde de wetenschap boven zich zelve. Anubis, gij effenaar van
den weg naar zaliger oorden, vergeef mij, dat ik hetzelfde deed, de
wetenschap te vaak boven mijn brave Neeltje stellend. Het heeft lang
geduurd, eer ik, toen ik na vele jaren er tot de erkenning van kwam, het
mijzelf heb kunnen vergeven. Zij was een brave moeder voor onze drie
kinderen, één zoon, als arts in het noorden des lands gevestigd, en twee
dochters, alle twee in den medischen stand gehuwd. Door mijne
gepubliceerde studiën bekend geworden, kon ik mij eerst vestigen als
specialist voor interne gevallen, werd tegen mijn veertigste jaar tot
professor benoemd en heb dertig jaren lang mijn best gedaan, de medische
faculteit der Leidsche universiteit niet tot oneer te strekken, wat ik hoop dat
mij gelukt is. Indien ik werkelijk in dit mijn leven, zonden heb begaan, dan
stel ik [66]daartegenover, dat ik levenslang getracht heb ze te bestrijden door
het meest werkzame middel er tegen, arbeid en arbeid in dienst van de
lijdende menschheid. Ik heb van mijn vijf en twintigste tot mijn zeventigste,
dat is gedurende vijf en veertig jaren of ruim 16436 dagen, ten minste
gemiddeld elken dag en nacht, want vaak ben ik ’s nachts voor dringende
gevallen geroepen, tien patiënten behandeld. Dat is dus samen 164360.
„Als dus, o machtige Anubis, deze stoet van door mij behandelde
menschen, vaak gered van afschuwelijke pijnen, kwijnend lijden,
vroegtijdigen dood met al de vreeselijke gevolgen voor de nabestaanden,
die hun zorg nog behoefden, op de weegschaal te mijnen voordeele wordt
gelegd en gij daarbij, zoo de schaal nog niet moge doorslaan, wilt voegen
het onderwijs dat ik den studenten gaf om hen den weg te doen volgen, dien
ik insloeg op het voorbeeld mijner voorvaderen, dan twijfel ik niet of het
zal u, machtige, gelukken, wat mijn waardigen vader helaas nooit gelukt is,
mij mijn grootste zonden te vergeven—de germanismen in mijn medische
verhandelingen.”
„Wat was uw godsdienst?”
Page 57
„Lijden voorkomen, verhelpen, verzachten.”
„Dus christelijk?”
„Ik heb mij als leek nooit op theologisch gebied gewaagd. In Leiden
grasduinen wij niet gaarne op elkaars terrein.” [67]
„En uw onderbewuste aandriften?”
„Zij waren, geheel buiten mijn verdienste, door den cultus van mijn
voorgeslacht, vrijwel volkomen onderdrukt of, wat de Duitscher noemt
„verkümmert”.
„Kunt gij zelfs hier het zondigen niet laten?” donderde Anubis. „Zeg
verschrompeld, ingekrompen, weggeteerd, verkwijnd, uitgeroeid, verdord,
verdroogd en verpulverd. Zeg, de demonen der oerinstincten waren
afgedeinsd voor zooveel menschelijk en grootmenschelijk streven en
arbeiden om hoogere eer. Dus u waart een mensch, maar veel menschelijks
was u vreemd?”
„Niets menschelijks was mij vreemd, dus ook niet wat de Duitscher Kult.…
wat ik als Nederlander, de beschaving wensch te noemen van een goed
Nederlandsch geslacht.”
„Dan zijn u uwe germanismen vergeven.
„Gaat in tot het hooger leven en zondig nooit weer.”
„Dank u, o Egyptische godheid. Dat zou om in uw Egyptischen stijl te
blijven, de Duitscher noemen „pyramidal”. [68]
„Dus christelijk?”
„Ik heb mij als leek nooit op theologisch gebied gewaagd. In Leiden
grasduinen wij niet gaarne op elkaars terrein.” [67]
„En uw onderbewuste aandriften?”
„Zij waren, geheel buiten mijn verdienste, door den cultus van mijn
voorgeslacht, vrijwel volkomen onderdrukt of, wat de Duitscher noemt
„verkümmert”.
„Kunt gij zelfs hier het zondigen niet laten?” donderde Anubis. „Zeg
verschrompeld, ingekrompen, weggeteerd, verkwijnd, uitgeroeid, verdord,
verdroogd en verpulverd. Zeg, de demonen der oerinstincten waren
afgedeinsd voor zooveel menschelijk en grootmenschelijk streven en
arbeiden om hoogere eer. Dus u waart een mensch, maar veel menschelijks
was u vreemd?”
„Niets menschelijks was mij vreemd, dus ook niet wat de Duitscher Kult.…
wat ik als Nederlander, de beschaving wensch te noemen van een goed
Nederlandsch geslacht.”
„Dan zijn u uwe germanismen vergeven.
„Gaat in tot het hooger leven en zondig nooit weer.”
„Dank u, o Egyptische godheid. Dat zou om in uw Egyptischen stijl te
blijven, de Duitscher noemen „pyramidal”. [68]
Page 58
[Inhoud]
Page 59
VII.
Wat den professor thans overkwam, zou waarlijk iemand die nog minder
theophoob was aangelegd, kunnen doen ontzetten. Want, o opperste
marteling een Leidschen professor aangedaan, professor Leyden was het
alsof hij zijn bewuste bezinning verloor. Hij voelde zich vallen in een
onmetelijke ruimte, zonder de macht te bezitten, nuchter wetenschappelijk
boven en tegenover het geval te staan. Alleen had professor de
tegenwoordigheid van geest zichzelf te zeggen, als ik thans niet zorg
analytisch te observeeren, zal ik straks terugkeerend, niet anders dan de
meest ongevormde leek tegenover de wetenschappelijke wereld staan,
welke van mij een verslag eischt omtrent het wezen en de verschijnselen
der narcose. En dit te bedenken veroorzaakte bij professor zulk een
ontzetting, dat hij daardoor over den schrik van het in de peillooze diepte
wegvallen, heenkwam. „Dit vallen” begon hij nu te ontleden, „is opzichzelf
beschouwd niet gelijk wel aangenomen werd, een zich verliezen in de
ruimte, dus een passief verschijnsel, maar het kan ook zijn het doen
verliezen van de ruimte in zichzelf, een actief verschijnsel. Daar het mij
aanvankelijk [69]verschrikt heeft, kan het niet tijdeloos zijn, ten minste niet
volkomen tijdeloos, daar het dan immers geen lust of onlust, deze sensaties
door tijd veroorzaakt, zou kunnen verwekken. Ten hoogste kan het anders
dimensionaal zijn, een toestand van meer of minder dimensies. Dit vallen,
dat mij aanvankelijk eindeloos scheen, maar waaraan ik nu weet, dat een
einde zal moeten komen, wijl het reeds begon te eindigen, toen ik er bewust
van werd er door te verschrikken, is waarschijnlijk een overgang naar een
toestand van meer dimensies. Doch dit wensch ik geenszins als een feit vast
te stellen, zoolang het niet proefondervindelijk bewezen is. Mij spijt het op
dit oogenblik dat ik, zonder stoffelijk lichaam beroofd van het middel om
hier normen te stellen, geenerlei observaties kan maken ten aanzien van de
snelheid van mijn vallen noch eenige berekening kan doen omtrent de wijze
Wat den professor thans overkwam, zou waarlijk iemand die nog minder
theophoob was aangelegd, kunnen doen ontzetten. Want, o opperste
marteling een Leidschen professor aangedaan, professor Leyden was het
alsof hij zijn bewuste bezinning verloor. Hij voelde zich vallen in een
onmetelijke ruimte, zonder de macht te bezitten, nuchter wetenschappelijk
boven en tegenover het geval te staan. Alleen had professor de
tegenwoordigheid van geest zichzelf te zeggen, als ik thans niet zorg
analytisch te observeeren, zal ik straks terugkeerend, niet anders dan de
meest ongevormde leek tegenover de wetenschappelijke wereld staan,
welke van mij een verslag eischt omtrent het wezen en de verschijnselen
der narcose. En dit te bedenken veroorzaakte bij professor zulk een
ontzetting, dat hij daardoor over den schrik van het in de peillooze diepte
wegvallen, heenkwam. „Dit vallen” begon hij nu te ontleden, „is opzichzelf
beschouwd niet gelijk wel aangenomen werd, een zich verliezen in de
ruimte, dus een passief verschijnsel, maar het kan ook zijn het doen
verliezen van de ruimte in zichzelf, een actief verschijnsel. Daar het mij
aanvankelijk [69]verschrikt heeft, kan het niet tijdeloos zijn, ten minste niet
volkomen tijdeloos, daar het dan immers geen lust of onlust, deze sensaties
door tijd veroorzaakt, zou kunnen verwekken. Ten hoogste kan het anders
dimensionaal zijn, een toestand van meer of minder dimensies. Dit vallen,
dat mij aanvankelijk eindeloos scheen, maar waaraan ik nu weet, dat een
einde zal moeten komen, wijl het reeds begon te eindigen, toen ik er bewust
van werd er door te verschrikken, is waarschijnlijk een overgang naar een
toestand van meer dimensies. Doch dit wensch ik geenszins als een feit vast
te stellen, zoolang het niet proefondervindelijk bewezen is. Mij spijt het op
dit oogenblik dat ik, zonder stoffelijk lichaam beroofd van het middel om
hier normen te stellen, geenerlei observaties kan maken ten aanzien van de
snelheid van mijn vallen noch eenige berekening kan doen omtrent de wijze
Page 60
waarop mijn snelheid toeneemt en het parallelogram der krachten kan
vaststellen. Door een eenvoudige formule ware dan, evenals b.v. bij een
vallende ster, uit te drukken, hoe snel mijn val is en hoe lang hij reeds
geduurd heeft en van welken aard de wrijvingscoëfficiënten zijn.”
Maar opeens verschrok de professor zoo, dat hij het verder vasthouden
zijner bezinning schier als hopeloos beschouwde en alleen het besef, dat hij
tot de Leidsche universiteit behoorde, hield hem nog vast aan aardsche
dingen.
Professor Leyden ontwaarde, dat hij niet zooals [70]hij meende in de ruimte
viel, maar dat hij viel in een cirkel, aan de polen eenigszins afgeplat. Hij
wist niet of de cirkel waarin hij zich vallende bewoog, rechtstandig of vlak
was geplaatst, daar hem voorloopig de normen om dit na te gaan ontbraken.
„Indien ik,” zeide professor Leyden tot zichzelf, „in dezen vicieusen cirkel
blijvend wordt rondgeslingerd, dan adieu wereld van weten. Zou het dan
toch waar zijn, dat bol en ellips slechts caricaturen zijn, ironie van hoogere
machten en zou ons bolvormig oog, voor ons het middel tot ontwaring,
waarop wij menschen altijd zoo trotsch zijn geweest, ons zijn gegeven,
zooals men een aap een microscoop zou schenken. Nu besef ik, waarom het
cubisme in de schilderkunst zulk een groote vooruitgang is geweest en het
de brug naar het meer dimensionaal ervaren in de toekomst is. Want al wat
bolvormig wordt gezien, is van sensueele gedaante en zoomin als
werkelijke kunst, is werkelijk weten bereikbaar, zoolang onze sensualiteit
alle verhoudingen vervalscht.
„Helaas, ik begin te zwijmelen. Ik begin te ervaren, dat ik niet heel lang
meer in dezen cirkel zal rondgewenteld kunnen worden en mijn bezinning
behouden. Arm Leiden. Zult gij zoo dan uw zoon, die zich uwer niet geheel
onwaardig hoopte te toonen, door u iets werkelijk wetenschappelijks, iets
omtrent het werkelijke weten te brengen, moeten verliezen, zinloos
rondgeslingerd als hij thans wordt, gelijk een ontwortelde boom in een
draaikolk.… [71]
vaststellen. Door een eenvoudige formule ware dan, evenals b.v. bij een
vallende ster, uit te drukken, hoe snel mijn val is en hoe lang hij reeds
geduurd heeft en van welken aard de wrijvingscoëfficiënten zijn.”
Maar opeens verschrok de professor zoo, dat hij het verder vasthouden
zijner bezinning schier als hopeloos beschouwde en alleen het besef, dat hij
tot de Leidsche universiteit behoorde, hield hem nog vast aan aardsche
dingen.
Professor Leyden ontwaarde, dat hij niet zooals [70]hij meende in de ruimte
viel, maar dat hij viel in een cirkel, aan de polen eenigszins afgeplat. Hij
wist niet of de cirkel waarin hij zich vallende bewoog, rechtstandig of vlak
was geplaatst, daar hem voorloopig de normen om dit na te gaan ontbraken.
„Indien ik,” zeide professor Leyden tot zichzelf, „in dezen vicieusen cirkel
blijvend wordt rondgeslingerd, dan adieu wereld van weten. Zou het dan
toch waar zijn, dat bol en ellips slechts caricaturen zijn, ironie van hoogere
machten en zou ons bolvormig oog, voor ons het middel tot ontwaring,
waarop wij menschen altijd zoo trotsch zijn geweest, ons zijn gegeven,
zooals men een aap een microscoop zou schenken. Nu besef ik, waarom het
cubisme in de schilderkunst zulk een groote vooruitgang is geweest en het
de brug naar het meer dimensionaal ervaren in de toekomst is. Want al wat
bolvormig wordt gezien, is van sensueele gedaante en zoomin als
werkelijke kunst, is werkelijk weten bereikbaar, zoolang onze sensualiteit
alle verhoudingen vervalscht.
„Helaas, ik begin te zwijmelen. Ik begin te ervaren, dat ik niet heel lang
meer in dezen cirkel zal rondgewenteld kunnen worden en mijn bezinning
behouden. Arm Leiden. Zult gij zoo dan uw zoon, die zich uwer niet geheel
onwaardig hoopte te toonen, door u iets werkelijk wetenschappelijks, iets
omtrent het werkelijke weten te brengen, moeten verliezen, zinloos
rondgeslingerd als hij thans wordt, gelijk een ontwortelde boom in een
draaikolk.… [71]
Page 61
„Evenwel, dum spiro, spero. Maar haal ik adem? Mij is het alsof ik van het
ademhalen alleen de rhythmische bewegingen heb behouden. Om het even,
niet het volume maar de lijn, de curve, is voor mij van belang. En ziet aan,
ik bemerk dat er in de beweging van mijn schijnbaren circulum viciosum
een zeker rhythme is op te merken. Passen wij ons aan aan het rhythme, dat
is het geheim van het levensbewegen. Wat ervaar ik thans? Mijn cirkel
beweegt zich niet verticaal of horizontaal, zooals ik meende, maar beschrijft
draaiend om een as, tevens een bolvorm. Dus is het een cirkel draaiend om
zijn middelpunt en tegelijkertijd om zijn as. In welke verhouding staat
beider snelheid tot elkaar? Ik zal toch later niet als de leek, zonder formules,
voor mijn collega’s moeten verschijnen! Dit zou voor mij, als professor te
véél zijn.… dan liever bezwijm ik voorgoed.… En helaas, altijd nog die
bolvorm. Ware het slechts een ellips. Want de ellips is het begin van elke
verrijzenis uit de zinnelijkheid van de in zichzelf besloten cirkel en
bolvorm. De ellips, zich verlengend, zal ten slotte vormen twee bijna rechte
lijnen. De kracht dezer bijna rechte lijnen, welke de neiging hebben haar
krommingen steeds te verminderen, zal ten slotte de geboogde koppelingen
der beide eindpunten verbreken en ziedaar de herschepping. Geef mij
slechts lijnen en ik zal alle vormen kunnen uitdrukken en beheerschen.”
Doch in stede, dat de cirkelzwaai van professor [72]Leyden naar een zich
elliptisch verwijden neigde, merkte de professor, dat hij zich tot een kern
verdichtte. Dit verdichten gaf hem eerst een gevoel van bedrukking, daarna
van benauwdheid, toen van verstikking en vervolgens van een uiterste
concentratie, waarna hij opeens in zich een spankracht gevoelde, die hem
leek overeen te komen zoowel met die van het geladen electron als van de
geladen Leidsche flesch.…
Er moest plotseling iets gebeurd zijn buiten den vicieusen cirkel, welke
deze tot ontspanning bracht. Want het gevoel van den valzwaai, welke zich
tot een kern concentreerde, veranderde opeens in iets als een ontlading.
Een positieve pool was tot een negatieve pool gebracht.
ademhalen alleen de rhythmische bewegingen heb behouden. Om het even,
niet het volume maar de lijn, de curve, is voor mij van belang. En ziet aan,
ik bemerk dat er in de beweging van mijn schijnbaren circulum viciosum
een zeker rhythme is op te merken. Passen wij ons aan aan het rhythme, dat
is het geheim van het levensbewegen. Wat ervaar ik thans? Mijn cirkel
beweegt zich niet verticaal of horizontaal, zooals ik meende, maar beschrijft
draaiend om een as, tevens een bolvorm. Dus is het een cirkel draaiend om
zijn middelpunt en tegelijkertijd om zijn as. In welke verhouding staat
beider snelheid tot elkaar? Ik zal toch later niet als de leek, zonder formules,
voor mijn collega’s moeten verschijnen! Dit zou voor mij, als professor te
véél zijn.… dan liever bezwijm ik voorgoed.… En helaas, altijd nog die
bolvorm. Ware het slechts een ellips. Want de ellips is het begin van elke
verrijzenis uit de zinnelijkheid van de in zichzelf besloten cirkel en
bolvorm. De ellips, zich verlengend, zal ten slotte vormen twee bijna rechte
lijnen. De kracht dezer bijna rechte lijnen, welke de neiging hebben haar
krommingen steeds te verminderen, zal ten slotte de geboogde koppelingen
der beide eindpunten verbreken en ziedaar de herschepping. Geef mij
slechts lijnen en ik zal alle vormen kunnen uitdrukken en beheerschen.”
Doch in stede, dat de cirkelzwaai van professor [72]Leyden naar een zich
elliptisch verwijden neigde, merkte de professor, dat hij zich tot een kern
verdichtte. Dit verdichten gaf hem eerst een gevoel van bedrukking, daarna
van benauwdheid, toen van verstikking en vervolgens van een uiterste
concentratie, waarna hij opeens in zich een spankracht gevoelde, die hem
leek overeen te komen zoowel met die van het geladen electron als van de
geladen Leidsche flesch.…
Er moest plotseling iets gebeurd zijn buiten den vicieusen cirkel, welke
deze tot ontspanning bracht. Want het gevoel van den valzwaai, welke zich
tot een kern concentreerde, veranderde opeens in iets als een ontlading.
Een positieve pool was tot een negatieve pool gebracht.
Page 62
De Leidsche flesch, die prof. Leyden vormde, was ontladen. [73]
Page 63
[Inhoud]
Page 64
VIII.
Het gevoel van drukking was nu opeens veranderd in het gevoel van
ontspanning.
Prof. Leyden aarzelde niet, te constateeren, dat hij iets ondervond, dat de
zaligheid eener extase nabij kwam. En thans werd dezen uitnemenden
geest, dit sieraad der beste faculteit der beste universiteit, een nog grootere
beproeving opgelegd. Was prof. Leyden toen hij meende in een vicieusen
cirkel voor eeuwig te worden rondgeslingerd, reeds er toe geneigd geweest,
in uiterste benauwenis afstand te doen van zijn bezinning en zoo te komen
in het werkelijke doodenrijk, thans was het gevoel van steeds grootere
ontspanning voor hem van zulk een schier bedwelmende zaligheid, dat hij
er toe neigde, zich er duurzaam aan over te geven. Een niet te uiten
geluksgevoel doorstroomde hem, toen hij zich steeds meer voelde
uitbreiden, alsof hij ten laatste het geheele wereldruim zou vervullen.
Zietdaar, dacht prof. Leyden, dus de werkelijkheid van wat de theologische
faculteit meer speculatief dan empirisch leeraarde.… de zaligheid. Zietdaar
dan de vervulling van hetgeen alle menschen, van [74]den bedelaar die een
hond regeert, tot Alexander de Groote, Napoleon en den Groot-Admiraal
der beide oceanen in spe, hebben nagestreefd.… heerschappij. Maar wat is
het wezen dier heerschappij? Machtswellust. Of de bedelaar zijn trouwen
hond schopt of de Groot-Admiraal in spe, de Sorbonne met luchtbommen
belaagt, het is altijd weder die zelfde, het ware weten verduisterende,
sensualiteit. Zou ik dan, een professor van de Leidsche universiteit, als de
meest ongevormde leek, voortgaan mijn faculteit te onteeren, door op
onwetenschappelijke wijze mij over te geven aan de wulpsche, hoewel anti-
universitaire zaligheid dezer universeele extase? Dat zou zijn spelen in de
kaart dier uitbroedsels eener terecht door ons medici met animositeit
beschouwde juridische faculteit, welke mij voor mijn tijdelijk verscheiden,
Het gevoel van drukking was nu opeens veranderd in het gevoel van
ontspanning.
Prof. Leyden aarzelde niet, te constateeren, dat hij iets ondervond, dat de
zaligheid eener extase nabij kwam. En thans werd dezen uitnemenden
geest, dit sieraad der beste faculteit der beste universiteit, een nog grootere
beproeving opgelegd. Was prof. Leyden toen hij meende in een vicieusen
cirkel voor eeuwig te worden rondgeslingerd, reeds er toe geneigd geweest,
in uiterste benauwenis afstand te doen van zijn bezinning en zoo te komen
in het werkelijke doodenrijk, thans was het gevoel van steeds grootere
ontspanning voor hem van zulk een schier bedwelmende zaligheid, dat hij
er toe neigde, zich er duurzaam aan over te geven. Een niet te uiten
geluksgevoel doorstroomde hem, toen hij zich steeds meer voelde
uitbreiden, alsof hij ten laatste het geheele wereldruim zou vervullen.
Zietdaar, dacht prof. Leyden, dus de werkelijkheid van wat de theologische
faculteit meer speculatief dan empirisch leeraarde.… de zaligheid. Zietdaar
dan de vervulling van hetgeen alle menschen, van [74]den bedelaar die een
hond regeert, tot Alexander de Groote, Napoleon en den Groot-Admiraal
der beide oceanen in spe, hebben nagestreefd.… heerschappij. Maar wat is
het wezen dier heerschappij? Machtswellust. Of de bedelaar zijn trouwen
hond schopt of de Groot-Admiraal in spe, de Sorbonne met luchtbommen
belaagt, het is altijd weder die zelfde, het ware weten verduisterende,
sensualiteit. Zou ik dan, een professor van de Leidsche universiteit, als de
meest ongevormde leek, voortgaan mijn faculteit te onteeren, door op
onwetenschappelijke wijze mij over te geven aan de wulpsche, hoewel anti-
universitaire zaligheid dezer universeele extase? Dat zou zijn spelen in de
kaart dier uitbroedsels eener terecht door ons medici met animositeit
beschouwde juridische faculteit, welke mij voor mijn tijdelijk verscheiden,
Page 65
met de wreede paragraaf eener als naar gewoonte door vormelijke motieven
ingegeven wet, wilde dwingen op zeventigjarigen leeftijd rust te nemen,
terwijl ik juist begon te begrijpen wat de stervende Ho-Ku-Sai, nadat hij
tachtig jaar onverzwakt geteekend had, (gelijk als zijn vaderen en
voorvaderen), meende toen hij zeide: „Hoe jammer. Ik begon juist iets van
mijn ambacht te gaan leeren.” Als een Ho-Ku-Sai der medische
wetenschap, ving ik precies aan, iets van de operatieve behandeling en de
narcose te begrijpen, toen de atavisten van de juridische faculteit mij wilden
belemmeren, laat ik bescheiden zeggen, het tweede honderd duizend
behandelde [75]patiënten, vol te maken. Wat hebben die daaraan nog
ontbrekende patiënten er aan, als ik op een pensioen vegeteer?
Aldus overleggend, vond prof. Leyden de macht zich te ontrukken aan wat
hij niet geaarzeld zou hebben, de vergissing der theologische faculteit te
noemen, indien hij zich niet aan den gulden regel van Leiden had wenschen
te houden, niet op elkaars gebied te grasduinen.
Zoo dan had hij de kracht, in het belang der wetenschap, zijn expansie
bewust en bezonnen tegen te streven, boven de gelukzaligheid der sensueele
machtsuitbreiding, dat is machtswellust, stellend de kuische deugd der
ingetogenheid, deugd bij uitstek gekweekt in zijn echt-Nederlandsch
geslacht, door de vrouwen zoowel als de mannen, die na de zeventiende
eeuw voor alle volgende eeuwen genoeg hadden van praalhanzerij,
opsnijderij, bluf, humbug, renommiren en iets anders te willen zijn dan de
mannen in eenvoud waarachtig, de vrouwen in liefde bloeiende.
Aldus dan zegevierde de Nederlandsche beschaving en symbolisch voor de
soberheid van den Leidschen geest, den eenvoud van de Leidsche
universiteit, die geen belooning is geweest voor schransen maar voor zich
ontzeggen, zei professor Leyden, toen hij zijn wulpsche uitbreiding tot
staan had weten te brengen: [76]
Haring en brood,
Leyden uit nood.
ingegeven wet, wilde dwingen op zeventigjarigen leeftijd rust te nemen,
terwijl ik juist begon te begrijpen wat de stervende Ho-Ku-Sai, nadat hij
tachtig jaar onverzwakt geteekend had, (gelijk als zijn vaderen en
voorvaderen), meende toen hij zeide: „Hoe jammer. Ik begon juist iets van
mijn ambacht te gaan leeren.” Als een Ho-Ku-Sai der medische
wetenschap, ving ik precies aan, iets van de operatieve behandeling en de
narcose te begrijpen, toen de atavisten van de juridische faculteit mij wilden
belemmeren, laat ik bescheiden zeggen, het tweede honderd duizend
behandelde [75]patiënten, vol te maken. Wat hebben die daaraan nog
ontbrekende patiënten er aan, als ik op een pensioen vegeteer?
Aldus overleggend, vond prof. Leyden de macht zich te ontrukken aan wat
hij niet geaarzeld zou hebben, de vergissing der theologische faculteit te
noemen, indien hij zich niet aan den gulden regel van Leiden had wenschen
te houden, niet op elkaars gebied te grasduinen.
Zoo dan had hij de kracht, in het belang der wetenschap, zijn expansie
bewust en bezonnen tegen te streven, boven de gelukzaligheid der sensueele
machtsuitbreiding, dat is machtswellust, stellend de kuische deugd der
ingetogenheid, deugd bij uitstek gekweekt in zijn echt-Nederlandsch
geslacht, door de vrouwen zoowel als de mannen, die na de zeventiende
eeuw voor alle volgende eeuwen genoeg hadden van praalhanzerij,
opsnijderij, bluf, humbug, renommiren en iets anders te willen zijn dan de
mannen in eenvoud waarachtig, de vrouwen in liefde bloeiende.
Aldus dan zegevierde de Nederlandsche beschaving en symbolisch voor de
soberheid van den Leidschen geest, den eenvoud van de Leidsche
universiteit, die geen belooning is geweest voor schransen maar voor zich
ontzeggen, zei professor Leyden, toen hij zijn wulpsche uitbreiding tot
staan had weten te brengen: [76]
Haring en brood,
Leyden uit nood.
Page 66
En een nieuwe sensatie, maar welke hij bewuster en dus met genot van
hoogeren aard besefte, ervoer de professor, toen hij zijn alomvattende
expansie terug bracht tot een doordringen in de kernen. Het gevoel van
angst, ontstaan door de concentratie en het gevoel van zaligheid, ontstaan
door de expansie begon nu harmonisch zich op te lossen in een gevoel van
bewust begrijpen en omvatten. Het was hem in deze oogenblikken, alsof hij
bezig was aan de oplossing van een moeielijk probleem, waarvan hij de
einduitkomst reeds in een ver verschiet voelde, maar welke hij niet
wenschte te bereiken langs den verfoeielijken weg der fantaisie, die
redplank van alle half-geleerden en auto-didacten (zij meer onuitstaanbaar
voor den echt wetenschappelijk academisch gevormde dan zelfs de leek)
maar langs den weg der subtiele, harmonisch tot het einddoel leidende,
logisch zich ontwikkelende berekening.
En hoe gelukkig, kuisch-gelukkig, ingetogen-gelukkig, bezonnen gelukkig,
was prof. Leyden, toen hij de expansie steeds meer intoomend, betoomend
door de strenge linieën van het analytisch empirisch onderzoek, ontwaarde,
dat hij langzaam aan weer kwam tot het besef van tijd en daarmede tot het
besef van normen.
Maar het lukte prof. Leyden niet, tot het zuivere [77]besef van den tijd te
komen. Hij veelde de levensmomenten ongelijk en ongelijk verdeeld. Het
scheen hem nu toe, dat het besef van smart korter duurde, dan het besef van
geluk en dan weder, dat het besef van smart onevenredig lang duurde ten
aanzien van het besef van geluk.
Hij voelde, dat hij in een sfeer verkeerde, waar de tijdsdimensiën chaotisch
dooreen warrelden. En naarmate hij zichzelf concentreerde, ervoer hij met
schrik, dat hij te meer moeite kreeg om het evenwicht van zijn bezinning te
bewaren. Indien het mij maar lukt, de curven van dezen toestand, voldoende
te memoriseeren om later mijn collega’s een graphische voorstelling te
verschaffen, welke plastisch de overgangen van de verschillende
tijdsdimensies en haar invloeden op de gevoelens van lust en onlust
hoogeren aard besefte, ervoer de professor, toen hij zijn alomvattende
expansie terug bracht tot een doordringen in de kernen. Het gevoel van
angst, ontstaan door de concentratie en het gevoel van zaligheid, ontstaan
door de expansie begon nu harmonisch zich op te lossen in een gevoel van
bewust begrijpen en omvatten. Het was hem in deze oogenblikken, alsof hij
bezig was aan de oplossing van een moeielijk probleem, waarvan hij de
einduitkomst reeds in een ver verschiet voelde, maar welke hij niet
wenschte te bereiken langs den verfoeielijken weg der fantaisie, die
redplank van alle half-geleerden en auto-didacten (zij meer onuitstaanbaar
voor den echt wetenschappelijk academisch gevormde dan zelfs de leek)
maar langs den weg der subtiele, harmonisch tot het einddoel leidende,
logisch zich ontwikkelende berekening.
En hoe gelukkig, kuisch-gelukkig, ingetogen-gelukkig, bezonnen gelukkig,
was prof. Leyden, toen hij de expansie steeds meer intoomend, betoomend
door de strenge linieën van het analytisch empirisch onderzoek, ontwaarde,
dat hij langzaam aan weer kwam tot het besef van tijd en daarmede tot het
besef van normen.
Maar het lukte prof. Leyden niet, tot het zuivere [77]besef van den tijd te
komen. Hij veelde de levensmomenten ongelijk en ongelijk verdeeld. Het
scheen hem nu toe, dat het besef van smart korter duurde, dan het besef van
geluk en dan weder, dat het besef van smart onevenredig lang duurde ten
aanzien van het besef van geluk.
Hij voelde, dat hij in een sfeer verkeerde, waar de tijdsdimensiën chaotisch
dooreen warrelden. En naarmate hij zichzelf concentreerde, ervoer hij met
schrik, dat hij te meer moeite kreeg om het evenwicht van zijn bezinning te
bewaren. Indien het mij maar lukt, de curven van dezen toestand, voldoende
te memoriseeren om later mijn collega’s een graphische voorstelling te
verschaffen, welke plastisch de overgangen van de verschillende
tijdsdimensies en haar invloeden op de gevoelens van lust en onlust
Page 67
demonstreert. Het zal ons later helpen de lijdende menschheid te troosten,
daar het haar dan bewust kan gemaakt worden, dat de pijn opzichzelf
slechts inzooverre bestaat als zij gelegenheid heeft zich in tijdsduur om te
zetten en zoo zich te bestendigen. Want wat is narcose ten slotte anders dan
het besef van tijd, tijdelijk verdrijven?
Tijdelijk?
Professor Leyden dacht diep bedroefd over dat woord tijdelijk na. Was zijn
narcose inderdaad slechts een tijdelijke verdooving van tijdsbesef.…?
Of zou hem dit tijdelijke, eeuwig worden?
En in een tijdsdimensie, waarin de actieve subjectieve [78]seconde van het
aardsche leven overging in de passieve objectieve seconde van de vierde
dimensie, verzonk professor Leyden in een toestand welke tot een tijdlooze,
oneindige smart werd.
Want hij concentreerde tot hooger leven—wat niet anders dan door smart
mogelijk is. [79]
daar het haar dan bewust kan gemaakt worden, dat de pijn opzichzelf
slechts inzooverre bestaat als zij gelegenheid heeft zich in tijdsduur om te
zetten en zoo zich te bestendigen. Want wat is narcose ten slotte anders dan
het besef van tijd, tijdelijk verdrijven?
Tijdelijk?
Professor Leyden dacht diep bedroefd over dat woord tijdelijk na. Was zijn
narcose inderdaad slechts een tijdelijke verdooving van tijdsbesef.…?
Of zou hem dit tijdelijke, eeuwig worden?
En in een tijdsdimensie, waarin de actieve subjectieve [78]seconde van het
aardsche leven overging in de passieve objectieve seconde van de vierde
dimensie, verzonk professor Leyden in een toestand welke tot een tijdlooze,
oneindige smart werd.
Want hij concentreerde tot hooger leven—wat niet anders dan door smart
mogelijk is. [79]
Page 68
[Inhoud]
Page 69
IX.
Toen prof. Leyden, nadat het hem was geweest, alsof een hand zacht op zijn
schouder was gelegd, een hand welker aanraking troost en opbeuring
uitwademde, opkeek, ontwaarde hij een verschijning, welke hem van geluk
doorstroomde. Het was een soort geluk, dat in welke tijddimensie ook
voorkomend en voor te stellen door één rechte lijn, dan wel als een
verzameling van graphische curven, gelijk geregistreerd door een
automatische barometer op een dag in Maart, den eenzame in welken staat
hij zich ook moge bevinden, elke passieve seconde tot een actieve eeuw
schijnt te veranderen. De verschijning had den vorm van een jonge,
bovenaardsch schoone vrouw.
Zelfs professor Leyden vergat een oogenblik bewust en bezonnen psycho-
analytisch te werk te gaan. Doch spoedig met afkeer zich ontrukkend aan
deze leek-achtige zwakheid, constateerde hij, met een genoegen, dat streng
wetenschappelijk gerust boven het genoegen van het beschouwen eener
schoone jonge vrouw kan gesteld worden, dat hij niet meer eenzaam was.
Dat die eenzaamheid niet meer door een Egyptischen god of door een
gestalte, [80]die er zich voor uitgaf, was verbroken, maar door een jonge,
schoone, bloeiende vrouw. Of zij zich daar óók wellicht voor uitgaf,
meende professor voorloopig niet voor de wetenschappelijke zijde van zijn
onderzoek, strikt noodig te hebben. Wat hem veel meer interesseerde was,
dat het ontwaren dezer liefelijke gestalte hem herinnerde aan een soortgelijk
gevoel, dat hij eens als eerste jaars-student had ondervonden tijdens een
uitvoering van Semper Crescendo. Het was na die uitvoering, toen hij als
geïnspireerd de tweede fluitpartij had gespeeld, dat zijn dierbare moeder
meende, dat hij het recht had de eerste partij te spelen en bij hem, doch
geheel onafhankelijk van moeders meening, de eerste huwelijksplannen
opkwamen. En professor Leyden constateerde het feit, dat ook hier in deze
Toen prof. Leyden, nadat het hem was geweest, alsof een hand zacht op zijn
schouder was gelegd, een hand welker aanraking troost en opbeuring
uitwademde, opkeek, ontwaarde hij een verschijning, welke hem van geluk
doorstroomde. Het was een soort geluk, dat in welke tijddimensie ook
voorkomend en voor te stellen door één rechte lijn, dan wel als een
verzameling van graphische curven, gelijk geregistreerd door een
automatische barometer op een dag in Maart, den eenzame in welken staat
hij zich ook moge bevinden, elke passieve seconde tot een actieve eeuw
schijnt te veranderen. De verschijning had den vorm van een jonge,
bovenaardsch schoone vrouw.
Zelfs professor Leyden vergat een oogenblik bewust en bezonnen psycho-
analytisch te werk te gaan. Doch spoedig met afkeer zich ontrukkend aan
deze leek-achtige zwakheid, constateerde hij, met een genoegen, dat streng
wetenschappelijk gerust boven het genoegen van het beschouwen eener
schoone jonge vrouw kan gesteld worden, dat hij niet meer eenzaam was.
Dat die eenzaamheid niet meer door een Egyptischen god of door een
gestalte, [80]die er zich voor uitgaf, was verbroken, maar door een jonge,
schoone, bloeiende vrouw. Of zij zich daar óók wellicht voor uitgaf,
meende professor voorloopig niet voor de wetenschappelijke zijde van zijn
onderzoek, strikt noodig te hebben. Wat hem veel meer interesseerde was,
dat het ontwaren dezer liefelijke gestalte hem herinnerde aan een soortgelijk
gevoel, dat hij eens als eerste jaars-student had ondervonden tijdens een
uitvoering van Semper Crescendo. Het was na die uitvoering, toen hij als
geïnspireerd de tweede fluitpartij had gespeeld, dat zijn dierbare moeder
meende, dat hij het recht had de eerste partij te spelen en bij hem, doch
geheel onafhankelijk van moeders meening, de eerste huwelijksplannen
opkwamen. En professor Leyden constateerde het feit, dat ook hier in deze
Page 70
sfeer, het herinneren van voorvallen uit vroegere levens door schijnbare of
werkelijke coïncidenties, niet ongewoon scheen. Zooals het toen, tijdens de
uitvoering van Semper Crescendo, geweest was, alsof de lieve blondine, die
alleen oor had voor zijn tweede partij en oog voor hem, die deze, niet
onverdienstelijk, uitvoerde, hem niet vreemd was, maar dat hij haar al had
gekend en liefgehad van het eerste oogenblik, dat hij bewust was geweest,
ja in vele reeksen van vorige levens in andere gedaantes, zichzelf voelend
als een vlinder, een andere vlinder dartelend volgend van bloem op bloem,
want zeker heeft de mensch eens een bestaan gevoerd, waarin zijn leven uit
niets [81]anders bestond dan dartelen, in bloemengeur zich vermeien en
honig slurpen, klapwiekende postillon d’amour van Flora’s kleurig geslacht,
zoo was het hem ook thans, of hij deze verheven schoone gestalte, zooeven
ontwaard, gekend en liefgehad had, door alle tijden en eeuwen, in alle
dimensies van ruimte en tijd, vóór en na den zondvloed, hiervoormaals,
hierbovenmaals, hierbenedenmaals, en hiernamaals, kortom in alle malende
toestanden, tijden en wijzen.
Hoewel hij nu wel juichen kon van geluk, bleef hij toch bedenken wat hij,
juist thans, in dezen oogenblik, aan de eer van zijn faculteit zoowel als aan
de eer der liefelijke verschijning, schuldig was. Reeds als student had hij
altijd de bewondering en afgunst zijner mede-studenten gaande gemaakt,
door de gepaste wijze waarop hij jegens jonge meisjes den der maagd
toekomenden afstand, had weten te bewaren. Hij had zelfs nooit geaarzeld,
het verwijt, hem deswege door minder voornaam aangelegden toegevoegd,
dat hij wat schuchter en droog was, waardig te dragen.
Streng wetenschappelijk te werk gaande, bevond hij dat een eenzaamheid,
verstoord door een tweezaamheid, voorgesteld dus als 1 : 2, deze
eenzaamheid ophief en als formule voorgesteld kon worden als
werkelijke coïncidenties, niet ongewoon scheen. Zooals het toen, tijdens de
uitvoering van Semper Crescendo, geweest was, alsof de lieve blondine, die
alleen oor had voor zijn tweede partij en oog voor hem, die deze, niet
onverdienstelijk, uitvoerde, hem niet vreemd was, maar dat hij haar al had
gekend en liefgehad van het eerste oogenblik, dat hij bewust was geweest,
ja in vele reeksen van vorige levens in andere gedaantes, zichzelf voelend
als een vlinder, een andere vlinder dartelend volgend van bloem op bloem,
want zeker heeft de mensch eens een bestaan gevoerd, waarin zijn leven uit
niets [81]anders bestond dan dartelen, in bloemengeur zich vermeien en
honig slurpen, klapwiekende postillon d’amour van Flora’s kleurig geslacht,
zoo was het hem ook thans, of hij deze verheven schoone gestalte, zooeven
ontwaard, gekend en liefgehad had, door alle tijden en eeuwen, in alle
dimensies van ruimte en tijd, vóór en na den zondvloed, hiervoormaals,
hierbovenmaals, hierbenedenmaals, en hiernamaals, kortom in alle malende
toestanden, tijden en wijzen.
Hoewel hij nu wel juichen kon van geluk, bleef hij toch bedenken wat hij,
juist thans, in dezen oogenblik, aan de eer van zijn faculteit zoowel als aan
de eer der liefelijke verschijning, schuldig was. Reeds als student had hij
altijd de bewondering en afgunst zijner mede-studenten gaande gemaakt,
door de gepaste wijze waarop hij jegens jonge meisjes den der maagd
toekomenden afstand, had weten te bewaren. Hij had zelfs nooit geaarzeld,
het verwijt, hem deswege door minder voornaam aangelegden toegevoegd,
dat hij wat schuchter en droog was, waardig te dragen.
Streng wetenschappelijk te werk gaande, bevond hij dat een eenzaamheid,
verstoord door een tweezaamheid, voorgesteld dus als 1 : 2, deze
eenzaamheid ophief en als formule voorgesteld kon worden als
Page 71
[82]
of om eventueele overijlde formuleering te voorkomen beter gesteld werd
als
Want de wetenschappelijk en universitair gevormde zal ten aanzien van de
verhouding eens eenzamen tot een schoone, lieftallige verschijning tot
geenerlei, den leek kenmerkende, overijlde voorstellingen zich laten
verleiden.
„Kent gij mij?” vroeg nu ook de liefelijke, jonge vrouw.
Ditmaal echter kon professor niet dadelijk antwoorden, zooals hij Anubis
gedaan had. Want geen der Leidsche musea gaf hem hier een
wetenschappelijken voorsprong, niet het Egyptisch museum met de
gezamenlijke goden en mummies; niet het museum voor natuurlijke
historie, ondanks al de opgezette of op sterk water bewaarde exemplaren uit
alle hemelstreken; niet het ethnographisch museum met de gezamenlijke
boeddhas, kwan-yins en neger-idolen. Was wellicht in de Lakenhal een
portret op haar gelijkend? Of in het prentenkabinet? Te vergeefs snelde de
professor in den geest al de musea van Leiden door om de gelijke van deze
lieftallige verschijning te vinden. Helaas, hier kon zelfs de wetenschap, zij
de anders altijd hulpvaardig uitkomst brengende, hem niet helpen.… alles
boden de Leidsche musea den geduldigen vorscher aan, [83]van amoebe tot
het meesterlijk gepraepareerde skelet eens Angel-Saksers—alleenlijk nog
altijd had de universiteit gedraald, een museum van liefelijke, schoone,
jonge vrouwen voor anthropologische, anthropometrische en vooral de hem
thans zoo te stade komende anthropomorphistische studiën, te stichten.
„Gij kent mij niet?” vroeg zij nogmaals. En in het geluid van haar stem, in
den hemelschen blik van haar aetherisch blauw oog, lag zooveel smachtend
of om eventueele overijlde formuleering te voorkomen beter gesteld werd
als
Want de wetenschappelijk en universitair gevormde zal ten aanzien van de
verhouding eens eenzamen tot een schoone, lieftallige verschijning tot
geenerlei, den leek kenmerkende, overijlde voorstellingen zich laten
verleiden.
„Kent gij mij?” vroeg nu ook de liefelijke, jonge vrouw.
Ditmaal echter kon professor niet dadelijk antwoorden, zooals hij Anubis
gedaan had. Want geen der Leidsche musea gaf hem hier een
wetenschappelijken voorsprong, niet het Egyptisch museum met de
gezamenlijke goden en mummies; niet het museum voor natuurlijke
historie, ondanks al de opgezette of op sterk water bewaarde exemplaren uit
alle hemelstreken; niet het ethnographisch museum met de gezamenlijke
boeddhas, kwan-yins en neger-idolen. Was wellicht in de Lakenhal een
portret op haar gelijkend? Of in het prentenkabinet? Te vergeefs snelde de
professor in den geest al de musea van Leiden door om de gelijke van deze
lieftallige verschijning te vinden. Helaas, hier kon zelfs de wetenschap, zij
de anders altijd hulpvaardig uitkomst brengende, hem niet helpen.… alles
boden de Leidsche musea den geduldigen vorscher aan, [83]van amoebe tot
het meesterlijk gepraepareerde skelet eens Angel-Saksers—alleenlijk nog
altijd had de universiteit gedraald, een museum van liefelijke, schoone,
jonge vrouwen voor anthropologische, anthropometrische en vooral de hem
thans zoo te stade komende anthropomorphistische studiën, te stichten.
„Gij kent mij niet?” vroeg zij nogmaals. En in het geluid van haar stem, in
den hemelschen blik van haar aetherisch blauw oog, lag zooveel smachtend
Page 72
vragen, dat het professor opeens te binnen schoot, wie zij was.
„Ik ken u, ik herken u,” zeide hij vastberaden hoewel ontdaan. „Gij waart
het, die mij inspireerde, eens op dien avond van Semper Crescendo, toen ik
de tweede fluit speelde.…”
„Die ben ik. Maar toch liet gij mij bij het bal als muurbloempje zitten!”
„Ik meende, dat gij te hoog voor mij waart en te rein. Want ik was in ’t
eerste jaar.…”
„Gij bleeft voortaan niet altoos eerste jaars student. Gij begaaft u met uw
muziekgenooten naar de kroeg. Daar toasttet gij op „Slemp er Crescendo”
en gij had de driestheid, toen men u opmerkzaam maakte op mijne stille
bewondering voor uwe persoon, deswege te lachen, een glas te doen vullen
en den eerwaardigen spreuk der vaderen toepassend op de liefde, het
„saevis tranquillus in undis” tijdens het rumoer van de kroegjool te vertalen
door „Rustig te midden van de Bar.” [84]
„Helaas, ik was zelf een baar!”
„En ik arme, was hopeloos op u verliefd. Gij verliet Leiden, zwierft in den
vreemde, vestigdet u te Leidschendam, werd velocipedist en fietste als ’t
ware het huwelijk in.”
„Ik heb er nooit spijt over behoeven te gevoelen.”
„Maar ik, het arme, verliefde maar niet aangekeken meisje, wachtte,
wachtte, verkwijnde en stierf kort nadat gij te Leiden u vestigdet.… Dat is
het lot veler Leidsche jonge meisjes!”
„En ik, ik heb u altijd onthouden, altijd aan u gedacht als ik later fluit
speelde, ook eerste partij en en zelfs obligaten en solo’s. Gij hebt als een
ideale liefde geleefd achter de reëele liefde van mijn huwelijksleven.… Dat
is het lot veler Leidsche jonge mannen.…”
„Ik ken u, ik herken u,” zeide hij vastberaden hoewel ontdaan. „Gij waart
het, die mij inspireerde, eens op dien avond van Semper Crescendo, toen ik
de tweede fluit speelde.…”
„Die ben ik. Maar toch liet gij mij bij het bal als muurbloempje zitten!”
„Ik meende, dat gij te hoog voor mij waart en te rein. Want ik was in ’t
eerste jaar.…”
„Gij bleeft voortaan niet altoos eerste jaars student. Gij begaaft u met uw
muziekgenooten naar de kroeg. Daar toasttet gij op „Slemp er Crescendo”
en gij had de driestheid, toen men u opmerkzaam maakte op mijne stille
bewondering voor uwe persoon, deswege te lachen, een glas te doen vullen
en den eerwaardigen spreuk der vaderen toepassend op de liefde, het
„saevis tranquillus in undis” tijdens het rumoer van de kroegjool te vertalen
door „Rustig te midden van de Bar.” [84]
„Helaas, ik was zelf een baar!”
„En ik arme, was hopeloos op u verliefd. Gij verliet Leiden, zwierft in den
vreemde, vestigdet u te Leidschendam, werd velocipedist en fietste als ’t
ware het huwelijk in.”
„Ik heb er nooit spijt over behoeven te gevoelen.”
„Maar ik, het arme, verliefde maar niet aangekeken meisje, wachtte,
wachtte, verkwijnde en stierf kort nadat gij te Leiden u vestigdet.… Dat is
het lot veler Leidsche jonge meisjes!”
„En ik, ik heb u altijd onthouden, altijd aan u gedacht als ik later fluit
speelde, ook eerste partij en en zelfs obligaten en solo’s. Gij hebt als een
ideale liefde geleefd achter de reëele liefde van mijn huwelijksleven.… Dat
is het lot veler Leidsche jonge mannen.…”
Page 73
„Dus hebt gij mij altijd bemind?”
„Zooals ik u thans nog bemin.”
„En ik u.”
„Met geestelijke liefde.… verheven, onlichamelijk, heilig.”
„Met geestelijke liefde.… verheven, onlichamelijk en heilig.… ook ik.”
Toen gebeurde iets, dat professor Leyden, hoezeer het hem in dezen
oogenblik ook moeilijk viel, later aldus op streng wetenschappelijke wijze
in een duidelijke formule aan zijn op dit gebied zoo bevattelijke mede-
geleerden heeft kunnen duidelijk maken: [85]
HET ZOENEN IN DE RUIMTE.
Tot het doen neerkomen van de lippen des mans op de lippen der vrouw,
zullen de volgende krachten op het lichaam des kussenden mans werken:
Het gewicht
1. des lichaams G;
De wrijvingskracht
2. f N. (f = wrijvingscoëfficiënt, N = kracht,
waarmee de kusser op den grond drukt);
De
3 en
horizontale
4. en verticale ontbondenen van den
luchtweerstand, resp. en (X en Y zijn
weerstandscoëfficiënten, V = snelheid in M:sec);
De trek
5. in het kussen T:
Wij hebben nu de volgende betrekkingen:
„Zooals ik u thans nog bemin.”
„En ik u.”
„Met geestelijke liefde.… verheven, onlichamelijk, heilig.”
„Met geestelijke liefde.… verheven, onlichamelijk en heilig.… ook ik.”
Toen gebeurde iets, dat professor Leyden, hoezeer het hem in dezen
oogenblik ook moeilijk viel, later aldus op streng wetenschappelijke wijze
in een duidelijke formule aan zijn op dit gebied zoo bevattelijke mede-
geleerden heeft kunnen duidelijk maken: [85]
HET ZOENEN IN DE RUIMTE.
Tot het doen neerkomen van de lippen des mans op de lippen der vrouw,
zullen de volgende krachten op het lichaam des kussenden mans werken:
Het gewicht
1. des lichaams G;
De wrijvingskracht
2. f N. (f = wrijvingscoëfficiënt, N = kracht,
waarmee de kusser op den grond drukt);
De
3 en
horizontale
4. en verticale ontbondenen van den
luchtweerstand, resp. en (X en Y zijn
weerstandscoëfficiënten, V = snelheid in M:sec);
De trek
5. in het kussen T:
Wij hebben nu de volgende betrekkingen:
Page 74
Tm is de trek in het kussen bij de snelheid Vm, waarvoor zij berucht is. (De
formule geldt alleen, zoo is.)
De resulteerende horizontale kracht, die aan den kusser een versnelde
beweging mededeelt, bedraagt dus:
We zullen aannemen, dat tijdens het overbuigen van den kusser tot de
gekuste, de hoek tusschen de [86]langas des mans en den bodem niet
verandert, verder dat de bodem horizontaal is en eveneens, dat de
wrijvingscoëfficiënt constant is. Dus: Y, X en f zijn constant.
De bewegingsvergelijking wordt:
Nu is:
Hiervan en van de formule, die T als functie van V geeft, gebruik makend,
kan de bewegingsvergelijking ook geschreven worden:
formule geldt alleen, zoo is.)
De resulteerende horizontale kracht, die aan den kusser een versnelde
beweging mededeelt, bedraagt dus:
We zullen aannemen, dat tijdens het overbuigen van den kusser tot de
gekuste, de hoek tusschen de [86]langas des mans en den bodem niet
verandert, verder dat de bodem horizontaal is en eveneens, dat de
wrijvingscoëfficiënt constant is. Dus: Y, X en f zijn constant.
De bewegingsvergelijking wordt:
Nu is:
Hiervan en van de formule, die T als functie van V geeft, gebruik makend,
kan de bewegingsvergelijking ook geschreven worden:
Page 75
Stellen we:
Verder is:
[87]
De vergelijking kan nu opgelost worden en we krijgen als l de lust in ’t
zoenen en Vn de aan het eind daarvan bereikte vaardigheid in hetzelve is:
Verder is:
[87]
De vergelijking kan nu opgelost worden en we krijgen als l de lust in ’t
zoenen en Vn de aan het eind daarvan bereikte vaardigheid in hetzelve is:
Page 76
Aldus, zoo stelde professor Leyden tijdens die eerste kus in zijn nieuw
dimensionalen staat vast, heb ik een formule, waarmee ik mijn waarde
collega’s duidelijk zal kunnen maken, hoe lust en drift hier tot hoogere
aanlooplengte werden verheven.
Helaas, vele der uitnemende lichten onder de collega’s, de formule
proefondervindelijk bij hunne genooten des echts narekenend, bleven
hoewel dankbaar, onvoldaan. Want ook de wetenschap, zij de hooge,
immateriëele is niet onfeilbaar, zoomin als soms de wetenschappelijk en
universitair gevormde, zelfs zoo hij twee titels voor zijn naam mag voegen
en deel uitmaakt van die synthèse van ’s werelds geleerdheid, de
universiteit der stad Leiden. [88]
dimensionalen staat vast, heb ik een formule, waarmee ik mijn waarde
collega’s duidelijk zal kunnen maken, hoe lust en drift hier tot hoogere
aanlooplengte werden verheven.
Helaas, vele der uitnemende lichten onder de collega’s, de formule
proefondervindelijk bij hunne genooten des echts narekenend, bleven
hoewel dankbaar, onvoldaan. Want ook de wetenschap, zij de hooge,
immateriëele is niet onfeilbaar, zoomin als soms de wetenschappelijk en
universitair gevormde, zelfs zoo hij twee titels voor zijn naam mag voegen
en deel uitmaakt van die synthèse van ’s werelds geleerdheid, de
universiteit der stad Leiden. [88]
Page 77
[Inhoud]
Page 78
X.
„Noem mij Eumenia,” zeide nu, na de eerste kus, de lieftallige verschijning
tot prof. Leyden. „Want wij kiezen hier onze namen in tegenstelling met het
gebruik der aarde, waar men ze u geeft. En hoe zal ik u voortaan noemen?”
„Verliest men hier zijn titels?” vroeg professor een weinig onzeker.
„Integendeel. Maar men behoudt een titel alleen, wanneer hij niet dag aan
dag tientallen malen herhaald wordt. Dan verslijt hij door ’t gebruik.”
„Dan,” zei professor Leyden even nadenkend, „noem mij Horatio. Want ik
besef wel, dat ik nu mijn schoolwijsheid vaarwel heb te zeggen.”
„Inderdaad, mijn dierbare Horatio. Gij zult hier vreemde dingen ontwaren.”
„Lieve Eumenia, zij kunnen niet zoo vreemd zijn of ik zal er nuchter
tegenover trachten te blijven staan. Trouwens, ik geloof niet, dat ik na een
vlindervleugel onder het microscoop te hebben bezien, verwachten mag nog
grootere wonderen in het heelal te mogen beschouwen.”
„Ja, Horatio, schooner kleuren zag ook ik ter aarde nooit.” [89]
„Het was niet de kleur, die mijn bewondering zoozeer wekte. Maar ik
beschouwde de indeeling der dakpansgewijs liggende schubjes en ik vond
de formule van het schema dier ligging. En deze formule kwam overeen
met zekere interplanetaire berekeningen en vond ik ook vastgelegd in de
wiskundige verhoudingen van de pyramide van Cheops. Waarschijnlijk is
het den Hermetici reeds bekend geweest, dat er in het heelal eenheid
heerscht en er ook ten aanzien van de wiskundige formules, zuinigheid is
betracht.”
„Noem mij Eumenia,” zeide nu, na de eerste kus, de lieftallige verschijning
tot prof. Leyden. „Want wij kiezen hier onze namen in tegenstelling met het
gebruik der aarde, waar men ze u geeft. En hoe zal ik u voortaan noemen?”
„Verliest men hier zijn titels?” vroeg professor een weinig onzeker.
„Integendeel. Maar men behoudt een titel alleen, wanneer hij niet dag aan
dag tientallen malen herhaald wordt. Dan verslijt hij door ’t gebruik.”
„Dan,” zei professor Leyden even nadenkend, „noem mij Horatio. Want ik
besef wel, dat ik nu mijn schoolwijsheid vaarwel heb te zeggen.”
„Inderdaad, mijn dierbare Horatio. Gij zult hier vreemde dingen ontwaren.”
„Lieve Eumenia, zij kunnen niet zoo vreemd zijn of ik zal er nuchter
tegenover trachten te blijven staan. Trouwens, ik geloof niet, dat ik na een
vlindervleugel onder het microscoop te hebben bezien, verwachten mag nog
grootere wonderen in het heelal te mogen beschouwen.”
„Ja, Horatio, schooner kleuren zag ook ik ter aarde nooit.” [89]
„Het was niet de kleur, die mijn bewondering zoozeer wekte. Maar ik
beschouwde de indeeling der dakpansgewijs liggende schubjes en ik vond
de formule van het schema dier ligging. En deze formule kwam overeen
met zekere interplanetaire berekeningen en vond ik ook vastgelegd in de
wiskundige verhoudingen van de pyramide van Cheops. Waarschijnlijk is
het den Hermetici reeds bekend geweest, dat er in het heelal eenheid
heerscht en er ook ten aanzien van de wiskundige formules, zuinigheid is
betracht.”
Page 79
„Mijn teerbeminde Horatio, als gij zoo spreekt, troost mij alleen mijn besef
van het tijdelijke aller aardsche dingen erover, dat ik niet altijd naast u heb
mogen leven. Want zij, die vrouw van een dichter zijn, leeren slechts de
dichterlijke schoonheid van de dichterlijke dingen zien, maar gij leerdet
uwe vrouw de poëzie van de wiskundige formule kennen.”
„Zoo weinig. Zoo weinig. Mijne Neeltje is der kinderen eene zorgzame
moeder geweest—maar zij heeft mij misschien wat te veel aan Scientia
afgestaan. En—ik hoop Eumenia, dat ik niet te onbescheiden ben—zou ik
Neeltje hier nu kunnen weerzien?”
„Uw dierbare gade leeft—leeft voort.”
„En mijn voor mij verscheiden collega’s, de lichten der wereldsche
wetenschap.…?”
„Zij leven, zij leven allen voort.” [90]
„En mijn leermeesters, de edele inwijders in.…”
„Zij leven, zij leven allen voort.…”
„En mijn vader, mijn moeder, mijn voorvaderen.…”
„Zij leven, zij leven allen voort.”
„Waar? Hoe? Hoedanig.… o antwoord mij Eumenia dierbaarste leidster.”
„Meent gij, Horatio, dat ik u genaderd zoude zijn met al het onaardsche
vuur eener op aarde versmade liefde, indien ik niet van plan was geweest u
te helpen en te leiden. Luister. Voor zoover ik in het stadium, waarin ik
thans verkeer kan nagaan—hoeveel stadia er nog zullen volgen en of er
stadia zullen volgen is mij nog niet onthuld—is ons aardsche leven slechts
een schakel in een reeks.”
van het tijdelijke aller aardsche dingen erover, dat ik niet altijd naast u heb
mogen leven. Want zij, die vrouw van een dichter zijn, leeren slechts de
dichterlijke schoonheid van de dichterlijke dingen zien, maar gij leerdet
uwe vrouw de poëzie van de wiskundige formule kennen.”
„Zoo weinig. Zoo weinig. Mijne Neeltje is der kinderen eene zorgzame
moeder geweest—maar zij heeft mij misschien wat te veel aan Scientia
afgestaan. En—ik hoop Eumenia, dat ik niet te onbescheiden ben—zou ik
Neeltje hier nu kunnen weerzien?”
„Uw dierbare gade leeft—leeft voort.”
„En mijn voor mij verscheiden collega’s, de lichten der wereldsche
wetenschap.…?”
„Zij leven, zij leven allen voort.” [90]
„En mijn leermeesters, de edele inwijders in.…”
„Zij leven, zij leven allen voort.…”
„En mijn vader, mijn moeder, mijn voorvaderen.…”
„Zij leven, zij leven allen voort.”
„Waar? Hoe? Hoedanig.… o antwoord mij Eumenia dierbaarste leidster.”
„Meent gij, Horatio, dat ik u genaderd zoude zijn met al het onaardsche
vuur eener op aarde versmade liefde, indien ik niet van plan was geweest u
te helpen en te leiden. Luister. Voor zoover ik in het stadium, waarin ik
thans verkeer kan nagaan—hoeveel stadia er nog zullen volgen en of er
stadia zullen volgen is mij nog niet onthuld—is ons aardsche leven slechts
een schakel in een reeks.”
Page 80
„Welke reeks? Kent gij de formule?”
„De formule blijft, zooals alle formules, voor ons nog altoos in allerlaatste
instantie X.”
„Geef mij dan slechts de betrekkelijke formule. Wellicht kan ik haar
synthetiseeren.”
„Ook dan blijft uw synthèse, een synthèse in X. Tracht nu eens goed door te
denken, Horatio. De infinitesimaal berekening hebt gij toe te passen op de
infinitesimaal dimensies. Gij hebt in verschillende getalstelsels kunnen
rekenen. Maar gij hebt nooit bedacht, dat het aantal dimensies van tijd en
ruimte ook in vele getalstelsels is ingedeeld, benedenwaarts en opwaarts.
Stel dat b.v. het getalstelsel waarnaar het haft, de ééndagsvlinder, rekent,
een honderdduizendste deel tot maximum heeft van [91]het getalstelsel,
volgens hetwelk de olifant rekent, waarmede ik meen, volgens hetwelk hem
de tijd bewust wordt, dan kunt gij ook er van afleiden, dat naar beneden en
naar boven het aantal dimensies van tijd en ruimte infinitesimaal berekend
moet worden.”
„En nu te moeten bedenken, dat ik u, Eumenia, niet reeds op aarde aan
mijne zijde heb gehad! Vloek over mijn eerste jaar en alle eerste jaarlingen
bij elkaar.”
„Kalmeer u, geliefde.”
„Gevloekt, semper crescendo, gevloekt, de slempers van.…”
„Zoo gij zoo voort gaat, zal ik u moeten verlaten.
In diesen heiligen Hallen,
Kennt man die Rache nicht.”
„Vergeef mij.… dat ik zwak was en tegenover de dronkenschap mijn
nuchterheid verloor.”
„De formule blijft, zooals alle formules, voor ons nog altoos in allerlaatste
instantie X.”
„Geef mij dan slechts de betrekkelijke formule. Wellicht kan ik haar
synthetiseeren.”
„Ook dan blijft uw synthèse, een synthèse in X. Tracht nu eens goed door te
denken, Horatio. De infinitesimaal berekening hebt gij toe te passen op de
infinitesimaal dimensies. Gij hebt in verschillende getalstelsels kunnen
rekenen. Maar gij hebt nooit bedacht, dat het aantal dimensies van tijd en
ruimte ook in vele getalstelsels is ingedeeld, benedenwaarts en opwaarts.
Stel dat b.v. het getalstelsel waarnaar het haft, de ééndagsvlinder, rekent,
een honderdduizendste deel tot maximum heeft van [91]het getalstelsel,
volgens hetwelk de olifant rekent, waarmede ik meen, volgens hetwelk hem
de tijd bewust wordt, dan kunt gij ook er van afleiden, dat naar beneden en
naar boven het aantal dimensies van tijd en ruimte infinitesimaal berekend
moet worden.”
„En nu te moeten bedenken, dat ik u, Eumenia, niet reeds op aarde aan
mijne zijde heb gehad! Vloek over mijn eerste jaar en alle eerste jaarlingen
bij elkaar.”
„Kalmeer u, geliefde.”
„Gevloekt, semper crescendo, gevloekt, de slempers van.…”
„Zoo gij zoo voort gaat, zal ik u moeten verlaten.
In diesen heiligen Hallen,
Kennt man die Rache nicht.”
„Vergeef mij.… dat ik zwak was en tegenover de dronkenschap mijn
nuchterheid verloor.”
Page 81
„Zoo heb ik u lief en herken ik u weder, Horatio. Welnu, de stadia van het
al-leven zijn door de Al-Macht verdeeld naar de dimensies. Daar elke
dimensie van tijd en ruimte zijn eigen wetten heeft, begrijpt gij wel, dat er
geen bewust onderling verband tusschen die dimensies kan zijn—hoewel zij
organisch en formulistisch in elkaar en aan elkaar sluiten. Slechts u, in uwe
dimensies verbrekenden of liever ontspannenden toestand, is het gegeven,
interdimensiaal te verkeeren.…”
„En te verkeeren met u, geestelijk beminde!” [92]
„Toch is er een intrinsieke en inhaerente eenheid in alle stelsels. Als gij in
het zeventallig stelsel en in het vijftallig stelsel een berekening uitvoert, is
het u mogelijk beider quotiënten te herleiden tot één quotiënt in het
tientallig stelsel.”
„Dat is inderdaad zéér eenvoudig.”
„Niet anders is het met de dimensies. Evenwel, om de quotiënten van twee
lagere dimensies te herleiden tot een quotiënt van een hoogere dimensie,
moet gij die hoogere dimensie beheerschen. Vandaar dat op aarde alle
berekeningen boven de aardsche dimensies uitgaande, vervallen tot het
gebied der speculatieve of fantastische philosofie en dus.…”
„Van nul en geener waarde blijven zonder de correctie van het
empirisme.…”
„Dit empirisme nu zal ik u verschaffen.…”
„Dus zal ik eens de menschheid van haar waan verlossen?”
„Wilt gij mij in de toekomst weer verlaten, Horatio?”
Zij vroeg het hem met diepe smart in haar stem en prof. Leyden kreeg
dezelfde sensatie, welke hij eens gehad had, spelende de „flauto secundo.”
al-leven zijn door de Al-Macht verdeeld naar de dimensies. Daar elke
dimensie van tijd en ruimte zijn eigen wetten heeft, begrijpt gij wel, dat er
geen bewust onderling verband tusschen die dimensies kan zijn—hoewel zij
organisch en formulistisch in elkaar en aan elkaar sluiten. Slechts u, in uwe
dimensies verbrekenden of liever ontspannenden toestand, is het gegeven,
interdimensiaal te verkeeren.…”
„En te verkeeren met u, geestelijk beminde!” [92]
„Toch is er een intrinsieke en inhaerente eenheid in alle stelsels. Als gij in
het zeventallig stelsel en in het vijftallig stelsel een berekening uitvoert, is
het u mogelijk beider quotiënten te herleiden tot één quotiënt in het
tientallig stelsel.”
„Dat is inderdaad zéér eenvoudig.”
„Niet anders is het met de dimensies. Evenwel, om de quotiënten van twee
lagere dimensies te herleiden tot een quotiënt van een hoogere dimensie,
moet gij die hoogere dimensie beheerschen. Vandaar dat op aarde alle
berekeningen boven de aardsche dimensies uitgaande, vervallen tot het
gebied der speculatieve of fantastische philosofie en dus.…”
„Van nul en geener waarde blijven zonder de correctie van het
empirisme.…”
„Dit empirisme nu zal ik u verschaffen.…”
„Dus zal ik eens de menschheid van haar waan verlossen?”
„Wilt gij mij in de toekomst weer verlaten, Horatio?”
Zij vroeg het hem met diepe smart in haar stem en prof. Leyden kreeg
dezelfde sensatie, welke hij eens gehad had, spelende de „flauto secundo.”
Page 82
„Nooit, niemals, jamais, never!.…”
„Gij zegt het in vier talen. Hopen wij, dat ik eens kan zeggen, dat er de tale
der waarheid bij was. Welnu dan Horatio, daar naar beneden en naar boven
het Gebeuren onderscheiden is volgens de [93]infinitesimaal berekening, zoo
mag het u niet verwonderen, wanneer ik u zeg, dat wat in het oneindige is
ingedeeld ook in het oneindige, oneindig bestaat.”
„Volkomen logisch.”
„En dat dus wat de menschen verleden of toekomst noemen, slechts een
poging is om van uit hun dimensie, van uit hun heden, bewust te worden.
Inderdaad bestaat er geen heden, geen verleden en geen toekomst op
zichzelf, doch zij bestaan slechts als voorstellingen, en dan nog wel als
voorstellingen bij een bepaalde groep van wezens. Zoo voelen de dieren op
aarde verleden, heden en toekomst reeds veel meer gelimiteerd dan de
menschen en de menschen zelf voelen het drietal ook al weder beperkter of
ruimer al naar hun geaardheid. Het dimensie begrip van Christus was een
ander dan het dimensie begrip van Herodes. De wilde heeft een ander besef
van verleden, heden en toekomst dan de mensch uit beschaafd Europa.
„Welnu Horatio, mij is het gegeven, en onder mijne leiding zal het nu ook u
gegeven zijn, alles wat er ooit (zoogenaamd) in het verleden gebeurd is en
alles wat ooit (zoogenaamd) in de toekomst zal gebeuren, te aanschouwen.
Inderdaad is het noch gebeurd noch zal het gebeuren, maar is het
Gebeurende. Niet echter „gelijktijdig”, zooals gij wellicht zoudt willen
zeggen, want het gebeurt in verschillende dimensiale verhoudingen, dus a-
temporeel. Eerst indien gij in staat zoudt zijn, Horatio, de verschillende
quotiënten [94]der infinitesimale dimensies te herleiden tot het quotiënt der
Al-Dimensie, dan zoudt gij u een voorstelling kunnen maken van den
werkelijken tijd. Maar die formule is slechts Hem gegeven, Die De Formule
is.”
„Gij zegt het in vier talen. Hopen wij, dat ik eens kan zeggen, dat er de tale
der waarheid bij was. Welnu dan Horatio, daar naar beneden en naar boven
het Gebeuren onderscheiden is volgens de [93]infinitesimaal berekening, zoo
mag het u niet verwonderen, wanneer ik u zeg, dat wat in het oneindige is
ingedeeld ook in het oneindige, oneindig bestaat.”
„Volkomen logisch.”
„En dat dus wat de menschen verleden of toekomst noemen, slechts een
poging is om van uit hun dimensie, van uit hun heden, bewust te worden.
Inderdaad bestaat er geen heden, geen verleden en geen toekomst op
zichzelf, doch zij bestaan slechts als voorstellingen, en dan nog wel als
voorstellingen bij een bepaalde groep van wezens. Zoo voelen de dieren op
aarde verleden, heden en toekomst reeds veel meer gelimiteerd dan de
menschen en de menschen zelf voelen het drietal ook al weder beperkter of
ruimer al naar hun geaardheid. Het dimensie begrip van Christus was een
ander dan het dimensie begrip van Herodes. De wilde heeft een ander besef
van verleden, heden en toekomst dan de mensch uit beschaafd Europa.
„Welnu Horatio, mij is het gegeven, en onder mijne leiding zal het nu ook u
gegeven zijn, alles wat er ooit (zoogenaamd) in het verleden gebeurd is en
alles wat ooit (zoogenaamd) in de toekomst zal gebeuren, te aanschouwen.
Inderdaad is het noch gebeurd noch zal het gebeuren, maar is het
Gebeurende. Niet echter „gelijktijdig”, zooals gij wellicht zoudt willen
zeggen, want het gebeurt in verschillende dimensiale verhoudingen, dus a-
temporeel. Eerst indien gij in staat zoudt zijn, Horatio, de verschillende
quotiënten [94]der infinitesimale dimensies te herleiden tot het quotiënt der
Al-Dimensie, dan zoudt gij u een voorstelling kunnen maken van den
werkelijken tijd. Maar die formule is slechts Hem gegeven, Die De Formule
is.”
Page 83
„Arme collega’s. Als ik terugkeer en zij zullen mij naar de formule vragen,
zal ik hun niets hebben te geven dan deze:
„Dus gij wilt toch terug, Horatio?”
„Bij de fluitschool van Drouet.… nooit!”
„Welnu, kies dan uw keuze.”
„Ik kies u.… zooals ik u altijd had moeten gekozen hebben, beminde
Eumenia.”
„Ik bedoel, gij moogt kiezen, wat gij nu van verleden, heden of toekomst
der menschheid wenscht te zien.”
„Eenmaal heb ik mij vergist.… maar het was in het eerste jaar, toen ik
verzuimde het beste te kiezen. Doch het was slechts wijl ik u niet kennend,
niet kon weten, wat ik in u zou kiezen. Zou ik ditmaal in de fout van mijn
zoo betreurenswaardig eerste jaar vervallen? Zou ik later, teruggekeerd op
aarde, van mijn collega’s het verwijt moeten hooren, dat ik mij ten aanzien
van de keuze der dimensies, gemésailleerd heb?”
„Altijd weder die pogingen om mij te verlaten voor uw collega’s,
Horatio.…”
„Vergeef mij, ik spreek onbedachtzaam.”
„Is er onbedachtzaamheid in de liefde, Horatio?” [95]
„Zij is niet anders dan dat, Eumenia. Leidt mij geliefde naar die dimensiale
oorden, waar gij meent, dat voor mij de meeste leering is te putten, voor
mijzelf en voor.…”
zal ik hun niets hebben te geven dan deze:
„Dus gij wilt toch terug, Horatio?”
„Bij de fluitschool van Drouet.… nooit!”
„Welnu, kies dan uw keuze.”
„Ik kies u.… zooals ik u altijd had moeten gekozen hebben, beminde
Eumenia.”
„Ik bedoel, gij moogt kiezen, wat gij nu van verleden, heden of toekomst
der menschheid wenscht te zien.”
„Eenmaal heb ik mij vergist.… maar het was in het eerste jaar, toen ik
verzuimde het beste te kiezen. Doch het was slechts wijl ik u niet kennend,
niet kon weten, wat ik in u zou kiezen. Zou ik ditmaal in de fout van mijn
zoo betreurenswaardig eerste jaar vervallen? Zou ik later, teruggekeerd op
aarde, van mijn collega’s het verwijt moeten hooren, dat ik mij ten aanzien
van de keuze der dimensies, gemésailleerd heb?”
„Altijd weder die pogingen om mij te verlaten voor uw collega’s,
Horatio.…”
„Vergeef mij, ik spreek onbedachtzaam.”
„Is er onbedachtzaamheid in de liefde, Horatio?” [95]
„Zij is niet anders dan dat, Eumenia. Leidt mij geliefde naar die dimensiale
oorden, waar gij meent, dat voor mij de meeste leering is te putten, voor
mijzelf en voor.…”
Page 84
„Wat meent gij.… voor wie.… weder voor die daar-ginds.…”
„Neen, voor u.… voor u.… voor u alleen, Eumenia, gij geest van mijn
geest, gij geestelijke liefde van mijn liefde.”
„Dan zal ik u verhooren.… Kom, omhels mij, opdat wij ons zullen voelen
in tweeën één.…”
En Eumenia en Horatio ervoeren in dezen heiligen oogenblik hetzelfde als
twee aardsche menschen, man en vrouw, die mond op monde en hand in
hand, het tweetallig stelsel herleiden tot het eentallig volgens de streng
wetenschappelijke formule:
Want is liefde op aarde iets anders dan de oplossing van twee in één en van
één in velen, o, zonen en dochters dezer wereld? [96]
„Neen, voor u.… voor u.… voor u alleen, Eumenia, gij geest van mijn
geest, gij geestelijke liefde van mijn liefde.”
„Dan zal ik u verhooren.… Kom, omhels mij, opdat wij ons zullen voelen
in tweeën één.…”
En Eumenia en Horatio ervoeren in dezen heiligen oogenblik hetzelfde als
twee aardsche menschen, man en vrouw, die mond op monde en hand in
hand, het tweetallig stelsel herleiden tot het eentallig volgens de streng
wetenschappelijke formule:
Want is liefde op aarde iets anders dan de oplossing van twee in één en van
één in velen, o, zonen en dochters dezer wereld? [96]
Page 85
[Inhoud]
Page 86
XI.
„Vrees niet geliefde Horatio. Gij zult opnieuw moeten, wat gij op aarde
noemt sterven, maar wat niets anders is dan het overgaan in een andere
dimensie. Gij zult mij straks weder naast u vinden, want ik heb besloten u
niet, u nooit weer te verlaten en ik verwacht van u hetzelfde.”
„Inderdaad Eumenia, ik hoop mijzelf ook nooit te verlaten.”
„Ik meende, dat gij ook mij nooit zoudt verlaten, Horatio!”
En in den toon lag voor ’t eerst iets, dat men op aarde wellicht gekrenkte
eigenliefde zou genoemd hebben.
„Precies mijn idée, geliefde.”
„Zend nu voor een oogenblik uwe bezinning weg. Dan vindt gij
gelegenheid om opnieuw van de dimensie, waarin gij u thans bevindt, tot
een hoogere over te gaan, wat ook hier met tijdelijke bewusteloosheid
gepaard gaat, net als het „sterven” op aarde. Want gij kunt geen vat opnieuw
geheel vullen, indien het niet te voren volkomen geledigd is.”
„Heb ik dan tot heden in een andere dimensie geleefd dan vóór de
narcose?” [97]
„Ik begrijp Horatio, dat gij mij die vraag stelt. Inderdaad, het kon u niet
bewust worden, omdat gij product eener dimensie, niet boven die dimensie
uit kunt komen om haar te toetsen.”
„Gij herinnert mij Eumenia aan Archimedes, die zoo hij een vast punt
buiten de aarde had, beloofde de aarde uit haar voegen te kunnen tillen.”
„Vrees niet geliefde Horatio. Gij zult opnieuw moeten, wat gij op aarde
noemt sterven, maar wat niets anders is dan het overgaan in een andere
dimensie. Gij zult mij straks weder naast u vinden, want ik heb besloten u
niet, u nooit weer te verlaten en ik verwacht van u hetzelfde.”
„Inderdaad Eumenia, ik hoop mijzelf ook nooit te verlaten.”
„Ik meende, dat gij ook mij nooit zoudt verlaten, Horatio!”
En in den toon lag voor ’t eerst iets, dat men op aarde wellicht gekrenkte
eigenliefde zou genoemd hebben.
„Precies mijn idée, geliefde.”
„Zend nu voor een oogenblik uwe bezinning weg. Dan vindt gij
gelegenheid om opnieuw van de dimensie, waarin gij u thans bevindt, tot
een hoogere over te gaan, wat ook hier met tijdelijke bewusteloosheid
gepaard gaat, net als het „sterven” op aarde. Want gij kunt geen vat opnieuw
geheel vullen, indien het niet te voren volkomen geledigd is.”
„Heb ik dan tot heden in een andere dimensie geleefd dan vóór de
narcose?” [97]
„Ik begrijp Horatio, dat gij mij die vraag stelt. Inderdaad, het kon u niet
bewust worden, omdat gij product eener dimensie, niet boven die dimensie
uit kunt komen om haar te toetsen.”
„Gij herinnert mij Eumenia aan Archimedes, die zoo hij een vast punt
buiten de aarde had, beloofde de aarde uit haar voegen te kunnen tillen.”
Page 87
„Of wij ooit een vast punt zullen kennen, behalve Het Vaste Punt kan ik u
niet zeggen, Horatio.”
„En voor wie dat Vaste Punt wankelt?”
„Wie in zich de wankeling heeft, hoe kan hij hopen buiten zich een vast
punt te vinden? Doch nu, geliefde, slaap.… Gij zult mij ontwakend nevens
u vinden.”
Het was professor Leyden of hij opnieuw genarcotiseerd werd. De hand,
welke Eumenia boven zijn etherisch hoofd hield, loste het op als damp, als
damp van damp en het laatste wat professor Leyden zich bezonnen
herinnerde, was een formule welke in het ruim scheen te zweven en de
gedachte, als ik terugkom, zal ik het aan de collega’s zóó moeten duidelijk
maken:
Daarna toefde professor Leyden in het volkomen niet, indien het toeven
mag heeten, waar alles negatie [98]is en indien het volkomen mag heeten,
waar ook de onvolkomenheid, volkomen is en indien het niet mag heeten,
waar geen iet als tegenstelling is.
Toen professor Leyden weder tot bezinning kwam was zijn eerste gedachte
dan ook aan het wezen der negatie gewijd. Tegenover het iet is het niet te
stellen, dacht hij, maar tegenover de gedachte waar-tegenover geen andere
is te stellen, het (niet)x, het absolute niet in abstractie, geloof ik, met
welmeenen van mijn collega’s, die het als zij het beter weten, gerust mogen
zeggen, te moeten beweren, te mogen herhalen, wat eens een deurwaarder
in het eerste jaar op mijn kast gekomen als hoogste wijsheid der
jurisprudentie uitsprak: Waar niet is, heeft de keizer zijn recht verloren. Ik
niet zeggen, Horatio.”
„En voor wie dat Vaste Punt wankelt?”
„Wie in zich de wankeling heeft, hoe kan hij hopen buiten zich een vast
punt te vinden? Doch nu, geliefde, slaap.… Gij zult mij ontwakend nevens
u vinden.”
Het was professor Leyden of hij opnieuw genarcotiseerd werd. De hand,
welke Eumenia boven zijn etherisch hoofd hield, loste het op als damp, als
damp van damp en het laatste wat professor Leyden zich bezonnen
herinnerde, was een formule welke in het ruim scheen te zweven en de
gedachte, als ik terugkom, zal ik het aan de collega’s zóó moeten duidelijk
maken:
Daarna toefde professor Leyden in het volkomen niet, indien het toeven
mag heeten, waar alles negatie [98]is en indien het volkomen mag heeten,
waar ook de onvolkomenheid, volkomen is en indien het niet mag heeten,
waar geen iet als tegenstelling is.
Toen professor Leyden weder tot bezinning kwam was zijn eerste gedachte
dan ook aan het wezen der negatie gewijd. Tegenover het iet is het niet te
stellen, dacht hij, maar tegenover de gedachte waar-tegenover geen andere
is te stellen, het (niet)x, het absolute niet in abstractie, geloof ik, met
welmeenen van mijn collega’s, die het als zij het beter weten, gerust mogen
zeggen, te moeten beweren, te mogen herhalen, wat eens een deurwaarder
in het eerste jaar op mijn kast gekomen als hoogste wijsheid der
jurisprudentie uitsprak: Waar niet is, heeft de keizer zijn recht verloren. Ik
Page 88
wist tot heden niet, dat zelfs een jurist, philosofisch kan zijn en voor een
enkele keer aan het sofisme, de liefde kan toevoegen. Maar hoe dan ook, ik
ben ledig geweest en ik voel mij op dit oogenblik als in een aggregatie-
toestand. Mocht ik nu maar weder mijn angelus tutelaris naast mij weten,
mijn agnomen uit haar zoeten mond vernemen. Van haar zoeten mond
gesproken, wat mij thans het meest bekommert, is het vinden van de
formule, waardoor ik mijn collega’s duidelijk zal kunnen maken, hoe de
sensatie van een kus is in deze dimensie. Helaas, zal zij niet wederkeeren?
Zal zij mij verachten, zooals ik eens, lang geleden, het haar deed, daar ik
nu, naar heur beeldspraak, [99]toch slechts nieuwe wijn, maar in een ouden
zak ben?
Een ding aarzel ik niet te constateeren. Daar ik ook hier, bij de gedachte aan
een kus opleef en bij de gedachte het vrouwelijke schoon te moeten missen,
verdriet gevoel is dus, als ik mij nuchter tegenover de feiten stel, streng
wetenschappelijk gesproken, ook in deze dimensie lust en onlust. Maar het
gevoel dier beide sensaties schijnt mij toe, hier in elkaar te verglijden en ik
leef op de grens dier grensverflauwing. Evenwel, het is hier niet de extase
der aarde, die extase begin aller nieuwe creatie, doch er is hier een boven-
extase of positieve verrukking en daartusschen lijkt mijn huidige toestand
van wetenschappelijke bezonnenheid een aequinoctium.
Het was in dezen toestand, dat Eumenia den professor vond, in labiel
psychisch evenwicht. Zij legde haar hand weder op zijn hoofd, zooals zij in
een vroegere dimensie had gedaan, toen de professor in den tuin van het
ziekenhuis zijner kliniek bedroefd was neergezeten en zeide zacht:
„Horatio?”
„Roept mij iemand?” vroeg prof. Leyden.
„Ja.… ik?”
„Wat is dat.… ik?”
enkele keer aan het sofisme, de liefde kan toevoegen. Maar hoe dan ook, ik
ben ledig geweest en ik voel mij op dit oogenblik als in een aggregatie-
toestand. Mocht ik nu maar weder mijn angelus tutelaris naast mij weten,
mijn agnomen uit haar zoeten mond vernemen. Van haar zoeten mond
gesproken, wat mij thans het meest bekommert, is het vinden van de
formule, waardoor ik mijn collega’s duidelijk zal kunnen maken, hoe de
sensatie van een kus is in deze dimensie. Helaas, zal zij niet wederkeeren?
Zal zij mij verachten, zooals ik eens, lang geleden, het haar deed, daar ik
nu, naar heur beeldspraak, [99]toch slechts nieuwe wijn, maar in een ouden
zak ben?
Een ding aarzel ik niet te constateeren. Daar ik ook hier, bij de gedachte aan
een kus opleef en bij de gedachte het vrouwelijke schoon te moeten missen,
verdriet gevoel is dus, als ik mij nuchter tegenover de feiten stel, streng
wetenschappelijk gesproken, ook in deze dimensie lust en onlust. Maar het
gevoel dier beide sensaties schijnt mij toe, hier in elkaar te verglijden en ik
leef op de grens dier grensverflauwing. Evenwel, het is hier niet de extase
der aarde, die extase begin aller nieuwe creatie, doch er is hier een boven-
extase of positieve verrukking en daartusschen lijkt mijn huidige toestand
van wetenschappelijke bezonnenheid een aequinoctium.
Het was in dezen toestand, dat Eumenia den professor vond, in labiel
psychisch evenwicht. Zij legde haar hand weder op zijn hoofd, zooals zij in
een vroegere dimensie had gedaan, toen de professor in den tuin van het
ziekenhuis zijner kliniek bedroefd was neergezeten en zeide zacht:
„Horatio?”
„Roept mij iemand?” vroeg prof. Leyden.
„Ja.… ik?”
„Wat is dat.… ik?”
Page 89
„Kunt gij mij niet hooren?”
„Ja.… hooren doe ik.… maar het gehoorde, klinkt niet tot mij door. Het is
alsof geluiden uit de verte [100]klinken, welke te vergeefs trachten een
verstaanbaren vorm aan te nemen.”
„Voelt gij mijn hand boven uw hoofd uitstralen?”
„Ik voel uitstraling boven mijn hoofd, maar het is of de uitstraling niet in
mij doorstraalt. Ik voel het als iets chaotisch,” dacht professor Leyden.
„Ik ben Eumenia, uw angelus tutelaris,” zeide Eumenia.
Het was professor Leyden alsof hij iets hoorde tuten en achter dat tuten,
gelijk een waas van geluid, hoorde hij stemverwarringen.
„Waarschijnlijk,” dacht prof. Leyden, „geschiedt hier op ’t oogenblik iets
soortgelijks als mij vroeger wel eens gebeurde bij het telefoneeren. Dan
wist ik niet of ik het toestel de schuld moest geven of aan de smadelijke
gewoonte, juist jonge meisjes, de klapachtigste menschensoort ter wereld,
tot verlengstukken der spreektrompet te maken, zijzelve spreektrompetten
zonder rem. Waarschijnlijk spreekt iemand tot mij en wil mij iets
mededeelen. Maar daar er verschil in de dimensies is, waarin wij leven,
kunnen wij helaas elkaar verstaan noch begrijpen, slechts vaag vermoeden,
dat wij elkaar wat mede te deelen hebben. Was het op de aarde niet vaak
evenzoo, als ik de vorderingen der wetenschap aan die van het eerste jaar
trachtte duidelijk te maken? En waren de stemmen van al de groote
mannen, die hun tijd, dat wil zeggen, hun dimensie, vooruit [101]waren, voor
hun z.g. „tijd”genooten niet als die der roependen in den woestijn?”
Opeens hoorde nu professor Leyden duidelijk en helder „Horatio!” zeggen.
En een gevoel van welbehagen doorstroomde hem, als ontwaakte hij na een
gezonden, vasten slaap op een stralenden Mei-morgen, gewekt door
vogelgefluit.
„Ja.… hooren doe ik.… maar het gehoorde, klinkt niet tot mij door. Het is
alsof geluiden uit de verte [100]klinken, welke te vergeefs trachten een
verstaanbaren vorm aan te nemen.”
„Voelt gij mijn hand boven uw hoofd uitstralen?”
„Ik voel uitstraling boven mijn hoofd, maar het is of de uitstraling niet in
mij doorstraalt. Ik voel het als iets chaotisch,” dacht professor Leyden.
„Ik ben Eumenia, uw angelus tutelaris,” zeide Eumenia.
Het was professor Leyden alsof hij iets hoorde tuten en achter dat tuten,
gelijk een waas van geluid, hoorde hij stemverwarringen.
„Waarschijnlijk,” dacht prof. Leyden, „geschiedt hier op ’t oogenblik iets
soortgelijks als mij vroeger wel eens gebeurde bij het telefoneeren. Dan
wist ik niet of ik het toestel de schuld moest geven of aan de smadelijke
gewoonte, juist jonge meisjes, de klapachtigste menschensoort ter wereld,
tot verlengstukken der spreektrompet te maken, zijzelve spreektrompetten
zonder rem. Waarschijnlijk spreekt iemand tot mij en wil mij iets
mededeelen. Maar daar er verschil in de dimensies is, waarin wij leven,
kunnen wij helaas elkaar verstaan noch begrijpen, slechts vaag vermoeden,
dat wij elkaar wat mede te deelen hebben. Was het op de aarde niet vaak
evenzoo, als ik de vorderingen der wetenschap aan die van het eerste jaar
trachtte duidelijk te maken? En waren de stemmen van al de groote
mannen, die hun tijd, dat wil zeggen, hun dimensie, vooruit [101]waren, voor
hun z.g. „tijd”genooten niet als die der roependen in den woestijn?”
Opeens hoorde nu professor Leyden duidelijk en helder „Horatio!” zeggen.
En een gevoel van welbehagen doorstroomde hem, als ontwaakte hij na een
gezonden, vasten slaap op een stralenden Mei-morgen, gewekt door
vogelgefluit.
Page 90
„Eumenia!” antwoordde prof. Leyden verheugd.
„Mijn geliefde, hoe zeer heb ik geworsteld om tot u te geraken. Verbeeld u,
het lukte mij niet tot gelijke dimensie met u te komen, omdat gij in labiel in
stede van stabiel psychisch evenwicht verkeerend, telkens tusschen
dimensie en dimensie heen en weer schommelde. Alleen gelijkgestemden
kunnen elkaar verstaan.”
„Hoe klaar, hoe kristalhelder klinkt uw stem, Eumenia.”
„Straks zult gij ook alles zoo kristalhelder zien. Daar gij hier in een hoogere
dimensie leeft, zijn uw zintuigen sterkere recipiënten geworden.…”
„Ik zie.… ik zie.… ik zie u.… o stralende, liefelijke, emanatie.…” kreet de
professor in verrukking.
„Ik ben dezelfde die ik was, geliefde. Alleenlijk gij hebt de kracht
verkregen meer van mij te omvatten. Op de aarde is het niet anders. Wat gij
ontwaart, zijt gij zelf. En aldus zult gij nooit tot meer erkenning kunnen
komen, dan er aan erkenning in u werd gebracht. En nu, kom mede. Thans
[102]zal ik u leiden naar den toestand, die op aarde later omstreeks het jaar
2000 zal zijn.”
En prof. Leyden, zelf zich als een lichtgevende substantie voelend, die alles
bezonnen, stralend en helder ontwaarde, schoot voort als een zich vormend
kristal achter Eumenia, die als een andere emanatie hem leidde. [103]
„Mijn geliefde, hoe zeer heb ik geworsteld om tot u te geraken. Verbeeld u,
het lukte mij niet tot gelijke dimensie met u te komen, omdat gij in labiel in
stede van stabiel psychisch evenwicht verkeerend, telkens tusschen
dimensie en dimensie heen en weer schommelde. Alleen gelijkgestemden
kunnen elkaar verstaan.”
„Hoe klaar, hoe kristalhelder klinkt uw stem, Eumenia.”
„Straks zult gij ook alles zoo kristalhelder zien. Daar gij hier in een hoogere
dimensie leeft, zijn uw zintuigen sterkere recipiënten geworden.…”
„Ik zie.… ik zie.… ik zie u.… o stralende, liefelijke, emanatie.…” kreet de
professor in verrukking.
„Ik ben dezelfde die ik was, geliefde. Alleenlijk gij hebt de kracht
verkregen meer van mij te omvatten. Op de aarde is het niet anders. Wat gij
ontwaart, zijt gij zelf. En aldus zult gij nooit tot meer erkenning kunnen
komen, dan er aan erkenning in u werd gebracht. En nu, kom mede. Thans
[102]zal ik u leiden naar den toestand, die op aarde later omstreeks het jaar
2000 zal zijn.”
En prof. Leyden, zelf zich als een lichtgevende substantie voelend, die alles
bezonnen, stralend en helder ontwaarde, schoot voort als een zich vormend
kristal achter Eumenia, die als een andere emanatie hem leidde. [103]
Page 91
[Inhoud]
Page 92
XII.
„Gij zijt nu als een glimwormpje of als die vreemde visschen uit de
allerdonkerste zeediepte, welke boven hun oogen gloeilampjes hebben,
welke zij kunnen ontsteken om hun prooi te zoeken en dooven om zelf
onzichtbaar te zijn. Ik leid u thans langs de galerijen van wat de menschheid
op aarde toekomst heet. Hier zijt gij nu in wat zij straks het jaar 2000 zullen
gaan noemen.”
Het was prof. Leyden, nadat zijn lieve geleidster deze woorden gesproken
had, alsof hij weder op aarde teruggekeerd was, doch niet binnen zijn
knusse, deftige universiteitsstad, waar alles gezellig en aangenaam en
rustig, kortom welgeordend en beschaafd is (behalve dan de aberraties van
de abecedarii van het eerste jaar), maar ergens in een ander werelddeel, in
een uit den oceaan weder opgedoken Atlantis.
„Zijn hier de geslachten opgeheven, Eumenia?” was de eerste vraag, die
prof. Leyden aan zijn schoone geleidster stelde.
„Neen, hier heeft slechts een geslachtsverschuiving plaats gevonden.”
„Gij drukt zoo op het hier. Is het dan elders wel zoo?” [104]
„Inderdaad zijn er sferen, maar of zij ooit de aarde voor hare oplossing
zullen bereiken weet ik niet, waarin de verdeelde functie’s van man en
vrouw weder, zooals in den oer-tijd, zijn vereenigd in één-wezens. De een-
wezens zijn zoo hoogstaande, zij die niet meer het onderscheid tusschen de
beide geslachten kennen, voor wie het „tweeling is de mensch geboren” niet
meer geldt, dat de aarde en haar sensueele sfeer voor hen wel
onbewoonbaar zullen blijken.”
„En, hoe plant de éénling zich voort?”
„Gij zijt nu als een glimwormpje of als die vreemde visschen uit de
allerdonkerste zeediepte, welke boven hun oogen gloeilampjes hebben,
welke zij kunnen ontsteken om hun prooi te zoeken en dooven om zelf
onzichtbaar te zijn. Ik leid u thans langs de galerijen van wat de menschheid
op aarde toekomst heet. Hier zijt gij nu in wat zij straks het jaar 2000 zullen
gaan noemen.”
Het was prof. Leyden, nadat zijn lieve geleidster deze woorden gesproken
had, alsof hij weder op aarde teruggekeerd was, doch niet binnen zijn
knusse, deftige universiteitsstad, waar alles gezellig en aangenaam en
rustig, kortom welgeordend en beschaafd is (behalve dan de aberraties van
de abecedarii van het eerste jaar), maar ergens in een ander werelddeel, in
een uit den oceaan weder opgedoken Atlantis.
„Zijn hier de geslachten opgeheven, Eumenia?” was de eerste vraag, die
prof. Leyden aan zijn schoone geleidster stelde.
„Neen, hier heeft slechts een geslachtsverschuiving plaats gevonden.”
„Gij drukt zoo op het hier. Is het dan elders wel zoo?” [104]
„Inderdaad zijn er sferen, maar of zij ooit de aarde voor hare oplossing
zullen bereiken weet ik niet, waarin de verdeelde functie’s van man en
vrouw weder, zooals in den oer-tijd, zijn vereenigd in één-wezens. De een-
wezens zijn zoo hoogstaande, zij die niet meer het onderscheid tusschen de
beide geslachten kennen, voor wie het „tweeling is de mensch geboren” niet
meer geldt, dat de aarde en haar sensueele sfeer voor hen wel
onbewoonbaar zullen blijken.”
„En, hoe plant de éénling zich voort?”
Page 93
„Het éénling, bevrijd van al de lage hartstochten en daden, welke
voortspruiten uit den strijd tusschen twee geslachten, een lichamelijk sterk
maar zedelijk zwak en een lichamelijk zwak maar zedelijk sterk geslacht,
bevrijd ook van de smart van het baren, vermeerdert zich in zijn sfeer
zooals op aarde de gedachte zich vermeerdert. De idée baart de idée, gelijk
aan een boom takken en aan een tak twijgen ontstaan. Het éénling vertwijgt
zich en het geheele geslacht der eenlingen vormt een zich in zijn sfeer naar
alle zijden uitstrekkende vertakking. Maar deze takken zijn alleen naar den
geest met elkaar verbonden, kunnen zich overigens vrij bewegen en overal
in hun sfeer zich vestigen en opnieuw zich vertakken.”
„Welk een schoone gedachtenwereld, Eumenia.”
„Maar er zijn ook sferen waar het drieling leeft.” [105]
„Die kennen wij op aarde en niet als te zeldzame uitzondering.”
„Gij begrijpt mij verkeerd, Horatio. Ik meen niet, dat één vrouw haar
echtgenoot er altijd gelukkig maakt met de zorg voor drie luiermanden
tegelijk. Maar in de sfeer van het drieling, kent men drie geslachten—juist
zooals in de bijenkorf. Een mannelijk geslacht, dat slechts de daar weinig
geachte functie verricht van de bevruchting. Een vrouwelijk geslacht, dat
baart. Een a-sexueel geslacht, dat allen arbeid verricht, geestelijke en
materiëele.”
„En staat hun beschaving op een hoog peil?”
„Neen.… dat is onmogelijk bij een instelling waar zij die geestelijk
arbeiden voor geslachtelijken, onbewust blijven van alle geslachtelijke
functies. Men zou de maatschappij en de geestelijke ontwikkeling van het
drieling kunnen vergelijken met de bijenkorf. Op zichzelf kunstig en
vernuftig—maar zij komen nooit verder, zijn een eeuwige herhaling van
zichzelf.”
voortspruiten uit den strijd tusschen twee geslachten, een lichamelijk sterk
maar zedelijk zwak en een lichamelijk zwak maar zedelijk sterk geslacht,
bevrijd ook van de smart van het baren, vermeerdert zich in zijn sfeer
zooals op aarde de gedachte zich vermeerdert. De idée baart de idée, gelijk
aan een boom takken en aan een tak twijgen ontstaan. Het éénling vertwijgt
zich en het geheele geslacht der eenlingen vormt een zich in zijn sfeer naar
alle zijden uitstrekkende vertakking. Maar deze takken zijn alleen naar den
geest met elkaar verbonden, kunnen zich overigens vrij bewegen en overal
in hun sfeer zich vestigen en opnieuw zich vertakken.”
„Welk een schoone gedachtenwereld, Eumenia.”
„Maar er zijn ook sferen waar het drieling leeft.” [105]
„Die kennen wij op aarde en niet als te zeldzame uitzondering.”
„Gij begrijpt mij verkeerd, Horatio. Ik meen niet, dat één vrouw haar
echtgenoot er altijd gelukkig maakt met de zorg voor drie luiermanden
tegelijk. Maar in de sfeer van het drieling, kent men drie geslachten—juist
zooals in de bijenkorf. Een mannelijk geslacht, dat slechts de daar weinig
geachte functie verricht van de bevruchting. Een vrouwelijk geslacht, dat
baart. Een a-sexueel geslacht, dat allen arbeid verricht, geestelijke en
materiëele.”
„En staat hun beschaving op een hoog peil?”
„Neen.… dat is onmogelijk bij een instelling waar zij die geestelijk
arbeiden voor geslachtelijken, onbewust blijven van alle geslachtelijke
functies. Men zou de maatschappij en de geestelijke ontwikkeling van het
drieling kunnen vergelijken met de bijenkorf. Op zichzelf kunstig en
vernuftig—maar zij komen nooit verder, zijn een eeuwige herhaling van
zichzelf.”
Page 94
„Dus zijn zij wel ongelukkig?”
„Nog niet—daar zij niet bewust er van zijn, dat zij zich altijd door herhalen.
Hun smart zal beginnen, wanneer zij door Die De Vernieuwing is, besef
zullen krijgen van andere verhoudingen dan den sexangulum en zich tot den
septangulum zullen verheffen. Dan vervalt hun geheel maatschappelijk en
geestelijk stelsel, alle verhoudingen zullen uit haar evenwicht worden
gedrongen, maar het is alleen door smart en verwarring, dat men van den
[106]sexangulum tot den octogoon zich kan ontwikkelen.”
„En zijn er sferen met nog meer dan drie gescheidenheden van het ééne?”
„Mijn beste vriend, er zijn evenveel gescheidenheden als dimensies.”
„Waarom dat?”
„Die Het Getal en De Dimensie is, weet dat. Ik ben ook nog maar in
wording. Maar wat ik u kan toonen, geliefde Horatio, zal ik u toonen. Zie,
wat gij nu hier, in de sfeer welke gij thans beschouwt, voor één-
geslachtelijke wezens hieldt, zijn inderdaad vrouwen.”
„Zij hebben veel meer van mannen.”
„Toch zijn zij vrouwen, die echter den man aan zich onderworpen hebben
gemaakt. Maar velen harer baren—hoewel zelden meer dan twee kinderen
in haar geheele leven. En de zorg voor die kinderen, komt voor een groot
deel op de mannen neer.”
„Hoe dat?”
„Wel, reeds lang voor wat overdrachtelijk genoemd werd den eersten
grooten wereldoorlog van 1914, had de toenemende machinale industrie
een begin van de geslachtsverschuiving veroorzaakt. De man behoefde niet
meer den zwaren, lichamelijken arbeid te doen—de machine zorgde
daarvoor. Zijn arbeid in de fabrieken bestond uit het verrichten van
„Nog niet—daar zij niet bewust er van zijn, dat zij zich altijd door herhalen.
Hun smart zal beginnen, wanneer zij door Die De Vernieuwing is, besef
zullen krijgen van andere verhoudingen dan den sexangulum en zich tot den
septangulum zullen verheffen. Dan vervalt hun geheel maatschappelijk en
geestelijk stelsel, alle verhoudingen zullen uit haar evenwicht worden
gedrongen, maar het is alleen door smart en verwarring, dat men van den
[106]sexangulum tot den octogoon zich kan ontwikkelen.”
„En zijn er sferen met nog meer dan drie gescheidenheden van het ééne?”
„Mijn beste vriend, er zijn evenveel gescheidenheden als dimensies.”
„Waarom dat?”
„Die Het Getal en De Dimensie is, weet dat. Ik ben ook nog maar in
wording. Maar wat ik u kan toonen, geliefde Horatio, zal ik u toonen. Zie,
wat gij nu hier, in de sfeer welke gij thans beschouwt, voor één-
geslachtelijke wezens hieldt, zijn inderdaad vrouwen.”
„Zij hebben veel meer van mannen.”
„Toch zijn zij vrouwen, die echter den man aan zich onderworpen hebben
gemaakt. Maar velen harer baren—hoewel zelden meer dan twee kinderen
in haar geheele leven. En de zorg voor die kinderen, komt voor een groot
deel op de mannen neer.”
„Hoe dat?”
„Wel, reeds lang voor wat overdrachtelijk genoemd werd den eersten
grooten wereldoorlog van 1914, had de toenemende machinale industrie
een begin van de geslachtsverschuiving veroorzaakt. De man behoefde niet
meer den zwaren, lichamelijken arbeid te doen—de machine zorgde
daarvoor. Zijn arbeid in de fabrieken bestond uit het verrichten van
Page 95
éénvormige kunstgrepen. Maar een overgroot aantal mannen oefende het
lichaam in ’t geheel niet meer. Zij hadden slechts het zachte, fijne,
gelijkmatige werk [107]van boekhouders, administrateurs, correspondenten
te doen. Velen verweerden zich tegen de vervrouwelijking daardoor na
eenige geslachten verkregen, door sport. Maar sport is een doellooze
lichaamsoefening en geeft daardoor wel het lichaam maar niet de ziel, die
dat lichaam vormt, vernieuwde mannelijke kracht. Want de ziel, zij de
Waarheid, immers schepping van Die De Waarheid is, laat zich niet
bedriegen. Zoo bewerkte dan de sport, de valsche, want doellooze arbeid,
de arbeid, die in de beweging zelve doel zoekt en niet in het te scheppen
product, wel een schijnbare ontwikkeling van het lichaam, maar men kreeg
toen slechts mannen, met zwaargespierde lichamen welke desondanks als
wezens verwijfden. Daarentegen werden de vrouwen, toegelaten tot de
fabrieken en kantoren, onttrokken aan het huishouden en het gezin, niet
meer haar zielen oefenend in al de vele daden van echt-vrouwelijken aard,
van stille, liefelijke opoffering en verzorging van de kleinen, de zwakken en
de zieken, mannelijk. Het allereerst begon zich dat in de kleeding te
openbaren. De vrouw ging zich kleeden in kleederen, welke op die van
mannen geleken en dan ook tailor-made werden genoemd. Een reactie werd
beproefd, door aan de vrouwen een kleeding te bezorgen, welke ontleend
was aan de courtisane, zij die van het doel een middel heeft gemaakt. En
zoo kreeg men twee soorten onder de vrouwen, de vermanden en de
vercourtisaneerden. Onderwijl stierf het echte vrouwen-type uit of
verbasterde. [108]De vrouw wierp zich nu op de studie en daardoor bewerkte
zij, dat uit de scheppende wetenschap, de zich reproduceerende wetenschap
ontstond.”
„Inderdaad, lieve Eumenia, ik zag met schrik het aantal vrouwelijke
studenten jaar op jaar toenemen. En daar haar vrouwelijke ijver haar in
velerlei vakken, welke slechts voorbereidend zijn en dus alleen op het
geheugen steunen, een voorsprong gaf, gingen de mannelijke studenten, uit
eerzucht, zich ook daaraan met grooten ijver geven, zoodat zij vermoeid
lichaam in ’t geheel niet meer. Zij hadden slechts het zachte, fijne,
gelijkmatige werk [107]van boekhouders, administrateurs, correspondenten
te doen. Velen verweerden zich tegen de vervrouwelijking daardoor na
eenige geslachten verkregen, door sport. Maar sport is een doellooze
lichaamsoefening en geeft daardoor wel het lichaam maar niet de ziel, die
dat lichaam vormt, vernieuwde mannelijke kracht. Want de ziel, zij de
Waarheid, immers schepping van Die De Waarheid is, laat zich niet
bedriegen. Zoo bewerkte dan de sport, de valsche, want doellooze arbeid,
de arbeid, die in de beweging zelve doel zoekt en niet in het te scheppen
product, wel een schijnbare ontwikkeling van het lichaam, maar men kreeg
toen slechts mannen, met zwaargespierde lichamen welke desondanks als
wezens verwijfden. Daarentegen werden de vrouwen, toegelaten tot de
fabrieken en kantoren, onttrokken aan het huishouden en het gezin, niet
meer haar zielen oefenend in al de vele daden van echt-vrouwelijken aard,
van stille, liefelijke opoffering en verzorging van de kleinen, de zwakken en
de zieken, mannelijk. Het allereerst begon zich dat in de kleeding te
openbaren. De vrouw ging zich kleeden in kleederen, welke op die van
mannen geleken en dan ook tailor-made werden genoemd. Een reactie werd
beproefd, door aan de vrouwen een kleeding te bezorgen, welke ontleend
was aan de courtisane, zij die van het doel een middel heeft gemaakt. En
zoo kreeg men twee soorten onder de vrouwen, de vermanden en de
vercourtisaneerden. Onderwijl stierf het echte vrouwen-type uit of
verbasterde. [108]De vrouw wierp zich nu op de studie en daardoor bewerkte
zij, dat uit de scheppende wetenschap, de zich reproduceerende wetenschap
ontstond.”
„Inderdaad, lieve Eumenia, ik zag met schrik het aantal vrouwelijke
studenten jaar op jaar toenemen. En daar haar vrouwelijke ijver haar in
velerlei vakken, welke slechts voorbereidend zijn en dus alleen op het
geheugen steunen, een voorsprong gaf, gingen de mannelijke studenten, uit
eerzucht, zich ook daaraan met grooten ijver geven, zoodat zij vermoeid
Page 96
waren, als het op de vakken aankwam, waar de mannelijke intellectualiteit
en ingeniositeit voor de scheppende wetenschap werd gevergd!
„De oorlog, die in 1914 uitbrak, herstelde een weinig het evenwicht,
doordat hij velen mannen, hun manlijkheid teruggaf en velen vrouwen aan
de sponden der verwonden en zieken weder haar vrouwelijkheid. Maar
daarentegen hadden tehuis vele vrouwen de beroepen der mannen, ook de
meer mannelijke, moeten uitoefenen en de snelle verplaatsing van het geld
naar de minder ontwikkelde lagen der bevolking, had het courtisanisme snel
doen toenemen. Het tekort aan mannen, na den oorlog, bestendigde of
verergerde die toestanden en toen, na de velerlei bolsjewistische woelingen,
de vrouwen ook als soldaat optraden, leerden dat een welgeoefende vrouw
met een geweer en een revolver gewapend, mits zij slechts moed toont, het
tegen iederen man kan opnemen, [109]ontstond in alle landen een
vrouwenheerschappij, evenals vroeger de heerschappij van den man,
steunend op wapengeweld.
„Wat gij nu hier ziet, Horatio, is de toestand in 2000. De vrouwen kleeden
zich ongeveer zoo als mannen—zij, die zich als vrouwen kleeden met
rokken, toonen daardoor dat zij zich aan Eros geven, zonder het
moederschap te willen aanvaarden. Gij ziet, dat de vrouwen bijna allen de
mannen in lengte overtreffen.”
„Maar wat zijn dan de mannen?”
„Dat zijn die troepen, welke gij ginds onder leiding van een vrouw, dat
groote luchtschip uit die loods ziet brengen. Het is dat luchtverkeer, hetwelk
den laatsten stoot gaf tot de vermannelijking van de vrouw en de
vervrouwelijking van de man. Want het is het luchtverkeer, dat het verkeer
enorm vereenvoudigde en vergemakkelijkte, de geheele wereld
ondergeschikt maakte aan den wil van het sterkste wapengeweld, alle
bezwaren aan het reizen ook naar de meest ver verwijderde streken ophief,
zoodat iedere vrouw, die zich daarin geoefend had, het zoo zij het noodig
en ingeniositeit voor de scheppende wetenschap werd gevergd!
„De oorlog, die in 1914 uitbrak, herstelde een weinig het evenwicht,
doordat hij velen mannen, hun manlijkheid teruggaf en velen vrouwen aan
de sponden der verwonden en zieken weder haar vrouwelijkheid. Maar
daarentegen hadden tehuis vele vrouwen de beroepen der mannen, ook de
meer mannelijke, moeten uitoefenen en de snelle verplaatsing van het geld
naar de minder ontwikkelde lagen der bevolking, had het courtisanisme snel
doen toenemen. Het tekort aan mannen, na den oorlog, bestendigde of
verergerde die toestanden en toen, na de velerlei bolsjewistische woelingen,
de vrouwen ook als soldaat optraden, leerden dat een welgeoefende vrouw
met een geweer en een revolver gewapend, mits zij slechts moed toont, het
tegen iederen man kan opnemen, [109]ontstond in alle landen een
vrouwenheerschappij, evenals vroeger de heerschappij van den man,
steunend op wapengeweld.
„Wat gij nu hier ziet, Horatio, is de toestand in 2000. De vrouwen kleeden
zich ongeveer zoo als mannen—zij, die zich als vrouwen kleeden met
rokken, toonen daardoor dat zij zich aan Eros geven, zonder het
moederschap te willen aanvaarden. Gij ziet, dat de vrouwen bijna allen de
mannen in lengte overtreffen.”
„Maar wat zijn dan de mannen?”
„Dat zijn die troepen, welke gij ginds onder leiding van een vrouw, dat
groote luchtschip uit die loods ziet brengen. Het is dat luchtverkeer, hetwelk
den laatsten stoot gaf tot de vermannelijking van de vrouw en de
vervrouwelijking van de man. Want het is het luchtverkeer, dat het verkeer
enorm vereenvoudigde en vergemakkelijkte, de geheele wereld
ondergeschikt maakte aan den wil van het sterkste wapengeweld, alle
bezwaren aan het reizen ook naar de meest ver verwijderde streken ophief,
zoodat iedere vrouw, die zich daarin geoefend had, het zoo zij het noodig
Page 97
achtte, op kon nemen tegen een geheelen Berberstam in de Sahara, welke
zij met het sluipgas kon uitmoorden.”
„Wat is dat, sluipgas?”
„Sluipgas is een uit dampkringslucht en zwavelzuur bereid gas, dat
gecomprimeerd wordt in een kogel van nikkelstaal niet grooter dan een
vuist. [110]Die kogel wordt ergens neergelegd en door een ventiel in de
kogel, dat automatisch door het gas wordt geopend op een te voren vast te
stellen tijd, ontsnapt het gas, breidt zich in de dampkringslucht rondom uit
en doodt alle organische leven, van mensch tot plantencel. Gij begrijpt wel,
Horatio, dat een vrouw in een vliegmachine in ’t bezit van een dozijn van
die sluipgaskogels, een heele landstreek kan terroriseeren.”
„Gebruikten zij dat kostbare gas niet tot ontsmetting?”
„Zeker—alle cholera en pesthaarden zijn er ten laatste door vernietigd.
Maar in 2000 zal men nog zoover niet zijn. Gij weet wel, hoeveel eeuwen
het geduurd heeft, voor dat de man leerde dat zijn vuist, zijn primitief
wapen, hem gegeven was ter bescherming van het zwakke, ter vernietiging
van den slechte en den wreede. Hoe vele eeuwen heeft hij zijn vuist niet
misbruikt en de zwakken, vooral de vrouwen, aan wat het „vuistrecht” werd
genoemd, onderworpen gemaakt? Niet anders is het gegaan met alle andere
macht, den mensch gegeven. Alle macht leidde oorspronkelijk tot willekeur,
machtsmisbruik en machtswellust. Toen nu de vrouwen, nadat zij op de
universiteiten dezelfde kennis hadden verworven als de mannen, zich in ’t
bezit zagen gesteld van dezelfde machtsmiddelen, ontstond een reactie op
de onderworpenheid der vrouwen gedurende zoovele eeuwen. De stille,
sluimerende haat tusschen de twee sexen werd acuut. En de tweede groote
[111]wereldoorlog, die van 1960, vond plaats tusschen de twee sexen, de
mannen en de vrouwen, van de beschaafde of liever de ontwikkelde wereld.
Wel zag men in beide kampen, in dat van de mannen en dat van de
vrouwen, overloopsters en overloopers, maar dat waren of de zeldzame,
buitengewoon hoogstaande mannen en vrouwen, die niets wilden weten van
zij met het sluipgas kon uitmoorden.”
„Wat is dat, sluipgas?”
„Sluipgas is een uit dampkringslucht en zwavelzuur bereid gas, dat
gecomprimeerd wordt in een kogel van nikkelstaal niet grooter dan een
vuist. [110]Die kogel wordt ergens neergelegd en door een ventiel in de
kogel, dat automatisch door het gas wordt geopend op een te voren vast te
stellen tijd, ontsnapt het gas, breidt zich in de dampkringslucht rondom uit
en doodt alle organische leven, van mensch tot plantencel. Gij begrijpt wel,
Horatio, dat een vrouw in een vliegmachine in ’t bezit van een dozijn van
die sluipgaskogels, een heele landstreek kan terroriseeren.”
„Gebruikten zij dat kostbare gas niet tot ontsmetting?”
„Zeker—alle cholera en pesthaarden zijn er ten laatste door vernietigd.
Maar in 2000 zal men nog zoover niet zijn. Gij weet wel, hoeveel eeuwen
het geduurd heeft, voor dat de man leerde dat zijn vuist, zijn primitief
wapen, hem gegeven was ter bescherming van het zwakke, ter vernietiging
van den slechte en den wreede. Hoe vele eeuwen heeft hij zijn vuist niet
misbruikt en de zwakken, vooral de vrouwen, aan wat het „vuistrecht” werd
genoemd, onderworpen gemaakt? Niet anders is het gegaan met alle andere
macht, den mensch gegeven. Alle macht leidde oorspronkelijk tot willekeur,
machtsmisbruik en machtswellust. Toen nu de vrouwen, nadat zij op de
universiteiten dezelfde kennis hadden verworven als de mannen, zich in ’t
bezit zagen gesteld van dezelfde machtsmiddelen, ontstond een reactie op
de onderworpenheid der vrouwen gedurende zoovele eeuwen. De stille,
sluimerende haat tusschen de twee sexen werd acuut. En de tweede groote
[111]wereldoorlog, die van 1960, vond plaats tusschen de twee sexen, de
mannen en de vrouwen, van de beschaafde of liever de ontwikkelde wereld.
Wel zag men in beide kampen, in dat van de mannen en dat van de
vrouwen, overloopsters en overloopers, maar dat waren of de zeldzame,
buitengewoon hoogstaande mannen en vrouwen, die niets wilden weten van
Page 98
een geslachtsoorlog en het menschelijke boven het geslachtelijke wenschten
te stellen of het waren de talrijke wezens, die zwak van ziel, zonder sexe-
persoonlijkheid of sterke sexe-persoonlijkheid, zich aansloten bij de partij,
welke hun of haar het meeste voordeel beloofde. Dan waren er nog de
courtisanen, welke juist zich het beste thuisvoelden, daar waar zij als sterke
minderheid konden vertoeven onder een sterke meerderheid van het
tegenovergestelde geslacht.
„Deze tweede wereldoorlog werd over alle linies, in alle landen, door de
vrouw gewonnen. Want de vrouwen hadden de meerderheid van het aantal,
zij hadden een grootere eenheid en zij waren geduldiger, vasthoudender,
soberder en listiger dan de mannen. En ziedaar nu, Horatio voor uw oogen,
de maatschappij, zooals zij zich na 1960 heeft ontwikkeld.” [112]
te stellen of het waren de talrijke wezens, die zwak van ziel, zonder sexe-
persoonlijkheid of sterke sexe-persoonlijkheid, zich aansloten bij de partij,
welke hun of haar het meeste voordeel beloofde. Dan waren er nog de
courtisanen, welke juist zich het beste thuisvoelden, daar waar zij als sterke
minderheid konden vertoeven onder een sterke meerderheid van het
tegenovergestelde geslacht.
„Deze tweede wereldoorlog werd over alle linies, in alle landen, door de
vrouw gewonnen. Want de vrouwen hadden de meerderheid van het aantal,
zij hadden een grootere eenheid en zij waren geduldiger, vasthoudender,
soberder en listiger dan de mannen. En ziedaar nu, Horatio voor uw oogen,
de maatschappij, zooals zij zich na 1960 heeft ontwikkeld.” [112]
Page 99
[Inhoud]
Page 100
XIII.
„Wat mij verwondert, Eumenia, is dat ik alles hier zie gebeuren, alsof ik er
zelf bij ben en toch geen aandeel heb in al dit leven.”
„Was het u op aarde in den nachtdroom anders?”
„Neen, dat is zoo.”
„Welnu, en hebben uw dichters op aarde niet steeds vermoed, dat ook dat
aardsche leven zelf een droom was?”
„Inderdaad.”
„Maar gij voelde, dien aardschen droom reëeler, omdat gij geen anderen,
vroegeren droom bewust als norm ter vergelijking hadt. Dit hing eenigszins
samen met het klimaat. In de warmere landen waren de menschen er zich
meer van bewust, dat zij een droomleven leidden, dan in de gematigde
zônen. Vandaar dan ook dat Bhoeddha en Mahomed in die warmere landen
zooveel invloed kregen, daar hunne leeren nader tot den droom staan dan de
mildere leer van Christus, die er eene is ontstaan aan het bekken van de
Middellandsche Zee en een product is van die zee.”
„Mijn lieve Eumenia, veroorloof mij thans eene vraag. Welke godsdienst
hebben deze menschen [113]van 2000? Mij dunkt, indien zij zich aan den
Bijbel houden, zouden zij toch nooit tot deze geslachtsverschuiving welke
ik thans aanschouw, hebben kunnen komen.”
„Nu aarzel ik, Horatio u in te wijden in deze naaste toekomst van den
godsdienst. Want zoogoed als de mensch van al de nieuwe materiëele
macht, welke hem wordt gegeven, eerst lang misbruik maakt voor hij er het
goede gebruik van weet te maken, zoo maakt ook de mensch van alle
„Wat mij verwondert, Eumenia, is dat ik alles hier zie gebeuren, alsof ik er
zelf bij ben en toch geen aandeel heb in al dit leven.”
„Was het u op aarde in den nachtdroom anders?”
„Neen, dat is zoo.”
„Welnu, en hebben uw dichters op aarde niet steeds vermoed, dat ook dat
aardsche leven zelf een droom was?”
„Inderdaad.”
„Maar gij voelde, dien aardschen droom reëeler, omdat gij geen anderen,
vroegeren droom bewust als norm ter vergelijking hadt. Dit hing eenigszins
samen met het klimaat. In de warmere landen waren de menschen er zich
meer van bewust, dat zij een droomleven leidden, dan in de gematigde
zônen. Vandaar dan ook dat Bhoeddha en Mahomed in die warmere landen
zooveel invloed kregen, daar hunne leeren nader tot den droom staan dan de
mildere leer van Christus, die er eene is ontstaan aan het bekken van de
Middellandsche Zee en een product is van die zee.”
„Mijn lieve Eumenia, veroorloof mij thans eene vraag. Welke godsdienst
hebben deze menschen [113]van 2000? Mij dunkt, indien zij zich aan den
Bijbel houden, zouden zij toch nooit tot deze geslachtsverschuiving welke
ik thans aanschouw, hebben kunnen komen.”
„Nu aarzel ik, Horatio u in te wijden in deze naaste toekomst van den
godsdienst. Want zoogoed als de mensch van al de nieuwe materiëele
macht, welke hem wordt gegeven, eerst lang misbruik maakt voor hij er het
goede gebruik van weet te maken, zoo maakt ook de mensch van alle
Page 101
nieuwe geestelijke macht, welke hem door De Macht wordt geschonken,
eerst langen tijd misbruik. Gij weet zeer goed, Horatio, dat sinds de oude
tijden, elke nieuwe openbaring nopens De Openbaring, voor den mensch
aanleiding is geweest tot vervolging, fanatisme en velerlei gruweldaad. Dat
is niet alleen het geval geweest met nieuwe godsdiensten, maar ook met
nieuwe philosofische stelsels. Gij weet heel goed, welk een overwegenden
invloed Max Stirner en Friedrich Nietzsche hebben uitgeoefend op het
uitbreken van den wereldoorlog van 1914, ja zij zijn er niet de aanleiding,
wel een der hoofdoorzaken van geweest, zoogoed als van de woelingen
daarna. Maar daar ik weet, dat gij mij niet ontrouw zult worden en mijne
groote liefde voor u niet zult beantwoorden door een vlucht terug naar de
aarde, zal ik u meer onthullen. Ik doe dat alleen omdat ik u, mijn geliefde,
niets weigeren kan noch wil, en overtuigd er van ben, dat gij het toch nooit
op aarde zult willen [114]verbreiden voor de bewoners er rijp toe zijn.”
„Ik brand van weetgierigheid.”
„Dat begrijp ik—gij zijt immers te Leiden opgeleid. Welnu, het eerste, wat
de vrouwen na 1970, toen de tweede wereldoorlog, die tusschen de beide
sexen, volkomen in haar voordeel was beslist en de man afhankelijk was
gemaakt van de vrouw, op soortgelijke wijze als zoovele eeuwen de vrouw,
ondergeschikt en afhankelijk was gemaakt van den man, wrochtten, was een
herziening van den bijbel. De bijbel, het is u bekend, is door mannen
geschreven en voor zoover het het Oude Testament betreft, nog wel door
mannen levende in een maatschappij, waar „l’homme”, de man en de
mensch tegelijk beteekende. De veelwijverij, onafscheidelijk van de
slavernij, dat is de ontkenning van het bezit van een individueele ziel door
ieder individu, had den man het besef gegeven, dat hij was van hoogeren
aard dan de vrouw. Zoo werd dan het Paradijsverhaal door den man
geschreven naar zijn man-opvatting. De Schepper schiep volgens dat
verhaal den man het eerst en Adam was inzichzelf en opzichzelf volmaakt.
Eerst daarna werd de vrouw geschapen en niet gelijk de man, naar de wijze
van den Schepper uit Zijn Wil, maar hij deed Adam in een slaap vallen en
eerst langen tijd misbruik. Gij weet zeer goed, Horatio, dat sinds de oude
tijden, elke nieuwe openbaring nopens De Openbaring, voor den mensch
aanleiding is geweest tot vervolging, fanatisme en velerlei gruweldaad. Dat
is niet alleen het geval geweest met nieuwe godsdiensten, maar ook met
nieuwe philosofische stelsels. Gij weet heel goed, welk een overwegenden
invloed Max Stirner en Friedrich Nietzsche hebben uitgeoefend op het
uitbreken van den wereldoorlog van 1914, ja zij zijn er niet de aanleiding,
wel een der hoofdoorzaken van geweest, zoogoed als van de woelingen
daarna. Maar daar ik weet, dat gij mij niet ontrouw zult worden en mijne
groote liefde voor u niet zult beantwoorden door een vlucht terug naar de
aarde, zal ik u meer onthullen. Ik doe dat alleen omdat ik u, mijn geliefde,
niets weigeren kan noch wil, en overtuigd er van ben, dat gij het toch nooit
op aarde zult willen [114]verbreiden voor de bewoners er rijp toe zijn.”
„Ik brand van weetgierigheid.”
„Dat begrijp ik—gij zijt immers te Leiden opgeleid. Welnu, het eerste, wat
de vrouwen na 1970, toen de tweede wereldoorlog, die tusschen de beide
sexen, volkomen in haar voordeel was beslist en de man afhankelijk was
gemaakt van de vrouw, op soortgelijke wijze als zoovele eeuwen de vrouw,
ondergeschikt en afhankelijk was gemaakt van den man, wrochtten, was een
herziening van den bijbel. De bijbel, het is u bekend, is door mannen
geschreven en voor zoover het het Oude Testament betreft, nog wel door
mannen levende in een maatschappij, waar „l’homme”, de man en de
mensch tegelijk beteekende. De veelwijverij, onafscheidelijk van de
slavernij, dat is de ontkenning van het bezit van een individueele ziel door
ieder individu, had den man het besef gegeven, dat hij was van hoogeren
aard dan de vrouw. Zoo werd dan het Paradijsverhaal door den man
geschreven naar zijn man-opvatting. De Schepper schiep volgens dat
verhaal den man het eerst en Adam was inzichzelf en opzichzelf volmaakt.
Eerst daarna werd de vrouw geschapen en niet gelijk de man, naar de wijze
van den Schepper uit Zijn Wil, maar hij deed Adam in een slaap vallen en
Page 102
schiep toen een tweede droomleven en Adam in dat tweede leven, dien
tweeden droom ontwakend, vond de vrouw. Gij, Horatio, die nu meer
Droomen hebt doorleefd en weet dat bezinning niets anders [115]is dan van
droom tot droom verheven worden, beseft nu wel, wat de eigenlijke zin van
de paradijs-mythe is.”
„Hoe zou ik niet, ik een professor van de Leidsche Universiteit. Niets is
eenvoudiger dan het mijn collega’s aldus voor te stellen in een simpele
formule.
„Leven = a. Bezinning = b. Droom het kwadraat dier beiden. Dus:
„ maar omdat getallen geen zin hebben, daar
waar De Zin is, zullen mijn collega’s het met mij eens zijn, wanneer ik
eerbiedig zeg: .”
„Altijd weer die collega’s, Horatio. Ik wist wel, dat er een sterk esprit de
corps te Leiden heerschte, maar dat dit bij u sterker schijnt te zijn dan zelfs
de liefde, verwondert mij en zelfs bedroeft mij. Het doet mij aarzelen, te
vervolgen.…”
„Indien gij mij waarlijk liefhebt, Eumenia, lief met de liefde op zichzelf,
dan behoort er plaats te zijn voor vreeze noch jaloerschheid.”
„Uw argument geeft mij den moed om verder te gaan. Welnu, daar een man,
en een bekrompen man, de eerste primitieve lezing omtrent de ontwikkeling
der aarde uit den droom van den chaos tot den droom van het Paradijs,
neerschreef, begon hij met de vrouw een andere oer-geboorte dan den man
toe te schrijven, hoewel toch, als sleutel voor latere geslachten, in Gen. 1:27
duidelijk staat: „En God schiep den mensch naar zijn beeld, naar [116]het
beeld Gods schiep hij hem: man en vrouw schiep hij ze”.
„Vervolgens, liet die veronderstelde primitieve eerste opschrijver van de
mythe, de slang tot de vrouw gaan en niet tot den man. En de vrouw at het
tweeden droom ontwakend, vond de vrouw. Gij, Horatio, die nu meer
Droomen hebt doorleefd en weet dat bezinning niets anders [115]is dan van
droom tot droom verheven worden, beseft nu wel, wat de eigenlijke zin van
de paradijs-mythe is.”
„Hoe zou ik niet, ik een professor van de Leidsche Universiteit. Niets is
eenvoudiger dan het mijn collega’s aldus voor te stellen in een simpele
formule.
„Leven = a. Bezinning = b. Droom het kwadraat dier beiden. Dus:
„ maar omdat getallen geen zin hebben, daar
waar De Zin is, zullen mijn collega’s het met mij eens zijn, wanneer ik
eerbiedig zeg: .”
„Altijd weer die collega’s, Horatio. Ik wist wel, dat er een sterk esprit de
corps te Leiden heerschte, maar dat dit bij u sterker schijnt te zijn dan zelfs
de liefde, verwondert mij en zelfs bedroeft mij. Het doet mij aarzelen, te
vervolgen.…”
„Indien gij mij waarlijk liefhebt, Eumenia, lief met de liefde op zichzelf,
dan behoort er plaats te zijn voor vreeze noch jaloerschheid.”
„Uw argument geeft mij den moed om verder te gaan. Welnu, daar een man,
en een bekrompen man, de eerste primitieve lezing omtrent de ontwikkeling
der aarde uit den droom van den chaos tot den droom van het Paradijs,
neerschreef, begon hij met de vrouw een andere oer-geboorte dan den man
toe te schrijven, hoewel toch, als sleutel voor latere geslachten, in Gen. 1:27
duidelijk staat: „En God schiep den mensch naar zijn beeld, naar [116]het
beeld Gods schiep hij hem: man en vrouw schiep hij ze”.
„Vervolgens, liet die veronderstelde primitieve eerste opschrijver van de
mythe, de slang tot de vrouw gaan en niet tot den man. En de vrouw at het
Page 103
eerst van den boom, „die begeerlijk was om verstandig te maken”. En
weder de vrouw, „gaf ook haren man met haar”. En niet als deugd werd
deze goedgeefsheid der vrouw voorgesteld, maar als poging om hem
eveneens ongehoorzaam te maken dus als verradelijke en valsche
verleiding, als poging tot verderf. En als God de ongehoorzaamheid heeft
ontdekt, zegt Hij tot de vrouw: „Ik zal zeer vermenigvuldigen uwe smart,
namelijk uwer dracht; met smarte zult gij kinderen baren; en tot uwen man
zal uwe begeerte zijn en hij zal over u heerschappij hebben.”
„En op grond van diezelfde bekrompen primitieve opvatting, welke aan de
vrouw al het slechte toeschrijft, haar den oorsprong van de aardsche
verdoemenis noemt, wordt de arbeid voorgesteld als een vloek. Alleen in
het brein van een zinnelijken luiaard, het oertype van den oosterschen man
en van den oer-man, den wilde, in het algemeen, kon die voorstelling
opkomen en een gewijde beteekenis verkrijgen. Door den geheelen bijbel
waart die geest van de luiheid en nooit wordt God meer aanbeden, dan
wanneer Hij den luiaard tegemoet komt door manna te laten regenen,
(voedsel ontvangen zonder arbeid), [117]water uit de rots te doen
ontspringen, (drank ontvangen zonder een put gegraven te hebben of het
zorgzaam te hebben medegevoerd) en ook als Christus brood, wijn en
visschen „toovert”, d.i. zonder arbeid of moeite te voorschijn brengt, wordt
het meest in hem geloofd.
„Welnu, de vrouwen begonnen den bijbel te herschrijven. Zij meenden, dat
het God ontwijden was, te veronderstellen, dat de „moeder aller levenden”,
de erfzonde over het menschdom had gebracht. Zij waren er van overtuigd,
dat het Paradijs-verzinsel, waarin aan de vrouw zulk een minderwaardige
rol is opgedragen, door de eeuwen heen op de plaats der vrouw in de
samenleving, een rampzaligen invloed had uitgeoefend. Niet de vrouw was
van den aanvang slecht geweest, maar door den vloek, welke door het
verzinsel van den Paradijs-mythe schrijver over de vrouw was gebracht,
waren zoovelen harer door de eeuwen heen in de verachting neergedrukt,
ten laatste ontaard. Gevolg werd met oorzaak verwisseld. En al de vele
weder de vrouw, „gaf ook haren man met haar”. En niet als deugd werd
deze goedgeefsheid der vrouw voorgesteld, maar als poging om hem
eveneens ongehoorzaam te maken dus als verradelijke en valsche
verleiding, als poging tot verderf. En als God de ongehoorzaamheid heeft
ontdekt, zegt Hij tot de vrouw: „Ik zal zeer vermenigvuldigen uwe smart,
namelijk uwer dracht; met smarte zult gij kinderen baren; en tot uwen man
zal uwe begeerte zijn en hij zal over u heerschappij hebben.”
„En op grond van diezelfde bekrompen primitieve opvatting, welke aan de
vrouw al het slechte toeschrijft, haar den oorsprong van de aardsche
verdoemenis noemt, wordt de arbeid voorgesteld als een vloek. Alleen in
het brein van een zinnelijken luiaard, het oertype van den oosterschen man
en van den oer-man, den wilde, in het algemeen, kon die voorstelling
opkomen en een gewijde beteekenis verkrijgen. Door den geheelen bijbel
waart die geest van de luiheid en nooit wordt God meer aanbeden, dan
wanneer Hij den luiaard tegemoet komt door manna te laten regenen,
(voedsel ontvangen zonder arbeid), [117]water uit de rots te doen
ontspringen, (drank ontvangen zonder een put gegraven te hebben of het
zorgzaam te hebben medegevoerd) en ook als Christus brood, wijn en
visschen „toovert”, d.i. zonder arbeid of moeite te voorschijn brengt, wordt
het meest in hem geloofd.
„Welnu, de vrouwen begonnen den bijbel te herschrijven. Zij meenden, dat
het God ontwijden was, te veronderstellen, dat de „moeder aller levenden”,
de erfzonde over het menschdom had gebracht. Zij waren er van overtuigd,
dat het Paradijs-verzinsel, waarin aan de vrouw zulk een minderwaardige
rol is opgedragen, door de eeuwen heen op de plaats der vrouw in de
samenleving, een rampzaligen invloed had uitgeoefend. Niet de vrouw was
van den aanvang slecht geweest, maar door den vloek, welke door het
verzinsel van den Paradijs-mythe schrijver over de vrouw was gebracht,
waren zoovelen harer door de eeuwen heen in de verachting neergedrukt,
ten laatste ontaard. Gevolg werd met oorzaak verwisseld. En al de vele
Page 104
vrouwen, die juist het tegendeel waren geweest van de caricatuur der
vrouw, in het Oostersche fabelboek geschetst, bewezen de dwaling ten
aanzien der van den in barbaarsche tijden levenden auteur van Genesis.
„Zoodan kreeg in de eerste lezing van den Bijbel door de vrouw naar
vrouwelijke intuïtie opgesteld, de Paradijs-mythe een andere tendenz. Men
las daar, dat God, De Droom, nadat Hijzelf uit den [118]chaos het uitspansel
had gebaard, waarin ook de aarde, zich zelf beeldend in een spiegelbeeld
van Zijn Droom, De Barende schiep, dat is De Moeder. Toen zeide De
Moeder tot die Haar had geschapen: „Scheppende, hoe zal ik naar Uw
Beeld Barende zijn, indien niet De Drang daartoe in mij wordt gebracht.”
En de Scheppende deed over Eva een nieuwen Droom komen en in Dien
Droom ontwakende vond zij tegenover zich haar eersteling, waarvan De
Scheppende haar had doen bevallen, Adam, den man, die in haar geslacht
voortaan den Drang tot baren zou brengen. En De Scheppende zeide: Gij
nu, die in één droom tot twee zijt geworden, vereenigt u in verinniging
weder tot een nieuwen droom en telkens als gij aldus doet, zult gij uit uwe
tweevoudigheid, één wezen in een hoogere macht scheppen. En zoo
groeiend in wezen tot wezen, van macht tot macht, zult gij van stof tot geest
worden, van geest tot geest in kwadraat, van geest in kwadraat tot geest in
kwadraat van kwadraat. Zoo gaat gij voort. Ik wijs u den weg, maar niet het
eind. Dit eind zou hij beseffen, die van gindschen boom in het midden van
den hof eet. Maar niet van dien boom zult gij eten. Toen kwam de knecht
Gods, die afbreekt wat te zwak is om opgebouwd te blijven en in den vorm
van een slang naderde hij Adam, ten einde te zien of hij hem afbreken
moest. En hij bood Adam een vrucht van den boom midden in den hof aan.
Adam nam de vrucht aan en at er van. En hij ging [119]tot Eva en bood haar
een bete. Eva weigerde met ontzetting zeggende: „Zoude ik, de moeder
aller levenden, zondigen en zouden zoo door en in mij alle levenden van
heden tot aan de einderen, gezondigd hebben?”
„Toen hief Adam zijn vuist op en gaf Eva een slag op den mond, dat zij
bloedde en hij greep haar bij de keel en beval: „Eet of ik zal u dooden. Ik
vrouw, in het Oostersche fabelboek geschetst, bewezen de dwaling ten
aanzien der van den in barbaarsche tijden levenden auteur van Genesis.
„Zoodan kreeg in de eerste lezing van den Bijbel door de vrouw naar
vrouwelijke intuïtie opgesteld, de Paradijs-mythe een andere tendenz. Men
las daar, dat God, De Droom, nadat Hijzelf uit den [118]chaos het uitspansel
had gebaard, waarin ook de aarde, zich zelf beeldend in een spiegelbeeld
van Zijn Droom, De Barende schiep, dat is De Moeder. Toen zeide De
Moeder tot die Haar had geschapen: „Scheppende, hoe zal ik naar Uw
Beeld Barende zijn, indien niet De Drang daartoe in mij wordt gebracht.”
En de Scheppende deed over Eva een nieuwen Droom komen en in Dien
Droom ontwakende vond zij tegenover zich haar eersteling, waarvan De
Scheppende haar had doen bevallen, Adam, den man, die in haar geslacht
voortaan den Drang tot baren zou brengen. En De Scheppende zeide: Gij
nu, die in één droom tot twee zijt geworden, vereenigt u in verinniging
weder tot een nieuwen droom en telkens als gij aldus doet, zult gij uit uwe
tweevoudigheid, één wezen in een hoogere macht scheppen. En zoo
groeiend in wezen tot wezen, van macht tot macht, zult gij van stof tot geest
worden, van geest tot geest in kwadraat, van geest in kwadraat tot geest in
kwadraat van kwadraat. Zoo gaat gij voort. Ik wijs u den weg, maar niet het
eind. Dit eind zou hij beseffen, die van gindschen boom in het midden van
den hof eet. Maar niet van dien boom zult gij eten. Toen kwam de knecht
Gods, die afbreekt wat te zwak is om opgebouwd te blijven en in den vorm
van een slang naderde hij Adam, ten einde te zien of hij hem afbreken
moest. En hij bood Adam een vrucht van den boom midden in den hof aan.
Adam nam de vrucht aan en at er van. En hij ging [119]tot Eva en bood haar
een bete. Eva weigerde met ontzetting zeggende: „Zoude ik, de moeder
aller levenden, zondigen en zouden zoo door en in mij alle levenden van
heden tot aan de einderen, gezondigd hebben?”
„Toen hief Adam zijn vuist op en gaf Eva een slag op den mond, dat zij
bloedde en hij greep haar bij de keel en beval: „Eet of ik zal u dooden. Ik
Page 105
ben uw heer en zult gij mij dan niet gehoorzamen?”
„En hij dwong door zijn brute kracht haar te eten, met haar bloedenden
mond.
„Daarna ging Eva ter zijde zitten en weende. De eerste tranen werden
geschreid, de eerste wapenen der vrouw, de moeder aller levenden.
„Toen verscheen de Scheppende en zeide: „Waarom weent gij Eva?”
„En Eva antwoordde:
„„De man, dien gij mij gegeven hebt, is mij tot een macht geweest boven U.
En het eerste leven, dat hij in mij gewekt heeft, zal zijn gelijk zijn beeld,
Kaïn, de moordenaar zijns broeders.”” [120]
„En hij dwong door zijn brute kracht haar te eten, met haar bloedenden
mond.
„Daarna ging Eva ter zijde zitten en weende. De eerste tranen werden
geschreid, de eerste wapenen der vrouw, de moeder aller levenden.
„Toen verscheen de Scheppende en zeide: „Waarom weent gij Eva?”
„En Eva antwoordde:
„„De man, dien gij mij gegeven hebt, is mij tot een macht geweest boven U.
En het eerste leven, dat hij in mij gewekt heeft, zal zijn gelijk zijn beeld,
Kaïn, de moordenaar zijns broeders.”” [120]
Page 106
[Inhoud]
Page 107
XIV.
„En hoe staan zij ten opzichte van het Nieuwe Testament?”
„Mijn dierbare vriend, zij hebben zich ten aanzien van het Nieuwe
Testament geen vaste houding kunnen geven. Want zij deinsden terug, toen
zij de methoden op het Oude Testament toegepast, ook met betrekking tot
het Nieuwe Testament wilden gaan gebruiken. Zij ontwaarden, dat de Maria
cultus, dat de eerbied voor het kindeke en dat de onbevlekte ontvangenis,
niet uit het barbaarsche brein van een Oosterling konden zijn gesproten, die
alles naar de brute idée des mans voorstelde, doch uit een andere sfeer
moesten zijn gekomen. Zij beseften, dat de vervulling van de wet, die het
Nieuwe Testament beloofde, juist het sterkst zich uitte in de bevrijding en
verheffing van de vrouw, zelfs van de gevallene, die met overgroote liefde
en innige vergevensgezindheid werd tegemoet gekomen. Het Concilie der
Vrouwelijke Theologen dat in 1975 bijeen kwam om de definitieve houding
ten aanzien van het Nieuwe Testament te bepalen, slaagde er niet in tot
eenheid te komen. Er was een richting onder de vrouwelijke theologen,
welke het Christendom verweet, dat het [121]de vrouw verweekelijkte. Zij
wenschten, dat het geheele Nieuwe Testament terzijde zou geschoven
worden. Er ontstonden vele stroomingen. De Martha-ïsten, die daar het
huiswerk van Martha niet in aanzien was geweest, meenden dat het Nieuwe
Testament het slaven en slooven van de huisvrouw veroordeeld had. De
Maria-ïsten, die in de toeluisterende en deswege geprezen Maria het
symbool zagen van de erkenning van de geschiktheid der vrouw voor
geestelijk onderricht. Een andere strooming wees op Johannes 15:15,
luidende: „Ik heet u niet meer dienstknechten, want de dienstknecht weet
niet wat zijn heer doet; maar ik heb u vrienden genoemd; want al wat ik van
mijnen vader gehoord heb, dat heb ik u bekend gemaakt”. Hier meenden zij,
was het begin gemaakt van de afschaffing van het knechtschap, de slavernij
„En hoe staan zij ten opzichte van het Nieuwe Testament?”
„Mijn dierbare vriend, zij hebben zich ten aanzien van het Nieuwe
Testament geen vaste houding kunnen geven. Want zij deinsden terug, toen
zij de methoden op het Oude Testament toegepast, ook met betrekking tot
het Nieuwe Testament wilden gaan gebruiken. Zij ontwaarden, dat de Maria
cultus, dat de eerbied voor het kindeke en dat de onbevlekte ontvangenis,
niet uit het barbaarsche brein van een Oosterling konden zijn gesproten, die
alles naar de brute idée des mans voorstelde, doch uit een andere sfeer
moesten zijn gekomen. Zij beseften, dat de vervulling van de wet, die het
Nieuwe Testament beloofde, juist het sterkst zich uitte in de bevrijding en
verheffing van de vrouw, zelfs van de gevallene, die met overgroote liefde
en innige vergevensgezindheid werd tegemoet gekomen. Het Concilie der
Vrouwelijke Theologen dat in 1975 bijeen kwam om de definitieve houding
ten aanzien van het Nieuwe Testament te bepalen, slaagde er niet in tot
eenheid te komen. Er was een richting onder de vrouwelijke theologen,
welke het Christendom verweet, dat het [121]de vrouw verweekelijkte. Zij
wenschten, dat het geheele Nieuwe Testament terzijde zou geschoven
worden. Er ontstonden vele stroomingen. De Martha-ïsten, die daar het
huiswerk van Martha niet in aanzien was geweest, meenden dat het Nieuwe
Testament het slaven en slooven van de huisvrouw veroordeeld had. De
Maria-ïsten, die in de toeluisterende en deswege geprezen Maria het
symbool zagen van de erkenning van de geschiktheid der vrouw voor
geestelijk onderricht. Een andere strooming wees op Johannes 15:15,
luidende: „Ik heet u niet meer dienstknechten, want de dienstknecht weet
niet wat zijn heer doet; maar ik heb u vrienden genoemd; want al wat ik van
mijnen vader gehoord heb, dat heb ik u bekend gemaakt”. Hier meenden zij,
was het begin gemaakt van de afschaffing van het knechtschap, de slavernij
Page 108
in ’t algemeen en dus ook van de slavernij der vrouw. Weer een andere
richting, meende, dat de Christus, zooals hij in het Nieuwe Testament
geteekend is, niet kon zijn de Christus, zooals hij geweest is. Het waren de
vegetarisch levende vrouwen, die Johannes 21:11 aanhaalden en het voor
onmogelijk verklaarden, dat de Christus, Simon Petrus honderd drie en
vijftig visschen aan hun element had doen onttrekken, dooden en tot een
middagmaal bereiden en dat Johannes 21:13 den Christus voorstellende als
zich openbarende en den discipelen visch te eten gevende aan een maaltijd,
voor elkeen, die in [122]de visch een bezield wezen erkende, een hoon
inhield van den Christus, die immers van den dood opwekte, niet tot den
dood veroordeelde, die het leven bracht, niet het leven nam. De psycho-
analytici onder de vrouwelijke professoren, verklaarden dat de voorliefde
voor vischgerechten, ja, het bijna ziekelijk verlekkerd zijn op visch, zoo
kenmerkend bij de Joden, hier den schrijver van het evangelie van
Johannes, parten had gespeeld. Vischetende volken zijn sensueele volkeren,
de visch is in beweging, verschijning en wezen een corpus sensuale bij
uitnemendheid. Zoo dan lukte het aan het Concilie niet, het geslacht te
bepalen van het Nieuwe Testament, zoodat het niet, gelijk het zoo
barbaarsche mannelijke Oude Testament, naar de psyche van de vrouw kon
worden her-schreven.
„Tot een nieuw Concilie bepaalde, dat het Nieuwe Testament, het Nieuwe
Geslacht van den mensch had voorbereid en het nu, aan dit verrezen
Nieuwe Geslacht stond, een levensleer uit te denken, welke als een
volmaking van het Nieuwe Testament beschouwd kon worden. Doch
Concilie na Concilie werd te zamen geroepen, maar men slaagde er niet in.
Slechts slaagde men er in, langzaamaan den Christus naar Zijn waren Kern
te doen voortkomen uit de vele windselen, waardoor hij door zijn naïeve en
zoo ver beneden hem staande biographen, was beschreven.”
„En hoe, lieve Eumenia, stonden de mannen tegenover deze Concilia?” [123]
richting, meende, dat de Christus, zooals hij in het Nieuwe Testament
geteekend is, niet kon zijn de Christus, zooals hij geweest is. Het waren de
vegetarisch levende vrouwen, die Johannes 21:11 aanhaalden en het voor
onmogelijk verklaarden, dat de Christus, Simon Petrus honderd drie en
vijftig visschen aan hun element had doen onttrekken, dooden en tot een
middagmaal bereiden en dat Johannes 21:13 den Christus voorstellende als
zich openbarende en den discipelen visch te eten gevende aan een maaltijd,
voor elkeen, die in [122]de visch een bezield wezen erkende, een hoon
inhield van den Christus, die immers van den dood opwekte, niet tot den
dood veroordeelde, die het leven bracht, niet het leven nam. De psycho-
analytici onder de vrouwelijke professoren, verklaarden dat de voorliefde
voor vischgerechten, ja, het bijna ziekelijk verlekkerd zijn op visch, zoo
kenmerkend bij de Joden, hier den schrijver van het evangelie van
Johannes, parten had gespeeld. Vischetende volken zijn sensueele volkeren,
de visch is in beweging, verschijning en wezen een corpus sensuale bij
uitnemendheid. Zoo dan lukte het aan het Concilie niet, het geslacht te
bepalen van het Nieuwe Testament, zoodat het niet, gelijk het zoo
barbaarsche mannelijke Oude Testament, naar de psyche van de vrouw kon
worden her-schreven.
„Tot een nieuw Concilie bepaalde, dat het Nieuwe Testament, het Nieuwe
Geslacht van den mensch had voorbereid en het nu, aan dit verrezen
Nieuwe Geslacht stond, een levensleer uit te denken, welke als een
volmaking van het Nieuwe Testament beschouwd kon worden. Doch
Concilie na Concilie werd te zamen geroepen, maar men slaagde er niet in.
Slechts slaagde men er in, langzaamaan den Christus naar Zijn waren Kern
te doen voortkomen uit de vele windselen, waardoor hij door zijn naïeve en
zoo ver beneden hem staande biographen, was beschreven.”
„En hoe, lieve Eumenia, stonden de mannen tegenover deze Concilia?” [123]
Page 109
„Er geschiedde bij de mannen, die tot onderworpenheid waren gebracht,
hetzelfde als bij de vrouwen gebeurd was. Juist als bij haar, veroorzaakte bij
het meerendeel, de onderworpenheid en afhankelijkheid, een verlaging van
ziel, geest en karakter. Doch een kleine minderheid verpuurde juist door de
onderworpenheid en afhankelijkheid en zij sublimeerden hun slavernij tot
een verheven dienende liefde. Het waren deze mannen, die in tegenstelling
met de meerderheid, welke een bevrijding van hun slavernij van de vrouw
verwachtten door de een of andere gelukkige omstandigheid, waardoor zij
in een nieuwen oorlog tusschen de beide sexen de overwinning zouden
behalen, zeker vertrouwden, dat eens de groote vrede weder tusschen de
beide geslachten zou hersteld worden door een herrijzenis van de Christus
Idée, gezuiverd van de barbaarschheden van tijd en milieu Zijner verrijzenis
in Phalas-Phalus-Pallus-Palestina, dat naar zijn naam Baäl-Es-Tyn, het land
Baäls, nog te veel besmet was geweest van den geest van den Baäl om een
zuiveren teelgrond voor de Christus Idée te kunnen worden. En zij trachtten
door rein leven naar de ziel, den geest en het lichaam, dien zuiveren bodem
voor te bereiden, waarop de Harmonie der twee geslachten opnieuw zou
kunnen ontbloeien. Zekere instinctieve gevoelens, welke de vrouwen, ook
de meest vermanlijkten, nog in zich droegen, dreven haar er toe, die kleine
secte der Harmonischen, te eerbiedigen, vooral [124]omdat zij geenerlei
ruchtbare of sterke, actieve propaganda voerden. De Harmonischen
herkenden elkaar aan den blik, den sprekenden maar geluidloozen blik en
aan hun daden van liefde en zorgzaamheid voor de zwakken, de zieken en
vooral de kinderen. Nooit spraken zij elkaar over hun wezen. Want zooals
gij voor u ziet, de vrouwen hadden de economische quaestie spoedig
opgelost. Wat onder de regeering van het mannelijke geslacht armoede aan
stoffelijk bezit was genoemd, kende men niet meer na 1970 onder de
heerschappij der vrouw. Het verkeer door de lucht had het zoo gemakkelijk
gemaakt in een korte spanne tijds de producten van de vruchtbare deelen
der aarde te brengen naar de minder- en onvruchtbare deelen der aarde en
de algemeene, internationale wereldplicht van arbeid voor iederen mensch,
had het vervaardigen en opslaan van producten zoo bevorderd, dat er op
aarde geen stoffelijke armoede meer bekend was.”
hetzelfde als bij de vrouwen gebeurd was. Juist als bij haar, veroorzaakte bij
het meerendeel, de onderworpenheid en afhankelijkheid, een verlaging van
ziel, geest en karakter. Doch een kleine minderheid verpuurde juist door de
onderworpenheid en afhankelijkheid en zij sublimeerden hun slavernij tot
een verheven dienende liefde. Het waren deze mannen, die in tegenstelling
met de meerderheid, welke een bevrijding van hun slavernij van de vrouw
verwachtten door de een of andere gelukkige omstandigheid, waardoor zij
in een nieuwen oorlog tusschen de beide sexen de overwinning zouden
behalen, zeker vertrouwden, dat eens de groote vrede weder tusschen de
beide geslachten zou hersteld worden door een herrijzenis van de Christus
Idée, gezuiverd van de barbaarschheden van tijd en milieu Zijner verrijzenis
in Phalas-Phalus-Pallus-Palestina, dat naar zijn naam Baäl-Es-Tyn, het land
Baäls, nog te veel besmet was geweest van den geest van den Baäl om een
zuiveren teelgrond voor de Christus Idée te kunnen worden. En zij trachtten
door rein leven naar de ziel, den geest en het lichaam, dien zuiveren bodem
voor te bereiden, waarop de Harmonie der twee geslachten opnieuw zou
kunnen ontbloeien. Zekere instinctieve gevoelens, welke de vrouwen, ook
de meest vermanlijkten, nog in zich droegen, dreven haar er toe, die kleine
secte der Harmonischen, te eerbiedigen, vooral [124]omdat zij geenerlei
ruchtbare of sterke, actieve propaganda voerden. De Harmonischen
herkenden elkaar aan den blik, den sprekenden maar geluidloozen blik en
aan hun daden van liefde en zorgzaamheid voor de zwakken, de zieken en
vooral de kinderen. Nooit spraken zij elkaar over hun wezen. Want zooals
gij voor u ziet, de vrouwen hadden de economische quaestie spoedig
opgelost. Wat onder de regeering van het mannelijke geslacht armoede aan
stoffelijk bezit was genoemd, kende men niet meer na 1970 onder de
heerschappij der vrouw. Het verkeer door de lucht had het zoo gemakkelijk
gemaakt in een korte spanne tijds de producten van de vruchtbare deelen
der aarde te brengen naar de minder- en onvruchtbare deelen der aarde en
de algemeene, internationale wereldplicht van arbeid voor iederen mensch,
had het vervaardigen en opslaan van producten zoo bevorderd, dat er op
aarde geen stoffelijke armoede meer bekend was.”
Page 110
„En ontstond er toen, mijn lieve Eumenia, niet een algemeene tevredenheid
en universeel geluk?”
„De mensch zal en kan bij brood alleen niet leven, Horatio. Zoo min als het
geluk der menschheid ontstond, toen elkeen reeds lang voor den eersten
wereldoorlog, in de ontwikkelde centra der aarde, zooveel frisch, zuiver
water te zijner beschikking had als hij wenschte, maar integendeel
verbodsbepalingen moesten worden gemaakt om den mensch van het
drinken van alcoholische en narcotische dranken af [125]te houden, zoo
bracht ook de zekerheid voor elkeen, dat hij van zijn geboorte tot zijn dood,
overvloedig voedsel, kleeding en huisvesting zou bezitten, geen geluk.
Want het geluk van den mensch komt voort uit den geest, niet uit de stof.
En alleen door den strijd tegen de stof, kan de geest weerbaar en zich
bewust blijven. Arbeid, de tol van het geluk, was tot een minimum beperkt
en daardoor steeg de genotzucht tot een maximum.
„Daar de man nu aan de vrouw was onderworpen, zooals eens de vrouw aan
den man was onderworpen, bleef de schepping van den nieuwen mensch,
wat zij tot heden doorgaans was geweest, een immoreele actie. Had vroeger,
de man, de vrouw gedwongen, hem tot lust-object te dienen, daar de vrouw,
tot rijpheid gekomen, moest zorgen „uitgehuwelijkt” te geraken op straffe
van of te verdorren of tot oneerbaar geacht verkeer te komen, thans was het
schijnbaar omgekeerd, maar naar het wezen hetzelfde. De vrouwen kozen
zich de mannen en daar zij niet overheerscht wenschten te worden, kozen
zij doorgaans de zwakste en de meest minderwaardige individuen. De
weinige kinderen, uit dit verkeer gesproten, droegen zoo goed den stempel
hunner verwekking als vroeger, toen de mannen de vrouwen kozen, hetzij
als lust-object, hetzij ter wille van bezit, te verwachten erfenis, invloed
harer familie, kortom ter wille van al de vele onzuivere motieven, waartoe
zoovele huwelijken werden gesloten. [126]
„Zoo dan begon het menschdom uit te sterven. De wereld kwam voor een
calamiteit te staan, zooals zij te voren nooit gekend had. En het ging snel,
en universeel geluk?”
„De mensch zal en kan bij brood alleen niet leven, Horatio. Zoo min als het
geluk der menschheid ontstond, toen elkeen reeds lang voor den eersten
wereldoorlog, in de ontwikkelde centra der aarde, zooveel frisch, zuiver
water te zijner beschikking had als hij wenschte, maar integendeel
verbodsbepalingen moesten worden gemaakt om den mensch van het
drinken van alcoholische en narcotische dranken af [125]te houden, zoo
bracht ook de zekerheid voor elkeen, dat hij van zijn geboorte tot zijn dood,
overvloedig voedsel, kleeding en huisvesting zou bezitten, geen geluk.
Want het geluk van den mensch komt voort uit den geest, niet uit de stof.
En alleen door den strijd tegen de stof, kan de geest weerbaar en zich
bewust blijven. Arbeid, de tol van het geluk, was tot een minimum beperkt
en daardoor steeg de genotzucht tot een maximum.
„Daar de man nu aan de vrouw was onderworpen, zooals eens de vrouw aan
den man was onderworpen, bleef de schepping van den nieuwen mensch,
wat zij tot heden doorgaans was geweest, een immoreele actie. Had vroeger,
de man, de vrouw gedwongen, hem tot lust-object te dienen, daar de vrouw,
tot rijpheid gekomen, moest zorgen „uitgehuwelijkt” te geraken op straffe
van of te verdorren of tot oneerbaar geacht verkeer te komen, thans was het
schijnbaar omgekeerd, maar naar het wezen hetzelfde. De vrouwen kozen
zich de mannen en daar zij niet overheerscht wenschten te worden, kozen
zij doorgaans de zwakste en de meest minderwaardige individuen. De
weinige kinderen, uit dit verkeer gesproten, droegen zoo goed den stempel
hunner verwekking als vroeger, toen de mannen de vrouwen kozen, hetzij
als lust-object, hetzij ter wille van bezit, te verwachten erfenis, invloed
harer familie, kortom ter wille van al de vele onzuivere motieven, waartoe
zoovele huwelijken werden gesloten. [126]
„Zoo dan begon het menschdom uit te sterven. De wereld kwam voor een
calamiteit te staan, zooals zij te voren nooit gekend had. En het ging snel,
Page 111
zeer snel. Want daar het verkeer door de lucht de geheele wereld als het
ware tot één groote gemeente had gemaakt, alle strijd van volken en
nationaliteiten zich had opgelost in den algemeenen, universeelen strijd
tusschen de twee sexen, was over de geheele wereld het aantal
kindergeboorten snel afnemend, de sterfte onder de kinderen buitengewoon
groot en de kinderen die bleven leven, van de jeugd af gescheiden in twee
elkaar vijandige sexen, gebaard door de vrouwen maar opgevoed door de
mannen, zonder den versterkenden invloed van den weerbaar makenden
strijd tegen en om de stof, groeiden op tot een vreemd geslacht van
zwakzielige weekelingen, onderworpen lustelingen en luiaards. Zooals
vroeger het als een soort ramp werd beschouwd, als in een gezin veel
meisjes werden geboren, werden nu de jongens met weerzin begroet. En
zooals vroeger de moeder, het meisje van haar jeugd af had te beschermen
gehad tegen den jongen, en den vader, zoo moesten thans de mannen, aan
wie de opvoeding van het kinderdom was toegewezen, de jongens
beschermen tegen de vrouwen.
„De ontvolking begon het eerst in de koudere en meer gematigde
luchtstreken groote afmetingen aan te nemen. De vrouwen toonden een
algemeene neiging tot steriliteit. De mannen een algemeene neiging [127]tot
impotentie. En men verheugde zich deswege, want de opgroeiende
geslachten, telkens weekelijker en met minder zielskracht en vitaliteit,
trokken naar de streken, waar de mildere natuur nog minder arbeid van den
mensch vroeg om zich staande te houden. Maar juist die mildere natuur
verzwakte de volgende geslachten al weder meer en daar er overvloed was
van alles, versmolt de vitaliteit van het menschengeslacht.
„Het aantal jongens, dat geboren werd, stond in geenerlei verhouding meer
tot dat der meisjes. En de jongens werden steeds zwakker, kleiner,
achterlijker, minder veerkrachtig. De meisjes werden schraler, dorrer,
liefdeloozer.
ware tot één groote gemeente had gemaakt, alle strijd van volken en
nationaliteiten zich had opgelost in den algemeenen, universeelen strijd
tusschen de twee sexen, was over de geheele wereld het aantal
kindergeboorten snel afnemend, de sterfte onder de kinderen buitengewoon
groot en de kinderen die bleven leven, van de jeugd af gescheiden in twee
elkaar vijandige sexen, gebaard door de vrouwen maar opgevoed door de
mannen, zonder den versterkenden invloed van den weerbaar makenden
strijd tegen en om de stof, groeiden op tot een vreemd geslacht van
zwakzielige weekelingen, onderworpen lustelingen en luiaards. Zooals
vroeger het als een soort ramp werd beschouwd, als in een gezin veel
meisjes werden geboren, werden nu de jongens met weerzin begroet. En
zooals vroeger de moeder, het meisje van haar jeugd af had te beschermen
gehad tegen den jongen, en den vader, zoo moesten thans de mannen, aan
wie de opvoeding van het kinderdom was toegewezen, de jongens
beschermen tegen de vrouwen.
„De ontvolking begon het eerst in de koudere en meer gematigde
luchtstreken groote afmetingen aan te nemen. De vrouwen toonden een
algemeene neiging tot steriliteit. De mannen een algemeene neiging [127]tot
impotentie. En men verheugde zich deswege, want de opgroeiende
geslachten, telkens weekelijker en met minder zielskracht en vitaliteit,
trokken naar de streken, waar de mildere natuur nog minder arbeid van den
mensch vroeg om zich staande te houden. Maar juist die mildere natuur
verzwakte de volgende geslachten al weder meer en daar er overvloed was
van alles, versmolt de vitaliteit van het menschengeslacht.
„Het aantal jongens, dat geboren werd, stond in geenerlei verhouding meer
tot dat der meisjes. En de jongens werden steeds zwakker, kleiner,
achterlijker, minder veerkrachtig. De meisjes werden schraler, dorrer,
liefdeloozer.
Page 112
„Kom nu mijn vriend, en volg mij. Ik zal u de maatschappij toonen, zooals
zij omstreeks het jaar 2100 op aarde zal zijn.”
En professor Leyden volgde, als een door een halo omgeven Kern, het licht,
dat voor hem uit ging. [128]
zij omstreeks het jaar 2100 op aarde zal zijn.”
En professor Leyden volgde, als een door een halo omgeven Kern, het licht,
dat voor hem uit ging. [128]
Page 113
[Inhoud]
Page 114
XV.
„Ziethier, mijn vriend, een andere phase van de ontwikkeling der
menschheid.”
„Noemt gij dat ontwikkeling, Eumenia? Ik zou het eerder achteruitgang
willen heeten.”
„Hij die De Ontwikkeling is, kiest Zijn wegen naar Zijn Inzicht en wat
achteruitgang lijkt, kan Hem middel tot het doel zijn.”
„Een vreemd middel, Eumenia.”
„Voor uw bekrompen professoraal verstand, Horatio.”
„Inderdaad, gij hebt gelijk. Ik ben niet veel in het heelal, slechts een
Leidsch professor—hoewel van de medische faculteit.”
„Gij aanschouwt nu groote, geheel verwilderde landstreken en dat juist in
de meest gezegende klimaten.”
„Hoeveel ratten, zie ik.”
„Ja, het was de rat, die zich uitbreidde ten koste van den mensch. De rat en
de wolf. Want daar deze beide diersoorten in troepen leven en het
communeele instinct bezitten, bij deze soorten het individu zich altijd offert
ter wille van de soort, wat gij een lageren vorm van Christendom moogt
noemen, teelden zij in steeds aangroeiende hoeveelheden [129]voort en de
menschheid, uitstervend, nam zelfs de moeite niet meer om ze door de
sluipgaskogels uit te roeien. Slechts als ze te dicht bij hun nederzettingen
kwamen, werden eenige sluipgaskogels uitgestrooid en deze deden dan
„Ziethier, mijn vriend, een andere phase van de ontwikkeling der
menschheid.”
„Noemt gij dat ontwikkeling, Eumenia? Ik zou het eerder achteruitgang
willen heeten.”
„Hij die De Ontwikkeling is, kiest Zijn wegen naar Zijn Inzicht en wat
achteruitgang lijkt, kan Hem middel tot het doel zijn.”
„Een vreemd middel, Eumenia.”
„Voor uw bekrompen professoraal verstand, Horatio.”
„Inderdaad, gij hebt gelijk. Ik ben niet veel in het heelal, slechts een
Leidsch professor—hoewel van de medische faculteit.”
„Gij aanschouwt nu groote, geheel verwilderde landstreken en dat juist in
de meest gezegende klimaten.”
„Hoeveel ratten, zie ik.”
„Ja, het was de rat, die zich uitbreidde ten koste van den mensch. De rat en
de wolf. Want daar deze beide diersoorten in troepen leven en het
communeele instinct bezitten, bij deze soorten het individu zich altijd offert
ter wille van de soort, wat gij een lageren vorm van Christendom moogt
noemen, teelden zij in steeds aangroeiende hoeveelheden [129]voort en de
menschheid, uitstervend, nam zelfs de moeite niet meer om ze door de
sluipgaskogels uit te roeien. Slechts als ze te dicht bij hun nederzettingen
kwamen, werden eenige sluipgaskogels uitgestrooid en deze deden dan
Page 115
prompt hun werk. Al wat binnen een bepaalden kring leefde, dier of plant,
zaad of kiem, werd doodgeloogd, tot wezenlooze stof verpulverd.”
„Dat zijn dus die groote, kale vlakten. En wat beteekenen die ruïnes van
groote gebouwen, die ineengestorte fabrieksschoorsteenen, die massa’s
roodachtige ijzeren werktuigen?”
„Na een toenemen van allerlei soorten fabrieksproducten en kunstmatig
voedsel en vermaak, kwamen er geslachten, die ook daaraan geen waarde
meer hechtten. Toen iedereen een gramophoon, een electrische piano of
electrisch orgel, een electrische zijde spin-machine, die van een celluloid-
oplossing, coupons zijde spon in alle maten, dikten en kleuren en al de
velerlei machines voor nut en vermaak, door de intelligentie uitgevonden,
bezat, toonden de menschen zich ten laatste oververzadigd. De vale,
vernietigende verveling, zij, de zuster van luiheid en de moeder van
wulpschheid, lag als een mist over de menschheid en ten slotte was men
ook van wulpschheid oververzadigd. Toen werd de menschheid door een
algemeene, groote passiviteit gedrukt. Men hechtte geen waarde meer aan
de producten der machinale nijverheid, paste zich aan [130]aan de mildere
klimaten, liet de gematigde en koudere luchtstreken, waar men zwaar had te
arbeiden om het leven te behouden en te veraangenamen, geheel over aan
de wolven en de ratten, kleedde zich slechts met een primitief schootsvel of
met een lendendoek en men zag geen oude menschen meer. Wie veertig jaar
oud werd, had een ongewoon hoogen leeftijd bereikt. Meestal werd men
niet ouder dan dertig jaar en was dan verheugd, heen te mogen gaan en van
zijn verveling verlost te worden.
„Want zie, deze menschen welke gij daar voor u ziet leven, waren geen
primitieve wilden, maar zij waren door de intelligentie, door de
hersenontwikkeling, welke geen gelijken tred had gehouden met de
zielsontwikkeling, als loten die te snel en te ijl omhoog geschoten zijn, slap
en voos geworden. De vrouwen, die haar brein hadden ontwikkeld, ten
koste van haar ziel, haar gemoed, haar hart en haar vrouwelijke
zaad of kiem, werd doodgeloogd, tot wezenlooze stof verpulverd.”
„Dat zijn dus die groote, kale vlakten. En wat beteekenen die ruïnes van
groote gebouwen, die ineengestorte fabrieksschoorsteenen, die massa’s
roodachtige ijzeren werktuigen?”
„Na een toenemen van allerlei soorten fabrieksproducten en kunstmatig
voedsel en vermaak, kwamen er geslachten, die ook daaraan geen waarde
meer hechtten. Toen iedereen een gramophoon, een electrische piano of
electrisch orgel, een electrische zijde spin-machine, die van een celluloid-
oplossing, coupons zijde spon in alle maten, dikten en kleuren en al de
velerlei machines voor nut en vermaak, door de intelligentie uitgevonden,
bezat, toonden de menschen zich ten laatste oververzadigd. De vale,
vernietigende verveling, zij, de zuster van luiheid en de moeder van
wulpschheid, lag als een mist over de menschheid en ten slotte was men
ook van wulpschheid oververzadigd. Toen werd de menschheid door een
algemeene, groote passiviteit gedrukt. Men hechtte geen waarde meer aan
de producten der machinale nijverheid, paste zich aan [130]aan de mildere
klimaten, liet de gematigde en koudere luchtstreken, waar men zwaar had te
arbeiden om het leven te behouden en te veraangenamen, geheel over aan
de wolven en de ratten, kleedde zich slechts met een primitief schootsvel of
met een lendendoek en men zag geen oude menschen meer. Wie veertig jaar
oud werd, had een ongewoon hoogen leeftijd bereikt. Meestal werd men
niet ouder dan dertig jaar en was dan verheugd, heen te mogen gaan en van
zijn verveling verlost te worden.
„Want zie, deze menschen welke gij daar voor u ziet leven, waren geen
primitieve wilden, maar zij waren door de intelligentie, door de
hersenontwikkeling, welke geen gelijken tred had gehouden met de
zielsontwikkeling, als loten die te snel en te ijl omhoog geschoten zijn, slap
en voos geworden. De vrouwen, die haar brein hadden ontwikkeld, ten
koste van haar ziel, haar gemoed, haar hart en haar vrouwelijke
Page 116
lichaamsfuncties, waren een soort intelligentie-monsters geworden, die alles
dadelijk met haar verstand begrepen, omvatten, doorzagen, indeelden en het
vervolgens als nietswaardig ter zijde wierpen. Zij hadden haar intuïtie en
haar instincten zoo goed als verloren, tot rudimentaire en onbruikbare
hoedanigheden vervormd en de mannen, ontaard, verslapt, verzwakt en
verluierd, vonden ten laatste zelfs geen afleiding meer in het spel—zoolang
hun middel om den tijd te dooden, daar zij niets wenschenswaardigs meer
konden uitdenken [131]om als inzet voor het spel te dienen. Er was van alles
overvloed voor ieder—maar niemand stelde belang in bezit. Waartoe? Men
was weg van de aarde, voor men er zich thuis voelde. Niemand had liefde
voor zijn nageslacht. Als er een vrouw moest bevallen, was het moeielijk
om andere vrouwen te vinden om haar te helpen en bij te staan. De
monsters van intelligentie, die alles al schenen te weten voor zij het geleerd
hadden en twaalf jaren oud al de moeielijkste wiskunstige problemen
oplosten zooals zij eens, vele eeuwen vroeger, spelender wijze op de piano
musiceerend, diezelfde problemen hadden opgelost in den vorm van
klanken, óók zonder dat het haar moeite kostte—de vrouw was toen
muzikaal aangelegd zooals men nu hier, Horatio, mathematisch is
aangelegd, de monsters van intelligentie, welke de vrouwen waren
geworden, hadden een afschrik van het baren. Zij noemden het een
vernedering van het menschelijk geslacht, vonden het vies en zagen in de
placenta het symbool van de geboorte. Het was den mensch onwaardig,
gelijk de hond ter wereld te komen en als de wereld bewoond moest zijn,
waarvoor geen enkele geldige reden door het intellect was te vinden, dan
moest zij maar door ratten en wolven bewoond worden. De aard van die
dieren paste in het stelsel van „moeder” aarde. Men verachtte de aarde als
een verdoemde planeet, de armzalige plebejer onder de hemellichamen.
Men bewonderde de steriele maan, de trotsche, [132]welke zich van de lage
aarde had afgescheiden en haar voor goed den rug had toegedraaid, ironisch
dien rug als een gelaat toonend. Dat was nog eens een hooge en waardige
houding in het heelal, geen leven te gedoogen als men geen hooger leven
onderhouden kan. Men voelde medelijden met de zon, die nog in haar oer-
toestand was, in de toekomst zou afkoelen en dan aan leven het aanschijn
dadelijk met haar verstand begrepen, omvatten, doorzagen, indeelden en het
vervolgens als nietswaardig ter zijde wierpen. Zij hadden haar intuïtie en
haar instincten zoo goed als verloren, tot rudimentaire en onbruikbare
hoedanigheden vervormd en de mannen, ontaard, verslapt, verzwakt en
verluierd, vonden ten laatste zelfs geen afleiding meer in het spel—zoolang
hun middel om den tijd te dooden, daar zij niets wenschenswaardigs meer
konden uitdenken [131]om als inzet voor het spel te dienen. Er was van alles
overvloed voor ieder—maar niemand stelde belang in bezit. Waartoe? Men
was weg van de aarde, voor men er zich thuis voelde. Niemand had liefde
voor zijn nageslacht. Als er een vrouw moest bevallen, was het moeielijk
om andere vrouwen te vinden om haar te helpen en bij te staan. De
monsters van intelligentie, die alles al schenen te weten voor zij het geleerd
hadden en twaalf jaren oud al de moeielijkste wiskunstige problemen
oplosten zooals zij eens, vele eeuwen vroeger, spelender wijze op de piano
musiceerend, diezelfde problemen hadden opgelost in den vorm van
klanken, óók zonder dat het haar moeite kostte—de vrouw was toen
muzikaal aangelegd zooals men nu hier, Horatio, mathematisch is
aangelegd, de monsters van intelligentie, welke de vrouwen waren
geworden, hadden een afschrik van het baren. Zij noemden het een
vernedering van het menschelijk geslacht, vonden het vies en zagen in de
placenta het symbool van de geboorte. Het was den mensch onwaardig,
gelijk de hond ter wereld te komen en als de wereld bewoond moest zijn,
waarvoor geen enkele geldige reden door het intellect was te vinden, dan
moest zij maar door ratten en wolven bewoond worden. De aard van die
dieren paste in het stelsel van „moeder” aarde. Men verachtte de aarde als
een verdoemde planeet, de armzalige plebejer onder de hemellichamen.
Men bewonderde de steriele maan, de trotsche, [132]welke zich van de lage
aarde had afgescheiden en haar voor goed den rug had toegedraaid, ironisch
dien rug als een gelaat toonend. Dat was nog eens een hooge en waardige
houding in het heelal, geen leven te gedoogen als men geen hooger leven
onderhouden kan. Men voelde medelijden met de zon, die nog in haar oer-
toestand was, in de toekomst zou afkoelen en dan aan leven het aanschijn
Page 117
geven, dat juist als op aarde, een ontzaggelijk lijden zonder einddoel zou
zijn. En de vrouwelijke intelligentiewezens hadden een groot treurspel in
verzen, dat de kinderen reeds op school leerden en het fundament voor hun
levenshouding vormde. Het heette „De optocht der werelden”. Juist had er
een opvoering van plaats. Er werd in geschilderd, hoe de verschillende
werelden aan het eind van het bestaan van het heelal en van de Godheid van
dat heelal, optrekken naar een hoogere orde en een hoogere Godheid. Van
alle planeten werd de geschiedenis bezongen. Ten laatste kwam eerst de
blanke, bevrozen maan. Zij zeide, hoe zij, walgend van het stelsel der aarde
planeet, waar geen leven mogelijk was geweest zonder het offeren van
ander leven, zich op een dag in oppersten afkeer en smart, ontrukt had aan
de aarde en opgestegen was zoo hoog, dat zij ver buiten het bereik van de
aarde en haar sfeer was geraakt, zoodat zij ook ver buiten de dampkring
bleef en de warme, stinkende uitwasemingen. Niets van de aarde zou haar
voortaan kunnen beroeren en wat zou [133]trachten tot haar op te stijgen, zou
in de ijle ruimte doelloos blijven zweven. Zoo dan had zij voortaan kuisch
geleefd en zij kon nu ingaan tot hoogeren bestaansvorm zonder een
verleden, als dat van de aarde.
„De aarde had de twee wonden, haar geslagen door het uittreden der maan,
met water aangevuld en twee wereld-oceanen ontstonden op de plaatsen,
waar eens de maan had gerust. Naar heur oude wreede aarde-wet, waren die
twee oceanen weder vervuld van leven en geen gruwelijker smart was
denkbaar dan die van de op en van elkaar levende wezens in de oceanen,
elkaar levend opetend en altijd de sterke en gruwelijke, de zwakke en
zachtere, vredelievende belagend en levend verslindend.
„Onder alle planeten, die tot hoogere levenssfeer wenschten in te gaan, was
er geen met een zoo afgrijselijk verleden als de aarde. Zij kwam en in een
lange stoet volgde haar heur levensverschijnselen, eerst de oerstof, dan de
langzame ontwikkeling uit den chaos.… de voorhistorische monsters, de
historische dieren en dan eindelijk de mensch.…
zijn. En de vrouwelijke intelligentiewezens hadden een groot treurspel in
verzen, dat de kinderen reeds op school leerden en het fundament voor hun
levenshouding vormde. Het heette „De optocht der werelden”. Juist had er
een opvoering van plaats. Er werd in geschilderd, hoe de verschillende
werelden aan het eind van het bestaan van het heelal en van de Godheid van
dat heelal, optrekken naar een hoogere orde en een hoogere Godheid. Van
alle planeten werd de geschiedenis bezongen. Ten laatste kwam eerst de
blanke, bevrozen maan. Zij zeide, hoe zij, walgend van het stelsel der aarde
planeet, waar geen leven mogelijk was geweest zonder het offeren van
ander leven, zich op een dag in oppersten afkeer en smart, ontrukt had aan
de aarde en opgestegen was zoo hoog, dat zij ver buiten het bereik van de
aarde en haar sfeer was geraakt, zoodat zij ook ver buiten de dampkring
bleef en de warme, stinkende uitwasemingen. Niets van de aarde zou haar
voortaan kunnen beroeren en wat zou [133]trachten tot haar op te stijgen, zou
in de ijle ruimte doelloos blijven zweven. Zoo dan had zij voortaan kuisch
geleefd en zij kon nu ingaan tot hoogeren bestaansvorm zonder een
verleden, als dat van de aarde.
„De aarde had de twee wonden, haar geslagen door het uittreden der maan,
met water aangevuld en twee wereld-oceanen ontstonden op de plaatsen,
waar eens de maan had gerust. Naar heur oude wreede aarde-wet, waren die
twee oceanen weder vervuld van leven en geen gruwelijker smart was
denkbaar dan die van de op en van elkaar levende wezens in de oceanen,
elkaar levend opetend en altijd de sterke en gruwelijke, de zwakke en
zachtere, vredelievende belagend en levend verslindend.
„Onder alle planeten, die tot hoogere levenssfeer wenschten in te gaan, was
er geen met een zoo afgrijselijk verleden als de aarde. Zij kwam en in een
lange stoet volgde haar heur levensverschijnselen, eerst de oerstof, dan de
langzame ontwikkeling uit den chaos.… de voorhistorische monsters, de
historische dieren en dan eindelijk de mensch.…
Page 118
„En midden in dien stoet was een groote afscheiding. Vooraan het tweede of
christelijke deel, schreed Jezus van Nazareth, met de doornenkroon om het
hoofd, gebukt onder het kruis, met doorstoken handen, doorstoken voeten,
gegeeselden rug en de lanssteek in de hartstreek.…
„Dat was de God-Koning der aarde.… en achter hem kwam de menschheid,
die Hij had willen redden [134]en de boodschap der liefde had gebracht.…
liefde op de verdoemde, onbewoonbare planeet Terra, waar de
onontkoombare wet was, dat leven zich onderhouden moest door het
verdelgen van ander leven.…
„Rondom den God-Koning schreden visschers met hun net, zijn discipelen
en aan de poort tot de hoogere levenssfeer stond Piscia, de Godin der
visschenwereld en zij weende.… weende over al haar levend gekorven,
gestroopte, gekookte kinderen der zeeën, stroomen en rivieren.…
„Van al de planeten, van al de werelden in de ruimte was er geene zoo
ellendig als Terra en haar menschenwereld, aan wie de liefde geopenbaard
was als hoogste wet des heelals, maar die deswege des te dieper haar val en
verdoemenis besefte, daar de menschen op de wreede aarde, de gruwelijke
planeet, alleen konden leven door te dooden en te misbruiken, ’t zij den
evenmensch, ’t zij het dier, hetzij de plant, hetzij wat lang waanwijs de
onbezielde natuur was genoemd, maar even bezield was als al het andere,
alleenlijk op andere wijze.”
„Arme Rex regum!” kreet prof. Leyden.
„Hoort gij niet, wat Piscia roept?” vroeg Eumenia smartelijk.
Prof. Leyden luisterde.
„Mijn arme kinderen der zeeën en stroomen. Die een visscher der visschen
was, kòn geen Visscher der menschen zijn!” [135]
christelijke deel, schreed Jezus van Nazareth, met de doornenkroon om het
hoofd, gebukt onder het kruis, met doorstoken handen, doorstoken voeten,
gegeeselden rug en de lanssteek in de hartstreek.…
„Dat was de God-Koning der aarde.… en achter hem kwam de menschheid,
die Hij had willen redden [134]en de boodschap der liefde had gebracht.…
liefde op de verdoemde, onbewoonbare planeet Terra, waar de
onontkoombare wet was, dat leven zich onderhouden moest door het
verdelgen van ander leven.…
„Rondom den God-Koning schreden visschers met hun net, zijn discipelen
en aan de poort tot de hoogere levenssfeer stond Piscia, de Godin der
visschenwereld en zij weende.… weende over al haar levend gekorven,
gestroopte, gekookte kinderen der zeeën, stroomen en rivieren.…
„Van al de planeten, van al de werelden in de ruimte was er geene zoo
ellendig als Terra en haar menschenwereld, aan wie de liefde geopenbaard
was als hoogste wet des heelals, maar die deswege des te dieper haar val en
verdoemenis besefte, daar de menschen op de wreede aarde, de gruwelijke
planeet, alleen konden leven door te dooden en te misbruiken, ’t zij den
evenmensch, ’t zij het dier, hetzij de plant, hetzij wat lang waanwijs de
onbezielde natuur was genoemd, maar even bezield was als al het andere,
alleenlijk op andere wijze.”
„Arme Rex regum!” kreet prof. Leyden.
„Hoort gij niet, wat Piscia roept?” vroeg Eumenia smartelijk.
Prof. Leyden luisterde.
„Mijn arme kinderen der zeeën en stroomen. Die een visscher der visschen
was, kòn geen Visscher der menschen zijn!” [135]
Page 119
En dieper boog de Rex Regum der wereld onder Zijn kruis.
„Zeg mij Eumenia,” vroeg prof. Leyden zich herstellend, „is Hij niet zelve
gelijk zoo’n visch, die levend gestroopt en gekorven werd. Is de visch niet
zijn symbool?”
„Luister Horatio, naar den verderen inhoud van het dichtwerk.”
Prof. Leyden luisterde. Thans kwamen de dieren der aarde met hunne
klachten. Daar waren de generaties der stieren, tot ossen verminkt. Daar
waren de generaties der koeien, van haar kalf beroofd en misbruikt door den
mensch als melk- en vleeschfabrieken. Daar was het paardengeslacht, door
de eeuwen heen gespoord, gezweept, gestriemd en doodgejaagd. Daar was
het hondengeslacht, aan kettingen gelegd dag en nacht, omdat het trouw en
waaksch was, omdat het deugdzaam was, onder wagens gespannen en
misbruikt om te trekken boven zijn macht. Daar waren de vogels,
opgesloten in kooien of uitgemoord om dier pluimage te leveren. Daar was
de ever, opgekweekt om doodgejaagd te worden. Daar waren de herten en
reeën, buit van wreede jagers. Maar daar waren ook de aardwormen, die de
aarde etend en ze weer uitscheidend, aldus den grond vruchtbaar makend,
beloond werden door de ploeg, die in ’t voorjaar zijn scherp kouter door de
aarde rijtend, hen levend in stukken sneed. En de stukken zouden onder
krimpende smart weer tot [136]nieuwe wormen aangroeien, die weder in
stukken zouden worden gesneden.… dat was het loon van de verdoemde,
gierige planeet voor de nederige aardworm, die zijn hapje aarde aldus moest
betalen.…
Toen het dichtwerk ten einde was, aan het slot waarvan de natuurkrachten,
stoom en electriciteit, vroegen waarom zij zoo in alle vormen waren
misbruikt en mishandeld, zeide prof. Leyden:
„Liefste Eumenia, is de onbezielde natuur dus ook bezield geweest?”
„Zeg mij Eumenia,” vroeg prof. Leyden zich herstellend, „is Hij niet zelve
gelijk zoo’n visch, die levend gestroopt en gekorven werd. Is de visch niet
zijn symbool?”
„Luister Horatio, naar den verderen inhoud van het dichtwerk.”
Prof. Leyden luisterde. Thans kwamen de dieren der aarde met hunne
klachten. Daar waren de generaties der stieren, tot ossen verminkt. Daar
waren de generaties der koeien, van haar kalf beroofd en misbruikt door den
mensch als melk- en vleeschfabrieken. Daar was het paardengeslacht, door
de eeuwen heen gespoord, gezweept, gestriemd en doodgejaagd. Daar was
het hondengeslacht, aan kettingen gelegd dag en nacht, omdat het trouw en
waaksch was, omdat het deugdzaam was, onder wagens gespannen en
misbruikt om te trekken boven zijn macht. Daar waren de vogels,
opgesloten in kooien of uitgemoord om dier pluimage te leveren. Daar was
de ever, opgekweekt om doodgejaagd te worden. Daar waren de herten en
reeën, buit van wreede jagers. Maar daar waren ook de aardwormen, die de
aarde etend en ze weer uitscheidend, aldus den grond vruchtbaar makend,
beloond werden door de ploeg, die in ’t voorjaar zijn scherp kouter door de
aarde rijtend, hen levend in stukken sneed. En de stukken zouden onder
krimpende smart weer tot [136]nieuwe wormen aangroeien, die weder in
stukken zouden worden gesneden.… dat was het loon van de verdoemde,
gierige planeet voor de nederige aardworm, die zijn hapje aarde aldus moest
betalen.…
Toen het dichtwerk ten einde was, aan het slot waarvan de natuurkrachten,
stoom en electriciteit, vroegen waarom zij zoo in alle vormen waren
misbruikt en mishandeld, zeide prof. Leyden:
„Liefste Eumenia, is de onbezielde natuur dus ook bezield geweest?”
Page 120
„Zij is bezield, zooals gij of ik.”
„Kent zij dus lust en onlust, smart en vreugd?”
„Meent gij, dat het water boven het vuur geplaatst, zonder reden bruischt en
borrelt en ten laatste in damp vervluchtigt? Meent gij, dat het vuur zonder
reden walmt en stinkt, als het door water wordt gedoofd? Alles ter wereld
zoekt weder aan zichzelve gelijk te worden en zoo tot rust te komen, te
ontkomen aan het leven op Terra, dat is een smartelijke gewaarwording en
daarom als Rex regum, den Mensch van Smarten, moest toonen. Maar de
menschen kenden die wet der aarde, de zucht zichzelf te worden, niet. Als
zij een ijzeren bal ter aarde zagen vallen, schreven zij dat aan magische
werkingen toe.…”
„Magische werkingen? Dit zegt gij tot een professor der Leidsche
Universiteit, die zijn gravitatie [137]formule gelukkig nog niet vergeten
heeft.… .”
„Zoo is het niet, mijn vriend. Newton vergiste zich. De ijzeren kogel viel ter
aarde, omdat hij product van smeltend ijzer, smart in vuur, zich van die
smart wilde bevrijden om tot zijn eigen, oer-elementen terug te geraken,
niet anders dan waarom de visch spartelt in het net. Indien de kogel kon,
zou hij door de aarde dringen. Zoo gij hem boven den krater van den Etna
zoudt gehouden hebben, zou hij zich in den krater hebben gestort, dwars
door de vloeiende gloeiende lava en zwavel heen, tot hij de sferen gevonden
had, waar het ijzer zich kan ontleden in zijn vluchtige oer-elementen en zoo
rust vinden.
„Nu, op aarde vallend, op de altijd harde, wreede Terra moeder, zou de
kogel in langzame, langzame pijnen, stom, zonder zelfs de verlichting om
zich door een kreet te kunnen uiten, roesten, dat is zich pijnlijk laagje na
laagje in de zuurstof verbranden om in eindelooze, opperste smart zich weer
te vereenigen met zijn oer-elementen.”
„Kent zij dus lust en onlust, smart en vreugd?”
„Meent gij, dat het water boven het vuur geplaatst, zonder reden bruischt en
borrelt en ten laatste in damp vervluchtigt? Meent gij, dat het vuur zonder
reden walmt en stinkt, als het door water wordt gedoofd? Alles ter wereld
zoekt weder aan zichzelve gelijk te worden en zoo tot rust te komen, te
ontkomen aan het leven op Terra, dat is een smartelijke gewaarwording en
daarom als Rex regum, den Mensch van Smarten, moest toonen. Maar de
menschen kenden die wet der aarde, de zucht zichzelf te worden, niet. Als
zij een ijzeren bal ter aarde zagen vallen, schreven zij dat aan magische
werkingen toe.…”
„Magische werkingen? Dit zegt gij tot een professor der Leidsche
Universiteit, die zijn gravitatie [137]formule gelukkig nog niet vergeten
heeft.… .”
„Zoo is het niet, mijn vriend. Newton vergiste zich. De ijzeren kogel viel ter
aarde, omdat hij product van smeltend ijzer, smart in vuur, zich van die
smart wilde bevrijden om tot zijn eigen, oer-elementen terug te geraken,
niet anders dan waarom de visch spartelt in het net. Indien de kogel kon,
zou hij door de aarde dringen. Zoo gij hem boven den krater van den Etna
zoudt gehouden hebben, zou hij zich in den krater hebben gestort, dwars
door de vloeiende gloeiende lava en zwavel heen, tot hij de sferen gevonden
had, waar het ijzer zich kan ontleden in zijn vluchtige oer-elementen en zoo
rust vinden.
„Nu, op aarde vallend, op de altijd harde, wreede Terra moeder, zou de
kogel in langzame, langzame pijnen, stom, zonder zelfs de verlichting om
zich door een kreet te kunnen uiten, roesten, dat is zich pijnlijk laagje na
laagje in de zuurstof verbranden om in eindelooze, opperste smart zich weer
te vereenigen met zijn oer-elementen.”
Page 121
„Dus ook daar smart, Eumenia. Is dan alles smart op de wereld? Is de
onbezielde natuur lijdende zooals de bezielde?”
„Beider ziel ter wereld is smart. Meent gij Horatio, dat anders Rex regum,
de Man der s m a r t e n zou geweest zijn?”
„En waarom is dan ter wereld alles smart?” [138]
„Veel weet ik daaromtrent niet. Want ook ik Horatio, ben nog slechts in
ontwikkeling. Maar ik vermoed, dat het een weg tot de vreugde is en dat
smart tot een dimensie behoort, welke bij het overgaan in een andere
dimensie, in vreugde verandert. Maar het is slechts een vermoeden. Kom,
volg mij. Laat ik u voorgaan naar het tijdperk van een eeuw later, waar de
menschheid zich ontworstelt aan de overmacht van de intelligentie en van
de sexualiteit.” [139]
onbezielde natuur lijdende zooals de bezielde?”
„Beider ziel ter wereld is smart. Meent gij Horatio, dat anders Rex regum,
de Man der s m a r t e n zou geweest zijn?”
„En waarom is dan ter wereld alles smart?” [138]
„Veel weet ik daaromtrent niet. Want ook ik Horatio, ben nog slechts in
ontwikkeling. Maar ik vermoed, dat het een weg tot de vreugde is en dat
smart tot een dimensie behoort, welke bij het overgaan in een andere
dimensie, in vreugde verandert. Maar het is slechts een vermoeden. Kom,
volg mij. Laat ik u voorgaan naar het tijdperk van een eeuw later, waar de
menschheid zich ontworstelt aan de overmacht van de intelligentie en van
de sexualiteit.” [139]
Page 122
[Inhoud]
Page 123
XVI.
Ontwakend uit een nieuwe bewusteloosheid, ontwaarde prof. Leyden,
Eumenia dadelijk naast zich en hij voelde zich in een kleursfeer, welke hij
vaag als helder groen met diepe, Berlijnsch blauwe, schaduwen aanvoelde.
En voor hem spande zich het verschiet van een ver, vlak land, met veel
boomgaarden, vriendelijke huizen en windmolens.
„Is dat niet Zuid-Holland?” vroeg twijfelend de professor aan Eumenia,
want hij trachtte te vergeefs de torens van steden te ontdekken en zijn
beminde sleutelstad, burcht en veste van wetenschap en wijsheid te
begroeten, zooals zij zich in de toekomst zou ontwikkelen.
„Dat is Zuid-Holland, mijn vriend.”
„En waar is mijn Lugdunum?”
„Verlangt gij daar nog altijd zoo naar?”
„Mijn collega’s zullen.…”
„Altijd die collega’s. Ben ik u dan niet méér dan een hunner. Hebben zij u
ooit getoond, wat ik u toonde?”
„Zoo gij, Eumenia mij waarlijk nog meer wilt zijn dan levensvriendin,
geleidster en geliefde, zoo [140]gij mij als een collega wilt zijn, dan o zeg
mij collegialiter, ben ik hier zeer nabij de stad, waar alléén mijn hart wil
kloppen?”
„Geliefde, het bedroeft mij het u te zeggen. Maar deze uitgestrektheid voor
u is de stad Leiden.…”
Ontwakend uit een nieuwe bewusteloosheid, ontwaarde prof. Leyden,
Eumenia dadelijk naast zich en hij voelde zich in een kleursfeer, welke hij
vaag als helder groen met diepe, Berlijnsch blauwe, schaduwen aanvoelde.
En voor hem spande zich het verschiet van een ver, vlak land, met veel
boomgaarden, vriendelijke huizen en windmolens.
„Is dat niet Zuid-Holland?” vroeg twijfelend de professor aan Eumenia,
want hij trachtte te vergeefs de torens van steden te ontdekken en zijn
beminde sleutelstad, burcht en veste van wetenschap en wijsheid te
begroeten, zooals zij zich in de toekomst zou ontwikkelen.
„Dat is Zuid-Holland, mijn vriend.”
„En waar is mijn Lugdunum?”
„Verlangt gij daar nog altijd zoo naar?”
„Mijn collega’s zullen.…”
„Altijd die collega’s. Ben ik u dan niet méér dan een hunner. Hebben zij u
ooit getoond, wat ik u toonde?”
„Zoo gij, Eumenia mij waarlijk nog meer wilt zijn dan levensvriendin,
geleidster en geliefde, zoo [140]gij mij als een collega wilt zijn, dan o zeg
mij collegialiter, ben ik hier zeer nabij de stad, waar alléén mijn hart wil
kloppen?”
„Geliefde, het bedroeft mij het u te zeggen. Maar deze uitgestrektheid voor
u is de stad Leiden.…”
Page 124
„Wat meent gij?”
„Het is te Leiden, daar waar de Zuivere Rede eens hoogtij vierde, zich te
buiten ging in de orgiën en bacchanalen der Dionysische syllogismen,
sophistiek en soloecismen, dat men het eerst de regeneratie van het
menschdom begon ter hand te nemen.”
„Ik wist het, dat mijn stad haar traditie getrouw zou blijven en er geen
wijsheid of wetenschap ter wereld kon gedijen, welke niet te voren binnen
hare wallen had groen geloopen! Maar waarom zie ik geen steden, geen
kerktorens, geen menschencentra.… Waarom niets dan liefelijke landhuizen
en ontelbare bloeiende boomgaarden, moestuinen en molens?”
„Ziet gij niet meer.… ginds.…”
„Wel.… dat is het Westland.… maar zonder de kassen. En hoeveel
menschen zijn daar werkzaam. Eumenia.… welk een schoon geslacht. De
vrouwen liefelijk in hare landsdracht met de kanten mutsen.… de mannen
stoer en breed in hun blauwe boezeroenen.… Zijn zij dan allen boom- en
groentekweekers geworden?”
„Allen.… mannen en vrouwen. En zij zijn nog [141]iets hoogers dan dat—zij
zijn ook allen vruchten- en groenteneters.…”
„Inderdaad.… ik zie geen vee.… Zijn de lakenvelders uitgestorven?”
„Luister toe, mijn geliefde. Toen dan de menschheid wegtrok van de streken
der aarde waar gearbeid moest worden en soms wel gezwoegd om aan de
toenemende, dagelijksche begeerten en behoeften te voldoen, bleven in
Zuid-Holland eenige weinige mannen en vrouwen achter. Het waren zij, die
in de stad Leiden sedert eeuwen geboren en getogen, van geslacht tot
geslacht zittende aan de schoot der Alma Mater.…”
Eumenia kon niet dadelijk voortgaan. Twee etherische armen omhelsden
haar hals en twee etherische lippen drukten haar etherische lippen met al het
„Het is te Leiden, daar waar de Zuivere Rede eens hoogtij vierde, zich te
buiten ging in de orgiën en bacchanalen der Dionysische syllogismen,
sophistiek en soloecismen, dat men het eerst de regeneratie van het
menschdom begon ter hand te nemen.”
„Ik wist het, dat mijn stad haar traditie getrouw zou blijven en er geen
wijsheid of wetenschap ter wereld kon gedijen, welke niet te voren binnen
hare wallen had groen geloopen! Maar waarom zie ik geen steden, geen
kerktorens, geen menschencentra.… Waarom niets dan liefelijke landhuizen
en ontelbare bloeiende boomgaarden, moestuinen en molens?”
„Ziet gij niet meer.… ginds.…”
„Wel.… dat is het Westland.… maar zonder de kassen. En hoeveel
menschen zijn daar werkzaam. Eumenia.… welk een schoon geslacht. De
vrouwen liefelijk in hare landsdracht met de kanten mutsen.… de mannen
stoer en breed in hun blauwe boezeroenen.… Zijn zij dan allen boom- en
groentekweekers geworden?”
„Allen.… mannen en vrouwen. En zij zijn nog [141]iets hoogers dan dat—zij
zijn ook allen vruchten- en groenteneters.…”
„Inderdaad.… ik zie geen vee.… Zijn de lakenvelders uitgestorven?”
„Luister toe, mijn geliefde. Toen dan de menschheid wegtrok van de streken
der aarde waar gearbeid moest worden en soms wel gezwoegd om aan de
toenemende, dagelijksche begeerten en behoeften te voldoen, bleven in
Zuid-Holland eenige weinige mannen en vrouwen achter. Het waren zij, die
in de stad Leiden sedert eeuwen geboren en getogen, van geslacht tot
geslacht zittende aan de schoot der Alma Mater.…”
Eumenia kon niet dadelijk voortgaan. Twee etherische armen omhelsden
haar hals en twee etherische lippen drukten haar etherische lippen met al het
Page 125
eerste odd eener vurige, fluïdische liefde. Eumenia glimlachte van geluk bij
deze eerste overwinning op hem, wiens partij flauto secundo zij eens
tevergeefs bewonderd had.
„Bemint gij mij zoo, Horatio?”
„Beminnen? Dat is een veel te zwakke term. Ik heb u lief.… intersferidaal,
pyramidaal, daar, zelfs collegiaal.…”
„Is het mogelijk!.…”
„Ik heb in u mijn Lugdunum lief.…”
„Crassa Minerva?”
„Hoe meent gij, Eumenia?” antwoordde professor Leyden opeens bekoeld.
[142]
„Wel, gij ziet hier uw Lugdunum nu het weer inderdaad Lugdunum
Batavorum is geworden.…”
„Dus zijn die menschen ginds teruggezonken tot barbaren?”
„Neen mijn vriend, zij zijn van barbaarschheid tot geleerdheid, tot
barbaarsche geleerdheid gestegen en daarna van barbaarsche geleerdheid tot
ware wijsheid.”
„Ga voort, geliefde.”
„Terwijl dan de geheele menschheid wegtrok in luchtschip en vliegmachine,
bestuurd door de u zoo bekende electrische golvingen van Hertz, naar de
mildere streken, naar al de Bahama sferen der aarde, waren er te Leiden
eenige jongere en oudere mannen en vrouwen, welke hadden leeren inzien,
dat de wetenschap al niet anders dan vele dingen der wereld, een slechte
meesteres is maar een goede dienares kan zijn. Zij hadden inderdaad
deze eerste overwinning op hem, wiens partij flauto secundo zij eens
tevergeefs bewonderd had.
„Bemint gij mij zoo, Horatio?”
„Beminnen? Dat is een veel te zwakke term. Ik heb u lief.… intersferidaal,
pyramidaal, daar, zelfs collegiaal.…”
„Is het mogelijk!.…”
„Ik heb in u mijn Lugdunum lief.…”
„Crassa Minerva?”
„Hoe meent gij, Eumenia?” antwoordde professor Leyden opeens bekoeld.
[142]
„Wel, gij ziet hier uw Lugdunum nu het weer inderdaad Lugdunum
Batavorum is geworden.…”
„Dus zijn die menschen ginds teruggezonken tot barbaren?”
„Neen mijn vriend, zij zijn van barbaarschheid tot geleerdheid, tot
barbaarsche geleerdheid gestegen en daarna van barbaarsche geleerdheid tot
ware wijsheid.”
„Ga voort, geliefde.”
„Terwijl dan de geheele menschheid wegtrok in luchtschip en vliegmachine,
bestuurd door de u zoo bekende electrische golvingen van Hertz, naar de
mildere streken, naar al de Bahama sferen der aarde, waren er te Leiden
eenige jongere en oudere mannen en vrouwen, welke hadden leeren inzien,
dat de wetenschap al niet anders dan vele dingen der wereld, een slechte
meesteres is maar een goede dienares kan zijn. Zij hadden inderdaad
Page 126
geleerd en gestudeerd te Leiden.… van hoevelen kan men dat naar
waarheid getuigen, o Horatio?.… en kwamen nu tot het besef, dat slechts
aan diegenen wetenschap niet gespild is, die haar, vrucht van het brein,
weten te breidelen en in liefde dienende te maken aan de ziel, de ziel ’s
menschen verbinding met Wie De Ziel Is. Nu dan, anders dan bij de andere
menschen, waar de vrouwen zich op de wetenschap hadden geworpen, de
mannen de wetenschap toen hadden verwijfd; anders dan de menschen die
na de groote godsdienstoorlogen en de groote [143]economische oorlogen,
de groote sexenoorlogen aanvingen, bleven zij achter. Zij waren de
Harmonischen waarover ik u reeds sprak en vormden dien zwijgenden bond
van mannen en vrouwen, die elkaar verstonden door den blik alléén. Zij
hadden ingezien, dat wetenschap nog geen wijsheid is en weten, geen
geluk. En de berichten, die tot hen kwamen van degenen, die uitgetrokken
waren naar de mildere streken, versterkten hen in hun overtuigingen,
brachten hen tot het bewuste besef, dat het aan hen zou staan, den mensch
op aarde te regenereeren.…”
„Mijn dierbaar, dierbaar Lugdunum. Ik heb het altijd vóórgevoeld.”
„De vrouwen der Harmonischen keerden zich af van de studie. Zij leerden
de wijsheid van Bolland.…”
„Collega Bolland! Collega Bolland! Hoor ik dan eindelijk in deze dimensie
den naam van één licht der Sleutelstad! Citeer, citeer geliefde.… in hoe
langen tijd hoorde ik geen citaat.”
„Zij leerden de wijsheid van Bolland, die geleerd had, dat de studeerende
vrouw, hare vrouwelijke schoonheid, de hoogere en de lichamelijke
schoonheid, verliest, erkennen en zij begonnen de gymnasia en de college-
banken te verlaten. Want zij kwamen tot het besef, dat zij alle mannelijke
wetenschap en betoog moesten omzetten in vrouwelijken vorm om ze te
beheerschen en aldus de wetenschap onaardden en vervalschten. Bij deze
vrouwelijk [144]voelende vrouwen ontwikkelde zich nu de vrouwelijke
functies, de geestelijke en de lichamelijke weder zuiver. Zij kregen sterke
waarheid getuigen, o Horatio?.… en kwamen nu tot het besef, dat slechts
aan diegenen wetenschap niet gespild is, die haar, vrucht van het brein,
weten te breidelen en in liefde dienende te maken aan de ziel, de ziel ’s
menschen verbinding met Wie De Ziel Is. Nu dan, anders dan bij de andere
menschen, waar de vrouwen zich op de wetenschap hadden geworpen, de
mannen de wetenschap toen hadden verwijfd; anders dan de menschen die
na de groote godsdienstoorlogen en de groote [143]economische oorlogen,
de groote sexenoorlogen aanvingen, bleven zij achter. Zij waren de
Harmonischen waarover ik u reeds sprak en vormden dien zwijgenden bond
van mannen en vrouwen, die elkaar verstonden door den blik alléén. Zij
hadden ingezien, dat wetenschap nog geen wijsheid is en weten, geen
geluk. En de berichten, die tot hen kwamen van degenen, die uitgetrokken
waren naar de mildere streken, versterkten hen in hun overtuigingen,
brachten hen tot het bewuste besef, dat het aan hen zou staan, den mensch
op aarde te regenereeren.…”
„Mijn dierbaar, dierbaar Lugdunum. Ik heb het altijd vóórgevoeld.”
„De vrouwen der Harmonischen keerden zich af van de studie. Zij leerden
de wijsheid van Bolland.…”
„Collega Bolland! Collega Bolland! Hoor ik dan eindelijk in deze dimensie
den naam van één licht der Sleutelstad! Citeer, citeer geliefde.… in hoe
langen tijd hoorde ik geen citaat.”
„Zij leerden de wijsheid van Bolland, die geleerd had, dat de studeerende
vrouw, hare vrouwelijke schoonheid, de hoogere en de lichamelijke
schoonheid, verliest, erkennen en zij begonnen de gymnasia en de college-
banken te verlaten. Want zij kwamen tot het besef, dat zij alle mannelijke
wetenschap en betoog moesten omzetten in vrouwelijken vorm om ze te
beheerschen en aldus de wetenschap onaardden en vervalschten. Bij deze
vrouwelijk [144]voelende vrouwen ontwikkelde zich nu de vrouwelijke
functies, de geestelijke en de lichamelijke weder zuiver. Zij kregen sterke
Page 127
intuïtieve gevoelens, ontwikkelden het zoo vrouwelijke
aanvoelingsvermogen en werden lichamelijk van een groote, lieftallige
schoonheid. De harmonische mannen, deze vrouwen huwend, begonnen in
het huwelijk te ervaren, dat er dingen tusschen hemel en aarde zijn, o
Horatio, waarvan in hun schoolwijsheid, niet gedroomd was. En zoo
ontworstelden zij zich aan de pedanterie en de eigengerechtigheid, die
kenmerken van den barbaarschen geleerde. Ook zij, zoo vaak ervarend, dat
de vrouw in hare argeloosheid, door het zuivere voelen in liefde wijzer is en
dieper inzicht toont, dan de man met al zijn brein-kracht, leerden inzien, dat
veel wetenschap overbodig zou kunnen worden, indien wat meer naar de
liefdevolle, hoogstaande vrouw werd geluisterd. Het was na den kleinen
wereldoorlog van 1914, dat die overtuiging het eerst werd uitgesproken,
nadat men aan het graf van keizerin Augusta Victoria moest erkennen, dat
zoo hare levensleer ware gevolgd in stede van die van haar gemaal en zijn
universiteits-geleerden, die wereldoorlog en de daaruit volgende
wereldoorlogen voorkomen zouden zijn geworden.
„De kinderen in de gezinnen der Harmonischen grootgebracht, kregen
weder een zuivere opvoeding in overeenstemming met het geslacht. De
meisjes werden tot vrouwen en moeders, de jongens, tot [145]mannen en
vaders opgeleid en de nivelleerende en tot geslachtsverwarring aanleiding
gevende coëducatie, werd vervangen door de gescheiden opvoeding,
waardoor op den rijperen leeftijd, het ideaal voor de beide geslachten
behouden bleef, zoodat de jongeling in de maagd, de maagd in den
jongeling een liefelijk mysterie zag, dat in het harmonische huwelijk zij aan
elkaar geleidelijk aan zouden onthullen, maar nooit zoover, dat voor de
vrouw in den man en voor den man in de vrouw niets meer te raden en te
vermoeden, dat is te overwinnen bleef. Want zoo alleen is het mogelijk, dat
de beide sexen elkaar blijven boeien en er geen verlangen naar verandering
of verwisseling ontstaat.
„En met de vervrouwelijking van de vrouw, kwamen ook de eigenaardige,
speciale deugden en talenten van de vrouw weder tot ontwikkeling. Men
aanvoelingsvermogen en werden lichamelijk van een groote, lieftallige
schoonheid. De harmonische mannen, deze vrouwen huwend, begonnen in
het huwelijk te ervaren, dat er dingen tusschen hemel en aarde zijn, o
Horatio, waarvan in hun schoolwijsheid, niet gedroomd was. En zoo
ontworstelden zij zich aan de pedanterie en de eigengerechtigheid, die
kenmerken van den barbaarschen geleerde. Ook zij, zoo vaak ervarend, dat
de vrouw in hare argeloosheid, door het zuivere voelen in liefde wijzer is en
dieper inzicht toont, dan de man met al zijn brein-kracht, leerden inzien, dat
veel wetenschap overbodig zou kunnen worden, indien wat meer naar de
liefdevolle, hoogstaande vrouw werd geluisterd. Het was na den kleinen
wereldoorlog van 1914, dat die overtuiging het eerst werd uitgesproken,
nadat men aan het graf van keizerin Augusta Victoria moest erkennen, dat
zoo hare levensleer ware gevolgd in stede van die van haar gemaal en zijn
universiteits-geleerden, die wereldoorlog en de daaruit volgende
wereldoorlogen voorkomen zouden zijn geworden.
„De kinderen in de gezinnen der Harmonischen grootgebracht, kregen
weder een zuivere opvoeding in overeenstemming met het geslacht. De
meisjes werden tot vrouwen en moeders, de jongens, tot [145]mannen en
vaders opgeleid en de nivelleerende en tot geslachtsverwarring aanleiding
gevende coëducatie, werd vervangen door de gescheiden opvoeding,
waardoor op den rijperen leeftijd, het ideaal voor de beide geslachten
behouden bleef, zoodat de jongeling in de maagd, de maagd in den
jongeling een liefelijk mysterie zag, dat in het harmonische huwelijk zij aan
elkaar geleidelijk aan zouden onthullen, maar nooit zoover, dat voor de
vrouw in den man en voor den man in de vrouw niets meer te raden en te
vermoeden, dat is te overwinnen bleef. Want zoo alleen is het mogelijk, dat
de beide sexen elkaar blijven boeien en er geen verlangen naar verandering
of verwisseling ontstaat.
„En met de vervrouwelijking van de vrouw, kwamen ook de eigenaardige,
speciale deugden en talenten van de vrouw weder tot ontwikkeling. Men
Page 128
ging ervaren, dat er een groote waarheid school in den Paradijs-mythe,
welke de vrouw schepster van de kleeding des menschen noemt. Inderdaad
gingen de meisjes en de vrouwen zich weder in stede van op de mathesis,
op de nuttige en fraaie handwerken toeleggen, een intuïtieve mathesis,
welke men te lang had veronachtzaamd. Want wie kent er schoonere
oplossing van een wiskundig probleem, dan een hemd, van zelf geweven
linnen met de hand vervaardigd? De meisjes en vrouwen vingen aan linnen
en wol te weven, begonnen eerst weder zelve haar uitzet te vervaardigen,
daarna de luiermand zelve [146]te voorzien en na eenige geslachten reeds
maakten de vrouwen der Harmonischen zelve door edelen, kunstrijken,
verheffenden handarbeid tapijten, gordijnen, dekens, ondergoederen,
bovenkleederen voor vrouwen en mannen. De fabrieken konden voor hunne
producten bij de Harmonischen geen afzet meer vinden. Want geen enkel
fabrieksproduct, machinaal en zielloos als het immers moet zijn, kon op
tegen de door de meisjes en vrouwen zelve geweven, ontworpen en
vervaardigde linnen- en wollen goederen. De arbeid met de hand leidde er
toe, dat men alleen de allerbeste grondstoffen verwerkte. Zij leidde er toe,
dat men zelve de patronen ontwierp voor het eigen gezin en zich dus naar
eigen smaak en individueel ging kleedden, het lichaam en het huis. De
gestadige arbeid, het gevoel van zaligheid, dat iedereen ondervindt, die aan
iets werkt met liefde, daar het te vervaardigen voorwerp er een is is tot
verwarming, bescherming en versiering van een geliefd persoon, voor kind
of echtgenoot, zuster of vriendin, vervulde het gezinsleven van een
veredelenden, verheven geest. De vrouw, aldus op hare wijze zorgende voor
de behoeften des levens, was niet meer de geminachte bedelares, die door
haar man met de ziellooze producten der fabrieken werd aangekleed of er
zich met het door hem verdiende geld, mee oppronkte, in haar kleedij de
slaafschheid van de courtisane, symboliseerend. De home made kleedij
leidde tot degelijkheid van [147]stof, eenvoud en schoonheid van snit en men
was zuiniger en zindelijker op de door moeder of zuster gemaakte
kleederen, daar men in die kleederen, de maakster eerde en ontzag. Daarbij
zagen de moeders en zusters, haar echtgenooten, broers en kinderen met
welgevallen aan, omdat zij gekleed waren in het werk harer liefdevolle
welke de vrouw schepster van de kleeding des menschen noemt. Inderdaad
gingen de meisjes en de vrouwen zich weder in stede van op de mathesis,
op de nuttige en fraaie handwerken toeleggen, een intuïtieve mathesis,
welke men te lang had veronachtzaamd. Want wie kent er schoonere
oplossing van een wiskundig probleem, dan een hemd, van zelf geweven
linnen met de hand vervaardigd? De meisjes en vrouwen vingen aan linnen
en wol te weven, begonnen eerst weder zelve haar uitzet te vervaardigen,
daarna de luiermand zelve [146]te voorzien en na eenige geslachten reeds
maakten de vrouwen der Harmonischen zelve door edelen, kunstrijken,
verheffenden handarbeid tapijten, gordijnen, dekens, ondergoederen,
bovenkleederen voor vrouwen en mannen. De fabrieken konden voor hunne
producten bij de Harmonischen geen afzet meer vinden. Want geen enkel
fabrieksproduct, machinaal en zielloos als het immers moet zijn, kon op
tegen de door de meisjes en vrouwen zelve geweven, ontworpen en
vervaardigde linnen- en wollen goederen. De arbeid met de hand leidde er
toe, dat men alleen de allerbeste grondstoffen verwerkte. Zij leidde er toe,
dat men zelve de patronen ontwierp voor het eigen gezin en zich dus naar
eigen smaak en individueel ging kleedden, het lichaam en het huis. De
gestadige arbeid, het gevoel van zaligheid, dat iedereen ondervindt, die aan
iets werkt met liefde, daar het te vervaardigen voorwerp er een is is tot
verwarming, bescherming en versiering van een geliefd persoon, voor kind
of echtgenoot, zuster of vriendin, vervulde het gezinsleven van een
veredelenden, verheven geest. De vrouw, aldus op hare wijze zorgende voor
de behoeften des levens, was niet meer de geminachte bedelares, die door
haar man met de ziellooze producten der fabrieken werd aangekleed of er
zich met het door hem verdiende geld, mee oppronkte, in haar kleedij de
slaafschheid van de courtisane, symboliseerend. De home made kleedij
leidde tot degelijkheid van [147]stof, eenvoud en schoonheid van snit en men
was zuiniger en zindelijker op de door moeder of zuster gemaakte
kleederen, daar men in die kleederen, de maakster eerde en ontzag. Daarbij
zagen de moeders en zusters, haar echtgenooten, broers en kinderen met
welgevallen aan, omdat zij gekleed waren in het werk harer liefdevolle
Page 129
handen. De echtgenooten en broers zagen hun zusters, vrouwen, meisjes
met eerbied aan, omdat zij gekleed waren in naar eigen smaak zelve
ontworpen en vervaardigde kleedij. En als men bij elkaar kwam, pronkte
men niet tegen elkaar op met gekochte kleeren, maar men bewonderde
elkaars drachten oprecht, daar ieder wel wist, dat elk kleedingstuk een
resultante was van smaak, vlijt en liefdevollen arbeid.
„De ophitsende, sensueele kleuren die de fabrieken uit de koolteer hadden
weten te bereiden, begonnen afkeer te verwekken. Men voelde zich
beschaamd, vrouw, zuster, ja zelfs het onrijpe meisje, gekleed te zien in
kleuren, die de zinnen opwekten. Men besefte, dat men zooiets aan de
bloemen en de insecten moest overlaten, die in het stadia der zinnelijkheid
leefden.
„En zoo kwam men weer terug tot de meer gedekte kleuren. Men begon
weer oog te krijgen voor de schoonheid en kuischheid van de
oorspronkelijke verven van het vlas en de wol. Men leerde weer kleuren
met eenvoudige aftreksels van vruchten en planten, zooals van
walnotendoppen, galnoten, eikenschors, [148]meekrap en indigo. Men leerde
hoe met slechts twee kleuren, groen en roodbruin of zwart en lichtgeel,
bruin en diepgeel, een harmonische sfeer in huis en kleeding was te
verkrijgen. De bonte zinnelijkheid van huis en kleedij verdween en werd
vervangen door statige, kuische ingetogenheid. De kleedij maakte ook de
houding en het gebaar weder statiger en dat werd gevolgd door een rustiger
zich bewegen, een waardiger zich uiten en een spreken van meer verheven
gedachten.” [149]
met eerbied aan, omdat zij gekleed waren in naar eigen smaak zelve
ontworpen en vervaardigde kleedij. En als men bij elkaar kwam, pronkte
men niet tegen elkaar op met gekochte kleeren, maar men bewonderde
elkaars drachten oprecht, daar ieder wel wist, dat elk kleedingstuk een
resultante was van smaak, vlijt en liefdevollen arbeid.
„De ophitsende, sensueele kleuren die de fabrieken uit de koolteer hadden
weten te bereiden, begonnen afkeer te verwekken. Men voelde zich
beschaamd, vrouw, zuster, ja zelfs het onrijpe meisje, gekleed te zien in
kleuren, die de zinnen opwekten. Men besefte, dat men zooiets aan de
bloemen en de insecten moest overlaten, die in het stadia der zinnelijkheid
leefden.
„En zoo kwam men weer terug tot de meer gedekte kleuren. Men begon
weer oog te krijgen voor de schoonheid en kuischheid van de
oorspronkelijke verven van het vlas en de wol. Men leerde weer kleuren
met eenvoudige aftreksels van vruchten en planten, zooals van
walnotendoppen, galnoten, eikenschors, [148]meekrap en indigo. Men leerde
hoe met slechts twee kleuren, groen en roodbruin of zwart en lichtgeel,
bruin en diepgeel, een harmonische sfeer in huis en kleeding was te
verkrijgen. De bonte zinnelijkheid van huis en kleedij verdween en werd
vervangen door statige, kuische ingetogenheid. De kleedij maakte ook de
houding en het gebaar weder statiger en dat werd gevolgd door een rustiger
zich bewegen, een waardiger zich uiten en een spreken van meer verheven
gedachten.” [149]
Page 130
[Inhoud]
Page 131
XVII.
Nu de fabrieken langzamerhand geen afzet meer vonden voor hun ziellooze
producten, gingen de mannen zich op andere bezigheden toeleggen, dan het
uitvinden en fabriceeren van allerlei machinerie, of wat langzamerhand
verachtelijk „automatica” werd genoemd. De mannen begonnen zelf de
meubels voor hun huisgezinnen te vervaardigen en het zelf vervaardigde
meubel kreeg dezelfde eigenschappen en had dezelfde uitwerking op den
maker en op de leden van het gezin als het zelf vervaardigde kleedingstuk.
Men koos er de meest duurzame houtsoorten voor, bij voorkeur goed
belegen en uitgewerkt notenhout. De lijnen waren eenvoudig, maar
rhythmisch. De verbindingen duurzaam en vernuftig. Ieder ontwierp het
meubel voor zijn eigen huis of gezin en bracht er zoo den eigen geest en
psyche in. Het zelfvervaardigde meubel gaf den maker voldoening en
verwekte bij degenen, die er gerief van hadden, liefde voor den maker en
eerbied voor het voorwerp, product van vaders of broedersziel, zelf. De
vrouwen, die wisten wat goed handwerk was door hare eigen handwerken,
konden de door de mannen gemaakte meubels met geheel [150]haar hart
waardeeren. De mannen, die een goed meubelstuk gemaakt hadden en
wisten hoeveel zorgzaamheid, geduld, overleg en vaardigheid dat eischte,
leerden aldus ook de handwerken der vrouwen waardeeren.
Men ging nu in de volgende geslachten er toe over ook het eigen huis te
gaan bouwen. Hierbij hielpen de mannen elkaar, maar gezorgd werd, dat elk
huis naar de ziel en de behoefte van den eigenaar en bewoner opgetrokken
werd. Daar de Harmonischen groote gezinnen vormden, werd elk huis ruim
gebouwd, berekend op de afzonderlijke opvoeding der sexen, omgeven
door een flink stuk land. De kennis van de materialen leidde er toe, dat men
die materialen lief ging krijgen en zoo begon men de bosschen te verzorgen
en aan te kweeken, waaruit men het hout voor meubels en woningen betrok.
Nu de fabrieken langzamerhand geen afzet meer vonden voor hun ziellooze
producten, gingen de mannen zich op andere bezigheden toeleggen, dan het
uitvinden en fabriceeren van allerlei machinerie, of wat langzamerhand
verachtelijk „automatica” werd genoemd. De mannen begonnen zelf de
meubels voor hun huisgezinnen te vervaardigen en het zelf vervaardigde
meubel kreeg dezelfde eigenschappen en had dezelfde uitwerking op den
maker en op de leden van het gezin als het zelf vervaardigde kleedingstuk.
Men koos er de meest duurzame houtsoorten voor, bij voorkeur goed
belegen en uitgewerkt notenhout. De lijnen waren eenvoudig, maar
rhythmisch. De verbindingen duurzaam en vernuftig. Ieder ontwierp het
meubel voor zijn eigen huis of gezin en bracht er zoo den eigen geest en
psyche in. Het zelfvervaardigde meubel gaf den maker voldoening en
verwekte bij degenen, die er gerief van hadden, liefde voor den maker en
eerbied voor het voorwerp, product van vaders of broedersziel, zelf. De
vrouwen, die wisten wat goed handwerk was door hare eigen handwerken,
konden de door de mannen gemaakte meubels met geheel [150]haar hart
waardeeren. De mannen, die een goed meubelstuk gemaakt hadden en
wisten hoeveel zorgzaamheid, geduld, overleg en vaardigheid dat eischte,
leerden aldus ook de handwerken der vrouwen waardeeren.
Men ging nu in de volgende geslachten er toe over ook het eigen huis te
gaan bouwen. Hierbij hielpen de mannen elkaar, maar gezorgd werd, dat elk
huis naar de ziel en de behoefte van den eigenaar en bewoner opgetrokken
werd. Daar de Harmonischen groote gezinnen vormden, werd elk huis ruim
gebouwd, berekend op de afzonderlijke opvoeding der sexen, omgeven
door een flink stuk land. De kennis van de materialen leidde er toe, dat men
die materialen lief ging krijgen en zoo begon men de bosschen te verzorgen
en aan te kweeken, waaruit men het hout voor meubels en woningen betrok.
Page 132
Men kweekte de boomen en planten aan, die de gewenschte verfstoffen en
oliën opleverden. Men zag in een goedopgegroeiden eik niet meer een soort
„natuurschoon”, dat straks gekocht, omgehakt en geautomatiseerd zou
worden in de fabriek en vandaar door den handelaar versleept, maar een
goed opgegroeide eikeboom was het product van de liefdevolle zorg van
eenige geslachten eener familie. Men kweekte de meest voor de bearbeiding
geschikte exemplaren en wanneer een boom ten laatste geschikt was
geworden voor het gebruik, werd hij met eenige plechtigheid door
[151]handenarbeid omgehakt. Dat was een mannelijke, gezonde sport, maar
een sport met een bewust nuttig doel. En het was weder een andere edele
sport-arbeid, den boom later tot planken te zagen. Dan werden de planken
door de mannen naar de werkplaats bij hun huis gedragen. Want men had
afstand gedaan van alle verkeer per rad en van alle machinale
voortbeweging. De wellust van het rijden, op een dier of in een wagen, had
men leeren verachten. Ook had men leeren verachten het verbreken van het
rhythme door het kunstmatig versnellen van den tijd. Het wiel was de
oorsprong van alle verweekelijking en dus meed men zooveel mogelijk het
wiel en zijn gebruik.
De liefde voor boom en plant, de afkeer van het misbruik en het gebruik
van het dier, het streven naar kuischheid van ziel, geest, gemoed en
lichaam, zijnde kuischheid een vorm van waardigheid en waardigheid een
vorm van eerbaarheid, liefde en verhevenheid, had de Harmonischen
langzaam aan gebracht tot vegetarisme. Toen men na 1914 vele wouden van
notenboomen had uitgeroeid om van het notenhout geweerkolven te maken,
was men begonnen te beseffen, dat men als krankzinnige barbaren juist van
de noteboom het tegendeel van het gebruik gemaakt had, dat er van te
maken was. Zoo waren de Harmonischen weder noteboomen gaan kweeken
en de opvolgende geslachten gebruikten nu de notenboom als hout voor
meubels, de [152]notenbasten om er een schoone, duurzame bruine verfstof
van te bereiden, de noten zelf om er een heerlijke, voedzame olie uit te
persen, terwijl de geperste koeken een welkom voedsel waren voor de
schapen, wier wol daardoor glanzend, dik en smijdig werd.
oliën opleverden. Men zag in een goedopgegroeiden eik niet meer een soort
„natuurschoon”, dat straks gekocht, omgehakt en geautomatiseerd zou
worden in de fabriek en vandaar door den handelaar versleept, maar een
goed opgegroeide eikeboom was het product van de liefdevolle zorg van
eenige geslachten eener familie. Men kweekte de meest voor de bearbeiding
geschikte exemplaren en wanneer een boom ten laatste geschikt was
geworden voor het gebruik, werd hij met eenige plechtigheid door
[151]handenarbeid omgehakt. Dat was een mannelijke, gezonde sport, maar
een sport met een bewust nuttig doel. En het was weder een andere edele
sport-arbeid, den boom later tot planken te zagen. Dan werden de planken
door de mannen naar de werkplaats bij hun huis gedragen. Want men had
afstand gedaan van alle verkeer per rad en van alle machinale
voortbeweging. De wellust van het rijden, op een dier of in een wagen, had
men leeren verachten. Ook had men leeren verachten het verbreken van het
rhythme door het kunstmatig versnellen van den tijd. Het wiel was de
oorsprong van alle verweekelijking en dus meed men zooveel mogelijk het
wiel en zijn gebruik.
De liefde voor boom en plant, de afkeer van het misbruik en het gebruik
van het dier, het streven naar kuischheid van ziel, geest, gemoed en
lichaam, zijnde kuischheid een vorm van waardigheid en waardigheid een
vorm van eerbaarheid, liefde en verhevenheid, had de Harmonischen
langzaam aan gebracht tot vegetarisme. Toen men na 1914 vele wouden van
notenboomen had uitgeroeid om van het notenhout geweerkolven te maken,
was men begonnen te beseffen, dat men als krankzinnige barbaren juist van
de noteboom het tegendeel van het gebruik gemaakt had, dat er van te
maken was. Zoo waren de Harmonischen weder noteboomen gaan kweeken
en de opvolgende geslachten gebruikten nu de notenboom als hout voor
meubels, de [152]notenbasten om er een schoone, duurzame bruine verfstof
van te bereiden, de noten zelf om er een heerlijke, voedzame olie uit te
persen, terwijl de geperste koeken een welkom voedsel waren voor de
schapen, wier wol daardoor glanzend, dik en smijdig werd.
Page 133
Er werd ten laatste geen ander vee meer gehouden dan schapen. Maar deze
schapen werden niet geslacht—slechts tegen het warme voorjaar geschoren.
Het waren de kinderen, die de schapen verzorgden en hoeden. Er werden
geen honden bij gebruikt, daar het de Harmonie verstoorde, de lieve zachte
dieren altijd opgejaagd en in angst te zien door een dier, dat voor hen den
wolf, hun aartsvijand, symboliseerde. Verdwaalde schapen kwamen toch
altijd weer terecht. Niemand in de maatschappij der Harmonischen stal.
Want men was er van bewust geworden, dat de dief iemand is, die arbeid in
den een of anderen vorm neemt, zonder er arbeid in den een of anderen
vorm voor terug te geven. En daar men persoonlijken arbeid had leeren
erkennen als de bron van alle geluk en als de eenige mogelijkheid om
waarlijk sociaal te leven, had men den dief en elken vorm van
oneerlijkheid, uitgeroeid. En daar dus alle contrôle, boekhouding, politie en
justitie overbodig waren geworden, ontstond er zulk een overvloed van
arbeidslust, arbeidskracht en arbeidsproducten, dat het bezit niet tot
gierigheid leidde.
Langzamerhand was het gebruik van vleesch, [153]visch, zuivel en eieren in
onbruik geraakt. Dit hield verband met het persoonlijke en met een doel, dat
is het vervaardigen van een product, arbeiden van elkeen. Het eerst hadden
de mannen afkeer gekregen van het slachten van koeien, varkens en
schapen. Daar men er voor zorgde, dat niet de mannen zich in bepaalde
beroepen specialiseerden, omdat men uit de overgeleverde beschrijvingen
van de stichters der Harmonische Maatschappij wist, dat het uitoefenen van
een beroep tot eenzijdigheid en van eenzijdigheid tot zielsverarming leidt,
moest ieder voor zijn eigen gezin slachten. Maar vele mannen voelden het
als een gruwel ’s middags een koe gedood te hebben en ’s avonds hun
vrouw te begroeten. De vrouwen, die in de keuken de levende visch
moesten dooden en zagen, hoe zelfs na de meeste voorzorgen, toch de
lichamen van den kop gescheiden, bleven na-krimpen van pijn, zagen er
ook van af, visch toe te bereiden. Het werd daarna den vrouwen onmogelijk
elken dag de koeien te melken. Het lijden van de koe ’s winters opgesloten
in de stal, het kunstmatig aan het melkgeven houden van een zacht, lief,
schapen werden niet geslacht—slechts tegen het warme voorjaar geschoren.
Het waren de kinderen, die de schapen verzorgden en hoeden. Er werden
geen honden bij gebruikt, daar het de Harmonie verstoorde, de lieve zachte
dieren altijd opgejaagd en in angst te zien door een dier, dat voor hen den
wolf, hun aartsvijand, symboliseerde. Verdwaalde schapen kwamen toch
altijd weer terecht. Niemand in de maatschappij der Harmonischen stal.
Want men was er van bewust geworden, dat de dief iemand is, die arbeid in
den een of anderen vorm neemt, zonder er arbeid in den een of anderen
vorm voor terug te geven. En daar men persoonlijken arbeid had leeren
erkennen als de bron van alle geluk en als de eenige mogelijkheid om
waarlijk sociaal te leven, had men den dief en elken vorm van
oneerlijkheid, uitgeroeid. En daar dus alle contrôle, boekhouding, politie en
justitie overbodig waren geworden, ontstond er zulk een overvloed van
arbeidslust, arbeidskracht en arbeidsproducten, dat het bezit niet tot
gierigheid leidde.
Langzamerhand was het gebruik van vleesch, [153]visch, zuivel en eieren in
onbruik geraakt. Dit hield verband met het persoonlijke en met een doel, dat
is het vervaardigen van een product, arbeiden van elkeen. Het eerst hadden
de mannen afkeer gekregen van het slachten van koeien, varkens en
schapen. Daar men er voor zorgde, dat niet de mannen zich in bepaalde
beroepen specialiseerden, omdat men uit de overgeleverde beschrijvingen
van de stichters der Harmonische Maatschappij wist, dat het uitoefenen van
een beroep tot eenzijdigheid en van eenzijdigheid tot zielsverarming leidt,
moest ieder voor zijn eigen gezin slachten. Maar vele mannen voelden het
als een gruwel ’s middags een koe gedood te hebben en ’s avonds hun
vrouw te begroeten. De vrouwen, die in de keuken de levende visch
moesten dooden en zagen, hoe zelfs na de meeste voorzorgen, toch de
lichamen van den kop gescheiden, bleven na-krimpen van pijn, zagen er
ook van af, visch toe te bereiden. Het werd daarna den vrouwen onmogelijk
elken dag de koeien te melken. Het lijden van de koe ’s winters opgesloten
in de stal, het kunstmatig aan het melkgeven houden van een zacht, lief,
Page 134
goedig, geduldig dier, welks lichaam op deze wijze tegennatuurlijk werd
gebruikt, trof de vrouwen tot in het diepst harer ziel en zooals een vorig
geslacht geen vleesch meer had kunnen eten omdat het weerzin wekte,
konden volgende geslachten geen melk van een mishandeld dier meer
drinken. [154]
En hetzelfde gevoel, dat weerzin verwekte tegen de zuivelproducten,
maakte het eten van plantaardig voedsel tot een groot genot. Men at en
voelde, dat men in reinheid het reine at. De liefde schiep en zoo werd het
eten op zichzelf weder langzaam aan de gewijde, sobere plechtigheid op
bepaalde uren van den dag, hetgeen het eten van den mensch zoo
verschillend maakt van het altijd schrokkende, altijd door zijn maag
getyraniseerde, dier.
„Wilt gij ze zien eten, Horatio?”
„Gaarne, Eumenia.”
De professor volgde Eumenia naar een der vriendelijke landhuizen, half
villa, half boerderij. Een teedere, liefelijke geur van de bloesems in de
groote boomgaard rondom het huis, ontwaarde prof. Leyden binnen in de
voorhal en de ruime kamers.
In een der kamers zaten de vader, de moeder, de grootvader, de
grootmoeder en de zes dochters en acht zonen rondom een groote,
notehouten tafel. Ieder hunner had een houten beker voor zich en twee
borden van ahornhout. In ’t midden stonden fraaie schalen van besneden en
gepolijst notenhout en in kleuren gevlochten manden en mandjes met
vruchten. Appels, peren, noten, pruimedanten. Er stonden houten schalen
met vruchtenjams. Er stonden zachtroze en lichtbruine en barnsteen gele
puddingen. Uit een bruinaarden kan goot een der meisjes, een slanke
blondine, in de houten bekers [155]granaatrood vruchtensap. Een jonger
meisje legde bij elk der aanzittenden een goudbruin brood neer.
gebruikt, trof de vrouwen tot in het diepst harer ziel en zooals een vorig
geslacht geen vleesch meer had kunnen eten omdat het weerzin wekte,
konden volgende geslachten geen melk van een mishandeld dier meer
drinken. [154]
En hetzelfde gevoel, dat weerzin verwekte tegen de zuivelproducten,
maakte het eten van plantaardig voedsel tot een groot genot. Men at en
voelde, dat men in reinheid het reine at. De liefde schiep en zoo werd het
eten op zichzelf weder langzaam aan de gewijde, sobere plechtigheid op
bepaalde uren van den dag, hetgeen het eten van den mensch zoo
verschillend maakt van het altijd schrokkende, altijd door zijn maag
getyraniseerde, dier.
„Wilt gij ze zien eten, Horatio?”
„Gaarne, Eumenia.”
De professor volgde Eumenia naar een der vriendelijke landhuizen, half
villa, half boerderij. Een teedere, liefelijke geur van de bloesems in de
groote boomgaard rondom het huis, ontwaarde prof. Leyden binnen in de
voorhal en de ruime kamers.
In een der kamers zaten de vader, de moeder, de grootvader, de
grootmoeder en de zes dochters en acht zonen rondom een groote,
notehouten tafel. Ieder hunner had een houten beker voor zich en twee
borden van ahornhout. In ’t midden stonden fraaie schalen van besneden en
gepolijst notenhout en in kleuren gevlochten manden en mandjes met
vruchten. Appels, peren, noten, pruimedanten. Er stonden houten schalen
met vruchtenjams. Er stonden zachtroze en lichtbruine en barnsteen gele
puddingen. Uit een bruinaarden kan goot een der meisjes, een slanke
blondine, in de houten bekers [155]granaatrood vruchtensap. Een jonger
meisje legde bij elk der aanzittenden een goudbruin brood neer.
Page 135
Toen allen bediend waren en aanzaten stond de grootvader op en zeide,—
zijn beker heffend:
„Den eersten dronk wijd ik aan Hem, Die de dorstenden naar wijsheid, te
drinken geeft.”
Allen hieven hun bekers en nadat de grootvader een teug had gedronken,
dronken zij een teug.
Vervolgens stond de grootmoeder op en een stuk brood van haar brood
brekend, zeide zij: „De eerste bete wijd ik aan Hem, die hongerenden naar
wijsheid, te eten geeft.”
Zij at een stukje brood en allen volgden haar voorbeeld.
Daarna begon de maaltijd. Men at langzaam, uiterst langzaam en rustig,
kauwde lang en in volmaakte harmonie en schoonheid. „Ziet gij,” zeide
Eumenia, „vroeger was het eten of een barbaarsch zich volproppen met
meest dierlijke spijzen of een overhaast zich vullen. Hoe gruwelijk zulk een
restaurant van voor 1950, waar de gasten bediend werden door van een fooi
afhankelijke mannen, die den ganschen dag in den etensgeur en dranksfeer
ronddrentelden. Ter zijde zaten wat andere mannen, die een strijkje
vormden, hun weeke sensualiteit sentimenteel uit te fiedelen op gespannen
schapendarmen, bestreken [156]door paardenhaar met hars stroef gemaakt.
De spijzen waren voor de grootste helft van onder de gruwelijkste smarten
gedoode dieren. Vleezen van rund, schaap of ’t liefst van kalf en lam.
Kreeften en garnalen levend in kokend water geworpen of levend zachtjes
er in gekookt. Visschen levend gekorven, opdat door het smartelijke zich
tegen de graat opkrommen van ’t gemartelde beest, de spieren los zouden
schilveren. Vaak ook mengden de koks, op bevel van hun patroons, allerlei
schadelijke stoffen en surrogaten onder het voedsel, waarvan zij wisten, dat
de eter vroeger of later zou te lijden hebben. Oesters, vlokken zee-eiwit,
waren een bijzondere lekkernij, hoewel men wist, dat zij tot abnormaal
geslachtelijk verkeer prikkelend, het verderf op het komend geslacht
zijn beker heffend:
„Den eersten dronk wijd ik aan Hem, Die de dorstenden naar wijsheid, te
drinken geeft.”
Allen hieven hun bekers en nadat de grootvader een teug had gedronken,
dronken zij een teug.
Vervolgens stond de grootmoeder op en een stuk brood van haar brood
brekend, zeide zij: „De eerste bete wijd ik aan Hem, die hongerenden naar
wijsheid, te eten geeft.”
Zij at een stukje brood en allen volgden haar voorbeeld.
Daarna begon de maaltijd. Men at langzaam, uiterst langzaam en rustig,
kauwde lang en in volmaakte harmonie en schoonheid. „Ziet gij,” zeide
Eumenia, „vroeger was het eten of een barbaarsch zich volproppen met
meest dierlijke spijzen of een overhaast zich vullen. Hoe gruwelijk zulk een
restaurant van voor 1950, waar de gasten bediend werden door van een fooi
afhankelijke mannen, die den ganschen dag in den etensgeur en dranksfeer
ronddrentelden. Ter zijde zaten wat andere mannen, die een strijkje
vormden, hun weeke sensualiteit sentimenteel uit te fiedelen op gespannen
schapendarmen, bestreken [156]door paardenhaar met hars stroef gemaakt.
De spijzen waren voor de grootste helft van onder de gruwelijkste smarten
gedoode dieren. Vleezen van rund, schaap of ’t liefst van kalf en lam.
Kreeften en garnalen levend in kokend water geworpen of levend zachtjes
er in gekookt. Visschen levend gekorven, opdat door het smartelijke zich
tegen de graat opkrommen van ’t gemartelde beest, de spieren los zouden
schilveren. Vaak ook mengden de koks, op bevel van hun patroons, allerlei
schadelijke stoffen en surrogaten onder het voedsel, waarvan zij wisten, dat
de eter vroeger of later zou te lijden hebben. Oesters, vlokken zee-eiwit,
waren een bijzondere lekkernij, hoewel men wist, dat zij tot abnormaal
geslachtelijk verkeer prikkelend, het verderf op het komend geslacht
Page 136
overbrachten en zoo zij al geen typhus verwekten, ze er voor ontvankelijk
maakten.
„Welk een barbaarsch gedoe met vorken en messen. Het was een gestadig
prikken, snijden en kerven, zuigen, kluiven, slobberen, blazen, schrokken.
Alles was gezout, gepeperd, gezuurd, overdadig gevet en gesousd om den
gehaasten, schrokkenden mensch maar genoeg zat te krijgen. En vergelijk
nu eens, naast die kannibalen vertooning, de maaltijd hier voor u, Horatio.”
Inderdaad, men schilde de vruchten met mesjes van paarlemoer of hout.
Men at de sneden brood besmeerd met vruchtenjams. Men at met houten
vorken en [157]lepels de saladen van kroten, kers, dunsel en ander slablad en
fijngeraspte kool.
Weldadig aandoend waren de waardige rust, de blijmoedige ernst en de
kalme gebaren, waarmede men at en dronk. Alle spijzen waren lauw of
koud. [158]
maakten.
„Welk een barbaarsch gedoe met vorken en messen. Het was een gestadig
prikken, snijden en kerven, zuigen, kluiven, slobberen, blazen, schrokken.
Alles was gezout, gepeperd, gezuurd, overdadig gevet en gesousd om den
gehaasten, schrokkenden mensch maar genoeg zat te krijgen. En vergelijk
nu eens, naast die kannibalen vertooning, de maaltijd hier voor u, Horatio.”
Inderdaad, men schilde de vruchten met mesjes van paarlemoer of hout.
Men at de sneden brood besmeerd met vruchtenjams. Men at met houten
vorken en [157]lepels de saladen van kroten, kers, dunsel en ander slablad en
fijngeraspte kool.
Weldadig aandoend waren de waardige rust, de blijmoedige ernst en de
kalme gebaren, waarmede men at en dronk. Alle spijzen waren lauw of
koud. [158]
Page 137
[Inhoud]
Page 138
XVIII.
„Blijven zij bij dit voedsel gezond?” vroeg prof. Leyden.
„Zij blijven niet alleen gezond, maar zij zijn zoo goed als onvatbaar voor
ziekten, blijven tot op hoogen leeftijd zich jeugdig en veerkrachtig voelen,
hebben geen last van tandziekten en uitvallende of zwarte tanden. Als zij
door ’t een of ander ongeval een wond krijgen, heelt de wond bijzonder
snel. Doch ongevallen zijn zeer zeldzaam, hoewel iedereen met werktuigen
omgaat. Want daar men alles doet in rhythmische evenmaat en harmonie,
niemand gehaast of overhaast is, gebeuren er zoogoed als geen ongevallen.
Men heeft leeren inzien, dat haast hebben, anderen haasten of zelf gehaast
zijn, een vergrijp is tegen de zedelijkheid en een der vormen van
moordzucht. Want de gehaaste of haastige verkort zijn leven, omdat hij
meer willende beleven, dan het rhythme van zijn tijd veroorlooft, dien tijd
en daarmee zijn psychisch evenwicht verstoort.”
Nadat allen verzadigd waren begonnen al de aanzittenden, behalve een paar
meisjes, die de tafel afruimden, in koor liederen te zingen. Hoewel toch
zooveel menschen te samen gegeten hadden, bleef [159]de kamer van de
geur van de bloesems van buiten en de geur van de vruchten vervuld. Niet
zooals bij de kannibalistische maaltijden van voor 1950 hing er een zware
stank van gebraden, gekookte en gezoden dieren, mayonnaisen, sauzen en
vetten noch van verhitte menschenlichamen, die de stanken uitwasemden
van de verzwolgen, in hun ingewanden nu tot ontbinding overgaande
dierenlichamen. Men zong hymnen, met soli en koren, ook vroolijke zangen
en soms zongen de kinderen kinderdeuntjes en liedjes met hun en haar
hooge stemmen. Een enkele maal zong de vader een korte aria met zijn
zware basstem en allen zwegen eerbiedig toeluisterend.
„Is dat hun muziek? Of hebben zij ook andere muziek?”
„Blijven zij bij dit voedsel gezond?” vroeg prof. Leyden.
„Zij blijven niet alleen gezond, maar zij zijn zoo goed als onvatbaar voor
ziekten, blijven tot op hoogen leeftijd zich jeugdig en veerkrachtig voelen,
hebben geen last van tandziekten en uitvallende of zwarte tanden. Als zij
door ’t een of ander ongeval een wond krijgen, heelt de wond bijzonder
snel. Doch ongevallen zijn zeer zeldzaam, hoewel iedereen met werktuigen
omgaat. Want daar men alles doet in rhythmische evenmaat en harmonie,
niemand gehaast of overhaast is, gebeuren er zoogoed als geen ongevallen.
Men heeft leeren inzien, dat haast hebben, anderen haasten of zelf gehaast
zijn, een vergrijp is tegen de zedelijkheid en een der vormen van
moordzucht. Want de gehaaste of haastige verkort zijn leven, omdat hij
meer willende beleven, dan het rhythme van zijn tijd veroorlooft, dien tijd
en daarmee zijn psychisch evenwicht verstoort.”
Nadat allen verzadigd waren begonnen al de aanzittenden, behalve een paar
meisjes, die de tafel afruimden, in koor liederen te zingen. Hoewel toch
zooveel menschen te samen gegeten hadden, bleef [159]de kamer van de
geur van de bloesems van buiten en de geur van de vruchten vervuld. Niet
zooals bij de kannibalistische maaltijden van voor 1950 hing er een zware
stank van gebraden, gekookte en gezoden dieren, mayonnaisen, sauzen en
vetten noch van verhitte menschenlichamen, die de stanken uitwasemden
van de verzwolgen, in hun ingewanden nu tot ontbinding overgaande
dierenlichamen. Men zong hymnen, met soli en koren, ook vroolijke zangen
en soms zongen de kinderen kinderdeuntjes en liedjes met hun en haar
hooge stemmen. Een enkele maal zong de vader een korte aria met zijn
zware basstem en allen zwegen eerbiedig toeluisterend.
„Is dat hun muziek? Of hebben zij ook andere muziek?”
Page 139
„Zij hebben ook andere muziek—maar die onderscheidt zich alleen van
welke gij nu hoort, Horatio, doordat dan grootere koren gevormd worden
van de schoonste stemmen. De „Harmonischen” hebben langzamerhand de
instrumentale muziek en alle muziek zonder tekst van schoone,
gedachtenrijke woorden, afgeschaft. De muziek van voor 1950, welke men
ten laatste zelfs automatisch voortbracht op orgels, orchestrions en
gramophonen heeft men reeds vóór het einde van de 20ste eeuw, toen de
Harmonischen langzamerhand uit de menschheid zich verhieven, leeren
veroordeelen. De muziek, de gave den mensch gegeven om de
[160]gedachte, rhythmisch te doen klinken, was toen geworden een gruwel
van grove, massale sensualiteit. Daar de onreinheid van het geslacht en de
kannibaalsche levenswijze de stemmen bedierf en de enkelen die nog
schoone stemmen hadden, deze misbruikten voor wulpsche, veile
prikkeling, hadden de menschen als surrogaat voor de stem en het kuische a
capella koor, allerlei instrumenten bedacht van hout, koper, dierenhuiden en
dierendarmen. Elk instrument poogde op zijn manier de menschelijke stem
nabij te komen of te overtreffen en voor wie een zuiver menschelijk gehoor
had, klonk elk instrument als een jammerlijke imitatie. Nog erger was het,
wanneer al die gefabriceerde, kunstgeluid-werktuigen te samen werden
bestreken, beblazen en beslagen onder leiding van één mensch, die naar de
hiërogliephen van een ander mensch, waarvan hij al de teekens in een
partituur voor zich had, de anderen dwong naar zijn opvatting te strijken,
blazen en slaan. De man, die de hiërogliephen het eerst had geschreven was
gewoonlijk iemand, die te onontwikkeld om hetgeen hij te zeggen had, in
woorden en gedachten te uiten, zijn sensualiteit, dikwijls van zeer lagen
aard, maar ook zijn wreedheid, moordzucht, oorlogsverlangen, vaag in die
hiërogliephen had geuit. Het gruwelijkste waren de fanfare-corpsen, welke
bestonden uit muzikanten, die op koperen en houten instrumenten
krijgsmuziek bliezen en tot in zelfs de meest zachtaardige menschen, [161]ja
tot in de paarden, oorlogszuchtige gevoelens, gevoelens van moord en
schennis, wakker riepen.
welke gij nu hoort, Horatio, doordat dan grootere koren gevormd worden
van de schoonste stemmen. De „Harmonischen” hebben langzamerhand de
instrumentale muziek en alle muziek zonder tekst van schoone,
gedachtenrijke woorden, afgeschaft. De muziek van voor 1950, welke men
ten laatste zelfs automatisch voortbracht op orgels, orchestrions en
gramophonen heeft men reeds vóór het einde van de 20ste eeuw, toen de
Harmonischen langzamerhand uit de menschheid zich verhieven, leeren
veroordeelen. De muziek, de gave den mensch gegeven om de
[160]gedachte, rhythmisch te doen klinken, was toen geworden een gruwel
van grove, massale sensualiteit. Daar de onreinheid van het geslacht en de
kannibaalsche levenswijze de stemmen bedierf en de enkelen die nog
schoone stemmen hadden, deze misbruikten voor wulpsche, veile
prikkeling, hadden de menschen als surrogaat voor de stem en het kuische a
capella koor, allerlei instrumenten bedacht van hout, koper, dierenhuiden en
dierendarmen. Elk instrument poogde op zijn manier de menschelijke stem
nabij te komen of te overtreffen en voor wie een zuiver menschelijk gehoor
had, klonk elk instrument als een jammerlijke imitatie. Nog erger was het,
wanneer al die gefabriceerde, kunstgeluid-werktuigen te samen werden
bestreken, beblazen en beslagen onder leiding van één mensch, die naar de
hiërogliephen van een ander mensch, waarvan hij al de teekens in een
partituur voor zich had, de anderen dwong naar zijn opvatting te strijken,
blazen en slaan. De man, die de hiërogliephen het eerst had geschreven was
gewoonlijk iemand, die te onontwikkeld om hetgeen hij te zeggen had, in
woorden en gedachten te uiten, zijn sensualiteit, dikwijls van zeer lagen
aard, maar ook zijn wreedheid, moordzucht, oorlogsverlangen, vaag in die
hiërogliephen had geuit. Het gruwelijkste waren de fanfare-corpsen, welke
bestonden uit muzikanten, die op koperen en houten instrumenten
krijgsmuziek bliezen en tot in zelfs de meest zachtaardige menschen, [161]ja
tot in de paarden, oorlogszuchtige gevoelens, gevoelens van moord en
schennis, wakker riepen.
Page 140
„De Harmonischen hadden, geleidelijk aan, alle instrumentale muziek
weder afgeschaft en vergenoegden zich met koren, het allerliefst met a
capella koren van niet grooten omvang.…
„Na den maaltijd, als men allen in opgeruimde stemming was, werden in de
gezinnen gaarne de meer vroolijke liederen en samenzangen gezongen.
Men had ervaren, dat zingen de longen versterkt, de ademhaling oefent, de
spijsvertering bevordert, het bloed grootere hoeveelheid zuurstof toevoert,
omdat het zingen diep en ruim leert ademhalen en op lichaam en ziel een
veredelende werking uitoefent. Ook dat het gemeenschappelijk zingen
inniger broeder- en zusterschap tusschen de menschen kweekt.”
„Is zingen de eenige kunst, die de Harmonischen beoefenen, Eumenia?”
„Neen, zij kennen bouwkunst, sierkunst, beeldhouwkunst, tooneelkunst,
danskunst, jongleerkunst. Nadat bij de eerste geslachten alle kunsten uit den
booze geacht werden, omdat zij in de maatschappij van voor 1950 zulk een
bijna uitsluitend sensueel karakter hadden aangenomen, kwam allengskens
in den mensch het besef, dat het volkomen verwerpen van alle
kunstuitingen den mensch beneden het dier stelt, daar toch de vogels in hun
zang, de paarden [162]in hun draf, ja zelfs de stieren in hun horens een
zekere bewusten of onbewusten drang naar rhythmische schoonheid uiten.
Zoo dan begon men met beleid en fijn gevoel, nadat men ervaren had, dat
de zangkunst, goed toegepast, zoo heilzaam werkte, ook de andere kunsten
weer te beoefenen. Het eerst ontwikkelde zich bij de vrouwen de sierkunst.
Men breidde of haakte of borduurde of weefde eenvoudige patronen in de
stoffen. Daarna begonnen de mannen de gebruiksvoorwerpen en meubelen
te versieren. Het rhythmische, harmonische, kuische en ingetogen leven
spiegelde zich af in de motieven. Maar het menschelijke beeld werd
gemeden. Ook toen later zij, die aanleg voor teekenen, schilderen en
beeldhouwen toonden, en ieder had dat ongeveer, aan hun kunstdrang uiting
gaven, werd geen beeltenis van den mensch, in welken vorm ook, gemaakt.
Dit was een gevolg van het kuische gemoed en de naastenliefde. Men had
weder afgeschaft en vergenoegden zich met koren, het allerliefst met a
capella koren van niet grooten omvang.…
„Na den maaltijd, als men allen in opgeruimde stemming was, werden in de
gezinnen gaarne de meer vroolijke liederen en samenzangen gezongen.
Men had ervaren, dat zingen de longen versterkt, de ademhaling oefent, de
spijsvertering bevordert, het bloed grootere hoeveelheid zuurstof toevoert,
omdat het zingen diep en ruim leert ademhalen en op lichaam en ziel een
veredelende werking uitoefent. Ook dat het gemeenschappelijk zingen
inniger broeder- en zusterschap tusschen de menschen kweekt.”
„Is zingen de eenige kunst, die de Harmonischen beoefenen, Eumenia?”
„Neen, zij kennen bouwkunst, sierkunst, beeldhouwkunst, tooneelkunst,
danskunst, jongleerkunst. Nadat bij de eerste geslachten alle kunsten uit den
booze geacht werden, omdat zij in de maatschappij van voor 1950 zulk een
bijna uitsluitend sensueel karakter hadden aangenomen, kwam allengskens
in den mensch het besef, dat het volkomen verwerpen van alle
kunstuitingen den mensch beneden het dier stelt, daar toch de vogels in hun
zang, de paarden [162]in hun draf, ja zelfs de stieren in hun horens een
zekere bewusten of onbewusten drang naar rhythmische schoonheid uiten.
Zoo dan begon men met beleid en fijn gevoel, nadat men ervaren had, dat
de zangkunst, goed toegepast, zoo heilzaam werkte, ook de andere kunsten
weer te beoefenen. Het eerst ontwikkelde zich bij de vrouwen de sierkunst.
Men breidde of haakte of borduurde of weefde eenvoudige patronen in de
stoffen. Daarna begonnen de mannen de gebruiksvoorwerpen en meubelen
te versieren. Het rhythmische, harmonische, kuische en ingetogen leven
spiegelde zich af in de motieven. Maar het menschelijke beeld werd
gemeden. Ook toen later zij, die aanleg voor teekenen, schilderen en
beeldhouwen toonden, en ieder had dat ongeveer, aan hun kunstdrang uiting
gaven, werd geen beeltenis van den mensch, in welken vorm ook, gemaakt.
Dit was een gevolg van het kuische gemoed en de naastenliefde. Men had
Page 141
ervaren, dat er niets meer vernederends voor den mensch is, dan als model
te staan voor den schilder of beeldhouwer. De schilders en beeldhouwers,
naar het naakt schilderend of boetseerend, gevoelden, dat zij conterfeitend,
hun ziel bezoedelden.
„Maar de kunstenaars der volgende geslachten vonden door het symbolisch
en rhythmisch voorstellen der lichaamsvormen, het middel om het
afbeeldsel te verheffen in de sfeer hunner ziel en zoo ontstonden dan de
rhythmische en symbolische [163]uitingen, welke de kunst van haar concrete
vernederende sfeer tot de kuische abstractie verhief. Niet anders ging het
met de tooneelkunst. Men begon met de avondtheaters af te schaffen. Er
werd alleen in de open lucht gespeeld. Daardoor werd het zich met
gekleurde talk insmeren en verven der tooneelspelers en tooneelspeelsters
overbodig, zoodat zij niet meer tot het menschonteerende aanranden van
hun en haar gelaatstrekken en ze door middel van dat vet veranderen tot een
masker, behoefden over te gaan. De openlucht-uitvoeringen leidden er toe,
dat men de stem moest doen dragen en zoo sprak men in gedragen taal,
rhythmisch. De dichters konden daardoor hun werken symbolisch en
abstract maken en het gebaar van de tooneelspelers paste zich daarbij aan.
Aldus hervormde zich de tooneelkunst, die voor en na 1950 in zoovelerlei
vormen verderf had gebracht aan allen, die er mede te doen hadden, publiek
en uitvoerenden, tot een verheffende, kuische symbolisch-rhythmische
openlucht kunst, waaraan het a capella koor harmonisch aansloot, zoodat
tooneel- en zangspel één werden. Groote bezwaren had de danskunst
gebracht. Juist vóór 1950 was de danskunst zich schijnbaar gaan
hervormen, doch het tegendeel van ’t geen er van verwacht was, had zij
toen aan de maatschappij gebracht. Men was zelfs zoover gegaan om
kinderen in die danskunst van voor 1950 op te leiden en het gevolg was
geweest, dat heele geslachten van ontaarde danswellustigen [164]waren
opgegroeid, zoodat weldra de geheele beschaafde wereld verontreinigd
werd door mannen, vrouwen en kinderen, die op verfijnd wulpsche wijze,
dansend, zichzelf en de toeschouwenden verlaagden en prikkelden.
te staan voor den schilder of beeldhouwer. De schilders en beeldhouwers,
naar het naakt schilderend of boetseerend, gevoelden, dat zij conterfeitend,
hun ziel bezoedelden.
„Maar de kunstenaars der volgende geslachten vonden door het symbolisch
en rhythmisch voorstellen der lichaamsvormen, het middel om het
afbeeldsel te verheffen in de sfeer hunner ziel en zoo ontstonden dan de
rhythmische en symbolische [163]uitingen, welke de kunst van haar concrete
vernederende sfeer tot de kuische abstractie verhief. Niet anders ging het
met de tooneelkunst. Men begon met de avondtheaters af te schaffen. Er
werd alleen in de open lucht gespeeld. Daardoor werd het zich met
gekleurde talk insmeren en verven der tooneelspelers en tooneelspeelsters
overbodig, zoodat zij niet meer tot het menschonteerende aanranden van
hun en haar gelaatstrekken en ze door middel van dat vet veranderen tot een
masker, behoefden over te gaan. De openlucht-uitvoeringen leidden er toe,
dat men de stem moest doen dragen en zoo sprak men in gedragen taal,
rhythmisch. De dichters konden daardoor hun werken symbolisch en
abstract maken en het gebaar van de tooneelspelers paste zich daarbij aan.
Aldus hervormde zich de tooneelkunst, die voor en na 1950 in zoovelerlei
vormen verderf had gebracht aan allen, die er mede te doen hadden, publiek
en uitvoerenden, tot een verheffende, kuische symbolisch-rhythmische
openlucht kunst, waaraan het a capella koor harmonisch aansloot, zoodat
tooneel- en zangspel één werden. Groote bezwaren had de danskunst
gebracht. Juist vóór 1950 was de danskunst zich schijnbaar gaan
hervormen, doch het tegendeel van ’t geen er van verwacht was, had zij
toen aan de maatschappij gebracht. Men was zelfs zoover gegaan om
kinderen in die danskunst van voor 1950 op te leiden en het gevolg was
geweest, dat heele geslachten van ontaarde danswellustigen [164]waren
opgegroeid, zoodat weldra de geheele beschaafde wereld verontreinigd
werd door mannen, vrouwen en kinderen, die op verfijnd wulpsche wijze,
dansend, zichzelf en de toeschouwenden verlaagden en prikkelden.
Page 142
„Het duurde verscheidene geslachten voor eindelijk ook de danskunst
weder tot bloei kon komen. Men had thans strenge, statige danspassen in
rhythmischen evenmaat, doch welk rhythme altijd streng beheerscht bleef,
leeren uitvoeren. En men liet de kinderen, met bloesem- en rozenfestoenen,
eenvoudige rei-dansen en kring-figuren uitvoeren. Deze dansen toegepast in
de zang- en dansspelen, bleken ten laatste ook tot zuivere zielsuitingen
verheven te kunnen worden.” [165]
weder tot bloei kon komen. Men had thans strenge, statige danspassen in
rhythmischen evenmaat, doch welk rhythme altijd streng beheerscht bleef,
leeren uitvoeren. En men liet de kinderen, met bloesem- en rozenfestoenen,
eenvoudige rei-dansen en kring-figuren uitvoeren. Deze dansen toegepast in
de zang- en dansspelen, bleken ten laatste ook tot zuivere zielsuitingen
verheven te kunnen worden.” [165]
Page 143
[Inhoud]
Page 144
XIX.
„De Harmonischen breidden zich langzaam maar gestadig uit. Voor 1950
hadden volken, die behoefte aan expansie kregen, òf gewelddadig bezit
genomen van de landen der omringende volken en die aan zich onderdanig
gemaakt, wat slavernij bij de onderworpenen en luiheid en ontaarding bij de
overwinnaars veroorzaakte, òf de overwonnen volken hadden zich in de
massa der overwinnende volken opgelost, wat bastaardij,
ongelijksoortigheid en disharmonie ten gevolge had. Weer andere volken
waren gewapend op schepen naar verre landen getrokken en hadden daar
minder goed gewapende volken, die echter deswege geenszins moreel lager
stonden, tot slavernij en onderworpenheid gebracht. Ook dat had luiheid,
pronkzucht en verlaging van het moreel bij de koloniseerende volken
veroorzaakt en de gekoloniseerde volken in hun natuurlijke, eigen
ontwikkeling gestoord, zoodat men er kreeg rebellen, slaven of na-apers
van den overwinnaar.
„De Harmonischen breidden zich in dienende liefde uit. Daar waar, door het
vertrek van de oorspronkelijke bevolking naar warmere zônen, groote
landstreken braak lagen en vervallen steden verlaten [166]en door ratten
bewoond—want overal waar de mensch verdween, teelde het rattengeslacht
zich snel voort, alle andere dieren door hun massa’s en massaal optreden
verjagend en vernietigend,—begonnen de Harmonischen hun eigen cultuur
te verspreiden. De landen werden van de ratten gezuiverd door sluipgas.
Want de Harmonischen kenden al de vorderingen der techniek van de 20ste
eeuw, maar zij kenden ook het gevaarlijke van de aanwending ervan voor
degenen, die dienaars en slaven van de „automatica” werden, instede van
haar meester te blijven. Dan werden de huizen en de molens gebouwd, de
boomgaarden geplant en de jonggehuwde paren vestigden er zich. Alle
arbeid geschiedde met de hand en door de menschen zelf. Men had eerst
„De Harmonischen breidden zich langzaam maar gestadig uit. Voor 1950
hadden volken, die behoefte aan expansie kregen, òf gewelddadig bezit
genomen van de landen der omringende volken en die aan zich onderdanig
gemaakt, wat slavernij bij de onderworpenen en luiheid en ontaarding bij de
overwinnaars veroorzaakte, òf de overwonnen volken hadden zich in de
massa der overwinnende volken opgelost, wat bastaardij,
ongelijksoortigheid en disharmonie ten gevolge had. Weer andere volken
waren gewapend op schepen naar verre landen getrokken en hadden daar
minder goed gewapende volken, die echter deswege geenszins moreel lager
stonden, tot slavernij en onderworpenheid gebracht. Ook dat had luiheid,
pronkzucht en verlaging van het moreel bij de koloniseerende volken
veroorzaakt en de gekoloniseerde volken in hun natuurlijke, eigen
ontwikkeling gestoord, zoodat men er kreeg rebellen, slaven of na-apers
van den overwinnaar.
„De Harmonischen breidden zich in dienende liefde uit. Daar waar, door het
vertrek van de oorspronkelijke bevolking naar warmere zônen, groote
landstreken braak lagen en vervallen steden verlaten [166]en door ratten
bewoond—want overal waar de mensch verdween, teelde het rattengeslacht
zich snel voort, alle andere dieren door hun massa’s en massaal optreden
verjagend en vernietigend,—begonnen de Harmonischen hun eigen cultuur
te verspreiden. De landen werden van de ratten gezuiverd door sluipgas.
Want de Harmonischen kenden al de vorderingen der techniek van de 20ste
eeuw, maar zij kenden ook het gevaarlijke van de aanwending ervan voor
degenen, die dienaars en slaven van de „automatica” werden, instede van
haar meester te blijven. Dan werden de huizen en de molens gebouwd, de
boomgaarden geplant en de jonggehuwde paren vestigden er zich. Alle
arbeid geschiedde met de hand en door de menschen zelf. Men had eerst
Page 145
nog gebruik gemaakt van kruiwagens, maar ook die had men ter zijde
gesteld, omdat ook hier het wiel zijn verlagenden invloed uitoefende. Want
de kruiwagen leidde er toe, dat de mensch voor zich alléén ging arbeiden.
Daarom had alle vervoer van vrachten, die niet in de hand of op den
schouder konden worden gedragen, plaats doordat twee of vier personen de
vracht gezamenlijk in manden of op draagbaren droegen en nooit werden
vrouwen tot zwaarderen lichaamsarbeid toegelaten. Dit gezamenlijk dragen
der lasten, zoowel bij den aanleg van wegen, als bij het geschikt maken van
landerijen, het aanbrengen van bouwmateriaal, hield het
gemeenschapsgevoel van den arbeidenden mensch [167]levendig. Het was
een gestadige en doelbewuste oefening in het samenwerken, de basis van
het samen-leven of de samenleving. Er waren geen opzichters, want men
had ervaren dat alle toezicht en bevel bij den arbeid, in den
toezichthoudende en bevelvoerende gevoelens van wellust opwekten.
Evenmin werden dieren gebruikt, paarden noch ezels, ossen noch honden.
Want men had ervaren, dat wie het dier in zijn dienst gebruikt, slechte
instincten krijgt en dat de menschelijke ziel bezoedeld wordt door het
nauwe, gestadige contact met de dierlijke ziel. Er werden nooit rechte
kanalen gegraven noch rechte wegen aangelegd. Want men wist dat zij,
gesproten uit het haasten, de ziel gejaagd maakten en aldus den mensch
ontaardden. Zooveel mogelijk werden de natuurlijke rivieren gevolgd, de
wegen in rhythmische krommingen aangelegd. Ook daar, waar dijken
noodig waren, werden die dijken zoo aangelegd, dat zij in harmonie waren
met de neiging van het water. Want men voelde, dat het water, van zee of
stroom niet zonder psychische oorzaken, hier land wenschte te verzwelgen
en daar land wenschte aan te zetten. Men eerbiedigde „De Wil” ook waar
Hij zich in het watergeweld uitte. Na eenige geslachten bleek, dat deze
eerbied beloond werd, omdat vloeden en overstroomingen uitbleven, nu het
water naar „De Wil” zich kon uitbreiden. De zee wierp ongekend hooge
duinen op om zichzelf te betoomen. [168]
„Zoolang de nieuwe nederzettingen nog niet op eigen krachten konden
teren, werden hun door de andere nederzettingen voorraden gezonden. Dit
gesteld, omdat ook hier het wiel zijn verlagenden invloed uitoefende. Want
de kruiwagen leidde er toe, dat de mensch voor zich alléén ging arbeiden.
Daarom had alle vervoer van vrachten, die niet in de hand of op den
schouder konden worden gedragen, plaats doordat twee of vier personen de
vracht gezamenlijk in manden of op draagbaren droegen en nooit werden
vrouwen tot zwaarderen lichaamsarbeid toegelaten. Dit gezamenlijk dragen
der lasten, zoowel bij den aanleg van wegen, als bij het geschikt maken van
landerijen, het aanbrengen van bouwmateriaal, hield het
gemeenschapsgevoel van den arbeidenden mensch [167]levendig. Het was
een gestadige en doelbewuste oefening in het samenwerken, de basis van
het samen-leven of de samenleving. Er waren geen opzichters, want men
had ervaren dat alle toezicht en bevel bij den arbeid, in den
toezichthoudende en bevelvoerende gevoelens van wellust opwekten.
Evenmin werden dieren gebruikt, paarden noch ezels, ossen noch honden.
Want men had ervaren, dat wie het dier in zijn dienst gebruikt, slechte
instincten krijgt en dat de menschelijke ziel bezoedeld wordt door het
nauwe, gestadige contact met de dierlijke ziel. Er werden nooit rechte
kanalen gegraven noch rechte wegen aangelegd. Want men wist dat zij,
gesproten uit het haasten, de ziel gejaagd maakten en aldus den mensch
ontaardden. Zooveel mogelijk werden de natuurlijke rivieren gevolgd, de
wegen in rhythmische krommingen aangelegd. Ook daar, waar dijken
noodig waren, werden die dijken zoo aangelegd, dat zij in harmonie waren
met de neiging van het water. Want men voelde, dat het water, van zee of
stroom niet zonder psychische oorzaken, hier land wenschte te verzwelgen
en daar land wenschte aan te zetten. Men eerbiedigde „De Wil” ook waar
Hij zich in het watergeweld uitte. Na eenige geslachten bleek, dat deze
eerbied beloond werd, omdat vloeden en overstroomingen uitbleven, nu het
water naar „De Wil” zich kon uitbreiden. De zee wierp ongekend hooge
duinen op om zichzelf te betoomen. [168]
„Zoolang de nieuwe nederzettingen nog niet op eigen krachten konden
teren, werden hun door de andere nederzettingen voorraden gezonden. Dit
Page 146
geschiedde zonder eenige overeenkomst, zooals een goede moeder een
geliefde dochter zou steunen van haar overvloed.
„De steden werden met den grond gelijk gemaakt. Er waren geen steden en
geen groote dorpen in het Harmonische Rijk. Men wist te goed, hoe alle
samenscholing gevolg was van angst en een poging om angst te weerstaan
door angst in te boezemen. Er waren geen bestuurshoofden, van welken
aard ook. De vader was mannelijk, de moeder vrouwelijk hoofd van het
gezin. De gezinnen waren elkander onderling niet vijandig en niets werd
meer tegengegaan dan met elkaar wedijveren. Alleen voor de grootere
zielskracht had men eerbied, maar grootere zielskracht manifesteert zich
nooit anders dan door anderen te bezielen. Alle andere uitmuntendheid, die
van den geest, het vernuft, het lichaam, rangschikte zich in dienende liefde
in stede van wedijverend te overtreffen en zoo de zwakkere te verdringen,
verbluffen of tot bewondering te dwingen. Men had ervaren, dat alle
wedijver het rhythme van de ziel stoort, persoonlijk en gemeenschappelijk
en een vorm van dierlijke moordzucht is. Niet als in de maatschappij der
hongerende wolven, waar de sterksten, de zwaksten verslinden, wenschte
men te leven, maar in een maatschappij waar het zwakke [169]met liefde en
zorgzaamheid tot hoogere kracht wordt opgekweekt, opdat het ten laatste
gelijk kon worden aan de gemiddelden. Men hield niet bij de Harmonischen
van uitstekendheid en buitengewone kracht of genie, wel wetende, dat dit
een verstoring der harmonie is, welke er toe leidt, dat of de sterke
individueel de zwakkeren gaat beheerschen en onderdrukken of dat de
zwakkeren communeel de weinige sterken verdrukken. Daar dus de prikkel
tot buitengewoonheid in ’t een of ander opzicht ontbrak, niet iedere vader
en iedere moeder den wensch koesterde, dat juist hun kind of kinderen
boven de anderen zouden uitsteken, stierf de bovenmatige begaafdheid uit,
zooals de ongewone zwakheid en de achterlijkheid, uitstierven. Men kende
geen misdadigers-verachting, maar ook geen helden-vereering. Wie den
held kweekt en eert moet zich niet beklagen, dat zijn tegenstelling, de
misdadiger, hem op den voet volgt. Want daar het laf is, den held te
kweeken en te eeren, zal noodzakelijkerwijze het werk van den held, altijd
geliefde dochter zou steunen van haar overvloed.
„De steden werden met den grond gelijk gemaakt. Er waren geen steden en
geen groote dorpen in het Harmonische Rijk. Men wist te goed, hoe alle
samenscholing gevolg was van angst en een poging om angst te weerstaan
door angst in te boezemen. Er waren geen bestuurshoofden, van welken
aard ook. De vader was mannelijk, de moeder vrouwelijk hoofd van het
gezin. De gezinnen waren elkander onderling niet vijandig en niets werd
meer tegengegaan dan met elkaar wedijveren. Alleen voor de grootere
zielskracht had men eerbied, maar grootere zielskracht manifesteert zich
nooit anders dan door anderen te bezielen. Alle andere uitmuntendheid, die
van den geest, het vernuft, het lichaam, rangschikte zich in dienende liefde
in stede van wedijverend te overtreffen en zoo de zwakkere te verdringen,
verbluffen of tot bewondering te dwingen. Men had ervaren, dat alle
wedijver het rhythme van de ziel stoort, persoonlijk en gemeenschappelijk
en een vorm van dierlijke moordzucht is. Niet als in de maatschappij der
hongerende wolven, waar de sterksten, de zwaksten verslinden, wenschte
men te leven, maar in een maatschappij waar het zwakke [169]met liefde en
zorgzaamheid tot hoogere kracht wordt opgekweekt, opdat het ten laatste
gelijk kon worden aan de gemiddelden. Men hield niet bij de Harmonischen
van uitstekendheid en buitengewone kracht of genie, wel wetende, dat dit
een verstoring der harmonie is, welke er toe leidt, dat of de sterke
individueel de zwakkeren gaat beheerschen en onderdrukken of dat de
zwakkeren communeel de weinige sterken verdrukken. Daar dus de prikkel
tot buitengewoonheid in ’t een of ander opzicht ontbrak, niet iedere vader
en iedere moeder den wensch koesterde, dat juist hun kind of kinderen
boven de anderen zouden uitsteken, stierf de bovenmatige begaafdheid uit,
zooals de ongewone zwakheid en de achterlijkheid, uitstierven. Men kende
geen misdadigers-verachting, maar ook geen helden-vereering. Wie den
held kweekt en eert moet zich niet beklagen, dat zijn tegenstelling, de
misdadiger, hem op den voet volgt. Want daar het laf is, den held te
kweeken en te eeren, zal noodzakelijkerwijze het werk van den held, altijd
Page 147
door het werk van den lafaard worden geëxploiteerd en vernietigd. En een
der axioma’s luidde, dat de ware held, die held is, die heldhaftig genoeg is
om onbekend te sterven. Zoo dan werden heldendaden niet geroemd,
zoodra de bedrijver van die heldendaden zich bekend had gemaakt of
bekend was geworden. Uit dezelfde oorzaken waren alle kunstwerken
ongeteekend en zorgden de makers er [170]voor, zooveel mogelijk onbekend
te blijven.
„Het vermijden van wedijver voorkwam alle sport, doellooze verspilling
van lichaamskracht en energie maar verhief het spel, oefenschool voor het
leven, tot een hoogeren trap van ontwikkeling. De knapen leerden vroeg
wandelen, zwemmen, gezamenlijk boodschappen naar afgelegen plaatsen
overbrengen, houthakken, houtzagen, houtdragen, boomen verzorgen. De
meisjes wandelen, zwemmen en verrichten velerlei lichte, aangename
bezigheden op het land. Zoo had men genoeg lichaamsoefening in de
openlucht, zoodat deze niet door doellooze, kunstmatige sport behoefde
aangevuld te worden. Het zingen in de koren en het optreden in de
openluchtspelen, gaven buitendien gelegenheid tot harmonische oefening
van lichaam en geest.
„Eén spel werd echter bijzonder gaarne bedreven—de vaardigheid van het
balwerpen in velerlei vormen. Men had ervaren, dat jongleeren met mate
beoefend, op lichaam en geest een goeden invloed uitoefende. De jeugd
leerde er vaardigheid, handigheid en rhythmisch zich bewegen door. Ook
speelde men met elastische, kleine, leeren ballen. Maar altijd werden de
balspelen met de hand gespeeld. Het gebruik van den voet, oefenend in het
schoppen, werd grof en zedeloos aangevoeld, daar de bal door den voet
geschopt, te groot en te zwaar moet zijn, en daarom gevaarlijk is voor
dengeen, die den bal in ontvangst moet nemen. Men had dus [171]het balspel
met behulp van den voet, evenals alle balspel met behulp van harde
werktuigen en werptuigen, uitgeroeid daar het een vorm van moordzucht
symboliseerde.
der axioma’s luidde, dat de ware held, die held is, die heldhaftig genoeg is
om onbekend te sterven. Zoo dan werden heldendaden niet geroemd,
zoodra de bedrijver van die heldendaden zich bekend had gemaakt of
bekend was geworden. Uit dezelfde oorzaken waren alle kunstwerken
ongeteekend en zorgden de makers er [170]voor, zooveel mogelijk onbekend
te blijven.
„Het vermijden van wedijver voorkwam alle sport, doellooze verspilling
van lichaamskracht en energie maar verhief het spel, oefenschool voor het
leven, tot een hoogeren trap van ontwikkeling. De knapen leerden vroeg
wandelen, zwemmen, gezamenlijk boodschappen naar afgelegen plaatsen
overbrengen, houthakken, houtzagen, houtdragen, boomen verzorgen. De
meisjes wandelen, zwemmen en verrichten velerlei lichte, aangename
bezigheden op het land. Zoo had men genoeg lichaamsoefening in de
openlucht, zoodat deze niet door doellooze, kunstmatige sport behoefde
aangevuld te worden. Het zingen in de koren en het optreden in de
openluchtspelen, gaven buitendien gelegenheid tot harmonische oefening
van lichaam en geest.
„Eén spel werd echter bijzonder gaarne bedreven—de vaardigheid van het
balwerpen in velerlei vormen. Men had ervaren, dat jongleeren met mate
beoefend, op lichaam en geest een goeden invloed uitoefende. De jeugd
leerde er vaardigheid, handigheid en rhythmisch zich bewegen door. Ook
speelde men met elastische, kleine, leeren ballen. Maar altijd werden de
balspelen met de hand gespeeld. Het gebruik van den voet, oefenend in het
schoppen, werd grof en zedeloos aangevoeld, daar de bal door den voet
geschopt, te groot en te zwaar moet zijn, en daarom gevaarlijk is voor
dengeen, die den bal in ontvangst moet nemen. Men had dus [171]het balspel
met behulp van den voet, evenals alle balspel met behulp van harde
werktuigen en werptuigen, uitgeroeid daar het een vorm van moordzucht
symboliseerde.
Page 148
„Kwam het nu bij de uitbreiding voor, dat men op andere volken stuitte, dan
begon men aan die volken den eigen arbeid en de arbeidsproducten zonder
tegenprestatie aan te bieden. Door dienende liefde won men langzamerhand
de achting en de liefde van de beste elementen dier volken. Zij werden er
met zeer groote tact toe gebracht aandeel te nemen in de Harmonie. Daarbij
werd een onuitputtelijk geduld getoond. Gewelddadigheden werden met
daden van liefde beantwoord. Men toonde, dat men in ’t bezit van sluipgas
was en dat men de menschen evengoed als de ratten zou kunnen uitroeien.
Maar men gebruikte dit wapen niet tegen menschen. Liever dan dat te doen,
omging men de weerbarstigen en vestigde zich veel verder, al kwam men
ook aan de meest onvruchtbare landstreken.
„Want daar men tijd genoeg had, altijd arbeidde voor het volgende geslacht,
altijd kon rekenen op den bijstand van alle Harmonischen ter wereld, werd
ook de schraalste zandgrond na verloop van jaren in een vruchtbaar
landouw veranderd. En daar ieder arbeidde, ieder het handwerk uitoefende
en er geen hoogere, ja geen andere eer was, dan te arbeiden als arbeider
onder de arbeidenden, was er bij de Harmonischen geen armoede en zelfs
overvloed. [172]Voor 1950 kwamen op iederen mensch die handarbeid
verrichtte er tien, welke daarvan direct of indirect moesten leven. In de
maatschappij der Harmonischen kende men geen ambtenaren of beambten,
geen administrateurs, geen banken, geen handel, geen geld, geen
spoorwegen, stoombooten, kortom men kende er niets dan landhuizen,
boomgaarden, moestuinen, bouwlanden, bosschen en molens. Zonder de
molens had men het wel kunnen stellen, maar hun nut was te groot
gebleken. De kracht van den wind werd gebruikt voor het malen van graan,
erwten en boonen, het tot moes pletten van de vruchten voor de jam’s en de
wintervoorraden, het bereiden van suiker uit de suikerbieten, het malen van
de grondstoffen voor de verven, het pletten van oliën uit zaden en noten en
dan ook, voor de voorziening in de behoeften van licht en warmte. Wel had
men bij de Harmonischen veel minder kunstmatige warmte noodig dan voor
1950. Want men was gekleed in de beste wol en het zwaarste linnen, door
kundige, liefdevolle hand naar ieder lichaam in ’t bijzonder, passend
begon men aan die volken den eigen arbeid en de arbeidsproducten zonder
tegenprestatie aan te bieden. Door dienende liefde won men langzamerhand
de achting en de liefde van de beste elementen dier volken. Zij werden er
met zeer groote tact toe gebracht aandeel te nemen in de Harmonie. Daarbij
werd een onuitputtelijk geduld getoond. Gewelddadigheden werden met
daden van liefde beantwoord. Men toonde, dat men in ’t bezit van sluipgas
was en dat men de menschen evengoed als de ratten zou kunnen uitroeien.
Maar men gebruikte dit wapen niet tegen menschen. Liever dan dat te doen,
omging men de weerbarstigen en vestigde zich veel verder, al kwam men
ook aan de meest onvruchtbare landstreken.
„Want daar men tijd genoeg had, altijd arbeidde voor het volgende geslacht,
altijd kon rekenen op den bijstand van alle Harmonischen ter wereld, werd
ook de schraalste zandgrond na verloop van jaren in een vruchtbaar
landouw veranderd. En daar ieder arbeidde, ieder het handwerk uitoefende
en er geen hoogere, ja geen andere eer was, dan te arbeiden als arbeider
onder de arbeidenden, was er bij de Harmonischen geen armoede en zelfs
overvloed. [172]Voor 1950 kwamen op iederen mensch die handarbeid
verrichtte er tien, welke daarvan direct of indirect moesten leven. In de
maatschappij der Harmonischen kende men geen ambtenaren of beambten,
geen administrateurs, geen banken, geen handel, geen geld, geen
spoorwegen, stoombooten, kortom men kende er niets dan landhuizen,
boomgaarden, moestuinen, bouwlanden, bosschen en molens. Zonder de
molens had men het wel kunnen stellen, maar hun nut was te groot
gebleken. De kracht van den wind werd gebruikt voor het malen van graan,
erwten en boonen, het tot moes pletten van de vruchten voor de jam’s en de
wintervoorraden, het bereiden van suiker uit de suikerbieten, het malen van
de grondstoffen voor de verven, het pletten van oliën uit zaden en noten en
dan ook, voor de voorziening in de behoeften van licht en warmte. Wel had
men bij de Harmonischen veel minder kunstmatige warmte noodig dan voor
1950. Want men was gekleed in de beste wol en het zwaarste linnen, door
kundige, liefdevolle hand naar ieder lichaam in ’t bijzonder, passend
Page 149
vervaardigd. Men had de huizen van zeer dikke muren gebouwd wat de
stevigheid en duurzaamheid bevorderde, maar ook ’s zomers ze koel en ’s
winters ze warm hield. Het verblijf en de arbeid in de buitenlucht van de
vroegste jeugd maakte gehard. Het gebruik van plantaardige oliën en van
veel vruchten met haar aetherische oliën gaf aan het lichaam een geurige
uitwademing en een [173]zich naar de temperatuur richtenden weerstand.
Zooals de citroen en de sinaasappel sappig blijven door de geurige
aetherische oliën van de schil, maar een van zijn geel laagje beroofde
citroen, dadelijk uitdroogt; zooals een appel door zijn waslaag zich tegen de
guurheid en de koude van herfst en winter beschermt, zoo was de opperhuid
der Harmonischen doordrenkt van de aetherische oliën der planten- en
vruchtenvoeding. Kou-vatten, verkoudheden, longziekten waren na eenige
geslachten onbekend geworden. Vrouwen en mannen van in de zestig jaar
hadden nog gevulde, blozende gelaten.” [174]
stevigheid en duurzaamheid bevorderde, maar ook ’s zomers ze koel en ’s
winters ze warm hield. Het verblijf en de arbeid in de buitenlucht van de
vroegste jeugd maakte gehard. Het gebruik van plantaardige oliën en van
veel vruchten met haar aetherische oliën gaf aan het lichaam een geurige
uitwademing en een [173]zich naar de temperatuur richtenden weerstand.
Zooals de citroen en de sinaasappel sappig blijven door de geurige
aetherische oliën van de schil, maar een van zijn geel laagje beroofde
citroen, dadelijk uitdroogt; zooals een appel door zijn waslaag zich tegen de
guurheid en de koude van herfst en winter beschermt, zoo was de opperhuid
der Harmonischen doordrenkt van de aetherische oliën der planten- en
vruchtenvoeding. Kou-vatten, verkoudheden, longziekten waren na eenige
geslachten onbekend geworden. Vrouwen en mannen van in de zestig jaar
hadden nog gevulde, blozende gelaten.” [174]
Page 150
[Inhoud]
Page 151
XX.
„Men had het leven zooveel mogelijk naar den zonnestand ingericht. Men
brandde in huis lampen met plantaardige olie gevuld. Men ontstak ze aan
een klein lampje, dat altijd brandde en waarvan men dan met een houtje het
vuur naar andere lichten overbracht.
„Maar de voordeelen van electrische haarden, electrische fornuizen,
electrisch verwarmd water en electrisch licht waren zoo groot, dat men
electrische toestellen in de huizen installeerde en door de molens in
accumulatoren, electrische kracht ervoor verzamelde.
„Toch verwierpen de volgende geslachten ook dit gebruik van electriciteit,
daar men ervoer, dat voor de inrichting en reparatie der electrische
installaties vaklieden noodig waren en dit zoowel schadelijk was voor de
ziel der menschen, welke in één vak gingen uitmunten als een slecht
voorbeeld gaf. Daarom bouwde men nu eenvoudige haarden en fornuizen,
die gestookt konden worden met overblijfselen van plantaardigen aard als
geperst gras, veen, lijnkoeken, houtafval, notendoppen, vruchtenpitten. De
grootste zorg werd aan het opkomend geslacht besteed. Men leerde de
kinderen [175]niet om uitsluitend het voorgeslacht en de ouders lief te
hebben en te eeren, maar om ook het nageslacht lief te hebben. De geheele
opvoeding was gericht op de belangen van het nageslacht. De huizen, de
landerijen, de boomgaarden, de bosschen, de molens, de waterwerken
werden verzorgd, met het oog op het gebruik dat kinderen en kleinkinderen
er van zouden kunnen maken. Terwijl in de 20ste eeuw elk volgend geslacht
al weder meer gedrukt werd door de schulden en het er op los leven van het
vorige geslacht en elk geslacht er op uit was geweest, zooveel mogelijk zelf
te genieten, vonden nu de jongere geslachten alles zorgzaam voorbereid
voor hun bestaan. En dit schiep liefde en eerbied voor het voorgeslacht,
zoowel als drang ook de volgende geslachten een bewoonbare wereld voor
„Men had het leven zooveel mogelijk naar den zonnestand ingericht. Men
brandde in huis lampen met plantaardige olie gevuld. Men ontstak ze aan
een klein lampje, dat altijd brandde en waarvan men dan met een houtje het
vuur naar andere lichten overbracht.
„Maar de voordeelen van electrische haarden, electrische fornuizen,
electrisch verwarmd water en electrisch licht waren zoo groot, dat men
electrische toestellen in de huizen installeerde en door de molens in
accumulatoren, electrische kracht ervoor verzamelde.
„Toch verwierpen de volgende geslachten ook dit gebruik van electriciteit,
daar men ervoer, dat voor de inrichting en reparatie der electrische
installaties vaklieden noodig waren en dit zoowel schadelijk was voor de
ziel der menschen, welke in één vak gingen uitmunten als een slecht
voorbeeld gaf. Daarom bouwde men nu eenvoudige haarden en fornuizen,
die gestookt konden worden met overblijfselen van plantaardigen aard als
geperst gras, veen, lijnkoeken, houtafval, notendoppen, vruchtenpitten. De
grootste zorg werd aan het opkomend geslacht besteed. Men leerde de
kinderen [175]niet om uitsluitend het voorgeslacht en de ouders lief te
hebben en te eeren, maar om ook het nageslacht lief te hebben. De geheele
opvoeding was gericht op de belangen van het nageslacht. De huizen, de
landerijen, de boomgaarden, de bosschen, de molens, de waterwerken
werden verzorgd, met het oog op het gebruik dat kinderen en kleinkinderen
er van zouden kunnen maken. Terwijl in de 20ste eeuw elk volgend geslacht
al weder meer gedrukt werd door de schulden en het er op los leven van het
vorige geslacht en elk geslacht er op uit was geweest, zooveel mogelijk zelf
te genieten, vonden nu de jongere geslachten alles zorgzaam voorbereid
voor hun bestaan. En dit schiep liefde en eerbied voor het voorgeslacht,
zoowel als drang ook de volgende geslachten een bewoonbare wereld voor
Page 152
te bereiden, zooals men ze zelve gevonden had. Het surplus van den
degelijken, lieflijken arbeid van de voorgeslachten had ten gevolge, dat
ieder kind welvarend mocht genoemd worden van ’t uur zijner geboorte.
Deze algemeene en duurzame welvaart van opeenvolgende geslachten, niet
gevolgd door verweekelijkende luiheid en teren op ’t geërfde, maar door
voortgezetten handarbeid van ieder zonder onderscheid, had het voordeel,
dat men de kinderen veel minder behoefde te leeren om ze voor het leven
en den strijd om het bestaan voor te bereiden. Spelende leerden de kinderen
den handarbeid en den landarbeid. Was reeds door alle tijden heen de
jongen blij als hij mocht [176]timmeren, het land verzorgen, boomen
kweeken en het meisje, als het spijzen mocht bereiden, wasschen, boenen,
schuren, handwerken maken, thans werden er geslachten van kinderen
geboren, die nadat ze de handgrepen van de ouders geleerd hadden,
verwonderlijke vaardigheid toonden. De kinderen leerden lezen, schrijven
en rekenen—maar men zorgde dat zij, die geen bijzondere lust in leeren
betoonden, daartoe niet aangezet werden. Men wist te goed uit het verleden
hoe schadelijk dat was voor het kunstmatig tot herseninspanning gedreven
kind en vooral voor zijn nageslacht. Daar de eenvoudigste handarbeid of
arbeid op ’t land even hoog in aanzien stond als hersenarbeid, kenden de
meer geleerden niet de barbaarsche laatdunkendheid, de ongeleerden niet de
even barbaarsche onderworpenheid voor den geleerde. Trouwens, er werd
niet veel gelezen en er werd niet veel geschreven. De gelijkvormigheid van
denken en leven gaf geen aanleiding tot veel schrijven. Er gebeurden geen
groote gebeurtenissen. Men was niet benieuwd naar allerlei ongelukken en
rampen—welke trouwens nu niemand gehaast werd of anderen haastte, tot
een minimum beperkt waren. Men sprak niet heel veel en men gevoelde
ook geen behoefte om veel te hooren spreken of opgeschreven gesprek te
lezen. De koorzang en de solozang gaven gelegenheid de algemeene
levenswijsheid en waarheid te uiten. De openluchtspelen waren voor de
dichters de plaats om den [177]vooruitgang der wijsheid toe te lichten of de
oude wijsheid op frissche wijze te verkondigen.
degelijken, lieflijken arbeid van de voorgeslachten had ten gevolge, dat
ieder kind welvarend mocht genoemd worden van ’t uur zijner geboorte.
Deze algemeene en duurzame welvaart van opeenvolgende geslachten, niet
gevolgd door verweekelijkende luiheid en teren op ’t geërfde, maar door
voortgezetten handarbeid van ieder zonder onderscheid, had het voordeel,
dat men de kinderen veel minder behoefde te leeren om ze voor het leven
en den strijd om het bestaan voor te bereiden. Spelende leerden de kinderen
den handarbeid en den landarbeid. Was reeds door alle tijden heen de
jongen blij als hij mocht [176]timmeren, het land verzorgen, boomen
kweeken en het meisje, als het spijzen mocht bereiden, wasschen, boenen,
schuren, handwerken maken, thans werden er geslachten van kinderen
geboren, die nadat ze de handgrepen van de ouders geleerd hadden,
verwonderlijke vaardigheid toonden. De kinderen leerden lezen, schrijven
en rekenen—maar men zorgde dat zij, die geen bijzondere lust in leeren
betoonden, daartoe niet aangezet werden. Men wist te goed uit het verleden
hoe schadelijk dat was voor het kunstmatig tot herseninspanning gedreven
kind en vooral voor zijn nageslacht. Daar de eenvoudigste handarbeid of
arbeid op ’t land even hoog in aanzien stond als hersenarbeid, kenden de
meer geleerden niet de barbaarsche laatdunkendheid, de ongeleerden niet de
even barbaarsche onderworpenheid voor den geleerde. Trouwens, er werd
niet veel gelezen en er werd niet veel geschreven. De gelijkvormigheid van
denken en leven gaf geen aanleiding tot veel schrijven. Er gebeurden geen
groote gebeurtenissen. Men was niet benieuwd naar allerlei ongelukken en
rampen—welke trouwens nu niemand gehaast werd of anderen haastte, tot
een minimum beperkt waren. Men sprak niet heel veel en men gevoelde
ook geen behoefte om veel te hooren spreken of opgeschreven gesprek te
lezen. De koorzang en de solozang gaven gelegenheid de algemeene
levenswijsheid en waarheid te uiten. De openluchtspelen waren voor de
dichters de plaats om den [177]vooruitgang der wijsheid toe te lichten of de
oude wijsheid op frissche wijze te verkondigen.
Page 153
„Zoo groeiden de kinderen op, liefdevol geleid, nooit overwerkt en elkaar
als broeders en zusters liefhebbend. Zij leerden in de groote gezinnen orde,
regelmaat, eerbied voor den arbeid van anderen en liefde tot den eigen
arbeid. Hun opvoeding was ethisch. Zij werden gewaarschuwd tegen
overmoed, verwatenheid en ledigheid. Daar er geen dieren waren, welke
misbruikt konden worden, kwamen zij er niet toe menschen te misbruiken
of zichzelf te doen misbruiken. Zoo kwam het in niemand op overmatig te
draven of te doen draven, omdat men elkanders snelheid bij ’t spel niet
vergeleek bij het rennen of draven van een paard. Paarden kende men niet
in het Harmonische Rijk. Zij waren zoo goed als uitgestorven. Honden
waren als vleescheters niet geduld. Ratten en muizen waren verdelgd en dus
had men ook geen katten noodig. Rundvee was uitgestorven. Men kon het
uitnemend zonder zuivel stellen. Het kwam weinig voor, dat moeders heur
kind niet konden zoogen of tijdens of kort na de bevalling stierven. Daartoe
was het physiek na zoovele geslachten van harmonisch geoefende meisjes,
te gezond geworden. Doch als het voorkwam, waren er altijd gezonde
moeders te over, die liefdevol een extra-zuigeling konden en wilden
verzorgen. Kippen werden ook nergens gehouden, want men had geleerd
hoe schadelijk het gecomprimeerde voedsel [178]van het ei werkte op
lichaam en ziel en de gedachte alleen dat men een vogel zou slachten,
plukken en braden en tot voedsel gebruiken, zou een Harmonisch mensch al
doen rillen.
„Het leek in ’t eerst wel vreemd, zoo weinig dieren in het Harmonische Rijk
aan te treffen. Maar men had leeren inzien, dat het lagere dier geen geschikt
genoot was om met den reinen mensch samen te wonen en te leven. Na
zoovele geslachten van vegetarisch leven, kon men den reuk van
vleeschetende dieren niet goed verdragen. Men had, zelve rein en waardig,
een afschuw van de dieren, die zoo zij ook uitwendig gereinigd werden van
vuil en ongedierte, toch aan allerlei inwendige kwalen leden, veroorzaakt
door microben, insecten of het eten van ontuig. Denzelfden afkeer voelde
men ten aanzien van de psyche van het dier, dat een lager leven leidend òf
als broeders en zusters liefhebbend. Zij leerden in de groote gezinnen orde,
regelmaat, eerbied voor den arbeid van anderen en liefde tot den eigen
arbeid. Hun opvoeding was ethisch. Zij werden gewaarschuwd tegen
overmoed, verwatenheid en ledigheid. Daar er geen dieren waren, welke
misbruikt konden worden, kwamen zij er niet toe menschen te misbruiken
of zichzelf te doen misbruiken. Zoo kwam het in niemand op overmatig te
draven of te doen draven, omdat men elkanders snelheid bij ’t spel niet
vergeleek bij het rennen of draven van een paard. Paarden kende men niet
in het Harmonische Rijk. Zij waren zoo goed als uitgestorven. Honden
waren als vleescheters niet geduld. Ratten en muizen waren verdelgd en dus
had men ook geen katten noodig. Rundvee was uitgestorven. Men kon het
uitnemend zonder zuivel stellen. Het kwam weinig voor, dat moeders heur
kind niet konden zoogen of tijdens of kort na de bevalling stierven. Daartoe
was het physiek na zoovele geslachten van harmonisch geoefende meisjes,
te gezond geworden. Doch als het voorkwam, waren er altijd gezonde
moeders te over, die liefdevol een extra-zuigeling konden en wilden
verzorgen. Kippen werden ook nergens gehouden, want men had geleerd
hoe schadelijk het gecomprimeerde voedsel [178]van het ei werkte op
lichaam en ziel en de gedachte alleen dat men een vogel zou slachten,
plukken en braden en tot voedsel gebruiken, zou een Harmonisch mensch al
doen rillen.
„Het leek in ’t eerst wel vreemd, zoo weinig dieren in het Harmonische Rijk
aan te treffen. Maar men had leeren inzien, dat het lagere dier geen geschikt
genoot was om met den reinen mensch samen te wonen en te leven. Na
zoovele geslachten van vegetarisch leven, kon men den reuk van
vleeschetende dieren niet goed verdragen. Men had, zelve rein en waardig,
een afschuw van de dieren, die zoo zij ook uitwendig gereinigd werden van
vuil en ongedierte, toch aan allerlei inwendige kwalen leden, veroorzaakt
door microben, insecten of het eten van ontuig. Denzelfden afkeer voelde
men ten aanzien van de psyche van het dier, dat een lager leven leidend òf
Page 154
tyranniek, verscheurend en individualistisch was òf weerloos en
onderworpen.
„Maar de boomgaarden trokken de vogels aan en den heelen dag hoorde
men in het Harmonische Rijk de vogels zingen, sjilpen, kwetteren. Men was
er in geslaagd de meer edele vogelsoorten aan te kweeken en tot sterkere
soorten te ontwikkelen, waarna deze er wel voor gezorgd hadden, dat de
musschen en spreeuwen, die schrik der boomgaarden, zich niet te talrijk
vermenigvuldigden. Ook het houden van bijen was een groote liefhebberij
voor de opgeschoten jeugd. De boomgaarden en de bloeiende velden
[179]gaven rijkelijk gelegenheid om honing te doen puren.
„De schapenteelt stond in hoog aanzien en men was er in geslaagd een
schaap te telen, dat overvloedig een zware, zijdeachtige wol opleverde. Men
liet de lammeren bij de moederschapen en zorgde er voor, dat er als de
lammeren volwassen waren, geen in-teelt plaats kon vinden, door dan
nieuwe kudden te vormen en die ver weg te ruilen.”
Met bewondering volgde prof. Leyden zijne geleidster en terwijl zij sprak,
zag hij het geschilderde idyllische leven voor zijn oogen zijn voortgang
hebben.
„Vriendin,” zeide hij ten laatste, „nu hebt gij mij veel doen aanschouwen en
verklaard. Maar mag ik u een vraag stellen?”
„Gaarne mijn vriend. En ik zal mij gelukkig voelen, als ik ze u naar uw
wensch zal kunnen beantwoorden.”
„Welnu, waaraan ontleenen al deze menschen de kracht om zoo schoon,
goed en gelukkig te zijn?”
„Aan de lessen van het verleden.”
onderworpen.
„Maar de boomgaarden trokken de vogels aan en den heelen dag hoorde
men in het Harmonische Rijk de vogels zingen, sjilpen, kwetteren. Men was
er in geslaagd de meer edele vogelsoorten aan te kweeken en tot sterkere
soorten te ontwikkelen, waarna deze er wel voor gezorgd hadden, dat de
musschen en spreeuwen, die schrik der boomgaarden, zich niet te talrijk
vermenigvuldigden. Ook het houden van bijen was een groote liefhebberij
voor de opgeschoten jeugd. De boomgaarden en de bloeiende velden
[179]gaven rijkelijk gelegenheid om honing te doen puren.
„De schapenteelt stond in hoog aanzien en men was er in geslaagd een
schaap te telen, dat overvloedig een zware, zijdeachtige wol opleverde. Men
liet de lammeren bij de moederschapen en zorgde er voor, dat er als de
lammeren volwassen waren, geen in-teelt plaats kon vinden, door dan
nieuwe kudden te vormen en die ver weg te ruilen.”
Met bewondering volgde prof. Leyden zijne geleidster en terwijl zij sprak,
zag hij het geschilderde idyllische leven voor zijn oogen zijn voortgang
hebben.
„Vriendin,” zeide hij ten laatste, „nu hebt gij mij veel doen aanschouwen en
verklaard. Maar mag ik u een vraag stellen?”
„Gaarne mijn vriend. En ik zal mij gelukkig voelen, als ik ze u naar uw
wensch zal kunnen beantwoorden.”
„Welnu, waaraan ontleenen al deze menschen de kracht om zoo schoon,
goed en gelukkig te zijn?”
„Aan de lessen van het verleden.”
Page 155
„Ja, maar om van lessen uit het verleden een goed gebruik voor het heden
en de toekomst te trekken, moet men toch een kracht tot het goede hebben.”
„Verklaar u nader, Horatio.”
„Welnu, al lijkt het u bekrompen, dat u dit gevraagd [180]wordt door een
professor van de geneeskundige faculteit der Leidsche Universiteit, die in
zijn leven meende, dat het behandelen van bijna twee honderd duizend
patiënten naar beste krachten en beste weten, zonder winstbejag en met als
hoofddoel lijden te voorkomen, te verzachten of te genezen, hem vrij stelde
van uiterlijk vertoon van godsdienst, toch stel ik ditmaal mijn vraag, opdat
ik later mijn collega’s ten deze op hun vraag zal kunnen inlichten.…”
„Uw collega’s.… na alles wat ik thans voor u deed en u toonde.… o
Horatio, gij hebt mij nooit lief gehad.… als ik dàt had kunnen
vermoeden.…”
En Eumenia weende. Zware druppels odd fluïdden uit hare aetherische
oogen.
„Lieve,” zeide professor Leyden getroffen en hij naderde haar zoo onhandig
als dit slechts mogelijk is door een Leidsch professor, die ruim een halve
eeuw na zijn eerste jaar, alle ervaring in het troosten van meisjes volkomen
vergeten heeft, „ik weet niet of ik ooit terug zal kunnen keeren tot de aarde.
Maar ik weet wel, dat ik het niet doen zou zonder u.…”
„Meent gij dat?” vroeg zij opblikkend en een laatste traan viel trillend van
haar wimpers. Een glimlach verhelderde haar gelaat en nu weer emaneerde
het een licht, blank als zonnestralen weerkaatsend op berijpte takken.
„Welnu, dan ben ik getroost, want ik heb u zoo lief, dat naast u, al de
[181]weedom van het aardsche tranendal voor mij in vreugde zou
verkeeren.”
en de toekomst te trekken, moet men toch een kracht tot het goede hebben.”
„Verklaar u nader, Horatio.”
„Welnu, al lijkt het u bekrompen, dat u dit gevraagd [180]wordt door een
professor van de geneeskundige faculteit der Leidsche Universiteit, die in
zijn leven meende, dat het behandelen van bijna twee honderd duizend
patiënten naar beste krachten en beste weten, zonder winstbejag en met als
hoofddoel lijden te voorkomen, te verzachten of te genezen, hem vrij stelde
van uiterlijk vertoon van godsdienst, toch stel ik ditmaal mijn vraag, opdat
ik later mijn collega’s ten deze op hun vraag zal kunnen inlichten.…”
„Uw collega’s.… na alles wat ik thans voor u deed en u toonde.… o
Horatio, gij hebt mij nooit lief gehad.… als ik dàt had kunnen
vermoeden.…”
En Eumenia weende. Zware druppels odd fluïdden uit hare aetherische
oogen.
„Lieve,” zeide professor Leyden getroffen en hij naderde haar zoo onhandig
als dit slechts mogelijk is door een Leidsch professor, die ruim een halve
eeuw na zijn eerste jaar, alle ervaring in het troosten van meisjes volkomen
vergeten heeft, „ik weet niet of ik ooit terug zal kunnen keeren tot de aarde.
Maar ik weet wel, dat ik het niet doen zou zonder u.…”
„Meent gij dat?” vroeg zij opblikkend en een laatste traan viel trillend van
haar wimpers. Een glimlach verhelderde haar gelaat en nu weer emaneerde
het een licht, blank als zonnestralen weerkaatsend op berijpte takken.
„Welnu, dan ben ik getroost, want ik heb u zoo lief, dat naast u, al de
[181]weedom van het aardsche tranendal voor mij in vreugde zou
verkeeren.”
Page 156
„Lieve vriendin, wat gij daar zegt geeft veel te denken, ten aanzien van het
feit der bewoonbaarheid en het bewoond zijn van Terra. Doch nu, geef mij
een antwoord op mijn vraag.” [182]
feit der bewoonbaarheid en het bewoond zijn van Terra. Doch nu, geef mij
een antwoord op mijn vraag.” [182]
Page 157
[Inhoud]
Page 158
XXI.
„Inderdaad Horatio, de Harmonischen hebben heel veel moeite gehad om
tot een godsdienstleer te komen. En hoe meer geslachten elkaar in het
Harmonische Rijk opvolgden, des te moeilijker werd het voor hen. Want
daar zij naar de daad godvruchtig leefden, was het voor hen zeer
bezwaarlijk een theorie voor dat godvruchtig leven op te stellen. Het was
voor hen, alsof men een moeder, nadat zij haar kind liefdevol heeft
grootgebracht, vraagt een boek te schrijven, waarin zij de wetten en
geboden door haar gevolgd om die liefde te betuigen en uit te oefenen,
opteekent.
„Men keerde tot het Oude Testament terug en beproefde allereerst daarin,
een levensleiding te vinden. Maar reeds Genesis moest verworpen worden.
God gaf den mensch heerschappij over alle dieren. God gaf den mensch het
kruid en de boomvrucht tot voedsel. En aan de dieren het groene kruid. Ook
aan het wild gedierte uit Gen. 1:24. Dat ging samen met het Harmonische.
„Maar dat het eten van een vrucht aanleiding had gegeven tot den
zondenval en de erfzonde, vond al bij hen eenig verzet. Indien het nu nog
de slang [183]zelf was geweest, welke door Eva was gedood, gebraden en
opgegeten. En dat aan de vrouw gezegd werd, dat zij de slang voortaan den
kop zou vermorzelen en aan de slang, dat zij haar voortaan de verzenen zou
vermorzelen, wekte afgrijzen en ongeloof. En al evenmin geloofde men aan
Gods gezegde, dat de vrouw met smart kinderen zou baren. Men had thans
sedert geslachten ervaren, dat het baren van een kind voor de gezonde,
harmonisch ontwikkelde, geoefende en gevoede vrouw, een zaligheid was,
waarnaar zij altijd weer verlangden en waaraan zij altijd weer met een
gevoel van geluk terugdacht.
„Inderdaad Horatio, de Harmonischen hebben heel veel moeite gehad om
tot een godsdienstleer te komen. En hoe meer geslachten elkaar in het
Harmonische Rijk opvolgden, des te moeilijker werd het voor hen. Want
daar zij naar de daad godvruchtig leefden, was het voor hen zeer
bezwaarlijk een theorie voor dat godvruchtig leven op te stellen. Het was
voor hen, alsof men een moeder, nadat zij haar kind liefdevol heeft
grootgebracht, vraagt een boek te schrijven, waarin zij de wetten en
geboden door haar gevolgd om die liefde te betuigen en uit te oefenen,
opteekent.
„Men keerde tot het Oude Testament terug en beproefde allereerst daarin,
een levensleiding te vinden. Maar reeds Genesis moest verworpen worden.
God gaf den mensch heerschappij over alle dieren. God gaf den mensch het
kruid en de boomvrucht tot voedsel. En aan de dieren het groene kruid. Ook
aan het wild gedierte uit Gen. 1:24. Dat ging samen met het Harmonische.
„Maar dat het eten van een vrucht aanleiding had gegeven tot den
zondenval en de erfzonde, vond al bij hen eenig verzet. Indien het nu nog
de slang [183]zelf was geweest, welke door Eva was gedood, gebraden en
opgegeten. En dat aan de vrouw gezegd werd, dat zij de slang voortaan den
kop zou vermorzelen en aan de slang, dat zij haar voortaan de verzenen zou
vermorzelen, wekte afgrijzen en ongeloof. En al evenmin geloofde men aan
Gods gezegde, dat de vrouw met smart kinderen zou baren. Men had thans
sedert geslachten ervaren, dat het baren van een kind voor de gezonde,
harmonisch ontwikkelde, geoefende en gevoede vrouw, een zaligheid was,
waarnaar zij altijd weer verlangden en waaraan zij altijd weer met een
gevoel van geluk terugdacht.
Page 159
„Evenmin konden de Harmonischen erkennen, dat sedert Adam, de mensch
alle dagen zijns levens met smart van de aarde zou eten. Bij de
Harmonischen was het uur van het middagmaal elken dag een plechtige,
gewijde feestelijkheid en het zien groeien van het gewas gaf geluk. Hoe
waren de huizen en de wegen in de lente vervuld van de geuren der blanke
en rozeroode boomgaarden. Hoe schoon, als de jonge vrucht zich gezet had.
Welk een genot te zien naar het rijpen. En wat was er schooner, dan zoo’n
zware appel- of pereboom met gestutte takken, in den herfst prijkende met
zijn blozende vruchten. En het gebod tot den arbeid, het in het zweet des
aanschijns brood eten, kon geen vervloeking zijn. Ja, misschien in de
opvatting van een luien Oosterling, die geen grooter genot [184]dan
loomheid en nietsdoen kende en zich door anderen te laten bedienen. Maar
de Harmonischen eerden den arbeid als de bron van alle deugd, liefde en
schoonheid, zonder welke immers het denken aan en bidden tot God zelve
niet mogelijk is, daar ook daartoe arbeid noodig is.
„En het zweet des aanschijns mocht wellicht den oosterling in ’t warme
oosten een vloek zijn, in het Harmonische Rijk wist men, dat zweeten een
gezonde en verfrisschende functie van de huid is, dat de huid altijd vocht
afscheidt, meer of minder en zonder deze afscheiding, de dood in moet
treden en dat men, ook in den zomer, waardig en bedachtzaam op het veld
arbeidend, niet tot overmatig zweeten komt. De oosterling, die de
Paradijsmythe voor ’t eerst op schreef, had zeker slaven onder den stok van
den opzichter op het veld zien arbeiden en uitbuiten en dat als een straf
beschouwd, was wellicht zelf een weggeloopen of vrijgelaten slaaf geweest.
Wie slechts eenmaal een gezin in het Harmonische Rijk aan den arbeid had
gezien, zou nooit meer gelooven, dat arbeid een straf Gods is. En wat men
wist van degenen, die door het „automatisme” lieten arbeiden en zelve aan
de „straf” zich hadden onttrokken, leidde niet tot erkenning van het
zegenrijke van het niet arbeiden.
„Zou God een arm schaap door een mensch gedood een liefelijk offer
vinden?
alle dagen zijns levens met smart van de aarde zou eten. Bij de
Harmonischen was het uur van het middagmaal elken dag een plechtige,
gewijde feestelijkheid en het zien groeien van het gewas gaf geluk. Hoe
waren de huizen en de wegen in de lente vervuld van de geuren der blanke
en rozeroode boomgaarden. Hoe schoon, als de jonge vrucht zich gezet had.
Welk een genot te zien naar het rijpen. En wat was er schooner, dan zoo’n
zware appel- of pereboom met gestutte takken, in den herfst prijkende met
zijn blozende vruchten. En het gebod tot den arbeid, het in het zweet des
aanschijns brood eten, kon geen vervloeking zijn. Ja, misschien in de
opvatting van een luien Oosterling, die geen grooter genot [184]dan
loomheid en nietsdoen kende en zich door anderen te laten bedienen. Maar
de Harmonischen eerden den arbeid als de bron van alle deugd, liefde en
schoonheid, zonder welke immers het denken aan en bidden tot God zelve
niet mogelijk is, daar ook daartoe arbeid noodig is.
„En het zweet des aanschijns mocht wellicht den oosterling in ’t warme
oosten een vloek zijn, in het Harmonische Rijk wist men, dat zweeten een
gezonde en verfrisschende functie van de huid is, dat de huid altijd vocht
afscheidt, meer of minder en zonder deze afscheiding, de dood in moet
treden en dat men, ook in den zomer, waardig en bedachtzaam op het veld
arbeidend, niet tot overmatig zweeten komt. De oosterling, die de
Paradijsmythe voor ’t eerst op schreef, had zeker slaven onder den stok van
den opzichter op het veld zien arbeiden en uitbuiten en dat als een straf
beschouwd, was wellicht zelf een weggeloopen of vrijgelaten slaaf geweest.
Wie slechts eenmaal een gezin in het Harmonische Rijk aan den arbeid had
gezien, zou nooit meer gelooven, dat arbeid een straf Gods is. En wat men
wist van degenen, die door het „automatisme” lieten arbeiden en zelve aan
de „straf” zich hadden onttrokken, leidde niet tot erkenning van het
zegenrijke van het niet arbeiden.
„Zou God een arm schaap door een mensch gedood een liefelijk offer
vinden?
Page 160
„En toen men aan Genesis 9:3 kwam en las „Al [185]wat zich roert, dat
levend is, zij u tot spijze”, ging er een rilling van ontzetting door die van het
Harmonische Rijk. En hoe was dit overgeven van de dieren als voedsel aan
de menschen te rijmen met Gen. 9:10, waarin God met alle dieren een
verbond sluit en met Gen. 9:12 en 13, waarin ook aan de dieren, de
regenboog wordt gegeven als teeken des verbonds. Had ooit een dier ter
wereld besef getoond voor dat wezen van den regenboog? Alleen een
herder, die veel met dieren omgaande, van die dieren veel heeft
overgenomen en zich verdierlijkt heeft, kan gelooven in een Godheid, die
eerst de dieren onschuldig vervloekt; daarna ze den mensch tot voedsel
aanwijst; ze daarna weder voor hem heiligt, door hem te zeggen, dat
dezelfde regenboog mensch en dier tot hetzelfde gewijde verbond zal zijn.
Maar hoe kon een inwoner van het Harmonische Rijk het verhaal van zulk
een nomade omtrent Die De Waarheid is, aannemen?… Doch daar Christus
gezegd heeft, dat Hij niet was gekomen om de wet te verbreken maar te
volmaken, richtte men zich tot het Nieuwe Testament, ten einde hieruit een
meer volmaakte leer te verkijgen.” [186]
levend is, zij u tot spijze”, ging er een rilling van ontzetting door die van het
Harmonische Rijk. En hoe was dit overgeven van de dieren als voedsel aan
de menschen te rijmen met Gen. 9:10, waarin God met alle dieren een
verbond sluit en met Gen. 9:12 en 13, waarin ook aan de dieren, de
regenboog wordt gegeven als teeken des verbonds. Had ooit een dier ter
wereld besef getoond voor dat wezen van den regenboog? Alleen een
herder, die veel met dieren omgaande, van die dieren veel heeft
overgenomen en zich verdierlijkt heeft, kan gelooven in een Godheid, die
eerst de dieren onschuldig vervloekt; daarna ze den mensch tot voedsel
aanwijst; ze daarna weder voor hem heiligt, door hem te zeggen, dat
dezelfde regenboog mensch en dier tot hetzelfde gewijde verbond zal zijn.
Maar hoe kon een inwoner van het Harmonische Rijk het verhaal van zulk
een nomade omtrent Die De Waarheid is, aannemen?… Doch daar Christus
gezegd heeft, dat Hij niet was gekomen om de wet te verbreken maar te
volmaken, richtte men zich tot het Nieuwe Testament, ten einde hieruit een
meer volmaakte leer te verkijgen.” [186]
Page 161
[Inhoud]
Page 162
XXII.
Nooit hadden de Harmonischen aan de verhevenheid van Christus en Zijn
leer getwijfeld. Hoewel vele geslachten vermeden hadden over de
leerstellingen zelve met elkaar te spreken, men elkaar verstaan had door den
stillen blik alleen en in en achter dien blik wist den levenden Jezus Christus,
zonder Wien geen goeds, schoons of redelijks ter wereld mogelijk is en in
Wien de menschheid gered is en eens verlost zal worden, kwam men nu met
het oog op het heil der volgende geslachten, er toe, te trachten uit het
Nieuwe Testament den nieuwen Christus te doen verrijzen.
Want men besefte, dat dit Nieuwe Testament, opgeschreven door menschen,
die zelf in barbaarsche tijden leefden en kinderen van hun tijd en hun
voorvaderen waren, niet voor de eeuwen onveranderd dienen kon. Zoo goed
als er heel veel omtrent Christus niet in was gezegd of uitgezegd, volgens
Joh. 21:25 luidende: „En daar zijn nog vele andere dingen, die Jezus gedaan
heeft, welke zoo ze elk bijzonder geschreven werden, ik achtte dat ook de
wereld zelve de geschreven boeken niet zoude bevatten,” zoo goed was er
veel omtrent [187]Christus in gezegd, dat de Harmonische menschheid niet
meer dienen kon. In Christus konden de Harmonischen wel het Lam Gods
zien, naar zijn onschuld en liefelijkheid, zoo hij ook van zich zelf getuigde,
dat hij alles van den mensch in zich had, maar niet het Lam Gods, dat
geofferd wordt. Zij konden niet meer gelooven in een God, den Vader, die
zijn zoon offert voor de menschheid. Abraham had het offeren van zijn kind
niet behoeven te volbrengen. Wat dan aan Abraham zou kwijtgescholden
zijn, ter wille van de menschelijkheid, zou dat God aan zichzelf niet hebben
onthouden ter wille van de Goddelijkheid? Was Izak meer dan Christus? En
zoomin als men vrede had met het offeren van een ram door Abraham, zoo
min had men vrede met het offeren van het lam Christus. Zij konden geen
vrede hebben met uitdrukkingen als in Joh: 6:53–57, luidende: „Tenzij dan
Nooit hadden de Harmonischen aan de verhevenheid van Christus en Zijn
leer getwijfeld. Hoewel vele geslachten vermeden hadden over de
leerstellingen zelve met elkaar te spreken, men elkaar verstaan had door den
stillen blik alleen en in en achter dien blik wist den levenden Jezus Christus,
zonder Wien geen goeds, schoons of redelijks ter wereld mogelijk is en in
Wien de menschheid gered is en eens verlost zal worden, kwam men nu met
het oog op het heil der volgende geslachten, er toe, te trachten uit het
Nieuwe Testament den nieuwen Christus te doen verrijzen.
Want men besefte, dat dit Nieuwe Testament, opgeschreven door menschen,
die zelf in barbaarsche tijden leefden en kinderen van hun tijd en hun
voorvaderen waren, niet voor de eeuwen onveranderd dienen kon. Zoo goed
als er heel veel omtrent Christus niet in was gezegd of uitgezegd, volgens
Joh. 21:25 luidende: „En daar zijn nog vele andere dingen, die Jezus gedaan
heeft, welke zoo ze elk bijzonder geschreven werden, ik achtte dat ook de
wereld zelve de geschreven boeken niet zoude bevatten,” zoo goed was er
veel omtrent [187]Christus in gezegd, dat de Harmonische menschheid niet
meer dienen kon. In Christus konden de Harmonischen wel het Lam Gods
zien, naar zijn onschuld en liefelijkheid, zoo hij ook van zich zelf getuigde,
dat hij alles van den mensch in zich had, maar niet het Lam Gods, dat
geofferd wordt. Zij konden niet meer gelooven in een God, den Vader, die
zijn zoon offert voor de menschheid. Abraham had het offeren van zijn kind
niet behoeven te volbrengen. Wat dan aan Abraham zou kwijtgescholden
zijn, ter wille van de menschelijkheid, zou dat God aan zichzelf niet hebben
onthouden ter wille van de Goddelijkheid? Was Izak meer dan Christus? En
zoomin als men vrede had met het offeren van een ram door Abraham, zoo
min had men vrede met het offeren van het lam Christus. Zij konden geen
vrede hebben met uitdrukkingen als in Joh: 6:53–57, luidende: „Tenzij dan
Page 163
dat gij het vleesch van den Zoon des menschen eet en zijn bloed drinkt, zoo
hebt gij geen leven in uzelve. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die
heeft het eeuwige leven en ik zal hem opwekken ten uitersten dage; want
mijn vleesch is waarlijk spijs en mijn bloed is waarlijk drank. Die mijn
vleesch eet en mijn bloed drinkt, die blijft in mij en ik in hem. Gelijkerwijs
mij de levende Vader gezonden heeft en ik leef door den Vader, alzoo die
mij eet, dezelve zal leven door mij.”
Deze kannibalen-beeldspraak kon niet meer dienen [188]in het Rijk der
Harmonischen, waar sedert vele geslachten geen andere dranken bekend
waren dan water, oliën en vruchtensappen. Ook was het vleesch niet meer
zoo zwak, verdoemd en de stinkende oorzaak van velerlei zonden bij de
Harmonischen. Want het onderscheid tusschen het vleesch en de ziel was
veel verminderd nu het vleesch des menschen, reiner en zuiverder was
geworden, niet meer opgebouwd uit dierlijk vleesch en dierlijke zuivel,
maar uit geurende planten en vruchten, zoodat als de kinderen buiten
speelden, de vlinders zich op hun handen zetten, aangetrokken door de
bloemengeur van hun rein vleesch. Zelfs de faecaliën hadden niet meer dien
verpestenden stank, uit het vleesch-etende tijdperk, waarin zij meer op die
van den leeuw of den tijger geleken hadden, dan op die van het schaap. Ja,
zelfs de gestorven lichamen van de Harmonischen hadden niet den
afschuwelijken reuk van de ontbindende lijken van de menschen uit het
vleescheters-tijdperk. Zij geleken op appels, die tot rotting overgingen. Men
ervoer, dat de wormsoort die vroeger elk lijk hadden verteerd, uitstierf, daar
hij niet tot ontwikkeling kon komen in niet met dierlijke stoffen gevoede
lichamen.
Men begon de woorden van de discipelen uit Joh. 6:60 te begrijpen,
zeggende: „Deze rede is hard, wie kan hetzelve hooren!” En het antwoord,
dat Christus zou gegeven hebben volgens Joh. 6:63: „De geest is het, die
levend maakt, het vleesch is [189]niets nut: de woorden die ik tot u spreek
zijn geest en leven” bevredigden niet geheel meer. Want wel kon verachting
van het vleesch des menschen begrijpelijk zijn in deze barbaarsche, oud-
hebt gij geen leven in uzelve. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die
heeft het eeuwige leven en ik zal hem opwekken ten uitersten dage; want
mijn vleesch is waarlijk spijs en mijn bloed is waarlijk drank. Die mijn
vleesch eet en mijn bloed drinkt, die blijft in mij en ik in hem. Gelijkerwijs
mij de levende Vader gezonden heeft en ik leef door den Vader, alzoo die
mij eet, dezelve zal leven door mij.”
Deze kannibalen-beeldspraak kon niet meer dienen [188]in het Rijk der
Harmonischen, waar sedert vele geslachten geen andere dranken bekend
waren dan water, oliën en vruchtensappen. Ook was het vleesch niet meer
zoo zwak, verdoemd en de stinkende oorzaak van velerlei zonden bij de
Harmonischen. Want het onderscheid tusschen het vleesch en de ziel was
veel verminderd nu het vleesch des menschen, reiner en zuiverder was
geworden, niet meer opgebouwd uit dierlijk vleesch en dierlijke zuivel,
maar uit geurende planten en vruchten, zoodat als de kinderen buiten
speelden, de vlinders zich op hun handen zetten, aangetrokken door de
bloemengeur van hun rein vleesch. Zelfs de faecaliën hadden niet meer dien
verpestenden stank, uit het vleesch-etende tijdperk, waarin zij meer op die
van den leeuw of den tijger geleken hadden, dan op die van het schaap. Ja,
zelfs de gestorven lichamen van de Harmonischen hadden niet den
afschuwelijken reuk van de ontbindende lijken van de menschen uit het
vleescheters-tijdperk. Zij geleken op appels, die tot rotting overgingen. Men
ervoer, dat de wormsoort die vroeger elk lijk hadden verteerd, uitstierf, daar
hij niet tot ontwikkeling kon komen in niet met dierlijke stoffen gevoede
lichamen.
Men begon de woorden van de discipelen uit Joh. 6:60 te begrijpen,
zeggende: „Deze rede is hard, wie kan hetzelve hooren!” En het antwoord,
dat Christus zou gegeven hebben volgens Joh. 6:63: „De geest is het, die
levend maakt, het vleesch is [189]niets nut: de woorden die ik tot u spreek
zijn geest en leven” bevredigden niet geheel meer. Want wel kon verachting
van het vleesch des menschen begrijpelijk zijn in deze barbaarsche, oud-
Page 164
Joodsche maatschappij, waar de ontucht zoo groot was, dat niet één uit het
volk de overspelige vrouw waagde te veroordeelen, maar in het
Harmonische Rijk had men het gereinigde vleesch van den mensch weer
leeren liefhebben en eeren. Het vleesch deed niet alleen geen zonden meer,
maar ook de begeerte er naar was uitgeroeid. Er was langzamerhand een
heilig menschengeslacht gekweekt, dat het middel niet tot doel had
gemaakt, maar waarbij de gedachten altijd waren gericht op het te komen
kind en het daaruit weer te komen kindskind—zoodat men in waarheid tot
een menschengeslacht was gekomen.
De tien geboden waren als zoodanig vergeten daar niemand de geboden
noodig had—men deed de verboden daden niet alleen niet, maar het besef,
dat men ze zou kunnen doen, ontbrak zelfs. Wie zou stelen, daar hij
arbeidde, altijd overvloed had en verzorgd bleef tot zijn dood, daarbij het
besef hebbende, dat alleen wie matig blijft, van overvloed geniet. Wie zou
doodslaan, waar men zelfs geen schaap doodde. Wie zou echtbreken, daar
men uit liefde huwen kon als men volwassen was en de eigen vrouw een
even harmonisch beeld van dienende liefde en duurzame aanvalligheid
vormde als de vrouw van den ander en geen vrouw gezien werd, niet
[190]omgeven door hare kinderen, gelijk een moedereend in de sloot gevolgd
door haar kiekens.
De geboden waren in den Harmonischen mensch tot werkelijkheden
geworden, in zijn gezuiverde onderbewustheid geworteld en men was geen
slachtoffer meer van de zonden van de voorgeslachten, maar vrucht van de
deugden der voorvaderen en voormoederen.
De zonde was overwonnen door den arbeid, zooals het begrip zonde
ontstaan was door de luiheid van den oosterling en de daaruit
voortspruitende stelsels van despotisme en slavernij. Van het oogenblik, dat
de arbeid erkend was geworden als de grootste zegen Gods (in stede van
den vloek Gods, zooals de luie slaaf had gemeend, die dat eens had
volk de overspelige vrouw waagde te veroordeelen, maar in het
Harmonische Rijk had men het gereinigde vleesch van den mensch weer
leeren liefhebben en eeren. Het vleesch deed niet alleen geen zonden meer,
maar ook de begeerte er naar was uitgeroeid. Er was langzamerhand een
heilig menschengeslacht gekweekt, dat het middel niet tot doel had
gemaakt, maar waarbij de gedachten altijd waren gericht op het te komen
kind en het daaruit weer te komen kindskind—zoodat men in waarheid tot
een menschengeslacht was gekomen.
De tien geboden waren als zoodanig vergeten daar niemand de geboden
noodig had—men deed de verboden daden niet alleen niet, maar het besef,
dat men ze zou kunnen doen, ontbrak zelfs. Wie zou stelen, daar hij
arbeidde, altijd overvloed had en verzorgd bleef tot zijn dood, daarbij het
besef hebbende, dat alleen wie matig blijft, van overvloed geniet. Wie zou
doodslaan, waar men zelfs geen schaap doodde. Wie zou echtbreken, daar
men uit liefde huwen kon als men volwassen was en de eigen vrouw een
even harmonisch beeld van dienende liefde en duurzame aanvalligheid
vormde als de vrouw van den ander en geen vrouw gezien werd, niet
[190]omgeven door hare kinderen, gelijk een moedereend in de sloot gevolgd
door haar kiekens.
De geboden waren in den Harmonischen mensch tot werkelijkheden
geworden, in zijn gezuiverde onderbewustheid geworteld en men was geen
slachtoffer meer van de zonden van de voorgeslachten, maar vrucht van de
deugden der voorvaderen en voormoederen.
De zonde was overwonnen door den arbeid, zooals het begrip zonde
ontstaan was door de luiheid van den oosterling en de daaruit
voortspruitende stelsels van despotisme en slavernij. Van het oogenblik, dat
de arbeid erkend was geworden als de grootste zegen Gods (in stede van
den vloek Gods, zooals de luie slaaf had gemeend, die dat eens had
Page 165
opgeschreven) was ook de oerbron van alle ondeugd en zonde, de luiheid,
gaan verdwijnen.
Zoo dan werd de Christusfiguur met liefdevolle zorg door de Harmonischen
ontdaan en bevrijd van de barbaarschheden, waarmede zijn eerste nog zoo
onvolmaakte beschrijvers, haar hadden belast. Men ontdeed het Nieuwe
Testament van alle verhalen omtrent de wonderen. Men voelde het als een
beleediging van den Christus, dat Hij nog andere wonderen zou hebben
gedaan dan het groote wonder der verkondiging van de dienende liefde als
levenswet. Het genezen van een blindgeborene, die naar het zeggen van
Johannes, levenslang blind zou geweest zijn, opdat eens Christus hem tot
een wonderdaad [191]zou kunnen gebruiken, werd als beleedigend voor de
Christus-Gedachte beschouwd. Want indien Christus één blinde zou
genezen hebben, zou hij alle blinden hebben genezen. En men had bij de
Harmonischen ervaren, dat degenen, die vroegen of de zoogenaamd door
Christus genezen blindgeborene door eigen schuld of de schuld der ouders,
door zijn gruwelijke kwaal was bezocht, iets van de oorzaak der blindheid
hadden voorgevoeld.
Want bij de Harmonischen was de blindheid onbekend. De kinderen
kwamen niet uit besmette moeders ter wereld en behoefden geen
zilvernitraat-desinfectie na de geboorte. De kinderen werden niet
gedwongen van het zesde tot het zes-en-twintigste jaar daags uren achtereen
te schrijven en te lezen. Men toefde niet tot diep in den nacht in
oververlichte ruimten. Men leefde niet in nauwe straten. Men verbleef niet
in door rook en roet bezwangerde kamer- of zaalatmosfeer. Men had niet de
zonden van onderbewustheid en bewustheid gestadig in den blik te
verbergen. Men gebruikte geen felle kleuren voor huisraad, kleeding of
plakaat.
Het oog van den mensch was zuiver, open, klaar en straalde
welwillendheid, vriendschap en liefde uit. Brillen waren overbodig en men
sleep geen lenzen. Want het oog zag scherp en ver en goed en men
gaan verdwijnen.
Zoo dan werd de Christusfiguur met liefdevolle zorg door de Harmonischen
ontdaan en bevrijd van de barbaarschheden, waarmede zijn eerste nog zoo
onvolmaakte beschrijvers, haar hadden belast. Men ontdeed het Nieuwe
Testament van alle verhalen omtrent de wonderen. Men voelde het als een
beleediging van den Christus, dat Hij nog andere wonderen zou hebben
gedaan dan het groote wonder der verkondiging van de dienende liefde als
levenswet. Het genezen van een blindgeborene, die naar het zeggen van
Johannes, levenslang blind zou geweest zijn, opdat eens Christus hem tot
een wonderdaad [191]zou kunnen gebruiken, werd als beleedigend voor de
Christus-Gedachte beschouwd. Want indien Christus één blinde zou
genezen hebben, zou hij alle blinden hebben genezen. En men had bij de
Harmonischen ervaren, dat degenen, die vroegen of de zoogenaamd door
Christus genezen blindgeborene door eigen schuld of de schuld der ouders,
door zijn gruwelijke kwaal was bezocht, iets van de oorzaak der blindheid
hadden voorgevoeld.
Want bij de Harmonischen was de blindheid onbekend. De kinderen
kwamen niet uit besmette moeders ter wereld en behoefden geen
zilvernitraat-desinfectie na de geboorte. De kinderen werden niet
gedwongen van het zesde tot het zes-en-twintigste jaar daags uren achtereen
te schrijven en te lezen. Men toefde niet tot diep in den nacht in
oververlichte ruimten. Men leefde niet in nauwe straten. Men verbleef niet
in door rook en roet bezwangerde kamer- of zaalatmosfeer. Men had niet de
zonden van onderbewustheid en bewustheid gestadig in den blik te
verbergen. Men gebruikte geen felle kleuren voor huisraad, kleeding of
plakaat.
Het oog van den mensch was zuiver, open, klaar en straalde
welwillendheid, vriendschap en liefde uit. Brillen waren overbodig en men
sleep geen lenzen. Want het oog zag scherp en ver en goed en men
Page 166
gevoelde, dat het gebruik van verrekijkers en hemelkijkers even onzedelijk
was als het gebruik van tooneelkijkers vroeger was geweest. Het verkeer
[192]had uitsluitend over het land plaats. Verafgelegen eilanden bleven
onbezocht. Want het bevaren van zeeën en oceanen zou er toe gedwongen
hebben, menschenlevens in gevaar te brengen. Men bracht den
menschenbroeder niet gaarne noodeloos in gevaar. God zou, zooals hij eens
de landen door oceanen gescheiden had, ze weer tot elkaar brengen als Hij
den tijd daartoe gekomen achtte. Zouden zij, de Harmonischen, die de
Harmonie in zich voelden, ontkennen, dat in de geheele schepping Gods,
harmonie was, al konden zij die bij hun beperkt menschelijk tijdsbegrip niet
omvamen? Naar Zijn Rhythme vormde Hij Die Het Rhythme was, de
landen en zeeën en die zeeën te willen overvaren, overbruggen of
ondertunnelen was dat Rhythme aantasten en zondig. Wie arbeidde op het
land, had de zee niet noodig.
Eilanden behoorden onbewoond te blijven en naar het vaste land trok men
te voet.
Het werd ook beleedigend voor de Christus-Idée geacht, dat Christus
dooden weder tot het leven zou hebben opgewekt. Niet twijfelde men er aan
dat Hij de macht daartoe had gehad en nog had en zou blijven hebben tot er
geen dood meer zou zijn, maar een eeuwig leven in God, doch wel, dat Hij
die Macht zou gebruikt hebben. Want de bekeering van dengeen, die door
het aanschouwen van een wonder de Waarheid Christi leerde erkennen, was
waardeloos. En wien God had weggenomen van de aarde, zou daar niet
wederkeeren. [193]
Ook het verhaal van de geheele lijdensgeschiedenis van Christus, achtte
men bij de Harmonischen in disharmonie met de Idée Christus. Indien zij al
plaats had gevonden, achtte men haar van weinig beteekenis. Alleen de
barbaarsche menschen uit het dierenetende tijdperk konden zooveel waarde
hechten aan de marteling en kruisiging van een persoon, die zijn
tijdsperiode zoovele eeuwen vooruit, het rhythmisch evenwicht verstoord
was als het gebruik van tooneelkijkers vroeger was geweest. Het verkeer
[192]had uitsluitend over het land plaats. Verafgelegen eilanden bleven
onbezocht. Want het bevaren van zeeën en oceanen zou er toe gedwongen
hebben, menschenlevens in gevaar te brengen. Men bracht den
menschenbroeder niet gaarne noodeloos in gevaar. God zou, zooals hij eens
de landen door oceanen gescheiden had, ze weer tot elkaar brengen als Hij
den tijd daartoe gekomen achtte. Zouden zij, de Harmonischen, die de
Harmonie in zich voelden, ontkennen, dat in de geheele schepping Gods,
harmonie was, al konden zij die bij hun beperkt menschelijk tijdsbegrip niet
omvamen? Naar Zijn Rhythme vormde Hij Die Het Rhythme was, de
landen en zeeën en die zeeën te willen overvaren, overbruggen of
ondertunnelen was dat Rhythme aantasten en zondig. Wie arbeidde op het
land, had de zee niet noodig.
Eilanden behoorden onbewoond te blijven en naar het vaste land trok men
te voet.
Het werd ook beleedigend voor de Christus-Idée geacht, dat Christus
dooden weder tot het leven zou hebben opgewekt. Niet twijfelde men er aan
dat Hij de macht daartoe had gehad en nog had en zou blijven hebben tot er
geen dood meer zou zijn, maar een eeuwig leven in God, doch wel, dat Hij
die Macht zou gebruikt hebben. Want de bekeering van dengeen, die door
het aanschouwen van een wonder de Waarheid Christi leerde erkennen, was
waardeloos. En wien God had weggenomen van de aarde, zou daar niet
wederkeeren. [193]
Ook het verhaal van de geheele lijdensgeschiedenis van Christus, achtte
men bij de Harmonischen in disharmonie met de Idée Christus. Indien zij al
plaats had gevonden, achtte men haar van weinig beteekenis. Alleen de
barbaarsche menschen uit het dierenetende tijdperk konden zooveel waarde
hechten aan de marteling en kruisiging van een persoon, die zijn
tijdsperiode zoovele eeuwen vooruit, het rhythmisch evenwicht verstoord
Page 167
had en daaraan noodzakelijker wijze ten gronde was gegaan. Christus zelf
kon aan marteling en kruisiging weinig beteekenis gehecht hebben. Hij wist
waar Hij vandaan kwam en waar Hij heen ging. Hij wist, dat het vervullen
van elke plicht en taak, ook de zwaarste zooals de Zijne, een voldoening
geeft welke sterker is dan de smart, zooals ook de voldoening door het
vervullen van de arbeidsplicht en taak verkregen, het gevoel van onlust doet
verdringen door het gevoel van lust. De Roeping overwint en vernietigt het
lijden, door het tot een hoogere vreugd te sublimeeren. Offeren is het
beginsel van alle leven, maar daardoor ook tevens de hoogere vreugde, die
de ontwikkeling des levens in zich omvat.
Zoo dan werd het verhaal van het lijden van Christus niet geschikt geacht
voor de opleiding in het Harmonische Rijk. Het altijd weer opnieuw
herhalen van de martel- en kruisigingsgeschiedenis, was telkens een
stimulans geweest voor de martel- [194]en moordzucht in den mensch. Het
werd als disharmonisch gevoeld, het lijden van Christus te verhalen, af te
beelden of te bezingen, daar dit een naar den geest herhalen en herscheppen
van dat lijden was en dus een anti-Christelijke, van moordzucht getuigende
en moordzucht wekkende daad, welke Christus zelf zeker tegengegaan zou
hebben.
De bestudeering van het Christendom, zijn ontstaan en zijn kenbronnen, in
verband met voor-Christelijke documenten, attributen, opgravingen, papyri,
spijkerschrifttafels werd eveneens gevoeld als een disharmonisch bedrijf en
van even weinig eerbied voor God en Zijn Boodschapper getuigend als het
onderzoeken van het firmament met behulp van kijkers.
En ten slotte kwam men tot de overtuiging, dat men den Christus niet beter
kon dienen, dan door inzichzelf zooveel mogelijk de Idée Christus te
ontwikkelen en Haar in zich op te nemen, zooals de tien geboden in de
psyche van de Harmonischen tot zuivere levensmanifestatie was geworden.
Toen dan werd aangenomen, dat Christus dient, wie Christus liefheeft en
dat degeen, die Hem het meeste liefheeft, Hem het meeste kan begrijpen.
kon aan marteling en kruisiging weinig beteekenis gehecht hebben. Hij wist
waar Hij vandaan kwam en waar Hij heen ging. Hij wist, dat het vervullen
van elke plicht en taak, ook de zwaarste zooals de Zijne, een voldoening
geeft welke sterker is dan de smart, zooals ook de voldoening door het
vervullen van de arbeidsplicht en taak verkregen, het gevoel van onlust doet
verdringen door het gevoel van lust. De Roeping overwint en vernietigt het
lijden, door het tot een hoogere vreugd te sublimeeren. Offeren is het
beginsel van alle leven, maar daardoor ook tevens de hoogere vreugde, die
de ontwikkeling des levens in zich omvat.
Zoo dan werd het verhaal van het lijden van Christus niet geschikt geacht
voor de opleiding in het Harmonische Rijk. Het altijd weer opnieuw
herhalen van de martel- en kruisigingsgeschiedenis, was telkens een
stimulans geweest voor de martel- [194]en moordzucht in den mensch. Het
werd als disharmonisch gevoeld, het lijden van Christus te verhalen, af te
beelden of te bezingen, daar dit een naar den geest herhalen en herscheppen
van dat lijden was en dus een anti-Christelijke, van moordzucht getuigende
en moordzucht wekkende daad, welke Christus zelf zeker tegengegaan zou
hebben.
De bestudeering van het Christendom, zijn ontstaan en zijn kenbronnen, in
verband met voor-Christelijke documenten, attributen, opgravingen, papyri,
spijkerschrifttafels werd eveneens gevoeld als een disharmonisch bedrijf en
van even weinig eerbied voor God en Zijn Boodschapper getuigend als het
onderzoeken van het firmament met behulp van kijkers.
En ten slotte kwam men tot de overtuiging, dat men den Christus niet beter
kon dienen, dan door inzichzelf zooveel mogelijk de Idée Christus te
ontwikkelen en Haar in zich op te nemen, zooals de tien geboden in de
psyche van de Harmonischen tot zuivere levensmanifestatie was geworden.
Toen dan werd aangenomen, dat Christus dient, wie Christus liefheeft en
dat degeen, die Hem het meeste liefheeft, Hem het meeste kan begrijpen.
Page 168
De weg tot Het Begrip werd gevonden in de dienende liefde. [195]
Page 169
[Inhoud]
Page 170
XXIII.
„Zooals gij ze nu hier ziet, Horatio, zijn zij op het toppunt van hun bloei.”
„Dus zij ook zullen ondergaan, ondanks hun hoogen trap van psychische
ontwikkeling en gemoedsbeschaving?”
„Ook zij zullen over het toppunt heen komen en ondergaan. Ik zal u naar
een verder tijdperk van de toekomstige ontwikkeling der menschheid op
aarde voeren. Kom mede, mijn vriend en volg mij.”
Het was prof. Leyden of hij thans de wereld in een verschiet van geelgroen
licht zag. Maar overigens vond hij niet veel verschil in de landstreek.
„Dit zijn nog altijd de Harmonischen, niet waar Eumenia? Ten minste, ik
zie nog dezelfde groote huizen, dezelfde boomgaarden, hoewel nu in den
herfst en zwaar met vruchten beladen. Dezelfde moestuinen, siertuinen,
windmolens, gecultiveerde landen, schaapskudden en bosschen. Is het de
herfst, welke de sfeer zoo geel maakt?”
„Het is herfst nu mijn vriend. Maar deze herfst is honderden jaren na de
lente, welke gij te voren zaagt. De seconden-tikslag van uw aardsch horloge
klopt anders dan die van de jaren en de eeuwen. [196]Toch is het u maar een
verschil van tijdsgevoel.
„Gij vraagt of het nog de Harmonischen zijn. Inderdaad, in naam zijn ze het
nog en zij meenen zelve ook nog, dat zij het zijn. Maar in waarheid vormen
zij slechts de versteende traditie van instellingen, die eens levende en
bloeiende waren. Uiterlijk is alles nog zoo als in den tijd van den grooten
bloei van het Harmonische Rijk. Innerlijk is de ziel verdord.”
„Zooals gij ze nu hier ziet, Horatio, zijn zij op het toppunt van hun bloei.”
„Dus zij ook zullen ondergaan, ondanks hun hoogen trap van psychische
ontwikkeling en gemoedsbeschaving?”
„Ook zij zullen over het toppunt heen komen en ondergaan. Ik zal u naar
een verder tijdperk van de toekomstige ontwikkeling der menschheid op
aarde voeren. Kom mede, mijn vriend en volg mij.”
Het was prof. Leyden of hij thans de wereld in een verschiet van geelgroen
licht zag. Maar overigens vond hij niet veel verschil in de landstreek.
„Dit zijn nog altijd de Harmonischen, niet waar Eumenia? Ten minste, ik
zie nog dezelfde groote huizen, dezelfde boomgaarden, hoewel nu in den
herfst en zwaar met vruchten beladen. Dezelfde moestuinen, siertuinen,
windmolens, gecultiveerde landen, schaapskudden en bosschen. Is het de
herfst, welke de sfeer zoo geel maakt?”
„Het is herfst nu mijn vriend. Maar deze herfst is honderden jaren na de
lente, welke gij te voren zaagt. De seconden-tikslag van uw aardsch horloge
klopt anders dan die van de jaren en de eeuwen. [196]Toch is het u maar een
verschil van tijdsgevoel.
„Gij vraagt of het nog de Harmonischen zijn. Inderdaad, in naam zijn ze het
nog en zij meenen zelve ook nog, dat zij het zijn. Maar in waarheid vormen
zij slechts de versteende traditie van instellingen, die eens levende en
bloeiende waren. Uiterlijk is alles nog zoo als in den tijd van den grooten
bloei van het Harmonische Rijk. Innerlijk is de ziel verdord.”
Page 171
„Is in hen dan de Christus Idée niet levend gebleven en heeft zij zich ook in
hen niet verder ontwikkeld?”
„Mijn lieve vriend, ik kan u daarop niet veel antwoorden. Want ook ik ben
nog wordende en niet gaarne zou ik mijn eigen ontwikkeling vertragen,
door van meer te willen getuigen dan ik kan en mag. Maar wat ik weet, zal
ik u mededeelen. De eerste teekenen van den ondergang der Harmonischen
vertoonden zich als een ongewone voorspoedigheid. De zorgvuldige
opvoeding en opleiding door het voorgeslacht van het nageslacht had ten
gevolge, dat dit nageslacht een zeldzame graad van volkomenheid bereikte.
De kinderen behoefden bijna niets meer te leeren. Alles scheen hun
ingeboren. Zooals eens vroeger de menschen zich tot ware monsters van
intelligentie hadden ontwikkeld, omdat geslacht na geslacht, intelligentie
als het hoogst bereikbare voor den mensch had beschouwd, ontwikkelden
de menschen zich nu tot ware monsters, [197]als ik het zoo zeggen mag, van
intuïtie. De vaardigheid reeds van kleine meisjes in het weven, breien en de
sierkunsten, van de jongens in het timmeren, bouwen en allen landarbeid
was buitengemeen. Vroeger waren er nog wel eens jaren van misoogst
geweest, waardoor dan ’s winters geteerd werd op geconfijte, ingemaakte of
gejamde voorraden. Maar thans was het opkomende geslacht zoover in de
oogstbouw, dat er ondanks ongunstige klimaatgesteldheden, toch elk jaar
rijke oogsten werden binnengehaald. Zoo werden bijvoorbeeld, wanneer het
voorjaar te vroeg warm werd, de bloesems zich vertoonden voor den tijd,
dat de nachtvorsten niet meer gevreesd behoefden te worden, alle
boomgaarden overdekt met in, uit suiker en aardappelmeel bereide, gelatine
gedoopte tulle. Aldus werd de koude geweerd en toch het licht niet
afgesloten en voorkomen, dat dagregens of nachtdauw op de bloesems
bevroren en ze zoo voortijdig zouden doen afvallen of dooden. De vele
vogels zorgden, dat de schadelijke insecten beperkt bleven. Ten aanzien van
de verzorging van de vruchtboomen, maar ook de boomen van de bosschen,
kregen de menschen een soort intuïtief begrijpen, dat het beste vergeleken
kon worden met het begrip voor de nooden van het dier, dat voor 1950
sommige vee- en paardenfokkers bezaten. Het was alsof tusschen de psyche
hen niet verder ontwikkeld?”
„Mijn lieve vriend, ik kan u daarop niet veel antwoorden. Want ook ik ben
nog wordende en niet gaarne zou ik mijn eigen ontwikkeling vertragen,
door van meer te willen getuigen dan ik kan en mag. Maar wat ik weet, zal
ik u mededeelen. De eerste teekenen van den ondergang der Harmonischen
vertoonden zich als een ongewone voorspoedigheid. De zorgvuldige
opvoeding en opleiding door het voorgeslacht van het nageslacht had ten
gevolge, dat dit nageslacht een zeldzame graad van volkomenheid bereikte.
De kinderen behoefden bijna niets meer te leeren. Alles scheen hun
ingeboren. Zooals eens vroeger de menschen zich tot ware monsters van
intelligentie hadden ontwikkeld, omdat geslacht na geslacht, intelligentie
als het hoogst bereikbare voor den mensch had beschouwd, ontwikkelden
de menschen zich nu tot ware monsters, [197]als ik het zoo zeggen mag, van
intuïtie. De vaardigheid reeds van kleine meisjes in het weven, breien en de
sierkunsten, van de jongens in het timmeren, bouwen en allen landarbeid
was buitengemeen. Vroeger waren er nog wel eens jaren van misoogst
geweest, waardoor dan ’s winters geteerd werd op geconfijte, ingemaakte of
gejamde voorraden. Maar thans was het opkomende geslacht zoover in de
oogstbouw, dat er ondanks ongunstige klimaatgesteldheden, toch elk jaar
rijke oogsten werden binnengehaald. Zoo werden bijvoorbeeld, wanneer het
voorjaar te vroeg warm werd, de bloesems zich vertoonden voor den tijd,
dat de nachtvorsten niet meer gevreesd behoefden te worden, alle
boomgaarden overdekt met in, uit suiker en aardappelmeel bereide, gelatine
gedoopte tulle. Aldus werd de koude geweerd en toch het licht niet
afgesloten en voorkomen, dat dagregens of nachtdauw op de bloesems
bevroren en ze zoo voortijdig zouden doen afvallen of dooden. De vele
vogels zorgden, dat de schadelijke insecten beperkt bleven. Ten aanzien van
de verzorging van de vruchtboomen, maar ook de boomen van de bosschen,
kregen de menschen een soort intuïtief begrijpen, dat het beste vergeleken
kon worden met het begrip voor de nooden van het dier, dat voor 1950
sommige vee- en paardenfokkers bezaten. Het was alsof tusschen de psyche
Page 172
van den mensch en van den boom een zekere intuïtieve verstandhouding
was gekomen. Men voelde, wat de [198]boom vroeg, wilde, verlangde, wat
hem deerde, wat hem bedreigde, wat hem lastig of wat hem aangenaam
was.
„En deze eigenschappen waren niet individueel maar communeel. Elkeen
had ze. Ook was het merkwaardig, hoe alle kinderen op elkaar gingen
gelijken. Ze hadden allen denzelfden bouw, dezelfde kleuren van haren en
oogen, hetzelfde soort geluid, dezelfde zangstemmen, zoodat zelfs de
vaders en moeders moeite begonnen te ondervinden, hun kinderen van
andermanskinderen te onderscheiden. Toen deze elkaar gelijkende
geslachten voort bleven gaan, op dezelfde wijze te voelen, te denken, te
eten, te drinken, te spelen, te leeren, te arbeiden, te zingen, zich te
vermaken, kwam er een doodende eenvormigheid in het Harmonische Rijk.
Maar daar in ieder persoon de persoonlijkheid het eigene had verloren,
merkte men dit niet. De menschenwereld begon te gelijken op de
mierenwereld. Een groote zorg voor het nageslacht bleef den menschen
kenmerken. Arbeiden was ieders lust en leven. Maar alles geschiedde
mechanisch en zooals vroeger het intellect, de „automatica” en de
automatische menschen had geschapen, zoo schiep nu de intuïtie, een
innerlijke automatische mechaniek, welke in haar gevolgen even noodlottig
werd.
„Want de geslachten kwamen niet meer tot verdere ontwikkeling. Het
waren eindelooze herhalingen van dezelfde soort op elkaar gelijkende
menschelijke [199]wezens, die hun levens in een droomtoestand doorleefden.
„Het geheele „Rijk der Harmonischen” was zooals eens de Oud Egyptische
rijken als de dood in de pot. En inderdaad werden mannen en vrouwen,
meisjes en jongens, zoo passief, dat het vermogen ging ontbreken zich aan
veranderde uiterlijke omstandigheden aan te passen. Men deed alles precies
zoo als de voorvaderen het gedaan hadden. De gezangen waren als formules
was gekomen. Men voelde, wat de [198]boom vroeg, wilde, verlangde, wat
hem deerde, wat hem bedreigde, wat hem lastig of wat hem aangenaam
was.
„En deze eigenschappen waren niet individueel maar communeel. Elkeen
had ze. Ook was het merkwaardig, hoe alle kinderen op elkaar gingen
gelijken. Ze hadden allen denzelfden bouw, dezelfde kleuren van haren en
oogen, hetzelfde soort geluid, dezelfde zangstemmen, zoodat zelfs de
vaders en moeders moeite begonnen te ondervinden, hun kinderen van
andermanskinderen te onderscheiden. Toen deze elkaar gelijkende
geslachten voort bleven gaan, op dezelfde wijze te voelen, te denken, te
eten, te drinken, te spelen, te leeren, te arbeiden, te zingen, zich te
vermaken, kwam er een doodende eenvormigheid in het Harmonische Rijk.
Maar daar in ieder persoon de persoonlijkheid het eigene had verloren,
merkte men dit niet. De menschenwereld begon te gelijken op de
mierenwereld. Een groote zorg voor het nageslacht bleef den menschen
kenmerken. Arbeiden was ieders lust en leven. Maar alles geschiedde
mechanisch en zooals vroeger het intellect, de „automatica” en de
automatische menschen had geschapen, zoo schiep nu de intuïtie, een
innerlijke automatische mechaniek, welke in haar gevolgen even noodlottig
werd.
„Want de geslachten kwamen niet meer tot verdere ontwikkeling. Het
waren eindelooze herhalingen van dezelfde soort op elkaar gelijkende
menschelijke [199]wezens, die hun levens in een droomtoestand doorleefden.
„Het geheele „Rijk der Harmonischen” was zooals eens de Oud Egyptische
rijken als de dood in de pot. En inderdaad werden mannen en vrouwen,
meisjes en jongens, zoo passief, dat het vermogen ging ontbreken zich aan
veranderde uiterlijke omstandigheden aan te passen. Men deed alles precies
zoo als de voorvaderen het gedaan hadden. De gezangen waren als formules
Page 173
geworden. De gebeden werden opgezegd, mechanisch zooals de opgezette
bromtol, bromt en afloopt.” [200]
bromtol, bromt en afloopt.” [200]
Page 174
[Inhoud]
Page 175
XXIV.
Toen begon een vreemde ziekte in het „Rijk der Harmonischen” te
heerschen. Het geheugen, het vermogen van den mensch om gebeurtenissen
uit het verleden te bewaren, scheidde zich van het vermogen om die
gebeurtenissen met oordeel des onderscheids te rangschikken en aan nieuwe
gebeurtenissen te toetsen. Deze ziekte kwam over alle bewoners te gelijk op
dezelfde manier. Men was alleen nog in staat, dat te doen wat men intuïtief
kon volbrengen. Zoo kon men niet verder en in geen andere richting loopen,
dan vader en moeder hadden geloopen. Men kon geen andere bewegingen
meer maken, dan vader en moeder hadden verricht. Men verloor het gevoel
der persoonlijkheid en men moest het woord „ik” gaan vervangen door
„wij”, omdat men het besef van het begrip „ik” niet meer had. Alle
enkelvoudsvormen verdwenen uit de taal en men sprak nog alleen in
meervoudsvorm. Daarna volgde de onmogelijkheid om alleen iets te doen
of te ondernemen—zelfs niet te eten of te drinken. Als ze op ’t land
werkten, hielden allen op een zeker oogenblik tegelijk op en gingen
gezamenlijk drinken, hielden tegelijk weder met drinken op en werkten
[201]weder gelijkelijk. Men trouwde zonder liefde, zonder genegenheid,
zonder voorkeur. Daartoe geleken allen te veel op elkaar, innerlijk en
uiterlijk. De kinderen der gezinnen konden verwisseld worden, zonder dat
de moeders het merkten. Men werd steeds spaarzamer met woorden, daar
ieder al te voren van den ander wist, wat hij zou zeggen of opmerken,
zooals dat voor 1950 wel eens bij de leden van zeer oude huwelijksparen
het geval was geweest, die in harmonie leefden en niet door kijfpartijen
elkaars vitaliteit opwekten!
Daar de vrouwen allen gelijkelijk tot de uiterste vrouwelijkheid waren
ontwikkeld, ontbrak tusschen de vrouwen onderling de persoonlijkheid
ontwikkelende wedijver, zoodat alle meisjes en vrouwen van dezelfde
Toen begon een vreemde ziekte in het „Rijk der Harmonischen” te
heerschen. Het geheugen, het vermogen van den mensch om gebeurtenissen
uit het verleden te bewaren, scheidde zich van het vermogen om die
gebeurtenissen met oordeel des onderscheids te rangschikken en aan nieuwe
gebeurtenissen te toetsen. Deze ziekte kwam over alle bewoners te gelijk op
dezelfde manier. Men was alleen nog in staat, dat te doen wat men intuïtief
kon volbrengen. Zoo kon men niet verder en in geen andere richting loopen,
dan vader en moeder hadden geloopen. Men kon geen andere bewegingen
meer maken, dan vader en moeder hadden verricht. Men verloor het gevoel
der persoonlijkheid en men moest het woord „ik” gaan vervangen door
„wij”, omdat men het besef van het begrip „ik” niet meer had. Alle
enkelvoudsvormen verdwenen uit de taal en men sprak nog alleen in
meervoudsvorm. Daarna volgde de onmogelijkheid om alleen iets te doen
of te ondernemen—zelfs niet te eten of te drinken. Als ze op ’t land
werkten, hielden allen op een zeker oogenblik tegelijk op en gingen
gezamenlijk drinken, hielden tegelijk weder met drinken op en werkten
[201]weder gelijkelijk. Men trouwde zonder liefde, zonder genegenheid,
zonder voorkeur. Daartoe geleken allen te veel op elkaar, innerlijk en
uiterlijk. De kinderen der gezinnen konden verwisseld worden, zonder dat
de moeders het merkten. Men werd steeds spaarzamer met woorden, daar
ieder al te voren van den ander wist, wat hij zou zeggen of opmerken,
zooals dat voor 1950 wel eens bij de leden van zeer oude huwelijksparen
het geval was geweest, die in harmonie leefden en niet door kijfpartijen
elkaars vitaliteit opwekten!
Daar de vrouwen allen gelijkelijk tot de uiterste vrouwelijkheid waren
ontwikkeld, ontbrak tusschen de vrouwen onderling de persoonlijkheid
ontwikkelende wedijver, zoodat alle meisjes en vrouwen van dezelfde
Page 176
onderworpen, passieve, weeke zachtaardigheid waren geworden en den
man geen prikkel tot verovering gaven noch de voldoening eener
overwinning schonken. Daar de mannen allen gelijkelijk tot de uiterste
mannelijkheid waren ontwikkeld, was er geen wederzijdsche, slechts
gemeenschappelijke oefening van geest en lichaam mogelijk geworden. En
wijl de vrouw geen belooning was voor uitnemendheid of ongewone
krachtsinspanning, bleven de mannen allen gelijkmatig en phlegmatiek.
Omdat alle persoonlijkheid was gaan ontbreken, ontbraken ook alle daden
uit de persoonlijkheid voortkomend. Niemand zondigde persoonlijk, maar
[202]niemand deed ook persoonlijk iets goeds. Men had slechts communeele
deugden. Thans bleek waarom, wat vroeger onverklaarbaar was geweest,
aan Satan op aarde zooveel macht was gegeven. Alleen door een
persoonlijken strijd tegen Satan, kon zich de mensch immers van uit de vele
geroepenen tot een der weinige uitverkorenen opwerken. Zonder
persoonlijke zonde en de persoonlijke bestrijding daarvan, geen
persoonlijke deugd. Hooger leven kan zich slechts ontwikkelen door
persoonlijk de verzoeking te weerstaan en alleen in de worsteling met
Satan, kan de hoogere mensch geboren worden, de individueele mensch, die
de zwakken met zijn kracht dan kan steunen en voorthelpen, zelfs zoo die
zwakken zich in wanbegrip communeel tegen hem vereenigen. De held, de
kruisdrager voor de zwakheid en zonde der anderen, de Verlosser en
daardoor de Zaligmaker, het offer, het lam Gods, bleek noodzakelijk voor
het voortbestaan en zich verheffen van den individueelen mensch.
De menschen werden in het Harmonische Rijk allen telepathen, daar de
communeele ziel de lichamelijke scheidingen, had overbrugd.
Toen kwamen er geslachten, die slechts eensylbige woorden gingen
spreken. Daarna geslachten, die slechts weinige klanken uitten. Ten laatste
geslachten, die evenals de boomen en de planten, geluidloos leefden en
doofstom werden. Men begreep elkaar voldoende door het aanvoelen en
den blik der groote, open, [203]klare, eenvoudige, argelooze, maar verwezen
man geen prikkel tot verovering gaven noch de voldoening eener
overwinning schonken. Daar de mannen allen gelijkelijk tot de uiterste
mannelijkheid waren ontwikkeld, was er geen wederzijdsche, slechts
gemeenschappelijke oefening van geest en lichaam mogelijk geworden. En
wijl de vrouw geen belooning was voor uitnemendheid of ongewone
krachtsinspanning, bleven de mannen allen gelijkmatig en phlegmatiek.
Omdat alle persoonlijkheid was gaan ontbreken, ontbraken ook alle daden
uit de persoonlijkheid voortkomend. Niemand zondigde persoonlijk, maar
[202]niemand deed ook persoonlijk iets goeds. Men had slechts communeele
deugden. Thans bleek waarom, wat vroeger onverklaarbaar was geweest,
aan Satan op aarde zooveel macht was gegeven. Alleen door een
persoonlijken strijd tegen Satan, kon zich de mensch immers van uit de vele
geroepenen tot een der weinige uitverkorenen opwerken. Zonder
persoonlijke zonde en de persoonlijke bestrijding daarvan, geen
persoonlijke deugd. Hooger leven kan zich slechts ontwikkelen door
persoonlijk de verzoeking te weerstaan en alleen in de worsteling met
Satan, kan de hoogere mensch geboren worden, de individueele mensch, die
de zwakken met zijn kracht dan kan steunen en voorthelpen, zelfs zoo die
zwakken zich in wanbegrip communeel tegen hem vereenigen. De held, de
kruisdrager voor de zwakheid en zonde der anderen, de Verlosser en
daardoor de Zaligmaker, het offer, het lam Gods, bleek noodzakelijk voor
het voortbestaan en zich verheffen van den individueelen mensch.
De menschen werden in het Harmonische Rijk allen telepathen, daar de
communeele ziel de lichamelijke scheidingen, had overbrugd.
Toen kwamen er geslachten, die slechts eensylbige woorden gingen
spreken. Daarna geslachten, die slechts weinige klanken uitten. Ten laatste
geslachten, die evenals de boomen en de planten, geluidloos leefden en
doofstom werden. Men begreep elkaar voldoende door het aanvoelen en
den blik der groote, open, [203]klare, eenvoudige, argelooze, maar verwezen
Page 177
oogen. Het besef van den dood ging verdwijnen. Men stierf zooals men
ademhaalde, mechanisch, zonder vrees of verlangen. Niet anders dan zooals
een mier sterft in een mierenhoop.
Als gezinnen uitstierven, bleven de huizen onbewoond, want de jongeren
trokken volgens de verstarde traditie, altijd verder en bouwden nieuwe
woningen, ontgonnen nieuw land, legden nieuwe boomgaarden aan, die
precies op de vorige geleken.
En de leege huizen namen steeds in aantal toe, werden eerst aan de uiterste
grenzen, toen telkens meer binnenwaarts, in beslag genomen door de ratten,
de ratten, die de voorraden opvraten, zich vermeerderden, ongedierte en
ziekten medebrachten.
De Harmonischen wisten geen middel om ze te verdrijven. Ze trokken er
zelfs niet voor terug. Want zij hadden vergeten, hoe het sluipgas moest
gebruikt worden, zooals zij alles vergeten hadden, wat niet door hun
voorvaderen was onthouden.
En steeds meer trokken de nieuwe geslachten verder oostwaarts, het westen
aan de zich altijd meer vermeerderende ratten overlatend, die grooter
werden van stuk, gevaarlijker, driester.…
Altijd maar meer ratten, groote, griezelige ratten, die opkropen tegen de
teenen, langs het lichaam, met kleine, snelle treedjes der roze, genagelde
pootjes en dan met snuffelende neusjes tot de keel kwamen, [204]de bekken
met de fijne tandjes openden, zich in de keel der menschen vastbeten en dan
bloed begonnen te zuigen, zoet menschenbloed, dat een vreemde geur had
van vruchten, specerijen, en narcotica.… [205]
ademhaalde, mechanisch, zonder vrees of verlangen. Niet anders dan zooals
een mier sterft in een mierenhoop.
Als gezinnen uitstierven, bleven de huizen onbewoond, want de jongeren
trokken volgens de verstarde traditie, altijd verder en bouwden nieuwe
woningen, ontgonnen nieuw land, legden nieuwe boomgaarden aan, die
precies op de vorige geleken.
En de leege huizen namen steeds in aantal toe, werden eerst aan de uiterste
grenzen, toen telkens meer binnenwaarts, in beslag genomen door de ratten,
de ratten, die de voorraden opvraten, zich vermeerderden, ongedierte en
ziekten medebrachten.
De Harmonischen wisten geen middel om ze te verdrijven. Ze trokken er
zelfs niet voor terug. Want zij hadden vergeten, hoe het sluipgas moest
gebruikt worden, zooals zij alles vergeten hadden, wat niet door hun
voorvaderen was onthouden.
En steeds meer trokken de nieuwe geslachten verder oostwaarts, het westen
aan de zich altijd meer vermeerderende ratten overlatend, die grooter
werden van stuk, gevaarlijker, driester.…
Altijd maar meer ratten, groote, griezelige ratten, die opkropen tegen de
teenen, langs het lichaam, met kleine, snelle treedjes der roze, genagelde
pootjes en dan met snuffelende neusjes tot de keel kwamen, [204]de bekken
met de fijne tandjes openden, zich in de keel der menschen vastbeten en dan
bloed begonnen te zuigen, zoet menschenbloed, dat een vreemde geur had
van vruchten, specerijen, en narcotica.… [205]
Page 178
[Inhoud]
Page 179
Besluit.
Het eerste wat professor Leyden, toen hij de oogen opende bemerkte, waren
de zusters Maria en Martha, dezelfde brave, trouwe verpleegsters, die
samen al de vele dagen van zijn bewusteloosheid aan zijn ziekbed bij hem
hadden gewaakt en voor hem gezorgd.
Hij sloot de oogen vermoeid, opende ze na een poosje en een zachte
glimlach gleed streelend langs zijn mond, een zachte glimlach van geluk en
herkenning.
Want voor zijn bed stonden drie zijner collega’s.… zijn collega’s, zijn echte,
echte collega’s, professoren van de faculteit der medische wetenschappen
van de universiteit der stad Leiden.
„Hij heeft ons herkend en geglimlacht!” riep de oudste collega verheugd.
Het was de collega, die de apenklieren in zijn lichaam had geplaatst.
„Hij is behouden!” zeide de tweede collega, die hem gedurende den langen
narcose toestand had geobserveerd en behandeld.
„Hij zal een „otium cum dignitate” kunnen genieten, mijn dappere, humane
en geleerde voorganger,” zeide de derde collega, die op het denkbeeld
[206]was gekomen, de apenklieren weer uit het lichaam van zijn collega te
verwijderen, waarna de ziel van professor Leyden, het lichaam bevrijd
vindend van de levende, dierlijke psyche, weder in het lichaam tot
bewustheid was kunnen geraken, wat het terugkeeren tot het bewustzijn, het
ontwaken uit de narcose, ten gevolge had gehad. Deze derde collega was te
Amsterdam tot professor benoemd, met één stem meerderheid, die van den
edelachtbaren heer P. Utjesschepper, tot lid van den gemeenteraad gekozen
met het hoogste aantal stemmen. Thans hoopte hij op een welverdiende
Het eerste wat professor Leyden, toen hij de oogen opende bemerkte, waren
de zusters Maria en Martha, dezelfde brave, trouwe verpleegsters, die
samen al de vele dagen van zijn bewusteloosheid aan zijn ziekbed bij hem
hadden gewaakt en voor hem gezorgd.
Hij sloot de oogen vermoeid, opende ze na een poosje en een zachte
glimlach gleed streelend langs zijn mond, een zachte glimlach van geluk en
herkenning.
Want voor zijn bed stonden drie zijner collega’s.… zijn collega’s, zijn echte,
echte collega’s, professoren van de faculteit der medische wetenschappen
van de universiteit der stad Leiden.
„Hij heeft ons herkend en geglimlacht!” riep de oudste collega verheugd.
Het was de collega, die de apenklieren in zijn lichaam had geplaatst.
„Hij is behouden!” zeide de tweede collega, die hem gedurende den langen
narcose toestand had geobserveerd en behandeld.
„Hij zal een „otium cum dignitate” kunnen genieten, mijn dappere, humane
en geleerde voorganger,” zeide de derde collega, die op het denkbeeld
[206]was gekomen, de apenklieren weer uit het lichaam van zijn collega te
verwijderen, waarna de ziel van professor Leyden, het lichaam bevrijd
vindend van de levende, dierlijke psyche, weder in het lichaam tot
bewustheid was kunnen geraken, wat het terugkeeren tot het bewustzijn, het
ontwaken uit de narcose, ten gevolge had gehad. Deze derde collega was te
Amsterdam tot professor benoemd, met één stem meerderheid, die van den
edelachtbaren heer P. Utjesschepper, tot lid van den gemeenteraad gekozen
met het hoogste aantal stemmen. Thans hoopte hij op een welverdiende
Page 180
promotie naar Leiden, ter vervulling van de vacature ontstaan wegens het
bereiken van den 70 jarigen leeftijd door prof. Leyden.
Want de juridische faculteit als gewoonlijk, won haar pleit. Prof. Leyden
herstelde langzaam, maar hij herstelde. Toen men hem mededeelde, dat hij
slechts eenige dagen en nachten achtereen onder narcose was gebleven,
verwonderde hij zich eerst, maar hij had te veel in zijn narcose-toestand
vernomen omtrent de zonderlinge mogelijkheden van veranderd tijdsbesef
en tijdsbewustzijn, dan dat die verwondering lang duurde.
Zijn eervol ontslag was vergezeld van zijn benoeming tot ridder in de orde
van den Nederlandschen Leeuw en een pensioen, waarmee zelfs een
opperman als loon zou tevreden zijn geweest en welks bedrag hij zich eerst
[207]liet aanleunen, nadat door den Minister aan professor persoonlijk was
medegedeeld, dat ook de Rekenkamer er vrede mede had, daar men hem als
een opper-man der medische wetenschap had wenschen te beschouwen. Nu
gevoelde prof. Leyden zich gelukkig gestemd. En als alle gelukkige
menschen, het goede betrachtend naar beste weten, besloot hij mèt het
afstand doen van zijn professoraat, als medicus zijn animositeit tegen de
juridische faculteit te laten varen.
En zijn verdere levensjaren te wijden aan het eenige, dat hij meende met
een goed geweten te kunnen doen, ten einde hier op aarde als mensch zijn
menschelijke plicht te vervullen.…
Te trachten, in zijn particuliere praktijk te komen tot het jubileum-getal, de
formule der formules:
200000
behandelde
patiënten
bereiken van den 70 jarigen leeftijd door prof. Leyden.
Want de juridische faculteit als gewoonlijk, won haar pleit. Prof. Leyden
herstelde langzaam, maar hij herstelde. Toen men hem mededeelde, dat hij
slechts eenige dagen en nachten achtereen onder narcose was gebleven,
verwonderde hij zich eerst, maar hij had te veel in zijn narcose-toestand
vernomen omtrent de zonderlinge mogelijkheden van veranderd tijdsbesef
en tijdsbewustzijn, dan dat die verwondering lang duurde.
Zijn eervol ontslag was vergezeld van zijn benoeming tot ridder in de orde
van den Nederlandschen Leeuw en een pensioen, waarmee zelfs een
opperman als loon zou tevreden zijn geweest en welks bedrag hij zich eerst
[207]liet aanleunen, nadat door den Minister aan professor persoonlijk was
medegedeeld, dat ook de Rekenkamer er vrede mede had, daar men hem als
een opper-man der medische wetenschap had wenschen te beschouwen. Nu
gevoelde prof. Leyden zich gelukkig gestemd. En als alle gelukkige
menschen, het goede betrachtend naar beste weten, besloot hij mèt het
afstand doen van zijn professoraat, als medicus zijn animositeit tegen de
juridische faculteit te laten varen.
En zijn verdere levensjaren te wijden aan het eenige, dat hij meende met
een goed geweten te kunnen doen, ten einde hier op aarde als mensch zijn
menschelijke plicht te vervullen.…
Te trachten, in zijn particuliere praktijk te komen tot het jubileum-getal, de
formule der formules:
200000
behandelde
patiënten
Page 181
Want dit was de overtuiging, die prof. Leyden uit zijn ervaringen in het rijk
van de narcose had verkregen, dat elke menschenmaatschappij op zichzelve
volmaakt is, waarin ieder mensch persoonlijk naar beste krachten tot zijn
einde, in dienende liefde arbeidend, zijn plicht vervult als een roeping! [208]
van de narcose had verkregen, dat elke menschenmaatschappij op zichzelve
volmaakt is, waarin ieder mensch persoonlijk naar beste krachten tot zijn
einde, in dienende liefde arbeidend, zijn plicht vervult als een roeping! [208]
Page 182
[Inhoud]
VAN DENZELFDEN SCHRIJVER VERSCHEEN:
VAN DENZELFDEN SCHRIJVER VERSCHEEN:
Page 183
EEN DROOMER
TER HARINGVANGST
DOOR
BERNARD CANTER
TWEEDE GOEDKOOPE DRUK
PRIJS GEBONDEN f 1.50
UITGAVE VAN
VAN HOLKEMA EN WARENDORF—A’DAM
TER HARINGVANGST
DOOR
BERNARD CANTER
TWEEDE GOEDKOOPE DRUK
PRIJS GEBONDEN f 1.50
UITGAVE VAN
VAN HOLKEMA EN WARENDORF—A’DAM
Page 184
Inhoudsopgave
NIEUW UTOPIA 5
I 5
II. 12
III. 20
IV. 31
V. 40
VI. 49
VII . 68
VIII . 73
IX . 79
X. 88
XI . 96
XII . 103
XIII . 112
XIV . 120
XV . 128
XVI . 139
XVII . 149
XVIII . 158
XIX . 165
XX . 174
NIEUW UTOPIA 5
I 5
II. 12
III. 20
IV. 31
V. 40
VI. 49
VII . 68
VIII . 73
IX . 79
X. 88
XI . 96
XII . 103
XIII . 112
XIV . 120
XV . 128
XVI . 139
XVII . 149
XVIII . 158
XIX . 165
XX . 174
Page 185
XXI . 182
XXII . 186
XXIII . 195
XXIV . 200
Besluit. 205
XXII . 186
XXIII . 195
XXIV . 200
Besluit. 205
Page 186
Colofon
Codering
Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden
aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in
het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de
colofon aan het einde van dit boek.
Documentgeschiedenis
2025-06-12 Begonnen.
Verbeteringen
De volgende 190 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
6 beeindigd beëindigd 1/0
6 beeindigen beëindigen 1/0
9, 110,
128, 144, , [Verwijderd] 1
145, 159
12 chloraethyl chlooraethyl 1
13 verkegen verkregen 1
13 bynier bijnier 2
16 heuchenis heugenis 2
20 honderde honderden 1
Passim. [Niet in bron] „ 1
28, 36, [Niet in bron] ” 1
69, 71,
115, 119,
148, 158,
161, 164,
Codering
Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden
aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in
het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de
colofon aan het einde van dit boek.
Documentgeschiedenis
2025-06-12 Begonnen.
Verbeteringen
De volgende 190 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
6 beeindigd beëindigd 1/0
6 beeindigen beëindigen 1/0
9, 110,
128, 144, , [Verwijderd] 1
145, 159
12 chloraethyl chlooraethyl 1
13 verkegen verkregen 1
13 bynier bijnier 2
16 heuchenis heugenis 2
20 honderde honderden 1
Passim. [Niet in bron] „ 1
28, 36, [Niet in bron] ” 1
69, 71,
115, 119,
148, 158,
161, 164,
Page 187
173, 185,
199
32, 105 materieële materiëele 2/0
Arrondissements- Arrondissements-
39 1
Rechtbank Rechtbank
44 moeielijkheid moeilijkheid 1
44, 61,
62, 143, [Niet in bron] , 1
160, 160
51 visionnair visionair 1
51 Fallstaff Falstaff 1
58 bet-overgrootmoeder betovergrootmoeder 1
59 in zich [Verwijderd] 8
67 .” ”. 2
68 VIII VII 1
69 wrijvingscoëfficienten wrijvingscoëfficiënten 1/0
70 carricaturen caricaturen 1
70 wetenschappenlijks wetenschappelijks 1
73 IX VIII 3
76 liniëen linieën 2/0
79 X IX 1
84 reeële reëele 2/0
85, 86 wrijvingscoëfficient wrijvingscoëfficiënt 1/0
85 [Niet in bron] ) 1
85 weerstandscoëfficienten weerstandscoëfficiënten 1 / 0
85 ). .) 2
87 immaterieële immateriëele 2/0
88 XI X 1
90, 140 … .… 1
90 honderduizendste honderdduizendste 1
90 maxmum maximum 1
92 intrensieke intrinsieke 1
94 quotient quotiënt 1/0
96 XII XI 1
96 idee idée 1/0
101 . ?” 2
101 recipienten recipiënten 1/0
199
32, 105 materieële materiëele 2/0
Arrondissements- Arrondissements-
39 1
Rechtbank Rechtbank
44 moeielijkheid moeilijkheid 1
44, 61,
62, 143, [Niet in bron] , 1
160, 160
51 visionnair visionair 1
51 Fallstaff Falstaff 1
58 bet-overgrootmoeder betovergrootmoeder 1
59 in zich [Verwijderd] 8
67 .” ”. 2
68 VIII VII 1
69 wrijvingscoëfficienten wrijvingscoëfficiënten 1/0
70 carricaturen caricaturen 1
70 wetenschappenlijks wetenschappelijks 1
73 IX VIII 3
76 liniëen linieën 2/0
79 X IX 1
84 reeële reëele 2/0
85, 86 wrijvingscoëfficient wrijvingscoëfficiënt 1/0
85 [Niet in bron] ) 1
85 weerstandscoëfficienten weerstandscoëfficiënten 1 / 0
85 ). .) 2
87 immaterieële immateriëele 2/0
88 XI X 1
90, 140 … .… 1
90 honderduizendste honderdduizendste 1
90 maxmum maximum 1
92 intrensieke intrinsieke 1
94 quotient quotiënt 1/0
96 XII XI 1
96 idee idée 1/0
101 . ?” 2
101 recipienten recipiënten 1/0
Page 188
103 XIII XII 1
103, 179 . ? 1
107 fabriken fabrieken 1
109 vrouweheerschappij vrouwenheerschappij 1
109 Saharah Sahara 1
112 XIV XIII 2
117 carricatuur caricatuur 1
119, 188,
[Niet in bron] . 1
200
120 XV XIV 1
121 onstonden ontstonden 1
123 Bäals Baäls 2/0
123 Bäal Baäl 2/0
128 XVI XV 1
133 levensfeer levenssfeer 1
134, 134,
192, 192, zeëen zeeën 2/0
192
135 dierpluimage dier pluimage 1
135 reëen reeën 2/0
136 ? . 1
137 oerelementen oer-elementen 1
139 XVII XVI 1
141 .… .… 1
142 Herz Hertz 1
149 XVIII XVII 1
158 XIX XVIII 3
159 grammophonen gramophonen 1
165 XX XIX 1
167 over-overstroomingen overstroomingen 5
174 XXI XX 1
182 XXII XXI 1
182 godsvruchtig godvruchtig 1
182 I 1 1
186 XXIII XXII 1
186 achte achtte 1
192 Rythme Rhythme 1
103, 179 . ? 1
107 fabriken fabrieken 1
109 vrouweheerschappij vrouwenheerschappij 1
109 Saharah Sahara 1
112 XIV XIII 2
117 carricatuur caricatuur 1
119, 188,
[Niet in bron] . 1
200
120 XV XIV 1
121 onstonden ontstonden 1
123 Bäals Baäls 2/0
123 Bäal Baäl 2/0
128 XVI XV 1
133 levensfeer levenssfeer 1
134, 134,
192, 192, zeëen zeeën 2/0
192
135 dierpluimage dier pluimage 1
135 reëen reeën 2/0
136 ? . 1
137 oerelementen oer-elementen 1
139 XVII XVI 1
141 .… .… 1
142 Herz Hertz 1
149 XVIII XVII 1
158 XIX XVIII 3
159 grammophonen gramophonen 1
165 XX XIX 1
167 over-overstroomingen overstroomingen 5
174 XXI XX 1
182 XXII XXI 1
182 godsvruchtig godvruchtig 1
182 I 1 1
186 XXIII XXII 1
186 achte achtte 1
192 Rythme Rhythme 1
Page 189
192 Christus-Ideé Christus-Idée 2/0
193 Ideé Idée 2/0
195 XXV XXIII 3
198 opdezelfde op dezelfde 1
200 XVI XXIV 2
202 rijk Rijk 1
203 Harmonieschen Harmonischen 1
193 Ideé Idée 2/0
195 XXV XXIII 3
198 opdezelfde op dezelfde 1
200 XVI XXIV 2
202 rijk Rijk 1
203 Harmonieschen Harmonischen 1
Page 190
*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NIEUW UTOPIA
***
Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.
Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright royalties.
Special rules, set forth in the General Terms of Use part of this license,
apply to copying and distributing Project Gutenberg™ electronic
works to protect the PROJECT GUTENBERG™ concept and
trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, and may not
be used if you charge for an eBook, except by following the terms of
the trademark license, including paying royalties for use of the Project
Gutenberg trademark. If you do not charge anything for copies of this
eBook, complying with the trademark license is very easy. You may
use this eBook for nearly any purpose such as creation of derivative
works, reports, performances and research. Project Gutenberg eBooks
may be modified and printed and given away—you may do practically
ANYTHING in the United States with eBooks not protected by U.S.
copyright law. Redistribution is subject to the trademark license,
especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
***
Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.
Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright royalties.
Special rules, set forth in the General Terms of Use part of this license,
apply to copying and distributing Project Gutenberg™ electronic
works to protect the PROJECT GUTENBERG™ concept and
trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, and may not
be used if you charge for an eBook, except by following the terms of
the trademark license, including paying royalties for use of the Project
Gutenberg trademark. If you do not charge anything for copies of this
eBook, complying with the trademark license is very easy. You may
use this eBook for nearly any purpose such as creation of derivative
works, reports, performances and research. Project Gutenberg eBooks
may be modified and printed and given away—you may do practically
ANYTHING in the United States with eBooks not protected by U.S.
copyright law. Redistribution is subject to the trademark license,
especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
Page 191
THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work (or
any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full Project
Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and Redistributing
Project Gutenberg electronic works
1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg electronic
work, you indicate that you have read, understand, agree to and accept
all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
all copies of Project Gutenberg electronic works in your possession. If
you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project Gutenberg
electronic work and you do not agree to be bound by the terms of this
agreement, you may obtain a refund from the person or entity to whom
you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people
who agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this agreement
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work (or
any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full Project
Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and Redistributing
Project Gutenberg electronic works
1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg electronic
work, you indicate that you have read, understand, agree to and accept
all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
all copies of Project Gutenberg electronic works in your possession. If
you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project Gutenberg
electronic work and you do not agree to be bound by the terms of this
agreement, you may obtain a refund from the person or entity to whom
you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people
who agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this agreement
Page 192
and help preserve free future access to Project Gutenberg electronic
works. See paragraph 1.E below.
1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the
collection of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the
individual works in the collection are in the public domain in the
United States. If an individual work is unprotected by copyright law in
the United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting free
access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg works
in compliance with the terms of this agreement for keeping the Project
Gutenberg name associated with the work. You can easily comply with
the terms of this agreement by keeping this work in the same format
with its attached full Project Gutenberg License when you share it
without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.
1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
access to, the full Project Gutenberg License must appear prominently
works. See paragraph 1.E below.
1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the
collection of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the
individual works in the collection are in the public domain in the
United States. If an individual work is unprotected by copyright law in
the United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting free
access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg works
in compliance with the terms of this agreement for keeping the Project
Gutenberg name associated with the work. You can easily comply with
the terms of this agreement by keeping this work in the same format
with its attached full Project Gutenberg License when you share it
without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.
1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
access to, the full Project Gutenberg License must appear prominently
Page 193
whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work on which
the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase
“Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed,
viewed, copied or distributed:
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other
parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may
copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg™ License
included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
United States, you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is derived
from texts not protected by U.S. copyright law (does not contain a
notice indicating that it is posted with permission of the copyright
holder), the work can be copied and distributed to anyone in the United
States without paying any fees or charges. If you are redistributing or
providing access to a work with the phrase “Project Gutenberg”
associated with or appearing on the work, you must comply either with
the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or obtain
permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works posted
with the permission of the copyright holder found at the beginning of
this work.
1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.
the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase
“Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed,
viewed, copied or distributed:
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other
parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may
copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg™ License
included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
United States, you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is derived
from texts not protected by U.S. copyright law (does not contain a
notice indicating that it is posted with permission of the copyright
holder), the work can be copied and distributed to anyone in the United
States without paying any fees or charges. If you are redistributing or
providing access to a work with the phrase “Project Gutenberg”
associated with or appearing on the work, you must comply either with
the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or obtain
permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works posted
with the permission of the copyright holder found at the beginning of
this work.
1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.
Page 194
1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.
1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide
access to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means of
obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.
1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works provided
that:
• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the
use of Project Gutenberg works calculated using the method you
already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the
owner of the Project Gutenberg trademark, but he has agreed to donate
royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days
following each date on which you prepare (or are legally required to
prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly
marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.
1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide
access to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means of
obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.
1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works provided
that:
• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the
use of Project Gutenberg works calculated using the method you
already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the
owner of the Project Gutenberg trademark, but he has agreed to donate
royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days
following each date on which you prepare (or are legally required to
prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly
marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive
Page 195
Foundation at the address specified in Section 4, “Information about
donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.”
• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does
not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You
must require such a user to return or destroy all copies of the works
possessed in a physical medium and discontinue all use of and all
access to other copies of Project Gutenberg™ works.
• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.
• You comply with all other terms of this agreement for free distribution
of Project Gutenberg™ works.
1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg™
electronic work or group of works on different terms than are set forth
in this agreement, you must obtain permission in writing from the
Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of the
Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set forth in
Section 3 below.
1.F.
1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend
considerable effort to identify, do copyright research on, transcribe and
proofread works not protected by U.S. copyright law in creating the
Project Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project
Gutenberg™ electronic works, and the medium on which they may be
stored, may contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete,
inaccurate or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.”
• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does
not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You
must require such a user to return or destroy all copies of the works
possessed in a physical medium and discontinue all use of and all
access to other copies of Project Gutenberg™ works.
• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.
• You comply with all other terms of this agreement for free distribution
of Project Gutenberg™ works.
1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg™
electronic work or group of works on different terms than are set forth
in this agreement, you must obtain permission in writing from the
Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of the
Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set forth in
Section 3 below.
1.F.
1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend
considerable effort to identify, do copyright research on, transcribe and
proofread works not protected by U.S. copyright law in creating the
Project Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project
Gutenberg™ electronic works, and the medium on which they may be
stored, may contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete,
inaccurate or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
Page 196
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.
1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES -
Except for the “Right of Replacement or Refund” described in
paragraph 1.F.3, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation,
the owner of the Project Gutenberg™ trademark, and any other party
distributing a Project Gutenberg™ electronic work under this
agreement, disclaim all liability to you for damages, costs and
expenses, including legal fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO
REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT LIABILITY, BREACH
OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE
FOUNDATION, THE TRADEMARK OWNER, AND ANY
DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT,
CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL DAMAGES
EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you
discover a defect in this electronic work within 90 days of receiving it,
you can receive a refund of the money (if any) you paid for it by
sending a written explanation to the person you received the work
from. If you received the work on a physical medium, you must return
the medium with your written explanation. The person or entity that
provided you with the defective work may elect to provide a
replacement copy in lieu of a refund. If you received the work
electronically, the person or entity providing it to you may choose to
give you a second opportunity to receive the work electronically in lieu
of a refund. If the second copy is also defective, you may demand a
refund in writing without further opportunities to fix the problem.
cannot be read by your equipment.
1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES -
Except for the “Right of Replacement or Refund” described in
paragraph 1.F.3, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation,
the owner of the Project Gutenberg™ trademark, and any other party
distributing a Project Gutenberg™ electronic work under this
agreement, disclaim all liability to you for damages, costs and
expenses, including legal fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO
REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT LIABILITY, BREACH
OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE
FOUNDATION, THE TRADEMARK OWNER, AND ANY
DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT,
CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL DAMAGES
EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you
discover a defect in this electronic work within 90 days of receiving it,
you can receive a refund of the money (if any) you paid for it by
sending a written explanation to the person you received the work
from. If you received the work on a physical medium, you must return
the medium with your written explanation. The person or entity that
provided you with the defective work may elect to provide a
replacement copy in lieu of a refund. If you received the work
electronically, the person or entity providing it to you may choose to
give you a second opportunity to receive the work electronically in lieu
of a refund. If the second copy is also defective, you may demand a
refund in writing without further opportunities to fix the problem.
Page 197
1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth in
paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED,
INCLUDING BUT NOT LIMITED TO WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. If
any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the law
of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the
Foundation, the trademark owner, any agent or employee of the
Foundation, anyone providing copies of Project Gutenberg™
electronic works in accordance with this agreement, and any
volunteers associated with the production, promotion and distribution
of Project Gutenberg™ electronic works, harmless from all liability,
costs and expenses, including legal fees, that arise directly or indirectly
from any of the following which you do or cause to occur: (a)
distribution of this or any Project Gutenberg work, (b) alteration,
modification, or additions or deletions to any Project Gutenberg work,
and (c) any Defect you cause.
Section 2. Information about the Mission of Project
Gutenberg
Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED,
INCLUDING BUT NOT LIMITED TO WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. If
any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the law
of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the
Foundation, the trademark owner, any agent or employee of the
Foundation, anyone providing copies of Project Gutenberg™
electronic works in accordance with this agreement, and any
volunteers associated with the production, promotion and distribution
of Project Gutenberg™ electronic works, harmless from all liability,
costs and expenses, including legal fees, that arise directly or indirectly
from any of the following which you do or cause to occur: (a)
distribution of this or any Project Gutenberg work, (b) alteration,
modification, or additions or deletions to any Project Gutenberg work,
and (c) any Defect you cause.
Section 2. Information about the Mission of Project
Gutenberg
Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
Page 198
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.
Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s goals
and ensuring that the Project Gutenberg collection will remain freely
available for generations to come. In 2001, the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation was created to provide a secure and
permanent future for Project Gutenberg and future generations. To
learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 and
the Foundation information page at www.gutenberg.org.
Section 3. Information about the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation
The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the state
of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal Revenue
Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification number is
64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation are tax deductible to the full extent permitted by U.S.
federal laws and your state’s laws.
The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza
#516, Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact
links and up to date contact information can be found at the
Foundation’s website and official page at www.gutenberg.org/contact
Section 4. Information about Donations to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation
Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without
widespread public support and donations to carry out its mission of
from people in all walks of life.
Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s goals
and ensuring that the Project Gutenberg collection will remain freely
available for generations to come. In 2001, the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation was created to provide a secure and
permanent future for Project Gutenberg and future generations. To
learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 and
the Foundation information page at www.gutenberg.org.
Section 3. Information about the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation
The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the state
of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal Revenue
Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification number is
64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation are tax deductible to the full extent permitted by U.S.
federal laws and your state’s laws.
The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza
#516, Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact
links and up to date contact information can be found at the
Foundation’s website and official page at www.gutenberg.org/contact
Section 4. Information about Donations to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation
Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without
widespread public support and donations to carry out its mission of
Page 199
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small
donations ($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax
exempt status with the IRS.
The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United States.
Compliance requirements are not uniform and it takes a considerable
effort, much paperwork and many fees to meet and keep up with these
requirements. We do not solicit donations in locations where we have
not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
state visit www.gutenberg.org/donate.
While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.
International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.
Section 5. General Information About Project Gutenberg
electronic works
Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg
concept of a library of electronic works that could be freely shared
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small
donations ($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax
exempt status with the IRS.
The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United States.
Compliance requirements are not uniform and it takes a considerable
effort, much paperwork and many fees to meet and keep up with these
requirements. We do not solicit donations in locations where we have
not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
state visit www.gutenberg.org/donate.
While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.
International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.
Section 5. General Information About Project Gutenberg
electronic works
Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg
concept of a library of electronic works that could be freely shared
Page 200
with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
Gutenberg eBooks with only a loose network of volunteer support.
Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.
Most people start at our website which has the main PG search facility:
www.gutenberg.org.
This website includes information about Project Gutenberg, including
how to make donations to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
Gutenberg eBooks with only a loose network of volunteer support.
Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.
Most people start at our website which has the main PG search facility:
www.gutenberg.org.
This website includes information about Project Gutenberg, including
how to make donations to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.