Page 1
Page 2
Page 3
The Project Gutenberg eBook of Zakflora voor Suriname
[Deel I]
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Zakflora voor Suriname [Deel I]
Author: A. A. Pulle
Release date: December 6, 2017 [eBook #56138]
Most recently updated: October 23, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/56138
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ZAKFLORA
VOOR SURINAME [DEEL I] ***
[Deel I]
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Zakflora voor Suriname [Deel I]
Author: A. A. Pulle
Release date: December 6, 2017 [eBook #56138]
Most recently updated: October 23, 2024
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/56138
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ZAKFLORA
VOOR SURINAME [DEEL I] ***
Page 4
BULLETIN
VAN HET
Koloniaal Museum te Haarlem
No. 47
JUNI—1911
INHOUD:
Zakflora voor Suriname, 1e
gedeelte
VAN HET
Koloniaal Museum te Haarlem
No. 47
JUNI—1911
INHOUD:
Zakflora voor Suriname, 1e
gedeelte
Page 5
DOOR
Dr. A. PULLE,
Lector aan de Rijks-Universiteit te Utrecht.
Tweede Uitgave van het Van Eedenfonds.
Druk van J. H. DE BUSSY—Amsterdam—1911.
Prijs ƒ 1.–
Dr. A. PULLE,
Lector aan de Rijks-Universiteit te Utrecht.
Tweede Uitgave van het Van Eedenfonds.
Druk van J. H. DE BUSSY—Amsterdam—1911.
Prijs ƒ 1.–
Page 6
ZAKFLORA VOOR SURINAME.
Page 7
Page 8
Page 9
Bulletin van het Koloniaal Museum te
Haarlem No. 47.
ZAKFLORA VOOR
SURINAME
DEEL I.
TABELLEN TOT HET
DETERMINEEREN VAN DE
FAMILIES EN GESLACHTEN DER
WILDGROEIENDE EN
GEKWEEKTE VAATKRYPTOGAMEN
Haarlem No. 47.
ZAKFLORA VOOR
SURINAME
DEEL I.
TABELLEN TOT HET
DETERMINEEREN VAN DE
FAMILIES EN GESLACHTEN DER
WILDGROEIENDE EN
GEKWEEKTE VAATKRYPTOGAMEN
Page 10
EN PHANEROGAMEN, DIE TOT NU
TOE VOOR SURINAME BEKEND
ZIJN
DOOR
Dr. A. PULLE,
Lector aan de Rijks-Universiteit te Utrecht.
Tweede Uitgave van het Van Eedenfonds.
TOE VOOR SURINAME BEKEND
ZIJN
DOOR
Dr. A. PULLE,
Lector aan de Rijks-Universiteit te Utrecht.
Tweede Uitgave van het Van Eedenfonds.
Page 11
INLEIDING.
Indien het waar is, dat een zakflora van een land eerst dan mag
samengesteld worden, wanneer de flora zelf in haar geheelen omvang
bekend is, dan komt de verschijning van het hier volgende werk stellig
meerdere tientallen van jaren te vroeg. Ondanks de groote massa planten,
die in de laatste 11 jaar in Suriname verzameld zijn, en die, gevoegd bij de
oudere collecties van Focke, Hostmann, Kappler, Splitgerber, Kegel en
Wullschlägel stellig wel een globaal overzicht geven van Suriname’s
flora, is er toch voorloopig nog geen sprake van, dat men de soorten van
Vaatkryptogamen en hoogere planten, die in Suriname voorkomen, ook
slechts bij benadering zou kennen. Daarvoor is het land te groot en, vooral
het oerwoud, nog te weinig doorzocht, zooals ten duidelijkste is gebleken
uit de collecties die door de ambtenaren van het Boschbeheer in de laatste
jaren verzameld zijn, en die voornamelijk op de boomen betrekking hebben.
Hierbij kwamen zooveel nieuwe soorten voor den dag, dat een flora in den
zin, zooals men die voor Europeesche landen kent, voorloopig nog tot de
vrome wenschen zal blijven behooren.
De zaak wordt echter anders, wanneer men zich beperkt tot de families en
geslachten van de Vaatkryptogamen en Phanerogamen. Stellig geldt ook
hier het bezwaar, dat er nog plantengeslachten en misschien zelfs een
enkele plantenfamilie in Suriname voorkomt, wier voorkomen tot nu toe
niet aangetoond was, maar dat aantal zal zeker niet bijzonder groot, en in de
buurt van Paramaribo, waar dit boekje toch het meest gebruikt zal worden,
stellig al zeer gering zijn.
Zooals uit den titel blijkt, zijn er nog andere plannen hangende. Het is
waarschijnlijk niet onmogelijk om bij voldoende beperking van het te
onderzoeken gebied, ook de soorten binnen afzienbaren tijd te behandelen.
Het hier bedoelde kleinere gebied zal uit den aard der zaak de omtrek van
Paramaribo zijn, het secundaire bosch in de nabijheid van de stad, de
rivieroevers, enkele deelen van de savannen, de randen der wegen, de
Indien het waar is, dat een zakflora van een land eerst dan mag
samengesteld worden, wanneer de flora zelf in haar geheelen omvang
bekend is, dan komt de verschijning van het hier volgende werk stellig
meerdere tientallen van jaren te vroeg. Ondanks de groote massa planten,
die in de laatste 11 jaar in Suriname verzameld zijn, en die, gevoegd bij de
oudere collecties van Focke, Hostmann, Kappler, Splitgerber, Kegel en
Wullschlägel stellig wel een globaal overzicht geven van Suriname’s
flora, is er toch voorloopig nog geen sprake van, dat men de soorten van
Vaatkryptogamen en hoogere planten, die in Suriname voorkomen, ook
slechts bij benadering zou kennen. Daarvoor is het land te groot en, vooral
het oerwoud, nog te weinig doorzocht, zooals ten duidelijkste is gebleken
uit de collecties die door de ambtenaren van het Boschbeheer in de laatste
jaren verzameld zijn, en die voornamelijk op de boomen betrekking hebben.
Hierbij kwamen zooveel nieuwe soorten voor den dag, dat een flora in den
zin, zooals men die voor Europeesche landen kent, voorloopig nog tot de
vrome wenschen zal blijven behooren.
De zaak wordt echter anders, wanneer men zich beperkt tot de families en
geslachten van de Vaatkryptogamen en Phanerogamen. Stellig geldt ook
hier het bezwaar, dat er nog plantengeslachten en misschien zelfs een
enkele plantenfamilie in Suriname voorkomt, wier voorkomen tot nu toe
niet aangetoond was, maar dat aantal zal zeker niet bijzonder groot, en in de
buurt van Paramaribo, waar dit boekje toch het meest gebruikt zal worden,
stellig al zeer gering zijn.
Zooals uit den titel blijkt, zijn er nog andere plannen hangende. Het is
waarschijnlijk niet onmogelijk om bij voldoende beperking van het te
onderzoeken gebied, ook de soorten binnen afzienbaren tijd te behandelen.
Het hier bedoelde kleinere gebied zal uit den aard der zaak de omtrek van
Paramaribo zijn, het secundaire bosch in de nabijheid van de stad, de
rivieroevers, enkele deelen van de savannen, de randen der wegen, de
Page 12
tuinen en plantages. De schrijver hoopt, met den steun van de commissie
voor het van Eedenfonds binnen enkele jaren gedurende eenige maanden in
de kolonie te vertoeven, om daar het materiaal te verzamelen voor het
tweede deel van deze zakflora.
Het zal echter een ieder duidelijk zijn, dat het onmogelijk is, in enkele
maanden een gebied, zelfs met de boven aangegeven beperking, zoodanig
te doorzoeken, dat men geen plant overslaat. Daarbij komt nog dat een
groot deel van de planten niet zullen bloeien in den tijd dat de schrijver in
de kolonie is. Stelt men dus in Suriname prijs op de verschijning van een
zakflora in den hierboven genoemden vorm, dan zullen eenige van de
bewoners daaraan dienen mee te helpen door reeds thans planten te gaan
verzamelen en deze op te zenden. Hierin ligt nu ook de verklaring van het
verschijnen dezer flora in twee deelen; immers wie zich interesseert voor
den plantengroei, kan zich thans met behulp van achterstaande tabellen
reeds eenigszins op de hoogte stellen van de vormen, en zich zoo het
verzamelen tot een aangenamer bezigheid maken, dan wanneer hij planten
zou bijeenbrengen, van wier namen hij voorloopig niets te weten kan
komen.
Met dit doel is hierachter een hoofdstuk opgenomen, dat uitvoerig
uiteenzet, op welke wijze men bij het verzamelen de beste resultaten kan
verkrijgen, en waarop men in het bijzonder te letten heeft.
Bij het samenstellen van dit eerste deel heeft de schrijver getracht zooveel
mogelijk die kenmerken der planten op den voorgrond te brengen, die met
het bloote oog of met een goede loupe kunnen waargenomen worden;
kenmerken als b.v. het aantal zaadknoppen in het vruchtbeginsel zijn
weggelaten, tenzij werkelijk geen andere verschillen bestaan tusschen
verwante geslachten, zooals dat b.v. bij de Rubiaceae het geval is. Ook zijn
de kenmerken van vruchten zooveel mogelijk vermeden, omdat men aan de
bloeiende plant in den regel niet tegelijk de vruchten vindt. Men lette er bij
het determineeren der families echter op, dat de kenmerken met het oog op
de plaatsruimte niet uitvoerig opgenoemd zijn, zoodat men goed doet, ter
contrôle de familie-kenmerken na te zien, die aan het hoofd van elke familie
opgegeven staan.
voor het van Eedenfonds binnen enkele jaren gedurende eenige maanden in
de kolonie te vertoeven, om daar het materiaal te verzamelen voor het
tweede deel van deze zakflora.
Het zal echter een ieder duidelijk zijn, dat het onmogelijk is, in enkele
maanden een gebied, zelfs met de boven aangegeven beperking, zoodanig
te doorzoeken, dat men geen plant overslaat. Daarbij komt nog dat een
groot deel van de planten niet zullen bloeien in den tijd dat de schrijver in
de kolonie is. Stelt men dus in Suriname prijs op de verschijning van een
zakflora in den hierboven genoemden vorm, dan zullen eenige van de
bewoners daaraan dienen mee te helpen door reeds thans planten te gaan
verzamelen en deze op te zenden. Hierin ligt nu ook de verklaring van het
verschijnen dezer flora in twee deelen; immers wie zich interesseert voor
den plantengroei, kan zich thans met behulp van achterstaande tabellen
reeds eenigszins op de hoogte stellen van de vormen, en zich zoo het
verzamelen tot een aangenamer bezigheid maken, dan wanneer hij planten
zou bijeenbrengen, van wier namen hij voorloopig niets te weten kan
komen.
Met dit doel is hierachter een hoofdstuk opgenomen, dat uitvoerig
uiteenzet, op welke wijze men bij het verzamelen de beste resultaten kan
verkrijgen, en waarop men in het bijzonder te letten heeft.
Bij het samenstellen van dit eerste deel heeft de schrijver getracht zooveel
mogelijk die kenmerken der planten op den voorgrond te brengen, die met
het bloote oog of met een goede loupe kunnen waargenomen worden;
kenmerken als b.v. het aantal zaadknoppen in het vruchtbeginsel zijn
weggelaten, tenzij werkelijk geen andere verschillen bestaan tusschen
verwante geslachten, zooals dat b.v. bij de Rubiaceae het geval is. Ook zijn
de kenmerken van vruchten zooveel mogelijk vermeden, omdat men aan de
bloeiende plant in den regel niet tegelijk de vruchten vindt. Men lette er bij
het determineeren der families echter op, dat de kenmerken met het oog op
de plaatsruimte niet uitvoerig opgenoemd zijn, zoodat men goed doet, ter
contrôle de familie-kenmerken na te zien, die aan het hoofd van elke familie
opgegeven staan.
Page 13
Voor de indeeling is tot grondslag aangenomen het systeem van Engler,
zooals het in de laatst verschenen Syllabus der Pflanzenfamilien, VIIde druk,
1909, is gepubliceerd. De families hebben alle het nummer van de lijst, die
ten grondslag ligt aan het eveneens door Engler uitgegeven werk Das
Pflanzenreich. Ter verduidelijking is vóór de tabellen (pg. 19–23) een
overzicht van het systeem van Engler opgenomen, voor zoover het de vaat-
kryptogamen en hoogere planten betreft met de indeeling van de klassen,
orden en families. Hierbij zijn de families, die in Suriname voorkomen met
een vettere letter gedrukt. Daar de kryptogamen niet in de nummering zijn
opgenomen, zijn de in Suriname voorkomende families met een Romeinsch
cijfer aangeduid.
De namen der geslachten zijn in hoofdzaak dezelfde, als voorkomen in
schrijvers Enumeration of the vascular plants known from Surinam together
with their distribution and synonymy, 1906. Waar thans een andere gekozen
is, is de naam, waaronder de plant in de Enumeration voorkomt, cursief
toegevoegd. Men zal bemerken dat die gevallen zeer zeldzaam zijn.
Het zal wel blijken, dat dit eerste deel van de flora de grootste leemten
vertoont op het punt van gekweekte planten. Dat vindt hierin zijn oorzaak
dat de schrijver tot nu toe slechts een zeer beperkt aantal gekweekte planten
uit Suriname ontving en de verzamelaars der laatste jaren bijna uitsluitend
planten meebrachten, die in het wild voorkomen. Die leemten zullen echter
in het tweede deel zooveel mogelijk aangevuld worden, waartoe men ook
weer door het toezenden van exemplaren veel kan bijdragen.
Een groote moeielijkheid hebben de inlandsche namen opgeleverd. Uit den
aard der zaak hebben slechts de soorten inlandsche namen. Het blijkt echter
spoedig dat soorten van hetzelfde geslacht vaak niet behoorlijk
onderscheiden worden, zoodat een inlandsche naam in dat geval voor het
geheele geslacht kan gelden. Ook wanneer slechts één soort van het
geslacht in Suriname voorkomt is de inlandsche naam bruikbaar. Alleen in
de genoemde gevallen zijn de volksnamen bij de geslachten geplaatst; alle
andere namen zijn weggelaten. Men zal echter aan het slot der determineer-
tabellen, vóór het register een lijst vinden van alfabetisch gerangschikte
volksnamen, waarachter het plantengeslacht vermeld is, waartoe ze
zooals het in de laatst verschenen Syllabus der Pflanzenfamilien, VIIde druk,
1909, is gepubliceerd. De families hebben alle het nummer van de lijst, die
ten grondslag ligt aan het eveneens door Engler uitgegeven werk Das
Pflanzenreich. Ter verduidelijking is vóór de tabellen (pg. 19–23) een
overzicht van het systeem van Engler opgenomen, voor zoover het de vaat-
kryptogamen en hoogere planten betreft met de indeeling van de klassen,
orden en families. Hierbij zijn de families, die in Suriname voorkomen met
een vettere letter gedrukt. Daar de kryptogamen niet in de nummering zijn
opgenomen, zijn de in Suriname voorkomende families met een Romeinsch
cijfer aangeduid.
De namen der geslachten zijn in hoofdzaak dezelfde, als voorkomen in
schrijvers Enumeration of the vascular plants known from Surinam together
with their distribution and synonymy, 1906. Waar thans een andere gekozen
is, is de naam, waaronder de plant in de Enumeration voorkomt, cursief
toegevoegd. Men zal bemerken dat die gevallen zeer zeldzaam zijn.
Het zal wel blijken, dat dit eerste deel van de flora de grootste leemten
vertoont op het punt van gekweekte planten. Dat vindt hierin zijn oorzaak
dat de schrijver tot nu toe slechts een zeer beperkt aantal gekweekte planten
uit Suriname ontving en de verzamelaars der laatste jaren bijna uitsluitend
planten meebrachten, die in het wild voorkomen. Die leemten zullen echter
in het tweede deel zooveel mogelijk aangevuld worden, waartoe men ook
weer door het toezenden van exemplaren veel kan bijdragen.
Een groote moeielijkheid hebben de inlandsche namen opgeleverd. Uit den
aard der zaak hebben slechts de soorten inlandsche namen. Het blijkt echter
spoedig dat soorten van hetzelfde geslacht vaak niet behoorlijk
onderscheiden worden, zoodat een inlandsche naam in dat geval voor het
geheele geslacht kan gelden. Ook wanneer slechts één soort van het
geslacht in Suriname voorkomt is de inlandsche naam bruikbaar. Alleen in
de genoemde gevallen zijn de volksnamen bij de geslachten geplaatst; alle
andere namen zijn weggelaten. Men zal echter aan het slot der determineer-
tabellen, vóór het register een lijst vinden van alfabetisch gerangschikte
volksnamen, waarachter het plantengeslacht vermeld is, waartoe ze
Page 14
behooren. Zooals reeds vaker is opgemerkt, moet men deze lijst met eenige
voorzichtigheid gebruiken, en moet men steeds met de
geslachtsbeschrijving controleeren of de plant werkelijk dezelfde is die in
de lijst achter de volksnaam staat. Juist het opnemen van die lijst zal, naar
schrijver hoopt, kunnen leiden tot een grondiger kennis van de volksnamen
in de Kolonie en vele foutieve opgaven uit de litteratuur doen verdwijnen.
voorzichtigheid gebruiken, en moet men steeds met de
geslachtsbeschrijving controleeren of de plant werkelijk dezelfde is die in
de lijst achter de volksnaam staat. Juist het opnemen van die lijst zal, naar
schrijver hoopt, kunnen leiden tot een grondiger kennis van de volksnamen
in de Kolonie en vele foutieve opgaven uit de litteratuur doen verdwijnen.
Page 15
Page 16
Wenken voor het verzamelen van planten.
§ 1. Algemeene regels.
Ieder, die in Suriname planten verzamelen wil, die bruikbaar zijn voor een
nader botanisch onderzoek heeft zich te houden aan de volgende
grondregels:
1o. Te zorgen dat hij overal, alles en zoo volledig mogelijk verzamelt.
Overal, dat wil zeggen, ook in deelen van de Kolonie, die schijnbaar reeds
vaak doorzocht zijn; men diene nooit te vergeten, dat, al verzamelt men
geen nieuwe soorten, het materiaal toch in zooverre van belang kan zijn dat
het voorkomen van bepaalde soorten in de streek, waar men verzamelt,
aangetoond wordt; belangrijke planten-geografische kwesties kunnen
hierdoor opgelost worden. Verder verzamele men alles, dus niet alleen fraai
bloeiende en in het oog vallende planten, doch ook kleinere vormen met
moeielijk zichtbare bloemen; varens en mossen mogen evenmin vergeten
worden en onder de wieren en schimmels worden vaak nog de meest
interessante en vreemde vormen aangetroffen. Men verzamele verder zoo
volledig mogelijk, d. w. z. men lette erop dat de plant, die men verzamelt,
zoo mogelijk bladeren, stengel, wortel, bloemen en vruchten bezit. Takken
met bladeren alleen zijn in den regel geheel waardeloos, evenals varens en
mossen zonder sporenhoopjes of sporenkapsels. Verzamel zoo mogelijk
meerdere exemplaren van één plant, opdat, wanneer de soort bijzonder
zeldzaam of nieuw mocht zijn, de ontvanger exemplaren aan andere
botanici kan afstaan of met hen ruilen.
2o. Verzamel liever weinig en dan goed, dan veel en slecht.
§ 1. Algemeene regels.
Ieder, die in Suriname planten verzamelen wil, die bruikbaar zijn voor een
nader botanisch onderzoek heeft zich te houden aan de volgende
grondregels:
1o. Te zorgen dat hij overal, alles en zoo volledig mogelijk verzamelt.
Overal, dat wil zeggen, ook in deelen van de Kolonie, die schijnbaar reeds
vaak doorzocht zijn; men diene nooit te vergeten, dat, al verzamelt men
geen nieuwe soorten, het materiaal toch in zooverre van belang kan zijn dat
het voorkomen van bepaalde soorten in de streek, waar men verzamelt,
aangetoond wordt; belangrijke planten-geografische kwesties kunnen
hierdoor opgelost worden. Verder verzamele men alles, dus niet alleen fraai
bloeiende en in het oog vallende planten, doch ook kleinere vormen met
moeielijk zichtbare bloemen; varens en mossen mogen evenmin vergeten
worden en onder de wieren en schimmels worden vaak nog de meest
interessante en vreemde vormen aangetroffen. Men verzamele verder zoo
volledig mogelijk, d. w. z. men lette erop dat de plant, die men verzamelt,
zoo mogelijk bladeren, stengel, wortel, bloemen en vruchten bezit. Takken
met bladeren alleen zijn in den regel geheel waardeloos, evenals varens en
mossen zonder sporenhoopjes of sporenkapsels. Verzamel zoo mogelijk
meerdere exemplaren van één plant, opdat, wanneer de soort bijzonder
zeldzaam of nieuw mocht zijn, de ontvanger exemplaren aan andere
botanici kan afstaan of met hen ruilen.
2o. Verzamel liever weinig en dan goed, dan veel en slecht.
Page 17
3o. Tracht bij gebrek aan tijd ten minste gemakkelijk te conserveeren
planten bij elkaar te krijgen, zooals mossen en varens, die weinig zorg
vereischen bij het conserveeren.
§ 2. Gereedschappen voor het verzamelen van planten.
Hij die weinig verzamelt kan zich met de bekende botaniseerbus behelpen.
Deze heeft echter het nadeel, dat zij in den regel te klein is en slechts een
beperkt aantal exemplaren kan bevatten. Zij is dus alleen te gebruiken bij
zeer kleine tochten of in plantenarme gebieden. In Suriname is de
botaniseerbus in den regel onbruikbaar. In de warme met waterdamp
verzadigde ruimte gaan de bladeren spoedig afvallen, evenals de bloemen
en vruchten; deze vermengen zich met elkaar op den bodem van de bus en
geven tot de grootste verwarring aanleiding. Beter late men zich een of
meer portefeuilles maken van stevig karton, van buiten en binnen met een
waterdichte stof (zeildoek) bekleed, welke eenige centimeters grooter is dan
het formaat van het papier dat men gebruikt. Een van deze portefeuilles
gebruikt men als verzamelportefeuille, de andere wordt alleen gebruikt om
er meer papier in te bergen, en moet dus door iemand anders gedragen
worden. Men snijdt nu van de plant, die men verzamelen wil, een stuk af
van de grootte van het papier en legt dat tusschen een van de dubbele vellen
in de verzamelportefeuille. Het gemakkelijkst is deze te sluiten met een
breed stuk elastiek dat overlangs de portefeuille dichthoudt. Men zorge dat
de plant zoo vlak mogelijk uitgespreid wordt, zonder daaraan al te
overdreven en tijdroovende zorg te besteden. Is het papier in de
verzamelportefeuille gebruikt, dan kan men een deel van de planten doen
overgaan in de andere. Het spreekt vanzelf dat men op kleinere tochten ook
met slechts één portefeuille kan uitgaan. Voor het uitgraven van kleine
planten kan men gebruik maken van een plantenschopje, waarbij men dient
te zorgen, dat men het onderaardsche deel niet stukstoot of afsnijdt. Vooral
bij planten met knollen en lange wortelstokken, doch ook bij parasieten, die
planten bij elkaar te krijgen, zooals mossen en varens, die weinig zorg
vereischen bij het conserveeren.
§ 2. Gereedschappen voor het verzamelen van planten.
Hij die weinig verzamelt kan zich met de bekende botaniseerbus behelpen.
Deze heeft echter het nadeel, dat zij in den regel te klein is en slechts een
beperkt aantal exemplaren kan bevatten. Zij is dus alleen te gebruiken bij
zeer kleine tochten of in plantenarme gebieden. In Suriname is de
botaniseerbus in den regel onbruikbaar. In de warme met waterdamp
verzadigde ruimte gaan de bladeren spoedig afvallen, evenals de bloemen
en vruchten; deze vermengen zich met elkaar op den bodem van de bus en
geven tot de grootste verwarring aanleiding. Beter late men zich een of
meer portefeuilles maken van stevig karton, van buiten en binnen met een
waterdichte stof (zeildoek) bekleed, welke eenige centimeters grooter is dan
het formaat van het papier dat men gebruikt. Een van deze portefeuilles
gebruikt men als verzamelportefeuille, de andere wordt alleen gebruikt om
er meer papier in te bergen, en moet dus door iemand anders gedragen
worden. Men snijdt nu van de plant, die men verzamelen wil, een stuk af
van de grootte van het papier en legt dat tusschen een van de dubbele vellen
in de verzamelportefeuille. Het gemakkelijkst is deze te sluiten met een
breed stuk elastiek dat overlangs de portefeuille dichthoudt. Men zorge dat
de plant zoo vlak mogelijk uitgespreid wordt, zonder daaraan al te
overdreven en tijdroovende zorg te besteden. Is het papier in de
verzamelportefeuille gebruikt, dan kan men een deel van de planten doen
overgaan in de andere. Het spreekt vanzelf dat men op kleinere tochten ook
met slechts één portefeuille kan uitgaan. Voor het uitgraven van kleine
planten kan men gebruik maken van een plantenschopje, waarbij men dient
te zorgen, dat men het onderaardsche deel niet stukstoot of afsnijdt. Vooral
bij planten met knollen en lange wortelstokken, doch ook bij parasieten, die
Page 18
op wortels van andere planten vastzitten is het van belang, dat het uitgraven
met de meeste voorzichtigheid geschiedt.
Een goed zakmes is natuurlijk een eerste vereischte. Indien men veel van uit
een boot langs de rivieroevers verzamelt kan een z.g. plantenschaar goede
diensten bewijzen. Men bevestige deze op een langen stok, en trekke de
schaar met een touw dicht. Gemakkelijk is het, wanneer men de stok zóó
laat maken, dat men hem naar willekeur kan verlengen door van bussen
voorziene verlengstukken.
Om goede exemplaren te verkrijgen, dient men nog het volgende in het oog
te houden.
Kleinere kruidachtige of overblijvende planten, die niet hooger zijn dan
eenige decimeters, verzamele men in hun geheel, doch met den wortel erbij.
Van hoogere kruiden of overblijvende planten, moet men in ieder geval het
bovenste, bloeiende deel nemen, en verder een stuk met bladeren van het
onderste deel van den stengel; van heesters of boomen zijn bloeiende of
vruchtdragende takken noodig. Stukken schors, knoppen etc. kunnen erbij
gevoegd worden, doch zijn niet noodzakelijk. Klimplanten verzamele men
liefst met het voorwerp dat omklemd wordt, wanneer dit tenminste niet te
groot is. Van planten met bijzonder groote bladeren kan in sommige
omstandigheden het geheele blad opgevouwen worden, totdat het de grootte
van het papier niet meer overschrijdt. Tusschen de plaatsen waar deelen van
het blad elkaar raken, legt men stukken papier.
Vindt men planten die alleen bloeien, dan lette men vooral op in de
nabijheid staande exemplaren of men daaraan geen vruchten kan vinden.
Wanneer men in de gelegenheid is, een plaats meermalen te bezoeken, dan
is het merken van een plant aan te bevelen, opdat men bij een andere
gelegenheid van hetzelfde exemplaar vruchten kan verzamelen. Zooveel
mogelijk verzamele men bloemen en vruchten van hetzelfde exemplaar.
Parasieten worden steeds verzameld met de plant waarop ze voorkomen.
met de meeste voorzichtigheid geschiedt.
Een goed zakmes is natuurlijk een eerste vereischte. Indien men veel van uit
een boot langs de rivieroevers verzamelt kan een z.g. plantenschaar goede
diensten bewijzen. Men bevestige deze op een langen stok, en trekke de
schaar met een touw dicht. Gemakkelijk is het, wanneer men de stok zóó
laat maken, dat men hem naar willekeur kan verlengen door van bussen
voorziene verlengstukken.
Om goede exemplaren te verkrijgen, dient men nog het volgende in het oog
te houden.
Kleinere kruidachtige of overblijvende planten, die niet hooger zijn dan
eenige decimeters, verzamele men in hun geheel, doch met den wortel erbij.
Van hoogere kruiden of overblijvende planten, moet men in ieder geval het
bovenste, bloeiende deel nemen, en verder een stuk met bladeren van het
onderste deel van den stengel; van heesters of boomen zijn bloeiende of
vruchtdragende takken noodig. Stukken schors, knoppen etc. kunnen erbij
gevoegd worden, doch zijn niet noodzakelijk. Klimplanten verzamele men
liefst met het voorwerp dat omklemd wordt, wanneer dit tenminste niet te
groot is. Van planten met bijzonder groote bladeren kan in sommige
omstandigheden het geheele blad opgevouwen worden, totdat het de grootte
van het papier niet meer overschrijdt. Tusschen de plaatsen waar deelen van
het blad elkaar raken, legt men stukken papier.
Vindt men planten die alleen bloeien, dan lette men vooral op in de
nabijheid staande exemplaren of men daaraan geen vruchten kan vinden.
Wanneer men in de gelegenheid is, een plaats meermalen te bezoeken, dan
is het merken van een plant aan te bevelen, opdat men bij een andere
gelegenheid van hetzelfde exemplaar vruchten kan verzamelen. Zooveel
mogelijk verzamele men bloemen en vruchten van hetzelfde exemplaar.
Parasieten worden steeds verzameld met de plant waarop ze voorkomen.
Page 19
Niet bloeiende planten (varens, mossen etc. natuurlijk uitgezonderd)
moeten niet verzameld worden; zulk materiaal kan alleen eenige waarde
hebben, wanneer men de volksnamen en het gebruik ervan aanteekent. Ook
enkele vruchten en bloemen hebben in het algemeen geen waarde voor de
wetenschap.
Bij het verzamelen moet men er verder op letten, dat alle onnoodige ballast
zooveel mogelijk vermeden wordt. Dikke zoden, zooals veel bij grassen
voorkomt, snijdt men door twee vertikale sneden in platte stukken,
waardoor de verzamelportefeuille niet te dik wordt.
Dikke bollen, knollen of wortelstokken worden overlangs doorgesneden en
beide helften in het papier gelegd. Planten die te groot zijn voor het papier
en die toch volledigheidshalve niet in kleinere exemplaren verzameld
kunnen worden, moeten niet in stukken gesneden worden, doch omgeknikt,
zoodat de omgebogen plaatsen niet van elkaar loslaten. Van zeer stekelige
planten kan een deel van de stekels verwijderd worden. Bloemen of kleine
vruchten, die gemakkelijk afvallen voegt men bij de planten, waartoe ze
behooren, in een enveloppe.
Is men met het materiaal aangekomen op de plaats waar men het verder kan
verzorgen, dan kan men twee wegen inslaan, n.l. het materiaal kan
gedroogd worden, of het kan langs de methode van Schweinfurth worden
behandeld. De eerste methode voert alleen tot goede resultaten in streken
met een droog klimaat; in vochtige streken, zooals in Suriname, nemen na
het drogen de planten in den regel weer zooveel water op, dat ze spoedig
schimmelen en alle moeite voor niets is geweest. Men kan weliswaar het
schimmelen tegengaan door de planten te bestrijken met een sterke
oplossing van sublimaat in alcohol, maar de voortdurende vochtigheid doet
hen toch spoedig achteruitgaan. Wil men absoluut zeker zijn, dat de
planten goed verzonden worden en ook in goeden staat bij den
ontvanger aankomen, dan verzamele men steeds volgens de methode
van Schweinfurth.
moeten niet verzameld worden; zulk materiaal kan alleen eenige waarde
hebben, wanneer men de volksnamen en het gebruik ervan aanteekent. Ook
enkele vruchten en bloemen hebben in het algemeen geen waarde voor de
wetenschap.
Bij het verzamelen moet men er verder op letten, dat alle onnoodige ballast
zooveel mogelijk vermeden wordt. Dikke zoden, zooals veel bij grassen
voorkomt, snijdt men door twee vertikale sneden in platte stukken,
waardoor de verzamelportefeuille niet te dik wordt.
Dikke bollen, knollen of wortelstokken worden overlangs doorgesneden en
beide helften in het papier gelegd. Planten die te groot zijn voor het papier
en die toch volledigheidshalve niet in kleinere exemplaren verzameld
kunnen worden, moeten niet in stukken gesneden worden, doch omgeknikt,
zoodat de omgebogen plaatsen niet van elkaar loslaten. Van zeer stekelige
planten kan een deel van de stekels verwijderd worden. Bloemen of kleine
vruchten, die gemakkelijk afvallen voegt men bij de planten, waartoe ze
behooren, in een enveloppe.
Is men met het materiaal aangekomen op de plaats waar men het verder kan
verzorgen, dan kan men twee wegen inslaan, n.l. het materiaal kan
gedroogd worden, of het kan langs de methode van Schweinfurth worden
behandeld. De eerste methode voert alleen tot goede resultaten in streken
met een droog klimaat; in vochtige streken, zooals in Suriname, nemen na
het drogen de planten in den regel weer zooveel water op, dat ze spoedig
schimmelen en alle moeite voor niets is geweest. Men kan weliswaar het
schimmelen tegengaan door de planten te bestrijken met een sterke
oplossing van sublimaat in alcohol, maar de voortdurende vochtigheid doet
hen toch spoedig achteruitgaan. Wil men absoluut zeker zijn, dat de
planten goed verzonden worden en ook in goeden staat bij den
ontvanger aankomen, dan verzamele men steeds volgens de methode
van Schweinfurth.
Page 20
Daarvoor late men zinken bussen maken, die eenige centimeters langer en
breeder zijn, dan het formaat van het papier en ± 15 cM. dik zijn. Voor een
formaat van 45 × 30 cM. papier (een zeer bruikbaar formaat) is dus een blik
van 47 × 32 × 15 cM. voldoende. Het blik moet open zijn op een vlak van
32 × 15 cM. en op die plaats moet de rand ter breedte van ± 1 cM.
rechthoekig naar binnen omgebogen worden, zoodat men daarop den
deksel, die natuurlijk 32 × 15 cM. groot is, kan vastsoldeeren.
Het materiaal, dat verzameld is tusschen papier, kan nu zonder meer uit de
verzamel-portefeuille in het blik geborgen worden. In ieder blik gaan
ongeveer 50 gevulde vellen papier, waarvan men eerst 2 of 3 pakjes maakt,
die men met touw dichtbindt. Men schuift deze nu voorzichtig in de bus.
Daarna wordt de deksel er op gesoldeerd; deze deksel is voorzien van een
opening van eenige centimeters diameter, waardoor men de
conserveeringsvloeistof laat binnenstroomen. Daarvoor komt sterke alcohol
van 96 % in de allereerste plaats in aanmerking; voor een blik van de boven
opgegeven afmetingen is 1 Liter in den regel voldoende; waren de planten
erg nat, dan moet men iets meer nemen, doch zeker niet meer dan 2 Liters.
Men zorge bij het doen toevloeien van den alcohol ervoor, dat men dezen
zooveel mogelijk naar alle zijden laat stroomen, zoodat het papier er geheel
mee gedrenkt wordt. De alcohol behoeft echter niet in vloeibaren toestand
in het blik aanwezig te zijn, doch wanneer het papier er goed mee gedrenkt
is, wordt schimmelen van de planten reeds geheel tegengegaan. In plaats
van spiritus kan men in geval van nood ook brandspiritus, arak, brandewijn,
formaline (4 %) of een karbol-oplossing nemen; van den brandspiritus, arak
of brandewijn moet men echter minstens twee Liter toevoegen, daar het
watergehalte van deze stoffen grooter is dan dat van sterke alcohol.
De kwaliteit van het papier, doet bij het verzamelen volgens de methode
Schweinfurth weinig ter zake; het meest geschikt is gewoon grijs pakpapier
van een ordinaire kwaliteit; in geval van nood kan zelfs krantenpapier
gebruikt worden, maar dit heeft het bezwaar, dat het in de
conserveeringsvloeistof week wordt en uiteen kan vallen, zoodat men de
pakken zeer goed moet dichtbinden, en met het touw niet zuinig moet zijn.
breeder zijn, dan het formaat van het papier en ± 15 cM. dik zijn. Voor een
formaat van 45 × 30 cM. papier (een zeer bruikbaar formaat) is dus een blik
van 47 × 32 × 15 cM. voldoende. Het blik moet open zijn op een vlak van
32 × 15 cM. en op die plaats moet de rand ter breedte van ± 1 cM.
rechthoekig naar binnen omgebogen worden, zoodat men daarop den
deksel, die natuurlijk 32 × 15 cM. groot is, kan vastsoldeeren.
Het materiaal, dat verzameld is tusschen papier, kan nu zonder meer uit de
verzamel-portefeuille in het blik geborgen worden. In ieder blik gaan
ongeveer 50 gevulde vellen papier, waarvan men eerst 2 of 3 pakjes maakt,
die men met touw dichtbindt. Men schuift deze nu voorzichtig in de bus.
Daarna wordt de deksel er op gesoldeerd; deze deksel is voorzien van een
opening van eenige centimeters diameter, waardoor men de
conserveeringsvloeistof laat binnenstroomen. Daarvoor komt sterke alcohol
van 96 % in de allereerste plaats in aanmerking; voor een blik van de boven
opgegeven afmetingen is 1 Liter in den regel voldoende; waren de planten
erg nat, dan moet men iets meer nemen, doch zeker niet meer dan 2 Liters.
Men zorge bij het doen toevloeien van den alcohol ervoor, dat men dezen
zooveel mogelijk naar alle zijden laat stroomen, zoodat het papier er geheel
mee gedrenkt wordt. De alcohol behoeft echter niet in vloeibaren toestand
in het blik aanwezig te zijn, doch wanneer het papier er goed mee gedrenkt
is, wordt schimmelen van de planten reeds geheel tegengegaan. In plaats
van spiritus kan men in geval van nood ook brandspiritus, arak, brandewijn,
formaline (4 %) of een karbol-oplossing nemen; van den brandspiritus, arak
of brandewijn moet men echter minstens twee Liter toevoegen, daar het
watergehalte van deze stoffen grooter is dan dat van sterke alcohol.
De kwaliteit van het papier, doet bij het verzamelen volgens de methode
Schweinfurth weinig ter zake; het meest geschikt is gewoon grijs pakpapier
van een ordinaire kwaliteit; in geval van nood kan zelfs krantenpapier
gebruikt worden, maar dit heeft het bezwaar, dat het in de
conserveeringsvloeistof week wordt en uiteen kan vallen, zoodat men de
pakken zeer goed moet dichtbinden, en met het touw niet zuinig moet zijn.
Page 21
Nadat men de alcohol bij de planten gevoegd heeft, soldeert men het gat in
den deksel goed dicht.
De voorzorgen, die men te nemen heeft om bij de verzending van de bussen
scheuren of deuken te voorkomen, zijn geheel afhankelijk van de dikte van
het materiaal, waarvan ze vervaardigd zijn. Meestal is het niet raadzaam om
ze zonder eenige beschutting te verzenden.
Wil men de blikken mee op expeditie nemen, dan is het raadzaam ze in
twee grootten te laten maken, die zeer weinig van elkaar verschillen, doch
zooveel dat het grootste blik als een deksel over het kleinere geschoven kan
worden. Daarvoor is het wenschelijk de later naar binnen te buigen rand van
dit grootste blik rechtop te zetten, zoodat men daardoor geen ruimte
verliest. Deze rand wordt pas rechthoekig omgebogen, wanneer men den
deksel erop gaat soldeeren. Door deze methode is men zeker, dat het papier
niet nat wordt, en kan men op grootere tochten zijn voorraad gemakkelijker
meenemen. Bovendien heeft het dit voordeel, dat het blik een grootere
stevigheid verkrijgt en minder spoedig gedeukt wordt.
§ 3. Etiketten.
In den regel is het wenschelijk zoowel bij grootere als kleinere tochten de
verzamelde planten een doorloopend nummer te geven.
Worden op eenzelfde plaats meerdere exemplaren van dezelfde soort
verzameld, dan krijgen al die exemplaren hetzelfde nummer; verzamelt men
echter op verschillende plaatsen, dan moet men noodzakelijk telkens een
ander nummer geven.
Dit nummeren geschiedt het best op de volgende wijze. Men laat stukjes
stevig, dun karton snijden op de maat 2 × 3 c.M. en maakt daaraan door een
gaatje een dubbel touwtje vast, dat men aan de einden samenknoopt. Door
het etiket door de lus te steken kan men de stukjes karton aan de plant
den deksel goed dicht.
De voorzorgen, die men te nemen heeft om bij de verzending van de bussen
scheuren of deuken te voorkomen, zijn geheel afhankelijk van de dikte van
het materiaal, waarvan ze vervaardigd zijn. Meestal is het niet raadzaam om
ze zonder eenige beschutting te verzenden.
Wil men de blikken mee op expeditie nemen, dan is het raadzaam ze in
twee grootten te laten maken, die zeer weinig van elkaar verschillen, doch
zooveel dat het grootste blik als een deksel over het kleinere geschoven kan
worden. Daarvoor is het wenschelijk de later naar binnen te buigen rand van
dit grootste blik rechtop te zetten, zoodat men daardoor geen ruimte
verliest. Deze rand wordt pas rechthoekig omgebogen, wanneer men den
deksel erop gaat soldeeren. Door deze methode is men zeker, dat het papier
niet nat wordt, en kan men op grootere tochten zijn voorraad gemakkelijker
meenemen. Bovendien heeft het dit voordeel, dat het blik een grootere
stevigheid verkrijgt en minder spoedig gedeukt wordt.
§ 3. Etiketten.
In den regel is het wenschelijk zoowel bij grootere als kleinere tochten de
verzamelde planten een doorloopend nummer te geven.
Worden op eenzelfde plaats meerdere exemplaren van dezelfde soort
verzameld, dan krijgen al die exemplaren hetzelfde nummer; verzamelt men
echter op verschillende plaatsen, dan moet men noodzakelijk telkens een
ander nummer geven.
Dit nummeren geschiedt het best op de volgende wijze. Men laat stukjes
stevig, dun karton snijden op de maat 2 × 3 c.M. en maakt daaraan door een
gaatje een dubbel touwtje vast, dat men aan de einden samenknoopt. Door
het etiket door de lus te steken kan men de stukjes karton aan de plant
Page 22
gemakkelijk bevestigen. Op dit karton schrijft men met zacht potlood het
nummer; inkt is niet geschikt, omdat dit in de alcohol kan verdwijnen.
Het nummeren alleen is echter niet voldoende en zelfs hebben planten met
een nummer alleen absoluut geen waarde. Behalve dat moet aangegeven
worden:
1o. De standplaats van de plant:
a. de geografische ligging van de plaats.
b. aard van de plaats (droog, vochtig, zonnig, beschaduwd,
humusachtig, rotsachtig, steenachtig, epiphytisch, parasitisch,
zoetwater, brak water, zeewater, etc.).
c. Geologische gesteldheid van den bodem (kalk, graniet,
zandsteen, etc.).
d. Hoogte van de plaats boven zee.
2o. Wijze van voorkomen.
a. In welke omgeving (oerwoud, savanne, rivieroever, langs
wegen, etc.).
b. Wijze van voorkomen (in groepen, afzonderlijk, algemeen,
zeldzaam, gekultiveerd enz.).
3o. Datum van verzamelen.
4o. Alle eigenschappen van de levende plant, die aan het gedroogde
exemplaar niet meer kunnen waargenomen worden.
a. Wijze van groeien (Boom, diens grootte, omtrek, kleur en
vorm van de schors, vorm van de kroon, struik, klimplant,
woekerplant, epiphyt, kruid, etc.).
b. Kleur van de bloemen, kleur en smaak van de vruchten.
c. Reuk, smaak, melksap en andere dergelijke eigenschappen.
5o. Gebruik (nut en schade, etc.).
6o. Volksnamen.
7o. Naam van den verzamelaar.
Hoe vollediger zulk een etiket is, des te meer waarde hebben de verzamelde
exemplaren. De dikgedrukte aanwijzingen moeten beslist opgegeven
nummer; inkt is niet geschikt, omdat dit in de alcohol kan verdwijnen.
Het nummeren alleen is echter niet voldoende en zelfs hebben planten met
een nummer alleen absoluut geen waarde. Behalve dat moet aangegeven
worden:
1o. De standplaats van de plant:
a. de geografische ligging van de plaats.
b. aard van de plaats (droog, vochtig, zonnig, beschaduwd,
humusachtig, rotsachtig, steenachtig, epiphytisch, parasitisch,
zoetwater, brak water, zeewater, etc.).
c. Geologische gesteldheid van den bodem (kalk, graniet,
zandsteen, etc.).
d. Hoogte van de plaats boven zee.
2o. Wijze van voorkomen.
a. In welke omgeving (oerwoud, savanne, rivieroever, langs
wegen, etc.).
b. Wijze van voorkomen (in groepen, afzonderlijk, algemeen,
zeldzaam, gekultiveerd enz.).
3o. Datum van verzamelen.
4o. Alle eigenschappen van de levende plant, die aan het gedroogde
exemplaar niet meer kunnen waargenomen worden.
a. Wijze van groeien (Boom, diens grootte, omtrek, kleur en
vorm van de schors, vorm van de kroon, struik, klimplant,
woekerplant, epiphyt, kruid, etc.).
b. Kleur van de bloemen, kleur en smaak van de vruchten.
c. Reuk, smaak, melksap en andere dergelijke eigenschappen.
5o. Gebruik (nut en schade, etc.).
6o. Volksnamen.
7o. Naam van den verzamelaar.
Hoe vollediger zulk een etiket is, des te meer waarde hebben de verzamelde
exemplaren. De dikgedrukte aanwijzingen moeten beslist opgegeven
Page 23
worden, de niet-dikgedrukte kunnen desnoods achterwege blijven, b.v.
wanneer men zeer weinig tijd heeft, doch zijn niettemin zeer wenschelijk.
Het gemakkelijkst is het, etiketten te laten drukken, waarop reeds enkele
woorden voorkomen, zoodat men slechts de voorkomende eigenschap heeft
aan te strepen en de rest in te vullen, b.v.:
No. 152 Datum Phot. No.
Naam. Botanisch. Inlandsch.
Vindplaats. Oerwoud. Savanna. Moeras. Oeverveget. Zilteveget.
Hoogte b.z. Grondsoort.
Habitus. Boom. Heester. Kruid. Liaan. Klimplant. Epiphyt.
Afmeting.
Bloembeschrijving.
Vrucht.
Vegetat. deelen Doornen. Olieklieren. Melksap. Vorm van wortels.
Kleur v. Blad. Kleur v. Stam.
Gebruik.
Andere bijzonderheden.
Verzameld door:
De etiketten laat men nummeren en in boekjes van b.v. 100 stuks bij elkaar
inbinden. Men geeft de plant natuurlijk het nummer, dat overeenkomt met
het nummer van het etiket, en zendt de ingevulde boekjes later met de
verzamelde planten (doch niet in de bussen!) op.
De methode Schweinfurth heeft verder nog het voordeel, dat men zeer
weinig plantendeelen afzonderlijk in spiritus behoeft te bewaren. Zoo
kunnen vruchten, wanneer ze tenminste niet al te groot zijn, met de plant
tusschen het papier gelegd worden. Ook bloemen worden zóó weinig
platgedrukt, dat ze voor onderzoek even geschikt zijn, alsof ze direct in een
wanneer men zeer weinig tijd heeft, doch zijn niettemin zeer wenschelijk.
Het gemakkelijkst is het, etiketten te laten drukken, waarop reeds enkele
woorden voorkomen, zoodat men slechts de voorkomende eigenschap heeft
aan te strepen en de rest in te vullen, b.v.:
No. 152 Datum Phot. No.
Naam. Botanisch. Inlandsch.
Vindplaats. Oerwoud. Savanna. Moeras. Oeverveget. Zilteveget.
Hoogte b.z. Grondsoort.
Habitus. Boom. Heester. Kruid. Liaan. Klimplant. Epiphyt.
Afmeting.
Bloembeschrijving.
Vrucht.
Vegetat. deelen Doornen. Olieklieren. Melksap. Vorm van wortels.
Kleur v. Blad. Kleur v. Stam.
Gebruik.
Andere bijzonderheden.
Verzameld door:
De etiketten laat men nummeren en in boekjes van b.v. 100 stuks bij elkaar
inbinden. Men geeft de plant natuurlijk het nummer, dat overeenkomt met
het nummer van het etiket, en zendt de ingevulde boekjes later met de
verzamelde planten (doch niet in de bussen!) op.
De methode Schweinfurth heeft verder nog het voordeel, dat men zeer
weinig plantendeelen afzonderlijk in spiritus behoeft te bewaren. Zoo
kunnen vruchten, wanneer ze tenminste niet al te groot zijn, met de plant
tusschen het papier gelegd worden. Ook bloemen worden zóó weinig
platgedrukt, dat ze voor onderzoek even geschikt zijn, alsof ze direct in een
Page 24
buisje met alcohol gelegd waren. Wil de ontvanger ze in alcohol bewaren,
dan kan hij dat doen, zoodra hij het blik openmaakt.
Vele orchideeën maken hierop eene uitzondering; hunne bloemen zijn vaak
groot en zeer bros, zoodat ze tusschen het papier hun vorm verliezen. Men
doet daarom beter ze in glazen buizen in spiritus te conserveeren. Deze
spiritus mag echter niet sterker zijn dan ± 60 %, omdat anders de bloemen
hard worden en door schudden bij het vervoer zeer gemakkelijk breken. De
glazen buizen sluit men met een kurk en daarna met flesschenlak of met
paraffine en verzendt ze met papier omwikkeld in kistjes, die aangevuld zijn
met houtwol, boekweitdoppen of dergelijk materiaal. Natuurlijk kan men
allerlei vruchten of bloemen, die bij de planten behooren, op deze wijze
verzamelen, doch noodzakelijk is het in den regel niet. Soms kan men ook
eenige buizen bij de planten in het blik insluiten.
Zeer geschikt kan men bloemen en groote vruchten ook in inmaakbussen
bewaren. Z.g. olifantsbussen, die met metalen klemmen en gummi-ring
gesloten worden, leenen zich uitstekend voor dit doel, en zijn ook zeer
bruikbaar voor het meenemen van kleinere hoeveelheden alcohol.
§ 4. Speciale aanwijzingen bij het verzamelen van lagere planten en
sommige families van de hoogere planten.
Paddenstoelen en schimmels, conserveert men het best in een formaline-
oplossing van 4 % (d. i. 10 deelen van de 40 % oplossing, die in den handel
is, op 90 deelen water). Door ieder exemplaar in een stukje katoen of
neteldoek te verpakken, waarbinnen men het etiket opbergt, dat de
vindplaats, de kleur, enz. van de levende plant aangeeft, kan men een aantal
paddenstoelen-soorten in een blik, pot of glazen buis bewaren. Paddestoelen
planten zich voort door sporen, wier kleur bij de determinatie van belang is;
om deze kleur te weten te komen legt men de paddestoel gedurende een dag
op een stuk papier in een kamer; den volgenden dag zal men rondom de
paddestoel (indien deze althans voldoende rijp was) verschillend gekleurde
dan kan hij dat doen, zoodra hij het blik openmaakt.
Vele orchideeën maken hierop eene uitzondering; hunne bloemen zijn vaak
groot en zeer bros, zoodat ze tusschen het papier hun vorm verliezen. Men
doet daarom beter ze in glazen buizen in spiritus te conserveeren. Deze
spiritus mag echter niet sterker zijn dan ± 60 %, omdat anders de bloemen
hard worden en door schudden bij het vervoer zeer gemakkelijk breken. De
glazen buizen sluit men met een kurk en daarna met flesschenlak of met
paraffine en verzendt ze met papier omwikkeld in kistjes, die aangevuld zijn
met houtwol, boekweitdoppen of dergelijk materiaal. Natuurlijk kan men
allerlei vruchten of bloemen, die bij de planten behooren, op deze wijze
verzamelen, doch noodzakelijk is het in den regel niet. Soms kan men ook
eenige buizen bij de planten in het blik insluiten.
Zeer geschikt kan men bloemen en groote vruchten ook in inmaakbussen
bewaren. Z.g. olifantsbussen, die met metalen klemmen en gummi-ring
gesloten worden, leenen zich uitstekend voor dit doel, en zijn ook zeer
bruikbaar voor het meenemen van kleinere hoeveelheden alcohol.
§ 4. Speciale aanwijzingen bij het verzamelen van lagere planten en
sommige families van de hoogere planten.
Paddenstoelen en schimmels, conserveert men het best in een formaline-
oplossing van 4 % (d. i. 10 deelen van de 40 % oplossing, die in den handel
is, op 90 deelen water). Door ieder exemplaar in een stukje katoen of
neteldoek te verpakken, waarbinnen men het etiket opbergt, dat de
vindplaats, de kleur, enz. van de levende plant aangeeft, kan men een aantal
paddenstoelen-soorten in een blik, pot of glazen buis bewaren. Paddestoelen
planten zich voort door sporen, wier kleur bij de determinatie van belang is;
om deze kleur te weten te komen legt men de paddestoel gedurende een dag
op een stuk papier in een kamer; den volgenden dag zal men rondom de
paddestoel (indien deze althans voldoende rijp was) verschillend gekleurde
Page 25
stofwolkjes vinden; dat zijn de sporen, de kleur ervan vermelde men op het
etiket.
Zoetwaterwieren. Deze hebben doorgaans de vorm van draden,
geleibolletjes of groene vliezen, en drijven of zijn aan verschillende
voorwerpen vastgehecht. Men kan ze verzamelen in glazen buizen of in
zakjes van geolied papier; thuis worden ze in een bak met water gebracht en
eenigszins uitgespreid; daarnaast plaatst men een tweede bak met schoon
water, waarin men een stevig stuk papier onderdompelt. Men neemt nu een
exemplaar uit den eersten bak en brengt die met behulp van een pincet in de
tweede bak over boven het papier; zoodra het wier goed uitgespreid is,
schuift men het papier met het wier erop voorzichtig uit het water, laat het
overtollige water eraf loopen en droogt het geheel op filtreerpapier
(natuurlijk niet tusschen filtreerpapier, daar het wier dan loslaat).
Een gemakkelijker methode is de volgende:
Men brengt het wier over naar een fleschje of buisje met water en voegt er
op het oog bij 10 % van een oplossing die bevat:
Chroomzuur 30 gram
IJsazijn 30
,,
Water 1000
,,
Daarmede is de conservatie afgeloopen; de fleschjes worden gekurkt
verzonden.
Korstmossen komen op den grond, op steenen of op boomen voor. Ze
worden in de zon gedroogd en vervolgens in kleine zakjes verpakt.
Natuurlijk kan men ze ook volgens de methode Schweinfurth
conserveeren.
Mossen en levermossen moeten zooveel mogelijk verzameld worden in
sporendragenden toestand. Deze sporendragers vindt men in den regel als
etiket.
Zoetwaterwieren. Deze hebben doorgaans de vorm van draden,
geleibolletjes of groene vliezen, en drijven of zijn aan verschillende
voorwerpen vastgehecht. Men kan ze verzamelen in glazen buizen of in
zakjes van geolied papier; thuis worden ze in een bak met water gebracht en
eenigszins uitgespreid; daarnaast plaatst men een tweede bak met schoon
water, waarin men een stevig stuk papier onderdompelt. Men neemt nu een
exemplaar uit den eersten bak en brengt die met behulp van een pincet in de
tweede bak over boven het papier; zoodra het wier goed uitgespreid is,
schuift men het papier met het wier erop voorzichtig uit het water, laat het
overtollige water eraf loopen en droogt het geheel op filtreerpapier
(natuurlijk niet tusschen filtreerpapier, daar het wier dan loslaat).
Een gemakkelijker methode is de volgende:
Men brengt het wier over naar een fleschje of buisje met water en voegt er
op het oog bij 10 % van een oplossing die bevat:
Chroomzuur 30 gram
IJsazijn 30
,,
Water 1000
,,
Daarmede is de conservatie afgeloopen; de fleschjes worden gekurkt
verzonden.
Korstmossen komen op den grond, op steenen of op boomen voor. Ze
worden in de zon gedroogd en vervolgens in kleine zakjes verpakt.
Natuurlijk kan men ze ook volgens de methode Schweinfurth
conserveeren.
Mossen en levermossen moeten zooveel mogelijk verzameld worden in
sporendragenden toestand. Deze sporendragers vindt men in den regel als
Page 26
gesteelde kapseltjes op de plant zitten. Mossen vindt men in groote
hoeveelheden op boomstammen en vochtig hout, ook op den grond, op
steenen enz. De zoden die men op den grond vindt snijdt men af en
verwijdert zooveel mogelijk de aarde; snijdt de zoden daarna in
overlangsche platte stukken en doet ze in papieren zakjes; deze kan men
drogen of langs de methode Schweinfurth conserveeren.
Varens worden op dezelfde wijze verzameld als bloeiende planten; men
lette erop dat ze sporen dragen, die men meest aan de achterzijde van de
bladeren als bruine, vaak door een schubje overdekte hoopjes vindt. Van
belang is het dat men een deel van den stengel of den wortelstok mede
verzamelt, daar bij de determinatie van veel belang is de wijze waarop de
bladsteel aan den stengel bevestigd is. Men snijde dus de bladeren niet af.
Palmen. Het zal in den regel onmogelijk blijken om het blad in zijn geheel
te verzamelen. Men snijde daarom de bladbasis en de bladtop af en legge
die tusschen papier, terwijl men op het etiket de afmeting van het geheele
blad vermeldt en het aantal paren segmenten opgeeft. Het is van veel belang
een geheele bloeikolf of een vruchtdragende kolf te verzamelen, waarbij
men vooral de inhullende scheede of scheeden niet mag verwijderen. Kan
men de geheele kolf niet verzamelen, dan beware men tenminste een paar
vruchten en de scheeden.
Bromeliaceae zijn vaak ook te groot om in zijn geheel verzameld te
worden; men snijde daarom een paar bladeren zoo dicht mogelijk bij de
basis af en neme verder de bloeitros mee.
Musaceae. Daarvoor geldt hetzelfde als voor de Bromeliaceae,
Zingiberaceae en Marantaceae. Bij deze familie lette men vooral op den
onderaardschen wortelstok, en verzamele ten minste een deel van de
bloemen in een buisje met spiritus.
Menispermaceae. Deze familie komt steeds slechts in mannelijke of
vrouwelijke exemplaren voor; men trachte exemplaren van beiderlei
geslacht te verzamelen.
hoeveelheden op boomstammen en vochtig hout, ook op den grond, op
steenen enz. De zoden die men op den grond vindt snijdt men af en
verwijdert zooveel mogelijk de aarde; snijdt de zoden daarna in
overlangsche platte stukken en doet ze in papieren zakjes; deze kan men
drogen of langs de methode Schweinfurth conserveeren.
Varens worden op dezelfde wijze verzameld als bloeiende planten; men
lette erop dat ze sporen dragen, die men meest aan de achterzijde van de
bladeren als bruine, vaak door een schubje overdekte hoopjes vindt. Van
belang is het dat men een deel van den stengel of den wortelstok mede
verzamelt, daar bij de determinatie van veel belang is de wijze waarop de
bladsteel aan den stengel bevestigd is. Men snijde dus de bladeren niet af.
Palmen. Het zal in den regel onmogelijk blijken om het blad in zijn geheel
te verzamelen. Men snijde daarom de bladbasis en de bladtop af en legge
die tusschen papier, terwijl men op het etiket de afmeting van het geheele
blad vermeldt en het aantal paren segmenten opgeeft. Het is van veel belang
een geheele bloeikolf of een vruchtdragende kolf te verzamelen, waarbij
men vooral de inhullende scheede of scheeden niet mag verwijderen. Kan
men de geheele kolf niet verzamelen, dan beware men tenminste een paar
vruchten en de scheeden.
Bromeliaceae zijn vaak ook te groot om in zijn geheel verzameld te
worden; men snijde daarom een paar bladeren zoo dicht mogelijk bij de
basis af en neme verder de bloeitros mee.
Musaceae. Daarvoor geldt hetzelfde als voor de Bromeliaceae,
Zingiberaceae en Marantaceae. Bij deze familie lette men vooral op den
onderaardschen wortelstok, en verzamele ten minste een deel van de
bloemen in een buisje met spiritus.
Menispermaceae. Deze familie komt steeds slechts in mannelijke of
vrouwelijke exemplaren voor; men trachte exemplaren van beiderlei
geslacht te verzamelen.
Page 27
Myristicaceae. Ook hier vindt men slechts éénslachtige bloemen.
Podostemonaceae. Deze alleen in stroomversnellingen groeiende planten
moeten zoo veel mogelijk verzameld worden met de deelen, waarmede ze
op de steenen of op hout vastgehecht zijn; men make deze deelen echter
niet los van het substraat, maar neme de steen mee of trachte er tenminste
een stuk af te slaan. Lossnijden is zeer moeielijk en beschadigt de plant
bijna steeds. Men lette vooral ook op de kleine vormen.
Leguminosae. Wanneer men van deze familie boomen aantreft, die de
typische vlindervormige bloem hebben, dan lette men vooral op de
vruchten. Zonder deze zijn de planten bijna niet te determineeren. Voor
andere vormen der familie zijn de vruchten minder noodzakelijk, maar toch
altijd zeer gewenscht.
Euphorbiaceae. Deze familie heeft steeds eenslachtige bloemen,
mannelijke en vrouwelijke bloemen komen in den regel op dezelfde plant
voor. Men zorge dus zooveel mogelijk beide soorten van bloemen te
verzamelen, ook als de planten tweehuizig zijn.
Sapindaceae. De boomen onder deze familie hebben samengestelde,
gevinde bladeren, die echter vaak den indruk maken van bebladerde takken.
Men lette goed op, dat men een dergelijk blad niet doorsnijdt, doch in zijn
geheel verzamelt.
Guttiferae. Ook hier vindt men vaak eenslachtige bloemen; men zoeke dus
naar beide vormen.
Lecythidaceae en Myrtaceae. Voor het determineeren van de geslachten in
deze families zijn vruchten bijna steeds onmisbaar.
Bignoniaceae. Van deze familie zijn de vruchten zeer slecht bekend. Reeds
daarom is het wenschelijk ze zooveel mogelijk te verzamelen. Eenige
geslachten zijn slechts door de vruchten te onderscheiden.
Rubiaceae. De indeeling van deze familie berust bijna uitsluitend op de
vruchten. Men verzamele deze dus zooveel mogelijk met de bloemen.
Podostemonaceae. Deze alleen in stroomversnellingen groeiende planten
moeten zoo veel mogelijk verzameld worden met de deelen, waarmede ze
op de steenen of op hout vastgehecht zijn; men make deze deelen echter
niet los van het substraat, maar neme de steen mee of trachte er tenminste
een stuk af te slaan. Lossnijden is zeer moeielijk en beschadigt de plant
bijna steeds. Men lette vooral ook op de kleine vormen.
Leguminosae. Wanneer men van deze familie boomen aantreft, die de
typische vlindervormige bloem hebben, dan lette men vooral op de
vruchten. Zonder deze zijn de planten bijna niet te determineeren. Voor
andere vormen der familie zijn de vruchten minder noodzakelijk, maar toch
altijd zeer gewenscht.
Euphorbiaceae. Deze familie heeft steeds eenslachtige bloemen,
mannelijke en vrouwelijke bloemen komen in den regel op dezelfde plant
voor. Men zorge dus zooveel mogelijk beide soorten van bloemen te
verzamelen, ook als de planten tweehuizig zijn.
Sapindaceae. De boomen onder deze familie hebben samengestelde,
gevinde bladeren, die echter vaak den indruk maken van bebladerde takken.
Men lette goed op, dat men een dergelijk blad niet doorsnijdt, doch in zijn
geheel verzamelt.
Guttiferae. Ook hier vindt men vaak eenslachtige bloemen; men zoeke dus
naar beide vormen.
Lecythidaceae en Myrtaceae. Voor het determineeren van de geslachten in
deze families zijn vruchten bijna steeds onmisbaar.
Bignoniaceae. Van deze familie zijn de vruchten zeer slecht bekend. Reeds
daarom is het wenschelijk ze zooveel mogelijk te verzamelen. Eenige
geslachten zijn slechts door de vruchten te onderscheiden.
Rubiaceae. De indeeling van deze familie berust bijna uitsluitend op de
vruchten. Men verzamele deze dus zooveel mogelijk met de bloemen.
Page 28
Cucurbitaceae. Deze familie heeft steeds eenslachtige bloemen, die soms
op dezelfde plant, vaker op verschillende planten voorkomen. Men lette
daar dus op bij het verzamelen.
Compositae. Met het oog op den vorm van het vruchtpluis is het zeer
wenschelijk met de bloemen ook vruchten te verzamelen.
op dezelfde plant, vaker op verschillende planten voorkomen. Men lette
daar dus op bij het verzamelen.
Compositae. Met het oog op den vorm van het vruchtpluis is het zeer
wenschelijk met de bloemen ook vruchten te verzamelen.
Page 29
Page 30
Overzicht van het natuurlijke stelsel van de
Vaatkryptogamen en Phanerogamen.
(De in Suriname voorkomende families, orden, klassen en afdeelingen zijn
met vette letter gedrukt; zie de toelichting op pag. 6).
Afdeeling: Archegoniatae. 112. Droseraceae.
Onderafdeeling: Pteridophyta. Orde: Rosales.
Klasse: Filicales. 113. Podostemonaceae.
Orde: Filicales leptosporangiatae. 114. Hydrostachydaceae.
I. Hymenophyllaceae. 115. Crassulaceae.
II. Cyatheaceae. 116. Cephalotaceae.
III. Polypodiaceae. 117. Saxifragaceae.
IV. Parkeriaceae. 118. Pittosporaceae.
Matoniaceae. 119. Brunelliaceae.
V. Gleicheniaceae. 120. Cunoniaceae.
VI. Schizaeaceae. 121. Myrothamnaceae.
Osmundaceae. 122. Bruniaceae.
Marsiliaceae. 123. Hamamelidaceae.
VII. Salviniaceae. 123a. Eucommiaceae.
Orde: Marattiales. 124. Platanaceae.
VIII. Marattiaceae. 125. Crossosomataceae.
Orde: Ophioglossales. 126. Rosaceae.
IX. Ophioglossaceae. 127. Connaraceae.
Klasse: Sphenophyllales. 128. Leguminosae.
Sphenophyllaceae. Orde: Geraniales.
Klasse: Equisetales. 129. Geraniaceae.
Orde: Equisetales. 130. Oxalidaceae.
Equisetaceae. 131. Tropaeolaceae.
Orde: Calamariales. 132. Linaceae.
Calamariaceae. 133. Humiriaceae.
Vaatkryptogamen en Phanerogamen.
(De in Suriname voorkomende families, orden, klassen en afdeelingen zijn
met vette letter gedrukt; zie de toelichting op pag. 6).
Afdeeling: Archegoniatae. 112. Droseraceae.
Onderafdeeling: Pteridophyta. Orde: Rosales.
Klasse: Filicales. 113. Podostemonaceae.
Orde: Filicales leptosporangiatae. 114. Hydrostachydaceae.
I. Hymenophyllaceae. 115. Crassulaceae.
II. Cyatheaceae. 116. Cephalotaceae.
III. Polypodiaceae. 117. Saxifragaceae.
IV. Parkeriaceae. 118. Pittosporaceae.
Matoniaceae. 119. Brunelliaceae.
V. Gleicheniaceae. 120. Cunoniaceae.
VI. Schizaeaceae. 121. Myrothamnaceae.
Osmundaceae. 122. Bruniaceae.
Marsiliaceae. 123. Hamamelidaceae.
VII. Salviniaceae. 123a. Eucommiaceae.
Orde: Marattiales. 124. Platanaceae.
VIII. Marattiaceae. 125. Crossosomataceae.
Orde: Ophioglossales. 126. Rosaceae.
IX. Ophioglossaceae. 127. Connaraceae.
Klasse: Sphenophyllales. 128. Leguminosae.
Sphenophyllaceae. Orde: Geraniales.
Klasse: Equisetales. 129. Geraniaceae.
Orde: Equisetales. 130. Oxalidaceae.
Equisetaceae. 131. Tropaeolaceae.
Orde: Calamariales. 132. Linaceae.
Calamariaceae. 133. Humiriaceae.
Page 31
Protocalamariaceae. 134. Erythroxylaceae.
Klasse: Lycopodiales. 135. Zygophyllaceae.
Orde: Lycopodiales eligulatae. 136. Cneoraceae.
X. Lycopodiaceae. 137. Rutaceae.
Psilotaceae. 138. Simarubaceae.
Orde: Lycopodiales ligulatae. 139. Burseraceae.
XI. Selaginellaceae. 140. Meliaceae.
Lepidodendraceae. 141. Malpighiaceae.
Sigillariaceae. 142. Trigoniaceae.
Isoetaceae. 143. Vochysiaceae.
Afdeeling: Phanerogamae. 144. Tremandraceae.
Onderafdeeling: Gymnospermae. 145. Polygalaceae.
Klasse: Cycadales. 146. Dichapetalaceae.
1. Cycadaceae. 147. Euphorbiaceae.
Klasse: Bennettitales. 148. Callitrichaceae.
2. Bennettitaceae. Orde: Sapindales.
Klasse: Cordaitales. 149. Buxaceae.
3. Cordaitaceae. 150. Empetraceae.
Klasse: Ginkgoales. 151. Coriariaceae.
4. Ginkgoaceae. 152. Limnanthaceae.
Klasse: Coniferae. 153. Anacardiaceae.
5. Taxaceae. 154. Cyrillaceae.
6. Pinaceae. 155. Pentaphylacaceae.
Klasse: Gnetales. 156. Corynocarpaceae.
7. Gnetaceae. 157. Aquifoliaceae.
Onderafdeeling: Angiospermae. 158. Celastraceae.
Klasse: Monocotyledoneae. 159. Hippocrateaceae.
Orde: Pandanales. 160. Stackhousiaceae.
8. Typhaceae. 161. Staphyleaceae.
9. Pandanaceae. 162. Icacinaceae.
10. Sparganiaceae. 163. Aceraceae.
Orde: Helobiae. 164. Hippocastanaceae.
11. Potamogetonaceae. 165. Sapindaceae.
12. Najadaceae. 166. Sabiaceae.
13. Aponogetonaceae. 167. Melianthaceae.
14. Scheuchzeriaceae. 168. Balsaminaceae.
Klasse: Lycopodiales. 135. Zygophyllaceae.
Orde: Lycopodiales eligulatae. 136. Cneoraceae.
X. Lycopodiaceae. 137. Rutaceae.
Psilotaceae. 138. Simarubaceae.
Orde: Lycopodiales ligulatae. 139. Burseraceae.
XI. Selaginellaceae. 140. Meliaceae.
Lepidodendraceae. 141. Malpighiaceae.
Sigillariaceae. 142. Trigoniaceae.
Isoetaceae. 143. Vochysiaceae.
Afdeeling: Phanerogamae. 144. Tremandraceae.
Onderafdeeling: Gymnospermae. 145. Polygalaceae.
Klasse: Cycadales. 146. Dichapetalaceae.
1. Cycadaceae. 147. Euphorbiaceae.
Klasse: Bennettitales. 148. Callitrichaceae.
2. Bennettitaceae. Orde: Sapindales.
Klasse: Cordaitales. 149. Buxaceae.
3. Cordaitaceae. 150. Empetraceae.
Klasse: Ginkgoales. 151. Coriariaceae.
4. Ginkgoaceae. 152. Limnanthaceae.
Klasse: Coniferae. 153. Anacardiaceae.
5. Taxaceae. 154. Cyrillaceae.
6. Pinaceae. 155. Pentaphylacaceae.
Klasse: Gnetales. 156. Corynocarpaceae.
7. Gnetaceae. 157. Aquifoliaceae.
Onderafdeeling: Angiospermae. 158. Celastraceae.
Klasse: Monocotyledoneae. 159. Hippocrateaceae.
Orde: Pandanales. 160. Stackhousiaceae.
8. Typhaceae. 161. Staphyleaceae.
9. Pandanaceae. 162. Icacinaceae.
10. Sparganiaceae. 163. Aceraceae.
Orde: Helobiae. 164. Hippocastanaceae.
11. Potamogetonaceae. 165. Sapindaceae.
12. Najadaceae. 166. Sabiaceae.
13. Aponogetonaceae. 167. Melianthaceae.
14. Scheuchzeriaceae. 168. Balsaminaceae.
Page 32
15. Alismataceae. Orde: Rhamnales.
16. Butomaceae. 169. Rhamnaceae.
17. Hydrocharitaceae. 170. Vitaceae.
Orde: Triuridales. Orde: Malvales.
18. Triuridaceae. 171. Elaeocarpaceae.
Orde: Glumiflorae. 172. Chlaenaceae.
19. Gramineae. 173. Gonystilaceae.
20. Cyperaceae. 174. Tiliaceae.
Orde: Principes. 175. Malvaceae.
21. Palmae. 176. Triplochitonaceae.
Orde: Synanthae. 177. Bombacaceae.
22. Cyclanthaceae. 178. Sterculiaceae.
Orde: Spathiflorae. 179. Scytopetalaceae.
23. Araceae. Orde: Parietales.
24. Lemnaceae. 180. Dilleniaceae.
Orde: Farinosae. 181. Eucryphiaceae.
25. Flagellariaceae. 182. Ochnaceae.
26. Restionaceae. 183. Caryocaraceae.
27. Centrolepidaceae. 184. Marcgraviaceae.
28. Mayacaceae. 185. Quiinaceae.
29. Xyridaceae. 186. Theaceae.
30. Eriocaulaceae. 187. Guttiferae.
30a. Thurniaceae. 188. Dipterocarpaceae.
31. Rapateaceae. 189. Elatinaceae.
32. Bromeliaceae. 190. Frankeniaceae.
33. Commelinaceae. 191. Tamaricaceae.
34. Pontederiaceae. 192. Fouquieraceae.
34a. Cyanastraceae. 193. Cistaceae.
35. Philydraceae. 194. Bixaceae.
Orde: Liliiflorae. 195. Cochlospermaceae.
36. Juncaceae. 197. Koeberliniaceae.
37. Stemonaceae. 198. Violaceae.
38. Liliaceae. 199. Flacourtiaceae.
39. Haemodoraceae. 200. Stachyuraceae.
40. Amaryllidaceae. 201. Turneraceae.
41. Velloziaceae. 202. Malesherbiaceae.
16. Butomaceae. 169. Rhamnaceae.
17. Hydrocharitaceae. 170. Vitaceae.
Orde: Triuridales. Orde: Malvales.
18. Triuridaceae. 171. Elaeocarpaceae.
Orde: Glumiflorae. 172. Chlaenaceae.
19. Gramineae. 173. Gonystilaceae.
20. Cyperaceae. 174. Tiliaceae.
Orde: Principes. 175. Malvaceae.
21. Palmae. 176. Triplochitonaceae.
Orde: Synanthae. 177. Bombacaceae.
22. Cyclanthaceae. 178. Sterculiaceae.
Orde: Spathiflorae. 179. Scytopetalaceae.
23. Araceae. Orde: Parietales.
24. Lemnaceae. 180. Dilleniaceae.
Orde: Farinosae. 181. Eucryphiaceae.
25. Flagellariaceae. 182. Ochnaceae.
26. Restionaceae. 183. Caryocaraceae.
27. Centrolepidaceae. 184. Marcgraviaceae.
28. Mayacaceae. 185. Quiinaceae.
29. Xyridaceae. 186. Theaceae.
30. Eriocaulaceae. 187. Guttiferae.
30a. Thurniaceae. 188. Dipterocarpaceae.
31. Rapateaceae. 189. Elatinaceae.
32. Bromeliaceae. 190. Frankeniaceae.
33. Commelinaceae. 191. Tamaricaceae.
34. Pontederiaceae. 192. Fouquieraceae.
34a. Cyanastraceae. 193. Cistaceae.
35. Philydraceae. 194. Bixaceae.
Orde: Liliiflorae. 195. Cochlospermaceae.
36. Juncaceae. 197. Koeberliniaceae.
37. Stemonaceae. 198. Violaceae.
38. Liliaceae. 199. Flacourtiaceae.
39. Haemodoraceae. 200. Stachyuraceae.
40. Amaryllidaceae. 201. Turneraceae.
41. Velloziaceae. 202. Malesherbiaceae.
Page 33
42. Taccaceae. 203. Passifloraceae.
43. Dioscoreaceae. 204. Achariaceae.
44. Iridaceae. 205. Caricaceae.
Orde: Scitamineae. 206. Loasaceae.
45. Musaceae. 207. Datiscaceae.
46. Zingiberaceae. 208. Begoniaceae.
47. Cannaceae. 209. Ancistrocladaceae.
48. Marantaceae. Orde: Opuntiales.
Orde: Microspermae. 210. Cactaceae.
49. Burmanniaceae. Orde: Myrtiflorae.
50. Orchidaceae. 211. Geissolomataceae.
Klasse: Dicotyledoneae. 212. Penaeaceae.
Onderklasse: Archichlamydeae 213. Oliniaceae.
(Choripetalae). 214. Thymelaeaceae.
Orde: Verticillatae. 215. Elaeagnaceae.
51. Casuarinaceae. 216. Lythraceae.
Orde: Piperales. 217. Sonneratiaceae.
52. Saururaceae. 218. Punicaceae.
53. Piperaceae. 219. Lecythidaceae.
54. Chloranthaceae. 220. Rhizophoraceae.
55. Lacistemaceae. 220a. Nyssaceae.
Orde: Salicales. 220b. Alangiaceae.
56. Salicaceae. 221. Combretaceae.
Orde: Garryales. 222. Myrtaceae.
56a. Garryaceae. 223. Melastomataceae.
Orde: Myricales. 224. Oenotheraceae.
57. Myricaceae. 225. Halorrhagidaceae.
58. Balanopsidaceae. 225a. Hippuridaceae.
Orde: Leitneriales. 226. Cynomoriaceae.
59. Leitneriaceae. Orde: Umbelliflorae.
Orde: Juglandales. 227. Araliaceae.
60. Juglandaceae. 228. Umbelliferae.
Orde: Batidales. 229. Cornaceae.
60a. Batidaceae. Onderklasse: Metachlamydeae
Orde: Julianales. (Synpetalae).
60b. Julianaceae. Orde: Ericales.
43. Dioscoreaceae. 204. Achariaceae.
44. Iridaceae. 205. Caricaceae.
Orde: Scitamineae. 206. Loasaceae.
45. Musaceae. 207. Datiscaceae.
46. Zingiberaceae. 208. Begoniaceae.
47. Cannaceae. 209. Ancistrocladaceae.
48. Marantaceae. Orde: Opuntiales.
Orde: Microspermae. 210. Cactaceae.
49. Burmanniaceae. Orde: Myrtiflorae.
50. Orchidaceae. 211. Geissolomataceae.
Klasse: Dicotyledoneae. 212. Penaeaceae.
Onderklasse: Archichlamydeae 213. Oliniaceae.
(Choripetalae). 214. Thymelaeaceae.
Orde: Verticillatae. 215. Elaeagnaceae.
51. Casuarinaceae. 216. Lythraceae.
Orde: Piperales. 217. Sonneratiaceae.
52. Saururaceae. 218. Punicaceae.
53. Piperaceae. 219. Lecythidaceae.
54. Chloranthaceae. 220. Rhizophoraceae.
55. Lacistemaceae. 220a. Nyssaceae.
Orde: Salicales. 220b. Alangiaceae.
56. Salicaceae. 221. Combretaceae.
Orde: Garryales. 222. Myrtaceae.
56a. Garryaceae. 223. Melastomataceae.
Orde: Myricales. 224. Oenotheraceae.
57. Myricaceae. 225. Halorrhagidaceae.
58. Balanopsidaceae. 225a. Hippuridaceae.
Orde: Leitneriales. 226. Cynomoriaceae.
59. Leitneriaceae. Orde: Umbelliflorae.
Orde: Juglandales. 227. Araliaceae.
60. Juglandaceae. 228. Umbelliferae.
Orde: Batidales. 229. Cornaceae.
60a. Batidaceae. Onderklasse: Metachlamydeae
Orde: Julianales. (Synpetalae).
60b. Julianaceae. Orde: Ericales.
Page 34
Orde: Fagales. 230. Clethraceae.
61. Betulaceae. 231. Pirolaceae.
62. Fagaceae. 232. Lennoaceae.
Orde: Urticales. 233. Ericaceae.
63. Ulmaceae. 234. Epacridaceae.
64. Moraceae. 235. Diapensiaceae.
65. Urticaceae. Orde: Primulales.
Orde: Proteales. 235a. Theophrastaceae.
66. Proteaceae. 236. Myrsinaceae.
Orde: Santalales. 237. Primulaceae.
67. Loranthaceae. Orde: Plumbaginales.
68. Myzodendraceae. 238. Plumbaginaceae.
69. Santalaceae. Orde: Ebenales.
70. Grubbiaceae. 239. Sapotaceae.
71. Opiliaceae. 240. Ebenaceae.
72. Olacaceae. 241. Styracaceae.
73. Balanophoraceae. 242. Symplocaceae.
Orde: Aristolochiales. Orde: Contortae.
74. Aristolochiaceae. 243. Oleaceae.
75. Rafflesiaceae. 244. Salvadoraceae.
76. Hydnoraceae. 245. Loganiaceae.
Orde: Polygonales. 246. Gentianaceae.
77. Polygonaceae. 247. Apocynaceae.
Orde: Centrospermae. 248. Asclepiadaceae.
78. Chenopodiaceae. Orde: Tubiflorae.
79. Amarantaceae. 249. Convolvulaceae.
80. Nyctaginaceae. 250. Polemoniaceae.
82. Cynocrambaceae. 251. Hydrophyllaceae.
83. Phytolaccaceae. 252. Borraginaceae.
84. Aizoaceae. 253. Verbenacae.
85. Portulacaceae. 254. Labiatae.
86. Basellaceae. 255. Nolanaceae.
87. Caryophyllaceae. 256. Solanaceae.
Orde: Ranales. 257. Scrophulariaceae.
88. Nymphaeaceae. 258. Bignoniaceae.
89. Ceratophyllaceae. 259. Pedaliaceae.
61. Betulaceae. 231. Pirolaceae.
62. Fagaceae. 232. Lennoaceae.
Orde: Urticales. 233. Ericaceae.
63. Ulmaceae. 234. Epacridaceae.
64. Moraceae. 235. Diapensiaceae.
65. Urticaceae. Orde: Primulales.
Orde: Proteales. 235a. Theophrastaceae.
66. Proteaceae. 236. Myrsinaceae.
Orde: Santalales. 237. Primulaceae.
67. Loranthaceae. Orde: Plumbaginales.
68. Myzodendraceae. 238. Plumbaginaceae.
69. Santalaceae. Orde: Ebenales.
70. Grubbiaceae. 239. Sapotaceae.
71. Opiliaceae. 240. Ebenaceae.
72. Olacaceae. 241. Styracaceae.
73. Balanophoraceae. 242. Symplocaceae.
Orde: Aristolochiales. Orde: Contortae.
74. Aristolochiaceae. 243. Oleaceae.
75. Rafflesiaceae. 244. Salvadoraceae.
76. Hydnoraceae. 245. Loganiaceae.
Orde: Polygonales. 246. Gentianaceae.
77. Polygonaceae. 247. Apocynaceae.
Orde: Centrospermae. 248. Asclepiadaceae.
78. Chenopodiaceae. Orde: Tubiflorae.
79. Amarantaceae. 249. Convolvulaceae.
80. Nyctaginaceae. 250. Polemoniaceae.
82. Cynocrambaceae. 251. Hydrophyllaceae.
83. Phytolaccaceae. 252. Borraginaceae.
84. Aizoaceae. 253. Verbenacae.
85. Portulacaceae. 254. Labiatae.
86. Basellaceae. 255. Nolanaceae.
87. Caryophyllaceae. 256. Solanaceae.
Orde: Ranales. 257. Scrophulariaceae.
88. Nymphaeaceae. 258. Bignoniaceae.
89. Ceratophyllaceae. 259. Pedaliaceae.
Page 35
90. Trochodendraceae 260. Martyniaceae.
90a. Cercidiphyllaceae. 261. Orobanchaceae.
91. Ranunculaceae. 262. Gesneriaceae.
92. Lardazibalaceae. 263. Columelliaceae.
93. Berberidaceae. 264. Lentibulariaceae.
94. Menispermaceae. 265. Globulariaceae.
95. Magnoliaceae. 266. Acanthaceae.
96. Calycanthaceae. 267. Myoporaceae.
97. Lactoridaceae. 268. Phrymaceae.
98. Anonaceae. Orde: Plantaginales.
99. Myristicaceae. 269. Plantaginaceae.
100. Gomortegaceae. Orde: Rubiales.
101. Monimiaceae. 270. Rubiaceae.
102. Lauraceae. 271. Caprifoliaceae.
103. Hernandiaceae. 272. Adoxaceae.
Orde: Rhoeadales. 273. Valerianaceae.
104. Papaveraceae. 274. Dipsacaceae.
105. Cruciferae. Orde: Cucurbitales.
106. Tovariaceae. 275. Cucurbitaceae.
107. Capparidaceae. Orde: Campanulatae.
108. Resedaceae. 276. Campanulaceae.
109. Moringaceae. 277. Goodeniaceae.
Orde: Sarraceniales. 278. Stylidiaceae.
110. Sarraceniaceae. 279. Calyceraceae.
111. Nepenthaceae. 280. Compositae.
90a. Cercidiphyllaceae. 261. Orobanchaceae.
91. Ranunculaceae. 262. Gesneriaceae.
92. Lardazibalaceae. 263. Columelliaceae.
93. Berberidaceae. 264. Lentibulariaceae.
94. Menispermaceae. 265. Globulariaceae.
95. Magnoliaceae. 266. Acanthaceae.
96. Calycanthaceae. 267. Myoporaceae.
97. Lactoridaceae. 268. Phrymaceae.
98. Anonaceae. Orde: Plantaginales.
99. Myristicaceae. 269. Plantaginaceae.
100. Gomortegaceae. Orde: Rubiales.
101. Monimiaceae. 270. Rubiaceae.
102. Lauraceae. 271. Caprifoliaceae.
103. Hernandiaceae. 272. Adoxaceae.
Orde: Rhoeadales. 273. Valerianaceae.
104. Papaveraceae. 274. Dipsacaceae.
105. Cruciferae. Orde: Cucurbitales.
106. Tovariaceae. 275. Cucurbitaceae.
107. Capparidaceae. Orde: Campanulatae.
108. Resedaceae. 276. Campanulaceae.
109. Moringaceae. 277. Goodeniaceae.
Orde: Sarraceniales. 278. Stylidiaceae.
110. Sarraceniaceae. 279. Calyceraceae.
111. Nepenthaceae. 280. Compositae.
Page 36
Page 37
Determinatietabel voor de families der
Vaatkryptogamen (Pteridophyta) en der
Phanerogamen.
1a. Planten zonder ware bloemen, met sporen. Pteridophyta 2
1b. Planten met ware bloemen. Phanerogamae 13
2a. Losdrijvende waterplanten, met kleine, niet ingesneden bladeren.
Sporangiën in het water rijp wordend VII. Salviniaceae.
2b. Landplanten, epiphyten, of in den bodem wortelende waterplanten
3
3a. Groene bladeren klein, schub- of naaldvormig, ongesteeld, den
bovenaardschen stengel dicht bedekkend; sporangiën alleenstaand in de
bladoksels 4
3b. Groene bladeren groot, ongedeeld of gedeeld of samengesteld, meest
gesteeld, op vrij grooten afstand van elkaar staand aan den boven- of
onderaardschen stengel 5
4a. Bladeren alle gelijk van vorm of de bovenste wat kleiner of grooter,
niet in rijen geplaatst; sporangiën en sporen alle gelijk van vorm en grootte
X. Lycopodiaceae.
4b. Bladeren in eenige (meest 4) rijen langs den
stengel; rijen onderling verschillend wat de bladvorm aangaat; sporangiën
en sporen in twee vormen voorkomend XI. Selaginellaceae.
5a. Sporangiën het bovendeel van een aparte zijtak van den bladsteel
geheel innemend 6
5b. Sporangiën aan de onderzijde of aan de randen van de bladeren 7
Vaatkryptogamen (Pteridophyta) en der
Phanerogamen.
1a. Planten zonder ware bloemen, met sporen. Pteridophyta 2
1b. Planten met ware bloemen. Phanerogamae 13
2a. Losdrijvende waterplanten, met kleine, niet ingesneden bladeren.
Sporangiën in het water rijp wordend VII. Salviniaceae.
2b. Landplanten, epiphyten, of in den bodem wortelende waterplanten
3
3a. Groene bladeren klein, schub- of naaldvormig, ongesteeld, den
bovenaardschen stengel dicht bedekkend; sporangiën alleenstaand in de
bladoksels 4
3b. Groene bladeren groot, ongedeeld of gedeeld of samengesteld, meest
gesteeld, op vrij grooten afstand van elkaar staand aan den boven- of
onderaardschen stengel 5
4a. Bladeren alle gelijk van vorm of de bovenste wat kleiner of grooter,
niet in rijen geplaatst; sporangiën en sporen alle gelijk van vorm en grootte
X. Lycopodiaceae.
4b. Bladeren in eenige (meest 4) rijen langs den
stengel; rijen onderling verschillend wat de bladvorm aangaat; sporangiën
en sporen in twee vormen voorkomend XI. Selaginellaceae.
5a. Sporangiën het bovendeel van een aparte zijtak van den bladsteel
geheel innemend 6
5b. Sporangiën aan de onderzijde of aan de randen van de bladeren 7
Page 38
6a. Sporangiën in twee rijen aan den sporangiëndrager; bladeren niet
ingesneden IX. Ophioglossaceae.
6b. Sporangiëndrager sterk pluimvormig vertakt; bladeren gevind
VI. Schizaeaceae.
7a. Sporangiën niet tot sori vereenigd, op de
onderzijde aan de vindeelige tot gevinde bladeren langs de nerven
verspreid; planten op zeer vochtige plaatsen of in het water groeiend
IV. Parkeriaceae.
7b. Epiphyten of landplanten; sporangiën in sori,
soms de geheele bladonderzijde dicht bedekkend of randstandig 8
8a. Planten met rechtopstaande stammen; min of meer boomachtig;
bladeren éénmaal tot viermaal gevind. Ring om het sporangium niet
onderbroken, scheef, bijna verticaal staande II. Cyatheaceae.
8b. Stammen niet boomvormig; ring onderbroken of niet, maar dan bijna
horizontaal 9
9a. Sori vereenigd tot lijnvormige groepen (synangiën) die van de
middennerf naar de bladrand loopen en met poriën openspringen. Bladeren
enkelvoudig of 3-tallig VIII. Marattiaceae.
9b. Sori niet tot synangiën vereenigd 10
10a. Sori geheel randstandig op een draadvormige voortzetting van een
buiten den bladrand uitstekende nerf; sorus omhuld door een bekervormig,
vaak 2-lobbig indusium I. Hymenophyllaceae.
10b. Sporangiën op de onderzijde of op de randen der bladeren zittend; in
geen geval op een buiten den bladrand uitstekende nerf 11
11a. Bladeren tenminste ten deele gaffelvormig vertakt, de segmenten
vindeelig; sori onder op de bladeren, bestaande uit 2 tot 8 ongesteelde
sporangiën zonder indusium V. Gleicheniaceae.
11b. Bladeren nooit gaffelvormig vertakt 12
ingesneden IX. Ophioglossaceae.
6b. Sporangiëndrager sterk pluimvormig vertakt; bladeren gevind
VI. Schizaeaceae.
7a. Sporangiën niet tot sori vereenigd, op de
onderzijde aan de vindeelige tot gevinde bladeren langs de nerven
verspreid; planten op zeer vochtige plaatsen of in het water groeiend
IV. Parkeriaceae.
7b. Epiphyten of landplanten; sporangiën in sori,
soms de geheele bladonderzijde dicht bedekkend of randstandig 8
8a. Planten met rechtopstaande stammen; min of meer boomachtig;
bladeren éénmaal tot viermaal gevind. Ring om het sporangium niet
onderbroken, scheef, bijna verticaal staande II. Cyatheaceae.
8b. Stammen niet boomvormig; ring onderbroken of niet, maar dan bijna
horizontaal 9
9a. Sori vereenigd tot lijnvormige groepen (synangiën) die van de
middennerf naar de bladrand loopen en met poriën openspringen. Bladeren
enkelvoudig of 3-tallig VIII. Marattiaceae.
9b. Sori niet tot synangiën vereenigd 10
10a. Sori geheel randstandig op een draadvormige voortzetting van een
buiten den bladrand uitstekende nerf; sorus omhuld door een bekervormig,
vaak 2-lobbig indusium I. Hymenophyllaceae.
10b. Sporangiën op de onderzijde of op de randen der bladeren zittend; in
geen geval op een buiten den bladrand uitstekende nerf 11
11a. Bladeren tenminste ten deele gaffelvormig vertakt, de segmenten
vindeelig; sori onder op de bladeren, bestaande uit 2 tot 8 ongesteelde
sporangiën zonder indusium V. Gleicheniaceae.
11b. Bladeren nooit gaffelvormig vertakt 12
Page 39
12a. Sporangiën òf gezeten op smalle slippen van den bladrand, òf een
scherp afgescheiden deel van den top der lijn- of steelvormige of
waaiervormig-gedeelde bladeren innemend; ring als een deksel den
geheelen top van het sporangium bedekkend VI. Schizaeaceae.
12b. Sporangiën in sori op de onderzijde van de bladeren, soms
randstandig, of de bladonderzijde geheel of ten deele dicht bekleedend; ring
onderbroken, verticaal staande III. Polypodiaceae.
13a. Losdrijvende of vastzittende waterplanten met ondergedoken of
drijvende bladeren; bladeren nooit met bladschijf of bladsteel boven water
uitstekend 14
13b. Landplanten of epiphyten, zelden waterplanten, maar dan de bladeren
boven de waterspiegel uitstekend 24
14a. Kleine drijvende waterplanten met eenslachtige bloemen, waarvan de
mannelijke uit één meeldraad en de vrouwelijke uit een vruchtbeginsel
bestaan 24. Lemnaceae.
14b. Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon 15
15a. Planten in stroomversnellingen groeiend; bloemdek bestaande uit
weinige tot vele kleine schubben; meeldraden één tot vele; vruchtbeginsel
met 2 korte stempels 113. Podostemaceae.
15b. Planten in stilstaand of langzaam-stroomend water groeiend 16
16a. Bloemen klein, in gesteelde hoofdjes langs den stengel verspreid, door
een gemeenschappelijk omwindsel omgeven; eenslachtig met 3-tallige
bloemen. Bladeren smal 30. Eriocaulaceae.
16b. Bloemen niet in hoofdjes 17
17a. Bladeren cirkelrond, drijvend, bloembladeren en meeldraden talrijk
88. Nymphaeaceae.
scherp afgescheiden deel van den top der lijn- of steelvormige of
waaiervormig-gedeelde bladeren innemend; ring als een deksel den
geheelen top van het sporangium bedekkend VI. Schizaeaceae.
12b. Sporangiën in sori op de onderzijde van de bladeren, soms
randstandig, of de bladonderzijde geheel of ten deele dicht bekleedend; ring
onderbroken, verticaal staande III. Polypodiaceae.
13a. Losdrijvende of vastzittende waterplanten met ondergedoken of
drijvende bladeren; bladeren nooit met bladschijf of bladsteel boven water
uitstekend 14
13b. Landplanten of epiphyten, zelden waterplanten, maar dan de bladeren
boven de waterspiegel uitstekend 24
14a. Kleine drijvende waterplanten met eenslachtige bloemen, waarvan de
mannelijke uit één meeldraad en de vrouwelijke uit een vruchtbeginsel
bestaan 24. Lemnaceae.
14b. Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon 15
15a. Planten in stroomversnellingen groeiend; bloemdek bestaande uit
weinige tot vele kleine schubben; meeldraden één tot vele; vruchtbeginsel
met 2 korte stempels 113. Podostemaceae.
15b. Planten in stilstaand of langzaam-stroomend water groeiend 16
16a. Bloemen klein, in gesteelde hoofdjes langs den stengel verspreid, door
een gemeenschappelijk omwindsel omgeven; eenslachtig met 3-tallige
bloemen. Bladeren smal 30. Eriocaulaceae.
16b. Bloemen niet in hoofdjes 17
17a. Bladeren cirkelrond, drijvend, bloembladeren en meeldraden talrijk
88. Nymphaeaceae.
Page 40
17b. Bloemkroon vergroeidbladig of uit hoogstens 6 losse bladeren
bestaand 18
18a. Kelkbladeren 2, bloemkroon 2-lippig, meeldraden 2; bladeren vaak
fijn gedeeld met kleine blaasjes 264. Lentibulariaceae.
18b. Bloemdek of bloemkroon regelmatig, of niet duidelijk 2-lippig 19
19a. Bloemen 5-tallig, meeldraden 5, vruchtbeginsel 1-hokkig; bladeren
aan den voet ingesneden, overigens rond 246. Gentianaceae.
19b. Bloemen 3-tallig 20
20a. Ondergedoken bladeren sterk gedeeld met bijna draadvormige slippen;
drijvende bladeren cirkelrond; kelkbladeren en bloembladeren 3;
vruchtbeginsels 1–3 88. Nymphaeaceae.
20b. Bladeren niet fijn verdeeld 21
21a. Bloemen éénslachtig, vruchtbeginsel 1-hokkig, onderstandig
17. Hydrocharitaceae.
21b. Bloemen tweeslachtig; vruchtbeginsel of
de vruchtbeginsels bovenstandig 22
22a. Vruchtbeginsel 1, meeldraden 6, bloemdek vergroeid, trechtervormig
met 6 slippen, een weinig zygomorf 34. Pontederiaceae.
22b. Vruchtbeginsels meer dan 1, kelk en bloemkroon aanwezig, de laatste
losbladig 23
23a. Vruchtbeginsels meestal 6; binnenste meeldraden ongeveer 20, met
stuifmeel, daaromheen nog ± 20 staminodiën 16. Butomaceae.
23b. Vruchtbeginsels talrijk, soms ook alleen ♂ bloemen aanwezig,
meeldraden 9–12 15. Alismataceae.
24a. Planten met ranken aan stengels of bladeren 25
bestaand 18
18a. Kelkbladeren 2, bloemkroon 2-lippig, meeldraden 2; bladeren vaak
fijn gedeeld met kleine blaasjes 264. Lentibulariaceae.
18b. Bloemdek of bloemkroon regelmatig, of niet duidelijk 2-lippig 19
19a. Bloemen 5-tallig, meeldraden 5, vruchtbeginsel 1-hokkig; bladeren
aan den voet ingesneden, overigens rond 246. Gentianaceae.
19b. Bloemen 3-tallig 20
20a. Ondergedoken bladeren sterk gedeeld met bijna draadvormige slippen;
drijvende bladeren cirkelrond; kelkbladeren en bloembladeren 3;
vruchtbeginsels 1–3 88. Nymphaeaceae.
20b. Bladeren niet fijn verdeeld 21
21a. Bloemen éénslachtig, vruchtbeginsel 1-hokkig, onderstandig
17. Hydrocharitaceae.
21b. Bloemen tweeslachtig; vruchtbeginsel of
de vruchtbeginsels bovenstandig 22
22a. Vruchtbeginsel 1, meeldraden 6, bloemdek vergroeid, trechtervormig
met 6 slippen, een weinig zygomorf 34. Pontederiaceae.
22b. Vruchtbeginsels meer dan 1, kelk en bloemkroon aanwezig, de laatste
losbladig 23
23a. Vruchtbeginsels meestal 6; binnenste meeldraden ongeveer 20, met
stuifmeel, daaromheen nog ± 20 staminodiën 16. Butomaceae.
23b. Vruchtbeginsels talrijk, soms ook alleen ♂ bloemen aanwezig,
meeldraden 9–12 15. Alismataceae.
24a. Planten met ranken aan stengels of bladeren 25
Page 41
24b. Planten zonder ranken, hoogstens met korte haken 32
25a. Bloemkroon zygomorf, trechter-, klok-, of trompetvormig met 4
meeldraden; vruchtbeginsel 2-hokkig; bladeren samengesteld
258. Bignoniaceae.
25b. Bloemkroon regelmatig of weinig zygomorf,
in het laatste geval losbladig 26
26a. Bloemen 5-tallig; meeldraden 5, met het vruchtbeginsel op een steeltje
in het midden van de bloem gezeten, stijlen 3, bloembodem met
aanhangselen 203. Passifloraceae.
26b. Vruchtbeginsel en meeldraden niet op een steel gezeten 27
27a. Kelk en bloemkroon klok- tot buisvormig vergroeid; bloemen
éénslachtig, de ♂ met 2 of 3 meeldraden, de ♀ met een onderstandig
vruchtbeginsel 275. Cucurbitaceae.
27b. Kelk niet met de bloemkroon tot een buis vergroeid 28
28a. Alle bloemdekbladeren gelijk van vorm; bloemen 6-tallig, eenslachtig;
klein; de ♂ met 6 meeldraden, de ♀ met een bovenstandig vruchtbeginsel
en 3–6 steriele meeldraden 38. Liliaceae.
28b. Kelk en bloemkroon aanwezig of niet, in het laatste geval de 3
buitenste bloemdekbladeren grooter dan de 2 of 3 binnenste 29
29a. Buitenste krans van bloemdekbladeren 3-tallig, groot, gekleurd;
meeldraden 7–9, aan den basis een weinig vergroeid; vruchtbeginsel met 3
korte stijlen 77. Polygonaceae.
29b. Kelk kleiner dan de bloemkroon, niet 3-tallig 30
30a. Bloemkroon buis- tot trechtervormig; meeldraden 5 op den
bloemkroon ingehecht 245. Loganiaceae.
30b. Bloemkroon losbladig, of alleen aan de basis een weinig vergroeid
31
25a. Bloemkroon zygomorf, trechter-, klok-, of trompetvormig met 4
meeldraden; vruchtbeginsel 2-hokkig; bladeren samengesteld
258. Bignoniaceae.
25b. Bloemkroon regelmatig of weinig zygomorf,
in het laatste geval losbladig 26
26a. Bloemen 5-tallig; meeldraden 5, met het vruchtbeginsel op een steeltje
in het midden van de bloem gezeten, stijlen 3, bloembodem met
aanhangselen 203. Passifloraceae.
26b. Vruchtbeginsel en meeldraden niet op een steel gezeten 27
27a. Kelk en bloemkroon klok- tot buisvormig vergroeid; bloemen
éénslachtig, de ♂ met 2 of 3 meeldraden, de ♀ met een onderstandig
vruchtbeginsel 275. Cucurbitaceae.
27b. Kelk niet met de bloemkroon tot een buis vergroeid 28
28a. Alle bloemdekbladeren gelijk van vorm; bloemen 6-tallig, eenslachtig;
klein; de ♂ met 6 meeldraden, de ♀ met een bovenstandig vruchtbeginsel
en 3–6 steriele meeldraden 38. Liliaceae.
28b. Kelk en bloemkroon aanwezig of niet, in het laatste geval de 3
buitenste bloemdekbladeren grooter dan de 2 of 3 binnenste 29
29a. Buitenste krans van bloemdekbladeren 3-tallig, groot, gekleurd;
meeldraden 7–9, aan den basis een weinig vergroeid; vruchtbeginsel met 3
korte stijlen 77. Polygonaceae.
29b. Kelk kleiner dan de bloemkroon, niet 3-tallig 30
30a. Bloemkroon buis- tot trechtervormig; meeldraden 5 op den
bloemkroon ingehecht 245. Loganiaceae.
30b. Bloemkroon losbladig, of alleen aan de basis een weinig vergroeid
31
Page 42
31a. Bloemen 4-tallig, klein, met 4 meeldraden die voor de bloembladeren
staan; kelk klein, bekervormig, gelobd of komvormig 170. Vitaceae.
31b. Bloemen 5-tallig met 5 meeldraden, die voor de bloembladeren staan;
kelk losbladig; bladeren enkelvoudig, ongedeeld 169. Rhamnaceae.
31c. Bloemen 4 of 5-tallig, meest een weinig zygomorf; meeldraden 8;
bladeren samengesteld 165. Sapindaceae.
32a. Bloeiwijze bestaande uit een bloeikolf met één of meerdere scheeden
aan den voet; soms is de kolf aan de scheede vastgegroeid of zeer klein, in
het laatste geval is de plant een losdrijvende waterplant 33
32b. Bloeiwijze niet een kolf of indien het een kolf schijnt, dan zit aan den
voet geen scheede 34
33a. Bladeren min of meer leerachtig met overlangsche plooien tusschen
de nerven, meest gedeeld, zelden smal en ongedeeld; bloemen eenhuizig,
regelmatig over de kolf verdeeld; scheeden meer dan één
22. Cyclanthaceae.
33b. Bladeren meest dun en sappig, niet geplooid
netaderig; kolf met slechts één scheede aan de voet, soms zeer klein (kleiner
dan 1 cM.) maar dan is de plant een waterplant; soms ook is de kolf met de
scheede vergroeid 23. Araceae.
34a. Bladeren in den knop geplooid, later door inscheuring min of meer
diep vindeelig of handdeelig of tenminste tweespletig. Bloemen 6-tallig
vaak éénslachtig, in vertakte bloeiwijzen die aan de basis, één of meer
groote scheeden dragen, die de bloeiwijze in den knop omsluiten. Meest
duidelijke stammen aanwezig 21. Palmae.
34b. Bladeren en bloeiwijzen anders van bouw 35
35a. Bladeren enkelvoudig parallelnervig, niet netaderig; meest zonder
duidelijke hoofdnerf en dan zijn de bladeren lang en smal, of met een
duidelijke hoofdnerf, doch dan loopen de zijnerven alle ter weerszijden van
staan; kelk klein, bekervormig, gelobd of komvormig 170. Vitaceae.
31b. Bloemen 5-tallig met 5 meeldraden, die voor de bloembladeren staan;
kelk losbladig; bladeren enkelvoudig, ongedeeld 169. Rhamnaceae.
31c. Bloemen 4 of 5-tallig, meest een weinig zygomorf; meeldraden 8;
bladeren samengesteld 165. Sapindaceae.
32a. Bloeiwijze bestaande uit een bloeikolf met één of meerdere scheeden
aan den voet; soms is de kolf aan de scheede vastgegroeid of zeer klein, in
het laatste geval is de plant een losdrijvende waterplant 33
32b. Bloeiwijze niet een kolf of indien het een kolf schijnt, dan zit aan den
voet geen scheede 34
33a. Bladeren min of meer leerachtig met overlangsche plooien tusschen
de nerven, meest gedeeld, zelden smal en ongedeeld; bloemen eenhuizig,
regelmatig over de kolf verdeeld; scheeden meer dan één
22. Cyclanthaceae.
33b. Bladeren meest dun en sappig, niet geplooid
netaderig; kolf met slechts één scheede aan de voet, soms zeer klein (kleiner
dan 1 cM.) maar dan is de plant een waterplant; soms ook is de kolf met de
scheede vergroeid 23. Araceae.
34a. Bladeren in den knop geplooid, later door inscheuring min of meer
diep vindeelig of handdeelig of tenminste tweespletig. Bloemen 6-tallig
vaak éénslachtig, in vertakte bloeiwijzen die aan de basis, één of meer
groote scheeden dragen, die de bloeiwijze in den knop omsluiten. Meest
duidelijke stammen aanwezig 21. Palmae.
34b. Bladeren en bloeiwijzen anders van bouw 35
35a. Bladeren enkelvoudig parallelnervig, niet netaderig; meest zonder
duidelijke hoofdnerf en dan zijn de bladeren lang en smal, of met een
duidelijke hoofdnerf, doch dan loopen de zijnerven alle ter weerszijden van
Page 43
den hoofdnerf evenwijdig met elkaar naar den bladrand of den bladtop;
bloemen 3-tallig, soms 2-tallig, maar dan zijn de bloembekleedselen vliezig
361
35b. Bladeren samengesteld of enkelvoudig, maar dan duidelijk
netaderig, ook al loopen enkele hoofdnerven evenwijdig aan elkaar;
bloemen meest 4- of 5-tallig, soms 3-tallig, maar dan in ieder geval de
bladeren netaderig 60
35c. Planten zonder bladgroen met kleine schubvormige bladeren of zonder
bladeren; parasieten of saprophyten 55
36a. Bloemen zeer klein, in dichte wollige hoofdjes, die kleiner zijn dan 1
c.M. en een gemeenschappelijk omwindsel aan den voet hebben. Kleine
planten met smalle blaadjes 30. Eriocaulaceae.
36b. Bloemen niet in hoofdjes, of als ze in hoofdjes staan dan zijn deze niet
wollig, grooter dan 1 cM. of niet door een gemeenschappelijk omwindsel
omgeven 37
37a. Vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig 38
37b. Vruchtbeginsel onderstandig of half-onderstandig 49
38a. Bloemdek klein, vliezig, niet gekleurd, soms ontbrekend; bladeren
met stengelomvattende scheeden 39
38b. Bloemdek gekleurd of kelk en bloemkroon beide aanwezig, en dan
beide of de laatste gekleurd 40
39a. Stengelbladeren met buisvormig vergroeide scheeden; kruiden met
meest kantige stengels zonder knoopen en niet hol 20. Cyperaceae.
39b. Bladscheeden om den stengel gerold maar aan één zijde open. Stengel
cylindervormig, met knoopen, vaak tusschen de knoopen hol. Op den grens
van bladscheede en bladschijf bijna steeds een tongetje aanwezig
19. Gramina.
bloemen 3-tallig, soms 2-tallig, maar dan zijn de bloembekleedselen vliezig
361
35b. Bladeren samengesteld of enkelvoudig, maar dan duidelijk
netaderig, ook al loopen enkele hoofdnerven evenwijdig aan elkaar;
bloemen meest 4- of 5-tallig, soms 3-tallig, maar dan in ieder geval de
bladeren netaderig 60
35c. Planten zonder bladgroen met kleine schubvormige bladeren of zonder
bladeren; parasieten of saprophyten 55
36a. Bloemen zeer klein, in dichte wollige hoofdjes, die kleiner zijn dan 1
c.M. en een gemeenschappelijk omwindsel aan den voet hebben. Kleine
planten met smalle blaadjes 30. Eriocaulaceae.
36b. Bloemen niet in hoofdjes, of als ze in hoofdjes staan dan zijn deze niet
wollig, grooter dan 1 cM. of niet door een gemeenschappelijk omwindsel
omgeven 37
37a. Vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig 38
37b. Vruchtbeginsel onderstandig of half-onderstandig 49
38a. Bloemdek klein, vliezig, niet gekleurd, soms ontbrekend; bladeren
met stengelomvattende scheeden 39
38b. Bloemdek gekleurd of kelk en bloemkroon beide aanwezig, en dan
beide of de laatste gekleurd 40
39a. Stengelbladeren met buisvormig vergroeide scheeden; kruiden met
meest kantige stengels zonder knoopen en niet hol 20. Cyperaceae.
39b. Bladscheeden om den stengel gerold maar aan één zijde open. Stengel
cylindervormig, met knoopen, vaak tusschen de knoopen hol. Op den grens
van bladscheede en bladschijf bijna steeds een tongetje aanwezig
19. Gramina.
Page 44
40a. Bloemen met een bloemdek dat bijna steeds vergroeidbladig is 41
40b. Bloemen met kelk en bloemkroon, los- of vergroeidbladig 43
41a. Waterplanten met zygomorfe bloemen, en vrij breede bladeren
34. Pontederiaceae.
41b. Landplanten met regelmatige bloemen en
grasachtige bladeren 42
42a. Bloemen groot; planten met duidelijke rechtopstaande stammen,
meeldraden 6 38. Liliaceae.
42b. Bloemdek klein vergroeidbladig, 6-tallig met 3 meeldraden. Kruiden.
39. Haemodoraceae.
43a. Meerdere vruchtbeginsels aanwezig in een
bloem; in mannelijke bloemen vele meeldraden 15. Alismataceae.
43b. Slechts één vruchtbeginsel in elke bloem 44
44a. Een van de kelkbladeren veel grooter dan de beide andere of
ontbrekend; meeldraden 3; vaak nog 3 penseel- of draadvormige
staminodiën; bloemen in gerekte hoofdjes 29. Xyridaceae.
44b. Alle kelkbladeren even groot, of, indien de bloem een weinig
zygomorf is, dan de bloemen niet in hoofdjes 45
45a. Slechts 3 meeldraden aanwezig, geen staminodiën; kleine planten met
het uiterlijk van mossen 28. Mayacaceae.
45b. 5 of 6 meeldraden aanwezig, daarvan soms 2 of 3 zonder stuifmeel
46
46a. Bloemkroon vergroeidbladig
47
46b. Bloemkroon losbladig
48
47a. Bloemen in een aar, en dan met één scheede onder de
bloeiwijze of in een hoofdje, en dan door 2 scheeden omhuld; kelk
losbladig, meeldraden met de bloemkroon vergroeid; landplanten
40b. Bloemen met kelk en bloemkroon, los- of vergroeidbladig 43
41a. Waterplanten met zygomorfe bloemen, en vrij breede bladeren
34. Pontederiaceae.
41b. Landplanten met regelmatige bloemen en
grasachtige bladeren 42
42a. Bloemen groot; planten met duidelijke rechtopstaande stammen,
meeldraden 6 38. Liliaceae.
42b. Bloemdek klein vergroeidbladig, 6-tallig met 3 meeldraden. Kruiden.
39. Haemodoraceae.
43a. Meerdere vruchtbeginsels aanwezig in een
bloem; in mannelijke bloemen vele meeldraden 15. Alismataceae.
43b. Slechts één vruchtbeginsel in elke bloem 44
44a. Een van de kelkbladeren veel grooter dan de beide andere of
ontbrekend; meeldraden 3; vaak nog 3 penseel- of draadvormige
staminodiën; bloemen in gerekte hoofdjes 29. Xyridaceae.
44b. Alle kelkbladeren even groot, of, indien de bloem een weinig
zygomorf is, dan de bloemen niet in hoofdjes 45
45a. Slechts 3 meeldraden aanwezig, geen staminodiën; kleine planten met
het uiterlijk van mossen 28. Mayacaceae.
45b. 5 of 6 meeldraden aanwezig, daarvan soms 2 of 3 zonder stuifmeel
46
46a. Bloemkroon vergroeidbladig
47
46b. Bloemkroon losbladig
48
47a. Bloemen in een aar, en dan met één scheede onder de
bloeiwijze of in een hoofdje, en dan door 2 scheeden omhuld; kelk
losbladig, meeldraden met de bloemkroon vergroeid; landplanten
Page 45
47b. Bloeiwijzen zonder een of twee omhullende 31. Rapateaceae.
scheeden, in trossen, pluimen of hoofdjes. Bladeren voor het grootste deel
in een roset; aan den rand vaak gestekeld. Epiphyten of rotsplanten
32. Bromeliaceae.
48a. Sappige, meest op den bodem kruipende of
liggende kruiden: helmknoppen kort, eivormig of de helmhokjes door een
breed helmbindsel van elkaar verwijderd; vaak eenige meeldraden zonder
stuifmeel 33. Commelinaceae.
48b. Epiphyten of rotsplanten met zeer lange helmknoppen
32. Bromeliaceae.
49a. Bloemen regelmatig of bijna regelmatig met 3,
5 of 6 meeldraden 50
49b. Bloemen duidelijk zygomorf of onregelmatig met 1 of 2 meeldraden
52
50a. Meeldraden 6
51
50b. Meeldraden 5, soms nog een staminodium aanwezig;
bloemdek meest een weinig zygomorf; bloemen in gedrongen bloeiwijzen
in den oksel van groote, meest sterk gekleurde schutbladeren. Bladeren
groot 45. Musaceae.
50c. Meeldraden 3; bloemdek vergroeidbladig, regelmatig; kleine kruiden,
vaak zonder bladgroen 49. Burmanniaceae.
51a. Kelk en bloemkroon te onderscheiden, verschillend van kleur en
grootte 32. Bromeliaceae.
51b. Bloemen met een 6-tallig bloemdek. Meeldraden vaak op een aparte
kroon binnen in de buis van het bloemdek gezeten 40. Amaryllidaceae.
52a. Bloemen zygomorf 53
52b. Bloemen onregelmatig 54
53a. Een van de bloemkroonbladeren is tot een lip vervormd, zoodat er
behalve de lip nog 3 kelkbladeren en 2 bloembladeren aanwezig zijn; 1,
scheeden, in trossen, pluimen of hoofdjes. Bladeren voor het grootste deel
in een roset; aan den rand vaak gestekeld. Epiphyten of rotsplanten
32. Bromeliaceae.
48a. Sappige, meest op den bodem kruipende of
liggende kruiden: helmknoppen kort, eivormig of de helmhokjes door een
breed helmbindsel van elkaar verwijderd; vaak eenige meeldraden zonder
stuifmeel 33. Commelinaceae.
48b. Epiphyten of rotsplanten met zeer lange helmknoppen
32. Bromeliaceae.
49a. Bloemen regelmatig of bijna regelmatig met 3,
5 of 6 meeldraden 50
49b. Bloemen duidelijk zygomorf of onregelmatig met 1 of 2 meeldraden
52
50a. Meeldraden 6
51
50b. Meeldraden 5, soms nog een staminodium aanwezig;
bloemdek meest een weinig zygomorf; bloemen in gedrongen bloeiwijzen
in den oksel van groote, meest sterk gekleurde schutbladeren. Bladeren
groot 45. Musaceae.
50c. Meeldraden 3; bloemdek vergroeidbladig, regelmatig; kleine kruiden,
vaak zonder bladgroen 49. Burmanniaceae.
51a. Kelk en bloemkroon te onderscheiden, verschillend van kleur en
grootte 32. Bromeliaceae.
51b. Bloemen met een 6-tallig bloemdek. Meeldraden vaak op een aparte
kroon binnen in de buis van het bloemdek gezeten 40. Amaryllidaceae.
52a. Bloemen zygomorf 53
52b. Bloemen onregelmatig 54
53a. Een van de bloemkroonbladeren is tot een lip vervormd, zoodat er
behalve de lip nog 3 kelkbladeren en 2 bloembladeren aanwezig zijn; 1,
Page 46
zelden 2 meeldraden met den stijl vergroeid, stuifmeel meestal in klompjes.
Meest epiphyten 50. Orchidaceae.
53b. De lip wordt gevormd door een vervormde meeldraad, zoodat alle 3
de kelkbladeren en de 3 bloembladeren aanwezig zijn; bovendien soms nog
2 staminodiën. Meeldraad één, met poedervormig stuifmeel. Landplanten
met knollen of wortelstokken 46. Zingiberaceae.
54a. Bladeren met een verdikt gedeelte van de bladsteel onder de
bladschijf; vaak scheef aan den top. In elk hokje van het vruchtbeginsel
maar een zaadknop. Bloemen vrij klein (hoogstens 2 cM.)
48. Marantaceae.
54b. Bladsteelen onder de schijf niet met een
verdikt gedeelte. Meerdere zaadknoppen in elk hokje van het
vruchtbeginsel. Bloemen groot. 47. Cannaceae.
55a. Planten op den bodem van oerbosschen groeiend; saprophyten 56
55b. Planten parasitisch op andere planten levend, niet in den bodem
wortelend 58
56a. Bloemen éénslachtig, met een 3-tallig bloemdek, zeer talrijk in een
dichte eivormige bloeiwijze 73. Balanophoraceae.
56b. Bloemen tweeslachtig, niet in dichte hoofdjes 57
57a. Bloemen 3-tallig met een vergroeidbladig bloemdek. Meeldraden 3,
vruchtbeginsel onderstandig 49. Burmanniaceae.
57b. Bloemen 4- of 5-tallig met kelk en bloemkroon. Bloemkroon
vergroeidbladig; meeldraden 4 of 5; vruchtbeginsel bovenstandig
246. Gentianaceae.
58a. Stengel zeer kort, bijna ontbrekend; geheele
plant nog niet een centimeter groot, uit één bloem bestaande met enkele
schubben aan den voet. Bloemen éénslachtig; plant op boomtakken
parasiteerend 75. Rafflesiaceae.
Meest epiphyten 50. Orchidaceae.
53b. De lip wordt gevormd door een vervormde meeldraad, zoodat alle 3
de kelkbladeren en de 3 bloembladeren aanwezig zijn; bovendien soms nog
2 staminodiën. Meeldraad één, met poedervormig stuifmeel. Landplanten
met knollen of wortelstokken 46. Zingiberaceae.
54a. Bladeren met een verdikt gedeelte van de bladsteel onder de
bladschijf; vaak scheef aan den top. In elk hokje van het vruchtbeginsel
maar een zaadknop. Bloemen vrij klein (hoogstens 2 cM.)
48. Marantaceae.
54b. Bladsteelen onder de schijf niet met een
verdikt gedeelte. Meerdere zaadknoppen in elk hokje van het
vruchtbeginsel. Bloemen groot. 47. Cannaceae.
55a. Planten op den bodem van oerbosschen groeiend; saprophyten 56
55b. Planten parasitisch op andere planten levend, niet in den bodem
wortelend 58
56a. Bloemen éénslachtig, met een 3-tallig bloemdek, zeer talrijk in een
dichte eivormige bloeiwijze 73. Balanophoraceae.
56b. Bloemen tweeslachtig, niet in dichte hoofdjes 57
57a. Bloemen 3-tallig met een vergroeidbladig bloemdek. Meeldraden 3,
vruchtbeginsel onderstandig 49. Burmanniaceae.
57b. Bloemen 4- of 5-tallig met kelk en bloemkroon. Bloemkroon
vergroeidbladig; meeldraden 4 of 5; vruchtbeginsel bovenstandig
246. Gentianaceae.
58a. Stengel zeer kort, bijna ontbrekend; geheele
plant nog niet een centimeter groot, uit één bloem bestaande met enkele
schubben aan den voet. Bloemen éénslachtig; plant op boomtakken
parasiteerend 75. Rafflesiaceae.
Page 47
58b. Stengels dun, draadvormig en meest zeer lang 59
59a. Bloemen 3-tallig met 9 meeldraden. Vrucht met één zaad, éénhokkig
102. Lauraceae.
59b. Vruchtbeginsel en vrucht meerhokkig met
meerdere zaden; bloemen 4- of 5-tallig met 4 of 5 meeldraden
249. Convolvulaceae.
60a. Planten met samengestelde bladeren
61
60b. Planten met enkelvoudige bladeren
100
61a. Bloemen met een bloemdek of zonder bloembekleedselen
62
61b. Kelk en bloemkroon beide aanwezig
64
62a. Meerdere vruchtbeginsels en talrijke meeldraden in één bloem.
Soms éénslachtige bloemen aanwezig; bloemdek 6–8-bladig, bladeren
gevind 91. Ranunculaceae.
62b. Bloemen met één vruchtbeginsel 63
63a. Bladeren gevind of 3-tallig, vruchtbeginsel éénhokkig met één stijl of
een zittende stempel; bloemen min of meer zygomorf
128. Papilionaceae.
63b. Bladeren handvormig samengesteld.
Vruchtbeginsel 3-hokkig met 3 stijlen of 3 stempels; bloemen regelmatig
147. Euphorbiaceae.
64a. Bladeren handvormig samengesteld niet 3-
of 2-tallig 65
64b. Bladeren gevind of 2- of 3-tallig 71
65a. Vruchtbeginsel en vrucht 3-hokkig met 3 stijlen of 3 stempels.
Bloemen steeds éénslachtig 147. Euphorbiaceae.
65b. Vruchtbeginsel 2- of 4-meerhokkig. Bloemen steeds 2-slachtig 66
59a. Bloemen 3-tallig met 9 meeldraden. Vrucht met één zaad, éénhokkig
102. Lauraceae.
59b. Vruchtbeginsel en vrucht meerhokkig met
meerdere zaden; bloemen 4- of 5-tallig met 4 of 5 meeldraden
249. Convolvulaceae.
60a. Planten met samengestelde bladeren
61
60b. Planten met enkelvoudige bladeren
100
61a. Bloemen met een bloemdek of zonder bloembekleedselen
62
61b. Kelk en bloemkroon beide aanwezig
64
62a. Meerdere vruchtbeginsels en talrijke meeldraden in één bloem.
Soms éénslachtige bloemen aanwezig; bloemdek 6–8-bladig, bladeren
gevind 91. Ranunculaceae.
62b. Bloemen met één vruchtbeginsel 63
63a. Bladeren gevind of 3-tallig, vruchtbeginsel éénhokkig met één stijl of
een zittende stempel; bloemen min of meer zygomorf
128. Papilionaceae.
63b. Bladeren handvormig samengesteld.
Vruchtbeginsel 3-hokkig met 3 stijlen of 3 stempels; bloemen regelmatig
147. Euphorbiaceae.
64a. Bladeren handvormig samengesteld niet 3-
of 2-tallig 65
64b. Bladeren gevind of 2- of 3-tallig 71
65a. Vruchtbeginsel en vrucht 3-hokkig met 3 stijlen of 3 stempels.
Bloemen steeds éénslachtig 147. Euphorbiaceae.
65b. Vruchtbeginsel 2- of 4-meerhokkig. Bloemen steeds 2-slachtig 66
Page 48
66a. Meeldraden 6. Vruchtbeginsel in de bloem op een lange steel gezeten,
soms met de meeldraden samen. Bloemkroon 4-bladig
107. Capparidaceae.
66b. Meeldraden 4 of 5
67
66c. Meeldraden talrijk
70
67a. Meeldraden 4, bloemkroon en kelk vergroeidbladig
68
67b. Meeldraden 5
69
68a. Bloemen hoogstens 1 c.M. groot, vruchtbeginsel 2-hokkig met
2 of 4 zaadknoppen; vrucht besachtig met een 4-hokkige steen
253. Verbenaceae.
68b. Bloemen veel grooter, vruchtbeginsel 1- of 2-
hokkig met vele zaadknoppen. Vrucht een doosvrucht
258. Bignoniaceae.
69a. Bloemkroon trechtervormig, groot.
Meeldraden in de buis vastzittend. Klimplanten of lianen
249. Convolvulaceae.
69b. Bloemkroon losbladig; de bloembladen aan
den nagel kapvormig; meeldraden met eenige staminodiën tot een buis
vergroeid. Bloeiwijzen uit de stammen te voorschijn komend
178. Sterculiaceae.
69c. Bloembladen aan den nagel niet kapvormig;
bloeiwijzen aan het eind van de takken. Groote boomen
177. Bombacaceae.
70a. Kelk losbladig. Bloemen groot, geel, de
meeldraden aan de eene zijde van de bloem korter dan aan de andere zijde,
zoodat de bloem een weinig zygomorf is. Vrucht met 3 dubbele kleppen
openspringend 195. Cochlospermaceae.
70b. Kelk vergroeidbladig. Bloemen regelmatig; vruchtbeginsel en vrucht
5- tot 10-hokkig 177. Bombacaceae.
71a. Bloemen in hoofdjes en door een gemeenschappelijk omwindsel
omgeven. Vruchtbeginsel onderstandig 280. Compositae.
soms met de meeldraden samen. Bloemkroon 4-bladig
107. Capparidaceae.
66b. Meeldraden 4 of 5
67
66c. Meeldraden talrijk
70
67a. Meeldraden 4, bloemkroon en kelk vergroeidbladig
68
67b. Meeldraden 5
69
68a. Bloemen hoogstens 1 c.M. groot, vruchtbeginsel 2-hokkig met
2 of 4 zaadknoppen; vrucht besachtig met een 4-hokkige steen
253. Verbenaceae.
68b. Bloemen veel grooter, vruchtbeginsel 1- of 2-
hokkig met vele zaadknoppen. Vrucht een doosvrucht
258. Bignoniaceae.
69a. Bloemkroon trechtervormig, groot.
Meeldraden in de buis vastzittend. Klimplanten of lianen
249. Convolvulaceae.
69b. Bloemkroon losbladig; de bloembladen aan
den nagel kapvormig; meeldraden met eenige staminodiën tot een buis
vergroeid. Bloeiwijzen uit de stammen te voorschijn komend
178. Sterculiaceae.
69c. Bloembladen aan den nagel niet kapvormig;
bloeiwijzen aan het eind van de takken. Groote boomen
177. Bombacaceae.
70a. Kelk losbladig. Bloemen groot, geel, de
meeldraden aan de eene zijde van de bloem korter dan aan de andere zijde,
zoodat de bloem een weinig zygomorf is. Vrucht met 3 dubbele kleppen
openspringend 195. Cochlospermaceae.
70b. Kelk vergroeidbladig. Bloemen regelmatig; vruchtbeginsel en vrucht
5- tot 10-hokkig 177. Bombacaceae.
71a. Bloemen in hoofdjes en door een gemeenschappelijk omwindsel
omgeven. Vruchtbeginsel onderstandig 280. Compositae.
Page 49
71b. Bloemen niet in hoofdjes of, als ze in hoofdjes staan, niet door een
gemeenschappelijk omwindsel omgeven 72
72a. Vruchtbeginsel onderstandig, bloemen in schermen 73
72b. Vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig 74
73a. Vruchtbeginsel met een twee-spletige stijl of met 2 stempels; vrucht in
2 eenzadige deelen uiteenvallend, kruiden met verspreide bladeren
228. Umbelliferae.
73b. Vruchtbeginsel met een min of meer duidelijk
3-lobbige stempel en korte stijl; vrucht een bes; heesters of boomen met
tegenoverstaande bladeren 271. Caprifoliaceae.
74a. Bloemkroon vergroeidbladig zygomorf met 4 meeldraden in de buis
75
74b. Bloemkroon losbladig, of indien de bloemkroon
vergroeidbladig is, dan is hij in ieder geval regelmatig 76
75a. Bloemen hoogstens 1 c.M. groot; vruchtbeginsel 2-hokkig met 1 of 2
zaadknoppen in ieder hokje; vrucht besachtig met een 4-hokkige steen.
Bladeren 3-tallig 253. Verbenaceae.
75b. Bloemkroon grooter dan 1 cm.; vruchtbeginsel 1- of 2-hokkig met
vele zaadknoppen; vrucht een doosvrucht; bladeren 3-tallig of gevind
258. Bignoniaceae.
76a. Meeldraden veel meer dan 12
77
76b. Meeldraden 1 tot 12
80
77a. Bloemen klein in dichte hoofdjes. Bladeren gevind of
dubbelgevind; vrucht een peul 128. Mimosaceae.
77b. Bloemen niet in hoofdjes 78
78a. Bloemkroon bestaande uit 2 kleine bladeren of één groot blad.
Meeldraden vaak ongelijk van grootte 128. Papilionaceae.
gemeenschappelijk omwindsel omgeven 72
72a. Vruchtbeginsel onderstandig, bloemen in schermen 73
72b. Vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig 74
73a. Vruchtbeginsel met een twee-spletige stijl of met 2 stempels; vrucht in
2 eenzadige deelen uiteenvallend, kruiden met verspreide bladeren
228. Umbelliferae.
73b. Vruchtbeginsel met een min of meer duidelijk
3-lobbige stempel en korte stijl; vrucht een bes; heesters of boomen met
tegenoverstaande bladeren 271. Caprifoliaceae.
74a. Bloemkroon vergroeidbladig zygomorf met 4 meeldraden in de buis
75
74b. Bloemkroon losbladig, of indien de bloemkroon
vergroeidbladig is, dan is hij in ieder geval regelmatig 76
75a. Bloemen hoogstens 1 c.M. groot; vruchtbeginsel 2-hokkig met 1 of 2
zaadknoppen in ieder hokje; vrucht besachtig met een 4-hokkige steen.
Bladeren 3-tallig 253. Verbenaceae.
75b. Bloemkroon grooter dan 1 cm.; vruchtbeginsel 1- of 2-hokkig met
vele zaadknoppen; vrucht een doosvrucht; bladeren 3-tallig of gevind
258. Bignoniaceae.
76a. Meeldraden veel meer dan 12
77
76b. Meeldraden 1 tot 12
80
77a. Bloemen klein in dichte hoofdjes. Bladeren gevind of
dubbelgevind; vrucht een peul 128. Mimosaceae.
77b. Bloemen niet in hoofdjes 78
78a. Bloemkroon bestaande uit 2 kleine bladeren of één groot blad.
Meeldraden vaak ongelijk van grootte 128. Papilionaceae.
Page 50
78b. Bloembladeren 4–6; bladeren 3-tallig 79
79a. Bloembladeren 4, langgenageld; vruchtbeginsel op een lange steel met
één stijl 107. Capparidaceae.
79b. Bloembladeren 4–6, niet langgenageld. Vruchtbeginsel ongesteeld met
4-meer stijlen 183. Caryocaraceae.
80a. Bloemen klein, in hoofdjes of in dichte aarvormige trossen.
Vruchtbeginsel 1-hokkig, vrucht een peul 128. Mimosaceae.
80b. Bloemen alleenstaand of in vertakte bloeiwijzen 81
81a. Bloemen volkomen regelmatig; meeldraden in een lange buis
vergroeid, die aan den zoom min of meer getand is en daar de zittende
helmknoppen draagt. Vruchtbeginsel meerhokkig. 140. Meliaceae.
81b. Meeldraden niet in een buis vergroeid, of als de helmdraden vergroeid
zijn, dan is de bloem niet regelmatig en het vruchtbeginsel niet meerhokkig
82
82a. Bloemen regelmatig
83
82b. Bloemen zygomorf
98
83a. Bloemkroon vergroeidbladig
84
83b. Bloemkroon losbladig
85
84a. Bladeren drietallig met doorschijnende puntjes (olieklieren);
bloemkroon buisvormig 137. Rutaceae.
84b. Bladeren gevind, zonder olieklieren; bloemkroon zeer kort
139. Burseraceae.
85a. Bloemen 4-tallig met 4 meeldraden, die
tegenover de bloembladeren staan. Vruchtbeginsel 2-hokkig
170. Vitaceae.
85b. Meeldraden meer of minder dan bloembladeren, of
indien er evenveel zijn als bloembladeren, dan wisselen ze ermee af 86
79a. Bloembladeren 4, langgenageld; vruchtbeginsel op een lange steel met
één stijl 107. Capparidaceae.
79b. Bloembladeren 4–6, niet langgenageld. Vruchtbeginsel ongesteeld met
4-meer stijlen 183. Caryocaraceae.
80a. Bloemen klein, in hoofdjes of in dichte aarvormige trossen.
Vruchtbeginsel 1-hokkig, vrucht een peul 128. Mimosaceae.
80b. Bloemen alleenstaand of in vertakte bloeiwijzen 81
81a. Bloemen volkomen regelmatig; meeldraden in een lange buis
vergroeid, die aan den zoom min of meer getand is en daar de zittende
helmknoppen draagt. Vruchtbeginsel meerhokkig. 140. Meliaceae.
81b. Meeldraden niet in een buis vergroeid, of als de helmdraden vergroeid
zijn, dan is de bloem niet regelmatig en het vruchtbeginsel niet meerhokkig
82
82a. Bloemen regelmatig
83
82b. Bloemen zygomorf
98
83a. Bloemkroon vergroeidbladig
84
83b. Bloemkroon losbladig
85
84a. Bladeren drietallig met doorschijnende puntjes (olieklieren);
bloemkroon buisvormig 137. Rutaceae.
84b. Bladeren gevind, zonder olieklieren; bloemkroon zeer kort
139. Burseraceae.
85a. Bloemen 4-tallig met 4 meeldraden, die
tegenover de bloembladeren staan. Vruchtbeginsel 2-hokkig
170. Vitaceae.
85b. Meeldraden meer of minder dan bloembladeren, of
indien er evenveel zijn als bloembladeren, dan wisselen ze ermee af 86
Page 51
86a. Meeldraden 10, waarvan 5 met en 5 zonder helmknopjes 87
86b. Meeldraden alle met helmknoppen 88
87a. Boomen met dubbel- of 3 × gevinde bladeren. Bloemen een weinig
zygomorf; vruchtbeginsel éénhokkig, van binnen met 3 rijen van
zaadknoppen. Vrucht zeer lang, 3-kantig met gevleugelde zaden
109. Moringaceae.
87b. Slechts één rij van zaadknoppen in het
vruchtbeginsel. Vrucht een peul 128. Papilionaceae.
88a. Meer dan 1 vruchtbeginsel in elke bloem aanwezig. Bladeren gevind
127. Connaraceae.
88b. Slechts 1 vruchtbeginsel in elke bloem
89
89a. Bloemen zonder ringvormige schijf om het vruchtbeginsel
90
89b. Bloemen met een ringvormige schijf om het vruchtbeginsel
93
90a. Bladeren tegenoverstaand. Bloemen vrij groot, blauw;
vruchtbeginsel 2-hokkig 135. Zygophyllaceae.
90b. Bladeren verspreid 91
91a. Vruchtbeginsel meerhokkig, meest 5-hokkig. Kelk losbladig; kruiden
met 3-tallige bladeren of kleine boomen met gevinde bladeren, in het laatste
geval komen de bloemen uit het hout te voorschijn 130. Oxalidaceae.
91b. Vruchtbeginsel meest 2-, zelden 3–5-hokkig; bloemen 5-tallig; kelk
van onderen vergroeid; meeldraden 10; vruchtbeginsel op een korte dikke
steel gezeten met een lange stijl; bladeren met doorschijnende olieklieren
137. Rutaceae.
91c. Vruchtbeginsel 1-hokkig
92
92a. Kelk vergroeidbladig; vrucht een peul
128. Papilionaceae.
92b. Kelk vergroeidbladig; vrucht een gesteelde
eenzadige doosvrucht 127. Connaraceae.
86b. Meeldraden alle met helmknoppen 88
87a. Boomen met dubbel- of 3 × gevinde bladeren. Bloemen een weinig
zygomorf; vruchtbeginsel éénhokkig, van binnen met 3 rijen van
zaadknoppen. Vrucht zeer lang, 3-kantig met gevleugelde zaden
109. Moringaceae.
87b. Slechts één rij van zaadknoppen in het
vruchtbeginsel. Vrucht een peul 128. Papilionaceae.
88a. Meer dan 1 vruchtbeginsel in elke bloem aanwezig. Bladeren gevind
127. Connaraceae.
88b. Slechts 1 vruchtbeginsel in elke bloem
89
89a. Bloemen zonder ringvormige schijf om het vruchtbeginsel
90
89b. Bloemen met een ringvormige schijf om het vruchtbeginsel
93
90a. Bladeren tegenoverstaand. Bloemen vrij groot, blauw;
vruchtbeginsel 2-hokkig 135. Zygophyllaceae.
90b. Bladeren verspreid 91
91a. Vruchtbeginsel meerhokkig, meest 5-hokkig. Kelk losbladig; kruiden
met 3-tallige bladeren of kleine boomen met gevinde bladeren, in het laatste
geval komen de bloemen uit het hout te voorschijn 130. Oxalidaceae.
91b. Vruchtbeginsel meest 2-, zelden 3–5-hokkig; bloemen 5-tallig; kelk
van onderen vergroeid; meeldraden 10; vruchtbeginsel op een korte dikke
steel gezeten met een lange stijl; bladeren met doorschijnende olieklieren
137. Rutaceae.
91c. Vruchtbeginsel 1-hokkig
92
92a. Kelk vergroeidbladig; vrucht een peul
128. Papilionaceae.
92b. Kelk vergroeidbladig; vrucht een gesteelde
eenzadige doosvrucht 127. Connaraceae.
Page 52
93a. Meeldraden evenveel als bloembladeren of weinig meer, in ieder
geval niet dubbel zooveel als bloembladeren 94
93b. Meeldraden tweemaal zooveel als bloembladeren 95
94a. Vruchtbeginsel 5-hokkig; bloembladeren van binnen met een kiel of
plaat. Zaden gevleugeld 140. Meliaceae.
94b. Vruchtbeginsel 3-hokkig; bloembladeren van binnen zonder kiel of
plaat. Zaden niet gevleugeld 165. Sapindaceae.
95a. Helmdraden met schubben aan de basis. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig,
reeds tijdens de bloei door 4–5 groeven gedeeld 138. Simarubaceae.
95b. Helmdraden zonder schubben aan den voet 96
96a. Schijf buiten de meeldraden staande, dus deze laatsten tusschen de
schijf en het vruchtbeginsel ingehecht. Vruchtbeginsel 3-hokkig
165. Sapindaceae.
96b. Schijf tusschen meeldraden en vruchtbeginsel
staande 97
97a. Kelk met zwak gelobde zoom. Stijl 1 met 4–5-lobbige stempel
139. Burseraceae.
97b. Kelk diep gedeeld. Stijlen 4–5, geheel vrij of
in een 4–5-lobbige stempel vereenigd 153. Anacardiaceae.
98a. Bloemkroon vergroeidbladig; kelk 5-bladig, met ongelijke bladeren.
Slechts 2 meeldraden met helmknoppen. Bladeren 3-tallig; kruiden
137. Rutaceae.
98b. Bloemkroon losbladig
99
99a. Bloemen met een schijf buiten de meeldraden. Vruchtbeginsel
2- of 3-hokkig 165. Sapindaceae.
99b. Schijf ontbrekend. Bloemkroon meest vlindervormig en dan
meeldraden meest in een buis vergroeid; soms geen vlindervormige
bloemkroon 128. Papilionaceae.
geval niet dubbel zooveel als bloembladeren 94
93b. Meeldraden tweemaal zooveel als bloembladeren 95
94a. Vruchtbeginsel 5-hokkig; bloembladeren van binnen met een kiel of
plaat. Zaden gevleugeld 140. Meliaceae.
94b. Vruchtbeginsel 3-hokkig; bloembladeren van binnen zonder kiel of
plaat. Zaden niet gevleugeld 165. Sapindaceae.
95a. Helmdraden met schubben aan de basis. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig,
reeds tijdens de bloei door 4–5 groeven gedeeld 138. Simarubaceae.
95b. Helmdraden zonder schubben aan den voet 96
96a. Schijf buiten de meeldraden staande, dus deze laatsten tusschen de
schijf en het vruchtbeginsel ingehecht. Vruchtbeginsel 3-hokkig
165. Sapindaceae.
96b. Schijf tusschen meeldraden en vruchtbeginsel
staande 97
97a. Kelk met zwak gelobde zoom. Stijl 1 met 4–5-lobbige stempel
139. Burseraceae.
97b. Kelk diep gedeeld. Stijlen 4–5, geheel vrij of
in een 4–5-lobbige stempel vereenigd 153. Anacardiaceae.
98a. Bloemkroon vergroeidbladig; kelk 5-bladig, met ongelijke bladeren.
Slechts 2 meeldraden met helmknoppen. Bladeren 3-tallig; kruiden
137. Rutaceae.
98b. Bloemkroon losbladig
99
99a. Bloemen met een schijf buiten de meeldraden. Vruchtbeginsel
2- of 3-hokkig 165. Sapindaceae.
99b. Schijf ontbrekend. Bloemkroon meest vlindervormig en dan
meeldraden meest in een buis vergroeid; soms geen vlindervormige
bloemkroon 128. Papilionaceae.
Page 53
100a. Planten geheel zonder bladeren 101
100b. Bladeren tenminste gedurende een bepaalde tijd van het jaar
aanwezig 102
101a. Stammen cylindervormig, plat of bolrond, met of zonder ribben of
stekels, kelk en bloemkroon niet duidelijk van elkaar gescheiden,
meeldraden talrijk 210. Cactaceae.
101b. Alleen korte bloeistengels aanwezig, met zeer kleine, zygomorfe
bloemen; bloemdek uit min of meer vergroeide blaadjes bestaande;
meeldraad 1; groote luchtwortels 50. Orchidaceae.
102a. Planten met een bloemdek of zonder bloembekleedselen 103
102b. Planten met kelk en bloemkroon 173
103a. Bloemdek ontbrekend 104
103b. Bloemdek aanwezig 109
104a. Houtige planten met groote steunbladeren, die in den knop samen
gegroeid zijn en het naar boven gelegen deel van stengel en bladeren geheel
insluiten; bij afvallen laten ze een ringvormig lidteeken op den stengel na.
Melksap. Bloemen in dichte meest bol- of aarvormige bloeiwijzen.
Bloemen éénslachtig 64. Moraceae.
104b. Geen bijzonder groote steunbladeren aanwezig 105
105a. Meeldraden één in elke bloem 106
105b. 2–6 meeldraden in elke bloem; bloemen in lange dichte aren.
Bladeren afwisselend 53. Piperaceae.
105c. Meeldraden geheel ontbrekend; bloemen alleen met een
vruchtbeginsel 107
100b. Bladeren tenminste gedurende een bepaalde tijd van het jaar
aanwezig 102
101a. Stammen cylindervormig, plat of bolrond, met of zonder ribben of
stekels, kelk en bloemkroon niet duidelijk van elkaar gescheiden,
meeldraden talrijk 210. Cactaceae.
101b. Alleen korte bloeistengels aanwezig, met zeer kleine, zygomorfe
bloemen; bloemdek uit min of meer vergroeide blaadjes bestaande;
meeldraad 1; groote luchtwortels 50. Orchidaceae.
102a. Planten met een bloemdek of zonder bloembekleedselen 103
102b. Planten met kelk en bloemkroon 173
103a. Bloemdek ontbrekend 104
103b. Bloemdek aanwezig 109
104a. Houtige planten met groote steunbladeren, die in den knop samen
gegroeid zijn en het naar boven gelegen deel van stengel en bladeren geheel
insluiten; bij afvallen laten ze een ringvormig lidteeken op den stengel na.
Melksap. Bloemen in dichte meest bol- of aarvormige bloeiwijzen.
Bloemen éénslachtig 64. Moraceae.
104b. Geen bijzonder groote steunbladeren aanwezig 105
105a. Meeldraden één in elke bloem 106
105b. 2–6 meeldraden in elke bloem; bloemen in lange dichte aren.
Bladeren afwisselend 53. Piperaceae.
105c. Meeldraden geheel ontbrekend; bloemen alleen met een
vruchtbeginsel 107
Page 54
106a. Bloemen 2-slachtig, in dichte aren in de bladoksels; vruchtbeginsel
met 1 stijl of stempel. Steunbladeren ontbrekend 55. Lacistemaceae.
106b. Bloemen éénslachtig, doch schijnbaar 2 slachtig, doordat meerdere
naakte ♂ bloemen, die ieder uit één meeldraad bestaan, gezeten zijn om een
3-hokkig vruchtbeginsel, terwijl het geheel door schutbladeren omringd is.
Planten met melksap 147. Euphorbiaceae.
107a. Strandplanten, met vleezige tegenoverstaande bladeren. Bloemen in
korte aren in de bladoksels; vruchtbeginsel 2-hokkig met een korte 2-
lobbige stempel 60a. Batidaceae.
107b. Bladeren niet vleezig, niet tegenoverstaand 108
108a. Bloemen in dichte aren, zeer klein; stijl of stempel 1
53. Piperaceae.
108b. Bloemen in minder dichte of vertakte
bloeiwijzen; vruchtbeginsel 3-hokkig met één stijl en 3-lobbige stempel of
met 3 stempels 147. Euphorbiaceae.
109a. Bloemen in hoofdjes, door een gemeenschappelijk omwindsel
omgeven: vruchtbeginsel onderstandig 280. Compositae.
109b. Bloemen niet in hoofdjes, of als ze in hoofdjes staan (Amarantaceae,
Nyctaginaceae), dan zonder gemeenschappelijk omwindsel, of
vruchtbeginsel bovenstandig 110
110a. Bloemen, ten minste ten deele, 2-slachtig 111
110b. Bloemen steeds eenslachtig 135
111a. Vruchtbeginsel onderstandig 112
111b. Vruchtbeginsel bovenstandig 115
112a. Bloemdek duidelijk zygomorf, met een eenigszins gekromde aan den
voet verwijde buis en een scheeve uitgebreide zoom. Meeldraden 6; stempel
kort, klimplanten 74. Aristolochiaceae.
met 1 stijl of stempel. Steunbladeren ontbrekend 55. Lacistemaceae.
106b. Bloemen éénslachtig, doch schijnbaar 2 slachtig, doordat meerdere
naakte ♂ bloemen, die ieder uit één meeldraad bestaan, gezeten zijn om een
3-hokkig vruchtbeginsel, terwijl het geheel door schutbladeren omringd is.
Planten met melksap 147. Euphorbiaceae.
107a. Strandplanten, met vleezige tegenoverstaande bladeren. Bloemen in
korte aren in de bladoksels; vruchtbeginsel 2-hokkig met een korte 2-
lobbige stempel 60a. Batidaceae.
107b. Bladeren niet vleezig, niet tegenoverstaand 108
108a. Bloemen in dichte aren, zeer klein; stijl of stempel 1
53. Piperaceae.
108b. Bloemen in minder dichte of vertakte
bloeiwijzen; vruchtbeginsel 3-hokkig met één stijl en 3-lobbige stempel of
met 3 stempels 147. Euphorbiaceae.
109a. Bloemen in hoofdjes, door een gemeenschappelijk omwindsel
omgeven: vruchtbeginsel onderstandig 280. Compositae.
109b. Bloemen niet in hoofdjes, of als ze in hoofdjes staan (Amarantaceae,
Nyctaginaceae), dan zonder gemeenschappelijk omwindsel, of
vruchtbeginsel bovenstandig 110
110a. Bloemen, ten minste ten deele, 2-slachtig 111
110b. Bloemen steeds eenslachtig 135
111a. Vruchtbeginsel onderstandig 112
111b. Vruchtbeginsel bovenstandig 115
112a. Bloemdek duidelijk zygomorf, met een eenigszins gekromde aan den
voet verwijde buis en een scheeve uitgebreide zoom. Meeldraden 6; stempel
kort, klimplanten 74. Aristolochiaceae.
Page 55
112b. Bloemdek regelmatig 113
113a. Bloemen 3-tallig: bloemdek 3- of 6-deelig tot 3- of 6-bladig;
meeldraden evenveel als bloemdekslippen. Bloemen meest in groepen van
3; planten parasitisch levend 67. Loranthaceae.
113b. Bloemen 4–5-tallig. Geen parasieten 114
114a. Meeldraden 1–5; vruchtbeginsel slechts schijnbaar onderstandig
doordat het onderste gedeelte van de bloemdekbuis het dicht omsluit
80. Nyctaginaceae.
114b. Meeldraden 8–10, d.i. dubbel zooveel als
bloemdek- (kelk-) slippen 221. Combretaceae.
115a. Meeldraden talrijk 116
115b. Meeldraden hoogstens 12 120
116a. Vruchtbeginsel met meerdere stijlen of stempels; kruiden 117
116b. Vruchtbeginsel met slechts één stijl of stempel. Houtige planten
118
117a. Kleine strandplanten met vleezige bladeren. Bloemdek 5-
bladig tot 5-deelig; stempels 5 84. Aizoaceae.
117b. Bladeren niet vleezig; stijlen 10–16 83. Phytolaccaceae.
118a. Vruchtbeginsel onder in de min of meer bekervormige bloembodem;
meeldraden op den rand ervan staande 126. Rosaceae.
118b. Vruchtbeginsel te midden van een schijf gezeten 119
119a. Bloemdek meest 4-deelig; meeldraden op den schijf ingeplant
171. Elaeocarpaceae.
119b. Bloemdek bijna 5-bladig; meeldraden
buiten de schijf ingeplant; schijf min of meer bekervormig, aan den rand
behaard; bladeren sterk behaard 199. Flacourtiaceae.
113a. Bloemen 3-tallig: bloemdek 3- of 6-deelig tot 3- of 6-bladig;
meeldraden evenveel als bloemdekslippen. Bloemen meest in groepen van
3; planten parasitisch levend 67. Loranthaceae.
113b. Bloemen 4–5-tallig. Geen parasieten 114
114a. Meeldraden 1–5; vruchtbeginsel slechts schijnbaar onderstandig
doordat het onderste gedeelte van de bloemdekbuis het dicht omsluit
80. Nyctaginaceae.
114b. Meeldraden 8–10, d.i. dubbel zooveel als
bloemdek- (kelk-) slippen 221. Combretaceae.
115a. Meeldraden talrijk 116
115b. Meeldraden hoogstens 12 120
116a. Vruchtbeginsel met meerdere stijlen of stempels; kruiden 117
116b. Vruchtbeginsel met slechts één stijl of stempel. Houtige planten
118
117a. Kleine strandplanten met vleezige bladeren. Bloemdek 5-
bladig tot 5-deelig; stempels 5 84. Aizoaceae.
117b. Bladeren niet vleezig; stijlen 10–16 83. Phytolaccaceae.
118a. Vruchtbeginsel onder in de min of meer bekervormige bloembodem;
meeldraden op den rand ervan staande 126. Rosaceae.
118b. Vruchtbeginsel te midden van een schijf gezeten 119
119a. Bloemdek meest 4-deelig; meeldraden op den schijf ingeplant
171. Elaeocarpaceae.
119b. Bloemdek bijna 5-bladig; meeldraden
buiten de schijf ingeplant; schijf min of meer bekervormig, aan den rand
behaard; bladeren sterk behaard 199. Flacourtiaceae.
Page 56
119c. Vruchtbeginsel niet op een schijf en evenmin in een bekervormige
bloembodem gezeten; bladeren aan den voet met 2 doornige steunblaadjes
83. Phytolaccaceae.
120a. Bloemdek 6-tallig; meeldraden in één of
meerdere kransen van 3 gezeten; helmknoppen met 2 of 4 klepjes
openspringend 102. Lauraceae.
120b. Bloemdek 4–5-tallig, soms 3-tallig, maar dan de helmknoppen niet
met klepjes openspringend 121
121a. Bloemen door eenzijdige stand van de meeldraden een weinig
zygomorf; meeldraden met de slippen van het bloemdek op den rand van de
urn- of bekervormige bloembodem staande, op welks bodem het
eenhokkige vruchtbeginsel zit. Boomen 126. Rosaceae.
121b. Bloemen regelmatig 122
122a. Slechts één meeldraad in elke bloem. Bloemdekblaadjes zeer klein.
Bloemen in korte aren 55. Lacistemaceae.
122b. Twee of meer meeldraden 123
123a. Kruidachtige planten 124
123b. Boomen of grootere of kleinere heesters 128
124a. Bladeren smal, in kransen. Bloemdek 5-bladig, meeldraden 3–5;
vruchtbeginsel met 3 stempels 84. Aizoaceae.
124b. Bladeren tegenoverstaand of verspreid 125
125a. Bloemen eenige weinige bij elkaar of alleenstaand, door vergroeide
schutbladeren omgeven; bloemdek buisvormig met 1–5 meeldraden
80. Nyctaginaceae.
125b. Bloemdek niet buisvormig, losbladig of
bijna losbladig 126
bloembodem gezeten; bladeren aan den voet met 2 doornige steunblaadjes
83. Phytolaccaceae.
120a. Bloemdek 6-tallig; meeldraden in één of
meerdere kransen van 3 gezeten; helmknoppen met 2 of 4 klepjes
openspringend 102. Lauraceae.
120b. Bloemdek 4–5-tallig, soms 3-tallig, maar dan de helmknoppen niet
met klepjes openspringend 121
121a. Bloemen door eenzijdige stand van de meeldraden een weinig
zygomorf; meeldraden met de slippen van het bloemdek op den rand van de
urn- of bekervormige bloembodem staande, op welks bodem het
eenhokkige vruchtbeginsel zit. Boomen 126. Rosaceae.
121b. Bloemen regelmatig 122
122a. Slechts één meeldraad in elke bloem. Bloemdekblaadjes zeer klein.
Bloemen in korte aren 55. Lacistemaceae.
122b. Twee of meer meeldraden 123
123a. Kruidachtige planten 124
123b. Boomen of grootere of kleinere heesters 128
124a. Bladeren smal, in kransen. Bloemdek 5-bladig, meeldraden 3–5;
vruchtbeginsel met 3 stempels 84. Aizoaceae.
124b. Bladeren tegenoverstaand of verspreid 125
125a. Bloemen eenige weinige bij elkaar of alleenstaand, door vergroeide
schutbladeren omgeven; bloemdek buisvormig met 1–5 meeldraden
80. Nyctaginaceae.
125b. Bloemdek niet buisvormig, losbladig of
bijna losbladig 126
Page 57
126a. Bloemdek vliezig, meest wit, soms rose gekleurd; meeldraden in een
buis vergroeid; bloemen meest in dichte aren of hoofdjes, soms in
wijdvertakte pluimen 79. Amarantaceae.
126b. Bloemdek niet vliezig 127
127a. Bloemen in dichte aren; bladeren met steunbladeren, die den stengel
als een koker omvatten 77. Polygonaceae.
127b. Bloemen in losse trossen, zeer klein, wit. Bladeren zonder
kokervormige steunbladeren 83. Phytolaccaceae.
127c. Bloemdek 5-spletig tot 5-deelig, groen; vruchtbeginsel met 2 tot 5
stempels 78. Chenopodiaceae.
128a. Bloemdekbladeren lang en smal, tijdens den bloei teruggeslagen;
meeldraden evenveel en met de bloemdekslippen, vergroeid; bladeren vaak
in kransen van drie 66. Proteaceae.
128b. Bloemdekbladeren niet opvallend lang en smal 129
129a. Behalve de meeldraden zijn er nog eenige staminodiën in de bloem
aanwezig. Bloemen klein, in de bladoksels in groepen gezeten;
vruchtbeginsel 1-hokkig met drie rijen van zaadknoppen
199. Flacourtiaceae.
129b. Geen staminodiën aanwezig;
vruchtbeginsel éénhokkig en dan met slechts één zaadknop of tweehokkig
130
130a. Bloemdek lang-buisvormig
131
130b. Bloemdek losbladig of bijna losbladig, niet buisvormig
133
131a. Bloemen in groepen van ongeveer drie bij elkaar of
alleenstaand; elke groep omgeven door drie gekleurde schutbladeren
80. Nyctaginaceae.
131b. Bloemen niet in groepen, niet door
schutbladeren omgeven 132
buis vergroeid; bloemen meest in dichte aren of hoofdjes, soms in
wijdvertakte pluimen 79. Amarantaceae.
126b. Bloemdek niet vliezig 127
127a. Bloemen in dichte aren; bladeren met steunbladeren, die den stengel
als een koker omvatten 77. Polygonaceae.
127b. Bloemen in losse trossen, zeer klein, wit. Bladeren zonder
kokervormige steunbladeren 83. Phytolaccaceae.
127c. Bloemdek 5-spletig tot 5-deelig, groen; vruchtbeginsel met 2 tot 5
stempels 78. Chenopodiaceae.
128a. Bloemdekbladeren lang en smal, tijdens den bloei teruggeslagen;
meeldraden evenveel en met de bloemdekslippen, vergroeid; bladeren vaak
in kransen van drie 66. Proteaceae.
128b. Bloemdekbladeren niet opvallend lang en smal 129
129a. Behalve de meeldraden zijn er nog eenige staminodiën in de bloem
aanwezig. Bloemen klein, in de bladoksels in groepen gezeten;
vruchtbeginsel 1-hokkig met drie rijen van zaadknoppen
199. Flacourtiaceae.
129b. Geen staminodiën aanwezig;
vruchtbeginsel éénhokkig en dan met slechts één zaadknop of tweehokkig
130
130a. Bloemdek lang-buisvormig
131
130b. Bloemdek losbladig of bijna losbladig, niet buisvormig
133
131a. Bloemen in groepen van ongeveer drie bij elkaar of
alleenstaand; elke groep omgeven door drie gekleurde schutbladeren
80. Nyctaginaceae.
131b. Bloemen niet in groepen, niet door
schutbladeren omgeven 132
Page 58
132a. Bloemdek 5-tallig; meeldraden 8–9 77. Polygonaceae.
132b. Bloemdek lang, met 4 smalle slippen; meeldraden 4–8
83. Phytolaccaceae.
133a. Bloemdek geheel losbladig, 5-tallig met 10
meeldraden; vruchtbeginsel sterk behaard; vrucht min of meer gestekeld;
bladeren met sterharen 174. Tiliaceae.
133b. Bloemdek min of meer vergroeidbladig; meeldraden minder dan 10
134
134a. Bloemdek 4–5-deelig, groen; meeldraden 4 of 5
63. Ulmaceae.
134b. Bloemdek 5-deelig, meest gekleurd; meeldraden
8 of 9 77. Polygonaceae.
135a. Alleen vrouwelijke bloemen aanwezig 136
135b. Alleen mannelijke bloemen aanwezig 153
136a. Vruchtbeginsel onderstandig 137
136b. Vruchtbeginsel bovenstandig 140
137a. Bloemdek 3-tallig 138
137b. Bloemdek 4- of 5-tallig 139
138a. Lianen of kruiden. Vruchtbeginsel min of meer 3-kantig met 3 korte
stijlen; bladeren meest hart-pijl-vormig of gelobd met eenige evenwijdige
hoofdnerven 43. Dioscoreaceae.
138b. Parasieten. Vruchtbeginsel niet 3-kantig met 1 stijl
67. Loranthaceae.
139a. Bloemdek 5-bladig, vaak een weinig
zygomorf; vruchtbeginsel 3-kantig met 3 tweespletige stijlen. Kruiden
208. Begoniaceae.
139b. Bloemdek 8-deelig met 4 klieren van binnen;
stijl 1; boomen met hartvormige bladeren 103. Hernandiaceae.
132b. Bloemdek lang, met 4 smalle slippen; meeldraden 4–8
83. Phytolaccaceae.
133a. Bloemdek geheel losbladig, 5-tallig met 10
meeldraden; vruchtbeginsel sterk behaard; vrucht min of meer gestekeld;
bladeren met sterharen 174. Tiliaceae.
133b. Bloemdek min of meer vergroeidbladig; meeldraden minder dan 10
134
134a. Bloemdek 4–5-deelig, groen; meeldraden 4 of 5
63. Ulmaceae.
134b. Bloemdek 5-deelig, meest gekleurd; meeldraden
8 of 9 77. Polygonaceae.
135a. Alleen vrouwelijke bloemen aanwezig 136
135b. Alleen mannelijke bloemen aanwezig 153
136a. Vruchtbeginsel onderstandig 137
136b. Vruchtbeginsel bovenstandig 140
137a. Bloemdek 3-tallig 138
137b. Bloemdek 4- of 5-tallig 139
138a. Lianen of kruiden. Vruchtbeginsel min of meer 3-kantig met 3 korte
stijlen; bladeren meest hart-pijl-vormig of gelobd met eenige evenwijdige
hoofdnerven 43. Dioscoreaceae.
138b. Parasieten. Vruchtbeginsel niet 3-kantig met 1 stijl
67. Loranthaceae.
139a. Bloemdek 5-bladig, vaak een weinig
zygomorf; vruchtbeginsel 3-kantig met 3 tweespletige stijlen. Kruiden
208. Begoniaceae.
139b. Bloemdek 8-deelig met 4 klieren van binnen;
stijl 1; boomen met hartvormige bladeren 103. Hernandiaceae.
Page 59
139c. Bloemdek 4–5-deelig; stijl 1; bladeren niet hartvormig; heesters
221. Combretaceae.
140a. Meerdere vruchtbeginsels in elke bloem
141
140b. Slecht één vruchtbeginsel in elke bloem
142
141a. Bloemdek van onderen min of meer bekervormig; boomen
of heesters met tegenoverstaande bladeren 101. Monimiaceae.
141b. Bloemdek niet bekervormig, 3-tallig; bladeren verspreid; meest
klimplanten 94. Menispermaceae.
142a. Vruchtbeginsel 2-meerhokkig, meest met meerdere stijlen, soms met
één stijl 143
142b. Vruchtbeginsel éénhokkig met slechts één zaadknop; vrucht éénzadig
144
143a. Vruchtbeginsel 5-meerhokkig; rudimentaire meeldraden
aanwezig. Boomen 178. Sterculiaceae.
143b. Vruchtbeginsel meest 3-, soms 2-hokkig, met 3 of 2 stijlen of
stempels. Boomen, heesters of kruiden met melksap, òf met steunbladeren
of beide 147. Euphorbiaceae.
143c. Vruchtbeginsel 3–6-, meest 3-hokkig en 3-vleugelig met een zittende
stempel; bloemdekbladeren (kelk) 3–5; bladeren bijna ongesteeld, naar den
voet sterk versmald, zonder steunbladeren. Geen melksap aanwezig
165. Sapindaceae.
144a. Kruidachtige planten
145
144b. Boomen of grootere of kleinere heesters
147
145a. Bloemdek 3- of 4-tallig, een van de slippen grooter dan de
andere; kruiden òf met borstelige, soms brandende haren en dan de bladeren
verspreid, òf kaal en dan met tegenoverstaande bladeren; stijl of stempel
één 65. Urticaceae.
145b. Bloemdek regelmatig; stijlen of stempels 2–5 146
221. Combretaceae.
140a. Meerdere vruchtbeginsels in elke bloem
141
140b. Slecht één vruchtbeginsel in elke bloem
142
141a. Bloemdek van onderen min of meer bekervormig; boomen
of heesters met tegenoverstaande bladeren 101. Monimiaceae.
141b. Bloemdek niet bekervormig, 3-tallig; bladeren verspreid; meest
klimplanten 94. Menispermaceae.
142a. Vruchtbeginsel 2-meerhokkig, meest met meerdere stijlen, soms met
één stijl 143
142b. Vruchtbeginsel éénhokkig met slechts één zaadknop; vrucht éénzadig
144
143a. Vruchtbeginsel 5-meerhokkig; rudimentaire meeldraden
aanwezig. Boomen 178. Sterculiaceae.
143b. Vruchtbeginsel meest 3-, soms 2-hokkig, met 3 of 2 stijlen of
stempels. Boomen, heesters of kruiden met melksap, òf met steunbladeren
of beide 147. Euphorbiaceae.
143c. Vruchtbeginsel 3–6-, meest 3-hokkig en 3-vleugelig met een zittende
stempel; bloemdekbladeren (kelk) 3–5; bladeren bijna ongesteeld, naar den
voet sterk versmald, zonder steunbladeren. Geen melksap aanwezig
165. Sapindaceae.
144a. Kruidachtige planten
145
144b. Boomen of grootere of kleinere heesters
147
145a. Bloemdek 3- of 4-tallig, een van de slippen grooter dan de
andere; kruiden òf met borstelige, soms brandende haren en dan de bladeren
verspreid, òf kaal en dan met tegenoverstaande bladeren; stijl of stempel
één 65. Urticaceae.
145b. Bloemdek regelmatig; stijlen of stempels 2–5 146
Page 60
146a. Bloemdek vliezig, na den bloei zich verhardend en vaak stekelig en
toegespitst. Planten niet riekend, met meest langgesteelde bladeren, soms
gedoornd 79. Amarantaceae.
146b. Bloemdek kruidachtig, niet vliezig en toegespitst, soms ontbrekend,
maar dan is het vruchtbeginsel omgeven door 2 vergroeide
bloemsteelblaadjes, en is de plant niet riekend, soms aanwezig en dan is de
plant riekend en zijn de bladeren gegolfd 78. Chenopodiaceae.
147a. Bloemen in kransen rondom den bloeistengel en zóó een aar
vormend. Bladeren tegenoverstaand 7. Gnetaceae.
147b. Bloemen niet in kransen 148
148a. Vruchtbeginsel met 3 stijlen of stempels; bloemdek 6-spletig met 3
groote en 3 kleine slippen. Takken hol met tusschenschotten
77. Polygonaceae.
148b. Vruchtbeginsel met slechts 1 stijl
149
149a. Planten met melksap en groote steunbladeren, die in het
begin vergroeid zijn en het bovenliggende deel van den stengel insluiten; na
het afvallen laten ze een ringvormig lidteeken om den stam na; bloeiwijzen
meest zeer dicht, bol- of aarvormig; een enkele maal pluimvormig
64. Moraceae.
149b. Planten zonder melksap en zonder opvallend
groote steunbladeren 150
150a. Staminodiën aanwezig 151
150b. Geen staminodiën aanwezig 152
151a. Bloemdek 4-deelig; 4 staminodiën 102. Lauraceae.
151b. Bloemdek buisvormig, 5-tandig 80. Nyctaginaceae.
152a. Kleine heesters met steunbladeren; ook tweeslachtige bloemen
aanwezig 63. Ulmaceae.
toegespitst. Planten niet riekend, met meest langgesteelde bladeren, soms
gedoornd 79. Amarantaceae.
146b. Bloemdek kruidachtig, niet vliezig en toegespitst, soms ontbrekend,
maar dan is het vruchtbeginsel omgeven door 2 vergroeide
bloemsteelblaadjes, en is de plant niet riekend, soms aanwezig en dan is de
plant riekend en zijn de bladeren gegolfd 78. Chenopodiaceae.
147a. Bloemen in kransen rondom den bloeistengel en zóó een aar
vormend. Bladeren tegenoverstaand 7. Gnetaceae.
147b. Bloemen niet in kransen 148
148a. Vruchtbeginsel met 3 stijlen of stempels; bloemdek 6-spletig met 3
groote en 3 kleine slippen. Takken hol met tusschenschotten
77. Polygonaceae.
148b. Vruchtbeginsel met slechts 1 stijl
149
149a. Planten met melksap en groote steunbladeren, die in het
begin vergroeid zijn en het bovenliggende deel van den stengel insluiten; na
het afvallen laten ze een ringvormig lidteeken om den stam na; bloeiwijzen
meest zeer dicht, bol- of aarvormig; een enkele maal pluimvormig
64. Moraceae.
149b. Planten zonder melksap en zonder opvallend
groote steunbladeren 150
150a. Staminodiën aanwezig 151
150b. Geen staminodiën aanwezig 152
151a. Bloemdek 4-deelig; 4 staminodiën 102. Lauraceae.
151b. Bloemdek buisvormig, 5-tandig 80. Nyctaginaceae.
152a. Kleine heesters met steunbladeren; ook tweeslachtige bloemen
aanwezig 63. Ulmaceae.
Page 61
152b. Kleine of groote boomen; steunbladeren ontbrekend; bloemen nooit
2-slachtig 99. Myristicaceae.
153a. Meeldraden aan of nabij den top van een zuil gezeten, die in het
midden van de bloem staat 153
153b. Meeldraden niet op een zuil gezeten 155
154a. Bloemdek klein, bekervormig, 2- of 3-tandig; meeldraden 2 tot 7.
Boomen zonder melksap met afwisselende bladeren zonder steunbladeren
99. Myristicaceae.
154b. Bloemdek 4- of 5-tandig of -deelig. Kruiden
of heesters of boomen, meest met melksap; bladeren meest met
steunbladeren 147. Euphorbiaceae.
155a. Helmknoppen met klepjes openspringend 156
155b. Helmknoppen met spleten openspringend 157
156a. Bloemen meest 3-tallig met een 6-deelig bloemdek, zeer zelden
(Laurus) 4-tallig. Meeldraden 3, 6, 9 of 12, in verschillende rijen binnen
elkaar of 4 (Laurus); bladeren verspreid 102. Lauraceae.
156b. Bloemen 3- of 4-tallig; met een bekervormig bloemdek op welks
bodem de meeldraden onregelmatig zijn ingeplant. Bladeren
tegenoverstaand 101. Monimiaceae.
157a. Bloemen met 1 meeldraad in kransen rondom de bloeistengel
gezeten en zoo een aar vormend. Houtige planten met tegenoverstaande
bladeren 7. Gnetaceae.
157b. Twee tot vele meeldraden, in enkele gevallen 1 meeldraad in de
bloem, maar dan staan de bloemen niet in kransen 158
158a. Meeldraden 4, afwisselend met 4 smalle staminodiën; bloemen met
4-tallig bloemdek, in korte aren in de bladoksels. Bladeren vleezig,
tegenoverstaand; strandplanten 60a. Batidaceae.
2-slachtig 99. Myristicaceae.
153a. Meeldraden aan of nabij den top van een zuil gezeten, die in het
midden van de bloem staat 153
153b. Meeldraden niet op een zuil gezeten 155
154a. Bloemdek klein, bekervormig, 2- of 3-tandig; meeldraden 2 tot 7.
Boomen zonder melksap met afwisselende bladeren zonder steunbladeren
99. Myristicaceae.
154b. Bloemdek 4- of 5-tandig of -deelig. Kruiden
of heesters of boomen, meest met melksap; bladeren meest met
steunbladeren 147. Euphorbiaceae.
155a. Helmknoppen met klepjes openspringend 156
155b. Helmknoppen met spleten openspringend 157
156a. Bloemen meest 3-tallig met een 6-deelig bloemdek, zeer zelden
(Laurus) 4-tallig. Meeldraden 3, 6, 9 of 12, in verschillende rijen binnen
elkaar of 4 (Laurus); bladeren verspreid 102. Lauraceae.
156b. Bloemen 3- of 4-tallig; met een bekervormig bloemdek op welks
bodem de meeldraden onregelmatig zijn ingeplant. Bladeren
tegenoverstaand 101. Monimiaceae.
157a. Bloemen met 1 meeldraad in kransen rondom de bloeistengel
gezeten en zoo een aar vormend. Houtige planten met tegenoverstaande
bladeren 7. Gnetaceae.
157b. Twee tot vele meeldraden, in enkele gevallen 1 meeldraad in de
bloem, maar dan staan de bloemen niet in kransen 158
158a. Meeldraden 4, afwisselend met 4 smalle staminodiën; bloemen met
4-tallig bloemdek, in korte aren in de bladoksels. Bladeren vleezig,
tegenoverstaand; strandplanten 60a. Batidaceae.
Page 62
158b. Bloemen niet typisch 4-tallig, zonder staminodiën en bladeren niet
vleezig 159
159a. Meeldraden meer dan 12, meest zeer talrijk 160
159b. Meeldraden 1 tot 12 163
160a.2 Kruidachtige planten met een 4-bladig bloemdek
208. Begoniaceae.
160b. Boomen of heesters
161
161a. Bloemdek buisvormig, 5-tandig, meeldraden aan de
binnenzijde van de buis vastgehecht 80. Nyctaginaceae.
161b. Bloemdek niet buisvormig, meeldraden vrij 162
162a. Bloemdek 5-tallig; rudiment van een vruchtbeginsel aanwezig;
meeldraden of op een steel gezeten, of in meerdere regelmatige rijen
178. Sterculiaceae.
162b. Bloemdek 3–4-deelig; geen rudiment van
een vruchtbeginsel aanwezig 147. Euphorbiaceae.
163a. Bloemdek en meeldraden 3-tallig 164
163b. Bloemen niet typisch 3-tallig 166
164a. Meeldraden 9; boomen met holle takken; bloemdek vergroeidbladig
met 3 groote en 3 kleine slippen 77. Polygonaceae.
164b. Meeldraden 3 of 6 165
165a. Kruiden of lianen; bladeren dun, hart-pijlvormig of handvormig
gelobd tot gedeeld, aan de basis 3–7-nervig. Meeldraden 6 of de binnenste 3
min of meer gereduceerd of ontbrekend 43. Dioscoreaceae.
165b. Klimmende heesters; bladeren min of meer leerachtig; niet gedeeld,
niet hart-pijlvormig 94. Menispermaceae.
vleezig 159
159a. Meeldraden meer dan 12, meest zeer talrijk 160
159b. Meeldraden 1 tot 12 163
160a.2 Kruidachtige planten met een 4-bladig bloemdek
208. Begoniaceae.
160b. Boomen of heesters
161
161a. Bloemdek buisvormig, 5-tandig, meeldraden aan de
binnenzijde van de buis vastgehecht 80. Nyctaginaceae.
161b. Bloemdek niet buisvormig, meeldraden vrij 162
162a. Bloemdek 5-tallig; rudiment van een vruchtbeginsel aanwezig;
meeldraden of op een steel gezeten, of in meerdere regelmatige rijen
178. Sterculiaceae.
162b. Bloemdek 3–4-deelig; geen rudiment van
een vruchtbeginsel aanwezig 147. Euphorbiaceae.
163a. Bloemdek en meeldraden 3-tallig 164
163b. Bloemen niet typisch 3-tallig 166
164a. Meeldraden 9; boomen met holle takken; bloemdek vergroeidbladig
met 3 groote en 3 kleine slippen 77. Polygonaceae.
164b. Meeldraden 3 of 6 165
165a. Kruiden of lianen; bladeren dun, hart-pijlvormig of handvormig
gelobd tot gedeeld, aan de basis 3–7-nervig. Meeldraden 6 of de binnenste 3
min of meer gereduceerd of ontbrekend 43. Dioscoreaceae.
165b. Klimmende heesters; bladeren min of meer leerachtig; niet gedeeld,
niet hart-pijlvormig 94. Menispermaceae.
Page 63
165c. Parasieten; bladeren bijna steeds tegenoverstaand
67. Loranthaceae.
165d. Boomen met hartvormige bladeren;
bloemdek 6-deelig; meeldraden 3, helmdraden ieder met 2 klieren aan den
voet 103. Hernandiaceae.
166a. Meeldraden 8–10, dubbel zooveel als de slippen van het
vergroeidbladige bloemdek. Boomen of heesters met afwisselende bladeren
221. Combretaceae.
166b. Boomen of heesters; meeldraden meest
evenveel als de bloemdekbladeren; soms wat meer of minder 167
166c. Kruidachtige planten 170
167a. Boomen met zeer groote steunbladeren, die in den knop vergroeid
zijn en het bovendeel van den spruit inhullen; na het afvallen een
ringvormig lidteeken om den stam achterlaten. Bloemen meest zeer klein,
in dichte aar- of bolvormige bloeiwijzen. Planten meest met melksap
64. Moraceae.
167b. Geen opvallend groote steunbladeren aanwezig;
bloeiwijzen niet zeer dicht 168
168a. Bloemdek buisvormig, 5-tandig; meeldraden 6–8, aan de binnenzijde
met de buis vergroeid 80. Nyctaginaceae.
168b. Bloemdek niet buisvormig 169
169a. Heesters met fijngezaagde ruwe bladeren; bloemdek 5-, zelden 4-
deelig, met 5 (of 4) meeldraden voor de bloemdekbladeren staand
63. Ulmaceae.
169b. Meeldraden niet duidelijk voor de
bloemdekbladeren staand, vaak in een ander aantal. Bladeren niet ruw en
gezaagd. Melksap of steunbladeren of beide aanwezig
147. Euphorbiaceae.
169c. Bladeren zonder steunbladeren; melksap
ontbrekend; bloemdekbladeren (kelk) 2 tot 5; meeldraden 8–12; heester met
naar den voet sterk versmalde, bijna zittende bladeren
67. Loranthaceae.
165d. Boomen met hartvormige bladeren;
bloemdek 6-deelig; meeldraden 3, helmdraden ieder met 2 klieren aan den
voet 103. Hernandiaceae.
166a. Meeldraden 8–10, dubbel zooveel als de slippen van het
vergroeidbladige bloemdek. Boomen of heesters met afwisselende bladeren
221. Combretaceae.
166b. Boomen of heesters; meeldraden meest
evenveel als de bloemdekbladeren; soms wat meer of minder 167
166c. Kruidachtige planten 170
167a. Boomen met zeer groote steunbladeren, die in den knop vergroeid
zijn en het bovendeel van den spruit inhullen; na het afvallen een
ringvormig lidteeken om den stam achterlaten. Bloemen meest zeer klein,
in dichte aar- of bolvormige bloeiwijzen. Planten meest met melksap
64. Moraceae.
167b. Geen opvallend groote steunbladeren aanwezig;
bloeiwijzen niet zeer dicht 168
168a. Bloemdek buisvormig, 5-tandig; meeldraden 6–8, aan de binnenzijde
met de buis vergroeid 80. Nyctaginaceae.
168b. Bloemdek niet buisvormig 169
169a. Heesters met fijngezaagde ruwe bladeren; bloemdek 5-, zelden 4-
deelig, met 5 (of 4) meeldraden voor de bloemdekbladeren staand
63. Ulmaceae.
169b. Meeldraden niet duidelijk voor de
bloemdekbladeren staand, vaak in een ander aantal. Bladeren niet ruw en
gezaagd. Melksap of steunbladeren of beide aanwezig
147. Euphorbiaceae.
169c. Bladeren zonder steunbladeren; melksap
ontbrekend; bloemdekbladeren (kelk) 2 tot 5; meeldraden 8–12; heester met
naar den voet sterk versmalde, bijna zittende bladeren
Page 64
170a. Bloemdekbladeren bijna geheel vrij, 3 of 5, 165. Sapindaceae.
hard en vliezig, scherp toegespitst. Meeldraden evenveel, in den knop niet
naar binnen gebogen 79. Amarantaceae.
170b. Bloemdekbladeren aan de basis vergroeid, niet vliezig en spits
171
171a. Bladeren en stengel met zeer ruwe borstelige haren bezet, en
dan de bladeren verspreid, of kaal en dan de bladeren tegenoverstaand.
Meeldraden in den knop naar binnen gebogen bij het opengaan van den
knop elastisch naar buiten ombuigend 65. Urticaceae.
171b. Bladeren niet tegenoverstaand en niet borstelig behaard. Meeldraden
bij het openen van de bloem niet elastisch naar buiten ombuigend 172
172a. Bladeren met steunbladeren en planten vaak met melksap
147. Euphorbiaceae.
172b. Geen steunbladeren en geen melksap
aanwezig; planten vaak sterk riekend 78. Chenopodiaceae.
173a. Bloemkroon losbladig, uit één of meer afzonderlijke bladeren
bestaande 174
173b. Bloemkroon vergroeidbladig 254
174a. Bloemen eenslachtig, tweehuizig 175
174b. Bloemen met goed ontwikkelde meeldraden en een vruchtbeginsel of
eenslachtig, maar dan eenhuizig 185
175a. Alleen ♂ bloemen aanwezig 176
175b. Alleen ♀ bloemen aanwezig 181
176a. Bladeren tegenoverstaand of in kransen 177
176b. Bladeren verspreid 178
hard en vliezig, scherp toegespitst. Meeldraden evenveel, in den knop niet
naar binnen gebogen 79. Amarantaceae.
170b. Bloemdekbladeren aan de basis vergroeid, niet vliezig en spits
171
171a. Bladeren en stengel met zeer ruwe borstelige haren bezet, en
dan de bladeren verspreid, of kaal en dan de bladeren tegenoverstaand.
Meeldraden in den knop naar binnen gebogen bij het opengaan van den
knop elastisch naar buiten ombuigend 65. Urticaceae.
171b. Bladeren niet tegenoverstaand en niet borstelig behaard. Meeldraden
bij het openen van de bloem niet elastisch naar buiten ombuigend 172
172a. Bladeren met steunbladeren en planten vaak met melksap
147. Euphorbiaceae.
172b. Geen steunbladeren en geen melksap
aanwezig; planten vaak sterk riekend 78. Chenopodiaceae.
173a. Bloemkroon losbladig, uit één of meer afzonderlijke bladeren
bestaande 174
173b. Bloemkroon vergroeidbladig 254
174a. Bloemen eenslachtig, tweehuizig 175
174b. Bloemen met goed ontwikkelde meeldraden en een vruchtbeginsel of
eenslachtig, maar dan eenhuizig 185
175a. Alleen ♂ bloemen aanwezig 176
175b. Alleen ♀ bloemen aanwezig 181
176a. Bladeren tegenoverstaand of in kransen 177
176b. Bladeren verspreid 178
Page 65
177a. Kelkbladeren 4–5; bloembladeren 4–8; meeldraden 15 tot vele, vrij,
met lange helmdraden en kleine helmknoppen. Bladeren meest in kransen,
aan den rand vaak gezaagd, lang en vrij smal, soms vindeelig, met
steunbladeren 185. Quiinaceae.
177b. Kelkbladeren 2 of 4, of meerdere, soms in den knop vergroeid, vaak
in 2 of meer rijen; bloembladeren 4–12; meeldraden òf weinige, maar dan
met lange helmknoppen en korte helmdraden, òf vele, en dan vaak met
elkaar vergroeid; bladeren niet in kransen, meest dik en leerachtig;
steunbladeren slechts zelden aanwezig 187. Guttiferae.
178a. Klimmende heesters, bloemen geheel 3-tallig, dus ook de
meeldraden een veelvoud van 3, in meerdere kransen
94. Menispermaceae.
178b. Bloemen niet zuiver 3-tallig
179
179a. Meeldraden talrijk, kelkbladeren 2–3; bloembladeren 6–12;
bladeren zeer groot 199. Flacourtiaceae.
179b. Meeldraden hoogstens 20 180
180a. Meeldraden 4–10, meest maar enkele met stuifmeel en dan grooter
dan de andere. Rest van een vruchtbeginsel aanwezig. Boomen of heesters
met leerachtige bladeren 153. Anacardiaceae.
180b. Meeldraden 4 of 5, onder den rand van een dikke schijf ingehecht.
Bloembladeren 4–5, kelk 4–5 spletig; klein. Heesters
158. Celastraceae.
180c. Meeldraden niet onder een schijf ingehecht,
5 en dan vaak vergroeid of 10–20, en dan los. Kelk losbladig
147. Euphorbiaceae.
180d. Kelk en bloembladeren 4, meeldraden 2
met elkaar tot een platte zuil vergroeid. Klimmende heesters
94. Menispermaceae.
181a. Meerdere vruchtbeginsels in één bloem.
Bloemen meest 3-tallig, soms 2-tallig maar dan zijdelings-symmetrisch,
klimmende heesters 94. Menispermaceae.
met lange helmdraden en kleine helmknoppen. Bladeren meest in kransen,
aan den rand vaak gezaagd, lang en vrij smal, soms vindeelig, met
steunbladeren 185. Quiinaceae.
177b. Kelkbladeren 2 of 4, of meerdere, soms in den knop vergroeid, vaak
in 2 of meer rijen; bloembladeren 4–12; meeldraden òf weinige, maar dan
met lange helmknoppen en korte helmdraden, òf vele, en dan vaak met
elkaar vergroeid; bladeren niet in kransen, meest dik en leerachtig;
steunbladeren slechts zelden aanwezig 187. Guttiferae.
178a. Klimmende heesters, bloemen geheel 3-tallig, dus ook de
meeldraden een veelvoud van 3, in meerdere kransen
94. Menispermaceae.
178b. Bloemen niet zuiver 3-tallig
179
179a. Meeldraden talrijk, kelkbladeren 2–3; bloembladeren 6–12;
bladeren zeer groot 199. Flacourtiaceae.
179b. Meeldraden hoogstens 20 180
180a. Meeldraden 4–10, meest maar enkele met stuifmeel en dan grooter
dan de andere. Rest van een vruchtbeginsel aanwezig. Boomen of heesters
met leerachtige bladeren 153. Anacardiaceae.
180b. Meeldraden 4 of 5, onder den rand van een dikke schijf ingehecht.
Bloembladeren 4–5, kelk 4–5 spletig; klein. Heesters
158. Celastraceae.
180c. Meeldraden niet onder een schijf ingehecht,
5 en dan vaak vergroeid of 10–20, en dan los. Kelk losbladig
147. Euphorbiaceae.
180d. Kelk en bloembladeren 4, meeldraden 2
met elkaar tot een platte zuil vergroeid. Klimmende heesters
94. Menispermaceae.
181a. Meerdere vruchtbeginsels in één bloem.
Bloemen meest 3-tallig, soms 2-tallig maar dan zijdelings-symmetrisch,
klimmende heesters 94. Menispermaceae.
Page 66
181b. Slechts één vruchtbeginsel in elke bloem 182
182a. Vruchtbeginsel met 2 tot meerdere stijlen 183
182b. Vruchtbeginsel met 1 stijl of een zittende stempel 184
183a. Bladeren tegenoverstaand of in kransen; vruchtbeginsel met 2 tot
vele stijlen. Kelkbladeren 4–5 185. Quiinaceae.
183b. Bladeren verspreid, zeer groot. Vruchtbeginsel met overlangsche
ribben. Stijlen 5–7 199. Flacourtiaceae.
184a. Vruchtbeginsel 2- of 3-hokkig; vrucht een 2- of 3-kleppige
doosvrucht. Heesters 158. Celastraceae.
184b. Vruchtbeginsel 1-hokkig; vrucht òf besachtig òf niervormig op een
sappige steel gezeten. Boomen of heesters 153. Anacardiaceae.
185a. Vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig 186
185b. Vruchtbeginsel onderstandig 246
186a. Meeldraden in iedere bloem 1–10 (de staminodiën niet meegerekend)
187
186b. Volkomen meeldraden in iedere bloem meer dan 10
225
187a. Vruchtbeginsel meerdere, vrij, ieder met een stempel.
Bloemen geheel 3-tallig 98. Anonaceae.
187b. Eén vruchtbeginsel, of meerdere vruchtbeginsels, in het laatste geval
met één gemeenschappelijke stijl 188
188a. Bloemen eenslachtig, de ♀ bloemen met een 3-hokkig
vruchtbeginsel, met 3 stijlen of stempels 147. Euphorbiaceae.
188b. Bloemen tweeslachtig 189
189a. Vruchtbeginsel met 2 of meer stijlen 190
182a. Vruchtbeginsel met 2 tot meerdere stijlen 183
182b. Vruchtbeginsel met 1 stijl of een zittende stempel 184
183a. Bladeren tegenoverstaand of in kransen; vruchtbeginsel met 2 tot
vele stijlen. Kelkbladeren 4–5 185. Quiinaceae.
183b. Bladeren verspreid, zeer groot. Vruchtbeginsel met overlangsche
ribben. Stijlen 5–7 199. Flacourtiaceae.
184a. Vruchtbeginsel 2- of 3-hokkig; vrucht een 2- of 3-kleppige
doosvrucht. Heesters 158. Celastraceae.
184b. Vruchtbeginsel 1-hokkig; vrucht òf besachtig òf niervormig op een
sappige steel gezeten. Boomen of heesters 153. Anacardiaceae.
185a. Vruchtbeginsel of de vruchtbeginsels bovenstandig 186
185b. Vruchtbeginsel onderstandig 246
186a. Meeldraden in iedere bloem 1–10 (de staminodiën niet meegerekend)
187
186b. Volkomen meeldraden in iedere bloem meer dan 10
225
187a. Vruchtbeginsel meerdere, vrij, ieder met een stempel.
Bloemen geheel 3-tallig 98. Anonaceae.
187b. Eén vruchtbeginsel, of meerdere vruchtbeginsels, in het laatste geval
met één gemeenschappelijke stijl 188
188a. Bloemen eenslachtig, de ♀ bloemen met een 3-hokkig
vruchtbeginsel, met 3 stijlen of stempels 147. Euphorbiaceae.
188b. Bloemen tweeslachtig 189
189a. Vruchtbeginsel met 2 of meer stijlen 190
Page 67
189b. Vruchtbeginsel met slechts één stijl of stempel 196
190a. Kleine kruidachtige planten; bladeren bijna rond, bezet met lange
roode kleverige haren. Bloemen in trossen 112. Droseraceae.
190b. Bladeren zonder roode klierharen 191
191a. Stijlen 5, soms zeer klein 192
191b. Stijlen 2 of 3 194
192a. Meeldraden 10; bloemen geheel 5-tallig; bloembladeren aan de basis
verdikt, van binnen behaard 132. Linaceae.
192b. Meeldraden 5 193
193a. Stijlen klein, meeldraden niet vergroeid; bloembladeren van boven
naar binnen omgeslagen. Bladeren kaal 158. Celastraceae.
193b. Meeldraden vergroeid, bloembladeren dun, niet omgeslagen.
Bladeren behaard 178. Sterculiaceae.
194a. Meeldraden 5, geen staminodiën in de bloem aanwezig; stijlen 3,
kelk aan de basis buisvormig 201. Turneraceae.
194b. Meeldraden 10, soms enkele ervan staminodiaal 195
195a. Heesters, de takken met schubben bekleed; 5 van de meeldraden
grooter dan de 5 andere; stijlen 3; bloembladeren aan de binnenzijde met
een 2-spletige schub 134. Erythroxylaceae.
195b. Vaak eenige van de meeldraden staminodiaal; stijlen 2 of 3;
bloembladeren zonder schubben, meest aan den rand ingesneden; kelk van
buiten meest met klieren 141. Malpighiaceae.
196a. Bloemen duidelijk zygomorf 197
196b. Bloemen regelmatig 204
190a. Kleine kruidachtige planten; bladeren bijna rond, bezet met lange
roode kleverige haren. Bloemen in trossen 112. Droseraceae.
190b. Bladeren zonder roode klierharen 191
191a. Stijlen 5, soms zeer klein 192
191b. Stijlen 2 of 3 194
192a. Meeldraden 10; bloemen geheel 5-tallig; bloembladeren aan de basis
verdikt, van binnen behaard 132. Linaceae.
192b. Meeldraden 5 193
193a. Stijlen klein, meeldraden niet vergroeid; bloembladeren van boven
naar binnen omgeslagen. Bladeren kaal 158. Celastraceae.
193b. Meeldraden vergroeid, bloembladeren dun, niet omgeslagen.
Bladeren behaard 178. Sterculiaceae.
194a. Meeldraden 5, geen staminodiën in de bloem aanwezig; stijlen 3,
kelk aan de basis buisvormig 201. Turneraceae.
194b. Meeldraden 10, soms enkele ervan staminodiaal 195
195a. Heesters, de takken met schubben bekleed; 5 van de meeldraden
grooter dan de 5 andere; stijlen 3; bloembladeren aan de binnenzijde met
een 2-spletige schub 134. Erythroxylaceae.
195b. Vaak eenige van de meeldraden staminodiaal; stijlen 2 of 3;
bloembladeren zonder schubben, meest aan den rand ingesneden; kelk van
buiten meest met klieren 141. Malpighiaceae.
196a. Bloemen duidelijk zygomorf 197
196b. Bloemen regelmatig 204
Page 68
197a. Bladeren tegenoverstaand of in kransen 198
197b. Bladeren verspreid 201
198a. Eén meeldraad aanwezig, 1, 2 of 3 bloembladeren; een van de
kelkbladeren met een spoor of knobbel 143. Vochysiaceae.
198b. Meer dan 1 meeldraad aanwezig 199
199a. Kelk buisvormig, 6-tallig; bloembladeren meest 6; meeldraden met
de kelkbuis vergroeid 216. Lythraceae.
199b. Kelk bijna of geheel losbladig 200
200a. Meeldraden 10, waarvan 6 met helmknoppen; een van de
bloembladeren met een spoor; klimmende heesters 142. Trigoniaceae.
200b. Meeldraden 5, waarvan 2 een weinig anders gevormd; één bloemblad
grooter dan de 4 andere; kruiden 198. Violaceae.
201a. Bloembladeren 5, ongeveer gelijk van vorm en grootte; meeldraden
3–8, eenzijdig gezeten, kelk buisvormig, het vruchtbeginsel insluitend
126. Rosaceae.
201b. Bloembladeren niet gelijk van vorm en grootte
202
202a. Meeldraden 5, soms wat ongelijk. Bloembladeren en
kelkbladeren 5, de bloembladeren gespoord of tenminste een van de
bloembladeren anders gevormd dan de overige 4 198. Violaceae.
202b. Meeldraden meer dan 5 203
203a. Meeldraden 8, in twee groepen; bloembladen 3 of 5, èèn anders
gevormd maar niet gespoord. Vruchtbeginsel 2-hokkig
145. Polygalaceae.
203b. Meeldraden 9 of 10, tot een gesloten of
eenzijdig vergroeide buis vereenigd of bijna geheel vrij. Bloembladeren 5,
en dan ongelijk of 3, en dan bijna gelijk of 1. Bladeren met steunbladeren
128. Papilionaceae.
197b. Bladeren verspreid 201
198a. Eén meeldraad aanwezig, 1, 2 of 3 bloembladeren; een van de
kelkbladeren met een spoor of knobbel 143. Vochysiaceae.
198b. Meer dan 1 meeldraad aanwezig 199
199a. Kelk buisvormig, 6-tallig; bloembladeren meest 6; meeldraden met
de kelkbuis vergroeid 216. Lythraceae.
199b. Kelk bijna of geheel losbladig 200
200a. Meeldraden 10, waarvan 6 met helmknoppen; een van de
bloembladeren met een spoor; klimmende heesters 142. Trigoniaceae.
200b. Meeldraden 5, waarvan 2 een weinig anders gevormd; één bloemblad
grooter dan de 4 andere; kruiden 198. Violaceae.
201a. Bloembladeren 5, ongeveer gelijk van vorm en grootte; meeldraden
3–8, eenzijdig gezeten, kelk buisvormig, het vruchtbeginsel insluitend
126. Rosaceae.
201b. Bloembladeren niet gelijk van vorm en grootte
202
202a. Meeldraden 5, soms wat ongelijk. Bloembladeren en
kelkbladeren 5, de bloembladeren gespoord of tenminste een van de
bloembladeren anders gevormd dan de overige 4 198. Violaceae.
202b. Meeldraden meer dan 5 203
203a. Meeldraden 8, in twee groepen; bloembladen 3 of 5, èèn anders
gevormd maar niet gespoord. Vruchtbeginsel 2-hokkig
145. Polygalaceae.
203b. Meeldraden 9 of 10, tot een gesloten of
eenzijdig vergroeide buis vereenigd of bijna geheel vrij. Bloembladeren 5,
en dan ongelijk of 3, en dan bijna gelijk of 1. Bladeren met steunbladeren
128. Papilionaceae.
Page 69
204a. Bloemen 5-tallig, meeldraden 3, van onderen in een korte buis
vergroeid. Vruchtbeginsel 3-hokkig 159. Hippocrateaceae.
204b. Meeldraden evenveel of meer dan bloembladeren 205
205a. Kelkbladeren 2, vrij; bloembladeren 4 of 5; kruidachtige planten,
bladeren soms iets vleezig 85. Portulacaceae.
205b. Meer dan 2 kelkbladeren of kelk vergroeidbladig 206
206a. Kelkbladeren geheel vrij of hoogstens aan den voet iets
samenhangend 207
206b. Kelk duidelijk vergroeidbladig 211
207a. Kruiden met 4 kelkbladeren en 4 bloembladeren, meeldraden 4 of 6.
Vruchtbeginsel 2-hokkig 105. Cruciferae.
207b. Bloemen niet typisch 4-tallig, of als ze 4-tallig zijn, dan zijn de
planten boomen of heesters 208
208a. Bloemen geheel 5-tallig met 5 meeldraden. Kruiden met
tegenoverstaande of kransstandige bladeren 87. Caryophyllaceae.
208b. Boomen, heesters of lianen, zelden kruiden, maar dan meeldraden 10
209
209a. Meeldraden 5, niet met het vruchtbeginsel op een zuil
gezeten. Helmknoppen vaak met aanhangsels of helmdraden tot een buis
vergroeid. Geen staminodiën in de bloem aanwezig 198. Violaceae.
209b. Meeldraden meer dan 5, indien er 5 zijn, dan zitten ze òf met het
vruchtbeginsel op een zuil òf er zijn ook staminodiën in de bloem aanwezig
210
210a. Planten behaard; geen staminodiën aanwezig; meeldraden 5
of 10, soms met het vruchtbeginsel op een zuil gezeten. Bloemen 5-tallig
174. Tiliaceae.
210b. Planten kaal, of indien ze behaard zijn, dan zijn
er 5 meeldraden en een groot aantal staminodiën in de bloem aanwezig.
vergroeid. Vruchtbeginsel 3-hokkig 159. Hippocrateaceae.
204b. Meeldraden evenveel of meer dan bloembladeren 205
205a. Kelkbladeren 2, vrij; bloembladeren 4 of 5; kruidachtige planten,
bladeren soms iets vleezig 85. Portulacaceae.
205b. Meer dan 2 kelkbladeren of kelk vergroeidbladig 206
206a. Kelkbladeren geheel vrij of hoogstens aan den voet iets
samenhangend 207
206b. Kelk duidelijk vergroeidbladig 211
207a. Kruiden met 4 kelkbladeren en 4 bloembladeren, meeldraden 4 of 6.
Vruchtbeginsel 2-hokkig 105. Cruciferae.
207b. Bloemen niet typisch 4-tallig, of als ze 4-tallig zijn, dan zijn de
planten boomen of heesters 208
208a. Bloemen geheel 5-tallig met 5 meeldraden. Kruiden met
tegenoverstaande of kransstandige bladeren 87. Caryophyllaceae.
208b. Boomen, heesters of lianen, zelden kruiden, maar dan meeldraden 10
209
209a. Meeldraden 5, niet met het vruchtbeginsel op een zuil
gezeten. Helmknoppen vaak met aanhangsels of helmdraden tot een buis
vergroeid. Geen staminodiën in de bloem aanwezig 198. Violaceae.
209b. Meeldraden meer dan 5, indien er 5 zijn, dan zitten ze òf met het
vruchtbeginsel op een zuil òf er zijn ook staminodiën in de bloem aanwezig
210
210a. Planten behaard; geen staminodiën aanwezig; meeldraden 5
of 10, soms met het vruchtbeginsel op een zuil gezeten. Bloemen 5-tallig
174. Tiliaceae.
210b. Planten kaal, of indien ze behaard zijn, dan zijn
er 5 meeldraden en een groot aantal staminodiën in de bloem aanwezig.
Page 70
Vruchtbeginsel soms alleen door de stijlen verbonden 182. Ochnaceae.
211a. Meeldraden in twee kransen, dubbel zooveel als bloembladeren
212
211b. Meeldraden in één krans, evenveel als bloembladeren of
slechts weinige meer, soms aan den top gespleten en dan meerdere
helmknoppen dragend, maar dan zijn de bladeren van doorschijnende
puntjes voorzien 219
212a. Heesters met dorens; bloembladeren van binnen behaard;
vruchtbeginsel 4-hokkig 72. Olacaceae.
212b. Planten niet gedoornd 213
213a. Meeldraden met het vruchtbeginsel op een lange steel buiten de
bloem uitstekend. Vruchtbeginsels na den bloei om elkaar gedraaid. Planten
dicht behaard 178. Sterculiaceae.
213b. Geen androgynophoor aanwezig 214
214a. Bladeren tegenoverstaand 215
214b. Bladeren verspreid 216
215a. Bloemen 4-tallig; meeldraden 8 (soms tot 12) paarsgewijs voor de
kelkslippen staande en op de kelk ingeplant. Bloemen welriekend. Heesters
216. Lythraceae.
215b. Bloemen 4 of 5-tallig; meeldraden meest
verschillend van grootte, soms één groote en de rest kleiner; bijna steeds
alle met helmknoppen, zeer zelden (Siphanthera) een van de kransen zonder
helmknoppen of geheel ontbrekend. Bladeren met eenige evenwijdige
nerven. Helmknoppen bijna steeds met eigenaardige aanhangselen
223. Melastomataceae.
216a. Vruchtbeginsel éénhokkig
217
216b. Vruchtbeginsel 2-meerhokkig
218
211a. Meeldraden in twee kransen, dubbel zooveel als bloembladeren
212
211b. Meeldraden in één krans, evenveel als bloembladeren of
slechts weinige meer, soms aan den top gespleten en dan meerdere
helmknoppen dragend, maar dan zijn de bladeren van doorschijnende
puntjes voorzien 219
212a. Heesters met dorens; bloembladeren van binnen behaard;
vruchtbeginsel 4-hokkig 72. Olacaceae.
212b. Planten niet gedoornd 213
213a. Meeldraden met het vruchtbeginsel op een lange steel buiten de
bloem uitstekend. Vruchtbeginsels na den bloei om elkaar gedraaid. Planten
dicht behaard 178. Sterculiaceae.
213b. Geen androgynophoor aanwezig 214
214a. Bladeren tegenoverstaand 215
214b. Bladeren verspreid 216
215a. Bloemen 4-tallig; meeldraden 8 (soms tot 12) paarsgewijs voor de
kelkslippen staande en op de kelk ingeplant. Bloemen welriekend. Heesters
216. Lythraceae.
215b. Bloemen 4 of 5-tallig; meeldraden meest
verschillend van grootte, soms één groote en de rest kleiner; bijna steeds
alle met helmknoppen, zeer zelden (Siphanthera) een van de kransen zonder
helmknoppen of geheel ontbrekend. Bladeren met eenige evenwijdige
nerven. Helmknoppen bijna steeds met eigenaardige aanhangselen
223. Melastomataceae.
216a. Vruchtbeginsel éénhokkig
217
216b. Vruchtbeginsel 2-meerhokkig
218
Page 71
217a. Vruchtbeginsel langgerekt, met één rij van zaadknoppen; vrucht een
peul. Bladeren aan den top min of meer diep ingesneden, zeer zelden niet-
ingesneden. Bloemen groot tot vrij groot. 128. Papilionaceae.
217b. Vruchtbeginsel kort, op een schijf gezeten; kelk min of meer
komvormig; soms één meeldraad grooter dan de andere; bloemen klein
153. Anacardiaceae.
218a. Vruchtbeginsel 5-hokkig, met 1 zaadknop
in ieder hok. Kelk met 5, eenigszins over elkaar liggende lobben;
staminodiën aanwezig of ontbrekend 133. Humiriaceae.
218b. Kelk klokvormig met 5 korte of onduidelijke tanden. Bloembladeren
aan de basis meest een weinig vergroeid. Vruchtbeginsel van onderen 3-
hokkig; stijl met 3 stempels 241. Styracaceae.
219a. Bladeren met doorschijnende puntjes (olieklieren). Planten soms
gedoornd. Helmdraden vaak wat vergroeid 137. Rutaceae.
219b. Bladeren zonder doorschijnende puntjes 220
220a. Bloemen typisch 4-tallig, klein; meeldraden 4, tegenover de
bloembladeren staand; vruchtbeginsel 2-hokkig; kelk zeer kort,
schotelvormig 170. Vitaceae.
220b. Bloemen niet typisch 4-tallig of indien ze 4-tallig zijn, dan wisselen
de meeldraden af met de bloembladeren 221
221a. Bloembladeren met eenige ribben op de binnenzijde. Meeldraden 5,
met platte helmdraden en een vierkant aanhangsel op den top van den
helmknop 162. Icacinaceae.
221b. Bloembladeren van binnen niet geribd of als ze geribd zijn
(Mangifera) dan de helmknoppen zonder aanhangsel 222
222a. Bloemen klein, groen of wit; vruchtbeginsel omgeven door een schijf
223
peul. Bladeren aan den top min of meer diep ingesneden, zeer zelden niet-
ingesneden. Bloemen groot tot vrij groot. 128. Papilionaceae.
217b. Vruchtbeginsel kort, op een schijf gezeten; kelk min of meer
komvormig; soms één meeldraad grooter dan de andere; bloemen klein
153. Anacardiaceae.
218a. Vruchtbeginsel 5-hokkig, met 1 zaadknop
in ieder hok. Kelk met 5, eenigszins over elkaar liggende lobben;
staminodiën aanwezig of ontbrekend 133. Humiriaceae.
218b. Kelk klokvormig met 5 korte of onduidelijke tanden. Bloembladeren
aan de basis meest een weinig vergroeid. Vruchtbeginsel van onderen 3-
hokkig; stijl met 3 stempels 241. Styracaceae.
219a. Bladeren met doorschijnende puntjes (olieklieren). Planten soms
gedoornd. Helmdraden vaak wat vergroeid 137. Rutaceae.
219b. Bladeren zonder doorschijnende puntjes 220
220a. Bloemen typisch 4-tallig, klein; meeldraden 4, tegenover de
bloembladeren staand; vruchtbeginsel 2-hokkig; kelk zeer kort,
schotelvormig 170. Vitaceae.
220b. Bloemen niet typisch 4-tallig of indien ze 4-tallig zijn, dan wisselen
de meeldraden af met de bloembladeren 221
221a. Bloembladeren met eenige ribben op de binnenzijde. Meeldraden 5,
met platte helmdraden en een vierkant aanhangsel op den top van den
helmknop 162. Icacinaceae.
221b. Bloembladeren van binnen niet geribd of als ze geribd zijn
(Mangifera) dan de helmknoppen zonder aanhangsel 222
222a. Bloemen klein, groen of wit; vruchtbeginsel omgeven door een schijf
223
Page 72
222b. Bloemen groot of vrij groot, meest gekleurd, geen schijf aanwezig.
Vruchtbeginsel één- of meerhokkig 224
223a. Vruchtbeginsel 1-hokkig; meest maar een deel van de meeldraden
met stuifmeel. Stempel enkelvoudig 153. Anacardiaceae.
223b. Vruchtbeginsel meerhokkig; stempel 2- of meerlobbig; stijl soms
zeer kort 158. Celastraceae.
224a. Vruchtbeginsel langwerpig, 1-hokkig, vrucht een peul. Meeldraden
5–9; bladeren aan den top tweespletig tot 2-deelig, zeer zelden niet-
ingesneden. Boomen of vaker lianen 128. Papilionaceae.
224b. Vruchtbeginsel meerhokkig, zeer zelden 1-hokkig, maar dan is de
plant een viltig behaarde heester of een kruidachtige plant. Meeldraden 5,
onderling en vaak ook met de bloembladeren vergroeid; soms met
staminodiën afwisselend. Bloembladeren vaak eigenaardig van vorm
178. Sterculiaceae.
225a. Meerdere vruchtbeginsels in iedere bloem,
soms een weinig vergroeid, maar dan bloemen 3-tallig 226
225b. Slechts één vruchtbeginsel in iedere bloem 227
226a. Bloemen 3-tallig; kelkbladeren 3; bloembladeren meest 6;
vruchtbeginsels meest zeer talrijk, soms min of meer met elkaar vergroeid
98. Anonaceae.
226b. Bloemen meest 4- of 5-, soms 6-tallig.
Vruchtbeginsels hoogstens 5 180. Dilleniaceae.
227a. Bloemen met een honingbeker aan den voet
184. Marcgraviaceae.
227b. Geen honingbeker aanwezig
228
228a. Bloemen éénslachtig; in de ♀ bloem geen bloemkroon
aanwezig; vruchtbeginsel 3-hokkig met een 3-spletige stijl of 3 stempels
147. Euphorbiaceae.
228b. Bloemen met meeldraden en
vruchtbeginsel 229
Vruchtbeginsel één- of meerhokkig 224
223a. Vruchtbeginsel 1-hokkig; meest maar een deel van de meeldraden
met stuifmeel. Stempel enkelvoudig 153. Anacardiaceae.
223b. Vruchtbeginsel meerhokkig; stempel 2- of meerlobbig; stijl soms
zeer kort 158. Celastraceae.
224a. Vruchtbeginsel langwerpig, 1-hokkig, vrucht een peul. Meeldraden
5–9; bladeren aan den top tweespletig tot 2-deelig, zeer zelden niet-
ingesneden. Boomen of vaker lianen 128. Papilionaceae.
224b. Vruchtbeginsel meerhokkig, zeer zelden 1-hokkig, maar dan is de
plant een viltig behaarde heester of een kruidachtige plant. Meeldraden 5,
onderling en vaak ook met de bloembladeren vergroeid; soms met
staminodiën afwisselend. Bloembladeren vaak eigenaardig van vorm
178. Sterculiaceae.
225a. Meerdere vruchtbeginsels in iedere bloem,
soms een weinig vergroeid, maar dan bloemen 3-tallig 226
225b. Slechts één vruchtbeginsel in iedere bloem 227
226a. Bloemen 3-tallig; kelkbladeren 3; bloembladeren meest 6;
vruchtbeginsels meest zeer talrijk, soms min of meer met elkaar vergroeid
98. Anonaceae.
226b. Bloemen meest 4- of 5-, soms 6-tallig.
Vruchtbeginsels hoogstens 5 180. Dilleniaceae.
227a. Bloemen met een honingbeker aan den voet
184. Marcgraviaceae.
227b. Geen honingbeker aanwezig
228
228a. Bloemen éénslachtig; in de ♀ bloem geen bloemkroon
aanwezig; vruchtbeginsel 3-hokkig met een 3-spletige stijl of 3 stempels
147. Euphorbiaceae.
228b. Bloemen met meeldraden en
vruchtbeginsel 229
Page 73
229a. Kelkbladeren 2, zeer zelden 3, maar dan is de plant gestekeld
230
229b. Kelkbladeren meer dan 2, of kelk vergroeidbladig
231
230a. Bloemen klein, meest rood; stijl van boven gespleten;
bloemen meest 4- of 5-tallig 85. Portulacaceae.
230b. Bloemen groot, geel; plant gestekeld; bloembladeren 4; kelkbladeren
soms 3 104. Papaveraceae.
231a. Meeldraden tot een zeer lange buis vergroeid, die van boven aan de
buitenzijde bekleed wordt door ± 30 zittende helmknoppen. Stijl 1 met 2
stempels 177. Bombacaceae.
231b. Meeldraden vrij of tenminste een deel van de helmdraden vrij
232
232a. Vruchtbeginsel met meerdere stijlen
233
232b. Vruchtbeginsel met één stijl
235
233a. Bladeren tegenoverstaand; meeldraden talrijk, soms
groepsgewijs staande; bloem 2- of 5-tallig 187. Guttiferae.
233b. Bladeren verspreid 234
234a. Bloemen gesteeld in de bladoksels staande; bloembladeren afvallend
5 of 6, evenals de kelkbladeren 186. Theaceae.
234b. Bloemen in trossen of pluimen; bloembladeren na den bloei blijvend.
Meeldraden in groepen van ± 4 tegenover de bloembladeren staand
199. Flacourtiaceae.
234c. Kelk vergroeidbladig, soms met een
buitenkelk; bloembladeren 5; helmdraden van onderen in een buis
vergroeid, het vruchtbeginsel en de stijlen insluitend; stijlen meest 10 of
meer, soms aan de basis vergroeid 175. Malvaceae.
235a. Bloemen zygomorf, meeldraden meest verschillend van grootte;
bloembladeren één of 2. Vruchtbeginsel gesteeld 128. Papilionaceae.
230
229b. Kelkbladeren meer dan 2, of kelk vergroeidbladig
231
230a. Bloemen klein, meest rood; stijl van boven gespleten;
bloemen meest 4- of 5-tallig 85. Portulacaceae.
230b. Bloemen groot, geel; plant gestekeld; bloembladeren 4; kelkbladeren
soms 3 104. Papaveraceae.
231a. Meeldraden tot een zeer lange buis vergroeid, die van boven aan de
buitenzijde bekleed wordt door ± 30 zittende helmknoppen. Stijl 1 met 2
stempels 177. Bombacaceae.
231b. Meeldraden vrij of tenminste een deel van de helmdraden vrij
232
232a. Vruchtbeginsel met meerdere stijlen
233
232b. Vruchtbeginsel met één stijl
235
233a. Bladeren tegenoverstaand; meeldraden talrijk, soms
groepsgewijs staande; bloem 2- of 5-tallig 187. Guttiferae.
233b. Bladeren verspreid 234
234a. Bloemen gesteeld in de bladoksels staande; bloembladeren afvallend
5 of 6, evenals de kelkbladeren 186. Theaceae.
234b. Bloemen in trossen of pluimen; bloembladeren na den bloei blijvend.
Meeldraden in groepen van ± 4 tegenover de bloembladeren staand
199. Flacourtiaceae.
234c. Kelk vergroeidbladig, soms met een
buitenkelk; bloembladeren 5; helmdraden van onderen in een buis
vergroeid, het vruchtbeginsel en de stijlen insluitend; stijlen meest 10 of
meer, soms aan de basis vergroeid 175. Malvaceae.
235a. Bloemen zygomorf, meeldraden meest verschillend van grootte;
bloembladeren één of 2. Vruchtbeginsel gesteeld 128. Papilionaceae.
Page 74
235b. Bloemen regelmatig of bijna regelmatig 236
236a. Kelk buis-, kom- tot bekervormig; meeldraden en bloembladeren op
den kelk ingeplant 237
236b. Bloembladeren en meeldraden van de kelk vrij of tenminste één van
beide 238
237a. Vruchtbeginsel éénhokkig; stijl aan de basis van het vruchtbeginsel
ingehecht. Bloemen regelmatig of een weinig zygomorf. Bladeren verspreid
126. Rosaceae.
237b. Vruchtbeginsel 2- tot meerhokkig; stijl op den
top van het vruchtbeginsel. Bladeren bijna steeds tegenoverstaand (behalve
Lagerströmia) 216. Lythraceae.
238a. Vruchtbeginsel 1-hokkig 239
238b. Vruchtbeginsel meerhokkig 241
239a. Vruchtbeginsel met 2 rijen van zaadknoppen, langbehaard; vrucht
met 2 kleppen openspringend, gestekeld; zaden vuurrood. Bloemen 5-tallig,
de kelk met klieren aan de basis. Boomen met min of meer hartvormige
bladeren 194. Bixaceae.
239b. Vruchtbeginsel en vrucht niet langbehaard of gestekeld. Kelk zonder
klieren 240
240a. Bloemen meest met 3 kelk- en 3 bloembladeren, zelden 4-tallig.
Boomen; vruchtbeginsel met 3 rijen van zaadknoppen
199. Flacourtiaceae.
240b. Bloemen 5-, soms 6-tallig. Lianen;
bladeren meest zeer ruw. Vruchtbeginsel met 1 rij van zaadknoppen
180. Dilleniaceae.
241a. Kelk bekervormig met zeer korte slippen.
Helmdraden onderling min of meer vergroeid. Bladeren met doorschijnende
puntjes (olieklieren). Plant vaak gedoornd 137. Rutaceae.
236a. Kelk buis-, kom- tot bekervormig; meeldraden en bloembladeren op
den kelk ingeplant 237
236b. Bloembladeren en meeldraden van de kelk vrij of tenminste één van
beide 238
237a. Vruchtbeginsel éénhokkig; stijl aan de basis van het vruchtbeginsel
ingehecht. Bloemen regelmatig of een weinig zygomorf. Bladeren verspreid
126. Rosaceae.
237b. Vruchtbeginsel 2- tot meerhokkig; stijl op den
top van het vruchtbeginsel. Bladeren bijna steeds tegenoverstaand (behalve
Lagerströmia) 216. Lythraceae.
238a. Vruchtbeginsel 1-hokkig 239
238b. Vruchtbeginsel meerhokkig 241
239a. Vruchtbeginsel met 2 rijen van zaadknoppen, langbehaard; vrucht
met 2 kleppen openspringend, gestekeld; zaden vuurrood. Bloemen 5-tallig,
de kelk met klieren aan de basis. Boomen met min of meer hartvormige
bladeren 194. Bixaceae.
239b. Vruchtbeginsel en vrucht niet langbehaard of gestekeld. Kelk zonder
klieren 240
240a. Bloemen meest met 3 kelk- en 3 bloembladeren, zelden 4-tallig.
Boomen; vruchtbeginsel met 3 rijen van zaadknoppen
199. Flacourtiaceae.
240b. Bloemen 5-, soms 6-tallig. Lianen;
bladeren meest zeer ruw. Vruchtbeginsel met 1 rij van zaadknoppen
180. Dilleniaceae.
241a. Kelk bekervormig met zeer korte slippen.
Helmdraden onderling min of meer vergroeid. Bladeren met doorschijnende
puntjes (olieklieren). Plant vaak gedoornd 137. Rutaceae.
Page 75
241b. Kelk losbladig of vergroeidbladig, maar dan vrij diep ingesneden met
duidelijke slippen 242
242a. Planten met meest dichte stervormige haren bekleed. Bladeren
verspreid met steunbladeren, die soms spoedig afvallen. Meeldraden en
vruchtbeginsels soms op een zuil staand; òf een buitenkelk aanwezig, òf de
vruchten dicht behaard of met stekels bezet, òf geen van deze kenmerken
aanwezig, maar dan zijn de bladeren gezaagd en is de plant een kruid of een
kleine heester 174. Tiliaceae.
242b. Planten kaal of bijna kaal 243
243a. Meeldraden zeer talrijk, meer dan 20 244
243b. Meeldraden niet meer dan 20 245
244a. Bladeren verspreid. Bloemen alleenstaand in de bladoksels, 5-tallig,
de bloembladeren vóór de kelkbladeren staand. Vruchtbeginsel 2-, 3- of 4-
hokkig 186. Theaceae.
244b. Bladeren tegenoverstaand, of (alleen bij Caraipa) verspreid, maar dan
staan de bloemen niet alleen in de bladoksels 187. Guttiferae.
245a. Vruchtbeginsel 2-hokkig; meeldraden 18–20, in 2 rijen; staminodiën
niet aanwezig; kelk losbladig; kelkbladeren verlengd, 3–6, bloembladeren
3–6 182. Ochnaceae.
245b. Vruchtbeginsel 5-, zelden 4-hokkig; meeldraden 20, in één rij, vaak
met staminodiën ertusschen; helmknoppen soms behaard, meeldraden soms
ongelijk met 3 helmknoppen aan den top 133. Humiriaceae.
246a. Vruchtbeginsel geheel of half onderstandig; kelkbladeren 2;
meeldraden meer of minder dan 10. Kruidachtige planten
85. Portulacaceae.
246b. Kelkbladeren meer dan 2 of de kelk
vergroeidbladig 247
duidelijke slippen 242
242a. Planten met meest dichte stervormige haren bekleed. Bladeren
verspreid met steunbladeren, die soms spoedig afvallen. Meeldraden en
vruchtbeginsels soms op een zuil staand; òf een buitenkelk aanwezig, òf de
vruchten dicht behaard of met stekels bezet, òf geen van deze kenmerken
aanwezig, maar dan zijn de bladeren gezaagd en is de plant een kruid of een
kleine heester 174. Tiliaceae.
242b. Planten kaal of bijna kaal 243
243a. Meeldraden zeer talrijk, meer dan 20 244
243b. Meeldraden niet meer dan 20 245
244a. Bladeren verspreid. Bloemen alleenstaand in de bladoksels, 5-tallig,
de bloembladeren vóór de kelkbladeren staand. Vruchtbeginsel 2-, 3- of 4-
hokkig 186. Theaceae.
244b. Bladeren tegenoverstaand, of (alleen bij Caraipa) verspreid, maar dan
staan de bloemen niet alleen in de bladoksels 187. Guttiferae.
245a. Vruchtbeginsel 2-hokkig; meeldraden 18–20, in 2 rijen; staminodiën
niet aanwezig; kelk losbladig; kelkbladeren verlengd, 3–6, bloembladeren
3–6 182. Ochnaceae.
245b. Vruchtbeginsel 5-, zelden 4-hokkig; meeldraden 20, in één rij, vaak
met staminodiën ertusschen; helmknoppen soms behaard, meeldraden soms
ongelijk met 3 helmknoppen aan den top 133. Humiriaceae.
246a. Vruchtbeginsel geheel of half onderstandig; kelkbladeren 2;
meeldraden meer of minder dan 10. Kruidachtige planten
85. Portulacaceae.
246b. Kelkbladeren meer dan 2 of de kelk
vergroeidbladig 247
Page 76
247a. Bloemen klein, in een scherm, dat soms zeer sterk gedrongen is en de
vorm van een hoofdje heeft, 5-tallig, met 2 korte stijlen of stempels
228. Umbelliferae.
247b. Bloemen niet in een zoodanig scherm
248
248a. Meeldraden niet meer dan 10, dubbel zooveel als
bloembladeren (soms 6-tallig, 12 meeldraden) 249
248b. Meeldraden meer dan 10; meest zeer talrijk 252
249a. Kruidachtige planten met verspreide bladeren, meest 4-tallige (soms
5- of 6-tallige) gele bloemen, en 8 (10 of 12) meeldraden. Vruchtbeginsel 4-
hokkig, meest vrij lang 224. Oenotheraceae.
249b. Boomen of heesters, zelden kruiden, maar dan de helmknoppen
eigenaardig van vorm, meest met aanhangsels 250
250a. Mangrove-boomen met luchtwortels; bloeias napvormig met een
schijf. Bloemen 4-tallig, meeldraden 8, bladeren verspreid
220. Rhizophoraceae.
250b. Geen luchtwortels aanwezig; schijf
ontbrekend 251
251a. Vruchtbeginsel éénhokkig; helmknoppen, zonder bijzondere
aanhangselen, ongespoord. Bloemen meest in veelbloemige trossen of aren.
Vrucht vaak gevleugeld 221. Combretaceae.
251b. Vruchtbeginsel meerhokkig; helmknoppen met een verdikt
helmbindsel dat vaak nog verschillende aanhangselen draagt; bladeren
meest met eenige evenwijdige nerven van de basis naar den top. Bladeren
tegenoverstaand 223. Melastomataceae.
252a. Bladeren verspreid. Meeldraden met een eenzijdig aanhangsel,
zoodat de bloem zygomorf schijnt, soms dit aanhangsel ontbrekend, maar
dan zijn de bloemen zeer groot en de meeldraden tot een buis vergroeid
219. Lecythidaceae.
252b. Bladeren tegenoverstaand
vorm van een hoofdje heeft, 5-tallig, met 2 korte stijlen of stempels
228. Umbelliferae.
247b. Bloemen niet in een zoodanig scherm
248
248a. Meeldraden niet meer dan 10, dubbel zooveel als
bloembladeren (soms 6-tallig, 12 meeldraden) 249
248b. Meeldraden meer dan 10; meest zeer talrijk 252
249a. Kruidachtige planten met verspreide bladeren, meest 4-tallige (soms
5- of 6-tallige) gele bloemen, en 8 (10 of 12) meeldraden. Vruchtbeginsel 4-
hokkig, meest vrij lang 224. Oenotheraceae.
249b. Boomen of heesters, zelden kruiden, maar dan de helmknoppen
eigenaardig van vorm, meest met aanhangsels 250
250a. Mangrove-boomen met luchtwortels; bloeias napvormig met een
schijf. Bloemen 4-tallig, meeldraden 8, bladeren verspreid
220. Rhizophoraceae.
250b. Geen luchtwortels aanwezig; schijf
ontbrekend 251
251a. Vruchtbeginsel éénhokkig; helmknoppen, zonder bijzondere
aanhangselen, ongespoord. Bloemen meest in veelbloemige trossen of aren.
Vrucht vaak gevleugeld 221. Combretaceae.
251b. Vruchtbeginsel meerhokkig; helmknoppen met een verdikt
helmbindsel dat vaak nog verschillende aanhangselen draagt; bladeren
meest met eenige evenwijdige nerven van de basis naar den top. Bladeren
tegenoverstaand 223. Melastomataceae.
252a. Bladeren verspreid. Meeldraden met een eenzijdig aanhangsel,
zoodat de bloem zygomorf schijnt, soms dit aanhangsel ontbrekend, maar
dan zijn de bloemen zeer groot en de meeldraden tot een buis vergroeid
219. Lecythidaceae.
252b. Bladeren tegenoverstaand
Page 77
253a. Heesters met smalle blaadjes en groote roode 5- tot 8-tallige 253
bloemen. Bladeren zonder doorschijnende olieklieren 218. Punicaceae.
253b. Bloemen 4- of 5-tallig, vrij klein, niet vuurrood, bladeren met
doorschijnende olieklieren 222. Myrtaceae.
253c. Bloeias klokvormig met een veellobbige schijf. Meeldraden 15–30;
bloembladeren sterk ingesneden. Geen olieklieren in de bladeren
220. Rhizophoraceae.
254a. Meerdere vrije vruchtbeginsels in iedere
bloem, ieder met één stijl of een stempel 255
254b. Slechts één vruchtbeginsel in iedere bloem 256
255a. Bloemen 4-tallig, bloemkroon een wijde buis vormend: meeldraden
8; vruchtbeginsels 4 115. Crassulaceae.
255b. Bloemen 3-tallig, met 6 bloembladeren en een 3-bladige kelk.
Meeldraden talrijk 98. Anonaceae.
256a. Vruchtbeginsel onderstandig of halfonderstandig 257
256b. Vruchtbeginsel bovenstandig 261
257a. Bloemen in hoofdjes en door een gemeenschappelijk omwindsel
omgeven. Vruchtbeginsel 1-hokkig met 1 zaadknop; helmknoppen met
elkaar vergroeid; bladeren tegenoverstaand of verspreid
280. Compositae.
257b. Bloemen niet in hoofdjes of als ze in hoofdjes
staan, dan is het vruchtbeginsel meerhokkig, en zijn de helmknoppen niet
vergroeid en zijn de bladeren steeds tegenoverstaand 258
258a. Meeldraden met de helmknoppen aan elkaar verbonden 259
258b. Meeldraden geheel vrij van elkaar 260
259a. Meeldraden 4; helmknoppen kruisgewijs verbonden; kelk 5-deelig;
bloemkroon met 5 slippen. Bladeren tegenoverstaand
bloemen. Bladeren zonder doorschijnende olieklieren 218. Punicaceae.
253b. Bloemen 4- of 5-tallig, vrij klein, niet vuurrood, bladeren met
doorschijnende olieklieren 222. Myrtaceae.
253c. Bloeias klokvormig met een veellobbige schijf. Meeldraden 15–30;
bloembladeren sterk ingesneden. Geen olieklieren in de bladeren
220. Rhizophoraceae.
254a. Meerdere vrije vruchtbeginsels in iedere
bloem, ieder met één stijl of een stempel 255
254b. Slechts één vruchtbeginsel in iedere bloem 256
255a. Bloemen 4-tallig, bloemkroon een wijde buis vormend: meeldraden
8; vruchtbeginsels 4 115. Crassulaceae.
255b. Bloemen 3-tallig, met 6 bloembladeren en een 3-bladige kelk.
Meeldraden talrijk 98. Anonaceae.
256a. Vruchtbeginsel onderstandig of halfonderstandig 257
256b. Vruchtbeginsel bovenstandig 261
257a. Bloemen in hoofdjes en door een gemeenschappelijk omwindsel
omgeven. Vruchtbeginsel 1-hokkig met 1 zaadknop; helmknoppen met
elkaar vergroeid; bladeren tegenoverstaand of verspreid
280. Compositae.
257b. Bloemen niet in hoofdjes of als ze in hoofdjes
staan, dan is het vruchtbeginsel meerhokkig, en zijn de helmknoppen niet
vergroeid en zijn de bladeren steeds tegenoverstaand 258
258a. Meeldraden met de helmknoppen aan elkaar verbonden 259
258b. Meeldraden geheel vrij van elkaar 260
259a. Meeldraden 4; helmknoppen kruisgewijs verbonden; kelk 5-deelig;
bloemkroon met 5 slippen. Bladeren tegenoverstaand
Page 78
259b. Meeldraden 5; helmknoppen in een ring den 262. Gesneriaceae.
stijl omvattend. Bladeren verspreid 276. Campanulaceae.
260a. Vruchtbeginsel geribd, meest met klierharen bezet; eenhokkig;
meeldraden 1–5; steunbladeren ontbrekend (in werkelijkheid is de z.g. kelk
een krans van schutblaadjes; de z.g. bloemkroon een bloemdek en het
vruchtbeginsel bovenstandig, doch schijnbaar onderstandig, omdat het
bloemdek zich boven het vruchtbeginsel vernauwt en het dus schijnt alsof
het bloemdek op het vruchtbeginsel zit) 80. Nyctaginaceae.
260b. Vruchtbeginsel meerhokkig; meeldraden evenveel als
bloemkroonslippen en ermee afwisselend; bladeren tegenoverstaand met
steunbladeren, die meest tusschen elk bladpaar vergroeid zijn
270. Rubiaceae.
260c. Meeldraden talrijk, in meerdere kransen, min of
meer met de bloemkroon vergroeid; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met 2–4
zaadknoppen in ieder hokje 242. Symplocaceae.
261a. Bloemen in schermen, en dan met honingbekers in het scherm
geplaatst of in trossen, en dan een gespoorde of ongespoorde honingbeker
aan elke bloemsteel. Meeldraden 5 tot vele 184. Marcgraviaceae.
261b. Geen honingbekers aanwezig 262
262a. Bloemen mannelijk of tweeslachtig 263
262b. Bloemen alleen vrouwelijk 275
263a. Meeldraden evenveel als kroonslippen en er tegenover staand of
meer 264
263b. Meeldraden evenveel als kroonslippen en ermee afwisselend of
minder 277
264a. Bloemen zygomorf; kelk en bloemkroon 5-tallig, met elkaar en met
de meeldraden tot een buis vergroeid; meeldraden 8 in 2 bundels
145. Polygalaceae.
stijl omvattend. Bladeren verspreid 276. Campanulaceae.
260a. Vruchtbeginsel geribd, meest met klierharen bezet; eenhokkig;
meeldraden 1–5; steunbladeren ontbrekend (in werkelijkheid is de z.g. kelk
een krans van schutblaadjes; de z.g. bloemkroon een bloemdek en het
vruchtbeginsel bovenstandig, doch schijnbaar onderstandig, omdat het
bloemdek zich boven het vruchtbeginsel vernauwt en het dus schijnt alsof
het bloemdek op het vruchtbeginsel zit) 80. Nyctaginaceae.
260b. Vruchtbeginsel meerhokkig; meeldraden evenveel als
bloemkroonslippen en ermee afwisselend; bladeren tegenoverstaand met
steunbladeren, die meest tusschen elk bladpaar vergroeid zijn
270. Rubiaceae.
260c. Meeldraden talrijk, in meerdere kransen, min of
meer met de bloemkroon vergroeid; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met 2–4
zaadknoppen in ieder hokje 242. Symplocaceae.
261a. Bloemen in schermen, en dan met honingbekers in het scherm
geplaatst of in trossen, en dan een gespoorde of ongespoorde honingbeker
aan elke bloemsteel. Meeldraden 5 tot vele 184. Marcgraviaceae.
261b. Geen honingbekers aanwezig 262
262a. Bloemen mannelijk of tweeslachtig 263
262b. Bloemen alleen vrouwelijk 275
263a. Meeldraden evenveel als kroonslippen en er tegenover staand of
meer 264
263b. Meeldraden evenveel als kroonslippen en ermee afwisselend of
minder 277
264a. Bloemen zygomorf; kelk en bloemkroon 5-tallig, met elkaar en met
de meeldraden tot een buis vergroeid; meeldraden 8 in 2 bundels
145. Polygalaceae.
Page 79
264b. Bloemen regelmatig 265
265a. Meeldraden dubbel zooveel als bloemkroonslippen of nog meer
266
265b. Meeldraden evenveel als bloemkroonslippen
271
266a. Behalve de meeldraden ook nog één of meer kransen van
staminodiën voorhanden; planten meest met melksap; bladeren verspreid
239. Sapotaceae.
266b. Geen staminodiën aanwezig
267
267a. Bloemen alleen met meeldraden
268
267b. Bloemen met meeldraden en een vruchtbeginsel
269
268a. Boomen met week hout en handlobbige bladeren;
meeldraden 10, in twee kransen, in de min of meer klokvormige
bloemkroon ingehecht 205. Caricaceae.
268b. Meeldraden 8 tot vele, niet op den bloemkroon ingeplant. Bladeren
niet ingesneden; bloeiwijzen vaak uit de stam of uit de oude takken te
voorschijn komend 240. Ebenaceae.
269a. Meeldraden meer dan het dubbele aantal der kroonslippen; bloemen
5-tallig, vruchtbeginsel 2–5-hokkig 242. Symplocaceae.
269b. Meeldraden hoogstens 10 270
270a. Bloemkroon klokvormig; meeldraden met de kroonbuis vergroeid of
bloemkroon bijna losbladig, doch dan van binnen behaard
72. Olacaceae.
270b. Bloemkroon slechts weinig vergroeid,
meeldraden niet met den kroon vergroeid; vruchtbeginsel door een
ringvormige schijf omgeven 139. Burseraceae.
271a. Behalve de meeldraden ook staminodiën aanwezig 272
271b. Staminodiën ontbrekend 273
265a. Meeldraden dubbel zooveel als bloemkroonslippen of nog meer
266
265b. Meeldraden evenveel als bloemkroonslippen
271
266a. Behalve de meeldraden ook nog één of meer kransen van
staminodiën voorhanden; planten meest met melksap; bladeren verspreid
239. Sapotaceae.
266b. Geen staminodiën aanwezig
267
267a. Bloemen alleen met meeldraden
268
267b. Bloemen met meeldraden en een vruchtbeginsel
269
268a. Boomen met week hout en handlobbige bladeren;
meeldraden 10, in twee kransen, in de min of meer klokvormige
bloemkroon ingehecht 205. Caricaceae.
268b. Meeldraden 8 tot vele, niet op den bloemkroon ingeplant. Bladeren
niet ingesneden; bloeiwijzen vaak uit de stam of uit de oude takken te
voorschijn komend 240. Ebenaceae.
269a. Meeldraden meer dan het dubbele aantal der kroonslippen; bloemen
5-tallig, vruchtbeginsel 2–5-hokkig 242. Symplocaceae.
269b. Meeldraden hoogstens 10 270
270a. Bloemkroon klokvormig; meeldraden met de kroonbuis vergroeid of
bloemkroon bijna losbladig, doch dan van binnen behaard
72. Olacaceae.
270b. Bloemkroon slechts weinig vergroeid,
meeldraden niet met den kroon vergroeid; vruchtbeginsel door een
ringvormige schijf omgeven 139. Burseraceae.
271a. Behalve de meeldraden ook staminodiën aanwezig 272
271b. Staminodiën ontbrekend 273
Page 80
272a. Helmdraden met elkaar vergroeid; staminodiën met de bloemkroon-
slippen afwisselend. Bloemen meestal met een onontwikkeld
vruchtbeginsel. Kleine boomen met een groep bladeren aan den top van de
stam 235a. Theophrastaceae.
272b. Helmdraden niet met elkaar vergroeid. Bloemen geheel tweeslachtig.
Boomen met bebladerde takken 239. Sapotaceae.
273a. Kroonbuis lang met uitgebreide zoom; kelk met klierharen,
vruchtbeginsel éénhokkig 238. Plumbaginaceae.
273b. Kroonbuis zeer kort of bloemkroon klokvormig 274
274a. Vruchtbeginsel meerhokkig; bloemkroon meest klokvormig;
bladeren tenminste aan de onderzijde behaard; planten vaak met melksap
239. Sapotaceae.
274b. Kroonbuis zeer kort; vruchtbeginsel
eenhokkig; bladeren kaal; planten zonder melksap 236. Myrsinaceae.
275a. Bladeren handvormig ingesneden, planten met melksap; bloemkroon
bijna losbladig; stempels sterk ingesneden of meerdere stijlen
205. Caricaceae.
275b. Bladeren ongedeeld
276
276a. Vruchtbeginsel éénhokkig; boomen met lange bladeren, die
een kleine kroon aan den top van den stam vormen. Staminodiën aanwezig
235a. Theophrastaceae.
276b. Vruchtbeginsel 4- tot meerhokkig;
staminodiën meestal ontbrekend 240. Ebenaceae.
277a. Bloemen blauw, regelmatig met 5 meeldraden; stijlen 2, geheel vrij;
vruchtbeginsel 2-hokkig; planten meest gedoornd, op vochtige plaatsen of
in het water groeiend 251. Hydrophyllaceae.
277b. Stijlen min of meer met elkaar vergroeid; planten niet gedoornd of,
als ze gedoornd zijn, dan de bloemen niet regelmatig-5-tallig 278
slippen afwisselend. Bloemen meestal met een onontwikkeld
vruchtbeginsel. Kleine boomen met een groep bladeren aan den top van de
stam 235a. Theophrastaceae.
272b. Helmdraden niet met elkaar vergroeid. Bloemen geheel tweeslachtig.
Boomen met bebladerde takken 239. Sapotaceae.
273a. Kroonbuis lang met uitgebreide zoom; kelk met klierharen,
vruchtbeginsel éénhokkig 238. Plumbaginaceae.
273b. Kroonbuis zeer kort of bloemkroon klokvormig 274
274a. Vruchtbeginsel meerhokkig; bloemkroon meest klokvormig;
bladeren tenminste aan de onderzijde behaard; planten vaak met melksap
239. Sapotaceae.
274b. Kroonbuis zeer kort; vruchtbeginsel
eenhokkig; bladeren kaal; planten zonder melksap 236. Myrsinaceae.
275a. Bladeren handvormig ingesneden, planten met melksap; bloemkroon
bijna losbladig; stempels sterk ingesneden of meerdere stijlen
205. Caricaceae.
275b. Bladeren ongedeeld
276
276a. Vruchtbeginsel éénhokkig; boomen met lange bladeren, die
een kleine kroon aan den top van den stam vormen. Staminodiën aanwezig
235a. Theophrastaceae.
276b. Vruchtbeginsel 4- tot meerhokkig;
staminodiën meestal ontbrekend 240. Ebenaceae.
277a. Bloemen blauw, regelmatig met 5 meeldraden; stijlen 2, geheel vrij;
vruchtbeginsel 2-hokkig; planten meest gedoornd, op vochtige plaatsen of
in het water groeiend 251. Hydrophyllaceae.
277b. Stijlen min of meer met elkaar vergroeid; planten niet gedoornd of,
als ze gedoornd zijn, dan de bloemen niet regelmatig-5-tallig 278
Page 81
278a. Vruchtbare meeldraden minder dan kroonslippen, daarbij de bloem
meest zygomorf 279
278b. Vruchtbare meeldraden evenveel als kroonslippen; bloemen
regelmatig 289
279a. Bloemen geheel regelmatig, 4- of 5-tallig; meeldraden 2, in de
kroonbuis ingehecht; bladeren tegenoverstaand 243. Oleaceae.
279b. Meeldraden 4, of 2, in het laatste geval de bloem duidelijk zygomorf
280
280a. Vruchtbeginsel éénhokkig, soms door naar binnen
inspringende zaadlijsten bijna 2-hokkig, maar dan zijn òf de helmknoppen
verbonden met elkaar en de planten kruiden òf er is achter in de bloem een
staminodium aanwezig 281
280b. Vruchtbeginsel duidelijk 2-meerhokkig 283
281a. Vruchtbeginsel met één vrije centrale zaaddrager; kruiden met een 2-
lippige bloemkroon en 2 meeldraden, die onder in de kroon bevestigd zijn
264. Lentibulariaceae.
281b. Vruchtbeginsel met 2 wandstandige
zaadlijsten 282
282a. Kleine boomen of houtige planten die met wortels klimmen;
helmknoppen niet met elkaar verbonden; vruchtbeginsel soms tendeele 2-
hokkig; schijf zeer kort 258. Bignoniaceae.
282b. Kruiden of heesters, de helmknoppen vergroeid of samenhangend,
zelden vrij van elkaar, maar dan is de plant kruidachtig en is er een
éénzijdige schubvormige schijf aanwezig 262. Gesneriaceae.
283a. Bloemkroon duidelijk 2-lippig, meeldraden 4, 2 lange en 2 korte.
Vruchtbeginsel diep 4-deelig in 4 éénzadige stukken uiteenvallend
254. Labiatae.
283b. Bloemkroon meest niet duidelijk 2-lippig en in
ieder geval het vruchtbeginsel niet diep vierdeelig 284
meest zygomorf 279
278b. Vruchtbare meeldraden evenveel als kroonslippen; bloemen
regelmatig 289
279a. Bloemen geheel regelmatig, 4- of 5-tallig; meeldraden 2, in de
kroonbuis ingehecht; bladeren tegenoverstaand 243. Oleaceae.
279b. Meeldraden 4, of 2, in het laatste geval de bloem duidelijk zygomorf
280
280a. Vruchtbeginsel éénhokkig, soms door naar binnen
inspringende zaadlijsten bijna 2-hokkig, maar dan zijn òf de helmknoppen
verbonden met elkaar en de planten kruiden òf er is achter in de bloem een
staminodium aanwezig 281
280b. Vruchtbeginsel duidelijk 2-meerhokkig 283
281a. Vruchtbeginsel met één vrije centrale zaaddrager; kruiden met een 2-
lippige bloemkroon en 2 meeldraden, die onder in de kroon bevestigd zijn
264. Lentibulariaceae.
281b. Vruchtbeginsel met 2 wandstandige
zaadlijsten 282
282a. Kleine boomen of houtige planten die met wortels klimmen;
helmknoppen niet met elkaar verbonden; vruchtbeginsel soms tendeele 2-
hokkig; schijf zeer kort 258. Bignoniaceae.
282b. Kruiden of heesters, de helmknoppen vergroeid of samenhangend,
zelden vrij van elkaar, maar dan is de plant kruidachtig en is er een
éénzijdige schubvormige schijf aanwezig 262. Gesneriaceae.
283a. Bloemkroon duidelijk 2-lippig, meeldraden 4, 2 lange en 2 korte.
Vruchtbeginsel diep 4-deelig in 4 éénzadige stukken uiteenvallend
254. Labiatae.
283b. Bloemkroon meest niet duidelijk 2-lippig en in
ieder geval het vruchtbeginsel niet diep vierdeelig 284
Page 82
284a. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 1 of 2 zaadknoppen in ieder hokje; in
het laatste geval de twee zaadknoppen naast elkaar zittend en de vrucht niet
openspringend. Kruiden, heesters of boomen, meest met tegenoverstaande
bladeren 253. Verbenaceae.
284b. Meer dan 2 zaadknoppen in ieder hokje van het vruchtbeginsel,
zelden (sommige Acanthaceae), slechts 2 zaadknoppen, maar dan zitten
deze boven elkaar 285
285a. Kruiden met afwisselende bladeren, en een 4-hokkig vruchtbeginsel;
in elk hokje één rij van zaadknoppen boven elkaar; meeldraden 4; een klein
staminodium aanwezig; bloemen in de bladoksels 259. Pedaliaceae.
285b. Vruchtbeginsel 2-hokkig 286
286a. Bladeren tegenoverstaand 287
286b. Bladeren verspreid 288
287a. Vrucht meest een doosvrucht, die met 2 kleppen hokverbrekend
openspringt: zaden bevestigd aan de min of meer haakvormige verharde
zaadsteelen; soms is de vrucht anders gevormd (niet openspringend of
zaadsteelen ontbrekend) maar dan is òf de kroon in den knop gedraaid en de
kelk min of meer gaafrandig, òf de stempel 2-lobbig en de kelk diep 5-
deelig met een grootere slip. Meeldraden 2, en dan soms met nog 2
staminodiën, of 4 meeldraden, in de kroon bevestigd
266. Acanthaceae.
287b. Geen haken in de vrucht aanwezig;
kroonslippen in den knop over elkaar liggend, niet gedraaid. Stempel meest
ongedeeld 257. Scrophulariaceae.
288a. Boomen of kruiden; in het eerste geval de bloemkroon lang-
buisvormig met een bijna regelmatige uitgebreide 5-tallige zoom en 2-
machtige meeldraden; in het tweede geval tusschen de 5 kroonslippen nog 5
zeer kleine, ermee afwisselende slippen en kroonslippen zeer kort in
vergelijking met de buis. Vrucht een bes of een doosvrucht
256. Solanaceae.
het laatste geval de twee zaadknoppen naast elkaar zittend en de vrucht niet
openspringend. Kruiden, heesters of boomen, meest met tegenoverstaande
bladeren 253. Verbenaceae.
284b. Meer dan 2 zaadknoppen in ieder hokje van het vruchtbeginsel,
zelden (sommige Acanthaceae), slechts 2 zaadknoppen, maar dan zitten
deze boven elkaar 285
285a. Kruiden met afwisselende bladeren, en een 4-hokkig vruchtbeginsel;
in elk hokje één rij van zaadknoppen boven elkaar; meeldraden 4; een klein
staminodium aanwezig; bloemen in de bladoksels 259. Pedaliaceae.
285b. Vruchtbeginsel 2-hokkig 286
286a. Bladeren tegenoverstaand 287
286b. Bladeren verspreid 288
287a. Vrucht meest een doosvrucht, die met 2 kleppen hokverbrekend
openspringt: zaden bevestigd aan de min of meer haakvormige verharde
zaadsteelen; soms is de vrucht anders gevormd (niet openspringend of
zaadsteelen ontbrekend) maar dan is òf de kroon in den knop gedraaid en de
kelk min of meer gaafrandig, òf de stempel 2-lobbig en de kelk diep 5-
deelig met een grootere slip. Meeldraden 2, en dan soms met nog 2
staminodiën, of 4 meeldraden, in de kroon bevestigd
266. Acanthaceae.
287b. Geen haken in de vrucht aanwezig;
kroonslippen in den knop over elkaar liggend, niet gedraaid. Stempel meest
ongedeeld 257. Scrophulariaceae.
288a. Boomen of kruiden; in het eerste geval de bloemkroon lang-
buisvormig met een bijna regelmatige uitgebreide 5-tallige zoom en 2-
machtige meeldraden; in het tweede geval tusschen de 5 kroonslippen nog 5
zeer kleine, ermee afwisselende slippen en kroonslippen zeer kort in
vergelijking met de buis. Vrucht een bes of een doosvrucht
256. Solanaceae.
Page 83
288b. Kruiden of heesters; meeldraden 2 of 4, of 2 ervan staminodiën
257. Scrophulariaceae.
289a. Bladeren in een wortelroset; kruiden
met 4-tallige, min of meer vliezige en groene bloemen in dichte aren
269. Plantaginaceae.
289b. Bladeren tegenoverstaand
290
289c. Bladeren verspreid
296
290a. Bloemkroon 8–10-slippig met 8–10 zittende helmknoppen;
kelk 4-tallig; bladeren zeer groot 245. Loganiaceae.
290b. Bloemen 4- of 5-tallig 291
291a. Kelk kort 5-deelig; bloemkroon met een korte buis en 4 bijna gelijke,
afgeronde slippen, en 4 meeldraden, van binnen behaard; boomen of
heesters; mangroveplanten 253. Verbenaceae.
291b. Kelk en bloemkroon beide 4- of 5-tallig of kruiden; geen
mangroveplanten 292
292a. Kruidachtige planten met een éénhokkig, zeer zelden door
inspringende zaadlijsten 2-hokkig vruchtbeginsel; steunbladeren niet
aanwezig 246. Gentianaceae.
292b. Vruchtbeginsel 2-hokkig, zeer zelden éénhokkig, maar dan zijn de
planten boomen of lianen 293
293a. Kroonslippen in den knop met de randen tegen elkaar liggend, zeer
zelden gedraaid of met de randen over elkaar liggend, maar dan is de stijl
dubbel-2-deelig en de plant een heester òf een kruid met kleine 4-tallige
bloemen en meeldraden met gescheiden helmknoppen 294
293b. Kroonslippen in den knop met de randen over elkaar liggend en
gedraaid 295
294a. Bladeren smal, tegenoverstaand of in kransen; kroon klein, met korte
buis, 4-tallig, bijna stervormig, wit; sterk vertakte kruiden
257. Scrophulariaceae.
289a. Bladeren in een wortelroset; kruiden
met 4-tallige, min of meer vliezige en groene bloemen in dichte aren
269. Plantaginaceae.
289b. Bladeren tegenoverstaand
290
289c. Bladeren verspreid
296
290a. Bloemkroon 8–10-slippig met 8–10 zittende helmknoppen;
kelk 4-tallig; bladeren zeer groot 245. Loganiaceae.
290b. Bloemen 4- of 5-tallig 291
291a. Kelk kort 5-deelig; bloemkroon met een korte buis en 4 bijna gelijke,
afgeronde slippen, en 4 meeldraden, van binnen behaard; boomen of
heesters; mangroveplanten 253. Verbenaceae.
291b. Kelk en bloemkroon beide 4- of 5-tallig of kruiden; geen
mangroveplanten 292
292a. Kruidachtige planten met een éénhokkig, zeer zelden door
inspringende zaadlijsten 2-hokkig vruchtbeginsel; steunbladeren niet
aanwezig 246. Gentianaceae.
292b. Vruchtbeginsel 2-hokkig, zeer zelden éénhokkig, maar dan zijn de
planten boomen of lianen 293
293a. Kroonslippen in den knop met de randen tegen elkaar liggend, zeer
zelden gedraaid of met de randen over elkaar liggend, maar dan is de stijl
dubbel-2-deelig en de plant een heester òf een kruid met kleine 4-tallige
bloemen en meeldraden met gescheiden helmknoppen 294
293b. Kroonslippen in den knop met de randen over elkaar liggend en
gedraaid 295
294a. Bladeren smal, tegenoverstaand of in kransen; kroon klein, met korte
buis, 4-tallig, bijna stervormig, wit; sterk vertakte kruiden
Page 84
294b. Heesters met steunbladeren3 òf kruiden 257. Scrophulariaceae.
in het laatste geval de bloemen in trossen uit een krans van 4 bladeren aan
het eind van den stengel te voorschijn komend 245. Loganiaceae.
295a. Stijlen 2, tot aan den stempel gescheiden; stempelrand met 5
klierachtige aanhangselen, waaraan het tot massa’s verkleefde stuifmeel
blijft hangen; stempel schildvormig verbreed; vruchtbeginsels gescheiden;
bloemen 5-tallig, meest in den kroonbuis verschillende aanhangselen
aanwezig 248. Asclepiadaceae.
295b. Stijlen 1 of 2, in het laatste geval van boven vergroeid; stempel één,
op verschillende wijze verdikt, meest met een behaarde ring, van boven
spits; meeldraden meest met elkaar en met den stempel vergroeid;
vruchtbeginsels 2, van elkaar gescheiden of één, en dan 1- of 2-hokkig
247. Apocynaceae.
296a. Vruchtbeginsel 2-hokkig met meerdere
zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een bes of een doosvrucht; stijl één met
een 2-lobbige stempel 256. Solanaceae.
296b. Vruchtbeginsel 2-, 3- of 4-hokkig, met meest 4, soms 6 zaadknoppen
in het geheele vruchtbeginsel 297
297a. Stijl min of meer diep 2-spletig tot 2-deelig; kelkslippen vaak
ongelijk van vorm en grootte; bloemen groot of vrij groot (omstreeks 1 cM.
lang of meer) sterk gekleurd; vrucht doosvruchtachtig; planten meest
klimmend of kruipend, vaak kruiden, soms lianen
249. Convolvulaceae.
297b. Stijl 2-spletig en dan elk van de takken
nog eens gedeeld, of stijl dicht onder den top voorzien van een behaarde
ring. Bloemen meest in lange eenzijdige aren; vrucht een steenvrucht met 1,
2 of 4 pitten òf in vier eenzadige stukken uiteenvallend
252. Borraginaceae.
1 Hiertoe behooren alle Eenzaadlobbige planten (Monocotylen) behalve de Dioscoreaceae, enkele
Burmanniaceae en enkele Orchidaceae, die verder in de tabel zijn opgenomen, benevens de
Butomaceae, Hydrocharitaceae, Palmae, Cyclanthaceae, Araceae, Lemnaceae, enkele Eriocaulaceae,
enkele Pontederiaceae, en enkele Liliaceae, die reeds vroeger in de tabel behandeld zijn. ↑
in het laatste geval de bloemen in trossen uit een krans van 4 bladeren aan
het eind van den stengel te voorschijn komend 245. Loganiaceae.
295a. Stijlen 2, tot aan den stempel gescheiden; stempelrand met 5
klierachtige aanhangselen, waaraan het tot massa’s verkleefde stuifmeel
blijft hangen; stempel schildvormig verbreed; vruchtbeginsels gescheiden;
bloemen 5-tallig, meest in den kroonbuis verschillende aanhangselen
aanwezig 248. Asclepiadaceae.
295b. Stijlen 1 of 2, in het laatste geval van boven vergroeid; stempel één,
op verschillende wijze verdikt, meest met een behaarde ring, van boven
spits; meeldraden meest met elkaar en met den stempel vergroeid;
vruchtbeginsels 2, van elkaar gescheiden of één, en dan 1- of 2-hokkig
247. Apocynaceae.
296a. Vruchtbeginsel 2-hokkig met meerdere
zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een bes of een doosvrucht; stijl één met
een 2-lobbige stempel 256. Solanaceae.
296b. Vruchtbeginsel 2-, 3- of 4-hokkig, met meest 4, soms 6 zaadknoppen
in het geheele vruchtbeginsel 297
297a. Stijl min of meer diep 2-spletig tot 2-deelig; kelkslippen vaak
ongelijk van vorm en grootte; bloemen groot of vrij groot (omstreeks 1 cM.
lang of meer) sterk gekleurd; vrucht doosvruchtachtig; planten meest
klimmend of kruipend, vaak kruiden, soms lianen
249. Convolvulaceae.
297b. Stijl 2-spletig en dan elk van de takken
nog eens gedeeld, of stijl dicht onder den top voorzien van een behaarde
ring. Bloemen meest in lange eenzijdige aren; vrucht een steenvrucht met 1,
2 of 4 pitten òf in vier eenzadige stukken uiteenvallend
252. Borraginaceae.
1 Hiertoe behooren alle Eenzaadlobbige planten (Monocotylen) behalve de Dioscoreaceae, enkele
Burmanniaceae en enkele Orchidaceae, die verder in de tabel zijn opgenomen, benevens de
Butomaceae, Hydrocharitaceae, Palmae, Cyclanthaceae, Araceae, Lemnaceae, enkele Eriocaulaceae,
enkele Pontederiaceae, en enkele Liliaceae, die reeds vroeger in de tabel behandeld zijn. ↑
Page 85
2 Hiertoe ook eenige Euphorbiaceae, die echter te herkennen zijn òf aan de aanwezigheid van
steunbladeren, òf van melksap, òf van vrouwelijke bloemen op dezelfde plant; deze vrouwelijke
bloemen hebben dan een bovenstandig, 3-hokkig vruchtbeginsel met 3 stijlen of stempels. ↑
3 Hiertoe behoort ook het Rubiaceeën-geslacht Pagamea, dat door zijn bovenstandig
vruchtbeginsel geheel met de Loganiaceeën overeenstemt, doch in habitus en anatomische
kenmerken meer overeenkomst met de Rubiaceae vertoont en daarom ook tot die laatste familie
gebracht wordt. ↑
steunbladeren, òf van melksap, òf van vrouwelijke bloemen op dezelfde plant; deze vrouwelijke
bloemen hebben dan een bovenstandig, 3-hokkig vruchtbeginsel met 3 stijlen of stempels. ↑
3 Hiertoe behoort ook het Rubiaceeën-geslacht Pagamea, dat door zijn bovenstandig
vruchtbeginsel geheel met de Loganiaceeën overeenstemt, doch in habitus en anatomische
kenmerken meer overeenkomst met de Rubiaceae vertoont en daarom ook tot die laatste familie
gebracht wordt. ↑
Page 86
Page 87
I. Hymenophyllaceae.
Sorus steeds randstandig aan het eind van een bladnerf, die zich buiten het blad voortzet;
sporangiën zittend of kortgesteeld; ring niet onderbroken, vertikaal of scheef; bladeren
meest slechts één cellaag dik, bijna gaafrandig of op verschillende wijzen ingesneden tot
gevind of meervoudig gevind.
1a. Het indusium is beker- of buisvormig met afgeknotte zoom
Trichomanes.
1b. Het indusium bestaat aan den rand uit 2 kleppen
Hymenophyllum.
Sorus steeds randstandig aan het eind van een bladnerf, die zich buiten het blad voortzet;
sporangiën zittend of kortgesteeld; ring niet onderbroken, vertikaal of scheef; bladeren
meest slechts één cellaag dik, bijna gaafrandig of op verschillende wijzen ingesneden tot
gevind of meervoudig gevind.
1a. Het indusium is beker- of buisvormig met afgeknotte zoom
Trichomanes.
1b. Het indusium bestaat aan den rand uit 2 kleppen
Hymenophyllum.
Page 88
Page 89
II. Cyatheaceae.
Sori bolvormig, op de onderzijde of aan het eind van een nerf; sporangiën talrijk, vaak
dicht-gedrongen staand, zittend of gesteeld, omgekeerd eirond met niet-onderbroken,
eenigszins scheeve ring, die bijna vertikaal staat; indusium aanwezig of ontbrekend; indien
aanwezig, dan onderstandig; planten meest met een hoogen stam, gewoonlijk boomachtig
met meest meervoudig samengestelde, vaak zeer groote bladeren.
1a. Indusium bolvormig, in het begin gesloten en de sorus geheel
insluitend, later schotelvormig, of onregelmatig openspringend. Duidelijke
stammen aanwezig, met groote driemaal gevinde bladeren en meest
gestekelde en beschubde bladsteelen; sori in één rij Cyathea.
1b. Indusium klein, schubvormig, naar buiten (d.i. naar den bladrand)
opengaand, in de jeugd de sorus nooit geheel bedekkend. Stammen soms
niet aanwezig. Bladeren groot, meest met stekels en schubben op de
bladsteel, éénmaal tot driemaal gevind. Sori in één rij Hemitelia.
1c. Indusium ontbrekend; stammen meest groot. Bladeren groot, vaak met
stekels en schubben op de bladsteel, éénmaal tot viermaal gevind. Sori
meest in één rij Alsophila.
Sori bolvormig, op de onderzijde of aan het eind van een nerf; sporangiën talrijk, vaak
dicht-gedrongen staand, zittend of gesteeld, omgekeerd eirond met niet-onderbroken,
eenigszins scheeve ring, die bijna vertikaal staat; indusium aanwezig of ontbrekend; indien
aanwezig, dan onderstandig; planten meest met een hoogen stam, gewoonlijk boomachtig
met meest meervoudig samengestelde, vaak zeer groote bladeren.
1a. Indusium bolvormig, in het begin gesloten en de sorus geheel
insluitend, later schotelvormig, of onregelmatig openspringend. Duidelijke
stammen aanwezig, met groote driemaal gevinde bladeren en meest
gestekelde en beschubde bladsteelen; sori in één rij Cyathea.
1b. Indusium klein, schubvormig, naar buiten (d.i. naar den bladrand)
opengaand, in de jeugd de sorus nooit geheel bedekkend. Stammen soms
niet aanwezig. Bladeren groot, meest met stekels en schubben op de
bladsteel, éénmaal tot driemaal gevind. Sori in één rij Hemitelia.
1c. Indusium ontbrekend; stammen meest groot. Bladeren groot, vaak met
stekels en schubben op de bladsteel, éénmaal tot viermaal gevind. Sori
meest in één rij Alsophila.
Page 90
Page 91
III. Polypodiaceae.
Sori zelden randstandig, meest op de onderzijde van het blad op den rug, aan het einde of
aan de zijde van een nerf; soms ook tusschen de nerf staande; naakt of bedekt door een
verschillend gevormd indusium dat soms bestaat uit de omgeslagen bladrand. Sporangiën
meestal langgesteeld; ring vertikaal staand, onderbroken. Bladeren zeer verschillend van
vorm en textuur.
1a. Indusium aanwezig, soms bij rijpe sporangiën afgevallen, maar dan bij
jonge sporangiën steeds te vinden 2
1b. Indusium steeds ontbrekend 5
2a. Indusium rond, niervormig of langwerpig, in het midden of (bij de
niervormige indusiën) aan den rand vastgehecht, doch steeds met de randen
vrij van het blad en rondom openspringend 9
2b. Indusium langwerpig of lijnvormig, zelden rond, steeds aan één zijde
open, aan de andere zijde dicht 3
3a. Indusium randstandig, uit den omgeslagen bladrand, of een deel van
den bladrand gevormd en naar binnen opengaand 17
3b. Indusium niet randstandig of randstandig, in het laatste geval naar
buiten opengaand en het indusium dus niet uit de bladrand gevormd 4
4a. Sori òf rond en alleenstaand op het eind van de aderen, òf langwerpig
tot lijnvormig en de toppen van twee of meer aderen verbindend. Indusium
naar buiten opengaand 15
4b. Sori lijnvormig, evenwijdig loopend met de hoofdnerf van de
segmenten van de laatste orde. Indusiën naar binnen opengaand. Bladeren
enkelvoudig, of éénmaal of tweemaal gevind, in het laatste geval de
bladsteelen klimmend Blechnum.
Sori zelden randstandig, meest op de onderzijde van het blad op den rug, aan het einde of
aan de zijde van een nerf; soms ook tusschen de nerf staande; naakt of bedekt door een
verschillend gevormd indusium dat soms bestaat uit de omgeslagen bladrand. Sporangiën
meestal langgesteeld; ring vertikaal staand, onderbroken. Bladeren zeer verschillend van
vorm en textuur.
1a. Indusium aanwezig, soms bij rijpe sporangiën afgevallen, maar dan bij
jonge sporangiën steeds te vinden 2
1b. Indusium steeds ontbrekend 5
2a. Indusium rond, niervormig of langwerpig, in het midden of (bij de
niervormige indusiën) aan den rand vastgehecht, doch steeds met de randen
vrij van het blad en rondom openspringend 9
2b. Indusium langwerpig of lijnvormig, zelden rond, steeds aan één zijde
open, aan de andere zijde dicht 3
3a. Indusium randstandig, uit den omgeslagen bladrand, of een deel van
den bladrand gevormd en naar binnen opengaand 17
3b. Indusium niet randstandig of randstandig, in het laatste geval naar
buiten opengaand en het indusium dus niet uit de bladrand gevormd 4
4a. Sori òf rond en alleenstaand op het eind van de aderen, òf langwerpig
tot lijnvormig en de toppen van twee of meer aderen verbindend. Indusium
naar buiten opengaand 15
4b. Sori lijnvormig, evenwijdig loopend met de hoofdnerf van de
segmenten van de laatste orde. Indusiën naar binnen opengaand. Bladeren
enkelvoudig, of éénmaal of tweemaal gevind, in het laatste geval de
bladsteelen klimmend Blechnum.
Page 92
4c. Sori en indusiën langwerpig of lijnvormig, langs de aderen loopend en
scheef gericht ten opzichte van de hoofdnerf van het segment van de laatste
orde 16
5a. Sori in onbepaald aantal dicht op elkaar zittend en daardoor de geheele
bladonderzijde of een aaneengesloten deel ervan dicht bedekkend 26
5b. Sori in een bepaald aantal, soms (Ceropteris); schijnbaar onregelmatig,
maar nooit zoo dicht op elkaar dat er niet een deel van het blad zichtbaar
blijft 6
6a. Bladeren met het rhizoom geleed, d. w. z. de bladsteel bevat een
duidelijk gewricht op de plaats, waar het blad later afbreekt 25
6b. Bladeren niet met het rhizoom geleed 7
7a. Sori niet meer dan tweemaal zoo lang als breed 29
7b. Sori vele malen meer lang dan breed (Zie ook Notolaena) 8
8a. Sori zeer lang, evenwijdig met de hoofdnerf van het blad of met de
bladrand. Bladeren lang en smal 20
8b. Sori langs de aderen, meer of minder duidelijk netvormig verbonden
21
9a. Bladeren min of meer leerachtig, enkelvoudig, met het rhizoom
geleed. Rhizoom bovenaardsch, dicht met schubben bezet, met
alleenstaande bladeren of kransen van bladeren. Bladeren met een dikke
hoofdnerf en talrijke dichte zijnerven. Sori in één tot 3 rijen evenwijdig met
de hoofdnerf; op de rugzijde van de zijnerven. Indusium niervormig
Oleandra.
9b. Bladeren meest gevind. Bladsteelen niet geleed
10
10a. Sori aan het eind van de aderen
11
10b. Sori op de rugzijde van de aderen
12
scheef gericht ten opzichte van de hoofdnerf van het segment van de laatste
orde 16
5a. Sori in onbepaald aantal dicht op elkaar zittend en daardoor de geheele
bladonderzijde of een aaneengesloten deel ervan dicht bedekkend 26
5b. Sori in een bepaald aantal, soms (Ceropteris); schijnbaar onregelmatig,
maar nooit zoo dicht op elkaar dat er niet een deel van het blad zichtbaar
blijft 6
6a. Bladeren met het rhizoom geleed, d. w. z. de bladsteel bevat een
duidelijk gewricht op de plaats, waar het blad later afbreekt 25
6b. Bladeren niet met het rhizoom geleed 7
7a. Sori niet meer dan tweemaal zoo lang als breed 29
7b. Sori vele malen meer lang dan breed (Zie ook Notolaena) 8
8a. Sori zeer lang, evenwijdig met de hoofdnerf van het blad of met de
bladrand. Bladeren lang en smal 20
8b. Sori langs de aderen, meer of minder duidelijk netvormig verbonden
21
9a. Bladeren min of meer leerachtig, enkelvoudig, met het rhizoom
geleed. Rhizoom bovenaardsch, dicht met schubben bezet, met
alleenstaande bladeren of kransen van bladeren. Bladeren met een dikke
hoofdnerf en talrijke dichte zijnerven. Sori in één tot 3 rijen evenwijdig met
de hoofdnerf; op de rugzijde van de zijnerven. Indusium niervormig
Oleandra.
9b. Bladeren meest gevind. Bladsteelen niet geleed
10
10a. Sori aan het eind van de aderen
11
10b. Sori op de rugzijde van de aderen
12
Page 93
11a. Bladeren dubbel gevind: segmenten van de laatste orde zittend kort en
breed, scheef met 4–6 groote, langwerpige sori. Rhizoom opgericht, forsch;
de bladsteelen dicht bij elkaar gezeten Didymochlaena.
11b. Bladeren eenmaal gevind met smalle en lange zittende segmenten.
Sori met een niervormig indusium in één rij evenwijdig met de rand van het
segment. Rhizoom opgericht, de bladeren dicht gedrongen
Nephrolepis.
12a. Aderen alle vrij, of alleen de onderste zijaderen van
de hoofdnerf van elk laatste segment met elkaar verbonden 13
12b. Aderen alle netvormig verbonden; in de velden, die door de aderen
omringd worden eindigen vrije zijtakken der aderen 14
13a. Bladeren éénmaal gevind, leerachtig met een schildvormig indusium.
Segmenten aan den voet versmald; vinlobbig tot vindeelig
Polystichum.
13b. Bladeren één- tot meermalen gevind, dun en
vliezig. Indusium meest niervormig of hartvormig. Aderen soms vrij
Dryopteris (Nephrodium).
14a. Bladeren aan dezelfde plant in twee
vormen, de steriele enkel gevind met breede zwak gegolfde segmenten; de
sporangiëndragende bladeren met veel smallere segmenten met dieper
gegolfde rand. Zijnerven van de eerste orde met 6–8 paren zijnerven van de
2de orde, die paarsgewijs met elkaar versmelten, zoodat er regelmatige
velden gevormd worden, waarin één vrije ader te zien is Cyclodium.
14b. Bladeren alle gelijk van vorm, enkelvoudig of 3-lobbig of diep
vindeelig en dan de segmenten ten deele met een breede basis aan de
bladsteel vastgegroeid. Velden onregelmatig Aspidium.
15a. Sori duidelijk alleenstaand, rond. Bladeren tweemaal gevind of
(onderaan) driemaal gevind, de segmenten van de laatste orde met een
duidelijken nerf in het midden. Rhizoom kruipend Saccoloma.
15b. Sori langwerpig of door samenvloeiing van meerdere lijnvormig.
Bladeren enkel- of dubbelgevind, de segmenten van de laatste orde alleen
breed, scheef met 4–6 groote, langwerpige sori. Rhizoom opgericht, forsch;
de bladsteelen dicht bij elkaar gezeten Didymochlaena.
11b. Bladeren eenmaal gevind met smalle en lange zittende segmenten.
Sori met een niervormig indusium in één rij evenwijdig met de rand van het
segment. Rhizoom opgericht, de bladeren dicht gedrongen
Nephrolepis.
12a. Aderen alle vrij, of alleen de onderste zijaderen van
de hoofdnerf van elk laatste segment met elkaar verbonden 13
12b. Aderen alle netvormig verbonden; in de velden, die door de aderen
omringd worden eindigen vrije zijtakken der aderen 14
13a. Bladeren éénmaal gevind, leerachtig met een schildvormig indusium.
Segmenten aan den voet versmald; vinlobbig tot vindeelig
Polystichum.
13b. Bladeren één- tot meermalen gevind, dun en
vliezig. Indusium meest niervormig of hartvormig. Aderen soms vrij
Dryopteris (Nephrodium).
14a. Bladeren aan dezelfde plant in twee
vormen, de steriele enkel gevind met breede zwak gegolfde segmenten; de
sporangiëndragende bladeren met veel smallere segmenten met dieper
gegolfde rand. Zijnerven van de eerste orde met 6–8 paren zijnerven van de
2de orde, die paarsgewijs met elkaar versmelten, zoodat er regelmatige
velden gevormd worden, waarin één vrije ader te zien is Cyclodium.
14b. Bladeren alle gelijk van vorm, enkelvoudig of 3-lobbig of diep
vindeelig en dan de segmenten ten deele met een breede basis aan de
bladsteel vastgegroeid. Velden onregelmatig Aspidium.
15a. Sori duidelijk alleenstaand, rond. Bladeren tweemaal gevind of
(onderaan) driemaal gevind, de segmenten van de laatste orde met een
duidelijken nerf in het midden. Rhizoom kruipend Saccoloma.
15b. Sori langwerpig of door samenvloeiing van meerdere lijnvormig.
Bladeren enkel- of dubbelgevind, de segmenten van de laatste orde alleen
Page 94
voor de bovenste helft ontwikkeld, en daar de sori dragend; de middennerf
van het segment loopt langs den onderrand Lindsaya.
16a. Aan een deel der aderen twee sori, elk met zijn eigen indusium, die
naar verschillende kanten opengaan. Bladeren enkelvoudig, of gevind of
dubbelgevind Diplazium.
16b. Sori steeds alleen aan de aderen met één indusium. Bladeren
enkelvoudig of gevind, zelden dubbel- of 3 maal gevind Asplenium.
17a. Bladeren handvormig samengesteld; de segmenten van de eerste orde
gevind, die van de 2^[de] orde klein, de naar den top van het blad gekeerde
helft sterker ontwikkeld dan de naar de basis gerichte. Bladrand om de sori
omgeslagen. Bladsteel glimmend zwart Adiantopsis.
17b. Bladeren eenmaal tot meermalen gevind, de segmenten nooit
handvormig samengesteld 18
18a. Bladsteelen zwart, meest glimmend, soms behaard. Bladeren meest
dubbel-, zelden enkelgevind, in het eerste geval slechts weinig segmenten
van de eerste orde en vele van de tweede orde. Sori op het einde der aderen
binnen de omgeslagen bladrand zittend, vaak in elkaar vloeiend en dan zeer
lang Adiantum.
18b. Bladsteelen niet zwart; sori geheel randstandig 19
19a. Indusium alleen uit de omgeslagen bladrand gevormd. Bladeren
enkelgevind of dubbelgevind, de segmenten van de laatste orde diep
vindeelig Pteris.
19b. Behalve de omgeslagen bladrand is er ook nog een naar buiten
opengaand indusium aanwezig. Bladeren meervoudig gevind of
meervoudig vindeelig Pteridium.
20a. Bladeren zeer lang en smal, sorus geheel randstandig door de bladrand
overdekt, soms is er nog een indusium aan de binnenzijde van de sorus
aanwezig Vittaria.
van het segment loopt langs den onderrand Lindsaya.
16a. Aan een deel der aderen twee sori, elk met zijn eigen indusium, die
naar verschillende kanten opengaan. Bladeren enkelvoudig, of gevind of
dubbelgevind Diplazium.
16b. Sori steeds alleen aan de aderen met één indusium. Bladeren
enkelvoudig of gevind, zelden dubbel- of 3 maal gevind Asplenium.
17a. Bladeren handvormig samengesteld; de segmenten van de eerste orde
gevind, die van de 2^[de] orde klein, de naar den top van het blad gekeerde
helft sterker ontwikkeld dan de naar de basis gerichte. Bladrand om de sori
omgeslagen. Bladsteel glimmend zwart Adiantopsis.
17b. Bladeren eenmaal tot meermalen gevind, de segmenten nooit
handvormig samengesteld 18
18a. Bladsteelen zwart, meest glimmend, soms behaard. Bladeren meest
dubbel-, zelden enkelgevind, in het eerste geval slechts weinig segmenten
van de eerste orde en vele van de tweede orde. Sori op het einde der aderen
binnen de omgeslagen bladrand zittend, vaak in elkaar vloeiend en dan zeer
lang Adiantum.
18b. Bladsteelen niet zwart; sori geheel randstandig 19
19a. Indusium alleen uit de omgeslagen bladrand gevormd. Bladeren
enkelgevind of dubbelgevind, de segmenten van de laatste orde diep
vindeelig Pteris.
19b. Behalve de omgeslagen bladrand is er ook nog een naar buiten
opengaand indusium aanwezig. Bladeren meervoudig gevind of
meervoudig vindeelig Pteridium.
20a. Bladeren zeer lang en smal, sorus geheel randstandig door de bladrand
overdekt, soms is er nog een indusium aan de binnenzijde van de sorus
aanwezig Vittaria.
Page 95
20b. Sorus aan weerszijden tegen de middennerf liggend, zonder indusium.
Planten zeer klein, bladeren smal, slechts enkele centimeters lang
Monogramma.
21a. Bladeren enkelvoudig, gelobd tot gedeeld of
gaafrandig 22
21b. Bladeren gevind, éénmaal of meermalen 24
22a. Bladeren handlobbig, evenals de bladsteel behaard; aderen netvormig,
geheel bedekt met de netvormige sori, de steriele bladeren kleiner
Hemionitis.
22b. Bladeren driehoekig, zeer klein, ongesteeld, aan de
basis toegespitst, naar boven geleidelijk verbreed aan den bovenrand met
scherpe insnijdingen. Aderen niet netvormig verbonden maar naar boven
waaiervormig uitgespreid. Sori bijna de geheele lengte der aderen innemend
Hecistopteris.
22c. Bladeren langwerpig tot lancetvormig, bijna
gaafrandig, aan top en basis versmald; nerven netvormig 23
23a. Sori alleen langs de nerven, dus netvormig Anthrophyum.
23b. Sori zeer klein, verspreid over de geheele onderzijde van het blad
Anetium.
24a. Bladeren eenmaal gevind of dubbel gevind, evenals de
bladsteelen behaard. Sori langs de aderen loopend van de steel naar den
rand dicht opeenzittend en weinig vertakt
Gymnopteris (Neurogramme).
24b. Bladeren dubbelgevind met een
lang glimmend zwarte steel, aan de onderzijde tusschen de sori met een
witte was bekleed. Segmenten van de laatste orde klein; de sori
samensmeltend en daardoor onregelmatig over de onderkant verspreid
Ceropteris (Neurogramme).
25a. Sori zeer lang, dicht bij den bladrand
liggend en ermee evenwijdig loopend. Bladeren herhaaldelijk gaffelvormig
vertakt, smal en dun. Eschatogramme (Dicranoglossum).
Planten zeer klein, bladeren smal, slechts enkele centimeters lang
Monogramma.
21a. Bladeren enkelvoudig, gelobd tot gedeeld of
gaafrandig 22
21b. Bladeren gevind, éénmaal of meermalen 24
22a. Bladeren handlobbig, evenals de bladsteel behaard; aderen netvormig,
geheel bedekt met de netvormige sori, de steriele bladeren kleiner
Hemionitis.
22b. Bladeren driehoekig, zeer klein, ongesteeld, aan de
basis toegespitst, naar boven geleidelijk verbreed aan den bovenrand met
scherpe insnijdingen. Aderen niet netvormig verbonden maar naar boven
waaiervormig uitgespreid. Sori bijna de geheele lengte der aderen innemend
Hecistopteris.
22c. Bladeren langwerpig tot lancetvormig, bijna
gaafrandig, aan top en basis versmald; nerven netvormig 23
23a. Sori alleen langs de nerven, dus netvormig Anthrophyum.
23b. Sori zeer klein, verspreid over de geheele onderzijde van het blad
Anetium.
24a. Bladeren eenmaal gevind of dubbel gevind, evenals de
bladsteelen behaard. Sori langs de aderen loopend van de steel naar den
rand dicht opeenzittend en weinig vertakt
Gymnopteris (Neurogramme).
24b. Bladeren dubbelgevind met een
lang glimmend zwarte steel, aan de onderzijde tusschen de sori met een
witte was bekleed. Segmenten van de laatste orde klein; de sori
samensmeltend en daardoor onregelmatig over de onderkant verspreid
Ceropteris (Neurogramme).
25a. Sori zeer lang, dicht bij den bladrand
liggend en ermee evenwijdig loopend. Bladeren herhaaldelijk gaffelvormig
vertakt, smal en dun. Eschatogramme (Dicranoglossum).
Page 96
25b. Sori rond of langwerpig niet evenwijdig met de bladrand. Bladeren
nooit gaffelvormig vertakt maar enkelvoudig of op verschillende wijze
gevind Polypodium (Lepicystis).
26a. Bladeren enkelvoudig niet ingesneden; meest lang-elliptisch. Sori de
geheele onderzijde van het blad bedekkend Elaphoglossum.
26b. Bladeren vindeelig of gevind 27
27a. Alleen de bovenste segmenten van het harde, leerachtige, gevinde of
vindeelige blad met sporangiën op de onderkant. Groote planten. Aderen
met elkaar verbonden Acrostichum.
27b. Bladeren geheel aan de onderzijde met sporangiën bedekt. Aderen niet
met elkaar verbonden. Fertiele bladeren veel grooter en breeder dan de
steriele 28
28a. Bladeren eenmaal gevind. Zijaderen van af de hoofdnerf van het
segment dicht naast elkaar naar den rand loopend, geheel onvertakt of
slechts eenmaal vertakt Stenochlaena.
28b. Bladeren dubbel tot meermalen gevind; aderen meermalen vertakt,
maar niet met elkaar verbonden Polybotrya.
29a. Sori aan het eind van de aderen dicht bij de bladrand gezeten, in het
begin vrij van elkaar, later min of meer met elkaar samenvloeiend en dan in
een lijn langs de bladrand loopend. Bladeren dubbelvindeelig, van onderen
met schubben bezet Notolaena. (Notochlaena).
29b. Sori niet randstandig, rond of langwerpig. Bladeren enkel- of
meermalen gevind Dryopteris (Nephrodium).
nooit gaffelvormig vertakt maar enkelvoudig of op verschillende wijze
gevind Polypodium (Lepicystis).
26a. Bladeren enkelvoudig niet ingesneden; meest lang-elliptisch. Sori de
geheele onderzijde van het blad bedekkend Elaphoglossum.
26b. Bladeren vindeelig of gevind 27
27a. Alleen de bovenste segmenten van het harde, leerachtige, gevinde of
vindeelige blad met sporangiën op de onderkant. Groote planten. Aderen
met elkaar verbonden Acrostichum.
27b. Bladeren geheel aan de onderzijde met sporangiën bedekt. Aderen niet
met elkaar verbonden. Fertiele bladeren veel grooter en breeder dan de
steriele 28
28a. Bladeren eenmaal gevind. Zijaderen van af de hoofdnerf van het
segment dicht naast elkaar naar den rand loopend, geheel onvertakt of
slechts eenmaal vertakt Stenochlaena.
28b. Bladeren dubbel tot meermalen gevind; aderen meermalen vertakt,
maar niet met elkaar verbonden Polybotrya.
29a. Sori aan het eind van de aderen dicht bij de bladrand gezeten, in het
begin vrij van elkaar, later min of meer met elkaar samenvloeiend en dan in
een lijn langs de bladrand loopend. Bladeren dubbelvindeelig, van onderen
met schubben bezet Notolaena. (Notochlaena).
29b. Sori niet randstandig, rond of langwerpig. Bladeren enkel- of
meermalen gevind Dryopteris (Nephrodium).
Page 97
Page 98
IV. Parkeriaceae.
Eenjarige plant met zeer korte stengel; bladeren groepsgewijs bij elkaar,
sappig tot vleezig met een eenigszins opgeblazen steel. Bladeren
enkelvoudig vindeelig met stompe lobben of (de fertiele) meervoudig
vindeelig tot gevind met smalle lobben. Sporangiën langs de nerven
verspreid, niet tot sori vereenigd, ring volledig of niet volledig, uit zeer
breede cellen bestaand, soms geheel ontbrekend; indusium niet aanwezig.
Planten in het water of op vochtige plaatsen groeiend. Eenig geslacht
Ceratopteris.
Eenjarige plant met zeer korte stengel; bladeren groepsgewijs bij elkaar,
sappig tot vleezig met een eenigszins opgeblazen steel. Bladeren
enkelvoudig vindeelig met stompe lobben of (de fertiele) meervoudig
vindeelig tot gevind met smalle lobben. Sporangiën langs de nerven
verspreid, niet tot sori vereenigd, ring volledig of niet volledig, uit zeer
breede cellen bestaand, soms geheel ontbrekend; indusium niet aanwezig.
Planten in het water of op vochtige plaatsen groeiend. Eenig geslacht
Ceratopteris.
Page 99
Page 100
V. Gleicheniaceae.
Sori eindelings, rugstandig of bij de vertakking van een nerf staande, klein, uit weinige
sporangiën samengesteld; sporangiën zeer kort gesteeld of zittend; ring horizontaal, iets
boven het midden verloopend, vertikaal openspringend; indusium ontbrekend; planten in
de aarde groeiend.
Bladeren ten minste ten deele gaffelvormig vertakt, de segmenten van de
laatste orde vindeelig met slippen die met een breede basis zitten en naar de
top wat versmald zijn. Sporangiën ongesteeld, 2 tot 8 tot een kleine sorus
vereenigd zonder indusium. Planten vaak klimmend of kruipend
Gleichenia.
Sori eindelings, rugstandig of bij de vertakking van een nerf staande, klein, uit weinige
sporangiën samengesteld; sporangiën zeer kort gesteeld of zittend; ring horizontaal, iets
boven het midden verloopend, vertikaal openspringend; indusium ontbrekend; planten in
de aarde groeiend.
Bladeren ten minste ten deele gaffelvormig vertakt, de segmenten van de
laatste orde vindeelig met slippen die met een breede basis zitten en naar de
top wat versmald zijn. Sporangiën ongesteeld, 2 tot 8 tot een kleine sorus
vereenigd zonder indusium. Planten vaak klimmend of kruipend
Gleichenia.
Page 101
Page 102
VI. Schizaeaceae.
Sporangiën alleenstaand, loodrecht openspringend, ring horizontaal, dicht bij den top van
het sporangium liggend, niet onderbroken. Uiterlijk van de planten zeer verschillend; vaak
op droge plaatsen (in savannen) groeiend, soms klimmend in het oerwoud. Meest de
sporangiëndragende deelen van het blad geheel verschillend van de steriele deelen.
1a. Bladeren klimmend, dubbel gevind, de segmenten meest ver van elkaar
verwijderd, zoodat men deze vaak voor de bladeren zelf aanziet. De
segmenten van de laatste orde aan den rand bezet met talrijke min of meer
draadvormige slippen, die in kleine groeven de alleenzittende sporangiën
dragen Lygodium.
1b. Planten niet klimmend 2
2a. Bladeren gevind, met één of twee zijtakken aan den bladsteel, die naar
den top bijna alleen sporangiën dragen, welke eveneens vinvormig
gerangschikt zijn Aneimia.
2b. Bladsteel lang, van boven bezet met korte gevinde of bijna handvormig
samengestelde segmenten, waarvan de bladschijf geheel verdwenen is, en
die dus bijna alleen uit sporangiën bestaan, of bladschijf goed ontwikkeld
maar dan waaiervormig en aan den bovenkant handvormig ingesneden; de
uiterste slippen overgaand in vinvormig samengestelde sporangiën
Schizaea.
Sporangiën alleenstaand, loodrecht openspringend, ring horizontaal, dicht bij den top van
het sporangium liggend, niet onderbroken. Uiterlijk van de planten zeer verschillend; vaak
op droge plaatsen (in savannen) groeiend, soms klimmend in het oerwoud. Meest de
sporangiëndragende deelen van het blad geheel verschillend van de steriele deelen.
1a. Bladeren klimmend, dubbel gevind, de segmenten meest ver van elkaar
verwijderd, zoodat men deze vaak voor de bladeren zelf aanziet. De
segmenten van de laatste orde aan den rand bezet met talrijke min of meer
draadvormige slippen, die in kleine groeven de alleenzittende sporangiën
dragen Lygodium.
1b. Planten niet klimmend 2
2a. Bladeren gevind, met één of twee zijtakken aan den bladsteel, die naar
den top bijna alleen sporangiën dragen, welke eveneens vinvormig
gerangschikt zijn Aneimia.
2b. Bladsteel lang, van boven bezet met korte gevinde of bijna handvormig
samengestelde segmenten, waarvan de bladschijf geheel verdwenen is, en
die dus bijna alleen uit sporangiën bestaan, of bladschijf goed ontwikkeld
maar dan waaiervormig en aan den bovenkant handvormig ingesneden; de
uiterste slippen overgaand in vinvormig samengestelde sporangiën
Schizaea.
Page 103
Page 104
VII. Salviniaceae.
Horizontaal op het water drijvende, kleine planten; sori min of meer bolvormig, geheel
gesloten, in het water hangend; twee soorten ervan aanwezig, de eene met sporangiën die
slechts één groote spore dragen; de andere met sporangiën die meerdere kleine sporen
inhouden.
1a. Blaadjes ongeveer een centimeter groot of grooter, niet dicht
opeenzittend, de drijvende tegenoverstaand, de in het water naar beneden
hangende zeer fijn verdeeld en op wortels gelijkende. Deze dragen de beide
soorten van sporangiën Salvinia.
1b. Blaadjes in twee rijen, dicht op elkaar zittend, weinig grooter dan 1
m.m., niet tegenoverstaand, in twee lobben gedeeld, waarvan de bovenste
lobben drijven, de onderste in het water hangen en de beide soorten van
sporangiën dragen Azolla.
Horizontaal op het water drijvende, kleine planten; sori min of meer bolvormig, geheel
gesloten, in het water hangend; twee soorten ervan aanwezig, de eene met sporangiën die
slechts één groote spore dragen; de andere met sporangiën die meerdere kleine sporen
inhouden.
1a. Blaadjes ongeveer een centimeter groot of grooter, niet dicht
opeenzittend, de drijvende tegenoverstaand, de in het water naar beneden
hangende zeer fijn verdeeld en op wortels gelijkende. Deze dragen de beide
soorten van sporangiën Salvinia.
1b. Blaadjes in twee rijen, dicht op elkaar zittend, weinig grooter dan 1
m.m., niet tegenoverstaand, in twee lobben gedeeld, waarvan de bovenste
lobben drijven, de onderste in het water hangen en de beide soorten van
sporangiën dragen Azolla.
Page 105
Page 106
VIII. Marattiaceae.
Sori steeds op de onderzijde van de bladeren gezeten, langs de nerven, indusium aanwezig
of ontbrekend, soms bestaande uit min of meer talrijke in twee rijen gezeten sporangiën of
tot een synangium verbonden, dat zich op verschillende wijze opent; ring klein of
ontbrekend; planten soms zeer groot; bladeren in den knop opgerold, met steunbladeren.
Bladeren enkelvoudig of 3-tallig. De sporangiën zijn tot groote lijnvormige
groepen (synangiën) samengesteld, die zich uitstrekken van de middennerf
van het blad tot aan den rand. De synangiën springen met 2 rijen van kleine
gaatjes open Danaea.
Sori steeds op de onderzijde van de bladeren gezeten, langs de nerven, indusium aanwezig
of ontbrekend, soms bestaande uit min of meer talrijke in twee rijen gezeten sporangiën of
tot een synangium verbonden, dat zich op verschillende wijze opent; ring klein of
ontbrekend; planten soms zeer groot; bladeren in den knop opgerold, met steunbladeren.
Bladeren enkelvoudig of 3-tallig. De sporangiën zijn tot groote lijnvormige
groepen (synangiën) samengesteld, die zich uitstrekken van de middennerf
van het blad tot aan den rand. De synangiën springen met 2 rijen van kleine
gaatjes open Danaea.
Page 107
Page 108
IX. Ophioglossaceae.
Sporangiën op een enkele zijtak van het blad staande, met een wand die uit meerdere
cellagen bestaat en zich met een dwarse of overlangsche spleet opent; ring ontbrekend;
steriele bladeren niet ingesneden of enkel- tot meervoudig gedeeld; fertiel gedeelte van het
blad evenzoo gedeeld, maar zonder ontwikkeling van de bladschijf.
Bladeren enkelvoudig ongedeeld, lang-elliptisch of hart- of hart-niervormig,
dicht bij de bladvoet met een zijtak, die uit een lange aar bestaat, welke
twee rijen van dicht opeenzittende sporangiën draagt. Planten klein
Ophioglossum.
Sporangiën op een enkele zijtak van het blad staande, met een wand die uit meerdere
cellagen bestaat en zich met een dwarse of overlangsche spleet opent; ring ontbrekend;
steriele bladeren niet ingesneden of enkel- tot meervoudig gedeeld; fertiel gedeelte van het
blad evenzoo gedeeld, maar zonder ontwikkeling van de bladschijf.
Bladeren enkelvoudig ongedeeld, lang-elliptisch of hart- of hart-niervormig,
dicht bij de bladvoet met een zijtak, die uit een lange aar bestaat, welke
twee rijen van dicht opeenzittende sporangiën draagt. Planten klein
Ophioglossum.
Page 109
Page 110
X. Lycopodiaceae.
Stengels verlengd, met smalle meest naald- of lancetvormige bladeren
bezet, waarvan de bovenste in de bladoksels een sporangium dragen. Dit
deel van de plant is soms duidelijk van het steriele deel van de plant
afgescheiden, soms ook is het er geheel aan gelijk, zoodat er geen
afscheiding is tusschen steriel en fertiel gedeelte. De bladeren staan niet in
bepaalde rijen en zijn aan alle zijden van den stengel gelijk van vorm.
Sporangiën alle gelijk Lycopodium.
Stengels verlengd, met smalle meest naald- of lancetvormige bladeren
bezet, waarvan de bovenste in de bladoksels een sporangium dragen. Dit
deel van de plant is soms duidelijk van het steriele deel van de plant
afgescheiden, soms ook is het er geheel aan gelijk, zoodat er geen
afscheiding is tusschen steriel en fertiel gedeelte. De bladeren staan niet in
bepaalde rijen en zijn aan alle zijden van den stengel gelijk van vorm.
Sporangiën alle gelijk Lycopodium.
Page 111
Page 112
XI. Selaginellaceae.
Bladeren bijna steeds in 4 rijen langs den stengel, zeer zelden in meerdere
rijen, in het laatste geval alle bladeren gelijk van vorm, in het eerste geval
twee overlangsche rijen van bladeren anders gevormd dan die van de beide
andere rijen. Sporangiën aan den top van den stengel in de bladoksels, in
twee soorten, groote met 4 sporen en kleine met vele sporen. Eenig
geslacht: Selaginella.
Bladeren bijna steeds in 4 rijen langs den stengel, zeer zelden in meerdere
rijen, in het laatste geval alle bladeren gelijk van vorm, in het eerste geval
twee overlangsche rijen van bladeren anders gevormd dan die van de beide
andere rijen. Sporangiën aan den top van den stengel in de bladoksels, in
twee soorten, groote met 4 sporen en kleine met vele sporen. Eenig
geslacht: Selaginella.
Page 113
Page 114
Klasse: Gymnospermae.
Orde: Gnetales.
7. Gnetaceae.
Naaktzadige 1- of 2-huizige planten; de mannelijke bloemen met 2 (schijnbaar één) tot 8
meeldraden, de vrouwelijke bloemen met één zaadknop; bloemen omhuld met een
enkelvoudig, 2- tot 4-tallig omhulsel; houtige planten met enkelvoudige, tegenoverstaande
bladeren.
Klimmende planten met breede, tegenoverstaande bladeren; bloemen in
kransen, in onderbroken aren staande; elke krans door een bekervormig
omhulsel min of meer ingesloten; mannelijke bloem met één helmdraad en
twee helmknoppen Gnetum.
Orde: Gnetales.
7. Gnetaceae.
Naaktzadige 1- of 2-huizige planten; de mannelijke bloemen met 2 (schijnbaar één) tot 8
meeldraden, de vrouwelijke bloemen met één zaadknop; bloemen omhuld met een
enkelvoudig, 2- tot 4-tallig omhulsel; houtige planten met enkelvoudige, tegenoverstaande
bladeren.
Klimmende planten met breede, tegenoverstaande bladeren; bloemen in
kransen, in onderbroken aren staande; elke krans door een bekervormig
omhulsel min of meer ingesloten; mannelijke bloem met één helmdraad en
twee helmknoppen Gnetum.
Page 115
Page 116
ANGIOSPERMAE.
Klasse: Monocotyledoneae.
Orde: Helobiae.
15. Alismataceae.
Bloemen meest 2-slachtig, met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelk 3-bladig;
kroon 3-bladig; meeldraden 6 tot vele, zelden maar 3; vruchtbeginsels 6 tot vele, met 1 tot
vele zaadknoppen; water- of moerasplanten, kruiden met melksap.
1a. Meeldraden talrijk, niet met elkaar vergroeid; bloemen bijna steeds
éénslachtig en éénhuizig; bladeren lancet-lijnvormig, boven het water
uitstekend Sagittaria.
1b. Meeldraden 12 of minder 2
2a. Bladeren langwerpig-lancetvormig; aan den voet niet ingesneden,
kortgesteeld. Bloemen in kransen rondom den langen bloeistengel
Echinodorus.
2b. Bladeren cirkelrond-eirond, langgesteeld aan den
voet diep hartvormig ingesneden; in het water drijvend; bloeiwijze vrij kort
Lophotocarpus.
16. Butomaceae.
Bloemen tweeslachtig, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3,
kroonbladeren 3; meeldraden 9 tot vele, in het laatste geval de buitenste zonder stuifmeel;
Klasse: Monocotyledoneae.
Orde: Helobiae.
15. Alismataceae.
Bloemen meest 2-slachtig, met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelk 3-bladig;
kroon 3-bladig; meeldraden 6 tot vele, zelden maar 3; vruchtbeginsels 6 tot vele, met 1 tot
vele zaadknoppen; water- of moerasplanten, kruiden met melksap.
1a. Meeldraden talrijk, niet met elkaar vergroeid; bloemen bijna steeds
éénslachtig en éénhuizig; bladeren lancet-lijnvormig, boven het water
uitstekend Sagittaria.
1b. Meeldraden 12 of minder 2
2a. Bladeren langwerpig-lancetvormig; aan den voet niet ingesneden,
kortgesteeld. Bloemen in kransen rondom den langen bloeistengel
Echinodorus.
2b. Bladeren cirkelrond-eirond, langgesteeld aan den
voet diep hartvormig ingesneden; in het water drijvend; bloeiwijze vrij kort
Lophotocarpus.
16. Butomaceae.
Bloemen tweeslachtig, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3,
kroonbladeren 3; meeldraden 9 tot vele, in het laatste geval de buitenste zonder stuifmeel;
Page 117
vruchtbeginsels 6 tot vele, vaak aan de basis vereenigd, met vele zaadknoppen,
kokervruchten; moeras- of drijvende waterplanten bijna steeds met melksap.
Bladeren in het water ondergedoken of op het water drijvend, eirond;
bloemen tot 8 c.M. groot, lichtgeel; meeldraden ± 20; vruchtbeginsels 6
Hydrocleis.
17. Hydrocharitaceae.
Bloemen zelden tweeslachtig, meest mannelijk en vrouwelijk, meest met kelk en
bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3, meeldraden 1 × tot 4 ×
3, de binnenste en buitenste soms staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandig met
wandstandige zaadlijsten en vele zaadknoppen. Ondergedoken of boven het water
uitstekende waterplanten met verspreide of soms in kransen staande bladeren. Bloemen in
het begin in een scheede ingesloten.
1a. Bladeren in kransen aan den langen ondergedoken stengel; bloemen
klein, de ♂ zittend, later van den stengel loslatend en op het water drijvend
met 3 meeldraden; ♀ bloemen langgesteeld Elodea.
1b. Bladeren langgesteeld, eirond, drijvend; bloemen 2–3 bij elkaar in een
scheede; meeldraden 6–12 Hydromystria.
Orde: Glumiflorae.
19. Gramina.
Bloemen 2-slachtig, zelden mannelijk of vrouwelijk, zonder bloembekleedselen;
meeldraden meest 3, zelden 1, 2, 6 of vele, vruchtbeginsel met één zaadknop; stempels 2 of
3, of 1; vrucht een caryopsis, zelden een noot of een bes; meest kruiden, zelden houtige
planten met knoopen (halmen) en afwisselende smalle bladeren met een ligula. Bloemen
alleenstaand of in groepen (aartjes of bloempakjes); elke bloem in den oksel van een
dekblad (onderste kroonkafje), meest ook nog met een tegenover het dekblad staand
bloemsteelblaadje (bovenste kroonkafje), soms nog met een daarboven staand derde
kokervruchten; moeras- of drijvende waterplanten bijna steeds met melksap.
Bladeren in het water ondergedoken of op het water drijvend, eirond;
bloemen tot 8 c.M. groot, lichtgeel; meeldraden ± 20; vruchtbeginsels 6
Hydrocleis.
17. Hydrocharitaceae.
Bloemen zelden tweeslachtig, meest mannelijk en vrouwelijk, meest met kelk en
bloemkroon, regelmatig, 3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3, meeldraden 1 × tot 4 ×
3, de binnenste en buitenste soms staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandig met
wandstandige zaadlijsten en vele zaadknoppen. Ondergedoken of boven het water
uitstekende waterplanten met verspreide of soms in kransen staande bladeren. Bloemen in
het begin in een scheede ingesloten.
1a. Bladeren in kransen aan den langen ondergedoken stengel; bloemen
klein, de ♂ zittend, later van den stengel loslatend en op het water drijvend
met 3 meeldraden; ♀ bloemen langgesteeld Elodea.
1b. Bladeren langgesteeld, eirond, drijvend; bloemen 2–3 bij elkaar in een
scheede; meeldraden 6–12 Hydromystria.
Orde: Glumiflorae.
19. Gramina.
Bloemen 2-slachtig, zelden mannelijk of vrouwelijk, zonder bloembekleedselen;
meeldraden meest 3, zelden 1, 2, 6 of vele, vruchtbeginsel met één zaadknop; stempels 2 of
3, of 1; vrucht een caryopsis, zelden een noot of een bes; meest kruiden, zelden houtige
planten met knoopen (halmen) en afwisselende smalle bladeren met een ligula. Bloemen
alleenstaand of in groepen (aartjes of bloempakjes); elke bloem in den oksel van een
dekblad (onderste kroonkafje), meest ook nog met een tegenover het dekblad staand
bloemsteelblaadje (bovenste kroonkafje), soms nog met een daarboven staand derde
Page 118
kroonkafje of met meerdere kroonkafjes; de aartjes of de aparte bloemen meest aan de
basis met 2 leege kafjes (kelkkafjes) in pluimen of aarvormige bloeiwijzen.
N.B. In de meerderheid van de gevallen is het zeer moeilijk uit te maken wat kelkkafjes en wat
kroonkafjes zijn, omdat het aantal kroonkafjes vaak wisselt. In al die gevallen wordt in de
tabel gesproken over slechts één kroonkafje, waarmee bedoeld is het kafje dat direct onder
de bloem is gezeten; alle andere, lager gezeten kafjes zijn dan kelkkafjes genoemd.
1a. Bladeren langgesteeld met een opvallend breede bladschijf; bloeiwijze
een pluim met lange takken; aartjes éénslachtig in paren gezeten; het eene
aartje zittend met een ♀, het andere gesteeld met een ♂ bloem Pharus.
1b. Bladeren niet langgesteeld d. i. bladschijf onmiddellijk boven de
bladscheede ingehecht of met een zeer kort steeltje ermee verbonden 2
2a. Bloemen met meer dan 6, meest vele meeldraden, in onvertakte aren;
aartjes groepsgewijs bijeenstaand, meest een aantal aartjes met ♂ bloemen
staande om 1 of 2 met ♀ bloemen; bladeren breed, scheede aan den mond
vaak met lange haren bezet Pariana. A s m a t o e p i m p i n .
2b. Bloemen met 1–3 (of -6) meeldraden 3
3a. Mannelijke aartjes in een groote pluim aan het eind van den stengel; ♀
aartjes dicht gedrongen in meerdere rijen tot een kolf vereenigd, zijdelings
aan den stengel staande, omgeven door een scheede, waarbuiten de lange
stijlen der ♀ bloemen in een bos uitsteken Zea.
3b. Bloemen tweeslachtig of indien ze éénslachtig zijn, dan òf in hetzelfde
aartje òf in dezelfde bloeiwijze gemengd 4
3c. Bloemen éénslachtig en tweehuizig; in elk aartje 2 tot 4 bloemen, die
vrij ver van elkaar staan; het bovenste kelkkafje met een lange naald; asje
behaard, evenals de kafjes der ♀ bloemen, tusschen de afzonderlijke
bloemen met eene geleding; bloeiwijze een wijde pluim; vrucht door de
kafjes ingesloten; groote hooge halmen Gynerium. P i j l g r a s .
basis met 2 leege kafjes (kelkkafjes) in pluimen of aarvormige bloeiwijzen.
N.B. In de meerderheid van de gevallen is het zeer moeilijk uit te maken wat kelkkafjes en wat
kroonkafjes zijn, omdat het aantal kroonkafjes vaak wisselt. In al die gevallen wordt in de
tabel gesproken over slechts één kroonkafje, waarmee bedoeld is het kafje dat direct onder
de bloem is gezeten; alle andere, lager gezeten kafjes zijn dan kelkkafjes genoemd.
1a. Bladeren langgesteeld met een opvallend breede bladschijf; bloeiwijze
een pluim met lange takken; aartjes éénslachtig in paren gezeten; het eene
aartje zittend met een ♀, het andere gesteeld met een ♂ bloem Pharus.
1b. Bladeren niet langgesteeld d. i. bladschijf onmiddellijk boven de
bladscheede ingehecht of met een zeer kort steeltje ermee verbonden 2
2a. Bloemen met meer dan 6, meest vele meeldraden, in onvertakte aren;
aartjes groepsgewijs bijeenstaand, meest een aantal aartjes met ♂ bloemen
staande om 1 of 2 met ♀ bloemen; bladeren breed, scheede aan den mond
vaak met lange haren bezet Pariana. A s m a t o e p i m p i n .
2b. Bloemen met 1–3 (of -6) meeldraden 3
3a. Mannelijke aartjes in een groote pluim aan het eind van den stengel; ♀
aartjes dicht gedrongen in meerdere rijen tot een kolf vereenigd, zijdelings
aan den stengel staande, omgeven door een scheede, waarbuiten de lange
stijlen der ♀ bloemen in een bos uitsteken Zea.
3b. Bloemen tweeslachtig of indien ze éénslachtig zijn, dan òf in hetzelfde
aartje òf in dezelfde bloeiwijze gemengd 4
3c. Bloemen éénslachtig en tweehuizig; in elk aartje 2 tot 4 bloemen, die
vrij ver van elkaar staan; het bovenste kelkkafje met een lange naald; asje
behaard, evenals de kafjes der ♀ bloemen, tusschen de afzonderlijke
bloemen met eene geleding; bloeiwijze een wijde pluim; vrucht door de
kafjes ingesloten; groote hooge halmen Gynerium. P i j l g r a s .
Page 119
4a. Bladeren met een duidelijke geleding tusschen bladschijf en
bladscheede, op deze geleding breekt het blad af; halmen forsch, van
onderen houtig, van duidelijke knoopen voorzien 5
4b. Bladeren zonder geleding tusschen bladschijf en bladscheede 6
5a. Bloemen met 6 meeldraden; aartjes met 2-vele bloemen langs de takken
van de bloeiwijze in groepen zittend; asje onder de bloem geleed; bloemen
2-slachtig òf de bovenste ♂ en sommige van de onderste steriel;
vruchtbeginsel aan den top behaard Bambusa, (incl. Guadua).
5b. Bloemen met 3 meeldraden; asje geleed tusschen de bloemen, na den
bloei in stukken uiteenvallend; aartjes met 2–7 tweeslachtige bloemen, of
de bovenste bloem éénslachtig; onderste 3–4 kafjes leeg, buitenste klein of
naaldvormig; vruchtbeginsel kaal Arthrostylidium.
6a. ♂ aartjes aan den top van een takje te voorschijnkomend uit een
bolvormig vergroeid hard dekblad, dat het ♀ aartje geheel insluit; halm
meermalen vertakt; vruchten groot, van buiten omsloten door het
steenharde, licht-blauw-grijze dekblad Coix, J o b s t r a n e n .
6b. ♂ en ♀ bloemen regelmatig over de aartjes of de bloeiwijze verdeeld;
♀ aartjes in ieder geval niet door een bolvormig dekblad ingesloten, òf
bloemen tweeslachtig 7
6c. In ieder aartje maar één bloem, bloem nooit tweeslachtig; aartjes
afzonderlijk gesteeld in een wijde pluim vereenigd, de ♂ in het onderste
deel aan de pluim; de ♀ in het bovenste deel van de pluim; kelkkafjes met
één naald, bladeren meest breed Olyra.
7a. Twee of meer tweeslachtige bloemen in een aartje 8
7b. Slechts één bloem in elk aartje of als er 2 zijn, dan alleen de bovenste
2-slachtig en vruchtdragend 13
8a. Aartjes in twee, dicht naast elkaar staande rijen langs de as, en zoo een
eenzijdige aar vormend 9
bladscheede, op deze geleding breekt het blad af; halmen forsch, van
onderen houtig, van duidelijke knoopen voorzien 5
4b. Bladeren zonder geleding tusschen bladschijf en bladscheede 6
5a. Bloemen met 6 meeldraden; aartjes met 2-vele bloemen langs de takken
van de bloeiwijze in groepen zittend; asje onder de bloem geleed; bloemen
2-slachtig òf de bovenste ♂ en sommige van de onderste steriel;
vruchtbeginsel aan den top behaard Bambusa, (incl. Guadua).
5b. Bloemen met 3 meeldraden; asje geleed tusschen de bloemen, na den
bloei in stukken uiteenvallend; aartjes met 2–7 tweeslachtige bloemen, of
de bovenste bloem éénslachtig; onderste 3–4 kafjes leeg, buitenste klein of
naaldvormig; vruchtbeginsel kaal Arthrostylidium.
6a. ♂ aartjes aan den top van een takje te voorschijnkomend uit een
bolvormig vergroeid hard dekblad, dat het ♀ aartje geheel insluit; halm
meermalen vertakt; vruchten groot, van buiten omsloten door het
steenharde, licht-blauw-grijze dekblad Coix, J o b s t r a n e n .
6b. ♂ en ♀ bloemen regelmatig over de aartjes of de bloeiwijze verdeeld;
♀ aartjes in ieder geval niet door een bolvormig dekblad ingesloten, òf
bloemen tweeslachtig 7
6c. In ieder aartje maar één bloem, bloem nooit tweeslachtig; aartjes
afzonderlijk gesteeld in een wijde pluim vereenigd, de ♂ in het onderste
deel aan de pluim; de ♀ in het bovenste deel van de pluim; kelkkafjes met
één naald, bladeren meest breed Olyra.
7a. Twee of meer tweeslachtige bloemen in een aartje 8
7b. Slechts één bloem in elk aartje of als er 2 zijn, dan alleen de bovenste
2-slachtig en vruchtdragend 13
8a. Aartjes in twee, dicht naast elkaar staande rijen langs de as, en zoo een
eenzijdige aar vormend 9
Page 120
8b. Aartje niet in twee rijen langs de as staande, doch in een verschillend
gevormde pluim staand 11
9a. Aren niet op hetzelfde punt van de halm bijeenstaand, doch langs de
bovenzijde van de halm verdeeld; 6 bloemen per aartje, de kafjes meest kort
genaald, soms ook bijna zonder naald; groote planten Leptochloa.
9b. Aren in een groep van 2 tot vele aan het eind van de halm bijeenstaand
10
10a. Aar met een bloem aan den top eindigend; kafjes
samengedrukt, gekield, ongenaald; aren vrij smal; 4–8 bloemen per aartje
Eleusine, Mangras.
10b. Aar zonder bloem aan den top, doch de as
met een puntje buiten het bloemdragende deel voortgezet; kafjes met
duidelijke doch korte naalden; aren dik en kort; 3–5 bloemen per aartje
Dactyloctenium.
11a. Slechts 2 bloemen per aartje, soms maar één,
meest tweeslachtig, een enkele maal ♀ of ♂; aartjes op lange steelen
afzonderlijk staand, te zamen een zeer wijde pluim vormend; kafjes met een
kiel, aan den punt gestekeld doch zonder naald Orthoclada.
11b. Talrijke bloemen in elk aartje, meest tweeslachtig, soms ook enkele ♂
of ♀ 12
12a. Onderste kroonkafje met 1–3 nerven; aartje gesteeld of zittend, een
pluim of een smalle aarvormige pluim vormend; alle kafjes vliezig en
ongenaald, kroonkafjes na de bloei blijvend Eragrostis.
12b. Onderste kroonkafje met 5 tot vele nerven, de zijnerven boogvormig
naar de middennerf toeloopend; aartjes meest in een losse pluim;
kroonkafjes vaak stomp Poa.
13a. Meeldraden 6; aartjes éénbloemig, alleenstaand op steelen; bloeiwijze
een pluim; kelkkafjes 4, de beide onderste klein, de 2 bovenste veel grooter,
hard, zijdelings samengedrukt met een scherpe kiel, ongenaald; kroonkafje
ontbrekend Oryza, R i j s t , a l e e s i .
gevormde pluim staand 11
9a. Aren niet op hetzelfde punt van de halm bijeenstaand, doch langs de
bovenzijde van de halm verdeeld; 6 bloemen per aartje, de kafjes meest kort
genaald, soms ook bijna zonder naald; groote planten Leptochloa.
9b. Aren in een groep van 2 tot vele aan het eind van de halm bijeenstaand
10
10a. Aar met een bloem aan den top eindigend; kafjes
samengedrukt, gekield, ongenaald; aren vrij smal; 4–8 bloemen per aartje
Eleusine, Mangras.
10b. Aar zonder bloem aan den top, doch de as
met een puntje buiten het bloemdragende deel voortgezet; kafjes met
duidelijke doch korte naalden; aren dik en kort; 3–5 bloemen per aartje
Dactyloctenium.
11a. Slechts 2 bloemen per aartje, soms maar één,
meest tweeslachtig, een enkele maal ♀ of ♂; aartjes op lange steelen
afzonderlijk staand, te zamen een zeer wijde pluim vormend; kafjes met een
kiel, aan den punt gestekeld doch zonder naald Orthoclada.
11b. Talrijke bloemen in elk aartje, meest tweeslachtig, soms ook enkele ♂
of ♀ 12
12a. Onderste kroonkafje met 1–3 nerven; aartje gesteeld of zittend, een
pluim of een smalle aarvormige pluim vormend; alle kafjes vliezig en
ongenaald, kroonkafjes na de bloei blijvend Eragrostis.
12b. Onderste kroonkafje met 5 tot vele nerven, de zijnerven boogvormig
naar de middennerf toeloopend; aartjes meest in een losse pluim;
kroonkafjes vaak stomp Poa.
13a. Meeldraden 6; aartjes éénbloemig, alleenstaand op steelen; bloeiwijze
een pluim; kelkkafjes 4, de beide onderste klein, de 2 bovenste veel grooter,
hard, zijdelings samengedrukt met een scherpe kiel, ongenaald; kroonkafje
ontbrekend Oryza, R i j s t , a l e e s i .
Page 121
13b. Meeldraden 1–3 per bloem 14
14a. Aartjes paarsgewijs aan de as van de aar bevestigd, meest ongelijk van
vorm, de een gesteeld, de andere zittend 15
14b. Aartjes niet twee aan twee aan de as van de aar zittend, wel soms in 2
rijen, maar dan de beide steeltjes niet op één punt vastzittend; indien de
aartjes soms twee aan twee staan (bij sommige Paspalum-soorten) dan zijn
de steeltjes even lang en de aartjes gelijk van vorm 20
15a. As van de aar plat met groote holten die aan de buitenzijde afgesloten
worden door het onderste kafje van een aartje; in de aldus gevormde holte
zit de bloem; het zittende aartje van elk paar is tweeslachtig, het gesteelde
♀; bloeiwijze een enkelvoudige aar, die uit de oksels van de bladeren te
voorschijn komt Manisuris.
15b. As van de aar zonder holten 16
16a. Beide aartjes van elk paar met een tweeslachtige bloem of de een met
een tweeslachtige, de andere met een ♀ bloem, in ieder geval beide
vruchtdragend 17
16b. Van elk paar aartjes heeft de een een tweeslachtige bloem, de andere
alleen een ♂ bloem of bloemen 18
17a. Aren 2 tot vele bij elkaar, aan het eind van den halm zittend; in het
zittende aartje van elk paar vindt men onder de tweeslachtige bloem ook
nog een ♂ bloem; een van de kafjes langgenaald Ischaemum.
17b. Aren niet bij elkaar aan de halm staand, doch een vertakte pluim
vormend, alle aartjes eenbloemig, het zittende tweeslachtig, het gesteelde
eraan gelijk of alleen ♀; kafjes spits doch ongenaald Saccharum.
18a. Het zittende aartje met twee bloemen, een bovenste tweeslachtige en
een onderste ♂ bloem; het bovenste kafje genaald; het gesteelde aartje van
het paar met 1 of 2 ♂ bloemen Ischaemum.
14a. Aartjes paarsgewijs aan de as van de aar bevestigd, meest ongelijk van
vorm, de een gesteeld, de andere zittend 15
14b. Aartjes niet twee aan twee aan de as van de aar zittend, wel soms in 2
rijen, maar dan de beide steeltjes niet op één punt vastzittend; indien de
aartjes soms twee aan twee staan (bij sommige Paspalum-soorten) dan zijn
de steeltjes even lang en de aartjes gelijk van vorm 20
15a. As van de aar plat met groote holten die aan de buitenzijde afgesloten
worden door het onderste kafje van een aartje; in de aldus gevormde holte
zit de bloem; het zittende aartje van elk paar is tweeslachtig, het gesteelde
♀; bloeiwijze een enkelvoudige aar, die uit de oksels van de bladeren te
voorschijn komt Manisuris.
15b. As van de aar zonder holten 16
16a. Beide aartjes van elk paar met een tweeslachtige bloem of de een met
een tweeslachtige, de andere met een ♀ bloem, in ieder geval beide
vruchtdragend 17
16b. Van elk paar aartjes heeft de een een tweeslachtige bloem, de andere
alleen een ♂ bloem of bloemen 18
17a. Aren 2 tot vele bij elkaar, aan het eind van den halm zittend; in het
zittende aartje van elk paar vindt men onder de tweeslachtige bloem ook
nog een ♂ bloem; een van de kafjes langgenaald Ischaemum.
17b. Aren niet bij elkaar aan de halm staand, doch een vertakte pluim
vormend, alle aartjes eenbloemig, het zittende tweeslachtig, het gesteelde
eraan gelijk of alleen ♀; kafjes spits doch ongenaald Saccharum.
18a. Het zittende aartje met twee bloemen, een bovenste tweeslachtige en
een onderste ♂ bloem; het bovenste kafje genaald; het gesteelde aartje van
het paar met 1 of 2 ♂ bloemen Ischaemum.
Page 122
18b. Tenminste het aartje met de tweeslachtige of ♀ bloem éénbloemig
19
19a. Het aartje met de ♂ bloem zittend of kortgesteeld, dat met de
tweeslachtige bloem langgesteeld; het bovenste kelkkafje in de
tweeslachtige bloem voorzien van een lange behaarde naald; aren
groepsgewijs aan het eind van den halm staande Trachypogon.
19b. Het aartje met de ♂ bloemen gesteeld, dat met de tweeslachtige of ♀
bloem zittend; bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem genaald of
ongenaald; aren alleenstaand of aan den top van den helm in een groep bij
elkaar of tot samengestelde pluimen vereenigd
Andropogon, V é t i v e r t .
20a. Aartjes steeds eenbloemig, de beide
onderste kelkkafjes met lange, witte, zijdeachtige haren bezet; de beide
bovenste kelkkafjes kaal; bloem tweeslachtig met één meeldraad;
bloeiwijze een pluim met opgerichte takken, zoodat het geheel op een aar
gelijkt Imperata.
20b. Aartjes één- of 2-bloemig; meeldraden bijna steeds 3 (soms 2) per
bloem 21
21a. Aartjes aan den voet met een massa borstelige haren of stekels;
geheele bloeiwijze aarvormig 22
21b. Aartjes zonder borstelige haren of stekels aan den voet, of indien er
haren aanwezig zijn, dan zijn de kelkkafjes zelf met dunne haren bezet
23
22a. Aartjes omgeven door een omhulsel dat met borstelige haren
of stekels bezet is, en dat met het geheele aartje en de vrucht afvalt; aar vrij
ijl, bezet met groepsgewijs- of alleenstaande aartjes; elk aartje met een
tweeslachtige bloem of met een tweeslachtige en daaronder een ♂ bloem
Cenchrus.
22b. Borstelvormige haren of stekels niet tot een omhulsel
vergroeid; daardoor ook aan de as zitten blijvend, als de vrucht met het
aartje afvalt; aartjes zeer dicht opeengedrongen aan de as staand; bloemen
als de vorige Setaria.
19
19a. Het aartje met de ♂ bloem zittend of kortgesteeld, dat met de
tweeslachtige bloem langgesteeld; het bovenste kelkkafje in de
tweeslachtige bloem voorzien van een lange behaarde naald; aren
groepsgewijs aan het eind van den halm staande Trachypogon.
19b. Het aartje met de ♂ bloemen gesteeld, dat met de tweeslachtige of ♀
bloem zittend; bovenste kelkkafje in de tweeslachtige bloem genaald of
ongenaald; aren alleenstaand of aan den top van den helm in een groep bij
elkaar of tot samengestelde pluimen vereenigd
Andropogon, V é t i v e r t .
20a. Aartjes steeds eenbloemig, de beide
onderste kelkkafjes met lange, witte, zijdeachtige haren bezet; de beide
bovenste kelkkafjes kaal; bloem tweeslachtig met één meeldraad;
bloeiwijze een pluim met opgerichte takken, zoodat het geheel op een aar
gelijkt Imperata.
20b. Aartjes één- of 2-bloemig; meeldraden bijna steeds 3 (soms 2) per
bloem 21
21a. Aartjes aan den voet met een massa borstelige haren of stekels;
geheele bloeiwijze aarvormig 22
21b. Aartjes zonder borstelige haren of stekels aan den voet, of indien er
haren aanwezig zijn, dan zijn de kelkkafjes zelf met dunne haren bezet
23
22a. Aartjes omgeven door een omhulsel dat met borstelige haren
of stekels bezet is, en dat met het geheele aartje en de vrucht afvalt; aar vrij
ijl, bezet met groepsgewijs- of alleenstaande aartjes; elk aartje met een
tweeslachtige bloem of met een tweeslachtige en daaronder een ♂ bloem
Cenchrus.
22b. Borstelvormige haren of stekels niet tot een omhulsel
vergroeid; daardoor ook aan de as zitten blijvend, als de vrucht met het
aartje afvalt; aartjes zeer dicht opeengedrongen aan de as staand; bloemen
als de vorige Setaria.
Page 123
23a. Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje schijnbaar eindelings
zittend, dus het asje afsluitend 24
23b. Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje zijdelings zittend, zoodat
het asje zich nog verder boven de bloem voortzet 31
24a. Hoofdas van de halm afgeplat, voorzien van zeer korte zijassen, die
ieder zijdelings 1–5 aartjes dragen; deze zijn dicht tegen de hoofdas
aangedrukt, zoodat het geheel den indruk maakt van een enkelvoudige aar;
planten min of meer kruipend Stenotaphrum.
24b. Bloeiwijze bestaande uit een of meer lange aren, waarvan de assen
bezet zijn met zittende of gesteelde aartjes, of bloeiwijze een wijde pluim
25
25a. Elk aartje met 3 (of 2) kelkkafjes en één kroonkafje; slechts
één bloem per aartje 26
25b. Elk aartje met 4 kelkkafjes en één kroonkafje, het derde kelkkafje
soms met een ♂ bloem in den oksel, het vierde steeds met een tweeslachtige
bloem 30
26a. Kelkkafjes smal, de beide onderste met een kiel, het bovenste met een
lange 3-deelige naald; 2 lodiculae aanwezig; asje van het aartje geleed
boven de beide onderste kelkkafjes, zoodat deze na het uitvallen der bloem
blijven zitten. Bloemen in pluimen of schijnaren Aristida.
26b. Kafjes ongenaald of (bij Eriochloa) zeer kort genaald; geleding van
het asje, indien aanwezig, onder de kafjes 27
27a. Direct onder het onderste kafje van het aartje, boven de geleding, zit
een meest gekleurde verdikking van het asje; aartjes regelmatig langs de as
staande in aren, en deze weer tot een pluim vereenigd; onderste kelkkafjes
spits, behaard, het derde hard, met een korte naald, die niet buiten het aartje
uitsteekt. Kroonkafje zonder naald, doch overigens gelijkend op het
bovenste kelkkafje Eriochloa.
27b. Asje onder het aartje zonder woekering, hoogstens met een geleding
zittend, dus het asje afsluitend 24
23b. Bovenste tweeslachtige bloem in het aartje zijdelings zittend, zoodat
het asje zich nog verder boven de bloem voortzet 31
24a. Hoofdas van de halm afgeplat, voorzien van zeer korte zijassen, die
ieder zijdelings 1–5 aartjes dragen; deze zijn dicht tegen de hoofdas
aangedrukt, zoodat het geheel den indruk maakt van een enkelvoudige aar;
planten min of meer kruipend Stenotaphrum.
24b. Bloeiwijze bestaande uit een of meer lange aren, waarvan de assen
bezet zijn met zittende of gesteelde aartjes, of bloeiwijze een wijde pluim
25
25a. Elk aartje met 3 (of 2) kelkkafjes en één kroonkafje; slechts
één bloem per aartje 26
25b. Elk aartje met 4 kelkkafjes en één kroonkafje, het derde kelkkafje
soms met een ♂ bloem in den oksel, het vierde steeds met een tweeslachtige
bloem 30
26a. Kelkkafjes smal, de beide onderste met een kiel, het bovenste met een
lange 3-deelige naald; 2 lodiculae aanwezig; asje van het aartje geleed
boven de beide onderste kelkkafjes, zoodat deze na het uitvallen der bloem
blijven zitten. Bloemen in pluimen of schijnaren Aristida.
26b. Kafjes ongenaald of (bij Eriochloa) zeer kort genaald; geleding van
het asje, indien aanwezig, onder de kafjes 27
27a. Direct onder het onderste kafje van het aartje, boven de geleding, zit
een meest gekleurde verdikking van het asje; aartjes regelmatig langs de as
staande in aren, en deze weer tot een pluim vereenigd; onderste kelkkafjes
spits, behaard, het derde hard, met een korte naald, die niet buiten het aartje
uitsteekt. Kroonkafje zonder naald, doch overigens gelijkend op het
bovenste kelkkafje Eriochloa.
27b. Asje onder het aartje zonder woekering, hoogstens met een geleding
Page 124
28a. Aartjes duidelijk in twee rijen langs de as van de aar gezeten 28
en tegen de as aangedrukt; kelkkafjes 2 of 3, het onderste of de beide
onderste klein en dun, het bovenste eirond en hard; aren soms alleenstaand
aan het eind van den halm, of in groepen, soms ook een pluim vormend
Paspalum.
28b. Aartjes eenbloemig, tot éénzijdige aren vereenigd, aan
de as zittend of bijna zittend in twee rijen, dicht over elkaar liggend; de aren
op hun beurt weer aarvormig langs het boveneind van den halm zittend
opgericht en tegen den halm aangedrukt; de beide onderste kelkkafjes smal
en gekield, het bovenste vliezig Spartina.
28c. Aartjes niet in twee rijen langs de as staande doch een onregelmatig
vertakte, soms min of meer aarvormige pluim vormend 29
29a. Pluim vrij wijd lang behaard; de 3 kelkkafjes vliezig; kroonkafje
tijdens den bloei dunvliezig, later verhardend en de vrucht omsluitend;
aartje duidelijk geleed met de as Leptocoryphium.
29b. Pluim smal met opgerichte takken, onbehaard of kort-behaard; aartje
niet duidelijk geleed met de as; vrucht geheel vrij van de kafjes
Sporobolus.
30a. Bovenste kelkkafje aan den voet met een
aanhangsel; aartjes kortgesteeld aan de takken van een pluim
Ichnanthus.
30b. Bovenste kelkkafje zonder aanhangsel aan den voet;
onderste kelkkafje zeer klein, 2de en 3de grooter, stomp of genaald, het
derde soms met een ♂ bloem, het 4de kelkkafje steeds ongenaald en hard,
het kroonkafje insluitend; bloeiwijzen zeer verschillend; aartjes soms
gesteeld in wijde pluimen, soms in aren en deze te samen een pluim
vormend, soms ook minder samengesteld Panicum P a a r d e n g r a s .
31a. Aartjes vereenigd tot eenzijdige aren, deze aren staan langs het
bovendeel van den halm verspreid en vormen een pluim; de beide onderste
kelkkafjes spits of kortgenaald; het 3de met een lange rechte naald; asje van
het aartje boven de bloem voortgezet en daar een langgenaald kafje of
alleen een naald dragend Gymnopogon.
en tegen de as aangedrukt; kelkkafjes 2 of 3, het onderste of de beide
onderste klein en dun, het bovenste eirond en hard; aren soms alleenstaand
aan het eind van den halm, of in groepen, soms ook een pluim vormend
Paspalum.
28b. Aartjes eenbloemig, tot éénzijdige aren vereenigd, aan
de as zittend of bijna zittend in twee rijen, dicht over elkaar liggend; de aren
op hun beurt weer aarvormig langs het boveneind van den halm zittend
opgericht en tegen den halm aangedrukt; de beide onderste kelkkafjes smal
en gekield, het bovenste vliezig Spartina.
28c. Aartjes niet in twee rijen langs de as staande doch een onregelmatig
vertakte, soms min of meer aarvormige pluim vormend 29
29a. Pluim vrij wijd lang behaard; de 3 kelkkafjes vliezig; kroonkafje
tijdens den bloei dunvliezig, later verhardend en de vrucht omsluitend;
aartje duidelijk geleed met de as Leptocoryphium.
29b. Pluim smal met opgerichte takken, onbehaard of kort-behaard; aartje
niet duidelijk geleed met de as; vrucht geheel vrij van de kafjes
Sporobolus.
30a. Bovenste kelkkafje aan den voet met een
aanhangsel; aartjes kortgesteeld aan de takken van een pluim
Ichnanthus.
30b. Bovenste kelkkafje zonder aanhangsel aan den voet;
onderste kelkkafje zeer klein, 2de en 3de grooter, stomp of genaald, het
derde soms met een ♂ bloem, het 4de kelkkafje steeds ongenaald en hard,
het kroonkafje insluitend; bloeiwijzen zeer verschillend; aartjes soms
gesteeld in wijde pluimen, soms in aren en deze te samen een pluim
vormend, soms ook minder samengesteld Panicum P a a r d e n g r a s .
31a. Aartjes vereenigd tot eenzijdige aren, deze aren staan langs het
bovendeel van den halm verspreid en vormen een pluim; de beide onderste
kelkkafjes spits of kortgenaald; het 3de met een lange rechte naald; asje van
het aartje boven de bloem voortgezet en daar een langgenaald kafje of
alleen een naald dragend Gymnopogon.
Page 125
31b. Aartjes als bij de vorige tot eenzijdige aren vereenigd, doch deze
handvormig bij elkaar aan het eind van den stengel staand 32
32a. De 3 kelkkafjes en het kroonkafje ongeveer even lang, ongenaald; de
bovenste met 1 of 2 behaarde kielen, as van het aartje boven de bloem
voortgezet als een puntje zonder verdere schubben of kafjes Cynodon.
32b. De 2 onderste kelkkafjes ongelijk van grootte, smal en plat, gekield,
ongenaald; het 3de langbehaard, genaald (of soms ongenaald); kroonkafje
groot met 2 kielen Chloris.
20. Cyperaceae.
Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, naakt, of zelden met een enkelvoudig
bloemdek; meeldraden meest 3–1, zelden meer; vruchtbeginsel eenhokkig
met 1 zaadknop en met 3 of 2 stijlen met draadvormige stempels; zaad niet
met de vruchtwand vergroeid; kruiden met meest scherp driekantige, zelden
gelede en van knoopen voorziene stengels en smalle bladeren met gesloten
scheeden; bloemen in aartjes-achtige trosjes, die tot aar- of pluimvormige
bloeiwijzen vereenigd zijn.
1a. De bloemen, die een vruchtbeginsel hebben, hebben steeds óók
meeldraden; daarnaast komen ook alléén ♂ bloemen voor. (Zie ook 18a en
24 van deze lijst) 2
1b. Alle bloemen éénslachtig 18
2a. Hoogstens 2 (soms ook maar 1 of geen enkel) van de onderste kafjes
der aartjes zonder bloemen 3
2b. Drie tot meer van de onderste kafjes zonder bloemen 14
3a. Kafjes in 2 rijen 4
3b. Kafjes in 3 tot meer rijen 9
handvormig bij elkaar aan het eind van den stengel staand 32
32a. De 3 kelkkafjes en het kroonkafje ongeveer even lang, ongenaald; de
bovenste met 1 of 2 behaarde kielen, as van het aartje boven de bloem
voortgezet als een puntje zonder verdere schubben of kafjes Cynodon.
32b. De 2 onderste kelkkafjes ongelijk van grootte, smal en plat, gekield,
ongenaald; het 3de langbehaard, genaald (of soms ongenaald); kroonkafje
groot met 2 kielen Chloris.
20. Cyperaceae.
Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, naakt, of zelden met een enkelvoudig
bloemdek; meeldraden meest 3–1, zelden meer; vruchtbeginsel eenhokkig
met 1 zaadknop en met 3 of 2 stijlen met draadvormige stempels; zaad niet
met de vruchtwand vergroeid; kruiden met meest scherp driekantige, zelden
gelede en van knoopen voorziene stengels en smalle bladeren met gesloten
scheeden; bloemen in aartjes-achtige trosjes, die tot aar- of pluimvormige
bloeiwijzen vereenigd zijn.
1a. De bloemen, die een vruchtbeginsel hebben, hebben steeds óók
meeldraden; daarnaast komen ook alléén ♂ bloemen voor. (Zie ook 18a en
24 van deze lijst) 2
1b. Alle bloemen éénslachtig 18
2a. Hoogstens 2 (soms ook maar 1 of geen enkel) van de onderste kafjes
der aartjes zonder bloemen 3
2b. Drie tot meer van de onderste kafjes zonder bloemen 14
3a. Kafjes in 2 rijen 4
3b. Kafjes in 3 tot meer rijen 9
Page 126
4a. Stijl met 2 takken 5
4b. Stijl met 3 takken 7
5a. Nootje aan rug- en buikzijde afgeplat, zoodat de grootste breedte naar
de as van het aartje toegekeerd is. Aartjes 5–6-bloemig, as van het aartje na
den bloei blijvend. Onderste 2 kafjes zonder bloemen, blijvend, de volgende
in 2 rijen. Meeldraden 1–3. Naakte halm met één hoofdje van aartjes aan
het eind Juncellus (Cyperus).
5b. Nootje zijdelings samengedrukt, zoodat de smalste kant naar de as
toegekeerd is 6
6a. As van het aartje boven de twee onderste leege kafjes afvallend, vóór
het afvallen is op die plaats een geleding in de as te zien. Aartjes met 4–5
kafjes. Meestal draagt alleen het derde een bloem en zijn de twee kafjes aan
den top ook leeg, evenals de beide onderste. Aartjes in één of meer zittende
hoofdjes aan den top van den kalen stengel; onder de hoofdjes 2–4 bladeren
Kyllingia.
6b. Deel van de as boven de beide onderste leege kafjes niet
afvallend. Aartjes met 5–6-∞ kafjes, waarvan er minstens 4 bloemen dragen
en er slechts weinigen aan den top leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1.
Aartjes aan den top van de assen, welke te samen weer schermvormig aan
het einde van den bloeistengel staan. Direct onder het scherm eenige
bladeren in een krans; halm overigens naakt Pycreus (Cyperus).
7a. As van het aartje boven de 2 onderste kafjes niet afvallend. Aartjes 5–6-
∞ bloemig, waarvan er minstens 4 bloemen dragen, terwijl enkele van de
bovenste leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Noot 3-hoekig, soms van
voren een weinig samengedrukt. Halm naakt; aartjes tros- of handvormig
samengesteld en deze trossen in een scherm aan het eind van den stengel
staande of soms tot een hoofdje bijeenkomend Cyperus.
7b. As van het aartje boven de 2 onderste kafjes na den bloei afvallend
8
8a. As van het aartje in zijn geheel afvallend, 1-weinig-veelbloemig.
Vruchtdragende kafjes blijvend. Bladeren lang, smal en groen; overigens als
4b. Stijl met 3 takken 7
5a. Nootje aan rug- en buikzijde afgeplat, zoodat de grootste breedte naar
de as van het aartje toegekeerd is. Aartjes 5–6-bloemig, as van het aartje na
den bloei blijvend. Onderste 2 kafjes zonder bloemen, blijvend, de volgende
in 2 rijen. Meeldraden 1–3. Naakte halm met één hoofdje van aartjes aan
het eind Juncellus (Cyperus).
5b. Nootje zijdelings samengedrukt, zoodat de smalste kant naar de as
toegekeerd is 6
6a. As van het aartje boven de twee onderste leege kafjes afvallend, vóór
het afvallen is op die plaats een geleding in de as te zien. Aartjes met 4–5
kafjes. Meestal draagt alleen het derde een bloem en zijn de twee kafjes aan
den top ook leeg, evenals de beide onderste. Aartjes in één of meer zittende
hoofdjes aan den top van den kalen stengel; onder de hoofdjes 2–4 bladeren
Kyllingia.
6b. Deel van de as boven de beide onderste leege kafjes niet
afvallend. Aartjes met 5–6-∞ kafjes, waarvan er minstens 4 bloemen dragen
en er slechts weinigen aan den top leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1.
Aartjes aan den top van de assen, welke te samen weer schermvormig aan
het einde van den bloeistengel staan. Direct onder het scherm eenige
bladeren in een krans; halm overigens naakt Pycreus (Cyperus).
7a. As van het aartje boven de 2 onderste kafjes niet afvallend. Aartjes 5–6-
∞ bloemig, waarvan er minstens 4 bloemen dragen, terwijl enkele van de
bovenste leeg of steriel zijn. Meeldraden 3–1. Noot 3-hoekig, soms van
voren een weinig samengedrukt. Halm naakt; aartjes tros- of handvormig
samengesteld en deze trossen in een scherm aan het eind van den stengel
staande of soms tot een hoofdje bijeenkomend Cyperus.
7b. As van het aartje boven de 2 onderste kafjes na den bloei afvallend
8
8a. As van het aartje in zijn geheel afvallend, 1-weinig-veelbloemig.
Vruchtdragende kafjes blijvend. Bladeren lang, smal en groen; overigens als
Page 127
Cyperus Mariscus.
8b. As van het aartje in stukken uiteenvallend, elk stuk met één
vruchtdragend kafje. Aartje met 4–16 vruchtdragende kafjes, cylindrisch,
zeer lang en dun, samengesteld tot trossen, en deze weer één of meervoudig
in schermen bijeenkomend. Halm, behalve onder de bloeiwijze, naakt
Torulinium (Cyperus).
9a. Stijlen aan de basis opgezwollen, scherp
gescheiden van den top van den noot 10
9b. Stijlen aan de basis niet opgezwollen, geleidelijk overgaand in den top
van den noot 12
10a. Rondom het vruchtbeginsel staan 3–8 haren, die vaak met
weerhaakjes bezet zijn. Kafjes zeer talrijk, meest stomp. Meeldraden 3–1;
stijl met 2 of 3 takken, kaal. Halm geheel (ook aan den voet) zonder
bladeren, met één hoofdje aan den top Heleocharis.
10b. Geen stekels om het vruchtbeginsel; plant meest met bladeren 11
11a. Stijl blijvend aan den noot, òf zoo de stijl afvalt, dan valt ook de
verdikte stijlbasis af. Kafjes talrijk, dakpansgewijs over elkaar liggend,
velen ervan vruchtdragend. Meeldraden 3–1; stijl met 3 of 2 takken. Nootje
3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in losse 1 of meermaal samengestelde
schermen aan het eind van den stengel Fimbristylis.
11b. Stijl afvallend, doch de verdikte en anders gekleurde stijlbasis aan den
noot blijvend. Vruchtdragende kafjes meest een weinig behaard; takken van
den stijl steeds 3, meeldraden 3–1, nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of
in groepen bijeen, soms tot schermen vereenigd, soms 1 hoofdje aan het
eind van den stengel vormend. Bladeren zeer smal, soms naaldvormig
Bulbostylis.
12a. Zoowel de plant als de aartjes kaal of bijna kaal
13
12b. Plant min of meer, doch vooral de aartjes duidelijk behaard.
Onder het vruchtbeginsel 3 eironde schubjes. Kafjes behaard, aan den top
8b. As van het aartje in stukken uiteenvallend, elk stuk met één
vruchtdragend kafje. Aartje met 4–16 vruchtdragende kafjes, cylindrisch,
zeer lang en dun, samengesteld tot trossen, en deze weer één of meervoudig
in schermen bijeenkomend. Halm, behalve onder de bloeiwijze, naakt
Torulinium (Cyperus).
9a. Stijlen aan de basis opgezwollen, scherp
gescheiden van den top van den noot 10
9b. Stijlen aan de basis niet opgezwollen, geleidelijk overgaand in den top
van den noot 12
10a. Rondom het vruchtbeginsel staan 3–8 haren, die vaak met
weerhaakjes bezet zijn. Kafjes zeer talrijk, meest stomp. Meeldraden 3–1;
stijl met 2 of 3 takken, kaal. Halm geheel (ook aan den voet) zonder
bladeren, met één hoofdje aan den top Heleocharis.
10b. Geen stekels om het vruchtbeginsel; plant meest met bladeren 11
11a. Stijl blijvend aan den noot, òf zoo de stijl afvalt, dan valt ook de
verdikte stijlbasis af. Kafjes talrijk, dakpansgewijs over elkaar liggend,
velen ervan vruchtdragend. Meeldraden 3–1; stijl met 3 of 2 takken. Nootje
3-hoekig. Aartjes alleenstaand of in losse 1 of meermaal samengestelde
schermen aan het eind van den stengel Fimbristylis.
11b. Stijl afvallend, doch de verdikte en anders gekleurde stijlbasis aan den
noot blijvend. Vruchtdragende kafjes meest een weinig behaard; takken van
den stijl steeds 3, meeldraden 3–1, nootje 3-hoekig. Aartjes alleenstaand of
in groepen bijeen, soms tot schermen vereenigd, soms 1 hoofdje aan het
eind van den stengel vormend. Bladeren zeer smal, soms naaldvormig
Bulbostylis.
12a. Zoowel de plant als de aartjes kaal of bijna kaal
13
12b. Plant min of meer, doch vooral de aartjes duidelijk behaard.
Onder het vruchtbeginsel 3 eironde schubjes. Kafjes behaard, aan den top
Page 128
gestekeld; aartjes vrij groot, tot 1 c.M. lang, langs het bovenste deel van den
halm een lange samengestelde bloeiwijze vormend. Halm bebladerd
Fuirena.
13a. Onder het vruchtbeginsel 2 hyaline schubjes, de een
naar de as toegekeerd, de andere ervan af gekeerd, grooter dan de noot. Stijl
vrij klein met 2 of 3 takken. Halmen alleen aan de basis en onder de
bloeiwijzen bladeren dragend. Aartjes tot één hoofdje samenkomend aan
het eind van den stengel Lipocarpha.
13b. Onder het vruchtbeginsel nooit 2 schubben, (in één enkel geval één
zijdelingsche schub), doch 0-vele haren. Aartjes met vele vruchtjes. De
onderste 0–2 kafjes leeg, kaal behalve aan de randen. Stijl met 2–3 takken.
Halmen naakt Scirpus.
14a. Stijl met twee takken 15
14b. Stijl met drie takken 17
15a. Haren onder het vruchtbeginsel afwezig, of indien ze aanwezig zijn,
onvertakt, draadvormig 16
15b. Haren onder het vruchtbeginsel 6–3 in getal; over de geheele lengte
met kortere zijtakken bezet. Kafjes dakpansgewijs over elkaar liggend, de
3–4 onderste leeg; daarboven vele vruchtdragende, de bovenste òf alleen
met ♂ of met steriele bloemen. Stijl lang, met 2 lange takken; stijlbasis
kegelvormig, blijvend. Halm bebladerd, bloeiwijze klein, trosvormig, in den
oksel van de bladeren staand Pleurostachys.
16a. Haren onder het vruchtbeginsel afwezig; vele van de onderste kafjes
leeg; slechts 1–3 daarboven vruchtdragend, de bovenste of met ♂ of met
steriele bloemen; 3–2 meeldraden. Stijl lang met 2 dunne takken die langer
zijn dan de stijl zelf. Kleine planten met smalle bladeren en maar één meest
wit of bruinachtig hoofdje van weinig aartjes aan het eind van den naakten
halm, die alleen direct onder de bloeiwijze eenige bladeren draagt
Dichromena.
16b. Haren onder het vruchtbeginsel soms afwezig,
soms aanwezig. Drie tot vele van de onderste kafjes leeg, de volgende 1 tot
halm een lange samengestelde bloeiwijze vormend. Halm bebladerd
Fuirena.
13a. Onder het vruchtbeginsel 2 hyaline schubjes, de een
naar de as toegekeerd, de andere ervan af gekeerd, grooter dan de noot. Stijl
vrij klein met 2 of 3 takken. Halmen alleen aan de basis en onder de
bloeiwijzen bladeren dragend. Aartjes tot één hoofdje samenkomend aan
het eind van den stengel Lipocarpha.
13b. Onder het vruchtbeginsel nooit 2 schubben, (in één enkel geval één
zijdelingsche schub), doch 0-vele haren. Aartjes met vele vruchtjes. De
onderste 0–2 kafjes leeg, kaal behalve aan de randen. Stijl met 2–3 takken.
Halmen naakt Scirpus.
14a. Stijl met twee takken 15
14b. Stijl met drie takken 17
15a. Haren onder het vruchtbeginsel afwezig, of indien ze aanwezig zijn,
onvertakt, draadvormig 16
15b. Haren onder het vruchtbeginsel 6–3 in getal; over de geheele lengte
met kortere zijtakken bezet. Kafjes dakpansgewijs over elkaar liggend, de
3–4 onderste leeg; daarboven vele vruchtdragende, de bovenste òf alleen
met ♂ of met steriele bloemen. Stijl lang, met 2 lange takken; stijlbasis
kegelvormig, blijvend. Halm bebladerd, bloeiwijze klein, trosvormig, in den
oksel van de bladeren staand Pleurostachys.
16a. Haren onder het vruchtbeginsel afwezig; vele van de onderste kafjes
leeg; slechts 1–3 daarboven vruchtdragend, de bovenste of met ♂ of met
steriele bloemen; 3–2 meeldraden. Stijl lang met 2 dunne takken die langer
zijn dan de stijl zelf. Kleine planten met smalle bladeren en maar één meest
wit of bruinachtig hoofdje van weinig aartjes aan het eind van den naakten
halm, die alleen direct onder de bloeiwijze eenige bladeren draagt
Dichromena.
16b. Haren onder het vruchtbeginsel soms afwezig,
soms aanwezig. Drie tot vele van de onderste kafjes leeg, de volgende 1 tot
Page 129
vele vruchtdragend, de bovenste met ♂ bloemen of leeg. Meeldraden 3–2;
stijl soms als Dichromena, soms met veel kortere takken. Bloeiwijzen òf
meerdere aan den halm, òf slechts één, maar dan bolvormig en
samengesteld uit zeer veel aartjes Rhynchospora.
17a. Groote planten. Aartjes met 2–4 leege kafjes van onderen, daarboven
1–4 vruchtdragende kafjes. Stijl aan de basis verdikt met 3 lange takken.
Bloeiwijze sterk vertakt, verlengd Cladium.
17b. Kleine strandplanten. Aartjes zeer kort, met 3 leege kafjes en alleen
het 4de bovenste een tweeslachtige bloem, later een vrucht dragend. Stijl
geleidelijk in het vruchtbeginsel overgaand. Aartjes in korte trosjes staand;
eenige van die trosjes zittend aan het eind van den halm Remiria.
18a. Alle bloemen eenslachtig; de ♀ bloem in het aartje eindstandig, naakt;
daaromheen 2–10 ♂ bloemen, ieder met één meeldraad, zoodat men het
aartje aanziet voor een tweeslachtige bloem met 2–10 meeldraden 24
18b. Alle bloemen éénslachtig, de ♀ bloem meest niet naakt, maar van een
kafje voorzien; de ♂ duidelijke aartjes vormend 19
19a. Bloeiwijze een lange pluim vormend; van onderen alleen ♂, van
boven alleen ♀ aartjes dragend 20
19b. Bloeiwijze geen losse pluim maar de aartjes verbonden tot dichte
hoofdjes, of indien er een losse pluim is, dan de ♀ en de ♂ bloemen
onregelmatig verdeeld in hetzelfde aartje 21
20a. Groote planten, bladeren tot 1 M. lang, halm 1–2 M. lang, driehoekig,
glad. ♀ bloem eindstandig, alleenstaand in het aartje zonder ♂ bloemen
erbij; naakt, doch met 6 leege kafjes eronder. Vele ♂ bloemen bijeen in
aparte aartjes. Vruchtje niet 3-kantig, niet voorzien van 3–5 groeven
Lagenocarpus.
20b. Planten in uiterlijk veel gelijkend op de vorige,
maar vruchten 3-hoekig en voorzien van 3 duidelijke ribben
Cryptangium.
stijl soms als Dichromena, soms met veel kortere takken. Bloeiwijzen òf
meerdere aan den halm, òf slechts één, maar dan bolvormig en
samengesteld uit zeer veel aartjes Rhynchospora.
17a. Groote planten. Aartjes met 2–4 leege kafjes van onderen, daarboven
1–4 vruchtdragende kafjes. Stijl aan de basis verdikt met 3 lange takken.
Bloeiwijze sterk vertakt, verlengd Cladium.
17b. Kleine strandplanten. Aartjes zeer kort, met 3 leege kafjes en alleen
het 4de bovenste een tweeslachtige bloem, later een vrucht dragend. Stijl
geleidelijk in het vruchtbeginsel overgaand. Aartjes in korte trosjes staand;
eenige van die trosjes zittend aan het eind van den halm Remiria.
18a. Alle bloemen eenslachtig; de ♀ bloem in het aartje eindstandig, naakt;
daaromheen 2–10 ♂ bloemen, ieder met één meeldraad, zoodat men het
aartje aanziet voor een tweeslachtige bloem met 2–10 meeldraden 24
18b. Alle bloemen éénslachtig, de ♀ bloem meest niet naakt, maar van een
kafje voorzien; de ♂ duidelijke aartjes vormend 19
19a. Bloeiwijze een lange pluim vormend; van onderen alleen ♂, van
boven alleen ♀ aartjes dragend 20
19b. Bloeiwijze geen losse pluim maar de aartjes verbonden tot dichte
hoofdjes, of indien er een losse pluim is, dan de ♀ en de ♂ bloemen
onregelmatig verdeeld in hetzelfde aartje 21
20a. Groote planten, bladeren tot 1 M. lang, halm 1–2 M. lang, driehoekig,
glad. ♀ bloem eindstandig, alleenstaand in het aartje zonder ♂ bloemen
erbij; naakt, doch met 6 leege kafjes eronder. Vele ♂ bloemen bijeen in
aparte aartjes. Vruchtje niet 3-kantig, niet voorzien van 3–5 groeven
Lagenocarpus.
20b. Planten in uiterlijk veel gelijkend op de vorige,
maar vruchten 3-hoekig en voorzien van 3 duidelijke ribben
Cryptangium.
Page 130
21a. Aartjes met weinig bloemen, soms ♂ en ♀ bloemen in één aartje, en
dan de ♀ bloem het onderst en de hoogere ♂ òf sommige aartjes ♂, andere
♀ en dan de ♀ bloem alleenstaand met eenige rudimentaire bloemen
erboven, en de ♂ bloemen in veelbloemige aartjes. Kafje van de ♀ bloem
open, niet om het vruchtbeginsel tot een urntje vergroeid. Nootje hard,
beenachtig, meest wit, soms grijs of purper, met een donkerder top.
Bloeiwijzen meest in sterk vertakte pluimen, soms in een meer gedrongen
bloeiwijze maar dan de halm met vele knoppen en bebladerd. Halm vaak
scherp driehoekig Scleria. B a b o e n - n e f i .
21b. In het vruchtdragende aartje staat de eenige vrouwelijke bloem
eindelings. Bloemen in bolvormige hoofdjes 22
22a. Kafje rondom de ♀ bloem met de randen tot een urntje met een lange
hals vergroeid, de stijl met zijn 3 takken steekt buiten de hals uit. Aartjes
steeds in groepen van 3 geplaatst; de middelste draagt alleen de ♀ bloem,
de beide zijdelingsche dragen 2–3 ♂ bloemen met ieder 1 meeldraad.
Planten met lange smalle bladeren met enkele krachtige evenwijdige
nerven; bladeren met breede scheeden, die elkaar van onderen
dakpansgewijs overdekken. Halm aan de basis met enkele schubben, verder
naakt, van boven de bloeiwijzen dragend in een groep van weinige
gestekelde bolvormige hoofdjes Bisboeckeleria (Hoppia).
22b. Kafje rondom de vrouwelijke bloem niet urnvormig vergroeid 23
23a. ♀ aartje met 3 kafjes en één eindstandig vruchtbeginsel met een lange
stijl met 3 takken. Daarnaast ♂ aartjes met 2 ♂ bloemen ieder met 3
meeldraden. Aartjes vereenigd tot groote gesteelde, bolvormige hoofdjes,
die hetzij alleen, hetzij in paren of 3–4, in den oksel van de stengelbladeren
staan. Bladeren lang, smal Diplacrum.
23b. Aartjes met 1 eindelingsche ♀ bloem met 2 kafjes en daaronder 2–4
mannelijke bloemen. Vruchtbeginsel met een korte stijl met 2 takken; ♂
bloemen ieder met 1 meeldraad. Aartjes in zeer kleine gesteelde of
ongesteelde hoofdjes, waarvan er talrijke een samengestelde bloeiwijze in
den oksel van de bladeren vormen. Calyptrocarya.
dan de ♀ bloem het onderst en de hoogere ♂ òf sommige aartjes ♂, andere
♀ en dan de ♀ bloem alleenstaand met eenige rudimentaire bloemen
erboven, en de ♂ bloemen in veelbloemige aartjes. Kafje van de ♀ bloem
open, niet om het vruchtbeginsel tot een urntje vergroeid. Nootje hard,
beenachtig, meest wit, soms grijs of purper, met een donkerder top.
Bloeiwijzen meest in sterk vertakte pluimen, soms in een meer gedrongen
bloeiwijze maar dan de halm met vele knoppen en bebladerd. Halm vaak
scherp driehoekig Scleria. B a b o e n - n e f i .
21b. In het vruchtdragende aartje staat de eenige vrouwelijke bloem
eindelings. Bloemen in bolvormige hoofdjes 22
22a. Kafje rondom de ♀ bloem met de randen tot een urntje met een lange
hals vergroeid, de stijl met zijn 3 takken steekt buiten de hals uit. Aartjes
steeds in groepen van 3 geplaatst; de middelste draagt alleen de ♀ bloem,
de beide zijdelingsche dragen 2–3 ♂ bloemen met ieder 1 meeldraad.
Planten met lange smalle bladeren met enkele krachtige evenwijdige
nerven; bladeren met breede scheeden, die elkaar van onderen
dakpansgewijs overdekken. Halm aan de basis met enkele schubben, verder
naakt, van boven de bloeiwijzen dragend in een groep van weinige
gestekelde bolvormige hoofdjes Bisboeckeleria (Hoppia).
22b. Kafje rondom de vrouwelijke bloem niet urnvormig vergroeid 23
23a. ♀ aartje met 3 kafjes en één eindstandig vruchtbeginsel met een lange
stijl met 3 takken. Daarnaast ♂ aartjes met 2 ♂ bloemen ieder met 3
meeldraden. Aartjes vereenigd tot groote gesteelde, bolvormige hoofdjes,
die hetzij alleen, hetzij in paren of 3–4, in den oksel van de stengelbladeren
staan. Bladeren lang, smal Diplacrum.
23b. Aartjes met 1 eindelingsche ♀ bloem met 2 kafjes en daaronder 2–4
mannelijke bloemen. Vruchtbeginsel met een korte stijl met 2 takken; ♂
bloemen ieder met 1 meeldraad. Aartjes in zeer kleine gesteelde of
ongesteelde hoofdjes, waarvan er talrijke een samengestelde bloeiwijze in
den oksel van de bladeren vormen. Calyptrocarya.
Page 131
24a. Eén of meerdere dichtgedrongen zittende hoofdjes aan het eind van
den stengel, direct daaronder 3 groote breede bladeren. ♀ bloem met een
lange stijl met 3 takken, ♂ bloemen 3, ieder met 1 meeldraad, schijnbaar
een tweeslachtige bloem vormend met het vruchtbeginsel Mapania.
24b. Meerdere hoofdjes aan het eind van den stengel en niet met breede
bladeren daaronder, of een vertakte bloeiwijze. Stijltakken 2 25
25a. Aartjes bestaande uit 3 bloemen, waarvan de middelste alleen uit een
vruchtbeginsel bestaat, daaromheen 2–4 ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad.
De aartjes vormen samen aren, die niet meer dan 5 m.M. lang zijn, deze
komen in eenige zittende hoofdjes aan het eind van den stengel samen, of
vormen een sterker vertakte bloeiwijze Hypolytrum.
25b. Aartjes bestaande uit 6–9 éénslachtige bloemen, waarvan de middelste
(eigenlijk bovenste) uit een vruchtbeginsel bestaat, de andere 5–8 mannelijk
zijn en ieder één meeldraad hebben. De aartjes vereenigen zich tot 3 c.M.
lange cylindrische aren, die langgesteeld zijn en te samen een min of meer
schermvormige bloeiwijze vormen. Groote krachtige plant met vrij breede
scherpe bladeren Diplasia.
Orde: Principes.
21. Palmae.
Bloemen meest door reductie van meeldraden of stamper éénslachtig; bloemdek
ongekleurd, of weinig gekleurd, zelden ontbrekend; de buitenste bloemdekbladeren vaak
kleiner dan de binnenste; meeldraden 6, zelden 3, vaker 9 tot vele, vrij of vergroeid met
elkaar. Vruchtbeginsels 3 of 1, in het laatste geval 3- of 1-hokkig, soms met maar 1
zaadknop; vrucht een bes of een steenvrucht; meest boomvormige, onvertakte planten,
soms klimmend met zeer gestrekte internodiën; bloeiwijzen okselstandig, door scheeden
omhuld, bladeren handvormig of vinvormig gedeeld of ingesneden.
N. B. Het determineeren der palmen levert verschillende moeielijkheden op, die ten deele hun
oorzaak hierin vinden, dat maar zelden volledige exemplaren (d. i. met mannelijke en
den stengel, direct daaronder 3 groote breede bladeren. ♀ bloem met een
lange stijl met 3 takken, ♂ bloemen 3, ieder met 1 meeldraad, schijnbaar
een tweeslachtige bloem vormend met het vruchtbeginsel Mapania.
24b. Meerdere hoofdjes aan het eind van den stengel en niet met breede
bladeren daaronder, of een vertakte bloeiwijze. Stijltakken 2 25
25a. Aartjes bestaande uit 3 bloemen, waarvan de middelste alleen uit een
vruchtbeginsel bestaat, daaromheen 2–4 ♂ bloemen ieder met 1 meeldraad.
De aartjes vormen samen aren, die niet meer dan 5 m.M. lang zijn, deze
komen in eenige zittende hoofdjes aan het eind van den stengel samen, of
vormen een sterker vertakte bloeiwijze Hypolytrum.
25b. Aartjes bestaande uit 6–9 éénslachtige bloemen, waarvan de middelste
(eigenlijk bovenste) uit een vruchtbeginsel bestaat, de andere 5–8 mannelijk
zijn en ieder één meeldraad hebben. De aartjes vereenigen zich tot 3 c.M.
lange cylindrische aren, die langgesteeld zijn en te samen een min of meer
schermvormige bloeiwijze vormen. Groote krachtige plant met vrij breede
scherpe bladeren Diplasia.
Orde: Principes.
21. Palmae.
Bloemen meest door reductie van meeldraden of stamper éénslachtig; bloemdek
ongekleurd, of weinig gekleurd, zelden ontbrekend; de buitenste bloemdekbladeren vaak
kleiner dan de binnenste; meeldraden 6, zelden 3, vaker 9 tot vele, vrij of vergroeid met
elkaar. Vruchtbeginsels 3 of 1, in het laatste geval 3- of 1-hokkig, soms met maar 1
zaadknop; vrucht een bes of een steenvrucht; meest boomvormige, onvertakte planten,
soms klimmend met zeer gestrekte internodiën; bloeiwijzen okselstandig, door scheeden
omhuld, bladeren handvormig of vinvormig gedeeld of ingesneden.
N. B. Het determineeren der palmen levert verschillende moeielijkheden op, die ten deele hun
oorzaak hierin vinden, dat maar zelden volledige exemplaren (d. i. met mannelijke en
Page 132
vrouwelijke bloemen, spatha en vruchten) gevonden worden, ten deele ook hierin, dat men
de soorten, en vooral die van Suriname nog slechts ten deele kent. Zelfs is het
waarschijnlijk dat er in Suriname nog geslachten van Palmen gevonden zullen worden,
wier voorkomen er tot nu toe niet aangetoond was. Dit alles maakt, dat men onderstaande
tabel met eenige voorzichtigheid moet gebruiken.
1a. Bladeren waaiervormig ingesneden en handnervig; bloeikolf eenmaal
vertakt; bloemen tweehuizig; ♂ bloemen in lange dichte aren; ♀ bloemen
aan veel kortere zijtakken van den kolf; bes aan den top ingedrukt
Mauritia. M a u r i s i e .
1b. Bladeren vinnervig en vindeelig of
gevind 2
2a. Stammen dun, klimmend; middenrib van het blad eindigend in een
lange, dunne, met teruggebogen paarsgewijs staande stekels bedekte draad
Desmoncus. B a m b a m a k a ; B a m b o e s i m a k a .
2b. Stammen
niet klimmend; middenrib van het blad niet verlengd 3
3a. Stam lang, niet gestekeld, aan den voet met gestekelde luchtwortels,
bladeren gevind; segmenten naar den voet versmald, naar den top verbreed
en afgeknot Ireartea. I n j i e - p i n a .
3b. Geen gestekelde luchtwortels aan den voet van de stam 4
4a. Bladeren enkelvoudig, alleen aan den top ingesneden of met zeer
weinig segmenten, die met een breede voet aan de middenrib vastzitten (Zie
ook Bactris) 5
4b. Bladeren gevind met talrijke smalle segmenten 6
5a. Stam laag, ongestekeld of ontbrekend, bladeren zeer groot,
enkelvoudig, aan den top ingesneden, vaak ingescheurd; bloeikolf éénmaal
vertakt; ♂ bloemen met 20–30 meeldraden; vruchten meest 3-lobbig met
stompe, scherpkantige korte stekels bedekt Manicaria. T r o e l i e .
de soorten, en vooral die van Suriname nog slechts ten deele kent. Zelfs is het
waarschijnlijk dat er in Suriname nog geslachten van Palmen gevonden zullen worden,
wier voorkomen er tot nu toe niet aangetoond was. Dit alles maakt, dat men onderstaande
tabel met eenige voorzichtigheid moet gebruiken.
1a. Bladeren waaiervormig ingesneden en handnervig; bloeikolf eenmaal
vertakt; bloemen tweehuizig; ♂ bloemen in lange dichte aren; ♀ bloemen
aan veel kortere zijtakken van den kolf; bes aan den top ingedrukt
Mauritia. M a u r i s i e .
1b. Bladeren vinnervig en vindeelig of
gevind 2
2a. Stammen dun, klimmend; middenrib van het blad eindigend in een
lange, dunne, met teruggebogen paarsgewijs staande stekels bedekte draad
Desmoncus. B a m b a m a k a ; B a m b o e s i m a k a .
2b. Stammen
niet klimmend; middenrib van het blad niet verlengd 3
3a. Stam lang, niet gestekeld, aan den voet met gestekelde luchtwortels,
bladeren gevind; segmenten naar den voet versmald, naar den top verbreed
en afgeknot Ireartea. I n j i e - p i n a .
3b. Geen gestekelde luchtwortels aan den voet van de stam 4
4a. Bladeren enkelvoudig, alleen aan den top ingesneden of met zeer
weinig segmenten, die met een breede voet aan de middenrib vastzitten (Zie
ook Bactris) 5
4b. Bladeren gevind met talrijke smalle segmenten 6
5a. Stam laag, ongestekeld of ontbrekend, bladeren zeer groot,
enkelvoudig, aan den top ingesneden, vaak ingescheurd; bloeikolf éénmaal
vertakt; ♂ bloemen met 20–30 meeldraden; vruchten meest 3-lobbig met
stompe, scherpkantige korte stekels bedekt Manicaria. T r o e l i e .
Page 133
5b. Stam slank en dun, glad, bladeren kleiner dan de vorige, vaak gevind,
doch dan met weinig segmenten; bloeikolf enkelvoudig of één tot
meermalen vertakt; ♂ bloemen met 6 meeldraden; vrucht een gladde
eenzadige bes Geonoma. T a s t i k i e .
6a. Stammen en bladeren met meest zwarte stekels bezet 7
6b. Stammen en bladeren zonder zwarte stekels (Zie ook Bactris) 8
7a. Stam hoog, bezet met de resten van de bladsteelen en met zwarte
stekels; bladeren met vele segmenten, die in groepen aan 2 of 3 bij elkaar
staan; bladsteel en middenrib van boven met zwarte stekels bezet;
segmenten van onderen behaard; bloeikolf tusschen de bladeren staand,
éénmaal vertakt; hoofdsteel van de kolf in een lange bloemdragende staart
uitloopend; aan de basis met weinige alleenstaande ♀ bloemen, aan den top
dicht bezet met talrijke dichtopeengedrongen ♂ bloemen met 6 meeldraden;
bloeischeede groot, sterk gestekeld; vrucht ongeveer 4 c.M. in doorsnede
bolvormig, kaal, aan den basis met stervormige kelk; steenkern met 2 zaden
Acrocomia.
7b. Stammen vrij hoog of ontbrekend; bladeren met vele
segmenten; deze, maar ook de bladsteel en de middenrib van onderen met
vele zwarte stekels; segmenten aan de onderzijde met witte was bedekt;
hoofdsteel van de éénmaal vertakte bloeikolf meest gestekeld; ♂ bloemen
talrijk met 6 meeldraden, alleenstaand aan het einde der takken; ♀ bloemen
met gestekelde kelk; weinige aan de basis der takken van de kolf staand;
bloeischeede één, van buiten meest gestekeld of sterk behaard; vrucht
eirond met een puntje op den top, aan de basis omgeven door de
zwartgestekelde kelk; steen zwart, van onderen spits, van boven afgerond
met 3 kiemgaten onder den top, die symmetrisch geplaatst en alle even
groot zijn, aan den rand omgeven door stervormige strepen
Astrocaryum.
7c. Stammen meest dun, klein, soms liggend, zelden
rechtopstaand en groot; gestekeld of ongestekeld; bladeren zelden alleen
aan den top ingesneden, meest gevind en dan de segmenten regelmatig
langs de middenrib of in groepen; segmenten meest aan den top met
penseelvormige haren en aan de randen gestekeld of behaard; bloeikolf
doch dan met weinig segmenten; bloeikolf enkelvoudig of één tot
meermalen vertakt; ♂ bloemen met 6 meeldraden; vrucht een gladde
eenzadige bes Geonoma. T a s t i k i e .
6a. Stammen en bladeren met meest zwarte stekels bezet 7
6b. Stammen en bladeren zonder zwarte stekels (Zie ook Bactris) 8
7a. Stam hoog, bezet met de resten van de bladsteelen en met zwarte
stekels; bladeren met vele segmenten, die in groepen aan 2 of 3 bij elkaar
staan; bladsteel en middenrib van boven met zwarte stekels bezet;
segmenten van onderen behaard; bloeikolf tusschen de bladeren staand,
éénmaal vertakt; hoofdsteel van de kolf in een lange bloemdragende staart
uitloopend; aan de basis met weinige alleenstaande ♀ bloemen, aan den top
dicht bezet met talrijke dichtopeengedrongen ♂ bloemen met 6 meeldraden;
bloeischeede groot, sterk gestekeld; vrucht ongeveer 4 c.M. in doorsnede
bolvormig, kaal, aan den basis met stervormige kelk; steenkern met 2 zaden
Acrocomia.
7b. Stammen vrij hoog of ontbrekend; bladeren met vele
segmenten; deze, maar ook de bladsteel en de middenrib van onderen met
vele zwarte stekels; segmenten aan de onderzijde met witte was bedekt;
hoofdsteel van de éénmaal vertakte bloeikolf meest gestekeld; ♂ bloemen
talrijk met 6 meeldraden, alleenstaand aan het einde der takken; ♀ bloemen
met gestekelde kelk; weinige aan de basis der takken van de kolf staand;
bloeischeede één, van buiten meest gestekeld of sterk behaard; vrucht
eirond met een puntje op den top, aan de basis omgeven door de
zwartgestekelde kelk; steen zwart, van onderen spits, van boven afgerond
met 3 kiemgaten onder den top, die symmetrisch geplaatst en alle even
groot zijn, aan den rand omgeven door stervormige strepen
Astrocaryum.
7c. Stammen meest dun, klein, soms liggend, zelden
rechtopstaand en groot; gestekeld of ongestekeld; bladeren zelden alleen
aan den top ingesneden, meest gevind en dan de segmenten regelmatig
langs de middenrib of in groepen; segmenten meest aan den top met
penseelvormige haren en aan de randen gestekeld of behaard; bloeikolf
Page 134
onvertakt of eenmaal vertakt, de takken van onderen met groepen van 3
bloemen bezet, naar boven overgaand in groepen van 2 ♂ bloemen; ♂
bloemen met spitse bloembladeren; meeldraden op een vleezige schijf
ingeplant; ♀ bloemen aan de basis met een ring- of bekervormige kelk, die
half zoo lang is als de kroon; vrucht van buiten glad of ruw of gestekeld met
een steen met 3 kiemgaten, waarvan er een open is, en anders gevormd dan
de beide andere, die gesloten zijn; steen rond, ovaal of onregelmatig
Bactris.
8a. Vrucht zeer groot, meer dan 15 cM. in doorsnede met
vezelige buitenlaag Cocos.
8b. Vrucht hoogstens zoo groot als een kippenei 9
9a. Stammen bijna geheel bezet met de resten van de bladsteelen der
afgevallen bladeren; deze resten aan den rand korte doornige segmenten
dragend; bloeikolf alleen ♂ of alleen ♀ bloemen dragend Elaeis.
9b. Stammen (het deel vlak onder den kroon uitgezonderd) niet met
bladresten bezet 10
10a. Takken van de bloeikolf wollig behaard; stam lang, glad, betrekkelijk
dik Oreodoxa. P a l m i e t . K o n i n g s p a l m .
10b. Takken van de bloeikolf niet behaard 11
11a. Vrucht een 1-zadige, blauwe bes, zoo groot als of weinig grooter dan
een erwt 12
11b. Vrucht een steenvrucht; steen met 3 kiemgaten in de onderste helft,
onder vezels verborgen 13
11c. Vrucht een vrij groote oranje-roode bes met sterk-vezelige buitenlaag
en 1 zaad, dat op doorsnede vele groeven heeft; stammen lang en dun,
bladeren gelijkmatig gevind; kolf tweemaal vertakt; de ♀ bloemen naar één
zijde gericht aan de basis der takken, die aan den top talrijke ♂ bloemen
dragen; meeldraden 3–6; stempels 3, gescheiden Areca.
bloemen bezet, naar boven overgaand in groepen van 2 ♂ bloemen; ♂
bloemen met spitse bloembladeren; meeldraden op een vleezige schijf
ingeplant; ♀ bloemen aan de basis met een ring- of bekervormige kelk, die
half zoo lang is als de kroon; vrucht van buiten glad of ruw of gestekeld met
een steen met 3 kiemgaten, waarvan er een open is, en anders gevormd dan
de beide andere, die gesloten zijn; steen rond, ovaal of onregelmatig
Bactris.
8a. Vrucht zeer groot, meer dan 15 cM. in doorsnede met
vezelige buitenlaag Cocos.
8b. Vrucht hoogstens zoo groot als een kippenei 9
9a. Stammen bijna geheel bezet met de resten van de bladsteelen der
afgevallen bladeren; deze resten aan den rand korte doornige segmenten
dragend; bloeikolf alleen ♂ of alleen ♀ bloemen dragend Elaeis.
9b. Stammen (het deel vlak onder den kroon uitgezonderd) niet met
bladresten bezet 10
10a. Takken van de bloeikolf wollig behaard; stam lang, glad, betrekkelijk
dik Oreodoxa. P a l m i e t . K o n i n g s p a l m .
10b. Takken van de bloeikolf niet behaard 11
11a. Vrucht een 1-zadige, blauwe bes, zoo groot als of weinig grooter dan
een erwt 12
11b. Vrucht een steenvrucht; steen met 3 kiemgaten in de onderste helft,
onder vezels verborgen 13
11c. Vrucht een vrij groote oranje-roode bes met sterk-vezelige buitenlaag
en 1 zaad, dat op doorsnede vele groeven heeft; stammen lang en dun,
bladeren gelijkmatig gevind; kolf tweemaal vertakt; de ♀ bloemen naar één
zijde gericht aan de basis der takken, die aan den top talrijke ♂ bloemen
dragen; meeldraden 3–6; stempels 3, gescheiden Areca.
Page 135
12a. Stam lang, slank; bladsegmenten van de middenrib af naar beneden
hangend; bloeikolf vrij ver van de bladerkroon verwijderd; kelkbladeren der
♂ bloemen breed, elkaar met de randen bedekkend; rest van den stempel
zijdelings, ongeveer ter halver hoogte van de bes gezeten
Euterpe. P i n a . P a l i s a d e .
12b. Stam vrij dik ten opzichte van de
lengte; bladsegmenten niet naar beneden hangend; bloeikolf dicht onder de
bladerkroon gezeten; bloemen in groepen van 3, met 2 ♂ en 1 ♀ bloem per
groep, kelk aan de ♂ bloem 3-deelig of 3-spletig, randen der kelkbladeren
tegen elkaar liggend; stempelrest aan den top van de bes of nauwelijks
zijdelings Oenocarpus. K o m b o e . P a t a w a .
13a. Sommige bloeikolven dragen alleen ♂ bloemen; andere hebben
takken, die aan den top alleen ♂, naar de basis van den tak ♂ en ♀ bloemen
gemengd en geheel van onderen alleen ♀ bloemen dragen; meeldraden
langer dan de smalle bloemdekbladeren; vrucht langgerekt, aan den top
sterk toegespitst, met een duidelijk kegelvormige punt; bloemdek na den
bloei sterk vergroot en de vrucht bijna tot de halve hoogte omhullend
Maximiliana. M a r i p a .
13b. Alle takken van de bloeikolf dragen
groote ♀ bloemen aan de basis en kleinere ♂ bloemen aan den top;
bloemdek uit zeer breede, harde bladeren bestaande, waardoor de
bloemknop scherp 3-hoekig is; vrucht eirond tot bolvormig, meest aan den
top afgerond; bloemdek klein, blijvend, na den bloei alleen aan de basis van
de vrucht zichtbaar en deze niet inhullend Cocos.
Orde: Synanthae.
22. Cyclanthaceae.
Mannelijke en vrouwelijke bloemen regelmatig verdeeld over de oppervlakte van een
sappige onvertakte kolf, die door 2–6 later afvallende scheeden omhuld is; mannelijke
bloemen naakt of met een dik, kort-getand bloemdek en 6 tot vele meeldraden; vrouwelijke
bloemen naakt of met 4 schubvormige blaadjes; voor elk ervan staat een draadvormig
staminodium; vruchtbeginsel 1, met 2 of 4 zaadlijsten en vele zaadknoppen, in de kolf
hangend; bloeikolf vrij ver van de bladerkroon verwijderd; kelkbladeren der
♂ bloemen breed, elkaar met de randen bedekkend; rest van den stempel
zijdelings, ongeveer ter halver hoogte van de bes gezeten
Euterpe. P i n a . P a l i s a d e .
12b. Stam vrij dik ten opzichte van de
lengte; bladsegmenten niet naar beneden hangend; bloeikolf dicht onder de
bladerkroon gezeten; bloemen in groepen van 3, met 2 ♂ en 1 ♀ bloem per
groep, kelk aan de ♂ bloem 3-deelig of 3-spletig, randen der kelkbladeren
tegen elkaar liggend; stempelrest aan den top van de bes of nauwelijks
zijdelings Oenocarpus. K o m b o e . P a t a w a .
13a. Sommige bloeikolven dragen alleen ♂ bloemen; andere hebben
takken, die aan den top alleen ♂, naar de basis van den tak ♂ en ♀ bloemen
gemengd en geheel van onderen alleen ♀ bloemen dragen; meeldraden
langer dan de smalle bloemdekbladeren; vrucht langgerekt, aan den top
sterk toegespitst, met een duidelijk kegelvormige punt; bloemdek na den
bloei sterk vergroot en de vrucht bijna tot de halve hoogte omhullend
Maximiliana. M a r i p a .
13b. Alle takken van de bloeikolf dragen
groote ♀ bloemen aan de basis en kleinere ♂ bloemen aan den top;
bloemdek uit zeer breede, harde bladeren bestaande, waardoor de
bloemknop scherp 3-hoekig is; vrucht eirond tot bolvormig, meest aan den
top afgerond; bloemdek klein, blijvend, na den bloei alleen aan de basis van
de vrucht zichtbaar en deze niet inhullend Cocos.
Orde: Synanthae.
22. Cyclanthaceae.
Mannelijke en vrouwelijke bloemen regelmatig verdeeld over de oppervlakte van een
sappige onvertakte kolf, die door 2–6 later afvallende scheeden omhuld is; mannelijke
bloemen naakt of met een dik, kort-getand bloemdek en 6 tot vele meeldraden; vrouwelijke
bloemen naakt of met 4 schubvormige blaadjes; voor elk ervan staat een draadvormig
staminodium; vruchtbeginsel 1, met 2 of 4 zaadlijsten en vele zaadknoppen, in de kolf
Page 136
verborgen; vrucht een bes met vele zaden; planten met korte stammen of geheel
kruidachtig, soms epiphyten; bladeren op palmbladeren gelijkend.
1a. Bladeren aan den top ingesneden, tweespletig tot twee-deelig.
Bloemdek van de ♂ bloemen met 4 korte bladachtige slippen; bloemdek
van de ♀ bloemen weinig buiten de oppervlakte van de kolf uitstekend
Carludovica.
1b. Bladeren niet ingesneden, lancetvormig. Bloemdek
der ♂ bloemen rudimentair, uit een korte ring bestaande; dat der ♀ bloemen
met lange bloemdekslippen, die buiten de oppervlakte van de kolf uitsteken
Ludovia.
Orde: Spathiflorae.
23. Araceae.
Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, 2–3-tallig of soms gereduceerd tot één meeldraad of
één vruchtbeginsel; vruchten meest een bes, zelden niet sappig; kruiden, vaak met
knolvormigen wortelstok, ook heesterachtig of epiphyten; bloemen meest eenhuizig, zelden
tweehuizig, meest vele, zelden slechts 2–3 in een aar of een kolf, deze omhuld door één
scheede; bladeren zeer verschillend van vorm.
1a. Losdrijvende waterplanten; bladeren in een wortelroset, omgekeerd-
eirond, naar de basis sterk versmald; bloeiwijzen zeer klein, met geelgroene
spatha; één ♀ bloem en 2–8 ♂ bloemen Pistia.
1b. Landplanten of waterplanten; die met hun wortels in den bodem
vastzitten 2
2a. De geheele plant bestaat uit een onderaardsche knol, waarop òf slechts
1 blad, òf slechts 1 bloeikolf staat (doch nooit beide tegelijk ontwikkeld.)
Blad zeer groot op een lange rechtopstaande steel, bladschijf meerdere
malen gedeeld tot gelobd; bloeiwijze veel kleiner dan het blad, met een
donker gekleurde bloeischeede en tweeslachtige bloemen
Dracontium. S n e k i - t a j e r .
2b. Plant meerdere bladeren en
bloemen tegelijk dragend 3
kruidachtig, soms epiphyten; bladeren op palmbladeren gelijkend.
1a. Bladeren aan den top ingesneden, tweespletig tot twee-deelig.
Bloemdek van de ♂ bloemen met 4 korte bladachtige slippen; bloemdek
van de ♀ bloemen weinig buiten de oppervlakte van de kolf uitstekend
Carludovica.
1b. Bladeren niet ingesneden, lancetvormig. Bloemdek
der ♂ bloemen rudimentair, uit een korte ring bestaande; dat der ♀ bloemen
met lange bloemdekslippen, die buiten de oppervlakte van de kolf uitsteken
Ludovia.
Orde: Spathiflorae.
23. Araceae.
Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, 2–3-tallig of soms gereduceerd tot één meeldraad of
één vruchtbeginsel; vruchten meest een bes, zelden niet sappig; kruiden, vaak met
knolvormigen wortelstok, ook heesterachtig of epiphyten; bloemen meest eenhuizig, zelden
tweehuizig, meest vele, zelden slechts 2–3 in een aar of een kolf, deze omhuld door één
scheede; bladeren zeer verschillend van vorm.
1a. Losdrijvende waterplanten; bladeren in een wortelroset, omgekeerd-
eirond, naar de basis sterk versmald; bloeiwijzen zeer klein, met geelgroene
spatha; één ♀ bloem en 2–8 ♂ bloemen Pistia.
1b. Landplanten of waterplanten; die met hun wortels in den bodem
vastzitten 2
2a. De geheele plant bestaat uit een onderaardsche knol, waarop òf slechts
1 blad, òf slechts 1 bloeikolf staat (doch nooit beide tegelijk ontwikkeld.)
Blad zeer groot op een lange rechtopstaande steel, bladschijf meerdere
malen gedeeld tot gelobd; bloeiwijze veel kleiner dan het blad, met een
donker gekleurde bloeischeede en tweeslachtige bloemen
Dracontium. S n e k i - t a j e r .
2b. Plant meerdere bladeren en
bloemen tegelijk dragend 3
Page 137
3a. Forsche, vaak gestekelde, rechtopstaande stengels met meerdere
bladeren. Plant steeds in het water groeiend, in den bodem wortelend;
bloeischeede groenachtig wit, groot; bloeikolf van boven ♂, in het onderste
¼ deel ♀ bloemen dragend; bladeren pijlvormig.
Montrichardia. M o k k o - m o k k o .
3b. Planten niet in het water
groeiend, of als zij in het water voorkomen, dan geen rechtopstaande
stengel aanwezig 4
4a. Bladeren schildvormig en pijlvormig, dus bladsteel niet aan den
bladrand ingehecht 5
4b. Bladeren met een aan de bladrand ingehechte bladsteel 6
5a. Stengel alleen beneden den grond ontwikkeld, zeer kort, min of meer
knolvormig; bladeren vaak roodgevlekt, in een roset staande uit welks
midden slechts de gesteelde bloeikolf te voorschijn komt, die boven de ♂,
onder de ♀ bloemen draagt; kolf aan den top zonder aanhangsel
Caladium. J a b b a - f o e t o e .
5b. Stengel onder den grond
knolvormig, boven den grond soms als een stam ontwikkeld; bladeren
groot; kolf met een lang-kegelvormig of spits aanhangsel aan den top
Colocasia. T a j e r .
6a. Bloeiwijze op een lange steel; bloeischeede
ongeveer 5 × langer dan de bloeikolf, aan den top als een kurketrekker
gewonden; bloeikolf binnen de scheede kort gesteeld, dicht bezet met 2-
slachtige bloemen, die een 4-bladig bloemdek, 4 meeldraden en een
eenhokkig vruchtbeginsel hebben met 1–2 zaadknoppen. Bladeren
pijlvormig, diep vinspletig Cyrtosperma.
6b. Bloeischeede niet zooveel langer dan de kolf en in ieder geval niet
kurketrekkervormig gedraaid 7
7a. Planten op den bodem groeiend. Stengel onderaardsch of bijna
ontbrekend 8
bladeren. Plant steeds in het water groeiend, in den bodem wortelend;
bloeischeede groenachtig wit, groot; bloeikolf van boven ♂, in het onderste
¼ deel ♀ bloemen dragend; bladeren pijlvormig.
Montrichardia. M o k k o - m o k k o .
3b. Planten niet in het water
groeiend, of als zij in het water voorkomen, dan geen rechtopstaande
stengel aanwezig 4
4a. Bladeren schildvormig en pijlvormig, dus bladsteel niet aan den
bladrand ingehecht 5
4b. Bladeren met een aan de bladrand ingehechte bladsteel 6
5a. Stengel alleen beneden den grond ontwikkeld, zeer kort, min of meer
knolvormig; bladeren vaak roodgevlekt, in een roset staande uit welks
midden slechts de gesteelde bloeikolf te voorschijn komt, die boven de ♂,
onder de ♀ bloemen draagt; kolf aan den top zonder aanhangsel
Caladium. J a b b a - f o e t o e .
5b. Stengel onder den grond
knolvormig, boven den grond soms als een stam ontwikkeld; bladeren
groot; kolf met een lang-kegelvormig of spits aanhangsel aan den top
Colocasia. T a j e r .
6a. Bloeiwijze op een lange steel; bloeischeede
ongeveer 5 × langer dan de bloeikolf, aan den top als een kurketrekker
gewonden; bloeikolf binnen de scheede kort gesteeld, dicht bezet met 2-
slachtige bloemen, die een 4-bladig bloemdek, 4 meeldraden en een
eenhokkig vruchtbeginsel hebben met 1–2 zaadknoppen. Bladeren
pijlvormig, diep vinspletig Cyrtosperma.
6b. Bloeischeede niet zooveel langer dan de kolf en in ieder geval niet
kurketrekkervormig gedraaid 7
7a. Planten op den bodem groeiend. Stengel onderaardsch of bijna
ontbrekend 8
Page 138
7b. Planten klimmend of epiphytisch of als ze op den grond groeien met
goed ontwikkelde bovenaardsche stengel 9
8a. Onderaardsche wortelstok. Bladeren langgesteeld, pijlvormig, 3-lobbig,
met smalle 3-hoekige eindlob en evenlange doch smallere zijlobben.
Bloeischeede veel langer dan de spadix, smal, lancetvormig. Spadix binnen
de scheede gesteeld, deze steel voor het grootste deel met de spatha
vergroeid, boven tweeslachtige bloemen dragende met 4–6
bloemdekbladen, 4–6 meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginsel
Urospatha.
8b. Bebladerde stengel zeer kort, daardoor bladeren in een
wortelrozet, pijlvormig tot 3-lobbig, soms de lobben nog meer (doch steeds
handvormig) ingesneden. Spatha van onderen buisvormig opgerold;
blijvend. Spadix van onderen ♀ bloemen dragend met een schijfvormige
stijl, welke stijlen alle met de randen aan elkaar gegroeid zijn; boven het ♀
stuk een verdund deel met steriele ♂ bloemen, tenslotte van boven een
knotsvormig deel met ♂ bloemen, die 4–6 met elkaar tot één geheel
vergroeide meeldraden dragen Xanthosoma.
9a. Bloeikolf met tweeslachtige, hoogstens aan den voet met steriele
bloemen bezet 10
9b. Bloeikolf boven ♂, onder ♀ bloemen dragend 13
10a. Bloemen met een bloemdek 11
10b. Bloemen alleen met meeldraden en vruchtbeginsel 12
11a. Internodiën meest zeer kort, en dan epiphytische planten, zelden
verlengd; bladeren enkelvoudig, lancetvormig, aan de basis versmald of
zelden met hartvormige voet; in een enkel geval handvormig samengesteld,
5-tallig; zijnerven van de 1ste orde parallel, van de 2de en 3de orde netvormig
verbonden; spatha tijdens de bloei den kolf niet omhullend, vrij klein.
Bloemen met 4 bloemdekbladeren, 4 afgeplatte meeldraden en een 2-
hokkig vruchtbeginsel zonder stijl en een 2-lobbige stempel
Anthurium.
goed ontwikkelde bovenaardsche stengel 9
8a. Onderaardsche wortelstok. Bladeren langgesteeld, pijlvormig, 3-lobbig,
met smalle 3-hoekige eindlob en evenlange doch smallere zijlobben.
Bloeischeede veel langer dan de spadix, smal, lancetvormig. Spadix binnen
de scheede gesteeld, deze steel voor het grootste deel met de spatha
vergroeid, boven tweeslachtige bloemen dragende met 4–6
bloemdekbladen, 4–6 meeldraden en een 2-hokkig vruchtbeginsel
Urospatha.
8b. Bebladerde stengel zeer kort, daardoor bladeren in een
wortelrozet, pijlvormig tot 3-lobbig, soms de lobben nog meer (doch steeds
handvormig) ingesneden. Spatha van onderen buisvormig opgerold;
blijvend. Spadix van onderen ♀ bloemen dragend met een schijfvormige
stijl, welke stijlen alle met de randen aan elkaar gegroeid zijn; boven het ♀
stuk een verdund deel met steriele ♂ bloemen, tenslotte van boven een
knotsvormig deel met ♂ bloemen, die 4–6 met elkaar tot één geheel
vergroeide meeldraden dragen Xanthosoma.
9a. Bloeikolf met tweeslachtige, hoogstens aan den voet met steriele
bloemen bezet 10
9b. Bloeikolf boven ♂, onder ♀ bloemen dragend 13
10a. Bloemen met een bloemdek 11
10b. Bloemen alleen met meeldraden en vruchtbeginsel 12
11a. Internodiën meest zeer kort, en dan epiphytische planten, zelden
verlengd; bladeren enkelvoudig, lancetvormig, aan de basis versmald of
zelden met hartvormige voet; in een enkel geval handvormig samengesteld,
5-tallig; zijnerven van de 1ste orde parallel, van de 2de en 3de orde netvormig
verbonden; spatha tijdens de bloei den kolf niet omhullend, vrij klein.
Bloemen met 4 bloemdekbladeren, 4 afgeplatte meeldraden en een 2-
hokkig vruchtbeginsel zonder stijl en een 2-lobbige stempel
Anthurium.
Page 139
11b. Stengel met vrij korte internodiën, niet klimmend. Bladeren
enkelvoudig, langwerpig, toegespitst, bladsteel rijdend, met lange
bladscheede, aan de basis van de bladschijf een weinig verdikt. Zijnerven
van de 1ste en 2de orde evenwijdig loopend. Bloeischeede een weinig langs
de bloeistengel afloopend, blijvend. Bloemen met 3 + 3 perigoonbladeren, 3
+ 3 meeldraden en een 3-hokkig vruchtbeginsel Spathiphyllum.
12a. Klimmende stengels met korte internodiën. Bladeren enkelvoudig,
langwerpig-eirond, zonder gaten, zijnerven van de 2de en 3de orde onderling
evenwijdig loopend. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel
vierhoekig, tweehokkig, vele zaadknoppen in elk hokje. Vrucht een
veelzadige bes Rhodospatha.
12b. Klimmende stengels met lange internodiën. Bladeren enkelvoudig,
langwerpig tot eirond, vaak (niet altijd) met gaten; zijnerven van de 2de en
3de orde niet parallel maar netvormig verbonden. Meeldraden 4 met platte
helmdraden; vruchtbeginsel omgekeerd kegelvormig, 2-hokkig met 2
zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een 1- tot 3-zadige bes Monstera.
13a. Stengel rechtopstaand, zonder luchtwortels en niet klimmend.
Bladeren vrij groot, eirond, toegespitst aan den top met afgeronde of
eenigszins hartvormige voet. Spatha groengeel, zeer lang, even lang als de
spadix en deze van onderen blijvend omsluitend; ♂ bloemen met 4–5
meeldraden, die geheel met elkaar vergroeid zijn, ♀ bloemen aan de basis
van de spadix vrij ver van elkaar verwijderd met 4–5 afstaande staminodiën
en een eirond 2–3-lobbig en 2–3-hokkig vruchtbeginsel met 1 zaadknop in
elk hokje. Dieffenbachia. D o n k è .
13b. Planten met liggende of klimmende stengel meest met luchtwortels
14
14a. Planten epiphytisch levend, vaker in den grond wortelend met
klimmende of liggende stengel en korte of lange internodiën. Bladeren
enkelvoudig of op verschillende wijze ingesneden. Spadix van boven ♂
bloemen dragend met 2, 3, 5 of 6 meeldraden, die los tegen een afgeknotte
meerzijdige zuil zitten; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met vele zaadknoppen in
elk hokje Philodendron.
enkelvoudig, langwerpig, toegespitst, bladsteel rijdend, met lange
bladscheede, aan de basis van de bladschijf een weinig verdikt. Zijnerven
van de 1ste en 2de orde evenwijdig loopend. Bloeischeede een weinig langs
de bloeistengel afloopend, blijvend. Bloemen met 3 + 3 perigoonbladeren, 3
+ 3 meeldraden en een 3-hokkig vruchtbeginsel Spathiphyllum.
12a. Klimmende stengels met korte internodiën. Bladeren enkelvoudig,
langwerpig-eirond, zonder gaten, zijnerven van de 2de en 3de orde onderling
evenwijdig loopend. Meeldraden 4 met platte helmdraden; vruchtbeginsel
vierhoekig, tweehokkig, vele zaadknoppen in elk hokje. Vrucht een
veelzadige bes Rhodospatha.
12b. Klimmende stengels met lange internodiën. Bladeren enkelvoudig,
langwerpig tot eirond, vaak (niet altijd) met gaten; zijnerven van de 2de en
3de orde niet parallel maar netvormig verbonden. Meeldraden 4 met platte
helmdraden; vruchtbeginsel omgekeerd kegelvormig, 2-hokkig met 2
zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een 1- tot 3-zadige bes Monstera.
13a. Stengel rechtopstaand, zonder luchtwortels en niet klimmend.
Bladeren vrij groot, eirond, toegespitst aan den top met afgeronde of
eenigszins hartvormige voet. Spatha groengeel, zeer lang, even lang als de
spadix en deze van onderen blijvend omsluitend; ♂ bloemen met 4–5
meeldraden, die geheel met elkaar vergroeid zijn, ♀ bloemen aan de basis
van de spadix vrij ver van elkaar verwijderd met 4–5 afstaande staminodiën
en een eirond 2–3-lobbig en 2–3-hokkig vruchtbeginsel met 1 zaadknop in
elk hokje. Dieffenbachia. D o n k è .
13b. Planten met liggende of klimmende stengel meest met luchtwortels
14
14a. Planten epiphytisch levend, vaker in den grond wortelend met
klimmende of liggende stengel en korte of lange internodiën. Bladeren
enkelvoudig of op verschillende wijze ingesneden. Spadix van boven ♂
bloemen dragend met 2, 3, 5 of 6 meeldraden, die los tegen een afgeknotte
meerzijdige zuil zitten; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met vele zaadknoppen in
elk hokje Philodendron.
Page 140
14b. Stammen klimmend met luchtwortels en lange internodiën. Bladeren
handvormig samengesteld. ♂ bloemen aan het bovenstuk van de spadix, uit
4 geheel met elkaar vergroeide meeldraden bestaande; ♀ bloemen aan het
onderste deel, alle met elkaar vergroeid, en daardoor ook de vruchten
geheel met elkaar verbonden. Vruchtbeginsel 2- of 1-hokkig met 1
zaadknop Syngonium.
24. Lemnaceae.
Bloemen éénslachtig, naakt, éénhuizig; mannelijke bloemen met één meeldraad,
vrouwelijke bloemen met één vruchtbeginsel en 1–6 zaadknoppen; losdrijvende
waterplanten.
1a. Aan elke spruit slechts één wortel; onderzijde van de plant groen
Lemna.
1b. Aan elke spruit meerdere wortels, onderzijde van de plant
bijna steeds rood Spirodela.
Orde: Farinosae.
28. Mayacaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; meeldraden voor de
kelkbladeren staand; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl en 3 korte stempels;
zaadlijsten 3, wandstandig; doosvrucht met 3 kleppen openspringend; kruiden.
Kleine moerasplanten met dicht bebladerde lage stengels, bladeren zeer
smal lancetvormig. Kelk, en kroon 3-bladig, 3 meeldraden, één 1-hokkig
vruchtbeginsel. Niet bloeiende planten zeer veel op sommige mossen
gelijkend Mayaca.
29. Xyridaceae.
handvormig samengesteld. ♂ bloemen aan het bovenstuk van de spadix, uit
4 geheel met elkaar vergroeide meeldraden bestaande; ♀ bloemen aan het
onderste deel, alle met elkaar vergroeid, en daardoor ook de vruchten
geheel met elkaar verbonden. Vruchtbeginsel 2- of 1-hokkig met 1
zaadknop Syngonium.
24. Lemnaceae.
Bloemen éénslachtig, naakt, éénhuizig; mannelijke bloemen met één meeldraad,
vrouwelijke bloemen met één vruchtbeginsel en 1–6 zaadknoppen; losdrijvende
waterplanten.
1a. Aan elke spruit slechts één wortel; onderzijde van de plant groen
Lemna.
1b. Aan elke spruit meerdere wortels, onderzijde van de plant
bijna steeds rood Spirodela.
Orde: Farinosae.
28. Mayacaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; meeldraden voor de
kelkbladeren staand; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl en 3 korte stempels;
zaadlijsten 3, wandstandig; doosvrucht met 3 kleppen openspringend; kruiden.
Kleine moerasplanten met dicht bebladerde lage stengels, bladeren zeer
smal lancetvormig. Kelk, en kroon 3-bladig, 3 meeldraden, één 1-hokkig
vruchtbeginsel. Niet bloeiende planten zeer veel op sommige mossen
gelijkend Mayaca.
29. Xyridaceae.
Page 141
Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig; kelk zygomorf met 2 kleinere
blaadjes; bloemkroon regelmatig met een buis; de 3 buitenste meeldraden staminodiaal of
ontbrekend; de 3 binnenste fertiel, van onderen met de kroon vergroeid. Vruchtbeginsel
bovenstandig, eenhokkig met 3 zaadlijsten. Vrucht een doosvrucht; meest overblijvende
kruiden.
1a. Bladeren grasachtig, wortelstandig. Bloemen in en hoofdje aan het
einde van de hoogstens aan den voet beschubde bloeistengel, elke bloem in
den oksel van een schutblad zittend. Voorste (naar het schutblad
toegekeerde) kelkblad veel grooter dan de beide andere kelkbladeren. 3
penseelvormige staminodiën in elke bloem Xyris.
1b. Voorste kelkblad ontbrekend. Staminodiën draadvormig of ontbrekend.
Bloeistengel ook boven de basis met schubben bezet Abolboda.
30. Eriocaulaceae.
Bloemen zeer klein, met kelk en bloemkroon, 2–3-tallig, één- of tweeslachtig, regelmatig
of zygomorf; bloemdek droogvliezig, soms de bloemkroon ontbrekend; meest de buitenste
van de meeldraden ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–3-hokkig, met 2–3 stijlen;
in elk hokje één zaadknop; meest overblijvende kruiden; de bloemen in hoofdjes met
gemeenschappelijk omwindsel.
1a. Waterplanten met lange drijvende vertakte en bebladerde stengels.
Bloemhoofdjes gesteeld langs den stengel verspreid. Kroonbladeren van de
♀ bloemen zeer klein; helmknoppen met slechts één helmhokje
Tonina.
1b. Land- of moerasplanten met rechtopstaande stengels; ♀
bloemen met kelk en kroon; meeldraden met 2 helmhokjes 2
2a. Kroonbladeren van de ♀ bloemen vrij van elkaar, bladachtig.
Paepalanthus.
2b. Kroonbladeren van de ♀ bloemen aan top en basis
vrij, in het midden met de randen vergroeid Syngonanthus.
blaadjes; bloemkroon regelmatig met een buis; de 3 buitenste meeldraden staminodiaal of
ontbrekend; de 3 binnenste fertiel, van onderen met de kroon vergroeid. Vruchtbeginsel
bovenstandig, eenhokkig met 3 zaadlijsten. Vrucht een doosvrucht; meest overblijvende
kruiden.
1a. Bladeren grasachtig, wortelstandig. Bloemen in en hoofdje aan het
einde van de hoogstens aan den voet beschubde bloeistengel, elke bloem in
den oksel van een schutblad zittend. Voorste (naar het schutblad
toegekeerde) kelkblad veel grooter dan de beide andere kelkbladeren. 3
penseelvormige staminodiën in elke bloem Xyris.
1b. Voorste kelkblad ontbrekend. Staminodiën draadvormig of ontbrekend.
Bloeistengel ook boven de basis met schubben bezet Abolboda.
30. Eriocaulaceae.
Bloemen zeer klein, met kelk en bloemkroon, 2–3-tallig, één- of tweeslachtig, regelmatig
of zygomorf; bloemdek droogvliezig, soms de bloemkroon ontbrekend; meest de buitenste
van de meeldraden ontbrekend; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–3-hokkig, met 2–3 stijlen;
in elk hokje één zaadknop; meest overblijvende kruiden; de bloemen in hoofdjes met
gemeenschappelijk omwindsel.
1a. Waterplanten met lange drijvende vertakte en bebladerde stengels.
Bloemhoofdjes gesteeld langs den stengel verspreid. Kroonbladeren van de
♀ bloemen zeer klein; helmknoppen met slechts één helmhokje
Tonina.
1b. Land- of moerasplanten met rechtopstaande stengels; ♀
bloemen met kelk en kroon; meeldraden met 2 helmhokjes 2
2a. Kroonbladeren van de ♀ bloemen vrij van elkaar, bladachtig.
Paepalanthus.
2b. Kroonbladeren van de ♀ bloemen aan top en basis
vrij, in het midden met de randen vergroeid Syngonanthus.
Page 142
31. Rapateaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; kelk met een vliezige
buis; kroonbladeren meest vergroeid; meeldraden 6, meest met de bloemkroon vergroeid;
vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig, met 1 stijl en met 2 tot vele zaadknoppen in elk
hokje; vrucht een doosvrucht; overblijvende kruiden met dik rhizoom en met de smalle
bladeren in 2 rijen; bloemsteel aan het eind met 1 of 2 scheeden, die een hoofdje insluiten.
1a. Bloeiwijze met één scheedevormig blad aan één kant van de aar.
Vruchtbeginsel 3-hokkig, 3-lobbig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Vrucht
éénzadig Spathanthus.
1b. Bloeiwijze ± bolvormig door twee tegenoverstaande scheedebladeren
ingesloten 2
2a. De twee scheedebladeren niet of nauwelijks met elkaar vergroeid.
Vruchtbeginsel onvolkomen 3-hokkig met 1 zaadknop per hokje. Vrucht
een 3-zadige, openspringende doosvrucht Rapatea.
2b. De twee scheedebladeren met de randen tot een gesloten, na den bloei
opengescheurde zak vergroeid. Vruchtbeginsel met meerdere zaadknoppen
per hokje; vrucht een 3-kleppige, 1-zadige doosvrucht Saxo-fridericia.
32. Bromeliaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig, zelden iets
zygomorf; kelk kruid- of leerachtig, blijvend; kroonbladeren vrij of vergroeid; meeldraden
6, in 2 kransen; vruchtbeginsel boven- tot onderstandig, met één stijl, 3-hokkig met vele
zaadknoppen per hokje; bes of doosvrucht met kleine zaden, die vaak een haarkroon
dragen; epiphytische kruiden of rotsplanten, zelden grondstandig met smalle, vaak
doorniggezaagde bladeren in een roset, bladeren vaak met schubben.
1a. Planten klein, geheel zonder wortels, in dooreengevlochten massa’s in
boomen hangend. Stengels en bladeren draadvormig, met grijze schubben
bezet Tillandsia.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig; kelk met een vliezige
buis; kroonbladeren meest vergroeid; meeldraden 6, meest met de bloemkroon vergroeid;
vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig, met 1 stijl en met 2 tot vele zaadknoppen in elk
hokje; vrucht een doosvrucht; overblijvende kruiden met dik rhizoom en met de smalle
bladeren in 2 rijen; bloemsteel aan het eind met 1 of 2 scheeden, die een hoofdje insluiten.
1a. Bloeiwijze met één scheedevormig blad aan één kant van de aar.
Vruchtbeginsel 3-hokkig, 3-lobbig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Vrucht
éénzadig Spathanthus.
1b. Bloeiwijze ± bolvormig door twee tegenoverstaande scheedebladeren
ingesloten 2
2a. De twee scheedebladeren niet of nauwelijks met elkaar vergroeid.
Vruchtbeginsel onvolkomen 3-hokkig met 1 zaadknop per hokje. Vrucht
een 3-zadige, openspringende doosvrucht Rapatea.
2b. De twee scheedebladeren met de randen tot een gesloten, na den bloei
opengescheurde zak vergroeid. Vruchtbeginsel met meerdere zaadknoppen
per hokje; vrucht een 3-kleppige, 1-zadige doosvrucht Saxo-fridericia.
32. Bromeliaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig, zelden iets
zygomorf; kelk kruid- of leerachtig, blijvend; kroonbladeren vrij of vergroeid; meeldraden
6, in 2 kransen; vruchtbeginsel boven- tot onderstandig, met één stijl, 3-hokkig met vele
zaadknoppen per hokje; bes of doosvrucht met kleine zaden, die vaak een haarkroon
dragen; epiphytische kruiden of rotsplanten, zelden grondstandig met smalle, vaak
doorniggezaagde bladeren in een roset, bladeren vaak met schubben.
1a. Planten klein, geheel zonder wortels, in dooreengevlochten massa’s in
boomen hangend. Stengels en bladeren draadvormig, met grijze schubben
bezet Tillandsia.
Page 143
1b. Stengels en bladeren niet draadvormig 2
2a. Bloeiwijze een ijle, rechtopstaande tros vormend, uit de bladroset te
voorschijn komend. Bloemen vrij lang gesteeld; schutbladeren klein, korter
dan de bloemsteel. Bladeren aan den rand gestekeld of ongestekeld.
Kelkbladen niet vergroeid, kroonbladeren rechtopstaand, de 6 meeldraden
insluitend. Vruchtbeginsel tot aan het midden ongeveer met de kelk
vergroeid, verder naar boven vrij, bovenstandig; vrucht een met 3 kleppen
openspringende doosvrucht, met talrijke gevleugelde zaden Pitcairnia.
2b. Bloeiwijze vertakt, of onvertakt, in het laatste geval de bloemen dicht
op elkaar gedrongen zittend en ± een hoofdje vormend, of indien ze in een
ijle tros zitten, dan zijn de bloemen ongesteeld 3
3a. Vruchtbeginsel geheel onderstandig; bladeren meest met stekels aan
den rand, vrucht een min of meer sappige bes; zaden steeds zonder haarkuif
4
3b. Vruchtbeginsel geheel bovenstandig; bladeren nooit met stekels
aan den rand, vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht; zaden
met haarkuif 10
4a. Bloembladeren van binnen aan de basis zonder schubben 5
4b. Bloembladeren van binnen met 2 verlengde schubben aan den voet
7
5a. Bloeiwijze langgesteeld, met korte dicht op elkaar zittende
takken en groote schutbladeren, zeer lange bladeren. Bloemen groot (tot 5
cM.), kelkbladeren vrij; bloembladeren aan de basis vergroeid en met de
meeldraden vergroeid Bromelia.
5b. Bloeiwijze sterk vertakt, een wijde pluim vormend 6
6a. Bladeren smal, met de scheeden dicht tegen de bloeistengel aanliggend,
gestekeld (of soms ongestekeld) aan den rand. Bloeiwijze langgesteeld, een
sterk en onregelmatig vertakte pluim vormend. Bloemen klein, geelachtig
groen in den oksel van kleine schutbladeren Araeococcus.
2a. Bloeiwijze een ijle, rechtopstaande tros vormend, uit de bladroset te
voorschijn komend. Bloemen vrij lang gesteeld; schutbladeren klein, korter
dan de bloemsteel. Bladeren aan den rand gestekeld of ongestekeld.
Kelkbladen niet vergroeid, kroonbladeren rechtopstaand, de 6 meeldraden
insluitend. Vruchtbeginsel tot aan het midden ongeveer met de kelk
vergroeid, verder naar boven vrij, bovenstandig; vrucht een met 3 kleppen
openspringende doosvrucht, met talrijke gevleugelde zaden Pitcairnia.
2b. Bloeiwijze vertakt, of onvertakt, in het laatste geval de bloemen dicht
op elkaar gedrongen zittend en ± een hoofdje vormend, of indien ze in een
ijle tros zitten, dan zijn de bloemen ongesteeld 3
3a. Vruchtbeginsel geheel onderstandig; bladeren meest met stekels aan
den rand, vrucht een min of meer sappige bes; zaden steeds zonder haarkuif
4
3b. Vruchtbeginsel geheel bovenstandig; bladeren nooit met stekels
aan den rand, vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht; zaden
met haarkuif 10
4a. Bloembladeren van binnen aan de basis zonder schubben 5
4b. Bloembladeren van binnen met 2 verlengde schubben aan den voet
7
5a. Bloeiwijze langgesteeld, met korte dicht op elkaar zittende
takken en groote schutbladeren, zeer lange bladeren. Bloemen groot (tot 5
cM.), kelkbladeren vrij; bloembladeren aan de basis vergroeid en met de
meeldraden vergroeid Bromelia.
5b. Bloeiwijze sterk vertakt, een wijde pluim vormend 6
6a. Bladeren smal, met de scheeden dicht tegen de bloeistengel aanliggend,
gestekeld (of soms ongestekeld) aan den rand. Bloeiwijze langgesteeld, een
sterk en onregelmatig vertakte pluim vormend. Bloemen klein, geelachtig
groen in den oksel van kleine schutbladeren Araeococcus.
Page 144
6b. Bladeren met afstaande scheeden, een breede rozet vormend; bladrand
met vrij kleine stekels bezet. Bloeiwijze groot, 1 maal vertakt; takken van
de pluim aarvormig, in den oksel van groote bracteeën staande, bloemen
grooter dan de vorige, tot 1 cM. lang Wittmackia.
7a. Bloeiwijze onvertakt, een losse soms ± hangende aar vormend van
verspreide zittende bloemen; bloeistengel met groote gekleurde
ongestekelde bladeren bezet; bloembladeren lang en zeer smal, vooral aan
de basis; vruchtbeginsel evenals de bloeistengel met een fijn meel bedekt
Billbergia.
7b. Bloeiwijze onvertakt, bloemen dicht gedrongen, aan
het eind van den bloeistengel een ± kegelvormig hoofdje vormend 8
7c. Bloeiwijze vertakt 9
8a. Bloeistengel met gestekelde bladeren bezet; bloemen in een dichte
kegel aan het eind van den stengel met de bloeistengel vergroeid; aan den
top voorzien van een pluim van niet bloemdragende bladeren. Bloemen
rood of violet. Besvruchten met de sappig geworden bloeistengel tot één
geheel vergroeid Ananas.
8b. Bloeistengel met ongetande schubben bezet; geen bladpluim boven de
bloeiwijze; bessen niet samen vergroeid Aechmea.
9a. Bloeistengel van onderen met gekleurde schubben, meermalen vertakt,
een dichte ± kegelvormige pluim vormend; schutbladeren tusschen de
bloemtakken in kransen of spiralen. Kelkbladeren en bloembladeren aan
den top met een klein stekeltje Aechmea.
9b. Bloeistengel met gekleurde schubben bezet; zijtakken tamelijk
verspreid, kort, krachtig, in den oksel van lange, lancetvormige
schutbladeren; aan het eind van die zijtakken de bloemen dicht op elkaar
zittend Gravisia.
10a. Kroonbladeren vergroeid tot een lange buis. Bloeiwijze een kort
gesteelde aar, nauwelijks boven de bladeren uitstekend. Stijl lang. Zaden
met een haarkuif, overigens kaal Guzmania.
met vrij kleine stekels bezet. Bloeiwijze groot, 1 maal vertakt; takken van
de pluim aarvormig, in den oksel van groote bracteeën staande, bloemen
grooter dan de vorige, tot 1 cM. lang Wittmackia.
7a. Bloeiwijze onvertakt, een losse soms ± hangende aar vormend van
verspreide zittende bloemen; bloeistengel met groote gekleurde
ongestekelde bladeren bezet; bloembladeren lang en zeer smal, vooral aan
de basis; vruchtbeginsel evenals de bloeistengel met een fijn meel bedekt
Billbergia.
7b. Bloeiwijze onvertakt, bloemen dicht gedrongen, aan
het eind van den bloeistengel een ± kegelvormig hoofdje vormend 8
7c. Bloeiwijze vertakt 9
8a. Bloeistengel met gestekelde bladeren bezet; bloemen in een dichte
kegel aan het eind van den stengel met de bloeistengel vergroeid; aan den
top voorzien van een pluim van niet bloemdragende bladeren. Bloemen
rood of violet. Besvruchten met de sappig geworden bloeistengel tot één
geheel vergroeid Ananas.
8b. Bloeistengel met ongetande schubben bezet; geen bladpluim boven de
bloeiwijze; bessen niet samen vergroeid Aechmea.
9a. Bloeistengel van onderen met gekleurde schubben, meermalen vertakt,
een dichte ± kegelvormige pluim vormend; schutbladeren tusschen de
bloemtakken in kransen of spiralen. Kelkbladeren en bloembladeren aan
den top met een klein stekeltje Aechmea.
9b. Bloeistengel met gekleurde schubben bezet; zijtakken tamelijk
verspreid, kort, krachtig, in den oksel van lange, lancetvormige
schutbladeren; aan het eind van die zijtakken de bloemen dicht op elkaar
zittend Gravisia.
10a. Kroonbladeren vergroeid tot een lange buis. Bloeiwijze een kort
gesteelde aar, nauwelijks boven de bladeren uitstekend. Stijl lang. Zaden
met een haarkuif, overigens kaal Guzmania.
Page 145
10b. Kroonbladeren niet tot een lange buis vergroeid 11
11a. Bloembladeren van binnen met schubben aan den voet. Bloeistengel
vertakt, de takken bezet met 2 rijen van bloemen, die door groote
dekbladeren ingesloten zijn Vriesea.
11b. Bloembladeren van binnen zonder schubben aan de voet 12
12a. Bladeren in rosetten, de scheeden tamelijk wijd van elkaar, met
verspreide schubben bezet; bloeistengel met weinige lange takken, aan
welker top de bloemen spiraalsgewijs zitten. Kelk korter of (soms) langer
dan de bloembladeren; deze laatste aan den top met een klein stekelpuntje.
Stijl zeer kort. Zaden aangedrukt behaard, met een haarkuif Catopsis.
12b. Bladeren in een dichte bundel of in een roset, en dan vaak een
bovenaardsche bol vormend; soms ook een lange stengel dicht bedekkend;
meest met grijze schubben dicht bezet. Bloeistengel onvertakt met de
bloemen in twee rijen, of vertakt, en dan de bloemen tweerijig van de
takken zittend. Vruchtbeginsel kaal; stijl lang; zaden kaal met een haarkuif
Tillandsia.
33. Commelinaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf;
vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl; 3–2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje;
meeldraden 6, een deel ervan vaak staminodiaal of ontbrekend; vrucht een doosvrucht;
kruiden met knoopen aan den stengel en afwisselende bladeren; bloemen meest met blauwe
of violette kroon.
1a. Bloemen of bloeiwijzen in den oksel staande van een scheedevormig,
zijdelings samengedrukt schutblad; bloemen ± zygomorf 2
1b. Bloemen in pluimen of aren of in kleine groepen aan het eind van den
stengel of in den oksel van gewone bladeren 3
2a. Meeldraden 5 of 6, daarvan 3 stuifmeeldragend, de 3 of 2 andere
steriel; helmhokjes der steriele meeldraden evenwijdig met elkaar loopend,
11a. Bloembladeren van binnen met schubben aan den voet. Bloeistengel
vertakt, de takken bezet met 2 rijen van bloemen, die door groote
dekbladeren ingesloten zijn Vriesea.
11b. Bloembladeren van binnen zonder schubben aan de voet 12
12a. Bladeren in rosetten, de scheeden tamelijk wijd van elkaar, met
verspreide schubben bezet; bloeistengel met weinige lange takken, aan
welker top de bloemen spiraalsgewijs zitten. Kelk korter of (soms) langer
dan de bloembladeren; deze laatste aan den top met een klein stekelpuntje.
Stijl zeer kort. Zaden aangedrukt behaard, met een haarkuif Catopsis.
12b. Bladeren in een dichte bundel of in een roset, en dan vaak een
bovenaardsche bol vormend; soms ook een lange stengel dicht bedekkend;
meest met grijze schubben dicht bezet. Bloeistengel onvertakt met de
bloemen in twee rijen, of vertakt, en dan de bloemen tweerijig van de
takken zittend. Vruchtbeginsel kaal; stijl lang; zaden kaal met een haarkuif
Tillandsia.
33. Commelinaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf;
vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl; 3–2-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje;
meeldraden 6, een deel ervan vaak staminodiaal of ontbrekend; vrucht een doosvrucht;
kruiden met knoopen aan den stengel en afwisselende bladeren; bloemen meest met blauwe
of violette kroon.
1a. Bloemen of bloeiwijzen in den oksel staande van een scheedevormig,
zijdelings samengedrukt schutblad; bloemen ± zygomorf 2
1b. Bloemen in pluimen of aren of in kleine groepen aan het eind van den
stengel of in den oksel van gewone bladeren 3
2a. Meeldraden 5 of 6, daarvan 3 stuifmeeldragend, de 3 of 2 andere
steriel; helmhokjes der steriele meeldraden evenwijdig met elkaar loopend,
Page 146
spiesvormig. Vrucht een niet openspringende doosvrucht met een dunne
witte wand en 5 zaden Phaeospherion. G a d o - d è d è .
2b. Bloemen als de vorige, bloembladeren blauw of paars. Helmknoppen
der steriele meeldraden uit elkaar wijkend, een kruis vormend. Vrucht een
doosvrucht, die met 3 kleppen openspringt
Commelina. G a d o - d è d è .
3a. Bloemen met 3 vruchtbare en 2 of 3
onvruchtbare meeldraden; vrucht een openspringende doosvrucht
Aneilema.
3b. 5 of 6 vruchtbare meeldraden
4
4a. Bloemen vrij groot in trossen aan het einde van den stengel.
Bloembladen blauw met witte nagel Dichorisandra.
4b. Bloemen in vertakte pluimen of meerdere bloeistengels samen in de
oksels van de bovenste bladeren staand, aan het einde de bloemen in een
dicht gedrongen hoofdje dragend Tradescantia.
34. Pontederiaceae.
Bloemen met een 6-tallig, vergroeidbladig bloemdek, tweeslachtig, bijna regelmatig of
zygomorf; meeldraden 6, 3 of 1, in de buis van het bloemdek ingehecht; vruchtbeginsel
bovenstandig, met 1 stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen of éénhokkig met slechts één
zaadknop; vrucht een doosvrucht of niet-openspringend; waterplanten met een aarvormige
bloeiwijze.
1a. Bladsteelen aan de basis sterk opgezwollen, met lucht gevuld; bladeren
in rosetten; bloemen in een staande tros zygomorf, groot, violet, het
bovenste kroonblad met een gele vlek Eichhornia crassipes.
1b. Bladsteelen niet of nauwelijks opgezwollen 2
2a. Lange, dunne stengel, in het water drijvend, met ronde bladeren bezet,
die ongeveer 2 cM. in doorsnee zijn; bloemen alleenstaand, bijna
actinomorf Eichhornia natans.
witte wand en 5 zaden Phaeospherion. G a d o - d è d è .
2b. Bloemen als de vorige, bloembladeren blauw of paars. Helmknoppen
der steriele meeldraden uit elkaar wijkend, een kruis vormend. Vrucht een
doosvrucht, die met 3 kleppen openspringt
Commelina. G a d o - d è d è .
3a. Bloemen met 3 vruchtbare en 2 of 3
onvruchtbare meeldraden; vrucht een openspringende doosvrucht
Aneilema.
3b. 5 of 6 vruchtbare meeldraden
4
4a. Bloemen vrij groot in trossen aan het einde van den stengel.
Bloembladen blauw met witte nagel Dichorisandra.
4b. Bloemen in vertakte pluimen of meerdere bloeistengels samen in de
oksels van de bovenste bladeren staand, aan het einde de bloemen in een
dicht gedrongen hoofdje dragend Tradescantia.
34. Pontederiaceae.
Bloemen met een 6-tallig, vergroeidbladig bloemdek, tweeslachtig, bijna regelmatig of
zygomorf; meeldraden 6, 3 of 1, in de buis van het bloemdek ingehecht; vruchtbeginsel
bovenstandig, met 1 stijl, 3-hokkig met vele zaadknoppen of éénhokkig met slechts één
zaadknop; vrucht een doosvrucht of niet-openspringend; waterplanten met een aarvormige
bloeiwijze.
1a. Bladsteelen aan de basis sterk opgezwollen, met lucht gevuld; bladeren
in rosetten; bloemen in een staande tros zygomorf, groot, violet, het
bovenste kroonblad met een gele vlek Eichhornia crassipes.
1b. Bladsteelen niet of nauwelijks opgezwollen 2
2a. Lange, dunne stengel, in het water drijvend, met ronde bladeren bezet,
die ongeveer 2 cM. in doorsnee zijn; bloemen alleenstaand, bijna
actinomorf Eichhornia natans.
Page 147
2b. Bladeren veel grooter dan 2 cM.; bloemen in trossen 3
3a. Bladeren spatelvormig, naar den basis toegespitst. Vruchtbeginsel 3-
hokkig, met vele zaadknoppen, vrucht veelzadig Eichhornia.
3b. Bladeren aan de basis afgerond of eenigszins hartvormig;
vruchtbeginsel 1-hokkig met 1 zaadknop, vrucht eenzadig Pontederia.
Orde: Liliiflorae.
38. Liliaceae.
Bloemen meest met een bloemdek, zelden met kelk en kroon; meest tweeslachtig en
regelmatig, zelden éénslachtig of zygomorf; bloemdek gekleurd of groen of vliezig,
vergroeid- of losbladig; meest 6 meeldraden voorhanden; stijlen gescheiden of vereenigd;
vruchtbeginsel bovenstandig, meest 3-hokkig; vrucht zeer verschillend van vorm.
1a. Klimplanten met ranken en handnervige bladeren. Bloemen tweehuizig;
bloemdek 6-bladig; ♀ bloemen met 6–3 steriele meeldraden, ♂ bloemen
met 6 fertiele meeldraden alleen; vrucht een bes Smilax.
1b. Planten met een rechtopstaande stam 2
2a. Bloemdekbladeren bijna geheel vrij van elkaar, klokvormig tegen
elkaar staand; bloemen hangend, met korte meeldraden Yucca.
2b. Bloemdekbladeren van onderen tot een buis vergroeid; slippen van het
bloemdek gekromd; meeldraden bijna geheel met het bloemdek vergroeid
Cordyline.
39. Haemodoraceae.
Bloemen met een min of meer vergroeidbladig bloemdek, met 3 meeldraden vóór de
binnenste kroonslippen; bloemen regelmatig of een weinig zygomorf; vruchtbeginsel
onderstandig of bovenstandig, 3-hokkig met weinige zaadknoppen in elk hokje; stempel
verdikt; kruiden.
3a. Bladeren spatelvormig, naar den basis toegespitst. Vruchtbeginsel 3-
hokkig, met vele zaadknoppen, vrucht veelzadig Eichhornia.
3b. Bladeren aan de basis afgerond of eenigszins hartvormig;
vruchtbeginsel 1-hokkig met 1 zaadknop, vrucht eenzadig Pontederia.
Orde: Liliiflorae.
38. Liliaceae.
Bloemen meest met een bloemdek, zelden met kelk en kroon; meest tweeslachtig en
regelmatig, zelden éénslachtig of zygomorf; bloemdek gekleurd of groen of vliezig,
vergroeid- of losbladig; meest 6 meeldraden voorhanden; stijlen gescheiden of vereenigd;
vruchtbeginsel bovenstandig, meest 3-hokkig; vrucht zeer verschillend van vorm.
1a. Klimplanten met ranken en handnervige bladeren. Bloemen tweehuizig;
bloemdek 6-bladig; ♀ bloemen met 6–3 steriele meeldraden, ♂ bloemen
met 6 fertiele meeldraden alleen; vrucht een bes Smilax.
1b. Planten met een rechtopstaande stam 2
2a. Bloemdekbladeren bijna geheel vrij van elkaar, klokvormig tegen
elkaar staand; bloemen hangend, met korte meeldraden Yucca.
2b. Bloemdekbladeren van onderen tot een buis vergroeid; slippen van het
bloemdek gekromd; meeldraden bijna geheel met het bloemdek vergroeid
Cordyline.
39. Haemodoraceae.
Bloemen met een min of meer vergroeidbladig bloemdek, met 3 meeldraden vóór de
binnenste kroonslippen; bloemen regelmatig of een weinig zygomorf; vruchtbeginsel
onderstandig of bovenstandig, 3-hokkig met weinige zaadknoppen in elk hokje; stempel
verdikt; kruiden.
Page 148
Planten met onderaardsch rhizoom, met talrijke lijnvormige bladeren en een
groote, pluimvormig en regelmatig vertakte bloeiwijze met kleine
kortgesteelde bloemen Xiphidium.
40. Amaryllidaceae.
Kenmerken als de Liliaceae, doch vruchtbeginsel steeds onderstandig en aan de basis der
meeldraden vaak verbreedingen, die een bijkroon vormen; vrucht een doosvrucht of een
bes.
1a. Planten met groote vleezige bladeren in een roset, bloeistengel zeer
lang en veelbloemig 2
1b. Bladeren niet vleezig, doch kruidachtig 3
2a. Bloemdek bijna trechtervormig, met vrij lange buis; slippen van het
bloemdek smal. Meeldraden langer dan het bloemdek, niet verdikt
Agave.
2b. Bloemdek met zeer korte buis. Meeldraden korter dan het
bloemdek, aan de basis sterk verdikt. In de bloeiwijze komen vaak
bebladerde knoppen voor Fourcroya. I n j i e - s o p o .
3a. Bloemen groot, meerdere schermvormig bijeenstaand aan den top van
den stengel; scherm vaak aan de basis met eenige bladeren. Planten met een
bol 4
3b. Bloemen klein, niet in een scherm staand. Bladeren smal, grasachtig.
Planten met een wortelstok Hypoxis.
4a. Bloemen met een lange dunne buis, wit. Binnen het bloemdek een
trechtervormige bijkroon, waarop de meeldraden ingehecht zijn
Hymenocallis.
4b. Bijkroon afwezig of slechts in den vorm van
schubben aanwezig 5
groote, pluimvormig en regelmatig vertakte bloeiwijze met kleine
kortgesteelde bloemen Xiphidium.
40. Amaryllidaceae.
Kenmerken als de Liliaceae, doch vruchtbeginsel steeds onderstandig en aan de basis der
meeldraden vaak verbreedingen, die een bijkroon vormen; vrucht een doosvrucht of een
bes.
1a. Planten met groote vleezige bladeren in een roset, bloeistengel zeer
lang en veelbloemig 2
1b. Bladeren niet vleezig, doch kruidachtig 3
2a. Bloemdek bijna trechtervormig, met vrij lange buis; slippen van het
bloemdek smal. Meeldraden langer dan het bloemdek, niet verdikt
Agave.
2b. Bloemdek met zeer korte buis. Meeldraden korter dan het
bloemdek, aan de basis sterk verdikt. In de bloeiwijze komen vaak
bebladerde knoppen voor Fourcroya. I n j i e - s o p o .
3a. Bloemen groot, meerdere schermvormig bijeenstaand aan den top van
den stengel; scherm vaak aan de basis met eenige bladeren. Planten met een
bol 4
3b. Bloemen klein, niet in een scherm staand. Bladeren smal, grasachtig.
Planten met een wortelstok Hypoxis.
4a. Bloemen met een lange dunne buis, wit. Binnen het bloemdek een
trechtervormige bijkroon, waarop de meeldraden ingehecht zijn
Hymenocallis.
4b. Bijkroon afwezig of slechts in den vorm van
schubben aanwezig 5
Page 149
5a. Bloemen rood, door een kromming van het vruchtbeginsel naar
beneden gebogen; een weinig zijdelings symmetrisch; buis naar beneden
trechtervormig toeloopend Hippeastrum.
5b. Bloemen wit, rechtopstaand. Bloemdekbladeren smal, plotseling in de
dunne buis vereenigd Crinum.
43. Dioscoreaceae.
Bloemen met een bloemdek, 3-tallig, tweeslachtig, vaak éénslachtig, regelmatig; bloemdek
meest niet gekleurd, tot een korte buis vergroeid; soms 3 van de 6 meeldraden
staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandig; 3- of 1-hokkig, meest met 2 zaadknoppen in
ieder hokje; stijlen 3, soms tweedeelig; vrucht een bes; planten klimmend of windend, met
meest knolvormige wortelstok en tegenoverstaande of verspreide bladeren.
Planten met windende stengel; hart-pijlvormige of handvormig gelobde
handnervige bladeren; knolvormig rhizoom, éénslachtige, één of
tweehuizige bloemen; ♂ bloemen met 3 of 6 meeldraden; ♀ bloemen met
een 3-hoekig vruchtbeginsel en rudimentaire meeldraden; vrucht een 3-
hoekige doosvrucht Dioscorea. N a p i .
Orde: Scitamineae.
45. Musaceae.
Bloemen met bloemdek of met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of mannelijk, regelmatig
of zygomorf; bloemkroon gekleurd, meest vergroeidbladig; van 6 meeldraden meest maar 5
met stuifmeel, vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen per
hokje; stijl 3–6-lobbig; vrucht een bes of een doosvrucht; groote kruiden met groote ovale
of langwerpige, vinnervige bladeren.
1a. Bladeren spiraalsgewijs staande met vele bladscheeden, een schijnstam
vormend. Bloemen meest éénslachtig, de drie kelkbladeren en 2
beneden gebogen; een weinig zijdelings symmetrisch; buis naar beneden
trechtervormig toeloopend Hippeastrum.
5b. Bloemen wit, rechtopstaand. Bloemdekbladeren smal, plotseling in de
dunne buis vereenigd Crinum.
43. Dioscoreaceae.
Bloemen met een bloemdek, 3-tallig, tweeslachtig, vaak éénslachtig, regelmatig; bloemdek
meest niet gekleurd, tot een korte buis vergroeid; soms 3 van de 6 meeldraden
staminodiaal; vruchtbeginsel onderstandig; 3- of 1-hokkig, meest met 2 zaadknoppen in
ieder hokje; stijlen 3, soms tweedeelig; vrucht een bes; planten klimmend of windend, met
meest knolvormige wortelstok en tegenoverstaande of verspreide bladeren.
Planten met windende stengel; hart-pijlvormige of handvormig gelobde
handnervige bladeren; knolvormig rhizoom, éénslachtige, één of
tweehuizige bloemen; ♂ bloemen met 3 of 6 meeldraden; ♀ bloemen met
een 3-hoekig vruchtbeginsel en rudimentaire meeldraden; vrucht een 3-
hoekige doosvrucht Dioscorea. N a p i .
Orde: Scitamineae.
45. Musaceae.
Bloemen met bloemdek of met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of mannelijk, regelmatig
of zygomorf; bloemkroon gekleurd, meest vergroeidbladig; van 6 meeldraden meest maar 5
met stuifmeel, vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen per
hokje; stijl 3–6-lobbig; vrucht een bes of een doosvrucht; groote kruiden met groote ovale
of langwerpige, vinnervige bladeren.
1a. Bladeren spiraalsgewijs staande met vele bladscheeden, een schijnstam
vormend. Bloemen meest éénslachtig, de drie kelkbladeren en 2
Page 150
kroonbladeren zijn met elkaar tot een aan één zijde gespleten buis
vergroeid; het 3de kroonblad vrij. Meeldraden 5; vrucht een lange bes
Musa. B a k o v e . B a n a .
1b. Bladeren in twee rijen (1 vlak)
staande, bloemen 2-slachtig 2
2a. Het kelkblad, dat in één vlak met de as staat naar voren, dus van de as
afgekeerd. 5 fertiele meeldraden, het zesde een staminodium, tegen het
achterste kroonblad staande. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 1 zaadknop in
ieder hokje. Vrucht een doosvrucht, die in 3 stukken uiteenvalt, waarvan er
soms 1 of 2 geen zaden dragen; zaden zonder arillus
Heliconia. P o p o k a i - T o n g o .
2b. Het kelkblad, dat in één vlak
staat met de as staat naar achteren, dus naar de as gekeerd. Bloemen wit,
een van de kroonbladeren kleiner dan de beide anderen. Meeldraden 5, met
lange smalle helmknoppen. Vruchtbeginsels 3-hokkig met meerdere
zaadknoppen in ieder hokje. Vrucht een met 3 kleppen openspringende
doosvrucht met vele zaden met een arillus Ravenala. P a l a l o e .
46. Zingiberaceae.
Bloemen meest met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, zelden éénslachtig, zygomorf; kelk
en kroon 3-tallig, vergroeidbladig, van onderen met een buis; slechts 1 meeldraad van de
binnenste krans fertiel, daartegenover een lip die gevormd wordt door 2 vergroeide
staminodiën, soms ook nog 2 andere staminodiën aanwezig; stijl zeer dun, in een gleuf van
de helmknop gelegen; vruchtbeginsel 3-hokkig met vele zaadknoppen; vrucht meest een
doosvrucht met 3 kleppen; overblijvende kruiden vaak met een knolvormige wortelstok.
1a. Bloeiwijze bestaande uit elkaar dakpansgewijs bedekkende schubben
uit welker oksel de bloemen te voorschijn komen 2
1b. Bloemen in enkelvoudige of samengestelde verlengde trossen 6
2a. De bloeiwijzen staan aan den gewonen bebladerden stengel 3
vergroeid; het 3de kroonblad vrij. Meeldraden 5; vrucht een lange bes
Musa. B a k o v e . B a n a .
1b. Bladeren in twee rijen (1 vlak)
staande, bloemen 2-slachtig 2
2a. Het kelkblad, dat in één vlak met de as staat naar voren, dus van de as
afgekeerd. 5 fertiele meeldraden, het zesde een staminodium, tegen het
achterste kroonblad staande. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 1 zaadknop in
ieder hokje. Vrucht een doosvrucht, die in 3 stukken uiteenvalt, waarvan er
soms 1 of 2 geen zaden dragen; zaden zonder arillus
Heliconia. P o p o k a i - T o n g o .
2b. Het kelkblad, dat in één vlak
staat met de as staat naar achteren, dus naar de as gekeerd. Bloemen wit,
een van de kroonbladeren kleiner dan de beide anderen. Meeldraden 5, met
lange smalle helmknoppen. Vruchtbeginsels 3-hokkig met meerdere
zaadknoppen in ieder hokje. Vrucht een met 3 kleppen openspringende
doosvrucht met vele zaden met een arillus Ravenala. P a l a l o e .
46. Zingiberaceae.
Bloemen meest met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, zelden éénslachtig, zygomorf; kelk
en kroon 3-tallig, vergroeidbladig, van onderen met een buis; slechts 1 meeldraad van de
binnenste krans fertiel, daartegenover een lip die gevormd wordt door 2 vergroeide
staminodiën, soms ook nog 2 andere staminodiën aanwezig; stijl zeer dun, in een gleuf van
de helmknop gelegen; vruchtbeginsel 3-hokkig met vele zaadknoppen; vrucht meest een
doosvrucht met 3 kleppen; overblijvende kruiden vaak met een knolvormige wortelstok.
1a. Bloeiwijze bestaande uit elkaar dakpansgewijs bedekkende schubben
uit welker oksel de bloemen te voorschijn komen 2
1b. Bloemen in enkelvoudige of samengestelde verlengde trossen 6
2a. De bloeiwijzen staan aan den gewonen bebladerden stengel 3
Page 151
2b. De bloeiwijzen staan aan het eind van aparte uit den wortelstok te
voorschijn komende stengels, die in uiterlijk verschillen van den
bladdragenden stengel 5
3a. Bladeren zittend, langwerpig-eirond, bladscheede kokervormig,
bladeren beneden de opening van dien koker ingehecht, in een spiraal
rondom de stengel staand. Bracteeën der bloeiwijze meest zeer talrijk;
bloemen kortgesteeld, met een korte buis, wit, geel of oranje, niet ver buiten
de bracteeën uitstekend. Behalve de buisvormige kelk en de 3 kroonslippen
is er alleen nog een lip in de bloem aanwezig
Costus. S a n g r a f o e , F i c o f i c o .
3b. Bladeren in twee rijen langs
den stengel staand. Behalve kelk, kroonslippen en lip zijn er ook nog 2
bladachtige staminodiën in den bloem te vinden 4
4a. Bladeren kortgesteeld, smal. Kroonbuis der bloemen ver buiten de
bracteeën uitstekend. Staminodiën wit, lip geel. Meeldraad aan den basis
zonder aanhangsels Hedychium.
4b. Bladeren langgesteeld, breed. Meeldraad aan de basis met 2
aanhangsels. Wortelstok intens geel Curcuma longa.
5a. Bloem met een duidelijke 3-lobbige lip, waarvan de middenlob het
grootst is, en purper van kleur met gele vlekken. Helmknop aan den top met
een buisvormig aanhangsel dat den stijl omsluit, aan de basis zonder
spoorvormige aanhangsels Zingiber.
5b. Lip geel, onduidelijk 3-lobbig, middenlob ingesneden. Helmknop aan
den top zonder, aan de basis met 2 spoorvormige aanhangsels
Curcuma Zedoaria.
6a. Bloeiwijze aan het eind van een met gewone
groene bladeren bezette stengel staand, een groote tros vormend.
Bloemkroon wit en rood gekleurd, lip geel Alpinia.
6b. Bloeistengels en bebladerde stengels naast elkaar uit de wortelstok te
voorschijn komend, duidelijk van elkaar verschillend 7
voorschijn komende stengels, die in uiterlijk verschillen van den
bladdragenden stengel 5
3a. Bladeren zittend, langwerpig-eirond, bladscheede kokervormig,
bladeren beneden de opening van dien koker ingehecht, in een spiraal
rondom de stengel staand. Bracteeën der bloeiwijze meest zeer talrijk;
bloemen kortgesteeld, met een korte buis, wit, geel of oranje, niet ver buiten
de bracteeën uitstekend. Behalve de buisvormige kelk en de 3 kroonslippen
is er alleen nog een lip in de bloem aanwezig
Costus. S a n g r a f o e , F i c o f i c o .
3b. Bladeren in twee rijen langs
den stengel staand. Behalve kelk, kroonslippen en lip zijn er ook nog 2
bladachtige staminodiën in den bloem te vinden 4
4a. Bladeren kortgesteeld, smal. Kroonbuis der bloemen ver buiten de
bracteeën uitstekend. Staminodiën wit, lip geel. Meeldraad aan den basis
zonder aanhangsels Hedychium.
4b. Bladeren langgesteeld, breed. Meeldraad aan de basis met 2
aanhangsels. Wortelstok intens geel Curcuma longa.
5a. Bloem met een duidelijke 3-lobbige lip, waarvan de middenlob het
grootst is, en purper van kleur met gele vlekken. Helmknop aan den top met
een buisvormig aanhangsel dat den stijl omsluit, aan de basis zonder
spoorvormige aanhangsels Zingiber.
5b. Lip geel, onduidelijk 3-lobbig, middenlob ingesneden. Helmknop aan
den top zonder, aan de basis met 2 spoorvormige aanhangsels
Curcuma Zedoaria.
6a. Bloeiwijze aan het eind van een met gewone
groene bladeren bezette stengel staand, een groote tros vormend.
Bloemkroon wit en rood gekleurd, lip geel Alpinia.
6b. Bloeistengels en bebladerde stengels naast elkaar uit de wortelstok te
voorschijn komend, duidelijk van elkaar verschillend 7
Page 152
7a. Bloemen alleenstaand aan het eind van den korten bloeistengel. Lip
groot; aanhangsel aan den top van de helmknop breed, ingesneden
Aframomum. N i n g r e - K o n d r e - p e p r e .
7b. Bloemen in lange
trossen of pluimen. Geen aanhangsel aan den top van den helmknop
Renealmia. M a s s o e s a .
47. Cannaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; kelkbladeren 3,
bloembladeren 3, van onderen vergroeid; meeldraden 1–5, van onderen met de kroonbuis
vergroeid; maar slechts één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft
staminodiaal en bloembladachtig, de overige meeldraden alle bloembladachtig; stijl dik
bladachtig, met een scheeve stempel; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig; met 2 rijen
van zaadknoppen in ieder hokje; vruchten gestekeld; overblijvende kruiden met groote
vinnervige bladeren; bloeiwijze aarvormig met groote bloemen.
Eenige geslacht Canna. S a k k a - s i r i e , K r e k r e r e .
48. Marantaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; meeldraden 4–5, maar
alleen één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft bloembladachtig
verbreed; de beide andere binnenste en 1 of 2 van de buitenste meeldraden staminodiaal en
bloembladachtig; een er van kapvormig; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig, of doordat
2 van de hokjes niet ontwikkeld zijn, éénhokkig; ieder hokje met 1 zaadknop; stijl sterk
gekromd met scheeve, vaak gelobde top; overblijvende kruiden met 2-rijige, vinnervige,
meest ongelijkzijdige bladeren, met een aanzwelling aan den top van de bladsteel.
1a. Bloemen in meest dichtgedrongen hoofdjes, soms een weinig verder
van elkaar, aan het eind van den steeds geheel onvertakten bloeistengel
staande; zeer zelden is de bloeistengel zoo kort dat de bloemen tusschen de
bladscheeden staan. Vruchtbeginsel 3-hokkig, vrucht met 3 kleppen
openspringend met 3 zaden Calathea.
groot; aanhangsel aan den top van de helmknop breed, ingesneden
Aframomum. N i n g r e - K o n d r e - p e p r e .
7b. Bloemen in lange
trossen of pluimen. Geen aanhangsel aan den top van den helmknop
Renealmia. M a s s o e s a .
47. Cannaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; kelkbladeren 3,
bloembladeren 3, van onderen vergroeid; meeldraden 1–5, van onderen met de kroonbuis
vergroeid; maar slechts één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft
staminodiaal en bloembladachtig, de overige meeldraden alle bloembladachtig; stijl dik
bladachtig, met een scheeve stempel; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig; met 2 rijen
van zaadknoppen in ieder hokje; vruchten gestekeld; overblijvende kruiden met groote
vinnervige bladeren; bloeiwijze aarvormig met groote bloemen.
Eenige geslacht Canna. S a k k a - s i r i e , K r e k r e r e .
48. Marantaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, onregelmatig; meeldraden 4–5, maar
alleen één van de binnenste voor de helft fertiel, voor de andere helft bloembladachtig
verbreed; de beide andere binnenste en 1 of 2 van de buitenste meeldraden staminodiaal en
bloembladachtig; een er van kapvormig; vruchtbeginsel onderstandig, 3-hokkig, of doordat
2 van de hokjes niet ontwikkeld zijn, éénhokkig; ieder hokje met 1 zaadknop; stijl sterk
gekromd met scheeve, vaak gelobde top; overblijvende kruiden met 2-rijige, vinnervige,
meest ongelijkzijdige bladeren, met een aanzwelling aan den top van de bladsteel.
1a. Bloemen in meest dichtgedrongen hoofdjes, soms een weinig verder
van elkaar, aan het eind van den steeds geheel onvertakten bloeistengel
staande; zeer zelden is de bloeistengel zoo kort dat de bloemen tusschen de
bladscheeden staan. Vruchtbeginsel 3-hokkig, vrucht met 3 kleppen
openspringend met 3 zaden Calathea.
Page 153
1b. Vruchtbeginsel 1-hokkig, met maar 1 zaadknop; vrucht 1-zadig;
bloeiwijzen bijna steeds meermalen vertakt 2
2a. Bracteeën in 2 rijen langs den wijdvertakten, doch slechts weinig
bloemen dragende bloeistengel, meest spoedig afvallend. Twee groote
bladachtige staminodiën in den bloem. Bladeren homotroop.
Maranta. A r r o w - r o o t .
2b. Bracteeën niet in twee rijen, doch
dorsiventraal geplaatst 3
3a. Bracteeën spoedig na den bloei afvallend, daardoor aan den as een
lidteeken achterlatend; op deze plaats is de as knievormig gebogen. Slechts
1 buitenstaminodium met 2 aanhangsels. Bladeren homotroop; vrucht niet
openspringend Thalia.
3b. Bracteeën blijvend na den bloei 4
4a. Bracteeën breed, meest elkaar dakpansgewijs bedekkend, bloeiwijze
kort, hoofdas onvertakt, 2 of meer paar bloemen in den oksel van een
bractee. Buitenstaminodiën 2. Bladeren homotroop. Myrosma.
4b. Bracteeën zeer lang en smal, buisvormig in elkaar gerold, een lange,
dunne cylindrische vertakte of onvertakte bloeiwijze vormend. Steeds
slechts 1 buitenstaminodium in de bloem 5
5a. Bloeiwijze onvertakt, slechts één dunne cylindrische aar vormend. In
den oksel van elke bractee zitten de bloemen in paren
Ischnosiphon. W a r i m b o .
5b. Bloeiwijze sterk vertakt, min of meer
pluimvormig. Bloemen alleenstaand in den oksel der bracteeën
Monotagma.
Orde: Microspermae.
49. Burmanniaceae.
bloeiwijzen bijna steeds meermalen vertakt 2
2a. Bracteeën in 2 rijen langs den wijdvertakten, doch slechts weinig
bloemen dragende bloeistengel, meest spoedig afvallend. Twee groote
bladachtige staminodiën in den bloem. Bladeren homotroop.
Maranta. A r r o w - r o o t .
2b. Bracteeën niet in twee rijen, doch
dorsiventraal geplaatst 3
3a. Bracteeën spoedig na den bloei afvallend, daardoor aan den as een
lidteeken achterlatend; op deze plaats is de as knievormig gebogen. Slechts
1 buitenstaminodium met 2 aanhangsels. Bladeren homotroop; vrucht niet
openspringend Thalia.
3b. Bracteeën blijvend na den bloei 4
4a. Bracteeën breed, meest elkaar dakpansgewijs bedekkend, bloeiwijze
kort, hoofdas onvertakt, 2 of meer paar bloemen in den oksel van een
bractee. Buitenstaminodiën 2. Bladeren homotroop. Myrosma.
4b. Bracteeën zeer lang en smal, buisvormig in elkaar gerold, een lange,
dunne cylindrische vertakte of onvertakte bloeiwijze vormend. Steeds
slechts 1 buitenstaminodium in de bloem 5
5a. Bloeiwijze onvertakt, slechts één dunne cylindrische aar vormend. In
den oksel van elke bractee zitten de bloemen in paren
Ischnosiphon. W a r i m b o .
5b. Bloeiwijze sterk vertakt, min of meer
pluimvormig. Bloemen alleenstaand in den oksel der bracteeën
Monotagma.
Orde: Microspermae.
49. Burmanniaceae.
Page 154
Bloemdek meest vergroeidbladig, zelden boven het vruchtbeginsel met vrije bladeren; de 3
binnenste bloemdekslippen meest kleiner dan de buitenste of geheel verdwenen;
meeldraden 6, of alleen de 3 van de binnenste krans aanwezig; vaak met sterk verbreed
helmbindsel; vruchtbeginsel onderstandig met 3 wandstandige of hoekstandige zaadlijsten;
doosvrucht met vele kleine zaden; kruiden of bladgroenlooze saprophyten; bloemen
alleenstaand of in aarvormige bloeiwijzen.
1a. Bloemen in een hoofdje aan het eind van den stengel; buis van het
bloemdek 3-kantig of 3-vleugelig, vruchtbeginsel 3-hokkig; stengel van
onderen met een roset van kleine smalle blaadjes Burmannia.
1b. Bloemen in ijle trossen of in een vertakte bloeiwijze. Vruchtbeginsel
éénhokkig 2
2a. Bloeistengel naar boven in twee takken gespleten; elke tak de bloemen
in een ijle tros dragend. Bloemdek aan de basis buikig opgezwollen, de
mond nauwer Dictyostegia.
2b. Bloeistengel naar boven niet vertakt. Buis van de bloemkroon van
binnen met 3 zakvormige instulpingen. Kroon naar den mond verwijd
Apteria.
50. Orchidaceae.
Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; typisch 3-tallig; bijna steeds
tweeslachtig, zygomorf; van de meeldraden is alleen één van de 3 van de buitenste krans
ontwikkeld òf minder vaak, de 2 zijdelingsche aan de binnenste krans; soms nog eenige als
staminodiën aanwezig; één van de bloembladeren (lip) anders gevormd dan de beide
andere; vruchtbeginsel onderstandig, aan den top met een verlenging (zuil) die de
meeldraad en de stempel draagt; stuifmeelkorrels in groepen van 4 meest tot polliniën
verbonden. Vrucht een doosvrucht met vele kleine zaden; overblijvende kruiden van zeer
verschillende habitus, meest epiphyten.
N. B. Men raadplege ook de gegevens op blz. 88.
1a. Bloemen met 2 meeldraden. Kelkbladeren afstaand, het achterste vrij,
de zijdelingsche onder den lip vereenigd; bloembladeren vrij, smaller dan
binnenste bloemdekslippen meest kleiner dan de buitenste of geheel verdwenen;
meeldraden 6, of alleen de 3 van de binnenste krans aanwezig; vaak met sterk verbreed
helmbindsel; vruchtbeginsel onderstandig met 3 wandstandige of hoekstandige zaadlijsten;
doosvrucht met vele kleine zaden; kruiden of bladgroenlooze saprophyten; bloemen
alleenstaand of in aarvormige bloeiwijzen.
1a. Bloemen in een hoofdje aan het eind van den stengel; buis van het
bloemdek 3-kantig of 3-vleugelig, vruchtbeginsel 3-hokkig; stengel van
onderen met een roset van kleine smalle blaadjes Burmannia.
1b. Bloemen in ijle trossen of in een vertakte bloeiwijze. Vruchtbeginsel
éénhokkig 2
2a. Bloeistengel naar boven in twee takken gespleten; elke tak de bloemen
in een ijle tros dragend. Bloemdek aan de basis buikig opgezwollen, de
mond nauwer Dictyostegia.
2b. Bloeistengel naar boven niet vertakt. Buis van de bloemkroon van
binnen met 3 zakvormige instulpingen. Kroon naar den mond verwijd
Apteria.
50. Orchidaceae.
Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; typisch 3-tallig; bijna steeds
tweeslachtig, zygomorf; van de meeldraden is alleen één van de 3 van de buitenste krans
ontwikkeld òf minder vaak, de 2 zijdelingsche aan de binnenste krans; soms nog eenige als
staminodiën aanwezig; één van de bloembladeren (lip) anders gevormd dan de beide
andere; vruchtbeginsel onderstandig, aan den top met een verlenging (zuil) die de
meeldraad en de stempel draagt; stuifmeelkorrels in groepen van 4 meest tot polliniën
verbonden. Vrucht een doosvrucht met vele kleine zaden; overblijvende kruiden van zeer
verschillende habitus, meest epiphyten.
N. B. Men raadplege ook de gegevens op blz. 88.
1a. Bloemen met 2 meeldraden. Kelkbladeren afstaand, het achterste vrij,
de zijdelingsche onder den lip vereenigd; bloembladeren vrij, smaller dan
Page 155
de kelkbladeren, hangend. Lip zittend, schuitvormig. Landplanten met
bebladerde stengel, met breede bladeren en een eindelingsche tros van
lichtgele bloemen, lip met purperen vlekken Selenipedilum.
1b. Bloemen steeds met 1 meeldraad 2
2a. Helmknop vast vergroeid met de bovenzijde van de zuil; niet afvallend
na verwijdering van het stuifmeel; niet door een dunner steeltje met de zuil
verbonden, rechtopstaand en van voren open. Landplanten met
onderaardsche knollen, of vleezige wortels, met bebladerde stengels en
eindelingsche trossen. Lip 3-deelig, met een lange spoor Habenaria.
2b. Helmknopje niet vastgegroeid met de bovenkant van de zuil, doch er
met een steeltje mee verbonden; helmknop liggend, bij het verwijderen van
het stuifmeel gemakkelijk loslatend 3
3a. De bloeiwijze staat aan het eind van den bebladerden stengel en sluit
deze reeds enkele maanden na zijn ontstaan af, dus deze stengel kan alleen
verder groeien door middel van zijtakken 4
3b. De bloeiwijze staat nooit aan het eind van den stengel, doch de stengel
krijgt korten tijd na zijn ontstaan in één of meer van de bladoksels bloemen
of bloeiwijzen; de stengel groeit dan òf aan zijn top nog verder, of houdt
van zelf met groeien op 27
4a. Bladeren in den knop opgerold, zoodat de randen elkaar bedekken.
Nooit een scherpe grens tusschen bladsteel en bladscheede en daardoor ook
de bladeren nooit met een scherp begrensde breuk van de bladsteel
afbrekend. Antheren meest niet afvallend maar blijvend, maar toch niet vast
vergroeid met den top van de zuil; stuifmeelklompjes niet in harde
wasachtige massa’s bij elkaar blijvend, maar meest in korrels uiteenvallend.
Planten alle in den grond wortelend, of met lange klimmende stengels 5
4b. Bladeren in den knop alleen langs de middennerf gevouwen, de randen
niet over elkaar liggend. Planten bijna zonder uitzondering epiphytisch
levend 9
bebladerde stengel, met breede bladeren en een eindelingsche tros van
lichtgele bloemen, lip met purperen vlekken Selenipedilum.
1b. Bloemen steeds met 1 meeldraad 2
2a. Helmknop vast vergroeid met de bovenzijde van de zuil; niet afvallend
na verwijdering van het stuifmeel; niet door een dunner steeltje met de zuil
verbonden, rechtopstaand en van voren open. Landplanten met
onderaardsche knollen, of vleezige wortels, met bebladerde stengels en
eindelingsche trossen. Lip 3-deelig, met een lange spoor Habenaria.
2b. Helmknopje niet vastgegroeid met de bovenkant van de zuil, doch er
met een steeltje mee verbonden; helmknop liggend, bij het verwijderen van
het stuifmeel gemakkelijk loslatend 3
3a. De bloeiwijze staat aan het eind van den bebladerden stengel en sluit
deze reeds enkele maanden na zijn ontstaan af, dus deze stengel kan alleen
verder groeien door middel van zijtakken 4
3b. De bloeiwijze staat nooit aan het eind van den stengel, doch de stengel
krijgt korten tijd na zijn ontstaan in één of meer van de bladoksels bloemen
of bloeiwijzen; de stengel groeit dan òf aan zijn top nog verder, of houdt
van zelf met groeien op 27
4a. Bladeren in den knop opgerold, zoodat de randen elkaar bedekken.
Nooit een scherpe grens tusschen bladsteel en bladscheede en daardoor ook
de bladeren nooit met een scherp begrensde breuk van de bladsteel
afbrekend. Antheren meest niet afvallend maar blijvend, maar toch niet vast
vergroeid met den top van de zuil; stuifmeelklompjes niet in harde
wasachtige massa’s bij elkaar blijvend, maar meest in korrels uiteenvallend.
Planten alle in den grond wortelend, of met lange klimmende stengels 5
4b. Bladeren in den knop alleen langs de middennerf gevouwen, de randen
niet over elkaar liggend. Planten bijna zonder uitzondering epiphytisch
levend 9
Page 156
5a. Planten met lange, vertakte klimmende en bebladerde stengels, met
korte luchtwortels. Bloem groot, meest wit of groenachtig.
Vanilla. B a n i l l a , B a n i r i e .
5b. Planten in den grond wortelend
met een rechtopstaande stengel 6
6a. Bloemen met een lange spoor. De bloembladeren met het achterste
kelkblad opgericht en samen een soort van helm vormend.
Stuifmeelklompjes in groepen van korrels uiteenvallend; helmknop
openspringend. Stengels bebladerd; bladeren zachtharig Physurus.
6b. Bloemen niet met een spoor, hoogstens met een knobbel; indien er een
spoor is, dan is deze met vruchtbeginsel vergroeid 7
7a. Bloeitros veelbloemig, door draaiing van de as schijnt het dat de
bloemen hetzij in een rechte lijn, hetzij in een spiraallijn langs de tros staan.
Bloembladeren, kelkbladeren en lip een rechte hoek met het vruchtbeginsel
makend en daardoor alle horizontaal naar buiten gericht. Bloemen vrij klein
Spiranthes.
7b. Bloemen naar alle zijden van den tros gericht
8
8a. Bladeren goed ontwikkeld in een wortelroset; stengel alleen met
schubvormige bladeren bezet. Tros met veel bloemen Stenorrhynchus.
8b. Bladeren klein en smal, niet in wortelroset maar hoogstens 3 bladeren
langs de bloeiende stengel verspreid Pogonia.
9a. De beide bloembladeren en vooral de lip zijn door grootte en kleur
sterker of even sterk in het oog springend als de 3 kelkbladeren 10
9b. De lip en de beide bloembladeren vallen belangrijk minder in het oog
dan de 3 kelkbladeren; zuil verlengd in een voet, die met de lip geleed is
22
10a. Bladschijf en bladscheede geleidelijk in elkaar overgaand
zonder geleding, bladeren alle aan de voet van den bloeistengel in een roset
gezeten. Bloemen wit, nog niet 1 c.M. groot; zuil lang, zonder voet.
Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselen Liparis.
korte luchtwortels. Bloem groot, meest wit of groenachtig.
Vanilla. B a n i l l a , B a n i r i e .
5b. Planten in den grond wortelend
met een rechtopstaande stengel 6
6a. Bloemen met een lange spoor. De bloembladeren met het achterste
kelkblad opgericht en samen een soort van helm vormend.
Stuifmeelklompjes in groepen van korrels uiteenvallend; helmknop
openspringend. Stengels bebladerd; bladeren zachtharig Physurus.
6b. Bloemen niet met een spoor, hoogstens met een knobbel; indien er een
spoor is, dan is deze met vruchtbeginsel vergroeid 7
7a. Bloeitros veelbloemig, door draaiing van de as schijnt het dat de
bloemen hetzij in een rechte lijn, hetzij in een spiraallijn langs de tros staan.
Bloembladeren, kelkbladeren en lip een rechte hoek met het vruchtbeginsel
makend en daardoor alle horizontaal naar buiten gericht. Bloemen vrij klein
Spiranthes.
7b. Bloemen naar alle zijden van den tros gericht
8
8a. Bladeren goed ontwikkeld in een wortelroset; stengel alleen met
schubvormige bladeren bezet. Tros met veel bloemen Stenorrhynchus.
8b. Bladeren klein en smal, niet in wortelroset maar hoogstens 3 bladeren
langs de bloeiende stengel verspreid Pogonia.
9a. De beide bloembladeren en vooral de lip zijn door grootte en kleur
sterker of even sterk in het oog springend als de 3 kelkbladeren 10
9b. De lip en de beide bloembladeren vallen belangrijk minder in het oog
dan de 3 kelkbladeren; zuil verlengd in een voet, die met de lip geleed is
22
10a. Bladschijf en bladscheede geleidelijk in elkaar overgaand
zonder geleding, bladeren alle aan de voet van den bloeistengel in een roset
gezeten. Bloemen wit, nog niet 1 c.M. groot; zuil lang, zonder voet.
Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangselen Liparis.
Page 157
10b. Bladschijf en bladscheede duidelijk van elkaar te scheiden; geleed en
op die plaats later afbrekend 11
11a. Bladeren vrij breed, door talrijke evenwijdige nerven sterk geplooid,
vrij dun. Bloemen tot 5 c.M. groot, rose tot paars, lip van binnen wat geel,
alleen of in groepen aan het eind van den stengel zittend Sobralia.
11b. Bladeren glad, leerachtig, niet gerimpeld, een enkele maal dun, maar
dan zeer smal als grasbladeren, soms ook vleezig 12
12a. Bloemen met een lange spoor aan den lip, vrij groot. Bloeiwijze een
eindelingsche tros; stengel van onderen in een kleine knol verdikt, bladeren
lang en smal, in twee rijen langs den stengel Galeandra.
12b. Lip steeds ongespoord 13
13a. Lip niet grooter dan de beide bloembladeren en de kelk. Zuil in een
voet verlengd, waarmee de lip eenigszins bewegelijk verbonden is. Zuil
zeer kort en breed. Stuifmeelklompjes 4 of 2, met een kort steeltje, doch
zonder staartje. Bloemen zeer klein, in eindelingsche trossen
Polystachya.
13b. Vooral de lip goed ontwikkeld en grooter dan de
kelkbladeren. Stuifmeelklompjes 4, 6 of 8, zonder steeltje, doch met een
staartje 14
14a. Zuil in een voet verlengd; soms is er schijnbaar een voet aanwezig,
maar wordt deze door de zijdelingsche kelkbladeren gevormd
(Tetragamestus) 15
14b. Zuil niet in een voet verlengd 19
15a. Lip geheel vrij 16
15b. Lip aan den basis met de zuil tot een bekertje vergroeid. Stengels met
lange en dunne geledingen en lange bladeren, sommige geledingen vaak
een weinig verdikt tot een lange smalle luchtknol. Nieuwe spruiten aan het
op die plaats later afbrekend 11
11a. Bladeren vrij breed, door talrijke evenwijdige nerven sterk geplooid,
vrij dun. Bloemen tot 5 c.M. groot, rose tot paars, lip van binnen wat geel,
alleen of in groepen aan het eind van den stengel zittend Sobralia.
11b. Bladeren glad, leerachtig, niet gerimpeld, een enkele maal dun, maar
dan zeer smal als grasbladeren, soms ook vleezig 12
12a. Bloemen met een lange spoor aan den lip, vrij groot. Bloeiwijze een
eindelingsche tros; stengel van onderen in een kleine knol verdikt, bladeren
lang en smal, in twee rijen langs den stengel Galeandra.
12b. Lip steeds ongespoord 13
13a. Lip niet grooter dan de beide bloembladeren en de kelk. Zuil in een
voet verlengd, waarmee de lip eenigszins bewegelijk verbonden is. Zuil
zeer kort en breed. Stuifmeelklompjes 4 of 2, met een kort steeltje, doch
zonder staartje. Bloemen zeer klein, in eindelingsche trossen
Polystachya.
13b. Vooral de lip goed ontwikkeld en grooter dan de
kelkbladeren. Stuifmeelklompjes 4, 6 of 8, zonder steeltje, doch met een
staartje 14
14a. Zuil in een voet verlengd; soms is er schijnbaar een voet aanwezig,
maar wordt deze door de zijdelingsche kelkbladeren gevormd
(Tetragamestus) 15
14b. Zuil niet in een voet verlengd 19
15a. Lip geheel vrij 16
15b. Lip aan den basis met de zuil tot een bekertje vergroeid. Stengels met
lange en dunne geledingen en lange bladeren, sommige geledingen vaak
een weinig verdikt tot een lange smalle luchtknol. Nieuwe spruiten aan het
Page 158
eind van die luchtknollen. Bloemen in eindelingsche, weinig-bloemige
korte trossen, met vele schubben omgeven Hexisea.
16a. Lange met bladeren bezette, verdikte stengels; onderste bladeren ten
deele afgevallen. Tros eindelings, veelbloemig, bloemen geel tot groen
Orleanesia.
16b. Bloemen alleenstaand of in kleine groepjes aan het
eind van de weinig verdikte geleding van den stengel naast de nieuwe
stengel, zoodat de bloeiwijze schijnbaar zijdelings staat; soms ook zitten de
bloemen in de oksels der bladeren 17
17a. Zuil zonder voet. Zijdelingsche kelkbladeren met een eenigszins
hoekig verlengde basis, zoodat er schijnbaar een kin gevormd wordt;
bloemen klein; lip wigvormig met lijsten op de plaat Tetragamestus.
17b. Zuil met een duidelijke voet; zijdelingsche kelkbladeren een normale,
doch soms kleine kin vormend 18
18a. Zuil kort; stuifmeelklompjes zijdelings samengedrukt; bladeren 2-
vele. Bloemen groenachtig met bruine streepen en vlekken Ponera.
18b. Zuil lang, stuifmeelklompjes niet samengedrukt maar eirond tot
bolvormig. Geledingen van den stengel verdikt met telkens 2 bladeren aan
het eind. Bloemen violet Scaphyglottis.
19a. Stuifmeelklompjes 4, gelijk van vorm en grootte 20
19b. Stuifmeelklompjes 8, in 2 rijen, paarsgewijs boven elkaar, de onderste
door een aanhangsel met de bovenste verbonden 21
20a. Stuifmeelklompjes niet zijdelings platgedrukt doch eirond; kleine
planten met kleine vleezige, spitse bladeren, die in twee rijen aan een korte
stengel zitten, welke in een trosje van kleine bloemen eindigt. Bebladerde
stengels uit een kort, kruipend rhizoom te voorschijn komend Lanium.
20b. Stuifmeelklompjes platgedrukt. Nagel van den lip opgericht; soms
weinig, vaak over een groot deel vergroeid met de zuil; schijf van de lip
korte trossen, met vele schubben omgeven Hexisea.
16a. Lange met bladeren bezette, verdikte stengels; onderste bladeren ten
deele afgevallen. Tros eindelings, veelbloemig, bloemen geel tot groen
Orleanesia.
16b. Bloemen alleenstaand of in kleine groepjes aan het
eind van de weinig verdikte geleding van den stengel naast de nieuwe
stengel, zoodat de bloeiwijze schijnbaar zijdelings staat; soms ook zitten de
bloemen in de oksels der bladeren 17
17a. Zuil zonder voet. Zijdelingsche kelkbladeren met een eenigszins
hoekig verlengde basis, zoodat er schijnbaar een kin gevormd wordt;
bloemen klein; lip wigvormig met lijsten op de plaat Tetragamestus.
17b. Zuil met een duidelijke voet; zijdelingsche kelkbladeren een normale,
doch soms kleine kin vormend 18
18a. Zuil kort; stuifmeelklompjes zijdelings samengedrukt; bladeren 2-
vele. Bloemen groenachtig met bruine streepen en vlekken Ponera.
18b. Zuil lang, stuifmeelklompjes niet samengedrukt maar eirond tot
bolvormig. Geledingen van den stengel verdikt met telkens 2 bladeren aan
het eind. Bloemen violet Scaphyglottis.
19a. Stuifmeelklompjes 4, gelijk van vorm en grootte 20
19b. Stuifmeelklompjes 8, in 2 rijen, paarsgewijs boven elkaar, de onderste
door een aanhangsel met de bovenste verbonden 21
20a. Stuifmeelklompjes niet zijdelings platgedrukt doch eirond; kleine
planten met kleine vleezige, spitse bladeren, die in twee rijen aan een korte
stengel zitten, welke in een trosje van kleine bloemen eindigt. Bebladerde
stengels uit een kort, kruipend rhizoom te voorschijn komend Lanium.
20b. Stuifmeelklompjes platgedrukt. Nagel van den lip opgericht; soms
weinig, vaak over een groot deel vergroeid met de zuil; schijf van de lip
Page 159
vrij, opstaand; plaat van den lip met lamellen of andere woekeringen,
zonder hoornvormige aanhangselen; zuil meest lang en smal. Planten vaak
met luchtwortels, soms ook met onverdikte bebladerde stengels
Epidendrum.
21a. Stuifmeelklompjes ongelijk, de bovenste veel
kleiner dan de onderste. Lip aan de basis met een smalle nagel, naar boven
plotseling verbreed, aan den rand fijn ingesneden. Bladeren vleezig, bijna
rond in doorsnede, aan één zijde gegroefd, lang en spits. Bloemen geel en
wit, lip en petalen vlak Brassavola.
21b. Stuifmeelklompjes gelijk van vorm en grootte. Basis van den lip naar
boven geleidelijk in de plaat verbreed. Kelkbladeren en bloembladeren aan
den rand sterk gegolfd. Luchtknollen aan den top met 2 vlakke bladeren
Schomburgkia.
22a. Bloeiwijzen met slechts één bloem. Bladeren
zeer klein, vleezig. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche min of meer
aan de basis vergroeid. Bloembladeren smal, scherp toegespitst, aan den top
een weinig verdikt. Stuifmeelklompjes 4 Restrepia.
22b. Meerdere bloemen aan den bloeistengel, of ten minste in groepen bij
elkaar; 2 of 8 stuifmeelklompjes 23
23a. Stuifmeelklompjes 8. Stengels vrij lang, van onderen met eenige
schubben bezet, van boven door een (schijnbaar eindelingsch) blad
afgesloten. Bloemen aan het eind van den stengel bij de bladvoet in een
groepje uit den stengel te voorschijn komend. Kelkbladeren bijna niet
vergroeid: bloembladeren weinig kleiner dan de kelkbladeren; lip veel
kleiner. Bloemen klein Octomeria.
23b. Stuifmeelklompjes 2 24
24a. Alle kelkbladeren duidelijk met elkaar vergroeid 25
24b. Kelkbladeren niet vergroeid of tenminste het achterste kelkblad vrij
26
25a. Bloemen grooter dan 1 c.M. Kelkbladeren een duidelijke beker
vormend; kelkslippen min of meer draadvormig verlengd, soms zeer lang.
zonder hoornvormige aanhangselen; zuil meest lang en smal. Planten vaak
met luchtwortels, soms ook met onverdikte bebladerde stengels
Epidendrum.
21a. Stuifmeelklompjes ongelijk, de bovenste veel
kleiner dan de onderste. Lip aan de basis met een smalle nagel, naar boven
plotseling verbreed, aan den rand fijn ingesneden. Bladeren vleezig, bijna
rond in doorsnede, aan één zijde gegroefd, lang en spits. Bloemen geel en
wit, lip en petalen vlak Brassavola.
21b. Stuifmeelklompjes gelijk van vorm en grootte. Basis van den lip naar
boven geleidelijk in de plaat verbreed. Kelkbladeren en bloembladeren aan
den rand sterk gegolfd. Luchtknollen aan den top met 2 vlakke bladeren
Schomburgkia.
22a. Bloeiwijzen met slechts één bloem. Bladeren
zeer klein, vleezig. Achterste kelkblad vrij, de zijdelingsche min of meer
aan de basis vergroeid. Bloembladeren smal, scherp toegespitst, aan den top
een weinig verdikt. Stuifmeelklompjes 4 Restrepia.
22b. Meerdere bloemen aan den bloeistengel, of ten minste in groepen bij
elkaar; 2 of 8 stuifmeelklompjes 23
23a. Stuifmeelklompjes 8. Stengels vrij lang, van onderen met eenige
schubben bezet, van boven door een (schijnbaar eindelingsch) blad
afgesloten. Bloemen aan het eind van den stengel bij de bladvoet in een
groepje uit den stengel te voorschijn komend. Kelkbladeren bijna niet
vergroeid: bloembladeren weinig kleiner dan de kelkbladeren; lip veel
kleiner. Bloemen klein Octomeria.
23b. Stuifmeelklompjes 2 24
24a. Alle kelkbladeren duidelijk met elkaar vergroeid 25
24b. Kelkbladeren niet vergroeid of tenminste het achterste kelkblad vrij
26
25a. Bloemen grooter dan 1 c.M. Kelkbladeren een duidelijke beker
vormend; kelkslippen min of meer draadvormig verlengd, soms zeer lang.
Page 160
Planten met korte, 1-bladige stengels en weinig-bloemige bloeiwijzen
Masdevallia.
25b. Bloemen kleiner dan 1 c.M.; kelkbladeren wel
vergroeid doch niet met de basis een beker vormend; slippen kort, nooit
draadvormig verlengd. Stengels evenals de vorige met 1 goed ontwikkeld
blad, bloeiwijze een lange tros met meest vele bloemen Stelis.
26a. Kelkbladeren niet uitgespreid, spits; bloembladeren smal, niet met
elkaar of met den zuil vergroeid, zeer klein. Zuil min of meer verlengd, aan
den basis een voet vormend; lip bewegelijk met de basis van den zuil
verbonden. Habitus als de vorige Pleurothallis.
26b. Kelkbladeren uitgespreid. Bloembladeren klein en breed, de nagels
met den zuil vergroeid; lip aan de basis van de zuil vastgegroeid, zuil
zonder voet. Stengels vrij lang met één eirond blaadje aan den top, aan
welks voet de veelbloemige bloeiwijze te voorschijn komt Lepanthes.
27a. Bladeren meest vrij dun, met vele en duidelijke evenwijdige nerven.
Bladeren in den knop opgerold, dus met de randen over elkaar liggend
28
27b. Bladeren glad, leerachtig tot vleezig, alleen de middennerf
duidelijk. Bladeren in den knop samengevouwen langs de middennerf, dus
bladranden niet over elkaar liggend 40
28a. Internodiën gelijkmatig gezwollen of in het geheel niet gezwollen
29
28b. Een enkel internodium is sterk opgezwollen en vormt een
luchtknol 32
29a. Lip groot, vliezig, met den voet van de zuil bewegelijk verbonden of
er mee een spoor of zak vormend. Stuifmeelklompjes 2 of 4 met een kort
steeltje, zonder staartje. Planten in den bodem groeiend. Bloemen
tweeslachtig 30
29b. Lip groot, vleezig, niet bewegelijk met den voet van de zuil
verbonden, doch er aan vastgegroeid. Stuifmeelklompjes 2 of 4, met een
lange steel. Epiphyten. Bloemen bijna steeds eenslachtig 31
Masdevallia.
25b. Bloemen kleiner dan 1 c.M.; kelkbladeren wel
vergroeid doch niet met de basis een beker vormend; slippen kort, nooit
draadvormig verlengd. Stengels evenals de vorige met 1 goed ontwikkeld
blad, bloeiwijze een lange tros met meest vele bloemen Stelis.
26a. Kelkbladeren niet uitgespreid, spits; bloembladeren smal, niet met
elkaar of met den zuil vergroeid, zeer klein. Zuil min of meer verlengd, aan
den basis een voet vormend; lip bewegelijk met de basis van den zuil
verbonden. Habitus als de vorige Pleurothallis.
26b. Kelkbladeren uitgespreid. Bloembladeren klein en breed, de nagels
met den zuil vergroeid; lip aan de basis van de zuil vastgegroeid, zuil
zonder voet. Stengels vrij lang met één eirond blaadje aan den top, aan
welks voet de veelbloemige bloeiwijze te voorschijn komt Lepanthes.
27a. Bladeren meest vrij dun, met vele en duidelijke evenwijdige nerven.
Bladeren in den knop opgerold, dus met de randen over elkaar liggend
28
27b. Bladeren glad, leerachtig tot vleezig, alleen de middennerf
duidelijk. Bladeren in den knop samengevouwen langs de middennerf, dus
bladranden niet over elkaar liggend 40
28a. Internodiën gelijkmatig gezwollen of in het geheel niet gezwollen
29
28b. Een enkel internodium is sterk opgezwollen en vormt een
luchtknol 32
29a. Lip groot, vliezig, met den voet van de zuil bewegelijk verbonden of
er mee een spoor of zak vormend. Stuifmeelklompjes 2 of 4 met een kort
steeltje, zonder staartje. Planten in den bodem groeiend. Bloemen
tweeslachtig 30
29b. Lip groot, vleezig, niet bewegelijk met den voet van de zuil
verbonden, doch er aan vastgegroeid. Stuifmeelklompjes 2 of 4, met een
lange steel. Epiphyten. Bloemen bijna steeds eenslachtig 31
Page 161
30a. Lip boven de basis kort versmald, tusschen de zijdelingsche
kelkbladeren een stompe zak vormend. Helmknop met 2 aanhangsels.
Bebladerde stengels kort, met weinig bladeren; bloeistengels naast den
bebladerden stengel uit de onderaardsche knolvormig verdikte wortelstok te
voorschijn komend, onbebladerd; bloemen in een enkelvoudige tros
Cyrtopera.
30b. Lip aan den basis zonder uitholling of zak. Helmknop
met slechts 1 aanhangsel of zonder aanhangsel. Habitus als de vorige, doch
bloeiwijze meest meermalen vertakt Cyrtopodium.
31a. De ♂ bloemen hebben een vrij lange, dikke zuil, die rechtopstaat en
aan de voorzijde twee lange draadvormige aanhangsels heeft;
stuifmeelklompjes 4, langwerpig Catasetum.
31b. De ♂ bloemen hebben een zeer lange, sterk naar voren gebogen zuil
die aan de basis dun, naar boven verdikt is en geen draadvormige
aanhangselen heeft. Stuifmeelklompjes 2, bijna bolrond of eirond
Cycnoches.
32a. De bloeiwijze komt te voorschijn direct onder de
luchtknol, d.w.z. uit de oksel van de bovenste der bladeren, die de luchtknol
aan de basis bedekken. De nieuwe spruit staat daarentegen in den oksel van
de onderste dier schubben. Knol met 1 of 2 bladeren aan den top.
Bloeiwijzen onbebladerd, opgericht, met schubben bedekt, met weinige
groote of vrij groote bloemen; kelkbladeren smal, afstaand, de zijdelingsche
aan den korten zuilvoet bevestigd; de beide bloembladeren gelijk van vorm
als de kelkbladeren. Lip onbewegelijk met de zuilvoet vergroeid, een zeer
korte kin vormend, breed en vlak met een dwarse lijst. Zuil aan den top met
twee stompe vleugeltjes. 4 stuifmeelklompjes Menadenium.
32b. Bloeiwijze tevoorschijnkomend uit den oksel van de onderste der
bladeren, die de basis van de knol omgeven, of uit de onderste schubben
van de nog groeiende spruit (Batemania). Nieuwe spruit uit den oksel van
de bovenste dier bladeren tevoorschijnkomend 33
33a. Lip vliezig, meest voorzien van overlangsche lijsten met den zuilvoet
bewegelijk verbonden 34
kelkbladeren een stompe zak vormend. Helmknop met 2 aanhangsels.
Bebladerde stengels kort, met weinig bladeren; bloeistengels naast den
bebladerden stengel uit de onderaardsche knolvormig verdikte wortelstok te
voorschijn komend, onbebladerd; bloemen in een enkelvoudige tros
Cyrtopera.
30b. Lip aan den basis zonder uitholling of zak. Helmknop
met slechts 1 aanhangsel of zonder aanhangsel. Habitus als de vorige, doch
bloeiwijze meest meermalen vertakt Cyrtopodium.
31a. De ♂ bloemen hebben een vrij lange, dikke zuil, die rechtopstaat en
aan de voorzijde twee lange draadvormige aanhangsels heeft;
stuifmeelklompjes 4, langwerpig Catasetum.
31b. De ♂ bloemen hebben een zeer lange, sterk naar voren gebogen zuil
die aan de basis dun, naar boven verdikt is en geen draadvormige
aanhangselen heeft. Stuifmeelklompjes 2, bijna bolrond of eirond
Cycnoches.
32a. De bloeiwijze komt te voorschijn direct onder de
luchtknol, d.w.z. uit de oksel van de bovenste der bladeren, die de luchtknol
aan de basis bedekken. De nieuwe spruit staat daarentegen in den oksel van
de onderste dier schubben. Knol met 1 of 2 bladeren aan den top.
Bloeiwijzen onbebladerd, opgericht, met schubben bedekt, met weinige
groote of vrij groote bloemen; kelkbladeren smal, afstaand, de zijdelingsche
aan den korten zuilvoet bevestigd; de beide bloembladeren gelijk van vorm
als de kelkbladeren. Lip onbewegelijk met de zuilvoet vergroeid, een zeer
korte kin vormend, breed en vlak met een dwarse lijst. Zuil aan den top met
twee stompe vleugeltjes. 4 stuifmeelklompjes Menadenium.
32b. Bloeiwijze tevoorschijnkomend uit den oksel van de onderste der
bladeren, die de basis van de knol omgeven, of uit de onderste schubben
van de nog groeiende spruit (Batemania). Nieuwe spruit uit den oksel van
de bovenste dier bladeren tevoorschijnkomend 33
33a. Lip vliezig, meest voorzien van overlangsche lijsten met den zuilvoet
bewegelijk verbonden 34
Page 162
33b. Lip vleezig, duidelijk geleed in verschillende achter elkaar liggende
afdeelingen, waarvan de laatste bladachtig, de 2de en 1ste vleezig zijn; de
1ste afdeeling is dan met de voet van den zuil onbewegelijk verbonden
36
34a. Stuifmeelklompjes na het afvallen van de helmknop door 1
steeltje verbonden 35
34b. Stuifmeelklompjes aan twee steeltjes vastzittend. Kelk- en
kroonbladeren vrijwel gelijk, de beide zijdelingsche kelkbladeren met den
zuilvoet een groote spitse kin vormend, die het uiterlijk heeft van een spoor.
Bloembladeren naar voren staand, met den zuilvoet vergroeid. Bloeiwijze
met vele bloemen. 1 blad op de luchtknol Bifrenaria.
35a. Bloeiwijze met 1–3 bloemen, hangend. De zijdelingsche kelkbladeren
vormen slechts een kleine kin. Lip rechtopstaand, op den sterk gebogen
zuilvoet zittend, 3-lobbig, met knotsvormige aanhangselen aan den eindlob
en smalle overlangsche platen op het midden. Steeltje der
stuifmeelklompjes lang Paphinia.
35b. Bloeiwijze met vele bloemen, hangend. Zijdelingsche kelkbladeren
geen kin vormend, doch met een smalle basis op de top van den zuilvoet
zittend. Bloembladeren veel breeder dan kelkbladeren, met een breede basis
aan de zuilvoet verbonden. Lip rechtopstaand 3-lobbig. De 4
stuifmeelklompjes hebben een kort 3-hoekig steeltje. Bloeiwijze te
voorschijn komend uit de schubben, die de nog jonge en groeiende
bladspruit omgeven Batemania.
36a. Bloemen in lange, veelbloemige, hangende trossen. Door een buiging
van bloemsteel en vruchtbeginsel is de horizontaal gerichte lip gelegen
boven de schuin naar onderen gerichte zuil. Daardoor is ook het middelste
kelkblad, dat met de zuil vergroeid is, naar beneden gericht. De
zijdelingsche kelkbladeren zijn met breede basis aan de zuilvoet vergroeid.
Bloembladen smal en klein, aan den zuil vastgegroeid. Lip met 2 dunne
horentjes. Luchtknol met 1 of 2 bladeren Gongora.
afdeelingen, waarvan de laatste bladachtig, de 2de en 1ste vleezig zijn; de
1ste afdeeling is dan met de voet van den zuil onbewegelijk verbonden
36
34a. Stuifmeelklompjes na het afvallen van de helmknop door 1
steeltje verbonden 35
34b. Stuifmeelklompjes aan twee steeltjes vastzittend. Kelk- en
kroonbladeren vrijwel gelijk, de beide zijdelingsche kelkbladeren met den
zuilvoet een groote spitse kin vormend, die het uiterlijk heeft van een spoor.
Bloembladeren naar voren staand, met den zuilvoet vergroeid. Bloeiwijze
met vele bloemen. 1 blad op de luchtknol Bifrenaria.
35a. Bloeiwijze met 1–3 bloemen, hangend. De zijdelingsche kelkbladeren
vormen slechts een kleine kin. Lip rechtopstaand, op den sterk gebogen
zuilvoet zittend, 3-lobbig, met knotsvormige aanhangselen aan den eindlob
en smalle overlangsche platen op het midden. Steeltje der
stuifmeelklompjes lang Paphinia.
35b. Bloeiwijze met vele bloemen, hangend. Zijdelingsche kelkbladeren
geen kin vormend, doch met een smalle basis op de top van den zuilvoet
zittend. Bloembladeren veel breeder dan kelkbladeren, met een breede basis
aan de zuilvoet verbonden. Lip rechtopstaand 3-lobbig. De 4
stuifmeelklompjes hebben een kort 3-hoekig steeltje. Bloeiwijze te
voorschijn komend uit de schubben, die de nog jonge en groeiende
bladspruit omgeven Batemania.
36a. Bloemen in lange, veelbloemige, hangende trossen. Door een buiging
van bloemsteel en vruchtbeginsel is de horizontaal gerichte lip gelegen
boven de schuin naar onderen gerichte zuil. Daardoor is ook het middelste
kelkblad, dat met de zuil vergroeid is, naar beneden gericht. De
zijdelingsche kelkbladeren zijn met breede basis aan de zuilvoet vergroeid.
Bloembladen smal en klein, aan den zuil vastgegroeid. Lip met 2 dunne
horentjes. Luchtknol met 1 of 2 bladeren Gongora.
Page 163
36b. Stand van de bloem normaal, dus zuil naar boven, lip naar onderen
gericht; doordat de bloemen hangen aan de niet gebogen bloemsteelen is
vaak de zuil naar beneden gericht, doch dan is ook de lip naar beneden
gericht naar den top van den zuil toe 37
37a. Bloembladeren en kelkbladeren niet uitgespreid, alle naar elkaar
toegebogen. Bloem daardoor halfbolvormig. Bloembladeren gelijk in vorm
en grootte met het achterste kelkblad. Zuil kort, lip zeer vast met de zuil
verbonden, met 2 vleugels aan de basis, die tegen den zuil aanliggen, in het
midden smaller, aan den top weer verbreed Peristeria.
37b. Kelkbladeren en bloembladeren afstaand, vaak zelfs teruggeslagen
38
38a. Zijdelingsche kelkbladeren zeer groot, veel grooter dan het
middelste kelkblad en dan de bloembladeren, assymetrisch. Bloembladeren
smal, naar beneden hangend. Lip (in den hangenden stand der bloem) eerst
smal, schuin naar boven gericht, daarna in een convex, breed gedeelte
overgaand vervolgens plotseling loodrecht naar beneden gebogen en daar
tot een beker vervormd, waarin vloeistof zit. Knollen sterk gegroefd met 1
of 2 bladeren op den top Coryanthes.
38b. Zijdelingsche kelkbladeren en bloembladeren onderling ± gelijk van
vorm en grootte; middenlob van de lip niet bekervormig 39
39a. Bloembladeren en kelkbladeren vrij breed, teruggeslagen. Basis van
de lip en voet van de zuil uitgehold, vast met de zuil verbonden. Geen
vleugelvormige aanhangselen aan het middendeel van de lip. Eén blad op
de luchtknol. Bloeiwijze met 1 of 2 bloemen
Stanhopea. L a d y - s l i p p e r .
39b. Bloembladeren en kelkbladeren
smal, afstaand. Basis van de lip en voet van de zuil steelrond, niet
uitgehold, tot aan de lip uitgebreid; 3-lobbig. Minstens 4 bloemen in een
hangende tros Kegelia.
40a. De bebladerde spruiten hebben een begrensde groei; meestal sluiten ze
korten tijd na hun ontstaan af met een luchtknol met eenige bladeren op hun
gericht; doordat de bloemen hangen aan de niet gebogen bloemsteelen is
vaak de zuil naar beneden gericht, doch dan is ook de lip naar beneden
gericht naar den top van den zuil toe 37
37a. Bloembladeren en kelkbladeren niet uitgespreid, alle naar elkaar
toegebogen. Bloem daardoor halfbolvormig. Bloembladeren gelijk in vorm
en grootte met het achterste kelkblad. Zuil kort, lip zeer vast met de zuil
verbonden, met 2 vleugels aan de basis, die tegen den zuil aanliggen, in het
midden smaller, aan den top weer verbreed Peristeria.
37b. Kelkbladeren en bloembladeren afstaand, vaak zelfs teruggeslagen
38
38a. Zijdelingsche kelkbladeren zeer groot, veel grooter dan het
middelste kelkblad en dan de bloembladeren, assymetrisch. Bloembladeren
smal, naar beneden hangend. Lip (in den hangenden stand der bloem) eerst
smal, schuin naar boven gericht, daarna in een convex, breed gedeelte
overgaand vervolgens plotseling loodrecht naar beneden gebogen en daar
tot een beker vervormd, waarin vloeistof zit. Knollen sterk gegroefd met 1
of 2 bladeren op den top Coryanthes.
38b. Zijdelingsche kelkbladeren en bloembladeren onderling ± gelijk van
vorm en grootte; middenlob van de lip niet bekervormig 39
39a. Bloembladeren en kelkbladeren vrij breed, teruggeslagen. Basis van
de lip en voet van de zuil uitgehold, vast met de zuil verbonden. Geen
vleugelvormige aanhangselen aan het middendeel van de lip. Eén blad op
de luchtknol. Bloeiwijze met 1 of 2 bloemen
Stanhopea. L a d y - s l i p p e r .
39b. Bloembladeren en kelkbladeren
smal, afstaand. Basis van de lip en voet van de zuil steelrond, niet
uitgehold, tot aan de lip uitgebreid; 3-lobbig. Minstens 4 bloemen in een
hangende tros Kegelia.
40a. De bebladerde spruiten hebben een begrensde groei; meestal sluiten ze
korten tijd na hun ontstaan af met een luchtknol met eenige bladeren op hun
Page 164
top; de plant groeit dan verder door middel van een anders gevormde, meest
kruipende en met schubben bedekte spruit 41
40b. De bebladerde spruiten hebben een onbegrensde groei en dragen de
bloemen of bloeiwijzen in de oksels der bladeren 58
41a. Lip vliezig, bewegelijk met de voet van den zuil verbonden.
Stuifmeelklompjes met steeltjes of staartje, maar nooit met beide tegelijk,
of zonder beide 42
41b. Lip vliezig, vast met den voet van de zuil verbonden of direct op den
zuil vastzittend of een spoor vormend. Stuifmeelklompjes 2, met een lange
of breede steel 48
42a. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangsel. Achterste kelkblad vrij, de
zijdelingsche aan de voet van de zuil vastgegroeid, een weinig ontwikkelde
kin vormend. Lip aan de basis versmald, klein, bewegelijk met den zuilvoet
verbonden, 3-lobbig, de 2 zijlobben klein, opgericht, de middenlob groot.
Zuil aan den top met 2 vleugels. Epiphyt met een kruipende wortelstok, die
met schubben bedekt is; zijspruiten uit slechts 1 luchtknol bestaande, aan de
basis met schubben, aan den top met 1 of 2 bladeren. Bloeiwijze naast de
luchtknollen te voorschijn komend, soms ook uit het rhizoom zelf,
onbebladerd, onvertakt, vaak naar den top verdikt. Bulbophyllum.
42b. Planten met of zonder luchtknollen. Stuifmeelklompjes met een goed
ontwikkeld steeltje 43
43a. Iedere spruit vormt uit een geleding een luchtknol, op welks top
ongesteelde bladeren zitten, aan welks basis òf bladeren met scheeden, òf
alleen schubben aanwezig zijn. De bloeiwijze komt uit een lagere bladoksel
te voorschijn als de nieuwe bebladerde spruit. Lip meest met overlangsche
verdikkingen 44
43b. Geen luchtknollen aanwezig. Bloeiwijze steeds éénbloemig, uit een
hoogere bladoksel te voorschijn komend dan de nieuwe bladspruit. Lip
meest met dwarse verdikkingen 47
kruipende en met schubben bedekte spruit 41
40b. De bebladerde spruiten hebben een onbegrensde groei en dragen de
bloemen of bloeiwijzen in de oksels der bladeren 58
41a. Lip vliezig, bewegelijk met de voet van den zuil verbonden.
Stuifmeelklompjes met steeltjes of staartje, maar nooit met beide tegelijk,
of zonder beide 42
41b. Lip vliezig, vast met den voet van de zuil verbonden of direct op den
zuil vastzittend of een spoor vormend. Stuifmeelklompjes 2, met een lange
of breede steel 48
42a. Stuifmeelklompjes 4, zonder aanhangsel. Achterste kelkblad vrij, de
zijdelingsche aan de voet van de zuil vastgegroeid, een weinig ontwikkelde
kin vormend. Lip aan de basis versmald, klein, bewegelijk met den zuilvoet
verbonden, 3-lobbig, de 2 zijlobben klein, opgericht, de middenlob groot.
Zuil aan den top met 2 vleugels. Epiphyt met een kruipende wortelstok, die
met schubben bedekt is; zijspruiten uit slechts 1 luchtknol bestaande, aan de
basis met schubben, aan den top met 1 of 2 bladeren. Bloeiwijze naast de
luchtknollen te voorschijn komend, soms ook uit het rhizoom zelf,
onbebladerd, onvertakt, vaak naar den top verdikt. Bulbophyllum.
42b. Planten met of zonder luchtknollen. Stuifmeelklompjes met een goed
ontwikkeld steeltje 43
43a. Iedere spruit vormt uit een geleding een luchtknol, op welks top
ongesteelde bladeren zitten, aan welks basis òf bladeren met scheeden, òf
alleen schubben aanwezig zijn. De bloeiwijze komt uit een lagere bladoksel
te voorschijn als de nieuwe bebladerde spruit. Lip meest met overlangsche
verdikkingen 44
43b. Geen luchtknollen aanwezig. Bloeiwijze steeds éénbloemig, uit een
hoogere bladoksel te voorschijn komend dan de nieuwe bladspruit. Lip
meest met dwarse verdikkingen 47
Page 165
44a. Kelkbladeren van onderen tot een driehoekige buis vergroeid, van
boven vrij, afstaand. Bloembladeren veel kleiner dan de kelkbladeren. Lip
van af de basis van de zuil opgericht, kleiner dan de kelkbladeren, naar
boven afstaand duidelijk 3-lobbig met opgerichte zijlobben. Zuil vrij dun,
ongevleugeld, zonder voet. Bladeren smal, een of twee op den top van de
dicht op elkaar gedrongen luchtknollen Trigonidium.
44b. Kelkbladeren geheel vrij van elkaar 45
45a. Lip goed bewegelijk. Zuil met een duidelijke voet aan de basis 46
45b. Lip weinig bewegelijk, soms een weinig met de basis van de zuil
verbonden. Zuil zonder voet. Kelk- en bloembladeren naar elkaar gebogen.
Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht, de middenlob teruggeslagen. Rhizoom
lang kruipend, bloeiwijzen éénbloemig, in groepen in de oksels staand.
Bloemen vrij klein Ornithidium.
46a. De stuifmeelklompjes zitten zonder of met een zeer kort steeltje bijna
direct op de kleefmassa; kelk- en kroonbladeren bijna gelijk van vorm,
afstaand, de zijdelingsche kelkbladeren kinvormend. Lip 3-lobbig, de
zijlobben opgericht. Bloeiwijzen steeds éénbloemig aan de basis van de
luchtknol of in de oksels der bladeren van het rhizoom alleenstaand
Maxillaria.
46b. Bloemen vrijwel gelijk aan de vorige, maar
stuifmeelklompjes met een platte en breede steel. De bebladerde spruiten
zijn meest sterk vertakt, de luchtknollen staan vaak in de oksels van de
bladeren dier spruit; bloemen steeds in de oksels dier bladeren
Camaridium.
47a. Kelk- en bloembladeren ongeveer gelijk, de
zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet vergroeid en een korte maar
duidelijke kin vormend. Lip met een lange nagel, bewegelijk met de zuil
verbonden, naar den top zeer sterk verdikt en vleezig over de geheele
breedte, met overlangsche lijsten. Zuil zeer breed, bekervormig. Bladeren
lang, in twee rijen en in 1 vlak staand. Bloem groot in een korte éénbloemig
bloeiwijze Bollea.
boven vrij, afstaand. Bloembladeren veel kleiner dan de kelkbladeren. Lip
van af de basis van de zuil opgericht, kleiner dan de kelkbladeren, naar
boven afstaand duidelijk 3-lobbig met opgerichte zijlobben. Zuil vrij dun,
ongevleugeld, zonder voet. Bladeren smal, een of twee op den top van de
dicht op elkaar gedrongen luchtknollen Trigonidium.
44b. Kelkbladeren geheel vrij van elkaar 45
45a. Lip goed bewegelijk. Zuil met een duidelijke voet aan de basis 46
45b. Lip weinig bewegelijk, soms een weinig met de basis van de zuil
verbonden. Zuil zonder voet. Kelk- en bloembladeren naar elkaar gebogen.
Lip 3-lobbig, de zijlobben opgericht, de middenlob teruggeslagen. Rhizoom
lang kruipend, bloeiwijzen éénbloemig, in groepen in de oksels staand.
Bloemen vrij klein Ornithidium.
46a. De stuifmeelklompjes zitten zonder of met een zeer kort steeltje bijna
direct op de kleefmassa; kelk- en kroonbladeren bijna gelijk van vorm,
afstaand, de zijdelingsche kelkbladeren kinvormend. Lip 3-lobbig, de
zijlobben opgericht. Bloeiwijzen steeds éénbloemig aan de basis van de
luchtknol of in de oksels der bladeren van het rhizoom alleenstaand
Maxillaria.
46b. Bloemen vrijwel gelijk aan de vorige, maar
stuifmeelklompjes met een platte en breede steel. De bebladerde spruiten
zijn meest sterk vertakt, de luchtknollen staan vaak in de oksels van de
bladeren dier spruit; bloemen steeds in de oksels dier bladeren
Camaridium.
47a. Kelk- en bloembladeren ongeveer gelijk, de
zijdelingsche kelkbladeren met den zuilvoet vergroeid en een korte maar
duidelijke kin vormend. Lip met een lange nagel, bewegelijk met de zuil
verbonden, naar den top zeer sterk verdikt en vleezig over de geheele
breedte, met overlangsche lijsten. Zuil zeer breed, bekervormig. Bladeren
lang, in twee rijen en in 1 vlak staand. Bloem groot in een korte éénbloemig
bloeiwijze Bollea.
Page 166
47b. Lip vast verbonden met de zuil, met een 5-ribbige basis, vervolgens
overgaande in een vliezige plaat met kleine halfsikkelvormige zijlobben en
een groote ruitvormige eindlob. Zuil kort, niet bekervormig. Bloemen vrij
klein Chaubardia.
48a. Helmknop rechtopstaand. Bloem zonder spoor of knobbel 49
48b. Helmknop horizontaal of vaker naar voren overhangend op de
voorzijde van de zuil 50
49a. Kelk en kroonbladeren vrijwel gelijk, afstaand. Lip ongenageld één
geheel vormend met de basis van de zuil, diep 3-lobbig, de zijlobben breed,
opgericht, de zuil omvattend, de middenlob kort, afstaand. Zuil opgericht
vrij dun, ongevleugeld, zonder voet, van voren gegroefd, stuifmeelklompjes
2, zonder aanhangsel. Luchtknollen lang en slank aan den top met één blad.
Bloemen in hangende trossen Macradenia.
49b. Kelk en bloembladeren vrijwel gelijk van grootte, de bloembladeren
sterker gekleurd dan de kelkbladeren, de laatste rechtopstaand of afstaand.
Lip met een duidelijke nagel, rechtopstaand, soms met 2 aartjes, verder
pijlvormig met een zeer spitse punt. Zuil eenigszins gekromd, zonder voet.
Stuifmeelklompjes 2 zonder aanhangsels. Kleine planten met éénbladige
luchtknollen; bloemen klein, in trossen Notylia.
50a. Bloemen met een duidelijke spoor of knobbel. Stuifmeelklompjes 2
51
50b. Bloemen zonder spoor of knobbel
53
51a. De spoor is zeer lang en wordt zoowel door de lip gevormd als
door de zijdelingsche kelkbladeren, die met elkaar vergroeid zijn. Achterste
kelkblad vrij. Bloembladeren breeder. Lip ongedeeld, bijna rond of meer
samengerold en de zuil omhullend, aan de basis met 2 lange sporen, die in
de spoor van de kelkbladeren verborgen zitten en ermee vergroeid zijn.
Bladeren in 1 vlak. Bloeiwijze met 1 of 2 vrij groote gele bloemen
Plectrophora.
51b. Geen lange spoor, doch alleen een knobbel
aanwezig 52
overgaande in een vliezige plaat met kleine halfsikkelvormige zijlobben en
een groote ruitvormige eindlob. Zuil kort, niet bekervormig. Bloemen vrij
klein Chaubardia.
48a. Helmknop rechtopstaand. Bloem zonder spoor of knobbel 49
48b. Helmknop horizontaal of vaker naar voren overhangend op de
voorzijde van de zuil 50
49a. Kelk en kroonbladeren vrijwel gelijk, afstaand. Lip ongenageld één
geheel vormend met de basis van de zuil, diep 3-lobbig, de zijlobben breed,
opgericht, de zuil omvattend, de middenlob kort, afstaand. Zuil opgericht
vrij dun, ongevleugeld, zonder voet, van voren gegroefd, stuifmeelklompjes
2, zonder aanhangsel. Luchtknollen lang en slank aan den top met één blad.
Bloemen in hangende trossen Macradenia.
49b. Kelk en bloembladeren vrijwel gelijk van grootte, de bloembladeren
sterker gekleurd dan de kelkbladeren, de laatste rechtopstaand of afstaand.
Lip met een duidelijke nagel, rechtopstaand, soms met 2 aartjes, verder
pijlvormig met een zeer spitse punt. Zuil eenigszins gekromd, zonder voet.
Stuifmeelklompjes 2 zonder aanhangsels. Kleine planten met éénbladige
luchtknollen; bloemen klein, in trossen Notylia.
50a. Bloemen met een duidelijke spoor of knobbel. Stuifmeelklompjes 2
51
50b. Bloemen zonder spoor of knobbel
53
51a. De spoor is zeer lang en wordt zoowel door de lip gevormd als
door de zijdelingsche kelkbladeren, die met elkaar vergroeid zijn. Achterste
kelkblad vrij. Bloembladeren breeder. Lip ongedeeld, bijna rond of meer
samengerold en de zuil omhullend, aan de basis met 2 lange sporen, die in
de spoor van de kelkbladeren verborgen zitten en ermee vergroeid zijn.
Bladeren in 1 vlak. Bloeiwijze met 1 of 2 vrij groote gele bloemen
Plectrophora.
51b. Geen lange spoor, doch alleen een knobbel
aanwezig 52
Page 167
52a. De zijdelingsche kelkbladeren bijna geheel vergroeid met elkaar; lip
zeer kort met de basis van de zuil verbonden, opgericht met een zeer korte
spoor die door de beide kelkbladeren bedekt wordt. Bloemen rood in
eenzijdige, veelbloemige trossen Rodriguezia.
52b. De zijdelingsche kelkbladeren geheel vergroeid, aan de basis onder de
lip een korte zak vormend. Lip duidelijk genageld, geheel zonder spoor of
knobbel. Bloemen violet, in wijde pluimen
Jonopsis. S a p o t i l l e - o r c h i d e e .
53a. Kelkbladeren niet
vergroeid, smal, evenals de kroonbladeren. Nagel van de lip met de zuil
vergroeid, verder afstaand, ongedeeld, breed eirond, aan den top plotseling
toegespitst, min of meer schelpvormig. Zuil half zoo lang als de lip. Bladen
vleezig. smal, één op de luchtknol. Bloemen vuilwit met lichtroode
teekening, in knikkende, 3–4-bloemige trossen Trichopilia.
53b. Achterste kelkblad met de kroonbladeren aan de basis van de zuil
vastgegroeid. Nagel van de lip tot aan de halve hoogte met de zuil
vergroeid, vervolgens afstaand, 3-lobbig, lobben stomp, aan den rand een
weinig gegolfd tot gekarteld, de middenlob aan den top wat ingesneden.
Planten met groote, sterk platgedrukte luchtknollen met 2 bladeren op den
top. Tros rechtopstaand met 2–3 welriekende bloemen. Kelkbladeren
geelgroen met paarse strepen; bloembladeren geel, donker geaderd, lip wit,
aan de basis geel, met purperen vlekjes Aspasia.
53c. Lip alleen met de basis van de zuil samenhangend, er niet mee tot een
zekere hoogte vergroeid; afstaand of naar beneden geslagen 54
54a. Stuifmeelklompjes 4. Planten zonder luchtknollen 55
54b. Stuifmeelklompjes 2. Planten met of zonder luchtknollen 56
55a. Top van de zuil en helmknop met een lang draadvormig naar beneden
gericht aanhangsel. Achterste kelkblad helmvormig gebogen. Lip min of
meer 3-lobbig, de beide zijlobben dik en vleezig. Zuil kort en dik, van
voren hol. Planten klein, zonder luchtknollen, stengel kort, bladeren in één
vlak staand. Bloemen klein in een vrij lange tros Ornithocephalus.
zeer kort met de basis van de zuil verbonden, opgericht met een zeer korte
spoor die door de beide kelkbladeren bedekt wordt. Bloemen rood in
eenzijdige, veelbloemige trossen Rodriguezia.
52b. De zijdelingsche kelkbladeren geheel vergroeid, aan de basis onder de
lip een korte zak vormend. Lip duidelijk genageld, geheel zonder spoor of
knobbel. Bloemen violet, in wijde pluimen
Jonopsis. S a p o t i l l e - o r c h i d e e .
53a. Kelkbladeren niet
vergroeid, smal, evenals de kroonbladeren. Nagel van de lip met de zuil
vergroeid, verder afstaand, ongedeeld, breed eirond, aan den top plotseling
toegespitst, min of meer schelpvormig. Zuil half zoo lang als de lip. Bladen
vleezig. smal, één op de luchtknol. Bloemen vuilwit met lichtroode
teekening, in knikkende, 3–4-bloemige trossen Trichopilia.
53b. Achterste kelkblad met de kroonbladeren aan de basis van de zuil
vastgegroeid. Nagel van de lip tot aan de halve hoogte met de zuil
vergroeid, vervolgens afstaand, 3-lobbig, lobben stomp, aan den rand een
weinig gegolfd tot gekarteld, de middenlob aan den top wat ingesneden.
Planten met groote, sterk platgedrukte luchtknollen met 2 bladeren op den
top. Tros rechtopstaand met 2–3 welriekende bloemen. Kelkbladeren
geelgroen met paarse strepen; bloembladeren geel, donker geaderd, lip wit,
aan de basis geel, met purperen vlekjes Aspasia.
53c. Lip alleen met de basis van de zuil samenhangend, er niet mee tot een
zekere hoogte vergroeid; afstaand of naar beneden geslagen 54
54a. Stuifmeelklompjes 4. Planten zonder luchtknollen 55
54b. Stuifmeelklompjes 2. Planten met of zonder luchtknollen 56
55a. Top van de zuil en helmknop met een lang draadvormig naar beneden
gericht aanhangsel. Achterste kelkblad helmvormig gebogen. Lip min of
meer 3-lobbig, de beide zijlobben dik en vleezig. Zuil kort en dik, van
voren hol. Planten klein, zonder luchtknollen, stengel kort, bladeren in één
vlak staand. Bloemen klein in een vrij lange tros Ornithocephalus.
Page 168
55b. Top van de zuil en helmknop niet met een dun verlengsel. Achterste
kelkblad bijna vlak. Lip aan den top met 2 lange, dunne rechtopstaande
zijlobben. Kleine planten, bladeren niet in één vlak staand. Tros
veelbloemig, knikkend Cryptarrhena.
56a. Kelkbladeren en bloembladeren zeer lang en dun en spits. Lip
ongedeeld, niet 3-lobbig, korter dan de kelkbladeren, zuil ongevleugeld.
Planten vrij groot met luchtknollen, met 1 of 2 bladeren op den top.
Bloemen in weinigbloemige trossen Brassia.
56b. Kelk en kroonbladeren niet bijzonder lang, dun en spits. Zuil
gevleugeld 57
57a. Planten zonder luchtknollen met lange stengels, waaraan de korte
bladeren in twee rijen dakpansgewijs over elkaar liggen. Lip betrekkelijk
groot met korte zijlobben en groote 3–5-lobbige eindlob. Zuil kort,
gevleugeld Lockhartia.
57b. Planten met luchtknollen of indien er geen luchtknollen aanwezig zijn,
dan zijn de stengels kort en staan de bladeren dicht, meest in één vlak, op
elkaar. Lip zeer verschillend van vorm, meest groot, steeds direct van af de
basis naar beneden geslagen met vele en verschillend gevormde wratten en
lijsten. Zuil duidelijk gevleugeld Oncidium.
58a. Planten met lange meest kruipende of hangende bebladerde stengels.
Bloemen alleenstaand in de oksels van de bladeren. Lip aan den voet van de
zuil verbonden. Zuil opgericht, ongevleugeld. Stuifmeelklompjes 4, zonder
aanhangselen. Bloemen ongespoord. Dichaea.
58b. Planten met lange, bebladerde en met luchtwortels bezette stengels en
dus bladeren in 2 rijen, of stengels bijna geheel ontbrekend en onbebladerd,
en dan de plant alleen bestaande uit een groep van luchtwortels en enkele
bloeiwijzen. Bloemen klein, gespoord, in trossen
Campylocentrum. (Angraecum).
Hulptabel bij het determineeren van Orchideeën, die zich door een enkel in
het oog vallend kenmerk onderscheiden.
kelkblad bijna vlak. Lip aan den top met 2 lange, dunne rechtopstaande
zijlobben. Kleine planten, bladeren niet in één vlak staand. Tros
veelbloemig, knikkend Cryptarrhena.
56a. Kelkbladeren en bloembladeren zeer lang en dun en spits. Lip
ongedeeld, niet 3-lobbig, korter dan de kelkbladeren, zuil ongevleugeld.
Planten vrij groot met luchtknollen, met 1 of 2 bladeren op den top.
Bloemen in weinigbloemige trossen Brassia.
56b. Kelk en kroonbladeren niet bijzonder lang, dun en spits. Zuil
gevleugeld 57
57a. Planten zonder luchtknollen met lange stengels, waaraan de korte
bladeren in twee rijen dakpansgewijs over elkaar liggen. Lip betrekkelijk
groot met korte zijlobben en groote 3–5-lobbige eindlob. Zuil kort,
gevleugeld Lockhartia.
57b. Planten met luchtknollen of indien er geen luchtknollen aanwezig zijn,
dan zijn de stengels kort en staan de bladeren dicht, meest in één vlak, op
elkaar. Lip zeer verschillend van vorm, meest groot, steeds direct van af de
basis naar beneden geslagen met vele en verschillend gevormde wratten en
lijsten. Zuil duidelijk gevleugeld Oncidium.
58a. Planten met lange meest kruipende of hangende bebladerde stengels.
Bloemen alleenstaand in de oksels van de bladeren. Lip aan den voet van de
zuil verbonden. Zuil opgericht, ongevleugeld. Stuifmeelklompjes 4, zonder
aanhangselen. Bloemen ongespoord. Dichaea.
58b. Planten met lange, bebladerde en met luchtwortels bezette stengels en
dus bladeren in 2 rijen, of stengels bijna geheel ontbrekend en onbebladerd,
en dan de plant alleen bestaande uit een groep van luchtwortels en enkele
bloeiwijzen. Bloemen klein, gespoord, in trossen
Campylocentrum. (Angraecum).
Hulptabel bij het determineeren van Orchideeën, die zich door een enkel in
het oog vallend kenmerk onderscheiden.
Page 169
I. Planten alleen bestaand uit een bos luchtwortels en eenige trosjes van
kleine bloemen, dus geen stengel en bladeren aanwezig:
Campylocentrum.
II. Planten in den bodem groeiend zonder luchtwortels:
Selenipedilum,Habenaria,Pogonia,
Stenorrchynchus,Spiranthes,Physurus,
Liparis,Cyrtopera,Cyrtopodium.
III. Lange gelijkmatig bebladerde stengels zonder of met luchtwortels; geen
luchtknollen aanwezig:
Lockhartia,Dichaea,Campylocentrum,
O r l e a n e s i a , E p i d e n d r u m (ten deele).
IV. Lange, dunne luchtknollen, telkens met een paar bladeren op den top; de
eene luchtknol boven op de andere zittend; bloemen in kleine groepen:
Te t r a g a m e s t u s , P o n e r a , S c a p h y g l o t t i s ,
Hexisea.
V. Lange, klimmende, groene bebladerde stengels, met lange geledingen:
Va n i l l a .
VI. Epiphyten zonder luchtknol doch de bebladerde stengels kort, en
daardoor de bladeren in rosetten of in één vlak gezeten:
Jonopsis,Ornithocephalus,Cryptarrhena,
O n c i d i u m (ten deele), B o l l e a , C h a u b a r d i a .
VII. Bebladerde stengels met slechts één blad aan den top, en met een
bloeiwijze:
Masdevallia,Stelis,Pleurothallis,Lepanthes,
Restrepia,Octomeria.
kleine bloemen, dus geen stengel en bladeren aanwezig:
Campylocentrum.
II. Planten in den bodem groeiend zonder luchtwortels:
Selenipedilum,Habenaria,Pogonia,
Stenorrchynchus,Spiranthes,Physurus,
Liparis,Cyrtopera,Cyrtopodium.
III. Lange gelijkmatig bebladerde stengels zonder of met luchtwortels; geen
luchtknollen aanwezig:
Lockhartia,Dichaea,Campylocentrum,
O r l e a n e s i a , E p i d e n d r u m (ten deele).
IV. Lange, dunne luchtknollen, telkens met een paar bladeren op den top; de
eene luchtknol boven op de andere zittend; bloemen in kleine groepen:
Te t r a g a m e s t u s , P o n e r a , S c a p h y g l o t t i s ,
Hexisea.
V. Lange, klimmende, groene bebladerde stengels, met lange geledingen:
Va n i l l a .
VI. Epiphyten zonder luchtknol doch de bebladerde stengels kort, en
daardoor de bladeren in rosetten of in één vlak gezeten:
Jonopsis,Ornithocephalus,Cryptarrhena,
O n c i d i u m (ten deele), B o l l e a , C h a u b a r d i a .
VII. Bebladerde stengels met slechts één blad aan den top, en met een
bloeiwijze:
Masdevallia,Stelis,Pleurothallis,Lepanthes,
Restrepia,Octomeria.
Page 170
VIII. Luchtknollen met één blad op den top:
E p i d e n d r u m (ten deele), B i f r e n a r i a , S t a n h o p e a ,
M e n a d e n i u m (ten deele), M a x i l l a r i a , C a m a r i d i u m ,
Ornithidium, Trigonidium, Macradenia,
Notylia,Rodriguezia,Plectrophora,
T r i c h o p i l i a , O n c i d i u m (ten deele).
IX. Luchtknollen met twee bladeren op den top:
L a n i u m (ten deele), E p i d e n d r u m (ten deele),
S c h o m b u r g k i a , P a p h i n i a (ten deele), B a t e m a n i a ,
Peristeria,Coryanthes,Gongora,Menadenium
(ten deele), B u l b o p h y l l u m , A s p a s i a , B r a s s i a ,
O n c i d i u m (ten deele).
X. Bloemen met een spoor of knobbel, hetzij aan de lip, hetzij aan de beide
zijdelingsche kelkbladeren, of aan lip en kelkbladeren:
Habenaria,Physurus,Liparis,Galeandra,
Cyrtopera,Bifrenaria,Rodriguezia,Jonopsis,
Plectrophora,Campylocentrum.
XI. Kelkbladeren alle 3 met elkaar vergroeid, soms een buis of een beker
vormend:
Masdevallia, Stelis, Trigonidium.
E p i d e n d r u m (ten deele), B i f r e n a r i a , S t a n h o p e a ,
M e n a d e n i u m (ten deele), M a x i l l a r i a , C a m a r i d i u m ,
Ornithidium, Trigonidium, Macradenia,
Notylia,Rodriguezia,Plectrophora,
T r i c h o p i l i a , O n c i d i u m (ten deele).
IX. Luchtknollen met twee bladeren op den top:
L a n i u m (ten deele), E p i d e n d r u m (ten deele),
S c h o m b u r g k i a , P a p h i n i a (ten deele), B a t e m a n i a ,
Peristeria,Coryanthes,Gongora,Menadenium
(ten deele), B u l b o p h y l l u m , A s p a s i a , B r a s s i a ,
O n c i d i u m (ten deele).
X. Bloemen met een spoor of knobbel, hetzij aan de lip, hetzij aan de beide
zijdelingsche kelkbladeren, of aan lip en kelkbladeren:
Habenaria,Physurus,Liparis,Galeandra,
Cyrtopera,Bifrenaria,Rodriguezia,Jonopsis,
Plectrophora,Campylocentrum.
XI. Kelkbladeren alle 3 met elkaar vergroeid, soms een buis of een beker
vormend:
Masdevallia, Stelis, Trigonidium.
Page 171
Page 172
Klasse: Dicotyledoneae.
Onderklasse: Choripetalae.
Orde: Piperales.
53. Piperaceae.
Bloemen zonder bloembekleedselen, twee- of éénslachtig; meeldraden 1–10;
vruchtbeginsel eenhokkig met één zaadknop; kruiden en heesters met afwisselende
bladeren met of zonder steunbladeren; bloemen zeer klein, in aren.
1a. Aren in gesteelde schermen in de bladoksels. Bladeren groot
schildvormig, langgesteeld met een duidelijke bladscheede
Heckeria. S w i e t i e - a n e i s i e w i w i r i e .
1b. Aren alleenstaand
tegenover de bladeren of in de bladoksels 2
2a. Stempel onvertakt. Bloemen tweeslachtig. Epiphyten Peperomia.
2b. Stempel vertakt. Planten in den grond wortelend, meest ± heesterachtig.
Bloemen tweeslachtig of ♂ en ♀ 3
Onderklasse: Choripetalae.
Orde: Piperales.
53. Piperaceae.
Bloemen zonder bloembekleedselen, twee- of éénslachtig; meeldraden 1–10;
vruchtbeginsel eenhokkig met één zaadknop; kruiden en heesters met afwisselende
bladeren met of zonder steunbladeren; bloemen zeer klein, in aren.
1a. Aren in gesteelde schermen in de bladoksels. Bladeren groot
schildvormig, langgesteeld met een duidelijke bladscheede
Heckeria. S w i e t i e - a n e i s i e w i w i r i e .
1b. Aren alleenstaand
tegenover de bladeren of in de bladoksels 2
2a. Stempel onvertakt. Bloemen tweeslachtig. Epiphyten Peperomia.
2b. Stempel vertakt. Planten in den grond wortelend, meest ± heesterachtig.
Bloemen tweeslachtig of ♂ en ♀ 3
Page 173
3a. Aren lang of vrij lang. Helmknoppen kort en dik. Meeldraden meest 3
of meer Piper. A n e i s i w i w i r i e .
3b. Aren kort, meest hoogstens dubbel zoo lang als dik. Helmknop
langwerpig met een knotsvormig helmbindsel, dat buiten de helmknop
uitsteekt. 1 Meeldraad Nematanthera.
55. Lacistemaceae.
Bloemen tweeslachtig met of zonder bloemdek; 1 meeldraad;
vruchtbeginsel één met 1 stijl en 2–3 wandstandige zaadlijsten, aan ieder 1
of 2 zaadknoppen; vrucht een 1-zadige doosvrucht; heesters met de
bladeren in twee rijen, bladeren zonder steunbladeren; bloemen zeer klein,
in de oksels van schubvormige dekbladeren in aren gezeten, die in groepen
in de bladoksels staan. Eenig geslacht Lacistema.
Orde: Batidales.
60a. Batidaceae.
Bloemen éénslachtig, tweehuizig; de ♂ bloemen in de oksels van vierrijig
gerangschikte, schubvormige schutbladeren met een bekervormig
bloemdek, 4 meeldraden en evenveel spatelvormige staminodiën(?); ♀
bloemen naakt, met een oorspronkelijk 2-hokkig vruchtbeginsel, in ieder
hokje 2 zaadknoppen, alle ♀ bloemen van een aar met elkaar vergroeid;
strandplant met tegenoverstaande vleezige smalle bladeren; de aren in
groepen in de bladoksels. Eenig geslacht Batis.
Orde: Urticales.
63. Ulmaceae.
of meer Piper. A n e i s i w i w i r i e .
3b. Aren kort, meest hoogstens dubbel zoo lang als dik. Helmknop
langwerpig met een knotsvormig helmbindsel, dat buiten de helmknop
uitsteekt. 1 Meeldraad Nematanthera.
55. Lacistemaceae.
Bloemen tweeslachtig met of zonder bloemdek; 1 meeldraad;
vruchtbeginsel één met 1 stijl en 2–3 wandstandige zaadlijsten, aan ieder 1
of 2 zaadknoppen; vrucht een 1-zadige doosvrucht; heesters met de
bladeren in twee rijen, bladeren zonder steunbladeren; bloemen zeer klein,
in de oksels van schubvormige dekbladeren in aren gezeten, die in groepen
in de bladoksels staan. Eenig geslacht Lacistema.
Orde: Batidales.
60a. Batidaceae.
Bloemen éénslachtig, tweehuizig; de ♂ bloemen in de oksels van vierrijig
gerangschikte, schubvormige schutbladeren met een bekervormig
bloemdek, 4 meeldraden en evenveel spatelvormige staminodiën(?); ♀
bloemen naakt, met een oorspronkelijk 2-hokkig vruchtbeginsel, in ieder
hokje 2 zaadknoppen, alle ♀ bloemen van een aar met elkaar vergroeid;
strandplant met tegenoverstaande vleezige smalle bladeren; de aren in
groepen in de bladoksels. Eenig geslacht Batis.
Orde: Urticales.
63. Ulmaceae.
Page 174
Bloemen met een bloemdek, tweeslachtig of eenslachtig; bloemdek 4–5-bladig;
meeldraden evenveel, voor de bloemdekbladeren staand, zelden dubbel zooveel;
vruchtbeginsel meest eenhokkig met één zaadknop; stijlen 2; vrucht een noot of een
steenvrucht.
Heesters met ruwe, fijngezaagde, afwisselende bladeren; bloemen groen, in
kleine bloeiwijzen in de bladoksels. Trema.
64. Moraceae.
Bloemen met een blijvend, dikwijls sappig wordend bloemdek of naakt; eenslachtig;
bloemdekbladeren meest 4; meeldraden evenveel, voor de bloemdekbladeren staand,
zelden maar één; vruchtbeginsel eenhokkig met één zaadknop; stijlen 1 of 2; vrucht een
noot of een steenvrucht; boomen of heesters, zelden kruiden; bladeren met steunbladeren;
bloemen klein in verschillend gevormde bloeiwijzen, die vaak bolvormig zijn; planten met
melksap.
1a. Bloeiwijzen aarvormig, tenminste een deel ervan. 2
1b. Bloeiwijzen bolvormig of tenminste de uiterste takken der bloeiwijzen
in bolvormige hoofdjes van bloemen eindigend of bloemen alleenstaand.
3
2a. Bladeren niet ingesneden of vinvormig ingesneden en dan zeer
groot. Mannelijke en vrouwelijke bloeiwijzen op denzelfden boom,
alleenstaand in de oksels der bladeren of aan den stam. ♂ bloemen in aren,
♀ bloemen in hoofdjes. Artocarpus. B r o o d b o o m .
2b. Bladeren langgesteeld, schildvormig of bladsteel aan de rand ingehecht,
handlobbig tot handdeelig, in omtrek bijna cirkelrond, van onderen vaak
witviltig. Stammen door tusschenschotten in afdeelingen gedeeld. Bloemen
in aren, die in groepen van 2-vele op een steel staan. Stammen alleen aan
den top bebladerd. Cecropia. B o s c h - p a p a j a .
3a. Bloemen aan de binnenzijde van een holle bol gezeten, dus bloemen
van buiten af onzichtbaar. Ficus.
meeldraden evenveel, voor de bloemdekbladeren staand, zelden dubbel zooveel;
vruchtbeginsel meest eenhokkig met één zaadknop; stijlen 2; vrucht een noot of een
steenvrucht.
Heesters met ruwe, fijngezaagde, afwisselende bladeren; bloemen groen, in
kleine bloeiwijzen in de bladoksels. Trema.
64. Moraceae.
Bloemen met een blijvend, dikwijls sappig wordend bloemdek of naakt; eenslachtig;
bloemdekbladeren meest 4; meeldraden evenveel, voor de bloemdekbladeren staand,
zelden maar één; vruchtbeginsel eenhokkig met één zaadknop; stijlen 1 of 2; vrucht een
noot of een steenvrucht; boomen of heesters, zelden kruiden; bladeren met steunbladeren;
bloemen klein in verschillend gevormde bloeiwijzen, die vaak bolvormig zijn; planten met
melksap.
1a. Bloeiwijzen aarvormig, tenminste een deel ervan. 2
1b. Bloeiwijzen bolvormig of tenminste de uiterste takken der bloeiwijzen
in bolvormige hoofdjes van bloemen eindigend of bloemen alleenstaand.
3
2a. Bladeren niet ingesneden of vinvormig ingesneden en dan zeer
groot. Mannelijke en vrouwelijke bloeiwijzen op denzelfden boom,
alleenstaand in de oksels der bladeren of aan den stam. ♂ bloemen in aren,
♀ bloemen in hoofdjes. Artocarpus. B r o o d b o o m .
2b. Bladeren langgesteeld, schildvormig of bladsteel aan de rand ingehecht,
handlobbig tot handdeelig, in omtrek bijna cirkelrond, van onderen vaak
witviltig. Stammen door tusschenschotten in afdeelingen gedeeld. Bloemen
in aren, die in groepen van 2-vele op een steel staan. Stammen alleen aan
den top bebladerd. Cecropia. B o s c h - p a p a j a .
3a. Bloemen aan de binnenzijde van een holle bol gezeten, dus bloemen
van buiten af onzichtbaar. Ficus.
Page 175
3b. Bloemen buiten op de steel van de bloeiwijze gezeten. 4
4a. Bloeiwijzen onvertakt, hoofdjes klein, bolvormig, bestaande uit één of
weinige vrouwelijke bloemen in het midden en talrijke mannelijke bloemen
eromheen. Bladeren vrij klein, niet ingesneden, leerachtig.
Brosimum. L e t t e r h o u t .
4b. Bloeiwijzen alléén met ♂ of ♀
bloemen. 5
5a. Bladeren aan den voet handnervig, met 3, 5 of meer nerven, verder naar
boven vinnervig. 6
5b. Bladeren leerachtig vinnervig, elliptisch of langwerpig, niet aan den
voet handnervig, ♀ hoofdjes alleen, ongesteeld, ♂ gesteeld, in groepen in
de bladoksels. Bloemdek van de ♂ bloem 4-deelig met tamelijk dikke
slippen; bloemdek van de ♀ bloemen ten deele in de as van het hoofdje
ingebed, bij het rijp worden van de vrucht aan elkaar gegroeid.
Helicostylis.
6a. Bloeiwijzen sterk vertakt, de laatste vertakkingen van
de ♂ bloeiwijze in hoofdjes van bloemen eindigend, die van de ♀
bloeiwijze in alleenstaande ♀ bloemen eindigend. Stempel schildvormig,
bloemdek van de ♀ bloem buisvormig, dik; van de ♂ bloem 3–4-tandig met
3–4 meeldraden. Bladeren gedeeld of ongedeeld, soms beide soorten van
bladeren op denzelfden boom Pourouma.
6b. Bloeiwijze vertakt of onvertakt; zoowel de ♂ als de ♀ bloemen tot
hoofdjes vereenigd. Bloemdek van de ♂ bloem 3-deelig of 3-tandig met 1
of 2 meeldraden met vergroeide helmdraden. Stempel penseelvormig.
Bladeren nooit gedeeld, meest naar den voet versmald Coussapoa.
65. Urticaceae.
Bloemen zelden tweeslachtig, meest eenslachtig; bloemdekbladeren 4–5 (zelden 2–3);
meeldraden evenveel en voor de bloemdekbladeren staand, in den knop naar binnen
gebogen, later elastisch terugspringend; stijl steeds één; vruchtbeginsel eenhokkig met één
4a. Bloeiwijzen onvertakt, hoofdjes klein, bolvormig, bestaande uit één of
weinige vrouwelijke bloemen in het midden en talrijke mannelijke bloemen
eromheen. Bladeren vrij klein, niet ingesneden, leerachtig.
Brosimum. L e t t e r h o u t .
4b. Bloeiwijzen alléén met ♂ of ♀
bloemen. 5
5a. Bladeren aan den voet handnervig, met 3, 5 of meer nerven, verder naar
boven vinnervig. 6
5b. Bladeren leerachtig vinnervig, elliptisch of langwerpig, niet aan den
voet handnervig, ♀ hoofdjes alleen, ongesteeld, ♂ gesteeld, in groepen in
de bladoksels. Bloemdek van de ♂ bloem 4-deelig met tamelijk dikke
slippen; bloemdek van de ♀ bloemen ten deele in de as van het hoofdje
ingebed, bij het rijp worden van de vrucht aan elkaar gegroeid.
Helicostylis.
6a. Bloeiwijzen sterk vertakt, de laatste vertakkingen van
de ♂ bloeiwijze in hoofdjes van bloemen eindigend, die van de ♀
bloeiwijze in alleenstaande ♀ bloemen eindigend. Stempel schildvormig,
bloemdek van de ♀ bloem buisvormig, dik; van de ♂ bloem 3–4-tandig met
3–4 meeldraden. Bladeren gedeeld of ongedeeld, soms beide soorten van
bladeren op denzelfden boom Pourouma.
6b. Bloeiwijze vertakt of onvertakt; zoowel de ♂ als de ♀ bloemen tot
hoofdjes vereenigd. Bloemdek van de ♂ bloem 3-deelig of 3-tandig met 1
of 2 meeldraden met vergroeide helmdraden. Stempel penseelvormig.
Bladeren nooit gedeeld, meest naar den voet versmald Coussapoa.
65. Urticaceae.
Bloemen zelden tweeslachtig, meest eenslachtig; bloemdekbladeren 4–5 (zelden 2–3);
meeldraden evenveel en voor de bloemdekbladeren staand, in den knop naar binnen
gebogen, later elastisch terugspringend; stijl steeds één; vruchtbeginsel eenhokkig met één
Page 176
zaadknop; vrucht een noot of een steenvrucht; meest kruiden, zelden houtige planten met
tegenoverstaande of verspreide bladeren; geen melksap.
1a. Bladeren groot, grof gezaagd, afwisselend. Bloemen in sterk vertakte
pluimen, ♂ bloemen met een 4–5-tallig bloemdek, ♀ bloemen met een 4-
tallig bloemdek met zeer ongelijke slippen. Groote kruiden, op drooge
plaatsen Fleurya. K r a s s i - w i w i r i e .
1b. Bladeren klein, soms zeer klein, fijngezaagd of gaafrandig, met
tegenoverstaande bladeren; het eene blad van het paar grooter dan het
andere. Bloemdek van de ♂ bloem meest 4-tallig, van de ♀ bloem steeds 3-
tallig met ongelijke slippen. Kruiden op vochtige plaatsen Pilea.
Orde: Proteales.
66. Proteaceae.
Bloemen met een bloemdek, meest 4-tallig, met de meeldraden voor de bloemdekbladeren;
twee- of eenslachtig; regelmatig of zygomorf; bloemdek gekleurd; vruchtbeginsel
bovenstandig met vele tot 1 zaadknop; vrucht een kokervrucht of gesloten blijvend;
boomen of heesters met meest verspreide, ongedeelde of vindeelige bladeren zonder
steunbladeren; bloemen in aren of trossen.
Kleine boomen met gaafrandige, naar den basis sterk toegespitste bladeren,
in kransen van 3 rondom den stengel gezeten. Bloemen in lange trossen,
gesteeld, de 4 bloemdekslippen tijdens den bloei omgerold naar buiten.
Meeldraden 4, van boven vrij van het bloemdek Panopsis.
Orde: Santalales.
67. Loranthaceae.
Bloemen met een bloemdek, meest regelmatig, tweeslachtig of eenslachtig, 2- tot 3-tallig;
bloeias min of meer bekervormig, geheel met het vruchtbeginsel vergroeid, niet zelden
tegenoverstaande of verspreide bladeren; geen melksap.
1a. Bladeren groot, grof gezaagd, afwisselend. Bloemen in sterk vertakte
pluimen, ♂ bloemen met een 4–5-tallig bloemdek, ♀ bloemen met een 4-
tallig bloemdek met zeer ongelijke slippen. Groote kruiden, op drooge
plaatsen Fleurya. K r a s s i - w i w i r i e .
1b. Bladeren klein, soms zeer klein, fijngezaagd of gaafrandig, met
tegenoverstaande bladeren; het eene blad van het paar grooter dan het
andere. Bloemdek van de ♂ bloem meest 4-tallig, van de ♀ bloem steeds 3-
tallig met ongelijke slippen. Kruiden op vochtige plaatsen Pilea.
Orde: Proteales.
66. Proteaceae.
Bloemen met een bloemdek, meest 4-tallig, met de meeldraden voor de bloemdekbladeren;
twee- of eenslachtig; regelmatig of zygomorf; bloemdek gekleurd; vruchtbeginsel
bovenstandig met vele tot 1 zaadknop; vrucht een kokervrucht of gesloten blijvend;
boomen of heesters met meest verspreide, ongedeelde of vindeelige bladeren zonder
steunbladeren; bloemen in aren of trossen.
Kleine boomen met gaafrandige, naar den basis sterk toegespitste bladeren,
in kransen van 3 rondom den stengel gezeten. Bloemen in lange trossen,
gesteeld, de 4 bloemdekslippen tijdens den bloei omgerold naar buiten.
Meeldraden 4, van boven vrij van het bloemdek Panopsis.
Orde: Santalales.
67. Loranthaceae.
Bloemen met een bloemdek, meest regelmatig, tweeslachtig of eenslachtig, 2- tot 3-tallig;
bloeias min of meer bekervormig, geheel met het vruchtbeginsel vergroeid, niet zelden
Page 177
rondom de basis van het bloemdek nog als een gekartelde rand voorhanden, die dan
schijnbaar een kelk is; bloemdekbladeren 4–6, groen of gekleurd; meeldraden evenveel en
er tegenoverstaand; vruchtbeginsel maar één zaad ontwikkelend; vrucht een schijnvrucht
met meest kleverige buitenlaag; parasieten met groene bladeren.
1a. Bloemen met een zeer kort bloemdek, in aren gezeten, geheel
ongesteeld, meest zelfs een weinig in holten van de aar ingebed 2
1b. Bloemen met een langer of korter bloemdek, niet in aren gezeten, of
indien ze in aren zitten, dan duidelijk gesteeld, en bloemen in groepen van 3
bij elkaar 3
2a. Bloemen éénslachtig, zonder schijnkelk, in regelmatige groepen van ♂
of ♀ bloemen over de aar verdeeld; tusschen de groepen draagt de as
schubben. Bloemdek meest 3-deelig, dik en leerachtig. Bladen min of meer
parallelnervig. Bes in de as ingezonken Phoradendron.
2b. Bloemen 2-slachtig, met een zeer kleine schijnkelk, regelmatig over de
aar verdeeld, niet in groepen zittend. Bloemdek 6-deelig. Bes niet in de as
van de aar ingezonken. Bladeren min of meer duidelijk vinnervig
Oryctanthus.
3a. Bloemen met een zeer lang (tot 10 c.M.) helder
gekleurd bloemdek uit 6 slippen bestaand, tweeslachtig, in groepen van 3
gezeten in samengestelde bloeiwijzen, iedere bloem met een duidelijke
schijnkelk en deze aan den voet omgeven door een bekervormig schutblad.
Helmdraden dun, draadvormig, met bewegelijke helmknop. Bladeren groot.
Groote planten Psittacanthus.
3b. Bloemen met een klein, hoogstens 1 c.M. lang bloemdek. Bloemen 1-
slachtig 4
4a. Bloeiwijzen slechts weinig vertakt. Bloemdekbladeren klein en smal,
afwisselend grooter en kleiner. Helmdraden draadvormig; afwisselend
korter en langer, met ovale helmknoppen, bijna geheel vrij van het
bloemdek Strutanthus.
schijnbaar een kelk is; bloemdekbladeren 4–6, groen of gekleurd; meeldraden evenveel en
er tegenoverstaand; vruchtbeginsel maar één zaad ontwikkelend; vrucht een schijnvrucht
met meest kleverige buitenlaag; parasieten met groene bladeren.
1a. Bloemen met een zeer kort bloemdek, in aren gezeten, geheel
ongesteeld, meest zelfs een weinig in holten van de aar ingebed 2
1b. Bloemen met een langer of korter bloemdek, niet in aren gezeten, of
indien ze in aren zitten, dan duidelijk gesteeld, en bloemen in groepen van 3
bij elkaar 3
2a. Bloemen éénslachtig, zonder schijnkelk, in regelmatige groepen van ♂
of ♀ bloemen over de aar verdeeld; tusschen de groepen draagt de as
schubben. Bloemdek meest 3-deelig, dik en leerachtig. Bladen min of meer
parallelnervig. Bes in de as ingezonken Phoradendron.
2b. Bloemen 2-slachtig, met een zeer kleine schijnkelk, regelmatig over de
aar verdeeld, niet in groepen zittend. Bloemdek 6-deelig. Bes niet in de as
van de aar ingezonken. Bladeren min of meer duidelijk vinnervig
Oryctanthus.
3a. Bloemen met een zeer lang (tot 10 c.M.) helder
gekleurd bloemdek uit 6 slippen bestaand, tweeslachtig, in groepen van 3
gezeten in samengestelde bloeiwijzen, iedere bloem met een duidelijke
schijnkelk en deze aan den voet omgeven door een bekervormig schutblad.
Helmdraden dun, draadvormig, met bewegelijke helmknop. Bladeren groot.
Groote planten Psittacanthus.
3b. Bloemen met een klein, hoogstens 1 c.M. lang bloemdek. Bloemen 1-
slachtig 4
4a. Bloeiwijzen slechts weinig vertakt. Bloemdekbladeren klein en smal,
afwisselend grooter en kleiner. Helmdraden draadvormig; afwisselend
korter en langer, met ovale helmknoppen, bijna geheel vrij van het
bloemdek Strutanthus.
Page 178
4b. Bloeiwijze meest meermalen vertakt. Bloembladeren dik en ± vleezig.
Helmdraden ongelijk van grootte, dikvleezig, boven de helmknop
uitstekend, bijna geheel met het bloemdek vergroeid. Helmknoppen
afwisselend ongelijk van vorm, tegen elkaar aangedrukt in de knop en
daardoor de 3 lange met groote holten opzij Phthirusa.
72. Olacaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, regelmatig, meest tweeslachtig; kelk meest onduidelijk
4–6-tandig; na den bloei meest sterk vergroot: bloembladeren 4–6, vaak vergroeid;
meeldraden evenveel of 2–3-maal zooveel; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–5-hokkig met
één zaadknop in ieder hokje, vrucht eenzadig; boomen of heesters met verspreide,
gaafrandige bladeren.
1a. Heesters of kleine boomen met dorens en een klein stekelpuntje aan
den top van het blad. Kelk klein, niet na den bloei vergroot; bloembladeren
bijna vrij, van binnen met roodbruine haren. Meeldraden 2 × zooveel als
bloembladeren Ximenia.
1b. Boomen of boompjes zonder dorens 2
2a. Bloemen alleenstaand of in kleine groepen in den oksel van de
bladeren. Kelk na den bloei sterk vergroot, meest rood gekleurd
Bloemkroon duidelijk vergroeidbladig; 8–10 meeldraden Heisteria.
2b. Bloemen ongesteeld in korte, aarvormige, veelbloemige trossen. Kelk
klein, 5-tandig na den bloei nauwelijks vergroot. Bloemkroon
vergroeidbladig, kort, klokvormig, met 10 meeldraden onder in den buis
vastgegroeid. Groote boomen
Minquartia. A r a t t a h o e d o e ; K o n t h o u t .
73. Balanophoraceae.
Bloemen met enkelvoudig bloemdek of naakt; meest tweeslachtig; mannelijke bloemen
met 3–4 bloemdekbladeren, van onderen vergroeid; meeldraden evenveel of 1–2, met 1- tot
veelhokkige helmknoppen; bloemdek van de vrouwelijke bloemen meest ontbrekend, met
Helmdraden ongelijk van grootte, dikvleezig, boven de helmknop
uitstekend, bijna geheel met het bloemdek vergroeid. Helmknoppen
afwisselend ongelijk van vorm, tegen elkaar aangedrukt in de knop en
daardoor de 3 lange met groote holten opzij Phthirusa.
72. Olacaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, regelmatig, meest tweeslachtig; kelk meest onduidelijk
4–6-tandig; na den bloei meest sterk vergroot: bloembladeren 4–6, vaak vergroeid;
meeldraden evenveel of 2–3-maal zooveel; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–5-hokkig met
één zaadknop in ieder hokje, vrucht eenzadig; boomen of heesters met verspreide,
gaafrandige bladeren.
1a. Heesters of kleine boomen met dorens en een klein stekelpuntje aan
den top van het blad. Kelk klein, niet na den bloei vergroot; bloembladeren
bijna vrij, van binnen met roodbruine haren. Meeldraden 2 × zooveel als
bloembladeren Ximenia.
1b. Boomen of boompjes zonder dorens 2
2a. Bloemen alleenstaand of in kleine groepen in den oksel van de
bladeren. Kelk na den bloei sterk vergroot, meest rood gekleurd
Bloemkroon duidelijk vergroeidbladig; 8–10 meeldraden Heisteria.
2b. Bloemen ongesteeld in korte, aarvormige, veelbloemige trossen. Kelk
klein, 5-tandig na den bloei nauwelijks vergroot. Bloemkroon
vergroeidbladig, kort, klokvormig, met 10 meeldraden onder in den buis
vastgegroeid. Groote boomen
Minquartia. A r a t t a h o e d o e ; K o n t h o u t .
73. Balanophoraceae.
Bloemen met enkelvoudig bloemdek of naakt; meest tweeslachtig; mannelijke bloemen
met 3–4 bloemdekbladeren, van onderen vergroeid; meeldraden evenveel of 1–2, met 1- tot
veelhokkige helmknoppen; bloemdek van de vrouwelijke bloemen meest ontbrekend, met
Page 179
bovenstandig vruchtbeginsel en 1–2, zelden 3–5 stijlen; eenhokkig; vrucht een noot of een
steenvrucht met één zaad; wortelparasieten.
Planten zonder bladgroen, bruingekleurd, in oerbosschen op den bodem
groeiend met een onderaardschen wortelstok, die hier en daar knolvormig
verdikt is. Stengels rechtopstaand, aan den top de bloemen in een groote
eivormige bloeiwijze, waarin de ♀ en ♂ bloemen, door haren omgeven,
gemengd zijn. De ♀ bloemen zijn het eerst ontwikkeld. ♂ bloemen met een
3-tallig bloemdek en 3 vergroeide meeldraden, ♂ bloemen zonder
bloemdek, met een vruchtbeginsel met 2 stijlen Helosis.
Orde: Aristolochiales.
74. Aristolochiaceae.
Bloemen meest tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemdek meest 3-tallig
vergroeidbladig, bloemkroonachtig gekleurd; meeldraden 6–36, zelden 5, vrij of met den
stijl vergroeid; vruchtbeginsel onderstandig, 4- of 6-, zelden 5-hokkig met vele
zaadknoppen; kruiden of heesters, in het laatste geval windend; bladeren verspreid, meest
enkelvoudig zonder steunbladeren.
Klimplanten met enkelvoudige of 3-lobbige bladeren; bloemen in de
bladoksels met een vergroeidbladig, onregelmatig bloemdek; buis van het
bloemdek gekromd, aan den mond verwijd, aan de basis opgezwollen
Aristolochia.
75. Rafflesiaceae.
Bloemen zelden twee-, meest éénslachtig, met onderstandig vruchtbeginsel, regelmatig;
bloemdek 4–5-tallig; meeldraden vele, aan de onderzijde van een schijfvormige zuilrand,
dicht onder de ringvormige stempel; vruchtbeginsel 1-hokkig met 4 of 6–8 wandstandige
zaadlijsten of met vele onregelmatige hokjes, met vele zaadknoppen; vrucht een bes met
vele zaden; parasieten met zeer korte spruiten en één eindstandige bloem of bloeiwijze.
steenvrucht met één zaad; wortelparasieten.
Planten zonder bladgroen, bruingekleurd, in oerbosschen op den bodem
groeiend met een onderaardschen wortelstok, die hier en daar knolvormig
verdikt is. Stengels rechtopstaand, aan den top de bloemen in een groote
eivormige bloeiwijze, waarin de ♀ en ♂ bloemen, door haren omgeven,
gemengd zijn. De ♀ bloemen zijn het eerst ontwikkeld. ♂ bloemen met een
3-tallig bloemdek en 3 vergroeide meeldraden, ♂ bloemen zonder
bloemdek, met een vruchtbeginsel met 2 stijlen Helosis.
Orde: Aristolochiales.
74. Aristolochiaceae.
Bloemen meest tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemdek meest 3-tallig
vergroeidbladig, bloemkroonachtig gekleurd; meeldraden 6–36, zelden 5, vrij of met den
stijl vergroeid; vruchtbeginsel onderstandig, 4- of 6-, zelden 5-hokkig met vele
zaadknoppen; kruiden of heesters, in het laatste geval windend; bladeren verspreid, meest
enkelvoudig zonder steunbladeren.
Klimplanten met enkelvoudige of 3-lobbige bladeren; bloemen in de
bladoksels met een vergroeidbladig, onregelmatig bloemdek; buis van het
bloemdek gekromd, aan den mond verwijd, aan de basis opgezwollen
Aristolochia.
75. Rafflesiaceae.
Bloemen zelden twee-, meest éénslachtig, met onderstandig vruchtbeginsel, regelmatig;
bloemdek 4–5-tallig; meeldraden vele, aan de onderzijde van een schijfvormige zuilrand,
dicht onder de ringvormige stempel; vruchtbeginsel 1-hokkig met 4 of 6–8 wandstandige
zaadlijsten of met vele onregelmatige hokjes, met vele zaadknoppen; vrucht een bes met
vele zaden; parasieten met zeer korte spruiten en één eindstandige bloem of bloeiwijze.
Page 180
Parasitische planten op takken van boomen levend, bestaande uit een zeer
korte stengel met enkele schubvormige blaadjes bezet, die in één ♂ of ♀
bloem eindigt. Geheele plant hoogstens 1 c.M. groot. Vruchtbeginsel 1-
hokkig 1
1a. Bloemdekbladeren vrij, genageld of ongenageld, doch slechts met één
punt met het vruchtbeginsel verbonden, na den bloei afvallend.
Zaadknoppen bepaalde gedeelten van de binnenwand van het
vruchtbeginsel innemend Apodanthes.
1b. Bloemdekbladeren met een breede basis, zittend, ongenageld, niet na
den bloei afvallend. Zaadknoppen de geheele binnenzijde van het
vruchtbeginsel beslaand Pilostyles.
Orde: Polygonales.
77. Polygonaceae.
Bloemen met een bloemkelk of met kelk en bloemkroon, twee- of éénslachtig, regelmatig;
bloemdekbladeren 3–6; meeldraden 6–9, zelden minder of meer; vruchtbeginsel 1-hokkig
met 2, 3 of 4 stijlen; en één zaadknop; vrucht een noot; kruiden, zelden heesters of boomen
met meest verspreide, zelden gelobde of gespleten bladeren en stengelomvattende
steunbladeren; bloemen meest klein, in samengestelde bloeiwijzen.
1a. Boomen of heesters 2
1b. Rechtopstaande of met ranken klimmende ± kruidachtige planten 3
2a. Bloemen éénslachtig, tweehuizig in losse aren. ♂ bloemen met 9
meeldraden, ♀ bloemen met een vruchtbeginsel met 3 stijlen of stempels,
bloemdek vergroeidbladig, uit 3 groote en 3 kleine slippen bestaande; de 3
buitenste slippen groeien na den bloei tot vleugels uit en omhullen de
vrucht. Boomen met holle, door tusschenschotten en afdeelingen verdeelde
takken Triplaris. M i r a - h o e d o e ; M i e r e n h o u t .
korte stengel met enkele schubvormige blaadjes bezet, die in één ♂ of ♀
bloem eindigt. Geheele plant hoogstens 1 c.M. groot. Vruchtbeginsel 1-
hokkig 1
1a. Bloemdekbladeren vrij, genageld of ongenageld, doch slechts met één
punt met het vruchtbeginsel verbonden, na den bloei afvallend.
Zaadknoppen bepaalde gedeelten van de binnenwand van het
vruchtbeginsel innemend Apodanthes.
1b. Bloemdekbladeren met een breede basis, zittend, ongenageld, niet na
den bloei afvallend. Zaadknoppen de geheele binnenzijde van het
vruchtbeginsel beslaand Pilostyles.
Orde: Polygonales.
77. Polygonaceae.
Bloemen met een bloemkelk of met kelk en bloemkroon, twee- of éénslachtig, regelmatig;
bloemdekbladeren 3–6; meeldraden 6–9, zelden minder of meer; vruchtbeginsel 1-hokkig
met 2, 3 of 4 stijlen; en één zaadknop; vrucht een noot; kruiden, zelden heesters of boomen
met meest verspreide, zelden gelobde of gespleten bladeren en stengelomvattende
steunbladeren; bloemen meest klein, in samengestelde bloeiwijzen.
1a. Boomen of heesters 2
1b. Rechtopstaande of met ranken klimmende ± kruidachtige planten 3
2a. Bloemen éénslachtig, tweehuizig in losse aren. ♂ bloemen met 9
meeldraden, ♀ bloemen met een vruchtbeginsel met 3 stijlen of stempels,
bloemdek vergroeidbladig, uit 3 groote en 3 kleine slippen bestaande; de 3
buitenste slippen groeien na den bloei tot vleugels uit en omhullen de
vrucht. Boomen met holle, door tusschenschotten en afdeelingen verdeelde
takken Triplaris. M i r a - h o e d o e ; M i e r e n h o u t .
Page 181
2b. Boomen of heesters soms klimmend met takken. Bloemen in trossen,
meest 2-slachtig, bloemdek 5-tallig tot een buis vergroeid, bij het rijpen der
vruchten min of meer vleezig wordend. Meeldraden 8 tot 9
Coccoloba. B r a d i l i e f i e , D r u i f , Z e e d r u i f .
3a. Stengels aan
den top in ranken overgaand. Bladeren breed, aan den voet ± hartvormig.
De 3 buitenste bloemdekbladeren rose tot rood gekleurd, vooral na den
bloei ieder in een vleugel overgaand. Bloemen 2-slachtig Antigonon.
3b. Stengels rechtopstaand, zonder ranken. Bladeren smal. Bloemen in
trossen of aren, met een 5-deelig bloemdek en 5–8 meeldraden
Polygonum.
Orde: Centrospermae.
78. Chenopodiaceae.
Bloemen met een bloemdek; twee- of éénslachtig, meest regelmatig; bloemdekbladeren 5,
3 of 2, zelden 4 of 1 of ontbrekend; meeldraden evenveel of minder dan deze; er tegenover
staand, in den knop naar binnen gebogen. Vruchtbeginsel bovenstandig met 1 zaadknop; of
stijltakken 2, soms 3–5; vrucht een noot, of zich met een deksel openend, door het
blijvende bloemdek omgeven; meest kruiden zelden houtige planten met verspreide
bladeren zonder helmdraden.
1a. Kruidachtige, aan den voet wat houtige planten met afwisselende naar
den voet versmalde bladeren met klierharen, welriekend. Bloemen in
trossen in de bovenste bladoksels met een 5-deelig bloemdek; ♂ bloemen
met 5 meeldraden, ♀ bloemen met 3 stempels op het vruchtbeginsel. Vrucht
ingesloten door het bloemdek Chenopodium. T i e n g i - m e n t i .
1b. Kruiden met min of meer driehoekige of spiesvormige bladeren;
tweehuizig, met enkele 2-slachtige bloemen; ♂ bloemen met 4–5-deelig
bloemdek en evenveel meeldraden, in dichte groepen in de bladoksels; ♀
bloemen met 2 bloemsteelblaadjes, die alleen aan den top gescheiden zijn,
en overigens het vruchtbeginsel omsluiten; stempels 4–5, lang,
meest 2-slachtig, bloemdek 5-tallig tot een buis vergroeid, bij het rijpen der
vruchten min of meer vleezig wordend. Meeldraden 8 tot 9
Coccoloba. B r a d i l i e f i e , D r u i f , Z e e d r u i f .
3a. Stengels aan
den top in ranken overgaand. Bladeren breed, aan den voet ± hartvormig.
De 3 buitenste bloemdekbladeren rose tot rood gekleurd, vooral na den
bloei ieder in een vleugel overgaand. Bloemen 2-slachtig Antigonon.
3b. Stengels rechtopstaand, zonder ranken. Bladeren smal. Bloemen in
trossen of aren, met een 5-deelig bloemdek en 5–8 meeldraden
Polygonum.
Orde: Centrospermae.
78. Chenopodiaceae.
Bloemen met een bloemdek; twee- of éénslachtig, meest regelmatig; bloemdekbladeren 5,
3 of 2, zelden 4 of 1 of ontbrekend; meeldraden evenveel of minder dan deze; er tegenover
staand, in den knop naar binnen gebogen. Vruchtbeginsel bovenstandig met 1 zaadknop; of
stijltakken 2, soms 3–5; vrucht een noot, of zich met een deksel openend, door het
blijvende bloemdek omgeven; meest kruiden zelden houtige planten met verspreide
bladeren zonder helmdraden.
1a. Kruidachtige, aan den voet wat houtige planten met afwisselende naar
den voet versmalde bladeren met klierharen, welriekend. Bloemen in
trossen in de bovenste bladoksels met een 5-deelig bloemdek; ♂ bloemen
met 5 meeldraden, ♀ bloemen met 3 stempels op het vruchtbeginsel. Vrucht
ingesloten door het bloemdek Chenopodium. T i e n g i - m e n t i .
1b. Kruiden met min of meer driehoekige of spiesvormige bladeren;
tweehuizig, met enkele 2-slachtige bloemen; ♂ bloemen met 4–5-deelig
bloemdek en evenveel meeldraden, in dichte groepen in de bladoksels; ♀
bloemen met 2 bloemsteelblaadjes, die alleen aan den top gescheiden zijn,
en overigens het vruchtbeginsel omsluiten; stempels 4–5, lang,
Page 182
draadvormig; vrucht ingesloten door de bloemsteelblaadjes; de ♀ bloemen
in aren Spinacia.
79. Amarantaceae.
Bloemen met een bloemdek, tweeslachtig, zelden eenslachtig, regelmatig;
bloemdekbladeren 4–5, meest vliezig, vrij of vergroeid; meeldraden 1–5, voor de
bloemdekbladeren staand; aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel eenhokkig,
bovenstandig met vele tot 1 zaadknop; vrucht een noot, zelden een bes; kruiden of heesters
met tegenoverstaande of verspreide, gaafrandige bladeren zonder steunbladeren; bloemen
klein, in hoofdjes, aren of pluimen.
1a. Bloemen in groote (grooter dan 1 c.M.), witte of gekleurde, bolvormige
of langwerpige dichte hoofdjes aan het eind van den stengel of van de
zijstengels 2
1b. Bloemen in kleine (kleiner dan 1 c.M.) groepjes of hoofdjes niet
opvallend aan het eind van den stengel staand, of bloemen in ijle of dichte
trossen, waaraan in ieder geval de bloemen afzonderlijk te zien zijn 3
2a. Hoofdjes verlengd. Bloemkroon 5-bladig. Meeldraden 5, van onderen
in een buis vergroeid. Vruchtbeginsel met meerdere zaadknoppen, met 1
stijl en stempel, vrucht met een deksel zich openend met vele glimmend
zwarte zaden. Bladeren verspreid Celosia.
2b. Hoofdjes vrijwel bolrond. Bloemkroon 5-deelig. Meeldraden bijna
geheel tot een buis vergroeid, de korte helmdraden met een tandvormig
aanhangsel naast de lange helmknop; stijl met 2 of 3 lange stempels;
vruchten met slechts een zaad; bladeren tegenoverstaand Gomphrena.
3a. De stengel eindigt in één lange smalle tros van bloemen, met spitse, ±
gestekelde schubjes die ver boven de bladeren uitsteekt; bladeren
tegenoverstaand 4
3b. De stengel eindigt niet in een lange tros met gestekelde schubjes, of
indien er stekels zijn, dan staan deze tusschen de bloemen in, of in de
in aren Spinacia.
79. Amarantaceae.
Bloemen met een bloemdek, tweeslachtig, zelden eenslachtig, regelmatig;
bloemdekbladeren 4–5, meest vliezig, vrij of vergroeid; meeldraden 1–5, voor de
bloemdekbladeren staand; aan de basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel eenhokkig,
bovenstandig met vele tot 1 zaadknop; vrucht een noot, zelden een bes; kruiden of heesters
met tegenoverstaande of verspreide, gaafrandige bladeren zonder steunbladeren; bloemen
klein, in hoofdjes, aren of pluimen.
1a. Bloemen in groote (grooter dan 1 c.M.), witte of gekleurde, bolvormige
of langwerpige dichte hoofdjes aan het eind van den stengel of van de
zijstengels 2
1b. Bloemen in kleine (kleiner dan 1 c.M.) groepjes of hoofdjes niet
opvallend aan het eind van den stengel staand, of bloemen in ijle of dichte
trossen, waaraan in ieder geval de bloemen afzonderlijk te zien zijn 3
2a. Hoofdjes verlengd. Bloemkroon 5-bladig. Meeldraden 5, van onderen
in een buis vergroeid. Vruchtbeginsel met meerdere zaadknoppen, met 1
stijl en stempel, vrucht met een deksel zich openend met vele glimmend
zwarte zaden. Bladeren verspreid Celosia.
2b. Hoofdjes vrijwel bolrond. Bloemkroon 5-deelig. Meeldraden bijna
geheel tot een buis vergroeid, de korte helmdraden met een tandvormig
aanhangsel naast de lange helmknop; stijl met 2 of 3 lange stempels;
vruchten met slechts een zaad; bladeren tegenoverstaand Gomphrena.
3a. De stengel eindigt in één lange smalle tros van bloemen, met spitse, ±
gestekelde schubjes die ver boven de bladeren uitsteekt; bladeren
tegenoverstaand 4
3b. De stengel eindigt niet in een lange tros met gestekelde schubjes, of
indien er stekels zijn, dan staan deze tusschen de bloemen in, of in de
Page 183
bladoksels; in ieder geval zijn er zijstengels voorhanden met bloemen of de
bloeiwijze bestaat uit kleine witte hoofdjes 5
4a. Bloem omgeven door groepen van gestekelde blaadjes met haakvormig
omgebogen spits; buis van meeldraden tusschen de helmdraden met
aanhangsels Cyathula.
4b. Bloem in den oksel van een enkel schutblad, dat een lange punt heeft,
die niet haakvormig is omgebogen; buis van de meeldraden met min of
meer 4-hoekige, gewimperde aanhangselen; bloemen na den bloei naar
beneden gebogen Achyranthes.
5a. Bloemen in trossen; bladeren verspreid 6
5b. Bloemen in witte hoofdjes of bloeiwijze sterk vertakt met slechts
weinig bloemen aan het eind der takken 7
6a. Bloemen groen, éénslachtig met 5 of 3 losse bloemdekblaadjes; de ♂
bloemen hebben evenveel meeldraden als er bloemdekblaadjes zijn; de ♀
bloemen slechts één vruchtbeginsel met 2 of 3 zittende stempels en 1 zaad.
Sommige soorten met dorens Amarantus. K l a r o e n , K r a r o e n .
6b. Bloemen tweeslachtig. Meeldraden van onderen in een buis vergroeid,
buis zonder aanhangsels tusschen de helmdraden. Vruchtbeginsel van boven
afgeknot met 1 stijl en 2 stempels Chamissoa.
7a. Bloemdekbladeren niet vergroeid. Stijl niet vertakt met kopvormige of
2-lobbige stempel 8
7b. Stijlen 2, of 1, en dan met 3–4 lange stempels. Bloemen één- of
tweeslachtig; buis der meeldraden zonder aanhangsels tusschen de
helmdraden. Bloeiwijzen vertakt of onvertakt Iresine.
8a. Bloemdekbladeren van buiten behaard. Helmdraden in een buis
vergroeid, buis zonder aanhangselen tusschen de helmdraden, doch de
helmdraden zelf lang getand of ingesneden. Stempel 2-lobbig of
bloeiwijze bestaat uit kleine witte hoofdjes 5
4a. Bloem omgeven door groepen van gestekelde blaadjes met haakvormig
omgebogen spits; buis van meeldraden tusschen de helmdraden met
aanhangsels Cyathula.
4b. Bloem in den oksel van een enkel schutblad, dat een lange punt heeft,
die niet haakvormig is omgebogen; buis van de meeldraden met min of
meer 4-hoekige, gewimperde aanhangselen; bloemen na den bloei naar
beneden gebogen Achyranthes.
5a. Bloemen in trossen; bladeren verspreid 6
5b. Bloemen in witte hoofdjes of bloeiwijze sterk vertakt met slechts
weinig bloemen aan het eind der takken 7
6a. Bloemen groen, éénslachtig met 5 of 3 losse bloemdekblaadjes; de ♂
bloemen hebben evenveel meeldraden als er bloemdekblaadjes zijn; de ♀
bloemen slechts één vruchtbeginsel met 2 of 3 zittende stempels en 1 zaad.
Sommige soorten met dorens Amarantus. K l a r o e n , K r a r o e n .
6b. Bloemen tweeslachtig. Meeldraden van onderen in een buis vergroeid,
buis zonder aanhangsels tusschen de helmdraden. Vruchtbeginsel van boven
afgeknot met 1 stijl en 2 stempels Chamissoa.
7a. Bloemdekbladeren niet vergroeid. Stijl niet vertakt met kopvormige of
2-lobbige stempel 8
7b. Stijlen 2, of 1, en dan met 3–4 lange stempels. Bloemen één- of
tweeslachtig; buis der meeldraden zonder aanhangsels tusschen de
helmdraden. Bloeiwijzen vertakt of onvertakt Iresine.
8a. Bloemdekbladeren van buiten behaard. Helmdraden in een buis
vergroeid, buis zonder aanhangselen tusschen de helmdraden, doch de
helmdraden zelf lang getand of ingesneden. Stempel 2-lobbig of
Page 184
kopvormig, zittend. Bladeren tegenoverstaand, zittend of kort gesteeld.
Bloeiwijze vertakt of onvertakt Pfaffia.
8b. Bloemdekbladeren vrij, behaard of kaal, vaak ongelijk van grootte.
Meeldraden 2–5, in een buis vergroeid, tusschen de helmdraden
verschillend gevormde aanhangselen aan de buis, welke aanhangselen
meest even lang zijn als de helmdraden. Stempel kopvormig. Bladeren
tegenoverstaand Alternanthera. W i t t i e - h e d e .
80. Nyctaginaceae.
Bloemen met een bloemdek, twee- of eenslachtig, regelmatig; bloemdek 5-tallig,
vergroeidbladig, gekleurd, bij het rijp worden van de vrucht meestal het onderste deel om
de vrucht zitten blijvend; meeldraden 1–30; vruchtbeginsel bovenstandig, vaak schijnbaar
onderstandig; met één zaadknop; kruiden of houtige planten, meest met tegenoverstaande
bladeren; aan de basis van de bloem of van een bloemgroep een krans van min of meer
gekleurde schutbladeren, die soms op een kelk gelijken.
1a. Bloemen groot, hetzij door een gekleurd bloemdek, hetzij door
gekleurde schutbladeren sterk in het oog vallend 2
1b. Bloemen klein, groenachtig of weinig gekleurd, in ieder geval niet door
hun kleur opvallend 3
2a. Kruidachtige stengels. Bloemen rozerood met een lange buis, in
groepen of alleenstaand, door vergroeide schutbladeren omgeven, die echter
veel korter zijn dan de bloemen zelf; indien de bloem alleen staat in de
vergroeide schutbladeren, dan kan men de laatste ten onrechte voor een kelk
aanzien. Meeldraden 3–5, buiten het bloemdek uitstekend
Mirabilis. V i e r u u r s b l o e m .
2b. Heesters of boomen. Bloemen
geel of groenachtig, alleenstaand of 3 bij elkaar, elke groep omgeven door 3
sterk gekleurde schutbladeren, die na den bloei blijven zitten en dan
droogvliezig worden. Schutbladeren grooter dan het bloemdek. Meeldraden
5–10, niet of nauwelijks buiten het bloemdek uitstekend Bougainvillea.
Bloeiwijze vertakt of onvertakt Pfaffia.
8b. Bloemdekbladeren vrij, behaard of kaal, vaak ongelijk van grootte.
Meeldraden 2–5, in een buis vergroeid, tusschen de helmdraden
verschillend gevormde aanhangselen aan de buis, welke aanhangselen
meest even lang zijn als de helmdraden. Stempel kopvormig. Bladeren
tegenoverstaand Alternanthera. W i t t i e - h e d e .
80. Nyctaginaceae.
Bloemen met een bloemdek, twee- of eenslachtig, regelmatig; bloemdek 5-tallig,
vergroeidbladig, gekleurd, bij het rijp worden van de vrucht meestal het onderste deel om
de vrucht zitten blijvend; meeldraden 1–30; vruchtbeginsel bovenstandig, vaak schijnbaar
onderstandig; met één zaadknop; kruiden of houtige planten, meest met tegenoverstaande
bladeren; aan de basis van de bloem of van een bloemgroep een krans van min of meer
gekleurde schutbladeren, die soms op een kelk gelijken.
1a. Bloemen groot, hetzij door een gekleurd bloemdek, hetzij door
gekleurde schutbladeren sterk in het oog vallend 2
1b. Bloemen klein, groenachtig of weinig gekleurd, in ieder geval niet door
hun kleur opvallend 3
2a. Kruidachtige stengels. Bloemen rozerood met een lange buis, in
groepen of alleenstaand, door vergroeide schutbladeren omgeven, die echter
veel korter zijn dan de bloemen zelf; indien de bloem alleen staat in de
vergroeide schutbladeren, dan kan men de laatste ten onrechte voor een kelk
aanzien. Meeldraden 3–5, buiten het bloemdek uitstekend
Mirabilis. V i e r u u r s b l o e m .
2b. Heesters of boomen. Bloemen
geel of groenachtig, alleenstaand of 3 bij elkaar, elke groep omgeven door 3
sterk gekleurde schutbladeren, die na den bloei blijven zitten en dan
droogvliezig worden. Schutbladeren grooter dan het bloemdek. Meeldraden
5–10, niet of nauwelijks buiten het bloemdek uitstekend Bougainvillea.
Page 185
3a. Kruidachtige planten. Bloemen klein, in groepen bijeen, bloemdek min
of meer klokvormig, rood, van onder plotseling buisvormig vernauwd en
dicht om het vruchtbeginsel gesloten, waardoor schijnbaar een onderstandig
vruchtbeginsel aanwezig is. Meeldraden 1 tot 5 Boerhavia.
3b. Boomen of heesters. Bloemen groenachtig of wit, in groepen, 2-huizig,
eenslachtig; ♂ bloem met een klokvormig, 5-tandig bloemdek en 5–30
(meest 6–8) meeldraden. ♀ bloem buisvormig, 5-tandig, met staminodiën,
basale deel van de buis niet duidelijk afgescheiden van het bovendeel
Pisonia.
83. Phytolaccaceae.
Bloemen meest met een bloemdek, zelden met kelk en bloemkroon, twee- of eenslachtig,
regelmatig; bloemdekbladen 4–5, vrij of vergroeid; meeldraden 4–5 of vele; vruchtbeginsel
1 of meerdere vrij of vergroeid, met 1 tot meerdere stijlen; in ieder vruchtbeginsel slechts
één zaadknop; bovenstandig, zelden onderstandig. Kruiden of heesters met ongedeelde
bladeren en kleine bloemen.
1a. Klimmende heesters met telkens 2 dorens naast den voet van de
bladsteel. Bloemen in pluimen aan het eind van den stengel; bloemdek 5-
deelig, meeldraden talrijk, vruchtbeginsel 1 zijdelings samengedrukt; vrucht
plat met een lange vleugel Seguieria.
1b. Kruidachtige planten of lage heesters, niet klimmend 2
2a. Bloemen in lange smalle aarvormige trossen, tegen den bloemstengel
aangedrukt, bijna zittend. Bloemdek buisvormig met 4 smalle slippen;
meeldraden 4–8, vrucht met haken op den top, vruchtbeginsel 1-hokkig met
een zittende penseelvormige stempel. Planten naar knoflook riekend
Petiveria.
2b. Bloemdek niet tot een buis vergroeid; bloemen niet
opgericht en tegen den bloeistengel aangedrukt 3
3a. Bloemen zeer klein, bijna zittend; bloemdek 4–5-deelig, wit,
meeldraden 3–9; vruchtbeginsel eenhokkig met een 2-spletige zittende
stempel; vruchtjes vaak een weinig gestekeld; kleine kruiden Microtea.
of meer klokvormig, rood, van onder plotseling buisvormig vernauwd en
dicht om het vruchtbeginsel gesloten, waardoor schijnbaar een onderstandig
vruchtbeginsel aanwezig is. Meeldraden 1 tot 5 Boerhavia.
3b. Boomen of heesters. Bloemen groenachtig of wit, in groepen, 2-huizig,
eenslachtig; ♂ bloem met een klokvormig, 5-tandig bloemdek en 5–30
(meest 6–8) meeldraden. ♀ bloem buisvormig, 5-tandig, met staminodiën,
basale deel van de buis niet duidelijk afgescheiden van het bovendeel
Pisonia.
83. Phytolaccaceae.
Bloemen meest met een bloemdek, zelden met kelk en bloemkroon, twee- of eenslachtig,
regelmatig; bloemdekbladen 4–5, vrij of vergroeid; meeldraden 4–5 of vele; vruchtbeginsel
1 of meerdere vrij of vergroeid, met 1 tot meerdere stijlen; in ieder vruchtbeginsel slechts
één zaadknop; bovenstandig, zelden onderstandig. Kruiden of heesters met ongedeelde
bladeren en kleine bloemen.
1a. Klimmende heesters met telkens 2 dorens naast den voet van de
bladsteel. Bloemen in pluimen aan het eind van den stengel; bloemdek 5-
deelig, meeldraden talrijk, vruchtbeginsel 1 zijdelings samengedrukt; vrucht
plat met een lange vleugel Seguieria.
1b. Kruidachtige planten of lage heesters, niet klimmend 2
2a. Bloemen in lange smalle aarvormige trossen, tegen den bloemstengel
aangedrukt, bijna zittend. Bloemdek buisvormig met 4 smalle slippen;
meeldraden 4–8, vrucht met haken op den top, vruchtbeginsel 1-hokkig met
een zittende penseelvormige stempel. Planten naar knoflook riekend
Petiveria.
2b. Bloemdek niet tot een buis vergroeid; bloemen niet
opgericht en tegen den bloeistengel aangedrukt 3
3a. Bloemen zeer klein, bijna zittend; bloemdek 4–5-deelig, wit,
meeldraden 3–9; vruchtbeginsel eenhokkig met een 2-spletige zittende
stempel; vruchtjes vaak een weinig gestekeld; kleine kruiden Microtea.
Page 186
3b. Bloemen groot, in lange trossen, langgesteeld, bloemdek rose of wit, 5-
bladig. Meeldraden meer dan 10; vruchtbeginsel uit 10–16 vergroeide
vruchtbeginsels bestaand, ieder met een stempel; vrucht een blauwe bes;
groote kruiden Phytolacca. G o g o m a g o .
84. Aizoaceae.
Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, regelmatig;
bloemdekbladeren 4–5; vrij of vergroeid; meest ongekleurd; meeldraden 5, soms 4 of 3, of
vele, de buitenste soms bloembladachtig; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, 2- of
meerhokkig, zelden eenhokkig; doosvrucht verschillend; eenjarige of overblijvende
kruiden of halfheesters met draadvormige of vleezige bladeren; steunbladeren aanwezig of
droogvliezig.
1a. Strandplanten met meest vleezige bladeren en stengels; bladeren
verspreid. Bloemdek 5-deelig of bijna 5-bladig, meeldraden talrijk;
vruchtbeginsel met 5 stempels Sesuvium.
1b. Stengels en bladeren niet vleezig; bladeren zeer smal, in kransen;
bloemdek 5-bladig; meeldraden 3–5; vruchtbeginsel met 3 stempels
Mollugo.
85. Portulacaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; kelk 2-bladig; kroon 4–5-
bladig, afvallend; meeldraden 5, voor de kroonbladeren staand of 5 + 5, of meerdere;
vruchtbeginsel onderstandig met 3–5 stijlen, éénhokkig met 2 tot vele zaadknoppen aan de
grondstandige zaadlijst; vrucht een doosvrucht; kruiden of halfheesters met vleezige
bladeren en vliezige steunbladeren; bloemen meest klein.
1a. Planten zeer sterk behaard, liggend Portulaca.
1b. Planten kaal, min of meer vleezig 2
bladig. Meeldraden meer dan 10; vruchtbeginsel uit 10–16 vergroeide
vruchtbeginsels bestaand, ieder met een stempel; vrucht een blauwe bes;
groote kruiden Phytolacca. G o g o m a g o .
84. Aizoaceae.
Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, regelmatig;
bloemdekbladeren 4–5; vrij of vergroeid; meest ongekleurd; meeldraden 5, soms 4 of 3, of
vele, de buitenste soms bloembladachtig; vruchtbeginsel boven- of onderstandig, 2- of
meerhokkig, zelden eenhokkig; doosvrucht verschillend; eenjarige of overblijvende
kruiden of halfheesters met draadvormige of vleezige bladeren; steunbladeren aanwezig of
droogvliezig.
1a. Strandplanten met meest vleezige bladeren en stengels; bladeren
verspreid. Bloemdek 5-deelig of bijna 5-bladig, meeldraden talrijk;
vruchtbeginsel met 5 stempels Sesuvium.
1b. Stengels en bladeren niet vleezig; bladeren zeer smal, in kransen;
bloemdek 5-bladig; meeldraden 3–5; vruchtbeginsel met 3 stempels
Mollugo.
85. Portulacaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; kelk 2-bladig; kroon 4–5-
bladig, afvallend; meeldraden 5, voor de kroonbladeren staand of 5 + 5, of meerdere;
vruchtbeginsel onderstandig met 3–5 stijlen, éénhokkig met 2 tot vele zaadknoppen aan de
grondstandige zaadlijst; vrucht een doosvrucht; kruiden of halfheesters met vleezige
bladeren en vliezige steunbladeren; bloemen meest klein.
1a. Planten zeer sterk behaard, liggend Portulaca.
1b. Planten kaal, min of meer vleezig 2
Page 187
2a. Bloemen rood. Bloembladeren 5, langer dan de 2 kelkbladeren.
Meeldraden 10–30 in groepen voor de bloembladeren staande. Vrucht een
met 3 kleppen openspringende doosvrucht Talinum. B o k k o l i l l e .
2b. Bloemen wit of groen. Meeldraden niet in groepen voor de
kroonbladeren staande. Vrucht met een deksel openspringend
Portulaca. P o s t e l e i n .
87. Caryophyllaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon; vijf-, zelden 4-tallig; met 10 of 8
meeldraden, zelden met 5, (of 4) meeldraden, meest tweeslachtig; vruchtbeginsel
bovenstandig, éénhokkig met 5–2 stijlen, en 1 tot vele zaadknoppen; vrucht een doosvrucht
of een bes; kruiden of half heesters met ongedeelde, smalle, tegenoverstaande zelden
verspreide bladeren, soms met steunbladeren.
1a. Kruiden met tegenoverstaande, bijna cirkelronde blaadjes; bloemen met
5 kelkbladeren, 5 aan den top ingesneden bloembladeren, 5 meeldraden en
vruchtbeginsel met zittende stempels Drymaria.
1b. Kruiden met bijna naaldvormige bladeren in kransen. Kelkbladeren 5,
vliezig, wit, behaard. Bloembladeren aan den top niet ingesneden.
Meeldraden 5. Bloemen in eindelingsche meest dichtgedrongen
bijschermen Polycarpaea.
Orde: Ranales.
88. Nymphaeaceae.
Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, regelmatig; bloeias
min of meer bekervormig, en soms met de vruchtbeginsels vergroeid; bloemdekbladeren 6
tot vele; meeldraden 6 tot vele; vruchtbeginsels 3 tot vele, gescheiden of met elkaar
vergroeid; ieder met 1 tot vele zaadknoppen, vaak met het bloemdek en de meeldraden
vergroeid; waterplanten met ondergedoken en drijvende bladeren; bloemen steeds
alleenstaand.
Meeldraden 10–30 in groepen voor de bloembladeren staande. Vrucht een
met 3 kleppen openspringende doosvrucht Talinum. B o k k o l i l l e .
2b. Bloemen wit of groen. Meeldraden niet in groepen voor de
kroonbladeren staande. Vrucht met een deksel openspringend
Portulaca. P o s t e l e i n .
87. Caryophyllaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon; vijf-, zelden 4-tallig; met 10 of 8
meeldraden, zelden met 5, (of 4) meeldraden, meest tweeslachtig; vruchtbeginsel
bovenstandig, éénhokkig met 5–2 stijlen, en 1 tot vele zaadknoppen; vrucht een doosvrucht
of een bes; kruiden of half heesters met ongedeelde, smalle, tegenoverstaande zelden
verspreide bladeren, soms met steunbladeren.
1a. Kruiden met tegenoverstaande, bijna cirkelronde blaadjes; bloemen met
5 kelkbladeren, 5 aan den top ingesneden bloembladeren, 5 meeldraden en
vruchtbeginsel met zittende stempels Drymaria.
1b. Kruiden met bijna naaldvormige bladeren in kransen. Kelkbladeren 5,
vliezig, wit, behaard. Bloembladeren aan den top niet ingesneden.
Meeldraden 5. Bloemen in eindelingsche meest dichtgedrongen
bijschermen Polycarpaea.
Orde: Ranales.
88. Nymphaeaceae.
Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, regelmatig; bloeias
min of meer bekervormig, en soms met de vruchtbeginsels vergroeid; bloemdekbladeren 6
tot vele; meeldraden 6 tot vele; vruchtbeginsels 3 tot vele, gescheiden of met elkaar
vergroeid; ieder met 1 tot vele zaadknoppen, vaak met het bloemdek en de meeldraden
vergroeid; waterplanten met ondergedoken en drijvende bladeren; bloemen steeds
alleenstaand.
Page 188
1a. Drijvende bladeren klein cirkelrond, ondergedoken bladeren in fijne
slippen gedeeld. Bloemen klein, wit, met 3 kelkbladeren en 3
bloembladeren. Meeldraden 3–6. Vruchtbeginsels niet met elkaar vergroeid,
meest 3 Cabomba. S a s a r a - w i w i r i e .
1b. Alle bladeren cirkelrond; bloembladeren talrijk. Vruchtbeginsels met
elkaar tot een geheel vergroeid Nymphaea.
91. Ranunculaceae.
Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon, in het eerste geval bloemdek
gekleurd, vaak met honingbekers tusschen bloemkroon en meeldraden; meest tweeslachtig,
regelmatig, zelden zygomorf; meeldraden meest vele, vrij; vruchtbeginsels 1 tot vele, vrij,
zelden vergroeid met 1 tot vele zaadknoppen. Vrucht een noot of een kokervrucht, zelden
een bes; kruiden, vaak met gedeelde bladeren.
Heesters die met behulp van de bladsteelen klimmen. Bladen enkelvoudig,
tot gevind, dubbel- of zelfs 3-tallig gevind. Bloemdek 6–8-bladig, bloemen
vaak 2-huizig; meeldraden vele, vruchtbeginsels vele; stijlen op de vrucht
blijvend, behaard Clematis.
94. Menispermaceae.
Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; 3–2-tallig, éénslachtig, tweehuizig
regelmatig; meest 2 kransen van kelkbladeren, bloembladeren en meeldraden; de
bloembladeren meest kleiner; vruchtbeginsels 3, zelden 1 of 2, vrij, ieder met 1 zaadknop;
vrucht een steenvrucht; meest windende heesters met ongedeelde of gelobde, handnervige
bladeren, en kleine bloemen in trossen.
A. Alleen ♂ bloemen aanwezig 1
B. Alleen ♀ bloemen aanwezig 5
C. Alleen vruchten aanwezig 9
slippen gedeeld. Bloemen klein, wit, met 3 kelkbladeren en 3
bloembladeren. Meeldraden 3–6. Vruchtbeginsels niet met elkaar vergroeid,
meest 3 Cabomba. S a s a r a - w i w i r i e .
1b. Alle bladeren cirkelrond; bloembladeren talrijk. Vruchtbeginsels met
elkaar tot een geheel vergroeid Nymphaea.
91. Ranunculaceae.
Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon, in het eerste geval bloemdek
gekleurd, vaak met honingbekers tusschen bloemkroon en meeldraden; meest tweeslachtig,
regelmatig, zelden zygomorf; meeldraden meest vele, vrij; vruchtbeginsels 1 tot vele, vrij,
zelden vergroeid met 1 tot vele zaadknoppen. Vrucht een noot of een kokervrucht, zelden
een bes; kruiden, vaak met gedeelde bladeren.
Heesters die met behulp van de bladsteelen klimmen. Bladen enkelvoudig,
tot gevind, dubbel- of zelfs 3-tallig gevind. Bloemdek 6–8-bladig, bloemen
vaak 2-huizig; meeldraden vele, vruchtbeginsels vele; stijlen op de vrucht
blijvend, behaard Clematis.
94. Menispermaceae.
Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; 3–2-tallig, éénslachtig, tweehuizig
regelmatig; meest 2 kransen van kelkbladeren, bloembladeren en meeldraden; de
bloembladeren meest kleiner; vruchtbeginsels 3, zelden 1 of 2, vrij, ieder met 1 zaadknop;
vrucht een steenvrucht; meest windende heesters met ongedeelde of gelobde, handnervige
bladeren, en kleine bloemen in trossen.
A. Alleen ♂ bloemen aanwezig 1
B. Alleen ♀ bloemen aanwezig 5
C. Alleen vruchten aanwezig 9
Page 189
1a. Alleen kelkbladeren aanwezig, 6 in getal; bloembladeren ontbrekend;
de buitenste wat kleiner dan de binnenste. Meeldraden 6, soms wat minder,
aan den basis vergroeid. Klimmende heesters met enkelvoudige, gave meest
leerachtige bladeren, die aan de basis 3-nervig zijn, overigens vinnervig
Abuta.
1b. Zoowel kelk- als bloembladeren aanwezig
2
2a. Kelkbladen 4, in den knop over elkaar liggend. Bloembladen 4,
tegenover de kelkbladeren staand, aan de basis ± vergroeid. Meeldraden 2,
vergroeid tot een van onderen cylindervormige, van boven schijfvormig
verbreede en platte zuil. Klimmende heesters. Bladeren min of meer
hartvormig. Bloeiwijze min of meer regelmatige bijschermen
Cissampelos.
2b. Bloemen 3-tallig
3
3a. Bloembladeren 6, dik en vleezig, de binnenste 3 kleiner.
Kelkbladeren 3. Meeldraden 6, vrij, voor de kroonbladeren staande en door
deze min of meer ingesloten. Klimmende heesters met niet ingesneden
bladeren, die meest leerachtig zijn Anomospermum.
3b. Bloembladeren niet dik en vleezig 4
4a. Bloembladeren 6, kleiner dan de 6 kelkbladeren. Onder den bloem 3
bloemsteelblaadjes zoodat er schijnbaar 9 kelkbladeren zijn. Meeldraden 6,
vrij. Bladeren niet schildvormig, gaaf. Klimmende heesters
Hyperbaena.
4b. Kelkbladeren 6, de buitenste kleiner en aan de basis
vergroeid. Kroon kleiner dan de kelk, 6-bladig, de buitenste kroonbladeren
gebogen, met ingerolde rand, de meeldraden niet uitsluitend. Meeldraden 3,
bijna geheel met de helmdraden vergroeid. Bladeren gaaf, kaal, eenigszins
hartvormig aan de basis, vinnervig behalve eenige nerven aan de basis.
Klimmende heesters met zeer week hout Somphoxylon.
5a. Bloemen zijdelings symmetrisch. Kelkblad 1, bloembladeren 2, meest
met elkaar vergroeid Cissampelos.
5b. Bloemen regelmatig 6
de buitenste wat kleiner dan de binnenste. Meeldraden 6, soms wat minder,
aan den basis vergroeid. Klimmende heesters met enkelvoudige, gave meest
leerachtige bladeren, die aan de basis 3-nervig zijn, overigens vinnervig
Abuta.
1b. Zoowel kelk- als bloembladeren aanwezig
2
2a. Kelkbladen 4, in den knop over elkaar liggend. Bloembladen 4,
tegenover de kelkbladeren staand, aan de basis ± vergroeid. Meeldraden 2,
vergroeid tot een van onderen cylindervormige, van boven schijfvormig
verbreede en platte zuil. Klimmende heesters. Bladeren min of meer
hartvormig. Bloeiwijze min of meer regelmatige bijschermen
Cissampelos.
2b. Bloemen 3-tallig
3
3a. Bloembladeren 6, dik en vleezig, de binnenste 3 kleiner.
Kelkbladeren 3. Meeldraden 6, vrij, voor de kroonbladeren staande en door
deze min of meer ingesloten. Klimmende heesters met niet ingesneden
bladeren, die meest leerachtig zijn Anomospermum.
3b. Bloembladeren niet dik en vleezig 4
4a. Bloembladeren 6, kleiner dan de 6 kelkbladeren. Onder den bloem 3
bloemsteelblaadjes zoodat er schijnbaar 9 kelkbladeren zijn. Meeldraden 6,
vrij. Bladeren niet schildvormig, gaaf. Klimmende heesters
Hyperbaena.
4b. Kelkbladeren 6, de buitenste kleiner en aan de basis
vergroeid. Kroon kleiner dan de kelk, 6-bladig, de buitenste kroonbladeren
gebogen, met ingerolde rand, de meeldraden niet uitsluitend. Meeldraden 3,
bijna geheel met de helmdraden vergroeid. Bladeren gaaf, kaal, eenigszins
hartvormig aan de basis, vinnervig behalve eenige nerven aan de basis.
Klimmende heesters met zeer week hout Somphoxylon.
5a. Bloemen zijdelings symmetrisch. Kelkblad 1, bloembladeren 2, meest
met elkaar vergroeid Cissampelos.
5b. Bloemen regelmatig 6
Page 190
6a. Bloembladeren ontbrekend. Kelkbladeren 6–9 7
6b. Bloembladeren 6 8
7a. De 6 kelkbladeren gelijk van grootte. Zes of minder staminodiën,
draadvormig, vrij van elkaar. Drie vrije vruchtbeginsels met enkelvoudige
of tweespletige zittende stempels Abuta.
7b. Kelkbladeren 9, de drie binnenste veel grooter. Vruchtbeginsels 6–12,
aan den basis vergroeid, aangedrukt behaard, met een zittende, haakvormig
gebogen stempel Sciadotaenia.
8a. Kelkbladeren 6, de 3 binnenste grooter. Bloembladeren 6, dik en
vleezig. Staminodiën 6, draadvormig. Vruchtbeginsels 3, vrij, met zittende
en eenigszins bladvormige stempels Anomospermum.
8b. Kelkbladeren 6, met de bloemsteelblaadjes mee schijnbaar 9, de
binnenste het grootst. Bloembladeren 6, veel kleiner. Staminodiën 6, kort en
draadvormig. Vruchtbeginsels 3, vrij; bloemen in groepen aan het eind van
den bloeistengel Hyperbaena.
9a. Vrucht met den rest van den stijl of stempel op den top. Kiemwit
geplooid Anomospermum.
9b. Vruchten aan de eene zijde plat, met den rest van stijl of stempel bij de
basis gezeten 10
10a. Vruchten geheel alleenstaand aan het eind van de bloemsteel, zonder
sporen van aanwezigheid van andere Cissampelos.
10b. Vruchten 3–12 bij elkaar, of indien ze alleen staan, dan toch
aanwijzingen, dat er meerdere aanwezig zijn geweest of niet tot
ontwikkeling zijn gekomen 11
11a. Vruchten geheel vrij van elkaar 12
6b. Bloembladeren 6 8
7a. De 6 kelkbladeren gelijk van grootte. Zes of minder staminodiën,
draadvormig, vrij van elkaar. Drie vrije vruchtbeginsels met enkelvoudige
of tweespletige zittende stempels Abuta.
7b. Kelkbladeren 9, de drie binnenste veel grooter. Vruchtbeginsels 6–12,
aan den basis vergroeid, aangedrukt behaard, met een zittende, haakvormig
gebogen stempel Sciadotaenia.
8a. Kelkbladeren 6, de 3 binnenste grooter. Bloembladeren 6, dik en
vleezig. Staminodiën 6, draadvormig. Vruchtbeginsels 3, vrij, met zittende
en eenigszins bladvormige stempels Anomospermum.
8b. Kelkbladeren 6, met de bloemsteelblaadjes mee schijnbaar 9, de
binnenste het grootst. Bloembladeren 6, veel kleiner. Staminodiën 6, kort en
draadvormig. Vruchtbeginsels 3, vrij; bloemen in groepen aan het eind van
den bloeistengel Hyperbaena.
9a. Vrucht met den rest van den stijl of stempel op den top. Kiemwit
geplooid Anomospermum.
9b. Vruchten aan de eene zijde plat, met den rest van stijl of stempel bij de
basis gezeten 10
10a. Vruchten geheel alleenstaand aan het eind van de bloemsteel, zonder
sporen van aanwezigheid van andere Cissampelos.
10b. Vruchten 3–12 bij elkaar, of indien ze alleen staan, dan toch
aanwijzingen, dat er meerdere aanwezig zijn geweest of niet tot
ontwikkeling zijn gekomen 11
11a. Vruchten geheel vrij van elkaar 12
Page 191
11b. Vruchten aan de basis met elkaar vergroeid; alle te samen op een
enkele steel staande, die niet vertakt is Sciadotaenia.
12a. In de vrucht is alleen een kiem met 2 zaadlobben te vinden
Hyperbaena.
12b. In de vrucht vindt men voornamelijk geplooid
kiemwit Abuta.
N.B. Van S c i a d o t a e n i a zijn tot nu toe alleen vrouwelijke bloemen en vruchten bekend, van
S o m p h o x y l o n alleen mannelijke bloemen, zoodat uit elk van de 3 tabellen één
geslacht ontbreekt.
98. Anonaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, meest tweeslachtig, regelmatig; kelk 3-bladig;
bloembladeren in twee kransen ieder van 3; meeldraden vele; vruchtbeginsels talrijk, meest
vrij, met een of meerdere zaadknoppen; meest besvruchten; heesters of boomen met
ongedeelde bladeren, zonder steunbladeren en meest groote bloemen.
1a. Bloemen minder dan 1 cM. in doorsnede. Meeldraden 3–12;
vruchtbeginsels 3–12, alle vrij van elkaar
Bocagea. S c h o p s t e e l h o u t .
1b. Bloemen meer dan 1 cM. in
doorsnede. Meeldraden en vruchtbeginsels talrijk 2
2a. Bloembladeren van de buitenste krans met 2 naar buiten gerichte holle,
zijdelings platgedrukte uitstulpingen, met de randen tegen elkaar liggend
Rollinia.
2b. Bloembladeren zonder uitstulpingen
3
3a. Bloemknoppen zeer lang en smal, meer dan 2 maal zoo lang als
breed. Binnenste kroonbladeren 3-kantig. Bladeren klein en smal
Xylopia. P e g r e k o e .
3b. Bloemknoppen bolvormig of eirond.
Bladeren groot en vrij breed 4
enkele steel staande, die niet vertakt is Sciadotaenia.
12a. In de vrucht is alleen een kiem met 2 zaadlobben te vinden
Hyperbaena.
12b. In de vrucht vindt men voornamelijk geplooid
kiemwit Abuta.
N.B. Van S c i a d o t a e n i a zijn tot nu toe alleen vrouwelijke bloemen en vruchten bekend, van
S o m p h o x y l o n alleen mannelijke bloemen, zoodat uit elk van de 3 tabellen één
geslacht ontbreekt.
98. Anonaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, meest tweeslachtig, regelmatig; kelk 3-bladig;
bloembladeren in twee kransen ieder van 3; meeldraden vele; vruchtbeginsels talrijk, meest
vrij, met een of meerdere zaadknoppen; meest besvruchten; heesters of boomen met
ongedeelde bladeren, zonder steunbladeren en meest groote bloemen.
1a. Bloemen minder dan 1 cM. in doorsnede. Meeldraden 3–12;
vruchtbeginsels 3–12, alle vrij van elkaar
Bocagea. S c h o p s t e e l h o u t .
1b. Bloemen meer dan 1 cM. in
doorsnede. Meeldraden en vruchtbeginsels talrijk 2
2a. Bloembladeren van de buitenste krans met 2 naar buiten gerichte holle,
zijdelings platgedrukte uitstulpingen, met de randen tegen elkaar liggend
Rollinia.
2b. Bloembladeren zonder uitstulpingen
3
3a. Bloemknoppen zeer lang en smal, meer dan 2 maal zoo lang als
breed. Binnenste kroonbladeren 3-kantig. Bladeren klein en smal
Xylopia. P e g r e k o e .
3b. Bloemknoppen bolvormig of eirond.
Bladeren groot en vrij breed 4
Page 192
4a. De 3 binnenste kroonbladeren grooter dan de 3 buitenste, rechtopstaand
en opvallend anders gevormd 5
4b. De 3 binnenste kroonbladeren even groot en niet anders gevormd dan
de buitenste, of kleiner of geheel ontbrekend 6
5a. De 3 binnenste kroonbladeren van boven vlak. Helmbindsel boven de
helmknop verlengd, vlak Heteropetalum.
5b. De 3 binnenste kroonbladeren genageld van boven verbreed, met
ingerolde randen. Helmbindsel als bij de vorige Cymbopetalum.
6a. De buitenste kroonbladeren zeer dik en hard, in de knop met de randen
tegen elkaar liggend; de binnenste veel kleiner. Bloembladeren niet met
elkaar vergroeid. Vruchtbeginsels bij de vruchtvorming met elkaar
verbonden, vaak een sappige schijnvrucht leverend
Anona. Z u u r z a k .
6b. Buitenste kroonbladeren niet bijzonder hard
en dik en niet opvallend grooter dan de binnenste 7
7a. Alle bloembladeren in den knop met de randen tegen elkaar liggend.
Helmbindsel boven de helmknoppen sterk verlengd en toegespitst.
Vruchtbeginsels meest niet talrijk, tijdens de vruchtvorming los van elkaar,
vleezig wordend en openspringend Anaxagorea.
7b. Tenminste de binnenste 3 bloembladeren in den knop met de randen
over elkaar liggend 8
8a. In elk vruchtbeginsel zitten meerdere zaadknoppen; de vruchten zijn
eveneens meerzadig, gesteeld en niet met elkaar vergroeid. Bloembladeren
alle vrij, stempel stomp van boven en ingerold Uvaria.
8b. In elk vruchtbeginsel zit maar één zaad; vruchten òf met elkaar
vergroeid òf los van elkaar 9
9a. Stempels zittend. Rijpe vruchten gesteeld en niet gesnaveld, niet met
elkaar vergroeid Guatteria.
en opvallend anders gevormd 5
4b. De 3 binnenste kroonbladeren even groot en niet anders gevormd dan
de buitenste, of kleiner of geheel ontbrekend 6
5a. De 3 binnenste kroonbladeren van boven vlak. Helmbindsel boven de
helmknop verlengd, vlak Heteropetalum.
5b. De 3 binnenste kroonbladeren genageld van boven verbreed, met
ingerolde randen. Helmbindsel als bij de vorige Cymbopetalum.
6a. De buitenste kroonbladeren zeer dik en hard, in de knop met de randen
tegen elkaar liggend; de binnenste veel kleiner. Bloembladeren niet met
elkaar vergroeid. Vruchtbeginsels bij de vruchtvorming met elkaar
verbonden, vaak een sappige schijnvrucht leverend
Anona. Z u u r z a k .
6b. Buitenste kroonbladeren niet bijzonder hard
en dik en niet opvallend grooter dan de binnenste 7
7a. Alle bloembladeren in den knop met de randen tegen elkaar liggend.
Helmbindsel boven de helmknoppen sterk verlengd en toegespitst.
Vruchtbeginsels meest niet talrijk, tijdens de vruchtvorming los van elkaar,
vleezig wordend en openspringend Anaxagorea.
7b. Tenminste de binnenste 3 bloembladeren in den knop met de randen
over elkaar liggend 8
8a. In elk vruchtbeginsel zitten meerdere zaadknoppen; de vruchten zijn
eveneens meerzadig, gesteeld en niet met elkaar vergroeid. Bloembladeren
alle vrij, stempel stomp van boven en ingerold Uvaria.
8b. In elk vruchtbeginsel zit maar één zaad; vruchten òf met elkaar
vergroeid òf los van elkaar 9
9a. Stempels zittend. Rijpe vruchten gesteeld en niet gesnaveld, niet met
elkaar vergroeid Guatteria.
Page 193
9b. Stempels op een verlengde stijl gezeten. Vruchten niet gesteeld, met
een snavel voorzien; bij het rijp worden tot één meest bolvormige
verzamelvrucht vereenigd Duguetia. P e p e r h o u t .
99. Myristicaceae.
Bloemen met een bloemdek, meest 3-tallig, éénslachtig, regelmatig; bloemdek 3-lobbig;
meeldraden 3–18 met vergroeide helmdraden; vruchtbeginsel met 1 zaadknop; vrucht
vleezig, met 2 kleppen openspringend; zaad omgeven door een gedeelde of ongedeelde
zaadrok; bloemen in trossen in de bladoksels; bladeren verspreid; boomen.
1a. Onder de bloemen zijn geen bloemsteelblaadjes voorhanden.
Helmknoppen 2–7, meest het einde van de zuil boven de helmknoppen
uitstekend. Vruchten bolrond of elliptisch en dan langer dan breed; zaadrok
(foelie) ingesneden. Zijnerven der bladeren niet bij den rand door een
verbindende nerf boogvormig verbonden Virola. B a b o e n h o e d o e .
1b. Onder de bloem 1 of 2 bloemsteelblaadjes, die lang blijven zitten.
Helmknoppen 6; zuil niet boven de helmknoppen uitstekend. Vrucht dwars
elliptisch (dus breeder dan lang). Zaadrok niet ingesneden. Zijnerven der
bladeren bij den rand door een boogvormige nerf verbonden
Iryanthera. S r e b é b é .
101. Monimiaceae.
Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; tweeslachtig of vaak éénslachtig;
regelmatig tot zygomorf; bloeias zeer verschillend, vaak schijf- of bekervormig;
bloemdekbladeren klein, de binnenste vaak een weinig gekleurd; meeldraden vele, soms
weinige; vruchtbeginsels talrijk, vrij, ieder met 1 zaadknop; boomen met meest
tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.
1a. Mannelijke bloemen eivormig, bolrond of half bolvormig met 4, in 2
rijen staande bloemdekbladeren, waarvan de binnenste vaak grooter zijn.
Helmknoppen bijna zittend. Vrouwelijke bloemen zonder staminodiën en
talrijke vruchtbeginsels. Bladeren vaak getand Mollinedia.
een snavel voorzien; bij het rijp worden tot één meest bolvormige
verzamelvrucht vereenigd Duguetia. P e p e r h o u t .
99. Myristicaceae.
Bloemen met een bloemdek, meest 3-tallig, éénslachtig, regelmatig; bloemdek 3-lobbig;
meeldraden 3–18 met vergroeide helmdraden; vruchtbeginsel met 1 zaadknop; vrucht
vleezig, met 2 kleppen openspringend; zaad omgeven door een gedeelde of ongedeelde
zaadrok; bloemen in trossen in de bladoksels; bladeren verspreid; boomen.
1a. Onder de bloemen zijn geen bloemsteelblaadjes voorhanden.
Helmknoppen 2–7, meest het einde van de zuil boven de helmknoppen
uitstekend. Vruchten bolrond of elliptisch en dan langer dan breed; zaadrok
(foelie) ingesneden. Zijnerven der bladeren niet bij den rand door een
verbindende nerf boogvormig verbonden Virola. B a b o e n h o e d o e .
1b. Onder de bloem 1 of 2 bloemsteelblaadjes, die lang blijven zitten.
Helmknoppen 6; zuil niet boven de helmknoppen uitstekend. Vrucht dwars
elliptisch (dus breeder dan lang). Zaadrok niet ingesneden. Zijnerven der
bladeren bij den rand door een boogvormige nerf verbonden
Iryanthera. S r e b é b é .
101. Monimiaceae.
Bloemen met een bloemdek of met kelk en bloemkroon; tweeslachtig of vaak éénslachtig;
regelmatig tot zygomorf; bloeias zeer verschillend, vaak schijf- of bekervormig;
bloemdekbladeren klein, de binnenste vaak een weinig gekleurd; meeldraden vele, soms
weinige; vruchtbeginsels talrijk, vrij, ieder met 1 zaadknop; boomen met meest
tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.
1a. Mannelijke bloemen eivormig, bolrond of half bolvormig met 4, in 2
rijen staande bloemdekbladeren, waarvan de binnenste vaak grooter zijn.
Helmknoppen bijna zittend. Vrouwelijke bloemen zonder staminodiën en
talrijke vruchtbeginsels. Bladeren vaak getand Mollinedia.
Page 194
1b. Asbekertje ± bolvormig, met een korte, dikke zoom. ♂ bloemen met
een verschillend aantal meeldraden, die naar binnen met klepjes
openspringen. ♀ bloemen met een woekering van de as tusschen de
vruchtbeginsels, waardoor deze geheel ingesloten zijn, en alleen de
stempels en stijlen er boven uitsteken. Bladeren evenals het vorige geslacht
tegenoverstaand. De bloemen in losse bijschermen, telkens 2 in de oksel
van elk blad Siparuna.
102. Lauraceae.
Bloemen met een bloemdek, meest 3-tallig, twee- of éénslachtig, regelmatig; bloemas
beker- of schotelvormig; bloemdekbladeren klein, in twee kransen; meeldraden in 3–4
kransen, daarvan sommige soms staminodiaal; de helmknoppen met klepjes zich openend;
vruchtbeginsel 1, éénhokkig met 1 zaadknop; vrucht later omgeven door de vleezig-
wordende bloeias; boomen of heesters met meest leerachtige en afwisselende bladeren
zonder steunbladeren.
1a. Parasieten zonder groene bladeren, met dunne klimmende stengels,
kruidachtig Cassytha.
1b. Houtige planten met groene bladeren 2
2a. Bloemdek 4-deelig. ♂ bloem met 12 meeldraden, ♀ bloem met 4
staminodiën Laurus.
2b. Bloemdek 3-tallig 3
3a. Helmknoppen van de twee buitenste rijen van meeldraden vierhokkig
4
3b. Helmknoppen van de twee buitenste rijen van meeldraden
tweehokkig of niet ontwikkeld 7
4a. Hoofdnerven der bladeren, evenwijdig met elkaar loopend.
Helmknoppen van de 2 buitenste rijen van meeldraden naar binnen
openspringend, die van de 3de rij naar buiten openspringend; de 3 binnenste
meeldraden staminodiaal Cinnamomum.
een verschillend aantal meeldraden, die naar binnen met klepjes
openspringen. ♀ bloemen met een woekering van de as tusschen de
vruchtbeginsels, waardoor deze geheel ingesloten zijn, en alleen de
stempels en stijlen er boven uitsteken. Bladeren evenals het vorige geslacht
tegenoverstaand. De bloemen in losse bijschermen, telkens 2 in de oksel
van elk blad Siparuna.
102. Lauraceae.
Bloemen met een bloemdek, meest 3-tallig, twee- of éénslachtig, regelmatig; bloemas
beker- of schotelvormig; bloemdekbladeren klein, in twee kransen; meeldraden in 3–4
kransen, daarvan sommige soms staminodiaal; de helmknoppen met klepjes zich openend;
vruchtbeginsel 1, éénhokkig met 1 zaadknop; vrucht later omgeven door de vleezig-
wordende bloeias; boomen of heesters met meest leerachtige en afwisselende bladeren
zonder steunbladeren.
1a. Parasieten zonder groene bladeren, met dunne klimmende stengels,
kruidachtig Cassytha.
1b. Houtige planten met groene bladeren 2
2a. Bloemdek 4-deelig. ♂ bloem met 12 meeldraden, ♀ bloem met 4
staminodiën Laurus.
2b. Bloemdek 3-tallig 3
3a. Helmknoppen van de twee buitenste rijen van meeldraden vierhokkig
4
3b. Helmknoppen van de twee buitenste rijen van meeldraden
tweehokkig of niet ontwikkeld 7
4a. Hoofdnerven der bladeren, evenwijdig met elkaar loopend.
Helmknoppen van de 2 buitenste rijen van meeldraden naar binnen
openspringend, die van de 3de rij naar buiten openspringend; de 3 binnenste
meeldraden staminodiaal Cinnamomum.
Page 195
4b. Bladeren vinnervig 5
5a. Staminodiën van de 4de krans der meeldraden groot, pijlvormig en
gesteeld. Vrucht besachtig, buis van het bloemdek blijvend, niet vergroot
Persea. A d v o c a a t .
de
5b. Staminodiën van de 4 krans van
meeldraden ontbrekend of zeer klein, steelvormig. Meeldraden van de 2
buitenste kransen vruchtbaar, zonder klieren. Vrucht aan de basis omgeven
door het napvormige, vergroote bloemdek 6
6a. De hokjes, en dus ook de klepjes, waarmee ze openspringen, der
helmknoppen liggen in paren boven elkaar Ocotea. P i s i e .
6b. De hokjes, en dus ook de klepjes, waarmee ze openspringen liggen in
een boogvormige lijn naast elkaar Nectandra. P i s i e .
7a. Bloemen éénslachtig, de ♂ met een steriel en steelvormig
vruchtbeginsel of geheel zonder vruchtbeginsel, de ♀ met kleine steriele
meeldraden. Bladeren soms dicht behaard Endlicheria.
7b. Staminodiën van de 4de krans van meeldraden groot, kort-pijlvormig of
zelfs eenigszins bladachtig. Slechts 6 vruchtbare meeldraden, de 3de krans
ook staminodiaal Ajouea.
7c. Staminodiën van de binnenste krans van meeldraden òf klein en
steelvormig òf geheel ontbrekend 8
8a. De beide buitenste kransen van meeldraden goed ontwikkeld, zonder
klieren, de 3de krans soms staminodiaal, soms ontwikkeld Aniba.
8b. De buitenste rij van meeldraden in bladachtige schubben veranderd:
soms ook de 2de rij; de 3de rij steeds goed ontwikkeld
Acrodiclidium. K a n e e l h a r t .
103. Hernandiaceae.
5a. Staminodiën van de 4de krans der meeldraden groot, pijlvormig en
gesteeld. Vrucht besachtig, buis van het bloemdek blijvend, niet vergroot
Persea. A d v o c a a t .
de
5b. Staminodiën van de 4 krans van
meeldraden ontbrekend of zeer klein, steelvormig. Meeldraden van de 2
buitenste kransen vruchtbaar, zonder klieren. Vrucht aan de basis omgeven
door het napvormige, vergroote bloemdek 6
6a. De hokjes, en dus ook de klepjes, waarmee ze openspringen, der
helmknoppen liggen in paren boven elkaar Ocotea. P i s i e .
6b. De hokjes, en dus ook de klepjes, waarmee ze openspringen liggen in
een boogvormige lijn naast elkaar Nectandra. P i s i e .
7a. Bloemen éénslachtig, de ♂ met een steriel en steelvormig
vruchtbeginsel of geheel zonder vruchtbeginsel, de ♀ met kleine steriele
meeldraden. Bladeren soms dicht behaard Endlicheria.
7b. Staminodiën van de 4de krans van meeldraden groot, kort-pijlvormig of
zelfs eenigszins bladachtig. Slechts 6 vruchtbare meeldraden, de 3de krans
ook staminodiaal Ajouea.
7c. Staminodiën van de binnenste krans van meeldraden òf klein en
steelvormig òf geheel ontbrekend 8
8a. De beide buitenste kransen van meeldraden goed ontwikkeld, zonder
klieren, de 3de krans soms staminodiaal, soms ontwikkeld Aniba.
8b. De buitenste rij van meeldraden in bladachtige schubben veranderd:
soms ook de 2de rij; de 3de rij steeds goed ontwikkeld
Acrodiclidium. K a n e e l h a r t .
103. Hernandiaceae.
Page 196
Bloemen met een bloemdek, tweeslachtig of éénslachtig; regelmatig; bloemdekbladeren 4–
10; 1 krans van meeldraden voor de buitenste bloemdekbladeren; vruchtbeginsel
onderstandig, éénhokkig met één zaadknop; vrucht gevleugeld; boomen met verspreide
bladeren zonder steunbladeren.
Bloemdek der ♂ bloemen 6-deelig, van de ♀ bloemen 8-deelig. Meeldraden
3, ieder met 2 klieren aan de basis; in de ♀ bloem 4 klieren en een vrij,
eenhokkig vruchtbeginsel met 1 zaadknop en een draadvormige,
eindelingsche stijl. Vrucht met 8 ribben. Bladeren naar de top toegespitst,
aan de basis hartvormig Hernandia.
Orde: Rhoeadales.
104. Papaveraceae.
Bloemen tweeslachtig, regelmatig of zygomorf, kelkbladeren 2, (zelden 3); kroonbladeren
4, (zelden 6 of ontbrekend of meer); meeldraden vele of maar 4 of 2, in het laatste geval
vertakt; vruchtbeginsel éénhokkig bovenstandig met 2–16 wandstandige zaadlijsten en
talrijke zaadknoppen of met 1 zaadknop; vrucht een doosvrucht, zelden een gesloten
vrucht; meest kruiden met verspreide bladeren, vaak met melksap.
Planten met ingesneden bladeren, met stekels op de bladnerven; bloemen
geel, meeldraden talrijk. Vruchtbeginsel met stekels Argemone.
105. Cruciferae.
Bloemen met twee 2-tallige kransen van kelkbladeren en een viertallige krans van
bloembladeren, tweeslachtig, regelmatig; meeldraden 6, twee korte en vier lange;
vruchtbeginsel tweehokkig, bovenstandig met wandstandige zaadlijsten en vele
zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een hauw, zelden een gesloten vrucht; kruiden, zeer
zelden houtige planten met verspreide bladeren; bloemen zonder schutbladeren en
bloemsteelblaadjes in trossen.
10; 1 krans van meeldraden voor de buitenste bloemdekbladeren; vruchtbeginsel
onderstandig, éénhokkig met één zaadknop; vrucht gevleugeld; boomen met verspreide
bladeren zonder steunbladeren.
Bloemdek der ♂ bloemen 6-deelig, van de ♀ bloemen 8-deelig. Meeldraden
3, ieder met 2 klieren aan de basis; in de ♀ bloem 4 klieren en een vrij,
eenhokkig vruchtbeginsel met 1 zaadknop en een draadvormige,
eindelingsche stijl. Vrucht met 8 ribben. Bladeren naar de top toegespitst,
aan de basis hartvormig Hernandia.
Orde: Rhoeadales.
104. Papaveraceae.
Bloemen tweeslachtig, regelmatig of zygomorf, kelkbladeren 2, (zelden 3); kroonbladeren
4, (zelden 6 of ontbrekend of meer); meeldraden vele of maar 4 of 2, in het laatste geval
vertakt; vruchtbeginsel éénhokkig bovenstandig met 2–16 wandstandige zaadlijsten en
talrijke zaadknoppen of met 1 zaadknop; vrucht een doosvrucht, zelden een gesloten
vrucht; meest kruiden met verspreide bladeren, vaak met melksap.
Planten met ingesneden bladeren, met stekels op de bladnerven; bloemen
geel, meeldraden talrijk. Vruchtbeginsel met stekels Argemone.
105. Cruciferae.
Bloemen met twee 2-tallige kransen van kelkbladeren en een viertallige krans van
bloembladeren, tweeslachtig, regelmatig; meeldraden 6, twee korte en vier lange;
vruchtbeginsel tweehokkig, bovenstandig met wandstandige zaadlijsten en vele
zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een hauw, zelden een gesloten vrucht; kruiden, zeer
zelden houtige planten met verspreide bladeren; bloemen zonder schutbladeren en
bloemsteelblaadjes in trossen.
Page 197
1a. Vrucht slechts weinig langer dan breed, elliptisch met 1 zaad in elk
hokje. Bloemen wit Lepidium.
1b. Vrucht veel langer dan breed, met meerdere zaden in elk hokje.
Bloemen geel, bladeren vindeelig Nasturtium.
107. Capparidaceae.
Bloemen tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemas ring- of schubvormig, of zelden
tot een buisvormig lichaam binnen de bloem ontwikkeld; onder de meeldraden soms, onder
het vruchtbeginsel bijna steeds steelvormig verlengd (gynophoor); kelk 4-bladig; kroon 4-
bladig, meeldraden vele tot 6–4; vruchtbeginsel 1-hokkig of meerhokkig; zaadknoppen
talrijk; vrucht een doosvrucht, een bes of een steenvrucht; kruiden of heesters met
verspreide, enkelvoudige of meest handvormig samengestelde bladeren, vaak met
steunbladeren.
1a. Kruidachtige planten. Meeldraden 6 2
1b. Heesters of boomen met 3-tallige bladeren, kelk afvallend.
Bloembladeren 4, met een lange nagel. Bloembodem zonder schubben.
Meeldraden talrijk op een korte androphoor. Vruchtbeginsel op een lang
gynophoor. Bloemen soms éénslachtig Crataeva.
2a. Meeldraden 6; zonder androphoor, dus in de basis van de bloem
gezeten. Vruchtbeginsel lang gesteeld. Bladeren handvormig samengesteld
Cleome.
2b. Meeldraden en vruchtbeginsel op een gemeenschappelijke
steel (androgynophoor) gezeten. Bladeren als de vorige
(Pedicellaria.) Gynandropsis. A k a j a .
109. Moringaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, vijftallig, tweeslachtig, een weinig
zygomorf; bloemas schotelvormig; kelkbladeren 6, bloembladeren 5,
meeldraden 10, waarvan 5 zonder helmknoppen; vruchtbeginsel
bovenstandig, eenhokkig met 3 wandstandige zaadlijsten, op een kort
hokje. Bloemen wit Lepidium.
1b. Vrucht veel langer dan breed, met meerdere zaden in elk hokje.
Bloemen geel, bladeren vindeelig Nasturtium.
107. Capparidaceae.
Bloemen tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemas ring- of schubvormig, of zelden
tot een buisvormig lichaam binnen de bloem ontwikkeld; onder de meeldraden soms, onder
het vruchtbeginsel bijna steeds steelvormig verlengd (gynophoor); kelk 4-bladig; kroon 4-
bladig, meeldraden vele tot 6–4; vruchtbeginsel 1-hokkig of meerhokkig; zaadknoppen
talrijk; vrucht een doosvrucht, een bes of een steenvrucht; kruiden of heesters met
verspreide, enkelvoudige of meest handvormig samengestelde bladeren, vaak met
steunbladeren.
1a. Kruidachtige planten. Meeldraden 6 2
1b. Heesters of boomen met 3-tallige bladeren, kelk afvallend.
Bloembladeren 4, met een lange nagel. Bloembodem zonder schubben.
Meeldraden talrijk op een korte androphoor. Vruchtbeginsel op een lang
gynophoor. Bloemen soms éénslachtig Crataeva.
2a. Meeldraden 6; zonder androphoor, dus in de basis van de bloem
gezeten. Vruchtbeginsel lang gesteeld. Bladeren handvormig samengesteld
Cleome.
2b. Meeldraden en vruchtbeginsel op een gemeenschappelijke
steel (androgynophoor) gezeten. Bladeren als de vorige
(Pedicellaria.) Gynandropsis. A k a j a .
109. Moringaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, vijftallig, tweeslachtig, een weinig
zygomorf; bloemas schotelvormig; kelkbladeren 6, bloembladeren 5,
meeldraden 10, waarvan 5 zonder helmknoppen; vruchtbeginsel
bovenstandig, eenhokkig met 3 wandstandige zaadlijsten, op een kort
Page 198
gynophoor gezeten; zaadknoppen talrijk; vrucht een lange doosvrucht,
driekleppig, met groote zaden met 3 vleugels, boomen met dubbel- of
driemaal gevinde bladeren zonder steunbladeren; bloemen in pluimen.
Eenig geslacht Moringa. P e p e r w o r t e l b o o m .
Orde: Sarraceniales.
112. Droseraceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon; 5- tot 4-tallig, tweeslachtig, regelmatig; kelk 4–5-
bladig; bloemkroon 4–5-bladig; meeldraden 5–4 soms met nog een krans van 5 tot vele
meeldraden; vruchtbeginsel 1-hokkig, bovenstandig met 5–3 stijlen en meest talrijke
zaadknoppen; vrucht een doosvrucht, met vele zaden; kruiden met verspreide bladeren.
Kleine kruidachtige planten met een roset van blaadjes, die met roode,
kleverige haren bezet zijn. Bloemen rose, in lange onbebladerde trossen
Drosera.
Orde: Rosales.
113. Podostemonaceae.
Bloemen met een kelk alleen, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; meeldraden talrijk en
in kransen of 1–2, éénzijdig; vruchtbeginsel bovenstandig, met 2–3 stijlen, tweehokkig met
vele zaadknoppen; kelk uit zeer kleine schubben bestaand; meest kleine, soms groote
kruiden, die in sterk stroomend water groeien en meest aan rotsen bevestigd zijn; stengel
vaak dik en onregelmatig van vorm; wortels meest met bladgroen en met spruiten bezet;
bloeiwijzen zeer verschillend van vorm.
1a. Bladeren zeer groot en onregelmatig van vorm, niet langgerekt, meest
met doornachtige aanhangselen. Bloemen in een groote tweezijdige tros of
aar met vele meeldraden Mourera. K o e m a r o e - n j a m - n j a m .
1b. Bladeren klein of ontbrekend of langgerekt. Bloemen niet in
tweezijdige aren 2
driekleppig, met groote zaden met 3 vleugels, boomen met dubbel- of
driemaal gevinde bladeren zonder steunbladeren; bloemen in pluimen.
Eenig geslacht Moringa. P e p e r w o r t e l b o o m .
Orde: Sarraceniales.
112. Droseraceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon; 5- tot 4-tallig, tweeslachtig, regelmatig; kelk 4–5-
bladig; bloemkroon 4–5-bladig; meeldraden 5–4 soms met nog een krans van 5 tot vele
meeldraden; vruchtbeginsel 1-hokkig, bovenstandig met 5–3 stijlen en meest talrijke
zaadknoppen; vrucht een doosvrucht, met vele zaden; kruiden met verspreide bladeren.
Kleine kruidachtige planten met een roset van blaadjes, die met roode,
kleverige haren bezet zijn. Bloemen rose, in lange onbebladerde trossen
Drosera.
Orde: Rosales.
113. Podostemonaceae.
Bloemen met een kelk alleen, tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; meeldraden talrijk en
in kransen of 1–2, éénzijdig; vruchtbeginsel bovenstandig, met 2–3 stijlen, tweehokkig met
vele zaadknoppen; kelk uit zeer kleine schubben bestaand; meest kleine, soms groote
kruiden, die in sterk stroomend water groeien en meest aan rotsen bevestigd zijn; stengel
vaak dik en onregelmatig van vorm; wortels meest met bladgroen en met spruiten bezet;
bloeiwijzen zeer verschillend van vorm.
1a. Bladeren zeer groot en onregelmatig van vorm, niet langgerekt, meest
met doornachtige aanhangselen. Bloemen in een groote tweezijdige tros of
aar met vele meeldraden Mourera. K o e m a r o e - n j a m - n j a m .
1b. Bladeren klein of ontbrekend of langgerekt. Bloemen niet in
tweezijdige aren 2
Page 199
2a. Bloemdek 3-deelig. Eén meeldraad, vruchtbeginsel 3-hokkig met 3
stempels. Onder den bloemsteel geen scheede aanwezig. Kleine planten
Tristicha.
2b. Vruchtbeginsel steeds 2-hokkig met 2 stempels. Onder
den bloemsteel een scheede 3
3a. Stempels breed en plat. Bloemdekschubben 3–5; smal. Meeldraden 2–
6. Vruchtbeginsel en doosvrucht met duidelijke ribben. Stengels sterk
verdikt en onregelmatig met groote holten, waaruit de bloemen
groepsgewijs te voorschijn komen Lophogyne.
3b. Stempels draadvormig 4
4a. Bladeren of stengels of beide, lang, vlottend. Bloemen met vele
meeldraden en dan regelmatig of met weinig meeldraden (tot 1 toe) en dan
zijdelings symmetrisch. Doosvrucht glad of met zwakke ribben
Oenone.
4b. Planten meest zeer klein met weinig verlengde stengels.
Bloemen steeds zijdelingsch symmetrisch met 1–5 meeldraden. Doosvrucht
met duidelijke ribben Apinagia.
115. Crassulaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 3–30-tallig; meeldraden evenveel of dubbel zooveel als
bloembladeren; meest tweeslachtig; regelmatig; bloembladeren vrij of vergroeid;
vruchtbeginsels één of meerdere, meest vrij van elkaar, 1-hokkig met vele zaadknoppen;
vrucht meest een kokervrucht; planten vleezig, meest kruidachtig, soms een weinig houtig;
bladeren zonder steunbladeren.
Groote kruiden, aan de basis wat houtig, met vleezige stengels en bladeren;
aan den rand der bladeren komen vaak jonge plantjes te voorschijn.
Bloemen 4-tallig. Bloemkroon lang-buisvormig met 8 meeldraden op de
buis ingehecht Bryophyllum. W o n d e r b l a d .
126. Rosaceae.
stempels. Onder den bloemsteel geen scheede aanwezig. Kleine planten
Tristicha.
2b. Vruchtbeginsel steeds 2-hokkig met 2 stempels. Onder
den bloemsteel een scheede 3
3a. Stempels breed en plat. Bloemdekschubben 3–5; smal. Meeldraden 2–
6. Vruchtbeginsel en doosvrucht met duidelijke ribben. Stengels sterk
verdikt en onregelmatig met groote holten, waaruit de bloemen
groepsgewijs te voorschijn komen Lophogyne.
3b. Stempels draadvormig 4
4a. Bladeren of stengels of beide, lang, vlottend. Bloemen met vele
meeldraden en dan regelmatig of met weinig meeldraden (tot 1 toe) en dan
zijdelings symmetrisch. Doosvrucht glad of met zwakke ribben
Oenone.
4b. Planten meest zeer klein met weinig verlengde stengels.
Bloemen steeds zijdelingsch symmetrisch met 1–5 meeldraden. Doosvrucht
met duidelijke ribben Apinagia.
115. Crassulaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 3–30-tallig; meeldraden evenveel of dubbel zooveel als
bloembladeren; meest tweeslachtig; regelmatig; bloembladeren vrij of vergroeid;
vruchtbeginsels één of meerdere, meest vrij van elkaar, 1-hokkig met vele zaadknoppen;
vrucht meest een kokervrucht; planten vleezig, meest kruidachtig, soms een weinig houtig;
bladeren zonder steunbladeren.
Groote kruiden, aan de basis wat houtig, met vleezige stengels en bladeren;
aan den rand der bladeren komen vaak jonge plantjes te voorschijn.
Bloemen 4-tallig. Bloemkroon lang-buisvormig met 8 meeldraden op de
buis ingehecht Bryophyllum. W o n d e r b l a d .
126. Rosaceae.
Page 200
(Onderfamilie Chrysobalanaceae).
Bloemen met kelk en bloemkroon of alleen met een kelk, meest 5-, soms meertallig;
tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemas min of meer bekervormig of buisvormig;
kelkbladeren, kroonbladeren en meeldraden aan den rand van den bloembodem;
vruchtbeginsels 1–5, aan de wand of in het midden van den bloembodem ingeplant met 1
of 2 zaadknoppen; stijl meest aan de basis van het vruchtbeginsel ingehecht; boomen of
heesters met enkelvoudige bladeren met steunbladeren.
1a. Bloemen bijna regelmatig, alleen het vruchtbeginsel soms niet precies
in het midden van den urnvormigen bloembodem gezeten. Meeldraden in
een krans, niet eenzijdig ontwikkeld 2
1b. Bloemen zijdelings symmetrisch, het vruchtbeginsel hoog tegen den
wand van den buis- of urnvormige bloembodem vastgegroeid, de
meeldraden eenzijdig ontwikkeld 3
2a. Bloembodem trechtervormig; vruchtbeginsel precies in het midden op
den bodem. Meeldraden talrijk, bloembladeren grooter dan de kelk.
Bloeiwijzen okselstandig of eindstandig, pluimvormig, meest kleiner dan de
bladeren. Bladeren zeer kort gesteeld, naar den voet toegespitst aan den top
afgerond of ingesneden. Steen van de vrucht met 5 of meer onregelmatige
lijsten Chrysobalanus.
2b. Bloembodem halfbolvormig of urnvormig. Vruchtbeginsel een weinig
zijdelings gezeten. Bloembladeren soms zeer klein of ontbrekend, soms vrij
groot; meeldraden soms zeer weinig (3–6) en dan een weinig eenzijdig of
talrijker, tot 20 toe, en dan in een krans. Bloeiwijzen groote pluimen en dan
grooter dan de bladeren, of indien ze kleiner zijn dan de bladeren, dan de
bloeiwijze trosvormig met zittende bloemen
Licania. A n o u r a . K w e p i .
3a. Meeldraden met helmknoppen 3–
8, lang en dun. Bloeias meest buisvormig. Bloemen rood of paars. Stengels
en bladeren vaak met stijve haren bezet. Bloeiwijzen ijle eind- of
okselstandige trossen met vrij lang gesteelde bloemen Hirtella.
3b. Vruchtbare meeldraden talrijk 4
Bloemen met kelk en bloemkroon of alleen met een kelk, meest 5-, soms meertallig;
tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemas min of meer bekervormig of buisvormig;
kelkbladeren, kroonbladeren en meeldraden aan den rand van den bloembodem;
vruchtbeginsels 1–5, aan de wand of in het midden van den bloembodem ingeplant met 1
of 2 zaadknoppen; stijl meest aan de basis van het vruchtbeginsel ingehecht; boomen of
heesters met enkelvoudige bladeren met steunbladeren.
1a. Bloemen bijna regelmatig, alleen het vruchtbeginsel soms niet precies
in het midden van den urnvormigen bloembodem gezeten. Meeldraden in
een krans, niet eenzijdig ontwikkeld 2
1b. Bloemen zijdelings symmetrisch, het vruchtbeginsel hoog tegen den
wand van den buis- of urnvormige bloembodem vastgegroeid, de
meeldraden eenzijdig ontwikkeld 3
2a. Bloembodem trechtervormig; vruchtbeginsel precies in het midden op
den bodem. Meeldraden talrijk, bloembladeren grooter dan de kelk.
Bloeiwijzen okselstandig of eindstandig, pluimvormig, meest kleiner dan de
bladeren. Bladeren zeer kort gesteeld, naar den voet toegespitst aan den top
afgerond of ingesneden. Steen van de vrucht met 5 of meer onregelmatige
lijsten Chrysobalanus.
2b. Bloembodem halfbolvormig of urnvormig. Vruchtbeginsel een weinig
zijdelings gezeten. Bloembladeren soms zeer klein of ontbrekend, soms vrij
groot; meeldraden soms zeer weinig (3–6) en dan een weinig eenzijdig of
talrijker, tot 20 toe, en dan in een krans. Bloeiwijzen groote pluimen en dan
grooter dan de bladeren, of indien ze kleiner zijn dan de bladeren, dan de
bloeiwijze trosvormig met zittende bloemen
Licania. A n o u r a . K w e p i .
3a. Meeldraden met helmknoppen 3–
8, lang en dun. Bloeias meest buisvormig. Bloemen rood of paars. Stengels
en bladeren vaak met stijve haren bezet. Bloeiwijzen ijle eind- of
okselstandige trossen met vrij lang gesteelde bloemen Hirtella.
3b. Vruchtbare meeldraden talrijk 4
Page 201
4a. Vruchtbeginsel 1-hokkig, vrucht 1-zadig. Bloeias zeer lang, buisvormig
met het vruchtbeginsel aan den rand. Meeldraden aan den basis een weinig
vergroeid. Bloemen meest in samengestelde trossen
Couepia. K w e e b i .
4b. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Vrucht meest 2-
zadig. Bloembodem niet buisvormig. Meeldraden 10–20. Bloeiwijzen een
dichte en korte pluim. Bladeren van onderen evenals de bloemen dunviltig
Parinarium.
127. Connaraceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 5-tallig, met 10 meeldraden, tweeslachtig, zelden
éénslachtig, regelmatig; kelk meest na den bloei blijvend en de basis van de rijpe vrucht
omhullend; bloembladeren 5, soms een weinig vergroeid; vruchtbeginsels bovenstandig,
meest 5, zelden 4 of 1 met 2 zaadknoppen; meest maar één vruchtbeginsel zich tot vrucht
ontwikkelend; doosvrucht met 1 zaad; meest klimmende heesters, zelden boomen met
verspreide, oneven gevinde bladeren zonder steunbladeren.
1a. Doosvrucht gesteeld; resten van den kelk om den steel zitten blijvend,
na den bloei niet of nauwelijks vergroot. Bloembladeren meest langer dan
de kelk. Vaak maar één vruchtbeginsel, soms tot 5 Connarus.
1b. Doosvrucht ongesteeld; de kelk na den bloei vergroot en de basis van
de vrucht vaak tot het midden omvattend. Bloembladeren meest even groot
als de kelk. Vruchtbeginsels 5 Rourea.
128. Leguminosae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, soms alleen met kelk; 5-tallig, meest met 10
meeldraden, maar soms ook met meer of minder meeldraden; tweeslachtig, zelden
éénslachtig; regelmatig of vaker zygomorf; vruchtbeginsel bijna steeds 1, zelden 2–5,
bovenstandig, 1-hokkig, met vele, zelden 1 zaadknop; stijl eindelingsch; vrucht meest een
peul soms een kokervrucht of niet openspringend; boomen, heesters of kruiden met
verspreide, meest samengestelde bladeren met steunbladeren; bloemen meest in trossen.
met het vruchtbeginsel aan den rand. Meeldraden aan den basis een weinig
vergroeid. Bloemen meest in samengestelde trossen
Couepia. K w e e b i .
4b. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Vrucht meest 2-
zadig. Bloembodem niet buisvormig. Meeldraden 10–20. Bloeiwijzen een
dichte en korte pluim. Bladeren van onderen evenals de bloemen dunviltig
Parinarium.
127. Connaraceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 5-tallig, met 10 meeldraden, tweeslachtig, zelden
éénslachtig, regelmatig; kelk meest na den bloei blijvend en de basis van de rijpe vrucht
omhullend; bloembladeren 5, soms een weinig vergroeid; vruchtbeginsels bovenstandig,
meest 5, zelden 4 of 1 met 2 zaadknoppen; meest maar één vruchtbeginsel zich tot vrucht
ontwikkelend; doosvrucht met 1 zaad; meest klimmende heesters, zelden boomen met
verspreide, oneven gevinde bladeren zonder steunbladeren.
1a. Doosvrucht gesteeld; resten van den kelk om den steel zitten blijvend,
na den bloei niet of nauwelijks vergroot. Bloembladeren meest langer dan
de kelk. Vaak maar één vruchtbeginsel, soms tot 5 Connarus.
1b. Doosvrucht ongesteeld; de kelk na den bloei vergroot en de basis van
de vrucht vaak tot het midden omvattend. Bloembladeren meest even groot
als de kelk. Vruchtbeginsels 5 Rourea.
128. Leguminosae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, soms alleen met kelk; 5-tallig, meest met 10
meeldraden, maar soms ook met meer of minder meeldraden; tweeslachtig, zelden
éénslachtig; regelmatig of vaker zygomorf; vruchtbeginsel bijna steeds 1, zelden 2–5,
bovenstandig, 1-hokkig, met vele, zelden 1 zaadknop; stijl eindelingsch; vrucht meest een
peul soms een kokervrucht of niet openspringend; boomen, heesters of kruiden met
verspreide, meest samengestelde bladeren met steunbladeren; bloemen meest in trossen.
Page 202
1a. Bloemen klein, volkomen regelmatig, in hoofdjes of trossen.
Bloembladeren in den knop met de randen tegen elkaar aanliggend
2 Mimosaceae.
1b. Bloemen vrij groot of groot, meest duidelijk
zijdelings-symmetrisch, soms ook minder duidelijk maar in ieder geval
liggen de bloembladeren in den knop met de randen over elkaar
Papilionaceae. 14
2a. Boomen met dubbel gevinde bladeren. Steel van
de bloeiwijze forsch, aan het eind knotsvormig opgezwollen, bezet met een
zeer groot aantal bloemen, waarvan de bovenste tweeslachtig zijn, de
onderste alleen lange staminodiën hebben of staminodiën en een
vruchtbeginsel. Peulen groot Parkia. A j o e w a .
2b. Boomen of kleinere of grootere heesters of kruiden met de bloemen in
trossen of als ze in hoofdjes staan, dan de steel niet aan den top verdikt
3
3a. Meeldraden (de staminodiën niet meegerekend) evenveel of
dubbelzooveel als bloemkroonslippen 7
3b. Meeldraden meer dan 10 in elke bloem 4
4a. Meeldraden tot een buis vergroeid, die vaak buiten de bloemkroon
uitsteekt 5
4b. Meeldraden alle vrij. Bloemen in hoofdjes. Bloemkroon 5-deelig.
Bladeren dubbelgevind, blaadjes klein. Takken ongedoornd, en alleen met
doornige steunblaadjes of geheel met doornen bezet
Acacia. L e g u a n a - t e r e .
5a. Bladeren enkelvoudig gevind, meest
met vleugels aan den steel tusschen de jukken; op de plaats, waar een paar
blaadjes vastzitten draagt de steel bijna altijd een cirkelvormige klier.
Blaadjes groot. Meeldraden ver buiten de buis van de bloemkroon
uitstekend. Bloemen in hoofdjes of aren, of soms meer vertakte bloeiwijzen
Inga. S w i e t i e - b o o n k i e . P l o k o n i e .
5b. Bladeren dubbel-
gevind, soms is er maar 1 juk van de eerste orde aanwezig, en bestaat elk
juk slechts uit 4 blaadjes 6
Bloembladeren in den knop met de randen tegen elkaar aanliggend
2 Mimosaceae.
1b. Bloemen vrij groot of groot, meest duidelijk
zijdelings-symmetrisch, soms ook minder duidelijk maar in ieder geval
liggen de bloembladeren in den knop met de randen over elkaar
Papilionaceae. 14
2a. Boomen met dubbel gevinde bladeren. Steel van
de bloeiwijze forsch, aan het eind knotsvormig opgezwollen, bezet met een
zeer groot aantal bloemen, waarvan de bovenste tweeslachtig zijn, de
onderste alleen lange staminodiën hebben of staminodiën en een
vruchtbeginsel. Peulen groot Parkia. A j o e w a .
2b. Boomen of kleinere of grootere heesters of kruiden met de bloemen in
trossen of als ze in hoofdjes staan, dan de steel niet aan den top verdikt
3
3a. Meeldraden (de staminodiën niet meegerekend) evenveel of
dubbelzooveel als bloemkroonslippen 7
3b. Meeldraden meer dan 10 in elke bloem 4
4a. Meeldraden tot een buis vergroeid, die vaak buiten de bloemkroon
uitsteekt 5
4b. Meeldraden alle vrij. Bloemen in hoofdjes. Bloemkroon 5-deelig.
Bladeren dubbelgevind, blaadjes klein. Takken ongedoornd, en alleen met
doornige steunblaadjes of geheel met doornen bezet
Acacia. L e g u a n a - t e r e .
5a. Bladeren enkelvoudig gevind, meest
met vleugels aan den steel tusschen de jukken; op de plaats, waar een paar
blaadjes vastzitten draagt de steel bijna altijd een cirkelvormige klier.
Blaadjes groot. Meeldraden ver buiten de buis van de bloemkroon
uitstekend. Bloemen in hoofdjes of aren, of soms meer vertakte bloeiwijzen
Inga. S w i e t i e - b o o n k i e . P l o k o n i e .
5b. Bladeren dubbel-
gevind, soms is er maar 1 juk van de eerste orde aanwezig, en bestaat elk
juk slechts uit 4 blaadjes 6
Page 203
6a. Peul dik en plat, leerachtig of wat vleezig, recht of gebogen of soms
zelfs een weinig opgerold; niet openspringend of indien hij openspringt, dan
draaien de kleppen zich kurketrekkervormig; een enkele maal valt de peul
ook in 1-zadige stukken uit elkaar. Blaadjes meest leerachtig, vaak slechts
weinige (6) per blad Pithecolobium. P l o k o n i e .
6b. Peul recht of weinig gekromd, houtig met dikke randen, met 2 kleppen
van den top naar de basis openspringend. Kleppen niet gedraaid, doch van
elkaar verwijderd. Overigens gelijk aan de vorige Calliandra.
6c. Peul groot en vlak, in verhouding tot de lengte zeer breed, met dunne,
bijna papier-dunne kleppen, niet openspringend. Blaadjes vrij dun,
ongeveer 1 c.M. groot, veeljukkig en ook meerdere jukken het blad
vormend. Overigens als de vorigen Albizzia.
7a. Bloemen behalve met 5 meeldraden, ook met 5 tot 10 staminodiën, die
veel langer zijn dan de meeldraden en sterk gekleurd. Bloemen in lange,
veelbloemige trossen. Boomen met dubbelgevinde bladeren, zoowel jukken
van de 1ste als van de 2de orde zeer talrijk. Blaadjes zeer smal en klein, hard
en glanzend Pentaclethra.
7b. Bloemen zonder staminodiën, of indien er staminodiën zijn, dan zijn er
niet tegelijk meeldraden in den bloem aanwezig 8
8a. Helmknoppen op den top met een zittende of gesteelde klier, welke
meest tijdens den bloei niet meer aanwezig is, maar in de knop of bij
pasgeopende bloemen steeds te vinden is 11
8b. Helmknoppen zonder klier op den top 9
9a. Ongedoornde boomen met groote witte bloemhoofdjes van
tweeslachtige zittende bloemen. Bloembladeren 5, vrij, meeldraden 10. Peul
gesteeld, smal, plat, met 2 kleppen openspringend. Hoofdjes in groepen in
de bladoksels staande of eenigszins tot trossen samengesteld
Leucaena.
9b. Kleine heesters of kruiden vaak met dorens
10
zelfs een weinig opgerold; niet openspringend of indien hij openspringt, dan
draaien de kleppen zich kurketrekkervormig; een enkele maal valt de peul
ook in 1-zadige stukken uit elkaar. Blaadjes meest leerachtig, vaak slechts
weinige (6) per blad Pithecolobium. P l o k o n i e .
6b. Peul recht of weinig gekromd, houtig met dikke randen, met 2 kleppen
van den top naar de basis openspringend. Kleppen niet gedraaid, doch van
elkaar verwijderd. Overigens gelijk aan de vorige Calliandra.
6c. Peul groot en vlak, in verhouding tot de lengte zeer breed, met dunne,
bijna papier-dunne kleppen, niet openspringend. Blaadjes vrij dun,
ongeveer 1 c.M. groot, veeljukkig en ook meerdere jukken het blad
vormend. Overigens als de vorigen Albizzia.
7a. Bloemen behalve met 5 meeldraden, ook met 5 tot 10 staminodiën, die
veel langer zijn dan de meeldraden en sterk gekleurd. Bloemen in lange,
veelbloemige trossen. Boomen met dubbelgevinde bladeren, zoowel jukken
van de 1ste als van de 2de orde zeer talrijk. Blaadjes zeer smal en klein, hard
en glanzend Pentaclethra.
7b. Bloemen zonder staminodiën, of indien er staminodiën zijn, dan zijn er
niet tegelijk meeldraden in den bloem aanwezig 8
8a. Helmknoppen op den top met een zittende of gesteelde klier, welke
meest tijdens den bloei niet meer aanwezig is, maar in de knop of bij
pasgeopende bloemen steeds te vinden is 11
8b. Helmknoppen zonder klier op den top 9
9a. Ongedoornde boomen met groote witte bloemhoofdjes van
tweeslachtige zittende bloemen. Bloembladeren 5, vrij, meeldraden 10. Peul
gesteeld, smal, plat, met 2 kleppen openspringend. Hoofdjes in groepen in
de bladoksels staande of eenigszins tot trossen samengesteld
Leucaena.
9b. Kleine heesters of kruiden vaak met dorens
10
Page 204
10a. Bloemen 4–5-, zelden 3-tallig, alle tweeslachtig. Kelk meest klein,
soms bijna ontbrekend. Bloemkroon vergroeidbladig, klok-trechtervormig.
Meeldraden evenveel of dubbel zooveel als de bloemkroonslippen, vrij,
buiten de bloemkroon uitstekend. Vruchtbeginsel zittend of kortgesteeld, 2-
tot meerzadig. Peul lang, plat, met een verdikte rand; bij het openspringen
blijft deze rand zitten als één geheel; terwijl de rest of met twee kleppen
openspringt, of in eenzadige stukken uiteenvalt. Planten meest met stekels.
Bladeren dubbelgevind of de jukken handvormig bij elkaar aan het eind van
den bladsteel zittend Mimosa. S i e n - s i e n .
10b. Bloemen 5-tallig, in kleine gesteelde hoofdjes, die van onderen enkele
geslachtslooze bloemen dragen met kleine bloemkroon en groote
staminodiën, zonder vruchtbeginsel. Meeldraden 10 in de tweeslachtige
bloemen. Peulen zittend, klein en smal. Zaden met hun lengteas evenwijdig
met de lengteas van de peul. Kleine heesters met weinigjukkige bladeren,
jukken met vele kleine blaadjes Desmanthus.
11a. Bloemen in bolvormige of verlengde hoofdjes, die aan den basis een
krans van geslachtslooze bloemen dragen. Bloemen 5-tallig met 10
meeldraden, de geslachtslooze met 10 zeer lange min of meer bladachtige
staminodiën. Peulen betrekkelijk kort en breed. Meest water- of
moerasplanten met een vleezigen kruipenden, sterk bewortelden wortelstok,
waaruit de bebladerde stengels te voorschijn komen Neptunia.
11b. Bloemen in lange aren of trossen, soms in samengestelde trossen
12
12a. Bloemen in lange trossen gesteeld, bloemsteel minstens even
lang als de bloem zelf. Bloemen 5-tallig met 10 korte meeldraden. Peul lang
en smal, kleppen na het openspringen wat gedraaid. Zaden vuurrood.
Ongedoornde boomen met dubbelgevinde bladeren. Adenanthera.
12b. Bloemen zittend of zeer kort gesteeld 13
13a. Bloembladeren tot aan het midden vergroeid. Meeldraden buiten de
bloemkroon uitstekend. Peul bij het rijpworden met 2 kleppen
openspringend. Ongedoornde of sterk gedoornde vaak klimmende heesters
Piptadenia. T a n p i k i e n s o .
soms bijna ontbrekend. Bloemkroon vergroeidbladig, klok-trechtervormig.
Meeldraden evenveel of dubbel zooveel als de bloemkroonslippen, vrij,
buiten de bloemkroon uitstekend. Vruchtbeginsel zittend of kortgesteeld, 2-
tot meerzadig. Peul lang, plat, met een verdikte rand; bij het openspringen
blijft deze rand zitten als één geheel; terwijl de rest of met twee kleppen
openspringt, of in eenzadige stukken uiteenvalt. Planten meest met stekels.
Bladeren dubbelgevind of de jukken handvormig bij elkaar aan het eind van
den bladsteel zittend Mimosa. S i e n - s i e n .
10b. Bloemen 5-tallig, in kleine gesteelde hoofdjes, die van onderen enkele
geslachtslooze bloemen dragen met kleine bloemkroon en groote
staminodiën, zonder vruchtbeginsel. Meeldraden 10 in de tweeslachtige
bloemen. Peulen zittend, klein en smal. Zaden met hun lengteas evenwijdig
met de lengteas van de peul. Kleine heesters met weinigjukkige bladeren,
jukken met vele kleine blaadjes Desmanthus.
11a. Bloemen in bolvormige of verlengde hoofdjes, die aan den basis een
krans van geslachtslooze bloemen dragen. Bloemen 5-tallig met 10
meeldraden, de geslachtslooze met 10 zeer lange min of meer bladachtige
staminodiën. Peulen betrekkelijk kort en breed. Meest water- of
moerasplanten met een vleezigen kruipenden, sterk bewortelden wortelstok,
waaruit de bebladerde stengels te voorschijn komen Neptunia.
11b. Bloemen in lange aren of trossen, soms in samengestelde trossen
12
12a. Bloemen in lange trossen gesteeld, bloemsteel minstens even
lang als de bloem zelf. Bloemen 5-tallig met 10 korte meeldraden. Peul lang
en smal, kleppen na het openspringen wat gedraaid. Zaden vuurrood.
Ongedoornde boomen met dubbelgevinde bladeren. Adenanthera.
12b. Bloemen zittend of zeer kort gesteeld 13
13a. Bloembladeren tot aan het midden vergroeid. Meeldraden buiten de
bloemkroon uitstekend. Peul bij het rijpworden met 2 kleppen
openspringend. Ongedoornde of sterk gedoornde vaak klimmende heesters
Piptadenia. T a n p i k i e n s o .
Page 205
13b. Bloembladeren bijna geheel vrij. Meeldraden nauwelijks buiten de
bloemkroon uitstekend. Peul meest groot en breed, uit elkaar vallend in
eenzadige stukken, de naden als een geheel zitten blijvend Entada.
14a. Bloemkroon duidelijk vlindervormig, d. i. duidelijk zijdelings-
symmetrisch met één groot bloemblad en 4 kleinere; meeldraden alle 10
met elkaar tot een buis vergroeid die het vruchtbeginsel insluit of 9
vergroeid en 1 vrij 42
14b. Bloemkroon niet duidelijk vlindervormig; meeldraden 10 en dan niet
tot een buis met elkaar vergroeid of minder dan 10, soms meer dan 10
15
15a. Meeldraden talrijk, meest eenige groote en vele kleine. Kelk
voor de bloei ongedeeld met zeer korte buis, tijdens de bloei 2–5-lobbig of
onregelmatig verscheurd. Bloembladeren één, en dan groot of 2 kleine of
geheel ontbrekend. Bladeren oneven gevind, soms 3-tallig, soms ook alleen
een eindblaadje aanwezig, dus bladeren enkelvoudig. Boomen of heesters
Swartzia.
15b. Meeldraden 10 of minder
16
16a. Geen bloembladeren aanwezig
17
16b. Bloembladeren aanwezig
19
17a. Bladeren even gevind. Kelkbuis kort met 4 lobben.
Meeldraden 8–10, vrij, vruchtbeginsel gesteeld, vrij op den bodem van de
kelkbuis met 2 zaadknoppen. Peul kort en rond, 1-zadig. Blaadjes 1- tot
meerjukkig gevind, leerachtig, vaak met doorschijnende puntjes. Bloemen
klein, wit, zittend in samengestelde trossen. Copaifera. H o e p r o e .
17b. Bladeren oneven gevind 18
18a. Kelk met korte buis en 5, soms 4 lobben. Meeldraden 2, met korte
helmdraden en lange helmhokjes. Vruchtbeginsel met 2 zaadknoppen; peul
zeer kort, bijna eirond, meest éénzadig. Blaadjes niet tegenoverstaand.
Boomen Dialium.
bloemkroon uitstekend. Peul meest groot en breed, uit elkaar vallend in
eenzadige stukken, de naden als een geheel zitten blijvend Entada.
14a. Bloemkroon duidelijk vlindervormig, d. i. duidelijk zijdelings-
symmetrisch met één groot bloemblad en 4 kleinere; meeldraden alle 10
met elkaar tot een buis vergroeid die het vruchtbeginsel insluit of 9
vergroeid en 1 vrij 42
14b. Bloemkroon niet duidelijk vlindervormig; meeldraden 10 en dan niet
tot een buis met elkaar vergroeid of minder dan 10, soms meer dan 10
15
15a. Meeldraden talrijk, meest eenige groote en vele kleine. Kelk
voor de bloei ongedeeld met zeer korte buis, tijdens de bloei 2–5-lobbig of
onregelmatig verscheurd. Bloembladeren één, en dan groot of 2 kleine of
geheel ontbrekend. Bladeren oneven gevind, soms 3-tallig, soms ook alleen
een eindblaadje aanwezig, dus bladeren enkelvoudig. Boomen of heesters
Swartzia.
15b. Meeldraden 10 of minder
16
16a. Geen bloembladeren aanwezig
17
16b. Bloembladeren aanwezig
19
17a. Bladeren even gevind. Kelkbuis kort met 4 lobben.
Meeldraden 8–10, vrij, vruchtbeginsel gesteeld, vrij op den bodem van de
kelkbuis met 2 zaadknoppen. Peul kort en rond, 1-zadig. Blaadjes 1- tot
meerjukkig gevind, leerachtig, vaak met doorschijnende puntjes. Bloemen
klein, wit, zittend in samengestelde trossen. Copaifera. H o e p r o e .
17b. Bladeren oneven gevind 18
18a. Kelk met korte buis en 5, soms 4 lobben. Meeldraden 2, met korte
helmdraden en lange helmhokjes. Vruchtbeginsel met 2 zaadknoppen; peul
zeer kort, bijna eirond, meest éénzadig. Blaadjes niet tegenoverstaand.
Boomen Dialium.
Page 206
18b. Kelk met korte buis en 4 vliezige lobben. Meeldraden 10, soms eenige
minder, vrij. Vruchtbeginsel kort gesteeld vrij op den bodem van de
kelkbuis, of scheef tegen een van de zijkanten van de kelkbuis aangegroeid.
Boomen. Bloemen in trossen Crudia.
19a. Bladeren duidelijk dubbel gevind, d. w. z., de hoofdbladsteel is eens
vertakt voor ze de blaadjes draagt 20
19b. Bladeren enkelgevind, of enkelvoudige bladeren of indien er een
enkele maal dubbel gevinde voorkomen, dan heeft de plant toch voor het
meerendeel enkel gevinde bladeren 23
20a. Plant gedoornd, d. w. z. de steunblaadjes zijn doornig en de zeer korte
hoofdbladsteel eindigt in een doorn. De jukken der bladeren zitten dicht op
elkaar, ze dragen een groot aantal kleine blaadjes, die spoedig afvallen.
Kelk en bloembladeren 5, meeldraden 10, met behaarde helmdraden.
Peulen plaatselijk verdikt, lang. Bloemen in trossen Parkinsonia.
20b. Plant niet gedoornd, of de dorens over de geheele plant verspreid
21
21a. Behalve de 5 vruchtbare meeldraden vindt men in de bloem
ook nog 5 meeldraden zonder helmknoppen. Kelk vijflobbig.
Bloembladeren 5. Bloemen in trossen. Boomen
Dimorphandra. M o r a , P e t o .
21b. Alle 10 meeldraden met
helmknoppen 22
22a. Kelkbladeren gelijk van grootte, in den knop niet met de randen over
elkaar liggend, 5 in getal. Kroonbladeren 5, vuurrood of één er van witgeel
met roode vlekken. Meeldraden 10, aan de basis behaard, naar boven
gebogen. Blaadjes klein, zeer talrijk. Poinciana.
22b. Kelkbladeren in den knop over elkaar liggend met de randen, een er
van grooter dan de andere. Bloembladeren vrijwel gelijk aan elkaar of 1
kleiner. Meeldraden als de vorige. Peul zeer verschillend gevormd, soms
niet openspringend. Planten ongestekeld of zeer sterk gestekeld. Blaadjes
vrij groot en dan talrijk of groot en dan weinige
minder, vrij. Vruchtbeginsel kort gesteeld vrij op den bodem van de
kelkbuis, of scheef tegen een van de zijkanten van de kelkbuis aangegroeid.
Boomen. Bloemen in trossen Crudia.
19a. Bladeren duidelijk dubbel gevind, d. w. z., de hoofdbladsteel is eens
vertakt voor ze de blaadjes draagt 20
19b. Bladeren enkelgevind, of enkelvoudige bladeren of indien er een
enkele maal dubbel gevinde voorkomen, dan heeft de plant toch voor het
meerendeel enkel gevinde bladeren 23
20a. Plant gedoornd, d. w. z. de steunblaadjes zijn doornig en de zeer korte
hoofdbladsteel eindigt in een doorn. De jukken der bladeren zitten dicht op
elkaar, ze dragen een groot aantal kleine blaadjes, die spoedig afvallen.
Kelk en bloembladeren 5, meeldraden 10, met behaarde helmdraden.
Peulen plaatselijk verdikt, lang. Bloemen in trossen Parkinsonia.
20b. Plant niet gedoornd, of de dorens over de geheele plant verspreid
21
21a. Behalve de 5 vruchtbare meeldraden vindt men in de bloem
ook nog 5 meeldraden zonder helmknoppen. Kelk vijflobbig.
Bloembladeren 5. Bloemen in trossen. Boomen
Dimorphandra. M o r a , P e t o .
21b. Alle 10 meeldraden met
helmknoppen 22
22a. Kelkbladeren gelijk van grootte, in den knop niet met de randen over
elkaar liggend, 5 in getal. Kroonbladeren 5, vuurrood of één er van witgeel
met roode vlekken. Meeldraden 10, aan de basis behaard, naar boven
gebogen. Blaadjes klein, zeer talrijk. Poinciana.
22b. Kelkbladeren in den knop over elkaar liggend met de randen, een er
van grooter dan de andere. Bloembladeren vrijwel gelijk aan elkaar of 1
kleiner. Meeldraden als de vorige. Peul zeer verschillend gevormd, soms
niet openspringend. Planten ongestekeld of zeer sterk gestekeld. Blaadjes
vrij groot en dan talrijk of groot en dan weinige
Page 207
23a. Bloembladeren 5 Caesalpinia. S a b i n a - b l o e m , N i c k e r i e .
24
23b. Bloembladeren minder dan 5, soms zijn er 5 bloembladeren
aanwezig, maar dan zijn enkele er van tot kleine schubjes gereduceerd en de
andere veel grooter 37
24a. Bladeren met slechts 2 blaadjes of met één enkelvoudig of tweespletig
tot tweedeelig blad 25
24b. Bladeren gevind met meer dan 2 blaadjes 28
25a. Kelk met een korte of lange buis, vóór den bloei niet in slippen
gedeeld en aan den top gesloten, of, indien de kelk wel in den knop gedeeld
is, dan is hij kort-5-tandig en beneden de tanden vernauwd, zoodat de
bloemknop gekroond schijnt met de 5 korte kelktandjes. Meeldraden 10,
alle met helmknopjes en dan meest 5 lange en en 5 korte meeldraden, of 1
of meerdere meeldraden zonder helmknoppen of geheel ontbrekend.
Bloembladeren tamelijk gelijk. Boomen of (vaker) lianen met enkelvoudige
of aan den top ingesneden bladeren of twee zittende blaadjes op den steel
Bauhinia. S e k r e p a t o e - t r a p o e .
25b. Kelkbladeren reeds voor
de bloei tot aan de kelkbuis vrij 26
26a. Bloemen in veelbloemige korte gedrongen pluimen of in bundels uit
het hout te voorschijn komend; klein. Kelkbladeren dun, 4 of 5. Meeldraden
10. Vruchtbeginsel met 2 zaadknoppen. Peul kort, eirond of niervormig.
Blaadjes naar den top toegespitst, doch de top zelf ingesneden
Cynometra.
26b. Bloemen in tenminste ten deele eindelingsche
pluimen van groote bloemen met 4 harde kelkbladeren 27
27a. Stempel klein. Peul dik, bijna cylindrisch, niet openspringend.
Bladeren met duidelijke doorschijnende puntjes Hymenaea. L o k u s .
27b. Stempel verbreed. Peul vlak scheef, met 2 kleppen openspringend.
Doorschijnende puntjes in de bladeren afwezig of onduidelijk.
Peltogyne. P u r p e r h a r t .
24
23b. Bloembladeren minder dan 5, soms zijn er 5 bloembladeren
aanwezig, maar dan zijn enkele er van tot kleine schubjes gereduceerd en de
andere veel grooter 37
24a. Bladeren met slechts 2 blaadjes of met één enkelvoudig of tweespletig
tot tweedeelig blad 25
24b. Bladeren gevind met meer dan 2 blaadjes 28
25a. Kelk met een korte of lange buis, vóór den bloei niet in slippen
gedeeld en aan den top gesloten, of, indien de kelk wel in den knop gedeeld
is, dan is hij kort-5-tandig en beneden de tanden vernauwd, zoodat de
bloemknop gekroond schijnt met de 5 korte kelktandjes. Meeldraden 10,
alle met helmknopjes en dan meest 5 lange en en 5 korte meeldraden, of 1
of meerdere meeldraden zonder helmknoppen of geheel ontbrekend.
Bloembladeren tamelijk gelijk. Boomen of (vaker) lianen met enkelvoudige
of aan den top ingesneden bladeren of twee zittende blaadjes op den steel
Bauhinia. S e k r e p a t o e - t r a p o e .
25b. Kelkbladeren reeds voor
de bloei tot aan de kelkbuis vrij 26
26a. Bloemen in veelbloemige korte gedrongen pluimen of in bundels uit
het hout te voorschijn komend; klein. Kelkbladeren dun, 4 of 5. Meeldraden
10. Vruchtbeginsel met 2 zaadknoppen. Peul kort, eirond of niervormig.
Blaadjes naar den top toegespitst, doch de top zelf ingesneden
Cynometra.
26b. Bloemen in tenminste ten deele eindelingsche
pluimen van groote bloemen met 4 harde kelkbladeren 27
27a. Stempel klein. Peul dik, bijna cylindrisch, niet openspringend.
Bladeren met duidelijke doorschijnende puntjes Hymenaea. L o k u s .
27b. Stempel verbreed. Peul vlak scheef, met 2 kleppen openspringend.
Doorschijnende puntjes in de bladeren afwezig of onduidelijk.
Peltogyne. P u r p e r h a r t .
Page 208
28a. Meeldraden 5, evenlang, tegenover de 5 onderling bijna gelijke
bloembladeren staand; bovendien 5, naar den top knotsvormig verdikte
staminodiën in de bloem. Vruchtbeginsel met vele zaadknoppen. Bloemen
in dichte aren Dimorphandra. P e t o , M o r a .
28b. Meeldraden meer of minder dan 5, of indien er 5 meeldraden zijn, dan
zijn ze niet alle gelijk van vorm en grootte en zijn er niet tevens 5 even
groote staminodiën aanwezig 29
29a. Meeldraden 4, gelijk van grootte (zelden 5) met zeer korte helmdraden
en lange spitse helmknoppen, die aan den top met een gat opengaan.
Kelkbladeren 5, spits. Bloembladeren 5, bijna gelijk. Peul dun, leerachtig
met gevleugelde naden Martiusia. P u r p e r h a r t .
29b. Meeldraden meer dan 5 30
30a. Bloemen duidelijk zijdelings symmetrisch, dus of bloembladeren of
meeldraden, of beide, niet aan elkaar gelijk in vorm en grootte; indien de 10
meeldraden alle gelijk zijn, dan springen ze met gaten aan den top open
31
30b. Bloemen regelmatig; dus bloembladeren alle vrijwel evengroot
en ook de meeldraden evengroot, of indien er 10 meeldraden zijn, dan zijn
er 5 langere die afwisselen met 5 kortere en met spleten over de geheele
lengte openspringen 34
31a. Bladeren evengevind. Bloemkroon niet vlindervormig 32
31b. Bladeren oneven gevind. Bloemkroon duidelijk vlindervormig 33
32a. Bloemknoppen opvallend gekromd en aan den top knots-vormig
verdikt. Kelkslippen ongelijk. Bloembladeren 5, bijna gelijk. Meeldraden
10, aan de basis behaard; de helmknoppen aan den rug bevestigd, meest 3
dikkere en kortere meeldraden met kleinere helmknoppen en 7 langere,
dunnere meeldraden met grootere helmknoppen. Boomen met gele bloemen
in trossen Tachigalia.
bloembladeren staand; bovendien 5, naar den top knotsvormig verdikte
staminodiën in de bloem. Vruchtbeginsel met vele zaadknoppen. Bloemen
in dichte aren Dimorphandra. P e t o , M o r a .
28b. Meeldraden meer of minder dan 5, of indien er 5 meeldraden zijn, dan
zijn ze niet alle gelijk van vorm en grootte en zijn er niet tevens 5 even
groote staminodiën aanwezig 29
29a. Meeldraden 4, gelijk van grootte (zelden 5) met zeer korte helmdraden
en lange spitse helmknoppen, die aan den top met een gat opengaan.
Kelkbladeren 5, spits. Bloembladeren 5, bijna gelijk. Peul dun, leerachtig
met gevleugelde naden Martiusia. P u r p e r h a r t .
29b. Meeldraden meer dan 5 30
30a. Bloemen duidelijk zijdelings symmetrisch, dus of bloembladeren of
meeldraden, of beide, niet aan elkaar gelijk in vorm en grootte; indien de 10
meeldraden alle gelijk zijn, dan springen ze met gaten aan den top open
31
30b. Bloemen regelmatig; dus bloembladeren alle vrijwel evengroot
en ook de meeldraden evengroot, of indien er 10 meeldraden zijn, dan zijn
er 5 langere die afwisselen met 5 kortere en met spleten over de geheele
lengte openspringen 34
31a. Bladeren evengevind. Bloemkroon niet vlindervormig 32
31b. Bladeren oneven gevind. Bloemkroon duidelijk vlindervormig 33
32a. Bloemknoppen opvallend gekromd en aan den top knots-vormig
verdikt. Kelkslippen ongelijk. Bloembladeren 5, bijna gelijk. Meeldraden
10, aan de basis behaard; de helmknoppen aan den rug bevestigd, meest 3
dikkere en kortere meeldraden met kleinere helmknoppen en 7 langere,
dunnere meeldraden met grootere helmknoppen. Boomen met gele bloemen
in trossen Tachigalia.
Page 209
32b. Bloemknoppen niet gekromd en knotsvormig. Kelkbladeren bijna
geheel vrij. Bloembladeren meest geel-oranje, alle gelijk of enkele wat
groot. Meeldraden soms 10, en dan aan den top met poriën of korte spleten
openspringend, meest echter enkele meeldraden met veel grootere
helmknoppen dan de andere. Helmdraden aan de basis der helmknoppen
bevestigd. Peul zeer verschillend, plat, steelrond of gevleugeld
Cassia. S l a b r i k i .
33a. Kelkbuis lang klokvormig, met 5 tanden,
waarvan de beide bovenste hooger met elkaar vergroeid zijn. Meeldraden
10, vrij. Stijl gebogen niet opgerold met eindelingsche stempel. Peul met 2
kleppen openspringend Diplotropis. Z w a r t e k a b b e s .
33b. Kelkbuis kort trechter- of bekervormig; de bovenste kelkslippen wat
vergroeid. Meeldraden ongelijk, vrij, 10 met helmknopjes of soms 2 zonder,
en 8 met helmknoppen. Stijl opgerold met scheeven stempel. Peul met 2
kleppen openspringend Ormosia.
34a. Bloembladeren grooter en breeder dan de kelkbladeren 35
34b. Bloembladeren smal en klein, kleiner of nauwelijks grooter dan de
kelkbladeren 36
35a. Helmknoppen eirond, met spleten openspringend; helmdraad aan de
rugzijde van den helmknop ingehecht. Bloemen in veelbloemige dichte
trossen. Bladeren enkel-gevind, of soms vindt men aan dezelfde plant ook
dubbelgevinde bladeren. Blaadjes naar den voet smal toeloopend, aan den
top recht afgesneden of eenigszins ingesneden Haematoxylon.
35b. Helmknoppen lang en smal, met gaten of korte spleten aan den top
openspringend; helmdraad aan de basis ingehecht. Bloemen in
weinigbloemige trossen of alleenstaand, blaadjes spits aan den top
Cassia.
36a. Kelk bijna geheel losbladig met 5 tamelijk gelijke
bladeren. Bloembladeren 5, klein en smal. (het naar de as gekeerde
(bovenste) bloemblad wordt door de beide naastliggende met de randen
overdekt) Meeldraden 10, aan de basis behaard. Vruchtbeginsel gesteeld;
bladeren oneven of soms schijnbaar evengevind Sclerolobium.
geheel vrij. Bloembladeren meest geel-oranje, alle gelijk of enkele wat
groot. Meeldraden soms 10, en dan aan den top met poriën of korte spleten
openspringend, meest echter enkele meeldraden met veel grootere
helmknoppen dan de andere. Helmdraden aan de basis der helmknoppen
bevestigd. Peul zeer verschillend, plat, steelrond of gevleugeld
Cassia. S l a b r i k i .
33a. Kelkbuis lang klokvormig, met 5 tanden,
waarvan de beide bovenste hooger met elkaar vergroeid zijn. Meeldraden
10, vrij. Stijl gebogen niet opgerold met eindelingsche stempel. Peul met 2
kleppen openspringend Diplotropis. Z w a r t e k a b b e s .
33b. Kelkbuis kort trechter- of bekervormig; de bovenste kelkslippen wat
vergroeid. Meeldraden ongelijk, vrij, 10 met helmknopjes of soms 2 zonder,
en 8 met helmknoppen. Stijl opgerold met scheeven stempel. Peul met 2
kleppen openspringend Ormosia.
34a. Bloembladeren grooter en breeder dan de kelkbladeren 35
34b. Bloembladeren smal en klein, kleiner of nauwelijks grooter dan de
kelkbladeren 36
35a. Helmknoppen eirond, met spleten openspringend; helmdraad aan de
rugzijde van den helmknop ingehecht. Bloemen in veelbloemige dichte
trossen. Bladeren enkel-gevind, of soms vindt men aan dezelfde plant ook
dubbelgevinde bladeren. Blaadjes naar den voet smal toeloopend, aan den
top recht afgesneden of eenigszins ingesneden Haematoxylon.
35b. Helmknoppen lang en smal, met gaten of korte spleten aan den top
openspringend; helmdraad aan de basis ingehecht. Bloemen in
weinigbloemige trossen of alleenstaand, blaadjes spits aan den top
Cassia.
36a. Kelk bijna geheel losbladig met 5 tamelijk gelijke
bladeren. Bloembladeren 5, klein en smal. (het naar de as gekeerde
(bovenste) bloemblad wordt door de beide naastliggende met de randen
overdekt) Meeldraden 10, aan de basis behaard. Vruchtbeginsel gesteeld;
bladeren oneven of soms schijnbaar evengevind Sclerolobium.
Page 210
36b. Kelk vergroeidbladig klokvormig met 5 gelijke met de randen tegen
elkaar liggende slippen. Bloembladeren bijna gelijk, het bovenste soms wat
grooter dan de andere en in den knop de beide naburige bedekkend.
Meeldraden vrij, langer dan de bloembladeren. Bladeren even- of oneven
gevind Sweetia.
37a. Bladeren enkelvoudig, d. w. z. van het gevinde blad is alleen het
eindblaadje aanwezig. Kelk met 4 slippen. Bloembladeren 1 of 1 groote en
2 kleinere ernaast. Meeldraden 9 Palovea.
37b. Bladeren gevind 38
38a. Bloembladeren 1, groot, soms met nog eenige kleine schubben ernaast
39
38b. Drie groote bloembladeren, soms nog met 2 kleine schubben
40
39a. Meeldraden 10 alle met helmknoppen of 5 met, en 5 zonder
helmknoppen. Het bloemblad zittend, zeer breed. Peul vaak langgesteeld en
hangend, plat, breed en min of meer roodbruin en kortbehaard
Eperua. W a l a b a , B i j l h o u t .
39b. Meeldraden 10 of minder,
daarvan 3 met helmknoppen en 7 of minder zonder helmknoppen. Het
bloemblad is genageld, in de knop samengevouwen, later min of meer
helmvormig, de andere 2 of 4 bloembladeren zijn schubvormig
Macrolobium.
40a. Meeldraden 2, ongelijk met korte dikke
helmdraden, en dikke helmknoppen, die aan den top openspringen. Kelk
met 5 slippen. Bladeren onevengevind met weinig blaadjes
Dicorynia. B a s r a - l o k u s .
40b. Meeldraden 3 of meer; kelk met 4
slippen 41
41a. De 3 vruchtbare meeldraden met de helmdraden vergroeid; de overige
2 meeldraden alleen als kleine tandjes naast de vruchtbare meeldraden te
zien. Bloemsteelblaadjes onder den kelk spoedig afvallend
Tamarindus.
elkaar liggende slippen. Bloembladeren bijna gelijk, het bovenste soms wat
grooter dan de andere en in den knop de beide naburige bedekkend.
Meeldraden vrij, langer dan de bloembladeren. Bladeren even- of oneven
gevind Sweetia.
37a. Bladeren enkelvoudig, d. w. z. van het gevinde blad is alleen het
eindblaadje aanwezig. Kelk met 4 slippen. Bloembladeren 1 of 1 groote en
2 kleinere ernaast. Meeldraden 9 Palovea.
37b. Bladeren gevind 38
38a. Bloembladeren 1, groot, soms met nog eenige kleine schubben ernaast
39
38b. Drie groote bloembladeren, soms nog met 2 kleine schubben
40
39a. Meeldraden 10 alle met helmknoppen of 5 met, en 5 zonder
helmknoppen. Het bloemblad zittend, zeer breed. Peul vaak langgesteeld en
hangend, plat, breed en min of meer roodbruin en kortbehaard
Eperua. W a l a b a , B i j l h o u t .
39b. Meeldraden 10 of minder,
daarvan 3 met helmknoppen en 7 of minder zonder helmknoppen. Het
bloemblad is genageld, in de knop samengevouwen, later min of meer
helmvormig, de andere 2 of 4 bloembladeren zijn schubvormig
Macrolobium.
40a. Meeldraden 2, ongelijk met korte dikke
helmdraden, en dikke helmknoppen, die aan den top openspringen. Kelk
met 5 slippen. Bladeren onevengevind met weinig blaadjes
Dicorynia. B a s r a - l o k u s .
40b. Meeldraden 3 of meer; kelk met 4
slippen 41
41a. De 3 vruchtbare meeldraden met de helmdraden vergroeid; de overige
2 meeldraden alleen als kleine tandjes naast de vruchtbare meeldraden te
zien. Bloemsteelblaadjes onder den kelk spoedig afvallend
Tamarindus.
Page 211
41b. Meeldraden 9, helmdraden alle met elkaar vergroeid tot een gespleten
buis; helmdraden van boven vrij, 3 zeer lang met helmknoppen, de 6 andere
korter en ongelijk met leege helmknoppen of zonder helmknoppen. De vier
kelkbladeren groot, bloembladachtig. Bloemsteelblaadjes onder den kelk
tijdens den bloei blijvend Heterostemon.
42a. Blaadjes slechts 3 per blad, of één, of soms (Crotalaria) meer dan 3
blaadjes maar dan handvormig samengesteld 43
42b. Bladeren oneven gevind en dan 5 of meer blaadjes of even gevind, en
dan één- tot meerjukkig 61
43a. Boomen of groote niet klimmende heester 44
43b. Kleine, soms wat houtachtige, liggende of klimmende kruiden, of
lianen 45
44a. Stam en takken vaak met stekels bezet. Blaadjes met kliervormige
korte stipellen aan den voet, het eindblaadje breed, min of meer ruitvormig,
de beide zijblaadjes scheef; bloemen lang en smal; vlag veel langer dan de
kiel. Bloem meest vuurrood in trossen Erythrina. K o f f i e - m a m a .
44b. Slechts 1 blaadje aanwezig met 2 stipellen aan den voet.
Vruchtbeginsel met vele zaadknoppen. Peul cirkelrond, vliezig met 1–3
zaden. Helmdraad aan den rug der helmknoppen vastzittend
Cyclolobium.
44c. Drie of één blaadje, doch steeds zonder stipellen.
Indien er 5 blaadjes aanwezig zijn, dan heeft diezelfde boom ook takken
waar maar 3 of 1 blaadje per blad voorkomen. Blaadjes niet
tegenoverstaand. Vruchtbeginsel met 2 zaadknoppen. Peul cirkelrond of
eirond met 1 zaad, leerachtig, niet openspringend Dalbergia.
45a. Bloemen zeer groot, de kiel opvallend grooter dan de vlag, met een
gekromde hoornachtige lange punt. De 10de meeldraad geheel vrij, de
overige meeldraden afwisselend langer en korter; vlag met 2 oortjes aan de
basis. Peul dik, vaak met stijve brandharen Mucuna.
buis; helmdraden van boven vrij, 3 zeer lang met helmknoppen, de 6 andere
korter en ongelijk met leege helmknoppen of zonder helmknoppen. De vier
kelkbladeren groot, bloembladachtig. Bloemsteelblaadjes onder den kelk
tijdens den bloei blijvend Heterostemon.
42a. Blaadjes slechts 3 per blad, of één, of soms (Crotalaria) meer dan 3
blaadjes maar dan handvormig samengesteld 43
42b. Bladeren oneven gevind en dan 5 of meer blaadjes of even gevind, en
dan één- tot meerjukkig 61
43a. Boomen of groote niet klimmende heester 44
43b. Kleine, soms wat houtachtige, liggende of klimmende kruiden, of
lianen 45
44a. Stam en takken vaak met stekels bezet. Blaadjes met kliervormige
korte stipellen aan den voet, het eindblaadje breed, min of meer ruitvormig,
de beide zijblaadjes scheef; bloemen lang en smal; vlag veel langer dan de
kiel. Bloem meest vuurrood in trossen Erythrina. K o f f i e - m a m a .
44b. Slechts 1 blaadje aanwezig met 2 stipellen aan den voet.
Vruchtbeginsel met vele zaadknoppen. Peul cirkelrond, vliezig met 1–3
zaden. Helmdraad aan den rug der helmknoppen vastzittend
Cyclolobium.
44c. Drie of één blaadje, doch steeds zonder stipellen.
Indien er 5 blaadjes aanwezig zijn, dan heeft diezelfde boom ook takken
waar maar 3 of 1 blaadje per blad voorkomen. Blaadjes niet
tegenoverstaand. Vruchtbeginsel met 2 zaadknoppen. Peul cirkelrond of
eirond met 1 zaad, leerachtig, niet openspringend Dalbergia.
45a. Bloemen zeer groot, de kiel opvallend grooter dan de vlag, met een
gekromde hoornachtige lange punt. De 10de meeldraad geheel vrij, de
overige meeldraden afwisselend langer en korter; vlag met 2 oortjes aan de
basis. Peul dik, vaak met stijve brandharen Mucuna.
Page 212
45b. Kiel even groot als, of kleiner dan de vlag 46
46a. Vlag cirkelrond, van achteren boven de nagel met een spoor of
knobbel. Klimmende of liggende kruiden met 3 of 1 blaadje met stipellen.
De 10de meeldraad meest een weinig met de andere verbonden.
Bloemsteelblaadjes groot, tegen de kelk aangedrukt Centrosema.
46b. Vlag van achteren zonder spoor of knobbel 47
47a. Blaadjes zonder stipellen. (Zie ook Cajanus met zeer kleine stipellen)
48
47b. Blaadjes met stipellen
51
de
48a. De 10 meeldraad geheel vrij, even boven de basis plaatselijk
verbreed 49
48b. Alle 10 meeldraden vergroeid met elkaar, buis der helmdraden open of
gesloten 50
49a. De navelvlek van het zaad is rond of slechts weinig verlengd; de
zaadstreng zit in het midden er van vastgehecht. Klimplanten met breede
blaadjes en korte 1- of 2-zadige peulen Rhynchosia.
49b. De navelvlek van het zaad is smal en langwerpig en de zaadstreng zit
aan het eind er van ingehecht. Planten meest niet klimmend, vaak vrij sterk
behaard met lange en smalle blaadjes. Peulen als de vorige Eriosema.
50a. Kruiden of kleine heesters met ruwe of kleverige haren bezet.
Blaadjes steeds 3, zeer smal en meest niet grooter dan 2 cM., vaak zelfs
veel kleiner. Bloemen in dichte aren. Vruchtbeginsel met 2–3 zaadknoppen;
peul met 1 of 2 zaden, indien er 2 zaden aanwezig zijn dan is de peul
ingesnoerd tusschen de zaden en valt hij in 2 stukken uiteen. Peul met een
haakje aan den top Stylosanthes.
50b. Planten meest kaal; blaadjes steeds grooter dan 2 cM., vaak
alleenstaand, meest 3 bij elkaar, soms ook 5 of meer, handvormig. Bloemen
46a. Vlag cirkelrond, van achteren boven de nagel met een spoor of
knobbel. Klimmende of liggende kruiden met 3 of 1 blaadje met stipellen.
De 10de meeldraad meest een weinig met de andere verbonden.
Bloemsteelblaadjes groot, tegen de kelk aangedrukt Centrosema.
46b. Vlag van achteren zonder spoor of knobbel 47
47a. Blaadjes zonder stipellen. (Zie ook Cajanus met zeer kleine stipellen)
48
47b. Blaadjes met stipellen
51
de
48a. De 10 meeldraad geheel vrij, even boven de basis plaatselijk
verbreed 49
48b. Alle 10 meeldraden vergroeid met elkaar, buis der helmdraden open of
gesloten 50
49a. De navelvlek van het zaad is rond of slechts weinig verlengd; de
zaadstreng zit in het midden er van vastgehecht. Klimplanten met breede
blaadjes en korte 1- of 2-zadige peulen Rhynchosia.
49b. De navelvlek van het zaad is smal en langwerpig en de zaadstreng zit
aan het eind er van ingehecht. Planten meest niet klimmend, vaak vrij sterk
behaard met lange en smalle blaadjes. Peulen als de vorige Eriosema.
50a. Kruiden of kleine heesters met ruwe of kleverige haren bezet.
Blaadjes steeds 3, zeer smal en meest niet grooter dan 2 cM., vaak zelfs
veel kleiner. Bloemen in dichte aren. Vruchtbeginsel met 2–3 zaadknoppen;
peul met 1 of 2 zaden, indien er 2 zaden aanwezig zijn dan is de peul
ingesnoerd tusschen de zaden en valt hij in 2 stukken uiteen. Peul met een
haakje aan den top Stylosanthes.
50b. Planten meest kaal; blaadjes steeds grooter dan 2 cM., vaak
alleenstaand, meest 3 bij elkaar, soms ook 5 of meer, handvormig. Bloemen
Page 213
in losse trossen. Buis der helmdraden van boven open. Vruchtbeginsel met
meerdere zaadknoppen. Peul opgeblazen Crotalaria.
51a. Bloeistengel bezet met korte, (1–2 mM.) dikke, gekromde zijtakjes,
waarop de gesteelde bloemen groepsgewijs ingehecht zijn 52
51b. Bloeistengels zonder dergelijke verdikte en korte zijtakjes 58
52a. Stijl aan de binnenzijde over de geheele lengte lang behaard 53
52b. Stijl kaal, soms alleen van onderen wat behaard 55
53a. Kiel spiraalvormig opgerold. Vlag met kleine oortjes aan de basis, in
het midden met overlangsche verdikkingen. De 10de meeldraad vrij, aan de
basis wat verdikt. Klimplanten met bloemtrossen in de oksels van de
bladeren Phaseolus.
53b. Kiel niet in een spiraal opgerold 54
54a. Stempel zeer scheef naar de binnenzijde langs de stijl afloopend.
Bloemen aan het eind van den bloeistengel dicht opeenzittend Vigna.
54b. Stempel eindelingsch, niet scheef. Bloemen min of meer groepsgewijs
langs den bloeistengel verspreid Dolichos.
55a. De 10de meeldraad geheel vrij van de 9 anderen 56
55b. De 10de meeldraad alleen aan de basis vrij, hooger op met de 9
anderen in een buis vergroeid 57
56a. Bovenste kelkslip 2-tandig of 2-spletig, dus er zijn 5 kelkslippen
voorhanden. Vlag met naar binnen gebogen oortjes. Peul smal en lang.
Klimmende kruiden of heesters. Bloemen blauw of violet
Calopogonium.
56b. Bovenste kelkslip niet ingesneden, dus in het
geheel maar 4 kelkslippen. Vlag met zeer kleine oortjes of zonder oortjes.
Planten klimmend of rechtopstaand Galactia.
meerdere zaadknoppen. Peul opgeblazen Crotalaria.
51a. Bloeistengel bezet met korte, (1–2 mM.) dikke, gekromde zijtakjes,
waarop de gesteelde bloemen groepsgewijs ingehecht zijn 52
51b. Bloeistengels zonder dergelijke verdikte en korte zijtakjes 58
52a. Stijl aan de binnenzijde over de geheele lengte lang behaard 53
52b. Stijl kaal, soms alleen van onderen wat behaard 55
53a. Kiel spiraalvormig opgerold. Vlag met kleine oortjes aan de basis, in
het midden met overlangsche verdikkingen. De 10de meeldraad vrij, aan de
basis wat verdikt. Klimplanten met bloemtrossen in de oksels van de
bladeren Phaseolus.
53b. Kiel niet in een spiraal opgerold 54
54a. Stempel zeer scheef naar de binnenzijde langs de stijl afloopend.
Bloemen aan het eind van den bloeistengel dicht opeenzittend Vigna.
54b. Stempel eindelingsch, niet scheef. Bloemen min of meer groepsgewijs
langs den bloeistengel verspreid Dolichos.
55a. De 10de meeldraad geheel vrij van de 9 anderen 56
55b. De 10de meeldraad alleen aan de basis vrij, hooger op met de 9
anderen in een buis vergroeid 57
56a. Bovenste kelkslip 2-tandig of 2-spletig, dus er zijn 5 kelkslippen
voorhanden. Vlag met naar binnen gebogen oortjes. Peul smal en lang.
Klimmende kruiden of heesters. Bloemen blauw of violet
Calopogonium.
56b. Bovenste kelkslip niet ingesneden, dus in het
geheel maar 4 kelkslippen. Vlag met zeer kleine oortjes of zonder oortjes.
Planten klimmend of rechtopstaand Galactia.
Page 214
57a. Kelk met 4 bijna gelijke slippen. Vlag met naar binnen geslagen
oortjes bij den basis. Alle helmknoppen gelijk of 5 met zeer kleine en
stuifmeellooze helmknoppen. Peul vaak kort en breed, hard en leerachtig.
Hoog klimmende heesters met de bloemen in trossen. De zijtakjes van den
bloeistengel vaak wat verlengd en haakvormig gebogen Dioclea.
57b. Kelk duidelijk tweelippig, de bovenlip het grootst, met 1 of 2 slippen;
de onderlip veel kleiner, 3-tandig of gaafrandig. Vlag met of zonder oortjes.
Kiel soms met een iets gedraaide snavel. Peul tamelijk dunwandig.
Knoppen van den bloeistengel niet opvallend groot Canavalia.
58a. Peulen zeer plat en dun, klein, tusschen de zaden smaller en op die
plaatsen brekend, zoodat de peul in vele eenzadige stukken uiteenvalt.
Bloemen meest zeer klein. De 10de meeldraad aan de basis vrij, naar boven
met de anderen vergroeid. Kruiden of kleine heesters. Blaadjes 3 of 1.
Bloemen in enkelvoudige of wat vertakte trosvormige bloeiwijzen
Desmodium.
58b. Peulen niet plat, of als ze plat zijn niet tusschen de
zaden versmald en niet in stukken uiteenvallend 59
59a. Bladeren met één blaadje, onder aan den stengel bijna cirkelrond, naar
boven langwerpig. Bloemen klein; de 10de meeldraad geheel los. Peul bijna
rolrond, niet of nauwelijks tusschen de zaden ingesnoerd. Bloemen in
kleine trossen. Groote steunbladeren Alysicarpus.
59b. Blaadjes 3 60
60a. Stijl aan de binnenzijde behaard. Vlag groot, aan den top ingesneden.
De 10de meeldraad vrij of met de andere min of meer vergroeid.
Klimmende kruiden of lianen, in het laatste geval komen de bloemen soms
uit het hout te voorschijn Clitoria.
60b. Stijl kaal. Vlag teruggebogen, cirkelrond met naar binnen gekeerde
oortjes aan de basis. 10de meeldraad geheel vrij. Peul lang en vrij smal, lang
toegespitst, met dikke zaden die scheef liggen ten opzichte van de
oortjes bij den basis. Alle helmknoppen gelijk of 5 met zeer kleine en
stuifmeellooze helmknoppen. Peul vaak kort en breed, hard en leerachtig.
Hoog klimmende heesters met de bloemen in trossen. De zijtakjes van den
bloeistengel vaak wat verlengd en haakvormig gebogen Dioclea.
57b. Kelk duidelijk tweelippig, de bovenlip het grootst, met 1 of 2 slippen;
de onderlip veel kleiner, 3-tandig of gaafrandig. Vlag met of zonder oortjes.
Kiel soms met een iets gedraaide snavel. Peul tamelijk dunwandig.
Knoppen van den bloeistengel niet opvallend groot Canavalia.
58a. Peulen zeer plat en dun, klein, tusschen de zaden smaller en op die
plaatsen brekend, zoodat de peul in vele eenzadige stukken uiteenvalt.
Bloemen meest zeer klein. De 10de meeldraad aan de basis vrij, naar boven
met de anderen vergroeid. Kruiden of kleine heesters. Blaadjes 3 of 1.
Bloemen in enkelvoudige of wat vertakte trosvormige bloeiwijzen
Desmodium.
58b. Peulen niet plat, of als ze plat zijn niet tusschen de
zaden versmald en niet in stukken uiteenvallend 59
59a. Bladeren met één blaadje, onder aan den stengel bijna cirkelrond, naar
boven langwerpig. Bloemen klein; de 10de meeldraad geheel los. Peul bijna
rolrond, niet of nauwelijks tusschen de zaden ingesnoerd. Bloemen in
kleine trossen. Groote steunbladeren Alysicarpus.
59b. Blaadjes 3 60
60a. Stijl aan de binnenzijde behaard. Vlag groot, aan den top ingesneden.
De 10de meeldraad vrij of met de andere min of meer vergroeid.
Klimmende kruiden of lianen, in het laatste geval komen de bloemen soms
uit het hout te voorschijn Clitoria.
60b. Stijl kaal. Vlag teruggebogen, cirkelrond met naar binnen gekeerde
oortjes aan de basis. 10de meeldraad geheel vrij. Peul lang en vrij smal, lang
toegespitst, met dikke zaden die scheef liggen ten opzichte van de
Page 215
lengterichting der peul, tusschen de zaden met ingedrukte scheeve
dwarslijnen Cajanus.
61a. Bladeren met slechts 1 paar blaadjes, zonder stipellen. Vlag bijna
cirkelrond. Meeldraden alle vergroeid, 9 of 10, 5 langer of korter dan de
andere. Peul uit geledingen bestaande, met borstelvormige haren bezet.
Kleine kruiden Zornia.
61b. Meer dan 2 blaadjes aan elk blad 62
62a. Bladen even gevind, 2-jukkig, dus in het geheel 4 blaadjes. Kelk met
een lange buis, die schijnbaar de bloemsteel is, onder in de buis zit het
vruchtbeginsel, van boven is de buis verwijd tot de gewone vorm van een
kelk. Bloemen geel. Meeldraden 9 of 10, alle vergroeid, afwisselend grooter
en kleiner. Peul dik en kort met 1–3 zaden, in de aarde rijp wordend
Arachis. P i n d a .
62b. Bladeren meerjukkig, even of oneven gevind.
Kelk niet in een lange buis verlengd 63
63a. Peulen gesteeld, klein, plat, recht, gekromd of zelfs spiraalvormig
opgerold in eenzadige stukken uiteenvallend, tusschen de zaden smaller,
met 2 tot vele zaden, vaak behaard of met kleine stekeltjes. Meeldraden
vergroeid in een aan één of twee zijden gespleten buis. Liggende of
rechtopstaande kruiden of kleine heesters met even- of oneven-gevinde
bladeren met kleine blaadjes. Bloemen klein, geel of purper geaderd, in
trossen Aeschynomene.
63b. Peulen niet plat en in stukken uiteenvallend, of indien ze in stukken
uiteenvallen (Chaetocalyx) dan niet tusschen de zaden ingesnoerd en de
kelk tevens met weinige borstelige haren bezet 64
64a. Bladeren even gevind (zonder eindblaadje) 65
64b. Bladeren oneven gevind (met eindblaadje) 66
65a. Kelk met 2 bloemsteelblaadjes aan den voet, met zeer korte tanden.
Vlag met een korte nagel, die tegen de helmdraden vastgegroeid is. Slechts
dwarslijnen Cajanus.
61a. Bladeren met slechts 1 paar blaadjes, zonder stipellen. Vlag bijna
cirkelrond. Meeldraden alle vergroeid, 9 of 10, 5 langer of korter dan de
andere. Peul uit geledingen bestaande, met borstelvormige haren bezet.
Kleine kruiden Zornia.
61b. Meer dan 2 blaadjes aan elk blad 62
62a. Bladen even gevind, 2-jukkig, dus in het geheel 4 blaadjes. Kelk met
een lange buis, die schijnbaar de bloemsteel is, onder in de buis zit het
vruchtbeginsel, van boven is de buis verwijd tot de gewone vorm van een
kelk. Bloemen geel. Meeldraden 9 of 10, alle vergroeid, afwisselend grooter
en kleiner. Peul dik en kort met 1–3 zaden, in de aarde rijp wordend
Arachis. P i n d a .
62b. Bladeren meerjukkig, even of oneven gevind.
Kelk niet in een lange buis verlengd 63
63a. Peulen gesteeld, klein, plat, recht, gekromd of zelfs spiraalvormig
opgerold in eenzadige stukken uiteenvallend, tusschen de zaden smaller,
met 2 tot vele zaden, vaak behaard of met kleine stekeltjes. Meeldraden
vergroeid in een aan één of twee zijden gespleten buis. Liggende of
rechtopstaande kruiden of kleine heesters met even- of oneven-gevinde
bladeren met kleine blaadjes. Bloemen klein, geel of purper geaderd, in
trossen Aeschynomene.
63b. Peulen niet plat en in stukken uiteenvallend, of indien ze in stukken
uiteenvallen (Chaetocalyx) dan niet tusschen de zaden ingesnoerd en de
kelk tevens met weinige borstelige haren bezet 64
64a. Bladeren even gevind (zonder eindblaadje) 65
64b. Bladeren oneven gevind (met eindblaadje) 66
65a. Kelk met 2 bloemsteelblaadjes aan den voet, met zeer korte tanden.
Vlag met een korte nagel, die tegen de helmdraden vastgegroeid is. Slechts
Page 216
9 meeldraden aanwezig, vergroeid in een aan één zijde open buis; de buis
recht. Klimmende kruiden of dunne lianen, bladeren veeljukkig; in plaats
van het eindblaadje een smal steeltje. Bloemen in trossen. Peul vrij kort;
zaden vuurrood met een zwarte vlek Abrus. K o k r i k i .
65b. De bloemsteelblaadjes borstelvormig, meest vroeg afvallend. Negen
meeldraden vergroeid, de 10de vrij, alle bij de basis knievormig gebogen.
Peul smal, plat of rond, 4-kantig of 4-vleugelig. Planten niet klimmend
Sesbania.
66a. Rechtopstaande of klimmende kruiden
67
66b. Boomen of lianen, of groote niet-klimmende heesters met niet
openspringende peulen 70
67a. Bladeren 2–3-jukkig gevind, blaadjes met stipellen. Stijl aan de
binnenzijde behaard. Klimplant met groote blauwe bloemen Clitoria.
67b. Blaadjes zonder stipellen, soms met zeer kleine stipellen maar dan is
de plant geen klimplant en staan de bloemen in dichte trossen 68
68a. Klimmende kruiden met verspreide borstelvormige haren op den
stengel en op de kelk. De 10 meeldraden alle met elkaar vergroeid tot een
aan één zijde open buis. Peul zeer lang en dun, bijna rolrond, tusschen de
zaden ingesnoerd. Bloemen in armbloemige trossen in de bladoksels
Chaetocalyx.
68b. Rechtopstaande kruiden of kleine heesters
69
69a. Bloemen kleiner dan 1 cM. in korte dichtbloemige trossen.
Helmknoppen aan den top met een puntje. Stijl rolrond kaal. Peulen kort en
dik, rolrond, meest gekromd Indigofera. N i n g o , I n i n g o .
69b. Bloemen 1 cM. groot of grooter; in lange trossen. Helmknoppen niet
met een puntje aan den top. Stijl vlak, kaal of behaard. Peulen plat en recht.
Planten meest grijsbehaard Tephrosia.
70a. Kelk met een korte buis en met 2 lange en breede slippen, die den
bloemkroon ten deele inhullen. De overige slippen van de kelk kort en spits
recht. Klimmende kruiden of dunne lianen, bladeren veeljukkig; in plaats
van het eindblaadje een smal steeltje. Bloemen in trossen. Peul vrij kort;
zaden vuurrood met een zwarte vlek Abrus. K o k r i k i .
65b. De bloemsteelblaadjes borstelvormig, meest vroeg afvallend. Negen
meeldraden vergroeid, de 10de vrij, alle bij de basis knievormig gebogen.
Peul smal, plat of rond, 4-kantig of 4-vleugelig. Planten niet klimmend
Sesbania.
66a. Rechtopstaande of klimmende kruiden
67
66b. Boomen of lianen, of groote niet-klimmende heesters met niet
openspringende peulen 70
67a. Bladeren 2–3-jukkig gevind, blaadjes met stipellen. Stijl aan de
binnenzijde behaard. Klimplant met groote blauwe bloemen Clitoria.
67b. Blaadjes zonder stipellen, soms met zeer kleine stipellen maar dan is
de plant geen klimplant en staan de bloemen in dichte trossen 68
68a. Klimmende kruiden met verspreide borstelvormige haren op den
stengel en op de kelk. De 10 meeldraden alle met elkaar vergroeid tot een
aan één zijde open buis. Peul zeer lang en dun, bijna rolrond, tusschen de
zaden ingesnoerd. Bloemen in armbloemige trossen in de bladoksels
Chaetocalyx.
68b. Rechtopstaande kruiden of kleine heesters
69
69a. Bloemen kleiner dan 1 cM. in korte dichtbloemige trossen.
Helmknoppen aan den top met een puntje. Stijl rolrond kaal. Peulen kort en
dik, rolrond, meest gekromd Indigofera. N i n g o , I n i n g o .
69b. Bloemen 1 cM. groot of grooter; in lange trossen. Helmknoppen niet
met een puntje aan den top. Stijl vlak, kaal of behaard. Peulen plat en recht.
Planten meest grijsbehaard Tephrosia.
70a. Kelk met een korte buis en met 2 lange en breede slippen, die den
bloemkroon ten deele inhullen. De overige slippen van de kelk kort en spits
Page 217
of zeer klein. Vrucht een eironde eenigszins platte steenvrucht, niet
openspringend, met 1 zaad Dipteryx. T o n k a , S e r a p i .
70b. Alle kelkslippen vrijwel even groot 71
71a. Blaadjes van het blad in paren tegenover elkaar staand 72
71b. Blaadjes van het blad niet in paren, doch min of meer onregelmatig
langs de bladsteel verspreid 76
72a. Vrucht een ronde of eironde steenvrucht 73
72b. Vrucht vliezig, leerachtig of houtig, plat of gevleugeld, in geen geval
een steenvrucht, doch ook niet openspringend 74
73a. Kelk bekervormig met zeer kleine tanden. Bloemen meest violet. Vlag
lang genageld. De 10de meeldraad vrij. Bloemen in pluimen. Boomen
Andira.
73b. Kelk met duidelijke spitse tanden. Bloemen geel.
Overigens als de vorige Geoffraea.
74a. Peul aan de bovennaad gevleugeld, dun of leerachtig. Bloemen
witgeel, in lange dichte trossen. Blaadjes meest 5 per blad, kelk met korte
tanden. De 10de meeldraad aan de basis vrij. Lianen Derris.
74b. Peul ongevleugeld 75
75a. Peul plat, min of meer verlengd, vliezig of leerachtig. Kelk met zeer
korte tanden of zonder tanden. De 10de meeldraad aan de basis alleen vrij.
Vlag vaak behaard. Boomen of lianen met meerjukkige bladeren, blaadjes
soms met doorschijnende puntjes Lonchocarpus.
75b. Peul rolrond, tusschen de zaden smaller, soms maar 1 zaad aanwezig
en dan is de peul ongeveer bolvormig. Bloemen als de vorige. Boom, 5
blaadjes per blad Müllera.
openspringend, met 1 zaad Dipteryx. T o n k a , S e r a p i .
70b. Alle kelkslippen vrijwel even groot 71
71a. Blaadjes van het blad in paren tegenover elkaar staand 72
71b. Blaadjes van het blad niet in paren, doch min of meer onregelmatig
langs de bladsteel verspreid 76
72a. Vrucht een ronde of eironde steenvrucht 73
72b. Vrucht vliezig, leerachtig of houtig, plat of gevleugeld, in geen geval
een steenvrucht, doch ook niet openspringend 74
73a. Kelk bekervormig met zeer kleine tanden. Bloemen meest violet. Vlag
lang genageld. De 10de meeldraad vrij. Bloemen in pluimen. Boomen
Andira.
73b. Kelk met duidelijke spitse tanden. Bloemen geel.
Overigens als de vorige Geoffraea.
74a. Peul aan de bovennaad gevleugeld, dun of leerachtig. Bloemen
witgeel, in lange dichte trossen. Blaadjes meest 5 per blad, kelk met korte
tanden. De 10de meeldraad aan de basis vrij. Lianen Derris.
74b. Peul ongevleugeld 75
75a. Peul plat, min of meer verlengd, vliezig of leerachtig. Kelk met zeer
korte tanden of zonder tanden. De 10de meeldraad aan de basis alleen vrij.
Vlag vaak behaard. Boomen of lianen met meerjukkige bladeren, blaadjes
soms met doorschijnende puntjes Lonchocarpus.
75b. Peul rolrond, tusschen de zaden smaller, soms maar 1 zaad aanwezig
en dan is de peul ongeveer bolvormig. Bloemen als de vorige. Boom, 5
blaadjes per blad Müllera.
Page 218
76a. Helmknoppen eindelings, klein, helmdraad aan de basis ervan
ingehecht. Peul met weinige zaden of met 1 zaad, min of meer verlengd.
Bloem klein Dalbergia.
76b. Helmdraden aan de rugzijde van de helmknop ingehecht 77
77a. Peul langwerpig, naar den top in een smallen, geaderde vleugel
overgaand aan de basis met 1 zaad. Kelk met korte tanden. Vlag van buiten
meest behaard. Boomen of klimmende heesters vaak met doornige
steunbladeren Machaerium.
77b. Peul leerachtig, langwerpig en sikkelvormig of bijna in een cirkel
gekromd, ongevleugeld. Bloemen als de vorige. Vlag steeds van buiten
behaard. Steunbladeren vaak doornig Drepanocarpus.
77c. Peul bijna cirkelrond, min of meer gevleugeld. Vlag kaal 78
78a. Kelk naar den voet versmald, duidelijk getand. Bloemen geel, soms
met een violette vlek op den vlag in trossen. Peul rondom gevleugeld
Pterocarpus.
78b. Kelk klokvormig, met zeer kleine tanden. Bloemen
violet in pluimen. Peul alleen aan de bovenzijde gevleugeld Vatairea.
Orde: Geraniales.
130. Oxalidaceae.
Bloemen 5-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, zelden vrouwelijk, zonder discus;
meeldraden 10, van onderen vergroeid; vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 tot vele
zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een bes; meest overblijvende
kruiden, zelden houtige planten met meest samengestelde bladeren met of zonder
steunbladeren.
1a. Kruiden met 3-tallige bladeren, het eindblaadje langer gesteeld.
Meeldraden 10, afwisselend langer en korter; vrucht een doosvrucht
Oxalis.
ingehecht. Peul met weinige zaden of met 1 zaad, min of meer verlengd.
Bloem klein Dalbergia.
76b. Helmdraden aan de rugzijde van de helmknop ingehecht 77
77a. Peul langwerpig, naar den top in een smallen, geaderde vleugel
overgaand aan de basis met 1 zaad. Kelk met korte tanden. Vlag van buiten
meest behaard. Boomen of klimmende heesters vaak met doornige
steunbladeren Machaerium.
77b. Peul leerachtig, langwerpig en sikkelvormig of bijna in een cirkel
gekromd, ongevleugeld. Bloemen als de vorige. Vlag steeds van buiten
behaard. Steunbladeren vaak doornig Drepanocarpus.
77c. Peul bijna cirkelrond, min of meer gevleugeld. Vlag kaal 78
78a. Kelk naar den voet versmald, duidelijk getand. Bloemen geel, soms
met een violette vlek op den vlag in trossen. Peul rondom gevleugeld
Pterocarpus.
78b. Kelk klokvormig, met zeer kleine tanden. Bloemen
violet in pluimen. Peul alleen aan de bovenzijde gevleugeld Vatairea.
Orde: Geraniales.
130. Oxalidaceae.
Bloemen 5-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, zelden vrouwelijk, zonder discus;
meeldraden 10, van onderen vergroeid; vruchtbeginsel 5-hokkig met 1 tot vele
zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een bes; meest overblijvende
kruiden, zelden houtige planten met meest samengestelde bladeren met of zonder
steunbladeren.
1a. Kruiden met 3-tallige bladeren, het eindblaadje langer gesteeld.
Meeldraden 10, afwisselend langer en korter; vrucht een doosvrucht
Oxalis.
Page 219
1b. Boomen met oneven gevinde bladeren. Bloemen in trosjes uit de stam
of uit de houtige takken te voorschijn komend. Vrucht een bes
Averrhoa. B i r a m b i .
132. Linaceae.
Bloemen 5- tot 4-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; discus
ontbrekend; meeldraden 5–20, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, met 5
tot minder hokjes; 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een
steenvrucht; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren, met of
zonder steunbladeren.
Boomen of heesters met kleine bloemen in pluimen. Bladeren met een
dikke hoofdnerf en vele evenwijdige zijnerven, aan de basis langs de
bladsteel afloopend. Kelk- en bloembladeren 5, meeldraden 10,
vruchtbeginsel 5-hokkig met 5 stijlen Roucheria.
133. Humiriaceae.
Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; om het bovenstandige vruchtbeginsel een
bekervormige schijf, meeldraden 10 tot vele; vruchtbeginsel 5-hokkig, met één stijl; 1–2
zaadknoppen in elk hokje; vrucht een steenvrucht; boomen met verspreide enkelvoudige
bladeren met steunbladeren.
1a. Bladeren aan den voet geleidelijk in de gevleugelde bladsteel versmald,
aan den top afgerond, ingesneden of met een korte punt. Hoofdnerf met
vele dichte evenwijdige zijnerven. Meeldraden 20 met behaarde
helmknoppen, alle gelijk van vorm. Vruchtbeginsel met 1 stijl en een 5-
lobbige stempel, 5- of soms 4-hokkig met 2 zaadknoppen per hokje
Humiria. B a s r a - b o l l e t r i e .
1b. Bladeren aan den voet afgerond
of versmald maar niet geleidelijk langs de bladsteel afloopend, naar den top
toegespitst en versmald; soms aan den rand grof getand. Zijnerven niet
opvallend dicht bij elkaar. Meeldraden 10 of 20, soms met eenige
staminodiën ertusschen of soms zijn er 5 langere meeldraden aan den top 3-
of uit de houtige takken te voorschijn komend. Vrucht een bes
Averrhoa. B i r a m b i .
132. Linaceae.
Bloemen 5- tot 4-tallig, met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; discus
ontbrekend; meeldraden 5–20, aan de basis vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, met 5
tot minder hokjes; 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht of een
steenvrucht; kruiden of houtige planten met verspreide, enkelvoudige bladeren, met of
zonder steunbladeren.
Boomen of heesters met kleine bloemen in pluimen. Bladeren met een
dikke hoofdnerf en vele evenwijdige zijnerven, aan de basis langs de
bladsteel afloopend. Kelk- en bloembladeren 5, meeldraden 10,
vruchtbeginsel 5-hokkig met 5 stijlen Roucheria.
133. Humiriaceae.
Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; om het bovenstandige vruchtbeginsel een
bekervormige schijf, meeldraden 10 tot vele; vruchtbeginsel 5-hokkig, met één stijl; 1–2
zaadknoppen in elk hokje; vrucht een steenvrucht; boomen met verspreide enkelvoudige
bladeren met steunbladeren.
1a. Bladeren aan den voet geleidelijk in de gevleugelde bladsteel versmald,
aan den top afgerond, ingesneden of met een korte punt. Hoofdnerf met
vele dichte evenwijdige zijnerven. Meeldraden 20 met behaarde
helmknoppen, alle gelijk van vorm. Vruchtbeginsel met 1 stijl en een 5-
lobbige stempel, 5- of soms 4-hokkig met 2 zaadknoppen per hokje
Humiria. B a s r a - b o l l e t r i e .
1b. Bladeren aan den voet afgerond
of versmald maar niet geleidelijk langs de bladsteel afloopend, naar den top
toegespitst en versmald; soms aan den rand grof getand. Zijnerven niet
opvallend dicht bij elkaar. Meeldraden 10 of 20, soms met eenige
staminodiën ertusschen of soms zijn er 5 langere meeldraden aan den top 3-
Page 220
tandig met 3 helmknoppen. Helmknoppen kaal. Vruchtbeginsel 5-hokkig
met 1 zaadknop in elk hokje Saccoglottis.
134. Erythroxylaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; geen schijf;
bloembladeren aan de binnenzijde met een aanhangsel of een lijst; meeldraden 10, aan de
basis vergroeid; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1–2 zaadknoppen; vrucht een steenvrucht;
heesters met verspreide, enkelvoudige bladeren, met steunbladeren.
Boomen of meestal heesters met takken, die vaak met een groot aantal
schubben bedekt zijn. Kelkbladeren 5, bloembladeren 5, aan de binnenzijde
met een 2-spletig schubje. Meeldraden 10, aan de basis tot een buis
vergroeid. Vruchtbeginsel met 3 stijlen, die vaak aan de basis wat vergroeid
zijn. Vrucht een eenzadige bes Erythroxylon.
135. Zygophyllaceae.
Bloemen 5–4-tallig met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, regelmatig; schijf ringvormig of
als gynophoor ontwikkeld; meeldraden 10–8, zelden 15, aan de basis vaak met schubjes;
vruchtbeginsel 5–2-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl hoekig of gegroefd;
meest een doosvrucht of een splitvrucht, zelden een bes; meest heesters of boomen, zelden
kruiden met tegenoverstaande of soms verspreide, gevinde bladeren, met steunbladeren.
Boomen met tegenoverstaande even-gevinde, 2-jukkige bladeren. Bloemen
met 5 kelkbladeren en 5 blauwe bloembladeren, 10 evenlange meeldraden,
een tweehokkig vruchtbeginsel met vele zaadknoppen en 1 stijl, en een
platte, eenigszins hartvormige door den stijlrest gekroonde vrucht, met één
zaad in elk hokje Guajacum.
137. Rutaceae.
met 1 zaadknop in elk hokje Saccoglottis.
134. Erythroxylaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig; geen schijf;
bloembladeren aan de binnenzijde met een aanhangsel of een lijst; meeldraden 10, aan de
basis vergroeid; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1–2 zaadknoppen; vrucht een steenvrucht;
heesters met verspreide, enkelvoudige bladeren, met steunbladeren.
Boomen of meestal heesters met takken, die vaak met een groot aantal
schubben bedekt zijn. Kelkbladeren 5, bloembladeren 5, aan de binnenzijde
met een 2-spletig schubje. Meeldraden 10, aan de basis tot een buis
vergroeid. Vruchtbeginsel met 3 stijlen, die vaak aan de basis wat vergroeid
zijn. Vrucht een eenzadige bes Erythroxylon.
135. Zygophyllaceae.
Bloemen 5–4-tallig met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, regelmatig; schijf ringvormig of
als gynophoor ontwikkeld; meeldraden 10–8, zelden 15, aan de basis vaak met schubjes;
vruchtbeginsel 5–2-hokkig, met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl hoekig of gegroefd;
meest een doosvrucht of een splitvrucht, zelden een bes; meest heesters of boomen, zelden
kruiden met tegenoverstaande of soms verspreide, gevinde bladeren, met steunbladeren.
Boomen met tegenoverstaande even-gevinde, 2-jukkige bladeren. Bloemen
met 5 kelkbladeren en 5 blauwe bloembladeren, 10 evenlange meeldraden,
een tweehokkig vruchtbeginsel met vele zaadknoppen en 1 stijl, en een
platte, eenigszins hartvormige door den stijlrest gekroonde vrucht, met één
zaad in elk hokje Guajacum.
137. Rutaceae.
Page 221
Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, zelden éénslachtig, regelmatig of zygomorf; schijf ring-
of kussenvormig, soms bekervormig; meeldraden evenveel of tweemaal zooveel als
bloembladeren, soms wat minder, zelden talrijk; vruchtbeginsel bovenstandig, meerhokkig
soms 5–3, die een weinig met elkaar vergroeid zijn, met 2 tot vele zaadknoppen; meest
boomen en heesters met verspreide of tegenoverstaande enkelvoudige of samengestelde
bladeren.
1a. Kelkbladeren 5, zeer ongelijk van grootte, de beide buitenste het grootst
en daarvan één veel grooter dan de bloemkroon en deze en de rest van de
kelk omhullend. Bloemkroon zijdelings-symmetrisch-sympetaal.
Vruchtbare meeldraden 2. Vrucht in 5–1 tweezadige nootjes uiteenvallend
Monniera.
1b. Kelk niet grooter dan de bloemkroon
2
2a. Bloembladeren in een lange buis vergroeid
3
2b. Bloembladeren vrij of bijna vrij
4
3a. Bloemen volkomen regelmatig. Kelk klein 5-tandig;
bloembladeren 5, vergroeid. Meeldraden 5, alle met helmknoppen, in een
buis vergroeid, die bijna geheel met de bloemkroon samenhangt.
Helmknoppen met een 2-lobbig aanhangsel aan de basis. Bladeren 3-tallig
Ticorea.
3b. Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch;
bloemkroonbuis recht of gekromd. Meeldraden 5–8, ten deele onvruchtbaar,
overigens als de vorige Galipea.
4a. Bloemen 3–4-tallig met 6 meeldraden. Vruchtbeginsel 3-hokkig met 1
zaadknop in elk hokje. Heester met 3-tallige bladeren, in de bladoksel een
doorn. Vrucht een bes Triphasia.
4b. Bloemen 4–5-tallig, meeldraden meest meer dan 5, vaak de helmdraden
min of meer met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel 5- tot meer-hokkig met
meerdere zaadknoppen in elk hokje. Bladeren enkelvoudig of 3-tallig, vaak
met doornen in den oksel Citrus.
of kussenvormig, soms bekervormig; meeldraden evenveel of tweemaal zooveel als
bloembladeren, soms wat minder, zelden talrijk; vruchtbeginsel bovenstandig, meerhokkig
soms 5–3, die een weinig met elkaar vergroeid zijn, met 2 tot vele zaadknoppen; meest
boomen en heesters met verspreide of tegenoverstaande enkelvoudige of samengestelde
bladeren.
1a. Kelkbladeren 5, zeer ongelijk van grootte, de beide buitenste het grootst
en daarvan één veel grooter dan de bloemkroon en deze en de rest van de
kelk omhullend. Bloemkroon zijdelings-symmetrisch-sympetaal.
Vruchtbare meeldraden 2. Vrucht in 5–1 tweezadige nootjes uiteenvallend
Monniera.
1b. Kelk niet grooter dan de bloemkroon
2
2a. Bloembladeren in een lange buis vergroeid
3
2b. Bloembladeren vrij of bijna vrij
4
3a. Bloemen volkomen regelmatig. Kelk klein 5-tandig;
bloembladeren 5, vergroeid. Meeldraden 5, alle met helmknoppen, in een
buis vergroeid, die bijna geheel met de bloemkroon samenhangt.
Helmknoppen met een 2-lobbig aanhangsel aan de basis. Bladeren 3-tallig
Ticorea.
3b. Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch;
bloemkroonbuis recht of gekromd. Meeldraden 5–8, ten deele onvruchtbaar,
overigens als de vorige Galipea.
4a. Bloemen 3–4-tallig met 6 meeldraden. Vruchtbeginsel 3-hokkig met 1
zaadknop in elk hokje. Heester met 3-tallige bladeren, in de bladoksel een
doorn. Vrucht een bes Triphasia.
4b. Bloemen 4–5-tallig, meeldraden meest meer dan 5, vaak de helmdraden
min of meer met elkaar vergroeid. Vruchtbeginsel 5- tot meer-hokkig met
meerdere zaadknoppen in elk hokje. Bladeren enkelvoudig of 3-tallig, vaak
met doornen in den oksel Citrus.
Page 222
4c. Bloemen geheel 5-tallig, groot, sterk riekend, meeldraden 10, geheel
vrij; bladeren gevind meest met meer dan 3 blaadjes; vruchtbeginsel meest
2-hokkig, zelden 3–5-hokkig Murraya. L i m o n i a .
138. Simarubaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 4–5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig,
regelmatig; schijf aanwezig; meeldraden 10 of 5, zelden vele; vruchtbeginsels 5, min of
meer met elkaar vergroeid tot een bovenstandig, 5-hokkig vruchtbeginsel; boomen of
heesters met verspreide of tegenoverstaande, zelden enkelvoudige, meest gevinde bladeren
zonder steunbladeren.
1a. Boomen of heesters met kleine witte of geelachtige bloemen in
pluimen. Bladen gevind. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10, aan de
basis met schubben, die min of meer vergroeid zijn. Vruchtbeginsel 4- of 5-
hokkig op een schijf gezeten, met één stijl. Vrucht uit 4–5 deelvruchten
bestaande Simaba.
1b. Heesters of kleine boomen met groote roode bloemen, 5-tallig met een
lange bloemkroon. Meeldraden aan de basis met dicht behaarde schubben.
Bladeren gevind, bladsteel gevleugeld. Vrucht als de vorige
Quassia. K w a s s i - b i t a .
139. Burseraceae.
Bloemen 5- of 4-tallig, met 5 of 10 meeldraden, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig,
regelmatig; schijf aanwezig; vruchtbeginsel 5–3-hokkig met 2 of 1 zaadknop in ieder
hokje; stijl 1; steenvrucht met 2–5 pitten of een doosvrucht; houtige planten met verspreide
drietallige of onevengevinde, zelden enkelvoudige bladeren en kleine bloemen.
1a. Bloemen 3-tallig. Kelk vergroeidbladig met 3 slippen. Bloemkroon
klokvormig met 3 spitse slippen. Meeldraden 6, aan de basis van een dikke
6-tandige schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 3-hokkig met korte stijl.
Bloemen meest polygaam, d. w. z. in de ♂ bloemen is het vruchtbeginsel
minder goed ontwikkeld, in de ♀ hebben de helmknoppen geen stuifmeel
vrij; bladeren gevind meest met meer dan 3 blaadjes; vruchtbeginsel meest
2-hokkig, zelden 3–5-hokkig Murraya. L i m o n i a .
138. Simarubaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 4–5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig,
regelmatig; schijf aanwezig; meeldraden 10 of 5, zelden vele; vruchtbeginsels 5, min of
meer met elkaar vergroeid tot een bovenstandig, 5-hokkig vruchtbeginsel; boomen of
heesters met verspreide of tegenoverstaande, zelden enkelvoudige, meest gevinde bladeren
zonder steunbladeren.
1a. Boomen of heesters met kleine witte of geelachtige bloemen in
pluimen. Bladen gevind. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10, aan de
basis met schubben, die min of meer vergroeid zijn. Vruchtbeginsel 4- of 5-
hokkig op een schijf gezeten, met één stijl. Vrucht uit 4–5 deelvruchten
bestaande Simaba.
1b. Heesters of kleine boomen met groote roode bloemen, 5-tallig met een
lange bloemkroon. Meeldraden aan de basis met dicht behaarde schubben.
Bladeren gevind, bladsteel gevleugeld. Vrucht als de vorige
Quassia. K w a s s i - b i t a .
139. Burseraceae.
Bloemen 5- of 4-tallig, met 5 of 10 meeldraden, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig,
regelmatig; schijf aanwezig; vruchtbeginsel 5–3-hokkig met 2 of 1 zaadknop in ieder
hokje; stijl 1; steenvrucht met 2–5 pitten of een doosvrucht; houtige planten met verspreide
drietallige of onevengevinde, zelden enkelvoudige bladeren en kleine bloemen.
1a. Bloemen 3-tallig. Kelk vergroeidbladig met 3 slippen. Bloemkroon
klokvormig met 3 spitse slippen. Meeldraden 6, aan de basis van een dikke
6-tandige schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 3-hokkig met korte stijl.
Bloemen meest polygaam, d. w. z. in de ♂ bloemen is het vruchtbeginsel
minder goed ontwikkeld, in de ♀ hebben de helmknoppen geen stuifmeel
Page 223
1b. Bloemen 4- of 5-tallig Trattinickia.
2
2a. Bloembladeren niet of nauwelijks vergroeid. Bloemen
tweeslachtig of schijnbaar tweeslachtig. Meeldraden tweemaal zooveel als
bloembladeren. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig; vrucht meest scheef en
eenzadig. Bladeren gevind, soms alleen het eindblaadje aanwezig.
Protium. T i e n g i e - m o n n i e .
2b. Bloembladeren tot een
klokvormige bloemkroon vergroeid. Meeldraden 8–10, aan de basis van een
dikke schijf met 8–10 groeven ingehecht. Helmdraden zeer kort. Vrucht
meest rond, van buiten met 4–5 groeven, 4–5-hokkig met 1 zaad in elk
hokje. Bladeren gevind Tetragastris.
140. Meliaceae.
Bloemen 5-, zelden 4–7-tallig, meest met tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren,
soms evenveel meeldraden; meest tweeslachtig en regelmatig; bloeias plat of tot een
verschillend gevormde schijf uitgegroeid; kelk vaak vergroeidbladig, soms ook de
bloembladeren; meeldraden meest tot een buis vergroeid; vruchtbeginsel meest met
evenveel hokjes als er bloembladeren zijn, soms minder, met 1 stijl, en 1–2, zelden 4 tot
vele zaadknoppen; vrucht zeer verschillend van vorm; boomen of heesters met gevinde
bladeren zonder steunbladeren.
1a. Bladeren dubbelgevind. Bloemen in pluimen; kelk 5–6-deelig,
bloembladeren 5–6, veel langer dan de kelk. Meeldraden alle in een lange
buis vergroeid, die aan den mond 10–12 spitse tanden draagt, waartusschen
de helmknoppen ingehecht zijn Melia.
1b. Bladeren enkelgevind 2
2a. Meeldraden niet in een buis vergroeid; kelk 4–5-spletig; bloembladeren
4–5, aan de binnenzijde in het midden met een kiel of plaat, die aan de
lange schijf, waarop het vruchtbeginsel zit, is vastgegroeid. Meeldraden 4–
6, op den top van den schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Vrucht een
5-hokkige doosvrucht. Zaden gevleugeld. Blaadjes vaak scheef aan den
voet Cedrela. C e d e r .
2
2a. Bloembladeren niet of nauwelijks vergroeid. Bloemen
tweeslachtig of schijnbaar tweeslachtig. Meeldraden tweemaal zooveel als
bloembladeren. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig; vrucht meest scheef en
eenzadig. Bladeren gevind, soms alleen het eindblaadje aanwezig.
Protium. T i e n g i e - m o n n i e .
2b. Bloembladeren tot een
klokvormige bloemkroon vergroeid. Meeldraden 8–10, aan de basis van een
dikke schijf met 8–10 groeven ingehecht. Helmdraden zeer kort. Vrucht
meest rond, van buiten met 4–5 groeven, 4–5-hokkig met 1 zaad in elk
hokje. Bladeren gevind Tetragastris.
140. Meliaceae.
Bloemen 5-, zelden 4–7-tallig, meest met tweemaal zooveel meeldraden als bloembladeren,
soms evenveel meeldraden; meest tweeslachtig en regelmatig; bloeias plat of tot een
verschillend gevormde schijf uitgegroeid; kelk vaak vergroeidbladig, soms ook de
bloembladeren; meeldraden meest tot een buis vergroeid; vruchtbeginsel meest met
evenveel hokjes als er bloembladeren zijn, soms minder, met 1 stijl, en 1–2, zelden 4 tot
vele zaadknoppen; vrucht zeer verschillend van vorm; boomen of heesters met gevinde
bladeren zonder steunbladeren.
1a. Bladeren dubbelgevind. Bloemen in pluimen; kelk 5–6-deelig,
bloembladeren 5–6, veel langer dan de kelk. Meeldraden alle in een lange
buis vergroeid, die aan den mond 10–12 spitse tanden draagt, waartusschen
de helmknoppen ingehecht zijn Melia.
1b. Bladeren enkelgevind 2
2a. Meeldraden niet in een buis vergroeid; kelk 4–5-spletig; bloembladeren
4–5, aan de binnenzijde in het midden met een kiel of plaat, die aan de
lange schijf, waarop het vruchtbeginsel zit, is vastgegroeid. Meeldraden 4–
6, op den top van den schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Vrucht een
5-hokkige doosvrucht. Zaden gevleugeld. Blaadjes vaak scheef aan den
voet Cedrela. C e d e r .
Page 224
2b. Meeldraden in een buis vergroeid 3
3a. Blaadjes eenigszins gekromd en opvallend scheef aan den voet.
Kelkslippen afgerond aan den top. Buis der meeldraden met 10 tanden aan
den rand; helmknoppen of zeer korte helmdraden tusschen de tanden
ingevoegd. Vrucht een houtige, 5-kleppige doosvrucht met vele gevleugelde
zaden Swietenia.
3b. Blaadjes niet opvallend scheef aan den voet. Zaden niet gevleugeld
4
4a. Helmknoppen op den rand van de buis ingehecht, niet door de
buis ingesloten. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10. Schijf ontbrekend of
klein. Boomen of heesters. Vrucht 2–3-hokkig met 1 of 2 zaden per hokje
Trichilia.
4b. Helmknoppen meest aan de binnenzijde van de buis,
ingehecht, door de buis ingesloten 5
5a. Kelk- en bloemkroon 3–6-tallig, de bloemkroon vaak lang en van
buiten soms geelachtig of wit-behaard; de kelk bekervormig.
Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met 1–2 zaadknoppen per hokje. Vrucht met 4–
5 kleppen openspringend, met 1–2 zaden in elk hokje Guarea.
5b. Bloemen 4–5-tallig. Kelk bijna losbladig; bloemkroon kaal, kort,
evenals de buis der meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met meerdere
zaadknopjes per hokje, die in twee rijen boven elkaar zitten. Vrucht een
groote houtige doosvrucht met 6–8 zaden in elk hokje
Carapa. K r a p a .
141. Malpighiaceae.
Bloemen 5-tallig, met 10 meeldraden, meest tweeslachtig; bloemas bolvormig of vlak;
soms tot een gynophoor verlengd; kelk vaak met klieren; bloembladeren meest genageld;
van de meeldraden vaak eenige zonder stuifmeel of geheel afwezig; vruchtbeginsel meest
3-hokkig, zelden 2-, 4- of 5-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje, vrucht een splitvrucht,
met aan de rug openspringende deelvruchten, zelden een noot of een steenvrucht; bladeren
meest tegenoverstaand met klieren; steunbladeren aanwezig.
3a. Blaadjes eenigszins gekromd en opvallend scheef aan den voet.
Kelkslippen afgerond aan den top. Buis der meeldraden met 10 tanden aan
den rand; helmknoppen of zeer korte helmdraden tusschen de tanden
ingevoegd. Vrucht een houtige, 5-kleppige doosvrucht met vele gevleugelde
zaden Swietenia.
3b. Blaadjes niet opvallend scheef aan den voet. Zaden niet gevleugeld
4
4a. Helmknoppen op den rand van de buis ingehecht, niet door de
buis ingesloten. Bloemen 4–5-tallig. Meeldraden 8–10. Schijf ontbrekend of
klein. Boomen of heesters. Vrucht 2–3-hokkig met 1 of 2 zaden per hokje
Trichilia.
4b. Helmknoppen meest aan de binnenzijde van de buis,
ingehecht, door de buis ingesloten 5
5a. Kelk- en bloemkroon 3–6-tallig, de bloemkroon vaak lang en van
buiten soms geelachtig of wit-behaard; de kelk bekervormig.
Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met 1–2 zaadknoppen per hokje. Vrucht met 4–
5 kleppen openspringend, met 1–2 zaden in elk hokje Guarea.
5b. Bloemen 4–5-tallig. Kelk bijna losbladig; bloemkroon kaal, kort,
evenals de buis der meeldraden. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met meerdere
zaadknopjes per hokje, die in twee rijen boven elkaar zitten. Vrucht een
groote houtige doosvrucht met 6–8 zaden in elk hokje
Carapa. K r a p a .
141. Malpighiaceae.
Bloemen 5-tallig, met 10 meeldraden, meest tweeslachtig; bloemas bolvormig of vlak;
soms tot een gynophoor verlengd; kelk vaak met klieren; bloembladeren meest genageld;
van de meeldraden vaak eenige zonder stuifmeel of geheel afwezig; vruchtbeginsel meest
3-hokkig, zelden 2-, 4- of 5-hokkig, met 1 zaadknop in ieder hokje, vrucht een splitvrucht,
met aan de rug openspringende deelvruchten, zelden een noot of een steenvrucht; bladeren
meest tegenoverstaand met klieren; steunbladeren aanwezig.
Page 225
1a. Bloemen rose of paars 2
1b. Bloemen wit, geel of oranje 5
2a. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen, vrucht in 2 ongevleugelde
drooge vruchten uiteenvallend. Kelk met 8–10 klieren. Van de 10
meeldraden zijn er enkele onvruchtbaar; helmdraden van onderen in een
behaarde ring vergroeid. Bloemen in enkelvoudige trossen, eindelings aan
de bebladerde takken Spachea.
2b. Vruchtbeginsel 3-hokkig met 3 stijlen. Bloemen nooit in enkelvoudige
trossen 3
3a. Bloemen in dichte pluimen, met groote schutbladeren en
bloemsteelbladeren. Kelkbladeren lang en smal met 4 klieren. Helmdraden
aan de basis vergroeid. Vruchtbeginsel dicht behaard. Deelvrucht met 5
vrijwel gelijke evenwijdige vleugels. Bladeren fluweelig grijs behaard met
2 klieren aan de basis Jubelina.
3b. Schutbladeren en bloemsteelblaadjes klein 4
4a. Bloemen in wijde pluimen. Kelk met 8 klieren. Meeldraden ongelijk
van lengte. Vruchtbeginsel behaard. Deelvrucht met een groote vliezige
vleugel, bijna cirkelrond. Lianen Mascagnia.
4b. Bloemen in kleine okselstandige groepen of trosjes; kelk met 6–10
klieren. Meeldraden kaal, van onderen in een buis vergroeid. Vrucht een
steenvrucht (als een kers) met 3 geribde pitten. Heesters of boompjes
Malpighia.
5a. Stijlen lang en dun, naar den top spits toeloopend. Een
van de concave bloembladeren merkbaar kleiner dan de andere.
Helmdraden aan de basis behaard. Vrucht een steenvrucht met sappig
vruchtvleesch en 1 pit Byrsonima.
5b. Stijlen naar den top verdikt of haakvormig gekromd 6
1b. Bloemen wit, geel of oranje 5
2a. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen, vrucht in 2 ongevleugelde
drooge vruchten uiteenvallend. Kelk met 8–10 klieren. Van de 10
meeldraden zijn er enkele onvruchtbaar; helmdraden van onderen in een
behaarde ring vergroeid. Bloemen in enkelvoudige trossen, eindelings aan
de bebladerde takken Spachea.
2b. Vruchtbeginsel 3-hokkig met 3 stijlen. Bloemen nooit in enkelvoudige
trossen 3
3a. Bloemen in dichte pluimen, met groote schutbladeren en
bloemsteelbladeren. Kelkbladeren lang en smal met 4 klieren. Helmdraden
aan de basis vergroeid. Vruchtbeginsel dicht behaard. Deelvrucht met 5
vrijwel gelijke evenwijdige vleugels. Bladeren fluweelig grijs behaard met
2 klieren aan de basis Jubelina.
3b. Schutbladeren en bloemsteelblaadjes klein 4
4a. Bloemen in wijde pluimen. Kelk met 8 klieren. Meeldraden ongelijk
van lengte. Vruchtbeginsel behaard. Deelvrucht met een groote vliezige
vleugel, bijna cirkelrond. Lianen Mascagnia.
4b. Bloemen in kleine okselstandige groepen of trosjes; kelk met 6–10
klieren. Meeldraden kaal, van onderen in een buis vergroeid. Vrucht een
steenvrucht (als een kers) met 3 geribde pitten. Heesters of boompjes
Malpighia.
5a. Stijlen lang en dun, naar den top spits toeloopend. Een
van de concave bloembladeren merkbaar kleiner dan de andere.
Helmdraden aan de basis behaard. Vrucht een steenvrucht met sappig
vruchtvleesch en 1 pit Byrsonima.
5b. Stijlen naar den top verdikt of haakvormig gekromd 6
Page 226
6a. Bloemen in vertakte bloeiwijzen in de oksels der bladeren staande, de
bloeiwijzen korter dan de bladeren. Bladeren met krachtige zijnerven.
Steunblaadjes met de bladsteel vergroeid. Deelvrucht met 2 vliezige, ronde
vleugels Hiraea.
6b. Bloemen in eindelingsche trossen of pluimen of okselstandig, maar dan
bloeiwijzen grooter dan de bladeren 7
7a. De bloemsteel draagt halverwege 2 bloemsteelblaadjes, die geheel of
bijna geheel in klieren veranderd zijn. Meeldraden kaal, tot aan het midden
vergroeid. Steenvrucht met 2–3 pitten Bunchosia.
7b. De bloemsteel draagt geen bloemsteelblaadjes of niet-geklierde
bloemsteelblaadjes 8
8a. Stempels knopvormig, eindelingsch 9
8b. Stempels zijdelings zittend doordat de top van den stijl rechthoekig
omgebogen is of een dwarse verbreeding heeft 10
9a. Meeldraden van onderen in een buis of ring vergroeid, ongelijk. Elke
afdeeling van het vruchtbeginsel met 1 rugkam en 2 zijkammen. Deelvrucht
met 4, ongeveer gelijke in in een kruis staande vleugels, daartusschen nog
eenige kleine vleugeltjes Tetrapteris.
9b. Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch. Vruchtbeginsel met een
rugkam. Deelvrucht met één sterk ontwikkelde rugkam, daarvóór dikwijls
nog een kleiner vleugeltje dat in hetzelfde vlak ligt Banisteria.
10a. Bloemen klein, regelmatig; alle 10 meeldraden met vruchtbare
helmknoppen. Stijl van boven zijdelings samengedrukt, vaak naar de
rugzijde in een korte haak verlengd. Vrucht als de vorige.
Heteropteris.
10b. Bloemen vrij groot, zijdelings-symmetrisch met 6
vruchtbare en daartusschen 4 onvruchtbare meeldraden. Stijlen van boven
bladachtig verbreed. Vrucht als de vorige Stigmatophyllon.
bloeiwijzen korter dan de bladeren. Bladeren met krachtige zijnerven.
Steunblaadjes met de bladsteel vergroeid. Deelvrucht met 2 vliezige, ronde
vleugels Hiraea.
6b. Bloemen in eindelingsche trossen of pluimen of okselstandig, maar dan
bloeiwijzen grooter dan de bladeren 7
7a. De bloemsteel draagt halverwege 2 bloemsteelblaadjes, die geheel of
bijna geheel in klieren veranderd zijn. Meeldraden kaal, tot aan het midden
vergroeid. Steenvrucht met 2–3 pitten Bunchosia.
7b. De bloemsteel draagt geen bloemsteelblaadjes of niet-geklierde
bloemsteelblaadjes 8
8a. Stempels knopvormig, eindelingsch 9
8b. Stempels zijdelings zittend doordat de top van den stijl rechthoekig
omgebogen is of een dwarse verbreeding heeft 10
9a. Meeldraden van onderen in een buis of ring vergroeid, ongelijk. Elke
afdeeling van het vruchtbeginsel met 1 rugkam en 2 zijkammen. Deelvrucht
met 4, ongeveer gelijke in in een kruis staande vleugels, daartusschen nog
eenige kleine vleugeltjes Tetrapteris.
9b. Bloemen min of meer zijdelings-symmetrisch. Vruchtbeginsel met een
rugkam. Deelvrucht met één sterk ontwikkelde rugkam, daarvóór dikwijls
nog een kleiner vleugeltje dat in hetzelfde vlak ligt Banisteria.
10a. Bloemen klein, regelmatig; alle 10 meeldraden met vruchtbare
helmknoppen. Stijl van boven zijdelings samengedrukt, vaak naar de
rugzijde in een korte haak verlengd. Vrucht als de vorige.
Heteropteris.
10b. Bloemen vrij groot, zijdelings-symmetrisch met 6
vruchtbare en daartusschen 4 onvruchtbare meeldraden. Stijlen van boven
bladachtig verbreed. Vrucht als de vorige Stigmatophyllon.
Page 227
142. Trigoniaceae.
Bloemen typisch 5-tallig, 2-slachtig, scheef-zygomorf; kelkbladeren aan de basis
vergroeid; bloembladeren 5–3, vaak zeer ongelijk; meeldraden 5, 6 of 10 (11–12); aan de
basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel 3-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht
een doosvrucht; houtige planten, vaak klimmend met verspreide of tegenoverstaande
bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.
Kelkbladeren 5, aan den voet wat vergroeid, de 2 binnenste wat grooter.
Bloembladeren 5, het achterste grooter en met een spoor of knobbel aan den
voet. Meeldraden 10, aan de basis tot een gespleten buis vergroeid, 6 met
helmknoppen, de overige zonder helmknoppen. Tegenover het groote
bloemblad staan 2 klieren. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht een 3-kleppige
doosvrucht. Klimmende heesters met tegenoverstaande bladeren
Trigonia.
143. Vochysiaceae.
Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, scheef zygomorf; kelkbladeren aan de basis
vergroeid; één ervan vaak gespoord, afvallend; bloembladeren zelden 5, meest 3–1; slechts
één vruchtbare meeldraad en eenige staminodiën; vruchtbeginsel boven- of onderstandig,
driehokkig, met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht niet openspringend of een doosvrucht;
meest boomen met tegenoverstaande of kransstandige enkelvoudige bladeren;
steunbladeren aanwezig of ontbrekend.
1a. Vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 2 zaadknoppen. Kelk 5-
deelig, met 4 kleine blijvende kelkbladeren en 1 grooter gespoord en
spoedig afvallend kelkblad. Bloemblad 1, meeldraad 1. Vrucht met de
kelkbladeren op den top Erisma. S i n g r i e - k w a r r i e .
1b. Vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig 2
2a. Bloembladeren 3, het middelste grooter dan de zijdelingsche. Kelk 5-
tallig, 4 slippen klein, het 5de grooter gespoord. Meeldraad 1. Bloemen geel
Vochysia. K w a r r i e .
Bloemen typisch 5-tallig, 2-slachtig, scheef-zygomorf; kelkbladeren aan de basis
vergroeid; bloembladeren 5–3, vaak zeer ongelijk; meeldraden 5, 6 of 10 (11–12); aan de
basis min of meer vergroeid; vruchtbeginsel 3-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht
een doosvrucht; houtige planten, vaak klimmend met verspreide of tegenoverstaande
bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.
Kelkbladeren 5, aan den voet wat vergroeid, de 2 binnenste wat grooter.
Bloembladeren 5, het achterste grooter en met een spoor of knobbel aan den
voet. Meeldraden 10, aan de basis tot een gespleten buis vergroeid, 6 met
helmknoppen, de overige zonder helmknoppen. Tegenover het groote
bloemblad staan 2 klieren. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht een 3-kleppige
doosvrucht. Klimmende heesters met tegenoverstaande bladeren
Trigonia.
143. Vochysiaceae.
Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, scheef zygomorf; kelkbladeren aan de basis
vergroeid; één ervan vaak gespoord, afvallend; bloembladeren zelden 5, meest 3–1; slechts
één vruchtbare meeldraad en eenige staminodiën; vruchtbeginsel boven- of onderstandig,
driehokkig, met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht niet openspringend of een doosvrucht;
meest boomen met tegenoverstaande of kransstandige enkelvoudige bladeren;
steunbladeren aanwezig of ontbrekend.
1a. Vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 2 zaadknoppen. Kelk 5-
deelig, met 4 kleine blijvende kelkbladeren en 1 grooter gespoord en
spoedig afvallend kelkblad. Bloemblad 1, meeldraad 1. Vrucht met de
kelkbladeren op den top Erisma. S i n g r i e - k w a r r i e .
1b. Vruchtbeginsel bovenstandig, 3-hokkig 2
2a. Bloembladeren 3, het middelste grooter dan de zijdelingsche. Kelk 5-
tallig, 4 slippen klein, het 5de grooter gespoord. Meeldraad 1. Bloemen geel
Vochysia. K w a r r i e .
Page 228
2b. Bloemblad 1 (soms 2). Een van de 5 kelkbladeren met een spoor of
knobbel. Meeldraad 1. Bloemen meest blauw of wit
Qualea. K w a r r i e .
145. Polygalaceae.
Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; van de 5 kelkbladeren zijn er 2
bloembladachtig en vergroot; bloembladeren 3; meeldraden 8, in twee groepen van 4;
vruchtbeginsel tweehokkig met 1, zelden 2–4 zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige
planten met verspreide, enkelvoudige, gaafrandige bladeren zonder steunbladeren.
1a. Kelk met de bloembladeren en de meeldraden tot een buis vergroeid.
Vrije kelkslippen 5. Bloemkroon 5-spletig, een van de bloembladeren
gevouwen. Meeldraden in 2 bundels ieder met 4 helmknoppen.
Vruchtbeginsel 5-hokkig. Heesters of boomen, met dikke leerachtige
bladeren Moutabea.
1b. Kelk met de bloembladeren niet vergroeid 2
2a. Vrucht een doosvrucht, ongevleugeld 4
2b. Vrucht een gevleugelde noot 3
3a. Lianen met violette of paarsche bloemen in okselstandige trossen.
Bloembladeren 3, waarvan het helmvormige met een aanhangsel op de
achterzijde. Vrucht met een vleugel op de rugzijde Securidaca.
3b. Heesters, niet windend. Bloemblad zonder aanhangsel op de rugzijde.
Vrucht rondom gevleugeld Monnina.
4a. Meest kruidachtige planten, soms kleine heesters. Bloemen in lange of
dichte trossen. Doosvrucht rondachtig, zaden kort behaard Polygala.
4b. Heesters. Bloemen in vertakte bloeiwijzen. Doosvrucht lang-
wigvormig. Zaden met lange haren Bredemeyera.
146. Dichapetalaceae.
knobbel. Meeldraad 1. Bloemen meest blauw of wit
Qualea. K w a r r i e .
145. Polygalaceae.
Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; van de 5 kelkbladeren zijn er 2
bloembladachtig en vergroot; bloembladeren 3; meeldraden 8, in twee groepen van 4;
vruchtbeginsel tweehokkig met 1, zelden 2–4 zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige
planten met verspreide, enkelvoudige, gaafrandige bladeren zonder steunbladeren.
1a. Kelk met de bloembladeren en de meeldraden tot een buis vergroeid.
Vrije kelkslippen 5. Bloemkroon 5-spletig, een van de bloembladeren
gevouwen. Meeldraden in 2 bundels ieder met 4 helmknoppen.
Vruchtbeginsel 5-hokkig. Heesters of boomen, met dikke leerachtige
bladeren Moutabea.
1b. Kelk met de bloembladeren niet vergroeid 2
2a. Vrucht een doosvrucht, ongevleugeld 4
2b. Vrucht een gevleugelde noot 3
3a. Lianen met violette of paarsche bloemen in okselstandige trossen.
Bloembladeren 3, waarvan het helmvormige met een aanhangsel op de
achterzijde. Vrucht met een vleugel op de rugzijde Securidaca.
3b. Heesters, niet windend. Bloemblad zonder aanhangsel op de rugzijde.
Vrucht rondom gevleugeld Monnina.
4a. Meest kruidachtige planten, soms kleine heesters. Bloemen in lange of
dichte trossen. Doosvrucht rondachtig, zaden kort behaard Polygala.
4b. Heesters. Bloemen in vertakte bloeiwijzen. Doosvrucht lang-
wigvormig. Zaden met lange haren Bredemeyera.
146. Dichapetalaceae.
Page 229
Bloemen typisch 5-tallig, tweeslachtig of éénslachtig regelmatig of soms zygomorf;
bloemas uitgroeiend tot schubben of een komvormige schijf; kelk vergroeid- of losbladig;
bloembladeren raak tweespletig, gelijk of ongelijk van vorm, vrij of tot een buis vergroeid;
meeldraden 5, vrij of met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2
zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een steenvrucht met een 1–2-hokkige pit; lianen of
boomen met gaafrandige bladeren met steunbladeren.
Bloemen met 4–5 ongelijke kelkbladeren, 4–5 bloemkroonslippen, waarvan
er 2 of 1 grooter zijn dan de andere en 2-spletig met concave lobben.
Meeldraden meest 5, waarvan maar 2 met helmknoppen; een enkele maal
alle 5 vruchtbaar. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig. Heesters of boomen
Tapura.
147. Euphorbiaceae.
Bloemen steeds éénslachtig, met kelk en bloemkroon, of met een kelk alleen of naakt;
meeldraden evenveel als kelkbladeren of evenveel of dubbel zooveel, of talrijke of weinige
tot 1; vruchtbeginsel 3-hokkig, zelden 2-, 4- of meerhokkig; vrucht meest zich splitsend in
3 deelvruchten, met 1 of 2 zaden; zelden een bes of een steenvrucht; kruiden of houtige
planten, meest met verspreide bladeren, vaak met steunbladeren, en melksap.
1a. Bloemen tweehuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op verschillende
planten 2
1b. Bloemen éénhuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op denzelfden plant,
vaak zelfs in dezelfde bloeiwijze 15
2a. Alleen ♂ bloemen aanwezig 3
2b. Alleen ♀ bloemen aanwezig 9
3a. Kelk en bloembladeren beiden aanwezig 4
3b. Alleen een kelk aanwezig 5
4a. Meeldraden 5, vergroeid om het steriele vruchtbeginsel, in den knop
rechtopstaand. Bloembladeren 5 of minder. Boomen met okselstandige
bloemas uitgroeiend tot schubben of een komvormige schijf; kelk vergroeid- of losbladig;
bloembladeren raak tweespletig, gelijk of ongelijk van vorm, vrij of tot een buis vergroeid;
meeldraden 5, vrij of met de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2
zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een steenvrucht met een 1–2-hokkige pit; lianen of
boomen met gaafrandige bladeren met steunbladeren.
Bloemen met 4–5 ongelijke kelkbladeren, 4–5 bloemkroonslippen, waarvan
er 2 of 1 grooter zijn dan de andere en 2-spletig met concave lobben.
Meeldraden meest 5, waarvan maar 2 met helmknoppen; een enkele maal
alle 5 vruchtbaar. Vruchtbeginsel 2–3-hokkig. Heesters of boomen
Tapura.
147. Euphorbiaceae.
Bloemen steeds éénslachtig, met kelk en bloemkroon, of met een kelk alleen of naakt;
meeldraden evenveel als kelkbladeren of evenveel of dubbel zooveel, of talrijke of weinige
tot 1; vruchtbeginsel 3-hokkig, zelden 2-, 4- of meerhokkig; vrucht meest zich splitsend in
3 deelvruchten, met 1 of 2 zaden; zelden een bes of een steenvrucht; kruiden of houtige
planten, meest met verspreide bladeren, vaak met steunbladeren, en melksap.
1a. Bloemen tweehuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op verschillende
planten 2
1b. Bloemen éénhuizig, dus de ♂ en de ♀ bloemen op denzelfden plant,
vaak zelfs in dezelfde bloeiwijze 15
2a. Alleen ♂ bloemen aanwezig 3
2b. Alleen ♀ bloemen aanwezig 9
3a. Kelk en bloembladeren beiden aanwezig 4
3b. Alleen een kelk aanwezig 5
4a. Meeldraden 5, vergroeid om het steriele vruchtbeginsel, in den knop
rechtopstaand. Bloembladeren 5 of minder. Boomen met okselstandige
Page 230
bloemgroepen en enkelvoudige leerachtige bladeren Discocarpus.
4b. Meeldraden meest 10–20, soms 5, maar in ieder geval niet vergroeid en
geen steriel vruchtbeginsel in de ♂ bloem. Helmdraden in den knop naar
binnen gebogen. Heesters of kruiden, meest behaarde of beschubde
bladeren. Bladeren gedeeld of ongedeeld Croton.
5a. Meeldraden minder dan 10 6
5b. Meeldraden meer dan 10, meest vele, de buitenste zonder
helmknoppen. Kelk 3–4-deelig. Geen rest van een vruchtbeginsel aanwezig.
Bloemen in vertakte eindelingsche pluimen. Boomen met enkelvoudige
bladeren Conceveiba.
6a. Bloemen 4-tallig, meeldraden 4–8 7
6b. Bloemen 3 of 5-tallig, meeldraden soms 2 of 4, meest 3–5, of 6 8
7a. Meeldraden 6, om een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloemen in
trossen of samengestelde trossen of aren. Bladeren met schubben. Boomen
Hieronymia.
7b. Geen rudimentair vruchtbeginsel aanwezig.
Meeldraden 6–2, vaak 3, soms met elkaar tot een zuiltje vergroeid. Kruiden
of heesters. Bloemen gesteeld alleenstaand of in groepen in de bladoksels
Phyllanthus. B i t a - w i w i r i e . F i n i e b i t a .
8a. Meeldraden 4.
Helmknoppen geen bijzondere vorm vertoonend. Boomen of heesters, met
bloemen in trossen Alchornea.
8b. Meeldraden 8. Helmknoppen uit elkaar wijkend, aan den top
samenhangend. Boomen of heesters met de bloemen in aren Acalypha.
9a. Kelk 3-spletig. Bloemen in dichte aren, met groote roode zeer sterk
vertakte stijlen en stempels Acalypha.
9b. Kelk 4–5-6-spletig of -deelig 10
10a. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen; bloemen in trossen
4b. Meeldraden meest 10–20, soms 5, maar in ieder geval niet vergroeid en
geen steriel vruchtbeginsel in de ♂ bloem. Helmdraden in den knop naar
binnen gebogen. Heesters of kruiden, meest behaarde of beschubde
bladeren. Bladeren gedeeld of ongedeeld Croton.
5a. Meeldraden minder dan 10 6
5b. Meeldraden meer dan 10, meest vele, de buitenste zonder
helmknoppen. Kelk 3–4-deelig. Geen rest van een vruchtbeginsel aanwezig.
Bloemen in vertakte eindelingsche pluimen. Boomen met enkelvoudige
bladeren Conceveiba.
6a. Bloemen 4-tallig, meeldraden 4–8 7
6b. Bloemen 3 of 5-tallig, meeldraden soms 2 of 4, meest 3–5, of 6 8
7a. Meeldraden 6, om een rudimentair vruchtbeginsel staande. Bloemen in
trossen of samengestelde trossen of aren. Bladeren met schubben. Boomen
Hieronymia.
7b. Geen rudimentair vruchtbeginsel aanwezig.
Meeldraden 6–2, vaak 3, soms met elkaar tot een zuiltje vergroeid. Kruiden
of heesters. Bloemen gesteeld alleenstaand of in groepen in de bladoksels
Phyllanthus. B i t a - w i w i r i e . F i n i e b i t a .
8a. Meeldraden 4.
Helmknoppen geen bijzondere vorm vertoonend. Boomen of heesters, met
bloemen in trossen Alchornea.
8b. Meeldraden 8. Helmknoppen uit elkaar wijkend, aan den top
samenhangend. Boomen of heesters met de bloemen in aren Acalypha.
9a. Kelk 3-spletig. Bloemen in dichte aren, met groote roode zeer sterk
vertakte stijlen en stempels Acalypha.
9b. Kelk 4–5-6-spletig of -deelig 10
10a. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 stijlen; bloemen in trossen
Page 231
10b. Vruchtbeginsel 3-hokkig, met 3 vaak vertakte stijlen Hieronymia.
of stempels 11
11a. Bloemen in trossen of aren 12
11b. Bloemen in kleine groepen of alleenstaand in de bladoksels 14
12a. Kelk met klieren aan de buitenzijde. Stijlen dik, 2-spletig tot
tweedeelig. Vruchtbeginsel veel grooter dan de 5–10-spletige kelk, meest 3-
kantig. Bloemen in een eindelingsche tros. Bladeren kaal. Boomen
Conceveiba.
12b. Kelk zonder klieren aan de buitenzijde
13
13a. Discus meest ontbrekend. Kelk 4-deelig. Stijlen 2-lobbig, kort;
boomen of heesters Alchornea.
13b. Onder het vruchtbeginsel een ringvormige schijf of schubben.
Bloembladeren soms aanwezig. Stijl enkelvoudig, of 2-spletig of de
zijtakken nog enkele malen vertakt. Bladeren met schubben of haren
Croton.
14a. Boomen met enkelvoudige leerachtige bladeren.
Bloemen zeer kort gesteeld in groepjes in de bladoksels. Bloembladeren
vaak aanwezig, evenals staminodiën, soms ook beide ontbrekend. Stijlen
plat, niet vergroeid Discocarpus.
14b. Kruiden of heesters, met de bladeren aan de jongste takken vaak in 2
rijen, zoodat de bebladerde tak gelijkt op een gevind blad. Bloemen
duidelijk of langgesteeld. Stempels meest 2-spletig
Phyllanthus. F i n i e - b i t a . B i t a - w i w i r i e .
15a. Bloemen in
z.g. cyathien, d. z. bloeiwijzen, waarin één ♀ bloem in het midden staat,
deze is omringd door een groot aantal ♂ bloemen, die slechts uit 1
meeldraad bestaan; het geheel is omringd door vergroeide schutbladeren, en
doet dus denken aan een tweeslachtige bloem 16
15b. Bloemen niet in cyathien, indien een groep van bloemen omgeven is
door schutbladeren, dan zijn deze niet vergroeid, en in ieder geval hebben
of stempels 11
11a. Bloemen in trossen of aren 12
11b. Bloemen in kleine groepen of alleenstaand in de bladoksels 14
12a. Kelk met klieren aan de buitenzijde. Stijlen dik, 2-spletig tot
tweedeelig. Vruchtbeginsel veel grooter dan de 5–10-spletige kelk, meest 3-
kantig. Bloemen in een eindelingsche tros. Bladeren kaal. Boomen
Conceveiba.
12b. Kelk zonder klieren aan de buitenzijde
13
13a. Discus meest ontbrekend. Kelk 4-deelig. Stijlen 2-lobbig, kort;
boomen of heesters Alchornea.
13b. Onder het vruchtbeginsel een ringvormige schijf of schubben.
Bloembladeren soms aanwezig. Stijl enkelvoudig, of 2-spletig of de
zijtakken nog enkele malen vertakt. Bladeren met schubben of haren
Croton.
14a. Boomen met enkelvoudige leerachtige bladeren.
Bloemen zeer kort gesteeld in groepjes in de bladoksels. Bloembladeren
vaak aanwezig, evenals staminodiën, soms ook beide ontbrekend. Stijlen
plat, niet vergroeid Discocarpus.
14b. Kruiden of heesters, met de bladeren aan de jongste takken vaak in 2
rijen, zoodat de bebladerde tak gelijkt op een gevind blad. Bloemen
duidelijk of langgesteeld. Stempels meest 2-spletig
Phyllanthus. F i n i e - b i t a . B i t a - w i w i r i e .
15a. Bloemen in
z.g. cyathien, d. z. bloeiwijzen, waarin één ♀ bloem in het midden staat,
deze is omringd door een groot aantal ♂ bloemen, die slechts uit 1
meeldraad bestaan; het geheel is omringd door vergroeide schutbladeren, en
doet dus denken aan een tweeslachtige bloem 16
15b. Bloemen niet in cyathien, indien een groep van bloemen omgeven is
door schutbladeren, dan zijn deze niet vergroeid, en in ieder geval hebben
Page 232
de ♂ bloemen een kelk 17
16a. Cyathium regelmatig. Meest kruiden Euphorbia.
16b. Cyathium zijdelings-symmetrisch met een aanhangsel. Heesters
Pedilanthus.
17a. Een groep van mannelijke en vrouwelijke bloemen
is omgeven door twee groenachtige of witte of rose, zittende,
tegenoverstaande schutbladeren. Vruchtbeginsel met een lange stijl, ♂
bloemen met ongeveer 20 meeldraden. Klimplanten Dalechampia.
17b. Niet een groep van ♂ en ♀ bloemen door 2 schutbladeren ingehuld
18
18a. Boomen met 3-tallige bladeren. Helmknoppen op den top van
een zuil zittend. Kelk 5-spletig. Bloemen in pluimen Hevea.
18b. Bladeren niet 3-tallig, soms 3–7-voudig handvormig ingesneden tot 3–
7-tallig, maar dan is de plant kruidachtig 19
19a. Vruchtbeginsel veelhokkig, vrucht ten slotte in vele deelen
uiteenvallend. Stijl lang met vele stempels. Kelk klokvormig. Meeldraden
vele in rijen aan den top van een zuil. ♂ bloemen in trossen, ♀ bloemen
alleenstaand. Boomen Hura. P o s t e n t r i e .
19b. Vruchtbeginsel 2–4-, meest 3-hokkig 20
20a. In de ♂ en de ♀ bloemen zijn alleen meeldraden of vruchtbeginsels
aanwezig; kelk en bloemkroon geheel ontbrekend. Meeldraden 12–2, stijl
met 3 stempels. Heesters met enkelvoudige harde bladeren
Actinostemon.
20b. Een kelk, of kelk en bloemkroon aanwezig
21
21a. Bloembladeren in de ♂ bloem aanwezig, in de ♀ bloem soms
ontbrekend 22
21b. Bloembladeren steeds ontbrekend in ♀ en ♂ bloemen 27
16a. Cyathium regelmatig. Meest kruiden Euphorbia.
16b. Cyathium zijdelings-symmetrisch met een aanhangsel. Heesters
Pedilanthus.
17a. Een groep van mannelijke en vrouwelijke bloemen
is omgeven door twee groenachtige of witte of rose, zittende,
tegenoverstaande schutbladeren. Vruchtbeginsel met een lange stijl, ♂
bloemen met ongeveer 20 meeldraden. Klimplanten Dalechampia.
17b. Niet een groep van ♂ en ♀ bloemen door 2 schutbladeren ingehuld
18
18a. Boomen met 3-tallige bladeren. Helmknoppen op den top van
een zuil zittend. Kelk 5-spletig. Bloemen in pluimen Hevea.
18b. Bladeren niet 3-tallig, soms 3–7-voudig handvormig ingesneden tot 3–
7-tallig, maar dan is de plant kruidachtig 19
19a. Vruchtbeginsel veelhokkig, vrucht ten slotte in vele deelen
uiteenvallend. Stijl lang met vele stempels. Kelk klokvormig. Meeldraden
vele in rijen aan den top van een zuil. ♂ bloemen in trossen, ♀ bloemen
alleenstaand. Boomen Hura. P o s t e n t r i e .
19b. Vruchtbeginsel 2–4-, meest 3-hokkig 20
20a. In de ♂ en de ♀ bloemen zijn alleen meeldraden of vruchtbeginsels
aanwezig; kelk en bloemkroon geheel ontbrekend. Meeldraden 12–2, stijl
met 3 stempels. Heesters met enkelvoudige harde bladeren
Actinostemon.
20b. Een kelk, of kelk en bloemkroon aanwezig
21
21a. Bloembladeren in de ♂ bloem aanwezig, in de ♀ bloem soms
ontbrekend 22
21b. Bloembladeren steeds ontbrekend in ♀ en ♂ bloemen 27
Page 233
22a. Meeldraden in den knop naar binnen gebogen, zoodat de top van de
helmknop naar beneden gericht is. Meeldraden soms 5, meest 10–20, vaak
nog meer dan 20. Bladeren met schubben of behaard, soms gelobd tot
gedeeld. Heesters of kruiden Croton.
22b. Meeldraden in den knop rechtopstaand 23
23a. Meeldraden 5, rondom een rudimentair vruchtbeginsel staande.
Bloembladeren zoowel in de ♂ als de ♀ bloem aanwezig. Vruchtbeginsel
met zittende schijfvormige stempel. Boomen met gaafrandige leerachtige
bladeren. Bloemen in kleine groepen Amanoa.
23b. Meeldraden 10 of meer 24
24a. Meeldraden in een zuil vergroeid, 10–30 25
24b. Meeldraden vrij 26
25a. Bladeren gelobd tot gedeeld. Zuil van de meeldraden zonder
rudimentair vruchtbeginsel op den top, schijf duidelijk ontwikkeld. In de ♀
bloemen soms staminodiën Jatropha.
25b. Bladeren lancetvormig, scherp gezaagd. Zuil van de meeldraden met
een rudimentair vruchtbeginsel op den top Caperonia.
26a. Meeldraden talrijk, dicht op elkaar zittend met korte helmdraden.
Stijlen 3, diep 2-spletig. ♂ bloemen in enkelvoudige eindstandige trossen;
♀ bloemen slechts weinige bij elkaar. Boomen met eironde bladeren
Sagotia.
26b. Stijlen niet ingesneden. Meeldraden 15–30. Bladeren
smal, met roode of geele vlekken, kaal en glanzend. Heesters
Codiaeum.
27a. Mannelijke bloemen zeer groot met een zeer groot
aantal (tot 1000) helmknoppen; helmdraden vertakt. Vruchtbeginsel met 3
vertakte roode stijlen. Bladeren handdeelig, schildvormig
Ricinus. K r a p a t a .
helmknop naar beneden gericht is. Meeldraden soms 5, meest 10–20, vaak
nog meer dan 20. Bladeren met schubben of behaard, soms gelobd tot
gedeeld. Heesters of kruiden Croton.
22b. Meeldraden in den knop rechtopstaand 23
23a. Meeldraden 5, rondom een rudimentair vruchtbeginsel staande.
Bloembladeren zoowel in de ♂ als de ♀ bloem aanwezig. Vruchtbeginsel
met zittende schijfvormige stempel. Boomen met gaafrandige leerachtige
bladeren. Bloemen in kleine groepen Amanoa.
23b. Meeldraden 10 of meer 24
24a. Meeldraden in een zuil vergroeid, 10–30 25
24b. Meeldraden vrij 26
25a. Bladeren gelobd tot gedeeld. Zuil van de meeldraden zonder
rudimentair vruchtbeginsel op den top, schijf duidelijk ontwikkeld. In de ♀
bloemen soms staminodiën Jatropha.
25b. Bladeren lancetvormig, scherp gezaagd. Zuil van de meeldraden met
een rudimentair vruchtbeginsel op den top Caperonia.
26a. Meeldraden talrijk, dicht op elkaar zittend met korte helmdraden.
Stijlen 3, diep 2-spletig. ♂ bloemen in enkelvoudige eindstandige trossen;
♀ bloemen slechts weinige bij elkaar. Boomen met eironde bladeren
Sagotia.
26b. Stijlen niet ingesneden. Meeldraden 15–30. Bladeren
smal, met roode of geele vlekken, kaal en glanzend. Heesters
Codiaeum.
27a. Mannelijke bloemen zeer groot met een zeer groot
aantal (tot 1000) helmknoppen; helmdraden vertakt. Vruchtbeginsel met 3
vertakte roode stijlen. Bladeren handdeelig, schildvormig
Ricinus. K r a p a t a .
Page 234
27b. Meeldraden niet zoo talrijk, helmdraden niet vertakt 28
28a. Vruchtbeginsel 4-hokkig met een dikke, eironde tot half-bolvormige
stijl. Vrucht 4-lobbig met 4 ribben. Bloemen in trossen, de ♀ bloemen in het
onderste deel alleenstaand of weinig bij elkaar, de ♂ bloemen in groepen, ♂
bloemen met 8–30 meeldraden, die op een kegelvormige of half-
bolvormige bloembodem zitten. Heesters of kruiden met handvormige,
getande bladeren Plukenetia.
28b. Vruchtbeginsel 3-hokkig; stijlen 3 of 1, niet verdikt 29
29a. Meeldraden 10 of meer 30
29b. Meeldraden minder dan 10 (Zie ook Phyllanthus) 31
30a. Meeldraden 10–30, in verschillende kransen tot een zuil vergroeid.
Vruchtbeginsel kleiner dan de kelk, met 3 stempels. Bladeren gelobd tot
gedeeld. Bloemen in pluimen Jatropha.
30b. Meeldraden dicht gedrongen op een half-bolvormige bloembodem.
Vruchtbeginsel veel langer dan de kelk, met een lange stijl en 3-spletige
stempel. Bloemen in dichte en dikke trossen. Bladeren niet gelobd
Mabea.
30c. Meeldraden 10, alle vrij, in 2 rijen, op een schijf staande,
en niet tot een zuil vergroeid. Kelk groot, min of meer klokvormig 5-
spletig. In de ♂ bloem soms een rudimentair vruchtbeginsel; in de ♀ bloem
soms staminodiën. Stijlen 3, een weinig aan de basis vergroeid. Bladeren
meest handvormig ingesneden of bijna samengesteld
Manihot. C a s s a v e .
31a. Heesters of boomen met de bloemen in
dichte aren. ♀ bloemen met 3 groote roode, sterk vertakte stempels, met een
3-spletige kelk; ♂ bloemen met een 4-spletige kelk, met 8 meeldraden,
waarvan de helmknoppen naar beneden uiteenwijken en ± gewonden zijn
Acalypha.
31b. Stempels niet opvallend gekleurd. Meeldraden minder
dan 8 zonder bijzonder gevormde helmknoppen 32
28a. Vruchtbeginsel 4-hokkig met een dikke, eironde tot half-bolvormige
stijl. Vrucht 4-lobbig met 4 ribben. Bloemen in trossen, de ♀ bloemen in het
onderste deel alleenstaand of weinig bij elkaar, de ♂ bloemen in groepen, ♂
bloemen met 8–30 meeldraden, die op een kegelvormige of half-
bolvormige bloembodem zitten. Heesters of kruiden met handvormige,
getande bladeren Plukenetia.
28b. Vruchtbeginsel 3-hokkig; stijlen 3 of 1, niet verdikt 29
29a. Meeldraden 10 of meer 30
29b. Meeldraden minder dan 10 (Zie ook Phyllanthus) 31
30a. Meeldraden 10–30, in verschillende kransen tot een zuil vergroeid.
Vruchtbeginsel kleiner dan de kelk, met 3 stempels. Bladeren gelobd tot
gedeeld. Bloemen in pluimen Jatropha.
30b. Meeldraden dicht gedrongen op een half-bolvormige bloembodem.
Vruchtbeginsel veel langer dan de kelk, met een lange stijl en 3-spletige
stempel. Bloemen in dichte en dikke trossen. Bladeren niet gelobd
Mabea.
30c. Meeldraden 10, alle vrij, in 2 rijen, op een schijf staande,
en niet tot een zuil vergroeid. Kelk groot, min of meer klokvormig 5-
spletig. In de ♂ bloem soms een rudimentair vruchtbeginsel; in de ♀ bloem
soms staminodiën. Stijlen 3, een weinig aan de basis vergroeid. Bladeren
meest handvormig ingesneden of bijna samengesteld
Manihot. C a s s a v e .
31a. Heesters of boomen met de bloemen in
dichte aren. ♀ bloemen met 3 groote roode, sterk vertakte stempels, met een
3-spletige kelk; ♂ bloemen met een 4-spletige kelk, met 8 meeldraden,
waarvan de helmknoppen naar beneden uiteenwijken en ± gewonden zijn
Acalypha.
31b. Stempels niet opvallend gekleurd. Meeldraden minder
dan 8 zonder bijzonder gevormde helmknoppen 32
Page 235
32a. Bloemen in trossen of aren 33
32b. Bloemen alleenstaand of in groepen in de bladoksels, gesteeld.
Kelkbladeren 6–4, meest in 2 kransen, ♂ bloemen met 2–6 meeldraden,
meest 3 of 5 meeldraden met losse of vergroeide helmdraden (zeer zelden
meer dan 6 meeldraden). Stijlen 3, vrij of vergroeid, gedeeld of ongedeeld.
Bladeren vaak in 2 rijen gezeten, zoodat de bebladerde tak op een gevind
blad gelijkt. Kruiden of heesters
Phyllanthus. B i t a - w i w i r i e , F i n i e - b i t a .
33a. Helmdraden
geheel vergroeid, alleen de helmknoppen vrij 34
33b. Helmdraden alleen aan de basis vergroeid 35
34a. Zuil van de helmdraden kort, aan den top met een dwarse verlenging
aan welks einde de 2 helmknoppen zitten. Kelk 4–5-spletig. Stijl dik, aan
den top 3-lobbig. Bloemen in lange met vrij groote schutbladeren bezette
ijle trossen, in welker oksel een ♀ bloem en eenige ♂ bloemen zitten
Omphalea.
34b. Zuil van de helmdraden niet eigenaardig gevormd.
Kelk 3-lobbig. Meeldraden 2, soms 1 of 3. Stijlen vergroeid. Bloeiwijze van
boven dicht, met 3 ♂ bloemen bij elk schutblad, van onderen ijler met de ♀
bloemen alleenstaand Maprounea.
35a. Kelk 4-deelig. Meeldraden 4. ♂ bloemen in groepen in vertakte
bloeiwijzen, ♀ bloemen alleenstaand in enkelvoudige aren of trossen
Alchornea.
35b. Kelk in de ♂ bloemen 2- of 3-deelig of -spletig of
gelobd 36
36a. Klimmende kruiden met behaarde, getande bladeren. Kelk 3–5-deelig.
Meeldraden 3, vrij. Stijlen tot aan het midden vergroeid, van boven vrij,
onvertakt. Bloemen in trossen, die van boven de ♂ van onderen de ♀
bloemen dragen of tros vertakt met een lange ♂ en een korte ♀ tak
Tragia.
36b. Boomen of heesters, niet klimmend
37
32b. Bloemen alleenstaand of in groepen in de bladoksels, gesteeld.
Kelkbladeren 6–4, meest in 2 kransen, ♂ bloemen met 2–6 meeldraden,
meest 3 of 5 meeldraden met losse of vergroeide helmdraden (zeer zelden
meer dan 6 meeldraden). Stijlen 3, vrij of vergroeid, gedeeld of ongedeeld.
Bladeren vaak in 2 rijen gezeten, zoodat de bebladerde tak op een gevind
blad gelijkt. Kruiden of heesters
Phyllanthus. B i t a - w i w i r i e , F i n i e - b i t a .
33a. Helmdraden
geheel vergroeid, alleen de helmknoppen vrij 34
33b. Helmdraden alleen aan de basis vergroeid 35
34a. Zuil van de helmdraden kort, aan den top met een dwarse verlenging
aan welks einde de 2 helmknoppen zitten. Kelk 4–5-spletig. Stijl dik, aan
den top 3-lobbig. Bloemen in lange met vrij groote schutbladeren bezette
ijle trossen, in welker oksel een ♀ bloem en eenige ♂ bloemen zitten
Omphalea.
34b. Zuil van de helmdraden niet eigenaardig gevormd.
Kelk 3-lobbig. Meeldraden 2, soms 1 of 3. Stijlen vergroeid. Bloeiwijze van
boven dicht, met 3 ♂ bloemen bij elk schutblad, van onderen ijler met de ♀
bloemen alleenstaand Maprounea.
35a. Kelk 4-deelig. Meeldraden 4. ♂ bloemen in groepen in vertakte
bloeiwijzen, ♀ bloemen alleenstaand in enkelvoudige aren of trossen
Alchornea.
35b. Kelk in de ♂ bloemen 2- of 3-deelig of -spletig of
gelobd 36
36a. Klimmende kruiden met behaarde, getande bladeren. Kelk 3–5-deelig.
Meeldraden 3, vrij. Stijlen tot aan het midden vergroeid, van boven vrij,
onvertakt. Bloemen in trossen, die van boven de ♂ van onderen de ♀
bloemen dragen of tros vertakt met een lange ♂ en een korte ♀ tak
Tragia.
36b. Boomen of heesters, niet klimmend
37
Page 236
37a. Kelk van de ♂ bloem diep 3-deelig. Meeldraden 2 of 3 met korte
helmdraden. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Bloemen in dunne
trossen van onderen met alleenstaande of weinige ♀ bloemen, van boven
met groepen van 2–4 ♂ bloemen. Bladeren klein Sebastiania.
37b. Kelk van de ♂ bloem 2-lobbig. Meeldraden 2–3 met vrije
helmknoppen. Kelk van de ♀ bloem 3-spletig of 3-deelig. Stijlen vrij of aan
de basis vergroeid. Vrucht een weinig vleezig. Bladsteel met 2 klieren aan
den top. Bloemen in aren; ♂ bloemen 3 of meer per schutblad, ♀ bloemen
alleenstaand bij het schutblad onder aan de aar Sapium. (Excoecaria).
Orde: Sapindales.
153. Anacardiaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, soms zonder bloemkroon, meeldraden evenveel of
dubbel zooveel als bloembladeren; bloeias verschillend ontwikkeld, meest als schijf,
vruchtbeginsel meest bovenstandig; vruchtbeginsels zelden 5, meest 3 of 1, bijna steeds
vergroeid met elkaar, met 1 zaadknop in ieder hokje; vrucht een steenvrucht; houtige
planten met verspreide enkelvoudige of samengestelde bladeren; bloemen klein.
1a. Bladeren enkelvoudig 2
1b. Bladeren gevind 3
2a. Bloemen schijnbaar tweeslachtig, in werkelijkheid éénslachtig.
Bloembladeren met 1–5 verdikte ribben. Meeldraden 5–4, waarvan maar 1
of 2 vruchtbaar. Vruchtbeginsel met slechts 1 zaadknop en 1 stijl. Vrucht
eirond. Boomen met smalle bladeren Mangifera. M a n j a .
2b. Bloemen polygaam (evenals de vorige). Bloembladeren zonder ribben.
Meeldraden 7–10, waaraan meest maar 1 vruchtbaar en veel langer dan de
andere. Vrucht niervormig, eenzadig, zwart op een verdikte roode, sappige
steel. Bladeren naar den voet spits, aan den top stomp
Anarcardium. K a s j o e .
helmdraden. Stijlen vrij of aan de basis vergroeid. Bloemen in dunne
trossen van onderen met alleenstaande of weinige ♀ bloemen, van boven
met groepen van 2–4 ♂ bloemen. Bladeren klein Sebastiania.
37b. Kelk van de ♂ bloem 2-lobbig. Meeldraden 2–3 met vrije
helmknoppen. Kelk van de ♀ bloem 3-spletig of 3-deelig. Stijlen vrij of aan
de basis vergroeid. Vrucht een weinig vleezig. Bladsteel met 2 klieren aan
den top. Bloemen in aren; ♂ bloemen 3 of meer per schutblad, ♀ bloemen
alleenstaand bij het schutblad onder aan de aar Sapium. (Excoecaria).
Orde: Sapindales.
153. Anacardiaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, soms zonder bloemkroon, meeldraden evenveel of
dubbel zooveel als bloembladeren; bloeias verschillend ontwikkeld, meest als schijf,
vruchtbeginsel meest bovenstandig; vruchtbeginsels zelden 5, meest 3 of 1, bijna steeds
vergroeid met elkaar, met 1 zaadknop in ieder hokje; vrucht een steenvrucht; houtige
planten met verspreide enkelvoudige of samengestelde bladeren; bloemen klein.
1a. Bladeren enkelvoudig 2
1b. Bladeren gevind 3
2a. Bloemen schijnbaar tweeslachtig, in werkelijkheid éénslachtig.
Bloembladeren met 1–5 verdikte ribben. Meeldraden 5–4, waarvan maar 1
of 2 vruchtbaar. Vruchtbeginsel met slechts 1 zaadknop en 1 stijl. Vrucht
eirond. Boomen met smalle bladeren Mangifera. M a n j a .
2b. Bloemen polygaam (evenals de vorige). Bloembladeren zonder ribben.
Meeldraden 7–10, waaraan meest maar 1 vruchtbaar en veel langer dan de
andere. Vrucht niervormig, eenzadig, zwart op een verdikte roode, sappige
steel. Bladeren naar den voet spits, aan den top stomp
Anarcardium. K a s j o e .
Page 237
3a. Bloemen polygaam, kelk klein 4–5-spletig, later afvallend.
Bloembladeren 4–5 opstaand, ten slotte omgebogen. Meeldraden 8–10.
Vruchtbeginsel 3–5-hokkig, met 4–5 stijlen, die van boven samenneigen en
daar een spatelvormige stempel hebben. Steenvrucht met vleezige
buitenwand en 1–5-hokkige pit. Kiem in het zaad recht. Blaadjes aan den
voet vaak scheef Spondias. M o p è .
3b. Bloemen polygaam. 5-tallig. Kelkbladeren klein, blijvend.
Bloembladeren opstaand, klein. Meeldraden 10, in de ♂ bloemen zeer kort;
vruchtbeginsel in de ♂ bloem 4–5-lobbig, in de ♀ bloem met 5 stijlen
eindigend, die ieder een gewone stempel hebben. Vruchtbeginsel 1-hokkig
met 1 zaad, dat een gekromde kiem bevat Tapirira.
157. Aquifoliaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon; 4- tot meertallig; éénslachtig, tweehuizig; regelmatig;
bloembladeren vaak aan de basis met elkaar en met de meeldraden, waarvan er evenveel
zijn als bloembladeren, vergroeid; vruchtbeginsel 4–6-hokkig met 1–2 zaadknoppen in
ieder hokje; steenvrucht met 4–6 pitten; houtige planten met meest verspreide, leerachtige
bladeren met zeer kleine steunbladeren of zonder steunbladeren.
Bloemen polygaam of tweehuizig; 4-tallig. Kelk klein, blijvend; kroon 4-
deelig. Meeldraden 4, met de kroonslippen afwisselend en ermee aan de
basis vergroeid. Schijf niet aanwezig. Vruchtbeginsel met een zeer korte
stijl of zittende stempel. Kleine boomen met leerachtige bladeren Ilex.
158. Celastraceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 4–5-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig;
bloembladeren vrij, met de randen op elkaar liggend; meeldraden 4–5 (zelden 2 of 10) aan
den rand van een schijf ingeplant; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen
in ieder hokje; vrucht een bes of een doosvrucht; houtige planten met steeds enkelvoudige,
tegenoverstaande of verspreide bladeren; steunbladeren soms aanwezig maar afvallend.
Bloembladeren 4–5 opstaand, ten slotte omgebogen. Meeldraden 8–10.
Vruchtbeginsel 3–5-hokkig, met 4–5 stijlen, die van boven samenneigen en
daar een spatelvormige stempel hebben. Steenvrucht met vleezige
buitenwand en 1–5-hokkige pit. Kiem in het zaad recht. Blaadjes aan den
voet vaak scheef Spondias. M o p è .
3b. Bloemen polygaam. 5-tallig. Kelkbladeren klein, blijvend.
Bloembladeren opstaand, klein. Meeldraden 10, in de ♂ bloemen zeer kort;
vruchtbeginsel in de ♂ bloem 4–5-lobbig, in de ♀ bloem met 5 stijlen
eindigend, die ieder een gewone stempel hebben. Vruchtbeginsel 1-hokkig
met 1 zaad, dat een gekromde kiem bevat Tapirira.
157. Aquifoliaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon; 4- tot meertallig; éénslachtig, tweehuizig; regelmatig;
bloembladeren vaak aan de basis met elkaar en met de meeldraden, waarvan er evenveel
zijn als bloembladeren, vergroeid; vruchtbeginsel 4–6-hokkig met 1–2 zaadknoppen in
ieder hokje; steenvrucht met 4–6 pitten; houtige planten met meest verspreide, leerachtige
bladeren met zeer kleine steunbladeren of zonder steunbladeren.
Bloemen polygaam of tweehuizig; 4-tallig. Kelk klein, blijvend; kroon 4-
deelig. Meeldraden 4, met de kroonslippen afwisselend en ermee aan de
basis vergroeid. Schijf niet aanwezig. Vruchtbeginsel met een zeer korte
stijl of zittende stempel. Kleine boomen met leerachtige bladeren Ilex.
158. Celastraceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, 4–5-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig;
bloembladeren vrij, met de randen op elkaar liggend; meeldraden 4–5 (zelden 2 of 10) aan
den rand van een schijf ingeplant; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen
in ieder hokje; vrucht een bes of een doosvrucht; houtige planten met steeds enkelvoudige,
tegenoverstaande of verspreide bladeren; steunbladeren soms aanwezig maar afvallend.
Page 238
1a. Bloemen tweeslachtig of éénslachtig. Kelk 5- of 4-spletig, klein;
Bloembladeren 5 of 4, afstaand. Schijf dik. Meeldraden 5 of 4, onder den
rand van de schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 2- of 3-hokkig. Stijl soms zeer
kort met een 2- of 3-lobbige stempel. Doosvrucht eirond 2- of 3-kleppig
openspringend. Kleine boomen of heesters Maytenus.
1b. Bloemen tweeslachtig. Kelk 5-lobbig. Bloembladeren 5, smal, veel
langer dan de kelk, iets boven het midden gebogen en het bovendeel naar
binnen geslagen. Schijf dun. Meeldraden 5 met zeer korte helmdraden op
den rand van de schijf ingehecht. Helmknoppen aan den top behaard. Stijlen
5, klein. Vrucht een 2- tot meerhokkige bes. Boomen
Goupia. K o p i e .
159. Hippocrateaceae.
Bloemen 5-tallig, met minder meeldraden en hokjes van het vruchtbeginsel, tweeslachtig,
regelmatig; meeldraden 3; vruchtbeginsel 3-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht een
bes of een gevleugelde vrucht; houtige planten, vaak klimmend met tegenoverstaande of
verspreide enkelvoudige bladeren; steunbladeren klein of ontbrekend.
1a. Bloemen 5-tallig met 3 meeldraden met breede helmdraden, die aan de
basis vergroeid zijn en het vruchtbeginsel ten deele insluiten.
Vruchtbeginsel 3-hokkig, na den bloei ontwikkelt ieder hokje een
rechtopstaande vleugel, die zich later uitspreidt, zoodat de geheele vrucht
den vorm krijgt van een klaverblad. Bladeren tegenoverstaand
Hippocratea.
1b. Bloemen als de vorige, doch hokken van het
vruchtbeginsel niet gevleugeld; de vrucht is daardoor een ronde of
eivormige 1–3-hokkige, niet openspringende steenvrucht. Bladeren soms
afwisselend Salacia.
162. Icacinaceae.
Bloemen 5–4-tallig, met evenveel meeldraden; twee- of éénslachtig, regelmatig, met kelk
en bloemkroon; bloemas bol of bekervormig, het vruchtbeginsel omgevend; vruchtbeginsel
Bloembladeren 5 of 4, afstaand. Schijf dik. Meeldraden 5 of 4, onder den
rand van de schijf ingehecht. Vruchtbeginsel 2- of 3-hokkig. Stijl soms zeer
kort met een 2- of 3-lobbige stempel. Doosvrucht eirond 2- of 3-kleppig
openspringend. Kleine boomen of heesters Maytenus.
1b. Bloemen tweeslachtig. Kelk 5-lobbig. Bloembladeren 5, smal, veel
langer dan de kelk, iets boven het midden gebogen en het bovendeel naar
binnen geslagen. Schijf dun. Meeldraden 5 met zeer korte helmdraden op
den rand van de schijf ingehecht. Helmknoppen aan den top behaard. Stijlen
5, klein. Vrucht een 2- tot meerhokkige bes. Boomen
Goupia. K o p i e .
159. Hippocrateaceae.
Bloemen 5-tallig, met minder meeldraden en hokjes van het vruchtbeginsel, tweeslachtig,
regelmatig; meeldraden 3; vruchtbeginsel 3-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht een
bes of een gevleugelde vrucht; houtige planten, vaak klimmend met tegenoverstaande of
verspreide enkelvoudige bladeren; steunbladeren klein of ontbrekend.
1a. Bloemen 5-tallig met 3 meeldraden met breede helmdraden, die aan de
basis vergroeid zijn en het vruchtbeginsel ten deele insluiten.
Vruchtbeginsel 3-hokkig, na den bloei ontwikkelt ieder hokje een
rechtopstaande vleugel, die zich later uitspreidt, zoodat de geheele vrucht
den vorm krijgt van een klaverblad. Bladeren tegenoverstaand
Hippocratea.
1b. Bloemen als de vorige, doch hokken van het
vruchtbeginsel niet gevleugeld; de vrucht is daardoor een ronde of
eivormige 1–3-hokkige, niet openspringende steenvrucht. Bladeren soms
afwisselend Salacia.
162. Icacinaceae.
Bloemen 5–4-tallig, met evenveel meeldraden; twee- of éénslachtig, regelmatig, met kelk
en bloemkroon; bloemas bol of bekervormig, het vruchtbeginsel omgevend; vruchtbeginsel
Page 239
3-hokkig met 1 stijl, zelden alle hokjes, meest maar één ervan met 1, zelden 2
zaadknoppen; vrucht een 1-hokkige en 1-zadige steenvrucht; houtige planten meest met
afwisselende bladeren zonder steunbladeren; bloemen meest klein.
Bloemen tweeslachtig. Kelk 4–5-lobbig. Bloembladeren langwerpig met
overlangsche en soms ook dwarse ribben, aan de binnenzijde. Helmdraden
5, plat; helmknop op den top met een vierkant aanhangsel. Vruchtbeginsel
met een zeer korte stijl en een 2–3-lobbige stempel. Groote eironde
steenvrucht Poraqueiba.
165. Sapindaceae.
Bloemen tweeslachtig, of éénslachtig, typisch 5-tallig, zelden regelmatig, meest scheef
zygomorf; met een vaak eenzijdige schijf buiten de meeldraden; bloembladeren 5–3 of
ontbrekend; vaak met schubben aan de binnenzijde; meeldraden meest 8, zelden 10, 5 of
talrijk; vruchtbeginsel 2–3-hokkig met meest 1, zelden 2 zaadknoppen in ieder hokje,
vrucht een doosvrucht, een noot, een steenvrucht of een splitvrucht; meest houtige planten
met verspreide, ongedeelde of gevinde bladeren.
1a. Klimmende kruiden of heesters, in het bezit van ranken, meest aan de
bloeiwijzen 2
1b. Niet klimmende heesters of boomen zonder ranken 5
2a. Stengel bijna niet of in het geheel niet houtig, dus een kruidachtige
plant. Bladeren dun, dubbel-3-tallig. Vrucht opgeblazen, vliezig. Zaden
zonder arillus Cardiospermum. K e r s t m i s - b l o e m .
2b. Stengel duidelijk houtig; bladeren 3-tallig of gevind doch niet dubbel-
3-tallig; blaadjes min of meer leerachtig; vrucht niet opgeblazen 3
3a. Bladeren enkelgevind, meest met 5 blaadjes. Vrucht een 3-kleppige
doosvrucht, met harde wand, de kleppen op den rug met of zonder vleugel
Paullinia.
3b. Bladeren 3-tallig of gevind, maar dan het onderste paar
van de blaadjes nog eens samengesteld 4
zaadknoppen; vrucht een 1-hokkige en 1-zadige steenvrucht; houtige planten meest met
afwisselende bladeren zonder steunbladeren; bloemen meest klein.
Bloemen tweeslachtig. Kelk 4–5-lobbig. Bloembladeren langwerpig met
overlangsche en soms ook dwarse ribben, aan de binnenzijde. Helmdraden
5, plat; helmknop op den top met een vierkant aanhangsel. Vruchtbeginsel
met een zeer korte stijl en een 2–3-lobbige stempel. Groote eironde
steenvrucht Poraqueiba.
165. Sapindaceae.
Bloemen tweeslachtig, of éénslachtig, typisch 5-tallig, zelden regelmatig, meest scheef
zygomorf; met een vaak eenzijdige schijf buiten de meeldraden; bloembladeren 5–3 of
ontbrekend; vaak met schubben aan de binnenzijde; meeldraden meest 8, zelden 10, 5 of
talrijk; vruchtbeginsel 2–3-hokkig met meest 1, zelden 2 zaadknoppen in ieder hokje,
vrucht een doosvrucht, een noot, een steenvrucht of een splitvrucht; meest houtige planten
met verspreide, ongedeelde of gevinde bladeren.
1a. Klimmende kruiden of heesters, in het bezit van ranken, meest aan de
bloeiwijzen 2
1b. Niet klimmende heesters of boomen zonder ranken 5
2a. Stengel bijna niet of in het geheel niet houtig, dus een kruidachtige
plant. Bladeren dun, dubbel-3-tallig. Vrucht opgeblazen, vliezig. Zaden
zonder arillus Cardiospermum. K e r s t m i s - b l o e m .
2b. Stengel duidelijk houtig; bladeren 3-tallig of gevind doch niet dubbel-
3-tallig; blaadjes min of meer leerachtig; vrucht niet opgeblazen 3
3a. Bladeren enkelgevind, meest met 5 blaadjes. Vrucht een 3-kleppige
doosvrucht, met harde wand, de kleppen op den rug met of zonder vleugel
Paullinia.
3b. Bladeren 3-tallig of gevind, maar dan het onderste paar
van de blaadjes nog eens samengesteld 4
Page 240
4a. Bladeren 3-tallig. Vrucht dun-vliezig, over de geheele lengte met 3
dunne vleugels, openspringend Urvillea.
4b. Onderste paar blaadjes nog eens samengesteld. Vrucht aan den top de
zaden dragend, van onderen in de 3 vleugels overgaand Serjania.
5a. Bladeren enkelvoudig, smal, aan den top afgerond. Bloemen
tweehuizig in trossen. Bloembladeren ontbrekend. Vrucht met vliezige
vleugels Dodonaea.
5b. Bladeren samengesteld 6
6a. Bloembladeren 4 7
6b. Bloembladeren 5 8
7a. Kelkbladeren 4; bloembladeren zonder schubben van binnen. Schijf
rond. Meeldraden 8, kaal. Stijl aan den top tweelobbig; vrucht 2-hokkig;
eetbaar. Bladeren even gevind, 2-jukkig Melicocca. K n i p p e n .
7b. Kelkbladeren 5, bloembladeren met een schub van binnen. Schijf
eenzijdig ontwikkeld. Vrucht gevleugeld Toulicia.
8a. Bloembladeren zonder schubben, hoogstens met borstelvormige haren
van binnen. Kelkbladeren 5, over elkaar liggend. Schijf bekervormig 5-
hoekig. Vrucht meest 2-hokkig; stijl enkelvoudig Pseudima.
8b. Bloembladeren met schubben of met naar binnen geslagen oortjes
9
9a. Kelk klein, bekervormig, 5-tandig, reeds vroeg geopend.
Bloembladeren 5, met schubben. Schijf ringvormig. Vrucht 3-lobbig, zelden
een weinig gevleugeld Matayba. K o e n a t j e p p i .
9b. Kelk groot, 5-bladig, de bladeren over elkaar liggend; de bloemkroon in
den knop lang insluitend 10
10a. Kelkbladeren opvallend groot, bloembladachtig; bloembladeren met
schubben. Vruchtbeginsel 2-hokkig; vrucht 2-hokkig, plat met 2 groeven
dunne vleugels, openspringend Urvillea.
4b. Onderste paar blaadjes nog eens samengesteld. Vrucht aan den top de
zaden dragend, van onderen in de 3 vleugels overgaand Serjania.
5a. Bladeren enkelvoudig, smal, aan den top afgerond. Bloemen
tweehuizig in trossen. Bloembladeren ontbrekend. Vrucht met vliezige
vleugels Dodonaea.
5b. Bladeren samengesteld 6
6a. Bloembladeren 4 7
6b. Bloembladeren 5 8
7a. Kelkbladeren 4; bloembladeren zonder schubben van binnen. Schijf
rond. Meeldraden 8, kaal. Stijl aan den top tweelobbig; vrucht 2-hokkig;
eetbaar. Bladeren even gevind, 2-jukkig Melicocca. K n i p p e n .
7b. Kelkbladeren 5, bloembladeren met een schub van binnen. Schijf
eenzijdig ontwikkeld. Vrucht gevleugeld Toulicia.
8a. Bloembladeren zonder schubben, hoogstens met borstelvormige haren
van binnen. Kelkbladeren 5, over elkaar liggend. Schijf bekervormig 5-
hoekig. Vrucht meest 2-hokkig; stijl enkelvoudig Pseudima.
8b. Bloembladeren met schubben of met naar binnen geslagen oortjes
9
9a. Kelk klein, bekervormig, 5-tandig, reeds vroeg geopend.
Bloembladeren 5, met schubben. Schijf ringvormig. Vrucht 3-lobbig, zelden
een weinig gevleugeld Matayba. K o e n a t j e p p i .
9b. Kelk groot, 5-bladig, de bladeren over elkaar liggend; de bloemkroon in
den knop lang insluitend 10
10a. Kelkbladeren opvallend groot, bloembladachtig; bloembladeren met
schubben. Vruchtbeginsel 2-hokkig; vrucht 2-hokkig, plat met 2 groeven
Page 241
10b. Kelkbladeren kleiner dan de bloembladeren. Vouarana.
Vruchtbeginsel 3-hokkig 11
11a. Bloembladeren vaak dubbel zoo groot als de kelk, met naar binnen
geslagen oortjes boven de basis, òf met een 2-spletige, behaarde schub aan
de binnenzijde, die bijna even groot is als het bloemblad. Vrucht meest
eirond, gewoonlijk 1-hokkig en 1-zadig. Boomen, vaak zonder takken met
de bladeren aan den top Talisia.
11b. Kelkbladeren meest weinig grooter dan de bloemkroon.
Bloembladeren met 2 behaarde schubben. Vrucht 3-lobbig, openspringend
Cupania.
11c. Kelk kleiner dan de bloemkroon, diep 5-deelig;
bloembladeren met 2 schubben aan de basis, die met de randen vergroeid
zijn, zoodat elk bloemblad van onderen een zakje heeft. Schijf ringvormig,
behaard; meeldraden van boven kaal. Vruchtbeginsel stomp tot 3-kantig,
behaard; vrucht 3-lobbig, aan den top ingedeukt, 3-hokkig, elk zaad op een
vleezige massa gezeten Blighia. A k i e .
Orde: Rhamnales.
169. Rhamnaceae.
Bloemen 4- of 5-tallig, met evenveel meeldraden, die voor de bloembladeren staan; kelk
klein; bloembladeren klein of ontbrekend; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met 1 of 2
zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een steenvrucht of een droge vrucht met éénzadige
afdeelingen; houtige planten, zelden kruiden, vaak klimmend met enkelvoudige, vaak 3–5-
nervige bladeren met kleine steunbladeren; bloemen klein.
Bloem 5-tallig, meeldraden voor de bloembladeren staand. Stijl 3-spletig.
Vrucht 3-vleugelig, ten slotte in 3 stukken uiteenvallend. Bloemen in dichte
samengestelde trossen; met ranken klimmende heesters; ranken bij de
bloeiwijze staand Gouania.
170. Vitaceae.
Vruchtbeginsel 3-hokkig 11
11a. Bloembladeren vaak dubbel zoo groot als de kelk, met naar binnen
geslagen oortjes boven de basis, òf met een 2-spletige, behaarde schub aan
de binnenzijde, die bijna even groot is als het bloemblad. Vrucht meest
eirond, gewoonlijk 1-hokkig en 1-zadig. Boomen, vaak zonder takken met
de bladeren aan den top Talisia.
11b. Kelkbladeren meest weinig grooter dan de bloemkroon.
Bloembladeren met 2 behaarde schubben. Vrucht 3-lobbig, openspringend
Cupania.
11c. Kelk kleiner dan de bloemkroon, diep 5-deelig;
bloembladeren met 2 schubben aan de basis, die met de randen vergroeid
zijn, zoodat elk bloemblad van onderen een zakje heeft. Schijf ringvormig,
behaard; meeldraden van boven kaal. Vruchtbeginsel stomp tot 3-kantig,
behaard; vrucht 3-lobbig, aan den top ingedeukt, 3-hokkig, elk zaad op een
vleezige massa gezeten Blighia. A k i e .
Orde: Rhamnales.
169. Rhamnaceae.
Bloemen 4- of 5-tallig, met evenveel meeldraden, die voor de bloembladeren staan; kelk
klein; bloembladeren klein of ontbrekend; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met 1 of 2
zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een steenvrucht of een droge vrucht met éénzadige
afdeelingen; houtige planten, zelden kruiden, vaak klimmend met enkelvoudige, vaak 3–5-
nervige bladeren met kleine steunbladeren; bloemen klein.
Bloem 5-tallig, meeldraden voor de bloembladeren staand. Stijl 3-spletig.
Vrucht 3-vleugelig, ten slotte in 3 stukken uiteenvallend. Bloemen in dichte
samengestelde trossen; met ranken klimmende heesters; ranken bij de
bloeiwijze staand Gouania.
170. Vitaceae.
Page 242
Kenmerken van de vorige familie, maar vrucht een bes; bloembladeren vaak van boven
vergroeid en te samen afvallend; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–6-hokkig; klimmende
heesters met ranken die tegenover de bladeren staan.
Bloemen steeds 4-tallig, tweeslachtig of polygaam. Kelk vergroeidbladig
met korte tanden; bloembladeren uitgespreid. Meeldraden voor de
bloembladeren staand. Schijf 4-lobbig. Stijl met uiterst kleine stempel;
vrucht een 1–4-zadige bes. Planten, die meest met ranken klimmen, soms
ook heesters zonder ranken Cissus.
Orde: Malvales.
171. Elaeocarpaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon of alleen met een kelk; kelk bijna losbladig; bloemen
meest tweeslachtig, regelmatig; meeldraden op een gewelfde bloemas; vruchtbeginsel 2-
tot meerhokkig met meest vele zaadknoppen; stijl 1; vrucht meest een doosvrucht; houtige
planten met enkelvoudige bladeren met steunbladeren.
Kelk diep 4-, soms 5–6-deelig. Bloembladeren ontbrekend. Meeldraden
talrijk in groeven van de schijf staand. Vruchtbeginsel 4-hokkig met een
lange stijl en 4-spletige stempel. Vrucht een 4-kleppige doosvrucht met
stekels bezet. Boomen met meest grofgetande bladeren Sloanea.
174. Tiliaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon; meest tweeslachtig, 5-tallig; kelk en bloemkroon bijna
of geheel losbladig; soms bloembladeren ontbrekend, regelmatig; meeldraden talrijk,
zelden tot 10, of 5; vrij of in 5–10 bundels, soms ten deele staminodiaal; vruchtbeginsel 2-
tot veelhokkig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; stijl 1; vrucht soms éénhokkig;
meest houtige planten, zelden kruiden met meest verspreide, gaafrandige of gelobde
bladeren met steunbladeren.
vergroeid en te samen afvallend; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–6-hokkig; klimmende
heesters met ranken die tegenover de bladeren staan.
Bloemen steeds 4-tallig, tweeslachtig of polygaam. Kelk vergroeidbladig
met korte tanden; bloembladeren uitgespreid. Meeldraden voor de
bloembladeren staand. Schijf 4-lobbig. Stijl met uiterst kleine stempel;
vrucht een 1–4-zadige bes. Planten, die meest met ranken klimmen, soms
ook heesters zonder ranken Cissus.
Orde: Malvales.
171. Elaeocarpaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon of alleen met een kelk; kelk bijna losbladig; bloemen
meest tweeslachtig, regelmatig; meeldraden op een gewelfde bloemas; vruchtbeginsel 2-
tot meerhokkig met meest vele zaadknoppen; stijl 1; vrucht meest een doosvrucht; houtige
planten met enkelvoudige bladeren met steunbladeren.
Kelk diep 4-, soms 5–6-deelig. Bloembladeren ontbrekend. Meeldraden
talrijk in groeven van de schijf staand. Vruchtbeginsel 4-hokkig met een
lange stijl en 4-spletige stempel. Vrucht een 4-kleppige doosvrucht met
stekels bezet. Boomen met meest grofgetande bladeren Sloanea.
174. Tiliaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon; meest tweeslachtig, 5-tallig; kelk en bloemkroon bijna
of geheel losbladig; soms bloembladeren ontbrekend, regelmatig; meeldraden talrijk,
zelden tot 10, of 5; vrij of in 5–10 bundels, soms ten deele staminodiaal; vruchtbeginsel 2-
tot veelhokkig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; stijl 1; vrucht soms éénhokkig;
meest houtige planten, zelden kruiden met meest verspreide, gaafrandige of gelobde
bladeren met steunbladeren.
Page 243
1a. Helmknoppen aan den top met een bladachtig aanhangsel.
Vruchtbeginsel veelhokkig. Bloembladeren korter dan de kelk. Meeldraden
talrijk. Vrucht bolvormig meest met haren of stekels bezet. Boomen
Apeiba.
1b. Helmknoppen zonder aanhangsel aan den top.
Vruchtbeginsel 2–5-hokkig 2
2a. Het centrum van de bloem is voorzien van een zuil, waarop de
meeldraden en het vruchtbeginsel staan; soms is deze zuil zeer kort, maar
dan ontbreken de bloembladeren. Bloemen 5-tallig; meeldraden 5, 10 of
vele. Vrucht met rechte of haakvormige stekels bezet. Kruiden of heesters
met viltig-behaarde, vaak gelobde bladeren Triumfetta.
2b. Geen zuil in het midden van de bloem 3
3a. Kelk losbladig. Bloembladeren aan de basis zonder klieren. Meeldraden
10 tot vele, alle met helmknoppen. Vruchtbeginsel 2–5-hokkig. Vrucht een
lange of korte doosvrucht. Kruiden of heesters met gezaagde bladeren
Corchorus.
3b. Kelk met een los- of vergroeidbladige buitenkelk.
Bloembladeren met klieren aan de basis. Meeldraden talrijk, alleen de
binnenste met helmknoppen. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Vrucht een
doosvrucht, die met 5 kleppen openspringt Lühea. K o e s e w i r a n .
175. Malvaceae.
Bloemen meest tweeslachtig; kelk en kroon 5-tallig; de kelk vergroeidbladig; de kroon in
de knop gedraaid; meeldraden zeer zelden 5, meest zeer vele, in twee kransen, alle in een
bundel vereenigd; helmknoppen met maar één helmhokje; vruchtbeginsel 5- tot veelhokkig
met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; stijlen evenveel of dubbel zooveel, vrucht een
doosvrucht of in deelvruchten uiteenvallend; kruiden of houtige planten met enkelvoudige
of gelobde bladeren met steunbladeren; vaak een buitenkelk aanwezig.
1a. Bijkelk ontbrekend 2
1b. Bijkelk voorhanden 5
Vruchtbeginsel veelhokkig. Bloembladeren korter dan de kelk. Meeldraden
talrijk. Vrucht bolvormig meest met haren of stekels bezet. Boomen
Apeiba.
1b. Helmknoppen zonder aanhangsel aan den top.
Vruchtbeginsel 2–5-hokkig 2
2a. Het centrum van de bloem is voorzien van een zuil, waarop de
meeldraden en het vruchtbeginsel staan; soms is deze zuil zeer kort, maar
dan ontbreken de bloembladeren. Bloemen 5-tallig; meeldraden 5, 10 of
vele. Vrucht met rechte of haakvormige stekels bezet. Kruiden of heesters
met viltig-behaarde, vaak gelobde bladeren Triumfetta.
2b. Geen zuil in het midden van de bloem 3
3a. Kelk losbladig. Bloembladeren aan de basis zonder klieren. Meeldraden
10 tot vele, alle met helmknoppen. Vruchtbeginsel 2–5-hokkig. Vrucht een
lange of korte doosvrucht. Kruiden of heesters met gezaagde bladeren
Corchorus.
3b. Kelk met een los- of vergroeidbladige buitenkelk.
Bloembladeren met klieren aan de basis. Meeldraden talrijk, alleen de
binnenste met helmknoppen. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Vrucht een
doosvrucht, die met 5 kleppen openspringt Lühea. K o e s e w i r a n .
175. Malvaceae.
Bloemen meest tweeslachtig; kelk en kroon 5-tallig; de kelk vergroeidbladig; de kroon in
de knop gedraaid; meeldraden zeer zelden 5, meest zeer vele, in twee kransen, alle in een
bundel vereenigd; helmknoppen met maar één helmhokje; vruchtbeginsel 5- tot veelhokkig
met 1 tot vele zaadknoppen in ieder hokje; stijlen evenveel of dubbel zooveel, vrucht een
doosvrucht of in deelvruchten uiteenvallend; kruiden of houtige planten met enkelvoudige
of gelobde bladeren met steunbladeren; vaak een buitenkelk aanwezig.
1a. Bijkelk ontbrekend 2
1b. Bijkelk voorhanden 5
Page 244
2a. Bloemen zeer dicht op elkaar staand, gezamenlijk omhuld door eenige
groote schutbladeren. Bloemen wit; vruchtbeginsel 5-hokkig met 10 stijlen.
Planten met stijve haren Malachra.
2b. Bloemen niet groepsgewijs door schutbladeren ingehuld 3
3a. Zaadknoppen, en later ook zaden meerdere in elke afdeeling van het
vruchtbeginsel of van de vrucht 4
3b. Nooit meer dan 1 zaadknop of zaad in elke afdeeling van het
vruchtbeginsel of de vrucht; deze valt in 1-zadige stukken uiteen. Kruiden
of kleine heesters, meestal met de bloemen in de bladoksels; bladeren vaak
viltig behaard Sida.
4a. Afdeelingen van vruchtbeginsel en vrucht 5 tot meer, met 3–9
zaadknoppen per afdeeling. Kruiden of heesters Abutilon.
4b. Afdeelingen van vruchtbeginsel en vrucht 5, elke afdeeling door een
dwars tusschenschot in een bovenste en een onderste helft verdeeld,
waarvan de onderste 2 of 1 zaad, de bovenste 1 of 0 zaden bevat.
Vruchtdeelen aan den top toegespitst, openspringend. Wissadula.
5a. Bloem ingehuld door een groote 3-bladige bijkelk met hartvormige
bladeren. Stijlen vergroeid. Vrucht een doosvrucht, zaden met haren bedekt.
Bladeren handlobbig tot handdeelig Gossypium. K a t o e n .
5b. Bijkelk meerbladig, of met smalle bladeren 6
6a. Stijlen vergroeid; bijkelk uit 3–5 kleine en spoedig afvallende blaadjes
bestaand. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Vrucht niet openspringend. Bladeren
ongedeeld Thespesia.
6b. Stijlen niet vergroeid of alleen van onderen vergroeid 7
7a. Vrucht een openspringende meerzadige doosvrucht. Bloemen groot;
kelk met een 5- tot veelbladige bijkelk; blaadjes van den bijkelk vaak aan
den top gespleten of verdikt. Plant vaak gestekeld Hibiscus.
groote schutbladeren. Bloemen wit; vruchtbeginsel 5-hokkig met 10 stijlen.
Planten met stijve haren Malachra.
2b. Bloemen niet groepsgewijs door schutbladeren ingehuld 3
3a. Zaadknoppen, en later ook zaden meerdere in elke afdeeling van het
vruchtbeginsel of van de vrucht 4
3b. Nooit meer dan 1 zaadknop of zaad in elke afdeeling van het
vruchtbeginsel of de vrucht; deze valt in 1-zadige stukken uiteen. Kruiden
of kleine heesters, meestal met de bloemen in de bladoksels; bladeren vaak
viltig behaard Sida.
4a. Afdeelingen van vruchtbeginsel en vrucht 5 tot meer, met 3–9
zaadknoppen per afdeeling. Kruiden of heesters Abutilon.
4b. Afdeelingen van vruchtbeginsel en vrucht 5, elke afdeeling door een
dwars tusschenschot in een bovenste en een onderste helft verdeeld,
waarvan de onderste 2 of 1 zaad, de bovenste 1 of 0 zaden bevat.
Vruchtdeelen aan den top toegespitst, openspringend. Wissadula.
5a. Bloem ingehuld door een groote 3-bladige bijkelk met hartvormige
bladeren. Stijlen vergroeid. Vrucht een doosvrucht, zaden met haren bedekt.
Bladeren handlobbig tot handdeelig Gossypium. K a t o e n .
5b. Bijkelk meerbladig, of met smalle bladeren 6
6a. Stijlen vergroeid; bijkelk uit 3–5 kleine en spoedig afvallende blaadjes
bestaand. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Vrucht niet openspringend. Bladeren
ongedeeld Thespesia.
6b. Stijlen niet vergroeid of alleen van onderen vergroeid 7
7a. Vrucht een openspringende meerzadige doosvrucht. Bloemen groot;
kelk met een 5- tot veelbladige bijkelk; blaadjes van den bijkelk vaak aan
den top gespleten of verdikt. Plant vaak gestekeld Hibiscus.
Page 245
7b. Vrucht in eenzadige stukken uiteenvallend. Bloemen klein 8
8a. Deelen van de vrucht op den rug met netvormige aderen. Bijkelk 9–12-
bladig. Bladeren handdeelig. Plant met stijve, eenigszins stekelige haren
bezet Malachra.
8b. Deelen van de vrucht met talrijke stekels op de rugzijde. Bijkelk 5-
bladig. Bladeren fijn behaard, handlobbig tot handdeelig Urena.
8c. Deelen van de vrucht 5, met 3 lange met weerhaken bezette stekels op
den rug. Bijkelk 5- tot veelbladig Pavonia.
177. Bombacaceae.
Bloemen in hoofdzaak als de vorige familie, maar de helmknoppen met 1, 2 of ook meer
helmhokjes; soms ten deele staminodiaal; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met 2 tot vele
zaadknoppen in ieder hokje; boomen of heesters met enkelvoudige of handvormig
samengestelde bladeren met afvallende steunbladeren; bloemen vaak zeer groot.
1a. Bladeren handvormig samengesteld 2
1b. Bladeren enkelvoudig. Kelkbuis trechtervormig, 2–5-lobbig.
Bloembladeren 5. Helmdraden in een lange buis vergroeid, die van buiten
aan den top bekleed is met de helmknoppen. Vruchtbeginsel 2-hokkig.
Kleine boomen Quararibea.
2a. Meeldraden 5, van onderen in een korte buis vergroeid. Kelk met korte
tanden. Bloembladeren 5; vruchtbeginsel 5-hokkig. Vrucht een met 5
kleppen openspringende doosvrucht, die van binnen zeer dicht behaard is.
Groote boomen Ceiba. K a n k a n t r i e .
2b. Meeldraden talrijk 3
3a. Kelk groot, 5-lobbig, van binnen zijdeachtig behaard. Meeldraden ver
over de helft tot een buis vergroeid. Vruchtbeginsel 5–10-hokkig, stijl met
5–10 takken. Boomen. Vruchten zonder wol. Adansonia.
8a. Deelen van de vrucht op den rug met netvormige aderen. Bijkelk 9–12-
bladig. Bladeren handdeelig. Plant met stijve, eenigszins stekelige haren
bezet Malachra.
8b. Deelen van de vrucht met talrijke stekels op de rugzijde. Bijkelk 5-
bladig. Bladeren fijn behaard, handlobbig tot handdeelig Urena.
8c. Deelen van de vrucht 5, met 3 lange met weerhaken bezette stekels op
den rug. Bijkelk 5- tot veelbladig Pavonia.
177. Bombacaceae.
Bloemen in hoofdzaak als de vorige familie, maar de helmknoppen met 1, 2 of ook meer
helmhokjes; soms ten deele staminodiaal; vruchtbeginsel 2–5-hokkig met 2 tot vele
zaadknoppen in ieder hokje; boomen of heesters met enkelvoudige of handvormig
samengestelde bladeren met afvallende steunbladeren; bloemen vaak zeer groot.
1a. Bladeren handvormig samengesteld 2
1b. Bladeren enkelvoudig. Kelkbuis trechtervormig, 2–5-lobbig.
Bloembladeren 5. Helmdraden in een lange buis vergroeid, die van buiten
aan den top bekleed is met de helmknoppen. Vruchtbeginsel 2-hokkig.
Kleine boomen Quararibea.
2a. Meeldraden 5, van onderen in een korte buis vergroeid. Kelk met korte
tanden. Bloembladeren 5; vruchtbeginsel 5-hokkig. Vrucht een met 5
kleppen openspringende doosvrucht, die van binnen zeer dicht behaard is.
Groote boomen Ceiba. K a n k a n t r i e .
2b. Meeldraden talrijk 3
3a. Kelk groot, 5-lobbig, van binnen zijdeachtig behaard. Meeldraden ver
over de helft tot een buis vergroeid. Vruchtbeginsel 5–10-hokkig, stijl met
5–10 takken. Boomen. Vruchten zonder wol. Adansonia.
Page 246
3b. Kelk zonder lobben of onregelmatig inscheurend. Meeldraden in een
buis vergroeid, welke later meest inscheurt. Vruchtbeginsel 5-hokkig, stijl
niet gedeeld of met 5 korte takjes. Vrucht met veel of weinig wol van
binnen Bombax.
178. Sterculiaceae.
Bloemen tweeslachtig of éénslachtig; kelk vergroeidbladig; bloembladeren in de knop
gedraaid; meeldraden in 2 kransen; de krans die voor de kelkslippen staat staminodiaal; die
welke voor de bloembladeren staat vaak gespleten; meest alle vergroeid; helmknoppen met
2 helmhokjes; vaak een androgynophoor aanwezig; vruchtbeginsels 5, min of meer
vergroeid; met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht vaak in deelvruchten uiteenvallend; boomen,
heesters of kruiden, met meest enkelvoudige, gaafrandige of gelobde of handvormig
samengestelde bladeren; steunbladeren afvallend.
1a. Bloemen éénslachtig, bloembladeren ontbrekend 2
1b. Bloemen tweeslachtig, met een bloemkroon 3
2a. Vruchtbeginsel en meeldraden in de ♀ of ♂ bloem op een steel
(gynophoor of androphoor) gezeten; onregelmatig geplaatst Sterculia.
2b. Vruchtbeginsel en meeldraden ongesteeld of zeer kort gesteeld.
Helmknoppen in regelmatige rijen Cola.
3a. Meeldraden en vruchtbeginsel op een lang androgynophoor gezeten.
Meeldraden 6–10; vruchtbeginsel 5-hokkig met 5 stijlen, na den bloei zijn
de hokken spiraalsgewijs om elkaar gedraaid. Kelk lang, buisvormig
Helicteres.
3b. Androgynophoor ontbrekend
4
4a. Planten met stekels. Bladeren gezaagd. Bloembladeren
kapvormig met een lange smalle slip. Meeldraden 5, met breede
staminodiën in een bekervormige buis vergroeid Büttneria.
4b. Planten ongestekeld 5
buis vergroeid, welke later meest inscheurt. Vruchtbeginsel 5-hokkig, stijl
niet gedeeld of met 5 korte takjes. Vrucht met veel of weinig wol van
binnen Bombax.
178. Sterculiaceae.
Bloemen tweeslachtig of éénslachtig; kelk vergroeidbladig; bloembladeren in de knop
gedraaid; meeldraden in 2 kransen; de krans die voor de kelkslippen staat staminodiaal; die
welke voor de bloembladeren staat vaak gespleten; meest alle vergroeid; helmknoppen met
2 helmhokjes; vaak een androgynophoor aanwezig; vruchtbeginsels 5, min of meer
vergroeid; met 2 tot vele zaadknoppen; vrucht vaak in deelvruchten uiteenvallend; boomen,
heesters of kruiden, met meest enkelvoudige, gaafrandige of gelobde of handvormig
samengestelde bladeren; steunbladeren afvallend.
1a. Bloemen éénslachtig, bloembladeren ontbrekend 2
1b. Bloemen tweeslachtig, met een bloemkroon 3
2a. Vruchtbeginsel en meeldraden in de ♀ of ♂ bloem op een steel
(gynophoor of androphoor) gezeten; onregelmatig geplaatst Sterculia.
2b. Vruchtbeginsel en meeldraden ongesteeld of zeer kort gesteeld.
Helmknoppen in regelmatige rijen Cola.
3a. Meeldraden en vruchtbeginsel op een lang androgynophoor gezeten.
Meeldraden 6–10; vruchtbeginsel 5-hokkig met 5 stijlen, na den bloei zijn
de hokken spiraalsgewijs om elkaar gedraaid. Kelk lang, buisvormig
Helicteres.
3b. Androgynophoor ontbrekend
4
4a. Planten met stekels. Bladeren gezaagd. Bloembladeren
kapvormig met een lange smalle slip. Meeldraden 5, met breede
staminodiën in een bekervormige buis vergroeid Büttneria.
4b. Planten ongestekeld 5
Page 247
5a. Bloembladeren aan de basis kapvormig; meeldraden met staminodiën
tot een buis vergroeid 6
5b. Bloembladeren niet kapvormig; meeldraden 5, zonder staminodiën
7
6a. Bloembladeren aan den top 2-spletig. Kelk 3-deelig. Vrucht een
houtige doosvrucht met stekels of lange haren bezet Guazuma.
6b. Bloembladeren van boven niet gespleten. Kelk 2–5-deelig. Vrucht
vleezig, zonder haren of stekels Theobroma.
7a. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 5 stijlen. Bloembladeren aan de buis der
helmdraden zitten blijvend Melochia.
7b. Vruchtbeginsel 1-hokkig met 1 stijl, en 2 zaadknoppen. Bloemen
overigens als de vorige. Bladeren meest fluweelig behaard Waltheria.
Orde: Parietales.
180. Dilleniaceae.
Bloemen twee-, zelden éénslachtig, regelmatig; kelkbladeren 3 tot vele; bloembladeren 5–
3; meeldraden talrijk, zelden 10 of minder; vruchtbeginsels 1 tot vele, meest vrij, ieder met
1 tot vele zaadknoppen; stijlen vrij; vrucht aan de rugzijde zich openend of gesloten met 1
of weinige zaden; houtige planten, soms lianen; bladeren verspreid, en gaafrandig;
steunbladeren aanwezig of ontbrekend.
1a. De beide binnenste kelkbladeren veel grooter dan de andere, na de bloei
zich vergrootend en de vrucht inhullend. Bloembladeren 6–1, gemakkelijk
afvallend. Meeldraden talrijk, blijvend. Vruchtbeginsels 1 of 2. Lianen
Davilla.
1b. De 5 kelkbladeren alle volkomen of bijna aan elkaar gelijk
2
2a. Kleine boomen of heesters, niet klimmend. Bloemen 5–4-tallig.
Meeldraden talrijk; helmknoppen naar binnen openspringend en naar het
tot een buis vergroeid 6
5b. Bloembladeren niet kapvormig; meeldraden 5, zonder staminodiën
7
6a. Bloembladeren aan den top 2-spletig. Kelk 3-deelig. Vrucht een
houtige doosvrucht met stekels of lange haren bezet Guazuma.
6b. Bloembladeren van boven niet gespleten. Kelk 2–5-deelig. Vrucht
vleezig, zonder haren of stekels Theobroma.
7a. Vruchtbeginsel 5-hokkig met 5 stijlen. Bloembladeren aan de buis der
helmdraden zitten blijvend Melochia.
7b. Vruchtbeginsel 1-hokkig met 1 stijl, en 2 zaadknoppen. Bloemen
overigens als de vorige. Bladeren meest fluweelig behaard Waltheria.
Orde: Parietales.
180. Dilleniaceae.
Bloemen twee-, zelden éénslachtig, regelmatig; kelkbladeren 3 tot vele; bloembladeren 5–
3; meeldraden talrijk, zelden 10 of minder; vruchtbeginsels 1 tot vele, meest vrij, ieder met
1 tot vele zaadknoppen; stijlen vrij; vrucht aan de rugzijde zich openend of gesloten met 1
of weinige zaden; houtige planten, soms lianen; bladeren verspreid, en gaafrandig;
steunbladeren aanwezig of ontbrekend.
1a. De beide binnenste kelkbladeren veel grooter dan de andere, na de bloei
zich vergrootend en de vrucht inhullend. Bloembladeren 6–1, gemakkelijk
afvallend. Meeldraden talrijk, blijvend. Vruchtbeginsels 1 of 2. Lianen
Davilla.
1b. De 5 kelkbladeren alle volkomen of bijna aan elkaar gelijk
2
2a. Kleine boomen of heesters, niet klimmend. Bloemen 5–4-tallig.
Meeldraden talrijk; helmknoppen naar binnen openspringend en naar het
Page 248
centrum der bloem ingehecht aan de helmdraad (intrors.) Vruchtbeginsels 2.
Bladeren zeer ruw Curatella. W i l d e k a s j o e ; b o s c h - k a s j o e .
2b. Lianen; helmknoppen extrors 3
3a. Vruchtbeginsels 3–5, in één enkel geval (T. aspera) 1, maar dan zijn de
bladeren getand, en is de vrucht droog. Bladeren bijna steeds getand.
Bloeiwijze een eindelingsche tros of pluim. Vruchten doosvruchtachtig
Tetracera.
3b. Vruchtbeginsel 1; bladeren meest ongetand.
Bloeiwijzen zijdelings, kort, meest in de bladoksels. Vrucht een bes
Doliocarpus.
182. Ochnaceae.
Bloemen meest 5-tallig; tweeslachtig, regelmatig, soms zygomorf; bloemas na de bloei
vaak vergroot; kelkbladeren 4–10; bloembladeren 5; zelden 4–10; meeldraden 10 of vele,
soms met staminodiën; vruchtbeginsels 2–5-10; vaak van onderen vrij, maar met 1 stijl; in
ieder vruchtbeginsel of hokje van het vruchtbeginsel 1 tot vele zaadknoppen; meest houtige
planten met meest glimmende enkelvoudige, zelden gevinde bladeren met evenwijdige
zijnerven; steunbladeren aanwezig; bloem groot, meest geel.
1a. Boomen of heesters. Bloemen met 8–20 meeldraden; staminodiën niet
aanwezig 2
1b. Kruiden, soms een weinig heesterachtig met kleine gezaagde bladeren
met gewimperde steunbladeren. Kelkbladeren 5, blijvend, gelijk van vorm.
Bloembladeren 5, rose of wit. Vruchtbare meeldraden, omgeven door 2
kransen van staminodiën; binnenste krans bestaande uit 5 staminodiën, die
met de meeldraden afwisselen, buitenste krans uit talrijke staminodiën
Sauvagesia.
2a. Kelkbladeren 5, ongelijk, elkaar in den knop sterk
bedekkend, min of meer gekleurd. Bloembladeren 5, gelijk, weinig langer
dan de kelk. Meeldraden 10 met korte helmdraden en lange helmknoppen.
Geen staminodiën. Bloeias verlengd, dubbel zoolang als het vruchtbeginsel.
Vruchtbeginsels 5–10 alleen door de stijl verbonden, daardoor ontwikkelen
Bladeren zeer ruw Curatella. W i l d e k a s j o e ; b o s c h - k a s j o e .
2b. Lianen; helmknoppen extrors 3
3a. Vruchtbeginsels 3–5, in één enkel geval (T. aspera) 1, maar dan zijn de
bladeren getand, en is de vrucht droog. Bladeren bijna steeds getand.
Bloeiwijze een eindelingsche tros of pluim. Vruchten doosvruchtachtig
Tetracera.
3b. Vruchtbeginsel 1; bladeren meest ongetand.
Bloeiwijzen zijdelings, kort, meest in de bladoksels. Vrucht een bes
Doliocarpus.
182. Ochnaceae.
Bloemen meest 5-tallig; tweeslachtig, regelmatig, soms zygomorf; bloemas na de bloei
vaak vergroot; kelkbladeren 4–10; bloembladeren 5; zelden 4–10; meeldraden 10 of vele,
soms met staminodiën; vruchtbeginsels 2–5-10; vaak van onderen vrij, maar met 1 stijl; in
ieder vruchtbeginsel of hokje van het vruchtbeginsel 1 tot vele zaadknoppen; meest houtige
planten met meest glimmende enkelvoudige, zelden gevinde bladeren met evenwijdige
zijnerven; steunbladeren aanwezig; bloem groot, meest geel.
1a. Boomen of heesters. Bloemen met 8–20 meeldraden; staminodiën niet
aanwezig 2
1b. Kruiden, soms een weinig heesterachtig met kleine gezaagde bladeren
met gewimperde steunbladeren. Kelkbladeren 5, blijvend, gelijk van vorm.
Bloembladeren 5, rose of wit. Vruchtbare meeldraden, omgeven door 2
kransen van staminodiën; binnenste krans bestaande uit 5 staminodiën, die
met de meeldraden afwisselen, buitenste krans uit talrijke staminodiën
Sauvagesia.
2a. Kelkbladeren 5, ongelijk, elkaar in den knop sterk
bedekkend, min of meer gekleurd. Bloembladeren 5, gelijk, weinig langer
dan de kelk. Meeldraden 10 met korte helmdraden en lange helmknoppen.
Geen staminodiën. Bloeias verlengd, dubbel zoolang als het vruchtbeginsel.
Vruchtbeginsels 5–10 alleen door de stijl verbonden, daardoor ontwikkelen
Page 249
zich uit elke bloem 10 of minder steenvruchten, die op een
gemeenschappelijke vruchtbodem staan Ouratea.
2b. Kelkbladeren 3–6, bijna gelijk. Bloembladeren 3–6 langer dan de
kelkbladeren. Meeldraden 8–10, of 18–20, zonder staminodiën. Bloeias
weinig verlengd. Vruchtbeginsels geheel vergroeid, evenals de vrucht
Elvasia.
183. Caryocaraceae.
Bloemen tweeslachtig, regelmatig; kelk- en bloembladeren 5, zelden 6, de laatste een
weinig samenhangend; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel 4–8-20-hokkig, zelden 1–3-
hokkig met 1 zaadknop in ieder hokje; stijlen gescheiden; boomen of heesters met 3-tallige
bladeren; steunbladeren aan de basis van de bladsteel en van de steelen der blaadjes;
bloemen in eindstandige trossen.
Boomen met tegenoverstaande, 3-tallige bladeren; kelk 4–6-spletig;
bloembladeren 4–6. Meeldraden talrijk, langer dan de bloembladeren.
Vruchtbeginsel met 4–6 lange stijlen. Vrucht een steenvrucht met 3–4-
eenzadige pitten Caryocar. N i n g r e - n o t o .
184. Marcgraviaceae.
Bloemen tweeslachtig, regelmatig; kelk 4–5-bladig; bloembladeren 4–5, meest wat
vergroeid of geheel vergroeid; meeldraden 4–6 tot vele, vaak onderling en met de
bloemkroon vergroeid en met deze samen afvallend; vruchtbeginsel meest 5-hokkig of 2–
8- tot veelhokkig, met vele zaadknoppen; doosvrucht gesloten of openspringend; houtige
planten, vaak klimmend of epiphyten, met enkelvoudige bladeren zonder steunbladeren;
bloemen in trossen of schermen; schutbladeren meest met de bloemsteel vergroeid en in
een helder gekleurde honingbeker veranderd.
1a. Bloemen langgesteeld, in een scherm gezeten; in het midden lange
honingbekers, daaromheen de bloemen. Kelkbladeren 4, bloembladeren
houtig, geheel vergroeid. Epiphyten met 2 soorten van takken, de niet-
gemeenschappelijke vruchtbodem staan Ouratea.
2b. Kelkbladeren 3–6, bijna gelijk. Bloembladeren 3–6 langer dan de
kelkbladeren. Meeldraden 8–10, of 18–20, zonder staminodiën. Bloeias
weinig verlengd. Vruchtbeginsels geheel vergroeid, evenals de vrucht
Elvasia.
183. Caryocaraceae.
Bloemen tweeslachtig, regelmatig; kelk- en bloembladeren 5, zelden 6, de laatste een
weinig samenhangend; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel 4–8-20-hokkig, zelden 1–3-
hokkig met 1 zaadknop in ieder hokje; stijlen gescheiden; boomen of heesters met 3-tallige
bladeren; steunbladeren aan de basis van de bladsteel en van de steelen der blaadjes;
bloemen in eindstandige trossen.
Boomen met tegenoverstaande, 3-tallige bladeren; kelk 4–6-spletig;
bloembladeren 4–6. Meeldraden talrijk, langer dan de bloembladeren.
Vruchtbeginsel met 4–6 lange stijlen. Vrucht een steenvrucht met 3–4-
eenzadige pitten Caryocar. N i n g r e - n o t o .
184. Marcgraviaceae.
Bloemen tweeslachtig, regelmatig; kelk 4–5-bladig; bloembladeren 4–5, meest wat
vergroeid of geheel vergroeid; meeldraden 4–6 tot vele, vaak onderling en met de
bloemkroon vergroeid en met deze samen afvallend; vruchtbeginsel meest 5-hokkig of 2–
8- tot veelhokkig, met vele zaadknoppen; doosvrucht gesloten of openspringend; houtige
planten, vaak klimmend of epiphyten, met enkelvoudige bladeren zonder steunbladeren;
bloemen in trossen of schermen; schutbladeren meest met de bloemsteel vergroeid en in
een helder gekleurde honingbeker veranderd.
1a. Bloemen langgesteeld, in een scherm gezeten; in het midden lange
honingbekers, daaromheen de bloemen. Kelkbladeren 4, bloembladeren
houtig, geheel vergroeid. Epiphyten met 2 soorten van takken, de niet-
Page 250
bloeiende met 2 rijen van aangedrukte bladeren, de bloeiende met grootere
bladeren, niet in 2 rijen Marcgravia.
1b. Bloemen in trossen 2
2a. Bloemen in lange dichte trossen met groote oranjeroode honingbekers,
met de bloemsteel een weinig vergroeid. Meeldraden talrijk. Kelkbladeren
en bloembladeren 5 Norantea.
2b. Trossen ijl. Bloemsteelen met 2 gespoorde aanhangsels. Meeldraden 5
Souroubea.
185. Quiinaceae.
Bloemen regelmatig, éénslachtig, of tweeslachtig; kelk- en kroonbladeren 4–5; meeldraden
15–30 of vele; vruchtbeginsel 2–3-, of 7-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen
gescheiden; vrucht een bes met behaarde zaden; houtige planten met glimmende
enkelvoudige of vinspletige bladeren, die vaak in kransen staan of tegenoverstaand zijn;
steunbladeren aanwezig.
Boomen of heesters met tegenoverstaande of kransstandige bladeren.
Bloemen meest eenslachtig, tweehuizig, met 4–5 kelkbladeren, 4–5
bloembladeren, 15–30 meeldraden met eenigszins gedraaide helmdraden;
vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2–3 stijlen met groote stempels Quiina.
186. Theaceae.
Bloemen tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren 5–7, soms in een spiraal staand;
bloembladeren 5–9, soms aan de basis wat vergroeid; meeldraden 5 tot vele, soms tot
groepen vereenigd; vruchtbeginsel 3–5-hokkig; soms 2- tot veelhokkig; met 1 tot vele
zaadknoppen in ieder hokje; 1 of meer stijlen; vrucht meest een doosvrucht; houtige
planten met enkelvoudige, meest verspreide bladeren zonder steunbladeren; bloemen vaak
groot.
1a. Kelk en bloembladeren 5–6, meeldraden talrijk met bewegelijke
helmknoppen, van onderen een weinig vergroeid of in bundels voor de
bladeren, niet in 2 rijen Marcgravia.
1b. Bloemen in trossen 2
2a. Bloemen in lange dichte trossen met groote oranjeroode honingbekers,
met de bloemsteel een weinig vergroeid. Meeldraden talrijk. Kelkbladeren
en bloembladeren 5 Norantea.
2b. Trossen ijl. Bloemsteelen met 2 gespoorde aanhangsels. Meeldraden 5
Souroubea.
185. Quiinaceae.
Bloemen regelmatig, éénslachtig, of tweeslachtig; kelk- en kroonbladeren 4–5; meeldraden
15–30 of vele; vruchtbeginsel 2–3-, of 7-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen
gescheiden; vrucht een bes met behaarde zaden; houtige planten met glimmende
enkelvoudige of vinspletige bladeren, die vaak in kransen staan of tegenoverstaand zijn;
steunbladeren aanwezig.
Boomen of heesters met tegenoverstaande of kransstandige bladeren.
Bloemen meest eenslachtig, tweehuizig, met 4–5 kelkbladeren, 4–5
bloembladeren, 15–30 meeldraden met eenigszins gedraaide helmdraden;
vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2–3 stijlen met groote stempels Quiina.
186. Theaceae.
Bloemen tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren 5–7, soms in een spiraal staand;
bloembladeren 5–9, soms aan de basis wat vergroeid; meeldraden 5 tot vele, soms tot
groepen vereenigd; vruchtbeginsel 3–5-hokkig; soms 2- tot veelhokkig; met 1 tot vele
zaadknoppen in ieder hokje; 1 of meer stijlen; vrucht meest een doosvrucht; houtige
planten met enkelvoudige, meest verspreide bladeren zonder steunbladeren; bloemen vaak
groot.
1a. Kelk en bloembladeren 5–6, meeldraden talrijk met bewegelijke
helmknoppen, van onderen een weinig vergroeid of in bundels voor de
Page 251
bloembladeren staand, vruchtbeginsel 5–10-hokkig met 3–10 stijlen of
zittende stempels Haemocharis.
1b. Kelk- en bloembladeren 5; kelk met twee aangedrukte
bloemsteelblaadjes. Meeldraden talrijk in twee rijen. Helmknoppen
vastgegroeid. Vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 1 stijl Ternströmia.
187. Guttiferae.
Bloemen regelmatig, tweeslachtig of éénslachtig; kelkbladeren en bloembladeren zeer
verschillend wat aantal en plaats aangaat; meeldraden 4 tot vele, vaak ten deele
staminodiaal en in groepen bij elkaar staand; vruchtbeginsel meest 3–5-hokkig met 1 tot
vele zaadknoppen in ieder hokje; houtige planten, zelden kruiden met enkelvoudige bijna
steeds tegenoverstaande bladeren; steunbladeren meest ontbrekend; bloemen vaak zeer
groot.
1a. Bladeren verspreid. Kelk en bloembladeren 5. Meeldraden talrijk, aan
den basis een weinig vergroeid; helmknoppen met een klier aan den top.
Stijl 1 met een gelobde stempel. Vrucht een doosvrucht Caraipa.
1b. Bladeren tegenoverstaand 2
2a. Bloemen met een goed ontwikkeld vruchtbeginsel en met meeldraden
of staminodiën 3
2b. Bloemen alleen met meeldraden, vruchtbeginsel òf geheel ontbrekend
òf zeer klein, en dan onder de meeldraden verborgen en onvruchtbaar
10
3a. Meeldraden in groepen voor de bloembladeren staand, met
vergroeide helmdraden 4
3b. Meeldraden talrijk, niet groepsgewijs staande 6
4a. Meeldraden 15, de helmdraden om het vruchtbeginsel geheel tot een
buis vergroeid; deze buis van boven in 5 punten gespleten die ieder 3
zittende stempels Haemocharis.
1b. Kelk- en bloembladeren 5; kelk met twee aangedrukte
bloemsteelblaadjes. Meeldraden talrijk in twee rijen. Helmknoppen
vastgegroeid. Vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 1 stijl Ternströmia.
187. Guttiferae.
Bloemen regelmatig, tweeslachtig of éénslachtig; kelkbladeren en bloembladeren zeer
verschillend wat aantal en plaats aangaat; meeldraden 4 tot vele, vaak ten deele
staminodiaal en in groepen bij elkaar staand; vruchtbeginsel meest 3–5-hokkig met 1 tot
vele zaadknoppen in ieder hokje; houtige planten, zelden kruiden met enkelvoudige bijna
steeds tegenoverstaande bladeren; steunbladeren meest ontbrekend; bloemen vaak zeer
groot.
1a. Bladeren verspreid. Kelk en bloembladeren 5. Meeldraden talrijk, aan
den basis een weinig vergroeid; helmknoppen met een klier aan den top.
Stijl 1 met een gelobde stempel. Vrucht een doosvrucht Caraipa.
1b. Bladeren tegenoverstaand 2
2a. Bloemen met een goed ontwikkeld vruchtbeginsel en met meeldraden
of staminodiën 3
2b. Bloemen alleen met meeldraden, vruchtbeginsel òf geheel ontbrekend
òf zeer klein, en dan onder de meeldraden verborgen en onvruchtbaar
10
3a. Meeldraden in groepen voor de bloembladeren staand, met
vergroeide helmdraden 4
3b. Meeldraden talrijk, niet groepsgewijs staande 6
4a. Meeldraden 15, de helmdraden om het vruchtbeginsel geheel tot een
buis vergroeid; deze buis van boven in 5 punten gespleten die ieder 3
Page 252
helmknoppen dragen. Kelkbladeren 5, ongelijk, bloembladeren 5, stijl 1 met
5 stempels, vrucht een bes Symphonia. M a t a k i e .
4b. Helmdraden niet alle in een buis vergroeid 5
5a. Kelk 5-deelig; bloembladeren 5, van binnen dicht behaard. Behalve de
groepen van meeldraden ook nog 5 staminodiën in de bloem. Stijlen 5.
Vrucht een bes Vismia.
5b. Kelk 5-bladig, kelkbladeren ongelijk. Bloembladeren 5, zeer groot.
Meeldraden in 5 groepen. Stijl 1 met 5 stempels, Vrucht een bes
Platonia. P a k o e l i , G e e l h a r t .
6a. Kelk eerst gesloten, daarna in
2 kleppen openspringend. Bloembladeren 4–6; meeldraden talrijk, vrij. Stijl
1, kort met twee breede bladachtige stempels. Vrucht een bes met 1–4 pitten
Bloemen in kleine groepen in de bladoksels Mammea. M a m m i .
6b. Kelk reeds in den knop 2- tot meerbladig; stijl òf lang òf meer dan 2
zittende stempels aanwezig 7
7a. Stijl of stijlen lang en goed ontwikkeld 8
7b. Stijlen zeer kort; meest geheel ontbrekend doch het vruchtbeginsel door
eenige breede zittende stempels gekroond 9
8a. Stijl 1 met een knopvormige stempel; kelkbladeren 4–5; bloembladeren
4–5. Meeldraden talrijk met een klier aan den top van den helmknop.
Bloemen in trossen Marila.
8b. Stijlen 4. Kelkbladeren 2 of 4, in het laatste geval de buitenste het
grootst en de binnenste insluitend. Bloembladeren 4–12; meeldraden vele,
bijna geheel vrij. Vruchtbeginsel 4-hokkig; vrucht een openspringende
doosvrucht Tovomita.
9a. Kelkbladeren 4 tot vele; de buitenste kleiner dan de binnenste.
Bloembladeren 4–10. Meeldraden vele, vrij of op zeer verschillende wijze
vergroeid met elkaar of met het vruchtbeginsel, meest klein en staminodiaal
5 stempels, vrucht een bes Symphonia. M a t a k i e .
4b. Helmdraden niet alle in een buis vergroeid 5
5a. Kelk 5-deelig; bloembladeren 5, van binnen dicht behaard. Behalve de
groepen van meeldraden ook nog 5 staminodiën in de bloem. Stijlen 5.
Vrucht een bes Vismia.
5b. Kelk 5-bladig, kelkbladeren ongelijk. Bloembladeren 5, zeer groot.
Meeldraden in 5 groepen. Stijl 1 met 5 stempels, Vrucht een bes
Platonia. P a k o e l i , G e e l h a r t .
6a. Kelk eerst gesloten, daarna in
2 kleppen openspringend. Bloembladeren 4–6; meeldraden talrijk, vrij. Stijl
1, kort met twee breede bladachtige stempels. Vrucht een bes met 1–4 pitten
Bloemen in kleine groepen in de bladoksels Mammea. M a m m i .
6b. Kelk reeds in den knop 2- tot meerbladig; stijl òf lang òf meer dan 2
zittende stempels aanwezig 7
7a. Stijl of stijlen lang en goed ontwikkeld 8
7b. Stijlen zeer kort; meest geheel ontbrekend doch het vruchtbeginsel door
eenige breede zittende stempels gekroond 9
8a. Stijl 1 met een knopvormige stempel; kelkbladeren 4–5; bloembladeren
4–5. Meeldraden talrijk met een klier aan den top van den helmknop.
Bloemen in trossen Marila.
8b. Stijlen 4. Kelkbladeren 2 of 4, in het laatste geval de buitenste het
grootst en de binnenste insluitend. Bloembladeren 4–12; meeldraden vele,
bijna geheel vrij. Vruchtbeginsel 4-hokkig; vrucht een openspringende
doosvrucht Tovomita.
9a. Kelkbladeren 4 tot vele; de buitenste kleiner dan de binnenste.
Bloembladeren 4–10. Meeldraden vele, vrij of op zeer verschillende wijze
vergroeid met elkaar of met het vruchtbeginsel, meest klein en staminodiaal
Page 253
indien ook een vruchtbeginsel in de bloem aanwezig is. Meerdere breede
zittende stempels. Vrucht een doosvrucht. Planten vaak met luchtwortels
Clusia. A b r a s a .
9b. Kelkbladeren 2. Bloembladeren 4. Meeldraden
vele, vrij, onder een dikke schijf gezeten. Stempels zittend of op een zeer
korte stijl. Vrucht een 3–1-zadige bes Rheedia.
10a. Meeldraden met den bloembodem tot een verschillend gevormd
lichaam vergroeid of meeldraden vrij, maar dan de helmdraden uiterst kort
en de helmknoppen lang. Kelkbladeren 4 tot vele; bloembladeren 4–10
Clusia. A b r a s a .
10b. Meeldraden vrij of aan de basis slechts weinig
vergroeid met lange helmdraden 11
11a. In het midden van de bloem zit een dikke schijf waaronder de
meeldraden ingehecht zijn. Kelkbladeren twee; bloembladeren 4
Rheedia.
11b. De meeldraden nemen het centrum van de bloem in
12
12a. Kelk in den knop gesloten, later in 2 kleppen openspringend.
Bloembladeren 4–6; bloemen in groepen van ongeveer 3 in de bladoksels
Mammea. M a m m i .
12b. Kelkbladeren 2–4, reeds in de knop vrij
van elkaar; indien er 4 kelkbladeren zijn, dan zijn de buitenste het grootst
en omhullen ze de binnenste 2. Bloembladeren 4–12. Bloemen in vertakte
bloeiwijzen Tovomita.
194. Bixaceae.
Bloemen tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren 5, bloembladeren 5,
meeldraden talrijk; vruchtbeginsel 1-hokkig met 2 wandstandige zaadlijsten
met vele zaadknoppen en 1 stijl; vrucht een met 2 kleppen openspringende
doosvrucht; zaden talrijk, vuurrood; boomen met handnervige, verspreide,
ongedeelde bladeren en vrij groote bloemen in pluimen. Eenig geslacht
Bixa. R o e k o e ; K o e s o e w e e .
zittende stempels. Vrucht een doosvrucht. Planten vaak met luchtwortels
Clusia. A b r a s a .
9b. Kelkbladeren 2. Bloembladeren 4. Meeldraden
vele, vrij, onder een dikke schijf gezeten. Stempels zittend of op een zeer
korte stijl. Vrucht een 3–1-zadige bes Rheedia.
10a. Meeldraden met den bloembodem tot een verschillend gevormd
lichaam vergroeid of meeldraden vrij, maar dan de helmdraden uiterst kort
en de helmknoppen lang. Kelkbladeren 4 tot vele; bloembladeren 4–10
Clusia. A b r a s a .
10b. Meeldraden vrij of aan de basis slechts weinig
vergroeid met lange helmdraden 11
11a. In het midden van de bloem zit een dikke schijf waaronder de
meeldraden ingehecht zijn. Kelkbladeren twee; bloembladeren 4
Rheedia.
11b. De meeldraden nemen het centrum van de bloem in
12
12a. Kelk in den knop gesloten, later in 2 kleppen openspringend.
Bloembladeren 4–6; bloemen in groepen van ongeveer 3 in de bladoksels
Mammea. M a m m i .
12b. Kelkbladeren 2–4, reeds in de knop vrij
van elkaar; indien er 4 kelkbladeren zijn, dan zijn de buitenste het grootst
en omhullen ze de binnenste 2. Bloembladeren 4–12. Bloemen in vertakte
bloeiwijzen Tovomita.
194. Bixaceae.
Bloemen tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren 5, bloembladeren 5,
meeldraden talrijk; vruchtbeginsel 1-hokkig met 2 wandstandige zaadlijsten
met vele zaadknoppen en 1 stijl; vrucht een met 2 kleppen openspringende
doosvrucht; zaden talrijk, vuurrood; boomen met handnervige, verspreide,
ongedeelde bladeren en vrij groote bloemen in pluimen. Eenig geslacht
Bixa. R o e k o e ; K o e s o e w e e .
Page 254
195. Cochlospermaceae.
Bloemen tweeslachtig; regelmatig, soms een weinig zygomorf; kelkbladeren 4–5;
kroonbladeren 4–5; meeldraden vele, vruchtbeginsel 3–5-hokkig met vele zaadknoppen in
ieder hokje; 1 stijl; vrucht een doosvrucht met vele gekromde zaden; houtige planten meest
met handlobbige of handvormig samengestelde bladeren; bloem groot in trossen of
pluimen.
Boomen met handvormig samengestelde 5–7-tallige bladeren. Kelkbladeren
5, bloembladeren 5, groot, geel. Meeldraden talrijk, soms wat ongelijk van
grootte. Vrucht een 3-kleppige doosvrucht met een dubbele wand. Zaden
gewonden met lange haren Cochlospermum.
198. Violaceae.
Bloemen 5-tallig met uitzondering van het vruchtbeginsel, met 5 meeldraden; tweeslachtig,
regelmatig of zygomorf; bloembladeren soms vergroeid; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1
stijl en 1 tot vele zaadknoppen aan 3 wandstandige zaadlijsten; vrucht een doosvrucht of
een bes; kruiden of houtige planten met verspreide bladeren met steunbladeren.
1a. Bloemen regelmatig of bijna regelmatig; alle bloembladeren ongeveer
gelijk van vorm 2
1b. Bloemen duidelijk zijdelings-symmetrisch; één bloemblad anders
gevormd 4
2a. Bloemkroon kort, bloembladeren ongenageld; meeldraden 5, ongeveer
even lang. Vrucht een 3-kleppige doosvrucht; bloemen in veelbloemige
trossen. Heesters of kleine boomen, meest met tegenstaande bladeren
Rinorea. (Alsodeia).
2b. Bloembladeren langgenageld; de nagels tegen
elkaar aanliggend, daardoor de bloemkroon van onderen schijnbaar
buisvormig 3
Bloemen tweeslachtig; regelmatig, soms een weinig zygomorf; kelkbladeren 4–5;
kroonbladeren 4–5; meeldraden vele, vruchtbeginsel 3–5-hokkig met vele zaadknoppen in
ieder hokje; 1 stijl; vrucht een doosvrucht met vele gekromde zaden; houtige planten meest
met handlobbige of handvormig samengestelde bladeren; bloem groot in trossen of
pluimen.
Boomen met handvormig samengestelde 5–7-tallige bladeren. Kelkbladeren
5, bloembladeren 5, groot, geel. Meeldraden talrijk, soms wat ongelijk van
grootte. Vrucht een 3-kleppige doosvrucht met een dubbele wand. Zaden
gewonden met lange haren Cochlospermum.
198. Violaceae.
Bloemen 5-tallig met uitzondering van het vruchtbeginsel, met 5 meeldraden; tweeslachtig,
regelmatig of zygomorf; bloembladeren soms vergroeid; vruchtbeginsel 1-hokkig met 1
stijl en 1 tot vele zaadknoppen aan 3 wandstandige zaadlijsten; vrucht een doosvrucht of
een bes; kruiden of houtige planten met verspreide bladeren met steunbladeren.
1a. Bloemen regelmatig of bijna regelmatig; alle bloembladeren ongeveer
gelijk van vorm 2
1b. Bloemen duidelijk zijdelings-symmetrisch; één bloemblad anders
gevormd 4
2a. Bloemkroon kort, bloembladeren ongenageld; meeldraden 5, ongeveer
even lang. Vrucht een 3-kleppige doosvrucht; bloemen in veelbloemige
trossen. Heesters of kleine boomen, meest met tegenstaande bladeren
Rinorea. (Alsodeia).
2b. Bloembladeren langgenageld; de nagels tegen
elkaar aanliggend, daardoor de bloemkroon van onderen schijnbaar
buisvormig 3
Page 255
3a. Meeldraden tot een beker vergroeid; helmknoppen zonder aanhangsels
aan den top. Bloemen in trossen. Kleine boomen Paypayrola.
3b. Meeldraden vrij; helmknoppen met een vliezig aanhangsel aan den top.
Bloemen in vertakte bloeiwijzen. Heesters Amphirrox.
4a. Lianen. Kelk 5-bladig. Een van de bloembladeren grooter dan de
andere en met een lange spoor. Meeldraden vrij met zeer korte helmdraden
en een lange helmknop met een aanhangsel aan den top, 2 ervan met een
spoor, die in de spoor van het bloemblad zit
Corynostylis. (Calyptrion).
4b. Heesters of kruiden, niet klimmend
5
5a. Kelkbladeren zonder oortjes aan den voet. Eén bloemblad met
een lange nagel, die iets zakvormig is, doch niet gespoord; 2 van de
meeldraden met een spoor of een klier. Bladeren verspreid of
tegenoverstaand Hybanthus.
5b. Kelkbladeren met oortjes aan den voet. Bloembladeren zeer ongelijk,
na den bloei blijvend, 2 zeer klein, 2 genageld, het 5de met een lange spoor;
2 van de meeldraden met een lange spoor Noisettia.
199. Flacourtiaceae.
Bloemen tweeslachtig of éénslachtig; regelmatig; kelkbladeren 2–15; kroonbladeren
ontbrekend of tot 10; meeldraden meest vele; vruchtbeginsel 1-hokkig met meest vele
zaadknoppen aan 2–10 wandstandige zaadlijsten; vrucht een bes of een steenvrucht; meest
houtige planten met verspreide, zelden tegenoverstaande of kransstandige, gaafrandige of
gezaagde bladeren met kleine steunbladeren; bloemen vaak klein.
1a. Bloemen éénslachtig, tweehuizig. Kelkbladeren 2–3, bloembladeren 6–
12; meeldraden talrijk, op een eenigszins verdikte bloembodem staande;
vruchtbeginsel voorzien van overlangsche ribben, met 5–7 stijlen. Vrucht
een groote doosvrucht met smalle vleugels. Heesters of boomen met groote
bladeren Carpotroche.
aan den top. Bloemen in trossen. Kleine boomen Paypayrola.
3b. Meeldraden vrij; helmknoppen met een vliezig aanhangsel aan den top.
Bloemen in vertakte bloeiwijzen. Heesters Amphirrox.
4a. Lianen. Kelk 5-bladig. Een van de bloembladeren grooter dan de
andere en met een lange spoor. Meeldraden vrij met zeer korte helmdraden
en een lange helmknop met een aanhangsel aan den top, 2 ervan met een
spoor, die in de spoor van het bloemblad zit
Corynostylis. (Calyptrion).
4b. Heesters of kruiden, niet klimmend
5
5a. Kelkbladeren zonder oortjes aan den voet. Eén bloemblad met
een lange nagel, die iets zakvormig is, doch niet gespoord; 2 van de
meeldraden met een spoor of een klier. Bladeren verspreid of
tegenoverstaand Hybanthus.
5b. Kelkbladeren met oortjes aan den voet. Bloembladeren zeer ongelijk,
na den bloei blijvend, 2 zeer klein, 2 genageld, het 5de met een lange spoor;
2 van de meeldraden met een lange spoor Noisettia.
199. Flacourtiaceae.
Bloemen tweeslachtig of éénslachtig; regelmatig; kelkbladeren 2–15; kroonbladeren
ontbrekend of tot 10; meeldraden meest vele; vruchtbeginsel 1-hokkig met meest vele
zaadknoppen aan 2–10 wandstandige zaadlijsten; vrucht een bes of een steenvrucht; meest
houtige planten met verspreide, zelden tegenoverstaande of kransstandige, gaafrandige of
gezaagde bladeren met kleine steunbladeren; bloemen vaak klein.
1a. Bloemen éénslachtig, tweehuizig. Kelkbladeren 2–3, bloembladeren 6–
12; meeldraden talrijk, op een eenigszins verdikte bloembodem staande;
vruchtbeginsel voorzien van overlangsche ribben, met 5–7 stijlen. Vrucht
een groote doosvrucht met smalle vleugels. Heesters of boomen met groote
bladeren Carpotroche.
Page 256
1b. Bloemen tweeslachtig 2
2a. Bloembladeren aanwezig 3
2b. Bloembladeren ontbrekend 4
3a. Kelkbladeren 3 (soms 4). Bloembladeren evenveel. Meeldraden talrijk
in meerdere rijen. Vruchtbeginsel met 1 stijl en verdikte stempel. Bloemen
in trossen. Boomen Banara.
3b. Kelkslippen 5–7; bloembladeren evenveel, ermee afwisselend, blijvend
na den bloei. Meeldraden in groepen van ± 4 tegenover de bloembladeren
staand. Stijlen 2–6, van onderen wat vergroeid of geheel vrij. Boomen
Homalium.
4a. Bloemen groot (meer dan 1 c.M.); kelk tot aan de
basis 5-deelig. Meeldraden talrijk. Vruchtbeginsel omgeven door een
bekervormige schijf. Bladeren meest zachtharig Patrisia.
4b. Bloemen klein, in groepen in de bladoksels; kelkbladeren 4–6, aan de
basis vergroeid. Meeldraden 6–12, met staminodiën afwisselend
Casearia.
201. Turneraceae.
Bloemen 5-tallig met 5 meeldraden; tweeslachtig, regelmatig met een buisvormige
bloemas; vruchtbeginsel 1-hokkig met 3-vele zaadknoppen aan 3 wandstandige zaadlijsten;
stijlen 3; doosvrucht 1-hokkig, 3-kleppig; kruiden of heesters, zelden boomen, met
verspreide, enkelvoudige, soms gedeelde bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.
1a. Kelkbuis van binnen met een samenhangende, aan den rand
onregelmatig ingesneden krans van schubben Piriqueta.
1b. Kelkbuis van binnen zonder aanhangselen Turnera.
203. Passifloraceae.
2a. Bloembladeren aanwezig 3
2b. Bloembladeren ontbrekend 4
3a. Kelkbladeren 3 (soms 4). Bloembladeren evenveel. Meeldraden talrijk
in meerdere rijen. Vruchtbeginsel met 1 stijl en verdikte stempel. Bloemen
in trossen. Boomen Banara.
3b. Kelkslippen 5–7; bloembladeren evenveel, ermee afwisselend, blijvend
na den bloei. Meeldraden in groepen van ± 4 tegenover de bloembladeren
staand. Stijlen 2–6, van onderen wat vergroeid of geheel vrij. Boomen
Homalium.
4a. Bloemen groot (meer dan 1 c.M.); kelk tot aan de
basis 5-deelig. Meeldraden talrijk. Vruchtbeginsel omgeven door een
bekervormige schijf. Bladeren meest zachtharig Patrisia.
4b. Bloemen klein, in groepen in de bladoksels; kelkbladeren 4–6, aan de
basis vergroeid. Meeldraden 6–12, met staminodiën afwisselend
Casearia.
201. Turneraceae.
Bloemen 5-tallig met 5 meeldraden; tweeslachtig, regelmatig met een buisvormige
bloemas; vruchtbeginsel 1-hokkig met 3-vele zaadknoppen aan 3 wandstandige zaadlijsten;
stijlen 3; doosvrucht 1-hokkig, 3-kleppig; kruiden of heesters, zelden boomen, met
verspreide, enkelvoudige, soms gedeelde bladeren; steunbladeren aanwezig of ontbrekend.
1a. Kelkbuis van binnen met een samenhangende, aan den rand
onregelmatig ingesneden krans van schubben Piriqueta.
1b. Kelkbuis van binnen zonder aanhangselen Turnera.
203. Passifloraceae.
Page 257
Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig met een zeer verschillend gevormde
bloemas, die vaak een weinig buisvormig is en van binnen verschillende aanhangselen
draagt, kelk meest 5-bladig; zelden 4–8-bladig; bloembladeren 5, soms 3–8, zelden
ontbrekend; meeldraden zelden vele, meest 5 of 4–8, op een cylindrisch deel van de as
ingehecht; vruchtbeginsel 1-hokkig, met 3–5 stijlen en vele zaadknoppen aan 3–5
wandstandige zaadlijsten; vrucht een doosvrucht of een bes; kruiden of houtige planten,
vaak klimmend met enkelvoudige of gelobde, zelden samengestelde bladeren;
steunbladeren aanwezig of ontbrekend; bladeren vaak met honingklieren, ranken in de
bladoksels of aan de bloeiwijzen.
Klimplanten met ranken in de bladoksels. Bloemen met 5 kelkbladeren en 5
bloembladeren; buis van binnen met verschillende aanhangselen. Bladeren
enkelvoudig, gelobd of handvormig samengesteld
Passiflora. M a r k o e s a r .
205. Caricaceae.
Bloemen 5-tallig, met twee kransen van meeldraden, éénslachtig, regelmatig, met een buis-
of klokvormige bloeias; bloembladeren in de mannelijke bloemen tot een lange, in de
vrouwelijke bloemen tot een korte buis vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig
of 3–5-hokkig, met vele zaadknoppen en vrije stijlen; zaden vele; houtige planten met
enkelvoudige of handvormig gedeelde of gevinde bladeren zonder steunbladeren en met
okselstandige bloeiwijzen; melksap aanwezig.
Boomen met handlobbige bladeren, alleen aan den top bebladerde stammen
met zeer week hout. Bloemen 1 of 2-huizig. ♂ en ♀ bloemen zeer
verschillend. Stempels sterk ingesneden Carica. P a p a y a .
208. Begoniaceae.
Bloemen onregelmatig, éénslachtig, meest 1-huizig; de mannelijke meest met maar 2
kelkbladeren en 2–6 bloembladeren; of geen bloembladeren; soms 5 kelkbladeren en 5
bloembladeren; meeldraden talrijk; vrouwelijke bloemen met een bloemdek met 5–2
bladeren; vruchtbeginsel onderstandig meest 3-hokkig met vrije stijlen; vrucht een
bloemas, die vaak een weinig buisvormig is en van binnen verschillende aanhangselen
draagt, kelk meest 5-bladig; zelden 4–8-bladig; bloembladeren 5, soms 3–8, zelden
ontbrekend; meeldraden zelden vele, meest 5 of 4–8, op een cylindrisch deel van de as
ingehecht; vruchtbeginsel 1-hokkig, met 3–5 stijlen en vele zaadknoppen aan 3–5
wandstandige zaadlijsten; vrucht een doosvrucht of een bes; kruiden of houtige planten,
vaak klimmend met enkelvoudige of gelobde, zelden samengestelde bladeren;
steunbladeren aanwezig of ontbrekend; bladeren vaak met honingklieren, ranken in de
bladoksels of aan de bloeiwijzen.
Klimplanten met ranken in de bladoksels. Bloemen met 5 kelkbladeren en 5
bloembladeren; buis van binnen met verschillende aanhangselen. Bladeren
enkelvoudig, gelobd of handvormig samengesteld
Passiflora. M a r k o e s a r .
205. Caricaceae.
Bloemen 5-tallig, met twee kransen van meeldraden, éénslachtig, regelmatig, met een buis-
of klokvormige bloeias; bloembladeren in de mannelijke bloemen tot een lange, in de
vrouwelijke bloemen tot een korte buis vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig
of 3–5-hokkig, met vele zaadknoppen en vrije stijlen; zaden vele; houtige planten met
enkelvoudige of handvormig gedeelde of gevinde bladeren zonder steunbladeren en met
okselstandige bloeiwijzen; melksap aanwezig.
Boomen met handlobbige bladeren, alleen aan den top bebladerde stammen
met zeer week hout. Bloemen 1 of 2-huizig. ♂ en ♀ bloemen zeer
verschillend. Stempels sterk ingesneden Carica. P a p a y a .
208. Begoniaceae.
Bloemen onregelmatig, éénslachtig, meest 1-huizig; de mannelijke meest met maar 2
kelkbladeren en 2–6 bloembladeren; of geen bloembladeren; soms 5 kelkbladeren en 5
bloembladeren; meeldraden talrijk; vrouwelijke bloemen met een bloemdek met 5–2
bladeren; vruchtbeginsel onderstandig meest 3-hokkig met vrije stijlen; vrucht een
Page 258
doosvrucht, zelden een bes; kruiden of een weinig houtige planten met verspreide vaak
gelobde soms handvormige samengestelde bladeren; steunbladeren aanwezig.
Bloemen éénslachtig, éénhuizig; geen aparte kelk en bloemkroon te
onderscheiden. Mannelijke bloemen met 4 bloemdekbladeren en vele
meeldraden, vrouwelijke bloemen met 5 bloemdekbladeren en 3
tweespletige stijlen. Vruchtbeginsel onderstandig Begonia.
Orde: Opuntiales.
210. Cactaceae.
Bloemen tweeslachtig, regelmatig, soms wat zygomorf; met vaak lange buisvormige
bloemas; kelk- en kroonbladeren talrijk, niet duidelijk van elkaar te onderscheiden;
meeldraden talrijk; vruchtbeginsel onderstandig, met één stijl en 4–8 wandstandige
zaadlijsten; vrucht een bes met vele zaden; meest vleezige planten, zelden met vlakke of
cylindrische bladeren; in den regel met een vleezige stam met ribben en kussenvormige
bladdragende spruiten; de bladeren zelf vroeg afvallend, of als dorens gevormd.
1a. Planten epiphytisch levend 2
1b. Planten in den bodem wortelend 3
2a. Stammen en stengels dun, cylindervormig, vertakt. Bloemen klein
Rhipsalis.
2b. Bloeiende stengels plat. Bloemen groot met een lange
buis, die met schubben bedekt is Phyllocactus.
3a. Stam nagenoeg bolrond, geribd, met stekels bezet; aan den top met een
halfbolvormig of cylindervormige viltig-behaard hoofdje, waarop de
bloemen staan Melocactus.
3b. Stammen verlengd, kantig of geribd Cereus.
3c. Stammen vlak, met of zonder stekels. Meeldraden langer dan de
bloemkroon Nopalia. N o p a r i .
gelobde soms handvormige samengestelde bladeren; steunbladeren aanwezig.
Bloemen éénslachtig, éénhuizig; geen aparte kelk en bloemkroon te
onderscheiden. Mannelijke bloemen met 4 bloemdekbladeren en vele
meeldraden, vrouwelijke bloemen met 5 bloemdekbladeren en 3
tweespletige stijlen. Vruchtbeginsel onderstandig Begonia.
Orde: Opuntiales.
210. Cactaceae.
Bloemen tweeslachtig, regelmatig, soms wat zygomorf; met vaak lange buisvormige
bloemas; kelk- en kroonbladeren talrijk, niet duidelijk van elkaar te onderscheiden;
meeldraden talrijk; vruchtbeginsel onderstandig, met één stijl en 4–8 wandstandige
zaadlijsten; vrucht een bes met vele zaden; meest vleezige planten, zelden met vlakke of
cylindrische bladeren; in den regel met een vleezige stam met ribben en kussenvormige
bladdragende spruiten; de bladeren zelf vroeg afvallend, of als dorens gevormd.
1a. Planten epiphytisch levend 2
1b. Planten in den bodem wortelend 3
2a. Stammen en stengels dun, cylindervormig, vertakt. Bloemen klein
Rhipsalis.
2b. Bloeiende stengels plat. Bloemen groot met een lange
buis, die met schubben bedekt is Phyllocactus.
3a. Stam nagenoeg bolrond, geribd, met stekels bezet; aan den top met een
halfbolvormig of cylindervormige viltig-behaard hoofdje, waarop de
bloemen staan Melocactus.
3b. Stammen verlengd, kantig of geribd Cereus.
3c. Stammen vlak, met of zonder stekels. Meeldraden langer dan de
bloemkroon Nopalia. N o p a r i .
Page 259
Orde: Myrtiflorae.
216. Lythraceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon, 3–16-, meest 4–6-tallig,
tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemas schotelvormig tot buisvormig; kelk vaak
met tusschenliggende schubjes; bloembladeren aan den rand van de holle as ingehecht;
meeldraden dubbel zooveel of 1 tot vele; vruchtbeginsel 2–6-hokkig, zelden 1-hokkig met
2 tot vele zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met enkelvoudige meest
tegenoverstaande bladeren; steunbladeren klein.
1a. Bloemen 6-tallig, zijdelings-symmetrisch. Kelk buisvormig, aan de
basis met een spoor of knobbel. Bloembladen meest 6; meeldraden meest
11, zelden minder. Bladeren tegenoverstaand. Kruiden Cuphea.
1b. Bloemen 4–5-tallig; regelmatig 2
2a. Bloemen meest 5-tallig. Bloembladeren genageld. Meeldraden 15–200.
Bladeren niet tegenoverstaand Lagerströmia.
2b. Bloemen 4-tallig 3
3a. Bloemen okselstandig, alleenstaand of 3 bij elkaar. Meeldraden 12–15
in één rij op den kelk ingehecht. Stengel 4-kantig of 4-vleugelig
Crenea.
3b. Bloemen in meerbloemige vertakte bloeiwijzen.
Meeldraden 8, soms meer Lawsonia. R e s e d a .
218. Punicaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of alleen vrouwelijk;
regelmatig; bloemas een weinig bekervormig; kelk 5–7-tandig,
bloembladeren 5–7, rood; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel meerhokkig,
onderstandig, geheel met de bloembodem vergroeid, met vele zaadknoppen;
stijl 1; schijnvrucht meerzadig, min of meer besachtig; kleine boomen met
216. Lythraceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon, 3–16-, meest 4–6-tallig,
tweeslachtig, regelmatig of zygomorf; bloemas schotelvormig tot buisvormig; kelk vaak
met tusschenliggende schubjes; bloembladeren aan den rand van de holle as ingehecht;
meeldraden dubbel zooveel of 1 tot vele; vruchtbeginsel 2–6-hokkig, zelden 1-hokkig met
2 tot vele zaadknoppen per hokje; kruiden of houtige planten met enkelvoudige meest
tegenoverstaande bladeren; steunbladeren klein.
1a. Bloemen 6-tallig, zijdelings-symmetrisch. Kelk buisvormig, aan de
basis met een spoor of knobbel. Bloembladen meest 6; meeldraden meest
11, zelden minder. Bladeren tegenoverstaand. Kruiden Cuphea.
1b. Bloemen 4–5-tallig; regelmatig 2
2a. Bloemen meest 5-tallig. Bloembladeren genageld. Meeldraden 15–200.
Bladeren niet tegenoverstaand Lagerströmia.
2b. Bloemen 4-tallig 3
3a. Bloemen okselstandig, alleenstaand of 3 bij elkaar. Meeldraden 12–15
in één rij op den kelk ingehecht. Stengel 4-kantig of 4-vleugelig
Crenea.
3b. Bloemen in meerbloemige vertakte bloeiwijzen.
Meeldraden 8, soms meer Lawsonia. R e s e d a .
218. Punicaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig of alleen vrouwelijk;
regelmatig; bloemas een weinig bekervormig; kelk 5–7-tandig,
bloembladeren 5–7, rood; meeldraden talrijk; vruchtbeginsel meerhokkig,
onderstandig, geheel met de bloembodem vergroeid, met vele zaadknoppen;
stijl 1; schijnvrucht meerzadig, min of meer besachtig; kleine boomen met
Page 260
kleine gaafrandige tegenoverstaande bladeren; bloemen groot, in de
bladoksels. Eenig geslacht Punica.
219. Lecythidaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; tweeslachtig; bloemas
bekervormig; kelkslippen meest 4–6, zelden 2–3; bloembladeren 4–6, zelden meer;
meeldraden vele, in meerdere kransen; vaak ten deele steriel, aan de basis min of meer
vergroeid; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid, onderstandig, 2–6-hokkig; met 1 tot
vele zaadknoppen; stijlen vergroeid; vrucht vleezig of houtig; houtige planten met
verspreide enkelvoudige bladeren zonder steunbladeren.
1a. Buis van meeldraden overal even hoog; kelkbladeren 4–6;
bloembladeren 6–8, groot. Vrucht een gladde of gevleugelde bes
Gustavia.
1b. Buis van meeldraden met een eenzijdig helmvormig
aanhangsel 2
2a. Alle meeldraden met helmknoppen. Kelk afvallend, evenals de kroon 6-
bladig; vruchtbeginsel 6-hokkig. Stempel 6-stralig. Bloemen in trossen.
Vrucht bolvormig met de kelkrest op ongeveer ⅓ van de top of ongeveer in
het midden Couroupita. B o s c h - k a l e b a s .
2b. Meeldraden van het helmvormige aanhangsel zonder helmknoppen of
in iedere geval zonder stuifmeel 3
3a. De helm is spiraalvormig opgerold en bestaat uit een ingerold stuk en
een weer teruggerold gedeelte 6
3b. De helm is niet spiraalvormig opgerold en niet dubbel 4
4a. Kelk vergroeidbladig, later in 2 concave lobben openscheurend.
Bloembladeren 6. Vruchtbeginsel 4-hokkig; de tusschenschotten verdwijnen
bij het rijp worden van de zaden. Vrucht met een kleine deksel. Zaden
groot, 3-hoekig Bertholletia.
bladoksels. Eenig geslacht Punica.
219. Lecythidaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; tweeslachtig; bloemas
bekervormig; kelkslippen meest 4–6, zelden 2–3; bloembladeren 4–6, zelden meer;
meeldraden vele, in meerdere kransen; vaak ten deele steriel, aan de basis min of meer
vergroeid; vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid, onderstandig, 2–6-hokkig; met 1 tot
vele zaadknoppen; stijlen vergroeid; vrucht vleezig of houtig; houtige planten met
verspreide enkelvoudige bladeren zonder steunbladeren.
1a. Buis van meeldraden overal even hoog; kelkbladeren 4–6;
bloembladeren 6–8, groot. Vrucht een gladde of gevleugelde bes
Gustavia.
1b. Buis van meeldraden met een eenzijdig helmvormig
aanhangsel 2
2a. Alle meeldraden met helmknoppen. Kelk afvallend, evenals de kroon 6-
bladig; vruchtbeginsel 6-hokkig. Stempel 6-stralig. Bloemen in trossen.
Vrucht bolvormig met de kelkrest op ongeveer ⅓ van de top of ongeveer in
het midden Couroupita. B o s c h - k a l e b a s .
2b. Meeldraden van het helmvormige aanhangsel zonder helmknoppen of
in iedere geval zonder stuifmeel 3
3a. De helm is spiraalvormig opgerold en bestaat uit een ingerold stuk en
een weer teruggerold gedeelte 6
3b. De helm is niet spiraalvormig opgerold en niet dubbel 4
4a. Kelk vergroeidbladig, later in 2 concave lobben openscheurend.
Bloembladeren 6. Vruchtbeginsel 4-hokkig; de tusschenschotten verdwijnen
bij het rijp worden van de zaden. Vrucht met een kleine deksel. Zaden
groot, 3-hoekig Bertholletia.
Page 261
4b. Kelk 6-bladig 5
5a. Vrucht met een deksel openspringend, waaraan een deel van de
middenzuil blijft vastzitten. Zaden met een lange en dikke steel
Lecythis. K w a t t a - p a t o e .
5b. Deksel van de vrucht aan de
binnenzijde zonder rest van de middenzuil der vrucht. Zaden zonder steel,
op den bodem van de vrucht zittend Eschweilera. K w a t t a - p a t o e .
6a. Helm der meeldraden van onderen aan het eind met staminodiën of
uitwassen bezet. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht lang
Couratari. I n j i e - p i p a .
6b. Helm der meeldraden van onderen
zonder staminodiën of uitwassen. Vruchtbeginsel 4- tot meerhokkig
Allantoma.
220. Rhizophoraceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; meest tweeslachtig,
regelmatig; kelkbladeren 3–16, meest 4–8; bloembladeren evenveel; meeldraden 8 tot vele;
meest alle met stuifmeel; vruchtbeginsel 2–5-hokkig, zelden 3-, of 6-hokkig, onderstandig,
met de bekervormige bloemas vereenigd; met meest 2 zaadknoppen in ieder hokje;
vruchtbeginsel zelden 1-hokkig; vrucht 1–5-hokkig meest met 1 zaad in ieder hokje;
boomen of heesters met tegenoverstaande bladeren met spoedig afvallende steunbladeren;
zelden bladeren verspreid en zonder steunbladeren.
1a. Bloeias kort-napvormig; kelkbladeren en bloembladeren 4. Meeldraden
8. Schijf onduidelijk gelobd. Stijl 2-lobbig. Vrucht éénzadig, aan den boom
kiemend. Boomen met luchtwortels Rhizophora.
1b. Bloeias klokvormig. Kelkbladeren 4 en bloembladeren 4–5, de laatste
sterk ingesneden. Meeldraden 15–30; schijf 15–30-lobbig. Vrucht met
spleten openspringend. Bladeren tegenoverstaand Cassipourea.
221. Combretaceae.
5a. Vrucht met een deksel openspringend, waaraan een deel van de
middenzuil blijft vastzitten. Zaden met een lange en dikke steel
Lecythis. K w a t t a - p a t o e .
5b. Deksel van de vrucht aan de
binnenzijde zonder rest van de middenzuil der vrucht. Zaden zonder steel,
op den bodem van de vrucht zittend Eschweilera. K w a t t a - p a t o e .
6a. Helm der meeldraden van onderen aan het eind met staminodiën of
uitwassen bezet. Vruchtbeginsel 3-hokkig; vrucht lang
Couratari. I n j i e - p i p a .
6b. Helm der meeldraden van onderen
zonder staminodiën of uitwassen. Vruchtbeginsel 4- tot meerhokkig
Allantoma.
220. Rhizophoraceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren; meest tweeslachtig,
regelmatig; kelkbladeren 3–16, meest 4–8; bloembladeren evenveel; meeldraden 8 tot vele;
meest alle met stuifmeel; vruchtbeginsel 2–5-hokkig, zelden 3-, of 6-hokkig, onderstandig,
met de bekervormige bloemas vereenigd; met meest 2 zaadknoppen in ieder hokje;
vruchtbeginsel zelden 1-hokkig; vrucht 1–5-hokkig meest met 1 zaad in ieder hokje;
boomen of heesters met tegenoverstaande bladeren met spoedig afvallende steunbladeren;
zelden bladeren verspreid en zonder steunbladeren.
1a. Bloeias kort-napvormig; kelkbladeren en bloembladeren 4. Meeldraden
8. Schijf onduidelijk gelobd. Stijl 2-lobbig. Vrucht éénzadig, aan den boom
kiemend. Boomen met luchtwortels Rhizophora.
1b. Bloeias klokvormig. Kelkbladeren 4 en bloembladeren 4–5, de laatste
sterk ingesneden. Meeldraden 15–30; schijf 15–30-lobbig. Vrucht met
spleten openspringend. Bladeren tegenoverstaand Cassipourea.
221. Combretaceae.
Page 262
Bloemen met kelk en bloemkroon of zonder bloemkroon; tweeslachtig of éénslachtig,
regelmatig met klokvormige of buisvormige bloemas; kelkslippen 4–5; bloembladeren 4–5;
meeldraden 4, 5, 8 of 10, zelden talrijk; stijl 1; vruchtbeginsel onderstandig, éénhokkig met
2–6 zaadknoppen; vrucht leerachtig of steenvruchtachtig vaak met 4–5 vleugels, 1-zadig;
houtige planten met tegenoverstaande of verspreide bladeren, vaak klimmend; geen
steunbladeren; bloemen in trossen.
1a. Bloembladeren ontbrekend; bladeren afwisselend 2
1b. Bloembladeren aanwezig 5
2a. Kelk boven het vruchtbeginsel wijd uitgespreid, bijna schotelvormig,
aan den rand een weinig gegolfd en nauwelijks gelobd, na den bloei
blijvend. Meeldraden 10. Bloemen in verlengde aarvormige trossen, in
denzelfde tros ♂ en tweeslachtige bloemen. Kleine boomen. Bladeren aan
den top stomp Bucida.
2b. Kelk na de bloei afvallend, klokvormig 3
3a. Kelk nauwelijks getand of gelobd. Helmknoppen onbewegelijk aan de
helmdraden vergroeid. Meeldraden 10. Bloemen in trossen, vaker in korte
hoofdjes Buchenavia.
3b. Kelk tot op de helft ingesneden. Helmknoppen bewegelijk 4
4a. Bloemen in lange trossen. Bladeren vaak aan het einde der takken
groepsgewijs bij elkaar zittend. Bloemen 4–5-tallig met 8 of 10 meeldraden
Terminalia.
4b. Bloemen in hoofdjes. Vruchten plat, elkaar
dakpansgewijs bedekkend, daardoor te samen op een dennenkegel
gelijkend. Kleine boompjes Conocarpus.
5a. Kelkbuis zeer lang, op een lange bloemsteel gelijkend. Stijl aan een
zijde tegen de binnenkant van de buis vastgegroeid. Meeldraden in 2 rijen.
Klimmende heester Quisqualis.
5b. Kelkbuis niet verlengd 6
regelmatig met klokvormige of buisvormige bloemas; kelkslippen 4–5; bloembladeren 4–5;
meeldraden 4, 5, 8 of 10, zelden talrijk; stijl 1; vruchtbeginsel onderstandig, éénhokkig met
2–6 zaadknoppen; vrucht leerachtig of steenvruchtachtig vaak met 4–5 vleugels, 1-zadig;
houtige planten met tegenoverstaande of verspreide bladeren, vaak klimmend; geen
steunbladeren; bloemen in trossen.
1a. Bloembladeren ontbrekend; bladeren afwisselend 2
1b. Bloembladeren aanwezig 5
2a. Kelk boven het vruchtbeginsel wijd uitgespreid, bijna schotelvormig,
aan den rand een weinig gegolfd en nauwelijks gelobd, na den bloei
blijvend. Meeldraden 10. Bloemen in verlengde aarvormige trossen, in
denzelfde tros ♂ en tweeslachtige bloemen. Kleine boomen. Bladeren aan
den top stomp Bucida.
2b. Kelk na de bloei afvallend, klokvormig 3
3a. Kelk nauwelijks getand of gelobd. Helmknoppen onbewegelijk aan de
helmdraden vergroeid. Meeldraden 10. Bloemen in trossen, vaker in korte
hoofdjes Buchenavia.
3b. Kelk tot op de helft ingesneden. Helmknoppen bewegelijk 4
4a. Bloemen in lange trossen. Bladeren vaak aan het einde der takken
groepsgewijs bij elkaar zittend. Bloemen 4–5-tallig met 8 of 10 meeldraden
Terminalia.
4b. Bloemen in hoofdjes. Vruchten plat, elkaar
dakpansgewijs bedekkend, daardoor te samen op een dennenkegel
gelijkend. Kleine boompjes Conocarpus.
5a. Kelkbuis zeer lang, op een lange bloemsteel gelijkend. Stijl aan een
zijde tegen de binnenkant van de buis vastgegroeid. Meeldraden in 2 rijen.
Klimmende heester Quisqualis.
5b. Kelkbuis niet verlengd 6
Page 263
6a. Bloemen groot, in zeer lange bruinbehaarde trossen; de bloemen
groepsgewijs zittend in de oksel van lange, spitse schutbladeren. Kelkbuis
en meeldraden gebogen Cacoucia.
6b. Bloemen klein of groot, bloeistengel niet bezet met groote
schutbladeren 7
7a. Bloemen 5-tallig. Kelk bekervormig, klein, na de bloei blijvend.
Vruchtbeginsel min of meer 5-kantig; de 2 bloemsteelblaadjes met het
vruchtbeginsel vergroeid. Bloemen in ijle trossen. Kleine boom met
leerachtige gesteelde bladeren met een afgeronden top. Mangroveplant
Laguncularia.
7b. Bloemen zeer verschillend van grootte, 4- of 5-
tallig. Kelk na den bloei afvallend. Vrucht 4- of 5-kantig of 4–5-vleugelig.
Bladeren tegenoverstaand of afwisselend Combretum.
222. Myrtaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren en
kroonbladeren meest 4–5; meeldraden talrijk, soms in groepen; vruchtbeginsel met de
bekervormige bloeias vergroeid, onderstandig; 2–5- tot veelhokkig met 1 tot vele
zaadknoppen per hokje; stijlen vergroeid; vrucht zeer verschillend; vaak een bes; houtige
planten met meest tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren met doorschijnende
olieklieren.
1a. Kelkbladeren in den knoptoestand vergroeid, later openscheurend 2
1b. Kelkbladeren reeds in den knoptoestand vrij, dakpansgewijs over elkaar
liggend 4
2a. Bloembladeren grooter dan de kelk, 5 of 4, bloemen alleenstaand in de
bladoksels; bladeren meest behaard. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met vele
zaadknoppen in ieder hokje, kiem in het zaad gekromd; de kiembladeren
klein, het worteltje veel grooter Psidium.
groepsgewijs zittend in de oksel van lange, spitse schutbladeren. Kelkbuis
en meeldraden gebogen Cacoucia.
6b. Bloemen klein of groot, bloeistengel niet bezet met groote
schutbladeren 7
7a. Bloemen 5-tallig. Kelk bekervormig, klein, na de bloei blijvend.
Vruchtbeginsel min of meer 5-kantig; de 2 bloemsteelblaadjes met het
vruchtbeginsel vergroeid. Bloemen in ijle trossen. Kleine boom met
leerachtige gesteelde bladeren met een afgeronden top. Mangroveplant
Laguncularia.
7b. Bloemen zeer verschillend van grootte, 4- of 5-
tallig. Kelk na den bloei afvallend. Vrucht 4- of 5-kantig of 4–5-vleugelig.
Bladeren tegenoverstaand of afwisselend Combretum.
222. Myrtaceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren en
kroonbladeren meest 4–5; meeldraden talrijk, soms in groepen; vruchtbeginsel met de
bekervormige bloeias vergroeid, onderstandig; 2–5- tot veelhokkig met 1 tot vele
zaadknoppen per hokje; stijlen vergroeid; vrucht zeer verschillend; vaak een bes; houtige
planten met meest tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren met doorschijnende
olieklieren.
1a. Kelkbladeren in den knoptoestand vergroeid, later openscheurend 2
1b. Kelkbladeren reeds in den knoptoestand vrij, dakpansgewijs over elkaar
liggend 4
2a. Bloembladeren grooter dan de kelk, 5 of 4, bloemen alleenstaand in de
bladoksels; bladeren meest behaard. Vruchtbeginsel 4–5-hokkig met vele
zaadknoppen in ieder hokje, kiem in het zaad gekromd; de kiembladeren
klein, het worteltje veel grooter Psidium.
Page 264
2b. Bloembladeren slechts weinig grooter of kleiner dan de kelk, soms
geheel ontbrekend. Bloemen niet alleenstaand in de bladoksels; bladeren
meest kaal 3
3a. Kelk 4–5-spletig, bloembladeren 4–5, klein of ontbrekend.
Vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Kiem in het
zaad samengevouwen, vooral de kiembladeren sterk geplooid en gevouwen.
Worteltje even lang als de kiembladeren Marlieria.
3b. Kelk 4–6-spletig, bloembladeren 4–6 niet opvallend klein;
vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokje.
Worteltje van de kiem veel kleiner dan de groote en dikke kiembladeren
Calycorectes.
4a. Bloemen met 4 kelkbladeren en 4 bloembladeren
5
4b. Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 bloembladeren
8
5a. Bloemen grooter dan 1 c.M.; vruchtbeginsel naar den bloemsteel
versmald en spits. Kelkbladeren kort en stomp. Bloembladeren rond, groot.
Meeldraden zeer lang. Vrucht 2–3-hokkig met vele zaadknoppen in ieder
hokje. Bloeiwijze weinigbloemig. Bladeren lang en smal Jambosa.
5b. Bloemen kleiner dan 1 c.M. 6
6a. Vruchten met slechts 1 zaad; kiem spiraalsgewijs opgerold met zeer
kleine kiembladeren. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 1 of 2 zaadknoppen in
elk hokje. Bloeiwijze veelbloemig, sterk vertakt Pimenta.
6b. Vruchten soms meerzadig; kiem niet spiraalsgewijs opgerold met
groote kiembladeren en klein worteltje 7
7a. Vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokje
Eugenia.
7b. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje
Myrciaria.
8a. Kelkbladeren opvallend groot, aan de basis versmald.
Bloembladeren groot, rond. Stijl langer dan de meeldraden. Vruchtbeginsel
geheel ontbrekend. Bloemen niet alleenstaand in de bladoksels; bladeren
meest kaal 3
3a. Kelk 4–5-spletig, bloembladeren 4–5, klein of ontbrekend.
Vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje. Kiem in het
zaad samengevouwen, vooral de kiembladeren sterk geplooid en gevouwen.
Worteltje even lang als de kiembladeren Marlieria.
3b. Kelk 4–6-spletig, bloembladeren 4–6 niet opvallend klein;
vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokje.
Worteltje van de kiem veel kleiner dan de groote en dikke kiembladeren
Calycorectes.
4a. Bloemen met 4 kelkbladeren en 4 bloembladeren
5
4b. Bloemen met 5 kelkbladeren en 5 bloembladeren
8
5a. Bloemen grooter dan 1 c.M.; vruchtbeginsel naar den bloemsteel
versmald en spits. Kelkbladeren kort en stomp. Bloembladeren rond, groot.
Meeldraden zeer lang. Vrucht 2–3-hokkig met vele zaadknoppen in ieder
hokje. Bloeiwijze weinigbloemig. Bladeren lang en smal Jambosa.
5b. Bloemen kleiner dan 1 c.M. 6
6a. Vruchten met slechts 1 zaad; kiem spiraalsgewijs opgerold met zeer
kleine kiembladeren. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 1 of 2 zaadknoppen in
elk hokje. Bloeiwijze veelbloemig, sterk vertakt Pimenta.
6b. Vruchten soms meerzadig; kiem niet spiraalsgewijs opgerold met
groote kiembladeren en klein worteltje 7
7a. Vruchtbeginsel 2–4-hokkig met 4 tot vele zaadknoppen in elk hokje
Eugenia.
7b. Vruchtbeginsel 2-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje
Myrciaria.
8a. Kelkbladeren opvallend groot, aan de basis versmald.
Bloembladeren groot, rond. Stijl langer dan de meeldraden. Vruchtbeginsel
Page 265
4–5-hokkig. Bloemen in groepen of alleenstaand in de bladoksels
Calycolpus.
8b. Kelkbladeren klein evenals de bloembladeren
9
9a. Boom met gladde stam; bladeren ongeveer 5 c.M. lang aan den
top afgerond, naar de basis versmald hard-leerachtig met een eenigszins
omgerolde rand. Bloemen in sterk vertakte bloeiwijzen. Vruchtbeginsel 2-
hokkig met 6 zaadknoppen per hokje
Amomis. (Pimenta). B a y o o m , B e e r u m .
9b. Bladeren aan den top
toegespitst, vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje.
Bloeiwijzen meest behaard, okselstandig Myrcia. (Aulomyrcia).
223. Melastomataceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig, soms de meeldraden
zygomorf; bloemas bekervormig, bloemen 3- tot veeltallig, meest 4–5-tallig;
bloembladeren evenveel als kelkslippen; meeldraden meest dubbel zooveel als
bloembladeren; helmknoppen met poriën openspringend; vruchtbeginsel boven- of
onderstandig, min of meer met de bloemas vergroeid, meest meerhokkig; stijl 1; vrucht een
doosvrucht, of een bes; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren zonder
steunbladeren.
1a. Boomen; bladeren zonder de karakteristieke nerven der familie, doch
vinnervig, of zóó dik, dat alleen een middennerf zichtbaar is. Bloemen 4- of
5-tallig; kelk buisvormig of geheel zonder buis; steeds het vruchtbeginsel
met den bodem van den kelk vergroeid en dus onderstandig. Helmknoppen
zonder bijzondere verlengde aanhangselen. Bloemen meest geel. Vrucht een
bes met eenige pitten Mouriria.
1b. Bladeren met een middennerf waaruit aan den voet of dicht boven de
voet eenige zijnerven ontspringen, die evenwijdig met de bladrand naar den
top van het blad loopen; deze nerven zijn onderling en met de hoofdnerf
verbonden door vele evenwijdige zijnerven 2
Calycolpus.
8b. Kelkbladeren klein evenals de bloembladeren
9
9a. Boom met gladde stam; bladeren ongeveer 5 c.M. lang aan den
top afgerond, naar de basis versmald hard-leerachtig met een eenigszins
omgerolde rand. Bloemen in sterk vertakte bloeiwijzen. Vruchtbeginsel 2-
hokkig met 6 zaadknoppen per hokje
Amomis. (Pimenta). B a y o o m , B e e r u m .
9b. Bladeren aan den top
toegespitst, vruchtbeginsel 2–3-hokkig met 2 zaadknoppen in elk hokje.
Bloeiwijzen meest behaard, okselstandig Myrcia. (Aulomyrcia).
223. Melastomataceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, tweeslachtig, regelmatig, soms de meeldraden
zygomorf; bloemas bekervormig, bloemen 3- tot veeltallig, meest 4–5-tallig;
bloembladeren evenveel als kelkslippen; meeldraden meest dubbel zooveel als
bloembladeren; helmknoppen met poriën openspringend; vruchtbeginsel boven- of
onderstandig, min of meer met de bloemas vergroeid, meest meerhokkig; stijl 1; vrucht een
doosvrucht, of een bes; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren zonder
steunbladeren.
1a. Boomen; bladeren zonder de karakteristieke nerven der familie, doch
vinnervig, of zóó dik, dat alleen een middennerf zichtbaar is. Bloemen 4- of
5-tallig; kelk buisvormig of geheel zonder buis; steeds het vruchtbeginsel
met den bodem van den kelk vergroeid en dus onderstandig. Helmknoppen
zonder bijzondere verlengde aanhangselen. Bloemen meest geel. Vrucht een
bes met eenige pitten Mouriria.
1b. Bladeren met een middennerf waaruit aan den voet of dicht boven de
voet eenige zijnerven ontspringen, die evenwijdig met de bladrand naar den
top van het blad loopen; deze nerven zijn onderling en met de hoofdnerf
verbonden door vele evenwijdige zijnerven 2
Page 266
2a. Vrucht een met kleppen openspringende doosvrucht. Vruchtbeginsel en
later ook de vrucht meest maar voor een klein deel of in het geheel niet met
de kelkwand vergroeid en daardoor bijna geheel bovenstandig. Meeldraden
meest in twee rijen, de eene rij uit grootere meeldraden bestaande dan de
andere rij. Helmbindsel aan den voet van voren vaak met verschillende
aanhangsels, soms ook van achteren met aanhangsels, zelden geheel zonder
aanhangsels (Aciotis). Planten kruidachtig of kleine heesters 3
2b. Vrucht een bes of leerachtig en onregelmatig openspringend.
Vruchtbeginsel en later ook de vrucht bijna geheel met de kelkbuis
vergroeid en daardoor bijna of geheel onderstandig. Meeldraden meest alle
gelijk van grootte. Helmbindsel aan de voet bijna steeds zonder
aanhangselen (uitzonderingen bij Miconia). Planten meest groote heesters
of boomen 13
3a. Slechts 4 meeldraden aanwezig, de 4 andere of geheel ontbrekend of
zeer klein, bloem 4-tallig. Voet van de helmknoppen met 2 knobbels aan de
voorzijde. Vruchtbeginsel 2-hokkig; doosvrucht met 2 kleppen
openspringend. Bloeiwijze weinigbloemig of bloemen okselstandig
Siphanthera.
3b. Steeds tweemaal zooveel meeldraden als
bloembladeren aanwezig 4
4a. Bloemen 5-tallig met 5 groote en 5 kleine meeldraden; van de 5 groote
meeldraden is er één veel grooter dan de 4 andere. Helmbindsel beneden de
helmknop verlengd, gebogen, van voren met 2 tanden of knobbels.
Doosvrucht met 3 kleppen openspringend Rhynchanthera.
4b. Niet een van de meeldraden veel grooter dan de andere 5
5a. Bloemen 4-tallig 6
5b. Bloemen 5-tallig 10
6a. Planten niet houtig, met saprijke stengels, klein, op vochtige plaatsen
voorkomend. Helmknoppen geheel zonder aanhangselen aan het
helmbindsel; meeldraden aan elkaar gelijk, vruchtbeginsel kaal, 2-hokkig
later ook de vrucht meest maar voor een klein deel of in het geheel niet met
de kelkwand vergroeid en daardoor bijna geheel bovenstandig. Meeldraden
meest in twee rijen, de eene rij uit grootere meeldraden bestaande dan de
andere rij. Helmbindsel aan den voet van voren vaak met verschillende
aanhangsels, soms ook van achteren met aanhangsels, zelden geheel zonder
aanhangsels (Aciotis). Planten kruidachtig of kleine heesters 3
2b. Vrucht een bes of leerachtig en onregelmatig openspringend.
Vruchtbeginsel en later ook de vrucht bijna geheel met de kelkbuis
vergroeid en daardoor bijna of geheel onderstandig. Meeldraden meest alle
gelijk van grootte. Helmbindsel aan de voet bijna steeds zonder
aanhangselen (uitzonderingen bij Miconia). Planten meest groote heesters
of boomen 13
3a. Slechts 4 meeldraden aanwezig, de 4 andere of geheel ontbrekend of
zeer klein, bloem 4-tallig. Voet van de helmknoppen met 2 knobbels aan de
voorzijde. Vruchtbeginsel 2-hokkig; doosvrucht met 2 kleppen
openspringend. Bloeiwijze weinigbloemig of bloemen okselstandig
Siphanthera.
3b. Steeds tweemaal zooveel meeldraden als
bloembladeren aanwezig 4
4a. Bloemen 5-tallig met 5 groote en 5 kleine meeldraden; van de 5 groote
meeldraden is er één veel grooter dan de 4 andere. Helmbindsel beneden de
helmknop verlengd, gebogen, van voren met 2 tanden of knobbels.
Doosvrucht met 3 kleppen openspringend Rhynchanthera.
4b. Niet een van de meeldraden veel grooter dan de andere 5
5a. Bloemen 4-tallig 6
5b. Bloemen 5-tallig 10
6a. Planten niet houtig, met saprijke stengels, klein, op vochtige plaatsen
voorkomend. Helmknoppen geheel zonder aanhangselen aan het
helmbindsel; meeldraden aan elkaar gelijk, vruchtbeginsel kaal, 2-hokkig
Page 267
6b. Helmbindsel met knobbels of langere aanhangsels. Stengel Aciotis.
meest wat houtig 7
7a. Kelkslippen driehoekig, spits en na den bloei blijvend; buis van buiten
met korte stijve haren bezet; kelkslippen afwisselend met vertakte
borstelharen. Helmbindsel min of meer onder de helmknop verlengd, met 2
knobbels of een verdikking aan de voorzijde. Vruchtbeginsel op den top
borstelig behaard. Planten meest ruw behaard Pterolepis.
7b. Kelkslippen niet met borstels afwisselend 8
8a. Helmknoppen van alle meeldraden gelijk van vorm en grootte,
helmbindsel gebogen, aan het verbreede einde van voren met 2 lobben of 2
korte sporen of oortjes. Doosvrucht 2- of 4-kleppig (en -hokkig).
Bloeiwijzen klein of bloemen alleenstaand Comolia.
8b. Helmknoppen van 4 der meeldraden verschillend in vorm en grootte
van de 4 andere 9
9a. Helmbindsel van alle helmknoppen van voren met 2 opgerichte lange
draadvormige aanhangselen. Kelkbuis meest klierachtig behaard.
Vruchtbeginsel 4-hokkig aan den top kaal of behaard. Bloemen in groote
vertakte bloeiwijzen Ernestia.
9b. Helmbindsel van slechts 4 der meeldraden met 2 lange sporen, van de
andere meeldraden met 2 knobbels; soms ook alle helmknoppen met
knobbels. Kelkbuis halfbolvormig of klokvormig met spitse slippen.
Vruchtbeginsel kaal 2, 3 of 4-hokkig. Kruiden of heestertjes
Acisanthera.
10a. Kelk aan de basis met 4, paarsgewijs
tegenoverstaande blaadjes omgeven. Meeldraden ongeveer gelijk van vorm;
helmbindsel met 2 knobbels van voren. Vruchtbeginsel en doosvrucht aan
den top borstelig. Kleine heesters Tibouchina.
10b. Kelk niet door blaadjes ingehuld 11
meest wat houtig 7
7a. Kelkslippen driehoekig, spits en na den bloei blijvend; buis van buiten
met korte stijve haren bezet; kelkslippen afwisselend met vertakte
borstelharen. Helmbindsel min of meer onder de helmknop verlengd, met 2
knobbels of een verdikking aan de voorzijde. Vruchtbeginsel op den top
borstelig behaard. Planten meest ruw behaard Pterolepis.
7b. Kelkslippen niet met borstels afwisselend 8
8a. Helmknoppen van alle meeldraden gelijk van vorm en grootte,
helmbindsel gebogen, aan het verbreede einde van voren met 2 lobben of 2
korte sporen of oortjes. Doosvrucht 2- of 4-kleppig (en -hokkig).
Bloeiwijzen klein of bloemen alleenstaand Comolia.
8b. Helmknoppen van 4 der meeldraden verschillend in vorm en grootte
van de 4 andere 9
9a. Helmbindsel van alle helmknoppen van voren met 2 opgerichte lange
draadvormige aanhangselen. Kelkbuis meest klierachtig behaard.
Vruchtbeginsel 4-hokkig aan den top kaal of behaard. Bloemen in groote
vertakte bloeiwijzen Ernestia.
9b. Helmbindsel van slechts 4 der meeldraden met 2 lange sporen, van de
andere meeldraden met 2 knobbels; soms ook alle helmknoppen met
knobbels. Kelkbuis halfbolvormig of klokvormig met spitse slippen.
Vruchtbeginsel kaal 2, 3 of 4-hokkig. Kruiden of heestertjes
Acisanthera.
10a. Kelk aan de basis met 4, paarsgewijs
tegenoverstaande blaadjes omgeven. Meeldraden ongeveer gelijk van vorm;
helmbindsel met 2 knobbels van voren. Vruchtbeginsel en doosvrucht aan
den top borstelig. Kleine heesters Tibouchina.
10b. Kelk niet door blaadjes ingehuld 11
Page 268
11a. Planten zeer dicht behaard; zoowel stengel en bladeren als top van het
vruchtbeginsel en kelk. Helmknoppen zeer ongelijk, 5 met lange sporen, de
5 andere met korte oortjes aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 5-hokkig, min
of meer met de kelk vergroeid Desmoscelis.
11b. Planten niet dicht behaard; vruchtbeginsel op den top kaal 12
12a. Kelkbuis eirond met blijvende lange kelkslippen. Bloembladeren smal
en spits. Meeldraden afwisselend langer en korter. Helmbindsel onder de
helmknop verlengd met 2 korte opgerichte sporen voorzien. Vruchtbeginsel
3-hokkig bolvormig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht.
Bloeiwijze sterk vertakt, los Nepsera.
12b. Kelkbuis half bolvormig of klokvormig. Bloembladeren rond of
eirond, met stompe of afgeronde top. Meeldraden alle met 2 knobbels of
oortjes aan het helmbindsel of 4 ervan met 2 lange sporen. Vruchtbeginsel
2–4-hokkig Acisanthera.
13a. Bloeiwijze aan het eind van bebladerde takken staand 14
13b. Bloeiwijzen of alleenstaande bloemen in de bladoksels of uit het hout
te voorschijn komend 15
14a. Bloembladeren spits en smal. Bloemen meest 5-tallig. Kelk vaak met
2 rijen van tanden. Helmbindsel weinig verlengd, zonder aanhangsels.
Heesters of boompjes, meest behaard Leandra.
14b. Bloembladeren breed en stomp. Bloemen meest 5-tallig. Kelkzoom
met zeer korte slippen. Helmknoppen zeer verschillend, met of zonder
aanhangselen aan het helmbindsel. Heesters, zelden boomen Miconia.
15a. Bloembladeren stomp aan den top 16
15b. Bloembladeren spits aan den top. Kelk ruwharig tot borstelig, in den
knop gesloten; met een dekseltje opengaand; helmknoppen recht en dik,
zijdelings samengedrukt; helmbindsel niet verlengd, zonder aanhangselen;
ruwharige heesters, bloemen alleenstaand of 3 bij elkaar Myriaspora.
vruchtbeginsel en kelk. Helmknoppen zeer ongelijk, 5 met lange sporen, de
5 andere met korte oortjes aan de voorzijde. Vruchtbeginsel 5-hokkig, min
of meer met de kelk vergroeid Desmoscelis.
11b. Planten niet dicht behaard; vruchtbeginsel op den top kaal 12
12a. Kelkbuis eirond met blijvende lange kelkslippen. Bloembladeren smal
en spits. Meeldraden afwisselend langer en korter. Helmbindsel onder de
helmknop verlengd met 2 korte opgerichte sporen voorzien. Vruchtbeginsel
3-hokkig bolvormig; vrucht een met 3 kleppen openspringende doosvrucht.
Bloeiwijze sterk vertakt, los Nepsera.
12b. Kelkbuis half bolvormig of klokvormig. Bloembladeren rond of
eirond, met stompe of afgeronde top. Meeldraden alle met 2 knobbels of
oortjes aan het helmbindsel of 4 ervan met 2 lange sporen. Vruchtbeginsel
2–4-hokkig Acisanthera.
13a. Bloeiwijze aan het eind van bebladerde takken staand 14
13b. Bloeiwijzen of alleenstaande bloemen in de bladoksels of uit het hout
te voorschijn komend 15
14a. Bloembladeren spits en smal. Bloemen meest 5-tallig. Kelk vaak met
2 rijen van tanden. Helmbindsel weinig verlengd, zonder aanhangsels.
Heesters of boompjes, meest behaard Leandra.
14b. Bloembladeren breed en stomp. Bloemen meest 5-tallig. Kelkzoom
met zeer korte slippen. Helmknoppen zeer verschillend, met of zonder
aanhangselen aan het helmbindsel. Heesters, zelden boomen Miconia.
15a. Bloembladeren stomp aan den top 16
15b. Bloembladeren spits aan den top. Kelk ruwharig tot borstelig, in den
knop gesloten; met een dekseltje opengaand; helmknoppen recht en dik,
zijdelings samengedrukt; helmbindsel niet verlengd, zonder aanhangselen;
ruwharige heesters, bloemen alleenstaand of 3 bij elkaar Myriaspora.
Page 269
16a. Bladeren met blazen aan den voet. Bloemen 3-, 4- of 5-tallig.
Helmbindsel niet verlengd. Bloeiwijzen klein of alleenstaande bloemen in
de bladoksels. Kelkbuis niet gevleugeld Maieta.
16b. Bladvoet zonder blazen 17
17a. Bloemen aan de bebladerde takken staand 18
17b. Bloemen beneden de bladeren uit het hout tevoorschijn komend
19
18a. Bloemen klein, onaanzienlijk; de kelklobben meest aan de
buitenzijde voorzien van een lange tand; helmknoppen verlengd en
priemvormig, met één opening openspringend; vruchtbeginsel bijna steeds
behaard, 3–9-hokkig; kleine, zelden groote heesters of boompjes
Clidemia.
18b. Bloemen groot. Kelkzoom zonder bijslippen; kelk in
regelmatige slippen gedeeld of onregelmatig inscheurend. Helmknoppen
kort en dik met 2 gaten aan den top openspringend. Vruchtbeginsel geheel
met de kelkbuis vergroeid, 8–15-hokkig, kaal. Boomen of heesters, meest
onbehaard Bellucia. M i s p e l .
19a. Kelkzoom onduidelijk getand. Helmknoppen kort en dik, vaak alle
samenhangend. Bloembladeren dik en leerachtig. Vruchtbeginsel geheel
met de kelk vergroeid. Bes met de kelkzoom aan den top. Bloemen in
dichte trosvormige bloeiwijzen uit het hout tevoorschijn komend boven de
lidteekens van de bladeren Loreya. M i s p e l .
19b. Kelkzoom duidelijk getand of gelobd. Helmknoppen meest verlengd
en dun. Helmbindsel niet onder de helmknop verlengd. Bloemen
alleenstaand of in groepen, niet in trossen. Bes veelzadig
Henriettea. M i s p e l .
224. Oenotheraceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, meest tweeslachtig, en regelmatig, zelden zygomorf;
bloemas buisvormig; kelkslippen 2–4; zelden 5–6, bloembladeren 2–4, zelden ontbrekend;
meeldraden 4–8, zelden 1, 2, 6 of 12, soms ten deele staminodiaal; vruchtbeginsel met de
Helmbindsel niet verlengd. Bloeiwijzen klein of alleenstaande bloemen in
de bladoksels. Kelkbuis niet gevleugeld Maieta.
16b. Bladvoet zonder blazen 17
17a. Bloemen aan de bebladerde takken staand 18
17b. Bloemen beneden de bladeren uit het hout tevoorschijn komend
19
18a. Bloemen klein, onaanzienlijk; de kelklobben meest aan de
buitenzijde voorzien van een lange tand; helmknoppen verlengd en
priemvormig, met één opening openspringend; vruchtbeginsel bijna steeds
behaard, 3–9-hokkig; kleine, zelden groote heesters of boompjes
Clidemia.
18b. Bloemen groot. Kelkzoom zonder bijslippen; kelk in
regelmatige slippen gedeeld of onregelmatig inscheurend. Helmknoppen
kort en dik met 2 gaten aan den top openspringend. Vruchtbeginsel geheel
met de kelkbuis vergroeid, 8–15-hokkig, kaal. Boomen of heesters, meest
onbehaard Bellucia. M i s p e l .
19a. Kelkzoom onduidelijk getand. Helmknoppen kort en dik, vaak alle
samenhangend. Bloembladeren dik en leerachtig. Vruchtbeginsel geheel
met de kelk vergroeid. Bes met de kelkzoom aan den top. Bloemen in
dichte trosvormige bloeiwijzen uit het hout tevoorschijn komend boven de
lidteekens van de bladeren Loreya. M i s p e l .
19b. Kelkzoom duidelijk getand of gelobd. Helmknoppen meest verlengd
en dun. Helmbindsel niet onder de helmknop verlengd. Bloemen
alleenstaand of in groepen, niet in trossen. Bes veelzadig
Henriettea. M i s p e l .
224. Oenotheraceae.
Bloemen met kelk en bloemkroon, meest tweeslachtig, en regelmatig, zelden zygomorf;
bloemas buisvormig; kelkslippen 2–4; zelden 5–6, bloembladeren 2–4, zelden ontbrekend;
meeldraden 4–8, zelden 1, 2, 6 of 12, soms ten deele staminodiaal; vruchtbeginsel met de
Page 270
bloemas vergroeid; onderstandig, meest 4-hokkig; met 1 tot vele zaadknoppen in ieder
hokje; meest kruiden met tegenoverstaande of verspreide bladeren zonder steunbladen;
bloemen okselstandig of in trossen.
Bloemen met 4 (–6) kelkbladeren, 4 (–6) gele bloembladeren, 8–12
meeldraden. Vruchtbeginsel onderstandig; vrucht een doosvrucht. Moeras-
of waterplanten Jussieua.
Orde: Umbelliflorae.
228. Umbelliferae.
Bloemen 5-tallig, met 5 meeldraden, en vaak onduidelijke kelk; meest tweeslachtig,
regelmatig, soms zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig, 2-hokkig, met 1 zaadknop in
ieder hokje; de 2 stijlen aan de basis tot een kussen aangezwollen; vrucht een splitvrucht,
waarvan de deelvruchten aan een carpophoor blijven hangen; eenjarige of overblijvende
kruiden met meest holle stengel en verspreide bladeren, die meestal meermalen gevind zijn
en een groote bladscheede hebben; bloemen klein, meest in enkelvoudige of samengestelde
schermen of in hoofdjes.
1a. Bladeren lang, naar de voet versmald, aan den top afgerond. Stengel
aan den top met een gedrongen (op een hoofdje gelijkend) scherm
Eryngium. S n e k i - w i w i r i e .
1b. Bladeren gesteeld, rond.
Bloemen in een klein scherm Hydrocotyle.
1c. Bladeren gevind tot meervoudig gevind; scherm samengesteld, wijd
uitstaand, bloemen wit; vruchten behaard Pimpinella. A n i j s z a a d .
hokje; meest kruiden met tegenoverstaande of verspreide bladeren zonder steunbladen;
bloemen okselstandig of in trossen.
Bloemen met 4 (–6) kelkbladeren, 4 (–6) gele bloembladeren, 8–12
meeldraden. Vruchtbeginsel onderstandig; vrucht een doosvrucht. Moeras-
of waterplanten Jussieua.
Orde: Umbelliflorae.
228. Umbelliferae.
Bloemen 5-tallig, met 5 meeldraden, en vaak onduidelijke kelk; meest tweeslachtig,
regelmatig, soms zygomorf; vruchtbeginsel onderstandig, 2-hokkig, met 1 zaadknop in
ieder hokje; de 2 stijlen aan de basis tot een kussen aangezwollen; vrucht een splitvrucht,
waarvan de deelvruchten aan een carpophoor blijven hangen; eenjarige of overblijvende
kruiden met meest holle stengel en verspreide bladeren, die meestal meermalen gevind zijn
en een groote bladscheede hebben; bloemen klein, meest in enkelvoudige of samengestelde
schermen of in hoofdjes.
1a. Bladeren lang, naar de voet versmald, aan den top afgerond. Stengel
aan den top met een gedrongen (op een hoofdje gelijkend) scherm
Eryngium. S n e k i - w i w i r i e .
1b. Bladeren gesteeld, rond.
Bloemen in een klein scherm Hydrocotyle.
1c. Bladeren gevind tot meervoudig gevind; scherm samengesteld, wijd
uitstaand, bloemen wit; vruchten behaard Pimpinella. A n i j s z a a d .
Page 271
Onderklasse: Sympetalae.
Orde: Primulales.
235. Theophrastaceae.
Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig, 5-tallig; bloemkroon vergroeidbladig;
meeldraden 5, tegenover de kroonslippen staand; 5 staminodiën ermee afwisselend;
vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met talrijke zaadknoppen; vrucht steenvruchtachtig
met 2- tot talrijke zaadknoppen; houtige planten met verspreide bladeren zonder
steunbladeren.
Bloemen eenslachtig, tweehuizig, meest 5-tallig, zelden 4-tallig. Kelk
vergroeidbladig. Bloembladeren tot ongeveer ⅓ van de hoogte vergroeid.
Meeldraden in de mannelijke bloemen, in een buis vergroeid, die met de
bloembladeren samenhangt; in de vrouwelijke bloemen zijn er 5 losse
staminodiën voor de bloembladeren. Vruchtbeginsel in de mannelijke
bloemen aanwezig, doch zeer klein. Kleine boomen met lange bladeren, aan
den top van de takken dicht op elkaar zittend Clavija.
236. Myrsinaceae.
Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, regelmatig, 5–4-tallig met vergroeidbladige
bloemkroon; meeldraden 5–4, zelden met staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig tot
onderstandig, 1-hokkig met vele zaadknoppen aan de grondstandige zaadlijst; stijl 1; vrucht
Orde: Primulales.
235. Theophrastaceae.
Bloemen tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig, 5-tallig; bloemkroon vergroeidbladig;
meeldraden 5, tegenover de kroonslippen staand; 5 staminodiën ermee afwisselend;
vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met talrijke zaadknoppen; vrucht steenvruchtachtig
met 2- tot talrijke zaadknoppen; houtige planten met verspreide bladeren zonder
steunbladeren.
Bloemen eenslachtig, tweehuizig, meest 5-tallig, zelden 4-tallig. Kelk
vergroeidbladig. Bloembladeren tot ongeveer ⅓ van de hoogte vergroeid.
Meeldraden in de mannelijke bloemen, in een buis vergroeid, die met de
bloembladeren samenhangt; in de vrouwelijke bloemen zijn er 5 losse
staminodiën voor de bloembladeren. Vruchtbeginsel in de mannelijke
bloemen aanwezig, doch zeer klein. Kleine boomen met lange bladeren, aan
den top van de takken dicht op elkaar zittend Clavija.
236. Myrsinaceae.
Bloemen tweeslachtig of eenslachtig, regelmatig, 5–4-tallig met vergroeidbladige
bloemkroon; meeldraden 5–4, zelden met staminodiën; vruchtbeginsel bovenstandig tot
onderstandig, 1-hokkig met vele zaadknoppen aan de grondstandige zaadlijst; stijl 1; vrucht
Page 272
meest een steenvrucht; met 1 tot weinige zaden; houtige planten met verspreide, vaak
ongedeelde bladeren zonder steunbladeren.
1a. Bloeiwijzen zeer kort en gedrongen, weinigbloemig, dikwijls aan
takken gezeten, waarvan de bladeren reeds zijn afgevallen. Bloemkroon
vergroeidbladig, helmknoppen zittend; stijl ontbrekend Rapanea.
1b. Bloeiwijzen verlengd, tros- of pluimvormig 2
2a. Bloemen in enkelvoudige okselstandige of uit de onbebladerde tak
tevoorschijnkomende trossen; bloemen meest 4-tallig; helmknoppen vrij
lang; bloemkroonslippen niet met de randen over elkaar liggend
Conomorpha.
2b. Bloemen in pluimen of samengestelde trossen
3
3a. Bloemen 5-tallig; bloembladeren weinig vergroeid. Helmdraden
en helmknoppen lang. Bloemen in pluimen Stylogyne.
3b. Bloemen 4-tallig 4
4a. Bloemen in onregelmatige vertakte pluimen; helmdraden veel korter
dan de vrij lange helmknop Ardisia.
4b. Bloemen in vertakte trossen. Helmdraden langer dan de korte, eironde
helmknop Weigeltia.
Orde: Plumbaginales.
238. Plumbaginaceae.
Bloemen met 5 meeldraden, die tegenover de kroonslippen staan; tweeslachtig, regelmatig;
bloemkroon losbladig of vergroeidbladig; vruchtbeginsel met 5 stijlen, bovenstandig, met 1
zaadknop; heesters, of kruiden met enkelvoudige gaafrandige bladeren.
Kelk buisvormig, 5-tandig met klierharen; kroon met lange buis, lobben
uitgespreid. Meeldraden 5, voor de kroonbladeren staand. Vruchtbeginsel
ongedeelde bladeren zonder steunbladeren.
1a. Bloeiwijzen zeer kort en gedrongen, weinigbloemig, dikwijls aan
takken gezeten, waarvan de bladeren reeds zijn afgevallen. Bloemkroon
vergroeidbladig, helmknoppen zittend; stijl ontbrekend Rapanea.
1b. Bloeiwijzen verlengd, tros- of pluimvormig 2
2a. Bloemen in enkelvoudige okselstandige of uit de onbebladerde tak
tevoorschijnkomende trossen; bloemen meest 4-tallig; helmknoppen vrij
lang; bloemkroonslippen niet met de randen over elkaar liggend
Conomorpha.
2b. Bloemen in pluimen of samengestelde trossen
3
3a. Bloemen 5-tallig; bloembladeren weinig vergroeid. Helmdraden
en helmknoppen lang. Bloemen in pluimen Stylogyne.
3b. Bloemen 4-tallig 4
4a. Bloemen in onregelmatige vertakte pluimen; helmdraden veel korter
dan de vrij lange helmknop Ardisia.
4b. Bloemen in vertakte trossen. Helmdraden langer dan de korte, eironde
helmknop Weigeltia.
Orde: Plumbaginales.
238. Plumbaginaceae.
Bloemen met 5 meeldraden, die tegenover de kroonslippen staan; tweeslachtig, regelmatig;
bloemkroon losbladig of vergroeidbladig; vruchtbeginsel met 5 stijlen, bovenstandig, met 1
zaadknop; heesters, of kruiden met enkelvoudige gaafrandige bladeren.
Kelk buisvormig, 5-tandig met klierharen; kroon met lange buis, lobben
uitgespreid. Meeldraden 5, voor de kroonbladeren staand. Vruchtbeginsel
Page 273
met 1 stijl, van boven 5-spletig. Vrucht met 1 zaad. Bladeren verspreid.
Vaak klimplanten Plumbago.
Orde: Ebenales.
239. Sapotaceae.
Bloemen meest tweeslachtig; kelk 4–8-, zelden meerbladig, in twee kransen;
bloemkroonslippen evenveel als kelkbladeren in één krans of dubbel zooveel in twee
kransen, soms met aanhangselen aan de rugzijde; meeldraden in 2 of 3 kransen, soms alle
vruchtbaar, of sommige kransen tot staminodiën ontwikkeld of geheel ontbrekend;
vruchtbeginsel bovenstandig meest met evenveel of dubbel zooveel hokjes als
bloemkroonslippen, met 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes; houtige planten
met verspreide, enkelvoudige bladeren.
1a. Bloemen met evenveel meeldraden als bloemkroonslippen, zonder
staminodiën, meest 5-tallig, soms ook 6–7-tallig. Stijl kort met
knopvormige stempel. Bladeren vaak zijdeachtig behaard. Bloeiwijzen
klein Chrysophyllum.
1b. Bloemen met meeldraden en staminodiën 2
2a. Bloemen met 4 kelkbladeren, 4 bloemkroonslippen, 4 meeldraden en 4
kleine staminodiën. Vruchtbeginsel behaard met een lange stijl. Boomen;
bloemen meest groepsgewijs staand Pouteria. J a n S n i j d e r .
2b. Kelk- en bloembladslippen meer dan 4 3
3a. Kroonslippen 6–8, ieder aan de rugzijde nog ongeveer even groote
slippen dragend, zoodat het aantal kroonslippen zeer groot schijnt te zijn.
Kelkbladeren 6 of 8; meeldraden en staminodiën 6 of 8. Vruchtbeginsel met
lange stijl Mimusops. B o l l e t r i e .
3b. Bloemkroon met 5 of 6 slippen, zonder slippen aan de rugzijde 4
Vaak klimplanten Plumbago.
Orde: Ebenales.
239. Sapotaceae.
Bloemen meest tweeslachtig; kelk 4–8-, zelden meerbladig, in twee kransen;
bloemkroonslippen evenveel als kelkbladeren in één krans of dubbel zooveel in twee
kransen, soms met aanhangselen aan de rugzijde; meeldraden in 2 of 3 kransen, soms alle
vruchtbaar, of sommige kransen tot staminodiën ontwikkeld of geheel ontbrekend;
vruchtbeginsel bovenstandig meest met evenveel of dubbel zooveel hokjes als
bloemkroonslippen, met 1 zaadknop in ieder hokje; stijl 1; vrucht een bes; houtige planten
met verspreide, enkelvoudige bladeren.
1a. Bloemen met evenveel meeldraden als bloemkroonslippen, zonder
staminodiën, meest 5-tallig, soms ook 6–7-tallig. Stijl kort met
knopvormige stempel. Bladeren vaak zijdeachtig behaard. Bloeiwijzen
klein Chrysophyllum.
1b. Bloemen met meeldraden en staminodiën 2
2a. Bloemen met 4 kelkbladeren, 4 bloemkroonslippen, 4 meeldraden en 4
kleine staminodiën. Vruchtbeginsel behaard met een lange stijl. Boomen;
bloemen meest groepsgewijs staand Pouteria. J a n S n i j d e r .
2b. Kelk- en bloembladslippen meer dan 4 3
3a. Kroonslippen 6–8, ieder aan de rugzijde nog ongeveer even groote
slippen dragend, zoodat het aantal kroonslippen zeer groot schijnt te zijn.
Kelkbladeren 6 of 8; meeldraden en staminodiën 6 of 8. Vruchtbeginsel met
lange stijl Mimusops. B o l l e t r i e .
3b. Bloemkroon met 5 of 6 slippen, zonder slippen aan de rugzijde 4
Page 274
4a. Kelkbladeren 6, in twee rijen. Bloemkroon bekervormig met 6 lobben.
Meeldraden 6, staminodiën 6, even groot als de kroonslippen.
Vruchtbeginsel ongeveer 12-hokkig Achras. S a p o t i l l e .
4b. Kelkbladeren 5–6 in een rij, kroon 5–6-spletig. Meeldraden 5–6;
staminodiën 5–6, klein. Vruchtbeginsel 5–2-hokkig
Sideroxylon. R i e m h o u t .
240. Ebenaceae.
Bloemen 3 tot meertallig, meest éénslachtig, zelden tweeslachtig; kelk blijvend, na de bloei
vaak vergroot; bloemkroon vergroeidbladig meest met gedraaide knopligging; meeldraden
in de tweeslachtige of mannelijke bloemen evenveel als bloembladeren of dubbel zooveel
of meer; soms van onderen wat vergroeid; in de vrouwelijke bloemen meest staminodiën;
vruchtbeginsel bovenstandig, 2–16-hokkig met 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen vrij
of vergroeid; vrucht meest een bes met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide, zelden
tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.
Bloemen eenslachtig, tweehuizig. Kelk meest 4–5-lobbig; bloemkroon
klok- of buisvormig, 4–5-lobbig. Meeldraden in de ♂ bloemen zeer talrijk
(8–22) meest behaard met lange helmknoppen. In de ♀ bloem meest 4–8
staminodiën, soms ook geheel ontbrekend. Vruchtbeginsel gewoonlijk 8-,
maar ook 4–16-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Bloemen kort gesteeld
in kleine groepen in de bladoksels of uit het oude hout tevoorschijn komend
Diospyros.
241. Styracaceae.
Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, regelmatig met vergroeidbladige kelk en bloemkroon;
meeldraden tweemaal zooveel als bloemkroonslippen, alleen aan de basis, zelden geheel
vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, zelden halfonderstandig met één stijl, 3- tot 5-
hokkig; vrucht een steenvrucht of een doosvrucht of gesloten blijvend met 1 tot weinige
zaden; boomen met verspreide gaafrandige of gezaagde bladeren.
Kelk klokvormig, met 5 korte, soms onduidelijke tanden. Bloembladeren 5,
alleen aan de basis vergroeid, leerachtig, langwerpig. Meeldraden 10, alleen
Meeldraden 6, staminodiën 6, even groot als de kroonslippen.
Vruchtbeginsel ongeveer 12-hokkig Achras. S a p o t i l l e .
4b. Kelkbladeren 5–6 in een rij, kroon 5–6-spletig. Meeldraden 5–6;
staminodiën 5–6, klein. Vruchtbeginsel 5–2-hokkig
Sideroxylon. R i e m h o u t .
240. Ebenaceae.
Bloemen 3 tot meertallig, meest éénslachtig, zelden tweeslachtig; kelk blijvend, na de bloei
vaak vergroot; bloemkroon vergroeidbladig meest met gedraaide knopligging; meeldraden
in de tweeslachtige of mannelijke bloemen evenveel als bloembladeren of dubbel zooveel
of meer; soms van onderen wat vergroeid; in de vrouwelijke bloemen meest staminodiën;
vruchtbeginsel bovenstandig, 2–16-hokkig met 1–2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen vrij
of vergroeid; vrucht meest een bes met 1 tot weinige zaden; boomen met verspreide, zelden
tegenoverstaande bladeren zonder steunbladeren.
Bloemen eenslachtig, tweehuizig. Kelk meest 4–5-lobbig; bloemkroon
klok- of buisvormig, 4–5-lobbig. Meeldraden in de ♂ bloemen zeer talrijk
(8–22) meest behaard met lange helmknoppen. In de ♀ bloem meest 4–8
staminodiën, soms ook geheel ontbrekend. Vruchtbeginsel gewoonlijk 8-,
maar ook 4–16-hokkig met 1 zaadknop in elk hokje. Bloemen kort gesteeld
in kleine groepen in de bladoksels of uit het oude hout tevoorschijn komend
Diospyros.
241. Styracaceae.
Bloemen 5–4-tallig, tweeslachtig, regelmatig met vergroeidbladige kelk en bloemkroon;
meeldraden tweemaal zooveel als bloemkroonslippen, alleen aan de basis, zelden geheel
vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig, zelden halfonderstandig met één stijl, 3- tot 5-
hokkig; vrucht een steenvrucht of een doosvrucht of gesloten blijvend met 1 tot weinige
zaden; boomen met verspreide gaafrandige of gezaagde bladeren.
Kelk klokvormig, met 5 korte, soms onduidelijke tanden. Bloembladeren 5,
alleen aan de basis vergroeid, leerachtig, langwerpig. Meeldraden 10, alleen
Page 275
van onderen wat vergroeid. Vruchtbeginsel van onderen 3-hokkig, van
boven 1-hokkig met 3-lobbigen stempel en langen stijl. Boomen of heesters
Styrax.
242. Symplocaceae.
Bloemen meest 5-tallig, regelmatig, tweeslachtig met 5 kelkbladeren en
bijna steeds 5 bloembladeren, die soms alleen aan de basis, meestal echter
in een buis vergroeid zijn; soms zijn er 10 bloemkroonslippen; meeldraden
talrijk in meerdere kransen, vaak met verbreede helmdraden, eenigszins met
de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel onderstandig of
halfbovenstandig met één stijl, 2–5-hokkig met 2–4 zaadknoppen per hokje;
vrucht een steenvrucht. Eenig geslacht Symplocos.
Orde: Contortae.
243. Oleaceae.
Bloemen 2–6-tallig, meest vergroeidbladig, zelden losbladig of zonder bloemkroon,
regelmatig, twee- of éénslachtig; bloembladeren 4, 5 of 6; meeldraden 2, zelden 4, aan de
basis met de bloemkroon vergroeid met korte helmdraden en groote helmknoppen;
vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2, zelden 1 of meer zaadknoppen in ieder
hokje; houtige planten, soms klimmend met tegenoverstaande of kransstandige meest
enkelvoudige bladeren.
Heesters met tegenoverstaande bladeren. Bloemen 4–6-, zelden meer-tallig.
Zaadknoppen in ieder hokje 1–4, meest 2. Vrucht een bes, die aan den top
ingesneden is Jasminum.
245. Loganiaceae.
Bloemen meest 4- of 5-tallig, met vergroeidbladige bloemkroon; tweeslachtig of
éénslachtig, regelmatig; bloemkroonslippen 4–5 tot vele, in de knop met de randen tegen
elkaar of over elkaar liggend of gedraaid; bloemkroon meest trechtervormig tot
boven 1-hokkig met 3-lobbigen stempel en langen stijl. Boomen of heesters
Styrax.
242. Symplocaceae.
Bloemen meest 5-tallig, regelmatig, tweeslachtig met 5 kelkbladeren en
bijna steeds 5 bloembladeren, die soms alleen aan de basis, meestal echter
in een buis vergroeid zijn; soms zijn er 10 bloemkroonslippen; meeldraden
talrijk in meerdere kransen, vaak met verbreede helmdraden, eenigszins met
de bloembladeren vergroeid; vruchtbeginsel onderstandig of
halfbovenstandig met één stijl, 2–5-hokkig met 2–4 zaadknoppen per hokje;
vrucht een steenvrucht. Eenig geslacht Symplocos.
Orde: Contortae.
243. Oleaceae.
Bloemen 2–6-tallig, meest vergroeidbladig, zelden losbladig of zonder bloemkroon,
regelmatig, twee- of éénslachtig; bloembladeren 4, 5 of 6; meeldraden 2, zelden 4, aan de
basis met de bloemkroon vergroeid met korte helmdraden en groote helmknoppen;
vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2, zelden 1 of meer zaadknoppen in ieder
hokje; houtige planten, soms klimmend met tegenoverstaande of kransstandige meest
enkelvoudige bladeren.
Heesters met tegenoverstaande bladeren. Bloemen 4–6-, zelden meer-tallig.
Zaadknoppen in ieder hokje 1–4, meest 2. Vrucht een bes, die aan den top
ingesneden is Jasminum.
245. Loganiaceae.
Bloemen meest 4- of 5-tallig, met vergroeidbladige bloemkroon; tweeslachtig of
éénslachtig, regelmatig; bloemkroonslippen 4–5 tot vele, in de knop met de randen tegen
elkaar of over elkaar liggend of gedraaid; bloemkroon meest trechtervormig tot
Page 276
bekervormig; meeldraden evenveel als bloemkroonslippen, zelden maar één, met de buis
vergroeid; vruchtbeginsel 2-hokkig, zelden 3–5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen; stijl 1,
twee- tot vierspletig of stijlen 2; 2-kleppige doosvrucht of bes; meest houtige planten,
zelden kruiden met tegenoverstaande of kransstandige bladeren met of zonder
steunbladeren.
1a. Bovenste bladeren van den stengel in een krans van 4, hieruit komen de
lange trosvormige bloeiwijzen te voorschijn. Bloemen 5-tallig, bloemkroon
buisvormig; meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Vrucht een
doosvrucht. Kleine kruiden Spigelia.
1b. Bladen paarsgewijs tegenoverstaand 2
2a. Bladeren zeer groot, (meerdere decimeters lang). Kelk 4-tallig.
Bloemkroon met 8–10 lobben; meeldraden 8–10 zonder helmdraden.
Vruchtbeginsel 4- of 2-hokkig, stijl direct boven het vruchtbeginsel sterk
verdikt, verder dun. Kleine boompjes Potalia.
2b. Bladeren niet opvallend groot 3
3a. Bladeren aan de voet met 1 paar of 2 paar nerven, die in een boog
evenwijdig met de bladrand naar den top loopen. Heesters of boomen vaak
met korte haakvormige of opgerolde ranken Bloemkroon 4–5-tallig; vrucht
een bes Strychnos.
3b. Bloemen 4–5-tallig met korte kelk en lange, trechtervormige
bloemkroonbuis met korte lobben. Bladeren vinnervig. Heesters. Vrucht een
2-kleppige doosvrucht, aan den top ingesneden Mostuea.
246. Gentianaceae.
Bloemen meest 4–5-tallig, zelden 6–12-tallig, sympetaal, tweeslachtig, zelden éénslachtig,
regelmatig, zelden zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon in de knop meest
gedraaid; zelden de slippen met de randen tegen elkaar liggend; meeldraden evenveel als
bloemkroonslippen, zelden eenige ontbrekend, met de bloemkroon vergroeid,
vruchtbeginsel meest 1-hokkig, zelden 2-hokkig, met twee zaadlijsten met vele
vergroeid; vruchtbeginsel 2-hokkig, zelden 3–5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen; stijl 1,
twee- tot vierspletig of stijlen 2; 2-kleppige doosvrucht of bes; meest houtige planten,
zelden kruiden met tegenoverstaande of kransstandige bladeren met of zonder
steunbladeren.
1a. Bovenste bladeren van den stengel in een krans van 4, hieruit komen de
lange trosvormige bloeiwijzen te voorschijn. Bloemen 5-tallig, bloemkroon
buisvormig; meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Vrucht een
doosvrucht. Kleine kruiden Spigelia.
1b. Bladen paarsgewijs tegenoverstaand 2
2a. Bladeren zeer groot, (meerdere decimeters lang). Kelk 4-tallig.
Bloemkroon met 8–10 lobben; meeldraden 8–10 zonder helmdraden.
Vruchtbeginsel 4- of 2-hokkig, stijl direct boven het vruchtbeginsel sterk
verdikt, verder dun. Kleine boompjes Potalia.
2b. Bladeren niet opvallend groot 3
3a. Bladeren aan de voet met 1 paar of 2 paar nerven, die in een boog
evenwijdig met de bladrand naar den top loopen. Heesters of boomen vaak
met korte haakvormige of opgerolde ranken Bloemkroon 4–5-tallig; vrucht
een bes Strychnos.
3b. Bloemen 4–5-tallig met korte kelk en lange, trechtervormige
bloemkroonbuis met korte lobben. Bladeren vinnervig. Heesters. Vrucht een
2-kleppige doosvrucht, aan den top ingesneden Mostuea.
246. Gentianaceae.
Bloemen meest 4–5-tallig, zelden 6–12-tallig, sympetaal, tweeslachtig, zelden éénslachtig,
regelmatig, zelden zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid; bloemkroon in de knop meest
gedraaid; zelden de slippen met de randen tegen elkaar liggend; meeldraden evenveel als
bloemkroonslippen, zelden eenige ontbrekend, met de bloemkroon vergroeid,
vruchtbeginsel meest 1-hokkig, zelden 2-hokkig, met twee zaadlijsten met vele
Page 277
zaadknoppen; stijl enkelvoudig of tweespletig; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht;
kruiden, zelden heesters, meest kaal; bladeren meest tegenoverstaand, gaafrandig zonder
steunbladeren.
1a. Waterplanten. Bladeren aan den voet ingesneden, overigens bijna
cirkelrond, op het water drijvend. Bloemen in groepen schijnbaar uit de
bladsteel te voorschijn komend. Kelk met 5 smalle lobben. Bloemkroon met
zeer korte buis Limnanthemum.
1b. Landplanten 2
2a. Planten geheel kruidachtig en sappig, met kleine bladeren; zoowel
bladeren als stengels zonder bladgroen 3
2b. Planten vaak een weinig verhout, met groene bladeren en groene
stengel (ten minste het jongste deel van den stengel) 5
3a. Stengels kort, veelbloemig; wortelstok dik en knolvormig. Bloemen
groot met lange buis Voyria.
3b. Stengels verlengd, vertakt of onvertakt, soms met slechts 1 bloem,
soms met de bloemen in trossen of hoofdjes aan het eind. Wortelstok dun
4
4a. Bloemen zeer klein, buis van de bloemkroon niet veel langer dan
de kelk. Bloeiwijze zeer dicht gedrongen, veelbloemig aan het eind van den
stengel Voyriella.
4b. Bloeiwijze losser of bloemen alleenstaand aan het eind van den stengel.
Bloemkroonbuis veel langer dan de kelk Leiphaemos.
5a. Stempel bolvormig, niet gespleten. Kelk met 4–5 spitse tanden.
Kroonbuis naar boven weinig verwijd met korte lobben. Helmknoppen
eirond of langwerpig. Kruiden met zeer kleine tegenoverstaande bladeren,
en een rechtopstaande bloeiwijze, die naar boven zich regelmatig in de
bloeiwijze vertakt Curtia.
5b. Stempel 2-lobbig tot 2-spletig 6
kruiden, zelden heesters, meest kaal; bladeren meest tegenoverstaand, gaafrandig zonder
steunbladeren.
1a. Waterplanten. Bladeren aan den voet ingesneden, overigens bijna
cirkelrond, op het water drijvend. Bloemen in groepen schijnbaar uit de
bladsteel te voorschijn komend. Kelk met 5 smalle lobben. Bloemkroon met
zeer korte buis Limnanthemum.
1b. Landplanten 2
2a. Planten geheel kruidachtig en sappig, met kleine bladeren; zoowel
bladeren als stengels zonder bladgroen 3
2b. Planten vaak een weinig verhout, met groene bladeren en groene
stengel (ten minste het jongste deel van den stengel) 5
3a. Stengels kort, veelbloemig; wortelstok dik en knolvormig. Bloemen
groot met lange buis Voyria.
3b. Stengels verlengd, vertakt of onvertakt, soms met slechts 1 bloem,
soms met de bloemen in trossen of hoofdjes aan het eind. Wortelstok dun
4
4a. Bloemen zeer klein, buis van de bloemkroon niet veel langer dan
de kelk. Bloeiwijze zeer dicht gedrongen, veelbloemig aan het eind van den
stengel Voyriella.
4b. Bloeiwijze losser of bloemen alleenstaand aan het eind van den stengel.
Bloemkroonbuis veel langer dan de kelk Leiphaemos.
5a. Stempel bolvormig, niet gespleten. Kelk met 4–5 spitse tanden.
Kroonbuis naar boven weinig verwijd met korte lobben. Helmknoppen
eirond of langwerpig. Kruiden met zeer kleine tegenoverstaande bladeren,
en een rechtopstaande bloeiwijze, die naar boven zich regelmatig in de
bloeiwijze vertakt Curtia.
5b. Stempel 2-lobbig tot 2-spletig 6
Page 278
6a. Stempel met 2 draadvormige takken, die zich later ombuigen en
eenigszins oprollen. Kelk buisvormig met 4 tanden. Kroon na de bloei
blijvend, 4-tallig; meeldraden 4. Kleine kruiden met weinige bladparen
zonder bloemen; naar den top van den stengel worden de bladeren
geleidelijk kleiner en hebben daar ieder een bijna zittende bloem in de
bladoksel Neurotheca.
6b. Stempellobben niet draadvormig doch plat en min of meer eirond 7
7a. Bloeiende stengel onvertakt; naar boven de bloemen dragend, in de
oksels van kleine schutbladeren of de schutbladeren geheel verdwenen en
de bloemen in een lange aarvormige tros; in het eerste geval de bloemen
talrijk aan elke stengel. Kelk aan de basis met 3 kleine spitse blaadjes.
Helmknoppen pijlvormig aan den voet Coutoubea.
7b. Bloeistengel weinigbloemig en onvertakt of veelbloemig en vertakt
8
8a. Bladeren forsch en breed. Kelk 5–6-lobbig. Bloemkroon groot,
naar boven geleidelijk wijder wordend en in de slippen overgaand.
Meeldraden in het onderste deel van de buis ingehecht; helmdraden niet alle
even lang. Stijl draadvormig. Doosvrucht hangend. Bloeistengel naar boven
vertakt, vaak eerst in twee takken verdeeld, later nog meer gespleten
Chelonanthus.
8b. Bladeren klein en smal
9
9a. Kelkslippen 5, stomp, niet gekield. Kroon trechtervormig met 5
spitse slippen. Meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Kleine
kruiden met weinige bloemen Irlbachia.
9b. Bloemen meest 4-, soms ook 5-tallig. Kelkslippen spits; kelkbuis met
vleugels of kielen. Kroon trechtervormig, de buis boven het vruchtbeginsel
versmald, hoogerop weer verwijd. Helmknoppen stomp, helmdraden meest
aan de basis verbreed en getand. Weinige bloemen aan den stengel
Schultesia.
247. Apocynaceae.
eenigszins oprollen. Kelk buisvormig met 4 tanden. Kroon na de bloei
blijvend, 4-tallig; meeldraden 4. Kleine kruiden met weinige bladparen
zonder bloemen; naar den top van den stengel worden de bladeren
geleidelijk kleiner en hebben daar ieder een bijna zittende bloem in de
bladoksel Neurotheca.
6b. Stempellobben niet draadvormig doch plat en min of meer eirond 7
7a. Bloeiende stengel onvertakt; naar boven de bloemen dragend, in de
oksels van kleine schutbladeren of de schutbladeren geheel verdwenen en
de bloemen in een lange aarvormige tros; in het eerste geval de bloemen
talrijk aan elke stengel. Kelk aan de basis met 3 kleine spitse blaadjes.
Helmknoppen pijlvormig aan den voet Coutoubea.
7b. Bloeistengel weinigbloemig en onvertakt of veelbloemig en vertakt
8
8a. Bladeren forsch en breed. Kelk 5–6-lobbig. Bloemkroon groot,
naar boven geleidelijk wijder wordend en in de slippen overgaand.
Meeldraden in het onderste deel van de buis ingehecht; helmdraden niet alle
even lang. Stijl draadvormig. Doosvrucht hangend. Bloeistengel naar boven
vertakt, vaak eerst in twee takken verdeeld, later nog meer gespleten
Chelonanthus.
8b. Bladeren klein en smal
9
9a. Kelkslippen 5, stomp, niet gekield. Kroon trechtervormig met 5
spitse slippen. Meeldraden in het bovendeel van de buis ingehecht. Kleine
kruiden met weinige bloemen Irlbachia.
9b. Bloemen meest 4-, soms ook 5-tallig. Kelkslippen spits; kelkbuis met
vleugels of kielen. Kroon trechtervormig, de buis boven het vruchtbeginsel
versmald, hoogerop weer verwijd. Helmknoppen stomp, helmdraden meest
aan de basis verbreed en getand. Weinige bloemen aan den stengel
Schultesia.
247. Apocynaceae.
Page 279
Bloemen 5-, zelden 4-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kroonslippen in de knop
gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar; meeldraden in de kroonbuis ingehecht, met
lange en smalle of pijlvormige helmknoppen met omgebogen of spits helmbindsel;
vruchtbeginsels zelden meer dan 2, meest met vele zaadknoppen, van onderen vrij of tot
een 2- of 1-hokkig vruchtbeginsel vergroeid; en dan met 1 stijl, in het eerste geval de stijlen
van boven vergroeid met een dikke stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige
planten met enkelvoudige, meest tegenoverstaande bladeren; melksap aanwezig.
1a. Helmknoppen vrij of maar zeer los met de stempel samenhangend,
meest geheel met stuifmeel gevuld; zelden (alleen bij Tabernaemontana)
hebben de helmhokjes aan den voet een aanhangsel, dat geen stuifmeel
bevat. Zaden zonder haarpluis 2
1b. Helmknoppen vast met den stempel en in den regel ook onderling
verbonden; helmhokjes aan de basis met een verlenging, die geen stuifmeel
bevat, daardoor is de helmknop pijlvormig. Zaden (uitgezonderd Malouetia)
met haarpluis 10
2a. Vruchtbeginsels geheel met elkaar vergroeid; daardoor de stijlen tot aan
de basis aan elkaar vastzittend 3
2b. Vruchtbeginsels alleen aan den voet verbonden, daardoor de stijlen aan
de basis vrij van elkaar, naar boven met elkaar vergroeid 6
3a. Bloemen groot, geel; buis van onderen nauw, naar boven klokvormig
verwijd en in de slippen overgaand. Kelk vrij groot, diep 5-deelig. Lianen
met de bladeren vaak in kransen; vrucht een gestekelde met 2 kleppen
openspringende doosvrucht Allamanda. W i l k e n s - b i t a .
3b. Bloemkroonbuis niet of nauwelijks naar boven verwijd; bloemen klein
4
4a. Bloeiwijze aan het eind van den stengel, zeer lang en meest wat
windend, bezet met korte zijtakken, die aan hun eind de bloemen in dichte
hoofdjes dragen. Kelk klein. Helmknoppen spits; bloemkroonslippen smal.
Vrucht glad, bolvormig, groot met vele zaden, die in een moes zijn ingebed
Landolphia.
gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar; meeldraden in de kroonbuis ingehecht, met
lange en smalle of pijlvormige helmknoppen met omgebogen of spits helmbindsel;
vruchtbeginsels zelden meer dan 2, meest met vele zaadknoppen, van onderen vrij of tot
een 2- of 1-hokkig vruchtbeginsel vergroeid; en dan met 1 stijl, in het eerste geval de stijlen
van boven vergroeid met een dikke stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige
planten met enkelvoudige, meest tegenoverstaande bladeren; melksap aanwezig.
1a. Helmknoppen vrij of maar zeer los met de stempel samenhangend,
meest geheel met stuifmeel gevuld; zelden (alleen bij Tabernaemontana)
hebben de helmhokjes aan den voet een aanhangsel, dat geen stuifmeel
bevat. Zaden zonder haarpluis 2
1b. Helmknoppen vast met den stempel en in den regel ook onderling
verbonden; helmhokjes aan de basis met een verlenging, die geen stuifmeel
bevat, daardoor is de helmknop pijlvormig. Zaden (uitgezonderd Malouetia)
met haarpluis 10
2a. Vruchtbeginsels geheel met elkaar vergroeid; daardoor de stijlen tot aan
de basis aan elkaar vastzittend 3
2b. Vruchtbeginsels alleen aan den voet verbonden, daardoor de stijlen aan
de basis vrij van elkaar, naar boven met elkaar vergroeid 6
3a. Bloemen groot, geel; buis van onderen nauw, naar boven klokvormig
verwijd en in de slippen overgaand. Kelk vrij groot, diep 5-deelig. Lianen
met de bladeren vaak in kransen; vrucht een gestekelde met 2 kleppen
openspringende doosvrucht Allamanda. W i l k e n s - b i t a .
3b. Bloemkroonbuis niet of nauwelijks naar boven verwijd; bloemen klein
4
4a. Bloeiwijze aan het eind van den stengel, zeer lang en meest wat
windend, bezet met korte zijtakken, die aan hun eind de bloemen in dichte
hoofdjes dragen. Kelk klein. Helmknoppen spits; bloemkroonslippen smal.
Vrucht glad, bolvormig, groot met vele zaden, die in een moes zijn ingebed
Landolphia.
Page 280
4b. Bloemen in okselstandige of eindstandige bijschermen 5
5a. Buis van de bloemkroon aan de mond onbehaard. Meeldraden onder
het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Bes
langwerpig. Boomen Ambelania. B a t i - b a t i ; M a m p a .
5b. Buis van de bloemkroon aan den mond behaard. Meeldraden in het
midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 1-hokkig. Bes bolvormig of
wat langwerpig. Boomen Couma. P e r a .
6a. Bladeren in kransen van 3 (soms meer dan 3). Bloemkroon met
cylindervormige buis, op de aanhechtingsplaats der meeldraden wat verwijd
Rauwolfia.
6b. Bladeren dichtgedrongen aan den stengel, niet
tegenoverstaand 7
6c. Bladeren tegenoverstaand 8
7a. Bladeren zeer smal. Bloembuis van onderen nauw cylindervormig, naar
boven plotseling klokvormig verwijd, behaard, met 5 schubben, die boven
de meeldraden staan. Kleine boomen of heesters
Thevetia. J u r r i - j u r r i .
7b. Bladeren breed, hoofdnerf met
regelmatige, evenwijdige zijnerven. Bloemkroonbuis cylindrisch, dun;
meeldraden dicht bij de basis ingehecht. Vruchtbeginsels halfonderstandig.
Boomen met dikke takken Plumiera.
8a. Bloemen zeer klein, meest nog kleiner dan ½ c.M., met
cylindervormige bloemkroonbuis en zeer scheeve slippen. Heesters of
lianen met veelbloemige, sterk vertakte bloeiwijzen Condylocarpus.
8b. Bloemen grooter dan 1 c.M. 9
9a. Kleine rechtopstaande kruiden of nauwelijks verhoute planten met kort
gesteelde naar den voet versmalde bladeren die in hun oksels alleenstaande
bloemen dragen. Bloemkroonbuis nauw, helmknoppen langwerpig boven in
de buis ingehecht. Bloemen purper Lochnera.
5a. Buis van de bloemkroon aan de mond onbehaard. Meeldraden onder
het midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Bes
langwerpig. Boomen Ambelania. B a t i - b a t i ; M a m p a .
5b. Buis van de bloemkroon aan den mond behaard. Meeldraden in het
midden van de buis ingehecht. Vruchtbeginsel 1-hokkig. Bes bolvormig of
wat langwerpig. Boomen Couma. P e r a .
6a. Bladeren in kransen van 3 (soms meer dan 3). Bloemkroon met
cylindervormige buis, op de aanhechtingsplaats der meeldraden wat verwijd
Rauwolfia.
6b. Bladeren dichtgedrongen aan den stengel, niet
tegenoverstaand 7
6c. Bladeren tegenoverstaand 8
7a. Bladeren zeer smal. Bloembuis van onderen nauw cylindervormig, naar
boven plotseling klokvormig verwijd, behaard, met 5 schubben, die boven
de meeldraden staan. Kleine boomen of heesters
Thevetia. J u r r i - j u r r i .
7b. Bladeren breed, hoofdnerf met
regelmatige, evenwijdige zijnerven. Bloemkroonbuis cylindrisch, dun;
meeldraden dicht bij de basis ingehecht. Vruchtbeginsels halfonderstandig.
Boomen met dikke takken Plumiera.
8a. Bloemen zeer klein, meest nog kleiner dan ½ c.M., met
cylindervormige bloemkroonbuis en zeer scheeve slippen. Heesters of
lianen met veelbloemige, sterk vertakte bloeiwijzen Condylocarpus.
8b. Bloemen grooter dan 1 c.M. 9
9a. Kleine rechtopstaande kruiden of nauwelijks verhoute planten met kort
gesteelde naar den voet versmalde bladeren die in hun oksels alleenstaande
bloemen dragen. Bloemkroonbuis nauw, helmknoppen langwerpig boven in
de buis ingehecht. Bloemen purper Lochnera.
Page 281
9b. Boomen of heesters, met meest weinigbloemige en kleine bloeiwijzen.
Kelk met klieren; meeldraden onder, in het midden of boven in de buis
bevestigd; helmknoppen bijna steeds aan den voet pijlvormig, doch niet met
den stempel verbonden. Deelvruchten aan één zijde openspringend, glad of
met knobbels Tabernaemontana.
10a. Helmknoppen in een kegel verbonden; kegel in de bloemkroonbuis
ingesloten 11
10b. Kegel der helmknoppen buiten de bloemkroonbuis uitstekend 17
11a. Bloemkroonbuis naar boven maar weinig verwijd met schubben aan
den mond; helmknoppen zeer spits. Heesters met smalle leerachtige
bladeren in kransen van 3 Nerium.
11b. Bloemkroonbuis zonder schubben 12
12a. Bloemen hoogstens 1 c.M. groot met een nauwe cylindervormige buis,
die alleen op de inhechtingsplaats van de meeldraden wat verwijd is. Kelk
met 5 klieren aan de binnenzijde. Meeldraden op de halve hoogte van de
buis ingehecht. Vruchtbeginsel met een schotelvormige schijf om de basis.
Onder den stempel geen verdikte ring aanwezig. Bloemen in dichte, sterk
vertakte bloeiwijzen Secondatia.
12b. Bloemen grooter dan 1 c.M. Bloemkroonbuis in het bovendeel
duidelijk wijder dan het onderste deel 13
13a. Schijf uit 2 schubben bestaand die met de vruchtbeginsels afwisselen.
Kelk aan de binnenzijde met schubvormige klieren. Bloemkroonbuis van
onderen aan de binnenzijde dicht behaard. Meest kleine heesters, maar
weinig klimmend Dipladenia.
13b. Schijf uit 5 schubben bestaand of ringvormig 14
14a. Bloeiwijzen zeer sterk vertakt, met vele bloemen. Kelk diep gedeeld,
met vaak een weinig ongelijke slippen, die slechts weinig klieren aan de
binnenzijde hebben. Bloemkroon met dunne beneden- en verwijde
Kelk met klieren; meeldraden onder, in het midden of boven in de buis
bevestigd; helmknoppen bijna steeds aan den voet pijlvormig, doch niet met
den stempel verbonden. Deelvruchten aan één zijde openspringend, glad of
met knobbels Tabernaemontana.
10a. Helmknoppen in een kegel verbonden; kegel in de bloemkroonbuis
ingesloten 11
10b. Kegel der helmknoppen buiten de bloemkroonbuis uitstekend 17
11a. Bloemkroonbuis naar boven maar weinig verwijd met schubben aan
den mond; helmknoppen zeer spits. Heesters met smalle leerachtige
bladeren in kransen van 3 Nerium.
11b. Bloemkroonbuis zonder schubben 12
12a. Bloemen hoogstens 1 c.M. groot met een nauwe cylindervormige buis,
die alleen op de inhechtingsplaats van de meeldraden wat verwijd is. Kelk
met 5 klieren aan de binnenzijde. Meeldraden op de halve hoogte van de
buis ingehecht. Vruchtbeginsel met een schotelvormige schijf om de basis.
Onder den stempel geen verdikte ring aanwezig. Bloemen in dichte, sterk
vertakte bloeiwijzen Secondatia.
12b. Bloemen grooter dan 1 c.M. Bloemkroonbuis in het bovendeel
duidelijk wijder dan het onderste deel 13
13a. Schijf uit 2 schubben bestaand die met de vruchtbeginsels afwisselen.
Kelk aan de binnenzijde met schubvormige klieren. Bloemkroonbuis van
onderen aan de binnenzijde dicht behaard. Meest kleine heesters, maar
weinig klimmend Dipladenia.
13b. Schijf uit 5 schubben bestaand of ringvormig 14
14a. Bloeiwijzen zeer sterk vertakt, met vele bloemen. Kelk diep gedeeld,
met vaak een weinig ongelijke slippen, die slechts weinig klieren aan de
binnenzijde hebben. Bloemkroon met dunne beneden- en verwijde
Page 282
bovenbuis. Schijf schotelvormig of cylindervormig, aan den rand meest
gelobd Odontadenia.
14b. Bloeiwijzen òf geheel trosvormig, òf slechts enkele malen vertakt en
de uiterste takken trosvormig 15
15a. Bovenste helft van de bloemkroonbuis weinig wijder dan de onderste
helft, niet klokvormig, doch buisvormig, meest bij den mond weer wat
vernauwd. Kelk met vele klieren of met 5 schubben aan de binnenzijde.
Schijf 5-lobbig tot 5-deelig Echites.
15b. Bloemkroonbuis naar boven duidelijk klok- of trechtervormig verwijd
16
16a. Bladeren aan den voet sterk toegespitst, aan den top vaak min
of meer afgerond met een puntje. Bloemen in duidelijke trossen dus
alleenstaand in den oksel der schutbladeren. Kelk met weinig of zonder
klieren aan de binnenzijde Rhabdadenia.
16b. Bladeren aan de voet min of meer duidelijk hartvormig ingesneden,
nooit naar den voet versmald; aan den top geleidelijk smaller wordend.
Bloemen vaak 2 aan twee bij elkaar in den oksel van een schutblad; kelk
met vele klieren aan de binnenzijde Mandevilla.
17a. Bloemkroon met cylindervormige, bij de meeldraden wat verwijde
buis, aan den mond met een ring of met schubben. Kelkslippen breed, van
binnen met een schub. Schijf buisvormig, 5-lobbig. Planten kaal of dicht
behaard Prestonia.
17b. Bloemkroonbuis zonder schubben aan de mond, of met zeer kleine
schubben 18
18a. Bloemen zeer klein met uiterst korte buis. Bloeiwijze sterk vertakt,
veelbloemig. Lianen Forsteronia.
18b. Bloemen vrij groot met een goed ontwikkelde buis. Heesters, niet
klimmend 19
gelobd Odontadenia.
14b. Bloeiwijzen òf geheel trosvormig, òf slechts enkele malen vertakt en
de uiterste takken trosvormig 15
15a. Bovenste helft van de bloemkroonbuis weinig wijder dan de onderste
helft, niet klokvormig, doch buisvormig, meest bij den mond weer wat
vernauwd. Kelk met vele klieren of met 5 schubben aan de binnenzijde.
Schijf 5-lobbig tot 5-deelig Echites.
15b. Bloemkroonbuis naar boven duidelijk klok- of trechtervormig verwijd
16
16a. Bladeren aan den voet sterk toegespitst, aan den top vaak min
of meer afgerond met een puntje. Bloemen in duidelijke trossen dus
alleenstaand in den oksel der schutbladeren. Kelk met weinig of zonder
klieren aan de binnenzijde Rhabdadenia.
16b. Bladeren aan de voet min of meer duidelijk hartvormig ingesneden,
nooit naar den voet versmald; aan den top geleidelijk smaller wordend.
Bloemen vaak 2 aan twee bij elkaar in den oksel van een schutblad; kelk
met vele klieren aan de binnenzijde Mandevilla.
17a. Bloemkroon met cylindervormige, bij de meeldraden wat verwijde
buis, aan den mond met een ring of met schubben. Kelkslippen breed, van
binnen met een schub. Schijf buisvormig, 5-lobbig. Planten kaal of dicht
behaard Prestonia.
17b. Bloemkroonbuis zonder schubben aan de mond, of met zeer kleine
schubben 18
18a. Bloemen zeer klein met uiterst korte buis. Bloeiwijze sterk vertakt,
veelbloemig. Lianen Forsteronia.
18b. Bloemen vrij groot met een goed ontwikkelde buis. Heesters, niet
klimmend 19
Page 283
19a. Kelk klein, diep 5-deelig met stompe slippen. Schijf ring- of
schotelvormig, meest 5-lobbig. Vruchtbeginsel behaard. Bloemen
langgesteeld in schermvormige trossen. Zaden zonder haarpluis
Malouetia.
19b. Kelk met spitse, aan de rugzijde min of meer gekielde
slippen. Bloemkroon als de vorige. Schijf bekervormig, 5-lobbig. Zaden
geheel door een wollig omhulsel omgeven, overigens zonder haarpluis
Robbia.
248. Asclepiadaceae.
Bloemen 5-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren slechts weinig
vergroeid; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar liggend,
vaak met aanhangselen, die een bijkroon (corona) vormen; meeldraden vrij of vaker aan de
basis vergroeid, vaak met aanhangselen die eveneens een bijkroon vormen; stuifmeel meest
tot klompjes vereenigd, deze laatste door hoornachtige lichaampjes (translatoren) met den
stempelkop verbonden; vruchtbeginsels 2, gescheiden, alleen boven door den stempel
verbonden, met vele zaadknoppen; vrucht een dubbele kokervrucht, zaden met een
haarkuif; overblijvende kruiden of heesterachtige planten, vaak windend; bladeren
tegenoverstaand of in kransen; zelden verspreid zonder steunbladeren; melksap aanwezig.
1a. Planten kruidachtig of slechts weinig heesterachtig, niet klimmend
2
1b. Klimmende heesters of kruiden
3
2a. Bladeren smal, gesteeld. Bloemen oranje. Corona met 5
kapvormige slippen, uit welker midden een rechtopstaand, iets naar binnen
gebogen, hoornachtig aanhangsel te voorschijn komt Asclepias.
2b. Bladeren breed, zittend of bijna zittend. Bloemen van binnen grijs-
paars. Slippen van de corona kapvormig, zijdelings samengedrukt, aan de
basis met een spoor Calotropis.
3a. Bloemen zeer klein (slechts enkele millimeters) in verlengde en wijde
bloeiwijzen, nooit in schermen of schermvormige trossen 4
3b. Bloemen in korte, gedrongen trossen of in schermen, groot 5
schotelvormig, meest 5-lobbig. Vruchtbeginsel behaard. Bloemen
langgesteeld in schermvormige trossen. Zaden zonder haarpluis
Malouetia.
19b. Kelk met spitse, aan de rugzijde min of meer gekielde
slippen. Bloemkroon als de vorige. Schijf bekervormig, 5-lobbig. Zaden
geheel door een wollig omhulsel omgeven, overigens zonder haarpluis
Robbia.
248. Asclepiadaceae.
Bloemen 5-tallig, sympetaal, tweeslachtig, regelmatig; kelkbladeren slechts weinig
vergroeid; kroonslippen in de knop gedraaid, zelden met de randen tegen elkaar liggend,
vaak met aanhangselen, die een bijkroon (corona) vormen; meeldraden vrij of vaker aan de
basis vergroeid, vaak met aanhangselen die eveneens een bijkroon vormen; stuifmeel meest
tot klompjes vereenigd, deze laatste door hoornachtige lichaampjes (translatoren) met den
stempelkop verbonden; vruchtbeginsels 2, gescheiden, alleen boven door den stempel
verbonden, met vele zaadknoppen; vrucht een dubbele kokervrucht, zaden met een
haarkuif; overblijvende kruiden of heesterachtige planten, vaak windend; bladeren
tegenoverstaand of in kransen; zelden verspreid zonder steunbladeren; melksap aanwezig.
1a. Planten kruidachtig of slechts weinig heesterachtig, niet klimmend
2
1b. Klimmende heesters of kruiden
3
2a. Bladeren smal, gesteeld. Bloemen oranje. Corona met 5
kapvormige slippen, uit welker midden een rechtopstaand, iets naar binnen
gebogen, hoornachtig aanhangsel te voorschijn komt Asclepias.
2b. Bladeren breed, zittend of bijna zittend. Bloemen van binnen grijs-
paars. Slippen van de corona kapvormig, zijdelings samengedrukt, aan de
basis met een spoor Calotropis.
3a. Bloemen zeer klein (slechts enkele millimeters) in verlengde en wijde
bloeiwijzen, nooit in schermen of schermvormige trossen 4
3b. Bloemen in korte, gedrongen trossen of in schermen, groot 5
Page 284
4a. Kelkbladeren klein, meest stomp. Bloemkroon klokvormig tot
stervormig. Slippen van de corona 5, zeer smal. Corona enkelvoudig.
Stempel met vlakke top. Bladeren klein, gemakkelijk afvallend
Metastelma.
4b. Kelkbladeren spits. Bloemkroon klok- tot stervormig.
Corona dubbel, de buitenste 5-lobbig, de binnenste bekervormig. Stempel
van boven met een bult of een korte snavel Tassadia.
5a. Bloemkroon van onderen met een goed ontwikkelde cylindervormige
buis, die langer is dan de kelk. Corona uit 5 kleine blaadjes bestaande. Top
van den stempel kegelvormig Marsdenia.
5b. Buis aan den bloemkroon bijna onzichtbaar 6
6a. Bloemen in veelbloemige schermen 7
6b. Bloemen in meest korte, veel- of weinigbloemige trossen 8
7a. Bloemen groen. Plant behaard. Bloemkroon stervormig met dubbele
corona; buitenste corona vleezig, diep 5-deelig Fischeria.
7b. Bloemen wit of geelwit. Bladeren en stengel kaal. Buitenste corona
vliezig, onduidelijk gelobd Oxystelma. (Philibertia).
8a. Bloemen groen, vrij groot, stervormig, diep 5-deelig, in 3–4-bloemige
trossen; slippen van de corona hol, met elkaar verbonden. Bladeren met
hartvormige voet Gonolobus.
8b. Bloemen van buiten wit, van binnen paars met witte strepen.
Bloemkroon stervormig. Corona 5-lobbig, met priemvormige aanhangselen.
Bladeren dun, aan den top spits, aan de voet min of meer hartvormig
Roulinia.
8c. Bloemen geheel wit. Bloemkroon stervormig. Corona
enkelvoudig met kapvormige slippen, rechtopstaand. Plant kaal, bladeren
aan den voet hartvormig of afgerond Blepharodon.
Orde: Tubiflorae.
stervormig. Slippen van de corona 5, zeer smal. Corona enkelvoudig.
Stempel met vlakke top. Bladeren klein, gemakkelijk afvallend
Metastelma.
4b. Kelkbladeren spits. Bloemkroon klok- tot stervormig.
Corona dubbel, de buitenste 5-lobbig, de binnenste bekervormig. Stempel
van boven met een bult of een korte snavel Tassadia.
5a. Bloemkroon van onderen met een goed ontwikkelde cylindervormige
buis, die langer is dan de kelk. Corona uit 5 kleine blaadjes bestaande. Top
van den stempel kegelvormig Marsdenia.
5b. Buis aan den bloemkroon bijna onzichtbaar 6
6a. Bloemen in veelbloemige schermen 7
6b. Bloemen in meest korte, veel- of weinigbloemige trossen 8
7a. Bloemen groen. Plant behaard. Bloemkroon stervormig met dubbele
corona; buitenste corona vleezig, diep 5-deelig Fischeria.
7b. Bloemen wit of geelwit. Bladeren en stengel kaal. Buitenste corona
vliezig, onduidelijk gelobd Oxystelma. (Philibertia).
8a. Bloemen groen, vrij groot, stervormig, diep 5-deelig, in 3–4-bloemige
trossen; slippen van de corona hol, met elkaar verbonden. Bladeren met
hartvormige voet Gonolobus.
8b. Bloemen van buiten wit, van binnen paars met witte strepen.
Bloemkroon stervormig. Corona 5-lobbig, met priemvormige aanhangselen.
Bladeren dun, aan den top spits, aan de voet min of meer hartvormig
Roulinia.
8c. Bloemen geheel wit. Bloemkroon stervormig. Corona
enkelvoudig met kapvormige slippen, rechtopstaand. Plant kaal, bladeren
aan den voet hartvormig of afgerond Blepharodon.
Orde: Tubiflorae.
Page 285
249. Convolvulaceae.
Bloemen 5–4-tallig, meest regelmatig en tweeslachtig; bloemkroon vergroeidbladig, meest
in de knop geplooid; meeldraden aan de basis van de kroon ingehecht; vruchtbeginsel
bovenstandig, meest 2-, zelden 3–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of
2; vrucht een doosvrucht, zelden 4 deelvruchten; meest kruiden, vaak links windend,
zelden houtige planten, meest met groote bloemen; melksap vaak aanwezig.
1a. Parasieten zonder groene bladeren, met zeer dunne windende stengels.
Bloemen klein, meest 5-tallig in dichte groepen aan den stengel gezeten,
met een bekervormige bloemkroon Cuscuta.
1b. Planten met groene bladeren 2
2a. Kleine, niet windende kruiden met kleine (± 1 c.M. groote of kleinere)
eivormige of lancetvormige blaadjes, en zeer kleine (± ½ c.M.) bloemen,
die òf alleen staan in de oksel van de bladeren òf in weinigbloemige
bijschermen. Stijl met 2 draadvormige stempels; vruchtbeginsel kaal;
doosvrucht met 4 kleppen openspringend Evolvulus.
2b. Krachtige, meest klimmende kruiden of heesters met groote bladeren en
bloemen 3
3a. Lianen of heesters met eironde, leerachtige, kale bladeren en vrij groote
of groote bloemen in eindelingsche pluimen. Kroon van buiten behaard, aan
den rand weinig ingesneden, rose tot lila; de meeldraden niet buiten de
kroon uitstekend. Stijl lang met een bolvormige, onduidelijk 2-lobbige
stempel. Vrucht leerachtig of houtig, niet openspringend
Maripa. P a t a w a n a .
3b. Kruiden of kleine heesters, meest windend
met kruidachtige meest wat hartvormige of ingesneden of samengestelde
bladeren en openspringende dunwandige vruchten 4
4a. Stijlen 2 of een 2-spletige stijl met aan iedere tak een bolvormige
stempel. Kelkbladeren vliezig, kaal, de 2 buitenste veel grooter dan de 3
Bloemen 5–4-tallig, meest regelmatig en tweeslachtig; bloemkroon vergroeidbladig, meest
in de knop geplooid; meeldraden aan de basis van de kroon ingehecht; vruchtbeginsel
bovenstandig, meest 2-, zelden 3–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; stijlen 1 of
2; vrucht een doosvrucht, zelden 4 deelvruchten; meest kruiden, vaak links windend,
zelden houtige planten, meest met groote bloemen; melksap vaak aanwezig.
1a. Parasieten zonder groene bladeren, met zeer dunne windende stengels.
Bloemen klein, meest 5-tallig in dichte groepen aan den stengel gezeten,
met een bekervormige bloemkroon Cuscuta.
1b. Planten met groene bladeren 2
2a. Kleine, niet windende kruiden met kleine (± 1 c.M. groote of kleinere)
eivormige of lancetvormige blaadjes, en zeer kleine (± ½ c.M.) bloemen,
die òf alleen staan in de oksel van de bladeren òf in weinigbloemige
bijschermen. Stijl met 2 draadvormige stempels; vruchtbeginsel kaal;
doosvrucht met 4 kleppen openspringend Evolvulus.
2b. Krachtige, meest klimmende kruiden of heesters met groote bladeren en
bloemen 3
3a. Lianen of heesters met eironde, leerachtige, kale bladeren en vrij groote
of groote bloemen in eindelingsche pluimen. Kroon van buiten behaard, aan
den rand weinig ingesneden, rose tot lila; de meeldraden niet buiten de
kroon uitstekend. Stijl lang met een bolvormige, onduidelijk 2-lobbige
stempel. Vrucht leerachtig of houtig, niet openspringend
Maripa. P a t a w a n a .
3b. Kruiden of kleine heesters, meest windend
met kruidachtige meest wat hartvormige of ingesneden of samengestelde
bladeren en openspringende dunwandige vruchten 4
4a. Stijlen 2 of een 2-spletige stijl met aan iedere tak een bolvormige
stempel. Kelkbladeren vliezig, kaal, de 2 buitenste veel grooter dan de 3
Page 286
binnenste; bloemkroon van buiten behaard op 5 kale plekken na. Windende
heesters met groote elliptische bladeren en okselstandige bloeiwijzen
Prevostia.
4b. Slechts 1 stijl aanwezig met 2 stempels of met één
bolvormige of gelobde stempel 5
5a. De buitenste 3 kelkbladeren veel grooter dan de 2 binnenste, eirond,
langs den bloemsteel een weinig afloopend; bloemkroon wijd-buisvormig;
meest wit. Windende kruiden met aan den voet versmalde bladeren, aan den
bladtop een puntje Aniseia.
5b. Alle kelkbladeren ongeveer even groot 6
6a. Bloeiwijzen in de bladoksels op lange steelen staande, aan welks einde
de bloemen in dichte hoofdjes zitten, omgeven door talrijke schutbladeren.
Bloemen wit, blauw of rose, klein of vrij groot. Stijl aan den top met 2
duidelijk gescheiden eironde of langwerpige stempels. Vrucht met 8 of met
4 kleppen openspringend. Windende kruiden of heesters, meest
fluweelachtig behaard met niet-ingesneden bladeren Jacquemontia.
6b. Bloemen òf alleenstaand òf slechts weinige bijeen in de bladoksels of
indien meerdere bloemen in een schermvormige bloeiwijze zitten, dan zijn
er geen duidelijke bracteeën aanwezig. Stempel gaaf of 2-lobbig 7
7a. Vrucht met een deksel openspringend. Bloemen zeer groot, één of zeer
weinige in de bladoksels; kelkbladeren groot, eirond, min of meer
papierachtig; na de bloei vergroot; bloemkroon wijd-klokvormig, wit of
geelachtig; stempel 2-lobbig. Stengels, blad- en bloemsteelen meest
gevleugeld. Bladeren hartvormig, niet ingesneden Operculina.
7b. Vrucht met kleppen openspringend. Bladeren vaak (niet altijd) gelobd,
gedeeld of samengesteld. Stengels niet gevleugeld 8
8a. Stuifmeelkorrels glad. Bloemkroon met 5 donkere aderen, die met de
kelkbladeren afwisselen, zelden zonder aderen, (maar dan zijn de bladeren
niet gelobd of gedeeld of samengesteld). Bloemen okselstandig, met een
heesters met groote elliptische bladeren en okselstandige bloeiwijzen
Prevostia.
4b. Slechts 1 stijl aanwezig met 2 stempels of met één
bolvormige of gelobde stempel 5
5a. De buitenste 3 kelkbladeren veel grooter dan de 2 binnenste, eirond,
langs den bloemsteel een weinig afloopend; bloemkroon wijd-buisvormig;
meest wit. Windende kruiden met aan den voet versmalde bladeren, aan den
bladtop een puntje Aniseia.
5b. Alle kelkbladeren ongeveer even groot 6
6a. Bloeiwijzen in de bladoksels op lange steelen staande, aan welks einde
de bloemen in dichte hoofdjes zitten, omgeven door talrijke schutbladeren.
Bloemen wit, blauw of rose, klein of vrij groot. Stijl aan den top met 2
duidelijk gescheiden eironde of langwerpige stempels. Vrucht met 8 of met
4 kleppen openspringend. Windende kruiden of heesters, meest
fluweelachtig behaard met niet-ingesneden bladeren Jacquemontia.
6b. Bloemen òf alleenstaand òf slechts weinige bijeen in de bladoksels of
indien meerdere bloemen in een schermvormige bloeiwijze zitten, dan zijn
er geen duidelijke bracteeën aanwezig. Stempel gaaf of 2-lobbig 7
7a. Vrucht met een deksel openspringend. Bloemen zeer groot, één of zeer
weinige in de bladoksels; kelkbladeren groot, eirond, min of meer
papierachtig; na de bloei vergroot; bloemkroon wijd-klokvormig, wit of
geelachtig; stempel 2-lobbig. Stengels, blad- en bloemsteelen meest
gevleugeld. Bladeren hartvormig, niet ingesneden Operculina.
7b. Vrucht met kleppen openspringend. Bladeren vaak (niet altijd) gelobd,
gedeeld of samengesteld. Stengels niet gevleugeld 8
8a. Stuifmeelkorrels glad. Bloemkroon met 5 donkere aderen, die met de
kelkbladeren afwisselen, zelden zonder aderen, (maar dan zijn de bladeren
niet gelobd of gedeeld of samengesteld). Bloemen okselstandig, met een
Page 287
lange steel, alleenstaand of in weinig- of veelbloemige bijschermen.
Bloemen wit of geel. Meest windende planten
Merremia. (Ipomoea, Pharbitis).
8b. Stuifmeelkorrels met stekels
bezet. Bloemkroon zonder donkere aderen. Bloemen zelden wit, meest
paars of rose of rood. Overigens als de vorige
Ipomoea. (Calonyction, Quamoclit, Pharbitis).
251. Hydrophyllaceae.
Bloemen meest 5-tallig tweeslachtig regelmatig, sympetaal, slippen in de knop meest met
de randen tegen elkaar liggend, zelden gedraaid; meeldraden 5, zelden 4 of meer dan 5;
vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot talrijke zaadknoppen in ieder hokje; stijlen
1 of 2; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden met verspreide, zelden
tegenoverstaande bladeren.
Kelk diep ingesneden met 5 spitse slippen. Bloemkroon met korte buis,
blauw. Meeldraden onder in de buis ingehecht. Helmknoppen pijlvormig.
Vruchtbeginsel met 2, zelden met 3 stijlen. Doosvrucht dunwandig.
Bloeiwijze een losse pluim. Bladeren verspreid; plant klierachtig behaard,
meestal met dorens Hydrolea. S w i e t i e - w a t r a - k r a r o e n .
252. Borraginaceae.
Bloemen 5-, zelden 6-veeltallig, meest 2-slachtig, regelmatig, soms zygomorf, sympetaal,
slippen in de knop met de randen over elkaar liggend, al of niet gedraaid; vaak met
schubben van binnen; vruchtbeginsel 2-hokkig, met 2 zaadknoppen in ieder hokje, soms 4-
hokkig, ongedeeld of 4-deelig; stijl 1, enkelvoudig of 2-deelig, of elke tak nog eens
gedeeld; vrucht een steenvrucht of in 4 nootjes uiteenvallend; kruiden of houtige planten,
vaak ruwhaarig of borstelig, zelden met tegenoverstaande, meest met verspreide,
enkelvoudige bladeren, bloeiwijzen sikkelvormig.
1a. Stijl van boven gespleten, elke tak nog eenmaal gespleten, zoodat er in
het geheel 4 stempels zijn, kelk buis- of klokvormig, 3–5-tandig.
Bloemkroon trechter-, klok- of schotelvormig, meest 5-tallig. Meeldraden 5,
Bloemen wit of geel. Meest windende planten
Merremia. (Ipomoea, Pharbitis).
8b. Stuifmeelkorrels met stekels
bezet. Bloemkroon zonder donkere aderen. Bloemen zelden wit, meest
paars of rose of rood. Overigens als de vorige
Ipomoea. (Calonyction, Quamoclit, Pharbitis).
251. Hydrophyllaceae.
Bloemen meest 5-tallig tweeslachtig regelmatig, sympetaal, slippen in de knop meest met
de randen tegen elkaar liggend, zelden gedraaid; meeldraden 5, zelden 4 of meer dan 5;
vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot talrijke zaadknoppen in ieder hokje; stijlen
1 of 2; vrucht meest een 2-kleppige doosvrucht; kruiden met verspreide, zelden
tegenoverstaande bladeren.
Kelk diep ingesneden met 5 spitse slippen. Bloemkroon met korte buis,
blauw. Meeldraden onder in de buis ingehecht. Helmknoppen pijlvormig.
Vruchtbeginsel met 2, zelden met 3 stijlen. Doosvrucht dunwandig.
Bloeiwijze een losse pluim. Bladeren verspreid; plant klierachtig behaard,
meestal met dorens Hydrolea. S w i e t i e - w a t r a - k r a r o e n .
252. Borraginaceae.
Bloemen 5-, zelden 6-veeltallig, meest 2-slachtig, regelmatig, soms zygomorf, sympetaal,
slippen in de knop met de randen over elkaar liggend, al of niet gedraaid; vaak met
schubben van binnen; vruchtbeginsel 2-hokkig, met 2 zaadknoppen in ieder hokje, soms 4-
hokkig, ongedeeld of 4-deelig; stijl 1, enkelvoudig of 2-deelig, of elke tak nog eens
gedeeld; vrucht een steenvrucht of in 4 nootjes uiteenvallend; kruiden of houtige planten,
vaak ruwhaarig of borstelig, zelden met tegenoverstaande, meest met verspreide,
enkelvoudige bladeren, bloeiwijzen sikkelvormig.
1a. Stijl van boven gespleten, elke tak nog eenmaal gespleten, zoodat er in
het geheel 4 stempels zijn, kelk buis- of klokvormig, 3–5-tandig.
Bloemkroon trechter-, klok- of schotelvormig, meest 5-tallig. Meeldraden 5,
Page 288
in de buis ingehecht. Vrucht een steenvrucht, die door de kelk ten deel
wordt omhuld, en 1 pit heeft, die 4–1 zaden bevat. Boomen of heesters
Cordia.
1b. Stijl van boven niet gedeeld, doch een tweelobbige
stempel met een behaarde verdikte ring eronder 2
2a. Vrucht een steenvrucht, besachtig of tamelijk droog met 2 of 4 pitten.
Kelk 5-deelig met smalle slippen. Bloemkroonslippen aan den top niet naar
binnen gebogen. Meeldraden niet uit de buis uitstekend. Heesters, zelden
boomen Tournefortia.
2b. Vrucht in 4 nootjes uiteenvallend of eerst in tweeën gedeeld, en daarna
ieder stuk in twee nootjes uiteenvallend. Kelk en bloemen als de vorige,
doch bloemkroonslippen meest met naar binnen gebogen top. Meest
kruiden, zelden een weinig heesterachtig Heliotropium.
253. Verbenaceae.
Bloemen 5–4-, zelden 6–8-tallig, meest tweeslachtig, zelden regelmatig, bijna steeds
zygomorf; kelkbladeren vergroeid; kroon vergroeidbladig met vaak lange soms gekromde
buis en vaak 2-lippige zoom; meeldraden meest 4, tweemachtig, of 2 en 2–3 staminodiën,
vruchtbeginsel 2-, zelden 4–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje, meest door
vorming van een valsch tusschenschot 4-hokkig; 1 stijl; vrucht meest een 2–4-hokkige
steenvrucht, soms een splitvrucht; kruiden of houtige planten met meest tegenoverstaande
of kransstandige, zelden verspreide bladeren, die enkelvoudig of samengesteld zijn.
1a. Heesters of boomen met handvormig samengestelde tegenoverstaande
bladeren. Kelk 5-tandig tot 5-spletig. Bloemkroon vrij klein met rechte of
gekromde buis en uitgebreide scheeve, 5-lobbige zoom. Meeldraden 2-
machtig. Stijl met 2-spletige stempel Vitex.
1b. Bladeren enkelvoudig, ongedeeld 2
2a. Bloemen in bijschermen, d. w. z. de hoofdas van de bloeiwijze vertakt
zich herhaaldelijk en ten slotte eindigt elk takje in een bloem; soms ook is
het bijscherm tot een enkele okselstandige bloem verkort 3
wordt omhuld, en 1 pit heeft, die 4–1 zaden bevat. Boomen of heesters
Cordia.
1b. Stijl van boven niet gedeeld, doch een tweelobbige
stempel met een behaarde verdikte ring eronder 2
2a. Vrucht een steenvrucht, besachtig of tamelijk droog met 2 of 4 pitten.
Kelk 5-deelig met smalle slippen. Bloemkroonslippen aan den top niet naar
binnen gebogen. Meeldraden niet uit de buis uitstekend. Heesters, zelden
boomen Tournefortia.
2b. Vrucht in 4 nootjes uiteenvallend of eerst in tweeën gedeeld, en daarna
ieder stuk in twee nootjes uiteenvallend. Kelk en bloemen als de vorige,
doch bloemkroonslippen meest met naar binnen gebogen top. Meest
kruiden, zelden een weinig heesterachtig Heliotropium.
253. Verbenaceae.
Bloemen 5–4-, zelden 6–8-tallig, meest tweeslachtig, zelden regelmatig, bijna steeds
zygomorf; kelkbladeren vergroeid; kroon vergroeidbladig met vaak lange soms gekromde
buis en vaak 2-lippige zoom; meeldraden meest 4, tweemachtig, of 2 en 2–3 staminodiën,
vruchtbeginsel 2-, zelden 4–5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje, meest door
vorming van een valsch tusschenschot 4-hokkig; 1 stijl; vrucht meest een 2–4-hokkige
steenvrucht, soms een splitvrucht; kruiden of houtige planten met meest tegenoverstaande
of kransstandige, zelden verspreide bladeren, die enkelvoudig of samengesteld zijn.
1a. Heesters of boomen met handvormig samengestelde tegenoverstaande
bladeren. Kelk 5-tandig tot 5-spletig. Bloemkroon vrij klein met rechte of
gekromde buis en uitgebreide scheeve, 5-lobbige zoom. Meeldraden 2-
machtig. Stijl met 2-spletige stempel Vitex.
1b. Bladeren enkelvoudig, ongedeeld 2
2a. Bloemen in bijschermen, d. w. z. de hoofdas van de bloeiwijze vertakt
zich herhaaldelijk en ten slotte eindigt elk takje in een bloem; soms ook is
het bijscherm tot een enkele okselstandige bloem verkort 3
Page 289
2b. Bloemen in aren of trossen, dus de hoofdas van de bloeiwijze is
onvertakt 4
3a. Boomen, die in de mangrove voorkomen. Bloemkroon bijna regelmatig
4-spletig met ronde slippen. Eindtakken der bloeiwijze in hoofdjes van
zittende bloemen eindigend Avicennia. P a r w a .
3b. Bloemkroon met een vaak zeer lange buis en 5-lobbige zoom; lobben
bijna gelijk of ongelijk. Meeldraden meest buiten de buis uitstekend.
Bloemen soms alleenstaand in de bladoksels. Heesters of boomen, met of
zonder dorens Clerodendron.
3c. Bloemen in eindelingsche of okselstandige veelbloemige pluimen,
meest 4-tallig met regelmatige en korte bloemkroon. Meeldraden boven in
de bloemkroonbuis ingehecht. Vrucht een bes, in de vergroote kelk zittend.
Heesters of boomen Aegiphila.
4a. Rechtopstaande, onvertakte kleine (± ½ meter) heesters met een
eindelingsche bloemtros; bloemen geel in den oksel staande van groote
roode schutbladeren. Kelk breed klokvormig; bloemkroon met een lange
buis, onduidelijk 2-lippig. Vrucht een bes. Bladeren lang en smal
Amasonia.
4b. Geen opvallend gekleurde schutbladeren aanwezig
5
5a. Bloemen dichtgedrongen in okselstandige bolvormige of een
weinig verlengde hoofdjes 6
5b. Bloemen in losse of lange aren of trossen 7
6a. Kelk ongetand of met zeer kleine tanden. Zoom van de bloemkroon
onduidelijk 2-lippig, 4–5-spletig. Heesters of kruiden. Bladeren
tegenoverstaand of in 3-tallige kransen, meest ruw, doch niet viltig
Lantana. K o o r s o e - w i w i r i e .
6b. Kelk met een 2-ribbige of 2-
vleugelige buis, 2–4-spletig of 4-tandig. Bloemkroon 4-lobbig met kleine
zoom. Bladeren viltig behaard, meest ook ruw Lippia.
onvertakt 4
3a. Boomen, die in de mangrove voorkomen. Bloemkroon bijna regelmatig
4-spletig met ronde slippen. Eindtakken der bloeiwijze in hoofdjes van
zittende bloemen eindigend Avicennia. P a r w a .
3b. Bloemkroon met een vaak zeer lange buis en 5-lobbige zoom; lobben
bijna gelijk of ongelijk. Meeldraden meest buiten de buis uitstekend.
Bloemen soms alleenstaand in de bladoksels. Heesters of boomen, met of
zonder dorens Clerodendron.
3c. Bloemen in eindelingsche of okselstandige veelbloemige pluimen,
meest 4-tallig met regelmatige en korte bloemkroon. Meeldraden boven in
de bloemkroonbuis ingehecht. Vrucht een bes, in de vergroote kelk zittend.
Heesters of boomen Aegiphila.
4a. Rechtopstaande, onvertakte kleine (± ½ meter) heesters met een
eindelingsche bloemtros; bloemen geel in den oksel staande van groote
roode schutbladeren. Kelk breed klokvormig; bloemkroon met een lange
buis, onduidelijk 2-lippig. Vrucht een bes. Bladeren lang en smal
Amasonia.
4b. Geen opvallend gekleurde schutbladeren aanwezig
5
5a. Bloemen dichtgedrongen in okselstandige bolvormige of een
weinig verlengde hoofdjes 6
5b. Bloemen in losse of lange aren of trossen 7
6a. Kelk ongetand of met zeer kleine tanden. Zoom van de bloemkroon
onduidelijk 2-lippig, 4–5-spletig. Heesters of kruiden. Bladeren
tegenoverstaand of in 3-tallige kransen, meest ruw, doch niet viltig
Lantana. K o o r s o e - w i w i r i e .
6b. Kelk met een 2-ribbige of 2-
vleugelige buis, 2–4-spletig of 4-tandig. Bloemkroon 4-lobbig met kleine
zoom. Bladeren viltig behaard, meest ook ruw Lippia.
Page 290
7a. Bloemen zittend in eindelingsche dunne en lange aren in de oksel van
kleine schubvormige schutbladeren; as van de aar vaak met holten, waarin
de vrucht ten deele opgesloten is, en welke holte van buiten door het
schutblad is afgesloten. Kelkbuis lang en dun, 5-tandig. Bloemkroon met
lange dunne buis, met 2 meeldraden en 2 kleine staminodiën. Planten niet
klimmend. Bladeren grof getand Stachytarpheta.
7b. Bloemen in ijle trossen 8
8a. Lianen met zeer ruwe bladeren. Bloemen blauw of paars in
okselstandige trossen; kelk opvallend groot met korte buis en 5 breede
slippen, die meest langer zijn dan de bloemkroon en evenzoo gekleurd; kelk
na het bloeien vergroot, vliezig wordend en netvormig geaderd
Petraea.
8b. Kelkslippen niet opvallend groot en gekleurd
9
9a. Boomen; kelk buis-klokvormig met korte tanden; bloemkroon
met uitgebreide 5-spletige zoom. Bloemen in eindelingsche trossen, wit.
Vrucht een bes, van onderen door de kelk omsloten Citharexylum.
9b. Heesters of kruiden 10
10a. Kelk klokvormig met 5 ribben, die ieder in een tand eindigen.
Bloemkroon met cylindervormige, naar boven verwijde buis en scheeve 5-
lobbige zoom. Meeldraden ter halver hoogte in de buis ingehecht. Vertakte
heesters met okselstandige weinig-bloemige trossen. Bladeren klein
Tamonea.
10b. Kelk buisvormig, na de bloei verwijd, de vrucht geheel
insluitend en aan den mond vernauwd. Zoom van de bloemkroon scheef, 5-
lobbig. Vrucht uiteenvallend in 2 borstelige steenen. Bloemen in losse eind-
of okselstandige aren. Bladeren vrij groot, gezaagd Priva.
254. Labiatae.
Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, sympetaal, zygomorf; kelk vergroeidbladig;
bloemkroon buisvormig met een 2-lippige zoom; meeldraden 4, tweemachtig of 2 en 2
kleine schubvormige schutbladeren; as van de aar vaak met holten, waarin
de vrucht ten deele opgesloten is, en welke holte van buiten door het
schutblad is afgesloten. Kelkbuis lang en dun, 5-tandig. Bloemkroon met
lange dunne buis, met 2 meeldraden en 2 kleine staminodiën. Planten niet
klimmend. Bladeren grof getand Stachytarpheta.
7b. Bloemen in ijle trossen 8
8a. Lianen met zeer ruwe bladeren. Bloemen blauw of paars in
okselstandige trossen; kelk opvallend groot met korte buis en 5 breede
slippen, die meest langer zijn dan de bloemkroon en evenzoo gekleurd; kelk
na het bloeien vergroot, vliezig wordend en netvormig geaderd
Petraea.
8b. Kelkslippen niet opvallend groot en gekleurd
9
9a. Boomen; kelk buis-klokvormig met korte tanden; bloemkroon
met uitgebreide 5-spletige zoom. Bloemen in eindelingsche trossen, wit.
Vrucht een bes, van onderen door de kelk omsloten Citharexylum.
9b. Heesters of kruiden 10
10a. Kelk klokvormig met 5 ribben, die ieder in een tand eindigen.
Bloemkroon met cylindervormige, naar boven verwijde buis en scheeve 5-
lobbige zoom. Meeldraden ter halver hoogte in de buis ingehecht. Vertakte
heesters met okselstandige weinig-bloemige trossen. Bladeren klein
Tamonea.
10b. Kelk buisvormig, na de bloei verwijd, de vrucht geheel
insluitend en aan den mond vernauwd. Zoom van de bloemkroon scheef, 5-
lobbig. Vrucht uiteenvallend in 2 borstelige steenen. Bloemen in losse eind-
of okselstandige aren. Bladeren vrij groot, gezaagd Priva.
254. Labiatae.
Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, sympetaal, zygomorf; kelk vergroeidbladig;
bloemkroon buisvormig met een 2-lippige zoom; meeldraden 4, tweemachtig of 2 en 2
Page 291
staminodiën, zelden nog een vijfde staminodiale meeldraad aanwezig; vruchtbeginsel
bovenstandig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht in 4 1-zadige
deelvruchten gedeeld en als zoodanig uiteenvallend; stijl 1; kruiden of heesters met
tegenoverstaande of kransstandige bladeren; bloemen meest in korte bloeiwijzen in de
bladoksels, schijnkransen vormend.
1a. Bladeren sterk handvormig gespleten tot gedeeld; de slippen ook wat
ingesneden. Bloemen rose tot purper in schijnkransen in de bladoksels
Leonurus.
1b. Bladeren enkelvoudig, ongedeeld
2
2a. Bloemen dicht met oranje-roode haren bezet, in groot bolvormige
schijnkransen rondom den stengel, bladeren onder de bloeiwijzen klein,
stengelbladeren groot en breed, gekarteld Leonotis.
2b. Bloemen en bloeiwijzen anders gevormd 3
3a. Bloemen in gesteelde hoofdjes, die aan de basis eenige kleine blaadjes
dragen 4
3b. Bloemen in schijnkransen van 6–10 bloemen rondom den stengel;
schijnkransen dicht bij elkaar zittend, zoodat de geheele bloeiwijze den
indruk maakt van een eindelingsche tros. Kelk 2-lippig, de bovenlip groot
en eirond. Bloemen rose Ocimum. S m e r i e - w i w i r i e .
4a. Kelk, vooral nà den bloei, klokvormig met 3-kantige slippen. Nootjes
aan de rugzijde kielvormig, op de buikzijde voorzien van vliezige getande,
naar binnen gebogen randen. Hoofdjes gesteeld in de bladoksels. Planten
behaard Marsypianthes.
4b. Kelk buisvormig met draadvormige slippen. Nootjes bolrond of eirond.
Bloemen in gesteelde hoofdjes in de bladoksels, soms ook zijn de bladeren,
die de hoofdjes in de oksels hebben, zeer klein, en dan zijn de hoofdjes tot
een groote pluim- of aarvormige bloeiwijze samengesteld Hyptis.
256. Solanaceae.
bovenstandig, 2-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje; vrucht in 4 1-zadige
deelvruchten gedeeld en als zoodanig uiteenvallend; stijl 1; kruiden of heesters met
tegenoverstaande of kransstandige bladeren; bloemen meest in korte bloeiwijzen in de
bladoksels, schijnkransen vormend.
1a. Bladeren sterk handvormig gespleten tot gedeeld; de slippen ook wat
ingesneden. Bloemen rose tot purper in schijnkransen in de bladoksels
Leonurus.
1b. Bladeren enkelvoudig, ongedeeld
2
2a. Bloemen dicht met oranje-roode haren bezet, in groot bolvormige
schijnkransen rondom den stengel, bladeren onder de bloeiwijzen klein,
stengelbladeren groot en breed, gekarteld Leonotis.
2b. Bloemen en bloeiwijzen anders gevormd 3
3a. Bloemen in gesteelde hoofdjes, die aan de basis eenige kleine blaadjes
dragen 4
3b. Bloemen in schijnkransen van 6–10 bloemen rondom den stengel;
schijnkransen dicht bij elkaar zittend, zoodat de geheele bloeiwijze den
indruk maakt van een eindelingsche tros. Kelk 2-lippig, de bovenlip groot
en eirond. Bloemen rose Ocimum. S m e r i e - w i w i r i e .
4a. Kelk, vooral nà den bloei, klokvormig met 3-kantige slippen. Nootjes
aan de rugzijde kielvormig, op de buikzijde voorzien van vliezige getande,
naar binnen gebogen randen. Hoofdjes gesteeld in de bladoksels. Planten
behaard Marsypianthes.
4b. Kelk buisvormig met draadvormige slippen. Nootjes bolrond of eirond.
Bloemen in gesteelde hoofdjes in de bladoksels, soms ook zijn de bladeren,
die de hoofdjes in de oksels hebben, zeer klein, en dan zijn de hoofdjes tot
een groote pluim- of aarvormige bloeiwijze samengesteld Hyptis.
256. Solanaceae.
Page 292
Bloemen meest 5-tallig, tweeslachtig, regelmatig of zelden zygomorf; sympetaal; kroon in
de knop meest geplooid; meeldraden 5, in de zygomorfe bloemen meest 4, soms met 1
staminodium; vruchtbeginsel 2-hokkig, bovenstandig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder
hokje, zelden 3–5-hokkig; stijl 1 met een 2-lobbige of 2-deelige stempel; vrucht een bes of
een doosvrucht; kruiden of heesters met verspreide bladeren.
1a. Bloemen regelmatig, met goed ontwikkelde meeldraden, evenveel als
bloemkroonslippen 2
1b. Bloemen met slechts 4 meeldraden, waarvan er soms 2 niet geheel
ontwikkeld zijn 7
2a. Bloemkroon niet buisvormig, uitgespreid, of indien er een duidelijke
buis is, dan is de zoom breed en zijn de vruchten bessen 3
2b. Bloemkroon met een lange buis en een in verhouding korte zoom 5
3a. Helmknoppen tot een buis samenkomend of vrij, in het laatste geval
steeds met poriën aan den top openspringend. Helmdraden zeer kort, aan de
basis van de zeer korte bloemkroonbuis verbonden. Kelk 5–10-tandig of -
deelig, bij het rijp worden der vruchten niet of weinig vergroot. Vrucht een
bes Solanum.
3b. Helmknoppen altijd vrij van elkaar en met overlangsche spleten
openspringend 4
4a. Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Kelk klokvormig, 5-lobbig, bij
het rijpworden der bes zeer sterk vergroot, opgeblazen en de bolvormige
bes omhullend Physalis.
4b. Kelk wijd-klokvormig, ongetand of met 5 kleine tanden, bij het
rijpworden van de vrucht weinig vergroot. Helmdraden langer dan de
helmknoppen. Bes rood, meest verlengd Capsicum.
5a. Boomen of heesters, soms klimmend. Vrucht een bes 6
de knop meest geplooid; meeldraden 5, in de zygomorfe bloemen meest 4, soms met 1
staminodium; vruchtbeginsel 2-hokkig, bovenstandig met 1 tot vele zaadknoppen in ieder
hokje, zelden 3–5-hokkig; stijl 1 met een 2-lobbige of 2-deelige stempel; vrucht een bes of
een doosvrucht; kruiden of heesters met verspreide bladeren.
1a. Bloemen regelmatig, met goed ontwikkelde meeldraden, evenveel als
bloemkroonslippen 2
1b. Bloemen met slechts 4 meeldraden, waarvan er soms 2 niet geheel
ontwikkeld zijn 7
2a. Bloemkroon niet buisvormig, uitgespreid, of indien er een duidelijke
buis is, dan is de zoom breed en zijn de vruchten bessen 3
2b. Bloemkroon met een lange buis en een in verhouding korte zoom 5
3a. Helmknoppen tot een buis samenkomend of vrij, in het laatste geval
steeds met poriën aan den top openspringend. Helmdraden zeer kort, aan de
basis van de zeer korte bloemkroonbuis verbonden. Kelk 5–10-tandig of -
deelig, bij het rijp worden der vruchten niet of weinig vergroot. Vrucht een
bes Solanum.
3b. Helmknoppen altijd vrij van elkaar en met overlangsche spleten
openspringend 4
4a. Bloemen alleenstaand in de bladoksels. Kelk klokvormig, 5-lobbig, bij
het rijpworden der bes zeer sterk vergroot, opgeblazen en de bolvormige
bes omhullend Physalis.
4b. Kelk wijd-klokvormig, ongetand of met 5 kleine tanden, bij het
rijpworden van de vrucht weinig vergroot. Helmdraden langer dan de
helmknoppen. Bes rood, meest verlengd Capsicum.
5a. Boomen of heesters, soms klimmend. Vrucht een bes 6
Page 293
5b. Kruidachtige planten. Vrucht een 2-kleppige doosvrucht. Kelk buis-
klokvormig 5-lobbig. Bloemkroon met een lange buis en een iets scheeve
zoom. Bloemen in trossen of pluimen Nicotiana.
6a. Kelk buisvormig met lange spitse slippen; bloemkroon vuurrood,
trechtervormig met vrij breede zoom. Bes droog. Klimmende heesters,
bloemen in trossen of pluimen Markea.
6b. Kelk klok- of buisvormig, 5-tandig of 5-spletig. Bloemkroon
buisvormig met smalle zoom, die meest teruggeslagen is. Meeldraden in het
midden van de buis ingehecht, aan de basis verdikt of behaard. Bessen
groot, met 1 of weinig zaden. Bloemen wit, geel of groenachtig, in
schermen Cestrum.
7a. Kruidachtige planten; bloemkroon met een lange en dunne buis en 5
korte slippen, waartusschen meest nog 5 andere slippen zijn ingevoegd.
Meeldraden 4, 2 lange en 2 korte. Doosvrucht Schwenkia.
7b. Heesters of boomen; bloemkroon met een breede, 5-lobbige zoom.
Meeldraden tweemachtig. Helmdraden van boven verdikt en gekromd
Brunfelsia.
257. Scrophulariaceae.
Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, min of meer zygomorf; meeldraden zelden 5; meest 4 of 2;
vruchtbeginsel bovenstandig 2-hokkig met weinige tot vele zaadknoppen in ieder hokje;
stijl 1; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande
of verspreide of kransstandige bladeren.
1a. Bloemen met slechts 2 meeldraden. Zeer kleine kruiden, meest
kruipend met ronde of eironde tegenoverstaande blaadjes en okselstandige
bloemen. Kelk klokvormig, 4-deelig; bloemkroon ± bolvormig met korte
bovenlip en 3-lobbige onderlip Micranthemum.
1b. Bloemen met 4 vruchtbare meeldraden of met 2 vruchtbare meeldraden
en 2 staminodiën 2
klokvormig 5-lobbig. Bloemkroon met een lange buis en een iets scheeve
zoom. Bloemen in trossen of pluimen Nicotiana.
6a. Kelk buisvormig met lange spitse slippen; bloemkroon vuurrood,
trechtervormig met vrij breede zoom. Bes droog. Klimmende heesters,
bloemen in trossen of pluimen Markea.
6b. Kelk klok- of buisvormig, 5-tandig of 5-spletig. Bloemkroon
buisvormig met smalle zoom, die meest teruggeslagen is. Meeldraden in het
midden van de buis ingehecht, aan de basis verdikt of behaard. Bessen
groot, met 1 of weinig zaden. Bloemen wit, geel of groenachtig, in
schermen Cestrum.
7a. Kruidachtige planten; bloemkroon met een lange en dunne buis en 5
korte slippen, waartusschen meest nog 5 andere slippen zijn ingevoegd.
Meeldraden 4, 2 lange en 2 korte. Doosvrucht Schwenkia.
7b. Heesters of boomen; bloemkroon met een breede, 5-lobbige zoom.
Meeldraden tweemachtig. Helmdraden van boven verdikt en gekromd
Brunfelsia.
257. Scrophulariaceae.
Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, min of meer zygomorf; meeldraden zelden 5; meest 4 of 2;
vruchtbeginsel bovenstandig 2-hokkig met weinige tot vele zaadknoppen in ieder hokje;
stijl 1; vrucht een bes of een doosvrucht; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande
of verspreide of kransstandige bladeren.
1a. Bloemen met slechts 2 meeldraden. Zeer kleine kruiden, meest
kruipend met ronde of eironde tegenoverstaande blaadjes en okselstandige
bloemen. Kelk klokvormig, 4-deelig; bloemkroon ± bolvormig met korte
bovenlip en 3-lobbige onderlip Micranthemum.
1b. Bloemen met 4 vruchtbare meeldraden of met 2 vruchtbare meeldraden
en 2 staminodiën 2
Page 294
2a. Kelk en bloemkroon 4-deelig, vrijwel regelmatig; bloemkroon wit, met
korte buis, stervormig. Meeldraden buiten de buis uitstekend. Helmknoppen
aan de basis een weinig pijlvormig. Sterk vertakte kruiden met smalle
bladeren en gesteelde bloemen, alleen of eenige bijeen in de bladoksels
Scoparia. S i s i b i - w i w i r i e .
2b. Kelk en kroon, of tenminste
steeds de kelk 5-tandig tot 5-deelig, of 5-bladig 3
3a. Kelk en bloemkroon beide zeer lang en buisvormig; kelk 5- (zelden
4-)tandig. Bloemen aan het eind van den stengel staande en daar een zeer
ijle, ± 5-bloemige, aar vormend. Bladeren zeer smal, bijna lijnvormig.
Bloemen paars Büchnera.
3b. Bloemen okselstandig of indien ze een eindstandige aar vormen, dan
zijn de schutbladeren groot, en de bloemen talrijk 4
4a. Bloemen in eindstandige trossen of aren, in de oksel van schutbladeren
alleenstaand 5
4b. Bloemen in de bladoksels, alléén of 2 of meer bij elkaar in iedere
bladoksel 6
5a. Bloemen geel of wit, in aren; kelk klokvormig, kantig, na de bloei
opgeblazen, 5-tandig. Bloemkroon met wijde buis en vlakke, 5-lobbige
zoom. Ruwharige kruiden Melasma. (Alectra).
5b. Bloemen violet of rood, langgesteeld in eindstandige trossen. Kelk
klokvormig met 5 korte tanden. Bloemkroon met nauwe mond, buis-
trechtervormig. Kruidachtige planten Gerardia.
6a. Kelk 5-tandig of 5-deelig met gelijke of bijna gelijke slippen of tanden
7
6b. Kelkslippen zeer ongelijk van vorm en grootte
10
7a. Bloemkroon met zeer korte buis, klokvormig, 5-lobbig, bijna
regelmatig. Meeldraden 4–5. Bloemen wit, gesteeld, meestal in paren in de
bladoksels. Rechtopstaande kruiden Capraria.
korte buis, stervormig. Meeldraden buiten de buis uitstekend. Helmknoppen
aan de basis een weinig pijlvormig. Sterk vertakte kruiden met smalle
bladeren en gesteelde bloemen, alleen of eenige bijeen in de bladoksels
Scoparia. S i s i b i - w i w i r i e .
2b. Kelk en kroon, of tenminste
steeds de kelk 5-tandig tot 5-deelig, of 5-bladig 3
3a. Kelk en bloemkroon beide zeer lang en buisvormig; kelk 5- (zelden
4-)tandig. Bloemen aan het eind van den stengel staande en daar een zeer
ijle, ± 5-bloemige, aar vormend. Bladeren zeer smal, bijna lijnvormig.
Bloemen paars Büchnera.
3b. Bloemen okselstandig of indien ze een eindstandige aar vormen, dan
zijn de schutbladeren groot, en de bloemen talrijk 4
4a. Bloemen in eindstandige trossen of aren, in de oksel van schutbladeren
alleenstaand 5
4b. Bloemen in de bladoksels, alléén of 2 of meer bij elkaar in iedere
bladoksel 6
5a. Bloemen geel of wit, in aren; kelk klokvormig, kantig, na de bloei
opgeblazen, 5-tandig. Bloemkroon met wijde buis en vlakke, 5-lobbige
zoom. Ruwharige kruiden Melasma. (Alectra).
5b. Bloemen violet of rood, langgesteeld in eindstandige trossen. Kelk
klokvormig met 5 korte tanden. Bloemkroon met nauwe mond, buis-
trechtervormig. Kruidachtige planten Gerardia.
6a. Kelk 5-tandig of 5-deelig met gelijke of bijna gelijke slippen of tanden
7
6b. Kelkslippen zeer ongelijk van vorm en grootte
10
7a. Bloemkroon met zeer korte buis, klokvormig, 5-lobbig, bijna
regelmatig. Meeldraden 4–5. Bloemen wit, gesteeld, meestal in paren in de
bladoksels. Rechtopstaande kruiden Capraria.
Page 295
7b. Bloemkroon duidelijk 2-lippig 8
8a. Helmhokjes door het breede helmbindsel van elkaar gescheiden.
Behaarde landplanten met okselstandige blauwe bloemen; bloemkroon
gapend Stemodia.
8b. Helmhokjes niet door een breed helmbindsel gescheiden 9
9a. De helmdraden van alle 4 de meeldraden zijn in de bloemkroonbuis
ingehecht. Waterplanten met okselstandige bloemen; bladeren klein, met
breede voet zittend Conobea.
9b. Twee van de 4 helmdraden in den mond van de bloemkroon ingehecht,
de beide andere in de buis. Meeldraden vaak met aanhangselen aan de
basis. Helmknoppen van elk paar meeldraden wat samenhangend. Kleine
kruidachtige planten Lindernia.
10a. Kelk buisvormig, min of meer gevleugeld; bloemkroon naar boven
geleidelijk wijder wordend. Helmknoppen van elk paar meeldraden
samenhangend; een paar van de helmdraden in de mond van de bloemkroon
ingehecht; de 2 lange helmdraden aan de inhechtingsplaats met een
aanhangsel. Kruiden met langgesteelde okselstandige bloemen
Torenia.
10b. Kelk niet gevleugeld en niet buisvormig. Helmdraden
zonder aanhangselen aan den voet 11
11a. Kelk 5-deelig, de achterste slip grooter. Twee meeldraden met
stuifmeel; de beide andere tot staminodiën vervormd. Rechtopstaande soms
een weinig heesterachtige planten met behaarde kleine bladeren en bloemen
in de bladoksels Beyrichia. (Achetaria).
11b. Kelk bijna 5-bladig; de achterste slip veel grooter dan de andere, de 2
zijdelingsche meest veel smaller dan de rest. Bloemkroon met vlakke 2-
lippige zoom. Bovenlip ingesneden of 2-lobbig; onderlip 3-lobbig.
Meeldraden 4 of 5. Land- of waterplanten, in het laatste geval met lange
smalle bladeren Bacopa.
8a. Helmhokjes door het breede helmbindsel van elkaar gescheiden.
Behaarde landplanten met okselstandige blauwe bloemen; bloemkroon
gapend Stemodia.
8b. Helmhokjes niet door een breed helmbindsel gescheiden 9
9a. De helmdraden van alle 4 de meeldraden zijn in de bloemkroonbuis
ingehecht. Waterplanten met okselstandige bloemen; bladeren klein, met
breede voet zittend Conobea.
9b. Twee van de 4 helmdraden in den mond van de bloemkroon ingehecht,
de beide andere in de buis. Meeldraden vaak met aanhangselen aan de
basis. Helmknoppen van elk paar meeldraden wat samenhangend. Kleine
kruidachtige planten Lindernia.
10a. Kelk buisvormig, min of meer gevleugeld; bloemkroon naar boven
geleidelijk wijder wordend. Helmknoppen van elk paar meeldraden
samenhangend; een paar van de helmdraden in de mond van de bloemkroon
ingehecht; de 2 lange helmdraden aan de inhechtingsplaats met een
aanhangsel. Kruiden met langgesteelde okselstandige bloemen
Torenia.
10b. Kelk niet gevleugeld en niet buisvormig. Helmdraden
zonder aanhangselen aan den voet 11
11a. Kelk 5-deelig, de achterste slip grooter. Twee meeldraden met
stuifmeel; de beide andere tot staminodiën vervormd. Rechtopstaande soms
een weinig heesterachtige planten met behaarde kleine bladeren en bloemen
in de bladoksels Beyrichia. (Achetaria).
11b. Kelk bijna 5-bladig; de achterste slip veel grooter dan de andere, de 2
zijdelingsche meest veel smaller dan de rest. Bloemkroon met vlakke 2-
lippige zoom. Bovenlip ingesneden of 2-lobbig; onderlip 3-lobbig.
Meeldraden 4 of 5. Land- of waterplanten, in het laatste geval met lange
smalle bladeren Bacopa.
Page 296
258. Bignoniaceae.
Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; meeldraden 4 of 2, soms bovendien 1 of 3
staminodiën aanwezig; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buis-, trechter- of
trompetvormig; vruchtbeginsel bovenstandig meest 2-, zelden 1-hokkig met vele
zaadknoppen; stijl 1 met een 2-lobbige stempel; vrucht een 2-kleppige doosvrucht, soms
vleezig en niet openspringend; zaden meest min of meer gevleugeld en plat; meest houtige
planten met tegenoverstaande of soms verspreide, vaak samengestelde bladeren met of
zonder ranken; bloemen groot.
1a. Boomen of heesters, niet klimmend of indien ze klimmen, dan zijn het
wortelklimmers met enkelvoudige bladeren zonder ranken 2
1b. Lianen, met of (zelden) zonder ranken klimmend 7
2a. Bladeren enkelvoudig 3
2b. Bladeren samengesteld 4
3a. Bladeren tegenoverstaand; wortelklimmers met leerachtige eironde
bladeren; kelk voor de bloei gesloten, later onregelmatig openspringend of
onduidelijk 5-tandig. Vruchten kort eirond. Bloemen in eindelingsche
pluimen of trossen Schlegelia.
3b. Kleine boomen of heesters met smalle groepsgewijs staande bladeren
en zijdelings-symmetrische bloemen die uit de takken te voorschijn komen.
Bloemkroon van voren met een plooi. Vrucht groot, met harde wand
Crescentia. K a l e b a s .
4a. Bladeren enkel-gevind, of dubbel-gevind
5
4b. Bladeren handvormig samengesteld
6
5a. Boomen of heesters met enkelgevinde bladeren; blaadjes grof
gezaagd. Bloemen geel met een klein, draadvormig staminodium aan de
achterzijde Stenolobium.
Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; meeldraden 4 of 2, soms bovendien 1 of 3
staminodiën aanwezig; kelk vergroeidbladig; bloemkroon buis-, trechter- of
trompetvormig; vruchtbeginsel bovenstandig meest 2-, zelden 1-hokkig met vele
zaadknoppen; stijl 1 met een 2-lobbige stempel; vrucht een 2-kleppige doosvrucht, soms
vleezig en niet openspringend; zaden meest min of meer gevleugeld en plat; meest houtige
planten met tegenoverstaande of soms verspreide, vaak samengestelde bladeren met of
zonder ranken; bloemen groot.
1a. Boomen of heesters, niet klimmend of indien ze klimmen, dan zijn het
wortelklimmers met enkelvoudige bladeren zonder ranken 2
1b. Lianen, met of (zelden) zonder ranken klimmend 7
2a. Bladeren enkelvoudig 3
2b. Bladeren samengesteld 4
3a. Bladeren tegenoverstaand; wortelklimmers met leerachtige eironde
bladeren; kelk voor de bloei gesloten, later onregelmatig openspringend of
onduidelijk 5-tandig. Vruchten kort eirond. Bloemen in eindelingsche
pluimen of trossen Schlegelia.
3b. Kleine boomen of heesters met smalle groepsgewijs staande bladeren
en zijdelings-symmetrische bloemen die uit de takken te voorschijn komen.
Bloemkroon van voren met een plooi. Vrucht groot, met harde wand
Crescentia. K a l e b a s .
4a. Bladeren enkel-gevind, of dubbel-gevind
5
4b. Bladeren handvormig samengesteld
6
5a. Boomen of heesters met enkelgevinde bladeren; blaadjes grof
gezaagd. Bloemen geel met een klein, draadvormig staminodium aan de
achterzijde Stenolobium.
Page 297
5b. Boomen met enkel- of dubbelgevinde bladeren; in het laatste geval
blaadjes meest klein. Bloemen blauw, met een zeer groot staminodium; van
de 4 meeldraden zijn er slechts 2 goed ontwikkeld Jacaranda.
6a. Bladeren 5-tallig, langgesteeld; blaadjes vrij lang gesteeld. Bloeiwijze
eindelingsch; tegelijk met de bladeren aanwezig, kort, trosvormig, de witte
bloemen kruiswijs tegenoverstaand; kelk scheef klokvormig, meest kort-3-
lobbig, de lobben met een puntje aan den top, van buiten schubvormig
behaard. Zaden met een dikke vleugel Couralia. C o u r a l i .
6b. Bladeren 3- of 5-tallig. Bloeiwijze pluim- of schermvormig, meest nièt
tegelijk met de bladeren aan den boom zittend. Bloemen meest geel; kelk
van binnen meest zonder klieren. Zaden met een vliezige vleugel
Tecoma. G r o e n h a r t .
7a. Ranken kort, aan den top gespleten in 3
korte eenigszins verdikte en haakvormig omgebogen takken. Bloemen geel.
Bladeren steeds 2-tallig 8
7b. Ranken draadvormig of ontbrekend, nooit in 3 haakvormige takken
eindigend 9
8a. Kelk vliezig, tijdens den bloei aan één zijde opengescheurd. Kroon
groot, van onderen dun, buisvormig, naar boven verwijd; van binnen bij de
inhechtingsplaats van de meeldraden behaard. Vrucht lang en smal
Macfadyena.
8b. Kelk onregelmatig 5-lobbig, meest met min of meer
gegolfde rand. Overigens vrijwel gelijk aan de vorige Bignonia.
9a. Bladeren 1-jukkig gevind, dus 2 blaadjes met eindblaadje (dus 3-tallige
bladeren) of in plaats van het eindblaadje een rank 12
9b. Bladeren meerjukkig gevind of dubbel-3-tallig of op andere wijze
samengesteld 10
10a. De bladeren zelf of de jukken der bladeren gevind, in het laatste geval
dus dubbelgevinde bladeren. Ranken ontbrekend; stengel rond. Kelk
blaadjes meest klein. Bloemen blauw, met een zeer groot staminodium; van
de 4 meeldraden zijn er slechts 2 goed ontwikkeld Jacaranda.
6a. Bladeren 5-tallig, langgesteeld; blaadjes vrij lang gesteeld. Bloeiwijze
eindelingsch; tegelijk met de bladeren aanwezig, kort, trosvormig, de witte
bloemen kruiswijs tegenoverstaand; kelk scheef klokvormig, meest kort-3-
lobbig, de lobben met een puntje aan den top, van buiten schubvormig
behaard. Zaden met een dikke vleugel Couralia. C o u r a l i .
6b. Bladeren 3- of 5-tallig. Bloeiwijze pluim- of schermvormig, meest nièt
tegelijk met de bladeren aan den boom zittend. Bloemen meest geel; kelk
van binnen meest zonder klieren. Zaden met een vliezige vleugel
Tecoma. G r o e n h a r t .
7a. Ranken kort, aan den top gespleten in 3
korte eenigszins verdikte en haakvormig omgebogen takken. Bloemen geel.
Bladeren steeds 2-tallig 8
7b. Ranken draadvormig of ontbrekend, nooit in 3 haakvormige takken
eindigend 9
8a. Kelk vliezig, tijdens den bloei aan één zijde opengescheurd. Kroon
groot, van onderen dun, buisvormig, naar boven verwijd; van binnen bij de
inhechtingsplaats van de meeldraden behaard. Vrucht lang en smal
Macfadyena.
8b. Kelk onregelmatig 5-lobbig, meest met min of meer
gegolfde rand. Overigens vrijwel gelijk aan de vorige Bignonia.
9a. Bladeren 1-jukkig gevind, dus 2 blaadjes met eindblaadje (dus 3-tallige
bladeren) of in plaats van het eindblaadje een rank 12
9b. Bladeren meerjukkig gevind of dubbel-3-tallig of op andere wijze
samengesteld 10
10a. De bladeren zelf of de jukken der bladeren gevind, in het laatste geval
dus dubbelgevinde bladeren. Ranken ontbrekend; stengel rond. Kelk
Page 298
leerachtig met 5 kleine tanden of éénzijdig gespleten, meest met vele
klieren. Bloemkroon wit of geel met zeer ongelijke lobben Memora.
10b. Bladeren dubbel 3-tallig (een enkele maal is er nog een paar blaadjes
meer, zoodat een deel van het blad dan gevind is). Bladeren met ranken
11
11a. Bloemen rose tot violet in een eindelingsche pluim. Takken
niet scherp vierkant. Kelk met 5 kleine tandjes en zeer weinig klieren
Arrabidaea (inaequalis).
11b. Bloemen wit of geel, in okselstandige
bloeiwijzen. Takken scherp-vierkant, de hoeken bij de oudere takken meest
als lange draden loslatend. Kelk meest met vele klieren Pleonotoma.
12a. Schijf onder het vruchtbeginsel ontbrekend 13
12b. Schijf onder het vruchtbeginsel aanwezig, meest de basis van het
vruchtbeginsel als een ring of een beker omgevend 14
13a. Helmknoppen en meest ook de bladeren geheel kaal. Kelk klokvormig
met 5 zeer kleine tanden. Bloemkroon wit met rose of paars, met breede
slippen Cydista.
13b. Helmknoppen, en meest ook de helmdraden en de bladeren behaard.
Kelk als de vorige. Bloemkroon wit met geel Lundia.
14a. Bloemen met een zeer wijde en groote (tot 4 c.M. lange) kelk met een
ongelijke eenigszins tweelobbige zoom. Bloemkroon zeer groot, geel met
roode streepen. Blaadjes groot en breed Callichlamys.
14b. Kelk niet opvallend groot en wijd 15
15a. Bloemkroon gekromd 16
15b. Bloemkroon recht 17
16a. Kelk klokvormig, leerachtig, bijna ongetand, van buiten kort behaard.
Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd.
Vruchtbeginsel knobbelig. Takken kantig met lichtere verdikte overlangsche
klieren. Bloemkroon wit of geel met zeer ongelijke lobben Memora.
10b. Bladeren dubbel 3-tallig (een enkele maal is er nog een paar blaadjes
meer, zoodat een deel van het blad dan gevind is). Bladeren met ranken
11
11a. Bloemen rose tot violet in een eindelingsche pluim. Takken
niet scherp vierkant. Kelk met 5 kleine tandjes en zeer weinig klieren
Arrabidaea (inaequalis).
11b. Bloemen wit of geel, in okselstandige
bloeiwijzen. Takken scherp-vierkant, de hoeken bij de oudere takken meest
als lange draden loslatend. Kelk meest met vele klieren Pleonotoma.
12a. Schijf onder het vruchtbeginsel ontbrekend 13
12b. Schijf onder het vruchtbeginsel aanwezig, meest de basis van het
vruchtbeginsel als een ring of een beker omgevend 14
13a. Helmknoppen en meest ook de bladeren geheel kaal. Kelk klokvormig
met 5 zeer kleine tanden. Bloemkroon wit met rose of paars, met breede
slippen Cydista.
13b. Helmknoppen, en meest ook de helmdraden en de bladeren behaard.
Kelk als de vorige. Bloemkroon wit met geel Lundia.
14a. Bloemen met een zeer wijde en groote (tot 4 c.M. lange) kelk met een
ongelijke eenigszins tweelobbige zoom. Bloemkroon zeer groot, geel met
roode streepen. Blaadjes groot en breed Callichlamys.
14b. Kelk niet opvallend groot en wijd 15
15a. Bloemkroon gekromd 16
15b. Bloemkroon recht 17
16a. Kelk klokvormig, leerachtig, bijna ongetand, van buiten kort behaard.
Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven klokvormig verwijd.
Vruchtbeginsel knobbelig. Takken kantig met lichtere verdikte overlangsche
Page 299
streepen. Vrucht breed, met stekels op de gewelfde kleppen. Bladeren dun,
met eenigszins hartvormige voet. Bloemen wit of geel
Pithecoctenium. K e e s i - k e e s i - k a m .
16b. Kelk klokvormig, met
rechte rand, later een weinig ingescheurd, leerachtig. Bloemkroon
leerachtig. Takken niet kantig en niet gestreept. Doosvrucht glad
Distictis.
17a. Het onderste deel van de bloemkroonbuis is eenigszins
zakvormig verwijd met een stompe knobbel aan de voorkant. Kelk
leerachtig, scheef, onregelmatig ingesneden. Bloemen in eindelingsche
pluimen, rose tot paars, van buiten behaard. Vrucht zeer lang
Paragonia.
17b. Bloemkroon van onderen niet zakvormig verwijd,
zonder knobbel aan één kant 18
18a. Ranken aan den top met 3 takken. Bloemen in zeer wijde en ijle
bloeiwijzen. Kelk 2-lippig en onregelmatig 4–5-spletig. Benedendeel van
de bloemkroonbuis lang en dun; bloemen wit met lila. Vrucht zeer lang en
smal Martinella.
18b. Ranken niet vertakt; bloeiwijze niet zeer ijl 19
19a. Kelk leerachtig, meest met klieren, in den knop gesloten, later
tweelippig zich openend. Lobben der kroon ongelijk; bloemen geel of wit,
trechtervormig met lange buis. Blaadjes smal Memora.
19b. Kelk regelmatig, of indien de kelk tweelippig is, dan is hij niet
leerachtig 20
20a. Kelk met groote schotelvormige klieren aan de buitenkant.
Zaadknoppen in elk hokje 2-rijig. Vrucht breed met gladde kleppen
Adenocalymma.
20b. Kelk zonder groote schotelvormige klieren
21
21a. Bloemkroon in den knop alleen aan den top met een behaarde
plek, verder kaal. Kelk dun, wijd schotelvormig. Bloeiwijzen veelbloemig.
met eenigszins hartvormige voet. Bloemen wit of geel
Pithecoctenium. K e e s i - k e e s i - k a m .
16b. Kelk klokvormig, met
rechte rand, later een weinig ingescheurd, leerachtig. Bloemkroon
leerachtig. Takken niet kantig en niet gestreept. Doosvrucht glad
Distictis.
17a. Het onderste deel van de bloemkroonbuis is eenigszins
zakvormig verwijd met een stompe knobbel aan de voorkant. Kelk
leerachtig, scheef, onregelmatig ingesneden. Bloemen in eindelingsche
pluimen, rose tot paars, van buiten behaard. Vrucht zeer lang
Paragonia.
17b. Bloemkroon van onderen niet zakvormig verwijd,
zonder knobbel aan één kant 18
18a. Ranken aan den top met 3 takken. Bloemen in zeer wijde en ijle
bloeiwijzen. Kelk 2-lippig en onregelmatig 4–5-spletig. Benedendeel van
de bloemkroonbuis lang en dun; bloemen wit met lila. Vrucht zeer lang en
smal Martinella.
18b. Ranken niet vertakt; bloeiwijze niet zeer ijl 19
19a. Kelk leerachtig, meest met klieren, in den knop gesloten, later
tweelippig zich openend. Lobben der kroon ongelijk; bloemen geel of wit,
trechtervormig met lange buis. Blaadjes smal Memora.
19b. Kelk regelmatig, of indien de kelk tweelippig is, dan is hij niet
leerachtig 20
20a. Kelk met groote schotelvormige klieren aan de buitenkant.
Zaadknoppen in elk hokje 2-rijig. Vrucht breed met gladde kleppen
Adenocalymma.
20b. Kelk zonder groote schotelvormige klieren
21
21a. Bloemkroon in den knop alleen aan den top met een behaarde
plek, verder kaal. Kelk dun, wijd schotelvormig. Bloeiwijzen veelbloemig.
Page 300
Bladeren zeer dun-vliezig met krachtige nerven. Vrucht smal met platte
kleppen Petastoma.
21b. Bloemkroon niet met een behaarde plek aan den top. Bladeren niet
vliezig 22
22a. Bloemen in een armbloemig, okselstandig bijscherm; schijf duidelijk
gelobd, de onderste stengelbladeren soms enkelvoudig. Doosvrucht breed,
met gestekelde kleppen Clytostoma.
22b. Schijf niet of onduidelijk gelobd; bloeiwijzen meest meerbloemig;
doosvrucht glad 23
23a. Vrucht smal en lang. Zaadknoppen in elk hokje in 2 rijen. Kelk meest
dun Arrabidaea.
23b. Vrucht breed, elliptisch. Zaadknoppen in elk hokje in 4 rijen. Kelk
leerachtig. Bladeren met groote steunbladeren Anemopaegma.
259. Pedaliaceae.
Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf, sympetaal; meeldraden 4 of 2 met paarsgewijs
samenhangende helmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–4-hokkig, met 1 tot vele
zaadknoppen; hokjes van het vruchtbeginsel vaak met dwarstusschenschotten; vrucht een
doosvrucht of een noot; kruiden met tegenoverstaande of naar boven verspreide bladeren;
bloemen okselstandig of in trossen.
Kruiden met afwisselende, smalle bladeren en okselstandige bloemen.
Bloemkroon klokvormig met 5-lobbige zoom, waarvan de onderste lob het
grootst is. Meeldraden 4, de 5de meeldraad is tot een klein staminodium
gereduceerd. Vruchtbeginsel met één stijl met twee bladachtige stempels.
Vrucht een doosvrucht Sesamum.
262. Gesneriaceae.
kleppen Petastoma.
21b. Bloemkroon niet met een behaarde plek aan den top. Bladeren niet
vliezig 22
22a. Bloemen in een armbloemig, okselstandig bijscherm; schijf duidelijk
gelobd, de onderste stengelbladeren soms enkelvoudig. Doosvrucht breed,
met gestekelde kleppen Clytostoma.
22b. Schijf niet of onduidelijk gelobd; bloeiwijzen meest meerbloemig;
doosvrucht glad 23
23a. Vrucht smal en lang. Zaadknoppen in elk hokje in 2 rijen. Kelk meest
dun Arrabidaea.
23b. Vrucht breed, elliptisch. Zaadknoppen in elk hokje in 4 rijen. Kelk
leerachtig. Bladeren met groote steunbladeren Anemopaegma.
259. Pedaliaceae.
Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf, sympetaal; meeldraden 4 of 2 met paarsgewijs
samenhangende helmknoppen; vruchtbeginsel bovenstandig, 2–4-hokkig, met 1 tot vele
zaadknoppen; hokjes van het vruchtbeginsel vaak met dwarstusschenschotten; vrucht een
doosvrucht of een noot; kruiden met tegenoverstaande of naar boven verspreide bladeren;
bloemen okselstandig of in trossen.
Kruiden met afwisselende, smalle bladeren en okselstandige bloemen.
Bloemkroon klokvormig met 5-lobbige zoom, waarvan de onderste lob het
grootst is. Meeldraden 4, de 5de meeldraad is tot een klein staminodium
gereduceerd. Vruchtbeginsel met één stijl met twee bladachtige stempels.
Vrucht een doosvrucht Sesamum.
262. Gesneriaceae.
Page 301
Bloemen 5-tallig, tweeslachtig, zygomorf; bloemkroon sympetaal, min of meer 2-lippig;
meeldraden 4 of 2, soms met 1 of 3 staminodiën, de helmknoppen paarsgewijs verbonden
of alle samenhangend; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met twee
wandstandige zaadlijsten met talrijke zaadknoppen; één stijl met een breede of 2-lobbige
stempel; vrucht een doosvrucht of een bes met talrijke kleine zaden; kruiden of houtige
planten met tegenoverstaande, gaafrandige of getande bladeren en meest groote bloemen.
1a. Vruchtbeginsel onderstandig, kelk met 5, min of meer bladachtige
slippen. Bloemkroon klokvormig en 5 breede slippen. Meeldraden 4 onder
in de bloemkroon ingehecht met kruisgewijs verbonden helmknoppen.
Schijf ringvormig. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Kruiden met
tegenoverstaande bladeren; bloemen in de oksels van schutbladeren
Gloxinia.
1b. Vruchtbeginsel bovenstandig
2
2a. Schijf bestaande uit een dikke soms wat scheeve ring.
Meeldraden 4, de helmdraden aan de basis wat verbreed. Stempel 2-lobbig.
Vrucht een bes, door de kelk omsloten Besleria.
2b. Schijf niet ringvormig doch bestaande uit 1 of 2 schubben aan één zijde
van het vruchtbeginsel gezeten 3
3a. Helmhokjes door een breed en dik helmbindsel van elkaar gescheiden,
niet evenwijdig loopend, kelkslippen 5, smal; bloemkroon min of meer
klokvormig met wijde mond. Planten met dikke ± vleezige bladeren en
kleine bloemen in de bladoksels Codonanthe.
3b. Helmhokjes niet door een dik en breed helmbindsel van elkaar
verwijderd; helmhokjes evenwijdig loopend 4
4a. Helmdraden aan de basis tot een van achteren gespleten buis vergroeid.
Kelkslippen meest niet groen gekleurd, ongelijk, breed, vaak getand.
Bloemkroonbuis wijd met 5 afgeronde slippen. Helmknoppen vrij van
elkaar. Schijf uit één groote schub bestaand. Heesterachtige planten
Crantzia.
4b. Helmdraden van onderen niet of nauwelijks met elkaar
vergroeid 5
meeldraden 4 of 2, soms met 1 of 3 staminodiën, de helmknoppen paarsgewijs verbonden
of alle samenhangend; vruchtbeginsel bovenstandig tot onderstandig, 1-hokkig met twee
wandstandige zaadlijsten met talrijke zaadknoppen; één stijl met een breede of 2-lobbige
stempel; vrucht een doosvrucht of een bes met talrijke kleine zaden; kruiden of houtige
planten met tegenoverstaande, gaafrandige of getande bladeren en meest groote bloemen.
1a. Vruchtbeginsel onderstandig, kelk met 5, min of meer bladachtige
slippen. Bloemkroon klokvormig en 5 breede slippen. Meeldraden 4 onder
in de bloemkroon ingehecht met kruisgewijs verbonden helmknoppen.
Schijf ringvormig. Doosvrucht met 2 kleppen openspringend. Kruiden met
tegenoverstaande bladeren; bloemen in de oksels van schutbladeren
Gloxinia.
1b. Vruchtbeginsel bovenstandig
2
2a. Schijf bestaande uit een dikke soms wat scheeve ring.
Meeldraden 4, de helmdraden aan de basis wat verbreed. Stempel 2-lobbig.
Vrucht een bes, door de kelk omsloten Besleria.
2b. Schijf niet ringvormig doch bestaande uit 1 of 2 schubben aan één zijde
van het vruchtbeginsel gezeten 3
3a. Helmhokjes door een breed en dik helmbindsel van elkaar gescheiden,
niet evenwijdig loopend, kelkslippen 5, smal; bloemkroon min of meer
klokvormig met wijde mond. Planten met dikke ± vleezige bladeren en
kleine bloemen in de bladoksels Codonanthe.
3b. Helmhokjes niet door een dik en breed helmbindsel van elkaar
verwijderd; helmhokjes evenwijdig loopend 4
4a. Helmdraden aan de basis tot een van achteren gespleten buis vergroeid.
Kelkslippen meest niet groen gekleurd, ongelijk, breed, vaak getand.
Bloemkroonbuis wijd met 5 afgeronde slippen. Helmknoppen vrij van
elkaar. Schijf uit één groote schub bestaand. Heesterachtige planten
Crantzia.
4b. Helmdraden van onderen niet of nauwelijks met elkaar
vergroeid 5
Page 302
5a. Kelk klokvormig, 5-kantig of 5-vleugelig, met korte tanden; niet groen
gekleurd. Bloemkroon wijd, cylindervormig. Helmdraden aan de basis
verbreed, helmknoppen niet samenhangend. Schijf uit een schub bestaande.
Kruiden, met meerdere bloemen in een bloeiwijze vereenigd Tussacia.
5b. Kelk diep 5-deelig 6
6a. Kelkslippen smal. Bloemkroon met een lange buis, die meest wat
gebogen is. Helmdraden van onderen een weinig vergroeid, de 5de
meeldraad als klein staminodium zichtbaar. Schijf uit één groote schub
bestaande. Stijl van boven verdikt. Kruiden, meest met tweekleurige
bloemen Episcia.
6b. Kelkslippen groot en breed, bladachtig, ongelijk. Bloemkroonbuis van
onderen opgeblazen en verwijd. Helmknoppen van onderen verbreed. Schijf
uit een groote schub bestaande. Heesterachtige planten met dikke bladeren
Drymonia.
264. Lentibulariaceae.
Bloemen 5-tallig, tweeslachtig zelden regelmatig, meest zygomorf, bloemkroon meest
duidelijk 2-lippig; meeldraden zelden 5, meest 2, onder in de bloemkroon ingehecht;
vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met een meest grondstandige zaadlijst; vrucht een
2–4-kleppige doosvrucht en dan veelzadig of een gesloten vrucht en dan 1-zadig; meest
kruiden op vochtige plaatsen of in het water groeiend.
1a. Kelk 4-deelig met ronde slippen aan den rand met lange tanden bezet.
Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd, met een spoor. Bovenlip 2-spletig;
onderlip groot, 3-lobbig. Meeldraden 2, sterk gebogen. Doosvrucht
meerzadig met 2 kleppen openspringend. Kleine kruiden met langwerpige,
gaafrandige wortelstandige bladeren Polypompholyx.
1b. Kelk 2-bladig. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd; bovenlip
rechtopstaand, ingesneden of gaafrandig, onderlip groot, 3-deelig of
gaafrandig. Meeldraden 2, dik en kort, sterk gebogen. Doosvrucht met 2
gekleurd. Bloemkroon wijd, cylindervormig. Helmdraden aan de basis
verbreed, helmknoppen niet samenhangend. Schijf uit een schub bestaande.
Kruiden, met meerdere bloemen in een bloeiwijze vereenigd Tussacia.
5b. Kelk diep 5-deelig 6
6a. Kelkslippen smal. Bloemkroon met een lange buis, die meest wat
gebogen is. Helmdraden van onderen een weinig vergroeid, de 5de
meeldraad als klein staminodium zichtbaar. Schijf uit één groote schub
bestaande. Stijl van boven verdikt. Kruiden, meest met tweekleurige
bloemen Episcia.
6b. Kelkslippen groot en breed, bladachtig, ongelijk. Bloemkroonbuis van
onderen opgeblazen en verwijd. Helmknoppen van onderen verbreed. Schijf
uit een groote schub bestaande. Heesterachtige planten met dikke bladeren
Drymonia.
264. Lentibulariaceae.
Bloemen 5-tallig, tweeslachtig zelden regelmatig, meest zygomorf, bloemkroon meest
duidelijk 2-lippig; meeldraden zelden 5, meest 2, onder in de bloemkroon ingehecht;
vruchtbeginsel bovenstandig, 1-hokkig met een meest grondstandige zaadlijst; vrucht een
2–4-kleppige doosvrucht en dan veelzadig of een gesloten vrucht en dan 1-zadig; meest
kruiden op vochtige plaatsen of in het water groeiend.
1a. Kelk 4-deelig met ronde slippen aan den rand met lange tanden bezet.
Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd, met een spoor. Bovenlip 2-spletig;
onderlip groot, 3-lobbig. Meeldraden 2, sterk gebogen. Doosvrucht
meerzadig met 2 kleppen openspringend. Kleine kruiden met langwerpige,
gaafrandige wortelstandige bladeren Polypompholyx.
1b. Kelk 2-bladig. Bloemkroon 2-lippig, gemaskerd; bovenlip
rechtopstaand, ingesneden of gaafrandig, onderlip groot, 3-deelig of
gaafrandig. Meeldraden 2, dik en kort, sterk gebogen. Doosvrucht met 2
Page 303
kleppen of onregelmatig of met een deksel openspringend. Land-, moeras-,
of waterplanten Utricularia.
266. Acanthaceae.
Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid;
bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms
nog 1 of 3 staminodiën aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot vele
zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht, 2-kleppig hokverbrekend
openspringend, zelden een steenvrucht; zaden meest zittend op haakvormige uitgroeiïngen
van de zaadsteel; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren; bloemen
meest in aren of samengestelde aren.
1a. Kelk aan den voet met 2 groote bladeren die aan de randen min of meer
vergroeid zijn en den kelk inhullen. Meest klimplanten; bloemen in de
bladoksels 2
1b. Geen 2 groote bladeren onder de kelk; indien de kelk door bladeren
omhuld wordt dan staan de bloemen in aren 3
2a. Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven geleidelijk verwijd;
zoom van de bloemkroon niet zeer breed. Planten meestal langharig. Vrucht
min of meer besachtig, niet openspringend, rond Mendoncia.
2b. Bloemkroonbuis tamelijk wijd met een groote en breede,
wijduitstaande zoom met bijna gelijke slippen. Bladeren meest wat
pijlvormig. Vrucht een toegespitste doosvrucht Thunbergia.
3a. Bloemen met 4 meeldraden of met 2 meeldraden en 2 groote
staminodiën 4
3b. Bloemen met slechts 2 meeldraden 10
4a. Bloemen in dichte zittende groepen in de bladoksels, schijnbaar in
kransen rondom den stengel staand. Bloemkroon 2-lippig met een dunne
of waterplanten Utricularia.
266. Acanthaceae.
Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, zygomorf; kelkbladeren vrij of vergroeid;
bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms
nog 1 of 3 staminodiën aanwezig; vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot vele
zaadknoppen in ieder hokje; vrucht een doosvrucht, 2-kleppig hokverbrekend
openspringend, zelden een steenvrucht; zaden meest zittend op haakvormige uitgroeiïngen
van de zaadsteel; kruiden of houtige planten met tegenoverstaande bladeren; bloemen
meest in aren of samengestelde aren.
1a. Kelk aan den voet met 2 groote bladeren die aan de randen min of meer
vergroeid zijn en den kelk inhullen. Meest klimplanten; bloemen in de
bladoksels 2
1b. Geen 2 groote bladeren onder de kelk; indien de kelk door bladeren
omhuld wordt dan staan de bloemen in aren 3
2a. Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven geleidelijk verwijd;
zoom van de bloemkroon niet zeer breed. Planten meestal langharig. Vrucht
min of meer besachtig, niet openspringend, rond Mendoncia.
2b. Bloemkroonbuis tamelijk wijd met een groote en breede,
wijduitstaande zoom met bijna gelijke slippen. Bladeren meest wat
pijlvormig. Vrucht een toegespitste doosvrucht Thunbergia.
3a. Bloemen met 4 meeldraden of met 2 meeldraden en 2 groote
staminodiën 4
3b. Bloemen met slechts 2 meeldraden 10
4a. Bloemen in dichte zittende groepen in de bladoksels, schijnbaar in
kransen rondom den stengel staand. Bloemkroon 2-lippig met een dunne
Page 304
naar boven geleidelijk wijder wordende buis. Stempel haakvormig.
Bladeren smal en lang Hygrophila.
4b. Bloemen in pluimen of aren of gesteeld en okselstandig 5
5a. Bloemen zoo dicht op elkaar zittend dat ze aan het eind van den stengel
een duidelijke aar vormen met of zonder dakpansgewijs over elkaar
liggende schutbladeren 6
5b. Bloeiwijze los, niet dicht-aarvormig. Kelk gelijkmatig 5-spletig of de
achterste kelkslip grooter of soms kelk 2-lippig. Bloemkroon verschillend
van vorm, doch steeds met 5 ongeveer gelijke lobben, dus niet duidelijk 2-
lippig Ruellia.
6a. Twee vruchtbare meeldraden en twee staminodiën aanwezig. Plant naar
boven vertakt; elke tak in een aar eindigend met dakpansgewijs over elkaar
liggende schutbladeren, die min of meer droogvliezig, sterk geaderd en
toegespitst zijn. Schutbladeren veel grooter dan de kelk. Bloemen met lange
dunne buis, ver buiten de aar uitstekend Eranthemum.
6b. Alle meeldraden met stuifmeel 7
7a. Bloemkroon onduidelijk 2-lippig of bijna regelmatig. Bloemen wit
8
7b. Bloemkroon duidelijk 2-lippig. Bloemkroon wit en lila en dan
klein, of rood en dan groot 9
8a. Aar tamelijk los met bladachtige breede schutbladeren, die veel grooter
zijn dan de kelk. Bloemen 2 of 3 in de oksels der schutbladeren. Kelk 5-
deelig, regelmatig, vrucht van binnen met duidelijke haken, met 6 of meer
zaden in elke afdeeling Blechum.
8b. Aar dicht, soms zeer klein; kelk 5-deelig, de bovenste slip breeder dan
de andere. Schutbladeren niet opvallend breed en bladachtig; bloemen
meest alleenstaand in de oksels der schutbladeren. Doosvrucht met vele
zaden, van binnen zonder haken. Planten meest zeer klein Staurogyne.
Bladeren smal en lang Hygrophila.
4b. Bloemen in pluimen of aren of gesteeld en okselstandig 5
5a. Bloemen zoo dicht op elkaar zittend dat ze aan het eind van den stengel
een duidelijke aar vormen met of zonder dakpansgewijs over elkaar
liggende schutbladeren 6
5b. Bloeiwijze los, niet dicht-aarvormig. Kelk gelijkmatig 5-spletig of de
achterste kelkslip grooter of soms kelk 2-lippig. Bloemkroon verschillend
van vorm, doch steeds met 5 ongeveer gelijke lobben, dus niet duidelijk 2-
lippig Ruellia.
6a. Twee vruchtbare meeldraden en twee staminodiën aanwezig. Plant naar
boven vertakt; elke tak in een aar eindigend met dakpansgewijs over elkaar
liggende schutbladeren, die min of meer droogvliezig, sterk geaderd en
toegespitst zijn. Schutbladeren veel grooter dan de kelk. Bloemen met lange
dunne buis, ver buiten de aar uitstekend Eranthemum.
6b. Alle meeldraden met stuifmeel 7
7a. Bloemkroon onduidelijk 2-lippig of bijna regelmatig. Bloemen wit
8
7b. Bloemkroon duidelijk 2-lippig. Bloemkroon wit en lila en dan
klein, of rood en dan groot 9
8a. Aar tamelijk los met bladachtige breede schutbladeren, die veel grooter
zijn dan de kelk. Bloemen 2 of 3 in de oksels der schutbladeren. Kelk 5-
deelig, regelmatig, vrucht van binnen met duidelijke haken, met 6 of meer
zaden in elke afdeeling Blechum.
8b. Aar dicht, soms zeer klein; kelk 5-deelig, de bovenste slip breeder dan
de andere. Schutbladeren niet opvallend breed en bladachtig; bloemen
meest alleenstaand in de oksels der schutbladeren. Doosvrucht met vele
zaden, van binnen zonder haken. Planten meest zeer klein Staurogyne.
Page 305
9a. Bloemen vuurrood, meeste meerdere centimeters lang, duidelijk 2-
lippig, in een smalle, eindstandige aar, waarvan de schutbladeren dicht over
elkaar liggen. Schutbladeren vaak met tanden aan den top of aan den rand.
Meeldraden buiten de bloemkroon uitstekend; planten rechtopstaand,
onvertakt Aphelandra.
9b. Schutbladeren weinig grooter dan de kelk, droogvliezig, evenals de
kelkslippen met een spitse punt. Bloemkroon wit, meest met lila teekening,
nog niet 1 c.M. lang of meest nog kleiner. Meeldraden boven in de
bloemkroonbuis ingehecht Lepidagathis.
10a. Bloemen in aren in den oksel van groote schutbladeren 11
10b. Bloemen niet in aren of als ze in aren staan, dan zijn er geen groote
schutbladeren 12
11a. Meeldraden meest aan de basis met een kleine tand. Kelk kort.
Bloemkroonbuis smal, naar boven weinig verwijd. Bovenlip lang en smal;
onderlip breeder. Meeldraden buiten de buis uitstekend Pachystachys.
11b. Helmdraden zonder tand aan de basis. Kelk 4–5-deelig met gelijke
smalle en spitse slippen. Bloemkroonbuis kort; bovenlip hol, onderlip meest
breeder, vlak en 3-deelig. Helmbindsel min of meer verbreed; helmhokjes
niet op gelijke hoogte ingehecht Justicia.
12a. Kelk 5-tandig, klein, met gelijke tanden. Bloemkroonbuis boven de
basis wat vernauwd, dan scheef in een buisvormige lange keel verwijd.
Helmhokjes bijna op gelijke hoogte ingehecht; helmbindsel niet verbreed.
Bloemen in éénzijdige aren Drejera.
12b. Kelk 4–5-deelig 13
13a. Bloemkroonbuis kort, weinig verwijd. Bovenlip hol; onderlip breeder,
vlak, 3-deelig. Meeldraden boven in de bloemkroon bevestigd. Helmhokjes
aan het min of meer verbreede helmbindsel op verschillende hoogte
ingehecht, doch meest evenwijdig aan elkaar Justicia.
lippig, in een smalle, eindstandige aar, waarvan de schutbladeren dicht over
elkaar liggen. Schutbladeren vaak met tanden aan den top of aan den rand.
Meeldraden buiten de bloemkroon uitstekend; planten rechtopstaand,
onvertakt Aphelandra.
9b. Schutbladeren weinig grooter dan de kelk, droogvliezig, evenals de
kelkslippen met een spitse punt. Bloemkroon wit, meest met lila teekening,
nog niet 1 c.M. lang of meest nog kleiner. Meeldraden boven in de
bloemkroonbuis ingehecht Lepidagathis.
10a. Bloemen in aren in den oksel van groote schutbladeren 11
10b. Bloemen niet in aren of als ze in aren staan, dan zijn er geen groote
schutbladeren 12
11a. Meeldraden meest aan de basis met een kleine tand. Kelk kort.
Bloemkroonbuis smal, naar boven weinig verwijd. Bovenlip lang en smal;
onderlip breeder. Meeldraden buiten de buis uitstekend Pachystachys.
11b. Helmdraden zonder tand aan de basis. Kelk 4–5-deelig met gelijke
smalle en spitse slippen. Bloemkroonbuis kort; bovenlip hol, onderlip meest
breeder, vlak en 3-deelig. Helmbindsel min of meer verbreed; helmhokjes
niet op gelijke hoogte ingehecht Justicia.
12a. Kelk 5-tandig, klein, met gelijke tanden. Bloemkroonbuis boven de
basis wat vernauwd, dan scheef in een buisvormige lange keel verwijd.
Helmhokjes bijna op gelijke hoogte ingehecht; helmbindsel niet verbreed.
Bloemen in éénzijdige aren Drejera.
12b. Kelk 4–5-deelig 13
13a. Bloemkroonbuis kort, weinig verwijd. Bovenlip hol; onderlip breeder,
vlak, 3-deelig. Meeldraden boven in de bloemkroon bevestigd. Helmhokjes
aan het min of meer verbreede helmbindsel op verschillende hoogte
ingehecht, doch meest evenwijdig aan elkaar Justicia.
Page 306
13b. Bloemkroonbuis lang, dun, meest recht. Bovenlip vaak gebogen, 2-
tandig. Onderlip diep 3-deelig, de middenlob het grootst. Helmbindsel
breed, de helmhokjes niet evenwijdig met elkaar loopend Beloperone.
13c. Planten van het uiterlijk van de beide vorige, maar ervan verschillend
alleen door den vorm van het stuifmeel, dat bij Justicia en Beloperone met
rijen van kleine knobbeltjes bezet is, terwijl bij Rhacodiscus het stuifmeel
geheel gestekeld is Rhacodiscus.
Orde: Plantaginales.
269. Plantaginaceae.
Bloemen 4-tallig; tweeslachtig, of éénslachtig, regelmatig; kelkbladeren 4; bloemkroon 4-
spletig; meeldraden 4 met de kroon vergroeid; vruchtbeginsel 1–4-hokkig met 1 tot weinige
zaadknoppen; vrucht een met een deksel openspringende doosvrucht of een noot; meest
kruiden, met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren; bloemen in aren.
Bloemen in aren; kelk 4-deelig; bloemkroon met 4 slippen, klein, vliezig,
bruinachtig. Meeldraden 4, met lange helmdraden; stijl lang; vrucht met een
deksel openspringend; bladeren in een wortelroset Plantago.
Orde: Rubiales.
270. Rubiaceae.
Bloemen 4- of 5-, zelden meertallig met een onderstandig vruchtbeginsel dat meest
evenveel, zelden minder hokjes heeft als bloemkroonslippen; tweeslachtig, zelden
éénslachtig, regelmatig, zelden min of meer zygomorf; kelk meest open;
bloemkroonslippen in de knop met de randen over elkaar liggend of tegen elkaar liggend of
gedraaid; hokjes van het vruchtbeginsel met 1 tot talrijke zaadknoppen; stijl 1, met een
meest onvertakte stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met
kruisgewijs tegenoverstaande bladeren en steunbladeren, die soms zeer groot zijn.
tandig. Onderlip diep 3-deelig, de middenlob het grootst. Helmbindsel
breed, de helmhokjes niet evenwijdig met elkaar loopend Beloperone.
13c. Planten van het uiterlijk van de beide vorige, maar ervan verschillend
alleen door den vorm van het stuifmeel, dat bij Justicia en Beloperone met
rijen van kleine knobbeltjes bezet is, terwijl bij Rhacodiscus het stuifmeel
geheel gestekeld is Rhacodiscus.
Orde: Plantaginales.
269. Plantaginaceae.
Bloemen 4-tallig; tweeslachtig, of éénslachtig, regelmatig; kelkbladeren 4; bloemkroon 4-
spletig; meeldraden 4 met de kroon vergroeid; vruchtbeginsel 1–4-hokkig met 1 tot weinige
zaadknoppen; vrucht een met een deksel openspringende doosvrucht of een noot; meest
kruiden, met verspreide, zelden tegenoverstaande bladeren; bloemen in aren.
Bloemen in aren; kelk 4-deelig; bloemkroon met 4 slippen, klein, vliezig,
bruinachtig. Meeldraden 4, met lange helmdraden; stijl lang; vrucht met een
deksel openspringend; bladeren in een wortelroset Plantago.
Orde: Rubiales.
270. Rubiaceae.
Bloemen 4- of 5-, zelden meertallig met een onderstandig vruchtbeginsel dat meest
evenveel, zelden minder hokjes heeft als bloemkroonslippen; tweeslachtig, zelden
éénslachtig, regelmatig, zelden min of meer zygomorf; kelk meest open;
bloemkroonslippen in de knop met de randen over elkaar liggend of tegen elkaar liggend of
gedraaid; hokjes van het vruchtbeginsel met 1 tot talrijke zaadknoppen; stijl 1, met een
meest onvertakte stempel; vrucht zeer verschillend; kruiden of houtige planten met
kruisgewijs tegenoverstaande bladeren en steunbladeren, die soms zeer groot zijn.
Page 307
1a. Vruchtbeginsel met slechts 1 zaadknop in ieder hokje 2
1b. Vruchtbeginsel met 2 tot meer zaadknoppen in ieder hokje 21
2a. Bloemkroonslippen in den knop gedraaid of met de randen over elkaar
liggend 3
2b. Bloemkroonslippen in den knop met de randen tegen elkaar liggend
5
3a. Bloemen in okselstandige één- of tweemaal vorksgewijs
gedeelde bloeiwijzen, waarvan de takken aarvormig zijn en eenzijdig
bloemen dragen. Kelk afvallend na de bloei. Bloemkroon met lange buis.
Meeldraden in de bloemkroon ingesloten. Vruchtbeginsel 4–9-hokkig
Guettarda.
3b. Bloemen in okselstandige of eindstandige schermen of
aren. Meeldraden buiten de buis uitstekend; vruchtbeginsel 2-hokkig 4
4a. Bloemen in groepen in de bladoksels gezeten, 5- of meertallig
Coffea.
4b. Bloemen in een eindelingsche pluim of scherm, 4-tallig
Ixora. F a j a - l o b b i e .
5a. Kleine kruiden of heesters met zeer
kleine bloemen die in groepen in de bladoksels zitten of in kleine hoofdjes
aan het eind van den stengel en rondom den stengel zitten. Bladeren steeds
klein, (hoogstens eenige c.M. lang). Steunbladeren tot een scheede
vergroeid, die aan den rand met lange tanden of haren bezet is. Vrucht een
tweezadige doosvrucht of in 2 stukken uiteenvallend 6
5b. Groote heesters of boomen met groote of vrij groote bladeren en groote
bloemen. Vrucht 1-zadig, of indien zij meerzadig is, dan niet openspringend
11
6a. Doosvrucht met een deksel openspringend
7
6b. Doosvrucht 2-hokkig, met 2 kleppen openspringend of in 2
stukken uiteenvallend 8
7a. Doosvrucht 3-hokkig. Kelkslippen 2, vrij of aan de basis vergroeid.
Helmknoppen behaard. Bloemen in hoofdjes met vliezige schutbladeren
1b. Vruchtbeginsel met 2 tot meer zaadknoppen in ieder hokje 21
2a. Bloemkroonslippen in den knop gedraaid of met de randen over elkaar
liggend 3
2b. Bloemkroonslippen in den knop met de randen tegen elkaar liggend
5
3a. Bloemen in okselstandige één- of tweemaal vorksgewijs
gedeelde bloeiwijzen, waarvan de takken aarvormig zijn en eenzijdig
bloemen dragen. Kelk afvallend na de bloei. Bloemkroon met lange buis.
Meeldraden in de bloemkroon ingesloten. Vruchtbeginsel 4–9-hokkig
Guettarda.
3b. Bloemen in okselstandige of eindstandige schermen of
aren. Meeldraden buiten de buis uitstekend; vruchtbeginsel 2-hokkig 4
4a. Bloemen in groepen in de bladoksels gezeten, 5- of meertallig
Coffea.
4b. Bloemen in een eindelingsche pluim of scherm, 4-tallig
Ixora. F a j a - l o b b i e .
5a. Kleine kruiden of heesters met zeer
kleine bloemen die in groepen in de bladoksels zitten of in kleine hoofdjes
aan het eind van den stengel en rondom den stengel zitten. Bladeren steeds
klein, (hoogstens eenige c.M. lang). Steunbladeren tot een scheede
vergroeid, die aan den rand met lange tanden of haren bezet is. Vrucht een
tweezadige doosvrucht of in 2 stukken uiteenvallend 6
5b. Groote heesters of boomen met groote of vrij groote bladeren en groote
bloemen. Vrucht 1-zadig, of indien zij meerzadig is, dan niet openspringend
11
6a. Doosvrucht met een deksel openspringend
7
6b. Doosvrucht 2-hokkig, met 2 kleppen openspringend of in 2
stukken uiteenvallend 8
7a. Doosvrucht 3-hokkig. Kelkslippen 2, vrij of aan de basis vergroeid.
Helmknoppen behaard. Bloemen in hoofdjes met vliezige schutbladeren
Page 308
stijf behaard Perama.
7b. Doosvrucht 2-hokkig. Kelkslippen 4, ongelijk. Hoofdjes met
droogvliezige bloemsteelblaadjes. Habitus als de vorige Mitracarpus.
8a. Doosvrucht in 2 stukken uiteenvallend 9
8b. Doosvrucht met kleppen openspringend 10
9a. Stukken van de doosvrucht gesloten blijvend. Kelkslippen 2 of 4 aan de
basis vergroeid. Bloemkroon trechtervormig, 4-lobbig. Bloemen in
okselstandige schijnkransen. Bladeren smal, meest ruw Diodia.
9b. Stukken van de doosvrucht aan de binnenzijde geopend. Kelkslippen 4,
aan de basis hoog vergroeid. Overigens als de vorige Hemidiodia.
10a. Een van de beide kleppen van de doosvrucht laat van het middenschot
los, de andere blijft gesloten. Kelkslippen 4, aan de basis verbonden.
Meeldraden beneden in de buis van de bloemkroon ingehecht
Spermacoce.
10b. Beide kleppen van de doosvrucht laten van het
middenschot los en springen open. Kelkslippen 2 of 4, meer of minder met
elkaar vergroeid. Meeldraden meest boven in de buis ingehecht. Habitus als
Diodia Borreria.
11a. Vruchtbeginsel bovenstandig. Kelk 4–5-tandig of 4–5-lobbig.
Bloemkroon stervormig, van binnen behaard. Meeldraden boven in de buis
vastgehecht. Stijl 2-deelig. Boomen en heesters met leerachtige bladeren,
met zeer stijl opgerichte zijnerven. Bloemen dicht bij elkaar zittend, in
groepen Pagamea.
11b. Vruchtbeginsel onderstandig 12
12a. Heesters met dorens. Bloemkroon en kelk 5-tallig, de bloemkroonbuis
zeer lang, van buiten behaard met lange en spitse slippen. Bloemen in korte
trossen; bladeren meest groepsgewijs bijeenzittend aan korte takken
Anisomeris.
7b. Doosvrucht 2-hokkig. Kelkslippen 4, ongelijk. Hoofdjes met
droogvliezige bloemsteelblaadjes. Habitus als de vorige Mitracarpus.
8a. Doosvrucht in 2 stukken uiteenvallend 9
8b. Doosvrucht met kleppen openspringend 10
9a. Stukken van de doosvrucht gesloten blijvend. Kelkslippen 2 of 4 aan de
basis vergroeid. Bloemkroon trechtervormig, 4-lobbig. Bloemen in
okselstandige schijnkransen. Bladeren smal, meest ruw Diodia.
9b. Stukken van de doosvrucht aan de binnenzijde geopend. Kelkslippen 4,
aan de basis hoog vergroeid. Overigens als de vorige Hemidiodia.
10a. Een van de beide kleppen van de doosvrucht laat van het middenschot
los, de andere blijft gesloten. Kelkslippen 4, aan de basis verbonden.
Meeldraden beneden in de buis van de bloemkroon ingehecht
Spermacoce.
10b. Beide kleppen van de doosvrucht laten van het
middenschot los en springen open. Kelkslippen 2 of 4, meer of minder met
elkaar vergroeid. Meeldraden meest boven in de buis ingehecht. Habitus als
Diodia Borreria.
11a. Vruchtbeginsel bovenstandig. Kelk 4–5-tandig of 4–5-lobbig.
Bloemkroon stervormig, van binnen behaard. Meeldraden boven in de buis
vastgehecht. Stijl 2-deelig. Boomen en heesters met leerachtige bladeren,
met zeer stijl opgerichte zijnerven. Bloemen dicht bij elkaar zittend, in
groepen Pagamea.
11b. Vruchtbeginsel onderstandig 12
12a. Heesters met dorens. Bloemkroon en kelk 5-tallig, de bloemkroonbuis
zeer lang, van buiten behaard met lange en spitse slippen. Bloemen in korte
trossen; bladeren meest groepsgewijs bijeenzittend aan korte takken
Anisomeris.
Page 309
12b. Planten zonder dorens 13
13a. Bloeiwijzen dichtgedrongen, bloemen in hoofdjes, omgeven door
talrijke groote of kleine schutbladeren 14
13b. Bloeiwijzen niet hoofdjes-vormig, zonder groote schutbladeren 15
14a. Kleine en teere, op den bodem kruipende kruiden met langgesteelde
hart- of niervormige bladeren. Kelk kort, 4–7-tandig, blijvend. Bloemkroon
buis- tot trechtervormig met behaarde mond. Meeldraden 4–7, in de buis
ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Zaden aan de buikzijde vlak, zonder
groef Geophila.
14b. Krachtige meest rechtopstaande heesterachtige kruiden of heesters.
Bloemen als de vorige, doch vruchtbeginsel soms 3–4-hokkig. Bladeren
niet hart- of niervormig. Zaden aan de buikzijde met een diepe groef
Uragoga.
14c. Bloemen in dichte bolvormige hoofdjes, met de
vruchtbeginsels vergroeid; elk vruchtbeginsel 4-hokkig. Kelk bekervormig,
nauwelijks getand. Vrucht tot een vleezige verzamelvrucht vereenigd met
meerdere pitten die soms in groepen van 4 bij elkaar zitten. Boomen of
heesters met meest kruisgewijs tegenoverstaande bladeren Morinda.
15a. Zaden in de vrucht met het worteltje naar boven gericht. Zaadknoppen
boven in de hokjes van het vruchtbeginsel bevestigd, hangend. Kelk zeer
kort, 4-tandig of 4-lobbig, blijvend. Bloemkroon trechtervormig of
stervormig met korte buis, in de mond en van binnen op de slippen dicht
behaard. Helmknoppen uit de buis uitstekend. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl
kort 2-spletig. Klimmende heesters met leerachtige bladeren. Bloemen
klein, in pluimen met tegenoverstaande takken Malanea.
15b. Zaden met het worteltje naar beneden. Zaadknoppen onder in het
vruchtbeginsel ingehecht, rechtopstaand 16
16a. Vruchtbeginsel 1-hokkig of 2-hokkig, maar dan is het tusschenschot
zeer dun, in ieder geval veel dunner dan de wand van het vruchtbeginsel
17
13a. Bloeiwijzen dichtgedrongen, bloemen in hoofdjes, omgeven door
talrijke groote of kleine schutbladeren 14
13b. Bloeiwijzen niet hoofdjes-vormig, zonder groote schutbladeren 15
14a. Kleine en teere, op den bodem kruipende kruiden met langgesteelde
hart- of niervormige bladeren. Kelk kort, 4–7-tandig, blijvend. Bloemkroon
buis- tot trechtervormig met behaarde mond. Meeldraden 4–7, in de buis
ingehecht. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Zaden aan de buikzijde vlak, zonder
groef Geophila.
14b. Krachtige meest rechtopstaande heesterachtige kruiden of heesters.
Bloemen als de vorige, doch vruchtbeginsel soms 3–4-hokkig. Bladeren
niet hart- of niervormig. Zaden aan de buikzijde met een diepe groef
Uragoga.
14c. Bloemen in dichte bolvormige hoofdjes, met de
vruchtbeginsels vergroeid; elk vruchtbeginsel 4-hokkig. Kelk bekervormig,
nauwelijks getand. Vrucht tot een vleezige verzamelvrucht vereenigd met
meerdere pitten die soms in groepen van 4 bij elkaar zitten. Boomen of
heesters met meest kruisgewijs tegenoverstaande bladeren Morinda.
15a. Zaden in de vrucht met het worteltje naar boven gericht. Zaadknoppen
boven in de hokjes van het vruchtbeginsel bevestigd, hangend. Kelk zeer
kort, 4-tandig of 4-lobbig, blijvend. Bloemkroon trechtervormig of
stervormig met korte buis, in de mond en van binnen op de slippen dicht
behaard. Helmknoppen uit de buis uitstekend. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl
kort 2-spletig. Klimmende heesters met leerachtige bladeren. Bloemen
klein, in pluimen met tegenoverstaande takken Malanea.
15b. Zaden met het worteltje naar beneden. Zaadknoppen onder in het
vruchtbeginsel ingehecht, rechtopstaand 16
16a. Vruchtbeginsel 1-hokkig of 2-hokkig, maar dan is het tusschenschot
zeer dun, in ieder geval veel dunner dan de wand van het vruchtbeginsel
17
Page 310
16b. Vruchtbeginsel 2- (zelden meer-)hokkig; tusschenschot even dik als de
wand van het vruchtbeginsel 18
17a. Tusschenschot dun, na den bloei verdwijnend. Zaad loodrecht in de
vrucht staande met den kiem op den bodem. Kelk min of meer
bekervormig, zonder lobben of kort 4-lobbig. Bloemkroon trechtervormig,
van binnen kaal. Boomen of heesters Coussarea.
17b. Tusschenschot geheel ontbrekend. Zaad in de vrucht liggend, van
onderen uitgehold met zijdelingschen kiem. Overigens als de vorige
Faramea.
18a. Zaad aan de buikzijde vlak, ongegroefd. Kelk kort-5-
tandig. Bloemkroon trechtervormig, met vaak naar binnen gebogen of met
een klein hoorntje voorziene slippen, van binnen behaard. Vruchtbeginsel
2-, zelden meerhokkig. Vrucht een 2–5-hokkige steenvrucht. Boomen of
heesters Mapouria.
18b. Zaad aan de buikzijde met een groef 19
19a. Bloemkroon gekromd, buis- of trechtervormig, aan één zijde meest
met een kleine knobbel. Kelk beker- of klokvormig, 5-lobbig of met gave
zoom. Vrucht met 2 (soms 3–5) pitten. Heesters Palicourea.
19b. Bloemkroonbuis recht 20
20a. Zaden aan de kanten ingerold en van binnen met een dwarse
uitholling. Kelkbladeren 4–5, in verschillende hoogte vergroeid.
Bloemkroonbuis meest kort, in de mond behaard, de slippen vaak aan den
top naar binnen gebogen en met een hoorntje voorzien. Vrucht met 2 pitten.
Heesters of boomen Rudgea.
20b. Zaden zonder plooien in het kiemwit. Kelk kort, meest 5-tandig.
Bloemkroonbuis van zeer verschillende lengte. Vrucht met 2 (zelden 3–5)
pitten. Boomen of heesters Psychotria.
21a. Vrucht een doosvrucht 22
wand van het vruchtbeginsel 18
17a. Tusschenschot dun, na den bloei verdwijnend. Zaad loodrecht in de
vrucht staande met den kiem op den bodem. Kelk min of meer
bekervormig, zonder lobben of kort 4-lobbig. Bloemkroon trechtervormig,
van binnen kaal. Boomen of heesters Coussarea.
17b. Tusschenschot geheel ontbrekend. Zaad in de vrucht liggend, van
onderen uitgehold met zijdelingschen kiem. Overigens als de vorige
Faramea.
18a. Zaad aan de buikzijde vlak, ongegroefd. Kelk kort-5-
tandig. Bloemkroon trechtervormig, met vaak naar binnen gebogen of met
een klein hoorntje voorziene slippen, van binnen behaard. Vruchtbeginsel
2-, zelden meerhokkig. Vrucht een 2–5-hokkige steenvrucht. Boomen of
heesters Mapouria.
18b. Zaad aan de buikzijde met een groef 19
19a. Bloemkroon gekromd, buis- of trechtervormig, aan één zijde meest
met een kleine knobbel. Kelk beker- of klokvormig, 5-lobbig of met gave
zoom. Vrucht met 2 (soms 3–5) pitten. Heesters Palicourea.
19b. Bloemkroonbuis recht 20
20a. Zaden aan de kanten ingerold en van binnen met een dwarse
uitholling. Kelkbladeren 4–5, in verschillende hoogte vergroeid.
Bloemkroonbuis meest kort, in de mond behaard, de slippen vaak aan den
top naar binnen gebogen en met een hoorntje voorzien. Vrucht met 2 pitten.
Heesters of boomen Rudgea.
20b. Zaden zonder plooien in het kiemwit. Kelk kort, meest 5-tandig.
Bloemkroonbuis van zeer verschillende lengte. Vrucht met 2 (zelden 3–5)
pitten. Boomen of heesters Psychotria.
21a. Vrucht een doosvrucht 22
Page 311
21b. Vrucht een bes 26
22a. Bloemen in bolvormige hoofdjes, aan het eind van lange steelen, te
zamen tot een bloeiwijze vereenigd. Planten klimmend door middel van
haken, die in de bladoksels staan Uncaria. (Ourouparia).
22b. Bloemen niet in dergelijke hoofdjes. Planten niet met haken klimmend
23
23a. Kruidachtige klimplanten. Kelkslippen 4–8, blijvend, soms
bladachtig. Bloemkroon meest vuurrood. Doosvrucht met 2 kleppen
openspringend met talrijke gevleugelde zaden Manettia.
23b. Planten niet klimmend 24
24a. Bloemen zeer groot, meer dan 4 c.M. lang, 6-tallig; alleenstaand.
Epiphyten met groote doosvruchten; zaden gevleugeld Hillia.
24b. Bloemen veel kleiner, hoogstens 1 c.M. groot, niet 6-tallig. Planten
niet epiphytisch levend 25
25a. Kleine kruiden met kleine korte witte bloemen. Kelk 4-tandig
blijvend. Bloemen gesteeld in groepen of kleine bloeiwijzen in de
bladoksels. Doosvrucht Oldenlandia.
25b. Kruiden met een vrij lange buisvormige en 5-tallige bloemkroon. Kelk
met 5 slippen. Bloemen vaak in dichte groepen staand Sipanea.
26a. Slippen van den bloemkroon met de randen tegen elkaar liggend
27
26b. Slippen van den bloemkroon met de randen over elkaar
liggend 30
27a. Bloeiwijzen aan het eind van den stengel 28
27b. Bloeiwijzen in de bladoksels 29
28a. Bloeiwijzen een pluim, min of meer gedrongen. Kelk kort, blijvend.
Bloemkroon buisvormig, soms zeer lang, met korte zoom, in de keel dicht
22a. Bloemen in bolvormige hoofdjes, aan het eind van lange steelen, te
zamen tot een bloeiwijze vereenigd. Planten klimmend door middel van
haken, die in de bladoksels staan Uncaria. (Ourouparia).
22b. Bloemen niet in dergelijke hoofdjes. Planten niet met haken klimmend
23
23a. Kruidachtige klimplanten. Kelkslippen 4–8, blijvend, soms
bladachtig. Bloemkroon meest vuurrood. Doosvrucht met 2 kleppen
openspringend met talrijke gevleugelde zaden Manettia.
23b. Planten niet klimmend 24
24a. Bloemen zeer groot, meer dan 4 c.M. lang, 6-tallig; alleenstaand.
Epiphyten met groote doosvruchten; zaden gevleugeld Hillia.
24b. Bloemen veel kleiner, hoogstens 1 c.M. groot, niet 6-tallig. Planten
niet epiphytisch levend 25
25a. Kleine kruiden met kleine korte witte bloemen. Kelk 4-tandig
blijvend. Bloemen gesteeld in groepen of kleine bloeiwijzen in de
bladoksels. Doosvrucht Oldenlandia.
25b. Kruiden met een vrij lange buisvormige en 5-tallige bloemkroon. Kelk
met 5 slippen. Bloemen vaak in dichte groepen staand Sipanea.
26a. Slippen van den bloemkroon met de randen tegen elkaar liggend
27
26b. Slippen van den bloemkroon met de randen over elkaar
liggend 30
27a. Bloeiwijzen aan het eind van den stengel 28
27b. Bloeiwijzen in de bladoksels 29
28a. Bloeiwijzen een pluim, min of meer gedrongen. Kelk kort, blijvend.
Bloemkroon buisvormig, soms zeer lang, met korte zoom, in de keel dicht
Page 312
behaard, 4–6-tallig. Bessen met 4–6 pitten. Heesters of boomen, met meest
behaarde bladeren Isertia.
28b. Bloeiwijze verlengd tot een losse aar. Kelk bekervormig. Bloemkroon
trechter- of schotelvormig, van boven meest verwijd. Vruchtbeginsel 2–4-
hokkig. Bes bolvormig met 2–4 meerzadige pitten, vaak maar weinig
vleezig Gonzalagunia.
29a. Kleine kruipende kruiden. Kelkslippen 4 (zelden 5) bijna tot aan de
basis vrij, blijvend. Bloemkroon trechtervormig, in den keel behaard.
Vruchtbeginsel 2-hokkig, stijl 2-spletig. Vrucht bolvormig. Bloemen dicht
gedrongen aan het eind van de steel Coccocypselum.
29b. Klimmende forsche kruiden met dichte beharing. Kelkslippen 4–5,
nogal breed en groot. Vruchtbeginsel 3–5-hokkig; stijl 3–5-spletig
Sabicea.
30a. Bloemkroon met een opvallend lange buis, van 5 tot 25
c.M.; bloemen tweeslachtig 31
30b. Bloemen klein, hoogstens 2 c.M. groot; bloemen meest éénslachtig
34
31a. Bloemknoppen scheef ten opzichte van de buis, daardoor de
bloem een weinig zijdelings-symmetrisch. Kelk 5-tandig, van binnen met
klieren. Helmknoppen buiten de buis uitstekend. Vruchten eirond met
leerachtige schil, van binnen sappig Posoqueria.
31b. Bloemen geheel regelmatig 32
32a. Bloemen alleenstaand en eindelingsch 33
32b. Bloemen in veelbloemige bijschermen. Kelk klein, bekervormig, 5-
tandig, blijvend. Bloemkroonbuis zeer lang. Meeldraden weinig uit de buis
uitstekend. Stijl even lang als de buis Tocoyena.
33a. Vruchtbeginsel 1-hokkig; kelkslippen meestal 5, spits en smal, aan den
voet verbonden. Kroon 2–3 maal zoo groot als de kelk met 5–6, een weinig
behaarde bladeren Isertia.
28b. Bloeiwijze verlengd tot een losse aar. Kelk bekervormig. Bloemkroon
trechter- of schotelvormig, van boven meest verwijd. Vruchtbeginsel 2–4-
hokkig. Bes bolvormig met 2–4 meerzadige pitten, vaak maar weinig
vleezig Gonzalagunia.
29a. Kleine kruipende kruiden. Kelkslippen 4 (zelden 5) bijna tot aan de
basis vrij, blijvend. Bloemkroon trechtervormig, in den keel behaard.
Vruchtbeginsel 2-hokkig, stijl 2-spletig. Vrucht bolvormig. Bloemen dicht
gedrongen aan het eind van de steel Coccocypselum.
29b. Klimmende forsche kruiden met dichte beharing. Kelkslippen 4–5,
nogal breed en groot. Vruchtbeginsel 3–5-hokkig; stijl 3–5-spletig
Sabicea.
30a. Bloemkroon met een opvallend lange buis, van 5 tot 25
c.M.; bloemen tweeslachtig 31
30b. Bloemen klein, hoogstens 2 c.M. groot; bloemen meest éénslachtig
34
31a. Bloemknoppen scheef ten opzichte van de buis, daardoor de
bloem een weinig zijdelings-symmetrisch. Kelk 5-tandig, van binnen met
klieren. Helmknoppen buiten de buis uitstekend. Vruchten eirond met
leerachtige schil, van binnen sappig Posoqueria.
31b. Bloemen geheel regelmatig 32
32a. Bloemen alleenstaand en eindelingsch 33
32b. Bloemen in veelbloemige bijschermen. Kelk klein, bekervormig, 5-
tandig, blijvend. Bloemkroonbuis zeer lang. Meeldraden weinig uit de buis
uitstekend. Stijl even lang als de buis Tocoyena.
33a. Vruchtbeginsel 1-hokkig; kelkslippen meestal 5, spits en smal, aan den
voet verbonden. Kroon 2–3 maal zoo groot als de kelk met 5–6, een weinig
Page 313
scheeve slippen. Meeldraden aan den mond van de buis ingehecht. Vrucht
lang en dun Gardenia.
33b. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Overigens als de vorige, doch de
kroonslippen kleiner ten opzichte van de lengte van de buis en de vrucht
eirond Randia.
34a. Bloemen tweeslachtig 35
34b. Bloemen eenslachtig 37
35a. Bloeiwijze dicht bij den top der stengels maar toch duidelijk zijdelings
staande; kelk bekervormig met zeer kleine tanden. Bloemkroon van buiten
en van binnen behaard, leerachtig. Stijl lang, toegespitst. Vrucht eirond, van
buiten leerachtig, van binnen sappig Genipa. T a p o e r i p a .
35b. Bloeiwijze een tros of pluim, duidelijk eindstandig 36
36a. Kelk met zeer kleine tanden. Bloemkroon met groote, meest
teruggeslagen slippen. Helmknoppen aan den voet verbreed. Vruchtbeginsel
5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje. Stijl aan den top kort 5-lobbig.
Vrucht met 5 eenzadige pitten. Bloemen in lange of korte trossen
Retiniphyllum.
36b. Kelk bekervormig 5-tandig. Bloemkroonslippen
spits en smal. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl aan den top 2-spletig. Vrucht
met 10 ribben. Bloemen in een pluim, wit Bertiera.
37a. Steunbladeren spits. Kelk met korte tanden. Bloemkroon van buiten
slechts weinig behaard. Meeldraden in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel
2–5-hokkig; stijl met 2–5 takken. Vrucht een bes Alibertia.
37b. Steunbladeren reeds vroeg afvallend zoodat er slechts een smalle rand
overblijft 38
38a. Mannelijke en vrouwelijke bloemen in bijschermen. Bloemen 6- tot
meertallig. Bloemkroonbuis van buiten dun behaard. Meeldraden in de ♀
lang en dun Gardenia.
33b. Vruchtbeginsel 2-hokkig. Overigens als de vorige, doch de
kroonslippen kleiner ten opzichte van de lengte van de buis en de vrucht
eirond Randia.
34a. Bloemen tweeslachtig 35
34b. Bloemen eenslachtig 37
35a. Bloeiwijze dicht bij den top der stengels maar toch duidelijk zijdelings
staande; kelk bekervormig met zeer kleine tanden. Bloemkroon van buiten
en van binnen behaard, leerachtig. Stijl lang, toegespitst. Vrucht eirond, van
buiten leerachtig, van binnen sappig Genipa. T a p o e r i p a .
35b. Bloeiwijze een tros of pluim, duidelijk eindstandig 36
36a. Kelk met zeer kleine tanden. Bloemkroon met groote, meest
teruggeslagen slippen. Helmknoppen aan den voet verbreed. Vruchtbeginsel
5-hokkig met 2 zaadknoppen in ieder hokje. Stijl aan den top kort 5-lobbig.
Vrucht met 5 eenzadige pitten. Bloemen in lange of korte trossen
Retiniphyllum.
36b. Kelk bekervormig 5-tandig. Bloemkroonslippen
spits en smal. Vruchtbeginsel 2-hokkig; stijl aan den top 2-spletig. Vrucht
met 10 ribben. Bloemen in een pluim, wit Bertiera.
37a. Steunbladeren spits. Kelk met korte tanden. Bloemkroon van buiten
slechts weinig behaard. Meeldraden in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel
2–5-hokkig; stijl met 2–5 takken. Vrucht een bes Alibertia.
37b. Steunbladeren reeds vroeg afvallend zoodat er slechts een smalle rand
overblijft 38
38a. Mannelijke en vrouwelijke bloemen in bijschermen. Bloemen 6- tot
meertallig. Bloemkroonbuis van buiten dun behaard. Meeldraden in de ♀
Page 314
bloem zonder stuifmeel, in de buis ingesloten. Vruchtbeginsel 2-hokkig.
Vrucht een eetbare bes Amajoua. M a r m e l d o o s .
38b. Mannelijke bloemen in bijschermen, vrouwelijke alleenstaand of 2
aan 2. Bloemen als de vorige doch de buis van buiten met lange haren
bedekt. Vrucht eetbaar Duroia, B o s c h - m a r m e l d o o s .
271. Caprifoliaceae.
Bloemen meest 5-tallig, met vergroeide bloemkroon. Vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-
hokkig met 1 tot meer zaadknoppen in ieder hokje. Stijlen één of meer. Vrucht een bes of
een steenvrucht. Bladeren meest tegenoverstaand.
Boomen of heesters met vindeelige tot gevinde bladeren. Bloemen in
enkelvoudige tot samengestelde schermen. Bloemkroon wit, stervormig.
Vrucht een steenvrucht Sambucus. V l i e r .
Orde: Campanulatae.
275. Cucurbitaceae.
Bloemen 5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; bloemas
bekervormig, kelk vergroeidbladig; bloembladeren 5; meeldraden 5, op de rand van de
bloemas ingehecht, twee aan twee met elkaar verbonden of alle 5 tot één centrale groep
vereenigd; vruchtbeginsel onderstandig, meest 3-hokkig, meest met 2 zaadlijsten in ieder
hokje met vele zaadknoppen; stijl 1, met 3 takken; meest kruiden, die met ranken klimmen,
met verspreide, enkelvoudige of gelobde bladeren.
1a. Mannelijke bloemen voorhanden, of (in de 1-huizige soorten) ook ♀
bloemen 2
1b. Alleen vrouwelijke bloemen en vruchten voorhanden (tweehuizige
soorten) 13
2a. Meeldraden 2 3
Vrucht een eetbare bes Amajoua. M a r m e l d o o s .
38b. Mannelijke bloemen in bijschermen, vrouwelijke alleenstaand of 2
aan 2. Bloemen als de vorige doch de buis van buiten met lange haren
bedekt. Vrucht eetbaar Duroia, B o s c h - m a r m e l d o o s .
271. Caprifoliaceae.
Bloemen meest 5-tallig, met vergroeide bloemkroon. Vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-
hokkig met 1 tot meer zaadknoppen in ieder hokje. Stijlen één of meer. Vrucht een bes of
een steenvrucht. Bladeren meest tegenoverstaand.
Boomen of heesters met vindeelige tot gevinde bladeren. Bloemen in
enkelvoudige tot samengestelde schermen. Bloemkroon wit, stervormig.
Vrucht een steenvrucht Sambucus. V l i e r .
Orde: Campanulatae.
275. Cucurbitaceae.
Bloemen 5-tallig, zelden tweeslachtig, meest éénslachtig, regelmatig; bloemas
bekervormig, kelk vergroeidbladig; bloembladeren 5; meeldraden 5, op de rand van de
bloemas ingehecht, twee aan twee met elkaar verbonden of alle 5 tot één centrale groep
vereenigd; vruchtbeginsel onderstandig, meest 3-hokkig, meest met 2 zaadlijsten in ieder
hokje met vele zaadknoppen; stijl 1, met 3 takken; meest kruiden, die met ranken klimmen,
met verspreide, enkelvoudige of gelobde bladeren.
1a. Mannelijke bloemen voorhanden, of (in de 1-huizige soorten) ook ♀
bloemen 2
1b. Alleen vrouwelijke bloemen en vruchten voorhanden (tweehuizige
soorten) 13
2a. Meeldraden 2 3
Page 315
2b. Meeldraden 3 5
3a. Meeldraden in den mond van de kelkbuis ingehecht. Bloemen in
trossen. Kelkbuis lang en dun met 5 kleine teruggeslagen tanden. Kroon 5-
deelig. Rudiment van het vruchtbeginsel dun en draadvormig
Helmontia.
3b. Meeldraden op de wand van de kelkbuis ingehecht
4
4a. Kelk groen, met een korte 5-tandige zoom. Bloembladeren breed,
vliezig, rond of eirond, rood, aan de basis sterk versmald. Bloemen in korte
dichte trossen aan het eind van een lange steel. Rudiment van een
vruchtbeginsel ontbrekend Anguria.
4b. Kelk rood of oranje gekleurd met groote 5-deelige zoom.
Bloembladeren klein, meest smal, bleekgeel, niet aan den basis plotseling
versmald. Overigens als de vorige Gurania.
5a. Helmknoppen recht of een weinig gebogen, niet gewonden. Planten
eenhuizig. Bloemen in trossen of pluimen. Kelk klokvormig met 5 korte
tanden; bloemkroon diep 5-deelig. Rudimentair vruchtbeginsel aanwezig;
vrouwelijke bloemen alleenstaand, meest langgesteeld, met 3 staminodiën.
Vruchtbeginsel rond of langwerpig. Stijl aan den basis met een ringvormige
schijf, met 3 stempels. Vrucht een kleine eironde of lange bes
Melothria.
5b. Helmknoppen gewonden of saamgevouwen
6
6a. Kroon stervormig tot dicht bij de basis (d. i. bij de kelkslippen) 5-
deelig of 5-bladig 7
6b. Kroon klokvormig, hoogstens tot aan het midden 5-lobbig 12
7a. Helmdraden tot een zuil vergroeid, die van boven de 3 sterk gewonden
helmknoppen draagt. Bloemen in trossen. Kelk met een klokvormige buis
en 5 smalle tanden, kroon wit, diep 5-deelig. Vrouwelijke bloemen
alleenstaand of 2 aan 2 met een langwerpig, sterk gestekeld vruchtbeginsel;
stijl kort met knopvormige stempel. Vrucht gestekeld aan den top met 2
gaten openspringend Echinocystis.
3a. Meeldraden in den mond van de kelkbuis ingehecht. Bloemen in
trossen. Kelkbuis lang en dun met 5 kleine teruggeslagen tanden. Kroon 5-
deelig. Rudiment van het vruchtbeginsel dun en draadvormig
Helmontia.
3b. Meeldraden op de wand van de kelkbuis ingehecht
4
4a. Kelk groen, met een korte 5-tandige zoom. Bloembladeren breed,
vliezig, rond of eirond, rood, aan de basis sterk versmald. Bloemen in korte
dichte trossen aan het eind van een lange steel. Rudiment van een
vruchtbeginsel ontbrekend Anguria.
4b. Kelk rood of oranje gekleurd met groote 5-deelige zoom.
Bloembladeren klein, meest smal, bleekgeel, niet aan den basis plotseling
versmald. Overigens als de vorige Gurania.
5a. Helmknoppen recht of een weinig gebogen, niet gewonden. Planten
eenhuizig. Bloemen in trossen of pluimen. Kelk klokvormig met 5 korte
tanden; bloemkroon diep 5-deelig. Rudimentair vruchtbeginsel aanwezig;
vrouwelijke bloemen alleenstaand, meest langgesteeld, met 3 staminodiën.
Vruchtbeginsel rond of langwerpig. Stijl aan den basis met een ringvormige
schijf, met 3 stempels. Vrucht een kleine eironde of lange bes
Melothria.
5b. Helmknoppen gewonden of saamgevouwen
6
6a. Kroon stervormig tot dicht bij de basis (d. i. bij de kelkslippen) 5-
deelig of 5-bladig 7
6b. Kroon klokvormig, hoogstens tot aan het midden 5-lobbig 12
7a. Helmdraden tot een zuil vergroeid, die van boven de 3 sterk gewonden
helmknoppen draagt. Bloemen in trossen. Kelk met een klokvormige buis
en 5 smalle tanden, kroon wit, diep 5-deelig. Vrouwelijke bloemen
alleenstaand of 2 aan 2 met een langwerpig, sterk gestekeld vruchtbeginsel;
stijl kort met knopvormige stempel. Vrucht gestekeld aan den top met 2
gaten openspringend Echinocystis.
Page 316
7b. Helmdraden niet tot een zuil vergroeid 8
8a. Bladsteelen van boven met 2 klieren. Bloemen wit, steeds alleenstaand.
Kelk klokvormig met 5 smalle en kleine slippen. Bloembladen 5, vrij.
Meeldraden 3, in de kelkbuis ingehecht. Eén van de helmknoppen
éénhokkig, de beide andere 2-hokkig. Vrouwelijke bloemen met een korte
stijl en drie 2-lobbige stempels. Vrucht van buiten houtig
Lagenaria. F l e s c h - k a l e b a s .
8b. Bladsteelen zonder klier bij de
bladvoet. Bloemen geel 9
9a. Helmknoppen vrij, aan den top met een bladachtig aanhangsel. ♂
bloemen in trossen, zelden alleenstaand. Kroon 5-deelig. Helmdraden zeer
kort. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 staminodiën. Stijl 1, kort met
3–5 stompe stempels. Vrucht zeer verschillend van vorm Cucumis.
9b. Helmknoppen niet met een bladachtig aanhangsel aan den top 10
10a. Kelk van binnen met 2 of 3 langwerpige en gebogen schubben.
Mannelijke bloemen alleenstaand met een lange bloemsteel, kelkslippen
eirond tot lancetvormig; kroon een weinig onregelmatig. Vrouwelijke
bloemen alleenstaand op een lange steel; vruchtbeginsel langwerpig
gestekeld, vrucht met knobbels Momordica.
10b. Kelk van binnen zonder schubben 11
11a. Mannelijke bloemen in trossen. Bloembladeren 5, vrij, eirond of een
weinig hartvormig. Meeldraden 3, soms 4 of 5, onder in de kelkbuis
ingehecht. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 (soms 4 of 5)
staminodiën. Vruchtbeginsel lang en gegroefd of cylindrisch. Stijl met drie
2-lobbige stempels. Vrucht bij rijpheid droog, van binnen vezelig, met een
deksel openspringend Luffa.
11b. Mannelijke bloemen alleenstaand, zelden groepsgewijs bij elkaar,
kortgesteeld. Kelkbuis wijd-klokvormig met 5 smalle slippen. Kroon diep
5-deelig met stompe slippen. Vrouwelijke bloemen kortgesteeld met 3 korte
8a. Bladsteelen van boven met 2 klieren. Bloemen wit, steeds alleenstaand.
Kelk klokvormig met 5 smalle en kleine slippen. Bloembladen 5, vrij.
Meeldraden 3, in de kelkbuis ingehecht. Eén van de helmknoppen
éénhokkig, de beide andere 2-hokkig. Vrouwelijke bloemen met een korte
stijl en drie 2-lobbige stempels. Vrucht van buiten houtig
Lagenaria. F l e s c h - k a l e b a s .
8b. Bladsteelen zonder klier bij de
bladvoet. Bloemen geel 9
9a. Helmknoppen vrij, aan den top met een bladachtig aanhangsel. ♂
bloemen in trossen, zelden alleenstaand. Kroon 5-deelig. Helmdraden zeer
kort. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 staminodiën. Stijl 1, kort met
3–5 stompe stempels. Vrucht zeer verschillend van vorm Cucumis.
9b. Helmknoppen niet met een bladachtig aanhangsel aan den top 10
10a. Kelk van binnen met 2 of 3 langwerpige en gebogen schubben.
Mannelijke bloemen alleenstaand met een lange bloemsteel, kelkslippen
eirond tot lancetvormig; kroon een weinig onregelmatig. Vrouwelijke
bloemen alleenstaand op een lange steel; vruchtbeginsel langwerpig
gestekeld, vrucht met knobbels Momordica.
10b. Kelk van binnen zonder schubben 11
11a. Mannelijke bloemen in trossen. Bloembladeren 5, vrij, eirond of een
weinig hartvormig. Meeldraden 3, soms 4 of 5, onder in de kelkbuis
ingehecht. Vrouwelijke bloemen alleenstaand met 3 (soms 4 of 5)
staminodiën. Vruchtbeginsel lang en gegroefd of cylindrisch. Stijl met drie
2-lobbige stempels. Vrucht bij rijpheid droog, van binnen vezelig, met een
deksel openspringend Luffa.
11b. Mannelijke bloemen alleenstaand, zelden groepsgewijs bij elkaar,
kortgesteeld. Kelkbuis wijd-klokvormig met 5 smalle slippen. Kroon diep
5-deelig met stompe slippen. Vrouwelijke bloemen kortgesteeld met 3 korte
Page 317
staminodiën. Stijl met drie kort-2-lobbige stempels. Vrucht sappig, niet
openspringend Citrullus. W a t e r m e l o e n .
12a. Bloemen geel of oranje, de mannelijke alleenzittend of in groepen.
Kelk klokvormig met 5 (4–7) lobben. Bloemkroon tot aan het midden 5-
(4–7-) lobbig met teruggeslagen slippen. Helmdraden onder in de kelkbuis
ingehecht; helmknoppen samengekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand
kortgesteeld met 3 korte staminodiën; stijl kort met 3–5 tweelobbige of 2-
spletige stempels. Vrucht vleezig of vezelig niet openspringend, vele zaden
Cucurbita.
12b. Bloemen wit of groenachtig; de mannelijke
alleenstaand of in trossen of groepen. Helmdraden in de kelkbuis ingehecht,
de helmknoppen maar weinig saamgekleefd. Vrouwelijke bloemen
alleenstaand of in groepen; staminodiën 3, zeer klein, draadvormig. Stijl 3-
spletig; schijf ringvormig. Vrucht rond of eirond niet openspringend met 6–
12 zaden Cayaponia.
13a. ♀ bloemen alleenstaand of 2 of 3 bij elkaar. Kelkbuis lang, groen met
5 tanden. Bloembladeren grooter dan de kelktanden, meest vuurrood of
oranjerood. Staminodiën 2. Vruchtbeginsel langwerpig. Stijl draadvormig,
2-spletig; stempels 2, 2-lobbig Anguria.
13b. ♀ bloemen alleenstaand, in groepen of dicht gedrongen aan het eind
van een lange steel. Kelk rood of oranje gekleurd, met vrij groote slippen.
Bloembladeren bleekgeel, kleiner dan de kelkslippen. Staminodiën
ontbrekend; overigens als de vorige Gurania.
N. B. Van Helmontia, die ook 2-huizig is, zijn tot nu toe geen vrouwelijke bloemen bekend.
276. Campanulaceae.
Bloemen meest 5-tallig, zelden 6–10- of 3–4-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig of
zygomorf; bloemkroon meest vergroeidbladig; meeldraden meest 5 met vergroeide
helmknoppen; vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1;
vrucht een doosvrucht, zelden een bes; kruiden, zelden houtige planten meest met
verspreide bladeren en vrij groote bloemen; melksap soms aanwezig.
openspringend Citrullus. W a t e r m e l o e n .
12a. Bloemen geel of oranje, de mannelijke alleenzittend of in groepen.
Kelk klokvormig met 5 (4–7) lobben. Bloemkroon tot aan het midden 5-
(4–7-) lobbig met teruggeslagen slippen. Helmdraden onder in de kelkbuis
ingehecht; helmknoppen samengekleefd. Vrouwelijke bloemen alleenstaand
kortgesteeld met 3 korte staminodiën; stijl kort met 3–5 tweelobbige of 2-
spletige stempels. Vrucht vleezig of vezelig niet openspringend, vele zaden
Cucurbita.
12b. Bloemen wit of groenachtig; de mannelijke
alleenstaand of in trossen of groepen. Helmdraden in de kelkbuis ingehecht,
de helmknoppen maar weinig saamgekleefd. Vrouwelijke bloemen
alleenstaand of in groepen; staminodiën 3, zeer klein, draadvormig. Stijl 3-
spletig; schijf ringvormig. Vrucht rond of eirond niet openspringend met 6–
12 zaden Cayaponia.
13a. ♀ bloemen alleenstaand of 2 of 3 bij elkaar. Kelkbuis lang, groen met
5 tanden. Bloembladeren grooter dan de kelktanden, meest vuurrood of
oranjerood. Staminodiën 2. Vruchtbeginsel langwerpig. Stijl draadvormig,
2-spletig; stempels 2, 2-lobbig Anguria.
13b. ♀ bloemen alleenstaand, in groepen of dicht gedrongen aan het eind
van een lange steel. Kelk rood of oranje gekleurd, met vrij groote slippen.
Bloembladeren bleekgeel, kleiner dan de kelkslippen. Staminodiën
ontbrekend; overigens als de vorige Gurania.
N. B. Van Helmontia, die ook 2-huizig is, zijn tot nu toe geen vrouwelijke bloemen bekend.
276. Campanulaceae.
Bloemen meest 5-tallig, zelden 6–10- of 3–4-tallig, meest tweeslachtig, regelmatig of
zygomorf; bloemkroon meest vergroeidbladig; meeldraden meest 5 met vergroeide
helmknoppen; vruchtbeginsel onderstandig, 2–5-hokkig met vele zaadknoppen; stijl 1;
vrucht een doosvrucht, zelden een bes; kruiden, zelden houtige planten meest met
verspreide bladeren en vrij groote bloemen; melksap soms aanwezig.
Page 318
Kruiden met okselstandige bloemen; vruchtbeginsel onderstandig;
kelkslippen smal; bloemkroon een gekromde buis met zijdelings-
symmetrische zoom; meeldraden 5, met de helmknoppen om den stijl
vergroeid; helmdraden van onderen met de bloemkroon in een buis
vergroeid. Vrucht een bes Centropogon.
280. Compositae.
Bloemen 5-tallig, tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig of zygomorf; kelkbladeren zelden
duidelijk ontwikkeld, meest in de plaats ervan haren of schubben, die een z.g. haarpluis
vormen; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig of lintvormig;
meeldraden in de bloemkroonbuis vastgehecht; de helmdraden meest vrij, de helmknoppen
samenhangend; vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 1 zaadknop en 1 stijl met een
zeer verschillend gevormde stempel; vrucht niet openspringend; kruiden of heesters, zelden
boomen met verspreide, of tegenoverstaande bladeren, en met bloemen, die in hoofdjes of
verkorte aren staan; de hoofdjes met een omwindsel van schutbladeren omgeven; melksap
vaak aanwezig.
1a. Bloemkroon van alle bloemen buisvormig, soms ongelijk van vorm
(lange en korte buizen) 2
1b. Bloemkroon van de middelste bloemen van het hoofdje buisvormig,
van de randbloemen lintvormig, soms zeer klein en weinig opvallend
21
2a. Vruchtpluis aanwezig, soms reeds aan de vrucht afgevallen,
maar dan onder de bloem zichtbaar (Pacourina, Elephanthopus) soms zeer
klein, bekervormig, of slechts uit weinig (tot 2) stekels bestaande 3
2b. Vruchtpluis geheel afwezig 17
3a. Hoofdjes samengesteld d. w. z. meerdere weinigbloemige hoofdjes,
ieder met een eigen omwindsel, zijn vereenigd tot een groep van hoofdjes,
die een gemeenschappelijk omwindsel hebben en op een
gemeenschappelijke bloembodem staan 4
kelkslippen smal; bloemkroon een gekromde buis met zijdelings-
symmetrische zoom; meeldraden 5, met de helmknoppen om den stijl
vergroeid; helmdraden van onderen met de bloemkroon in een buis
vergroeid. Vrucht een bes Centropogon.
280. Compositae.
Bloemen 5-tallig, tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig of zygomorf; kelkbladeren zelden
duidelijk ontwikkeld, meest in de plaats ervan haren of schubben, die een z.g. haarpluis
vormen; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf, 2-lippig of lintvormig;
meeldraden in de bloemkroonbuis vastgehecht; de helmdraden meest vrij, de helmknoppen
samenhangend; vruchtbeginsel onderstandig, 1-hokkig met 1 zaadknop en 1 stijl met een
zeer verschillend gevormde stempel; vrucht niet openspringend; kruiden of heesters, zelden
boomen met verspreide, of tegenoverstaande bladeren, en met bloemen, die in hoofdjes of
verkorte aren staan; de hoofdjes met een omwindsel van schutbladeren omgeven; melksap
vaak aanwezig.
1a. Bloemkroon van alle bloemen buisvormig, soms ongelijk van vorm
(lange en korte buizen) 2
1b. Bloemkroon van de middelste bloemen van het hoofdje buisvormig,
van de randbloemen lintvormig, soms zeer klein en weinig opvallend
21
2a. Vruchtpluis aanwezig, soms reeds aan de vrucht afgevallen,
maar dan onder de bloem zichtbaar (Pacourina, Elephanthopus) soms zeer
klein, bekervormig, of slechts uit weinig (tot 2) stekels bestaande 3
2b. Vruchtpluis geheel afwezig 17
3a. Hoofdjes samengesteld d. w. z. meerdere weinigbloemige hoofdjes,
ieder met een eigen omwindsel, zijn vereenigd tot een groep van hoofdjes,
die een gemeenschappelijk omwindsel hebben en op een
gemeenschappelijke bloembodem staan 4
Page 319
3b. Hoofdjes niet samengesteld; indien er meerdere hoofdjes bij elkaar
zitten, dan hebben ze geen gemeenschappelijk omwindsel en staan ze niet
op een gemeenschappelijke bloembodem 5
4a. Bladeren van onderen wit-viltig. Hoofdjes 1-bloemig, elk hoofdje in de
oksel van 1 schutblad en omgeven door een 2-bladig omwindsel.
Bloemkroon kort 4- (zelden 3-) spletig, wit. Vele hoofdjes vereenigd tot een
okselstandige groep. Vruchtpluis bestaande uit een veeltandig kroontje
Rolandra.
4b. Bladeren van onderen niet wit-viltig. Hoofdjes 2–5-
bloemig met een 8-bladig omwindsel in twee kransen. Hoofdjes vereenigd
tot groepen, die weer in aren of trossen staan Elephantopus.
5a. Vruchtpluis uit talrijke haren of schubben bestaand 6
5b. Vruchtpluis uit 2, 3 of 4 stekels bestaand 16
6a. Hoofdjes klein, 4-bloemig, met een 4-bladig omwindsel, tot
samengestelde trossen of aren vereenigd. Vruchtpluis uit 30–60 stekels
bestaande in 1 rij. Bloemen wit; helmknoppen met een aanhangsel aan de
basis. Bloembodem naakt, klein. Vrucht met 5 ribben. Meest windende
heesters of kruiden Mikania.
6b. Hoofdjes met meer dan 4 bloemen en meer dan 4 omwindselbladeren
7
7a. Hoofdjes tot 2½ c.M. breed, alleen aan den stengel zittend ten
deele tegenover de bladeren met bolvormig omhulsel. Vruchten tot 1½ c.M.
lang, met 10 ribben en zeer gemakkelijk afvallend haarpluis. Kruidachtige
plant met groote bladeren Pacourina.
7b. Hoofdjes veel kleiner 8
8a. Bloembodem met schubben 9
8b. Bloembodem zonder schubben 10
zitten, dan hebben ze geen gemeenschappelijk omwindsel en staan ze niet
op een gemeenschappelijke bloembodem 5
4a. Bladeren van onderen wit-viltig. Hoofdjes 1-bloemig, elk hoofdje in de
oksel van 1 schutblad en omgeven door een 2-bladig omwindsel.
Bloemkroon kort 4- (zelden 3-) spletig, wit. Vele hoofdjes vereenigd tot een
okselstandige groep. Vruchtpluis bestaande uit een veeltandig kroontje
Rolandra.
4b. Bladeren van onderen niet wit-viltig. Hoofdjes 2–5-
bloemig met een 8-bladig omwindsel in twee kransen. Hoofdjes vereenigd
tot groepen, die weer in aren of trossen staan Elephantopus.
5a. Vruchtpluis uit talrijke haren of schubben bestaand 6
5b. Vruchtpluis uit 2, 3 of 4 stekels bestaand 16
6a. Hoofdjes klein, 4-bloemig, met een 4-bladig omwindsel, tot
samengestelde trossen of aren vereenigd. Vruchtpluis uit 30–60 stekels
bestaande in 1 rij. Bloemen wit; helmknoppen met een aanhangsel aan de
basis. Bloembodem naakt, klein. Vrucht met 5 ribben. Meest windende
heesters of kruiden Mikania.
6b. Hoofdjes met meer dan 4 bloemen en meer dan 4 omwindselbladeren
7
7a. Hoofdjes tot 2½ c.M. breed, alleen aan den stengel zittend ten
deele tegenover de bladeren met bolvormig omhulsel. Vruchten tot 1½ c.M.
lang, met 10 ribben en zeer gemakkelijk afvallend haarpluis. Kruidachtige
plant met groote bladeren Pacourina.
7b. Hoofdjes veel kleiner 8
8a. Bloembodem met schubben 9
8b. Bloembodem zonder schubben 10
Page 320
9a. Haarpluis klein, min of meer bekervormig vergroeid. Omwindsel 5-
bladig. Vrucht slechts weinig hoekig. Hoofdjes met 6–12 bloemen; kruiden
met tegenoverstaande bladeren Eleutheranthera.
9b. Haarpluis goed ontwikkeld, in 1–2 rijen. Omwindsel meerbladig, uit 3–
4 rijen van dakpansgewijs over elkaar liggende blaadjes bestaande. Plant
ruwharig met afwisselende bladeren Neurolaena.
10a. Vruchtpluis uit 5–15 schubben bestaand. Hoofdjes veelbloemig.
Omwindselbladeren alle ongeveer even groot, in vele rijen. Vrucht 5-
hoekig. Bloemen rose-wit Ageratum.
10b. Vruchtpluis uit haren of stekels bestaand 11
11a. Omwindsel uit 5 (–8) groote smalle bladeren bestaand. Vruchtpluis
stekelig met vele stekels in 1 of 2 rijen. Vrucht met talrijke ribben. Bladeren
afwisselend Porophyllum.
11b. Omwindsel uit meerdere blaadjes bestaande of soms uit weinig
blaadjes bestaand, maar dan vruchtpluis zachtharig 12
12a. Vruchtpluis in meerdere rijen, verschillend van vorm; de buitenste rij
korter dan de binnenste, meest borstelig; omwindselbladeren in meerdere
rijen 13
12b. Vruchtpluis in 1 rij van gelijke haren of dicht zachtharig 14
13a. Helmknoppen aan den voet stomp; bloemen 20–80 per hoofdje
Vernonia.
13b. Helmknoppen met een aanhangsel aan den voet;
bloemen 3–10 per hoofdje Piptocarpha.
14a. Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van grootte 31
14b. Omwindselbladeren in één krans, soms met een krans van kleine
blaadjes aan den voet. Vruchtpluis zachtharig. Bladeren afwisselend 15
bladig. Vrucht slechts weinig hoekig. Hoofdjes met 6–12 bloemen; kruiden
met tegenoverstaande bladeren Eleutheranthera.
9b. Haarpluis goed ontwikkeld, in 1–2 rijen. Omwindsel meerbladig, uit 3–
4 rijen van dakpansgewijs over elkaar liggende blaadjes bestaande. Plant
ruwharig met afwisselende bladeren Neurolaena.
10a. Vruchtpluis uit 5–15 schubben bestaand. Hoofdjes veelbloemig.
Omwindselbladeren alle ongeveer even groot, in vele rijen. Vrucht 5-
hoekig. Bloemen rose-wit Ageratum.
10b. Vruchtpluis uit haren of stekels bestaand 11
11a. Omwindsel uit 5 (–8) groote smalle bladeren bestaand. Vruchtpluis
stekelig met vele stekels in 1 of 2 rijen. Vrucht met talrijke ribben. Bladeren
afwisselend Porophyllum.
11b. Omwindsel uit meerdere blaadjes bestaande of soms uit weinig
blaadjes bestaand, maar dan vruchtpluis zachtharig 12
12a. Vruchtpluis in meerdere rijen, verschillend van vorm; de buitenste rij
korter dan de binnenste, meest borstelig; omwindselbladeren in meerdere
rijen 13
12b. Vruchtpluis in 1 rij van gelijke haren of dicht zachtharig 14
13a. Helmknoppen aan den voet stomp; bloemen 20–80 per hoofdje
Vernonia.
13b. Helmknoppen met een aanhangsel aan den voet;
bloemen 3–10 per hoofdje Piptocarpha.
14a. Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van grootte 31
14b. Omwindselbladeren in één krans, soms met een krans van kleine
blaadjes aan den voet. Vruchtpluis zachtharig. Bladeren afwisselend 15
Page 321
15a. Hoofdjes met vrouwelijke lange buisvormige randbloemen en
andersgevormde, doch ook buisvormige tweeslachtige schijfbloemen.
Omwindsel uit smalle bladeren bestaand met kleine schubben aan den voet
Erechthites.
15b. Alle bloemen gelijk van vorm en tweeslachtig;
omwindsel zonder buitenschubjes Emilia.
16a. Bloembodem kegelvormig of cylindervormig met gewelfde schubben.
Hoofdjes langgesteeld met een kort omwindsel in 1 of 2 rijen. Vruchtpluis
uit 2 stekels bestaande. Vrucht vlak. Kruiden met tegenoverstaande
bladeren Spilanthes.
16b. Bloembodem vlak, met schubben. Omwindsel uit 2 ongelijke rijen van
blaadjes bestaande. Vruchtpluis 2–4 borstels die met kleine weerhaken
bezet zijn. Vrucht min of meer 4-kantig. Kruiden met tegenoverstaande
getande of gedeelde bladeren Bidens.
17a. Bladeren verspreid 18
17b. Bladeren tegenoverstaand 19
18a. Bladeren ingesneden. Bloemen in tot pluimen samengestelde trossen.
Hoofdjes in 2 vormen op dezelfde plant; de vrouwelijke éénbloemig met
één bloem zonder bloemkroon en een vergroeidbladig omwindsel dat de
vrucht insluit en op de rugzijde 4–8 knobbels heeft; het mannelijke hoofdje
veelbloemig, nooit vruchtdragend met een platte bloembodem; bloemen wit
Ambrosia.
18b. Hoofdjes in groepen van 2–6 in de bladoksels zittend.
Bladeren niet ingesneden. Hoofdjes 20–30-bloemig, alle bloemen gelijk van
vorm, wit tot rood. Bloemkroon 3–4-deelig. Bloembodem zonder schubben.
Omwindsel in meerdere rijen. Vrucht 3–4 hoekig, aan den top diep
komvormig Sparganophorus.
19a. 12–20 hoofdjes tot groepen vereenigd; elk hoofdje bestaande uit één
vrouwelijke fertiele bloem met 4 tweeslachtige, steriele eromheen; de 5
bloemen omgeven door een 4-bladig omwindsel, waarvan de blaadjes
paarsgewijs tegenover elkaar staan. Vrucht plat. Bloemen wit of roodachtig
andersgevormde, doch ook buisvormige tweeslachtige schijfbloemen.
Omwindsel uit smalle bladeren bestaand met kleine schubben aan den voet
Erechthites.
15b. Alle bloemen gelijk van vorm en tweeslachtig;
omwindsel zonder buitenschubjes Emilia.
16a. Bloembodem kegelvormig of cylindervormig met gewelfde schubben.
Hoofdjes langgesteeld met een kort omwindsel in 1 of 2 rijen. Vruchtpluis
uit 2 stekels bestaande. Vrucht vlak. Kruiden met tegenoverstaande
bladeren Spilanthes.
16b. Bloembodem vlak, met schubben. Omwindsel uit 2 ongelijke rijen van
blaadjes bestaande. Vruchtpluis 2–4 borstels die met kleine weerhaken
bezet zijn. Vrucht min of meer 4-kantig. Kruiden met tegenoverstaande
getande of gedeelde bladeren Bidens.
17a. Bladeren verspreid 18
17b. Bladeren tegenoverstaand 19
18a. Bladeren ingesneden. Bloemen in tot pluimen samengestelde trossen.
Hoofdjes in 2 vormen op dezelfde plant; de vrouwelijke éénbloemig met
één bloem zonder bloemkroon en een vergroeidbladig omwindsel dat de
vrucht insluit en op de rugzijde 4–8 knobbels heeft; het mannelijke hoofdje
veelbloemig, nooit vruchtdragend met een platte bloembodem; bloemen wit
Ambrosia.
18b. Hoofdjes in groepen van 2–6 in de bladoksels zittend.
Bladeren niet ingesneden. Hoofdjes 20–30-bloemig, alle bloemen gelijk van
vorm, wit tot rood. Bloemkroon 3–4-deelig. Bloembodem zonder schubben.
Omwindsel in meerdere rijen. Vrucht 3–4 hoekig, aan den top diep
komvormig Sparganophorus.
19a. 12–20 hoofdjes tot groepen vereenigd; elk hoofdje bestaande uit één
vrouwelijke fertiele bloem met 4 tweeslachtige, steriele eromheen; de 5
bloemen omgeven door een 4-bladig omwindsel, waarvan de blaadjes
paarsgewijs tegenover elkaar staan. Vrucht plat. Bloemen wit of roodachtig
Page 322
19b. Hoofdjes niet tot groepen vereenigd Riencourtia.
20
20a. Bloembodem vlak, zonder schubben. Bladeren breed.
Hoofdjes in pluimen vereenigd. Bloemen wit, omwindsel klokvormig met
weinig blaadjes. Hoofdjes veelbloemig, de buitenste rijen van vrouwelijke
bloemen fertiel; de binnenste tweeslachtige bloemen steriel
Clibadium. K o e n a m i e .
20b. Bloembodem sterk convex tot
kegelvormig met talrijke schubben. Bladeren smal. Hoofdjes kortgesteeld,
weinige bijeen. Bloemen wit. Omwindselblaadjes weinig talrijk. Hoofdjes
20–30-bloemig; weinige van de buitenste bloemen fertiel, de rest steriel
Ichthyothere. K o e n a m i e .
21a. Vruchtpluis aanwezig, soms in den
vorm van weinige, spoedig afvallende stekels of schubben 22
21b. Vruchtpluis geheel ontbrekend 29
22a. Vruchtpluis bestaande uit 2, 3 of 4 stekels 23
22b. Vruchtpluis uit haren, of schubben, of vele kleine stekeltjes bestaande
26
23a. Bladeren verspreid. Hoofdjes veelbloemig, die van de
buitenste 1 of 2 rijen vrouwelijk en lintvormig, meest geel, de overige
buisvormig; bloembodem met strooschubben. Omwindselblaadjes in 2–3
rijen. Vrucht plat en gevleugeld, met 2 stekels Verbesina.
23b. Bladeren tegenoverstaand 24
24a. Hoofdjes in de bladoksels zittend of bijna zittend, weinigbloemig, alle
bloemen fertiel, de buitenste rij met lintvormige kroon, de binnenste rij met
buisvormige kroon. Vruchten aan de lintbloemen plat en gevleugeld met
lancetvormige schubben; die van de buisbloemen 3-hoekig met 2–3 stekels.
Bloemen bleekgeel Synedrella.
24b. Hoofdjes gesteeld, veelbloemig 25
20
20a. Bloembodem vlak, zonder schubben. Bladeren breed.
Hoofdjes in pluimen vereenigd. Bloemen wit, omwindsel klokvormig met
weinig blaadjes. Hoofdjes veelbloemig, de buitenste rijen van vrouwelijke
bloemen fertiel; de binnenste tweeslachtige bloemen steriel
Clibadium. K o e n a m i e .
20b. Bloembodem sterk convex tot
kegelvormig met talrijke schubben. Bladeren smal. Hoofdjes kortgesteeld,
weinige bijeen. Bloemen wit. Omwindselblaadjes weinig talrijk. Hoofdjes
20–30-bloemig; weinige van de buitenste bloemen fertiel, de rest steriel
Ichthyothere. K o e n a m i e .
21a. Vruchtpluis aanwezig, soms in den
vorm van weinige, spoedig afvallende stekels of schubben 22
21b. Vruchtpluis geheel ontbrekend 29
22a. Vruchtpluis bestaande uit 2, 3 of 4 stekels 23
22b. Vruchtpluis uit haren, of schubben, of vele kleine stekeltjes bestaande
26
23a. Bladeren verspreid. Hoofdjes veelbloemig, die van de
buitenste 1 of 2 rijen vrouwelijk en lintvormig, meest geel, de overige
buisvormig; bloembodem met strooschubben. Omwindselblaadjes in 2–3
rijen. Vrucht plat en gevleugeld, met 2 stekels Verbesina.
23b. Bladeren tegenoverstaand 24
24a. Hoofdjes in de bladoksels zittend of bijna zittend, weinigbloemig, alle
bloemen fertiel, de buitenste rij met lintvormige kroon, de binnenste rij met
buisvormige kroon. Vruchten aan de lintbloemen plat en gevleugeld met
lancetvormige schubben; die van de buisbloemen 3-hoekig met 2–3 stekels.
Bloemen bleekgeel Synedrella.
24b. Hoofdjes gesteeld, veelbloemig 25
Page 323
25a. Bloembodem kegelvormig. Alle bloemen fertiel, die van de buitenste
rij lintvormig, de binnenste buisvormig, geel of wit; vruchten van de
lintbloemen meest 3-hoekig, die van de buisbloemen plat, met 2 spoedig
afvallende stekels. Bladeren enkelvoudig Spilanthes.
25b. Bloembodem vlak. Alle bloemen fertiel; de vruchten gelijk van vorm,
een weinig vierkant met 2 tot 4 blijvende stekels aan den top, die met
weerhaken bezet zijn. Bladeren meest samengesteld. Bloemen geel
Bidens.
26a. Vruchtpluis uit lange haren bestaand, hoofdjes met vele
bloemen, alle vruchtbaar, de buitenste klein, lintvormig, de binnenste
buisvormig. Omwindselblaadjes in weinig rijen. Hoofdjes gesteeld, in
trossen of pluimen Erigeron.
26b. Vruchtpluis bestaande uit kleine stekeltjes of uit schubben of uit een
krans van vergroeide korte haartjes, die kleiner zijn dan de vrucht 27
27a. Bloemen geel; hoofdjes 6–12-bloemig, kortgesteeld, de lintbloemen
onvruchtbaar, de buisbloemen fertiel. Omwindsel uit 5 blaadjes bestaand.
Bloembodem met samengevouwen strooschubben. Kruidachtige plant met
tegenoverstaande gesteelde bladeren. Vruchtpluis klein, eenigszins
bekervormig vergroeid Eleutheranthera.
27b. Bloemen geel of oranje; hoofdjes veelbloemig, langgesteeld;
omwindsel uit meerdere sterk vergroeide blaadjes bestaande. Planten met
tegenoverstaande vindeelige bladeren. Vruchtpluis bestaande uit 5–6
ongelijke schubben Tagetes. A f r i k a n e n .
27c. Bloemen wit, hoofdjes gesteeld, veelbloemig 28
28a. Bladeren afwisselend dubbelvindeelig. Alleen de 5 buitenste bloemen
lintvormig, fertiel met platte vruchtjes, die aan den top 3–4 kleine eironde
schubjes dragen. Middelste bloemen buisvormig Parthenium.
28b. Bladeren tegenoverstaand niet ingesneden. Alle bloemen fertiel, de
buitenste lint-, de binnenste buisvormig. Vruchten van de buitenste bloemen
3-hoekig, van de binnenste plat, aan den top met een korte kroon van
rij lintvormig, de binnenste buisvormig, geel of wit; vruchten van de
lintbloemen meest 3-hoekig, die van de buisbloemen plat, met 2 spoedig
afvallende stekels. Bladeren enkelvoudig Spilanthes.
25b. Bloembodem vlak. Alle bloemen fertiel; de vruchten gelijk van vorm,
een weinig vierkant met 2 tot 4 blijvende stekels aan den top, die met
weerhaken bezet zijn. Bladeren meest samengesteld. Bloemen geel
Bidens.
26a. Vruchtpluis uit lange haren bestaand, hoofdjes met vele
bloemen, alle vruchtbaar, de buitenste klein, lintvormig, de binnenste
buisvormig. Omwindselblaadjes in weinig rijen. Hoofdjes gesteeld, in
trossen of pluimen Erigeron.
26b. Vruchtpluis bestaande uit kleine stekeltjes of uit schubben of uit een
krans van vergroeide korte haartjes, die kleiner zijn dan de vrucht 27
27a. Bloemen geel; hoofdjes 6–12-bloemig, kortgesteeld, de lintbloemen
onvruchtbaar, de buisbloemen fertiel. Omwindsel uit 5 blaadjes bestaand.
Bloembodem met samengevouwen strooschubben. Kruidachtige plant met
tegenoverstaande gesteelde bladeren. Vruchtpluis klein, eenigszins
bekervormig vergroeid Eleutheranthera.
27b. Bloemen geel of oranje; hoofdjes veelbloemig, langgesteeld;
omwindsel uit meerdere sterk vergroeide blaadjes bestaande. Planten met
tegenoverstaande vindeelige bladeren. Vruchtpluis bestaande uit 5–6
ongelijke schubben Tagetes. A f r i k a n e n .
27c. Bloemen wit, hoofdjes gesteeld, veelbloemig 28
28a. Bladeren afwisselend dubbelvindeelig. Alleen de 5 buitenste bloemen
lintvormig, fertiel met platte vruchtjes, die aan den top 3–4 kleine eironde
schubjes dragen. Middelste bloemen buisvormig Parthenium.
28b. Bladeren tegenoverstaand niet ingesneden. Alle bloemen fertiel, de
buitenste lint-, de binnenste buisvormig. Vruchten van de buitenste bloemen
3-hoekig, van de binnenste plat, aan den top met een korte kroon van
Page 324
stekeltjes. Bloembodem eenigszins bol met kleine afvallende schubben.
Omwindselbladeren klokvormig in 2 rijen
Eclipta. L o s o - w i w i r i e ; L o u i s a - w i w i r i e .
29a. Hoofdjes
weinigbloemig; omwindselblaadjes in 2 rijen, die van de buitenste rij
bladachtig, de binnenste rij gestekeld aan de buitenkant, de vruchtjes der
lintbloemen geheel omsluitend, waardoor de vruchten gestekeld schijnen.
De binnenste bloemen buisvormig, steriel. Vertakte kruiden met
tegenoverstaande getande bladeren Acanthospermum.
29b. Hoofdjes veelbloemig; omwindselblaadjes zonder stekels 30
30a. Hoofdjes klein, kortgesteeld of zittend. Omwindselblaadjes in 2 rijen,
de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij met de vruchtjes vergroeid.
Lintbloemen alleen fertiel, de buisbloemen steriel. Vruchtjes eirond. Plant
naar kamfer riekend Melampodium. K a m f e r b l a d e r e n .
30b. Hoofdjes vrij groot, geel, gesteeld, de lintbloemen ongeslachtelijk,
steriel, de buisbloemen fertiel met zwarte hoekige en kale vruchtjes.
Bloembodem met strooschubben. Omwindsel uit 2 rijen van korte blaadjes
bestaande. Groote rechtopstaande planten met ruwe bladeren Wulffia.
31a. Alle bloemen in hetzelfde hoofdje gelijk van vorm 32
31b. De buitenste bloemen in het hoofdje zeer dun, bijna draadvormig,
vrouwelijk, de binnenste uit een wijdere buis bestaande, tweeslachtig; alle
of bijna alle fertiel. Omwindsel klokvormig, met zeer smalle blaadjes, de
buitenste geleidelijk korter wordend. Hoofdjes niet talrijk, in een bijscherm
Conyza.
32a. Planten geheel tweehuizig, d. w. z. de eene plant heeft
alleen hoofdjes met zeer dunne, bijna draadvormige, vrouwelijke
buisbloemen, de andere plant alleen hoofdjes met mannelijke bloemen,
waarvan de bloemkroon een wijdere buis is. Vruchten met 10 ribben.
Planten met verspreide bladeren Baccharis.
32b. Alle bloemen tweeslachtig en fertiel. Vruchtpluis langer dan de vrucht,
in 1 rij staande. Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van
Omwindselbladeren klokvormig in 2 rijen
Eclipta. L o s o - w i w i r i e ; L o u i s a - w i w i r i e .
29a. Hoofdjes
weinigbloemig; omwindselblaadjes in 2 rijen, die van de buitenste rij
bladachtig, de binnenste rij gestekeld aan de buitenkant, de vruchtjes der
lintbloemen geheel omsluitend, waardoor de vruchten gestekeld schijnen.
De binnenste bloemen buisvormig, steriel. Vertakte kruiden met
tegenoverstaande getande bladeren Acanthospermum.
29b. Hoofdjes veelbloemig; omwindselblaadjes zonder stekels 30
30a. Hoofdjes klein, kortgesteeld of zittend. Omwindselblaadjes in 2 rijen,
de buitenste rij bladachtig, de binnenste rij met de vruchtjes vergroeid.
Lintbloemen alleen fertiel, de buisbloemen steriel. Vruchtjes eirond. Plant
naar kamfer riekend Melampodium. K a m f e r b l a d e r e n .
30b. Hoofdjes vrij groot, geel, gesteeld, de lintbloemen ongeslachtelijk,
steriel, de buisbloemen fertiel met zwarte hoekige en kale vruchtjes.
Bloembodem met strooschubben. Omwindsel uit 2 rijen van korte blaadjes
bestaande. Groote rechtopstaande planten met ruwe bladeren Wulffia.
31a. Alle bloemen in hetzelfde hoofdje gelijk van vorm 32
31b. De buitenste bloemen in het hoofdje zeer dun, bijna draadvormig,
vrouwelijk, de binnenste uit een wijdere buis bestaande, tweeslachtig; alle
of bijna alle fertiel. Omwindsel klokvormig, met zeer smalle blaadjes, de
buitenste geleidelijk korter wordend. Hoofdjes niet talrijk, in een bijscherm
Conyza.
32a. Planten geheel tweehuizig, d. w. z. de eene plant heeft
alleen hoofdjes met zeer dunne, bijna draadvormige, vrouwelijke
buisbloemen, de andere plant alleen hoofdjes met mannelijke bloemen,
waarvan de bloemkroon een wijdere buis is. Vruchten met 10 ribben.
Planten met verspreide bladeren Baccharis.
32b. Alle bloemen tweeslachtig en fertiel. Vruchtpluis langer dan de vrucht,
in 1 rij staande. Omwindselbladeren in meerdere rijen, verschillend van
Page 325
vorm. Vrucht 5-hoekig. Hoofdjes 5–100-bloemig. Bladeren, vooral de
onderste, bijna steeds tegenoverstaand Eupatorium.
onderste, bijna steeds tegenoverstaand Eupatorium.
Page 326
Page 327
Lijst van inlandsche namen.
(Zie de opmerkingen op pg. 7).
Abongra Sesamum. Lelie Hedychium.
Abrasa Clusia. Lemmetje Citrus.
Advocaat Persea. Letterhout Brosimum.
Afrikaan Tagetes. Limonia Murraya.
Agoema Solanum. Lohoedoe Sideroxylon.
Agraboe toriman Pavonia. Lokus Hymenaea.
Ajoewa Parkia. Lolie hoedoe Ocotea.
Akaja Gynandropsis. Loso wiwirie Eclipta.
Aloema Cestrum. Losau wiwirie Eryngium.
Amandel Terminalia. Louisa wiwirie Eclipta.
Anaura Licania. Mabi-hoedoe Conceveiba.
Aneisblad Heckeria. Mabi jara teté Doliocarpus.
Anga-lampoe Hibiscus. Maho Hibiscus.
Anisi-wiwirie Piper. Mahoni Swietenia.
Arratta kaka pepre Capsicum. Maka klaroen Amarantus.
Aratta-hoedoe Minquartia. Makoesar Passiflora.
Aripawana Gustavia. Waltheria.
Malva
Arrow-root Maranta. Lippia.
Asitjona Tephrosia. Mammi Mammea.
Asmatoe pimpin Pariana. Mampa Ambelania.
Asrika tité Davilla. Man aneisi wiwirie Piper.
Atieta-wiwirie Oldenlandia. Man barklak Eschweilera.
Awaja Protium. Man bati-bati Tabernaemontana.
Awarie sirie Caesalpinia. Man bita Phyllanthus.
Awarra Astrocaryum. Mani Symphonia.
(Zie de opmerkingen op pg. 7).
Abongra Sesamum. Lelie Hedychium.
Abrasa Clusia. Lemmetje Citrus.
Advocaat Persea. Letterhout Brosimum.
Afrikaan Tagetes. Limonia Murraya.
Agoema Solanum. Lohoedoe Sideroxylon.
Agraboe toriman Pavonia. Lokus Hymenaea.
Ajoewa Parkia. Lolie hoedoe Ocotea.
Akaja Gynandropsis. Loso wiwirie Eclipta.
Aloema Cestrum. Losau wiwirie Eryngium.
Amandel Terminalia. Louisa wiwirie Eclipta.
Anaura Licania. Mabi-hoedoe Conceveiba.
Aneisblad Heckeria. Mabi jara teté Doliocarpus.
Anga-lampoe Hibiscus. Maho Hibiscus.
Anisi-wiwirie Piper. Mahoni Swietenia.
Arratta kaka pepre Capsicum. Maka klaroen Amarantus.
Aratta-hoedoe Minquartia. Makoesar Passiflora.
Aripawana Gustavia. Waltheria.
Malva
Arrow-root Maranta. Lippia.
Asitjona Tephrosia. Mammi Mammea.
Asmatoe pimpin Pariana. Mampa Ambelania.
Asrika tité Davilla. Man aneisi wiwirie Piper.
Atieta-wiwirie Oldenlandia. Man barklak Eschweilera.
Awaja Protium. Man bati-bati Tabernaemontana.
Awarie sirie Caesalpinia. Man bita Phyllanthus.
Awarra Astrocaryum. Mani Symphonia.
Page 328
Baba-tikie Clidemia. Mangras Eleusine.
Baboen-hoedoe Virola. Manja Mangifera.
Baboen mispel Henriettea. Maripa Maximiliana.
Papalum. Marmeldoosje Randia.
Baboen nefi
Scleria. Massoesa Renealmia.
Bacove Musa. Caraipa.
Matakie
Bakoeba Musa. Symphonia.
Bakroe-wiwirie Psychotria. Matrozendruif Solanum.
Bamba-maka Desmoncus. Maurisia Mauritia.
Bamboesi maka Desmoncus. Melki wiwirie Euphorbia.
Bana Musa. Melki tetei Mandevilla.
Banikoe Ternströmia. Mierenhout Triplaris.
Banilla Vanilla. Miconia.
Banirie Vanilla. Mispel Bellucia.
Basra bolletrie Humiria. Loreya.
Basra bruinhart Trichilia. Mokko mokko Montrichardia.
Basra lokus Dicorynia. Mopé Spondias.
Basuba Pisie Ocotea. Mora Dimorphandra.
Bati-bati Ambelania. Muskus Okro Hibiscus.
Batoto-bita Physalis. Napi Dioscorea.
Bayboom Amomis. Nickeri Caesalpinia.
Bébé-hoedoe Pterocarpus. Ningo Indigofera.
Beerum Amomis. Ningre kondre pepre Aframomum.
Bierie-hoedoe Eperua. Ningre noto Caryocar.
Birambi Averrhoa. Njamsi bredebon Artocarpus.
Bita wiwirie Phyllanthus. Njoe wintie bobbi Solanum.
Bittere cassave Manihot. Nopari Nopalia.
Bittere djoeka Mucuna. Oeman aneisi Piper.
Blaka maka Solanum. Arrabidaea.
Oeman barklak
Blaka massoesa Renealmia. Eschweilera.
Baboen-hoedoe Virola. Manja Mangifera.
Baboen mispel Henriettea. Maripa Maximiliana.
Papalum. Marmeldoosje Randia.
Baboen nefi
Scleria. Massoesa Renealmia.
Bacove Musa. Caraipa.
Matakie
Bakoeba Musa. Symphonia.
Bakroe-wiwirie Psychotria. Matrozendruif Solanum.
Bamba-maka Desmoncus. Maurisia Mauritia.
Bamboesi maka Desmoncus. Melki wiwirie Euphorbia.
Bana Musa. Melki tetei Mandevilla.
Banikoe Ternströmia. Mierenhout Triplaris.
Banilla Vanilla. Miconia.
Banirie Vanilla. Mispel Bellucia.
Basra bolletrie Humiria. Loreya.
Basra bruinhart Trichilia. Mokko mokko Montrichardia.
Basra lokus Dicorynia. Mopé Spondias.
Basuba Pisie Ocotea. Mora Dimorphandra.
Bati-bati Ambelania. Muskus Okro Hibiscus.
Batoto-bita Physalis. Napi Dioscorea.
Bayboom Amomis. Nickeri Caesalpinia.
Bébé-hoedoe Pterocarpus. Ningo Indigofera.
Beerum Amomis. Ningre kondre pepre Aframomum.
Bierie-hoedoe Eperua. Ningre noto Caryocar.
Birambi Averrhoa. Njamsi bredebon Artocarpus.
Bita wiwirie Phyllanthus. Njoe wintie bobbi Solanum.
Bittere cassave Manihot. Nopari Nopalia.
Bittere djoeka Mucuna. Oeman aneisi Piper.
Blaka maka Solanum. Arrabidaea.
Oeman barklak
Blaka massoesa Renealmia. Eschweilera.
Page 329
Blaka oema Cordia. Oeman pinda Desmodium.
Blaka tiki ment Lippia. Okro Hibiscus.
Boembi Tephrosia. Paardengras Panicum.
Boenhati mama Cissus. Pakoeli Platonia.
Boesi aneisi Piper. Heliconia.
Palaloe
Boesi druif Clerodendron. Ravenala.
Boesi vergeet-mij-niet Nepsera. Palisade Euterpe.
Bokkolille Talinum. Palmiet Oreodoxa.
Bolletrie Mimusops. Para gras Panicum.
Boonki Dolichos. Paramaka Astrocaryum.
Bosch banaan Ravenala. Para markoesar Passiflora.
Bosch cacao Pachira. Parwa Avicennia.
Bosch kasjoe Curatella. Patata tetei Ipomoea.
Bosch guave Myrcia. Patawa Oenocarpus.
Bosch kalebas Couroupita. Patawana Maripa.
Bosch mammi Clusia. Pegrekoe Xylopia.
Bosch marmeldoos Duroia. Peperhout Duguetia.
Bosch papaya Cecropia. Peperwortelboom Moringa.
Bosch tamarinde Macrolobium. Pera Couma.
Bosch vlier Psychotria. Peru-katoen Gossypium.
Bosch zuurzak Anona. Peto Dimorphandra.
Bradi-bita Leonotis. Pikien fowroe sopo Peperomia.
Bradiliefie Coccoloba. Pimpin Clusia.
Branti maka Drepanocarpus. Pina Euterpe.
Brokobaka wiwirie Mikania. Pinda Arachis.
Broodboom Artocarpus. Pingo maka Astrocaryum.
Bruinhart Andira. Pinja Miconia.
Buirata Parinarium. Pinja hoedoe Vismia.
Bijlhout Eperua. Pintrie Iryanthera.
Ceder Cedrela. Pipa tikie Mabea.
Blaka tiki ment Lippia. Okro Hibiscus.
Boembi Tephrosia. Paardengras Panicum.
Boenhati mama Cissus. Pakoeli Platonia.
Boesi aneisi Piper. Heliconia.
Palaloe
Boesi druif Clerodendron. Ravenala.
Boesi vergeet-mij-niet Nepsera. Palisade Euterpe.
Bokkolille Talinum. Palmiet Oreodoxa.
Bolletrie Mimusops. Para gras Panicum.
Boonki Dolichos. Paramaka Astrocaryum.
Bosch banaan Ravenala. Para markoesar Passiflora.
Bosch cacao Pachira. Parwa Avicennia.
Bosch kasjoe Curatella. Patata tetei Ipomoea.
Bosch guave Myrcia. Patawa Oenocarpus.
Bosch kalebas Couroupita. Patawana Maripa.
Bosch mammi Clusia. Pegrekoe Xylopia.
Bosch marmeldoos Duroia. Peperhout Duguetia.
Bosch papaya Cecropia. Peperwortelboom Moringa.
Bosch tamarinde Macrolobium. Pera Couma.
Bosch vlier Psychotria. Peru-katoen Gossypium.
Bosch zuurzak Anona. Peto Dimorphandra.
Bradi-bita Leonotis. Pikien fowroe sopo Peperomia.
Bradiliefie Coccoloba. Pimpin Clusia.
Branti maka Drepanocarpus. Pina Euterpe.
Brokobaka wiwirie Mikania. Pinda Arachis.
Broodboom Artocarpus. Pingo maka Astrocaryum.
Bruinhart Andira. Pinja Miconia.
Buirata Parinarium. Pinja hoedoe Vismia.
Bijlhout Eperua. Pintrie Iryanthera.
Ceder Cedrela. Pipa tikie Mabea.
Page 330
Tecoma. Pisie Nectandra.
Courali
Couralia. Inga.
Plokonie
Curaçaosche Mais Andropogon. Pithecolobium.
Dialoppoe tité Davilla. Pomme de Cythère Spondias.
Diamaliekie Jacarandra. Pommeroos Jambosa.
Djari bita Phyllanthus. Ponsoe Leonotis.
Djedoe Slerolobium. Popokaitongo Heliconia.
Donke Dieffenbachia. Talinum.
Postelein
Druif Coccoloba. Portulaca.
Duivels naaigaren Quamoclit. Postentrie Hura.
Faja lobbi Ixora. Peltogyne.
Purperhart
Feifi finga Paullinia. Martiusia.
Fico-fico Costus. Pijlgras Gynerium.
Finie bita Phyllanthus. Queens creeper Antigonon.
Flesch kalebas Lagenaria. Redi maka kraroen Amarantus.
Foengoe Licania. Roekoe Bixa.
Fransche Birambi Averrhoa. Roode kabbes Andira.
Fransi mopé Spondias. Roode walaba Eperua.
Gado-boom Cassia. Reseda Lawsonia.
Commelina. Riemhout Sideroxylon.
Gado dede
Phaeospherion. Rosenkwarie Parinarium.
Gandoe Swartzia. Sabana mangro Clusia.
Gauwtrie Cupania. Sabana melki wiwirie Euphorbia.
Geelhart Platonia. Sabana smeri wiwirie Achetaria.
Gienja Zingiber. Sabina bloem Caesalpinia.
Gobo-gobo wiwirie Jacaranda. Sakka sirie Canna.
Goebai Jacaranda. Sangrafoe Costus.
Gogomago Phytolacca. Sapodille orchidee Jonopsis.
Gomma Guarea. Sapotille Achras.
Goro-goro Licania. Sasara wiwirie Cabomba.
Courali
Couralia. Inga.
Plokonie
Curaçaosche Mais Andropogon. Pithecolobium.
Dialoppoe tité Davilla. Pomme de Cythère Spondias.
Diamaliekie Jacarandra. Pommeroos Jambosa.
Djari bita Phyllanthus. Ponsoe Leonotis.
Djedoe Slerolobium. Popokaitongo Heliconia.
Donke Dieffenbachia. Talinum.
Postelein
Druif Coccoloba. Portulaca.
Duivels naaigaren Quamoclit. Postentrie Hura.
Faja lobbi Ixora. Peltogyne.
Purperhart
Feifi finga Paullinia. Martiusia.
Fico-fico Costus. Pijlgras Gynerium.
Finie bita Phyllanthus. Queens creeper Antigonon.
Flesch kalebas Lagenaria. Redi maka kraroen Amarantus.
Foengoe Licania. Roekoe Bixa.
Fransche Birambi Averrhoa. Roode kabbes Andira.
Fransi mopé Spondias. Roode walaba Eperua.
Gado-boom Cassia. Reseda Lawsonia.
Commelina. Riemhout Sideroxylon.
Gado dede
Phaeospherion. Rosenkwarie Parinarium.
Gandoe Swartzia. Sabana mangro Clusia.
Gauwtrie Cupania. Sabana melki wiwirie Euphorbia.
Geelhart Platonia. Sabana smeri wiwirie Achetaria.
Gienja Zingiber. Sabina bloem Caesalpinia.
Gobo-gobo wiwirie Jacaranda. Sakka sirie Canna.
Goebai Jacaranda. Sangrafoe Costus.
Gogomago Phytolacca. Sapodille orchidee Jonopsis.
Gomma Guarea. Sapotille Achras.
Goro-goro Licania. Sasara wiwirie Cabomba.
Page 331
Granfowloe Qualea. Schopsteelhout Bocagea.
Groenhart Tecoma. Schijtnooten Jatropha.
Gron-posren Portulaca. Sekrepatoe wiwirie Ilex.
Hawaja Protium. Sekrepatoe trapoe Bauhinia.
Hoeproe Copaifera. Serapi Dipteryx.
Hoogland Tapoeripa Gustavia. Sergeantsklooten Henriettea.
Iningo Indigofera. Sien-sien Mimosa.
Injie barki Licania. Sikwa Luffa.
Injie pina Ireartea. Singrie kwarrie Erisma.
Couratari. Sisibie-wiwirie Scoparia.
Injie pipa
Allantoma. Slabriki Cassia.
Injie sopo Fourcroya. Smerie wiwirie Ocimum.
Jabba foetoe Caladium. Sneki markoesar Passiflora.
Jalimano Cacoucia. Sneki wiwirie Eryngium.
Jan Snijder Pouteria. Sneki tajer Dracontium.
Jasbita Allamanda. Sokko sokko Tabernaemontana.
Jobstranen Coix. Soldatenthee Waltheria.
Jokoman sirie Crotalaria. Spijkerhout Mouriria.
Jorka pesi Cassia. Srébébé Iryanthera.
Jorka okro Hibiscus. Staartgras Imperata.
Jorro-jorro Crotalaria. Sterappel Chrysophyllum.
Jurri-jurri Thevetia. Stinkhout Gustavia.
Kaka-kankan Stachytarpheta. Swietie aneisi wiwirie Heckeria.
Kalebas Crescentia. Swietie boonki Inga.
Kamferblad Melampodium. Swietie patata Ipomoea.
Kandra-hoedoe Jacaranda. Swietie sopo wiwirie Ipomoea.
Kaneelappel Anona. Swietie watra kraroen Hydrolea.
Kaneelhart Acrodiclidium. Tafelboom Cordia.
Kanifro Coix. Taja-hoedoe Paypayrola.
Kankantrie Ceiba. Tajer Colocasia.
Groenhart Tecoma. Schijtnooten Jatropha.
Gron-posren Portulaca. Sekrepatoe wiwirie Ilex.
Hawaja Protium. Sekrepatoe trapoe Bauhinia.
Hoeproe Copaifera. Serapi Dipteryx.
Hoogland Tapoeripa Gustavia. Sergeantsklooten Henriettea.
Iningo Indigofera. Sien-sien Mimosa.
Injie barki Licania. Sikwa Luffa.
Injie pina Ireartea. Singrie kwarrie Erisma.
Couratari. Sisibie-wiwirie Scoparia.
Injie pipa
Allantoma. Slabriki Cassia.
Injie sopo Fourcroya. Smerie wiwirie Ocimum.
Jabba foetoe Caladium. Sneki markoesar Passiflora.
Jalimano Cacoucia. Sneki wiwirie Eryngium.
Jan Snijder Pouteria. Sneki tajer Dracontium.
Jasbita Allamanda. Sokko sokko Tabernaemontana.
Jobstranen Coix. Soldatenthee Waltheria.
Jokoman sirie Crotalaria. Spijkerhout Mouriria.
Jorka pesi Cassia. Srébébé Iryanthera.
Jorka okro Hibiscus. Staartgras Imperata.
Jorro-jorro Crotalaria. Sterappel Chrysophyllum.
Jurri-jurri Thevetia. Stinkhout Gustavia.
Kaka-kankan Stachytarpheta. Swietie aneisi wiwirie Heckeria.
Kalebas Crescentia. Swietie boonki Inga.
Kamferblad Melampodium. Swietie patata Ipomoea.
Kandra-hoedoe Jacaranda. Swietie sopo wiwirie Ipomoea.
Kaneelappel Anona. Swietie watra kraroen Hydrolea.
Kaneelhart Acrodiclidium. Tafelboom Cordia.
Kanifro Coix. Taja-hoedoe Paypayrola.
Kankantrie Ceiba. Tajer Colocasia.
Page 332
Kapellendoos Pithecoctenium. Tamoe Nicotiana.
Karagalla Norantea. Tan pikien so Piptadenia.
Kasjoe Anacardium. Tapoeripa Genipa.
Katjoesi anjalali Marcgravia. Tastikie Geonoma.
Keesikeesi kam Pithecoctenium. Tetémerie Eschweilera.
Keesi keesi maka Bactris. Tiengi menti Chenopodium.
Eugenia. Tiengi monnie Protium.
Kersenboom
Malpighia. Todo-finga Cissus.
Kerstmisbloem Cardiospermum. Tonka Dipteryx.
Kienboto Clusia. Bidens.
Klaroen Amarantus. Caperonia.
Toriman
Knippen Melicocca. Priva.
Koemaroe njam njam Mourera. Triumfetta.
Clibadium. Troelie Manicaria.
Koenami Tephrosia. Trompetbloem Hibiscus.
Ichthyothere. Vétivert Andropogon.
Koenaparoe Euphorbia. Vieruursbloem Mirabilis.
Koenatjeppi Matayba. Vlier Sambucus.
Koesa Piptadenia. Voekoe-voeko toriman Priva.
Koesoewee Bixa. Vreemoesoe hoedoe Andira.
Koesewiran Lühea. Walaba Eperua.
Kokorrode Heliotropium. Wandoe Cajanus.
Kokriki Abrus. Wane Nectandra.
Komboe Oenocarpus. Warimbo Ischnosiphon.
Koningsbloempje Asclepias. Waterdruif Solanum.
Koningspalm Oreodoxa. Watergroenhart Sweetia.
Konsaka wiwirie Peperomia. Waterguave Psidium.
Konthout Minquartia. Watermeloen Citrullus.
Koorsoe wiwirie Lantana. Watra mama bobbie Gustavia.
Kopie Goupia. Watra sien sien Aeschynomene.
Karagalla Norantea. Tan pikien so Piptadenia.
Kasjoe Anacardium. Tapoeripa Genipa.
Katjoesi anjalali Marcgravia. Tastikie Geonoma.
Keesikeesi kam Pithecoctenium. Tetémerie Eschweilera.
Keesi keesi maka Bactris. Tiengi menti Chenopodium.
Eugenia. Tiengi monnie Protium.
Kersenboom
Malpighia. Todo-finga Cissus.
Kerstmisbloem Cardiospermum. Tonka Dipteryx.
Kienboto Clusia. Bidens.
Klaroen Amarantus. Caperonia.
Toriman
Knippen Melicocca. Priva.
Koemaroe njam njam Mourera. Triumfetta.
Clibadium. Troelie Manicaria.
Koenami Tephrosia. Trompetbloem Hibiscus.
Ichthyothere. Vétivert Andropogon.
Koenaparoe Euphorbia. Vieruursbloem Mirabilis.
Koenatjeppi Matayba. Vlier Sambucus.
Koesa Piptadenia. Voekoe-voeko toriman Priva.
Koesoewee Bixa. Vreemoesoe hoedoe Andira.
Koesewiran Lühea. Walaba Eperua.
Kokorrode Heliotropium. Wandoe Cajanus.
Kokriki Abrus. Wane Nectandra.
Komboe Oenocarpus. Warimbo Ischnosiphon.
Koningsbloempje Asclepias. Waterdruif Solanum.
Koningspalm Oreodoxa. Watergroenhart Sweetia.
Konsaka wiwirie Peperomia. Waterguave Psidium.
Konthout Minquartia. Watermeloen Citrullus.
Koorsoe wiwirie Lantana. Watra mama bobbie Gustavia.
Kopie Goupia. Watra sien sien Aeschynomene.
Page 333
Koraalboom Erythrina. Wetie abia Ipomoea.
Kowai Mucuna. Wetie aneisi Piper.
Krapata Ricinus. Wetie hede Alternanthera.
Krappa Carapa. Wilkens bita Allamanda.
Kraroen Amarantus. Wintje bobbie Solanum.
Krassiwiwirie Fleurya. Witte puperhart Martiusia.
Krekrere Canna. Wonderblad Bryophyllum.
Kremoto Miconia. Wonnoe wonnoe Solanum.
Vochysia. Andira.
Kwalie Wormbast
Qualea. Geoffraya.
Kwassi bita Quassia. IJzerhout Swartzia.
Lecythis. Zeedruif Coccoloba.
Kwatta-patoe
Eschweilera. Zeefkomkommer Luffa.
Kweebi Couepia. Zevensjaarsboontje Phaseolus.
Kwepie Licania. Zoete Cassave Manihot.
Kwinti Eryngium. Zuurzak Anona.
Lady slipper Stanhopea. Zwarte kabbes Diplotropis.
Leguana tere Acacia. Zwarte markoesar Passiflora.
Kowai Mucuna. Wetie aneisi Piper.
Krapata Ricinus. Wetie hede Alternanthera.
Krappa Carapa. Wilkens bita Allamanda.
Kraroen Amarantus. Wintje bobbie Solanum.
Krassiwiwirie Fleurya. Witte puperhart Martiusia.
Krekrere Canna. Wonderblad Bryophyllum.
Kremoto Miconia. Wonnoe wonnoe Solanum.
Vochysia. Andira.
Kwalie Wormbast
Qualea. Geoffraya.
Kwassi bita Quassia. IJzerhout Swartzia.
Lecythis. Zeedruif Coccoloba.
Kwatta-patoe
Eschweilera. Zeefkomkommer Luffa.
Kweebi Couepia. Zevensjaarsboontje Phaseolus.
Kwepie Licania. Zoete Cassave Manihot.
Kwinti Eryngium. Zuurzak Anona.
Lady slipper Stanhopea. Zwarte kabbes Diplotropis.
Leguana tere Acacia. Zwarte markoesar Passiflora.
Page 334
REGISTER.
Abolboda, 71
Abrus, 114
Abuta, 98, 99, 100
Abutilon, 130
Acacia, 106
Acalypha, 122, 123, 125
Acanthaceae, 163
Acanthospermum, 175
Achetaria, 159
Achras, 147
Achyranthes, 95
Aciotis, 143
Acisanthera, 143, 144
Acrocomia, 66
Acrodiclidium, 102
Acrostichum, 53
Actinostemon, 124
Adansonia, 131
Adenanthera, 108
Adenocalymma, 161
Abolboda, 71
Abrus, 114
Abuta, 98, 99, 100
Abutilon, 130
Acacia, 106
Acalypha, 122, 123, 125
Acanthaceae, 163
Acanthospermum, 175
Achetaria, 159
Achras, 147
Achyranthes, 95
Aciotis, 143
Acisanthera, 143, 144
Acrocomia, 66
Acrodiclidium, 102
Acrostichum, 53
Actinostemon, 124
Adansonia, 131
Adenanthera, 108
Adenocalymma, 161
Page 335
Adiantopsis, 52
Adiantum, 52
Aechmea, 73
Aegiphila, 156
Aeschynomene, 114
Aframomum, 77
Agave, 75
Ageratum, 173
Aiouea, 102
Aizoaceae, 97
Albizzia, 107
Alchornea, 122, 123, 125
Alectra, 159
Alibertia, 169
Alismataceae, 56
Allamanda, 150
Allantoma, 140
Alpinia, 77
Alsophila, 50
Alsodeia, 136
Alternanthera, 96
Alysicarpus, 113
Adiantum, 52
Aechmea, 73
Aegiphila, 156
Aeschynomene, 114
Aframomum, 77
Agave, 75
Ageratum, 173
Aiouea, 102
Aizoaceae, 97
Albizzia, 107
Alchornea, 122, 123, 125
Alectra, 159
Alibertia, 169
Alismataceae, 56
Allamanda, 150
Allantoma, 140
Alpinia, 77
Alsophila, 50
Alsodeia, 136
Alternanthera, 96
Alysicarpus, 113
Page 336
Amajoua, 169
Amanoa, 124
Amarantaceae, 94
Amarantus, 95
Amaryllidaceae, 75
Amasonia, 156
Ambelania, 150
Ambrosia, 174
Amomis, 142
Amphirrox, 136
Anacardiaceae, 126
Anacardium, 126
Ananas, 73
Anaxagorea, 100
Andira, 115
Andropogon, 59
Aneilema, 74
Aneimia, 54
Anemopaegma, 162
Anetium, 53
Angiospermae, 56
Angraecum, 87
Amanoa, 124
Amarantaceae, 94
Amarantus, 95
Amaryllidaceae, 75
Amasonia, 156
Ambelania, 150
Ambrosia, 174
Amomis, 142
Amphirrox, 136
Anacardiaceae, 126
Anacardium, 126
Ananas, 73
Anaxagorea, 100
Andira, 115
Andropogon, 59
Aneilema, 74
Aneimia, 54
Anemopaegma, 162
Anetium, 53
Angiospermae, 56
Angraecum, 87
Page 337
Anguria, 170, 172
Aniba, 102
Aniseia, 154
Anisomeris, 167
Anomospermum, 99
Anona, 100
Anonaceae, 100
Anthurium, 70
Antigonon, 94
Anthrophyum, 53
Apeiba, 129
Aphelandra, 164
Apinagia, 104
Apocynaceae, 149
Apodanthes, 93
Apteria, 79
Aquifoliaceae, 126
Araceae, 68
Arachis, 114
Araeococcus, 73
Ardisia, 146
Areca, 67
Aniba, 102
Aniseia, 154
Anisomeris, 167
Anomospermum, 99
Anona, 100
Anonaceae, 100
Anthurium, 70
Antigonon, 94
Anthrophyum, 53
Apeiba, 129
Aphelandra, 164
Apinagia, 104
Apocynaceae, 149
Apodanthes, 93
Apteria, 79
Aquifoliaceae, 126
Araceae, 68
Arachis, 114
Araeococcus, 73
Ardisia, 146
Areca, 67
Page 338
Argemone, 103
Aristida, 60
Aristolochia, 93
Aristolochiaceae, 93
Arrabidaea, 161, 162
Arthrostylidium, 58
Artocarpus, 90
Asclepiadaceae, 152
Asclepias, 152
Aspasia, 87
Aspidium, 52
Asplenium, 52
Astrocaryum, 66
Aulomyrcia, 142
Averrhoa, 116
Avicennia, 155
Azolla, 55
Baccharis, 176
Bacopa, 159
Bactris, 67
Balanophoraceae, 93
Bambusa, 58
Aristida, 60
Aristolochia, 93
Aristolochiaceae, 93
Arrabidaea, 161, 162
Arthrostylidium, 58
Artocarpus, 90
Asclepiadaceae, 152
Asclepias, 152
Aspasia, 87
Aspidium, 52
Asplenium, 52
Astrocaryum, 66
Aulomyrcia, 142
Averrhoa, 116
Avicennia, 155
Azolla, 55
Baccharis, 176
Bacopa, 159
Bactris, 67
Balanophoraceae, 93
Bambusa, 58
Page 339
Banara, 137
Banisteria, 120
Batemania, 84
Batidaceae, 89
Batidales, 89
Batis, 89
Bauhinia, 109
Begonia, 138
Begoniaceae, 138
Bellucia, 144
Beloperone, 165
Bertholletia, 139
Bertiera, 169
Besleria, 162
Beyrichia, 159
Bidens, 175
Bifrenaria, 83
Bignonia, 160
Bignoniaceae, 159
Billbergia, 73
Bisboeckeleria, 64
Bixa, 136
Banisteria, 120
Batemania, 84
Batidaceae, 89
Batidales, 89
Batis, 89
Bauhinia, 109
Begonia, 138
Begoniaceae, 138
Bellucia, 144
Beloperone, 165
Bertholletia, 139
Bertiera, 169
Besleria, 162
Beyrichia, 159
Bidens, 175
Bifrenaria, 83
Bignonia, 160
Bignoniaceae, 159
Billbergia, 73
Bisboeckeleria, 64
Bixa, 136
Page 340
Bixaceae, 135
Blechnum, 51
Blechum, 164
Blepharodon, 153
Blighia, 129
Bocagea, 100
Boerhavia, 96
Bollea, 86
Bombacaceae, 131
Bombax, 131
Borraginaceae, 154
Borreria, 166
Bougainvillea, 96
Brassavola, 81
Brassia, 87
Bredemeyera, 121
Bromelia, 72
Bromeliaceae, 72
Brosimum, 90
Brunfelsia, 158
Bryophyllum, 104
Buchenavia, 140
Blechnum, 51
Blechum, 164
Blepharodon, 153
Blighia, 129
Bocagea, 100
Boerhavia, 96
Bollea, 86
Bombacaceae, 131
Bombax, 131
Borraginaceae, 154
Borreria, 166
Bougainvillea, 96
Brassavola, 81
Brassia, 87
Bredemeyera, 121
Bromelia, 72
Bromeliaceae, 72
Brosimum, 90
Brunfelsia, 158
Bryophyllum, 104
Buchenavia, 140
Page 341
Büchnera, 158
Bucida, 140
Bulbophyllum, 85
Bulbostylis, 63
Bunchosia, 120
Burmannia, 78
Burmanniaceae, 78
Burseraceae, 118
Butomaceae, 56
Büttneria, 132
Byrsonima, 120
Cabomba, 98
Cacoucia, 141
Cactaceae, 138
Caesalpinia, 109
Cajanus, 114
Caladium, 69
Calathea, 78
Calliandra, 107
Callichlamys, 161
Calonyction, 154
Calopogonium, 113
Bucida, 140
Bulbophyllum, 85
Bulbostylis, 63
Bunchosia, 120
Burmannia, 78
Burmanniaceae, 78
Burseraceae, 118
Butomaceae, 56
Büttneria, 132
Byrsonima, 120
Cabomba, 98
Cacoucia, 141
Cactaceae, 138
Caesalpinia, 109
Cajanus, 114
Caladium, 69
Calathea, 78
Calliandra, 107
Callichlamys, 161
Calonyction, 154
Calopogonium, 113
Page 342
Calotropis, 152
Calycolpus, 142
Calycorectes, 141
Calyptrion, 136
Calyptrocarya, 65
Camaridium, 85
Campanulaceae, 172
Campanulatae, 170
Campylocentrum, 87
Canavalia, 113
Canna, 77
Cannaceae, 77
Caperonia, 124
Capparidaceae, 103
Capraria, 159
Caprifoliaceae, 170
Capsicum, 158
Caraipa, 134
Carapa, 119
Cardiospermum, 128
Carica, 138
Caricaceae, 138
Calycolpus, 142
Calycorectes, 141
Calyptrion, 136
Calyptrocarya, 65
Camaridium, 85
Campanulaceae, 172
Campanulatae, 170
Campylocentrum, 87
Canavalia, 113
Canna, 77
Cannaceae, 77
Caperonia, 124
Capparidaceae, 103
Capraria, 159
Caprifoliaceae, 170
Capsicum, 158
Caraipa, 134
Carapa, 119
Cardiospermum, 128
Carica, 138
Caricaceae, 138
Page 343
Carludovica, 68
Carpotroche, 137
Caryocar, 133
Caryocaraceae, 133
Caryophyllaceae, 97
Casearia, 137
Cassia, 110, 111
Cassipourea, 140
Cassytha, 101
Catasetum, 83
Catopsis, 73
Cayaponia, 171
Cecropia, 90
Cedrela, 119
Ceiba, 131
Celastraceae, 126
Celosia, 95
Cenchrus, 60
Centropogon, 172
Centrosema, 112
Centrospermae, 94
Ceratopteris, 54
Carpotroche, 137
Caryocar, 133
Caryocaraceae, 133
Caryophyllaceae, 97
Casearia, 137
Cassia, 110, 111
Cassipourea, 140
Cassytha, 101
Catasetum, 83
Catopsis, 73
Cayaponia, 171
Cecropia, 90
Cedrela, 119
Ceiba, 131
Celastraceae, 126
Celosia, 95
Cenchrus, 60
Centropogon, 172
Centrosema, 112
Centrospermae, 94
Ceratopteris, 54
Page 344
Cereus, 138
Ceropteris, 53
Cestrum, 158
Chaetocalyx, 115
Chamissoa, 95
Chaubardia, 86
Chelonanthus, 149
Chenopodiaceae, 94
Chenopodium, 94
Chloris, 61
Choripetalae, 89
Chrysobalanus, 105
Chrysophyllum, 146
Cinnamomum, 102
Cissampelos, 99
Cissus, 129
Citharexylum, 156
Citrullus, 171
Citrus, 117
Cladium, 64
Clavija, 145
Clematis, 98
Ceropteris, 53
Cestrum, 158
Chaetocalyx, 115
Chamissoa, 95
Chaubardia, 86
Chelonanthus, 149
Chenopodiaceae, 94
Chenopodium, 94
Chloris, 61
Choripetalae, 89
Chrysobalanus, 105
Chrysophyllum, 146
Cinnamomum, 102
Cissampelos, 99
Cissus, 129
Citharexylum, 156
Citrullus, 171
Citrus, 117
Cladium, 64
Clavija, 145
Clematis, 98
Page 345
Cleome, 103
Clerodendron, 155
Clibadium, 174
Clidemia, 144
Clitoria, 113, 114
Clusia, 135
Clytostoma, 162
Coccocypselum, 169
Cochlospermaceae, 136
Cochlospermum, 136
Cocos, 67, 68
Coccoloba, 94
Codiaeum, 124
Codonanthe, 162
Coix, 58
Coffea, 166
Cola, 131
Colocasia, 69
Combretaceae, 140
Combretum, 141
Commelina, 74
Commelinaceae, 74
Clerodendron, 155
Clibadium, 174
Clidemia, 144
Clitoria, 113, 114
Clusia, 135
Clytostoma, 162
Coccocypselum, 169
Cochlospermaceae, 136
Cochlospermum, 136
Cocos, 67, 68
Coccoloba, 94
Codiaeum, 124
Codonanthe, 162
Coix, 58
Coffea, 166
Cola, 131
Colocasia, 69
Combretaceae, 140
Combretum, 141
Commelina, 74
Commelinaceae, 74
Page 346
Comolia, 143
Compositae, 172
Conceveiba, 122, 123
Condylocarpus, 150
Connaraceae, 105
Connarus, 106
Conobea, 159
Conocarpus, 140
Conomorpha, 146
Contortae, 147
Convolvulaceae, 153
Conyza, 176
Copaifera, 108
Corchorus, 130
Cordia, 155
Cordyline, 75
Coryanthes, 84
Corynostylis, 136
Costus, 77
Couepia, 105
Couma, 150
Couralia, 160
Compositae, 172
Conceveiba, 122, 123
Condylocarpus, 150
Connaraceae, 105
Connarus, 106
Conobea, 159
Conocarpus, 140
Conomorpha, 146
Contortae, 147
Convolvulaceae, 153
Conyza, 176
Copaifera, 108
Corchorus, 130
Cordia, 155
Cordyline, 75
Coryanthes, 84
Corynostylis, 136
Costus, 77
Couepia, 105
Couma, 150
Couralia, 160
Page 347
Couratari, 140
Couroupita, 139
Coussapoa, 91
Coussarea, 167
Coutoubea, 149
Crantzia, 163
Crassulaceae, 104
Crataeva, 103
Crenea, 139
Crescentia, 160
Crinum, 76
Crotalaria, 112
Croton, 122, 123, 124
Cruciferae, 103
Crudia, 108
Cryptangium, 64
Cryptarrhena, 87
Cucumis, 171
Cucurbita, 171
Cucurbitaceae, 170
Cupania, 128
Cuphea, 139
Couroupita, 139
Coussapoa, 91
Coussarea, 167
Coutoubea, 149
Crantzia, 163
Crassulaceae, 104
Crataeva, 103
Crenea, 139
Crescentia, 160
Crinum, 76
Crotalaria, 112
Croton, 122, 123, 124
Cruciferae, 103
Crudia, 108
Cryptangium, 64
Cryptarrhena, 87
Cucumis, 171
Cucurbita, 171
Cucurbitaceae, 170
Cupania, 128
Cuphea, 139
Page 348
Curatella, 132
Curcuma, 77
Curtia, 149
Cuscuta, 153
Cyathea, 50
Cyathula, 95
Cyclanthaceae, 68
Cyclodium, 52
Cyclolobium, 112
Cycnoches, 83
Cydista, 161
Cymbopetalum, 100
Cynodon, 61
Cynometra, 109
Cyperaceae, 61
Cyperus, 62
Cyrtopera, 83
Cyrtopodium, 83
Cyrtosperma, 69
Dactyloctenium, 58
Dalbergia, 112, 115
Dalechampia, 123
Curcuma, 77
Curtia, 149
Cuscuta, 153
Cyathea, 50
Cyathula, 95
Cyclanthaceae, 68
Cyclodium, 52
Cyclolobium, 112
Cycnoches, 83
Cydista, 161
Cymbopetalum, 100
Cynodon, 61
Cynometra, 109
Cyperaceae, 61
Cyperus, 62
Cyrtopera, 83
Cyrtopodium, 83
Cyrtosperma, 69
Dactyloctenium, 58
Dalbergia, 112, 115
Dalechampia, 123
Page 349
Danaea, 55
Davilla, 132
Derris, 115
Desmanthus, 107
Desmodium, 113
Desmoncus, 66
Desmoscelis, 143
Dialium, 108
Dichaea, 87
Dichapetalaceae, 121
Dichorisandra, 74
Dichromena, 63
Dicorynia, 111
Dicotyledoneae, 89
Dictyostegia, 79
Dicranoglossum, 53
Didymochlaena, 51
Dieffenbachia, 70
Dimorphandra, 109, 110
Dioclea, 113
Diodia, 166
Dioscorea, 76
Davilla, 132
Derris, 115
Desmanthus, 107
Desmodium, 113
Desmoncus, 66
Desmoscelis, 143
Dialium, 108
Dichaea, 87
Dichapetalaceae, 121
Dichorisandra, 74
Dichromena, 63
Dicorynia, 111
Dicotyledoneae, 89
Dictyostegia, 79
Dicranoglossum, 53
Didymochlaena, 51
Dieffenbachia, 70
Dimorphandra, 109, 110
Dioclea, 113
Diodia, 166
Dioscorea, 76
Page 350
Dioscoreaceae, 76
Diospyros, 147
Diplacrum, 65
Dipladenia, 151
Diplasia, 65
Diplazium, 52
Diplotropis, 110
Dipteryx, 115
Discocarpus, 122, 123
Distictis, 161
Dodonaea, 128
Dolichos, 113
Doliocarpus, 132
Dracontium, 68
Drejera, 165
Drepanocarpus, 115
Drosera, 104
Droseraceae, 103
Drymaria, 97
Drymonia, 163
Dryopteris, 52, 54
Duguetia, 101
Diospyros, 147
Diplacrum, 65
Dipladenia, 151
Diplasia, 65
Diplazium, 52
Diplotropis, 110
Dipteryx, 115
Discocarpus, 122, 123
Distictis, 161
Dodonaea, 128
Dolichos, 113
Doliocarpus, 132
Dracontium, 68
Drejera, 165
Drepanocarpus, 115
Drosera, 104
Droseraceae, 103
Drymaria, 97
Drymonia, 163
Dryopteris, 52, 54
Duguetia, 101
Page 351
Duroia, 170
Ebenaceae, 147
Ebenales, 146
Ecastaphyllum, 112, 115
Echinocystis, 171
Echinodorus, 56
Echites, 151
Eclipta, 175
Eichhornia, 74
Elaeis, 67
Elaeocarpaceae, 129
Elaphoglossum, 53
Elephantopus, 173
Eleusine, 58
Eleutheranthera, 173
Elodea, 57
Elvasia, 133
Emilia, 174
Endlicheria, 102
Entada, 108
Eperua, 111
Epidendrum, 81
Ebenaceae, 147
Ebenales, 146
Ecastaphyllum, 112, 115
Echinocystis, 171
Echinodorus, 56
Echites, 151
Eclipta, 175
Eichhornia, 74
Elaeis, 67
Elaeocarpaceae, 129
Elaphoglossum, 53
Elephantopus, 173
Eleusine, 58
Eleutheranthera, 173
Elodea, 57
Elvasia, 133
Emilia, 174
Endlicheria, 102
Entada, 108
Eperua, 111
Epidendrum, 81
Page 352
Episcia, 163
Eragrostis, 59
Eranthemum, 164
Erechtites, 173
Erigeron, 175
Eriocaulaceae, 71
Eriochloa, 60
Eriosema, 112
Erisma, 121
Ernestia, 143
Eryngium, 145
Erythrina, 112
Erythroxylaceae, 116
Erythroxylum, 117
Eschatogramme, 53
Eschweilera, 140
Eugenia, 142
Eupatorium, 176
Euphorbia, 123
Euphorbiaceae, 122
Euterpe, 67
Evolvulis, 153
Eragrostis, 59
Eranthemum, 164
Erechtites, 173
Erigeron, 175
Eriocaulaceae, 71
Eriochloa, 60
Eriosema, 112
Erisma, 121
Ernestia, 143
Eryngium, 145
Erythrina, 112
Erythroxylaceae, 116
Erythroxylum, 117
Eschatogramme, 53
Eschweilera, 140
Eugenia, 142
Eupatorium, 176
Euphorbia, 123
Euphorbiaceae, 122
Euterpe, 67
Evolvulis, 153
Page 353
Excoecaria, 125
Faramea, 167
Farinosae, 71
Ficus, 90
Fimbristylis, 63
Fischeria, 153
Flacourtiaceae, 137
Fleurya, 91
Forsteronia, 152
Fourcraya, 75
Fuirena, 63
Galactia, 113
Galeandra, 80
Galipea, 117
Gardenia, 169
Genipa, 169
Gentianaceae, 148
Geoffraea, 115
Geonoma, 66
Geophila, 167
Geraniales, 116
Gerardia, 159
Faramea, 167
Farinosae, 71
Ficus, 90
Fimbristylis, 63
Fischeria, 153
Flacourtiaceae, 137
Fleurya, 91
Forsteronia, 152
Fourcraya, 75
Fuirena, 63
Galactia, 113
Galeandra, 80
Galipea, 117
Gardenia, 169
Genipa, 169
Gentianaceae, 148
Geoffraea, 115
Geonoma, 66
Geophila, 167
Geraniales, 116
Gerardia, 159
Page 354
Gesneriaceae, 162
Gleichenia, 54
Gleicheniaceae, 54
Gloxinia, 162
Glumiflorae, 57
Gnetaceae, 56
Gnetum, 56
Gomphrena, 95
Gongora, 84
Gonolobus, 153
Gonzalagunia, 168
Gossypium, 130
Gouania, 129
Goupia, 127
Gramina, 57
Guazuma, 132
Gravisia, 73
Guadua, 58
Guajacum, 117
Guarea, 119
Guatteria, 101
Guettarda, 166
Gleichenia, 54
Gleicheniaceae, 54
Gloxinia, 162
Glumiflorae, 57
Gnetaceae, 56
Gnetum, 56
Gomphrena, 95
Gongora, 84
Gonolobus, 153
Gonzalagunia, 168
Gossypium, 130
Gouania, 129
Goupia, 127
Gramina, 57
Guazuma, 132
Gravisia, 73
Guadua, 58
Guajacum, 117
Guarea, 119
Guatteria, 101
Guettarda, 166
Page 355
Gurania, 170, 172
Gustavia, 139
Guttiferae, 134
Guzmania, 73
Gymnopogon, 61
Gymnopteris, 53
Gymnospermae, 56
Gynandropsis, 103
Gynerium, 57
Habenaria, 79
Haematoxylon, 110
Haemocharis, 134
Haemodoraceae, 75
Hecistopteris, 53
Heckeria, 89
Hedychium, 77
Heisteria, 92
Heleocharis, 63
Heliconia, 76
Helicostylis, 90
Helicteres, 132
Heliotropium, 155
Gustavia, 139
Guttiferae, 134
Guzmania, 73
Gymnopogon, 61
Gymnopteris, 53
Gymnospermae, 56
Gynandropsis, 103
Gynerium, 57
Habenaria, 79
Haematoxylon, 110
Haemocharis, 134
Haemodoraceae, 75
Hecistopteris, 53
Heckeria, 89
Hedychium, 77
Heisteria, 92
Heleocharis, 63
Heliconia, 76
Helicostylis, 90
Helicteres, 132
Heliotropium, 155
Page 356
Helmontia, 170, 172
Helobiae, 56
Helosis, 93
Hemidiodia, 166
Hemionitis, 53
Hemitelia, 50
Hemriettea, 144
Hernandia, 102
Hernandiaceae, 102
Heteropetalum, 100
Heteropterys, 120
Heterostemon, 111
Hevea, 123
Hexisea, 80
Hibiscus, 131
Hieronymia, 122, 123
Hillia, 168
Hippeastrum, 76
Hippocratea, 127
Hippocrateaceae, 127
Hiraea, 120
Hirtella, 105
Helobiae, 56
Helosis, 93
Hemidiodia, 166
Hemionitis, 53
Hemitelia, 50
Hemriettea, 144
Hernandia, 102
Hernandiaceae, 102
Heteropetalum, 100
Heteropterys, 120
Heterostemon, 111
Hevea, 123
Hexisea, 80
Hibiscus, 131
Hieronymia, 122, 123
Hillia, 168
Hippeastrum, 76
Hippocratea, 127
Hippocrateaceae, 127
Hiraea, 120
Hirtella, 105
Page 357
Homalium, 137
Hoppia, 64
Humiria, 116
Humiriaceae, 116
Hura, 123
Hybanthus, 136
Hydrocharitaceae, 56
Hydrocleis, 56
Hydrocotyle, 145
Hydrolea, 154
Hydromystria, 57
Hydrophyllaceae, 154
Hygrophila, 164
Hymenaea, 109
Hymenocallis, 75
Hymenophyllaceae, 50
Hymenophyllum, 50
Hyperbaena, 99, 100
Hypolytrum, 65
Hypoxis, 75
Hyptis, 157
Icacinaceae, 127
Hoppia, 64
Humiria, 116
Humiriaceae, 116
Hura, 123
Hybanthus, 136
Hydrocharitaceae, 56
Hydrocleis, 56
Hydrocotyle, 145
Hydrolea, 154
Hydromystria, 57
Hydrophyllaceae, 154
Hygrophila, 164
Hymenaea, 109
Hymenocallis, 75
Hymenophyllaceae, 50
Hymenophyllum, 50
Hyperbaena, 99, 100
Hypolytrum, 65
Hypoxis, 75
Hyptis, 157
Icacinaceae, 127
Page 358
Ichnanthus, 61
Ichthyothere, 174
Ilex, 126
Imperata, 60
Indigofera, 115
Inga, 106
Ipomoea, 154
Iresine, 95
Iriartea, 66
Irlbachia, 149
Iryanthera, 101
Ischaemum, 59
Ischnosiphon, 78
Isertia, 168
Ixora, 166
Jacaranda, 160
Jacquemontia, 154
Jambosa, 141
Jasminum, 148
Jatropha, 124
Jonopsis, 86
Jubelina, 119
Ichthyothere, 174
Ilex, 126
Imperata, 60
Indigofera, 115
Inga, 106
Ipomoea, 154
Iresine, 95
Iriartea, 66
Irlbachia, 149
Iryanthera, 101
Ischaemum, 59
Ischnosiphon, 78
Isertia, 168
Ixora, 166
Jacaranda, 160
Jacquemontia, 154
Jambosa, 141
Jasminum, 148
Jatropha, 124
Jonopsis, 86
Jubelina, 119
Page 359
Juncellus, 62
Jussieua, 145
Justicia, 165
Kegelia, 84
Kyllingia, 62
Labiatae, 156
Lacistema, 89
Lacistemaceae, 89
Lagenaria, 171
Lagenocarpus, 64
Lagerströmia, 139
Laguncularia, 141
Landolphia, 150
Lanium, 81
Lantana, 156
Lauraceae, 101
Laurus, 102
Lawsonia, 139
Leandra, 144
Lecythidaceae, 139
Lecythis, 139
Leguminosae, 106
Jussieua, 145
Justicia, 165
Kegelia, 84
Kyllingia, 62
Labiatae, 156
Lacistema, 89
Lacistemaceae, 89
Lagenaria, 171
Lagenocarpus, 64
Lagerströmia, 139
Laguncularia, 141
Landolphia, 150
Lanium, 81
Lantana, 156
Lauraceae, 101
Laurus, 102
Lawsonia, 139
Leandra, 144
Lecythidaceae, 139
Lecythis, 139
Leguminosae, 106
Page 360
Leiphaemos, 149
Lemna, 71
Lemnaceae, 70
Lentibulariaceae, 163
Leonotis, 157
Leonurus, 157
Lepanthes, 82
Lepicystis, 53
Lepidagathis, 164
Lepidium, 103
Leptochloa, 58
Leptocoryphium, 61
Leucaena, 107
Licania, 105
Liliaceae, 75
Liliiflorae, 75
Limnanthemum, 148
Linaceae, 116
Lindernia, 159
Lindsaya, 52
Liparis, 80
Lipocarpha, 63
Lemna, 71
Lemnaceae, 70
Lentibulariaceae, 163
Leonotis, 157
Leonurus, 157
Lepanthes, 82
Lepicystis, 53
Lepidagathis, 164
Lepidium, 103
Leptochloa, 58
Leptocoryphium, 61
Leucaena, 107
Licania, 105
Liliaceae, 75
Liliiflorae, 75
Limnanthemum, 148
Linaceae, 116
Lindernia, 159
Lindsaya, 52
Liparis, 80
Lipocarpha, 63
Page 361
Lippia, 156
Lochnera, 151
Lockhartia, 87
Loganiaceae, 148
Lonchocarpus, 115
Lophogyne, 104
Lophotocarpus, 56
Loranthaceae, 91
Loreya, 144
Ludovia, 68
Luffa, 171
Lühea, 130
Lundia, 161
Lycopodiaceae, 55
Lycopodium, 55
Lygodium, 54
Lythraceae, 138
Mabea, 124
Macfadyena, 160
Machaerium, 115
Macradenia, 86
Macrolobium, 111
Lochnera, 151
Lockhartia, 87
Loganiaceae, 148
Lonchocarpus, 115
Lophogyne, 104
Lophotocarpus, 56
Loranthaceae, 91
Loreya, 144
Ludovia, 68
Luffa, 171
Lühea, 130
Lundia, 161
Lycopodiaceae, 55
Lycopodium, 55
Lygodium, 54
Lythraceae, 138
Mabea, 124
Macfadyena, 160
Machaerium, 115
Macradenia, 86
Macrolobium, 111
Page 362
Maieta, 144
Malachra, 130, 131
Malanea, 167
Malouetia, 152
Malpighia, 120
Malpighiaceae, 119
Malvaceae, 130
Malvales, 129
Mammea, 135
Mandevilla, 151
Manettia, 168
Mangifera, 126
Manicaria, 66
Manihot, 125
Manisuris, 59
Mapania, 65
Mapouria, 168
Maprounea, 125
Maranta, 78
Marantaceae, 78
Marattiaceae, 55
Marcgravia, 133
Malachra, 130, 131
Malanea, 167
Malouetia, 152
Malpighia, 120
Malpighiaceae, 119
Malvaceae, 130
Malvales, 129
Mammea, 135
Mandevilla, 151
Manettia, 168
Mangifera, 126
Manicaria, 66
Manihot, 125
Manisuris, 59
Mapania, 65
Mapouria, 168
Maprounea, 125
Maranta, 78
Marantaceae, 78
Marattiaceae, 55
Marcgravia, 133
Page 363
Marcgraviaceae, 133
Marila, 135
Maripa, 153
Mariscus, 62
Markea, 158
Marlierea, 141
Marsdenia, 152
Marsypianthes, 157
Martinella, 161
Martiusia, 110
Mascagnia, 120
Masdevallia, 82
Matayba, 128
Mauritia, 66
Maxillaria, 85
Maximiliana, 68
Mayaca, 71
Mayacaceae, 71
Maytenus, 127
Melampodium, 175
Melasma, 159
Melastomataceae, 142
Marila, 135
Maripa, 153
Mariscus, 62
Markea, 158
Marlierea, 141
Marsdenia, 152
Marsypianthes, 157
Martinella, 161
Martiusia, 110
Mascagnia, 120
Masdevallia, 82
Matayba, 128
Mauritia, 66
Maxillaria, 85
Maximiliana, 68
Mayaca, 71
Mayacaceae, 71
Maytenus, 127
Melampodium, 175
Melasma, 159
Melastomataceae, 142
Page 364
Melia, 118
Meliaceae, 118
Melicocca, 128
Melocactus, 138
Melochia, 132
Melothria, 170
Memora, 160
Menadenium, 83
Mendoncia, 164
Menispermaceae, 98
Merremia, 154
Metastelma, 152
Miconia, 144
Micranthemum, 158
Microspermae, 78
Microtea, 97
Mikania, 173
Mimosa, 107
Mimosaceae, 106
Mimusops, 146
Minquartia, 92
Mirabilis, 96
Meliaceae, 118
Melicocca, 128
Melocactus, 138
Melochia, 132
Melothria, 170
Memora, 160
Menadenium, 83
Mendoncia, 164
Menispermaceae, 98
Merremia, 154
Metastelma, 152
Miconia, 144
Micranthemum, 158
Microspermae, 78
Microtea, 97
Mikania, 173
Mimosa, 107
Mimosaceae, 106
Mimusops, 146
Minquartia, 92
Mirabilis, 96
Page 365
Mitracarpus, 166
Mollinedia, 101
Mollugo, 97
Momordica, 171
Monimiaceae, 101
Monniera, 117
Monnina, 121
Monocotyledoneae, 56
Monogramme, 53
Monotagma, 78
Monstera, 70
Montrichardia, 69
Morinda, 167
Moringa, 103
Moringaceae, 103
Mostuea, 148
Mourera, 104
Mouriria, 142
Moutabea, 121
Mucuna, 112
Müllera, 115
Murraya, 117
Mollinedia, 101
Mollugo, 97
Momordica, 171
Monimiaceae, 101
Monniera, 117
Monnina, 121
Monocotyledoneae, 56
Monogramme, 53
Monotagma, 78
Monstera, 70
Montrichardia, 69
Morinda, 167
Moringa, 103
Moringaceae, 103
Mostuea, 148
Mourera, 104
Mouriria, 142
Moutabea, 121
Mucuna, 112
Müllera, 115
Murraya, 117
Page 366
Musa, 76
Musaceae, 76
Myrcia, 142
Myrciaria, 142
Myriaspora, 144
Myristicaceae, 101
Myrosma, 78
Myrsinaceae, 145
Myrtaceae, 141
Myrtiflorae, 138
Nasturtium, 103
Nectandra, 102
Nematanthera, 89
Nephrodium, 52, 54
Nephrolepis, 51
Nepsera, 144
Neptunia, 107
Nerium, 151
Neurogramme, 53
Neurolaena, 173
Neurotheca, 149
Nicotiana, 158
Musaceae, 76
Myrcia, 142
Myrciaria, 142
Myriaspora, 144
Myristicaceae, 101
Myrosma, 78
Myrsinaceae, 145
Myrtaceae, 141
Myrtiflorae, 138
Nasturtium, 103
Nectandra, 102
Nematanthera, 89
Nephrodium, 52, 54
Nephrolepis, 51
Nepsera, 144
Neptunia, 107
Nerium, 151
Neurogramme, 53
Neurolaena, 173
Neurotheca, 149
Nicotiana, 158
Page 367
Noisettia, 136
Nopalia, 138
Norantea, 133
Notochlaena, 54
Notolaena, 54
Notylia, 86
Nyctaginaceae, 96
Nymphaea, 98
Nymphaeaceae, 98
Ochnaceae, 132
Ocimum, 157
Ocotea, 102
Octomeria, 82
Odontadenia, 151
Oenocarpus, 67
Oenone, 104
Oenotheraceae, 145
Olacaceae, 92
Oldenlandia, 168
Oleaceae, 147
Oleandra, 51
Olyra, 58
Nopalia, 138
Norantea, 133
Notochlaena, 54
Notolaena, 54
Notylia, 86
Nyctaginaceae, 96
Nymphaea, 98
Nymphaeaceae, 98
Ochnaceae, 132
Ocimum, 157
Ocotea, 102
Octomeria, 82
Odontadenia, 151
Oenocarpus, 67
Oenone, 104
Oenotheraceae, 145
Olacaceae, 92
Oldenlandia, 168
Oleaceae, 147
Oleandra, 51
Olyra, 58
Page 368
Omphalea, 125
Oncidium, 87
Operculina, 154
Ophioglossaceae, 55
Ophioglossum, 55
Opuntiales, 138
Orchidaceae, 79
Oreodoxa, 67
Orleanesia, 80
Ormosia, 110
Ornithidium, 85
Ornithocephalus, 87
Orthoclada, 58
Oryctanthus, 92
Oryza, 59
Ouratea, 133
Ourouparia, 168
Oxalidaceae, 116
Oxalis, 116
Oxystelma, 153
Pachira, 131
Pachystachys, 165
Oncidium, 87
Operculina, 154
Ophioglossaceae, 55
Ophioglossum, 55
Opuntiales, 138
Orchidaceae, 79
Oreodoxa, 67
Orleanesia, 80
Ormosia, 110
Ornithidium, 85
Ornithocephalus, 87
Orthoclada, 58
Oryctanthus, 92
Oryza, 59
Ouratea, 133
Ourouparia, 168
Oxalidaceae, 116
Oxalis, 116
Oxystelma, 153
Pachira, 131
Pachystachys, 165
Page 369
Pacourina, 173
Paepalanthus, 71
Pagamea, 167
Palicourea, 168
Palmae, 65
Palovea, 111
Panicum, 61
Panopsis, 91
Papaveraceae, 102
Paphinia, 83
Papilionaceae, 106
Paragonia, 161
Pariana, 57
Parietales, 132
Parinarium, 105
Parkeriaceae, 54
Parkia, 106
Parkinsonia, 109
Parthenium, 175
Paspalum, 61
Passiflora, 137
Passifloraceae, 137
Paepalanthus, 71
Pagamea, 167
Palicourea, 168
Palmae, 65
Palovea, 111
Panicum, 61
Panopsis, 91
Papaveraceae, 102
Paphinia, 83
Papilionaceae, 106
Paragonia, 161
Pariana, 57
Parietales, 132
Parinarium, 105
Parkeriaceae, 54
Parkia, 106
Parkinsonia, 109
Parthenium, 175
Paspalum, 61
Passiflora, 137
Passifloraceae, 137
Page 370
Patrisia, 137
Paullinia, 128
Pavonia, 131
Paypayrola, 136
Pedaliaceae, 162
Pedicellaria, 103
Pedilanthus, 123
Peltogyne, 109
Pentaclethra, 107
Peperomia, 89
Perama, 166
Peristeria, 84
Persea, 102
Petastoma, 162
Petiveria, 97
Petraea, 156
Pfaffia, 95
Phaeospherion, 74
Pharbitis, 154
Pharus, 57
Phaseolus, 113
Philibertia, 153
Paullinia, 128
Pavonia, 131
Paypayrola, 136
Pedaliaceae, 162
Pedicellaria, 103
Pedilanthus, 123
Peltogyne, 109
Pentaclethra, 107
Peperomia, 89
Perama, 166
Peristeria, 84
Persea, 102
Petastoma, 162
Petiveria, 97
Petraea, 156
Pfaffia, 95
Phaeospherion, 74
Pharbitis, 154
Pharus, 57
Phaseolus, 113
Philibertia, 153
Page 371
Philodendron, 70
Phoradendron, 92
Phthirusa, 92
Phyllanthus, 122, 123, 125
Phyllocactus, 138
Physalis, 157
Physurus, 80
Phytolacca, 97
Phytolaccaceae, 96
Pilea, 91
Pilostyles, 93
Pimenta, 142
Pimpinella, 145
Piper, 89
Piperaceae, 89
Piptadenia, 108
Piptocarpha, 173
Piriqueta, 137
Pisonia, 96
Pistia, 68
Pitcairnia, 72
Pithecoctenium, 161
Phoradendron, 92
Phthirusa, 92
Phyllanthus, 122, 123, 125
Phyllocactus, 138
Physalis, 157
Physurus, 80
Phytolacca, 97
Phytolaccaceae, 96
Pilea, 91
Pilostyles, 93
Pimenta, 142
Pimpinella, 145
Piper, 89
Piperaceae, 89
Piptadenia, 108
Piptocarpha, 173
Piriqueta, 137
Pisonia, 96
Pistia, 68
Pitcairnia, 72
Pithecoctenium, 161
Page 372
Pithecolobium, 106
Plantaginaceae, 165
Plantago, 165
Platonia, 135
Plectrophora, 86
Pleonotoma, 161
Pleurostachys, 63
Pleurothallis, 82
Plukenetia, 124
Plumbaginaceae, 146
Plumbago, 146
Plumiera, 150
Poa, 59
Podostemonaceae, 104
Pogonia, 80
Poinciana, 109
Polybotrya, 53
Polycarpaea, 98
Polygala, 121
Polygalaceae, 121
Polygonaceae, 93
Polygonum, 94
Plantaginaceae, 165
Plantago, 165
Platonia, 135
Plectrophora, 86
Pleonotoma, 161
Pleurostachys, 63
Pleurothallis, 82
Plukenetia, 124
Plumbaginaceae, 146
Plumbago, 146
Plumiera, 150
Poa, 59
Podostemonaceae, 104
Pogonia, 80
Poinciana, 109
Polybotrya, 53
Polycarpaea, 98
Polygala, 121
Polygalaceae, 121
Polygonaceae, 93
Polygonum, 94
Page 373
Polypodiaceae, 50
Polypodium, 53
Polypompholyx, 163
Polystachya, 80
Polystichum, 52
Ponera, 81
Pontederia, 74
Pontederiaceae, 74
Poraqueiba, 127
Porophyllum, 173
Portulaca, 97
Portulacaceae, 97
Posoqueria, 169
Potalia, 148
Pourouma, 91
Pouteria, 146
Prestonia, 152
Prevostea, 153
Primulales, 145
Principes, 65
Priva, 156
Proteaceae, 91
Polypodium, 53
Polypompholyx, 163
Polystachya, 80
Polystichum, 52
Ponera, 81
Pontederia, 74
Pontederiaceae, 74
Poraqueiba, 127
Porophyllum, 173
Portulaca, 97
Portulacaceae, 97
Posoqueria, 169
Potalia, 148
Pourouma, 91
Pouteria, 146
Prestonia, 152
Prevostea, 153
Primulales, 145
Principes, 65
Priva, 156
Proteaceae, 91
Page 374
Protium, 118
Pseudima, 128
Psidium, 141
Psittacanthus, 92
Psychotria, 168
Pteridium, 52
Pteris, 52
Pterocarpus, 116
Pterolepis, 143
Punica, 139
Punicaceae, 139
Pycreus, 62
Qualea, 121
Quamoclit, 154
Quararibea, 131
Quassia, 118
Quiina, 134
Quiinaceae, 134
Quisqualis, 140
Rafflesiaceae, 93
Ranales, 98
Randia, 169
Pseudima, 128
Psidium, 141
Psittacanthus, 92
Psychotria, 168
Pteridium, 52
Pteris, 52
Pterocarpus, 116
Pterolepis, 143
Punica, 139
Punicaceae, 139
Pycreus, 62
Qualea, 121
Quamoclit, 154
Quararibea, 131
Quassia, 118
Quiina, 134
Quiinaceae, 134
Quisqualis, 140
Rafflesiaceae, 93
Ranales, 98
Randia, 169
Page 375
Ranunculaceae, 98
Rapanea, 146
Rapatea, 72
Rapateaceae, 71
Rauwolfia, 150
Ravenala, 76
Remiria, 64
Renealmia, 77
Restrepia, 82
Retiniphyllum, 169
Rhabdadenia, 151
Rhacodiscus, 165
Rhamnaceae, 129
Rhamnales, 129
Rheedia, 135
Rhipsalis, 138
Rhizophora, 140
Rhizophoraceae, 140
Rhodospatha, 70
Rhoeadales, 102
Rhynchanthera, 143
Rhynchosia, 112
Rapanea, 146
Rapatea, 72
Rapateaceae, 71
Rauwolfia, 150
Ravenala, 76
Remiria, 64
Renealmia, 77
Restrepia, 82
Retiniphyllum, 169
Rhabdadenia, 151
Rhacodiscus, 165
Rhamnaceae, 129
Rhamnales, 129
Rheedia, 135
Rhipsalis, 138
Rhizophora, 140
Rhizophoraceae, 140
Rhodospatha, 70
Rhoeadales, 102
Rhynchanthera, 143
Rhynchosia, 112
Page 376
Rhynchospora, 64
Ricinus, 124
Riencourtia, 174
Rinorea, 136
Robbia, 152
Rodriguezia, 86
Rolandra, 173
Rollinia, 100
Rosaceae, 105
Rosales, 104
Roucheria, 116
Roulinia, 153
Rourea, 106
Rubiaceae, 165
Rudgea, 168
Ruellia, 164
Rutaceae, 117
Sabicea, 169
Saccharum, 59
Saccoglottis, 116
Saccoloma, 52
Sagittaria, 56
Ricinus, 124
Riencourtia, 174
Rinorea, 136
Robbia, 152
Rodriguezia, 86
Rolandra, 173
Rollinia, 100
Rosaceae, 105
Rosales, 104
Roucheria, 116
Roulinia, 153
Rourea, 106
Rubiaceae, 165
Rudgea, 168
Ruellia, 164
Rutaceae, 117
Sabicea, 169
Saccharum, 59
Saccoglottis, 116
Saccoloma, 52
Sagittaria, 56
Page 377
Sagotia, 124
Salacia, 127
Salvinia, 55
Salviniaceae, 55
Sambucus, 170
Santalales, 91
Sapindaceae, 127
Sapindales, 126
Sapium, 125
Sapotaceae, 146
Sarraceniales, 103
Sauvagesia, 133
Saxofridericia, 72
Scaphyglottis, 81
Schizaea, 54
Schizaeaceae, 54
Schlegelia, 160
Schomburgkia, 81
Schultesia, 149
Schwenckia, 158
Sciadotenia, 99
Scitamineae, 76
Salacia, 127
Salvinia, 55
Salviniaceae, 55
Sambucus, 170
Santalales, 91
Sapindaceae, 127
Sapindales, 126
Sapium, 125
Sapotaceae, 146
Sarraceniales, 103
Sauvagesia, 133
Saxofridericia, 72
Scaphyglottis, 81
Schizaea, 54
Schizaeaceae, 54
Schlegelia, 160
Schomburgkia, 81
Schultesia, 149
Schwenckia, 158
Sciadotenia, 99
Scitamineae, 76
Page 378
Scleria, 64
Sclerolobium, 111
Scirpus, 63
Scoparia, 158
Scrophulariaceae, 158
Sebastiania, 125
Secondatia, 151
Securidaca, 121
Seguieria, 96
Selaginella, 56
Selaginellaceae, 55
Selenipedilum, 79
Serjania, 128
Sesamum, 162
Sesbania, 114
Sesuvium, 97
Setaria, 60
Sida, 130
Sideroxylon, 147
Simaba, 118
Simarubaceae, 118
Sipanea, 168
Sclerolobium, 111
Scirpus, 63
Scoparia, 158
Scrophulariaceae, 158
Sebastiania, 125
Secondatia, 151
Securidaca, 121
Seguieria, 96
Selaginella, 56
Selaginellaceae, 55
Selenipedilum, 79
Serjania, 128
Sesamum, 162
Sesbania, 114
Sesuvium, 97
Setaria, 60
Sida, 130
Sideroxylon, 147
Simaba, 118
Simarubaceae, 118
Sipanea, 168
Page 379
Siparuna, 101
Siphanthera, 143
Sloanea, 129
Smilax, 75
Sobralia, 80
Solanaceae, 157
Solanum, 157
Somphoxylon, 99
Souroubea, 133
Spachea, 119
Spathiflorae, 68
Sparganophorus, 174
Spartina, 61
Spatanthus, 72
Spathiphyllum, 70
Spermacoce, 166
Spigelia, 148
Spilanthes, 174
Spinacia, 94
Spiranthes, 80
Spirodela, 71
Spondias, 126
Siphanthera, 143
Sloanea, 129
Smilax, 75
Sobralia, 80
Solanaceae, 157
Solanum, 157
Somphoxylon, 99
Souroubea, 133
Spachea, 119
Spathiflorae, 68
Sparganophorus, 174
Spartina, 61
Spatanthus, 72
Spathiphyllum, 70
Spermacoce, 166
Spigelia, 148
Spilanthes, 174
Spinacia, 94
Spiranthes, 80
Spirodela, 71
Spondias, 126
Page 380
Sporobolus, 61
Stachytarpheta, 156
Stanhopea, 84
Staurogyne, 164
Stelis, 82
Stemodia, 159
Stenochlaena, 53
Stenolobium, 160
Stenorrhynchus, 80
Stenotaphrum, 60
Sterculia, 131
Sterculiaceae, 131
Stigmatophyllon, 120
Struthanthus, 92
Strychnos, 148
Stylogyne, 146
Stylosanthes, 112
Styracaceae, 147
Styrax, 147
Swartzia, 108
Sweetia, 111
Swietenia, 119
Stachytarpheta, 156
Stanhopea, 84
Staurogyne, 164
Stelis, 82
Stemodia, 159
Stenochlaena, 53
Stenolobium, 160
Stenorrhynchus, 80
Stenotaphrum, 60
Sterculia, 131
Sterculiaceae, 131
Stigmatophyllon, 120
Struthanthus, 92
Strychnos, 148
Stylogyne, 146
Stylosanthes, 112
Styracaceae, 147
Styrax, 147
Swartzia, 108
Sweetia, 111
Swietenia, 119
Page 381
Sympetalae, 145
Symphonia, 134
Symplocaceae, 147
Symplocos, 147
Synanthae, 68
Synedrella, 175
Syngonium, 70
Syngonanthus, 71
Tabernaemontana, 141
Tachigalia, 110
Tagetes, 175
Talinum, 97
Talisia, 128
Tamarindus, 111
Tamonea, 156
Tapirira, 126
Tapura, 122
Tassadia, 152
Tecoma, 160
Tephrosia, 115
Terminalia, 140
Ternströmia, 134
Symphonia, 134
Symplocaceae, 147
Symplocos, 147
Synanthae, 68
Synedrella, 175
Syngonium, 70
Syngonanthus, 71
Tabernaemontana, 141
Tachigalia, 110
Tagetes, 175
Talinum, 97
Talisia, 128
Tamarindus, 111
Tamonea, 156
Tapirira, 126
Tapura, 122
Tassadia, 152
Tecoma, 160
Tephrosia, 115
Terminalia, 140
Ternströmia, 134
Page 382
Tetracera, 132
Tetragamestus, 81
Tetragastris, 118
Tetrapterys, 120
Thalia, 78
Theaceae, 134
Theobroma, 132
Theophrastaceae, 145
Thespesia, 130
Thevetia, 150
Thunbergia, 164
Tibouchina, 143
Ticorea, 117
Tiliaceae, 129
Tillandsia, 72, 74
Tocoyena, 169
Tonina, 71
Torenia, 159
Torulinium, 62
Toulicia, 128
Tournefortia, 155
Tovomita, 135
Tetragamestus, 81
Tetragastris, 118
Tetrapterys, 120
Thalia, 78
Theaceae, 134
Theobroma, 132
Theophrastaceae, 145
Thespesia, 130
Thevetia, 150
Thunbergia, 164
Tibouchina, 143
Ticorea, 117
Tiliaceae, 129
Tillandsia, 72, 74
Tocoyena, 169
Tonina, 71
Torenia, 159
Torulinium, 62
Toulicia, 128
Tournefortia, 155
Tovomita, 135
Page 383
Trachypogon, 59
Tradescantia, 74
Tragia, 125
Trattinickia, 118
Trema, 90
Trichilia, 119
Trichomanes, 50
Trichopilia, 86
Trigonia, 121
Trigoniaceae, 120
Trigonidium, 85
Triphasia, 117
Triplaris, 94
Tristicha, 104
Triumfetta, 130
Tubiflorae, 153
Turnera, 137
Turneraceae, 137
Tussacia, 163
Ulmaceae, 90
Umbelliferae, 145
Uncaria, 168
Tradescantia, 74
Tragia, 125
Trattinickia, 118
Trema, 90
Trichilia, 119
Trichomanes, 50
Trichopilia, 86
Trigonia, 121
Trigoniaceae, 120
Trigonidium, 85
Triphasia, 117
Triplaris, 94
Tristicha, 104
Triumfetta, 130
Tubiflorae, 153
Turnera, 137
Turneraceae, 137
Tussacia, 163
Ulmaceae, 90
Umbelliferae, 145
Uncaria, 168
Page 384
Uragoga, 167
Urena, 131
Urospatha, 69
Urticaceae, 91
Urticales, 90
Urvillea, 128
Utricularia, 163
Uvaria, 100
Vanilla, 80
Vatairea, 116
Verbenaceae, 155
Verbesina, 174
Vernonia, 173
Vigna, 113
Violaceae, 136
Virola, 101
Vismia, 135
Vitaceae, 129
Vitex, 155
Vittaria, 53
Vochysia, 121
Vochysiaceae, 121
Urena, 131
Urospatha, 69
Urticaceae, 91
Urticales, 90
Urvillea, 128
Utricularia, 163
Uvaria, 100
Vanilla, 80
Vatairea, 116
Verbenaceae, 155
Verbesina, 174
Vernonia, 173
Vigna, 113
Violaceae, 136
Virola, 101
Vismia, 135
Vitaceae, 129
Vitex, 155
Vittaria, 53
Vochysia, 121
Vochysiaceae, 121
Page 385
Vouarana, 128
Voyria, 149
Voyriella, 149
Vriesea, 73
Waltheria, 132
Weigeltia, 146
Wissadula, 130
Wittmackia, 73
Wulffia, 176
Xanthosoma, 69
Ximenia, 92
Xiphidium, 75
Xylopia, 100
Xyridaceae, 71
Xyris, 71
Yucca, 75
Zea, 57
Zingiber, 77
Zingiberaceae, 76
Zornia, 114
Zygophyllaceae, 117
Voyria, 149
Voyriella, 149
Vriesea, 73
Waltheria, 132
Weigeltia, 146
Wissadula, 130
Wittmackia, 73
Wulffia, 176
Xanthosoma, 69
Ximenia, 92
Xiphidium, 75
Xylopia, 100
Xyridaceae, 71
Xyris, 71
Yucca, 75
Zea, 57
Zingiber, 77
Zingiberaceae, 76
Zornia, 114
Zygophyllaceae, 117
Page 386
Inhoudsopgave
INLEIDING. 5
Wenken voor het verzamelen van planten. 8
1. Algemeene regels. 8
2. Gereedschappen voor het verzamelen van planten. 9
3. Etiketten. 12
4. Speciale aanwijzingen bij het verzamelen van lagere planten 15
en sommige families van de hoogere planten.
Overzicht van het natuurlijke stelsel van de Vaatkryptogamen 19
en Phanerogamen.
Determinatietabel voor de families der Vaatkryptogamen 24
(Pteridophyta) en der Phanerogamen.
I. Hymenophyllaceae. 50
II. Cyatheaceae. 50
III. Polypodiaceae. 50
IV. Parkeriaceae. 54
V. Gleicheniaceae. 54
VI. Schizaeaceae. 54
VII. Salviniaceae. 55
VIII. Marattiaceae. 55
IX. Ophioglossaceae. 55
X. Lycopodiaceae. 55
XI. Selaginellaceae. 55
Klasse: Gymnospermae. 56
INLEIDING. 5
Wenken voor het verzamelen van planten. 8
1. Algemeene regels. 8
2. Gereedschappen voor het verzamelen van planten. 9
3. Etiketten. 12
4. Speciale aanwijzingen bij het verzamelen van lagere planten 15
en sommige families van de hoogere planten.
Overzicht van het natuurlijke stelsel van de Vaatkryptogamen 19
en Phanerogamen.
Determinatietabel voor de families der Vaatkryptogamen 24
(Pteridophyta) en der Phanerogamen.
I. Hymenophyllaceae. 50
II. Cyatheaceae. 50
III. Polypodiaceae. 50
IV. Parkeriaceae. 54
V. Gleicheniaceae. 54
VI. Schizaeaceae. 54
VII. Salviniaceae. 55
VIII. Marattiaceae. 55
IX. Ophioglossaceae. 55
X. Lycopodiaceae. 55
XI. Selaginellaceae. 55
Klasse: Gymnospermae. 56
Page 387
Orde: Gnetales. 56
7. Gnetaceae. 56
ANGIOSPERMAE. 56
Klasse: Monocotyledoneae. 56
Orde: Helobiae. 56
15. Alismataceae. 56
16. Butomaceae. 56
17. Hydrocharitaceae. 56
Orde: Glumiflorae. 57
19. Gramina. 57
20. Cyperaceae. 61
Orde: Principes. 65
21. Palmae. 65
Orde: Synanthae. 68
22. Cyclanthaceae. 68
Orde: Spathiflorae. 68
23. Araceae. 68
24. Lemnaceae. 70
Orde: Farinosae. 71
28. Mayacaceae. 71
29. Xyridaceae. 71
30. Eriocaulaceae. 71
31. Rapateaceae. 71
32. Bromeliaceae. 72
33. Commelinaceae. 74
34. Pontederiaceae. 74
Orde: Liliiflorae. 75
38. Liliaceae. 75
39. Haemodoraceae. 75
40. Amaryllidaceae. 75
7. Gnetaceae. 56
ANGIOSPERMAE. 56
Klasse: Monocotyledoneae. 56
Orde: Helobiae. 56
15. Alismataceae. 56
16. Butomaceae. 56
17. Hydrocharitaceae. 56
Orde: Glumiflorae. 57
19. Gramina. 57
20. Cyperaceae. 61
Orde: Principes. 65
21. Palmae. 65
Orde: Synanthae. 68
22. Cyclanthaceae. 68
Orde: Spathiflorae. 68
23. Araceae. 68
24. Lemnaceae. 70
Orde: Farinosae. 71
28. Mayacaceae. 71
29. Xyridaceae. 71
30. Eriocaulaceae. 71
31. Rapateaceae. 71
32. Bromeliaceae. 72
33. Commelinaceae. 74
34. Pontederiaceae. 74
Orde: Liliiflorae. 75
38. Liliaceae. 75
39. Haemodoraceae. 75
40. Amaryllidaceae. 75
Page 388
43. Dioscoreaceae. 76
Orde: Scitamineae. 76
45. Musaceae. 76
46. Zingiberaceae. 76
47. Cannaceae. 77
48. Marantaceae. 78
Orde: Microspermae. 78
49. Burmanniaceae. 78
50. Orchidaceae. 79
Hulptabel bij het determineeren van Orchideeën, 88
die zich door een enkel in het oog vallend kenmerk
onderscheiden.
Klasse: Dicotyledoneae. 89
Onderklasse: Choripetalae. 89
Orde: Piperales. 89
53. Piperaceae. 89
55. Lacistemaceae. 89
Orde: Batidales. 89
Batidaceae. 89
Orde: Urticales. 90
63. Ulmaceae. 90
64. Moraceae. 90
65. Urticaceae. 91
Orde: Proteales. 91
66. Proteaceae. 91
Orde: Santalales. 91
67. Loranthaceae. 91
72. Olacaceae. 92
73. Balanophoraceae. 93
Orde: Aristolochiales. 93
74. Aristolochiaceae. 93
Orde: Scitamineae. 76
45. Musaceae. 76
46. Zingiberaceae. 76
47. Cannaceae. 77
48. Marantaceae. 78
Orde: Microspermae. 78
49. Burmanniaceae. 78
50. Orchidaceae. 79
Hulptabel bij het determineeren van Orchideeën, 88
die zich door een enkel in het oog vallend kenmerk
onderscheiden.
Klasse: Dicotyledoneae. 89
Onderklasse: Choripetalae. 89
Orde: Piperales. 89
53. Piperaceae. 89
55. Lacistemaceae. 89
Orde: Batidales. 89
Batidaceae. 89
Orde: Urticales. 90
63. Ulmaceae. 90
64. Moraceae. 90
65. Urticaceae. 91
Orde: Proteales. 91
66. Proteaceae. 91
Orde: Santalales. 91
67. Loranthaceae. 91
72. Olacaceae. 92
73. Balanophoraceae. 93
Orde: Aristolochiales. 93
74. Aristolochiaceae. 93
Page 389
75. Rafflesiaceae. 93
Orde: Polygonales. 93
77. Polygonaceae. 93
Orde: Centrospermae. 94
78. Chenopodiaceae. 94
79. Amarantaceae. 94
80. Nyctaginaceae. 96
83. Phytolaccaceae. 96
84. Aizoaceae. 97
85. Portulacaceae. 97
87. Caryophyllaceae. 97
Orde: Ranales. 98
88. Nymphaeaceae. 98
91. Ranunculaceae. 98
94. Menispermaceae. 98
98. Anonaceae. 100
99. Myristicaceae. 101
101. Monimiaceae. 101
102. Lauraceae. 101
103. Hernandiaceae. 102
Orde: Rhoeadales. 102
104. Papaveraceae. 102
105. Cruciferae. 103
107. Capparidaceae. 103
109. Moringaceae. 103
Orde: Sarraceniales. 103
112. Droseraceae. 103
Orde: Rosales. 104
113. Podostemonaceae. 104
115. Crassulaceae. 104
Orde: Polygonales. 93
77. Polygonaceae. 93
Orde: Centrospermae. 94
78. Chenopodiaceae. 94
79. Amarantaceae. 94
80. Nyctaginaceae. 96
83. Phytolaccaceae. 96
84. Aizoaceae. 97
85. Portulacaceae. 97
87. Caryophyllaceae. 97
Orde: Ranales. 98
88. Nymphaeaceae. 98
91. Ranunculaceae. 98
94. Menispermaceae. 98
98. Anonaceae. 100
99. Myristicaceae. 101
101. Monimiaceae. 101
102. Lauraceae. 101
103. Hernandiaceae. 102
Orde: Rhoeadales. 102
104. Papaveraceae. 102
105. Cruciferae. 103
107. Capparidaceae. 103
109. Moringaceae. 103
Orde: Sarraceniales. 103
112. Droseraceae. 103
Orde: Rosales. 104
113. Podostemonaceae. 104
115. Crassulaceae. 104
Page 390
126. Rosaceae. 105
127. Connaraceae. 105
128. Leguminosae. 106
Orde: Geraniales. 116
130. Oxalidaceae. 116
132. Linaceae. 116
133. Humiriaceae. 116
134. Erythroxylaceae. 116
135. Zygophyllaceae. 117
137. Rutaceae. 117
138. Simarubaceae. 118
139. Burseraceae. 118
140. Meliaceae. 118
141. Malpighiaceae. 119
142. Trigoniaceae. 120
143. Vochysiaceae. 121
145. Polygalaceae. 121
146. Dichapetalaceae. 121
147. Euphorbiaceae. 122
Orde: Sapindales. 126
153. Anacardiaceae. 126
157. Aquifoliaceae. 126
158. Celastraceae. 126
159. Hippocrateaceae. 127
162. Icacinaceae. 127
165. Sapindaceae. 127
Orde: Rhamnales. 129
169. Rhamnaceae. 129
170. Vitaceae. 129
Orde: Malvales. 129
127. Connaraceae. 105
128. Leguminosae. 106
Orde: Geraniales. 116
130. Oxalidaceae. 116
132. Linaceae. 116
133. Humiriaceae. 116
134. Erythroxylaceae. 116
135. Zygophyllaceae. 117
137. Rutaceae. 117
138. Simarubaceae. 118
139. Burseraceae. 118
140. Meliaceae. 118
141. Malpighiaceae. 119
142. Trigoniaceae. 120
143. Vochysiaceae. 121
145. Polygalaceae. 121
146. Dichapetalaceae. 121
147. Euphorbiaceae. 122
Orde: Sapindales. 126
153. Anacardiaceae. 126
157. Aquifoliaceae. 126
158. Celastraceae. 126
159. Hippocrateaceae. 127
162. Icacinaceae. 127
165. Sapindaceae. 127
Orde: Rhamnales. 129
169. Rhamnaceae. 129
170. Vitaceae. 129
Orde: Malvales. 129
Page 391
171. Elaeocarpaceae. 129
174. Tiliaceae. 129
175. Malvaceae. 130
177. Bombacaceae. 131
178. Sterculiaceae. 131
Orde: Parietales. 132
180. Dilleniaceae. 132
182. Ochnaceae. 132
183. Caryocaraceae. 133
184. Marcgraviaceae. 133
185. Quiinaceae. 134
186. Theaceae. 134
187. Guttiferae. 134
194. Bixaceae. 135
195. Cochlospermaceae. 136
198. Violaceae. 136
199. Flacourtiaceae. 137
201. Turneraceae. 137
203. Passifloraceae. 137
205. Caricaceae. 138
208. Begoniaceae. 138
Orde: Opuntiales. 138
210. Cactaceae. 138
Orde: Myrtiflorae. 138
216. Lythraceae. 138
218. Punicaceae. 139
219. Lecythidaceae. 139
220. Rhizophoraceae. 140
221. Combretaceae. 140
222. Myrtaceae. 141
174. Tiliaceae. 129
175. Malvaceae. 130
177. Bombacaceae. 131
178. Sterculiaceae. 131
Orde: Parietales. 132
180. Dilleniaceae. 132
182. Ochnaceae. 132
183. Caryocaraceae. 133
184. Marcgraviaceae. 133
185. Quiinaceae. 134
186. Theaceae. 134
187. Guttiferae. 134
194. Bixaceae. 135
195. Cochlospermaceae. 136
198. Violaceae. 136
199. Flacourtiaceae. 137
201. Turneraceae. 137
203. Passifloraceae. 137
205. Caricaceae. 138
208. Begoniaceae. 138
Orde: Opuntiales. 138
210. Cactaceae. 138
Orde: Myrtiflorae. 138
216. Lythraceae. 138
218. Punicaceae. 139
219. Lecythidaceae. 139
220. Rhizophoraceae. 140
221. Combretaceae. 140
222. Myrtaceae. 141
Page 392
223. Melastomataceae. 142
224. Oenotheraceae. 145
Orde: Umbelliflorae. 145
228. Umbelliferae. 145
Onderklasse: Sympetalae. 145
Orde: Primulales. 145
235. Theophrastaceae. 145
236. Myrsinaceae. 145
Orde: Plumbaginales. 146
238. Plumbaginaceae. 146
Orde: Ebenales. 146
239. Sapotaceae. 146
240. Ebenaceae. 147
241. Styracaceae. 147
242. Symplocaceae. 147
Orde: Contortae. 147
243. Oleaceae. 147
245. Loganiaceae. 148
246. Gentianaceae. 148
247. Apocynaceae. 149
248. Asclepiadaceae. 152
Orde: Tubiflorae. 153
249. Convolvulaceae. 153
251. Hydrophyllaceae. 154
252. Borraginaceae. 154
253. Verbenaceae. 155
254. Labiatae. 156
256. Solanaceae. 157
257. Scrophulariaceae. 158
258. Bignoniaceae. 159
224. Oenotheraceae. 145
Orde: Umbelliflorae. 145
228. Umbelliferae. 145
Onderklasse: Sympetalae. 145
Orde: Primulales. 145
235. Theophrastaceae. 145
236. Myrsinaceae. 145
Orde: Plumbaginales. 146
238. Plumbaginaceae. 146
Orde: Ebenales. 146
239. Sapotaceae. 146
240. Ebenaceae. 147
241. Styracaceae. 147
242. Symplocaceae. 147
Orde: Contortae. 147
243. Oleaceae. 147
245. Loganiaceae. 148
246. Gentianaceae. 148
247. Apocynaceae. 149
248. Asclepiadaceae. 152
Orde: Tubiflorae. 153
249. Convolvulaceae. 153
251. Hydrophyllaceae. 154
252. Borraginaceae. 154
253. Verbenaceae. 155
254. Labiatae. 156
256. Solanaceae. 157
257. Scrophulariaceae. 158
258. Bignoniaceae. 159
Page 393
259. Pedaliaceae. 162
262. Gesneriaceae. 162
264. Lentibulariaceae. 163
266. Acanthaceae. 163
Orde: Plantaginales. 165
269. Plantaginaceae. 165
Orde: Rubiales. 165
270. Rubiaceae. 165
271. Caprifoliaceae. 170
Orde: Campanulatae. 170
275. Cucurbitaceae. 170
276. Campanulaceae. 172
280. Compositae. 172
Lijst van inlandsche namen. 177
REGISTER. 183
262. Gesneriaceae. 162
264. Lentibulariaceae. 163
266. Acanthaceae. 163
Orde: Plantaginales. 165
269. Plantaginaceae. 165
Orde: Rubiales. 165
270. Rubiaceae. 165
271. Caprifoliaceae. 170
Orde: Campanulatae. 170
275. Cucurbitaceae. 170
276. Campanulaceae. 172
280. Compositae. 172
Lijst van inlandsche namen. 177
REGISTER. 183
Page 394
Colofon
Beschikbaarheid
Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen
beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of
hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij
dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org .
Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op
www.pgdp.net .
Metadata
Titel: Zakflora voor Suriname
Auteur: August Adriaan Pulle (1878–1955) Info
Taal: Nederlands (Oude Spelling)
Oorspronkelijke uitgiftedatum: 1911
Catalogusvermeldingen
Gerelateerde WorldCat cataloguspagina: 30719375
Codering
Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden
aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in
het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de
colofon aan het einde van dit boek.
Documentgeschiedenis
2017-11-25 Begonnen.
Beschikbaarheid
Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen
beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of
hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij
dit eBoek of on-line op www.gutenberg.org .
Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam op
www.pgdp.net .
Metadata
Titel: Zakflora voor Suriname
Auteur: August Adriaan Pulle (1878–1955) Info
Taal: Nederlands (Oude Spelling)
Oorspronkelijke uitgiftedatum: 1911
Catalogusvermeldingen
Gerelateerde WorldCat cataloguspagina: 30719375
Codering
Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden
aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in
het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de
colofon aan het einde van dit boek.
Documentgeschiedenis
2017-11-25 Begonnen.
Page 395
Externe Referenties
Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze
links voor u niet werken.
Verbeteringen
De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
5 zelf zelfs 1
9 portefeulle portefeuille 1
9 af of 1
13, 13, [Niet in bron] . 1
13, 13,
13, 14,
14, 14,
19, 20,
21, 21,
21, 26,
28, 32,
33, 36,
42, 54,
56, 56,
57, 62,
62, 70,
71, 75,
86, 86,
93, 93,
107, 108,
109, 113,
116, 118,
124, 130,
131, 132,
135, 140,
143, 143,
Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze
links voor u niet werken.
Verbeteringen
De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
5 zelf zelfs 1
9 portefeulle portefeuille 1
9 af of 1
13, 13, [Niet in bron] . 1
13, 13,
13, 14,
14, 14,
19, 20,
21, 21,
21, 26,
28, 32,
33, 36,
42, 54,
56, 56,
57, 62,
62, 70,
71, 75,
86, 86,
93, 93,
107, 108,
109, 113,
116, 118,
124, 130,
131, 132,
135, 140,
143, 143,
Page 396
144, 144,
145, 145,
146, 151,
153, 158,
160, 166,
166, 169,
169, 170,
173, 174,
175, 176
16 [Niet in bron] naar 5
19, 149 7 5 1
20 [Niet in bron] a 1
26 binnnenste binnenste 1
26 buis buis- 1
31 lang genageld langgenageld 1
34 den den den 4
34 om geven omgeven 1
37 288 208 1
38 [Niet in bron] ; 1
40 , ; 1
43 16 126 1
44, 49,
93, 127 [Niet in bron] - 1
44 kan dan 1
44 meeerhokkig meerhokkig 1
45 [Niet in bron] ) 1
47 Vruchtbegingel, Vruchtbeginsel 2
47, 115 ; . 1
48 mangrove planten mangroveplanten 1
49 om streeks omstreeks 1
52 sporangiendragende sporangiëndragende 1 / 0
54 plaatsend plaatsen 1
145, 145,
146, 151,
153, 158,
160, 166,
166, 169,
169, 170,
173, 174,
175, 176
16 [Niet in bron] naar 5
19, 149 7 5 1
20 [Niet in bron] a 1
26 binnnenste binnenste 1
26 buis buis- 1
31 lang genageld langgenageld 1
34 den den den 4
34 om geven omgeven 1
37 288 208 1
38 [Niet in bron] ; 1
40 , ; 1
43 16 126 1
44, 49,
93, 127 [Niet in bron] - 1
44 kan dan 1
44 meeerhokkig meerhokkig 1
45 [Niet in bron] ) 1
47 Vruchtbegingel, Vruchtbeginsel 2
47, 115 ; . 1
48 mangrove planten mangroveplanten 1
49 om streeks omstreeks 1
52 sporangiendragende sporangiëndragende 1 / 0
54 plaatsend plaatsen 1
Page 397
56 eén één 1/0
61 tijden tijdens 1
64, 66,
80, 98,
117, 168,
175 [Niet in bron] , 1
72 3 kleppige 3-kleppige 1
73, 94,
94, 115,
119 . , 1
74 openspringend openspringende 1
75 6-fertiele 6 fertiele 1
79, 101,
103, 121,
124, 126,
135, 145,
149, 149,
157, 175,
176, 180 , . 1
80 Voora Vooral 1
85 korte kort 1
85, 160 vrij wel vrijwel 1
86 toegesplitst toegespitst 1
87 af staand afstaand 1
88 IV IX 1
92 a leenstaand alleenstaand 1
92 meeldradem meeldraden 1
93 meeldraded meeldraden 1
94 stennbladeren steunbladeren 1
96, 157 Bl emen Bloemen 1
96 bijeeen bijeen 1
97 tegenverstaande tegenoverstaande 1
61 tijden tijdens 1
64, 66,
80, 98,
117, 168,
175 [Niet in bron] , 1
72 3 kleppige 3-kleppige 1
73, 94,
94, 115,
119 . , 1
74 openspringend openspringende 1
75 6-fertiele 6 fertiele 1
79, 101,
103, 121,
124, 126,
135, 145,
149, 149,
157, 175,
176, 180 , . 1
80 Voora Vooral 1
85 korte kort 1
85, 160 vrij wel vrijwel 1
86 toegesplitst toegespitst 1
87 af staand afstaand 1
88 IV IX 1
92 a leenstaand alleenstaand 1
92 meeldradem meeldraden 1
93 meeldraded meeldraden 1
94 stennbladeren steunbladeren 1
96, 157 Bl emen Bloemen 1
96 bijeeen bijeen 1
97 tegenverstaande tegenoverstaande 1
Page 398
99 3 tallig 3-tallig 1
99, 119 . [Verwijderd] 1
102 Mealdraden Meeldraden 1
102 2de 2de 0
102 3de 3de 0
104 stengsls stengels 1
105 bladeaen bladeren 1
106 vastzit vastzitten 3
109 bloembaderen bloembladeren 1
109 Bloembaderen Bloembladeren 1
109 ingeneden ingesneden 1
113 Knoopen Knoppen 1
114 oijzichte opzichte 2
115 10de 10de 0
116 - [Verwijderd] 1
116 steunbladereu steunbladeren 1
116 Meeldraden draden Meeldraden 7
116 2a 1b 2
118 . ; 1
121 éènslachtig éénslachtig 1/0
122 o. of 1
126 Kelk kelk 1
127 vruehtbeginsel vruchtbeginsel 1
128 opblazen opgeblazen 2
130 1 zadige 1-zadige 1
138 met een met een met een 8
142 hooofdnerf hoofdnerf 1
145 zitttend zittend 1
147 Staminodiën staminodiën 1
148 2 1 1
99, 119 . [Verwijderd] 1
102 Mealdraden Meeldraden 1
102 2de 2de 0
102 3de 3de 0
104 stengsls stengels 1
105 bladeaen bladeren 1
106 vastzit vastzitten 3
109 bloembaderen bloembladeren 1
109 Bloembaderen Bloembladeren 1
109 ingeneden ingesneden 1
113 Knoopen Knoppen 1
114 oijzichte opzichte 2
115 10de 10de 0
116 - [Verwijderd] 1
116 steunbladereu steunbladeren 1
116 Meeldraden draden Meeldraden 7
116 2a 1b 2
118 . ; 1
121 éènslachtig éénslachtig 1/0
122 o. of 1
126 Kelk kelk 1
127 vruehtbeginsel vruchtbeginsel 1
128 opblazen opgeblazen 2
130 1 zadige 1-zadige 1
138 met een met een met een 8
142 hooofdnerf hoofdnerf 1
145 zitttend zittend 1
147 Staminodiën staminodiën 1
148 2 1 1
Page 399
155 4 tallig 4-tallig 1
158 4 deelig 4-deelig 1
158 5 deelig 5-deelig 1
160 2 tallig 2-tallig 1
161 eenigzins eenigszins 1
161 4–5 spletig 4–5-spletig 1
163 : ; 1
167 treehtervormig trechtervormig 1
170 kort korte 1
170 staminodien staminodiën 1/0
173 a b 1
175 bezit bezet 1
Afkortingen
Overzicht van gebruikte afkortingen.
Afkorting Uitgeschreven
b.z. boven zeeniveau
158 4 deelig 4-deelig 1
158 5 deelig 5-deelig 1
160 2 tallig 2-tallig 1
161 eenigzins eenigszins 1
161 4–5 spletig 4–5-spletig 1
163 : ; 1
167 treehtervormig trechtervormig 1
170 kort korte 1
170 staminodien staminodiën 1/0
173 a b 1
175 bezit bezet 1
Afkortingen
Overzicht van gebruikte afkortingen.
Afkorting Uitgeschreven
b.z. boven zeeniveau
Page 400
*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ZAKFLORA
VOOR SURINAME [DEEL I] ***
Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.
Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright royalties.
Special rules, set forth in the General Terms of Use part of this license,
apply to copying and distributing Project Gutenberg™ electronic
works to protect the PROJECT GUTENBERG™ concept and
trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, and may not
be used if you charge for an eBook, except by following the terms of
the trademark license, including paying royalties for use of the Project
Gutenberg trademark. If you do not charge anything for copies of this
eBook, complying with the trademark license is very easy. You may
use this eBook for nearly any purpose such as creation of derivative
works, reports, performances and research. Project Gutenberg eBooks
may be modified and printed and given away—you may do practically
ANYTHING in the United States with eBooks not protected by U.S.
copyright law. Redistribution is subject to the trademark license,
especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
VOOR SURINAME [DEEL I] ***
Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.
Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright royalties.
Special rules, set forth in the General Terms of Use part of this license,
apply to copying and distributing Project Gutenberg™ electronic
works to protect the PROJECT GUTENBERG™ concept and
trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, and may not
be used if you charge for an eBook, except by following the terms of
the trademark license, including paying royalties for use of the Project
Gutenberg trademark. If you do not charge anything for copies of this
eBook, complying with the trademark license is very easy. You may
use this eBook for nearly any purpose such as creation of derivative
works, reports, performances and research. Project Gutenberg eBooks
may be modified and printed and given away—you may do practically
ANYTHING in the United States with eBooks not protected by U.S.
copyright law. Redistribution is subject to the trademark license,
especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
Page 401
THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work (or
any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full Project
Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and Redistributing
Project Gutenberg electronic works
1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg electronic
work, you indicate that you have read, understand, agree to and accept
all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
all copies of Project Gutenberg electronic works in your possession. If
you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project Gutenberg
electronic work and you do not agree to be bound by the terms of this
agreement, you may obtain a refund from the person or entity to whom
you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people
who agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this agreement
and help preserve free future access to Project Gutenberg electronic
works. See paragraph 1.E below.
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work (or
any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full Project
Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and Redistributing
Project Gutenberg electronic works
1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg electronic
work, you indicate that you have read, understand, agree to and accept
all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
all copies of Project Gutenberg electronic works in your possession. If
you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project Gutenberg
electronic work and you do not agree to be bound by the terms of this
agreement, you may obtain a refund from the person or entity to whom
you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people
who agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this agreement
and help preserve free future access to Project Gutenberg electronic
works. See paragraph 1.E below.
Page 402
1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the
collection of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the
individual works in the collection are in the public domain in the
United States. If an individual work is unprotected by copyright law in
the United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting free
access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg works
in compliance with the terms of this agreement for keeping the Project
Gutenberg name associated with the work. You can easily comply with
the terms of this agreement by keeping this work in the same format
with its attached full Project Gutenberg License when you share it
without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.
1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
access to, the full Project Gutenberg License must appear prominently
whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work on which
the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase
“Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed,
viewed, copied or distributed:
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the
collection of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the
individual works in the collection are in the public domain in the
United States. If an individual work is unprotected by copyright law in
the United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting free
access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg works
in compliance with the terms of this agreement for keeping the Project
Gutenberg name associated with the work. You can easily comply with
the terms of this agreement by keeping this work in the same format
with its attached full Project Gutenberg License when you share it
without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.
1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
access to, the full Project Gutenberg License must appear prominently
whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work on which
the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase
“Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed,
viewed, copied or distributed:
Page 403
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other
parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may
copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg™ License
included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
United States, you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is derived
from texts not protected by U.S. copyright law (does not contain a
notice indicating that it is posted with permission of the copyright
holder), the work can be copied and distributed to anyone in the United
States without paying any fees or charges. If you are redistributing or
providing access to a work with the phrase “Project Gutenberg”
associated with or appearing on the work, you must comply either with
the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or obtain
permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works posted
with the permission of the copyright holder found at the beginning of
this work.
1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.
1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.
1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may
copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg™ License
included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
United States, you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is derived
from texts not protected by U.S. copyright law (does not contain a
notice indicating that it is posted with permission of the copyright
holder), the work can be copied and distributed to anyone in the United
States without paying any fees or charges. If you are redistributing or
providing access to a work with the phrase “Project Gutenberg”
associated with or appearing on the work, you must comply either with
the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or obtain
permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works posted
with the permission of the copyright holder found at the beginning of
this work.
1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.
1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.
1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
Page 404
any word processing or hypertext form. However, if you provide
access to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means of
obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.
1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works provided
that:
• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the
use of Project Gutenberg works calculated using the method you
already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the
owner of the Project Gutenberg trademark, but he has agreed to donate
royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days
following each date on which you prepare (or are legally required to
prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly
marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation at the address specified in Section 4, “Information about
donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.”
• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does
not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You
must require such a user to return or destroy all copies of the works
possessed in a physical medium and discontinue all use of and all
access to other copies of Project Gutenberg™ works.
access to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means of
obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.
1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works provided
that:
• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the
use of Project Gutenberg works calculated using the method you
already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the
owner of the Project Gutenberg trademark, but he has agreed to donate
royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days
following each date on which you prepare (or are legally required to
prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly
marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation at the address specified in Section 4, “Information about
donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.”
• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does
not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You
must require such a user to return or destroy all copies of the works
possessed in a physical medium and discontinue all use of and all
access to other copies of Project Gutenberg™ works.
Page 405
• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.
• You comply with all other terms of this agreement for free distribution
of Project Gutenberg™ works.
1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg™
electronic work or group of works on different terms than are set forth
in this agreement, you must obtain permission in writing from the
Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of the
Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set forth in
Section 3 below.
1.F.
1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend
considerable effort to identify, do copyright research on, transcribe and
proofread works not protected by U.S. copyright law in creating the
Project Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project
Gutenberg™ electronic works, and the medium on which they may be
stored, may contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete,
inaccurate or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.
1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES -
Except for the “Right of Replacement or Refund” described in
paragraph 1.F.3, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation,
the owner of the Project Gutenberg™ trademark, and any other party
distributing a Project Gutenberg™ electronic work under this
agreement, disclaim all liability to you for damages, costs and
expenses, including legal fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO
REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT LIABILITY, BREACH
OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.
• You comply with all other terms of this agreement for free distribution
of Project Gutenberg™ works.
1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg™
electronic work or group of works on different terms than are set forth
in this agreement, you must obtain permission in writing from the
Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of the
Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set forth in
Section 3 below.
1.F.
1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend
considerable effort to identify, do copyright research on, transcribe and
proofread works not protected by U.S. copyright law in creating the
Project Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project
Gutenberg™ electronic works, and the medium on which they may be
stored, may contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete,
inaccurate or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.
1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES -
Except for the “Right of Replacement or Refund” described in
paragraph 1.F.3, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation,
the owner of the Project Gutenberg™ trademark, and any other party
distributing a Project Gutenberg™ electronic work under this
agreement, disclaim all liability to you for damages, costs and
expenses, including legal fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO
REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT LIABILITY, BREACH
OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
Page 406
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE
FOUNDATION, THE TRADEMARK OWNER, AND ANY
DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT,
CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL DAMAGES
EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you
discover a defect in this electronic work within 90 days of receiving it,
you can receive a refund of the money (if any) you paid for it by
sending a written explanation to the person you received the work
from. If you received the work on a physical medium, you must return
the medium with your written explanation. The person or entity that
provided you with the defective work may elect to provide a
replacement copy in lieu of a refund. If you received the work
electronically, the person or entity providing it to you may choose to
give you a second opportunity to receive the work electronically in lieu
of a refund. If the second copy is also defective, you may demand a
refund in writing without further opportunities to fix the problem.
1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth in
paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED,
INCLUDING BUT NOT LIMITED TO WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. If
any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the law
of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
FOUNDATION, THE TRADEMARK OWNER, AND ANY
DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT,
CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL DAMAGES
EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you
discover a defect in this electronic work within 90 days of receiving it,
you can receive a refund of the money (if any) you paid for it by
sending a written explanation to the person you received the work
from. If you received the work on a physical medium, you must return
the medium with your written explanation. The person or entity that
provided you with the defective work may elect to provide a
replacement copy in lieu of a refund. If you received the work
electronically, the person or entity providing it to you may choose to
give you a second opportunity to receive the work electronically in lieu
of a refund. If the second copy is also defective, you may demand a
refund in writing without further opportunities to fix the problem.
1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth in
paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED,
INCLUDING BUT NOT LIMITED TO WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. If
any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the law
of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
Page 407
1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the
Foundation, the trademark owner, any agent or employee of the
Foundation, anyone providing copies of Project Gutenberg™
electronic works in accordance with this agreement, and any
volunteers associated with the production, promotion and distribution
of Project Gutenberg™ electronic works, harmless from all liability,
costs and expenses, including legal fees, that arise directly or indirectly
from any of the following which you do or cause to occur: (a)
distribution of this or any Project Gutenberg work, (b) alteration,
modification, or additions or deletions to any Project Gutenberg work,
and (c) any Defect you cause.
Section 2. Information about the Mission of Project
Gutenberg
Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.
Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s goals
and ensuring that the Project Gutenberg collection will remain freely
available for generations to come. In 2001, the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation was created to provide a secure and
permanent future for Project Gutenberg and future generations. To
learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 and
the Foundation information page at www.gutenberg.org.
Section 3. Information about the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation
Foundation, the trademark owner, any agent or employee of the
Foundation, anyone providing copies of Project Gutenberg™
electronic works in accordance with this agreement, and any
volunteers associated with the production, promotion and distribution
of Project Gutenberg™ electronic works, harmless from all liability,
costs and expenses, including legal fees, that arise directly or indirectly
from any of the following which you do or cause to occur: (a)
distribution of this or any Project Gutenberg work, (b) alteration,
modification, or additions or deletions to any Project Gutenberg work,
and (c) any Defect you cause.
Section 2. Information about the Mission of Project
Gutenberg
Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.
Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s goals
and ensuring that the Project Gutenberg collection will remain freely
available for generations to come. In 2001, the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation was created to provide a secure and
permanent future for Project Gutenberg and future generations. To
learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 and
the Foundation information page at www.gutenberg.org.
Section 3. Information about the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation
Page 408
The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the state
of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal Revenue
Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification number is
64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation are tax deductible to the full extent permitted by U.S.
federal laws and your state’s laws.
The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza
#516, Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact
links and up to date contact information can be found at the
Foundation’s website and official page at www.gutenberg.org/contact
Section 4. Information about Donations to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation
Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without
widespread public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small
donations ($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax
exempt status with the IRS.
The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United States.
Compliance requirements are not uniform and it takes a considerable
effort, much paperwork and many fees to meet and keep up with these
requirements. We do not solicit donations in locations where we have
not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
state visit www.gutenberg.org/donate.
While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the state
of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal Revenue
Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification number is
64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation are tax deductible to the full extent permitted by U.S.
federal laws and your state’s laws.
The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza
#516, Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact
links and up to date contact information can be found at the
Foundation’s website and official page at www.gutenberg.org/contact
Section 4. Information about Donations to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation
Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without
widespread public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small
donations ($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax
exempt status with the IRS.
The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United States.
Compliance requirements are not uniform and it takes a considerable
effort, much paperwork and many fees to meet and keep up with these
requirements. We do not solicit donations in locations where we have
not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
state visit www.gutenberg.org/donate.
While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
Page 409
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.
International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.
Section 5. General Information About Project Gutenberg
electronic works
Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg
concept of a library of electronic works that could be freely shared
with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
Gutenberg eBooks with only a loose network of volunteer support.
Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.
Most people start at our website which has the main PG search facility:
www.gutenberg.org.
This website includes information about Project Gutenberg, including
how to make donations to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
approach us with offers to donate.
International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.
Section 5. General Information About Project Gutenberg
electronic works
Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg
concept of a library of electronic works that could be freely shared
with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
Gutenberg eBooks with only a loose network of volunteer support.
Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.
Most people start at our website which has the main PG search facility:
www.gutenberg.org.
This website includes information about Project Gutenberg, including
how to make donations to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.