Page 1
Page 2
Page 3
The Project Gutenberg eBook of De Wereld vóór de schepping van
den mensch
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever.
You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project
Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org.
If you are not located in the United States, you will have to check the laws of
the country where you are located before using this eBook.
Title: De Wereld vóór de schepping van den mensch
Author: Camille Flammarion
Editor: B. C. Goudsmit
Release date: October 18, 2006 [eBook #19585]
Most recently updated: January 8, 2023
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/19585
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the European Online
Distributed Proofreading Team at http://dp.rastko.net/ for
Project Gutenberg.
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WERELD VÓÓR
DE SCHEPPING VAN DEN MENSCH ***
den mensch
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever.
You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project
Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org.
If you are not located in the United States, you will have to check the laws of
the country where you are located before using this eBook.
Title: De Wereld vóór de schepping van den mensch
Author: Camille Flammarion
Editor: B. C. Goudsmit
Release date: October 18, 2006 [eBook #19585]
Most recently updated: January 8, 2023
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/19585
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the European Online
Distributed Proofreading Team at http://dp.rastko.net/ for
Project Gutenberg.
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WERELD VÓÓR
DE SCHEPPING VAN DEN MENSCH ***
Page 4
De eerste eeuwen der menschheid
Tijdperk van den holenbeer
Tijdperk van den holenbeer
Page 5
DE WERELD
VÓÓR DE SCHEPPING VAN
DEN MENSCH.
NAAR FLAMMARION
VOOR NEDERLAND BEWERKT
DOOR DR. B. C. GOUDSMIT.
Leeraar aan de H. B. S. en het Gymnasium te Zutphen.
MET MEER DAN 300 GRAVURES EN GEKLEURDE
PLATEN.
VÓÓR DE SCHEPPING VAN
DEN MENSCH.
NAAR FLAMMARION
VOOR NEDERLAND BEWERKT
DOOR DR. B. C. GOUDSMIT.
Leeraar aan de H. B. S. en het Gymnasium te Zutphen.
MET MEER DAN 300 GRAVURES EN GEKLEURDE
PLATEN.
Page 6
ZUTPHEN.—W. J. THIEME & Cie.
Snelpersdruk van H. C. A. THIEME, te Nijmegen.
Snelpersdruk van H. C. A. THIEME, te Nijmegen.
Page 7
Page 8
Inhoud.
Inleiding. 1
EERSTE BOEK.
De geboorte der aarde. 22
TWEEDE BOEK.
Het azoïsche tijdperk.
HOOFDSTUK I.
Bloedverwantschap en afstamming. Begin van het leven. De eerste organismen.
41
HOOFDSTUK II.
Ontwikkeling van het leven. 77
HOOFDSTUK III.
Eerste planten en eerste dieren. 126
DERDE BOEK.
Het primaire tijdperk.
HOOFDSTUK I.
De tijdperken in de schepping. De formaties, hare verdeeling. 171
HOOFDSTUK II.
De veranderingen van den bodem in onzen tijd. 190
HOOFDSTUK III.
Inleiding. 1
EERSTE BOEK.
De geboorte der aarde. 22
TWEEDE BOEK.
Het azoïsche tijdperk.
HOOFDSTUK I.
Bloedverwantschap en afstamming. Begin van het leven. De eerste organismen.
41
HOOFDSTUK II.
Ontwikkeling van het leven. 77
HOOFDSTUK III.
Eerste planten en eerste dieren. 126
DERDE BOEK.
Het primaire tijdperk.
HOOFDSTUK I.
De tijdperken in de schepping. De formaties, hare verdeeling. 171
HOOFDSTUK II.
De veranderingen van den bodem in onzen tijd. 190
HOOFDSTUK III.
Page 9
De devonische periode. 249
HOOFDSTUK IV.
De steenkoolperiode. 269
HOOFDSTUK V.
De Permische periode. 312
VIERDE BOEK.
Het secundaire tijdperk.
HOOFDSTUK I.
De triasperiode. 327
HOOFDSTUK II.
De Juraperiode. 369
HOOFDSTUK III.
De krijtperiode. 445
VIJFDE BOEK.
Het tertiaire tijdperk.
HOOFDSTUK I.
De Eocene periode. 484
HOOFDSTUK II.
De Miocene periode. 529
HOOFDSTUK III.
De Pliocene periode. 556
HOOFDSTUK IV.
De steenkoolperiode. 269
HOOFDSTUK V.
De Permische periode. 312
VIERDE BOEK.
Het secundaire tijdperk.
HOOFDSTUK I.
De triasperiode. 327
HOOFDSTUK II.
De Juraperiode. 369
HOOFDSTUK III.
De krijtperiode. 445
VIJFDE BOEK.
Het tertiaire tijdperk.
HOOFDSTUK I.
De Eocene periode. 484
HOOFDSTUK II.
De Miocene periode. 529
HOOFDSTUK III.
De Pliocene periode. 556
Page 10
ZESDE BOEK.
Het quaternaire tijdperk.
HOOFDSTUK I.
Het vierde tijdperk van het leven op aarde en de eerste dagen van het
tegenwoordige tijdperk. 571
HOOFDSTUK II.
De schepping van den mensch. 599
Het quaternaire tijdperk.
HOOFDSTUK I.
Het vierde tijdperk van het leven op aarde en de eerste dagen van het
tegenwoordige tijdperk. 571
HOOFDSTUK II.
De schepping van den mensch. 599
Page 11
Gekleurde platen.
PLAAT I.
De eerste eeuwen der menschheid. Titelplaat.
PLAAT II.
Een bosch uit de steenkoolperiode. Tegenover. 272
PLAAT III.
Tooneel uit de secundaire periode. Tegenover. 365
PLAAT IV.
Europeesch landschap der tertiaire periode. Tegenover. 489
PLAAT I.
De eerste eeuwen der menschheid. Titelplaat.
PLAAT II.
Een bosch uit de steenkoolperiode. Tegenover. 272
PLAAT III.
Tooneel uit de secundaire periode. Tegenover. 365
PLAAT IV.
Europeesch landschap der tertiaire periode. Tegenover. 489
Page 12
Page 13
De Wereld vóór de Schepping van den Mensch.
Page 14
Inleiding.
Page 15
De eerste dagen der aarde.
Er was een tijd, dat de menschheid nog niet bestond. De aarde bood toen eenen
aanblik aan, die geheel afweek van dien, welken zij thans aanbiedt. In de plaats van
het verstandige, nijvere en werkzame leven, dat thans op hare oppervlakte heerscht;
in de plaats van die bevolkte steden, dorpen en woningen, van die bebouwde
akkers, die wijngaarden en tuinen, van die wegen, die spoorbanen, schepen,
fabrieken en werkplaatsen; van die paleizen, tempels en monumenten; in de plaats
van die voortdurende werkzaamheid, die tegenwoordig alle natuurkrachten aan
zich dienstbaar maakt, in de diepten der aarde doordringt, de raadselen des hemels
ontsluiert, de wonderen van het heelal bestudeert en de geheele geschiedenis der
schepping in zich schijnt te vereenigen: bestonden er slechts woeste en
ondoordringbare wouden, rivieren, die in de doodsche stilte stroomden tusschen
eenzame oevers, nooit beklommen bergen, valleien zonder hutten, avonden zonder
droomen, sterrenrijke nachten zonder waarnemers. Er bestond geen wetenschap en
geene letterkunde; geene schoone kunsten en geene nijverheid; geene politiek en
geene geschiedenis; geen taal, geen verstand, geene gedachte. In dien tijd waren de
treur- en kluchtspelen van het menschelijk leven op aarde onbekend. Genegenheid
en haat, liefde en nijd, deugd en boosheid, zelfopoffering, geestdrift en toewijding,
in één woord alle hartstochten, die het stramien van het weefsel des menschelijken
levens vormen, bestonden nog niet. De bewoners der aarde bestonden zonder het te
weten en arbeidden zonder doel. Hier was het de logge mastodon, die onder zijne
voetstappen de bloemen vertrad, die reeds te voorschijn gekomen waren, of het
ontzaglijke megatherium, dat met zijnen snuit de wortelen der boomen opdolf, of
de mylodon robustus, die knaagde aan de lage takken der cederen, of het
Dinotherium Giganteum, het grootste van de zoogdieren, die ooit bestaan hebben,
dat zijne lange slagtanden in de diepe wateren onderdompelde om er de bezonken
planten uit te voorschijn te halen; daar waren het de voorwereldlijke apen, die
hunne kromme sprongen maakten op de heuvelen van het voorwereldlijke
Griekenland en hun geslacht voortplantten op de hoogten van het Parthenon.
In die vervlogen tijden sluimerde Nederland nog in eene onbekende toekomst. Een
oud bosch had zijnen donkeren mantel over Frankrijk, België en Duitschland
uitgestrekt; visschen, die thans niet meer bestaan, vervolgden elkander in de breede
wateren; thans uitgestorven vogels zongen in de eilanden; voorwereldlijke
kruipende dieren bewogen zich over de rotsen. Andere planten en dieren waren
Er was een tijd, dat de menschheid nog niet bestond. De aarde bood toen eenen
aanblik aan, die geheel afweek van dien, welken zij thans aanbiedt. In de plaats van
het verstandige, nijvere en werkzame leven, dat thans op hare oppervlakte heerscht;
in de plaats van die bevolkte steden, dorpen en woningen, van die bebouwde
akkers, die wijngaarden en tuinen, van die wegen, die spoorbanen, schepen,
fabrieken en werkplaatsen; van die paleizen, tempels en monumenten; in de plaats
van die voortdurende werkzaamheid, die tegenwoordig alle natuurkrachten aan
zich dienstbaar maakt, in de diepten der aarde doordringt, de raadselen des hemels
ontsluiert, de wonderen van het heelal bestudeert en de geheele geschiedenis der
schepping in zich schijnt te vereenigen: bestonden er slechts woeste en
ondoordringbare wouden, rivieren, die in de doodsche stilte stroomden tusschen
eenzame oevers, nooit beklommen bergen, valleien zonder hutten, avonden zonder
droomen, sterrenrijke nachten zonder waarnemers. Er bestond geen wetenschap en
geene letterkunde; geene schoone kunsten en geene nijverheid; geene politiek en
geene geschiedenis; geen taal, geen verstand, geene gedachte. In dien tijd waren de
treur- en kluchtspelen van het menschelijk leven op aarde onbekend. Genegenheid
en haat, liefde en nijd, deugd en boosheid, zelfopoffering, geestdrift en toewijding,
in één woord alle hartstochten, die het stramien van het weefsel des menschelijken
levens vormen, bestonden nog niet. De bewoners der aarde bestonden zonder het te
weten en arbeidden zonder doel. Hier was het de logge mastodon, die onder zijne
voetstappen de bloemen vertrad, die reeds te voorschijn gekomen waren, of het
ontzaglijke megatherium, dat met zijnen snuit de wortelen der boomen opdolf, of
de mylodon robustus, die knaagde aan de lage takken der cederen, of het
Dinotherium Giganteum, het grootste van de zoogdieren, die ooit bestaan hebben,
dat zijne lange slagtanden in de diepe wateren onderdompelde om er de bezonken
planten uit te voorschijn te halen; daar waren het de voorwereldlijke apen, die
hunne kromme sprongen maakten op de heuvelen van het voorwereldlijke
Griekenland en hun geslacht voortplantten op de hoogten van het Parthenon.
In die vervlogen tijden sluimerde Nederland nog in eene onbekende toekomst. Een
oud bosch had zijnen donkeren mantel over Frankrijk, België en Duitschland
uitgestrekt; visschen, die thans niet meer bestaan, vervolgden elkander in de breede
wateren; thans uitgestorven vogels zongen in de eilanden; voorwereldlijke
kruipende dieren bewogen zich over de rotsen. Andere planten en dieren waren
Page 16
over het aardrijk verspreid, er heerschte eene andere temperatuur, een ander
klimaat, eene geheel andere wereld.
Gaan wij nog verder terug in de geschiedenis der aarde, dan komen wij op een
tijdstip, waarop de oppervlakte van Europa nog veel meer afweek van hare
tegenwoordige gedaante, een tijdstip, waarop planten en dieren zóózeer van de
tegenwoordige verschilden, dat misschien de bewoners van Venus of Mars meer
met ons overeenkomen dan deze. Reusachtige vleugelvingerigen met breede
vleugels sprongen door de lucht, en die vliegende draken, die ontzaglijke
vleermuizen, waren toen de vorsten van den dampkring. De Dimorphodon
Macronyx, de Ramphorynchus, en andere dieren, nog barbaarscher dan hunne
namen, zetten zich op de boomen neder en klommen met handen en voeten tot
boven op de rotsen, wierpen zich in de lucht, terwijl zij hunne vliezige valschermen
openden, en wierpen zich als amphibiën in de wateren. In dien tijd ook, leverden de
reusachtige vischhagedissen, de Ichthyosaurus en Plesiosaurus slag in de bewogen
wateren, de lucht vervullende met hun woest gebrul, breedkoppige monsters met
ontzaglijke kaken, van tien tot twaalf meters lengte, en somtijds met tweeduizend
tanden in hunnen bek. De Iguanosaurus en de Megalosaurus bewoonden de
wouden, waarin reusachtige boomen, varens en duizenden kegeldragende boomen
hunne pyramidale toppen verhieven. De Iguanodon, een monster, dat op onzen
Kanguro gelijkt, had eene lengte van veertien meters: met de pooten tegen onze
tegenwoordige huizen staande, zou hij tot boven de bovenste verdieping reiken.
Wat verbazende massa’s, vergeleken met die van onzen tijd! Wel overtreffen die
fantastische wezens die, welke de menschelijke verbeelding heeft uitgevonden,
zooals de Centaur, de Chimaera, de Draak, de Griffioen, de Cerberus, de Vampyr:
en zij hebben werkelijk geleefd in de oorspronkelijke wouden; zij hebben de Alpen
en de Pyreneën zien oprijzen uit de zee en zich tot boven de wolken zien verheffen
en daaruit zien nederdalen.
Grootsche landschappen van vervlogen eeuwen! geen menschenblik heeft u
aanschouwd, geen oor heeft uwe harmoniën begrepen, uwe tooverachtige
panorama’s hebben geene enkele gedachte opgewekt. Des daags verlichtte de zon
alleen de gevechten en spelen van het dierlijk leven; des nachts bescheen de maan
den slaap der zich onbewuste natuur.
Sedert de geboorte der aarde, sedert het tijdstip, waarop zij, losgerukt van de
zonnenevelvlek, als planeet een zelfstandig bestaan verkreeg, en zich tot eenen bol
verdichtte, afkoelde, vast en bewoonbaar werd, zijn zóóvele millioenen jaren
voorbijgegaan, dat de geheele geschiedenis der menschheid bij dien ontzaglijken
klimaat, eene geheel andere wereld.
Gaan wij nog verder terug in de geschiedenis der aarde, dan komen wij op een
tijdstip, waarop de oppervlakte van Europa nog veel meer afweek van hare
tegenwoordige gedaante, een tijdstip, waarop planten en dieren zóózeer van de
tegenwoordige verschilden, dat misschien de bewoners van Venus of Mars meer
met ons overeenkomen dan deze. Reusachtige vleugelvingerigen met breede
vleugels sprongen door de lucht, en die vliegende draken, die ontzaglijke
vleermuizen, waren toen de vorsten van den dampkring. De Dimorphodon
Macronyx, de Ramphorynchus, en andere dieren, nog barbaarscher dan hunne
namen, zetten zich op de boomen neder en klommen met handen en voeten tot
boven op de rotsen, wierpen zich in de lucht, terwijl zij hunne vliezige valschermen
openden, en wierpen zich als amphibiën in de wateren. In dien tijd ook, leverden de
reusachtige vischhagedissen, de Ichthyosaurus en Plesiosaurus slag in de bewogen
wateren, de lucht vervullende met hun woest gebrul, breedkoppige monsters met
ontzaglijke kaken, van tien tot twaalf meters lengte, en somtijds met tweeduizend
tanden in hunnen bek. De Iguanosaurus en de Megalosaurus bewoonden de
wouden, waarin reusachtige boomen, varens en duizenden kegeldragende boomen
hunne pyramidale toppen verhieven. De Iguanodon, een monster, dat op onzen
Kanguro gelijkt, had eene lengte van veertien meters: met de pooten tegen onze
tegenwoordige huizen staande, zou hij tot boven de bovenste verdieping reiken.
Wat verbazende massa’s, vergeleken met die van onzen tijd! Wel overtreffen die
fantastische wezens die, welke de menschelijke verbeelding heeft uitgevonden,
zooals de Centaur, de Chimaera, de Draak, de Griffioen, de Cerberus, de Vampyr:
en zij hebben werkelijk geleefd in de oorspronkelijke wouden; zij hebben de Alpen
en de Pyreneën zien oprijzen uit de zee en zich tot boven de wolken zien verheffen
en daaruit zien nederdalen.
Grootsche landschappen van vervlogen eeuwen! geen menschenblik heeft u
aanschouwd, geen oor heeft uwe harmoniën begrepen, uwe tooverachtige
panorama’s hebben geene enkele gedachte opgewekt. Des daags verlichtte de zon
alleen de gevechten en spelen van het dierlijk leven; des nachts bescheen de maan
den slaap der zich onbewuste natuur.
Sedert de geboorte der aarde, sedert het tijdstip, waarop zij, losgerukt van de
zonnenevelvlek, als planeet een zelfstandig bestaan verkreeg, en zich tot eenen bol
verdichtte, afkoelde, vast en bewoonbaar werd, zijn zóóvele millioenen jaren
voorbijgegaan, dat de geheele geschiedenis der menschheid bij dien ontzaglijken
Page 17
tijdkring in het niet verzinkt. De vijftien- tot twintigduizend jaren geschiedenis der
menschheid zijn zelfs slechts een klein gedeelte van de tegenwoordige geologische
periode. Indien wij slechts honderdduizend jaren rekenen (en dit is matig berekend)
voor den duur der tegenwoordige periode, het quaternaire tijdstip genaamd, de
vierde sedert het ontstaan der aarde, dan moet de tertiaire periode
driehonderdduizend jaren geduurd hebben, de secundaire periode
twaalfhonderdduizend en de primaire periode meer dan drie millioen jaren. Dit is
dus te zamen viermillioen zevenhonderdduizend jaren sedert den oorsprong van
betrekkelijk reeds ontwikkelde planten en dieren. Doch die perioden waren reeds
voorafgegaan door eene azoïsche periode, waarin het ontstaande leven alleen wordt
voorgesteld door lagere soorten van zeewier, schaaldieren, weekdieren,
ongewervelde dieren of koplooze gewervelde dieren, en die azoïsche periode
schijnt 53 honderdsten van de dikte der geologische formaties uit te maken, en dus
alleen reeds meer dan vijfmillioen jaren geduurd te hebben!
menschheid zijn zelfs slechts een klein gedeelte van de tegenwoordige geologische
periode. Indien wij slechts honderdduizend jaren rekenen (en dit is matig berekend)
voor den duur der tegenwoordige periode, het quaternaire tijdstip genaamd, de
vierde sedert het ontstaan der aarde, dan moet de tertiaire periode
driehonderdduizend jaren geduurd hebben, de secundaire periode
twaalfhonderdduizend en de primaire periode meer dan drie millioen jaren. Dit is
dus te zamen viermillioen zevenhonderdduizend jaren sedert den oorsprong van
betrekkelijk reeds ontwikkelde planten en dieren. Doch die perioden waren reeds
voorafgegaan door eene azoïsche periode, waarin het ontstaande leven alleen wordt
voorgesteld door lagere soorten van zeewier, schaaldieren, weekdieren,
ongewervelde dieren of koplooze gewervelde dieren, en die azoïsche periode
schijnt 53 honderdsten van de dikte der geologische formaties uit te maken, en dus
alleen reeds meer dan vijfmillioen jaren geduurd te hebben!
Page 18
De bosschen waren woest en ondoordringbaar, de logge mastodon vertrapte
de bloemen, die reeds in de open ruimte ontloken.
Die tienmillioen jaren stellen dus den ouderdom van het leven op aarde voor. Maar
de voorbereiding tot die wordingsgeschiedenis heeft nog heel wat langer geduurd.
De periode, vóórdat eenig levend wezen op onze planeet verscheen, overtreft in
duur verreweg de periode, waarin zich de verschillende soorten hebben opgevolgd.
Met zorg en oordeelkundig gedane proefnemingen hebben het waarschijnlijk
de bloemen, die reeds in de open ruimte ontloken.
Die tienmillioen jaren stellen dus den ouderdom van het leven op aarde voor. Maar
de voorbereiding tot die wordingsgeschiedenis heeft nog heel wat langer geduurd.
De periode, vóórdat eenig levend wezen op onze planeet verscheen, overtreft in
duur verreweg de periode, waarin zich de verschillende soorten hebben opgevolgd.
Met zorg en oordeelkundig gedane proefnemingen hebben het waarschijnlijk
Page 19
gemaakt, dat onze aarde minstens driehonderdvijftig millioen jaren noodig had, om
van tweeduizend tot tweehonderd graden af te koelen.
Hoe belangrijk is de geschiedenis eener wereld! Hoe loffelijk is de eerzucht, om
ingewijd te worden in de belangrijke geheimen der natuur, om te willen
doordringen tot den raad der oude goden, die het bestuur van het heelal onder
elkander verdeeld hadden. En moet men geen belang stellen in die schitterende
veroveringen der moderne wetenschap, die de graven der aarde opdelvende, onze
verdwenen voorouders heeft weten te doen herleven? Op de roepstem van het
menschelijke genie hebben die voorwereldlijke monsters gesidderd in hunne
donkere graven, en vooral sedert eene halve eeuw zijn zij één voor één uit hunne
graven verrezen, te voorschijn getreden uit de steengroeven, de mijnen en de
tunnels, om weder het daglicht te aanschouwen. Van alle zijden hebben die oude
lijken, die reeds in den tijd van den zondvloed versteend waren, en die tot stukken
waren verbrijzeld, de kop hier, andere deelen ginds, het bazuingeschal gehoord van
het gericht, het gericht der wetenschap, en zijn zij uit den doode opgestaan, en
hebben zij zich verbonden als een leger, samengesteld uit vreemde legioenen van
alle landen en alle eeuwen, en trekken zij in gelederen voor ons voorbij,
vreemdsoortig, wonderlijk, links, onhandig, monsterachtig, als kwamen zij uit eene
andere wereld, maar daarbij krachtig, sterk, zelfvoldaan, alsof zij zich van hunne
waarde bewust waren, en ons wilden toeroepen: „Hier zijn wij, wij, uwe
voorouders, wij, die u het aanzijn geschonken hebben. Ziet ons aan en zoekt in ons
den oorsprong van uw bestaan. Uwe oogen, waarmede gij het oneindig groote peilt
en het oneindig kleine uitmeet, gij vindt ze bij ons in wording en nederig, maar
toch belangrijk, want indien die eerste pogingen bij ons niet gelukt waren, zoudt gij
blind zijn. Ziet naar uwe handen, zoo sierlijk en zoo knap, en aanschouwt dan onze
klauwen, waarvan zij de volmaking zijn; lacht niet te zeer over onze klauwen,
indien gij uwe handen nuttig en aangenaam vindt. Uw mond, uwe tong, uwe
tanden, dat alles is fijn, sierlijk, lief, maar het zijn onze muilen, onze snuiten, onze
bekken, die uw mond geworden zijn. Uwe harten slaan zacht, geheimzinnig, en die
kloppingen van het menschenhart, die wij niet kennen, verschaffen u, zooals men
zegt, zulke diepe aandoeningen, dat gij somtijds de geheele wereld zoudt willen
geven, om aan de nietigste dier aandoeningen te kunnen voldoen; welnu, ziet hier,
hoe de bloedsomloop begonnen is, ziet hier het eerste hart, dat geklopt heeft! En in
uwe hersens bewondert gij den zetel der ziel en der gedachte, en zóózeer waardeert
gij hunne onvergelijkelijke gevoeligheid, dat gij nauwelijks hunnen fijnen bouw
durft doorgronden; maar bedenkt, dat uwe hersenen ons ruggemerg is, het merg
onzer wervelen, dat zich ontwikkeld, volmaakt, gezuiverd heeft, en bedenkt, dat
van tweeduizend tot tweehonderd graden af te koelen.
Hoe belangrijk is de geschiedenis eener wereld! Hoe loffelijk is de eerzucht, om
ingewijd te worden in de belangrijke geheimen der natuur, om te willen
doordringen tot den raad der oude goden, die het bestuur van het heelal onder
elkander verdeeld hadden. En moet men geen belang stellen in die schitterende
veroveringen der moderne wetenschap, die de graven der aarde opdelvende, onze
verdwenen voorouders heeft weten te doen herleven? Op de roepstem van het
menschelijke genie hebben die voorwereldlijke monsters gesidderd in hunne
donkere graven, en vooral sedert eene halve eeuw zijn zij één voor één uit hunne
graven verrezen, te voorschijn getreden uit de steengroeven, de mijnen en de
tunnels, om weder het daglicht te aanschouwen. Van alle zijden hebben die oude
lijken, die reeds in den tijd van den zondvloed versteend waren, en die tot stukken
waren verbrijzeld, de kop hier, andere deelen ginds, het bazuingeschal gehoord van
het gericht, het gericht der wetenschap, en zijn zij uit den doode opgestaan, en
hebben zij zich verbonden als een leger, samengesteld uit vreemde legioenen van
alle landen en alle eeuwen, en trekken zij in gelederen voor ons voorbij,
vreemdsoortig, wonderlijk, links, onhandig, monsterachtig, als kwamen zij uit eene
andere wereld, maar daarbij krachtig, sterk, zelfvoldaan, alsof zij zich van hunne
waarde bewust waren, en ons wilden toeroepen: „Hier zijn wij, wij, uwe
voorouders, wij, die u het aanzijn geschonken hebben. Ziet ons aan en zoekt in ons
den oorsprong van uw bestaan. Uwe oogen, waarmede gij het oneindig groote peilt
en het oneindig kleine uitmeet, gij vindt ze bij ons in wording en nederig, maar
toch belangrijk, want indien die eerste pogingen bij ons niet gelukt waren, zoudt gij
blind zijn. Ziet naar uwe handen, zoo sierlijk en zoo knap, en aanschouwt dan onze
klauwen, waarvan zij de volmaking zijn; lacht niet te zeer over onze klauwen,
indien gij uwe handen nuttig en aangenaam vindt. Uw mond, uwe tong, uwe
tanden, dat alles is fijn, sierlijk, lief, maar het zijn onze muilen, onze snuiten, onze
bekken, die uw mond geworden zijn. Uwe harten slaan zacht, geheimzinnig, en die
kloppingen van het menschenhart, die wij niet kennen, verschaffen u, zooals men
zegt, zulke diepe aandoeningen, dat gij somtijds de geheele wereld zoudt willen
geven, om aan de nietigste dier aandoeningen te kunnen voldoen; welnu, ziet hier,
hoe de bloedsomloop begonnen is, ziet hier het eerste hart, dat geklopt heeft! En in
uwe hersens bewondert gij den zetel der ziel en der gedachte, en zóózeer waardeert
gij hunne onvergelijkelijke gevoeligheid, dat gij nauwelijks hunnen fijnen bouw
durft doorgronden; maar bedenkt, dat uwe hersenen ons ruggemerg is, het merg
onzer wervelen, dat zich ontwikkeld, volmaakt, gezuiverd heeft, en bedenkt, dat
Page 20
zonder ons de natuurkundige, de geoloog, de astronoom, de wijsgeer, de dichter
niet zouden bestaan. Ja, hier zijn wij, begroet in ons uwe voorouders!”
Zoo zouden die versteende wezens, de apen, de halfapen, de buideldieren, de
vogels, de kruipende dieren, de slangen, de amphibiën, de visschen, de weekdieren
spreken, en terecht, want de mensch is de hoogste tak van den stamboom der
natuur, zijne wortels zijn vastgehecht aan den gemeenschappelijken bodem, en de
boom, welke die schoone vrucht draagt, is gevormd uit al die soorten, die in schijn
zoo verschillend zijn, maar in werkelijkheid zoo nauw verwant.—Zij zijn uit den
doode opgestaan, en de beoefenaar der natuur rangschikt ze.
Vleugelvingers (Pterodactyli) met breede vleugels sprongen door de lucht.
En welk denkend en belangstellend wezen, welke denker, ja zelfs welk eenvoudig
lezer van mengelwerk en romans, zou niet boven onvruchtbare lectuur het groote
boek der natuur verkiezen, dat voor een ieder geopend is, en dat door zijne
niet zouden bestaan. Ja, hier zijn wij, begroet in ons uwe voorouders!”
Zoo zouden die versteende wezens, de apen, de halfapen, de buideldieren, de
vogels, de kruipende dieren, de slangen, de amphibiën, de visschen, de weekdieren
spreken, en terecht, want de mensch is de hoogste tak van den stamboom der
natuur, zijne wortels zijn vastgehecht aan den gemeenschappelijken bodem, en de
boom, welke die schoone vrucht draagt, is gevormd uit al die soorten, die in schijn
zoo verschillend zijn, maar in werkelijkheid zoo nauw verwant.—Zij zijn uit den
doode opgestaan, en de beoefenaar der natuur rangschikt ze.
Vleugelvingers (Pterodactyli) met breede vleugels sprongen door de lucht.
En welk denkend en belangstellend wezen, welke denker, ja zelfs welk eenvoudig
lezer van mengelwerk en romans, zou niet boven onvruchtbare lectuur het groote
boek der natuur verkiezen, dat voor een ieder geopend is, en dat door zijne
Page 21
openbaringen zoo belangrijk, door zijne verrassingen zoo boeiend en zoo verheven
is boven alle verdichtselen en sproken? Wie zou niet willen ingewijd worden in het
groote geheim van den oorsprong van den mensch, van de geboorte der aarde en de
wieg van het heelal? Is er één onderwerp, dat ons meer van nabij raakt, en onze
belangstelling meer kan opwekken?
De geschiedenis der aarde bestudeeren, beteekent eveneens het heelal en den
mensch bestudeeren, want de aarde is eene ster in het heelal, en de mensch is het
voortbrengsel van aardsche krachten. Hij is niet de vrucht van een wonder, hij is
het kind der natuur.
De dieren zijn niet plotseling op de roepstem van den Schepper geheel gevormd en
volwassen voortgekomen en paarsgewijze, van den olifant tot de vloo en tot de
mikroskopische mikroben; het eerste paard is niet plotseling van eenen heuvel
afgesprongen; de eerste eik is niet als een honderdjarige geschapen. Neen, de thans
bestaande dieren zijn voorafgegaan door oorspronkelijke, zeer verschillende
soorten; iedereen weet, dat onze aarde zeer oud is, en dat hare geologische lagen de
versteeningen bevatten van vervlogen tijden; iedereen weet, dat uit een anatomisch
oogpunt het lichaam van den mensch hetzelfde is als dat der zoogdieren; iedereen
weet, dat wij nog sporen van organen bezitten, die ons tot niets dienen, en die de
sporen zijn van die, welke nog bestonden bij onze voorouders; iedereen weet, dat
wij vóór de geboorte, in de eerste maanden na de bevruchting in den
moederschoot; weekdier, visch, kruipend dier, viervoetig dier geweest zijn, daar de
natuur in het klein haren grooten arbeid der oude tijden samenvat; iedereen weet
eindelijk, dat alle levende soorten aan elkander verbonden zijn als de schakels van
eenen zelfden keten, die onmerkbaar in elkander overgaan; dat het leven op aarde
begonnen is met de eenvoudigste wezens, met planten, die noch bladeren, noch
bloemen, noch vruchten hadden en nauwelijks den naam van planten konden
dragen, met dieren, die noch kop, noch zintuigen, noch spieren, noch maag, noch
bewegingsorganen hadden, en dus nauwelijks tot het dierenrijk konden gerekend
worden, en dat de wezens langzaam, ja zelfs onmerkbaar, trapsgewijze, in
overeenstemming met den toestand van den dampkring en het water, de
temperatuur, de omgeving en de voeding, meer levend, gevoeliger, karakteristieker,
volmaakter geworden zijn, om eindelijk uit te loopen op die schitterende en
welriekende bloemen, die het sieraad onzer velden zijn, op de vogels, die in de
bosschen zingen ... op den mensch eindelijk, die het hoogst van allen staat in de rei
der levende wezens.
is boven alle verdichtselen en sproken? Wie zou niet willen ingewijd worden in het
groote geheim van den oorsprong van den mensch, van de geboorte der aarde en de
wieg van het heelal? Is er één onderwerp, dat ons meer van nabij raakt, en onze
belangstelling meer kan opwekken?
De geschiedenis der aarde bestudeeren, beteekent eveneens het heelal en den
mensch bestudeeren, want de aarde is eene ster in het heelal, en de mensch is het
voortbrengsel van aardsche krachten. Hij is niet de vrucht van een wonder, hij is
het kind der natuur.
De dieren zijn niet plotseling op de roepstem van den Schepper geheel gevormd en
volwassen voortgekomen en paarsgewijze, van den olifant tot de vloo en tot de
mikroskopische mikroben; het eerste paard is niet plotseling van eenen heuvel
afgesprongen; de eerste eik is niet als een honderdjarige geschapen. Neen, de thans
bestaande dieren zijn voorafgegaan door oorspronkelijke, zeer verschillende
soorten; iedereen weet, dat onze aarde zeer oud is, en dat hare geologische lagen de
versteeningen bevatten van vervlogen tijden; iedereen weet, dat uit een anatomisch
oogpunt het lichaam van den mensch hetzelfde is als dat der zoogdieren; iedereen
weet, dat wij nog sporen van organen bezitten, die ons tot niets dienen, en die de
sporen zijn van die, welke nog bestonden bij onze voorouders; iedereen weet, dat
wij vóór de geboorte, in de eerste maanden na de bevruchting in den
moederschoot; weekdier, visch, kruipend dier, viervoetig dier geweest zijn, daar de
natuur in het klein haren grooten arbeid der oude tijden samenvat; iedereen weet
eindelijk, dat alle levende soorten aan elkander verbonden zijn als de schakels van
eenen zelfden keten, die onmerkbaar in elkander overgaan; dat het leven op aarde
begonnen is met de eenvoudigste wezens, met planten, die noch bladeren, noch
bloemen, noch vruchten hadden en nauwelijks den naam van planten konden
dragen, met dieren, die noch kop, noch zintuigen, noch spieren, noch maag, noch
bewegingsorganen hadden, en dus nauwelijks tot het dierenrijk konden gerekend
worden, en dat de wezens langzaam, ja zelfs onmerkbaar, trapsgewijze, in
overeenstemming met den toestand van den dampkring en het water, de
temperatuur, de omgeving en de voeding, meer levend, gevoeliger, karakteristieker,
volmaakter geworden zijn, om eindelijk uit te loopen op die schitterende en
welriekende bloemen, die het sieraad onzer velden zijn, op de vogels, die in de
bosschen zingen ... op den mensch eindelijk, die het hoogst van allen staat in de rei
der levende wezens.
Page 22
Meen echter niet, dat de mensch, de koning der schepping, zoo afgescheiden en
zoo los is van zijne voorouders, en ook zoo hoog ontwikkeld als hij wel schijnt. Op
de veertienhonderd millioen menschelijke wezens, die op aarde bestaan, zijn er
zoovelen, die nooit eenig bewijs van verstandelijke ontwikkeling geven, en dat niet
alleen bij de stammen van Centraal-Afrika, de Samojeden of de bewoners van
Vuurland, maar zelfs bij de beschaafde natiën: menschen, die niet denken, die zich
nooit rekenschap gegeven hebben van hunne bestemming, die hoegenaamd geen
belang stellen in hun eigen levensdoel, in de geschiedenis der menschheid, in die
onzer planeet, die niet weten, waar zij zijn, en er zich ook niet om bekommeren, in
één woord, die geheel als redelooze dieren leven. Zij, die werkelijk denken en een
geestesleven leiden, vormen de minderheid onder de menschheid. Toch neemt hun
aantal van dag tot dag toe en ontwaakt en ontwikkelt zich het gevoel van
belangstelling. De vooruitgang, die zich langzaam geopenbaard heeft in de
volmaking der zintuigen en der hersenen van het dierenrijk, gaat gestadig voort, en
wij zien dien aan het werk bij onze eigen soort, die eertijds ruw, grof, onbeschaafd,
en thans gevoeliger, fijner en verstandiger is. De mensch verandert, en
waarschijnlijk sneller dan eenige andere soort. Indien iemand over honderdduizend
jaren op aarde kon terugkeeren, zoude hij de menschheid niet meer herkennen.
Indien wij den toestand van het menschdom vergelijken met dien uit het steenen
tijdperk, dan bespeuren wij reeds eenen merkbaren vooruitgang, niet alleen moreel,
maar ook lichamelijk. Het zijn dezelfde menschen niet meer. De fijnheid van
vernuft en van vormen is toegenomen. De spieren zijn minder krachtig, de
zenuwen zijn meer ontwikkeld. De moderne man is minder log en ruw;
onmerkbaar hebben de hersenen de overhand verkregen. De moderne vrouw is
fijner en heeft meer kunstgevoel; zij is blanker, haar haar is langer en meer
zijdeachtig, haar blik is helderder en hare hand is kleiner. Somtijds schijnt de
ontwikkeling stil te staan in tijden van omwentelingen en beroeringen, als de
hartstochten ontketend zijn. Doch die stilstand is slechts schijnbaar. Het geheel
wordt medegesleept in het onbewuste zoeken naar het hoogere, in het streven naar
het ideaal. Men zoekt en tast en streeft, en dat streven voert de menschheid, die
nooit bevredigd is, steeds vooruit naar eenen hoogeren trap van
geestesontwikkeling. De schedel modelleert de hersenen; het lichaam modelleert
den geest.
De oefening der ledematen ontwikkelt juist die, welke het meest gebruikt worden,
terwijl die, welke weinig geoefend worden, verminderen, om eindelijk weg te
sterven. Men kan daarom over de zeden van eene bepaalde periode oordeelen uit
den lichaamsbouw der individuen. Hoewel men ook in onzen tijd nog dikwijls ziet,
zoo los is van zijne voorouders, en ook zoo hoog ontwikkeld als hij wel schijnt. Op
de veertienhonderd millioen menschelijke wezens, die op aarde bestaan, zijn er
zoovelen, die nooit eenig bewijs van verstandelijke ontwikkeling geven, en dat niet
alleen bij de stammen van Centraal-Afrika, de Samojeden of de bewoners van
Vuurland, maar zelfs bij de beschaafde natiën: menschen, die niet denken, die zich
nooit rekenschap gegeven hebben van hunne bestemming, die hoegenaamd geen
belang stellen in hun eigen levensdoel, in de geschiedenis der menschheid, in die
onzer planeet, die niet weten, waar zij zijn, en er zich ook niet om bekommeren, in
één woord, die geheel als redelooze dieren leven. Zij, die werkelijk denken en een
geestesleven leiden, vormen de minderheid onder de menschheid. Toch neemt hun
aantal van dag tot dag toe en ontwaakt en ontwikkelt zich het gevoel van
belangstelling. De vooruitgang, die zich langzaam geopenbaard heeft in de
volmaking der zintuigen en der hersenen van het dierenrijk, gaat gestadig voort, en
wij zien dien aan het werk bij onze eigen soort, die eertijds ruw, grof, onbeschaafd,
en thans gevoeliger, fijner en verstandiger is. De mensch verandert, en
waarschijnlijk sneller dan eenige andere soort. Indien iemand over honderdduizend
jaren op aarde kon terugkeeren, zoude hij de menschheid niet meer herkennen.
Indien wij den toestand van het menschdom vergelijken met dien uit het steenen
tijdperk, dan bespeuren wij reeds eenen merkbaren vooruitgang, niet alleen moreel,
maar ook lichamelijk. Het zijn dezelfde menschen niet meer. De fijnheid van
vernuft en van vormen is toegenomen. De spieren zijn minder krachtig, de
zenuwen zijn meer ontwikkeld. De moderne man is minder log en ruw;
onmerkbaar hebben de hersenen de overhand verkregen. De moderne vrouw is
fijner en heeft meer kunstgevoel; zij is blanker, haar haar is langer en meer
zijdeachtig, haar blik is helderder en hare hand is kleiner. Somtijds schijnt de
ontwikkeling stil te staan in tijden van omwentelingen en beroeringen, als de
hartstochten ontketend zijn. Doch die stilstand is slechts schijnbaar. Het geheel
wordt medegesleept in het onbewuste zoeken naar het hoogere, in het streven naar
het ideaal. Men zoekt en tast en streeft, en dat streven voert de menschheid, die
nooit bevredigd is, steeds vooruit naar eenen hoogeren trap van
geestesontwikkeling. De schedel modelleert de hersenen; het lichaam modelleert
den geest.
De oefening der ledematen ontwikkelt juist die, welke het meest gebruikt worden,
terwijl die, welke weinig geoefend worden, verminderen, om eindelijk weg te
sterven. Men kan daarom over de zeden van eene bepaalde periode oordeelen uit
den lichaamsbouw der individuen. Hoewel men ook in onzen tijd nog dikwijls ziet,
Page 23
dat macht boven recht gaat, toch is men thans overtuigd, dat dit een valsch beginsel
is. De dag zal aanbreken, waarop de mensch zich er over schamen zal, dat er nog
oorlogen gevoerd worden, en waarop hij zich het oorlogsbudget, dien mantel van
dwaasheid en laagheid, van de schouders zal werpen.
Neen, hij, die over honderdduizend jaren op aarde zou terugkeeren, zou het
menschdom niet meer herkennen. Geen onzer talen zal meer gesproken worden.
Geene onzer natiën zal meer bestaan. Eene schitterende beschaving zal Centraal-
Afrika verlicht hebben. De dampkring zal doorploegd zijn met luchtschepen.
Nieuwe natuurkrachten zullen bedwongen zijn ... en misschien zal de een of andere
photophonische telegraaf ons doen spreken met de bewoners der naburige planeten.
is. De dag zal aanbreken, waarop de mensch zich er over schamen zal, dat er nog
oorlogen gevoerd worden, en waarop hij zich het oorlogsbudget, dien mantel van
dwaasheid en laagheid, van de schouders zal werpen.
Neen, hij, die over honderdduizend jaren op aarde zou terugkeeren, zou het
menschdom niet meer herkennen. Geen onzer talen zal meer gesproken worden.
Geene onzer natiën zal meer bestaan. Eene schitterende beschaving zal Centraal-
Afrika verlicht hebben. De dampkring zal doorploegd zijn met luchtschepen.
Nieuwe natuurkrachten zullen bedwongen zijn ... en misschien zal de een of andere
photophonische telegraaf ons doen spreken met de bewoners der naburige planeten.
Page 24
Het bazuingeschal der wetenschap heeft weerklonken, zij zijn uit den doode
opgestaan.
De aarde verandert onophoudelijk. Hier knaagt de zee aan de sterke kusten en
dringt zij tot in het binnenland door; ginds daarentegen dragen de zeeën zand aan,
vormen zij delta’s en baaien; regen en wind doen de bergen afdalen naar de
stroomen en den Oceaan; onderaardsche krachten heffen andere bergen op;
vulkanen verwoesten en bouwen op; zeestroomingen en stroomingen in den
dampkring wijzigen het klimaat; de jaargetijden veranderen periodiek; de planten
opgestaan.
De aarde verandert onophoudelijk. Hier knaagt de zee aan de sterke kusten en
dringt zij tot in het binnenland door; ginds daarentegen dragen de zeeën zand aan,
vormen zij delta’s en baaien; regen en wind doen de bergen afdalen naar de
stroomen en den Oceaan; onderaardsche krachten heffen andere bergen op;
vulkanen verwoesten en bouwen op; zeestroomingen en stroomingen in den
dampkring wijzigen het klimaat; de jaargetijden veranderen periodiek; de planten
Page 25
wijzigen haren vorm, niet alleen door kweeking, maar ook door verandering der
omstandigheden; steden ontstaan, komen tot bloei en sterven; alles beweegt zich
met duizelingwekkende vaart voorwaarts; in de natuur is nooit rust, steeds een
harmonische, eeuwigdurende arbeid; de aarde moge onbewegelijk schijnen: zij
voert ons in de ruimte voort met eene snelheid van 106000 kilometers in het uur;
de sterren schijnen ons toe vast te zijn: ieder van deze vliegt vooruit met eene
duizelingwekkende snelheid; de stroom aan onze voeten moge kalm schijnen als
een spiegel: hij stroomt steeds voort en voert onophoudelijk het regenwater in den
Oceaan, dat steeds neervalt uit de wolken, welke zich steeds vormen uit de dampen
van den Oceaan, die zich altijd verheffen; het gras, waarop wij gezeten zijn, schijnt
slechts een levenloos tapijt te zijn: het groeit en neemt toe, en dag en nacht, zonder
een oogenblik van verpoozing bestrijden elkander of verbinden zich; de moleculen
waterstof, zuurstof en koolzuur in voortdurende werkzaamheid; en wij zelf, die
droomende dat groote schouwspel der natuur aanschouwen, wij wanen ons in rust
en verbeelden ons, dat de natuur in ons gedurende onzen slaap eveneens slaapt,
doch dit is eene dwaling: ons hart klopt, en zendt bij iederen slag het bloed door
onze slagaderen; onze longen werken, en hernieuwen onophoudelijk onze
levenskracht, de moleculen, waaruit ieder deel van ons lichaam is samengesteld,
legeren zich naast elkander, vereenigen zich, verjagen elkander, treden
onophoudelijk in elkanders plaats, en, indien wij onder den mikroskoop de
weefsels onzer organen, onzer spieren, onzer zenuwen, van ons bloed, ons
ruggemerg konden bestudeeren, en voornamelijk de gisting in onze hersens, dan
zouden wij eene voortdurende inwendige werking bijwonen, die ieder deel van ons
lichaam dag en nacht doet trillen, van het oogenblik af, dat wij verwekt zijn, tot
onzen laatsten ademtocht—en nog daarna; immers na onzen dood keert ons
lichaam weder molecule voor molecule in den kringloop der natuur terug, om deel
uit te maken van de planten, de dieren en de menschen, die na ons komen: niets
gaat verloren of wordt nieuw geschapen, wij bestaan uit het stof onzer voorouders,
onze kleinkinderen zullen uit ons stof samengesteld worden.
Alles verandert en neemt eene andere gedaante aan. Men wane niet, dat
tegenwoordig de schepping tot rust is gekomen. De natuur is eeuwig en oneindig
en steeds in wording. Nog thans ontbranden werelden in wording aan den hemel en
worden andere uitgedoofd. Zwervende kometen, zich van stelsel tot stelsel
bewegend, zaaien op haren weg de vallende sterren, de asch van verwoeste
werelden, en de koolstof, de kiem van de toekomstige organismen. Iedere planeet
heeft hare jeugd, haren rijpen leeftijd, haren ouderdom, haren doodstrijd. De dag
zal komen, waarop de reiziger te vergeefs zal zoeken naar de plaats, waar
Amsterdam, Londen, Parijs, Rome, New-York gedurende zoovele eeuwen
omstandigheden; steden ontstaan, komen tot bloei en sterven; alles beweegt zich
met duizelingwekkende vaart voorwaarts; in de natuur is nooit rust, steeds een
harmonische, eeuwigdurende arbeid; de aarde moge onbewegelijk schijnen: zij
voert ons in de ruimte voort met eene snelheid van 106000 kilometers in het uur;
de sterren schijnen ons toe vast te zijn: ieder van deze vliegt vooruit met eene
duizelingwekkende snelheid; de stroom aan onze voeten moge kalm schijnen als
een spiegel: hij stroomt steeds voort en voert onophoudelijk het regenwater in den
Oceaan, dat steeds neervalt uit de wolken, welke zich steeds vormen uit de dampen
van den Oceaan, die zich altijd verheffen; het gras, waarop wij gezeten zijn, schijnt
slechts een levenloos tapijt te zijn: het groeit en neemt toe, en dag en nacht, zonder
een oogenblik van verpoozing bestrijden elkander of verbinden zich; de moleculen
waterstof, zuurstof en koolzuur in voortdurende werkzaamheid; en wij zelf, die
droomende dat groote schouwspel der natuur aanschouwen, wij wanen ons in rust
en verbeelden ons, dat de natuur in ons gedurende onzen slaap eveneens slaapt,
doch dit is eene dwaling: ons hart klopt, en zendt bij iederen slag het bloed door
onze slagaderen; onze longen werken, en hernieuwen onophoudelijk onze
levenskracht, de moleculen, waaruit ieder deel van ons lichaam is samengesteld,
legeren zich naast elkander, vereenigen zich, verjagen elkander, treden
onophoudelijk in elkanders plaats, en, indien wij onder den mikroskoop de
weefsels onzer organen, onzer spieren, onzer zenuwen, van ons bloed, ons
ruggemerg konden bestudeeren, en voornamelijk de gisting in onze hersens, dan
zouden wij eene voortdurende inwendige werking bijwonen, die ieder deel van ons
lichaam dag en nacht doet trillen, van het oogenblik af, dat wij verwekt zijn, tot
onzen laatsten ademtocht—en nog daarna; immers na onzen dood keert ons
lichaam weder molecule voor molecule in den kringloop der natuur terug, om deel
uit te maken van de planten, de dieren en de menschen, die na ons komen: niets
gaat verloren of wordt nieuw geschapen, wij bestaan uit het stof onzer voorouders,
onze kleinkinderen zullen uit ons stof samengesteld worden.
Alles verandert en neemt eene andere gedaante aan. Men wane niet, dat
tegenwoordig de schepping tot rust is gekomen. De natuur is eeuwig en oneindig
en steeds in wording. Nog thans ontbranden werelden in wording aan den hemel en
worden andere uitgedoofd. Zwervende kometen, zich van stelsel tot stelsel
bewegend, zaaien op haren weg de vallende sterren, de asch van verwoeste
werelden, en de koolstof, de kiem van de toekomstige organismen. Iedere planeet
heeft hare jeugd, haren rijpen leeftijd, haren ouderdom, haren doodstrijd. De dag
zal komen, waarop de reiziger te vergeefs zal zoeken naar de plaats, waar
Amsterdam, Londen, Parijs, Rome, New-York gedurende zoovele eeuwen
Page 26
geschitterd hebben als de hoofdplaatsen van bloeiende natiën, evenals de
oudheidkenner thans de plaats zoekt, waar Ninive, Babylon, Tyrus, Sidon en
Memphis schitterden te midden der werkzaamheid en der weelde. Zoo zal ook de
dag aanbreken, waarop de menschheid na het zenith harer ontwikkeling bereikt te
hebben, zal uitdooven tegelijk met de laatste levenselementen der planeet, en den
doodslaap zal intreden op eene voortaan verlaten en woeste aarde, waarop de vogel
niet meer zal zingen, de bloem niet meer zal bloeien, het water niet meer zal
stroomen, de wind niet meer zal waaien, waarop de witte lijkwade van sneeuw en
ijs zich zal uitstrekken van de polen tot den evenaar. En zóó zal ook de zon zelf
worden uitgedoofd te midden van haar stelsel.
oudheidkenner thans de plaats zoekt, waar Ninive, Babylon, Tyrus, Sidon en
Memphis schitterden te midden der werkzaamheid en der weelde. Zoo zal ook de
dag aanbreken, waarop de menschheid na het zenith harer ontwikkeling bereikt te
hebben, zal uitdooven tegelijk met de laatste levenselementen der planeet, en den
doodslaap zal intreden op eene voortaan verlaten en woeste aarde, waarop de vogel
niet meer zal zingen, de bloem niet meer zal bloeien, het water niet meer zal
stroomen, de wind niet meer zal waaien, waarop de witte lijkwade van sneeuw en
ijs zich zal uitstrekken van de polen tot den evenaar. En zóó zal ook de zon zelf
worden uitgedoofd te midden van haar stelsel.
Page 27
Grootsche landschappen van vervlogen eeuwen, geen sterfelijk oog heeft u
aanschouwd.
De wet van den Vooruitgang beheerscht alles. Hoewel wij er ons geen rekenschap
van geven, toch gaan wij met snelheid vooruit, en wij hebben geen reden,
ontevreden te zijn over den afgelegden weg. Wat is twee, drie eeuwen in
vergelijking met den tijd van het bestaan van het menschdom. En in dien tijd is
toch de vrijheid van geweten voor goed voor den vooruitgang veroverd.
aanschouwd.
De wet van den Vooruitgang beheerscht alles. Hoewel wij er ons geen rekenschap
van geven, toch gaan wij met snelheid vooruit, en wij hebben geen reden,
ontevreden te zijn over den afgelegden weg. Wat is twee, drie eeuwen in
vergelijking met den tijd van het bestaan van het menschdom. En in dien tijd is
toch de vrijheid van geweten voor goed voor den vooruitgang veroverd.
Page 28
Versteende afdruksels van den Labyrinthodon (Doolhoftandige).
Ja, de wereld beweegt zich voortdurend naar een hooger ideaal; de zeden verliezen
hare ruwheid, de geest wordt verlicht, de menschheid gaat in haar geheel en in hare
onderdeelen vooruit.
De geschiedenis der aarde levert de schoonste en welsprekendste getuigenis voor
de wet van den vooruitgang. Zij is als het ware de vooruitgang zelf, belichaamd in
het leven, van het erts af tot den mensch toe. Onze planeet is begonnen als eene
vormelooze nevelvlek, die zich langzamerhand tot eenen bol verdicht heeft. Die
gasvormige nevelvlek, veel ijler dan de lucht die wij inademen, was gevormd uit
een gas, veel lichter dan waterstof. De wederzijdsche aantrekking van alle
moleculen naar het middelpunt, de verdichting, die daarvan het gevolg was, de
wrijving en de omzetting van die beweging naar het middelpunt in warmte; de
eerste scheikundige verbindingen, die ontstonden uit die warmteontwikkeling, de
invloed der electriciteit, de veelzijdige werking der natuurkrachten, die als het ware
uit elkander voortvloeiden, vormden de eerste elementen, waterstof, zuurstof,
koolstof, stikstof, natrium, ijzer, calcium, silicium, aluminium, magnesium en de
verschillende overige mineralen, die alle in bepaalde meetkundige vormen gegoten
Ja, de wereld beweegt zich voortdurend naar een hooger ideaal; de zeden verliezen
hare ruwheid, de geest wordt verlicht, de menschheid gaat in haar geheel en in hare
onderdeelen vooruit.
De geschiedenis der aarde levert de schoonste en welsprekendste getuigenis voor
de wet van den vooruitgang. Zij is als het ware de vooruitgang zelf, belichaamd in
het leven, van het erts af tot den mensch toe. Onze planeet is begonnen als eene
vormelooze nevelvlek, die zich langzamerhand tot eenen bol verdicht heeft. Die
gasvormige nevelvlek, veel ijler dan de lucht die wij inademen, was gevormd uit
een gas, veel lichter dan waterstof. De wederzijdsche aantrekking van alle
moleculen naar het middelpunt, de verdichting, die daarvan het gevolg was, de
wrijving en de omzetting van die beweging naar het middelpunt in warmte; de
eerste scheikundige verbindingen, die ontstonden uit die warmteontwikkeling, de
invloed der electriciteit, de veelzijdige werking der natuurkrachten, die als het ware
uit elkander voortvloeiden, vormden de eerste elementen, waterstof, zuurstof,
koolstof, stikstof, natrium, ijzer, calcium, silicium, aluminium, magnesium en de
verschillende overige mineralen, die alle in bepaalde meetkundige vormen gegoten
Page 29
schijnen, alsof zij veelvouden zijn van de oorspronkelijke grondstof, die het eerst
tot waterstof verdicht schijnt te zijn.
Diezelfde stoffen, die onze oorspronkelijke planeet uitmaakten, toen zij als
nevelachtige ster schitterde; die zuurstof, die waterstof, dat natrium, toen in
gloeiing verkeerend, zooals die stoffen nu nog gloeien in de zon, hebben zich op
geheel andere wijze verbonden, nadat de aarde als ster is uitgedoofd. Het vuur is
water geworden. Uit een natuurkundig oogpunt zijn vuur en water uitersten, uit een
scheikundig oogpunt zijn zij dezelfde. De oceaan, die nog thans zijne golven doet
rollen rondom de aarde, bestaat uit waterstof, zuurstof en natrium.
Ieder onzer is in den moederschoot weekdier, visch, kruipend dier, viervoetig dier
geweest.
Een waarnemer,
buiten de aarde
geplaatst, zoude
onze aarde eerst
hebben kunnen zien
schijnen als eene
bleeke nevelvlek,
daarop zien
schitteren als eene
zon, dan eene roode,
daarna eene donkere
en eindelijk eene
veranderlijke ster
Menschelijke vrucht in Schildpad. Kuiken. zien worden met
de baarmoeder. telkens anderen
glans, om ten slotte
haar licht en hare warmte te verliezen en in eenen dergelijken toestand te komen,
als waarin wij thans Jupiter zien.
tot waterstof verdicht schijnt te zijn.
Diezelfde stoffen, die onze oorspronkelijke planeet uitmaakten, toen zij als
nevelachtige ster schitterde; die zuurstof, die waterstof, dat natrium, toen in
gloeiing verkeerend, zooals die stoffen nu nog gloeien in de zon, hebben zich op
geheel andere wijze verbonden, nadat de aarde als ster is uitgedoofd. Het vuur is
water geworden. Uit een natuurkundig oogpunt zijn vuur en water uitersten, uit een
scheikundig oogpunt zijn zij dezelfde. De oceaan, die nog thans zijne golven doet
rollen rondom de aarde, bestaat uit waterstof, zuurstof en natrium.
Ieder onzer is in den moederschoot weekdier, visch, kruipend dier, viervoetig dier
geweest.
Een waarnemer,
buiten de aarde
geplaatst, zoude
onze aarde eerst
hebben kunnen zien
schijnen als eene
bleeke nevelvlek,
daarop zien
schitteren als eene
zon, dan eene roode,
daarna eene donkere
en eindelijk eene
veranderlijke ster
Menschelijke vrucht in Schildpad. Kuiken. zien worden met
de baarmoeder. telkens anderen
glans, om ten slotte
haar licht en hare warmte te verliezen en in eenen dergelijken toestand te komen,
als waarin wij thans Jupiter zien.
Page 30
Visch.
Page 31
Al die millioenen jaren waren de eerste bewoners der aarde doofstom en
geslachtloos.
Reeds toen wentelde de aarde om eene as en om de zon. Toen de oorspronkelijke
temperatuur was afgenomen, toen de dampen in de atmosfeer zich verdichtten en
de oorspronkelijke zee zich over de geheele aarde uitstrekte, vormden zich te
midden der vulkanische schokken der nog jonge aarde, onder bliksemschichten en
donderslagen, in het lauwe en vruchtbare water, de eerste planten en dieren uit
koolstofverbindingen, half vast, half vloeibaar, slijmig, kneedbaar, bewegelijk en
geslachtloos.
Reeds toen wentelde de aarde om eene as en om de zon. Toen de oorspronkelijke
temperatuur was afgenomen, toen de dampen in de atmosfeer zich verdichtten en
de oorspronkelijke zee zich over de geheele aarde uitstrekte, vormden zich te
midden der vulkanische schokken der nog jonge aarde, onder bliksemschichten en
donderslagen, in het lauwe en vruchtbare water, de eerste planten en dieren uit
koolstofverbindingen, half vast, half vloeibaar, slijmig, kneedbaar, bewegelijk en
Page 32
veranderlijk. Die eerste wezens zijn niets anders dan cellen of groepen van cellen,
wier, zeegras, ringwormen, geleiachtige lichamen, weekdieren: het zijn nog
evenzeer mineralen als planten en dieren, het zijn plantdieren, koralen, sponzen,
sterkoralen, schaaldieren. De eerste dieren zijn niets anders dan planten zonder
wortels. Door de langzame verbetering der levensvoorwaarden op de planeet, door
de trapsgewijze ontwikkeling van enkele organen in wording, verbetert, verrijkt en
volmaakt zich het leven. Gedurende het azoïsche tijdvak ziet men slechts
ongewervelde dieren, drijvende in de nog lauwe wateren der oorspronkelijke
zeeën. Op het einde dier periode, gedurende het silurische tijdvak, ziet men de
eerste visschen verschijnen, maar dan nog slechts de kraakbeenachtige; de andere
visschen komen eerst veel later. Gedurende de primaire periode ontstaan de grove
amphibiën, de logge kruipende dieren, de langzame schaaldieren. Eilanden heffen
zich uit de wateren op en worden met een schitterend plantenkleed bedekt. Maar
het dierenrijk is nog uiterst arm. Gedurende millioenen jaren zijn alle bewoners der
aarde doofstom geweest; de eerste op aarde verschenen dieren, zij, die thans
beneden op de rei staan, missen stemorganen; de stem ontstaat eerst in het midden
der secundaire periode, en het oor ontstaat nog veel later. Ook zijn gedurende
millioenen jaren planten en dieren geslachtloos geweest. Doch trapsgewijze gaat
het leven vooruit. Spoedig splitst zich het dierenrijk in afzonderlijke en talrijke
soorten. De kruipende dieren ontwikkelen zich; de vleugel voert den vogel
hemelwaarts; de eerste zoogdieren, de buideldieren, bewonen de wouden.
Gedurende de tertiaire periode scheiden de slangen zich af van de kruipende dieren
en verliezen zij hare pooten (waarvan de oorspronkelijke aanhechtingen nog thans
merkbaar zijn); de archeopteryx, half kruipend dier, half vogel, verdwijnt, de
voorouders der apen ontwikkelen zich op het vaste land, tegelijk met de krachtige
diersoorten. Maar de mensch bestaat nog niet. Deze komt eindelijk te voorschijn,
wat zijn’ bouw betreft, gelijkende op het dier, maar hooger staande op den trap van
den vooruitgang en bestemd om de wereld te beheerschen door de grootte van
zijnen geest.
De verschillende geologische lagen der aarde, die wij in onzen tijd kunnen omslaan
als de bladen van een boek, toonen ons duidelijk de opvolging der begraven
versteende soorten. Die soorten zijn elkander opgevolgd, terwijl zij zich stap voor
stap ontwikkelden als de takken van eenzelfden boom. Zij zijn uit dezelfde bron
voortgekomen en behooren tot eene zelfde orde van zaken.
Maar laat ons niet vooruitloopen op de tooneelen, die zich voor onze oogen zullen
ontrollen. Nu wij eenen voorloopigen blik geslagen hebben in die grootsche
vraagstukken, moeten wij dadelijk in het hart der vraag binnendringen. In de
wier, zeegras, ringwormen, geleiachtige lichamen, weekdieren: het zijn nog
evenzeer mineralen als planten en dieren, het zijn plantdieren, koralen, sponzen,
sterkoralen, schaaldieren. De eerste dieren zijn niets anders dan planten zonder
wortels. Door de langzame verbetering der levensvoorwaarden op de planeet, door
de trapsgewijze ontwikkeling van enkele organen in wording, verbetert, verrijkt en
volmaakt zich het leven. Gedurende het azoïsche tijdvak ziet men slechts
ongewervelde dieren, drijvende in de nog lauwe wateren der oorspronkelijke
zeeën. Op het einde dier periode, gedurende het silurische tijdvak, ziet men de
eerste visschen verschijnen, maar dan nog slechts de kraakbeenachtige; de andere
visschen komen eerst veel later. Gedurende de primaire periode ontstaan de grove
amphibiën, de logge kruipende dieren, de langzame schaaldieren. Eilanden heffen
zich uit de wateren op en worden met een schitterend plantenkleed bedekt. Maar
het dierenrijk is nog uiterst arm. Gedurende millioenen jaren zijn alle bewoners der
aarde doofstom geweest; de eerste op aarde verschenen dieren, zij, die thans
beneden op de rei staan, missen stemorganen; de stem ontstaat eerst in het midden
der secundaire periode, en het oor ontstaat nog veel later. Ook zijn gedurende
millioenen jaren planten en dieren geslachtloos geweest. Doch trapsgewijze gaat
het leven vooruit. Spoedig splitst zich het dierenrijk in afzonderlijke en talrijke
soorten. De kruipende dieren ontwikkelen zich; de vleugel voert den vogel
hemelwaarts; de eerste zoogdieren, de buideldieren, bewonen de wouden.
Gedurende de tertiaire periode scheiden de slangen zich af van de kruipende dieren
en verliezen zij hare pooten (waarvan de oorspronkelijke aanhechtingen nog thans
merkbaar zijn); de archeopteryx, half kruipend dier, half vogel, verdwijnt, de
voorouders der apen ontwikkelen zich op het vaste land, tegelijk met de krachtige
diersoorten. Maar de mensch bestaat nog niet. Deze komt eindelijk te voorschijn,
wat zijn’ bouw betreft, gelijkende op het dier, maar hooger staande op den trap van
den vooruitgang en bestemd om de wereld te beheerschen door de grootte van
zijnen geest.
De verschillende geologische lagen der aarde, die wij in onzen tijd kunnen omslaan
als de bladen van een boek, toonen ons duidelijk de opvolging der begraven
versteende soorten. Die soorten zijn elkander opgevolgd, terwijl zij zich stap voor
stap ontwikkelden als de takken van eenzelfden boom. Zij zijn uit dezelfde bron
voortgekomen en behooren tot eene zelfde orde van zaken.
Maar laat ons niet vooruitloopen op de tooneelen, die zich voor onze oogen zullen
ontrollen. Nu wij eenen voorloopigen blik geslagen hebben in die grootsche
vraagstukken, moeten wij dadelijk in het hart der vraag binnendringen. In de
Page 33
Wonderen des Hemels1 hebben wij over het ontstaan der werelden in het algemeen
gehandeld, terwijl wij daar, zoowel als in het Rijk der Sterren2 over de
verschillende typen van werelden uitvoerig gesproken hebben. Wij achten het dus
overbodig, hierop terug te komen. Wij zullen dan ook dadelijk ons onderzoek
aanvangen met de beschouwing der aarde, van het oogenblik af, dat zij hare
moeder, de zonnenevelvlek had verlaten.
1 De Wonderen des Hemels. Flammarion’s Astronomie populaire, voor Nederland bewerkt. Zutphen, W.J.
Thieme en Cie.
2 Het Rijk der Sterren, Flammarion’s Etoiles et Curiosités du Ciel, voor Nederland bewerkt. Zutphen, W.J.
Thieme en Cie.
gehandeld, terwijl wij daar, zoowel als in het Rijk der Sterren2 over de
verschillende typen van werelden uitvoerig gesproken hebben. Wij achten het dus
overbodig, hierop terug te komen. Wij zullen dan ook dadelijk ons onderzoek
aanvangen met de beschouwing der aarde, van het oogenblik af, dat zij hare
moeder, de zonnenevelvlek had verlaten.
1 De Wonderen des Hemels. Flammarion’s Astronomie populaire, voor Nederland bewerkt. Zutphen, W.J.
Thieme en Cie.
2 Het Rijk der Sterren, Flammarion’s Etoiles et Curiosités du Ciel, voor Nederland bewerkt. Zutphen, W.J.
Thieme en Cie.
Page 34
Page 35
Eerste boek.
Page 36
De geboorte der Aarde.
De zonnenevelvlek verspreidde aan den donkeren oneindigen hemel een flauw
licht, en terwijl zij zich gestadig naar haar middelpunt verdichtte, gaf de
aardsche nevelvlek, uit haar voortgekomen, een even flauw licht, terwijl zij in
den tijd van een jaar om de zon heenwentelde. Onze planeet was toen geheel
gasvormig, zij had toen nog geene vaste kern of geene vloeistoflaag; zij
bestond toen als het ware alleen uit eenen dampkring, die veel lichter was dan
de lucht, die wij inademen. Hare oorspronkelijke temperatuur was even hoog
als die van den zonnegordel, waaruit zij was voortgekomen. Die temperatuur
nam nog toe door hare eigen verdichting. Gehoor gevend aan de wetten der
zwaartekracht, verdichtten de moleculen zich nog sterker naar het middelpunt
toe. Hare bolvormige gedaante werd hoe langer hoe duidelijker zichtbaar.
Eindelijk werd de nevelvlek zon en verspreidde zij een schitterend licht.
De mechanische warmteleer leert ons, dat alleen de verdichting onzer
nevelvlek tot bol eene verwarming moet hebben veroorzaakt van 8988 graden
(Celsius). In dien tijd schitterde dus de aarde in de ruimte als eene zon, door
eenen flauwen nevel omgeven. Een waarnemer, toen in het heelal geplaatst,
zou eene dubbelster gezien hebben, bestaande uit twee sterren van
verschillende grootte; de grootste was onze eigen zon, de kleinste was onze
aarde. Ongetwijfeld was dit stelsel veelvoudig, daar verscheidene andere
planeten tegelijkertijd met de aarde zonnen waren. Doch waarschijnlijk waren
Mercurius en Venus nog nevelvlekken, toen de aarde reeds tot zon verdicht
was, zoodat tusschen de aarde en de zon geene andere ster meer gezien werd.
Eeuwen lang schitterde de aarde als eene glinsterende zon, als het brandpunt
van krachtige scheikundige werkingen, en gaf zij het aanzijn aan vlekken en
reusachtige uitbarstingen, overeenkomende met die, welke wij thans op de
oppervlakte der zon waarnemen. Naar alle waarschijnlijkheid was zij toen niet
zoo groot als thans de zon is; doch zeker was zij veel grooter dan nu, en
strekte zij zich uit tot voorbij de loopbaan der maan; zij was toen niet alleen
geheel gasvormig, doch ook uiterst ijl. Maar de ruimte, waarin zich de
werelden bewegen, is koud en donker. Hare normale temperatuur ligt op 273°
De zonnenevelvlek verspreidde aan den donkeren oneindigen hemel een flauw
licht, en terwijl zij zich gestadig naar haar middelpunt verdichtte, gaf de
aardsche nevelvlek, uit haar voortgekomen, een even flauw licht, terwijl zij in
den tijd van een jaar om de zon heenwentelde. Onze planeet was toen geheel
gasvormig, zij had toen nog geene vaste kern of geene vloeistoflaag; zij
bestond toen als het ware alleen uit eenen dampkring, die veel lichter was dan
de lucht, die wij inademen. Hare oorspronkelijke temperatuur was even hoog
als die van den zonnegordel, waaruit zij was voortgekomen. Die temperatuur
nam nog toe door hare eigen verdichting. Gehoor gevend aan de wetten der
zwaartekracht, verdichtten de moleculen zich nog sterker naar het middelpunt
toe. Hare bolvormige gedaante werd hoe langer hoe duidelijker zichtbaar.
Eindelijk werd de nevelvlek zon en verspreidde zij een schitterend licht.
De mechanische warmteleer leert ons, dat alleen de verdichting onzer
nevelvlek tot bol eene verwarming moet hebben veroorzaakt van 8988 graden
(Celsius). In dien tijd schitterde dus de aarde in de ruimte als eene zon, door
eenen flauwen nevel omgeven. Een waarnemer, toen in het heelal geplaatst,
zou eene dubbelster gezien hebben, bestaande uit twee sterren van
verschillende grootte; de grootste was onze eigen zon, de kleinste was onze
aarde. Ongetwijfeld was dit stelsel veelvoudig, daar verscheidene andere
planeten tegelijkertijd met de aarde zonnen waren. Doch waarschijnlijk waren
Mercurius en Venus nog nevelvlekken, toen de aarde reeds tot zon verdicht
was, zoodat tusschen de aarde en de zon geene andere ster meer gezien werd.
Eeuwen lang schitterde de aarde als eene glinsterende zon, als het brandpunt
van krachtige scheikundige werkingen, en gaf zij het aanzijn aan vlekken en
reusachtige uitbarstingen, overeenkomende met die, welke wij thans op de
oppervlakte der zon waarnemen. Naar alle waarschijnlijkheid was zij toen niet
zoo groot als thans de zon is; doch zeker was zij veel grooter dan nu, en
strekte zij zich uit tot voorbij de loopbaan der maan; zij was toen niet alleen
geheel gasvormig, doch ook uiterst ijl. Maar de ruimte, waarin zich de
werelden bewegen, is koud en donker. Hare normale temperatuur ligt op 273°
Page 37
onder nul. Die temperatuur is zóó laag, dat de luchtsteenen die temperatuur
inwendig behouden, niettegenstaande zij aan hunne oppervlakte sterk verhit
worden bij hunne snelle beweging door onzen dampkring; indien men ze na
hunnen val opneemt, brandt men zich de vingers, indien men ze aanraakt,
maar als men ze doorslaat, zijn zij van binnen zóó koud, dat men zich daaraan
nog heviger brandt dan aan de buitenzijde. (Dit is onder anderen opgemerkt
bij den meteoor van Dhurmsalla, den 14den Juli 1860).
Bij die koude straalde de aarde hare warmte langzamerhand geheel uit; noch
de voortgaande verdichting, noch de scheikundige verbindingen, noch de val
van kosmische stof, die op haar neerkwam van de zonnenevelvlek en van de
verschillende deelen der ruimte, waren voldoende om te herstellen, wat zij
door die uitstraling verloor. De aarde werd van gasvormig vloeibaar, wel nog
gloeiend, maar nog steeds minder lichtgevend. In stede van wit en schitterend
werd zij eerst goudgeel, daarna oranjekleurig, rossig en donkerrood. Een
dikke, zware, in beroering zijnde dampkring omgaf haar. Eindelijk doofde zij
uit. Als zon had zij uitgediend, maar om zich te koesteren aan den
morgenstond van het leven.
In deze periode ontstond de maan, dochter der aardsche nevelvlek, evenals de
aarde was voortgekomen uit den moederschoot der zon. De maan behoort bij
de aarde, zooals de aarde bij de zon behoort. Zij draait om ons heen in 27⅓
dag, zooals wij om de zon draaien in 365¼ dag; als een trouwe wachter
vergezelt zij ons op onze reis om de zon; zij wentelt om ons heen in dezelfde
richting als waarin wij ons bewegen, d.i. van het westen naar het oosten en
bijna in het vlak der aardbaan (de helling bedraagt 5°); hare geboorteakte
draagt zij bij hare beweging met zich, en haar aardsche oorsprong treedt in al
hare karaktertrekken voor den dag; zij is tachtigmaal lichter en vijftigmaal
kleiner dan de aarde, zoodat hare dichtheid 6/10 van die der aarde is.
Zij heeft zich van de zonnenevelvlek losgemaakt op een tijdstip, waarop de
beweging der aarde om hare as veel sneller was dan thans het geval is; de
maan toch is zóó dicht bij ons, en hare aantrekking is zóó aanzienlijk, dat zij
aanzienlijke vloeden teweegbrengt; deze vloeden werkten de beweging der
aarde om hare as tegen, zooals zij dit thans nog doen, maar toen in veel
sterkere mate.
inwendig behouden, niettegenstaande zij aan hunne oppervlakte sterk verhit
worden bij hunne snelle beweging door onzen dampkring; indien men ze na
hunnen val opneemt, brandt men zich de vingers, indien men ze aanraakt,
maar als men ze doorslaat, zijn zij van binnen zóó koud, dat men zich daaraan
nog heviger brandt dan aan de buitenzijde. (Dit is onder anderen opgemerkt
bij den meteoor van Dhurmsalla, den 14den Juli 1860).
Bij die koude straalde de aarde hare warmte langzamerhand geheel uit; noch
de voortgaande verdichting, noch de scheikundige verbindingen, noch de val
van kosmische stof, die op haar neerkwam van de zonnenevelvlek en van de
verschillende deelen der ruimte, waren voldoende om te herstellen, wat zij
door die uitstraling verloor. De aarde werd van gasvormig vloeibaar, wel nog
gloeiend, maar nog steeds minder lichtgevend. In stede van wit en schitterend
werd zij eerst goudgeel, daarna oranjekleurig, rossig en donkerrood. Een
dikke, zware, in beroering zijnde dampkring omgaf haar. Eindelijk doofde zij
uit. Als zon had zij uitgediend, maar om zich te koesteren aan den
morgenstond van het leven.
In deze periode ontstond de maan, dochter der aardsche nevelvlek, evenals de
aarde was voortgekomen uit den moederschoot der zon. De maan behoort bij
de aarde, zooals de aarde bij de zon behoort. Zij draait om ons heen in 27⅓
dag, zooals wij om de zon draaien in 365¼ dag; als een trouwe wachter
vergezelt zij ons op onze reis om de zon; zij wentelt om ons heen in dezelfde
richting als waarin wij ons bewegen, d.i. van het westen naar het oosten en
bijna in het vlak der aardbaan (de helling bedraagt 5°); hare geboorteakte
draagt zij bij hare beweging met zich, en haar aardsche oorsprong treedt in al
hare karaktertrekken voor den dag; zij is tachtigmaal lichter en vijftigmaal
kleiner dan de aarde, zoodat hare dichtheid 6/10 van die der aarde is.
Zij heeft zich van de zonnenevelvlek losgemaakt op een tijdstip, waarop de
beweging der aarde om hare as veel sneller was dan thans het geval is; de
maan toch is zóó dicht bij ons, en hare aantrekking is zóó aanzienlijk, dat zij
aanzienlijke vloeden teweegbrengt; deze vloeden werkten de beweging der
aarde om hare as tegen, zooals zij dit thans nog doen, maar toen in veel
sterkere mate.
Page 38
Nauwkeurige berekeningen, door den zoon van den grooten Darwin gedaan,
schijnen tot de gevolgtrekking te leiden, dat de maan ongeveer vijftig millioen
jaren geleden van de aarde is losgerukt, in eenen tijd, waarin de aarde zich in
drie uren om eene as bewoog. Reeds vóór de geboorte van de maan
ondervond de aarde vloeden, die het gevolg waren van de aantrekking der zon
en die onze aardnevelvlek deden zwellen in het vlak van den equator.
Bovendien veroorzaakte de snelle beweging onzer planeet om eene as in het
vlak van den evenaar eene krachtige middelpuntvliedende kracht, zoodat de
minste kracht voldoende was, om een betrekkelijk groot gedeelte van de
nevelvlek los te rukken. Die kracht ging uit van de zon. Een krachtige vloed,
zijnen invloed voegende bij de middelpuntvliedende kracht, heeft een gedeelte
van de aarde vrijgemaakt van de aantrekking; de aarde heeft haren bolvorm
hernomen en de losgerukte massa heeft zich verzameld tot ééne massa, die op
hare beurt weder aantrekking uitoefende op hare samenstellende deelen,
terwijl de losgerukte gordel zijne oorspronkelijke beweging behield en om de
aarde bleef wentelen.
Zóó ontstond de maan. In de eerste tijden nadat zij gevormd was, was zij in de
onmiddellijke nabijheid der aarde en wentelde zij om haar heen in eene
periode van drie uren. Onze vloedgolven zijn slechts een flauw overblijfsel
van wat zij in den eersten tijd na de vorming der maan waren. In de eerste
plaats was de wachter veel dichter bij de planeet, en men weet, dat de
aantrekking toeneemt in de reden van het vierkant van den afstand, zoodat op
den dubbelen afstand de aantrekking viermaal zwakker, op den drievoudigen
afstand negenmaal zwakker wordt. In de tweede plaats was de aarde niet
zooals thans verdeeld in land en zee, maar was zij geheel vloeibaar; de vloed
werkte dus op de geheele massa en deed eenen kring van water om haar heen
draaien. Thans, nu onze onbeduidende vloedgolven in tegengestelde richting
loopen van de omwentelingsrichting der aarde en alzoo die beweging
tegenhouden, verlengt zij den dag met 22 secunden in eene eeuw. In dien tijd
daarentegen werkten de reusachtige vloeden, die de geheele aarde tweemaal
daags doorliepen, de beweging der aarde veel krachtiger tegen, zoodat de tijd
harer omwenteling van drie tot vier, vijf, twaalf en eindelijk tot vier en twintig
uren toenam. De vertraging in de beweging der aarde gaat gepaard met die der
maan, en daardoor ook met eene langzame verwijdering van onzen wachter.
schijnen tot de gevolgtrekking te leiden, dat de maan ongeveer vijftig millioen
jaren geleden van de aarde is losgerukt, in eenen tijd, waarin de aarde zich in
drie uren om eene as bewoog. Reeds vóór de geboorte van de maan
ondervond de aarde vloeden, die het gevolg waren van de aantrekking der zon
en die onze aardnevelvlek deden zwellen in het vlak van den equator.
Bovendien veroorzaakte de snelle beweging onzer planeet om eene as in het
vlak van den evenaar eene krachtige middelpuntvliedende kracht, zoodat de
minste kracht voldoende was, om een betrekkelijk groot gedeelte van de
nevelvlek los te rukken. Die kracht ging uit van de zon. Een krachtige vloed,
zijnen invloed voegende bij de middelpuntvliedende kracht, heeft een gedeelte
van de aarde vrijgemaakt van de aantrekking; de aarde heeft haren bolvorm
hernomen en de losgerukte massa heeft zich verzameld tot ééne massa, die op
hare beurt weder aantrekking uitoefende op hare samenstellende deelen,
terwijl de losgerukte gordel zijne oorspronkelijke beweging behield en om de
aarde bleef wentelen.
Zóó ontstond de maan. In de eerste tijden nadat zij gevormd was, was zij in de
onmiddellijke nabijheid der aarde en wentelde zij om haar heen in eene
periode van drie uren. Onze vloedgolven zijn slechts een flauw overblijfsel
van wat zij in den eersten tijd na de vorming der maan waren. In de eerste
plaats was de wachter veel dichter bij de planeet, en men weet, dat de
aantrekking toeneemt in de reden van het vierkant van den afstand, zoodat op
den dubbelen afstand de aantrekking viermaal zwakker, op den drievoudigen
afstand negenmaal zwakker wordt. In de tweede plaats was de aarde niet
zooals thans verdeeld in land en zee, maar was zij geheel vloeibaar; de vloed
werkte dus op de geheele massa en deed eenen kring van water om haar heen
draaien. Thans, nu onze onbeduidende vloedgolven in tegengestelde richting
loopen van de omwentelingsrichting der aarde en alzoo die beweging
tegenhouden, verlengt zij den dag met 22 secunden in eene eeuw. In dien tijd
daarentegen werkten de reusachtige vloeden, die de geheele aarde tweemaal
daags doorliepen, de beweging der aarde veel krachtiger tegen, zoodat de tijd
harer omwenteling van drie tot vier, vijf, twaalf en eindelijk tot vier en twintig
uren toenam. De vertraging in de beweging der aarde gaat gepaard met die der
maan, en daardoor ook met eene langzame verwijdering van onzen wachter.
Page 39
De vloed, door de aarde op de maan uitgeoefend, was heel wat heviger, dan
die door de maan op de aarde uitgeoefend; de planeet immers is 80 maal
zwaarder dan de wachter. Hij heeft zóó lang gewerkt, totdat hij de maan om
hare as deed wentelen in denzelfden tijd, waarin zij zich om de aarde beweegt,
zoodat zij thans steeds dezelfde helft naar ons toekeert. Bovendien is zij niet
volkomen bolvormig, maar een weinig gerekt in de richting der aarde. Er zijn
thans geen getijden meer op de maan; zelfs indien de maan nog met water
bedekt was, zou dit toch niet het geval zijn, nu de maan steeds hare zelfde
zijde naar de aarde toekeert.
Sedert hare geboorte heeft zich dus de maan langzaam van de aarde
verwijderd, al langzamer en langzamer rondwentelend; evenzoo is ook
wederkeerig de omwentelingssnelheid der aarde afgenomen. Nog steeds doen
de getijden hunne remmende werking op de aarde gevoelen. Waarschijnlijk
zal eens de dag aanbreken, waarop ook de maan de beweging der aarde om
hare as zóózeer zal vertraagd hebben, dat deze even lang zal duren als de
beweging der maan om de aarde, zoodat dan ook de aarde steeds hare zelfde
zijde naar de maan zal keeren. Indien de zeeën op aarde zóó lang zullen
blijven bestaan, dat de getijden een zoodanig gevolg zullen hebben, zal de
maan in 58 dagen om ons heen wentelen, en zouden wij slechts 6 dagen in het
jaar hebben, ieder van 1400 uren. Welken invloed zou dit niet moeten
uitoefenen op onze zeden en gewoonten!
Er zijn in het zonnestelsel twee planeten, die ons een beeld kunnen geven van
die lang vervlogen tijden; hoewel zij immers lang vóór de aarde geboren zijn
en dus veel ouder zijn dan zij, hebben zij zich veel langzamer verdicht, en zijn
zij dus betrekkelijk jonger dan thans onze aarde is. Wij bedoelen de grootste
lichamen van het zonnestelsel, Jupiter en Saturnus. De manen van Saturnus
zijn nog in de onmiddellijke nabijheid van de planeet gelegen, waaruit zij zijn
voortgekomen; zij zijn dan ook betrekkelijk nog eerst kort geleden ontstaan.
Bovendien bestaan de ringen, die om Saturnus heenwentelen, uit kleine
lichamen, tot een kring verbonden, terwijl de deeltjes, waaruit die ringen
bestaan, en die met groote snelheid om de planeet heenwentelen, in bepaalde
richtingen opgehoopt zijn tot dichte banden, en in andere richtingen verspreid
en verdund zijn. Men vindt zelfs eene volkomen ledige strook, die de ringen
in twee afzonderlijke deelen scheidt. Men mag aannemen, dat die
vreemdsoortige ringen de kiemen zijn van twee toekomstige wachters,
die door de maan op de aarde uitgeoefend; de planeet immers is 80 maal
zwaarder dan de wachter. Hij heeft zóó lang gewerkt, totdat hij de maan om
hare as deed wentelen in denzelfden tijd, waarin zij zich om de aarde beweegt,
zoodat zij thans steeds dezelfde helft naar ons toekeert. Bovendien is zij niet
volkomen bolvormig, maar een weinig gerekt in de richting der aarde. Er zijn
thans geen getijden meer op de maan; zelfs indien de maan nog met water
bedekt was, zou dit toch niet het geval zijn, nu de maan steeds hare zelfde
zijde naar de aarde toekeert.
Sedert hare geboorte heeft zich dus de maan langzaam van de aarde
verwijderd, al langzamer en langzamer rondwentelend; evenzoo is ook
wederkeerig de omwentelingssnelheid der aarde afgenomen. Nog steeds doen
de getijden hunne remmende werking op de aarde gevoelen. Waarschijnlijk
zal eens de dag aanbreken, waarop ook de maan de beweging der aarde om
hare as zóózeer zal vertraagd hebben, dat deze even lang zal duren als de
beweging der maan om de aarde, zoodat dan ook de aarde steeds hare zelfde
zijde naar de maan zal keeren. Indien de zeeën op aarde zóó lang zullen
blijven bestaan, dat de getijden een zoodanig gevolg zullen hebben, zal de
maan in 58 dagen om ons heen wentelen, en zouden wij slechts 6 dagen in het
jaar hebben, ieder van 1400 uren. Welken invloed zou dit niet moeten
uitoefenen op onze zeden en gewoonten!
Er zijn in het zonnestelsel twee planeten, die ons een beeld kunnen geven van
die lang vervlogen tijden; hoewel zij immers lang vóór de aarde geboren zijn
en dus veel ouder zijn dan zij, hebben zij zich veel langzamer verdicht, en zijn
zij dus betrekkelijk jonger dan thans onze aarde is. Wij bedoelen de grootste
lichamen van het zonnestelsel, Jupiter en Saturnus. De manen van Saturnus
zijn nog in de onmiddellijke nabijheid van de planeet gelegen, waaruit zij zijn
voortgekomen; zij zijn dan ook betrekkelijk nog eerst kort geleden ontstaan.
Bovendien bestaan de ringen, die om Saturnus heenwentelen, uit kleine
lichamen, tot een kring verbonden, terwijl de deeltjes, waaruit die ringen
bestaan, en die met groote snelheid om de planeet heenwentelen, in bepaalde
richtingen opgehoopt zijn tot dichte banden, en in andere richtingen verspreid
en verdund zijn. Men vindt zelfs eene volkomen ledige strook, die de ringen
in twee afzonderlijke deelen scheidt. Men mag aannemen, dat die
vreemdsoortige ringen de kiemen zijn van twee toekomstige wachters,
Page 40
waardoor het aantal gezellen van Saturnus tot tien zou stijgen. Waarschijnlijk
is het, dat de maan, evenals de wachters der overige planeten, gevormd is uit
eenen gordel, die van de planeet is losgeraakt, en die door de aantrekking
harer samenstellende deelen langzamerhand in eenen bol is overgegaan.
Oorspronkelijk veroorzaakte de maan, toen zij veel dichter bij de aarde stond,
ontzaglijke vloedgolven.
is het, dat de maan, evenals de wachters der overige planeten, gevormd is uit
eenen gordel, die van de planeet is losgeraakt, en die door de aantrekking
harer samenstellende deelen langzamerhand in eenen bol is overgegaan.
Oorspronkelijk veroorzaakte de maan, toen zij veel dichter bij de aarde stond,
ontzaglijke vloedgolven.
Page 41
De duur van de periode, waarin zich eene planeet heeft gevormd, hangt af van
de hoeveelheid stof, waaruit zij bestaat, terwijl de tijd, waarin zij is afgekoeld,
afhangt van de temperatuur van den oorspronkelijken bol, van zijn volume en
zijne oppervlakte; hierbij moet nog gevoegd worden de aard van de stoffen,
waaruit de planeet bestaat, en de aard van den dampkring; de laatste toch zal,
naarmate hij de warmtestralen meer of minder tegenhoudt, in meerdere of
mindere mate de planeet tegen afkoeling beschermen. Eene planeet koelt
natuurlijk aan de buitenoppervlakte af, en daar het volume der aarde 49 maal
grooter is dan dat der maan, maar hare oppervlakte slechts dertienmaal grooter
is, zoo is het afkoelend vermogen der maan bijna viermaal grooter dan dat der
aarde, en inderdaad is zij ook sneller dan de aarde verkoeld.
Onze planeet moet, zooals uit de wijze van haar ontstaan volgt, eene
temperatuur gehad hebben, overeenkomende met die der zon; langzamerhand
moet zij begonnen zijn af te koelen, terwijl zij zich nog steeds verdichtte;
daarop is zij van gasvormig vloeibaar geworden, en moet het tijdstip zijn
aangebroken, waarop hare oppervlakte begon vast te worden. De aarde koelde
dus van eeuw tot eeuw af van de buitenzijde naar binnen.
Is die afkoeling thans geëindigd, of is er nog inwendige warmte verborgen in
den schoot der aarde? Is zij niet van binnen ijskoud geworden, nu zij zich
eeuwen lang heeft voortbewogen in eene ruimte van 273° onder het nulpunt?
Wat is thans de inwendige temperatuur der aarde? Deze vraag is van het
hoogste gewicht, en daarom zullen wij deze in bijzonderheden bestudeeren en
daaraan een afzonderlijk hoofdstuk wijden, waarin wij alle gegevens zullen
mededeelen, die door de wetenschap zijn verzameld omtrent den inwendigen
toestand der aarde, omtrent de temperaturen in mijnen, tunnels, warme
bronnen, vulkanen, enz. enz. waargenomen. Maar de geschiedenis der aarde
houdt ons thans bezig, en wij zijn thans genaderd tot één der beslissende
overgangen in haar bestaan.
Een ieder weet, dat de drie toestanden, waarin de stof kan voorkomen, de
vaste, vloeibare en gasvormige toestand, alleen het gevolg zijn van
temperatuursverschillen. Indien b.v. een blok ijs gebracht wordt tot de
temperatuur van het smeltpunt (0° Celsius), houdt het op vast te zijn en gaat
het in den vloeibaren toestand over; de moleculen zullen zich op andere wijze
schikken en zich rangschikken, zooals dit onder den invloed der zwaartekracht
de hoeveelheid stof, waaruit zij bestaat, terwijl de tijd, waarin zij is afgekoeld,
afhangt van de temperatuur van den oorspronkelijken bol, van zijn volume en
zijne oppervlakte; hierbij moet nog gevoegd worden de aard van de stoffen,
waaruit de planeet bestaat, en de aard van den dampkring; de laatste toch zal,
naarmate hij de warmtestralen meer of minder tegenhoudt, in meerdere of
mindere mate de planeet tegen afkoeling beschermen. Eene planeet koelt
natuurlijk aan de buitenoppervlakte af, en daar het volume der aarde 49 maal
grooter is dan dat der maan, maar hare oppervlakte slechts dertienmaal grooter
is, zoo is het afkoelend vermogen der maan bijna viermaal grooter dan dat der
aarde, en inderdaad is zij ook sneller dan de aarde verkoeld.
Onze planeet moet, zooals uit de wijze van haar ontstaan volgt, eene
temperatuur gehad hebben, overeenkomende met die der zon; langzamerhand
moet zij begonnen zijn af te koelen, terwijl zij zich nog steeds verdichtte;
daarop is zij van gasvormig vloeibaar geworden, en moet het tijdstip zijn
aangebroken, waarop hare oppervlakte begon vast te worden. De aarde koelde
dus van eeuw tot eeuw af van de buitenzijde naar binnen.
Is die afkoeling thans geëindigd, of is er nog inwendige warmte verborgen in
den schoot der aarde? Is zij niet van binnen ijskoud geworden, nu zij zich
eeuwen lang heeft voortbewogen in eene ruimte van 273° onder het nulpunt?
Wat is thans de inwendige temperatuur der aarde? Deze vraag is van het
hoogste gewicht, en daarom zullen wij deze in bijzonderheden bestudeeren en
daaraan een afzonderlijk hoofdstuk wijden, waarin wij alle gegevens zullen
mededeelen, die door de wetenschap zijn verzameld omtrent den inwendigen
toestand der aarde, omtrent de temperaturen in mijnen, tunnels, warme
bronnen, vulkanen, enz. enz. waargenomen. Maar de geschiedenis der aarde
houdt ons thans bezig, en wij zijn thans genaderd tot één der beslissende
overgangen in haar bestaan.
Een ieder weet, dat de drie toestanden, waarin de stof kan voorkomen, de
vaste, vloeibare en gasvormige toestand, alleen het gevolg zijn van
temperatuursverschillen. Indien b.v. een blok ijs gebracht wordt tot de
temperatuur van het smeltpunt (0° Celsius), houdt het op vast te zijn en gaat
het in den vloeibaren toestand over; de moleculen zullen zich op andere wijze
schikken en zich rangschikken, zooals dit onder den invloed der zwaartekracht
Page 42
noodzakelijk is. Wordt dit water verhit tot het kookpunt (100° Celsius) dan
gaat het in damp over. In alle drie toestanden is het water scheikundig niet
veranderd; het is nog steeds water; maar het natuurkundig voorkomen is
geheel gewijzigd; in het eerste geval is het eene vaste stof, in het tweede geval
eene vloeistof, in het derde geval een gas, dat snel onzichtbaar wordt. Zoo zal
een stuk ijzer bij 1500° smelten, een stuk zink bij 470°, terwijl het bij 1300°
gasvormig wordt.
gaat het in damp over. In alle drie toestanden is het water scheikundig niet
veranderd; het is nog steeds water; maar het natuurkundig voorkomen is
geheel gewijzigd; in het eerste geval is het eene vaste stof, in het tweede geval
eene vloeistof, in het derde geval een gas, dat snel onzichtbaar wordt. Zoo zal
een stuk ijzer bij 1500° smelten, een stuk zink bij 470°, terwijl het bij 1300°
gasvormig wordt.
Page 43
Vorming van den dampkring. Eerste verdichting van het water.
De verschillende stoffen, waaruit de aarde bestaat, zijn eerst vloeibaar en vast
geworden, toen zij voldoende waren afgekoeld. De scheikundige
verbindingen, waaruit de samengestelde lichamen gevormd zijn, konden eerst
ontstaan nadat de oorspronkelijke temperatuur aanmerkelijk was afgekoeld.
De dampen in den dampkring begonnen als regens neer te vallen. Bij 350°
De verschillende stoffen, waaruit de aarde bestaat, zijn eerst vloeibaar en vast
geworden, toen zij voldoende waren afgekoeld. De scheikundige
verbindingen, waaruit de samengestelde lichamen gevormd zijn, konden eerst
ontstaan nadat de oorspronkelijke temperatuur aanmerkelijk was afgekoeld.
De dampen in den dampkring begonnen als regens neer te vallen. Bij 350°
Page 44
begon de kwikregen, de waterregen was eerst mogelijk bij 100°. Wanneer
vielen de overige stoffen neder, zoowel de enkelvoudige als de
samengestelde? Welke waren te midden van die ongelijksoortige
bestanddeelen de scheikundige werkingen in dat uitgestrekte laboratorium,
aan den evenaar, de polen en de tusschenliggende plaatsen? Langzamerhand
werd de oppervlakte van de aarde door afkoeling vast en dik genoeg, om tot
bekken te dienen voor de wateren en vloeistoffen, die voor goed den
dampkring verlieten, om de zeeën te vormen. Deze vloeibare neerslag werkte
evenals de dampkring zelf op de brandbare of zoutvormende stoffen van het
vaste gedeelte. Door voortgezette afkoeling van de kern en door hare
inkrimping, brak de omringende korst, die om eene te nauwe kern sloot, op
verschillende tijdstippen door, welke doorbraken zeldzamer werden, nadat de
korst dikker en steviger werd.
Niet alle gasvormige bestanddeelen onzer planeet gingen gedurende die
langzame afkoeling in vloeistoffen of vaste stoffen over. Om den bol bleef een
uitgestrekt gasvormig omhulsel over, bestaande uit een mengsel van zuurstof
en stikstof. Dit is de lucht, die wij inademen. De dampkring, die zich eertijds
tot aan de maan uitstrekte (die toen trouwens niet zoo ver als thans van ons
verwijderd was), en die bezwangerd was met verbazende hoeveelheden
waterdamp, die zich later tot oceanen en zeeën verdichtten, en bovendien met
dampen en gassen van toekomstige mineralen, is van eeuw tot eeuw
veranderd en gezuiverd, en zóó hebben wij thans het voorrecht, die
doorschijnende lucht te kunnen inademen, die ons het prachtige blauw des
hemels verschaft, ons de schoonheden van het luchtperspectief doet
bewonderen, het daglicht tempert, de planten en dieren voedt, en wier sluier,
dicht genoeg om de volkomen afkoeling in den nacht en den winter te
beletten, ijl genoeg is om ons de sterren te doen zien en het heelal te doen
bestudeeren. Wij geven er ons niet voldoende rekenschap van, dat indien de
dampkring slechts weinig anders ware, wij door eenen eeuwigdurenden nevel
zouden omgeven zijn, en dat zulk een ondoorschijnend omhulsel van enkele
kilometers voldoende zoude zijn, om ons van het overige deel van het heelal
af te zonderen.
De oppervlakte der aarde moet toen vuurrood geweest zijn. De atmosfeer van
dampen, die op haar drukte, was de zetel van uitwasemingen, van opstijgende
stroomen, van diluviaansche regens en nieuwe verdampingen, die eeuwen
vielen de overige stoffen neder, zoowel de enkelvoudige als de
samengestelde? Welke waren te midden van die ongelijksoortige
bestanddeelen de scheikundige werkingen in dat uitgestrekte laboratorium,
aan den evenaar, de polen en de tusschenliggende plaatsen? Langzamerhand
werd de oppervlakte van de aarde door afkoeling vast en dik genoeg, om tot
bekken te dienen voor de wateren en vloeistoffen, die voor goed den
dampkring verlieten, om de zeeën te vormen. Deze vloeibare neerslag werkte
evenals de dampkring zelf op de brandbare of zoutvormende stoffen van het
vaste gedeelte. Door voortgezette afkoeling van de kern en door hare
inkrimping, brak de omringende korst, die om eene te nauwe kern sloot, op
verschillende tijdstippen door, welke doorbraken zeldzamer werden, nadat de
korst dikker en steviger werd.
Niet alle gasvormige bestanddeelen onzer planeet gingen gedurende die
langzame afkoeling in vloeistoffen of vaste stoffen over. Om den bol bleef een
uitgestrekt gasvormig omhulsel over, bestaande uit een mengsel van zuurstof
en stikstof. Dit is de lucht, die wij inademen. De dampkring, die zich eertijds
tot aan de maan uitstrekte (die toen trouwens niet zoo ver als thans van ons
verwijderd was), en die bezwangerd was met verbazende hoeveelheden
waterdamp, die zich later tot oceanen en zeeën verdichtten, en bovendien met
dampen en gassen van toekomstige mineralen, is van eeuw tot eeuw
veranderd en gezuiverd, en zóó hebben wij thans het voorrecht, die
doorschijnende lucht te kunnen inademen, die ons het prachtige blauw des
hemels verschaft, ons de schoonheden van het luchtperspectief doet
bewonderen, het daglicht tempert, de planten en dieren voedt, en wier sluier,
dicht genoeg om de volkomen afkoeling in den nacht en den winter te
beletten, ijl genoeg is om ons de sterren te doen zien en het heelal te doen
bestudeeren. Wij geven er ons niet voldoende rekenschap van, dat indien de
dampkring slechts weinig anders ware, wij door eenen eeuwigdurenden nevel
zouden omgeven zijn, en dat zulk een ondoorschijnend omhulsel van enkele
kilometers voldoende zoude zijn, om ons van het overige deel van het heelal
af te zonderen.
De oppervlakte der aarde moet toen vuurrood geweest zijn. De atmosfeer van
dampen, die op haar drukte, was de zetel van uitwasemingen, van opstijgende
stroomen, van diluviaansche regens en nieuwe verdampingen, die eeuwen
Page 45
lang van onze aarde eene reusachtige scheikundige werkplaats maakten, waar
alle elementen oorspronkelijk door elkander gemengd waren. De ontzaglijke
electrische ontladingen, die het gevolg waren van die omzettingen van warmte
en beweging, vervulden den dampkring met hare bliksemschichten en
donderslagen. Misschien was in dien tijd de maan bewoond, misschien zijn
hare bewoners zelfs getuigen geweest van die titanische worsteling der
elementen, die met elkander wedijverden om de heerschappij over eene
nieuwe wereld te veroveren.
Maar de maan, dichter bij de aarde gelegen dan thans, veroorzaakte door hare
machtige aantrekking verbazende getijden, die hooger waren, naarmate, bij
afwezigheid van vast land, de vloeibare of weeke bodem geheel
gehoorzaamde aan den gezamenlijken invloed van zon en maan. De
ontzaglijke vloedgolf liep van het westen naar het oosten om de geheele aarde,
terwijl de zware dampkring zelf nog geweldiger getijden ondervond. Het was
nog geen wereld, maar een oceaan van vuur, vlammen, rook, dampen, stormen
en onweders.
Doch door zich voort te bewegen in de ijskoude ruimte, koelde de planeet zelf
langzamerhand af. De dag brak aan, waarop de oppervlakte van dien
vloeibaren en nog brandenden bol begon vast te worden; dit geschiedde het
eerst aan de polen, waar de getijden het minst heftig waren en het spoedigst
ophielden, waar de dagelijksche beweging en de middelpuntvliedende kracht,
die daarvan het uitvloeisel is, het zwakst zijn, waar dus eene betrekkelijke
kalmte de natuur in staat stelde, te herademen. De polen hadden toen dezelfde
temperatuur als de evenaar. De warmte der aarde overtrof verre die, welke zij
van de zon verkreeg; zij bedroeg eenige honderden graden, en was voor alle
deelen der aarde dezelfde. Er waren toen noch klimaten, noch jaargetijden,
hoewel de stand der aarde met betrekking tot de zon en hare helling niet veel
verschilden met die van onze dagen. Maar de oven kookte in zijne eigen
warmte.
De eerste vaste lagen, die in de poolstreken ontstonden, konden reeds eenigen
tijd duren. Maar die, welke in de andere streken der aarde gevormd werden,
en vooral die in de tropen en aan den evenaar, werden langen tijd door de
getijden opgeheven en verbroken. Zij vormden slakken, op de vuurzee
drijvende, die beurtelings afnamen, smolten en weder gevormd werden. Toch
alle elementen oorspronkelijk door elkander gemengd waren. De ontzaglijke
electrische ontladingen, die het gevolg waren van die omzettingen van warmte
en beweging, vervulden den dampkring met hare bliksemschichten en
donderslagen. Misschien was in dien tijd de maan bewoond, misschien zijn
hare bewoners zelfs getuigen geweest van die titanische worsteling der
elementen, die met elkander wedijverden om de heerschappij over eene
nieuwe wereld te veroveren.
Maar de maan, dichter bij de aarde gelegen dan thans, veroorzaakte door hare
machtige aantrekking verbazende getijden, die hooger waren, naarmate, bij
afwezigheid van vast land, de vloeibare of weeke bodem geheel
gehoorzaamde aan den gezamenlijken invloed van zon en maan. De
ontzaglijke vloedgolf liep van het westen naar het oosten om de geheele aarde,
terwijl de zware dampkring zelf nog geweldiger getijden ondervond. Het was
nog geen wereld, maar een oceaan van vuur, vlammen, rook, dampen, stormen
en onweders.
Doch door zich voort te bewegen in de ijskoude ruimte, koelde de planeet zelf
langzamerhand af. De dag brak aan, waarop de oppervlakte van dien
vloeibaren en nog brandenden bol begon vast te worden; dit geschiedde het
eerst aan de polen, waar de getijden het minst heftig waren en het spoedigst
ophielden, waar de dagelijksche beweging en de middelpuntvliedende kracht,
die daarvan het uitvloeisel is, het zwakst zijn, waar dus eene betrekkelijke
kalmte de natuur in staat stelde, te herademen. De polen hadden toen dezelfde
temperatuur als de evenaar. De warmte der aarde overtrof verre die, welke zij
van de zon verkreeg; zij bedroeg eenige honderden graden, en was voor alle
deelen der aarde dezelfde. Er waren toen noch klimaten, noch jaargetijden,
hoewel de stand der aarde met betrekking tot de zon en hare helling niet veel
verschilden met die van onze dagen. Maar de oven kookte in zijne eigen
warmte.
De eerste vaste lagen, die in de poolstreken ontstonden, konden reeds eenigen
tijd duren. Maar die, welke in de andere streken der aarde gevormd werden,
en vooral die in de tropen en aan den evenaar, werden langen tijd door de
getijden opgeheven en verbroken. Zij vormden slakken, op de vuurzee
drijvende, die beurtelings afnamen, smolten en weder gevormd werden. Toch
Page 46
werd de oppervlakte tot op eene bepaalde diepte brijachtig; zij was niet meer
vloeibaar als water, maar kreeg eene zekere vastheid, zooals pek of zooals het
ijzer, dat uit den oven komt. Na verloop van eeuwen namen die drijvende
slakken in aantal toe, groeiden zij aan elkander, namen zij in uitgebreidheid
toe en werd de eerste vaste bodem gevormd.
Doch niet voor langen tijd. Nauwelijks gevormd, werd de bodem weder
verbroken en gescheurd door de dampen en gassen, die zich in den
inwendigen oven ontwikkelden, terwijl de getijden den bodem onder de
oppervlakte in golvende beweging brachten. Hoe zoude die eerste korst
weerstand hebben kunnen bieden aan de golven van die vuurzee? Wie kan
zich eene voorstelling maken van de vreeselijke verwoestingen,
overstroomingen en beroeringen in die eerste tijden? In den vurigen
hellegloed bestreden elkander reusachtige titanen, tot waanzin gedreven door
den gloeienden dampkring.
De vloeibare stroomen, die zich eenen uitweg baanden door de eerste breuken
in de oorspronkelijke korst en daarbuiten vast werden, waren stroomen van
graniet. Zoo ontstonden de eerste bergen.
vloeibaar als water, maar kreeg eene zekere vastheid, zooals pek of zooals het
ijzer, dat uit den oven komt. Na verloop van eeuwen namen die drijvende
slakken in aantal toe, groeiden zij aan elkander, namen zij in uitgebreidheid
toe en werd de eerste vaste bodem gevormd.
Doch niet voor langen tijd. Nauwelijks gevormd, werd de bodem weder
verbroken en gescheurd door de dampen en gassen, die zich in den
inwendigen oven ontwikkelden, terwijl de getijden den bodem onder de
oppervlakte in golvende beweging brachten. Hoe zoude die eerste korst
weerstand hebben kunnen bieden aan de golven van die vuurzee? Wie kan
zich eene voorstelling maken van de vreeselijke verwoestingen,
overstroomingen en beroeringen in die eerste tijden? In den vurigen
hellegloed bestreden elkander reusachtige titanen, tot waanzin gedreven door
den gloeienden dampkring.
De vloeibare stroomen, die zich eenen uitweg baanden door de eerste breuken
in de oorspronkelijke korst en daarbuiten vast werden, waren stroomen van
graniet. Zoo ontstonden de eerste bergen.
Page 47
Fig. 13. De eerste opheffingen der aardkorst: het graniet.
Toen de afkoeling zóóver gevorderd was, dat water in vloeibaren toestand kon
bestaan, begonnen de dampen te verdichten en vielen de eerste waterdruppels
neder. Maar bij die temperatuur (welke door de grootere dampkringsdrukking
100° overtrof) verdampte de nauwelijks neergevallen regen weder. Er was
toen eene langdurige periode van regen van kokend water. De verdamping
bracht het water weder in dampvormigen toestand in de hoogere lagen van
den dampkring, waar de temperatuur veel lager was door uitstraling in de
ijskoude ruimte, en daar werd het weder tot wolken verdicht, om weder als
regen neder te vallen en alzoo dien eeuwigdurenden kringloop voort te zetten.
Die strijd van water en vuur duurde eeuwen en eeuwen te midden van
electrische ontladingen, stormen, donder en bliksem. Daardoor werd ook de
afkoeling verhaast. Zóó brak de dag aan, waarop eene waterlaag van
verscheidene kilometers dikte zich over de geheele aardoppervlakte uitstrekte,
nadat het grootste gedeelte der dampen verdicht was.
Toen de afkoeling zóóver gevorderd was, dat water in vloeibaren toestand kon
bestaan, begonnen de dampen te verdichten en vielen de eerste waterdruppels
neder. Maar bij die temperatuur (welke door de grootere dampkringsdrukking
100° overtrof) verdampte de nauwelijks neergevallen regen weder. Er was
toen eene langdurige periode van regen van kokend water. De verdamping
bracht het water weder in dampvormigen toestand in de hoogere lagen van
den dampkring, waar de temperatuur veel lager was door uitstraling in de
ijskoude ruimte, en daar werd het weder tot wolken verdicht, om weder als
regen neder te vallen en alzoo dien eeuwigdurenden kringloop voort te zetten.
Die strijd van water en vuur duurde eeuwen en eeuwen te midden van
electrische ontladingen, stormen, donder en bliksem. Daardoor werd ook de
afkoeling verhaast. Zóó brak de dag aan, waarop eene waterlaag van
verscheidene kilometers dikte zich over de geheele aardoppervlakte uitstrekte,
nadat het grootste gedeelte der dampen verdicht was.
Page 48
De eerste vaste aardkorst, die den bodem der eerste wereldzee vormde, en die
door hare opheffingen het aanzijn schonk aan de eerste eilanden en de eerste
bergen, bestond uit graniet. Dit gesteente heeft zijnen naam ontleend aan zijne
korrelige structuur (van het Italiaansche grano, korrel). Het bestaat uit
veldspaat, kwarts en glimmer. Het water, zoowel koud als warm, en het
koolzuur der lucht, ontleden gemakkelijk het veldspaat, dat uit een kiezelzuur
zout bestaat, waarin aluminium, kalium en natrium voorkomen. Die
kiezelzure zouten verweren gemakkelijk onder den scheikundigen en
mechanischen invloed van het in beweging zijnde water, en zoo werd de
bodem der zee bedekt met zand en klei, dat zich in oorspronkelijk horizontale
lagen uitstrekte. Het graniet en het gneiss, de oorspronkelijke gesteenten,
werden dus op deze wijze voor het eerst gewijzigd.
De invloed der warmte op die eerste lagen is duidelijk zichtbaar. De zoo
afgezette klei kreeg onder den invloed der warmte eene bladerige structuur, en
bestond toen uit gemakkelijk te scheiden horizontale lagen, evenals de
leisteen. Die eerste afzettingen liggen onmiddellijk boven de terreinen van
vulkanischen oorsprong. In die eerste periode van haar bestaan was onze
aarde overal bedekt met eene laag lauw en modderig water, waarin zich die
producten der verwering van het graniet neerzetten. De eerste opheffingen
deden het graniet als eenzame eilanden boven den waterspiegel uitsteken,
terwijl dit graniet verweerde onder den invloed van regen, wind en onweder.
Die oorspronkelijke bodem, dien men onder alle geologische lagen vindt,
bestaat gewoonlijk uit vier op elkander liggende lagen: geheel beneden het
graniet; daarboven gneiss, dat slechts eene wijziging van het graniet is, waarin
glimmer de overhand heeft; daarna het micaschiefer; en daarboven eene
opeenvolging van lagen. In die lagen heeft men nooit eenige versteening, of
schelp of plant gevonden. Het leven bestond nog niet op de oppervlakte der
aarde.
Door de spleten en de scheuren, die in deze periode gevormd zijn, hebben zich
metalen, onder den invloed der inwendige warmte gesmolten, in dikkere of
dunnere lagen eenen weg gebaand. Men vindt daarin ijzer, goud, zilver, koper,
tin en edelgesteenten, zooals granaat en robijn. Waarschijnlijk bevinden zich
onder het graniet in het inwendige der aarde onmetelijke hoeveelheden ijzer
en zeer dichte metalen.
door hare opheffingen het aanzijn schonk aan de eerste eilanden en de eerste
bergen, bestond uit graniet. Dit gesteente heeft zijnen naam ontleend aan zijne
korrelige structuur (van het Italiaansche grano, korrel). Het bestaat uit
veldspaat, kwarts en glimmer. Het water, zoowel koud als warm, en het
koolzuur der lucht, ontleden gemakkelijk het veldspaat, dat uit een kiezelzuur
zout bestaat, waarin aluminium, kalium en natrium voorkomen. Die
kiezelzure zouten verweren gemakkelijk onder den scheikundigen en
mechanischen invloed van het in beweging zijnde water, en zoo werd de
bodem der zee bedekt met zand en klei, dat zich in oorspronkelijk horizontale
lagen uitstrekte. Het graniet en het gneiss, de oorspronkelijke gesteenten,
werden dus op deze wijze voor het eerst gewijzigd.
De invloed der warmte op die eerste lagen is duidelijk zichtbaar. De zoo
afgezette klei kreeg onder den invloed der warmte eene bladerige structuur, en
bestond toen uit gemakkelijk te scheiden horizontale lagen, evenals de
leisteen. Die eerste afzettingen liggen onmiddellijk boven de terreinen van
vulkanischen oorsprong. In die eerste periode van haar bestaan was onze
aarde overal bedekt met eene laag lauw en modderig water, waarin zich die
producten der verwering van het graniet neerzetten. De eerste opheffingen
deden het graniet als eenzame eilanden boven den waterspiegel uitsteken,
terwijl dit graniet verweerde onder den invloed van regen, wind en onweder.
Die oorspronkelijke bodem, dien men onder alle geologische lagen vindt,
bestaat gewoonlijk uit vier op elkander liggende lagen: geheel beneden het
graniet; daarboven gneiss, dat slechts eene wijziging van het graniet is, waarin
glimmer de overhand heeft; daarna het micaschiefer; en daarboven eene
opeenvolging van lagen. In die lagen heeft men nooit eenige versteening, of
schelp of plant gevonden. Het leven bestond nog niet op de oppervlakte der
aarde.
Door de spleten en de scheuren, die in deze periode gevormd zijn, hebben zich
metalen, onder den invloed der inwendige warmte gesmolten, in dikkere of
dunnere lagen eenen weg gebaand. Men vindt daarin ijzer, goud, zilver, koper,
tin en edelgesteenten, zooals granaat en robijn. Waarschijnlijk bevinden zich
onder het graniet in het inwendige der aarde onmetelijke hoeveelheden ijzer
en zeer dichte metalen.
Page 49
De onderste lagen, die onmiddellijk op het graniet rusten, zijn blauw, en die
welke zich later op de eerste afzetten, zijn groen (leisteen). Die lagen hebben
zich natuurlijk horizontaal op den bodem der wateren afgezet. Als men
hellende lagen vindt, dan moeten zij òf door onderaardsche krachten
opgeheven zijn, òf wel zij zijn door haar eigen gewicht neergestort, toen zich
door afkoeling en samentrekking ledige ruimten in het inwendige der aarde
gevormd hadden. Zoo dikwijls men bij het doen boren van eene rij hellende
lagen op het graniet komt, is men even zeker, de oppervlakte van dat laatste
gesteente in dezelfde richting hellend te vinden, als men uit het feit, dat alle
meubels eener kamer hellen, het besluit mag trekken, dat de vloer in dezelfde
richting helt. Ja zelfs, de lagen, die men boven het graniet van eenen berg
vindt, duiden het tijdperk zijner opheffing aan. Indien men bij voorbeeld
alleen blauwe lagen vindt zonder het groene leisteen, dan is dit een bewijs, dat
de opheffing van het graniet heeft plaats gevonden onmiddellijk na de eerste
bezinking en vóór de tweede. Indien zich leisteenlagen boven de blauwe lagen
bevinden, dan heeft de opheffing later plaats gehad. Het onderzoek der Alpen
en der Pyrenëen bewijst, dat die bergen verscheidene rijzingen en dalingen
hebben ondergaan. Somtijds zijn het niet de vorige lagen, die met het graniet
in aanraking zijn, maar bezinksels van veel latere dagteekening. Indien een
granieteiland zich uit de oorspronkelijke zee heeft opgeheven vóór de
vorming der lagen, waarover wij gesproken hebben, en het daarna weder
gezonken is (die afwisselende bewegingen zijn in den Griekschen Archipel en
in Italië niet zeldzaam), dan is het granieteiland alleen bedekt met bezinksels
van lateren tijd.
welke zich later op de eerste afzetten, zijn groen (leisteen). Die lagen hebben
zich natuurlijk horizontaal op den bodem der wateren afgezet. Als men
hellende lagen vindt, dan moeten zij òf door onderaardsche krachten
opgeheven zijn, òf wel zij zijn door haar eigen gewicht neergestort, toen zich
door afkoeling en samentrekking ledige ruimten in het inwendige der aarde
gevormd hadden. Zoo dikwijls men bij het doen boren van eene rij hellende
lagen op het graniet komt, is men even zeker, de oppervlakte van dat laatste
gesteente in dezelfde richting hellend te vinden, als men uit het feit, dat alle
meubels eener kamer hellen, het besluit mag trekken, dat de vloer in dezelfde
richting helt. Ja zelfs, de lagen, die men boven het graniet van eenen berg
vindt, duiden het tijdperk zijner opheffing aan. Indien men bij voorbeeld
alleen blauwe lagen vindt zonder het groene leisteen, dan is dit een bewijs, dat
de opheffing van het graniet heeft plaats gevonden onmiddellijk na de eerste
bezinking en vóór de tweede. Indien zich leisteenlagen boven de blauwe lagen
bevinden, dan heeft de opheffing later plaats gehad. Het onderzoek der Alpen
en der Pyrenëen bewijst, dat die bergen verscheidene rijzingen en dalingen
hebben ondergaan. Somtijds zijn het niet de vorige lagen, die met het graniet
in aanraking zijn, maar bezinksels van veel latere dagteekening. Indien een
granieteiland zich uit de oorspronkelijke zee heeft opgeheven vóór de
vorming der lagen, waarover wij gesproken hebben, en het daarna weder
gezonken is (die afwisselende bewegingen zijn in den Griekschen Archipel en
in Italië niet zeldzaam), dan is het granieteiland alleen bedekt met bezinksels
van lateren tijd.
Page 50
Fig. 14. Versteende afdrukken van regendruppels, voor millioenen jaren gevallen.
Men vindt de blauwe lagen, waarvan wij zooeven spraken, in sommige
gedeelten van Frankrijk (Finistère, Vendée); dit zijn de oudste gronden van
Europa en waarschijnlijk van de geheele aarde. Men vindt ze ook in
Cumberland in Engeland. De groene lei vindt men niet in Bretagne, maar wel
in Wales en in Noord-Amerika. Gneiss en glimmerschiefer vindt men bij
Lyon, Limoges, de Cevennes, Auvergne, Bretagne, de Vendée. Die terreinen
leveren weinig op voor den landbouwer, maar zijn daarentegen vruchtbaar
voor den mijnwerker.
De periode, wier geschiedenis wij in groote trekken geschetst hebben, strekt
zich over millioenen jaren uit. De gedenkboeken der aarde zijn kostbaar en
welsprekend. De scherpzinnige onderzoekingen der geologen hebben zelfs
versteende afdrukken van regendruppels voor den dag gebracht, zooals fig. 14
aanwijst. Die droppels waren op zand gevallen, dat tot zandsteen verhard is.
Men vindt in Chalindrey (Haute-Marne) eene steengroeve, waarin men over
Men vindt de blauwe lagen, waarvan wij zooeven spraken, in sommige
gedeelten van Frankrijk (Finistère, Vendée); dit zijn de oudste gronden van
Europa en waarschijnlijk van de geheele aarde. Men vindt ze ook in
Cumberland in Engeland. De groene lei vindt men niet in Bretagne, maar wel
in Wales en in Noord-Amerika. Gneiss en glimmerschiefer vindt men bij
Lyon, Limoges, de Cevennes, Auvergne, Bretagne, de Vendée. Die terreinen
leveren weinig op voor den landbouwer, maar zijn daarentegen vruchtbaar
voor den mijnwerker.
De periode, wier geschiedenis wij in groote trekken geschetst hebben, strekt
zich over millioenen jaren uit. De gedenkboeken der aarde zijn kostbaar en
welsprekend. De scherpzinnige onderzoekingen der geologen hebben zelfs
versteende afdrukken van regendruppels voor den dag gebracht, zooals fig. 14
aanwijst. Die droppels waren op zand gevallen, dat tot zandsteen verhard is.
Men vindt in Chalindrey (Haute-Marne) eene steengroeve, waarin men over
Page 51
eene groote oppervlakte de sporen vindt van eene golvende beweging van het
water (fig. 15). Dergelijke versteeningen zijn bij Boulogne-sur-Mer gevonden.
Fig. 15. Versteende golvingen van het water.
Gedurende al de eeuwen dier eerste periode zijn wij op eene planeet, die uit
een astronomisch en geologisch oogpunt belangrijk is, maar op eene planeet
zonder leven. Geen dier, geen plant! Slechts eene woestenij, water of rotsen.
Geen mos op die rotsen. Geen weekdier in die wateren. Is het de aarde wel?
Tevergeefs zou men de gedaante, die haar thans kenmerkt, willen terugvinden.
Noch Amerika, noch Europa, noch Azië, noch Afrika. Alleen de zee, overal de
zee met enkele granieteilanden. Een onmetelijke vloedgolf beweegt zich
tweemalen daags om de aarde. Bijna overal, bijna altijd is de lucht bedekt. De
regen valt, de donder rolt, bliksemschichten doorklieven de wolken, de wind
blaast en de storm beweegt de wateren. Maar de levenselementen zijn in
wording. In de uren van rust zou een helderziend profeet reeds in de diepte der
lauwe wateren enkele sporen van eene vruchtbare gelei ontdekken, die reeds
niet meer geheel levenloos is.
water (fig. 15). Dergelijke versteeningen zijn bij Boulogne-sur-Mer gevonden.
Fig. 15. Versteende golvingen van het water.
Gedurende al de eeuwen dier eerste periode zijn wij op eene planeet, die uit
een astronomisch en geologisch oogpunt belangrijk is, maar op eene planeet
zonder leven. Geen dier, geen plant! Slechts eene woestenij, water of rotsen.
Geen mos op die rotsen. Geen weekdier in die wateren. Is het de aarde wel?
Tevergeefs zou men de gedaante, die haar thans kenmerkt, willen terugvinden.
Noch Amerika, noch Europa, noch Azië, noch Afrika. Alleen de zee, overal de
zee met enkele granieteilanden. Een onmetelijke vloedgolf beweegt zich
tweemalen daags om de aarde. Bijna overal, bijna altijd is de lucht bedekt. De
regen valt, de donder rolt, bliksemschichten doorklieven de wolken, de wind
blaast en de storm beweegt de wateren. Maar de levenselementen zijn in
wording. In de uren van rust zou een helderziend profeet reeds in de diepte der
lauwe wateren enkele sporen van eene vruchtbare gelei ontdekken, die reeds
niet meer geheel levenloos is.
Page 52
De eerste eilanden, dor en kaal, kwamen uit de wateren te voorschijn.
Page 53
Page 54
Tweede boek.
Page 55
Het azoïsche tijdperk.
Page 56
Eerste hoofdstuk.
Page 57
Bloedverwantschap en afstamming. Begin van het
leven. De eerste organismen.
Te midden der oneindige eenzaamheid schijnt de natuur hare krachten te
verzamelen voor de schepping van het leven. Nog is er geen enkel levend
wezen op de oppervlakte der aarde: noch menschen, noch dieren, noch
planten. Overal en altijd water.
In zijnen schoot zal het leven ontkiemen. Onder de wereldzee zijn de
mineralen gestold tot eene dunne laag, die voortdurend opgeheven wordt en
weder nederdaalt onder den invloed der getijden, eene laag, beweeglijk,
veerkrachtig, van verschillende dichtheid, die reeds gedurig gespleten en
weder vast geworden is en de eerste uitbarstingen van graniet, de eerste
eilanden heeft doorgelaten. Die laag is nog steeds een drijvend vlot op de
vloeibare aarde. Maar van eeuw tot eeuw neemt hare vastheid toe. De
afkoeling doet hare dikte toenemen. De oorspronkelijke eilanden ondergaan
nu ook den invloed van dampkring, wind, regen, afwisseling van dag en
nacht, en terwijl zij langzaam verweren, doen zij op den bodem der zee de
eerste bezinksels ontstaan. De temperatuur is nog zeer hoog. Nog nauwelijks
kan men verschil in temperatuur waarnemen tusschen zomer en winter, dag en
nacht. Langzamerhand echter beginnen de jaargetijden en openbaart zich het
verschil tusschen dag en nacht. De zon is nog steeds omsluierd door den
dampkring, die met dampen, wolken en regen bezwangerd is; zij zelf is nog
niet in die periode gekomen, waarin hare schijf scherp begrensd is; nog steeds
is zij omgeven door eenen neveldampkring, die een gedeelte harer stralen
opslorpt, en daarenboven strekt zij zich waarschijnlijk uit tot voorbij de baan
van Venus, en heeft zij dus eene tweehonderd maal grootere middellijn dan
thans. Maar onmerkbaar nadert zij van eeuw tot eeuw tot den toestand van
lichtende ster, van brandpunt der planeten, van steun van het wereldstelsel. De
dampkring der aarde wordt zuiverder en in eene nog verwijderde toekomst zal
het hemelsblauw te voorschijn treden.
leven. De eerste organismen.
Te midden der oneindige eenzaamheid schijnt de natuur hare krachten te
verzamelen voor de schepping van het leven. Nog is er geen enkel levend
wezen op de oppervlakte der aarde: noch menschen, noch dieren, noch
planten. Overal en altijd water.
In zijnen schoot zal het leven ontkiemen. Onder de wereldzee zijn de
mineralen gestold tot eene dunne laag, die voortdurend opgeheven wordt en
weder nederdaalt onder den invloed der getijden, eene laag, beweeglijk,
veerkrachtig, van verschillende dichtheid, die reeds gedurig gespleten en
weder vast geworden is en de eerste uitbarstingen van graniet, de eerste
eilanden heeft doorgelaten. Die laag is nog steeds een drijvend vlot op de
vloeibare aarde. Maar van eeuw tot eeuw neemt hare vastheid toe. De
afkoeling doet hare dikte toenemen. De oorspronkelijke eilanden ondergaan
nu ook den invloed van dampkring, wind, regen, afwisseling van dag en
nacht, en terwijl zij langzaam verweren, doen zij op den bodem der zee de
eerste bezinksels ontstaan. De temperatuur is nog zeer hoog. Nog nauwelijks
kan men verschil in temperatuur waarnemen tusschen zomer en winter, dag en
nacht. Langzamerhand echter beginnen de jaargetijden en openbaart zich het
verschil tusschen dag en nacht. De zon is nog steeds omsluierd door den
dampkring, die met dampen, wolken en regen bezwangerd is; zij zelf is nog
niet in die periode gekomen, waarin hare schijf scherp begrensd is; nog steeds
is zij omgeven door eenen neveldampkring, die een gedeelte harer stralen
opslorpt, en daarenboven strekt zij zich waarschijnlijk uit tot voorbij de baan
van Venus, en heeft zij dus eene tweehonderd maal grootere middellijn dan
thans. Maar onmerkbaar nadert zij van eeuw tot eeuw tot den toestand van
lichtende ster, van brandpunt der planeten, van steun van het wereldstelsel. De
dampkring der aarde wordt zuiverder en in eene nog verwijderde toekomst zal
het hemelsblauw te voorschijn treden.
Page 58
De wereld was toen zeer verschillend van wat zij nu is. Geen menschenoog
was nog in staat haar te aanschouwen; geen wezen kon hare geheimen
doorgronden. De eilanden, uit de golven te voorschijn getreden, waren dor en
naakt: geen boom, geen struik, geen grassprietjes, geen zeemos. Grijze rotsen,
uit het water uitstekende, weerkaatsten het licht, en ontvingen de regenvlagen
en de bliksemschichten, die haar des nachts verlichtten, en die wel troffen,
maar niets konden dooden, terwijl de onmetelijke maan, die nog geene
schijngestalten had, maar haar eigen licht afgaf, op de golven hare vaalroode
stralen verspreidde.
Wat is het leven? Hoe zijn de ontelbare diersoorten en plantensoorten op de
aarde verschenen? Hoe lang bestaan zij reeds? Zijn zij aan elkander verwant
en afgeleid uit enkele oorspronkelijke vormen? Men meende vroeger, dat de
soorten alle van elkander verschilden en onveranderlijk waren, doch dit is
eene dwaling. Niet alleen is de soort geen hoofdfactor bij de inrichting van het
leven op aarde, maar zelfs kan men zeggen, dat er geene soorten bestaan. In
de natuur kent men slechts individuen; deze individuen veranderen naar
gelang van de levensvoorwaarden, waaraan zij onderworpen zijn, en die
veranderingen zetten zich van geslacht tot geslacht voort, en worden erfelijk.
Het dieren- en het plantenrijk hangt met elkander samen door hunnen
gemeenschappelijken oorsprong en vormen ieder ééne enkele éénheid. Dit is
de groote waarheid, reeds voor tweeduizend jaren door Aristoteles vermoed,
en vele eeuwen lang bestreden, totdat Lamarck haar in het begin onzer eeuw
in eenen wetenschappelijken vorm goot, terwijl zij later door Darwin, Wallace
en anderen op vaste grondslagen gevestigd werd.
Onze verdeeling van het planten- en dierenrijk is noodzakelijk voor de studie,
maar is volkomen kunstmatig en bestaat niet in de natuur zelf. Zij komt ons
slechts daarom onveranderlijk voor, omdat wij slechts één oogenblik kennen
in den onmetelijken duur der eeuwen. „Indien het menschelijke leven”, zoo
zeide reeds Lamarck, „zich slechts ééne secunde uitstrekte, dan zoude ieder
individu onzer soort, de wijzers van een uurwerk beschouwende, deze niet van
plaats zien veranderen. De waarnemingen van dertig geslachten zou nog
weinig leeren omtrent de verplaatsing dier wijzers, want deze is in eene halve
minuut nog niet noemenswaard, en indien oudere waarnemingen ons leerden,
dat die wijzer werkelijk van plaats veranderd is, dan zouden wij het niet
was nog in staat haar te aanschouwen; geen wezen kon hare geheimen
doorgronden. De eilanden, uit de golven te voorschijn getreden, waren dor en
naakt: geen boom, geen struik, geen grassprietjes, geen zeemos. Grijze rotsen,
uit het water uitstekende, weerkaatsten het licht, en ontvingen de regenvlagen
en de bliksemschichten, die haar des nachts verlichtten, en die wel troffen,
maar niets konden dooden, terwijl de onmetelijke maan, die nog geene
schijngestalten had, maar haar eigen licht afgaf, op de golven hare vaalroode
stralen verspreidde.
Wat is het leven? Hoe zijn de ontelbare diersoorten en plantensoorten op de
aarde verschenen? Hoe lang bestaan zij reeds? Zijn zij aan elkander verwant
en afgeleid uit enkele oorspronkelijke vormen? Men meende vroeger, dat de
soorten alle van elkander verschilden en onveranderlijk waren, doch dit is
eene dwaling. Niet alleen is de soort geen hoofdfactor bij de inrichting van het
leven op aarde, maar zelfs kan men zeggen, dat er geene soorten bestaan. In
de natuur kent men slechts individuen; deze individuen veranderen naar
gelang van de levensvoorwaarden, waaraan zij onderworpen zijn, en die
veranderingen zetten zich van geslacht tot geslacht voort, en worden erfelijk.
Het dieren- en het plantenrijk hangt met elkander samen door hunnen
gemeenschappelijken oorsprong en vormen ieder ééne enkele éénheid. Dit is
de groote waarheid, reeds voor tweeduizend jaren door Aristoteles vermoed,
en vele eeuwen lang bestreden, totdat Lamarck haar in het begin onzer eeuw
in eenen wetenschappelijken vorm goot, terwijl zij later door Darwin, Wallace
en anderen op vaste grondslagen gevestigd werd.
Onze verdeeling van het planten- en dierenrijk is noodzakelijk voor de studie,
maar is volkomen kunstmatig en bestaat niet in de natuur zelf. Zij komt ons
slechts daarom onveranderlijk voor, omdat wij slechts één oogenblik kennen
in den onmetelijken duur der eeuwen. „Indien het menschelijke leven”, zoo
zeide reeds Lamarck, „zich slechts ééne secunde uitstrekte, dan zoude ieder
individu onzer soort, de wijzers van een uurwerk beschouwende, deze niet van
plaats zien veranderen. De waarnemingen van dertig geslachten zou nog
weinig leeren omtrent de verplaatsing dier wijzers, want deze is in eene halve
minuut nog niet noemenswaard, en indien oudere waarnemingen ons leerden,
dat die wijzer werkelijk van plaats veranderd is, dan zouden wij het niet
Page 59
gelooven en aan eene vergissing denken, daar ieder die wijzers steeds op
dezelfde plaats van de wijzerplaat gezien heeft.”
Als wij met een oppervlakkig oog de zoo ongelijksoortige levens beschouwen,
die onze planeet bewonen, dan schijnt het alsof zij elkander en ons volkomen
vreemd zijn. Indien wij de voorwereldlijke dieren beschouwen, die den
mensen zijn voorafgegaan en die thans uit hunne graven verrijzen, schijnen zij
ons monsters toe; en toch zijn zij aan ons verbonden door banden, die in
onzen tijd hoe langer zoo meer aan het licht komen, nu men den invloed weet,
door de omgeving uitgeoefend op den vorm en den bouw der wezens. De
invloed van het water, de lucht, het licht en de warmte op de bewerktuiging
der dieren en planten, is niet te loochenen. Doch indien de omgeving de
ontwikkeling van bepaalde organen bepaalt, die in volume toenemen door
aanhoudend gebruik, en van geslacht tot geslacht steeds volmaakter worden,
niet minder waar is het, dat diezelfde organen in volume afnemen, wegsterven
of geheel verdwijnen, indien door wijziging der omstandigheden het orgaan
niet meer gebruikt wordt.
dezelfde plaats van de wijzerplaat gezien heeft.”
Als wij met een oppervlakkig oog de zoo ongelijksoortige levens beschouwen,
die onze planeet bewonen, dan schijnt het alsof zij elkander en ons volkomen
vreemd zijn. Indien wij de voorwereldlijke dieren beschouwen, die den
mensen zijn voorafgegaan en die thans uit hunne graven verrijzen, schijnen zij
ons monsters toe; en toch zijn zij aan ons verbonden door banden, die in
onzen tijd hoe langer zoo meer aan het licht komen, nu men den invloed weet,
door de omgeving uitgeoefend op den vorm en den bouw der wezens. De
invloed van het water, de lucht, het licht en de warmte op de bewerktuiging
der dieren en planten, is niet te loochenen. Doch indien de omgeving de
ontwikkeling van bepaalde organen bepaalt, die in volume toenemen door
aanhoudend gebruik, en van geslacht tot geslacht steeds volmaakter worden,
niet minder waar is het, dat diezelfde organen in volume afnemen, wegsterven
of geheel verdwijnen, indien door wijziging der omstandigheden het orgaan
niet meer gebruikt wordt.
Page 60
Geleidelijke ontwikkeling der planten- en dierenwereld op aarde.
De plantkundigen hadden reeds vóór de zoölogen het groote gewicht dier
rudimentaire organen begrepen. Reeds de Candolle wijdde in zijne
elementaire theorie der plantkunde een afzonderlijk hoofdstuk aan de
mislukking der organen. De dorens der boomen en heesters zijn mislukte
takken. Onder den invloed van eenen slechten bodem, van droogte of van de
De plantkundigen hadden reeds vóór de zoölogen het groote gewicht dier
rudimentaire organen begrepen. Reeds de Candolle wijdde in zijne
elementaire theorie der plantkunde een afzonderlijk hoofdstuk aan de
mislukking der organen. De dorens der boomen en heesters zijn mislukte
takken. Onder den invloed van eenen slechten bodem, van droogte of van de
Page 61
nabijheid van eenen overvloed van andere planten, blijven zij kort, hard en
puntig. Breng den doornachtigen pruimeboom eener haag naar eenen tuin
over, bemest hem en kweek hem, en gij zult zien, dat de dorens langer worden
en den vorm van gebladerde takjes aannemen, terwijl er geene nieuwe dorens
meer ontstaan.
Elke jonge tak eener sering eindigt in drie knopjes; maar steeds ontwikkelen
zich de twee zijdelingsche knoppen, terwijl de middelste, die tusschen de
beide andere ingesloten is, niet aangroeit, zoodat de tak zich slechts in twee,
niet in drie takken verdeelt.
Bij de dieren komen de redenen van wegsterving veel duidelijker aan het licht
dan bij de planten, daar is het eenvoudig het gebrek aan oefening van een
orgaan, het gevolg van gewijzigde levensomstandigheden van het dier. Niets
is uit dit oogpunt leerzamer dan de invloed van het licht op het
gezichtsorgaan. Een dier, dat steeds in de duisternis verkeert, beweegt zich
niet langer met behulp van zijne oogen, maar op het gevoel; de oogen nemen
dan in grootte af, gaan dieper in de kassen liggen, worden door de huid bedekt
en eindigen met weg te sterven en te verdwijnen. Dit is erfelijk van de ouders
op hun kroost, en men ziet diersoorten die van oogen voorzien zijn zoolang zij
in het licht leven, blind worden, als zij later in de duisternis komen.
Wat wij van het oog gezegd hebben, geldt van alle organen, wat ook de aard
hunner verrichtingen wezen moge, zij worden door oefening ontwikkeld, en
gebrek aan oefening doet ze wegsterven, terwijl die wijzigingen erfelijk zijn.
Wij gebruiken gewoonlijk den linkerarm veel minder dan den rechterarm;
daardoor is de laatste dan ook zwaarder en zijne beenderen, spieren, aderen en
zenuwen zijn dan ook krachtiger dan die van den linkerarm; die verschillen
bestaan reeds bij den jonggeborene. Bij de struisvogels, dieren die te zwaar
zijn, om zich in de lucht te verheffen, zijn de pooten krachtiger en langer, de
vleugels daarentegen korter geworden; deze laatste doen alleen dienst als
zeilen, als de vogel in de richting van den wind loopt. Bij den casuaris zijn de
vleugels teruggebracht tot een onnut deel, dat onder de veeren verborgen ligt,
omdat het dier niet langer vliegt, maar loopt.
Zoo heeft men bij watervogels, zooals de vetganzen, gezien, dat de vleugels in
vinnen veranderd zijn, en omgekeerd bij de vliegende visschen, dat de
puntig. Breng den doornachtigen pruimeboom eener haag naar eenen tuin
over, bemest hem en kweek hem, en gij zult zien, dat de dorens langer worden
en den vorm van gebladerde takjes aannemen, terwijl er geene nieuwe dorens
meer ontstaan.
Elke jonge tak eener sering eindigt in drie knopjes; maar steeds ontwikkelen
zich de twee zijdelingsche knoppen, terwijl de middelste, die tusschen de
beide andere ingesloten is, niet aangroeit, zoodat de tak zich slechts in twee,
niet in drie takken verdeelt.
Bij de dieren komen de redenen van wegsterving veel duidelijker aan het licht
dan bij de planten, daar is het eenvoudig het gebrek aan oefening van een
orgaan, het gevolg van gewijzigde levensomstandigheden van het dier. Niets
is uit dit oogpunt leerzamer dan de invloed van het licht op het
gezichtsorgaan. Een dier, dat steeds in de duisternis verkeert, beweegt zich
niet langer met behulp van zijne oogen, maar op het gevoel; de oogen nemen
dan in grootte af, gaan dieper in de kassen liggen, worden door de huid bedekt
en eindigen met weg te sterven en te verdwijnen. Dit is erfelijk van de ouders
op hun kroost, en men ziet diersoorten die van oogen voorzien zijn zoolang zij
in het licht leven, blind worden, als zij later in de duisternis komen.
Wat wij van het oog gezegd hebben, geldt van alle organen, wat ook de aard
hunner verrichtingen wezen moge, zij worden door oefening ontwikkeld, en
gebrek aan oefening doet ze wegsterven, terwijl die wijzigingen erfelijk zijn.
Wij gebruiken gewoonlijk den linkerarm veel minder dan den rechterarm;
daardoor is de laatste dan ook zwaarder en zijne beenderen, spieren, aderen en
zenuwen zijn dan ook krachtiger dan die van den linkerarm; die verschillen
bestaan reeds bij den jonggeborene. Bij de struisvogels, dieren die te zwaar
zijn, om zich in de lucht te verheffen, zijn de pooten krachtiger en langer, de
vleugels daarentegen korter geworden; deze laatste doen alleen dienst als
zeilen, als de vogel in de richting van den wind loopt. Bij den casuaris zijn de
vleugels teruggebracht tot een onnut deel, dat onder de veeren verborgen ligt,
omdat het dier niet langer vliegt, maar loopt.
Zoo heeft men bij watervogels, zooals de vetganzen, gezien, dat de vleugels in
vinnen veranderd zijn, en omgekeerd bij de vliegende visschen, dat de
Page 62
borstvinnen zóó wijd zijn, dat de dieren zich eenigen tijd in de lucht in
evenwicht kunnen houden. Daarentegen ziet men bij de alen en de lampreien,
wier langwerpig lichaam zich gemakkelijk in het water beweegt, dat de borst-
en buikvinnen verdwijnen, daar de staartvinnen voor het zwemmen volkomen
voldoende zijn. Bij vele insecten bestaan de vleugels alleen bij het mannetje,
terwijl zij bij het wijfje onvolkomen of mislukt zijn.
Uit al deze feiten blijkt, waarom de zoöloog, zoo hij zich nauwkeurig wil
uitdrukken, altijd zegt: de vogels vliegen, omdat zij vleugels hebben, en niet:
de vogels hebben vleugels om te vliegen. De eerste uitdrukking drukt een
eenvoudig, duidelijk en onwederlegbaar feit uit; de tweede uitdrukking
daarentegen onderstelt eene voorbeschikking van een bepaald dier tot eene
bepaalde levenswijze. De levensomstandigheden bepalen de ontwikkeling of
het wegsterven der organen; zij zijn werkzaam of buiten werking naar gelang
van de omstandigheden en levensvoorwaarden van het dier. Eene algemeene
wet van vooruitgang, ontwikkeling, volmaking, opklimming, van verandering
der levenlooze stof in levende en denkende organismen, is gegrift in het
karakter der geheele natuur; aan die wet zijn de wezens onderworpen, hun
bestaan brengt reeds hunne wijziging en ontwikkeling mede.
Doch zetten wij ons onderzoek voort. Bij de kruipende dieren verdwijnen de
pooten. De krokodillen en de hagedissen hebben er vier; bij enkele zijn deze
zeer kort, andere hebben alleen vóór- of achterpooten, bij nog andere vindt
men alleen sporen van achterste ledematen. Bij enkele slangen vindt men
sporen van bekkenbeenderen, wat aan het begin van den staart door de
aanwezigheid van een paar hoornachtige punten merkbaar is. Lamarck
verklaart het verdwijnen der ledematen uit de gewoonte van het kruipen, die
reeds bij de hagedissen bestaat, hij merkt op, dat een lichaam, zóó uitgerekt
als dat van eene slang niet voldoend ondersteund zoude zijn door vier pooten,
welk aantal bij geen der gewervelde dieren overtroffen wordt. Eene slang
kruipt door middel van hare ribben voort. De bovenmatige verlenging van het
lichaam heeft de vermindering van één der longen te voorschijn geroepen,
terwijl de andere zich tot in den buik voortzet. Zelfs bij de zoogdieren zijn
mislukte en onnutte organen niet zeldzaam; zóó hebben de meeste zoogdieren
de drie typen van tanden, namelijk snijtanden, hoektanden en kiezen. Reeds
vroeger had men opgemerkt, dat bij de walvisch, waar de tanden vervangen
zijn door baleinen, de sporen der mislukte tanden bij de ongeboren vrucht
evenwicht kunnen houden. Daarentegen ziet men bij de alen en de lampreien,
wier langwerpig lichaam zich gemakkelijk in het water beweegt, dat de borst-
en buikvinnen verdwijnen, daar de staartvinnen voor het zwemmen volkomen
voldoende zijn. Bij vele insecten bestaan de vleugels alleen bij het mannetje,
terwijl zij bij het wijfje onvolkomen of mislukt zijn.
Uit al deze feiten blijkt, waarom de zoöloog, zoo hij zich nauwkeurig wil
uitdrukken, altijd zegt: de vogels vliegen, omdat zij vleugels hebben, en niet:
de vogels hebben vleugels om te vliegen. De eerste uitdrukking drukt een
eenvoudig, duidelijk en onwederlegbaar feit uit; de tweede uitdrukking
daarentegen onderstelt eene voorbeschikking van een bepaald dier tot eene
bepaalde levenswijze. De levensomstandigheden bepalen de ontwikkeling of
het wegsterven der organen; zij zijn werkzaam of buiten werking naar gelang
van de omstandigheden en levensvoorwaarden van het dier. Eene algemeene
wet van vooruitgang, ontwikkeling, volmaking, opklimming, van verandering
der levenlooze stof in levende en denkende organismen, is gegrift in het
karakter der geheele natuur; aan die wet zijn de wezens onderworpen, hun
bestaan brengt reeds hunne wijziging en ontwikkeling mede.
Doch zetten wij ons onderzoek voort. Bij de kruipende dieren verdwijnen de
pooten. De krokodillen en de hagedissen hebben er vier; bij enkele zijn deze
zeer kort, andere hebben alleen vóór- of achterpooten, bij nog andere vindt
men alleen sporen van achterste ledematen. Bij enkele slangen vindt men
sporen van bekkenbeenderen, wat aan het begin van den staart door de
aanwezigheid van een paar hoornachtige punten merkbaar is. Lamarck
verklaart het verdwijnen der ledematen uit de gewoonte van het kruipen, die
reeds bij de hagedissen bestaat, hij merkt op, dat een lichaam, zóó uitgerekt
als dat van eene slang niet voldoend ondersteund zoude zijn door vier pooten,
welk aantal bij geen der gewervelde dieren overtroffen wordt. Eene slang
kruipt door middel van hare ribben voort. De bovenmatige verlenging van het
lichaam heeft de vermindering van één der longen te voorschijn geroepen,
terwijl de andere zich tot in den buik voortzet. Zelfs bij de zoogdieren zijn
mislukte en onnutte organen niet zeldzaam; zóó hebben de meeste zoogdieren
de drie typen van tanden, namelijk snijtanden, hoektanden en kiezen. Reeds
vroeger had men opgemerkt, dat bij de walvisch, waar de tanden vervangen
zijn door baleinen, de sporen der mislukte tanden bij de ongeboren vrucht
Page 63
aanwezig zijn; evenzoo bij de vogels. De herkauwende dieren hebben in de
plaats van de bovenste snijtanden eenen eeltvormigen ring, maar in de
ongeboren vrucht komen de sporen dier tanden voor. De zeekoeien hebben in
het geheel geen snijtanden; daar zij zich alleen met zeeplanten voedden,
gebruikten zij ze niet, en daardoor zijn deze langzamerhand verdwenen.
Fig. 18 De axototl vóór en na hare verandering. Verandering van een waterdier, dat door kieuwen ademt,
in een kruipend dier.
De mislukte organen, die de mensch bezit, en waarvan hij dagelijks het
nuttelooze kan inzien, werden eertijds beschouwd als een bewijs voor de
eenheid van het scheppingsplan. Evenals, zoo meende men, een bouwmeester
op symmetrie gesteld, valsche ramen aanbrengt, of op de zijvleugels van een
gebouw het gronddenkbeeld van den hoofdgevel doet uitkomen, zoo ontsluiert
ons de Schepper in die organen het plan, dat hij met de schepping heeft
gevolgd. De aanwezigheid echter van die sporen van organen bij den mensch,
voor wien zij geheel nutteloos zijn, bewijst alleen, dat zijn bouw nauw
plaats van de bovenste snijtanden eenen eeltvormigen ring, maar in de
ongeboren vrucht komen de sporen dier tanden voor. De zeekoeien hebben in
het geheel geen snijtanden; daar zij zich alleen met zeeplanten voedden,
gebruikten zij ze niet, en daardoor zijn deze langzamerhand verdwenen.
Fig. 18 De axototl vóór en na hare verandering. Verandering van een waterdier, dat door kieuwen ademt,
in een kruipend dier.
De mislukte organen, die de mensch bezit, en waarvan hij dagelijks het
nuttelooze kan inzien, werden eertijds beschouwd als een bewijs voor de
eenheid van het scheppingsplan. Evenals, zoo meende men, een bouwmeester
op symmetrie gesteld, valsche ramen aanbrengt, of op de zijvleugels van een
gebouw het gronddenkbeeld van den hoofdgevel doet uitkomen, zoo ontsluiert
ons de Schepper in die organen het plan, dat hij met de schepping heeft
gevolgd. De aanwezigheid echter van die sporen van organen bij den mensch,
voor wien zij geheel nutteloos zijn, bewijst alleen, dat zijn bouw nauw
Page 64
verbonden is met dien van het dierenrijk, waarvan hij het volmaaktste
uitvloeisel is. Aan de zijden van den hals hebben wij eene niet volkomen
ontwikkelde huidspier; bij de paarden doet die spier de huid trillen, wanneer
zij de vliegen willen verjagen; bij ons maken de kleederen, bij de wilden de
huiden, of het vet, waarmede zij zich besmeren, die spier overbodig; zij is dan
ook zóó dun geworden, dat zij aan de huid niet de minste beweging geven
kan. Hetzelfde is het geval met de spieren, die de ooren van het paard, den
hond en andere dieren bewegen; ook wij bezitten ze, maar zij dienen ons tot
niets. Zoo merkt men aan den binnenhoek van ons oog eene kleine plooi op;
deze is het overblijfsel van het derde ooglid der roofvogels, waardoor zij,
zonder hunne oogen te sluiten, in de richting der zon kunnen zien.
Het is zelfs mogelijk, dat rudimentaire organen niet alleen nutteloos, maar
zelfs schadelijk zijn. De kuit wordt gevormd door krachtige spieren, die door
de Achillespees aan den hiel verbonden zijn; daarnaast bevindt zich eene
lange, dunne spier, ongeschikt tot eenigen krachtigen arbeid, de voetzoolspier.
Die spier gelijkt op eenen dunnen katoendraad vastgehecht aan een dik
kabeltouw; als zij scheurt, hetgeen geschieden kan bij het springen of iets
dergelijks, is eene langdurige rust voor de genezing noodig. Bij de kat, den
tijger, den panter, den luipaard en verwante geslachten, is die spier even sterk
als de beide overige, en stelt zij die dieren in staat, hunne verbazende
sprongen te volvoeren. Zoo bezitten de plantenetende dieren, het paard, de
koe en enkele knaagdieren een toevoegsel bij den grooten darm, dat den naam
draagt van coecum: blinde darm; dit toevoegsel hangt samen met de
plantaardige voeding dier dieren; bij den mensch, wiens voeding niet zuiver
plantaardig is, bestaat die blinde darm alleen uit een klein cilindervormig
lichaam, waarvan de opening zeer nauw is. Hij is voor de spijsvertering van
geene waarde, daar het voedsel er niet in binnen kan dringen; hij kan zelfs
gevaarlijk worden, indien een hard lichaam, zooals eene pit of eene vischgraat
er bij ongeluk in geraakt; daardoor wordt ontsteking veroorzaakt, en somtijds
doorboring van het darmkanaal, waarvan dikwijls buikvliesontsteking het
gevolg is.
uitvloeisel is. Aan de zijden van den hals hebben wij eene niet volkomen
ontwikkelde huidspier; bij de paarden doet die spier de huid trillen, wanneer
zij de vliegen willen verjagen; bij ons maken de kleederen, bij de wilden de
huiden, of het vet, waarmede zij zich besmeren, die spier overbodig; zij is dan
ook zóó dun geworden, dat zij aan de huid niet de minste beweging geven
kan. Hetzelfde is het geval met de spieren, die de ooren van het paard, den
hond en andere dieren bewegen; ook wij bezitten ze, maar zij dienen ons tot
niets. Zoo merkt men aan den binnenhoek van ons oog eene kleine plooi op;
deze is het overblijfsel van het derde ooglid der roofvogels, waardoor zij,
zonder hunne oogen te sluiten, in de richting der zon kunnen zien.
Het is zelfs mogelijk, dat rudimentaire organen niet alleen nutteloos, maar
zelfs schadelijk zijn. De kuit wordt gevormd door krachtige spieren, die door
de Achillespees aan den hiel verbonden zijn; daarnaast bevindt zich eene
lange, dunne spier, ongeschikt tot eenigen krachtigen arbeid, de voetzoolspier.
Die spier gelijkt op eenen dunnen katoendraad vastgehecht aan een dik
kabeltouw; als zij scheurt, hetgeen geschieden kan bij het springen of iets
dergelijks, is eene langdurige rust voor de genezing noodig. Bij de kat, den
tijger, den panter, den luipaard en verwante geslachten, is die spier even sterk
als de beide overige, en stelt zij die dieren in staat, hunne verbazende
sprongen te volvoeren. Zoo bezitten de plantenetende dieren, het paard, de
koe en enkele knaagdieren een toevoegsel bij den grooten darm, dat den naam
draagt van coecum: blinde darm; dit toevoegsel hangt samen met de
plantaardige voeding dier dieren; bij den mensch, wiens voeding niet zuiver
plantaardig is, bestaat die blinde darm alleen uit een klein cilindervormig
lichaam, waarvan de opening zeer nauw is. Hij is voor de spijsvertering van
geene waarde, daar het voedsel er niet in binnen kan dringen; hij kan zelfs
gevaarlijk worden, indien een hard lichaam, zooals eene pit of eene vischgraat
er bij ongeluk in geraakt; daardoor wordt ontsteking veroorzaakt, en somtijds
doorboring van het darmkanaal, waarvan dikwijls buikvliesontsteking het
gevolg is.
Page 65
Deze monsters zijn door nauwe banden aan ons verbonden.
Deze voorbeelden zijn voldoende, om de beteekenis van afgestorven organen
aan te toonen. Bij den mensch en de hoogere zoogdieren zijn die rudimentaire
organen herinneringen aan dieren, lager op de ladder geplaatst; maar bij de
lagere gewervelde dieren zijn zij somtijds eene aanwijzing voor toekomstige
volmaking.
Deze voorbeelden zijn voldoende, om de beteekenis van afgestorven organen
aan te toonen. Bij den mensch en de hoogere zoogdieren zijn die rudimentaire
organen herinneringen aan dieren, lager op de ladder geplaatst; maar bij de
lagere gewervelde dieren zijn zij somtijds eene aanwijzing voor toekomstige
volmaking.
Page 66
In één woord, het geheele dierenrijk, zoowel het levende als het fossiele, doet
ons dezelfde verschijnselen zien, als de ontwikkeling der vrucht, die,
beginnende uit de cel, zich trapsgewijze verheft tot aan de sport, waarop de
beide wezens staan, die haar het aanzijn geschonken hebben. Diezelfde
ontwikkeling openbaart zich in de rij der dieren, waarvan de geologische
lagen ons de overblijfselen bewaard hebben. De onderste lagen bevatten
slechts ongewervelde dieren en visschen; daarop volgen de kruipende dieren,
de vogels en de zoogdieren, terwijl de mensch die opklimmende reeks sluit.
De fabelleer van alle tijden en van alle natiën heeft de voortzetting der reeks
voorzien, door engelen te scheppen, wezens volmaakter dan de mensch,
staande tusschen dezen en zijnen Schepper.
In meesterlijke bewoordingen heeft reeds Goethe hetzelfde betoogd.
Hij zegt ongeveer het volgende: „De dieren zijn gevormd naar eeuwige
wetten, en iedere vorm verbergt het oorspronkelijke type in zich. De bouw van
het dier bepaalt zijne gewoonten, en de levenswijze werkt weer terug op de
vormen.
„Aan al die organismen ligt een gemeenschappelijke oorsprong ten grondslag,
terwijl het verschil in vormen het gevolg is van de betrekking der organismen
tot de buitenwereld. Wij mogen beweren, dat de volmaaktste vormen der
organische natuur, zooals de visschen, de amphibiën, de vogels, de
zoogdieren, en boven allen de mensch, gevormd zijn naar een oorspronkelijk
type, waarvan de schijnbaar onveranderlijke deelen slechts binnen enge
grenzen veranderen, en dat die vormen zich nog dagelijks ontwikkelen en zich
bij hunne voortplanting wijzigen.
ons dezelfde verschijnselen zien, als de ontwikkeling der vrucht, die,
beginnende uit de cel, zich trapsgewijze verheft tot aan de sport, waarop de
beide wezens staan, die haar het aanzijn geschonken hebben. Diezelfde
ontwikkeling openbaart zich in de rij der dieren, waarvan de geologische
lagen ons de overblijfselen bewaard hebben. De onderste lagen bevatten
slechts ongewervelde dieren en visschen; daarop volgen de kruipende dieren,
de vogels en de zoogdieren, terwijl de mensch die opklimmende reeks sluit.
De fabelleer van alle tijden en van alle natiën heeft de voortzetting der reeks
voorzien, door engelen te scheppen, wezens volmaakter dan de mensch,
staande tusschen dezen en zijnen Schepper.
In meesterlijke bewoordingen heeft reeds Goethe hetzelfde betoogd.
Hij zegt ongeveer het volgende: „De dieren zijn gevormd naar eeuwige
wetten, en iedere vorm verbergt het oorspronkelijke type in zich. De bouw van
het dier bepaalt zijne gewoonten, en de levenswijze werkt weer terug op de
vormen.
„Aan al die organismen ligt een gemeenschappelijke oorsprong ten grondslag,
terwijl het verschil in vormen het gevolg is van de betrekking der organismen
tot de buitenwereld. Wij mogen beweren, dat de volmaaktste vormen der
organische natuur, zooals de visschen, de amphibiën, de vogels, de
zoogdieren, en boven allen de mensch, gevormd zijn naar een oorspronkelijk
type, waarvan de schijnbaar onveranderlijke deelen slechts binnen enge
grenzen veranderen, en dat die vormen zich nog dagelijks ontwikkelen en zich
bij hunne voortplanting wijzigen.
Page 67
Fig. 21.—Verandering der soorten. Het verlies der pooten.
1. De gewone hagedis.—2. Cicigna (Seps chalcydica).—3. De tweepootige
hagedis.—4. De eenvingerige hagedis.
„Indien men de planten en dieren beschouwt, die beneden op de ladder der
organismen geplaatst zijn, dan kan men ze nauwelijks van elkander
1. De gewone hagedis.—2. Cicigna (Seps chalcydica).—3. De tweepootige
hagedis.—4. De eenvingerige hagedis.
„Indien men de planten en dieren beschouwt, die beneden op de ladder der
organismen geplaatst zijn, dan kan men ze nauwelijks van elkander
Page 68
onderscheiden; wij mogen dus zeggen, dat de wezens, die oorspronkelijk zóó
nauw aan elkander verwant waren, dat zij niet van elkander onderscheiden
konden worden, langzamerhand planten en dieren geworden zijn, terwijl zij
zich in twee tegengestelde richtingen volmaakten, de eerste om te eindigen in
den onbewegelijken boom, de tweede in den mensch, die het type is van den
hoogsten graad van bewegelijkheid en vrijheid.”
Darwin heeft de leer van de langzame verandering der soorten en hare
afstamming van eenen gemeenschappelijken oorsprong uitgewerkt, en den
naam van natuurlijke teeltkeus gegeven aan de wijze, waarop de natuur
daarbij te werk gaat. In zijn „Origin of species” (de oorsprong der soorten)
heeft hij de algemeene en onwederlegbare wet van de verwantschap aller
wezens samengevat.
De verschillende vormen der wezens zijn het resultaat van uiterst langzame
wijzigingen. Het is in het groot hetzelfde, wat in het klein geschiedt met het
uiterlijk en de gewoonten van de menschen naar gelang van hunne
levenswijze en hunne bijzondere vermogens. Een denker, een geleerde, een
dichter, een kunstenaar, een ambtenaar, een koopman, een militair, een
werkman, een monnik, een losbol, een speler, een dief, een boosdoener,
dragen allen op hun gelaat en in hunne wijze van zijn, de ondubbelzinnige
uitdrukking van hunne plaats in de maatschappij. Dikwijls vindt men in de
maatschappij wezens, wier hersenen afgestorven schijnen. De denker draagt
het hoofd gewoonlijk iets voorovergebogen, als het ware iets zoekende; hij
wiens hersenkas ledig is, draagt het hoofd rechtop en neemt eene kunstmatige
houding aan, als een pauw. De werkman heeft spieren, de dichter en de
musicus zenuwen, de waarnemer oogen, en op ieders gelaat spiegelt zich de
ziel in hare openbaringen af. Laten die kleine schakeeringen zich eeuwen lang
overerven en ontwikkelen, en gij hebt een beeld van de verandering der
soorten.
Het onderzoek der versteeningen, die de verschillende lagen der geologische
terreinen karakteriseeren, toont aan, dat de bewerktuigde wezens eenvoudiger
van maaksel zijn, naarmate men dieper afdaalt en men oudere lagen vindt.
Wel is waar zijn nog niet alle vormen van versteeningen gevonden. De
opdelvingen uit de aardkorst zijn als het ware medailles uit verschillende
eeuwen; men heeft er enkele gevonden, maar er ontbreken een groot aantal.
nauw aan elkander verwant waren, dat zij niet van elkander onderscheiden
konden worden, langzamerhand planten en dieren geworden zijn, terwijl zij
zich in twee tegengestelde richtingen volmaakten, de eerste om te eindigen in
den onbewegelijken boom, de tweede in den mensch, die het type is van den
hoogsten graad van bewegelijkheid en vrijheid.”
Darwin heeft de leer van de langzame verandering der soorten en hare
afstamming van eenen gemeenschappelijken oorsprong uitgewerkt, en den
naam van natuurlijke teeltkeus gegeven aan de wijze, waarop de natuur
daarbij te werk gaat. In zijn „Origin of species” (de oorsprong der soorten)
heeft hij de algemeene en onwederlegbare wet van de verwantschap aller
wezens samengevat.
De verschillende vormen der wezens zijn het resultaat van uiterst langzame
wijzigingen. Het is in het groot hetzelfde, wat in het klein geschiedt met het
uiterlijk en de gewoonten van de menschen naar gelang van hunne
levenswijze en hunne bijzondere vermogens. Een denker, een geleerde, een
dichter, een kunstenaar, een ambtenaar, een koopman, een militair, een
werkman, een monnik, een losbol, een speler, een dief, een boosdoener,
dragen allen op hun gelaat en in hunne wijze van zijn, de ondubbelzinnige
uitdrukking van hunne plaats in de maatschappij. Dikwijls vindt men in de
maatschappij wezens, wier hersenen afgestorven schijnen. De denker draagt
het hoofd gewoonlijk iets voorovergebogen, als het ware iets zoekende; hij
wiens hersenkas ledig is, draagt het hoofd rechtop en neemt eene kunstmatige
houding aan, als een pauw. De werkman heeft spieren, de dichter en de
musicus zenuwen, de waarnemer oogen, en op ieders gelaat spiegelt zich de
ziel in hare openbaringen af. Laten die kleine schakeeringen zich eeuwen lang
overerven en ontwikkelen, en gij hebt een beeld van de verandering der
soorten.
Het onderzoek der versteeningen, die de verschillende lagen der geologische
terreinen karakteriseeren, toont aan, dat de bewerktuigde wezens eenvoudiger
van maaksel zijn, naarmate men dieper afdaalt en men oudere lagen vindt.
Wel is waar zijn nog niet alle vormen van versteeningen gevonden. De
opdelvingen uit de aardkorst zijn als het ware medailles uit verschillende
eeuwen; men heeft er enkele gevonden, maar er ontbreken een groot aantal.
Page 69
Toch zijn zij voldoende, om den loop der ontwikkeling weder terug te vinden,
en iedere nieuwe vinding vindt hare plaats tusschen de ledige ruimten die nog
overgebleven zijn, en dient tot verbindende schakel tusschen twee soorten, die
te ver van elkander verwijderd schenen. En indien men afdaalt tot de
oorspronkelijke lagen, dan vindt men geene versteeningen van planten of
dieren, die gelijken op thans bestaande soorten, maar wel hoogst eenvoudige
typen, laag staande op de ladder, en die als het ware slechts verzamelingen
van niet georganiseerde cellen voorstellen.
De verschillende soorten vormen eene aaneengesloten keten. Niet alleen dat
men van de ééne soort naar de andere kan overgaan, zoowel bij planten als bij
dieren, zonder ooit groote sprongen behoeven te maken, men kan ook
aanwijzen, hoe de meest volmaakte soorten verbonden zijn met de
eenvoudigste, evenals men van de uiteinden der takken van eenen
reusachtigen boom afdaalt tot de lagere takken, waaraan de andere hunnen
oorsprong ontleenen. Doch er is meer. Indien men afdaalt tot de meest
eenvoudige dieren en planten, dan ziet men, dat deze onderling niet zóó ver
van elkander liggen als de hoogere dieren van de hoogere planten verwijderd
zijn, en dat zij daarentegen zóózeer tot elkander naderen, dat men niet meer
weet, of men ze dieren of planten moet noemen. Het zijn tusschenvormen, die
noch tot het dierenrijk noch tot het plantenrijk behooren, maar zelfs tot de
delfstoffen naderen. Wij wijzen slechts op de koralen, de sponsen, en een
groot aantal zoöphyten.
Men ziet dus, hoe alles ons op de eenheid van den geslachtsboom van het
leven wijst, en op de natuurlijke schakels, die zelfs de aardwormen met den
mensch verbinden. De embryologie, die ons den mensch leert kennen, zooals
hij zich ontwikkeld heeft uit een ei, in overgangen, die overeenkomen met de
diervormen, waaruit zijne voorouders zijn voortgekomen; de vergelijkende
ontleedkunde, die aantoont, dat zijn geraamte overeenkomt met dat der
hoogere gewervelde dieren; de physiologie, die ons in de hersens de gestadige
ontwikkeling uit het ruggemerg doet kennen, en in ieder orgaan de vrucht van
de oefening van steeds aangroeiende vermogens; de natuurlijke geschiedenis
in hare volle uitgebreidheid, die ons bij planten en dieren de verandering der
organen doet zien, veroorzaakt door wijziging der omgeving, der voeding, der
ademhaling, van licht, temperatuur enz.; de paleontologie, die ons de
versteeningen leert kennen, die zich van tijdperk tot tijdperk opvolgen, van de
en iedere nieuwe vinding vindt hare plaats tusschen de ledige ruimten die nog
overgebleven zijn, en dient tot verbindende schakel tusschen twee soorten, die
te ver van elkander verwijderd schenen. En indien men afdaalt tot de
oorspronkelijke lagen, dan vindt men geene versteeningen van planten of
dieren, die gelijken op thans bestaande soorten, maar wel hoogst eenvoudige
typen, laag staande op de ladder, en die als het ware slechts verzamelingen
van niet georganiseerde cellen voorstellen.
De verschillende soorten vormen eene aaneengesloten keten. Niet alleen dat
men van de ééne soort naar de andere kan overgaan, zoowel bij planten als bij
dieren, zonder ooit groote sprongen behoeven te maken, men kan ook
aanwijzen, hoe de meest volmaakte soorten verbonden zijn met de
eenvoudigste, evenals men van de uiteinden der takken van eenen
reusachtigen boom afdaalt tot de lagere takken, waaraan de andere hunnen
oorsprong ontleenen. Doch er is meer. Indien men afdaalt tot de meest
eenvoudige dieren en planten, dan ziet men, dat deze onderling niet zóó ver
van elkander liggen als de hoogere dieren van de hoogere planten verwijderd
zijn, en dat zij daarentegen zóózeer tot elkander naderen, dat men niet meer
weet, of men ze dieren of planten moet noemen. Het zijn tusschenvormen, die
noch tot het dierenrijk noch tot het plantenrijk behooren, maar zelfs tot de
delfstoffen naderen. Wij wijzen slechts op de koralen, de sponsen, en een
groot aantal zoöphyten.
Men ziet dus, hoe alles ons op de eenheid van den geslachtsboom van het
leven wijst, en op de natuurlijke schakels, die zelfs de aardwormen met den
mensch verbinden. De embryologie, die ons den mensch leert kennen, zooals
hij zich ontwikkeld heeft uit een ei, in overgangen, die overeenkomen met de
diervormen, waaruit zijne voorouders zijn voortgekomen; de vergelijkende
ontleedkunde, die aantoont, dat zijn geraamte overeenkomt met dat der
hoogere gewervelde dieren; de physiologie, die ons in de hersens de gestadige
ontwikkeling uit het ruggemerg doet kennen, en in ieder orgaan de vrucht van
de oefening van steeds aangroeiende vermogens; de natuurlijke geschiedenis
in hare volle uitgebreidheid, die ons bij planten en dieren de verandering der
organen doet zien, veroorzaakt door wijziging der omgeving, der voeding, der
ademhaling, van licht, temperatuur enz.; de paleontologie, die ons de
versteeningen leert kennen, die zich van tijdperk tot tijdperk opvolgen, van de
Page 70
eenvoudigste tot de meer samengestelde, en eenen langzamen en
voortdurenden vooruitgang in de ontwikkeling der soorten aanwijst; de
delfstofkunde, die ons de overeenstemming doet zien tusschen de perioden en
de soorten, die toen bestonden: dat alles is voor ons het bewijs van die
grootsche eenheid, die algemeene verbroedering.
De leer van de verandering der soorten niet te willen aannemen, staat gelijk
met de oogen te sluiten voor het licht. Indien gij in onzen tijd iemand de
verwantschap tusschen mensch en aap en de overige diersoorten hoort
belachelijk maken, wees dan overtuigd, dat gij een weetniet voor u hebt, of
iemand, die ter kwader trouw is, of eenen bevooroordeelde, en neem u de
moeite niet, hem te willen overtuigen. Zoodanige personen zoeken den adel,
waar hij niet is, en wel in den achteruitgang van een min of meer volmaakt
oorspronkelijk type, in plaats van dien te erkennen, te bewonderen en te
begroeten in den Vooruitgang.
voortdurenden vooruitgang in de ontwikkeling der soorten aanwijst; de
delfstofkunde, die ons de overeenstemming doet zien tusschen de perioden en
de soorten, die toen bestonden: dat alles is voor ons het bewijs van die
grootsche eenheid, die algemeene verbroedering.
De leer van de verandering der soorten niet te willen aannemen, staat gelijk
met de oogen te sluiten voor het licht. Indien gij in onzen tijd iemand de
verwantschap tusschen mensch en aap en de overige diersoorten hoort
belachelijk maken, wees dan overtuigd, dat gij een weetniet voor u hebt, of
iemand, die ter kwader trouw is, of eenen bevooroordeelde, en neem u de
moeite niet, hem te willen overtuigen. Zoodanige personen zoeken den adel,
waar hij niet is, en wel in den achteruitgang van een min of meer volmaakt
oorspronkelijk type, in plaats van dien te erkennen, te bewonderen en te
begroeten in den Vooruitgang.
Page 71
Onder de onmetelijke zon der eerste eeuwen, overal en altijd water. Daarin
zal het leven ontkiemen.
Zoo zijn wij dan genaderd tot eene hoogstbelangrijke vraag. Wij mogen na al
het voorgaande aannemen, dat de geslachtsboomen van planten en dieren
dezelfde wortels hebben; maar gaan wij steeds verder en verder terug in de
afkomst der georganiseerde wezens, dan komen wij eindelijk tot een tijdstip,
zal het leven ontkiemen.
Zoo zijn wij dan genaderd tot eene hoogstbelangrijke vraag. Wij mogen na al
het voorgaande aannemen, dat de geslachtsboomen van planten en dieren
dezelfde wortels hebben; maar gaan wij steeds verder en verder terug in de
afkomst der georganiseerde wezens, dan komen wij eindelijk tot een tijdstip,
Page 72
waarop het leven moet begonnen zijn. Het leven kon niet bestaan, zelfs niet in
kiem, toen de aarde nog zon was, en licht gaf in de eenzame ruimte. Er
konden toen noch kiemen van planten of van dieren bestaan, noch moleculen
organische stof. Zelfs konden er toen geene scheikundige verbindingen
gevormd worden. Vóórdat onze planeet zon was, was zij in gasvormigen
toestand en maakte zij deel uit van de zonnenevelvlek. Nog verder
teruggaande, komen wij tot een tijdstip, waarop de stof, waaruit de aarde later
zou bestaan, zóózeer verdund was, dat het meest volkomen luchtledig van
onze luchtpompen in vergelijking daarmede als lood zoude zijn. In die
omstandigheden is het onmogelijk, zich kiemen van het leven voor te stellen,
tenzij men aanneme, dat de oorspronkelijke kiemen van het leven bijzondere,
levende atomen zijn. Men neemt in de scheikunde aan, dat de atomen niet
vernietigd kunnen worden. Is dit zoo, dan mag men evenzeer aannemen, dat
zij eeuwig bestaan hebben. Indien de oorsprong van het leven gelegen is in de
eigenschap van het levende atoom, om andere atomen aan te trekken en
daaruit organische moleculen te vormen, dan zou de eerste organische cel
gevormd zijn, zoodra de voorwaarden voor die vorming aanwezig waren.
Maar deze onderstelling is zeer onwaarschijnlijk. Hoogst waarschijnlijk
bestaan er geene atomen waterstof, zuurstof, koolstof, ijzer, maar alleen
moleculen dier lichamen, d.w.z. bepaalde groepeeringen van oorspronkelijke
atomen, die zelf noch waterstof, noch zuurstof, noch ijzer zijn. De lichamen,
in de scheikunde enkelvoudig genoemd, zijn waarschijnlijk samengesteld uit
groepen van grondatomen. Is dit waar, dan zoude er slechts ééne soort van
oorspronkelijke atomen bestaan.
De oorspronkelijke kosmische stof moet bestaan uit gelijkslachtige atomen.
De lichamen, die wij enkelvoudig noemen, moeten bestaan uit groepen van
atomen, uit moleculen, die onderling verschillen in volume, vorm en gewicht.
Eene molecule waterstof weegt 8 maal minder dan eene molecule zuurstof, 14
maal minder dan stikstof, 100 maal minder dan kwik. Maar dit zijn
waarschijnlijk moleculen en geen atomen, en hun verschil in eigenschappen
komt voort uit verschil in atomistischen bouw. Die moleculen vormen weder
deeltjes van lichamen, die vroeger als enkelvoudig beschouwd werden en
waarvan men thans weet, dat zij samengesteld zijn. Twee volumina waterstof,
verbonden met één volume waterstof, vormen water, 21 deelen zuurstof,
vermengd met 79 deelen stikstof, vormen de lucht. Alle lichamen, die ons
kiem, toen de aarde nog zon was, en licht gaf in de eenzame ruimte. Er
konden toen noch kiemen van planten of van dieren bestaan, noch moleculen
organische stof. Zelfs konden er toen geene scheikundige verbindingen
gevormd worden. Vóórdat onze planeet zon was, was zij in gasvormigen
toestand en maakte zij deel uit van de zonnenevelvlek. Nog verder
teruggaande, komen wij tot een tijdstip, waarop de stof, waaruit de aarde later
zou bestaan, zóózeer verdund was, dat het meest volkomen luchtledig van
onze luchtpompen in vergelijking daarmede als lood zoude zijn. In die
omstandigheden is het onmogelijk, zich kiemen van het leven voor te stellen,
tenzij men aanneme, dat de oorspronkelijke kiemen van het leven bijzondere,
levende atomen zijn. Men neemt in de scheikunde aan, dat de atomen niet
vernietigd kunnen worden. Is dit zoo, dan mag men evenzeer aannemen, dat
zij eeuwig bestaan hebben. Indien de oorsprong van het leven gelegen is in de
eigenschap van het levende atoom, om andere atomen aan te trekken en
daaruit organische moleculen te vormen, dan zou de eerste organische cel
gevormd zijn, zoodra de voorwaarden voor die vorming aanwezig waren.
Maar deze onderstelling is zeer onwaarschijnlijk. Hoogst waarschijnlijk
bestaan er geene atomen waterstof, zuurstof, koolstof, ijzer, maar alleen
moleculen dier lichamen, d.w.z. bepaalde groepeeringen van oorspronkelijke
atomen, die zelf noch waterstof, noch zuurstof, noch ijzer zijn. De lichamen,
in de scheikunde enkelvoudig genoemd, zijn waarschijnlijk samengesteld uit
groepen van grondatomen. Is dit waar, dan zoude er slechts ééne soort van
oorspronkelijke atomen bestaan.
De oorspronkelijke kosmische stof moet bestaan uit gelijkslachtige atomen.
De lichamen, die wij enkelvoudig noemen, moeten bestaan uit groepen van
atomen, uit moleculen, die onderling verschillen in volume, vorm en gewicht.
Eene molecule waterstof weegt 8 maal minder dan eene molecule zuurstof, 14
maal minder dan stikstof, 100 maal minder dan kwik. Maar dit zijn
waarschijnlijk moleculen en geen atomen, en hun verschil in eigenschappen
komt voort uit verschil in atomistischen bouw. Die moleculen vormen weder
deeltjes van lichamen, die vroeger als enkelvoudig beschouwd werden en
waarvan men thans weet, dat zij samengesteld zijn. Twee volumina waterstof,
verbonden met één volume waterstof, vormen water, 21 deelen zuurstof,
vermengd met 79 deelen stikstof, vormen de lucht. Alle lichamen, die ons
Page 73
omgeven, hetzij organisch, hetzij anorganisch, zijn samengesteld, en bestaan
uit moleculen gevormd uit de stoffen, die men in de scheikunde enkelvoudige
stoffen noemt.
Overal en altijd klimt de natuur van het enkelvoudige tot het samengestelde
op. Wij moeten dus bij ons onderzoek naar den oorsprong der dingen tot den
meest eenvoudigen toestand afdalen.
Bij den oorsprong van het zonnestelsel bestond de kosmische stof uit
gelijkslachtige atomen; de tegenwoordige toestand van het heelal is een
gevolg van de latere schikking dier atomen onderling.
Wij nemen verder aan, dat de moleculen der lichamen, die wij thans nog
enkelvoudig noemen, uit atomen bestaan, en dat de verschillen in de lichamen
het gevolg zijn van de rangschikking dier atomen tot moleculen.
Die rangschikking is niet willekeurig, maar het gevolg van de natuurkrachten,
zooals de aantrekkingskracht der stof (wat die ook wezen moge), de warmte,
het licht, de electriciteit, het magnetisme en de andere vormen van beweging
der atomen. Het is dus niet te verwonderen, dat dezelfde combinaties van
atomen voorkomen op verschillende wereldstelsels, en dat de spectraalanalyse
de aanwezigheid van ijzer, waterstof, natrium, magnesium, zuurstof en
koolstof, en van andere op aarde voorkomende elementen heeft aangewezen
op de zon, de sterren, de planeten en de kometen. De wetten der natuur zijn
overal dezelfde, al zijn ook de omstandigheden, waaronder zij optreden,
verschillend. Doch diezelfde oorspronkelijke atomen kunnen zich tot andere
soorten van moleculen verbonden hebben, die op aarde niet bestaan. Zoo wijst
ons de spectroskoop in Saturnus, in Uranus en in enkele nevelvlekken, op
lichamen, die op aarde niet voorkomen. In het zonnespectrum toonen de
strepen van het helium aan, dat er op de zon lichamen zijn, welke niet
overeenkomen met die, welke wij op aarde kennen.
De meetkundige groepeering van atomen heeft het aanzijn geschonken aan de
oorspronkelijke moleculen der organische stoffen, zooals waterstof, zuurstof,
stikstof, koolstof, ijzer, zwavel, phosphorus, arsenicum, zilver, goud, lood,
zink, enz.
uit moleculen gevormd uit de stoffen, die men in de scheikunde enkelvoudige
stoffen noemt.
Overal en altijd klimt de natuur van het enkelvoudige tot het samengestelde
op. Wij moeten dus bij ons onderzoek naar den oorsprong der dingen tot den
meest eenvoudigen toestand afdalen.
Bij den oorsprong van het zonnestelsel bestond de kosmische stof uit
gelijkslachtige atomen; de tegenwoordige toestand van het heelal is een
gevolg van de latere schikking dier atomen onderling.
Wij nemen verder aan, dat de moleculen der lichamen, die wij thans nog
enkelvoudig noemen, uit atomen bestaan, en dat de verschillen in de lichamen
het gevolg zijn van de rangschikking dier atomen tot moleculen.
Die rangschikking is niet willekeurig, maar het gevolg van de natuurkrachten,
zooals de aantrekkingskracht der stof (wat die ook wezen moge), de warmte,
het licht, de electriciteit, het magnetisme en de andere vormen van beweging
der atomen. Het is dus niet te verwonderen, dat dezelfde combinaties van
atomen voorkomen op verschillende wereldstelsels, en dat de spectraalanalyse
de aanwezigheid van ijzer, waterstof, natrium, magnesium, zuurstof en
koolstof, en van andere op aarde voorkomende elementen heeft aangewezen
op de zon, de sterren, de planeten en de kometen. De wetten der natuur zijn
overal dezelfde, al zijn ook de omstandigheden, waaronder zij optreden,
verschillend. Doch diezelfde oorspronkelijke atomen kunnen zich tot andere
soorten van moleculen verbonden hebben, die op aarde niet bestaan. Zoo wijst
ons de spectroskoop in Saturnus, in Uranus en in enkele nevelvlekken, op
lichamen, die op aarde niet voorkomen. In het zonnespectrum toonen de
strepen van het helium aan, dat er op de zon lichamen zijn, welke niet
overeenkomen met die, welke wij op aarde kennen.
De meetkundige groepeering van atomen heeft het aanzijn geschonken aan de
oorspronkelijke moleculen der organische stoffen, zooals waterstof, zuurstof,
stikstof, koolstof, ijzer, zwavel, phosphorus, arsenicum, zilver, goud, lood,
zink, enz.
Page 74
De vereeniging der moleculen, waartoe in de eerste plaats de koolstof, het
water en de lucht behooren, heeft de eerste organische stof gevormd. De
kracht, die oorspronkelijk in de beweging der elementaire atomen zuiver
mechanisch is, wordt verwantschap, physisch-chemische kracht in de
verbinding der moleculen, levenskracht in den bouw der planten- en
dierenorganismen, en later denkkracht bij de dieren en menschen. Er bestaat
ongetwijfeld slechts ééne kracht, zooals er slechts ééne soort van atomen
bestaat. Maar die kracht openbaart zich op verschillende wijzen, en die
verschillende uitingen kunnen van de ééne in de andere overgaan, zonder dat
het arbeidsvermogen der stof vernietigd wordt.
Het scheikundig onderzoek der plantaardige en dierlijke weefsels bewijst, dat
zij uit anorganische moleculen bestaan. Alle levende wezens bestaan uit
anorganische moleculen, waaronder de waterstof, de zuurstof, de koolstof en
de stikstof de overhand hebben.
Indien men nu die weefsels nauwkeuriger onderzoekt, dan blijkt het, dat zij
bestaan uit aan elkander verbonden slijmige bolletjes. Deze eiwitachtige
bolletjes, cellen genaamd, zijn mikroskopische eitjes, waarin men alles
onderscheiden kan, wat ieder ei kenmerkt: een omhulsel, eene vloeistof en
eene kern. Dit is het materiaal, waaruit alle levende wezens zijn opgebouwd,
zoowel planten als dieren. Allen (de mensch evenzeer) ontstaan nog thans uit
een mikroskopisch eitje, eene cel.
Wij worden er dus van zelf toe gebracht, aan te nemen, dat het leven op aarde
begonnen is uit elementaire cellen. Maar hoe en waaruit zijn die cellen
gevormd?
Deze vraag is van zóóveel belang, dat zij steeds allen heeft beziggehouden,
die belangstellen in de kennis der waarheid. Men heeft de oplossing dikwijls
zeer ver gezocht. Zoo heeft Sir William Thomson de onderstelling geuit, dat
de eerste kiemen van het leven op onze planeet konden gebracht zijn door de
vallende sterren en de meteoren. De stelling is zeer oorspronkelijk doch niet
waarschijnlijk, hoewel het niet onmogelijk is, dat een stuk van eene doode
planeet uit den hemel valt en ons eene nog niet onvruchtbaar geworden kiem
brengt. Maar de voorwaarden van bewoonbaarheid der verschillende werelden
verschillen onderling zoozeer, dat zelfs indien zoo iets plaats vond, het nog
water en de lucht behooren, heeft de eerste organische stof gevormd. De
kracht, die oorspronkelijk in de beweging der elementaire atomen zuiver
mechanisch is, wordt verwantschap, physisch-chemische kracht in de
verbinding der moleculen, levenskracht in den bouw der planten- en
dierenorganismen, en later denkkracht bij de dieren en menschen. Er bestaat
ongetwijfeld slechts ééne kracht, zooals er slechts ééne soort van atomen
bestaat. Maar die kracht openbaart zich op verschillende wijzen, en die
verschillende uitingen kunnen van de ééne in de andere overgaan, zonder dat
het arbeidsvermogen der stof vernietigd wordt.
Het scheikundig onderzoek der plantaardige en dierlijke weefsels bewijst, dat
zij uit anorganische moleculen bestaan. Alle levende wezens bestaan uit
anorganische moleculen, waaronder de waterstof, de zuurstof, de koolstof en
de stikstof de overhand hebben.
Indien men nu die weefsels nauwkeuriger onderzoekt, dan blijkt het, dat zij
bestaan uit aan elkander verbonden slijmige bolletjes. Deze eiwitachtige
bolletjes, cellen genaamd, zijn mikroskopische eitjes, waarin men alles
onderscheiden kan, wat ieder ei kenmerkt: een omhulsel, eene vloeistof en
eene kern. Dit is het materiaal, waaruit alle levende wezens zijn opgebouwd,
zoowel planten als dieren. Allen (de mensch evenzeer) ontstaan nog thans uit
een mikroskopisch eitje, eene cel.
Wij worden er dus van zelf toe gebracht, aan te nemen, dat het leven op aarde
begonnen is uit elementaire cellen. Maar hoe en waaruit zijn die cellen
gevormd?
Deze vraag is van zóóveel belang, dat zij steeds allen heeft beziggehouden,
die belangstellen in de kennis der waarheid. Men heeft de oplossing dikwijls
zeer ver gezocht. Zoo heeft Sir William Thomson de onderstelling geuit, dat
de eerste kiemen van het leven op onze planeet konden gebracht zijn door de
vallende sterren en de meteoren. De stelling is zeer oorspronkelijk doch niet
waarschijnlijk, hoewel het niet onmogelijk is, dat een stuk van eene doode
planeet uit den hemel valt en ons eene nog niet onvruchtbaar geworden kiem
brengt. Maar de voorwaarden van bewoonbaarheid der verschillende werelden
verschillen onderling zoozeer, dat zelfs indien zoo iets plaats vond, het nog
Page 75
niet gezegd is, dat de plek in zee of op het vaste land, waar een zoodanige
steen zou neerkomen, daarom geschikt zou zijn, om de bovenaardsche kiem te
doen ontkiemen. Doch eene zoodanige onderstelling verplaatst bovendien
slechts de moeilijkheid. Immers indien het leven zijnen oorsprong had op eene
andere wereld, dan zou nog altijd de vraag overblijven, hoe dat leven op die
andere wereld ontstaan is, en zóó zoude men eindeloos voort kunnen gaan.
Doch komen wij op de vraag zelf terug; om haar op te lossen hebben wij de
volgende gegevens: ten eerste het onderzoek der versteeningen, tot de oudste
lagen behoorende; dan den stamboom der plant- en diersoorten, en bovendien
het onderzoek van den tegenwoordigen bouw der bewerktuigde wezens en
van de stoffen, waaruit zij gevormd zijn.
Één der merkwaardigste resultaten der moderne wetenschap is, zooals wij
zooeven opmerkten, dat er geene afzonderlijke organische stof bestaat, omdat
planten en dieren uit bekende anorganische elementen zijn samengesteld,
waarvan de belangrijkste zijn: koolstof, waterstof, zuurstof, stikstof, kalk,
kiezel, phosphorus, zwavel. Alle levende wezens, van den mensch tot de
meest eenvoudige plant, bestaan uit anorganische bouwstoffen. Wat hen van
de delfstoffen onderscheidt, is niet de samenstelling, de stof, maar de wijze
van rangschikking, die er noch vaste, noch vloeistoffen, noch gassen van
maakt, zooals bij de anorganische lichamen, maar half vaste, half vloeibare
stoffen; die bijzondere toestand is voornamelijk toe te schrijven aan het water,
dat in groote hoeveelheid in alle bewerktuigde lichamen aanwezig is, en dat
door zijne verbinding met de hoofdelementen der stof de voornaamste rol
speelt in de verklaring der verschijnselen van het leven.
Dit is een zeer belangrijk feit voor de oplossing van het groote vraagstuk. Een
tweede, niet minder belangrijk feit is, dat die wezens zich voortplanten. Maar
men moet dit vermogen kunnen verklaren, en zich niet door den schijn laten
verblinden.
Men gelooft gewoonlijk, dat alle levende wezens, menschen, dieren, planten,
tegenwoordig geboren worden uit eenen vader en eene moeder, en men ziet
daarin een onoverkomelijk bezwaar tegen de vorming van het eerste levende
wezen. Dit is eene dwaling. Alleen de hoogere wezens planten zich langs
sexueelen weg voort. De lagere wezens planten zich door deeling voort.
steen zou neerkomen, daarom geschikt zou zijn, om de bovenaardsche kiem te
doen ontkiemen. Doch eene zoodanige onderstelling verplaatst bovendien
slechts de moeilijkheid. Immers indien het leven zijnen oorsprong had op eene
andere wereld, dan zou nog altijd de vraag overblijven, hoe dat leven op die
andere wereld ontstaan is, en zóó zoude men eindeloos voort kunnen gaan.
Doch komen wij op de vraag zelf terug; om haar op te lossen hebben wij de
volgende gegevens: ten eerste het onderzoek der versteeningen, tot de oudste
lagen behoorende; dan den stamboom der plant- en diersoorten, en bovendien
het onderzoek van den tegenwoordigen bouw der bewerktuigde wezens en
van de stoffen, waaruit zij gevormd zijn.
Één der merkwaardigste resultaten der moderne wetenschap is, zooals wij
zooeven opmerkten, dat er geene afzonderlijke organische stof bestaat, omdat
planten en dieren uit bekende anorganische elementen zijn samengesteld,
waarvan de belangrijkste zijn: koolstof, waterstof, zuurstof, stikstof, kalk,
kiezel, phosphorus, zwavel. Alle levende wezens, van den mensch tot de
meest eenvoudige plant, bestaan uit anorganische bouwstoffen. Wat hen van
de delfstoffen onderscheidt, is niet de samenstelling, de stof, maar de wijze
van rangschikking, die er noch vaste, noch vloeistoffen, noch gassen van
maakt, zooals bij de anorganische lichamen, maar half vaste, half vloeibare
stoffen; die bijzondere toestand is voornamelijk toe te schrijven aan het water,
dat in groote hoeveelheid in alle bewerktuigde lichamen aanwezig is, en dat
door zijne verbinding met de hoofdelementen der stof de voornaamste rol
speelt in de verklaring der verschijnselen van het leven.
Dit is een zeer belangrijk feit voor de oplossing van het groote vraagstuk. Een
tweede, niet minder belangrijk feit is, dat die wezens zich voortplanten. Maar
men moet dit vermogen kunnen verklaren, en zich niet door den schijn laten
verblinden.
Men gelooft gewoonlijk, dat alle levende wezens, menschen, dieren, planten,
tegenwoordig geboren worden uit eenen vader en eene moeder, en men ziet
daarin een onoverkomelijk bezwaar tegen de vorming van het eerste levende
wezen. Dit is eene dwaling. Alleen de hoogere wezens planten zich langs
sexueelen weg voort. De lagere wezens planten zich door deeling voort.
Page 76
Nemen wij b. v. de moneren, de zoöphyten, de amoeben, de polypen en
andere. Wat zien wij bij een groot aantal van deze? Eenvoudig dit: het lichaam
verdeelt zich in twee gelijke helften, zoodra het door groei een zeker volume
gekregen heeft; daarna groeit ieder der twee helften aan en wordt weder een
volledig wezen. Dezelfde wijze van voortplanting ontmoet men bij sommige
gelede dieren. Dit is dan ook de gewone toedracht bij de cel, het grondlichaam
der bewerktuigde wezens. Oorspronkelijk waren er noch delfstoffen, noch
dieren, maar alleen cellen, of misschien nog minder, de moneren van Haeckel.
De moneren zijn de
eenvoudigste lichamen, die tot
nu toe zijn waargenomen. Zij
zijn in 1864 in de
Middellandsche zee ontdekt, in
de prachtige baai van
Villafranca bij Nizza, en wel
door Haeckel, hoogleeraar in de
Fig. 23. De eerste organismen, de moneren, naar Haeckel.
dierkunde aan de hoogeschool
A. Eene geheele monere. B. De eerste monere in twee te Jena; het zijn kleine
helften verdeeld door insnoering. C. De twee helften slijmachtige bolletjes, met het
hebben zich gesplitst, en vormen nu afzonderlijke bloote oog onzichtbaar of zeer
lichamen. klein, (zelden grooter dan 1
millimeter in middellijn). Zij
bestaan uit eene eiwitachtige
koolstofverbinding en zijn aan elkander verbonden als de moleculen van een
blad, men vindt ze in den vorm van kleine geleiachtige lichamen op de rotsen
en in de zee. Het is een wezen zonder organen, kop, leden, maag, hart,
zenuwstelsel of spieren. Het is stof zonder bouw, gelijkslachtig en eenvoudig,
zoowel plant als dier. Het heeft eene ongeloofelijke levensvatbaarheid, en men
heeft het gevonden tot op 8000 Meters onder de oppervlakte der zee. Het is
bolvormig en bewegelijk. Als het zich gaat bewegen, vormen zich op de
oppervlakte vingervormige uitsteeksels, die het in staat stellen zich te
verplaatsen. Het voedt zich zonder mond, zonder darmkanaal door
endosmose, evenals de planten; het voedsel, dat moet worden opgenomen,
dringt dus door aanraking binnen in het lichaam. Het plant zich voort, door
verdeeling in twee deelen, die zich door insnoering vormen, zooals men kan
waarnemen door het beschouwen der vorige figuur.
andere. Wat zien wij bij een groot aantal van deze? Eenvoudig dit: het lichaam
verdeelt zich in twee gelijke helften, zoodra het door groei een zeker volume
gekregen heeft; daarna groeit ieder der twee helften aan en wordt weder een
volledig wezen. Dezelfde wijze van voortplanting ontmoet men bij sommige
gelede dieren. Dit is dan ook de gewone toedracht bij de cel, het grondlichaam
der bewerktuigde wezens. Oorspronkelijk waren er noch delfstoffen, noch
dieren, maar alleen cellen, of misschien nog minder, de moneren van Haeckel.
De moneren zijn de
eenvoudigste lichamen, die tot
nu toe zijn waargenomen. Zij
zijn in 1864 in de
Middellandsche zee ontdekt, in
de prachtige baai van
Villafranca bij Nizza, en wel
door Haeckel, hoogleeraar in de
Fig. 23. De eerste organismen, de moneren, naar Haeckel.
dierkunde aan de hoogeschool
A. Eene geheele monere. B. De eerste monere in twee te Jena; het zijn kleine
helften verdeeld door insnoering. C. De twee helften slijmachtige bolletjes, met het
hebben zich gesplitst, en vormen nu afzonderlijke bloote oog onzichtbaar of zeer
lichamen. klein, (zelden grooter dan 1
millimeter in middellijn). Zij
bestaan uit eene eiwitachtige
koolstofverbinding en zijn aan elkander verbonden als de moleculen van een
blad, men vindt ze in den vorm van kleine geleiachtige lichamen op de rotsen
en in de zee. Het is een wezen zonder organen, kop, leden, maag, hart,
zenuwstelsel of spieren. Het is stof zonder bouw, gelijkslachtig en eenvoudig,
zoowel plant als dier. Het heeft eene ongeloofelijke levensvatbaarheid, en men
heeft het gevonden tot op 8000 Meters onder de oppervlakte der zee. Het is
bolvormig en bewegelijk. Als het zich gaat bewegen, vormen zich op de
oppervlakte vingervormige uitsteeksels, die het in staat stellen zich te
verplaatsen. Het voedt zich zonder mond, zonder darmkanaal door
endosmose, evenals de planten; het voedsel, dat moet worden opgenomen,
dringt dus door aanraking binnen in het lichaam. Het plant zich voort, door
verdeeling in twee deelen, die zich door insnoering vormen, zooals men kan
waarnemen door het beschouwen der vorige figuur.
Page 77
Deze wijze van voortplanting is niets anders dan een overmaat van groei van
het organisme, dat zijne normale grootte overtreft. De voortplanting door
deeling is eigenlijk de meest verspreide wijze van voortplanting; op deze
wijze toch planten zich de cellen voort, uit wier opeenhooping de meeste
organismen, en ook het menschelijke lichaam gevormd is. Beschouwen wij
bijvoorbeeld een eitje van een zoogdier. Het is niets dan eene enkele cel. De
buitenste omtrek is een vlies, dat de geleiachtige massa omgeeft, waarin men
eene kleine kern of een kiemblaasje opmerkt.
In het eerste tijdperk der vorming van het levende
wezen verdeelt zich dat kiemblaasje in twee kernen en
volgt de celstof, de dooier van het ei, de beweging (fig.
25, A). Zoo verdeelen de twee cellen zich weder in vier
(B), deze in acht (C), in zestien enz., en eindelijk komt
daaruit voort een bolvormige hoop, op eene framboos
gelijkend (D). Zoo begint nog thans ieder levend wezen,
ook de mensch. Fig. 24. Eitje van een
zoogdier.
Deze zelfde wijze van voortplanting kan ook bij eene
groote menigte afgietseldiertjes worden waargenomen,
zooals fig. 26 aantoont. In den tijd van eenige dagen ziet men in een glas
zeewater millioenen wezens ontstaan, langs dezen eenvoudigen weg
voortgebracht.
In nauw verband met de voortplanting door verdeeling staat de voortplanting
door knopvorming, die zeer verspreid is in het plantenrijk en in enkele lagere
klassen van het dierenrijk, zooals bij wormen, polypen en andere. Maar terwijl
in het eerste geval de twee wezens, ontstaan uit de splitsing der
oorspronkelijke cel, aan elkander gelijk zijn, is bij de voortplanting door
knopvorming het tweede wezen een product van het eerste; het is kleiner, en
moet eerst nog groeien, vóórdat het aan het eerste gelijk wordt.
het organisme, dat zijne normale grootte overtreft. De voortplanting door
deeling is eigenlijk de meest verspreide wijze van voortplanting; op deze
wijze toch planten zich de cellen voort, uit wier opeenhooping de meeste
organismen, en ook het menschelijke lichaam gevormd is. Beschouwen wij
bijvoorbeeld een eitje van een zoogdier. Het is niets dan eene enkele cel. De
buitenste omtrek is een vlies, dat de geleiachtige massa omgeeft, waarin men
eene kleine kern of een kiemblaasje opmerkt.
In het eerste tijdperk der vorming van het levende
wezen verdeelt zich dat kiemblaasje in twee kernen en
volgt de celstof, de dooier van het ei, de beweging (fig.
25, A). Zoo verdeelen de twee cellen zich weder in vier
(B), deze in acht (C), in zestien enz., en eindelijk komt
daaruit voort een bolvormige hoop, op eene framboos
gelijkend (D). Zoo begint nog thans ieder levend wezen,
ook de mensch. Fig. 24. Eitje van een
zoogdier.
Deze zelfde wijze van voortplanting kan ook bij eene
groote menigte afgietseldiertjes worden waargenomen,
zooals fig. 26 aantoont. In den tijd van eenige dagen ziet men in een glas
zeewater millioenen wezens ontstaan, langs dezen eenvoudigen weg
voortgebracht.
In nauw verband met de voortplanting door verdeeling staat de voortplanting
door knopvorming, die zeer verspreid is in het plantenrijk en in enkele lagere
klassen van het dierenrijk, zooals bij wormen, polypen en andere. Maar terwijl
in het eerste geval de twee wezens, ontstaan uit de splitsing der
oorspronkelijke cel, aan elkander gelijk zijn, is bij de voortplanting door
knopvorming het tweede wezen een product van het eerste; het is kleiner, en
moet eerst nog groeien, vóórdat het aan het eerste gelijk wordt.
Page 78
Fig. 25.—Eerste trappen van ontwikkeling van een zoogdier.
Fig. 26.—Voortplanting van een afgietseldiertje door deeling.
Zóó was het begin van het leven. De lagere organismen, zoowel planten als
dieren, zijn geslachtloos. Gedurende millioenen jaren plantten zij zich voort
door deeling, door knopvorming en vervolgens door kiemen. Het bestaan van
geslachten en de scheiding in twee verschillende wezens is eerst van veel
latere dagteekening. De tweeslachtigheid bestond lang vóór de scheiding der
geslachten; zij bestaat nog bij de meeste planten en enkele lagere dieren (de
slak, de pier en verscheidene andere wormen). Daarentegen bestaat de
scheiding der geslachten bij de hoogere planten, de mimoseën, de orchideën,
de wilgen, de peppels, de kastanjes en andere. De voortplanting zonder
geslacht grenst trouwens aan de geslachtsvoortplanting, en de tweede komt uit
de eerste voort, langs den weg der afwisselende voortplanting. De
parthenogenesis bestaat bij een groot aantal volkomen insecten (iedereen kent
Fig. 26.—Voortplanting van een afgietseldiertje door deeling.
Zóó was het begin van het leven. De lagere organismen, zoowel planten als
dieren, zijn geslachtloos. Gedurende millioenen jaren plantten zij zich voort
door deeling, door knopvorming en vervolgens door kiemen. Het bestaan van
geslachten en de scheiding in twee verschillende wezens is eerst van veel
latere dagteekening. De tweeslachtigheid bestond lang vóór de scheiding der
geslachten; zij bestaat nog bij de meeste planten en enkele lagere dieren (de
slak, de pier en verscheidene andere wormen). Daarentegen bestaat de
scheiding der geslachten bij de hoogere planten, de mimoseën, de orchideën,
de wilgen, de peppels, de kastanjes en andere. De voortplanting zonder
geslacht grenst trouwens aan de geslachtsvoortplanting, en de tweede komt uit
de eerste voort, langs den weg der afwisselende voortplanting. De
parthenogenesis bestaat bij een groot aantal volkomen insecten (iedereen kent
Page 79
de bladluizen). Zoo brengen bij de bijen, de eieren der koningin mannelijke
wezens voort, als zij niet bevrucht zijn, en vrouwelijke zoo dit wel het geval is
geweest.
Hieruit volgt, dat de oude bedenking, gegrond op het denkbeeld, dat alle
levende wezens voortkomen uit voortbrengende ouders, geene
wetenschappelijke waarde heeft, omdat gedurende eene lange rij van eeuwen
de oorspronkelijke bewoners der aarde zonder ouders geboren zijn. De
moeilijkheid, om de vorming van organische cellen aan te nemen, is niet meer
zóó groot, als toen men de wereld in eenen te nauwen kring insloot. Die
vorming schijnt nauwelijks ingewikkelder, dan die der mineralen, die in
prachtige, meetkunstige vormen kristalliseeren, of die der scheikundige
voortbrengselen, die onder bepaalde voorwaarden van verzadiging en
temperatuur, het aanzijn geven aan die prachtige rangschikking van
moleculen, waarvan de mikroskoop ons de schoonheid en harmonie heeft
leeren kennen.
De moneren van Haeckel zijn de eenvoudigste organismen, die men ooit heeft
waargenomen. Men kan hier nog aan toevoegen de mikroskopische wezens,
die men eerst als schimmel heeft beschouwd, doch welke langs scheikundigen
weg de opgeloste suiker omzetten, om de azijnmoer te vormen, in één woord:
om de organische stoffen te doen gisten. Die organische korrelingen dragen
den naam van micrococcus. Zij zijn niet grooter dan duizendsten van
millimeters. De aard van die organismen staat nog niet volkomen vast, maar
hetzij zij het onvernietigbare leven in zich dragen, zooals door sommigen
beweerd wordt, hetzij zij alleen dienen voor den bouw der wezens, zij
moesten hier, al is het slechts oppervlakkig, aangestipt worden.
Maar moneren, cellen, micrococci, zij alle zijn uit iets gevormd. Dat iets bezit
eene zekere werkzaamheid, dat de delfstoffen missen. Welnu! dat is de eerste
levende stof, en de eenvoudigste: zij draagt den naam van protoplasma, de
physiologen toonen aan, dat dit aan alle weefsels, hetzij dierlijke hetzij
plantaardige ten grondslag ligt.
Het protoplasma is eene stof, die behoort tot de groep der eiwitverbindingen,
dat wil zeggen, het is samengesteld uit koolstof, waterstof, stikstof en
zuurstof. Daarbij komen nog dikwijls in veranderlijke hoeveelheid zwavel,
wezens voort, als zij niet bevrucht zijn, en vrouwelijke zoo dit wel het geval is
geweest.
Hieruit volgt, dat de oude bedenking, gegrond op het denkbeeld, dat alle
levende wezens voortkomen uit voortbrengende ouders, geene
wetenschappelijke waarde heeft, omdat gedurende eene lange rij van eeuwen
de oorspronkelijke bewoners der aarde zonder ouders geboren zijn. De
moeilijkheid, om de vorming van organische cellen aan te nemen, is niet meer
zóó groot, als toen men de wereld in eenen te nauwen kring insloot. Die
vorming schijnt nauwelijks ingewikkelder, dan die der mineralen, die in
prachtige, meetkunstige vormen kristalliseeren, of die der scheikundige
voortbrengselen, die onder bepaalde voorwaarden van verzadiging en
temperatuur, het aanzijn geven aan die prachtige rangschikking van
moleculen, waarvan de mikroskoop ons de schoonheid en harmonie heeft
leeren kennen.
De moneren van Haeckel zijn de eenvoudigste organismen, die men ooit heeft
waargenomen. Men kan hier nog aan toevoegen de mikroskopische wezens,
die men eerst als schimmel heeft beschouwd, doch welke langs scheikundigen
weg de opgeloste suiker omzetten, om de azijnmoer te vormen, in één woord:
om de organische stoffen te doen gisten. Die organische korrelingen dragen
den naam van micrococcus. Zij zijn niet grooter dan duizendsten van
millimeters. De aard van die organismen staat nog niet volkomen vast, maar
hetzij zij het onvernietigbare leven in zich dragen, zooals door sommigen
beweerd wordt, hetzij zij alleen dienen voor den bouw der wezens, zij
moesten hier, al is het slechts oppervlakkig, aangestipt worden.
Maar moneren, cellen, micrococci, zij alle zijn uit iets gevormd. Dat iets bezit
eene zekere werkzaamheid, dat de delfstoffen missen. Welnu! dat is de eerste
levende stof, en de eenvoudigste: zij draagt den naam van protoplasma, de
physiologen toonen aan, dat dit aan alle weefsels, hetzij dierlijke hetzij
plantaardige ten grondslag ligt.
Het protoplasma is eene stof, die behoort tot de groep der eiwitverbindingen,
dat wil zeggen, het is samengesteld uit koolstof, waterstof, stikstof en
zuurstof. Daarbij komen nog dikwijls in veranderlijke hoeveelheid zwavel,
Page 80
ijzer en phosphorus. Dat protoplasma leeft, wordt geboren, groeit aan, plant
zich voort, sterft, is gevoelig, beweegt zich en reageert tegen prikkels. De stof
dient, terwijl zij zich op verschillende wijzen wijzigt, tot opbouwing der
weefsels en der organen van alle levende wezens. Als de levende wezens
sterven, dan ontleedt het protoplasma, en keert het terug tot de anorganische
wereld, waaraan het ontleend was.
De gevoeligheid is het uitgangspunt van het leven geweest. Planten, zoowel
als dieren, zijn gevoelig; het protoplasma is gevoelig, en dit is juist het groote
verschil tusschen die stof en de anorganische stoffen, die het meest er op
gelijken.
De moneren, die nog thans het zoute water bewonen, bestaan alleen uit eene
klont protoplasma. Het zijn de eenvoudigste wezens, die wij kennen. Het
leven is begonnen in eenen tijd, toen de aardbol geheel omringd was door het
lauwe water van den oorspronkelijken oceaan. De eerste levende wezens, die
zeer waarschijnlijk overeenkwamen met de tegenwoordige moneren, waren
bewoners der zee. Daaruit zijn de land- en waterplanten voortgekomen, de
wezens, die thans alleen slechts kunnen leven in het zoetwater van meren,
rivieren en stroomen, en de geheele planten- en dierenwereld, die thans het
vaste land versiert en leven schenkt. Nog thans bestaan alle wezens
voornamelijk uit water.
De studie der natuur geeft dus een antwoord op de zooeven gestelde vraag.
Wij weten, dat de eerste organismen gevormd zijn in het lauwe water der
oorspronkelijke zee en slechts geleiachtige, vormlooze lichamen geweest zijn
zonder structuur, scheikundige lichamen, waarin de bijzondere eigenschappen
der koolstof, en vooral de halfvloeibaarheid en de onbegrensde buigzaamheid
der eiwitbestanddeelen, eene splitsing hebben doen ontstaan met de
uitsluitend minerale lichamen en de verschijnselen van het leven hebben
voortgebracht.
zich voort, sterft, is gevoelig, beweegt zich en reageert tegen prikkels. De stof
dient, terwijl zij zich op verschillende wijzen wijzigt, tot opbouwing der
weefsels en der organen van alle levende wezens. Als de levende wezens
sterven, dan ontleedt het protoplasma, en keert het terug tot de anorganische
wereld, waaraan het ontleend was.
De gevoeligheid is het uitgangspunt van het leven geweest. Planten, zoowel
als dieren, zijn gevoelig; het protoplasma is gevoelig, en dit is juist het groote
verschil tusschen die stof en de anorganische stoffen, die het meest er op
gelijken.
De moneren, die nog thans het zoute water bewonen, bestaan alleen uit eene
klont protoplasma. Het zijn de eenvoudigste wezens, die wij kennen. Het
leven is begonnen in eenen tijd, toen de aardbol geheel omringd was door het
lauwe water van den oorspronkelijken oceaan. De eerste levende wezens, die
zeer waarschijnlijk overeenkwamen met de tegenwoordige moneren, waren
bewoners der zee. Daaruit zijn de land- en waterplanten voortgekomen, de
wezens, die thans alleen slechts kunnen leven in het zoetwater van meren,
rivieren en stroomen, en de geheele planten- en dierenwereld, die thans het
vaste land versiert en leven schenkt. Nog thans bestaan alle wezens
voornamelijk uit water.
De studie der natuur geeft dus een antwoord op de zooeven gestelde vraag.
Wij weten, dat de eerste organismen gevormd zijn in het lauwe water der
oorspronkelijke zee en slechts geleiachtige, vormlooze lichamen geweest zijn
zonder structuur, scheikundige lichamen, waarin de bijzondere eigenschappen
der koolstof, en vooral de halfvloeibaarheid en de onbegrensde buigzaamheid
der eiwitbestanddeelen, eene splitsing hebben doen ontstaan met de
uitsluitend minerale lichamen en de verschijnselen van het leven hebben
voortgebracht.
Page 81
Fig. 27. De oorsprong van het leven. Protoplasma, uit de diepten der zee opgedolven.
Hunne nog weifelende vormen zijn als het ware het beeld der weifelende
schreden van het juist ontstane leven. Bij hen bestaat zelfs de cel nog niet met
hare kern en haar vlies. De protoplasmastof, weifelend en vormloos, geeft ons
nauwelijks een denkbeeld van werkelijke wezens.
Toen men den eersten kabel in den Atlantischen oceaan legde, vond men
vermengd met het grijze slib, op den bodem gelegen, eene vormlooze
geleiachtige massa, die kalklichaampjes bevatte. Die gelei werd in alcohol
bewaard. Huxley herkende daarin het vormlooze protoplasma, de laagst
staande monere, den Bathybius Haeckelii.
De merkwaardige onderzoekingen in 1868 en 1869 door Thompson en
Carpenter gedaan op de schepen Lightning en Porcupine, die al de vroeger
Hunne nog weifelende vormen zijn als het ware het beeld der weifelende
schreden van het juist ontstane leven. Bij hen bestaat zelfs de cel nog niet met
hare kern en haar vlies. De protoplasmastof, weifelend en vormloos, geeft ons
nauwelijks een denkbeeld van werkelijke wezens.
Toen men den eersten kabel in den Atlantischen oceaan legde, vond men
vermengd met het grijze slib, op den bodem gelegen, eene vormlooze
geleiachtige massa, die kalklichaampjes bevatte. Die gelei werd in alcohol
bewaard. Huxley herkende daarin het vormlooze protoplasma, de laagst
staande monere, den Bathybius Haeckelii.
De merkwaardige onderzoekingen in 1868 en 1869 door Thompson en
Carpenter gedaan op de schepen Lightning en Porcupine, die al de vroeger
Page 82
algemeen aangenomen denkbeelden omverwierpen omtrent de afwezigheid
van het leven in de diepte der zee, deden op eene diepte van drie- tot vier
duizend meters op den bodem der zee dat protoplasma kennen, dat uit eene
groote hoeveelheid geleiachtige, organische stof bestond, en dat in zóó groote
hoeveelheid voorkwam, dat het aan het slib eene zekere kleverigheid
mededeelde. Indien men dit slib met verdunden wijngeest schudt, zetten zich
zeer fijne vlokken af, die het voorkomen hebben van eene slijmerige eiwitstof.
Indien men een weinig van dat slib in eenen druppel zeewater onder den
mikroskoop brengt, dan ziet men gewoonlijk na eenigen tijd een onregelmatig
net van eiwitachtige stof met scherp begrensde omtrekken, dat zich niet met
het water vermengt; men kan zien, hoe die stof langzamerhand van gedaante
verandert, en hoe de op zich zelf staande korreltjes en de vreemde lichamen
onderling van plaats veranderen. Die stof is dus in staat zich eenigszins te
bewegen, en het is niet twijfelachtig, of zij vertoont verschijnselen van eenen
nog weinig ontwikkelden vorm van het leven (Fig. 27).
Langen tijd bleef men twijfelen aan de juistheid der hier medegedeelde
resultaten. Daar de scheikundigen hadden aangetoond, dat alcohol, in
zeewater gestort, een slijmerig neerslag gaf, meende men, dat de zooeven
genoemde stof eenzelfde neerslag was. Doch in 1875 werden dezelfde
waarnemingen herhaald door den Duitschen natuuronderzoeker Bossels bij
eene Noordpool-expeditie, op eene diepte van 92 vademen. De toen gevonden
stof was werkelijk protoplasma, waarin toevallig enkele kalklichaampjes
voorkwamen.
van het leven in de diepte der zee, deden op eene diepte van drie- tot vier
duizend meters op den bodem der zee dat protoplasma kennen, dat uit eene
groote hoeveelheid geleiachtige, organische stof bestond, en dat in zóó groote
hoeveelheid voorkwam, dat het aan het slib eene zekere kleverigheid
mededeelde. Indien men dit slib met verdunden wijngeest schudt, zetten zich
zeer fijne vlokken af, die het voorkomen hebben van eene slijmerige eiwitstof.
Indien men een weinig van dat slib in eenen druppel zeewater onder den
mikroskoop brengt, dan ziet men gewoonlijk na eenigen tijd een onregelmatig
net van eiwitachtige stof met scherp begrensde omtrekken, dat zich niet met
het water vermengt; men kan zien, hoe die stof langzamerhand van gedaante
verandert, en hoe de op zich zelf staande korreltjes en de vreemde lichamen
onderling van plaats veranderen. Die stof is dus in staat zich eenigszins te
bewegen, en het is niet twijfelachtig, of zij vertoont verschijnselen van eenen
nog weinig ontwikkelden vorm van het leven (Fig. 27).
Langen tijd bleef men twijfelen aan de juistheid der hier medegedeelde
resultaten. Daar de scheikundigen hadden aangetoond, dat alcohol, in
zeewater gestort, een slijmerig neerslag gaf, meende men, dat de zooeven
genoemde stof eenzelfde neerslag was. Doch in 1875 werden dezelfde
waarnemingen herhaald door den Duitschen natuuronderzoeker Bossels bij
eene Noordpool-expeditie, op eene diepte van 92 vademen. De toen gevonden
stof was werkelijk protoplasma, waarin toevallig enkele kalklichaampjes
voorkwamen.
Page 83
Fig. 28. De eerste wezens. Samenvoeging van moneren.
De moneren zijn niet anders dan protoplasma. Een klonter gelei is het eenige,
wat onze krachtigste mikroskopen ons doen zien; maar die gelei leeft, men
ziet haar ieder oogenblik van vorm veranderen, zich meester maken van
andere infusiediertjes, ze oplossen en ze opnemen in haar eigen stof. In de
omringende vloeistof gelijken zij op die dunne strepen, die in een glas water
ontstaan boven een stukje suiker, dat oplost. De moneren zijn kleine bolletjes.
Moeten zij zich verplaatsen, dan groeien er stralen aan, die als pooten dienst
doen. Men kent reeds verschillende soorten. Zij hebben, zooals wij zeiden,
trilharen, die als pooten dienst doen, doch kort en onregelmatig zijn, in alle
richtingen uitspringen, zich inkorten en naar binnen treden, als het wezen ze
niet meer noodig heeft. De beweging is als het ware eene soort van kruipen,
hetwelk geschiedt door het uitrekken van een trilhaar, dat met zijn uiteinde
een steunpunt zoekt, zich daarna inkort en zóó het geheele lichaam medetrekt,
dat zich beweegt als een oliedroppel, dat op een stukje glas voortgeblazen
wordt. Als een zonnestraal het vat treft, dat één dier wezens bevat, dan
De moneren zijn niet anders dan protoplasma. Een klonter gelei is het eenige,
wat onze krachtigste mikroskopen ons doen zien; maar die gelei leeft, men
ziet haar ieder oogenblik van vorm veranderen, zich meester maken van
andere infusiediertjes, ze oplossen en ze opnemen in haar eigen stof. In de
omringende vloeistof gelijken zij op die dunne strepen, die in een glas water
ontstaan boven een stukje suiker, dat oplost. De moneren zijn kleine bolletjes.
Moeten zij zich verplaatsen, dan groeien er stralen aan, die als pooten dienst
doen. Men kent reeds verschillende soorten. Zij hebben, zooals wij zeiden,
trilharen, die als pooten dienst doen, doch kort en onregelmatig zijn, in alle
richtingen uitspringen, zich inkorten en naar binnen treden, als het wezen ze
niet meer noodig heeft. De beweging is als het ware eene soort van kruipen,
hetwelk geschiedt door het uitrekken van een trilhaar, dat met zijn uiteinde
een steunpunt zoekt, zich daarna inkort en zóó het geheele lichaam medetrekt,
dat zich beweegt als een oliedroppel, dat op een stukje glas voortgeblazen
wordt. Als een zonnestraal het vat treft, dat één dier wezens bevat, dan
Page 84
beweegt het zich steeds naar het licht toe. De veerkracht van het levende
protoplasma, zijne uitzetting en samentrekking onder den invloed der warmte,
zijn voldoende om rekenschap te geven van de wijze van beweging.
Wij noemen ten slotte onder de moneren het myxodictyum sociale (fig. 28).
Daar bestaat het protoplasma uit afzonderlijke wezens, kleine min of meer
bolvormige klonters, die van alle zijden omgeven zijn van vertakte en
straalvormige trilharen en zich door deeling voortplanten, maar toch in
koloniën vereenigd blijven door hunne vezels.
Dit zijn de oorspronkelijke wezens. Het organische komt uit het anorganische
voort. De levenskracht is uit de physisch-chemische kracht ontstaan.
De electriciteit is waarschijnlijk niet vreemd geweest aan dien vooruitgang der
stof; in den toestand, door de warmte, de drukking van het water, en andere
factoren voorbereid, heeft zij nog ingewerkt door aan de moleculen inwendige
bewegingen mede te deelen. Nog thans speelt zij eene belangrijke, nog niet
genoeg doorgronde rol in de hoogere levensverschijnselen.
De bevruchting der planeet is echter geen gewoon scheikundig proces,
evenmin als eene scheikundige verbinding een gewoon mechanisch proces is,
het is iets meer. Het leven is een nieuwe vorm van beweging; het is eene
nieuwe schepping, voortgebracht door de scheikundige verhoudingen, die het
bepaald hebben. Door de voortdurende veranderingen in samenstelling, door
de bewegingen, waarvan het de zetel is, door zijn vermogen om zich te
voeden, zich in afzonderlijke wezens te verdeelen, en zich voort te planten,
onderscheidt zich het protoplasma van alle scheikundige stoffen en vormt het
eene klasse van lichamen op zich zelf. De afstand tusschen de levende stof en
de scheikundige verbindingen is groot, maar toch weet men thans, dat het
leven met al zijne kenmerken in eene soort stof aanwezig is, die even
eenvoudig van bouw is als de scheikundige verbindingen.
Voor den denker, die de geheimen der natuur tracht te ontwarren, is het niet
vreemder, de koolstofverbindingen het aanzijn te zien schenken aan
geleiachtige lichaampjes, dan de kristallen uit eene zoutoplossing te zien
aangroeien naarmate het water verdampt, of den loodboom te zien aangroeien,
die ontstaat, indien men eene zinkstaaf in eene oplossing van azijnzuur lood
protoplasma, zijne uitzetting en samentrekking onder den invloed der warmte,
zijn voldoende om rekenschap te geven van de wijze van beweging.
Wij noemen ten slotte onder de moneren het myxodictyum sociale (fig. 28).
Daar bestaat het protoplasma uit afzonderlijke wezens, kleine min of meer
bolvormige klonters, die van alle zijden omgeven zijn van vertakte en
straalvormige trilharen en zich door deeling voortplanten, maar toch in
koloniën vereenigd blijven door hunne vezels.
Dit zijn de oorspronkelijke wezens. Het organische komt uit het anorganische
voort. De levenskracht is uit de physisch-chemische kracht ontstaan.
De electriciteit is waarschijnlijk niet vreemd geweest aan dien vooruitgang der
stof; in den toestand, door de warmte, de drukking van het water, en andere
factoren voorbereid, heeft zij nog ingewerkt door aan de moleculen inwendige
bewegingen mede te deelen. Nog thans speelt zij eene belangrijke, nog niet
genoeg doorgronde rol in de hoogere levensverschijnselen.
De bevruchting der planeet is echter geen gewoon scheikundig proces,
evenmin als eene scheikundige verbinding een gewoon mechanisch proces is,
het is iets meer. Het leven is een nieuwe vorm van beweging; het is eene
nieuwe schepping, voortgebracht door de scheikundige verhoudingen, die het
bepaald hebben. Door de voortdurende veranderingen in samenstelling, door
de bewegingen, waarvan het de zetel is, door zijn vermogen om zich te
voeden, zich in afzonderlijke wezens te verdeelen, en zich voort te planten,
onderscheidt zich het protoplasma van alle scheikundige stoffen en vormt het
eene klasse van lichamen op zich zelf. De afstand tusschen de levende stof en
de scheikundige verbindingen is groot, maar toch weet men thans, dat het
leven met al zijne kenmerken in eene soort stof aanwezig is, die even
eenvoudig van bouw is als de scheikundige verbindingen.
Voor den denker, die de geheimen der natuur tracht te ontwarren, is het niet
vreemder, de koolstofverbindingen het aanzijn te zien schenken aan
geleiachtige lichaampjes, dan de kristallen uit eene zoutoplossing te zien
aangroeien naarmate het water verdampt, of den loodboom te zien aangroeien,
die ontstaat, indien men eene zinkstaaf in eene oplossing van azijnzuur lood
Page 85
hangt, of den waterdamp heesters te zien teekenen op de glazen van een
bevroren venster, of de sneeuwkristallen te zien vormen in de lucht, of den
zwavel te zien kristalliseeren, of het bismuth, het goud en het koper. Het
verschil tusschen de organische en de anorganische stoffen bestaat niet in hare
samenstelling, want de levende wezens zijn alle samengesteld uit dezelfde
elementen als de anorganische stoffen; het verschil bestaat alleen in de
lenigheid der weefsels, in haar vermogen, om de omringende middenstof te
kunnen opnemen en van binnen aan te groeien, terwijl de kristallen
aangroeien door uitwendige aanzetting, en in haar vermogen, om zich te
verlengen, te verkorten en te bewegen. Het kenmerkend onderscheid schuilt
voornamelijk in het vermogen van voortplanting, maar zooals wij zeiden,
oorspronkelijk openbaarde zich dat vermogen door eenvoudige verdeeling van
het aangegroeide voorwerp. Men kan een organisch lichaampje, dat zóó
weinig ontwikkeld is als een protoplasmakorrel, noch onder de dieren, noch
onder de planten rangschikken, maar toch verschilt het in wezen van de
overige scheikundige voortbrengselen en is het de kiem van het leven, dat zich
later over de oppervlakte der aarde verspreid heeft.
Voor de natuur bestaat er geene scheikunde of natuurkunde, of werktuigkunde,
of sterrenkunde, of plant- en dierkunde, evenmin als er zuivere soorten van
planten, dieren of delfstoffen bestaan. Dit zijn verdeelingen, door de
menschen uitgedacht om de studie te vergemakkelijken en de voorwerpen van
studie te kunnen splitsen. Hoewel een groot aantal geleerden zich illusiën
scheppen en hunne eigene vindingen als feiten aannemen, is het wenschelijk,
niet het slachtoffer te worden van eene dwaling, die voor onzen geest den
prachtigen eenvoud der natuur zou verwoesten. Voor haar is het bewerktuigde
wezen, evenals de onbewerktuigde wereld de ontwikkeling van een zelfde
wezen; de geheele wereld wordt door eene onmetelijke éénheid beheerscht.
Het heelal bestond langen tijd in eenen zuiveren mechanischen toestand, als in
werking zijnde nevelvlek, als eene verzameling van bewegende atomen, als
onderworpen aan de algemeene aantrekkingskracht. De warmte, het licht, de
electriciteit, de vorming der moleculen, hebben het aanzijn geschonken aan
den natuurkundigen toestand, tijdens welken de planeet haar karakter als
nevelvlek verloor. De verbindingen, de verwantschap der stoffen hebben den
scheikundigen toestand doen geboren worden; de voorwaarden voor het leven
werden gunstig. Op die drie tijdperken, die uit elkander voortvloeiden, is de
bevroren venster, of de sneeuwkristallen te zien vormen in de lucht, of den
zwavel te zien kristalliseeren, of het bismuth, het goud en het koper. Het
verschil tusschen de organische en de anorganische stoffen bestaat niet in hare
samenstelling, want de levende wezens zijn alle samengesteld uit dezelfde
elementen als de anorganische stoffen; het verschil bestaat alleen in de
lenigheid der weefsels, in haar vermogen, om de omringende middenstof te
kunnen opnemen en van binnen aan te groeien, terwijl de kristallen
aangroeien door uitwendige aanzetting, en in haar vermogen, om zich te
verlengen, te verkorten en te bewegen. Het kenmerkend onderscheid schuilt
voornamelijk in het vermogen van voortplanting, maar zooals wij zeiden,
oorspronkelijk openbaarde zich dat vermogen door eenvoudige verdeeling van
het aangegroeide voorwerp. Men kan een organisch lichaampje, dat zóó
weinig ontwikkeld is als een protoplasmakorrel, noch onder de dieren, noch
onder de planten rangschikken, maar toch verschilt het in wezen van de
overige scheikundige voortbrengselen en is het de kiem van het leven, dat zich
later over de oppervlakte der aarde verspreid heeft.
Voor de natuur bestaat er geene scheikunde of natuurkunde, of werktuigkunde,
of sterrenkunde, of plant- en dierkunde, evenmin als er zuivere soorten van
planten, dieren of delfstoffen bestaan. Dit zijn verdeelingen, door de
menschen uitgedacht om de studie te vergemakkelijken en de voorwerpen van
studie te kunnen splitsen. Hoewel een groot aantal geleerden zich illusiën
scheppen en hunne eigene vindingen als feiten aannemen, is het wenschelijk,
niet het slachtoffer te worden van eene dwaling, die voor onzen geest den
prachtigen eenvoud der natuur zou verwoesten. Voor haar is het bewerktuigde
wezen, evenals de onbewerktuigde wereld de ontwikkeling van een zelfde
wezen; de geheele wereld wordt door eene onmetelijke éénheid beheerscht.
Het heelal bestond langen tijd in eenen zuiveren mechanischen toestand, als in
werking zijnde nevelvlek, als eene verzameling van bewegende atomen, als
onderworpen aan de algemeene aantrekkingskracht. De warmte, het licht, de
electriciteit, de vorming der moleculen, hebben het aanzijn geschonken aan
den natuurkundigen toestand, tijdens welken de planeet haar karakter als
nevelvlek verloor. De verbindingen, de verwantschap der stoffen hebben den
scheikundigen toestand doen geboren worden; de voorwaarden voor het leven
werden gunstig. Op die drie tijdperken, die uit elkander voortvloeiden, is de
Page 86
organische toestand gevolgd, die weer het noodzakelijk gevolg was van het
vorige tijdperk.
Van den dag af, waarop de voorwaarden van het leven alle aanwezig waren,
moest zich het protoplasma even zeker vormen als eene scheikundige
verbinding het gevolg is van de voorwaarden, die haar bepalen. En van den
dag af, waarop het leven verschenen is met zijne karakteristieke eigenschap
van eeuwigdurende voortplanting, moest het zich uitbreiden en
vermenigvuldigen over de geheele oppervlakte der aarde. Evenals het licht, de
warmte, de verwantschap, de moleculaire beweging, zoo ook werkt het leven
onophoudelijk voort en wordt het nooit meer uitgedoofd. Tot aan den laatsten
dag van het bestaan der aarde zal het de natuur bezielen, steeds van vorm
veranderen en nooit vernietigd worden. Welke onweerstaanbare kracht!
Zoodra een organisme tot den volwassen leeftijd gekomen is, dan gevoelt het
oogenblikken van wellust, zonder welken de stroom des levens in zijnen loop
zoude gestuit worden. Het is niet genoeg te leven, het leven moet worden
voortgeplant.
Van dit tijdstip af is onze planeet van vorm veranderd. Tot nu toe behoorde zij
tot het rijk der delfstoffen, doof, blind, zich zelf niet bewust; van nu af aan
draagt zij het leven, en het eerste flauwe begrip van persoonlijk bestaan, dat
zich bij de vorming der eerste wezens openbaart, ontwikkelt zich en neemt
toe, totdat het eindelijk den trap bereikt, waarop verstand en
zedelijkheidsbegrippen haar beheerschen.
In de zee is het leven begonnen; en daar is het steeds het vruchtbaarst geweest.
De wateren bezitten veel meer bewoners dan het vasteland. Overal zijn de
zeeën bewoond; overal, tot op den bodem van den afgrond, bewegen zich
schepselen, die met elkander in harmonie zijn; overal vindt de
natuuronderzoeker stof tot leering en de wijsgeer stof tot nadenken. De
diepten van den oceaan, zijne bergen en dalen, zijne valleien en duisternissen,
zelfs zijne puinhoopen zijn bezield en versierd met ontelbare bewerktuigde
wezens. Het zijn eenzame of samenlevende planten, zich tot weiden
uitstrekkend of tot onmetelijke bosschen verbindend. Die planten beschermen
en voeden duizenden dieren, die kruipen, loopen, zwemmen, vliegen, zich
bedelven in het zand, zich aan rotsen vasthechten, in ravijnen wonen, elkander
zoeken en ontvluchten, bestrijden of vervolgen, elkander minnend liefkoozen
vorige tijdperk.
Van den dag af, waarop de voorwaarden van het leven alle aanwezig waren,
moest zich het protoplasma even zeker vormen als eene scheikundige
verbinding het gevolg is van de voorwaarden, die haar bepalen. En van den
dag af, waarop het leven verschenen is met zijne karakteristieke eigenschap
van eeuwigdurende voortplanting, moest het zich uitbreiden en
vermenigvuldigen over de geheele oppervlakte der aarde. Evenals het licht, de
warmte, de verwantschap, de moleculaire beweging, zoo ook werkt het leven
onophoudelijk voort en wordt het nooit meer uitgedoofd. Tot aan den laatsten
dag van het bestaan der aarde zal het de natuur bezielen, steeds van vorm
veranderen en nooit vernietigd worden. Welke onweerstaanbare kracht!
Zoodra een organisme tot den volwassen leeftijd gekomen is, dan gevoelt het
oogenblikken van wellust, zonder welken de stroom des levens in zijnen loop
zoude gestuit worden. Het is niet genoeg te leven, het leven moet worden
voortgeplant.
Van dit tijdstip af is onze planeet van vorm veranderd. Tot nu toe behoorde zij
tot het rijk der delfstoffen, doof, blind, zich zelf niet bewust; van nu af aan
draagt zij het leven, en het eerste flauwe begrip van persoonlijk bestaan, dat
zich bij de vorming der eerste wezens openbaart, ontwikkelt zich en neemt
toe, totdat het eindelijk den trap bereikt, waarop verstand en
zedelijkheidsbegrippen haar beheerschen.
In de zee is het leven begonnen; en daar is het steeds het vruchtbaarst geweest.
De wateren bezitten veel meer bewoners dan het vasteland. Overal zijn de
zeeën bewoond; overal, tot op den bodem van den afgrond, bewegen zich
schepselen, die met elkander in harmonie zijn; overal vindt de
natuuronderzoeker stof tot leering en de wijsgeer stof tot nadenken. De
diepten van den oceaan, zijne bergen en dalen, zijne valleien en duisternissen,
zelfs zijne puinhoopen zijn bezield en versierd met ontelbare bewerktuigde
wezens. Het zijn eenzame of samenlevende planten, zich tot weiden
uitstrekkend of tot onmetelijke bosschen verbindend. Die planten beschermen
en voeden duizenden dieren, die kruipen, loopen, zwemmen, vliegen, zich
bedelven in het zand, zich aan rotsen vasthechten, in ravijnen wonen, elkander
zoeken en ontvluchten, bestrijden of vervolgen, elkander minnend liefkoozen
Page 87
of meedoogenloos verscheuren. Onze wouden op het vaste land bevatten lang
niet zooveel dieren als die der zee. De oceaan, waarin de mensch het leven
niet kan behouden, is voor duizenden dieren de bron van leven en gezondheid.
Op groote diepten is de temperatuur van het water op alle breedten ongeveer
dezelfde (0°) van den aequator tot aan de polen. De meeste beroeringen harer
oppervlakte dringen niet dieper door dan 25 meters, waarvan het gevolg is, dat
de planten en dieren, door meer of minder diep af te dalen, steeds eene
omgeving kunnen vinden, die hun past.
De monsters, die men in de zee vindt, de walvisch, de potvisch, de dolfijn, de
haai, maken niet het belangrijkste deel uit van de bevolking der zee. De
oceaan is bevolkt met ontelbare, oneindig kleine wezens, mikroskopische
afgietseldiertjes, zóó klein, dat een droppel vloeistof er millioenen bevat. Alle
wateren zijn er vol van, zoowel het rivier- als het zeewater, bij hooge en bij
lage temperatuur. De groote stroomen voeren steeds oneindige hoeveelheden
naar zee. Alleen reeds de Ganges voert in een jaar tijds eene hoeveelheid naar
zee, die zes- tot achtmaal grooter is, dan de massa der hoogste pyramide van
Egypte.
In de
nabijhei
d der
polen,
waar
groote
organis
men
niet
zouden
kunnen
bestaan,
Fig. 29. Laagste afgietseldiertjes. Fig. 30. Laagste afgietseldiertjes.
vindt
(Monaden). Volvoceën. men
nog
duizend
niet zooveel dieren als die der zee. De oceaan, waarin de mensch het leven
niet kan behouden, is voor duizenden dieren de bron van leven en gezondheid.
Op groote diepten is de temperatuur van het water op alle breedten ongeveer
dezelfde (0°) van den aequator tot aan de polen. De meeste beroeringen harer
oppervlakte dringen niet dieper door dan 25 meters, waarvan het gevolg is, dat
de planten en dieren, door meer of minder diep af te dalen, steeds eene
omgeving kunnen vinden, die hun past.
De monsters, die men in de zee vindt, de walvisch, de potvisch, de dolfijn, de
haai, maken niet het belangrijkste deel uit van de bevolking der zee. De
oceaan is bevolkt met ontelbare, oneindig kleine wezens, mikroskopische
afgietseldiertjes, zóó klein, dat een droppel vloeistof er millioenen bevat. Alle
wateren zijn er vol van, zoowel het rivier- als het zeewater, bij hooge en bij
lage temperatuur. De groote stroomen voeren steeds oneindige hoeveelheden
naar zee. Alleen reeds de Ganges voert in een jaar tijds eene hoeveelheid naar
zee, die zes- tot achtmaal grooter is, dan de massa der hoogste pyramide van
Egypte.
In de
nabijhei
d der
polen,
waar
groote
organis
men
niet
zouden
kunnen
bestaan,
Fig. 29. Laagste afgietseldiertjes. Fig. 30. Laagste afgietseldiertjes.
vindt
(Monaden). Volvoceën. men
nog
duizend
Page 88
en infusiediertjes. Zelfs in de overblijfselen van het gesmolten ijs, dat op 70°
breedte drijft, heeft men meer dan vijftig verschillende soorten gevonden.
Op plaatsen der zee, dieper gelegen dan de hoogte der hoogste bergen
bedraagt, leven in iedere waterlaag ontelbare scharen van bijna onzichtbare
bewoners.
Daar is de bakermat van het leven, en daar zijn de eerste levende wezens
geweest. De oceaan is hun wieg geweest, en de geleiachtige stof, waaruit de
afgietseldiertjes bestaan, is de vruchtbare stof geweest, waaruit zich het
levend organisme heeft ontwikkeld. Nog thans zijn de infusiediertjes de
talrijkste dieren der natuur, en die wier levenskracht het grootst is. Letten wij
b.v. op de amoeben (fig. 31). Stelt u voor een droppel, half-vaste, half-
doorschijnende, half-geleiachtige, gelijkslachtige stof, tot willekeurige
beweging in staat. Zij beweegt zich in verschillende richtingen, zet zich uit of
krimp weer in, en neemt de meest onregelmatige, meest onverwachte
gedaanten aan. Als men het diertje plaatst op het voorwerpglaasje van eenen
mikroskoop, glijdt het voort als een oliedroppel en verandert het telkens van
gedaante. Als een ware Proteus is het nu eens rond, dan weer langwerpig, of
gesterd, of gelobd.
Fig. 31. Amoeben.
Al die infusiediertjes zijn van trilharen voorzien, die hun voor alles dienen,
zoowel voor de beweging, als voor de voeding en de ademhaling.
breedte drijft, heeft men meer dan vijftig verschillende soorten gevonden.
Op plaatsen der zee, dieper gelegen dan de hoogte der hoogste bergen
bedraagt, leven in iedere waterlaag ontelbare scharen van bijna onzichtbare
bewoners.
Daar is de bakermat van het leven, en daar zijn de eerste levende wezens
geweest. De oceaan is hun wieg geweest, en de geleiachtige stof, waaruit de
afgietseldiertjes bestaan, is de vruchtbare stof geweest, waaruit zich het
levend organisme heeft ontwikkeld. Nog thans zijn de infusiediertjes de
talrijkste dieren der natuur, en die wier levenskracht het grootst is. Letten wij
b.v. op de amoeben (fig. 31). Stelt u voor een droppel, half-vaste, half-
doorschijnende, half-geleiachtige, gelijkslachtige stof, tot willekeurige
beweging in staat. Zij beweegt zich in verschillende richtingen, zet zich uit of
krimp weer in, en neemt de meest onregelmatige, meest onverwachte
gedaanten aan. Als men het diertje plaatst op het voorwerpglaasje van eenen
mikroskoop, glijdt het voort als een oliedroppel en verandert het telkens van
gedaante. Als een ware Proteus is het nu eens rond, dan weer langwerpig, of
gesterd, of gelobd.
Fig. 31. Amoeben.
Al die infusiediertjes zijn van trilharen voorzien, die hun voor alles dienen,
zoowel voor de beweging, als voor de voeding en de ademhaling.
Page 89
Deze wezens hebben als het ware het leven in ieder hunner deelen. Men kan
somtijds een zoodanig diertje zich zien oplossen in deelen, die voortzwemmen
als ware er niets geschied. Nadert men het water, waarin zij zwemmen, met
een’ penneveer in ammoniak gedompeld, dan staat het diertje stil, maar blijft
het de trilharen bewegen. Plotseling ontstaat er eene insnijding op een punt
van den omtrek; deze wordt langzamerhand grooter, totdat het geheele dier als
het ware opgelost is. Voegt men hier eenen droppel zuiver water bij, dan houdt
de ontleding plotseling op, en wat er van het dier nog over is, begint zich weer
te bewegen en te zwemmen, als ware er niets geschied.
Er zijn van die organismen, die na gedurende jaren op eenen zolder vergeten
en verdroogd te zijn, na bevochtiging weder herleven.
Al die kleine wezens kunnen tot de oudste der planeet gerekend worden. Op
alle breedten en op iedere diepte vindt men in onmetelijke banken versteende
foraminiferen. De steengroeven van Gentilly bevatten er wel 20 milliard op
eenen cubieken meter! Indien wij een huis voorbijgaan, dat afgebroken, of een
gebouw, dat opgetrokken wordt, dan ademen wij in de stofwolk, die ons
tegemoet waait, duizenden van die diertjes in. Die oneindig kleine wezens
hebben eilanden en bergen gebouwd, en eene meer belangrijke rol gespeeld
bij de vorming der aarde dan de grootste en schijnbaar belangrijkste dieren.
Die kleine wezens zullen ons in het volgende hoofdstuk onderrichten over de
geschiedenis van het leven op onze planeet; thans was het ons slechts te doen,
den oorsprong van het leven vast te stellen.
Geven wij dus in korte trekken het vorige weer: Wij kennen thans den
oorsprong van het leven op aarde; wij weten, dat alle levende wezens, en ook
de mensch, met elkander verwant zijn en aan dien oorsprong hun bestaan
ontleenen; wij weten ook, dat die oorsprong eene nederige organische stof is,
het gevolg van de physisch-chemische omstandigheden, die haar het aanzijn
geschonken hebben; wij weten ten slotte, dat de wet van den vooruitgang de
geheele schepping beheerscht.
somtijds een zoodanig diertje zich zien oplossen in deelen, die voortzwemmen
als ware er niets geschied. Nadert men het water, waarin zij zwemmen, met
een’ penneveer in ammoniak gedompeld, dan staat het diertje stil, maar blijft
het de trilharen bewegen. Plotseling ontstaat er eene insnijding op een punt
van den omtrek; deze wordt langzamerhand grooter, totdat het geheele dier als
het ware opgelost is. Voegt men hier eenen droppel zuiver water bij, dan houdt
de ontleding plotseling op, en wat er van het dier nog over is, begint zich weer
te bewegen en te zwemmen, als ware er niets geschied.
Er zijn van die organismen, die na gedurende jaren op eenen zolder vergeten
en verdroogd te zijn, na bevochtiging weder herleven.
Al die kleine wezens kunnen tot de oudste der planeet gerekend worden. Op
alle breedten en op iedere diepte vindt men in onmetelijke banken versteende
foraminiferen. De steengroeven van Gentilly bevatten er wel 20 milliard op
eenen cubieken meter! Indien wij een huis voorbijgaan, dat afgebroken, of een
gebouw, dat opgetrokken wordt, dan ademen wij in de stofwolk, die ons
tegemoet waait, duizenden van die diertjes in. Die oneindig kleine wezens
hebben eilanden en bergen gebouwd, en eene meer belangrijke rol gespeeld
bij de vorming der aarde dan de grootste en schijnbaar belangrijkste dieren.
Die kleine wezens zullen ons in het volgende hoofdstuk onderrichten over de
geschiedenis van het leven op onze planeet; thans was het ons slechts te doen,
den oorsprong van het leven vast te stellen.
Geven wij dus in korte trekken het vorige weer: Wij kennen thans den
oorsprong van het leven op aarde; wij weten, dat alle levende wezens, en ook
de mensch, met elkander verwant zijn en aan dien oorsprong hun bestaan
ontleenen; wij weten ook, dat die oorsprong eene nederige organische stof is,
het gevolg van de physisch-chemische omstandigheden, die haar het aanzijn
geschonken hebben; wij weten ten slotte, dat de wet van den vooruitgang de
geheele schepping beheerscht.
Page 90
Page 91
Tweede hoofdstuk
Page 92
Ontwikkeling van het leven.
Ten gevolge van den reusachtigen arbeid der laatste tijden zijn wij door
verbinding en vergelijking van al de wetenschappelijke veroveringen, die
elkander aanvullen, zóóver gekomen, dat wij eenen tip van den sluier kunnen
opheffen, die het geheim verborg, dat zoovele eeuwen bedolven was onder de
menigte schijnbaar ondoordringbare raadselen der natuur; wij hebben een blik
geslagen in de vorming der eerste organische stoffen, die weder uit de
verbinding van vroegere stoffen zijn afgeleid, welke zelf weer ontstaan waren
uit de verschillende groepeeringen der moleculen; wij hebben in gedachte de
trapsgewijze gedaanteverwisseling der aardnevelvlek gevolgd, van den
gasvormigen, als het ware onweegbaren toestand af tot aan den bouw van de
moleculen der als enkelvoudig beschouwde lichamen, en tot aan de
verschillende verbindingen, de omzettingen van kracht en stof, de bakermat
van het leven en de eerste bewerktuigde wezens, planten en dieren.
Die oorspronkelijke organische stof blijft na hare vorming niet onvruchtbaar.
Gehoorzamende aan de wet van den vooruitgang, ondergaat zij zelf
vervormingen, die de trapsgewijze ontwikkeling van het leven, de
verscheidenheid in organismen, de volmaking der wezens ten gevolge heeft.
Mogen al sommige geleerden beweerd hebben, dat de hoeveelheid leven op
aarde standvastig is, dit is eene dwaling. Bij den oorsprong van het leven was
er niet de minste verscheidenheid en geen verschil in soorten. Het aantal
soorten is van eeuw tot eeuw toegenomen door splitsing in de vorming der
bewerktuigde wezens, en ook het aantal levende wezens is van geslacht tot
geslacht toegenomen. Sedert de eerste vorming van het protoplasma is de
hoeveelheid leven, het aantal en de verscheidenheid der levende wezens,
steeds toegenomen.
Van den dag af, waarop zich de eerste hoeveelheid protoplasma gevormd
heeft, heeft het leven iets aan de aarde toegevoegd, iets onweegbaars, maar
toch eenen nieuwen vorm van werkzaamheid, iets wat de planeet voorheen
niet bezat: het leven, het gevoel, en later de gedachte. De volmaking van het
leven heeft voortdurend iets aan de natuur toegevoegd. De invloed van het
Ten gevolge van den reusachtigen arbeid der laatste tijden zijn wij door
verbinding en vergelijking van al de wetenschappelijke veroveringen, die
elkander aanvullen, zóóver gekomen, dat wij eenen tip van den sluier kunnen
opheffen, die het geheim verborg, dat zoovele eeuwen bedolven was onder de
menigte schijnbaar ondoordringbare raadselen der natuur; wij hebben een blik
geslagen in de vorming der eerste organische stoffen, die weder uit de
verbinding van vroegere stoffen zijn afgeleid, welke zelf weer ontstaan waren
uit de verschillende groepeeringen der moleculen; wij hebben in gedachte de
trapsgewijze gedaanteverwisseling der aardnevelvlek gevolgd, van den
gasvormigen, als het ware onweegbaren toestand af tot aan den bouw van de
moleculen der als enkelvoudig beschouwde lichamen, en tot aan de
verschillende verbindingen, de omzettingen van kracht en stof, de bakermat
van het leven en de eerste bewerktuigde wezens, planten en dieren.
Die oorspronkelijke organische stof blijft na hare vorming niet onvruchtbaar.
Gehoorzamende aan de wet van den vooruitgang, ondergaat zij zelf
vervormingen, die de trapsgewijze ontwikkeling van het leven, de
verscheidenheid in organismen, de volmaking der wezens ten gevolge heeft.
Mogen al sommige geleerden beweerd hebben, dat de hoeveelheid leven op
aarde standvastig is, dit is eene dwaling. Bij den oorsprong van het leven was
er niet de minste verscheidenheid en geen verschil in soorten. Het aantal
soorten is van eeuw tot eeuw toegenomen door splitsing in de vorming der
bewerktuigde wezens, en ook het aantal levende wezens is van geslacht tot
geslacht toegenomen. Sedert de eerste vorming van het protoplasma is de
hoeveelheid leven, het aantal en de verscheidenheid der levende wezens,
steeds toegenomen.
Van den dag af, waarop zich de eerste hoeveelheid protoplasma gevormd
heeft, heeft het leven iets aan de aarde toegevoegd, iets onweegbaars, maar
toch eenen nieuwen vorm van werkzaamheid, iets wat de planeet voorheen
niet bezat: het leven, het gevoel, en later de gedachte. De volmaking van het
leven heeft voortdurend iets aan de natuur toegevoegd. De invloed van het
Page 93
licht en de vorming van de gezichtszenuw; de invloed van het geluid en de
vorming van de gehoorzenuw; de langzame ontwikkeling der vijf zintuigen,
de vorming en de ontwikkeling van het zenuwstelsel, het ontstaan der eerste
indrukken, het zelfbewustzijn, eerst nog duister en onbepaald, langzamerhand
beter ontwikkeld, de gedachte, het geheugen, ziedaar langzame veroveringen
der levende wezens. Niets hiervan bestond op onze planeet vóór het ontstaan
van het leven. Het is dus inderdaad de geschiedenis eener doorloopende
schepping, welke wij hier beschrijven.
vorming van de gehoorzenuw; de langzame ontwikkeling der vijf zintuigen,
de vorming en de ontwikkeling van het zenuwstelsel, het ontstaan der eerste
indrukken, het zelfbewustzijn, eerst nog duister en onbepaald, langzamerhand
beter ontwikkeld, de gedachte, het geheugen, ziedaar langzame veroveringen
der levende wezens. Niets hiervan bestond op onze planeet vóór het ontstaan
van het leven. Het is dus inderdaad de geschiedenis eener doorloopende
schepping, welke wij hier beschrijven.
Page 94
De opklimming in het leven.
De geleerden, die op het voorbeeld van Haeckel meenen, dat het leven slechts
eene mechanische functie is, een bepaalde vorm van beweging, behoorende
tot het gebied der natuur- en scheikunde, tasten mis. De ontwikkeling van het
ei, dat een zoogdier, een’ vogel of een’ visch zal voortbrengen, behoort niet
uitsluitend tot het gebied dier wetenschappen. De werkzaamheid van plant of
De geleerden, die op het voorbeeld van Haeckel meenen, dat het leven slechts
eene mechanische functie is, een bepaalde vorm van beweging, behoorende
tot het gebied der natuur- en scheikunde, tasten mis. De ontwikkeling van het
ei, dat een zoogdier, een’ vogel of een’ visch zal voortbrengen, behoort niet
uitsluitend tot het gebied dier wetenschappen. De werkzaamheid van plant of
Page 95
dier, dat in zich de luchtmoleculen opneemt, of water, koolstof en andere
stoffen aan de omgeving onttrekken, waardoor het organisme in zijne kracht
en schoonheid onderhouden wordt, behoort niet uitsluitend tot het gebied der
natuur- en scheikunde, hoewel de levensverschijnselen er door beheerscht
worden. Er is nog iets meer.
De kracht, die de plant, het dier, den mensch doet leven, is eene omzetting der
natuurkrachten, die in de anorganische wereld werkzaam zijn. Sedert
Lavoisier is de oude vergelijking van het leven met eene brandende vlam
werkelijkheid geworden. Dezelfde scheikundige processen, die het vuur in de
onbewerktuigde natuur onderhouden, onderhouden het leven in de organische
natuur; de zuurstof oefent daarbij hare werking uit. Maar evenmin als het zuur
in het galvanisch element, of het zink en het koper, het electrisch uurwerk de
uren doet aanwijzen, evenmin brengt de stof de verschijnselen voort, die zich
in het leven openbaren, de stof is slechts de draagster van het leven.
De scheikundige verbindingen en de verwantschap der moleculen zijn
ontstaan na de zuiver mechanische periode van de geboorte der aarde, en zijn
het gevolg van den toestand, waarin kracht en stof toen verkeerden. Ook zij
hadden reeds iets nieuws toegevoegd aan den chaos der azoïsche periode. De
eerste vorming van het protoplasma, ontstaan uit de vroegere scheikundige
verbindingen, was tevens het begin van het leven. Er was toen noch ziel, noch
gedachte. De gedachte is bij de lagere dieren, de insecten, en de eerste
gewervelde dieren: visschen en kruipende dieren, ongetwijfeld het uitvloeisel
geweest van de ontwikkeling der zintuigen. Het leven is begonnen met eene
eenvoudig samengestelde stof, die nauwelijks de eigenschappen bezat, die wij
thans als uitingen van het leven kennen, en de kiem, de voortbrengster dier
oorspronkelijke organismen, is niets anders geweest, dan eene gelukkige
vereeniging van elementen, waardoor die nieuwe vorm van werkzaamheid in
het werk der schepping bepaald is. Evenals de electriciteit te voorschijn treedt
uit eene daartoe geschikt gemaakte batterij, zoo is ook de levenskracht
voortgekomen uit de groote werkplaats der natuur. Het protoplasma
ondervindt op zijne beurt den invloed, waardoor het zich langzamerhand
boven zijnen nederigen oorsprong verheft. Door zijn vermogen, om zich te
voeden, ontwikkelt het zich en verdeelt het zich: dit is de eerste wijze van
voortplanting geweest. Wel is het nog geene plant, maar het leeft, hernieuwt
zijn weefsel en plant zich voort.
stoffen aan de omgeving onttrekken, waardoor het organisme in zijne kracht
en schoonheid onderhouden wordt, behoort niet uitsluitend tot het gebied der
natuur- en scheikunde, hoewel de levensverschijnselen er door beheerscht
worden. Er is nog iets meer.
De kracht, die de plant, het dier, den mensch doet leven, is eene omzetting der
natuurkrachten, die in de anorganische wereld werkzaam zijn. Sedert
Lavoisier is de oude vergelijking van het leven met eene brandende vlam
werkelijkheid geworden. Dezelfde scheikundige processen, die het vuur in de
onbewerktuigde natuur onderhouden, onderhouden het leven in de organische
natuur; de zuurstof oefent daarbij hare werking uit. Maar evenmin als het zuur
in het galvanisch element, of het zink en het koper, het electrisch uurwerk de
uren doet aanwijzen, evenmin brengt de stof de verschijnselen voort, die zich
in het leven openbaren, de stof is slechts de draagster van het leven.
De scheikundige verbindingen en de verwantschap der moleculen zijn
ontstaan na de zuiver mechanische periode van de geboorte der aarde, en zijn
het gevolg van den toestand, waarin kracht en stof toen verkeerden. Ook zij
hadden reeds iets nieuws toegevoegd aan den chaos der azoïsche periode. De
eerste vorming van het protoplasma, ontstaan uit de vroegere scheikundige
verbindingen, was tevens het begin van het leven. Er was toen noch ziel, noch
gedachte. De gedachte is bij de lagere dieren, de insecten, en de eerste
gewervelde dieren: visschen en kruipende dieren, ongetwijfeld het uitvloeisel
geweest van de ontwikkeling der zintuigen. Het leven is begonnen met eene
eenvoudig samengestelde stof, die nauwelijks de eigenschappen bezat, die wij
thans als uitingen van het leven kennen, en de kiem, de voortbrengster dier
oorspronkelijke organismen, is niets anders geweest, dan eene gelukkige
vereeniging van elementen, waardoor die nieuwe vorm van werkzaamheid in
het werk der schepping bepaald is. Evenals de electriciteit te voorschijn treedt
uit eene daartoe geschikt gemaakte batterij, zoo is ook de levenskracht
voortgekomen uit de groote werkplaats der natuur. Het protoplasma
ondervindt op zijne beurt den invloed, waardoor het zich langzamerhand
boven zijnen nederigen oorsprong verheft. Door zijn vermogen, om zich te
voeden, ontwikkelt het zich en verdeelt het zich: dit is de eerste wijze van
voortplanting geweest. Wel is het nog geene plant, maar het leeft, hernieuwt
zijn weefsel en plant zich voort.
Page 96
Fig. 34. Microben in den dampkring, 1000 maal vergroot:
a, b, Vibrionen; c, d, Bacteriën; f, g, h, Micrococci.
Fig. 35.—1. Bacillen, 1000 maal vergroot; 2. gewone bacteriën,
1500 maal vergroot.
Die eiwitstof, die geleiachtige verbinding van koolstof, stikstof en zuurstof,
zal weldra andere stoffen, zooals zwavel, phosphorus, ijzer, zouten, in zich
opnemen, en van vorm en eigenschappen veranderen. Zoo zal het
protoplasma, na zich verdeeld te hebben in verschillende lichamen, die in
eigenschappen verschillen, het aanzijn schenken aan de moneren, de
foraminiferen, de eerste cryptogamen, de myxomyceten, de sponsen, het wier,
enz.
a, b, Vibrionen; c, d, Bacteriën; f, g, h, Micrococci.
Fig. 35.—1. Bacillen, 1000 maal vergroot; 2. gewone bacteriën,
1500 maal vergroot.
Die eiwitstof, die geleiachtige verbinding van koolstof, stikstof en zuurstof,
zal weldra andere stoffen, zooals zwavel, phosphorus, ijzer, zouten, in zich
opnemen, en van vorm en eigenschappen veranderen. Zoo zal het
protoplasma, na zich verdeeld te hebben in verschillende lichamen, die in
eigenschappen verschillen, het aanzijn schenken aan de moneren, de
foraminiferen, de eerste cryptogamen, de myxomyceten, de sponsen, het wier,
enz.
Page 97
Fig. 36.—Verschillende vormen van Diatomeën.
Wij hebben reeds kennis gemaakt met de verschillende moneren en gezien,
dat er een aantal verschillende soorten bestaan, die zich bijna alle voortplanten
door verdeeling van hun lichaam in twee gelijke deelen. Er zijn er echter
enkele, zooals de protomonas, de vampyrilla en de protomyxa, die zich op
eene andere wijze voortplanten. Op een bepaald tijdstip van hun leven trekken
zij hunne kleine trilharen in, die hun voor de beweging en als grijporganen
dienen, en veranderen zij in bolletjes. De buitenste laag dier bolletjes wordt
taaier dan die van het protoplasma en vormt eene soort van omhulsel,
waarbinnen het protoplasma zich verdeelt in een groot aantal kleine
bolvormige massa’s. Daarna breekt het omhulsel en komen de nieuw
gevormde lichamen naar buiten. Zoo vormen zich de zoösporen.
Wij hebben reeds kennis gemaakt met de verschillende moneren en gezien,
dat er een aantal verschillende soorten bestaan, die zich bijna alle voortplanten
door verdeeling van hun lichaam in twee gelijke deelen. Er zijn er echter
enkele, zooals de protomonas, de vampyrilla en de protomyxa, die zich op
eene andere wijze voortplanten. Op een bepaald tijdstip van hun leven trekken
zij hunne kleine trilharen in, die hun voor de beweging en als grijporganen
dienen, en veranderen zij in bolletjes. De buitenste laag dier bolletjes wordt
taaier dan die van het protoplasma en vormt eene soort van omhulsel,
waarbinnen het protoplasma zich verdeelt in een groot aantal kleine
bolvormige massa’s. Daarna breekt het omhulsel en komen de nieuw
gevormde lichamen naar buiten. Zoo vormen zich de zoösporen.
Page 98
Fig. 37. Verschillende vormen van Diatomeën.
De microben, waarvan men vooral in de laatste jaren zooveel spreekt, schijnen
ook niets anders dan moneren te zijn. Men heeft gewoonlijk geen denkbeeld,
hoe groot het aantal wezens is, dat overal in de lucht en in het water krioelt.
Gemiddeld bevat een cubieke meter lucht in eene volkrijke stad van drie- tot
vierduizend. Maar deze zijn eerst van jongeren datum, daar zij als parasieten
bij samenhoopingen van menschen gevonden worden en in volle zee en op de
bergen verdwijnen. Hunne levensvatbaarheid is verbazend, evenals die van de
meeste afgietseldiertjes. Eene enkele bacterie kan in 24 uren meer dan 15
millioen bacteriën voortbrengen! Sommige afgietseldiertjes kunnen als het
ware niet sterven. Spallanzani heeft door bevochtiging rotiferen doen
herleven, die dertig jaren lang uitgedroogd waren.1
De stamboom van het dierenrijk heeft zich evenmin als die van het
plantenrijk, gemakkelijk en spoedig ontwikkeld. Er was eene verbazende
ontwikkeling noodig, eer bepaalde moneren, die hun geheele leven het
De microben, waarvan men vooral in de laatste jaren zooveel spreekt, schijnen
ook niets anders dan moneren te zijn. Men heeft gewoonlijk geen denkbeeld,
hoe groot het aantal wezens is, dat overal in de lucht en in het water krioelt.
Gemiddeld bevat een cubieke meter lucht in eene volkrijke stad van drie- tot
vierduizend. Maar deze zijn eerst van jongeren datum, daar zij als parasieten
bij samenhoopingen van menschen gevonden worden en in volle zee en op de
bergen verdwijnen. Hunne levensvatbaarheid is verbazend, evenals die van de
meeste afgietseldiertjes. Eene enkele bacterie kan in 24 uren meer dan 15
millioen bacteriën voortbrengen! Sommige afgietseldiertjes kunnen als het
ware niet sterven. Spallanzani heeft door bevochtiging rotiferen doen
herleven, die dertig jaren lang uitgedroogd waren.1
De stamboom van het dierenrijk heeft zich evenmin als die van het
plantenrijk, gemakkelijk en spoedig ontwikkeld. Er was eene verbazende
ontwikkeling noodig, eer bepaalde moneren, die hun geheele leven het
Page 99
omhulsel behielden, dat het protoplasma van enkele hunner tijdelijk
beschermt, in staat geworden waren, om onmiddellijk van het water en de
lucht, die meer of min met minerale stoffen bezwangerd waren, de
grondstoffen voor hunnen bouw te verkrijgen. Van dien dag af is het
plantenrijk op de aarde verschenen langen tijd waren de moneren de eenige
bewoners der aarde, en daaruit zijn langzamerhand naast elkander te
voorschijn getreden de wezens, die later de aarde zouden bedekken met haar
groen kleed of aan de weiden en de bosschen hunne tallooze bewoners zouden
verschaffen.
Fig. 38. Verschillende vormen van Diatomeën.
De planten zijn niet de voorouders der dieren. Het zijn twee verschillende
werelden, die alleen denzelfden oorsprong hebben. Het zou mogelijk geweest
zijn, dat alleen dieren bestonden, hetgeen het geval zou geweest zijn, als geen
der oorspronkelijke organismen zich aan den bodem had vastgehecht. Ook
zou het mogelijk geweest zijn, dat alleen planten gevormd waren, hetgeen het
beschermt, in staat geworden waren, om onmiddellijk van het water en de
lucht, die meer of min met minerale stoffen bezwangerd waren, de
grondstoffen voor hunnen bouw te verkrijgen. Van dien dag af is het
plantenrijk op de aarde verschenen langen tijd waren de moneren de eenige
bewoners der aarde, en daaruit zijn langzamerhand naast elkander te
voorschijn getreden de wezens, die later de aarde zouden bedekken met haar
groen kleed of aan de weiden en de bosschen hunne tallooze bewoners zouden
verschaffen.
Fig. 38. Verschillende vormen van Diatomeën.
De planten zijn niet de voorouders der dieren. Het zijn twee verschillende
werelden, die alleen denzelfden oorsprong hebben. Het zou mogelijk geweest
zijn, dat alleen dieren bestonden, hetgeen het geval zou geweest zijn, als geen
der oorspronkelijke organismen zich aan den bodem had vastgehecht. Ook
zou het mogelijk geweest zijn, dat alleen planten gevormd waren, hetgeen het
Page 100
geval geweest ware, indien alle oorspronkelijke organismen uit den bodem
gevormd waren, hetzij in de vrije lucht, hetzij in de diepte der wateren. Ook
had het kunnen zijn, dat het dierenrijk evenals het plantenrijk zich geheel
anders had ontwikkeld, dan het geval geweest is; daartoe hadden slechts de
omstandigheden, zooals de elementen, de warmte, de zwaartekracht, de
dichtheid, het licht en andere moeten verschillen van die, waaronder de
organismen thans gevormd zijn. De vormen, waaronder het leven op de
overige werelden optreedt, moeten geheel verschillend zijn van die op aarde.
Hoe moeten wij ons deze echter denken? Zouden wij ons boomen, vruchten
en bloemen kunnen voorstellen, indien er geen plantenwereld op onze planeet
bestond?
Fig. 39. Diatomëe (400 malen vergroot).
Wat ons het meeste treffen moet bij onze studie der eerste bewerktuigde
wezens op aarde, zijn hunne bijzonder kleine afmetingen: de meeste zijn
mikroskopisch klein. De eerste uiting der levenskracht was hoogst bescheiden,
alsof de natuur eerst hare krachten beproeven wilde, vóórdat zij zich te ver
gevormd waren, hetzij in de vrije lucht, hetzij in de diepte der wateren. Ook
had het kunnen zijn, dat het dierenrijk evenals het plantenrijk zich geheel
anders had ontwikkeld, dan het geval geweest is; daartoe hadden slechts de
omstandigheden, zooals de elementen, de warmte, de zwaartekracht, de
dichtheid, het licht en andere moeten verschillen van die, waaronder de
organismen thans gevormd zijn. De vormen, waaronder het leven op de
overige werelden optreedt, moeten geheel verschillend zijn van die op aarde.
Hoe moeten wij ons deze echter denken? Zouden wij ons boomen, vruchten
en bloemen kunnen voorstellen, indien er geen plantenwereld op onze planeet
bestond?
Fig. 39. Diatomëe (400 malen vergroot).
Wat ons het meeste treffen moet bij onze studie der eerste bewerktuigde
wezens op aarde, zijn hunne bijzonder kleine afmetingen: de meeste zijn
mikroskopisch klein. De eerste uiting der levenskracht was hoogst bescheiden,
alsof de natuur eerst hare krachten beproeven wilde, vóórdat zij zich te ver
Page 101
van het onbewerktuigde rijk verwijderde. Minerva is niet in volle
wapenrusting uit het hoofd van Jupiter te voorschijn getreden. Maar al zijn die
wezens klein, zij zijn ontelbaar in aantal. Enkele terreinen bestaan uitsluitend
uit mikroskopische versteeningen van die oude wezens, waarvan een groot
aantal soorten nog in onzen tijd voorkomen. Ehrenberg heeft in éénen
cubieken centimeter krijt vijfhonderdduizend versteende foraminiferen
gevonden; Max-Schultze schatte het aantal van die skeletten in 30 grammen
zand van de haven van Gaeta op 1½ millioen. Zij vormen dikwijls geheele
bergen. Geheele eilanden, zooals Barbados, bestaan uitsluitend daaruit. Het
krijt bestaat uit de overblijfselen van mikroskopische dieren en planten; geen
stamper is fijn genoeg om de kleine wezens te verbrijzelen. Fig. 40 is een deel
van het oppervlak van een geglaceerd visitekaartje, tweehonderd malen
vergroot, zooals dit door Ehrenberg reeds in 1842 is waargenomen.
Foraminiferen, diatomeën en andere lagere diertjes zijn bij duizenden
opgehoopt in de krijt- en kiezelrijke terreinen; volgens Ehrenberg kan een
cubieke duim 40 millioen diertjes bevatten. Ook hier zijn de moleculen
meetkundig gerangschikt.
Fig. 40. Krijtschelpen van een geglaceerd visitekaartje.
wapenrusting uit het hoofd van Jupiter te voorschijn getreden. Maar al zijn die
wezens klein, zij zijn ontelbaar in aantal. Enkele terreinen bestaan uitsluitend
uit mikroskopische versteeningen van die oude wezens, waarvan een groot
aantal soorten nog in onzen tijd voorkomen. Ehrenberg heeft in éénen
cubieken centimeter krijt vijfhonderdduizend versteende foraminiferen
gevonden; Max-Schultze schatte het aantal van die skeletten in 30 grammen
zand van de haven van Gaeta op 1½ millioen. Zij vormen dikwijls geheele
bergen. Geheele eilanden, zooals Barbados, bestaan uitsluitend daaruit. Het
krijt bestaat uit de overblijfselen van mikroskopische dieren en planten; geen
stamper is fijn genoeg om de kleine wezens te verbrijzelen. Fig. 40 is een deel
van het oppervlak van een geglaceerd visitekaartje, tweehonderd malen
vergroot, zooals dit door Ehrenberg reeds in 1842 is waargenomen.
Foraminiferen, diatomeën en andere lagere diertjes zijn bij duizenden
opgehoopt in de krijt- en kiezelrijke terreinen; volgens Ehrenberg kan een
cubieke duim 40 millioen diertjes bevatten. Ook hier zijn de moleculen
meetkundig gerangschikt.
Fig. 40. Krijtschelpen van een geglaceerd visitekaartje.
Page 102
De foraminiferen, zoo genoemd omdat hunne schaal van kiezel tallooze
gaatjes bevat; de rhizopoden (wortelpootigen), die stralen, stekels, haartjes om
zich heen hebben, bestaan evenals de moneren alleen uit protoplasma, en hun
skelet bestaat uit kiezel evenals het bergkristal. De organische draden van
deze dieren houden reeds door hunne aanraking de afgietseldiertjes of de
kleine schaaldieren tegen, die om hen heen drijven; zij grijpen ze vast,
omringen ze met hun slijmerig net, lossen ze op en voeden zich er mede. De
foraminiferen zijn mikroskopische diertjes; de rhizopoden kunnen somtijds de
grootte van eenen speldeknop bereiken. De eerste onttrekken het kiezel aan
het omringende water; de tweede scheiden koolzure kalk af. Beide leven nog
steeds in de diepte der zee. Deze oorspronkelijke wezens zijn niet uitsluitend
uit de anorganische wereld voortgekomen. De koolzure kalk kristalliseert bij
de rhizopoden in meetkundige vormen, die gewijzigd worden onder den
scheikundigen invloed van het eiwitachtige protoplasma, maar toch in
meetkundige vormen, evenals de sneeuw, het ijs, de kristallen enz. Beide
soorten van dieren komen in tallooze vormen voor. Zij zijn geslachtloos en
planten zich, evenals vele planten, door insnoering voort. Geene enkele der
voorwaarden voor vooruitgang is in haar aanwezig, geen strijd om het bestaan
of wedijver, want zij hebben eeuwen bestaan zonder te veranderen, en zijn dus
niet de stamvaders geworden van eene volmaakter soort.
Die kleine wezens verdienen reeds den naam van dieren. De amoeben,
waarmede wij reeds vroeger kennis gemaakt hebben, die niets anders zijn dan
protoplasma, en die zich eenvoudig voortplanten door eene verdeeling in twee
deelen, verdienden evenmin dien naam, als dien van planten. Een eerste stap
voorwaarts was het, toen het protoplasma geschikt werd, om een vliezig
omhulsel af te scheiden, waarbinnen het zich in meer of minder deelen
verdeelen kon. Is het omhulsel van eiwitachtigen aard, dan is het wezen, dat
dit omhulsel voortbracht, van dierlijken aard; is het daarentegen celstof, dan
nadert het wezen tot het plantenrijk. De eiwitstoffen zijn meer of min
buigzaam, de celstof is dit niet; hieruit volgt, dat in het eerste geval de
bewegingen van het protoplasma zich naar buiten kunnen openbaren; in het
tweede geval daarentegen niet. Daarom zijn de dieren in staat zich te
bewegen, terwijl het grootste aantal planten haar geheele leven onbewegelijk
zijn.
gaatjes bevat; de rhizopoden (wortelpootigen), die stralen, stekels, haartjes om
zich heen hebben, bestaan evenals de moneren alleen uit protoplasma, en hun
skelet bestaat uit kiezel evenals het bergkristal. De organische draden van
deze dieren houden reeds door hunne aanraking de afgietseldiertjes of de
kleine schaaldieren tegen, die om hen heen drijven; zij grijpen ze vast,
omringen ze met hun slijmerig net, lossen ze op en voeden zich er mede. De
foraminiferen zijn mikroskopische diertjes; de rhizopoden kunnen somtijds de
grootte van eenen speldeknop bereiken. De eerste onttrekken het kiezel aan
het omringende water; de tweede scheiden koolzure kalk af. Beide leven nog
steeds in de diepte der zee. Deze oorspronkelijke wezens zijn niet uitsluitend
uit de anorganische wereld voortgekomen. De koolzure kalk kristalliseert bij
de rhizopoden in meetkundige vormen, die gewijzigd worden onder den
scheikundigen invloed van het eiwitachtige protoplasma, maar toch in
meetkundige vormen, evenals de sneeuw, het ijs, de kristallen enz. Beide
soorten van dieren komen in tallooze vormen voor. Zij zijn geslachtloos en
planten zich, evenals vele planten, door insnoering voort. Geene enkele der
voorwaarden voor vooruitgang is in haar aanwezig, geen strijd om het bestaan
of wedijver, want zij hebben eeuwen bestaan zonder te veranderen, en zijn dus
niet de stamvaders geworden van eene volmaakter soort.
Die kleine wezens verdienen reeds den naam van dieren. De amoeben,
waarmede wij reeds vroeger kennis gemaakt hebben, die niets anders zijn dan
protoplasma, en die zich eenvoudig voortplanten door eene verdeeling in twee
deelen, verdienden evenmin dien naam, als dien van planten. Een eerste stap
voorwaarts was het, toen het protoplasma geschikt werd, om een vliezig
omhulsel af te scheiden, waarbinnen het zich in meer of minder deelen
verdeelen kon. Is het omhulsel van eiwitachtigen aard, dan is het wezen, dat
dit omhulsel voortbracht, van dierlijken aard; is het daarentegen celstof, dan
nadert het wezen tot het plantenrijk. De eiwitstoffen zijn meer of min
buigzaam, de celstof is dit niet; hieruit volgt, dat in het eerste geval de
bewegingen van het protoplasma zich naar buiten kunnen openbaren; in het
tweede geval daarentegen niet. Daarom zijn de dieren in staat zich te
bewegen, terwijl het grootste aantal planten haar geheele leven onbewegelijk
zijn.
Page 103
Fig. 41. Protisten. (Tusschenvormen tusschen dieren en planten).
Zweepdragende afgietseldiertjes.—1. Astasia.—2. Phacus.—3.
Euglena.—4. Dinobryon sertularia.
Vóór dien stap voorwaarts, waren de organismen noch planten, noch dieren,
hoewel zij reeds samengestelder waren dan de moneren en de amoeben. Er
bestaan nog heden talrijke afstammelingen van die wezens, die een ieder kan
bestudeeren. De zweepdragende afgietseldiertjes, zoo genoemd, omdat zij
Zweepdragende afgietseldiertjes.—1. Astasia.—2. Phacus.—3.
Euglena.—4. Dinobryon sertularia.
Vóór dien stap voorwaarts, waren de organismen noch planten, noch dieren,
hoewel zij reeds samengestelder waren dan de moneren en de amoeben. Er
bestaan nog heden talrijke afstammelingen van die wezens, die een ieder kan
bestudeeren. De zweepdragende afgietseldiertjes, zoo genoemd, omdat zij
Page 104
gewoonlijk eene soort zweep aan hun uiteinde dragen, behooren tot die
tusschenvormen, die protisten, die noch plant noch dier zijn. Zij nemen alle
mogelijke vormen aan. Enkele zijn eivormig en roodachtig, andere zijn
bladvormig plat; weer andere zijn uitgerekt in den vorm van staafjes; nog
andere leven in kokers, die in boomvormige koloniën vertakt zijn. Die
organismen zijn dikwijls de oorzaak van het roodkleuren van den regen of de
sneeuw, welk verschijnsel eertijds door het bijgeloof van het angstige volk aan
bloed werd toegeschreven.
Fig. 42. Magosphaera planula.
Tot dezelfde klasse van tusschenvormen behoort ook de Magosphaera planula,
in 1869 door Haeckel in de Noordzee ontdekt. Het is een lichaam bestaande
tusschenvormen, die protisten, die noch plant noch dier zijn. Zij nemen alle
mogelijke vormen aan. Enkele zijn eivormig en roodachtig, andere zijn
bladvormig plat; weer andere zijn uitgerekt in den vorm van staafjes; nog
andere leven in kokers, die in boomvormige koloniën vertakt zijn. Die
organismen zijn dikwijls de oorzaak van het roodkleuren van den regen of de
sneeuw, welk verschijnsel eertijds door het bijgeloof van het angstige volk aan
bloed werd toegeschreven.
Fig. 42. Magosphaera planula.
Tot dezelfde klasse van tusschenvormen behoort ook de Magosphaera planula,
in 1869 door Haeckel in de Noordzee ontdekt. Het is een lichaam bestaande
Page 105
uit 32 pyramiden, met hare toppen onderling verbonden (fig. 42 nº. 1; nº. 2 is
eene doorsnede door het middelpunt gaande). Met behulp der trilharen zwemt
het evenals de volvox ronddraaiend voort. Op een bepaald oogenblik valt het
lichaam uiteen, de vrijgeworden cellen gaan weg, verschillende grootten en
vormen aannemend (nº. 3, 4 en 5), daarna nemen zij den bolvorm aan en
gelijken zij op kleine eieren (nº. 6). Die eieren behoeven niet bevrucht te
worden. Ieder van deze verdeelt zich weder in 2, 4, 8, 16 en 32 cellen (nº. 7)
en brengt weder een wezen voort, dat overeenkomt met dat, waaruit het is
voortgekomen.
Wij zeiden reeds, dat die organismen geen der karakteristieke kenteekenen
van het planten- of dierenrijk bezitten. Tot dezelfde soort van wezens
behooren ook de myxomyceten, die zich des zomers in menigte ontwikkelen
op de eikenkrullen. Het zijn slijmachtige, oranjekleurige massa’s, die
verlengsels bezitten evenals de pseudopoden der amoeben, en die zich kunnen
verplaatsen en zich voeden door vreemde stoffen op te nemen. Het zijn
ongetwijfeld de voorouders der paddestoelen, die reeds tot het plantenrijk
behooren.
De Noctiluca miliaris (zeevonk) en het
Peridinium, waaraan grootendeels het
phosphoresceeren der zee moet
worden toegeschreven, zijn eveneens
tusschenvormen. Allen, die een tijd
lang des zomers aan het strand der zee
hebben doorgebracht, kennen dit
schoone verschijnsel. Voornamelijk na
warme en na stormachtige dagen
treedt het zeer sterk op. Het zeewater
bevat somtijds 25000 van die wezens
Fig. 43. Noctiluca miliaris.
in 30 cub. centimeters water. De zee
schijnt dan verlicht, alsof eene Najade
over de golven glijdt en het phosphoresceerende licht ontsteekt. Die protist is
als het ware slechts een bolletje doorschijnend gelei.
Indien men het water beweegt, spatten er duizenden vonken uit: als men de
armen dompelt in eenen emmer zeewater, dan ziet men het vuur langs de huid
eene doorsnede door het middelpunt gaande). Met behulp der trilharen zwemt
het evenals de volvox ronddraaiend voort. Op een bepaald oogenblik valt het
lichaam uiteen, de vrijgeworden cellen gaan weg, verschillende grootten en
vormen aannemend (nº. 3, 4 en 5), daarna nemen zij den bolvorm aan en
gelijken zij op kleine eieren (nº. 6). Die eieren behoeven niet bevrucht te
worden. Ieder van deze verdeelt zich weder in 2, 4, 8, 16 en 32 cellen (nº. 7)
en brengt weder een wezen voort, dat overeenkomt met dat, waaruit het is
voortgekomen.
Wij zeiden reeds, dat die organismen geen der karakteristieke kenteekenen
van het planten- of dierenrijk bezitten. Tot dezelfde soort van wezens
behooren ook de myxomyceten, die zich des zomers in menigte ontwikkelen
op de eikenkrullen. Het zijn slijmachtige, oranjekleurige massa’s, die
verlengsels bezitten evenals de pseudopoden der amoeben, en die zich kunnen
verplaatsen en zich voeden door vreemde stoffen op te nemen. Het zijn
ongetwijfeld de voorouders der paddestoelen, die reeds tot het plantenrijk
behooren.
De Noctiluca miliaris (zeevonk) en het
Peridinium, waaraan grootendeels het
phosphoresceeren der zee moet
worden toegeschreven, zijn eveneens
tusschenvormen. Allen, die een tijd
lang des zomers aan het strand der zee
hebben doorgebracht, kennen dit
schoone verschijnsel. Voornamelijk na
warme en na stormachtige dagen
treedt het zeer sterk op. Het zeewater
bevat somtijds 25000 van die wezens
Fig. 43. Noctiluca miliaris.
in 30 cub. centimeters water. De zee
schijnt dan verlicht, alsof eene Najade
over de golven glijdt en het phosphoresceerende licht ontsteekt. Die protist is
als het ware slechts een bolletje doorschijnend gelei.
Indien men het water beweegt, spatten er duizenden vonken uit: als men de
armen dompelt in eenen emmer zeewater, dan ziet men het vuur langs de huid
Page 106
opkruipen.
Dit zijn de ware zoöphyten, plantdieren, de eerste pogingen der natuur, om
aan het leven vorm te geven.
Fig. 44. Men zou meenen, eene Najade over de golven te zien voortglijden, het
phosphoresceeren veroorzakend.
Verder ontwikkeld dan de vorige organismen zijn de sponsen, die nog op de
grens gelegen zijn van beide rijken; zij zijn aan den grond bevestigd als
planten, maar voeden zich op de wijze der dieren. De spons is eene
verzameling van amoeben en zweepdragende afgietseldiertjes, die hunne
persoonlijkheid verliezen, om op te gaan in de gemeenschappelijke massa.
Deze massa leeft, ondervindt indrukken, kan zich samentrekken of uitzetten,
ontvangt het water, dat haar voedt, doet het door haar lichaam stroomen en
verjaagt het weer. Het plant zich zelf voort, schenkt het aanzijn aan
amoebencellen, die in het water drijven en zich vasthechten aan oneffenheden
van den bodem, om eene nieuwe spons te vormen. Er is echter nog geene
geslachtsvoortplanting, en dus nog geene vaststaande soortkenmerken.
Dit zijn de ware zoöphyten, plantdieren, de eerste pogingen der natuur, om
aan het leven vorm te geven.
Fig. 44. Men zou meenen, eene Najade over de golven te zien voortglijden, het
phosphoresceeren veroorzakend.
Verder ontwikkeld dan de vorige organismen zijn de sponsen, die nog op de
grens gelegen zijn van beide rijken; zij zijn aan den grond bevestigd als
planten, maar voeden zich op de wijze der dieren. De spons is eene
verzameling van amoeben en zweepdragende afgietseldiertjes, die hunne
persoonlijkheid verliezen, om op te gaan in de gemeenschappelijke massa.
Deze massa leeft, ondervindt indrukken, kan zich samentrekken of uitzetten,
ontvangt het water, dat haar voedt, doet het door haar lichaam stroomen en
verjaagt het weer. Het plant zich zelf voort, schenkt het aanzijn aan
amoebencellen, die in het water drijven en zich vasthechten aan oneffenheden
van den bodem, om eene nieuwe spons te vormen. Er is echter nog geene
geslachtsvoortplanting, en dus nog geene vaststaande soortkenmerken.
Page 107
Die kenmerken komen eerst voor den dag bij de hydra’s.2 Hier treedt de
persoonlijkheid veel sterker op den voorgrond dan bij de vorige organismen.
De hydra’s of zoetwaterpolypen worden in poelen gevonden. Het voedsel
treedt weer uit dezelfde opening, waardoor het is binnengetreden. Om zich te
verplaatsen buigt het dier zijn lichaam in eenen boog, hecht het den mond vast
tegen het voorwerp, waartegen het steunt, maakt den voet los, trekt dien weer
naar den mond, plaatst den mond weer wat verder en zoo vervolgens.
Gewoonlijk volbrengen zij die bewegingen, om in het licht te komen, hoewel
zij geene oogen bezitten, somtijds ook om hunne prooi te zoeken.
En toch, wat vreemde wezens! Men kan ze in stukken snijden, zonder ze te
dooden; integendeel: uit ééne enkele hydra kan men er twee, drie, ja zelfs tien
maken. Men kan ze ook als een handschoen omkeeren, zonder dat dit invloed
heeft op hare spijsvertering: de buitenoppervlakte wordt dadelijk maag. Men
kan ze aan elkander vastmaken, ze enten als boomtakken enz.
Is eene
hydra
overlan
gs in
twee
helften
gesned
en, dan
Fig. 45. De zoetwaterhydra en hare beweging. zal
iedere
helft in minder dan vier-en twintig uren zich weer sluiten en zoo eene nieuwe
hydra vormen, in staat eene prooi te grijpen. Indien men haar overdwars
doorsnijdt, dan zal de voorste helft in twee dagen weder eenen voet
verkrijgen, en de achterste helft weer nieuwe armen. Indien men eene hydra
eerst overlangs doorsnijdt, en daarna elk der helften overdwars, dan heeft men
na verloop van acht dagen vier hydra’s. Zoo heeft Trembley uit ééne hydra
vijftig nieuwe wezens gevormd.
persoonlijkheid veel sterker op den voorgrond dan bij de vorige organismen.
De hydra’s of zoetwaterpolypen worden in poelen gevonden. Het voedsel
treedt weer uit dezelfde opening, waardoor het is binnengetreden. Om zich te
verplaatsen buigt het dier zijn lichaam in eenen boog, hecht het den mond vast
tegen het voorwerp, waartegen het steunt, maakt den voet los, trekt dien weer
naar den mond, plaatst den mond weer wat verder en zoo vervolgens.
Gewoonlijk volbrengen zij die bewegingen, om in het licht te komen, hoewel
zij geene oogen bezitten, somtijds ook om hunne prooi te zoeken.
En toch, wat vreemde wezens! Men kan ze in stukken snijden, zonder ze te
dooden; integendeel: uit ééne enkele hydra kan men er twee, drie, ja zelfs tien
maken. Men kan ze ook als een handschoen omkeeren, zonder dat dit invloed
heeft op hare spijsvertering: de buitenoppervlakte wordt dadelijk maag. Men
kan ze aan elkander vastmaken, ze enten als boomtakken enz.
Is eene
hydra
overlan
gs in
twee
helften
gesned
en, dan
Fig. 45. De zoetwaterhydra en hare beweging. zal
iedere
helft in minder dan vier-en twintig uren zich weer sluiten en zoo eene nieuwe
hydra vormen, in staat eene prooi te grijpen. Indien men haar overdwars
doorsnijdt, dan zal de voorste helft in twee dagen weder eenen voet
verkrijgen, en de achterste helft weer nieuwe armen. Indien men eene hydra
eerst overlangs doorsnijdt, en daarna elk der helften overdwars, dan heeft men
na verloop van acht dagen vier hydra’s. Zoo heeft Trembley uit ééne hydra
vijftig nieuwe wezens gevormd.
Page 108
Fig. 46. Zoetwaterhydra. (Cordylophora lacustris).
Men kan ook, zoools wij zooeven opmerkten, dat vreemde dier omkeeren.
Terwijl bij de sponsen, het endoderm (de binnenste cellaag) zeer veel van het
ectoderm (de buitenoppervlakte) verschilt, komen beide bij de hydra’s bijna
geheel overeen. Men kan van het ectoderm naar willekeur endoderm maken
en omgekeerd. Daarvoor behoeft men de polyp slechts om te keeren. Dan
moet de vroegere buitenoppervlakte het voedsel kunnen verteren, en de
vroegere binnenoppervlakte het beschermende en gevoelige deel van het
lichaam worden.
Men kan ook, zoools wij zooeven opmerkten, dat vreemde dier omkeeren.
Terwijl bij de sponsen, het endoderm (de binnenste cellaag) zeer veel van het
ectoderm (de buitenoppervlakte) verschilt, komen beide bij de hydra’s bijna
geheel overeen. Men kan van het ectoderm naar willekeur endoderm maken
en omgekeerd. Daarvoor behoeft men de polyp slechts om te keeren. Dan
moet de vroegere buitenoppervlakte het voedsel kunnen verteren, en de
vroegere binnenoppervlakte het beschermende en gevoelige deel van het
lichaam worden.
Page 109
Toch heeft dat omkeeren niet de minste schadelijke uitwerking. Eenige uren
lang schijnt het dier minder op zijn gemak en doet het pogingen, (die dikwijls
gelukken), om in zijnen vroegeren toestand terug te keeren. Maar gelukt dit
niet, dan weet het zich in zijnen nieuwen toestand te schikken, en ziet men het
de armen uitstrekken om een ruim maal te doen en den verloren tijd in te
halen. Indien men eene hydra omkeert en dan door eene andere laat inslikken,
dan raken de beide binnenoppervlakten elkander aan, en zullen deze zich
zóódanig aan elkander vasthechten, dat de twee dieren na verloop van enkele
dagen één wezen vormen! Men ziet, hoe die weefsels zich schikken in de
verandering hunner omgeving, en veranderen. Hunne physiologische
eigenschappen, hunne scheikundige samenstelling worden meer of minder
gewijzigd, en dit is dan ook één der vruchtbaarste bronnen voor de splitsing
van het dierenrijk.
De hydra’s planten zich voort door knopvorming; eene kleine hydra groeit op
bet lichaam der eerste en ontwikkelt daar; na eenigen tijd geraakt zij los en
leeft zij afzonderlijk. Somtijds dragen zij tot vijf jongen op verschillende
trappen van ontwikkeling. Er zijn nog geene geslachten: de jongen groeien
naarmate van het voedsel, dat de polyp heeft opgenomen, en de temperatuur.
Maar reeds openbaart zich de neiging tot geslachtsvoortplanting. In het laatst
van den zomer ziet men dikwijls bij de Cordylophora eene wijze van
voortplanting, die van de vorige verschilt. De jeugdige polypen veranderen, in
stede van zich tot individuen te ontwikkelen, in bolronde zakjes, waarvan
sommige eitjes en andere mannelijke organen bevatten. Dit is een nieuwe stap
der natuur op het gebied der uitingen van het leven.
lang schijnt het dier minder op zijn gemak en doet het pogingen, (die dikwijls
gelukken), om in zijnen vroegeren toestand terug te keeren. Maar gelukt dit
niet, dan weet het zich in zijnen nieuwen toestand te schikken, en ziet men het
de armen uitstrekken om een ruim maal te doen en den verloren tijd in te
halen. Indien men eene hydra omkeert en dan door eene andere laat inslikken,
dan raken de beide binnenoppervlakten elkander aan, en zullen deze zich
zóódanig aan elkander vasthechten, dat de twee dieren na verloop van enkele
dagen één wezen vormen! Men ziet, hoe die weefsels zich schikken in de
verandering hunner omgeving, en veranderen. Hunne physiologische
eigenschappen, hunne scheikundige samenstelling worden meer of minder
gewijzigd, en dit is dan ook één der vruchtbaarste bronnen voor de splitsing
van het dierenrijk.
De hydra’s planten zich voort door knopvorming; eene kleine hydra groeit op
bet lichaam der eerste en ontwikkelt daar; na eenigen tijd geraakt zij los en
leeft zij afzonderlijk. Somtijds dragen zij tot vijf jongen op verschillende
trappen van ontwikkeling. Er zijn nog geene geslachten: de jongen groeien
naarmate van het voedsel, dat de polyp heeft opgenomen, en de temperatuur.
Maar reeds openbaart zich de neiging tot geslachtsvoortplanting. In het laatst
van den zomer ziet men dikwijls bij de Cordylophora eene wijze van
voortplanting, die van de vorige verschilt. De jeugdige polypen veranderen, in
stede van zich tot individuen te ontwikkelen, in bolronde zakjes, waarvan
sommige eitjes en andere mannelijke organen bevatten. Dit is een nieuwe stap
der natuur op het gebied der uitingen van het leven.
Page 110
Fig. 47. De vorming van Medusen. (Bougainvillia ramosa).
1. De polypvormige voedster draagt medusen op
verschillende trappen van ontwikkeling.—2. Losgelaten
medusa.
Die stap tot de vorming der geslachten vormt den overgang tusschen de
polypen en de medusen, die vreemdsoortige schijven gelei, die iedereen
dikwijls aan het strand gezien heeft, of in den vorm van halve bollen in het
water heeft zien drijven. Langen tijd hebben de beoefenaars der dierkunde
gezocht naar de wijze van ontstaan van die wezens; men had ze zorgvuldig
van de polypen onderscheiden, terwijl zij inderdaad dochters daarvan zijn. Zij
1. De polypvormige voedster draagt medusen op
verschillende trappen van ontwikkeling.—2. Losgelaten
medusa.
Die stap tot de vorming der geslachten vormt den overgang tusschen de
polypen en de medusen, die vreemdsoortige schijven gelei, die iedereen
dikwijls aan het strand gezien heeft, of in den vorm van halve bollen in het
water heeft zien drijven. Langen tijd hebben de beoefenaars der dierkunde
gezocht naar de wijze van ontstaan van die wezens; men had ze zorgvuldig
van de polypen onderscheiden, terwijl zij inderdaad dochters daarvan zijn. Zij
Page 111
ontstaan uit bepaalde polypen, Scyphistomen, langs een rij van vreemdsoortige
overgangen, die men aldus kan samenvatten: de scyphistoma, die zeer veel op
de andere zoetwaterhydra’s gelijkt, verandert in eene geheel andere polyp,
Strobila genaamd; deze verandert in eene reeks segmenten, die men niet beter
vergelijken kan dan met eenen stapel borden, die één voor één losraken en
nieuwe medusen worden. Deze worden grooter, haar scherm neemt toe, krijgt
insnijdingen en vangarmen. Volwassen geworden, verkrijgen zij eieren en
mannelijke organen, en die eieren geven weder het aanzijn aan waterpolypen,
waaruit nieuwe medusen ontstaan. Dit zijn geene gedaanteverwisselingen als
bij de insecten (die toen trouwens nog niet bestonden), het zijn merkwaardige
voortbrengselen van wisselende voortplanting. Wat zijn de oorzaken dier
wisselingen? De hydra’s ontstaan uit bevruchte eieren, de medusen uit hydra’s
zonder voorafgaande bevruchting, door eenvoudige verdeeling van het
lichaam, door knopvorming en loslating.
overgangen, die men aldus kan samenvatten: de scyphistoma, die zeer veel op
de andere zoetwaterhydra’s gelijkt, verandert in eene geheel andere polyp,
Strobila genaamd; deze verandert in eene reeks segmenten, die men niet beter
vergelijken kan dan met eenen stapel borden, die één voor één losraken en
nieuwe medusen worden. Deze worden grooter, haar scherm neemt toe, krijgt
insnijdingen en vangarmen. Volwassen geworden, verkrijgen zij eieren en
mannelijke organen, en die eieren geven weder het aanzijn aan waterpolypen,
waaruit nieuwe medusen ontstaan. Dit zijn geene gedaanteverwisselingen als
bij de insecten (die toen trouwens nog niet bestonden), het zijn merkwaardige
voortbrengselen van wisselende voortplanting. Wat zijn de oorzaken dier
wisselingen? De hydra’s ontstaan uit bevruchte eieren, de medusen uit hydra’s
zonder voorafgaande bevruchting, door eenvoudige verdeeling van het
lichaam, door knopvorming en loslating.
Page 112
Fig. 48. Polypen: 1. Campanularia.—2. Hydra viridis.
Niet alle medusen gelijken op elkander. Er zijn een aantal verschillende
vormen, en hoewel alle door hare geboorte aan de hydra’s verwant zijn,
ontstaan zij niet op dezelfde wijze. De kleine klokvormige medusen ontstaan
niet als de groote paddestoelvormige medusen door deeling uit eene strobila;
zij groeien als bloemen op hydra’s, die in boomvormige koloniën leven;
andere ontstaan in den vorm van trossen of kraagjes, en raken los en drijven in
het water. Zij gelijken volkomen op zeeplanten, takken, knoppen en vruchten.
De medusa verhoudt zich tot de hydra als de bloem tot den tak; haar scherm is
als het ware eene bloemkroon. Evenals de bloem gevormd is uit gewijzigde
bladeren, die zich straalsgewijze gerangschikt hebben om de as, die ze draagt,
zoo is ook de medusa gevormd uit gewijzigde waterpolypen, die zich
Niet alle medusen gelijken op elkander. Er zijn een aantal verschillende
vormen, en hoewel alle door hare geboorte aan de hydra’s verwant zijn,
ontstaan zij niet op dezelfde wijze. De kleine klokvormige medusen ontstaan
niet als de groote paddestoelvormige medusen door deeling uit eene strobila;
zij groeien als bloemen op hydra’s, die in boomvormige koloniën leven;
andere ontstaan in den vorm van trossen of kraagjes, en raken los en drijven in
het water. Zij gelijken volkomen op zeeplanten, takken, knoppen en vruchten.
De medusa verhoudt zich tot de hydra als de bloem tot den tak; haar scherm is
als het ware eene bloemkroon. Evenals de bloem gevormd is uit gewijzigde
bladeren, die zich straalsgewijze gerangschikt hebben om de as, die ze draagt,
zoo is ook de medusa gevormd uit gewijzigde waterpolypen, die zich
Page 113
straalsgewijze gerangschikt hebben door verkorting van den oorspronkelijken
afstand. Toch hebben de polypen, in fig. 48 afgebeeld, geene andere
overeenkomst met de planten, dan dat zij aan een vast punt zijn vastgehecht,
op de wijze der koralen.
Die plantdieren, wier vorm en wezen zoozeer verschillen naar gelang der
voeding, der temperatuur en andere omstandigheden, zijn eene belangrijke les
der natuur. De zoetwaterhydra, die gewoonlijk eenzaam is, sticht koloniën, als
men haar plaatst in eene omgeving van eene hooge temperatuur en rijk aan
voedingsstoffen. Is dit niet een krachtig bewijs voor de veranderlijkheid der
soorten? De waterpolypen maken ons duidelijk, hoe een eenvoudig organisme
de meest verschillende vormen kan aannemen, de ladder der bewerktuiging
kan afdalen en opklimmen; zij doen ons nog heden stap voor stap die
wonderlijke gedaanteverwisseling volgen.
afstand. Toch hebben de polypen, in fig. 48 afgebeeld, geene andere
overeenkomst met de planten, dan dat zij aan een vast punt zijn vastgehecht,
op de wijze der koralen.
Die plantdieren, wier vorm en wezen zoozeer verschillen naar gelang der
voeding, der temperatuur en andere omstandigheden, zijn eene belangrijke les
der natuur. De zoetwaterhydra, die gewoonlijk eenzaam is, sticht koloniën, als
men haar plaatst in eene omgeving van eene hooge temperatuur en rijk aan
voedingsstoffen. Is dit niet een krachtig bewijs voor de veranderlijkheid der
soorten? De waterpolypen maken ons duidelijk, hoe een eenvoudig organisme
de meest verschillende vormen kan aannemen, de ladder der bewerktuiging
kan afdalen en opklimmen; zij doen ons nog heden stap voor stap die
wonderlijke gedaanteverwisseling volgen.
Page 114
Fig. 49. Medusa Rhizostoma.
Denzelfden naam van plantdier kan men geven aan de koraalpolypen, die in
de zee gebouwen van schitterende bloemen optrekken en bouwmateriaal
afscheiden, zoodat geheele eilanden uitsluitend daaruit gevormd zijn. Het zijn
meer of minder talrijke koloniën, waarvan ieder inwoner zijn eigen huis
bouwt en bewoont. Die ontelbare koraaltakken waren langen tijd een raadsel
voor de wetenschap, en de schoonheid hunner kleuren heeft de schoonste
beschrijvingen in het leven geroepen. Thans weet men, dat het
polypenkoloniën zijn, wier verscheidenheid in vorm en wier organische
Denzelfden naam van plantdier kan men geven aan de koraalpolypen, die in
de zee gebouwen van schitterende bloemen optrekken en bouwmateriaal
afscheiden, zoodat geheele eilanden uitsluitend daaruit gevormd zijn. Het zijn
meer of minder talrijke koloniën, waarvan ieder inwoner zijn eigen huis
bouwt en bewoont. Die ontelbare koraaltakken waren langen tijd een raadsel
voor de wetenschap, en de schoonheid hunner kleuren heeft de schoonste
beschrijvingen in het leven geroepen. Thans weet men, dat het
polypenkoloniën zijn, wier verscheidenheid in vorm en wier organische
Page 115
eigenschappen niet minder welsprekend zijn dan die der vorige wezens.
Evenals zij bestaan zij uit eene buis, wier uiteinde beschouwd kan worden als
een mond en waarvan de binnenzijde als de maag kan worden aangemerkt.
Een aantal vangarmen zijn aanwezig; de kop ontbreekt nog. Gehoor- en
gezichtsorganen worden nog gemist. Van de vijf zintuigen bestaat nog slechts
alleen de tastzin; dat van den smaak begint eerst. Enkele spieren worden
gevonden; de zenuwen verkeeren nog in rudimentairen toestand, en zijn
weinig gevoelig. Iedere kleine polyp leeft afzonderlijk, maar haar leven smelt
ineen met het doodsche bestaan van de kolonie, waarvan zij deel uitmaakt,
Evenals bij de medusen heeft de voortplanting plaats door middel van eieren
en kleine bevruchtende lichamen, hetgeen het begin der
geslachtsvoortplanting is, doch slechts in sluimerenden toestand. Die wezens
zijn tweeslachtig, doch onbewust. Gevoelen zij zelfs iets van het leven? Zeker
is het, dat zij er geheel onverschillig voor schijnen. Somtijds slorpt de ééne
polyp de andere op zonder dat deze den minsten tegenstand biedt. Somtijds
sterft de polyp in hare woning en wordt zij dadelijk weder vervangen door
eene andere, door die woning zelf voortgebracht: de woning zelf brengt hare
eigene bewoners voort.
Alsof de natuur langzamerhand hare krachten beproefde bij de ontwikkeling
van het leven, staan naast de vorige wezens, doch iets hooger in ontwikkeling,
de tunicata (manteldieren, huidzakdieren), wier omhulsel evenals bij de
planten uit cellulose bestaat, wier spijsverteringskanaal twee openingen heeft,
ééne voor het intreden van het voedingswater, de andere voor het uitstroomen,
en die behalve de spijsverterings- en voortplantingsorganen een begin van een
hart en van bloedsomloop bezitten. Die kleine weekdieren zijn als het ware
niets anders dan levende zakken, maar hun leven is reeds iets ontwikkelder
dan dat der vorige. Het vreemdste is, dat in dit beginsel van een hart, zonder
kleppen, zonder hartkamers, het bloed nog geene bepaalde richting volgt: het
hart slaat een tijdlang in de ééne richting, staat stil, slaat dan in tegengestelde
richting, zoodat de bloedvaten, die in het eerste geval de rol van slagaderen
vervulden, in het tweede geval als aderen dienst doen. Het dier ademt en zijne
ademhalingswerktuigen (kieuwen) zijn gevormd ten koste van het voorste
gedeelte van de spijsverteringsorganen. Het schijnt, dat deze van alle
ongewervelde dieren het dichtst aan de gewervelde dieren grenzen, en hunne
stamvaders zijn. Nog altijd zijn het de trilharen, die het water, dat de
voedingsstoffen bevat, naar den mond voeren. Hunne gedaante en afmetingen
Evenals zij bestaan zij uit eene buis, wier uiteinde beschouwd kan worden als
een mond en waarvan de binnenzijde als de maag kan worden aangemerkt.
Een aantal vangarmen zijn aanwezig; de kop ontbreekt nog. Gehoor- en
gezichtsorganen worden nog gemist. Van de vijf zintuigen bestaat nog slechts
alleen de tastzin; dat van den smaak begint eerst. Enkele spieren worden
gevonden; de zenuwen verkeeren nog in rudimentairen toestand, en zijn
weinig gevoelig. Iedere kleine polyp leeft afzonderlijk, maar haar leven smelt
ineen met het doodsche bestaan van de kolonie, waarvan zij deel uitmaakt,
Evenals bij de medusen heeft de voortplanting plaats door middel van eieren
en kleine bevruchtende lichamen, hetgeen het begin der
geslachtsvoortplanting is, doch slechts in sluimerenden toestand. Die wezens
zijn tweeslachtig, doch onbewust. Gevoelen zij zelfs iets van het leven? Zeker
is het, dat zij er geheel onverschillig voor schijnen. Somtijds slorpt de ééne
polyp de andere op zonder dat deze den minsten tegenstand biedt. Somtijds
sterft de polyp in hare woning en wordt zij dadelijk weder vervangen door
eene andere, door die woning zelf voortgebracht: de woning zelf brengt hare
eigene bewoners voort.
Alsof de natuur langzamerhand hare krachten beproefde bij de ontwikkeling
van het leven, staan naast de vorige wezens, doch iets hooger in ontwikkeling,
de tunicata (manteldieren, huidzakdieren), wier omhulsel evenals bij de
planten uit cellulose bestaat, wier spijsverteringskanaal twee openingen heeft,
ééne voor het intreden van het voedingswater, de andere voor het uitstroomen,
en die behalve de spijsverterings- en voortplantingsorganen een begin van een
hart en van bloedsomloop bezitten. Die kleine weekdieren zijn als het ware
niets anders dan levende zakken, maar hun leven is reeds iets ontwikkelder
dan dat der vorige. Het vreemdste is, dat in dit beginsel van een hart, zonder
kleppen, zonder hartkamers, het bloed nog geene bepaalde richting volgt: het
hart slaat een tijdlang in de ééne richting, staat stil, slaat dan in tegengestelde
richting, zoodat de bloedvaten, die in het eerste geval de rol van slagaderen
vervulden, in het tweede geval als aderen dienst doen. Het dier ademt en zijne
ademhalingswerktuigen (kieuwen) zijn gevormd ten koste van het voorste
gedeelte van de spijsverteringsorganen. Het schijnt, dat deze van alle
ongewervelde dieren het dichtst aan de gewervelde dieren grenzen, en hunne
stamvaders zijn. Nog altijd zijn het de trilharen, die het water, dat de
voedingsstoffen bevat, naar den mond voeren. Hunne gedaante en afmetingen
Page 116
bieden de grootste
verscheidenheid aan.
Verschillende soorten zijn
mikroskopisch; enkele
scheiden kleine schelpen
af; andere, zooals de
Pyrosoma (vuurlichaam),
zijn phosphoresceerend,
en verspreiden zelfs,
indien zij hunne volle
levenskracht hebben, een
helder, rood licht;
sommige zijn geheel vrij
en brengen hun leven
zwemmende door; andere
hechten zich aan de
rotsen vast op het
oeverzand: het zijn de
Ascidiën, die in grooten
getale op onze kusten
voorkomen en somtijds
de grootte van
kippeneieren bereiken; zij Fig. 50. Koraalpolypen.
hechten zich onder de
steenen vast als stukken
gelei, en indien men den steen omkeert, werpen zij water om zich heen.
Bij die wezens is de voortplanting even onregelmatig, en als het ware nog
even weifelend als de bloedsomloop. Zij zijn tweeslachtig, geven het aanzijn
aan eieren, die zij bevruchten, en uit het ei komt niet de zoon, maar de
kleinzoon voort van het dier, dat het heeft voortgebracht, daar de zoon in het
ei alleen ontstaat om zich daarin voort te planten en dadelijk te sterven! Het ei
brengt een wezen voort, dat nooit het daglicht zal zien, het omhulsel van dat ei
is tegelijkertijd de wieg en het graf van een wezen, dat zich daarbinnen
voortplant als ongeboren vrucht, en waarvan de overblijfselen tot voedsel
dienen voor het nieuwe geslacht, dat het eenige is dat bestemd is, naar buiten
te treden. Dit merkwaardige en vreemde feit is van groot gewicht voor de
verscheidenheid aan.
Verschillende soorten zijn
mikroskopisch; enkele
scheiden kleine schelpen
af; andere, zooals de
Pyrosoma (vuurlichaam),
zijn phosphoresceerend,
en verspreiden zelfs,
indien zij hunne volle
levenskracht hebben, een
helder, rood licht;
sommige zijn geheel vrij
en brengen hun leven
zwemmende door; andere
hechten zich aan de
rotsen vast op het
oeverzand: het zijn de
Ascidiën, die in grooten
getale op onze kusten
voorkomen en somtijds
de grootte van
kippeneieren bereiken; zij Fig. 50. Koraalpolypen.
hechten zich onder de
steenen vast als stukken
gelei, en indien men den steen omkeert, werpen zij water om zich heen.
Bij die wezens is de voortplanting even onregelmatig, en als het ware nog
even weifelend als de bloedsomloop. Zij zijn tweeslachtig, geven het aanzijn
aan eieren, die zij bevruchten, en uit het ei komt niet de zoon, maar de
kleinzoon voort van het dier, dat het heeft voortgebracht, daar de zoon in het
ei alleen ontstaat om zich daarin voort te planten en dadelijk te sterven! Het ei
brengt een wezen voort, dat nooit het daglicht zal zien, het omhulsel van dat ei
is tegelijkertijd de wieg en het graf van een wezen, dat zich daarbinnen
voortplant als ongeboren vrucht, en waarvan de overblijfselen tot voedsel
dienen voor het nieuwe geslacht, dat het eenige is dat bestemd is, naar buiten
te treden. Dit merkwaardige en vreemde feit is van groot gewicht voor de
Page 117
ontwikkelingsleer. Het toont ons aan, dat die wezens behooren tot die periode
in de geschiedenis der natuur, waarin de levenskracht na duizenden pogingen
en aarzelingen de grens had overschreden, die de weekdieren onderscheidt
van de dieren, door een geraamte gesteund, de ongewervelde van de
gewervelde dieren.
Reeds heeft de natuur eenen langen weg doorloopen in de ontwikkeling der
bewerktuigde wezens. Toch hebben wij tot nu toe nog slechts vormelooze
wezens beschouwd, die leven in de diepten der zee. Sommige zijn kleine
geleiachtige bolletjes, die door middel van hunne trilharen, die hun voor alles
dienen, voortzwemmen; andere zijn tot koloniën verbonden en vormen als het
ware levende boomen. Wel hebben zij een spijsverteringsorgaan,
voortplantingsorganen en organen voor den bloedsomloop, zenuwen en
spieren, maar geen spoor van symmetrie. Overbodig is het, hierbij te voegen,
dat zij nog geen hoofd hebben. Tot nu toe zijn al die wezens blind, doof en
stom.
Een begin van een kop en een begin van symmetrie openbaart zich bij de
wormen, wier voorouders in het slijk van zeeën en rivieren woonden. Die
weekdieren onderscheiden zich van de vorige door twee eigenschappen: zij
zijn gerekt en zij verplaatsen zich. Beschouwen wij b.v. den eenvoudigen
aardworm. Het feit reeds, dat hij kruipt, geeft hem meerdere
voortreffelijkheid. Hij bestaat uit gelijke ringen en zijne toename in lengte
wordt alleen verkregen door eene toename in het aantal dier ringen, waarvan
elke zoowel kop als staart kan worden. Maar het feit alleen, dat de voorste
ring tot taak heeft het eerst het voedsel op te nemen, dat den geheelen worm
moet doorloopen, plaatst dien ring in zoodanige omstandigheden, dat zijn
bevattingsvermogen gedurig werkzaam is en zich ontwikkelen moet. Het is
een mond, die zich vooruit beweegt, die eene zekere verantwoordelijkheid
draagt tegenover de geheele kolonie, die altijd vooraan moet staan in het
gelid, om het beste uit den grond te zoeken, en reeds daardoor veroorzaakt,
dat in dat dier eene buikzijde, eene rugzijde, een voorste gedeelte, een links en
een rechts bestaat.
in de geschiedenis der natuur, waarin de levenskracht na duizenden pogingen
en aarzelingen de grens had overschreden, die de weekdieren onderscheidt
van de dieren, door een geraamte gesteund, de ongewervelde van de
gewervelde dieren.
Reeds heeft de natuur eenen langen weg doorloopen in de ontwikkeling der
bewerktuigde wezens. Toch hebben wij tot nu toe nog slechts vormelooze
wezens beschouwd, die leven in de diepten der zee. Sommige zijn kleine
geleiachtige bolletjes, die door middel van hunne trilharen, die hun voor alles
dienen, voortzwemmen; andere zijn tot koloniën verbonden en vormen als het
ware levende boomen. Wel hebben zij een spijsverteringsorgaan,
voortplantingsorganen en organen voor den bloedsomloop, zenuwen en
spieren, maar geen spoor van symmetrie. Overbodig is het, hierbij te voegen,
dat zij nog geen hoofd hebben. Tot nu toe zijn al die wezens blind, doof en
stom.
Een begin van een kop en een begin van symmetrie openbaart zich bij de
wormen, wier voorouders in het slijk van zeeën en rivieren woonden. Die
weekdieren onderscheiden zich van de vorige door twee eigenschappen: zij
zijn gerekt en zij verplaatsen zich. Beschouwen wij b.v. den eenvoudigen
aardworm. Het feit reeds, dat hij kruipt, geeft hem meerdere
voortreffelijkheid. Hij bestaat uit gelijke ringen en zijne toename in lengte
wordt alleen verkregen door eene toename in het aantal dier ringen, waarvan
elke zoowel kop als staart kan worden. Maar het feit alleen, dat de voorste
ring tot taak heeft het eerst het voedsel op te nemen, dat den geheelen worm
moet doorloopen, plaatst dien ring in zoodanige omstandigheden, dat zijn
bevattingsvermogen gedurig werkzaam is en zich ontwikkelen moet. Het is
een mond, die zich vooruit beweegt, die eene zekere verantwoordelijkheid
draagt tegenover de geheele kolonie, die altijd vooraan moet staan in het
gelid, om het beste uit den grond te zoeken, en reeds daardoor veroorzaakt,
dat in dat dier eene buikzijde, eene rugzijde, een voorste gedeelte, een links en
een rechts bestaat.
Page 118
Fig. 51. De oorspronkelijke weifelingen bij de voortplanting. Syllis amica,
bestaande uit twee deelen, het voorste deel geslachtloos, het tweede deel van
geslachtsdeelen voorzien.
De kop krijgt eene afzonderlijke taak. Hij zal hindernissen ontmoeten, zal van
tijd tot tijd geroepen worden tot den strijd en somtijds aan groote gevaren zijn
blootgesteld. Zijne kracht en zijn weerstandsvermogen zullen langzamerhand
toenemen. Toch is dat orgaan nog niet van zoo groot gewicht, of het kan,
indien het verminkt is, van zelf weer aangroeien. Indien men van eenen worm
den kop afsnijdt, dan groeit hij weder aan; snijdt men eenen worm in tweeën,
dan worden beide deelen weder aangevuld (ook het achterste deel, dat weder
organen voor den bloedsomloop en hersenen moet verkrijgen). Er bestaan
zelfs ringwormen, die men in zoovele deelen kan snijden als men verkiest, en
waarbij dan ieder deel weer eenen kop en eenen staart zal krijgen en een dier
zal worden, dat volkomen levensvatbaar is.
Sommige ringwormen kunnen eene lengte van 1½ meter tegen eene dikte van
3 centimeter bereiken, en bestaan uit honderden ringen. Men vindt in zee
dikwijls ringwormen, die zóó lang zijn, dat de staart als het ware niet meer in
betrekking staat tot den kop, zoodat zij zich kunnen bijten, zonder het zelf te
gevoelen. Enkele soorten, zooals de Naïdinen, planten zich door knopvorming
voort; veertig tot zestig ringen groeien na elkander aan, en daarna verdeelt het
dier zich van zelf in twee deelen, terwijl aan het voorste deel van het nieuwe
wezen een kop groeit; maar merkwaardig is het, dat in den herfst die wijze
van voortplanting plaats maakt voor geslachtsvoortplanting. Sommige
Nereïden zijn nog merkwaardiger: zij bestaan uit twee wezens, met hunne
uiteinden aan elkander gehecht, het ééne van geslachtsdeelen voorzien, het
andere niet. Hetzelfde is het geval bij de Syllideën (fig. 51). Het is, alsof de
natuur niet gemakkelijk eene keuze heeft kunnen doen tusschen de
verschillende wijzen van voortplanting.
bestaande uit twee deelen, het voorste deel geslachtloos, het tweede deel van
geslachtsdeelen voorzien.
De kop krijgt eene afzonderlijke taak. Hij zal hindernissen ontmoeten, zal van
tijd tot tijd geroepen worden tot den strijd en somtijds aan groote gevaren zijn
blootgesteld. Zijne kracht en zijn weerstandsvermogen zullen langzamerhand
toenemen. Toch is dat orgaan nog niet van zoo groot gewicht, of het kan,
indien het verminkt is, van zelf weer aangroeien. Indien men van eenen worm
den kop afsnijdt, dan groeit hij weder aan; snijdt men eenen worm in tweeën,
dan worden beide deelen weder aangevuld (ook het achterste deel, dat weder
organen voor den bloedsomloop en hersenen moet verkrijgen). Er bestaan
zelfs ringwormen, die men in zoovele deelen kan snijden als men verkiest, en
waarbij dan ieder deel weer eenen kop en eenen staart zal krijgen en een dier
zal worden, dat volkomen levensvatbaar is.
Sommige ringwormen kunnen eene lengte van 1½ meter tegen eene dikte van
3 centimeter bereiken, en bestaan uit honderden ringen. Men vindt in zee
dikwijls ringwormen, die zóó lang zijn, dat de staart als het ware niet meer in
betrekking staat tot den kop, zoodat zij zich kunnen bijten, zonder het zelf te
gevoelen. Enkele soorten, zooals de Naïdinen, planten zich door knopvorming
voort; veertig tot zestig ringen groeien na elkander aan, en daarna verdeelt het
dier zich van zelf in twee deelen, terwijl aan het voorste deel van het nieuwe
wezen een kop groeit; maar merkwaardig is het, dat in den herfst die wijze
van voortplanting plaats maakt voor geslachtsvoortplanting. Sommige
Nereïden zijn nog merkwaardiger: zij bestaan uit twee wezens, met hunne
uiteinden aan elkander gehecht, het ééne van geslachtsdeelen voorzien, het
andere niet. Hetzelfde is het geval bij de Syllideën (fig. 51). Het is, alsof de
natuur niet gemakkelijk eene keuze heeft kunnen doen tusschen de
verschillende wijzen van voortplanting.
Page 119
Later, bij de insecten, zal de voortplanting alleen geschieden bij het volmaakte
wezen, de kapel uit de pop voortgekomen, terwijl de larven zich niet kunnen
voortplanten. Hier echter planten de larven zich wel voort. De onderlinge
onafhankelijkheid der ringen is somtijds zóó groot, dat bij eenzelfde dier
enkele ringen mannelijk, andere vrouwelijk, weer andere van geslachtsdeelen
voorzien zijn, andere niet. (Spirorben, Autoliten).
De kop vormt zich onmerkbaar. Het beginsel der hersenen is gelegen in den
eersten ring bij de ringwormen, in den derden, somtijds in den vierden, bij de
regen wormen; bij de ringwormen ligt de mond aan den tweeden ring. De
trilharen zijn voelhorens, grijporganen, geworden. De oogen, nog in
rudimentairen toestand, komen voor den dag; het zijn zenuwen, gevoelig voor
het licht, die zich beginnen te ontwikkelen, en dat wel aan de beide uiteinden,
aan de uiterste ringen. De Nematonereïs contorta, de Oria armandi, de
Fabricia hebben gewoonlijk twee oogen op het achtergedeelte; de
Amphicorina, de Myxicola hebben er vier, de Amphiglena mediterranea zes of
acht. De lintwormen, parasieten, die zich aan een ander organisme
vasthechten, en die dus hun voedsel nooit behoeven te zoeken, dat zij van zelf
binnen hun bereik hebben, hebben in het geheel geen kop, maar alleen een
soort zuiggat, waaruit het lichaam van het dier zich ontwikkelt door de
vorming van nieuwe ringen. Ook de gehoorwerktuigen beginnen voor den dag
te komen, nu eens op den eersten ring, dan weder op een volgenden. Doch
langzamerhand beginnen zich de verschillende zintuigen te beperken tot het
voorste gedeelte van het lichaam.
Zoo wonen wij van stap tot stap de ontwikkeling en den vooruitgang van het
leven bij, terwijl iedere bijzonderheid van de vorming van nieuwe organismen
zich aan onze blikken vertoont als eene openbaring van den oorsprong,
waaruit alle thans levende schepselen zijn voortgekomen. Als wij aan de
insecten komen, dan zien wij ook daar denzelfden oorspronkelijken bouw:
meer of minder met elkander verbonden ringen. De duizendpooten hebben
gewoonlijk bij hun uittreden uit het ei slechts negen ringen; de overige ringen
groeien na elkander aan het achterdeel van het lichaam; maar deze insecten
treden reeds meer als afzonderlijke individuen op: wel kunnen de twee helften
eener Scolopendra, die dwars doorgesneden is, eenigen tijd blijven leven en
zich bewegen, maar zij eindigen toch met beide te sterven zonder te zijn
aangegroeid. De geslachtsvoortplanting treedt meer op den voorgrond.
wezen, de kapel uit de pop voortgekomen, terwijl de larven zich niet kunnen
voortplanten. Hier echter planten de larven zich wel voort. De onderlinge
onafhankelijkheid der ringen is somtijds zóó groot, dat bij eenzelfde dier
enkele ringen mannelijk, andere vrouwelijk, weer andere van geslachtsdeelen
voorzien zijn, andere niet. (Spirorben, Autoliten).
De kop vormt zich onmerkbaar. Het beginsel der hersenen is gelegen in den
eersten ring bij de ringwormen, in den derden, somtijds in den vierden, bij de
regen wormen; bij de ringwormen ligt de mond aan den tweeden ring. De
trilharen zijn voelhorens, grijporganen, geworden. De oogen, nog in
rudimentairen toestand, komen voor den dag; het zijn zenuwen, gevoelig voor
het licht, die zich beginnen te ontwikkelen, en dat wel aan de beide uiteinden,
aan de uiterste ringen. De Nematonereïs contorta, de Oria armandi, de
Fabricia hebben gewoonlijk twee oogen op het achtergedeelte; de
Amphicorina, de Myxicola hebben er vier, de Amphiglena mediterranea zes of
acht. De lintwormen, parasieten, die zich aan een ander organisme
vasthechten, en die dus hun voedsel nooit behoeven te zoeken, dat zij van zelf
binnen hun bereik hebben, hebben in het geheel geen kop, maar alleen een
soort zuiggat, waaruit het lichaam van het dier zich ontwikkelt door de
vorming van nieuwe ringen. Ook de gehoorwerktuigen beginnen voor den dag
te komen, nu eens op den eersten ring, dan weder op een volgenden. Doch
langzamerhand beginnen zich de verschillende zintuigen te beperken tot het
voorste gedeelte van het lichaam.
Zoo wonen wij van stap tot stap de ontwikkeling en den vooruitgang van het
leven bij, terwijl iedere bijzonderheid van de vorming van nieuwe organismen
zich aan onze blikken vertoont als eene openbaring van den oorsprong,
waaruit alle thans levende schepselen zijn voortgekomen. Als wij aan de
insecten komen, dan zien wij ook daar denzelfden oorspronkelijken bouw:
meer of minder met elkander verbonden ringen. De duizendpooten hebben
gewoonlijk bij hun uittreden uit het ei slechts negen ringen; de overige ringen
groeien na elkander aan het achterdeel van het lichaam; maar deze insecten
treden reeds meer als afzonderlijke individuen op: wel kunnen de twee helften
eener Scolopendra, die dwars doorgesneden is, eenigen tijd blijven leven en
zich bewegen, maar zij eindigen toch met beide te sterven zonder te zijn
aangegroeid. De geslachtsvoortplanting treedt meer op den voorgrond.
Page 120
Bij alle insecten bestaat het lichaam uit drie kenmerkende deelen: kop,
borststuk en achterlijf; de kop bestaat uit aan elkander gehechte ringen, het
borststuk uit drie en het achterlijf uit zes tot twaalf ringen. Bij de spinnen zijn
de ringen alleen waar te nemen in de vrucht. Doch de eenheid van oorsprong
der gelede dieren is duidelijk aan te toonen.
Fig. 52. Zeester in hare ontwikkeling. Gewone zeester.
Maar wij moeten niet te snel vooruitgaan, opdat wij met oordeel den gang van
zaken kunnen volgen bij die langzame en grootsche ontwikkeling van het
leven. Even laag op de trap der organische wezens staan de Echinodermen of
stekelhuidigen, crinoïdeën, zeeëgels, holothuriën, enz. Zij hebben nog beide
soorten van voortplanting, dat wil zeggen, zij hebben eensdeels eieren en
anderdeels vermenigvuldigen zij zich door knopvorming. Visschers, die
dikwijls lastig gevallen worden door zeesterren, snijden ze in stukken, indien
zij zich vasthechten aan hunne netten, doch vergeten, dat zij zoodoende vier of
vijf voor ééne in de plaats krijgen. Zij kunnen zich door middel van hunne
kleine voelhorens langzaam bewegen. De zeesterren en zeeëgels hebben
borststuk en achterlijf; de kop bestaat uit aan elkander gehechte ringen, het
borststuk uit drie en het achterlijf uit zes tot twaalf ringen. Bij de spinnen zijn
de ringen alleen waar te nemen in de vrucht. Doch de eenheid van oorsprong
der gelede dieren is duidelijk aan te toonen.
Fig. 52. Zeester in hare ontwikkeling. Gewone zeester.
Maar wij moeten niet te snel vooruitgaan, opdat wij met oordeel den gang van
zaken kunnen volgen bij die langzame en grootsche ontwikkeling van het
leven. Even laag op de trap der organische wezens staan de Echinodermen of
stekelhuidigen, crinoïdeën, zeeëgels, holothuriën, enz. Zij hebben nog beide
soorten van voortplanting, dat wil zeggen, zij hebben eensdeels eieren en
anderdeels vermenigvuldigen zij zich door knopvorming. Visschers, die
dikwijls lastig gevallen worden door zeesterren, snijden ze in stukken, indien
zij zich vasthechten aan hunne netten, doch vergeten, dat zij zoodoende vier of
vijf voor ééne in de plaats krijgen. Zij kunnen zich door middel van hunne
kleine voelhorens langzaam bewegen. De zeesterren en zeeëgels hebben
Page 121
rudimentaire oogen: het zijn roode vlekken, gelegen aan de benedenzijde der
stralen, vlak onder de uiterste voelhorens. Het licht wordt sterk daarin
gebroken. Zij verdienen nauwelijks den naam van oogen, maar toch zijn zij
het reeds.
De zeesterren zijn oorspronkelijk polypen, met den kop vastgehecht aan het
midden van de ster. De arm eener ster, losgemaakt van de middenschijf, groeit
weder tot een geheel lichaam aan. De vijf armen (bij sommige soorten zelfs
meer) groeien eveneens weder aan. Iedere arm leeft en kan op zijne beurt het
leven schenken aan een’ knop, die weder middenschijf wordt en zich zoo tot
eene zeester vormt. Er is nog geen kop en evenmin zijn er
ademhalingswerktuigen.
De weekdieren in engeren zin, de Cephalopoden, koppootigen, die op hun’
kop loopen, de Gasteropoden, buikpootigen, die op den buik voortgaan,
schelpslakken en andere, de Acephalen, koploozen, oesters, mossels enz.
schijnen af te stammen van de ringwormen. Volgens Perrier toch bewegen
zich al die weekdieren op een aanhangsel van hunnen kop en zouden de armen
van de cephalopoden, de afgeplatte voet der gasteropoden en de tongvormige
voet der acephalen aanhangsels zijn van het weekdier; hunne vormen zouden
alleen de vrucht zijn van de omgeving, waarin zij moesten leven. De
weekdieren en de cephalobranchiaten (kopkieuwigen) zouden beide
afstammelingen zijn van wezens, die in kokers wonen, en die in geene
betrekking tot de buitenwereld staan dan door de openingen in die kokers en
voornamelijk door de voorste opening. De koploozen zouden ontaarde
buikpootigen zijn, bij wie de kop geatrophieerd is, toen hij geene taak meer te
verrichten had. De brachiopoden (armpootigen), die evenals de koploozen, in
eene tweekleppige schelp zijn opgesloten, maar van de eerste uit een
anatomisch oogpunt zeer verschillen, zouden van de ringwormen langs eenen
anderen tak afstammen, en het dichtst bij den gemeenschappelijken oorsprong
gebleven zijn.
stralen, vlak onder de uiterste voelhorens. Het licht wordt sterk daarin
gebroken. Zij verdienen nauwelijks den naam van oogen, maar toch zijn zij
het reeds.
De zeesterren zijn oorspronkelijk polypen, met den kop vastgehecht aan het
midden van de ster. De arm eener ster, losgemaakt van de middenschijf, groeit
weder tot een geheel lichaam aan. De vijf armen (bij sommige soorten zelfs
meer) groeien eveneens weder aan. Iedere arm leeft en kan op zijne beurt het
leven schenken aan een’ knop, die weder middenschijf wordt en zich zoo tot
eene zeester vormt. Er is nog geen kop en evenmin zijn er
ademhalingswerktuigen.
De weekdieren in engeren zin, de Cephalopoden, koppootigen, die op hun’
kop loopen, de Gasteropoden, buikpootigen, die op den buik voortgaan,
schelpslakken en andere, de Acephalen, koploozen, oesters, mossels enz.
schijnen af te stammen van de ringwormen. Volgens Perrier toch bewegen
zich al die weekdieren op een aanhangsel van hunnen kop en zouden de armen
van de cephalopoden, de afgeplatte voet der gasteropoden en de tongvormige
voet der acephalen aanhangsels zijn van het weekdier; hunne vormen zouden
alleen de vrucht zijn van de omgeving, waarin zij moesten leven. De
weekdieren en de cephalobranchiaten (kopkieuwigen) zouden beide
afstammelingen zijn van wezens, die in kokers wonen, en die in geene
betrekking tot de buitenwereld staan dan door de openingen in die kokers en
voornamelijk door de voorste opening. De koploozen zouden ontaarde
buikpootigen zijn, bij wie de kop geatrophieerd is, toen hij geene taak meer te
verrichten had. De brachiopoden (armpootigen), die evenals de koploozen, in
eene tweekleppige schelp zijn opgesloten, maar van de eerste uit een
anatomisch oogpunt zeer verschillen, zouden van de ringwormen langs eenen
anderen tak afstammen, en het dichtst bij den gemeenschappelijken oorsprong
gebleven zijn.
Page 122
Fig. 53. De Amphyoxus, koploos gewerveld dier, overgang tusschen de gewervelde en de
ongewervelde dieren.
Fig. 54. De prik of lamprei, laagst ontwikkelde visch.
Bij de weekdieren is het zenuw- en spierstelsel nog slecht ontwikkeld. Het
zenuwstelsel bestaat uit knoopen en strengen, en deze centrale deelen zijn
onder het darmkanaal gelegen. Ééne der bijzondere eigenschappen van het
bekleedsel der weekdieren is, dat het vaste stoffen afscheidt, die de zoo
verschillende schelpen vormen, en die voor hen steunsels vormen,
onafhankelijk van het spierstelsel. De zintuigen beginnen zich sterk te
ontwikkelen. De tastzin is reeds ver gevorderd. De reuk onderscheidt zich
langzamerhand van den smaak. Het gehoor heeft tot zintuig blaasjes, waarin
reeds gehoorsteentjes gevonden worden. Het oog bezit een netvlies, eene
kristallens, een regenboogvlies, eenen oogrok en glasachtig vocht. Het
gedeelte van het lichaam, waarop de oogen gevonden worden, is gewoonlijk
de aanhechtingsplaats der voelhorens; dikwijls zijn zij aan de uiteinden
gelegen. Zij hebben alle een hart of een orgaan voor den bloedsomloop, dat de
plaats daarvan inneemt. Zij zijn van geslachtsorganen voorzien en planten
zich door eieren voort, maar de geslachten zijn niet altijd gescheiden in twee
individuen: bij de koppootigen zijn de geslachten gescheiden, de buikpootigen
zijn bijna alle tweeslachtig. De slakken zijn tweeslachtig, dat wil zeggen:
ieder individu bezit beide organen, maar de innige vereeniging van twee
wezens is voor de voortplanting noodig, daar ieder tegelijkertijd als mannetje
en wijfje optreedt.
Op de grens der gewervelde en ongewervelde dieren ontmoet men den
Amphyoxus, lancetvischje, „den eerwaardigen amphyoxus”, zooals Haeckel
hem begroet, die nog meer van de visschen verschilt, dan de visschen van den
mensen. Het is een gewerveld dier zonder kop. De amphyoxus leeft op de
zandige oevers der zee, gedeeltelijk in het zand begraven, men vindt hem aan
de Noordzee, aan de kusten van Engeland, die der Middellandsche zee, in
Brazilië, Peru, Borneo, China, bijna overal. Het geraamte bestaat uit eene
kraakbeenige ruggestreng; een cilindervormige buis vormt de as van het
lichaam, daarin ligt het centrale zenuwstelsel. Een kleine vlek aan het uiteinde
ongewervelde dieren.
Fig. 54. De prik of lamprei, laagst ontwikkelde visch.
Bij de weekdieren is het zenuw- en spierstelsel nog slecht ontwikkeld. Het
zenuwstelsel bestaat uit knoopen en strengen, en deze centrale deelen zijn
onder het darmkanaal gelegen. Ééne der bijzondere eigenschappen van het
bekleedsel der weekdieren is, dat het vaste stoffen afscheidt, die de zoo
verschillende schelpen vormen, en die voor hen steunsels vormen,
onafhankelijk van het spierstelsel. De zintuigen beginnen zich sterk te
ontwikkelen. De tastzin is reeds ver gevorderd. De reuk onderscheidt zich
langzamerhand van den smaak. Het gehoor heeft tot zintuig blaasjes, waarin
reeds gehoorsteentjes gevonden worden. Het oog bezit een netvlies, eene
kristallens, een regenboogvlies, eenen oogrok en glasachtig vocht. Het
gedeelte van het lichaam, waarop de oogen gevonden worden, is gewoonlijk
de aanhechtingsplaats der voelhorens; dikwijls zijn zij aan de uiteinden
gelegen. Zij hebben alle een hart of een orgaan voor den bloedsomloop, dat de
plaats daarvan inneemt. Zij zijn van geslachtsorganen voorzien en planten
zich door eieren voort, maar de geslachten zijn niet altijd gescheiden in twee
individuen: bij de koppootigen zijn de geslachten gescheiden, de buikpootigen
zijn bijna alle tweeslachtig. De slakken zijn tweeslachtig, dat wil zeggen:
ieder individu bezit beide organen, maar de innige vereeniging van twee
wezens is voor de voortplanting noodig, daar ieder tegelijkertijd als mannetje
en wijfje optreedt.
Op de grens der gewervelde en ongewervelde dieren ontmoet men den
Amphyoxus, lancetvischje, „den eerwaardigen amphyoxus”, zooals Haeckel
hem begroet, die nog meer van de visschen verschilt, dan de visschen van den
mensen. Het is een gewerveld dier zonder kop. De amphyoxus leeft op de
zandige oevers der zee, gedeeltelijk in het zand begraven, men vindt hem aan
de Noordzee, aan de kusten van Engeland, die der Middellandsche zee, in
Brazilië, Peru, Borneo, China, bijna overal. Het geraamte bestaat uit eene
kraakbeenige ruggestreng; een cilindervormige buis vormt de as van het
lichaam, daarin ligt het centrale zenuwstelsel. Een kleine vlek aan het uiteinde
Page 123
van de ruggestreng is het begin van een oog, ook het reukorgaan komt in
primitieven toestand voor, het gehoor bestaat nog niet; hersens zijn nog niet te
ontdekken. De anatomische eigenschappen wijzen er op, dat hij de
waarschijnlijke stamvader is van de gewervelde dieren, de laatste
afstammeling van het oude ras der koplooze gewervelde dieren, de
verbindingsschakel tusschen de gewervelde en de ongewervelde dieren.
Onmiddellijk achter dezen stamvader kunnen de Cyclostomen (rondbekken)
gerangschikt worden, waartoe de prik of lamprei behoort. Hun lichaam is
wormvormig, zonder ledematen; hun bek bevat geene tanden, hunne huid is
naakt en zonder schubben. Zij missen een beenig skelet, maar hebben reeds
een begin van kieuwen en van hersenen.
Naarmate wij in ons onderzoek vooruitgaan, zullen wij het leven meer beperkt
zien tot bepaalde organen, en de bestanddeelen, waaruit de dieren bestaan,
hunne oorspronkelijke eigenschappen zien verliezen, om zich over te geven
aan de leiding van het met hersenen voorziene wezen. De gewervelde dieren,
zooals de zoogdieren, vogels, kruipende dieren, visschen, bestaan in
hoofdzaak uit een gebouw van wervels, dat het ruggemerg beschermt, en
eindigt in eenen schedel, die zelf uit gewijzigde wervels bestaat, en de
hersenen bevat, die niets anders zijn dan de oorsprong van het ruggemerg.
Geboren uit de ongewervelde dieren, en ongetwijfeld voortgekomen uit de
laagste dezer dieren, de ringwormen, wier anatomische bouw de meeste
overeenkomst heeft met de lagere gewervelde dieren, vertoonen zij zich aan
ons als de meest volmaakte ontwikkeling van het leven op onze planeet. Het is
hieruit, dat men zich niet alleen den vorm der wezens kan verklaren, maar ook
de schikking van ieder orgaan in het lichaam. Het hoofd, de zoo fijne organen
van het gezicht en het gehoor, het hart, de longen, de nieren hebben zich
langzaam gevormd. De vorm van ieder wezen, zoowel in- als uitwendig, is de
vrucht van zijne levenswijze en die zijner voorouders. Wij zagen, dat
gedurende eene reeks van eeuwen de organismen zich hebben voortgeplant
door knopvorming en verdeeling. Daarna hebben wij bij wezens, die zich nog
steeds op die wijze voortplantten, organen zien ontstaan, die het aanzijn
schonken aan kleine eieren of aan klieren. Van toen af begon de
geslachtsvoortplanting, bij dezelfde wezens met de vorige wijze van
voortplanting afwisselende, en die optrad bij dieren, die beide
geslachtsorganen bezaten en tweeslachtig waren. Daarna treedt de
voortplanting op door de verbinding van twee verschillende wezens, die, om
primitieven toestand voor, het gehoor bestaat nog niet; hersens zijn nog niet te
ontdekken. De anatomische eigenschappen wijzen er op, dat hij de
waarschijnlijke stamvader is van de gewervelde dieren, de laatste
afstammeling van het oude ras der koplooze gewervelde dieren, de
verbindingsschakel tusschen de gewervelde en de ongewervelde dieren.
Onmiddellijk achter dezen stamvader kunnen de Cyclostomen (rondbekken)
gerangschikt worden, waartoe de prik of lamprei behoort. Hun lichaam is
wormvormig, zonder ledematen; hun bek bevat geene tanden, hunne huid is
naakt en zonder schubben. Zij missen een beenig skelet, maar hebben reeds
een begin van kieuwen en van hersenen.
Naarmate wij in ons onderzoek vooruitgaan, zullen wij het leven meer beperkt
zien tot bepaalde organen, en de bestanddeelen, waaruit de dieren bestaan,
hunne oorspronkelijke eigenschappen zien verliezen, om zich over te geven
aan de leiding van het met hersenen voorziene wezen. De gewervelde dieren,
zooals de zoogdieren, vogels, kruipende dieren, visschen, bestaan in
hoofdzaak uit een gebouw van wervels, dat het ruggemerg beschermt, en
eindigt in eenen schedel, die zelf uit gewijzigde wervels bestaat, en de
hersenen bevat, die niets anders zijn dan de oorsprong van het ruggemerg.
Geboren uit de ongewervelde dieren, en ongetwijfeld voortgekomen uit de
laagste dezer dieren, de ringwormen, wier anatomische bouw de meeste
overeenkomst heeft met de lagere gewervelde dieren, vertoonen zij zich aan
ons als de meest volmaakte ontwikkeling van het leven op onze planeet. Het is
hieruit, dat men zich niet alleen den vorm der wezens kan verklaren, maar ook
de schikking van ieder orgaan in het lichaam. Het hoofd, de zoo fijne organen
van het gezicht en het gehoor, het hart, de longen, de nieren hebben zich
langzaam gevormd. De vorm van ieder wezen, zoowel in- als uitwendig, is de
vrucht van zijne levenswijze en die zijner voorouders. Wij zagen, dat
gedurende eene reeks van eeuwen de organismen zich hebben voortgeplant
door knopvorming en verdeeling. Daarna hebben wij bij wezens, die zich nog
steeds op die wijze voortplantten, organen zien ontstaan, die het aanzijn
schonken aan kleine eieren of aan klieren. Van toen af begon de
geslachtsvoortplanting, bij dezelfde wezens met de vorige wijze van
voortplanting afwisselende, en die optrad bij dieren, die beide
geslachtsorganen bezaten en tweeslachtig waren. Daarna treedt de
voortplanting op door de verbinding van twee verschillende wezens, die, om
Page 124
het voortbestaan der soort te verzekeren, tot elkander moeten naderen en zich
tijdelijk tot één lichaam moeten vereenigen, en juist door deze wijze van
voortplanting splitsen zich de wezens tot verschillende soorten. De ligging der
voortplantingsorganen in de nabijheid van de organen, die dienen tot de
afscheiding van stoffen, die geen nut meer hebben voor het organisme, is niet
zeer gelukkig, zij is het gevolg van den bouw der aardwormen, bij welke de
oorspronkelijke organen voor de voortplanting verbonden zijn met de organen
tot afscheiding. Bij de ringwormen vinden de eitjes, die zich in alle kanalen
van het lichaam vormen, in die afscheidingskanalen eenen doorgang naar
buiten. De langzame volmaking van het dierenrijk heeft dien oorsprong nog
niet uitgewischt.
Fig. 55. Het baren van levende jongen heeft zich ontwikkeld uit de voortplanting door eieren.
Eierleggende viervoetige dieren: Krokodil met eieren.
tijdelijk tot één lichaam moeten vereenigen, en juist door deze wijze van
voortplanting splitsen zich de wezens tot verschillende soorten. De ligging der
voortplantingsorganen in de nabijheid van de organen, die dienen tot de
afscheiding van stoffen, die geen nut meer hebben voor het organisme, is niet
zeer gelukkig, zij is het gevolg van den bouw der aardwormen, bij welke de
oorspronkelijke organen voor de voortplanting verbonden zijn met de organen
tot afscheiding. Bij de ringwormen vinden de eitjes, die zich in alle kanalen
van het lichaam vormen, in die afscheidingskanalen eenen doorgang naar
buiten. De langzame volmaking van het dierenrijk heeft dien oorsprong nog
niet uitgewischt.
Fig. 55. Het baren van levende jongen heeft zich ontwikkeld uit de voortplanting door eieren.
Eierleggende viervoetige dieren: Krokodil met eieren.
Page 125
De voortplanting door eieren heeft voortgeduurd tot den dag, waarop levende
jongen werden voortgebracht. Ieder levend wezen kwam van toen af voort uit
een bevrucht ei, en heeft eenen vader en eene moeder. Deze behoeven
elkander echter daarom niet te kennen. De visschen leggen hare eieren in het
water; op den eenen of anderen tijd worden die eieren bevrucht, zonder dat de
visch, die zich daartoe leent, ooit de moeder dier eieren gekend heeft. Hierop
maken de roggen en andere eene uitzondering; deze liggen tusschen de levend
barenden en de eieren leggende dieren in, daar het ei uitgebroed wordt in den
moederschoot. In andere gevallen, zooals bij de kikvorschen, de
watersalamanders en andere dieren, naderen de ouders tot elkander zonder
elkander aan te raken, en toch worden de eieren bevrucht vóórdat zij gelegd
zijn, of op het oogenblik van het leggen. De innige vereeniging van twee
wezens, het huwelijk, hetzij tijdelijk, hetzij duurzaam, is de vrucht van den
vooruitgang. Die teedere band, reeds opmerkelijk bij een groot aantal vogels,
is begonnen bij de eierleggende dieren, waaronder men een groot aantal
viervoetige dieren vindt. De schildpadden, de krokodillen, de kikvorschen, de
slangen, de vogels leggen eieren. Men kan de ontwikkeling der voortplanting
door eieren volgen van de laagste insecten tot aan de zoogdieren. Deze
brengen wel levende jongen voort, maar iedereen weet, dat ook daar in den
moederschoot ieder levend wezen als ei begonnen is. Het baren van levende
jongen is de tot volkomenheid gebrachte voortplanting door eieren; de eerste
wijze van voortplanting is zelfs nog weifelend bij de eerste zoogdieren, de
buideldieren, die hare jongen dragen in eenen uitwendigen zak, en vooral bij
de vogelbekdieren (ornithorhynchus paradoxus). Van welk oogpunt wij dus
ook de zaak beschouwen, wij zien in het leven op aarde steeds de
ontwikkeling uit éénen zelfden stamboom.
De eierleggende viervoetige dieren vormen den overgang tusschen de
voortplanting door eieren en door het baren van levende jongen; men weet
zelfs nu nog niet, of de ornithorhynchus altijd eieren legt of somtijds ook
levende jongen voortbrengt. De buideldieren, zooals de kangoeroe’s en
andere, schijnen met de vogelbekdieren de oudste zoogdieren der wereld te
zijn.
jongen werden voortgebracht. Ieder levend wezen kwam van toen af voort uit
een bevrucht ei, en heeft eenen vader en eene moeder. Deze behoeven
elkander echter daarom niet te kennen. De visschen leggen hare eieren in het
water; op den eenen of anderen tijd worden die eieren bevrucht, zonder dat de
visch, die zich daartoe leent, ooit de moeder dier eieren gekend heeft. Hierop
maken de roggen en andere eene uitzondering; deze liggen tusschen de levend
barenden en de eieren leggende dieren in, daar het ei uitgebroed wordt in den
moederschoot. In andere gevallen, zooals bij de kikvorschen, de
watersalamanders en andere dieren, naderen de ouders tot elkander zonder
elkander aan te raken, en toch worden de eieren bevrucht vóórdat zij gelegd
zijn, of op het oogenblik van het leggen. De innige vereeniging van twee
wezens, het huwelijk, hetzij tijdelijk, hetzij duurzaam, is de vrucht van den
vooruitgang. Die teedere band, reeds opmerkelijk bij een groot aantal vogels,
is begonnen bij de eierleggende dieren, waaronder men een groot aantal
viervoetige dieren vindt. De schildpadden, de krokodillen, de kikvorschen, de
slangen, de vogels leggen eieren. Men kan de ontwikkeling der voortplanting
door eieren volgen van de laagste insecten tot aan de zoogdieren. Deze
brengen wel levende jongen voort, maar iedereen weet, dat ook daar in den
moederschoot ieder levend wezen als ei begonnen is. Het baren van levende
jongen is de tot volkomenheid gebrachte voortplanting door eieren; de eerste
wijze van voortplanting is zelfs nog weifelend bij de eerste zoogdieren, de
buideldieren, die hare jongen dragen in eenen uitwendigen zak, en vooral bij
de vogelbekdieren (ornithorhynchus paradoxus). Van welk oogpunt wij dus
ook de zaak beschouwen, wij zien in het leven op aarde steeds de
ontwikkeling uit éénen zelfden stamboom.
De eierleggende viervoetige dieren vormen den overgang tusschen de
voortplanting door eieren en door het baren van levende jongen; men weet
zelfs nu nog niet, of de ornithorhynchus altijd eieren legt of somtijds ook
levende jongen voortbrengt. De buideldieren, zooals de kangoeroe’s en
andere, schijnen met de vogelbekdieren de oudste zoogdieren der wereld te
zijn.
Page 126
Fig. 56. Buideldieren, eerste zoogdieren, De jonggeborenen worden in een zak bewaard.
Die wezens, die in de ontwikkeling van het leven zijn blijven stilstaan,
brengen jongen voort, die zich eerst ontwikkelen na hunne geboorte. De
moeder grijpt met de lippen hare jongen, die op zich zelf nog niet
levensvatbaar zijn, en legt ze in den zak, dien zij vóór haren buik draagt. Daar
hechten zij zich vast, ieder aan eenen tepel, en blijven daaraan vast, totdat
hunne ledematen en organen voldoende ontwikkeld zijn. Die buidelzak is als
het ware eene tweede baarmoeder, waarin de ontwikkeling der vrucht ten
einde gebracht wordt. Indien de jongen alleen kunnen loopen, vergeten zij
toch dat nest niet en vluchten zij daarin bij het eerste alarm; zij brengen daarin
een groot gedeelte van hunne kindsheid door. Men ziet, hoe wij geleidelijk de
ontwikkeling van alle organen bijwonen. Men kan stap voor stap de vorming
van den boezem volgen, te beginnen met de vogelbekdieren tot aan de
schitterende Venus van Milo; de volmaking van den kop, van den
eenvoudigen worm tot dien van Apollo of Antinoüs, en zoo verder van het
Die wezens, die in de ontwikkeling van het leven zijn blijven stilstaan,
brengen jongen voort, die zich eerst ontwikkelen na hunne geboorte. De
moeder grijpt met de lippen hare jongen, die op zich zelf nog niet
levensvatbaar zijn, en legt ze in den zak, dien zij vóór haren buik draagt. Daar
hechten zij zich vast, ieder aan eenen tepel, en blijven daaraan vast, totdat
hunne ledematen en organen voldoende ontwikkeld zijn. Die buidelzak is als
het ware eene tweede baarmoeder, waarin de ontwikkeling der vrucht ten
einde gebracht wordt. Indien de jongen alleen kunnen loopen, vergeten zij
toch dat nest niet en vluchten zij daarin bij het eerste alarm; zij brengen daarin
een groot gedeelte van hunne kindsheid door. Men ziet, hoe wij geleidelijk de
ontwikkeling van alle organen bijwonen. Men kan stap voor stap de vorming
van den boezem volgen, te beginnen met de vogelbekdieren tot aan de
schitterende Venus van Milo; de volmaking van den kop, van den
eenvoudigen worm tot dien van Apollo of Antinoüs, en zoo verder van het
Page 127
geheele lichaam en van ieder orgaan, hand, oog, oor enz. Stap voor stap begint
elk orgaan, ontwikkelt het zich en wordt het volmaakter.
De levenskracht, eerst in het geheele organisme verspreid, beperkt zich
langzamerhand in enkele organen. Wij zagen reeds, dat men eenen ringworm
in zooveel deelen kan snijden als men wil, zonder dat het dier zijn leven
verliest. Men kan toch het dier beschouwen als eene verzameling van kleine
deelen, die ieder hunne eigene levensvatbaarheid bezitten: de rugstukken
eener naïdine vormen eenvoudig dertig dieren; elk deel verkrijgt eenen kop,
eenen staart en nieuwe ringen. Zoo ook zagen wij, dat enkele lange
ringwormen zich in hunnen eigen staart bijten zonder dat zij het zelf
bemerken; dat men eene hydra in stukken kan snijden, kan omkeeren, twee
hydra’s op elkander kan enten, enz. De aardworm heeft niet meer die
verbazende levensvatbaarheid in ieder zijner deelen; toch groeit de kop weer
aan, als deze afgesneden is. Charles Bonnet verhaalt, hoe hij van eenen
zelfden worm twaalf malen den kop heeft afgesneden, en hoe deze twaalf
malen weder aangroeide. Iedere straal van eene zeester vormt weder eene
nieuwe zeester. Naarmate wij verder komen in ons onderzoek naar de
ontwikkeling der wezens, beperkt zich de levenskracht meer en meer. Bij de
salamanders groeien zoowel de pooten als de staart weer aan en zelfs ook de
oogen en een deel van den kop.
Onder de insecten bezitten de sprinkhanen eene verbazende
levensvatbaarheid. Van 31 onthoofde sprinkhanen leefden alle nog na twee
dagen en waren zij nog even vlug als vóór de operatie, 29 leefden drie dagen,
23 vier dagen, 10 vijf dagen, 4 zes dagen, 2 zeven dagen. De laatste leefde
nog vijftien dagen na de onthoofding. Die zelfde dieren kunnen in het leven
blijven, als alle organen er uit genomen zijn, (en zelfs ook als zij daarna
opgevuld worden): leeggemaakt vijf dagen, leeggemaakt en onthoofd vier
dagen. De enkele kop leeft nog vier en twintig uren. De kop met den eersten
ring kan 30 uren leven. De kop met de twee eerste ringen drie dagen. De
eerste ring, van den kop en het lichaam gescheiden, leeft nog verscheidene
uren. De derde ring met het achterdeel van het lichaam sterft dadelijk. Het
blijkt dus, dat de levenscentra in den kop en de twee eerste ringen gelegen
zijn. Opmerkelijk is het, dat die dieren niet de minste stuiptrekkende
beweging openbaren als men ze den kop afsnijdt, of de ingewanden uitneemt.
elk orgaan, ontwikkelt het zich en wordt het volmaakter.
De levenskracht, eerst in het geheele organisme verspreid, beperkt zich
langzamerhand in enkele organen. Wij zagen reeds, dat men eenen ringworm
in zooveel deelen kan snijden als men wil, zonder dat het dier zijn leven
verliest. Men kan toch het dier beschouwen als eene verzameling van kleine
deelen, die ieder hunne eigene levensvatbaarheid bezitten: de rugstukken
eener naïdine vormen eenvoudig dertig dieren; elk deel verkrijgt eenen kop,
eenen staart en nieuwe ringen. Zoo ook zagen wij, dat enkele lange
ringwormen zich in hunnen eigen staart bijten zonder dat zij het zelf
bemerken; dat men eene hydra in stukken kan snijden, kan omkeeren, twee
hydra’s op elkander kan enten, enz. De aardworm heeft niet meer die
verbazende levensvatbaarheid in ieder zijner deelen; toch groeit de kop weer
aan, als deze afgesneden is. Charles Bonnet verhaalt, hoe hij van eenen
zelfden worm twaalf malen den kop heeft afgesneden, en hoe deze twaalf
malen weder aangroeide. Iedere straal van eene zeester vormt weder eene
nieuwe zeester. Naarmate wij verder komen in ons onderzoek naar de
ontwikkeling der wezens, beperkt zich de levenskracht meer en meer. Bij de
salamanders groeien zoowel de pooten als de staart weer aan en zelfs ook de
oogen en een deel van den kop.
Onder de insecten bezitten de sprinkhanen eene verbazende
levensvatbaarheid. Van 31 onthoofde sprinkhanen leefden alle nog na twee
dagen en waren zij nog even vlug als vóór de operatie, 29 leefden drie dagen,
23 vier dagen, 10 vijf dagen, 4 zes dagen, 2 zeven dagen. De laatste leefde
nog vijftien dagen na de onthoofding. Die zelfde dieren kunnen in het leven
blijven, als alle organen er uit genomen zijn, (en zelfs ook als zij daarna
opgevuld worden): leeggemaakt vijf dagen, leeggemaakt en onthoofd vier
dagen. De enkele kop leeft nog vier en twintig uren. De kop met den eersten
ring kan 30 uren leven. De kop met de twee eerste ringen drie dagen. De
eerste ring, van den kop en het lichaam gescheiden, leeft nog verscheidene
uren. De derde ring met het achterdeel van het lichaam sterft dadelijk. Het
blijkt dus, dat de levenscentra in den kop en de twee eerste ringen gelegen
zijn. Opmerkelijk is het, dat die dieren niet de minste stuiptrekkende
beweging openbaren als men ze den kop afsnijdt, of de ingewanden uitneemt.
Page 128
Een sprinkhaan, wien de kop is afgesneden, merkt daar waarschijnlijk niets
van.
Fig. 57. Onthoofde sprinkhanen, nog vijftien dagen levend.
Zoo ziet men ook, dat de twee helften van eenen doorgesneden kikvorsch niet
dadelijk sterven: de voorste helft, de kop en de twee voorpooten, loopt weg,
terwijl de achterste helft hare gevoeligheid behoudt; niet zelden kan men in
een laboratorium eenen onthoofden kikvorsch met den poot de tang zien
wegduwen, die hem doet lijden. Ook ziet men dikwijls een onthoofd hoen
wegvliegen, een spoor van bloed op zijnen weg achterlatend. Een gevilde en
in stukken gesneden paling beweegt zich nog langen tijd. Het hart van eene
schildpad, uit het lichaam verwijderd, blijft nog eenige uren kloppen. Vroeger
van.
Fig. 57. Onthoofde sprinkhanen, nog vijftien dagen levend.
Zoo ziet men ook, dat de twee helften van eenen doorgesneden kikvorsch niet
dadelijk sterven: de voorste helft, de kop en de twee voorpooten, loopt weg,
terwijl de achterste helft hare gevoeligheid behoudt; niet zelden kan men in
een laboratorium eenen onthoofden kikvorsch met den poot de tang zien
wegduwen, die hem doet lijden. Ook ziet men dikwijls een onthoofd hoen
wegvliegen, een spoor van bloed op zijnen weg achterlatend. Een gevilde en
in stukken gesneden paling beweegt zich nog langen tijd. Het hart van eene
schildpad, uit het lichaam verwijderd, blijft nog eenige uren kloppen. Vroeger
Page 129
hebben wij reeds gezien, dat men bij de lagere dieren de hersenen kan
wegnemen, en dat deze weder aangroeien; diezelfde proef kan ook bij duiven
genomen worden. Indien men bij eene duif de hersenen wegneemt, verliest het
dier onmiddellijk het gebruik zijner zintuigen en het vermogen, om zijn
voedsel te zoeken. Doch indien men het dier voedsel ingiet, kan het blijven
leven, omdat de voedingsfuncties ongestoord blijven, als men de daarmede
samenhangende zenuwcentra niet geschonden heeft. Langzamerhand groeien
de hersenen weder aan, en naarmate die aangroeiing voortgaat, ziet men het
gebruik der zintuigen, het bewustzijn en het instinct van het dier weder
terugkeeren.
Fig. 58. Duif na het wegnemen der hersenen. (De hersenen groeien weder aan en
het bewustzijn keert terug).
Indien de lezer ons wel heeft willen volgen in ons onderzoek over de
ontwikkeling en den vooruitgang van het leven, dan zal hij doordrongen zijn
van het denkbeeld, dat er een nauw verband bestaat tusschen de verschillende
onderdeelen der natuur, van de gesteenten tot aan den mensch; wij herhalen
het, van de gesteenten af. Zoo zal een stuk gebroken kristal weer evenzeer
aangroeien, alsof het een plantaardig of dierlijk weefsel ware. Pasteur heeft
aangetoond, dat indien men een gebroken kristal in de vloeistof plaatst,
wegnemen, en dat deze weder aangroeien; diezelfde proef kan ook bij duiven
genomen worden. Indien men bij eene duif de hersenen wegneemt, verliest het
dier onmiddellijk het gebruik zijner zintuigen en het vermogen, om zijn
voedsel te zoeken. Doch indien men het dier voedsel ingiet, kan het blijven
leven, omdat de voedingsfuncties ongestoord blijven, als men de daarmede
samenhangende zenuwcentra niet geschonden heeft. Langzamerhand groeien
de hersenen weder aan, en naarmate die aangroeiing voortgaat, ziet men het
gebruik der zintuigen, het bewustzijn en het instinct van het dier weder
terugkeeren.
Fig. 58. Duif na het wegnemen der hersenen. (De hersenen groeien weder aan en
het bewustzijn keert terug).
Indien de lezer ons wel heeft willen volgen in ons onderzoek over de
ontwikkeling en den vooruitgang van het leven, dan zal hij doordrongen zijn
van het denkbeeld, dat er een nauw verband bestaat tusschen de verschillende
onderdeelen der natuur, van de gesteenten tot aan den mensch; wij herhalen
het, van de gesteenten af. Zoo zal een stuk gebroken kristal weer evenzeer
aangroeien, alsof het een plantaardig of dierlijk weefsel ware. Pasteur heeft
aangetoond, dat indien men een gebroken kristal in de vloeistof plaatst,
Page 130
waaruit het gekristalliseerd is, men het kristal in alle richtingen ziet
aangroeien door een afzetsel van kristallijne deeltjes, maar dat men tevens
eene sterke werking waarneemt aan het gebroken gedeelte, zoodat het
verminkte deel na verloop van enkele uren weer zijne regelmatige gedaante
heeft herwonnen.
In die onafgebroken reeks openbaringen der scheppende natuur, heeft er van
de mechanische, physische en chemische periode vóór het leven, tot aan
onzen tijd, zoo rijk aan de vruchten van verstand en gedachte, geene
verbreking plaats gehad in den samenhang, geene enkele gaping, geene
verandering van plan, geen onoverkomelijke afgrond, geene spontane
schepping. De geheele natuur op aarde is naar een zelfde plan gebouwd en
vertoont overal de uitdrukking van eenzelfde gronddenkbeeld. Komt men
eindelijk tot den mensen, dan staat men niet meer tegenover eenen
onoverkomelijken afgrond. De mensen is het kind der natuur, evenals alle
voorgaande voortbrengselen. Hij is door onverbreekbare banden verbonden
aan de wezens, die hem zijn voorgegaan, aan de gesteenten, de planten en de
dieren. Later zullen wij onderzoeken, wie zijn onmiddellijke stamvader
geweest is. Maar terwijl wij dit onderzoek sluiten, moeten wij duidelijk die
verwantschap van den mensch met de geheele natuur der aarde verstaan.
De geest zoowel als het lichaam zijn de producten van de levenskracht, zooals
zij langzamerhand ontwikkeld is. Wel beperkt zich het leven meer en meer in
het hart en in de hersenen, wel beperkt zich het bewustzijn meer en meer in de
hersenen, maar daarom is dit nog geene nieuwe wereld, het is slechts de
voortzetting en ontwikkeling van oude vormen.
Wij merkten zooeven op, dat het hart van eene schildpad nog blijft kloppen,
nadat het uit het lichaam van het dier verwijderd is; hezelfde is met het hart
van den mensch het geval. Indien men het hart van eenen ter dood gebrachte
enkele minuten na de terechtstelling uitneemt, kan men de kloppingen, ten
getale van 40 tot 45 in de minuut, nog wel een uur lang waarnemen, zelfs
indien de lever, de maag, de ingewanden verwijderd zijn. Eenige jaren
geleden zag een betrouwbaar en bekwaam ooggetuige bij eene terechtstelling
in Japan, hoe de oogen van het hoofd van den onthoofde, nadat het op het
zand gevallen was, hem strak aanstaarden, en hem 15 tot 20 seconden lang bij
zijne bewegingen volgden. Men houde in het oog, dat het hoofd met de
aangroeien door een afzetsel van kristallijne deeltjes, maar dat men tevens
eene sterke werking waarneemt aan het gebroken gedeelte, zoodat het
verminkte deel na verloop van enkele uren weer zijne regelmatige gedaante
heeft herwonnen.
In die onafgebroken reeks openbaringen der scheppende natuur, heeft er van
de mechanische, physische en chemische periode vóór het leven, tot aan
onzen tijd, zoo rijk aan de vruchten van verstand en gedachte, geene
verbreking plaats gehad in den samenhang, geene enkele gaping, geene
verandering van plan, geen onoverkomelijke afgrond, geene spontane
schepping. De geheele natuur op aarde is naar een zelfde plan gebouwd en
vertoont overal de uitdrukking van eenzelfde gronddenkbeeld. Komt men
eindelijk tot den mensen, dan staat men niet meer tegenover eenen
onoverkomelijken afgrond. De mensen is het kind der natuur, evenals alle
voorgaande voortbrengselen. Hij is door onverbreekbare banden verbonden
aan de wezens, die hem zijn voorgegaan, aan de gesteenten, de planten en de
dieren. Later zullen wij onderzoeken, wie zijn onmiddellijke stamvader
geweest is. Maar terwijl wij dit onderzoek sluiten, moeten wij duidelijk die
verwantschap van den mensch met de geheele natuur der aarde verstaan.
De geest zoowel als het lichaam zijn de producten van de levenskracht, zooals
zij langzamerhand ontwikkeld is. Wel beperkt zich het leven meer en meer in
het hart en in de hersenen, wel beperkt zich het bewustzijn meer en meer in de
hersenen, maar daarom is dit nog geene nieuwe wereld, het is slechts de
voortzetting en ontwikkeling van oude vormen.
Wij merkten zooeven op, dat het hart van eene schildpad nog blijft kloppen,
nadat het uit het lichaam van het dier verwijderd is; hezelfde is met het hart
van den mensch het geval. Indien men het hart van eenen ter dood gebrachte
enkele minuten na de terechtstelling uitneemt, kan men de kloppingen, ten
getale van 40 tot 45 in de minuut, nog wel een uur lang waarnemen, zelfs
indien de lever, de maag, de ingewanden verwijderd zijn. Eenige jaren
geleden zag een betrouwbaar en bekwaam ooggetuige bij eene terechtstelling
in Japan, hoe de oogen van het hoofd van den onthoofde, nadat het op het
zand gevallen was, hem strak aanstaarden, en hem 15 tot 20 seconden lang bij
zijne bewegingen volgden. Men houde in het oog, dat het hoofd met de
Page 131
scheidingsvlakte dadelijk op het zand was neergekomen, zoodat er bijna geen
bloedverlies had plaats gegrepen.
De ledematen, de organen van den mensch hernieuwen zich niet, zooals dit
met de lagere dieren het geval was; de weefsels echter herstellen zich weer
vanzelf, wonden heelen, het vleesch sluit zich weder; door aanhechting van
andere weefsels heeft men enkele deelen van organen weder kunnen
herstellen, en bekend is het, hoe de transfusie van bloed reeds in vele gevallen
het leven gered heeft. Naarmate de centralisatie duidelijker uitkomt, worden
een aantal bewegingen onwillekeurig verricht. Het hart klopt, de longen
ademen, de maag verteert het voedsel, zonder dat de wil zich openbaart.
Langzamerhand heeft de gedachte zich tot de hersenen beperkt,
langzamerhand verkrijgt het individu het bewustzijn zijner persoonlijkheid.
Die persoonlijkheid, dat bewustzijn is reeds begonnen op de laagste trappen
van het dierenrijk3. De weekdieren, de visschen, de kruipende dieren, zij allen
weten, dat zij bestaan, zij allen verdedigen hun leven en brengen de geheele
wereld in verband met hunne persoonlijkheid. Zij beginnen reeds te denken.
De gedachte ontwikkelt zich met het zelfbewustzijn. Niemand trekt
tegenwoordig het verstand der dieren meer in twijfel. De waarneming der
gewoonten, de ontleding der willekeurige handelingen en van de
gevoelsuitingen der apen, der honden, mieren, katten, olifanten, bijen enz.
toonen onwederlegbaar aan, dat naast en boven het erfelijk instinkt de ziel der
dieren begaafd is met al de eigenschappen, waarop zich de menschelijke ziel
verhoovaardigt, hoewel dan ook gewoonlijk in mindere mate. Wij zeggen
gewoonlijk, omdat het niet zelden voorkomt, zelfs bij beschaafde volken, dat
de ouders door hunne daden toonen, dat hunne liefde en offervaardigheid voor
hunne kinderen verre beneden die der katten, leeuwen en tijgers staat. Niet
zelden ontmoeten wij menschen, minder verstandig dan mieren, minder
goedaardig dan honden, minder slim dan apen.
De Bosjesmannen, Hottentotten en Papoea’s staan op eenen zóó lagen trap
van ontwikkeling, dat men zoude meenen, dat zij in het geheel niet denken.
Een groot aantal van die stammen hebben geen woord voor het begrip dier,
plant, geluid, kleur, terwijl zij wel uitdrukkingen hebben, om ieder dier, iedere
plant, iederen toon, iedere kleur te onderscheiden. Zij missen volkomen het
vermogen om te abstraheeren. Zij kunnen tot vijf tellen; verder dan vijf
bloedverlies had plaats gegrepen.
De ledematen, de organen van den mensch hernieuwen zich niet, zooals dit
met de lagere dieren het geval was; de weefsels echter herstellen zich weer
vanzelf, wonden heelen, het vleesch sluit zich weder; door aanhechting van
andere weefsels heeft men enkele deelen van organen weder kunnen
herstellen, en bekend is het, hoe de transfusie van bloed reeds in vele gevallen
het leven gered heeft. Naarmate de centralisatie duidelijker uitkomt, worden
een aantal bewegingen onwillekeurig verricht. Het hart klopt, de longen
ademen, de maag verteert het voedsel, zonder dat de wil zich openbaart.
Langzamerhand heeft de gedachte zich tot de hersenen beperkt,
langzamerhand verkrijgt het individu het bewustzijn zijner persoonlijkheid.
Die persoonlijkheid, dat bewustzijn is reeds begonnen op de laagste trappen
van het dierenrijk3. De weekdieren, de visschen, de kruipende dieren, zij allen
weten, dat zij bestaan, zij allen verdedigen hun leven en brengen de geheele
wereld in verband met hunne persoonlijkheid. Zij beginnen reeds te denken.
De gedachte ontwikkelt zich met het zelfbewustzijn. Niemand trekt
tegenwoordig het verstand der dieren meer in twijfel. De waarneming der
gewoonten, de ontleding der willekeurige handelingen en van de
gevoelsuitingen der apen, der honden, mieren, katten, olifanten, bijen enz.
toonen onwederlegbaar aan, dat naast en boven het erfelijk instinkt de ziel der
dieren begaafd is met al de eigenschappen, waarop zich de menschelijke ziel
verhoovaardigt, hoewel dan ook gewoonlijk in mindere mate. Wij zeggen
gewoonlijk, omdat het niet zelden voorkomt, zelfs bij beschaafde volken, dat
de ouders door hunne daden toonen, dat hunne liefde en offervaardigheid voor
hunne kinderen verre beneden die der katten, leeuwen en tijgers staat. Niet
zelden ontmoeten wij menschen, minder verstandig dan mieren, minder
goedaardig dan honden, minder slim dan apen.
De Bosjesmannen, Hottentotten en Papoea’s staan op eenen zóó lagen trap
van ontwikkeling, dat men zoude meenen, dat zij in het geheel niet denken.
Een groot aantal van die stammen hebben geen woord voor het begrip dier,
plant, geluid, kleur, terwijl zij wel uitdrukkingen hebben, om ieder dier, iedere
plant, iederen toon, iedere kleur te onderscheiden. Zij missen volkomen het
vermogen om te abstraheeren. Zij kunnen tot vijf tellen; verder dan vijf
Page 132
hebben zij geene voorstelling meer van een getal. Andere wilde volken
kunnen tot tien tellen, of tot twintig: sommige dieren hebben het wel verder
gebracht. Men vindt in Zuid-Azië en Oost-Afrika stammen, die evenals de
apen slechts tijdelijke vereenigingen vormen, zonder dat zij nog een begrip
hebben van familieleven of huwelijk, de grondslagen der menschelijke
beschaving. De halfaapachtige negers, die in de hoogere Nijlstreken leven,
zijn volgens de berichten van vele zendelingen niet vatbaar voor eenig begrip;
niet alleen dat zij niet kunnen nadenken, zij hebben zelfs geen begrip van
dankbaarheid en staan dus in dat opzicht beneden de honden. Men behoeft
slechts de verhalen na te lezen van reizigers, die deze primitieve
volksstammen hebben gadegeslagen, om een oordeel te kunnen vellen over
den lagen trap van hunne zedelijke en verstandelijke ontwikkeling.
Indien wij de zielkundige processen bestudeeren, door de dieren in toepassing
gebracht bij het openbaren van hunnen wil en hun gevoel, dan zien wij, dat zij
evenals wij langs inductieven en deductieven weg besluiten trekken. Het is
slechts een verschil in hoeveelheid, niet in aard. Ook het kind gaat slechts
uiterst langzaam vooruit in het overwegen, en zijne eerste redeneeringen
berusten eveneens slechts op vergelijking. Een kind van een jaar is uit dat
oogpunt beschouwd nog een klein dier; zijne verstandelijke vermogens zijn
nog in kiem en zullen zich eerst trapsgewijze ontwikkelen. In het eerst zal het
als een jonge aap alles willen nabootsen, en dit is de eerste stap tot
vooruitgang. Daarna eerst begint het te oordeelen over oorzaken en gevolgen,
en gewoonlijk zal dat oordeel zeer juist zijn. Eerst later wordt het door onze
valsche maatschappelijke opvoeding met dwalingen en vooroordeelen
omgeven en daardoor verhinderd, op den weg van den vooruitgang voort te
schrijden.
Even zeker als de eerste scheikundige verbindingen ontstaan zijn uit de
samenvoeging der moleculen onderling, en even zeker als de scheikundige
verwantschap afgeleid is uit de verbindingen, en de oorspronkelijke
organismen met hunne levenskracht uit die verwantschap geboren zijn, even
zeker is de menschelijke ziel eene volmaking van die van het dier.
Toch zoude geen enkele onzer lezers voldaan zijn, indien wij dit hoofdstuk
over de ontwikkeling en den vooruitgang van het leven, dat ons stap voor stap
van het protoplasma tot den mensch voerde, hiermede eindigden. En waarom?
kunnen tot tien tellen, of tot twintig: sommige dieren hebben het wel verder
gebracht. Men vindt in Zuid-Azië en Oost-Afrika stammen, die evenals de
apen slechts tijdelijke vereenigingen vormen, zonder dat zij nog een begrip
hebben van familieleven of huwelijk, de grondslagen der menschelijke
beschaving. De halfaapachtige negers, die in de hoogere Nijlstreken leven,
zijn volgens de berichten van vele zendelingen niet vatbaar voor eenig begrip;
niet alleen dat zij niet kunnen nadenken, zij hebben zelfs geen begrip van
dankbaarheid en staan dus in dat opzicht beneden de honden. Men behoeft
slechts de verhalen na te lezen van reizigers, die deze primitieve
volksstammen hebben gadegeslagen, om een oordeel te kunnen vellen over
den lagen trap van hunne zedelijke en verstandelijke ontwikkeling.
Indien wij de zielkundige processen bestudeeren, door de dieren in toepassing
gebracht bij het openbaren van hunnen wil en hun gevoel, dan zien wij, dat zij
evenals wij langs inductieven en deductieven weg besluiten trekken. Het is
slechts een verschil in hoeveelheid, niet in aard. Ook het kind gaat slechts
uiterst langzaam vooruit in het overwegen, en zijne eerste redeneeringen
berusten eveneens slechts op vergelijking. Een kind van een jaar is uit dat
oogpunt beschouwd nog een klein dier; zijne verstandelijke vermogens zijn
nog in kiem en zullen zich eerst trapsgewijze ontwikkelen. In het eerst zal het
als een jonge aap alles willen nabootsen, en dit is de eerste stap tot
vooruitgang. Daarna eerst begint het te oordeelen over oorzaken en gevolgen,
en gewoonlijk zal dat oordeel zeer juist zijn. Eerst later wordt het door onze
valsche maatschappelijke opvoeding met dwalingen en vooroordeelen
omgeven en daardoor verhinderd, op den weg van den vooruitgang voort te
schrijden.
Even zeker als de eerste scheikundige verbindingen ontstaan zijn uit de
samenvoeging der moleculen onderling, en even zeker als de scheikundige
verwantschap afgeleid is uit de verbindingen, en de oorspronkelijke
organismen met hunne levenskracht uit die verwantschap geboren zijn, even
zeker is de menschelijke ziel eene volmaking van die van het dier.
Toch zoude geen enkele onzer lezers voldaan zijn, indien wij dit hoofdstuk
over de ontwikkeling en den vooruitgang van het leven, dat ons stap voor stap
van het protoplasma tot den mensch voerde, hiermede eindigden. En waarom?
Page 133
omdat ieder onzer gevoelt, dat hij nog iets anders is dan een dier, evenzeer als
het dier geene plantaardige stof, of de plant iets anders is dan een voorwerp uit
het delfstoffenrijk.
Reeds bij het dier, en vooral bij het hoogere dier, is de ziel eene leidende
kracht en niet eene eigenschap. De stof, die het lichaam vormt, heeft
scheikundige en natuurkundige eigenschappen, en die eigenschappen zijn
voortdurend in het organisme werkzaam. Een levend wezen is evenals alle
lichamen onderworpen aan de zwaartekracht, en de wetten der mechanica zijn
evenzeer van toepassing bij de beweging van de spier, die den arm opheft, als
bij de beweging van het voedsel van den mond naar de maag. Maar die
eigenschappen der stof geven een levend wezen niet zijnen vorm, zijne
levenskracht, zijne persoonlijkheid. Men moet de eigenschappen der stof, zoo
schreef Claude Bernard, niet verwarren met de functies, die verricht worden.
Zoude men het niet ongerijmd vinden, als men hoorde zeggen, dat de
stembanden de eigenschap hebben van te spreken en te zingen, of het
middelrif de eigenschap heeft van te ademen? Zoo is het ook met de
hersencellen: men kan niet zeggen, dat zij de eigenschap hebben van te
gevoelen, te denken of te willen!
Het leven heeft de gedachte voortgebracht. Ook de gedachte bestaat; het is
eene kracht, die zelfbewust is, die gevoelt, wil en handelt. Zij is geen stof. Het
lichaam en de beweging zijn zuiver verschijnselen: het eerste is het beeld der
stof, het tweede het beeld der handeling; maar beide zijn de gevolgen der
kracht. Op den bodem van ons onderzoek is de kracht gelegen. Wij hebben
haar zien ontstaan, nederig, zwak, onbewust in het protoplasma. Wij hebben
haar langzaam zien toenemen, zich bevestigen en heerschen bij de
ontwikkeling van het dierenrijk. Wij zien haar op haar toppunt bij den
mensch. De menschelijke gedachte is het eindresultaat van alle
natuurkrachten, omdat zij die alle in zich heeft opgenomen.
Het wezen der kracht is ons onbekend. Wij houden eenen steen in de hand: hij
valt; waar is de onzichtbare band, die hem naar de aarde heeft toegetrokken.
Onze planeet draait met groote snelheid om de zon: waar is de slinger, die
haar aan het draaien gebracht heeft? Hier is een regelmatig veelvlak, eene ster
van sneeuw, eene ijsbloem, waar is de hand, die de moleculen in bepaalde
vormen rangschikt? Hier zijn twee zaadkorrels; uit een natuur- en scheikundig
het dier geene plantaardige stof, of de plant iets anders is dan een voorwerp uit
het delfstoffenrijk.
Reeds bij het dier, en vooral bij het hoogere dier, is de ziel eene leidende
kracht en niet eene eigenschap. De stof, die het lichaam vormt, heeft
scheikundige en natuurkundige eigenschappen, en die eigenschappen zijn
voortdurend in het organisme werkzaam. Een levend wezen is evenals alle
lichamen onderworpen aan de zwaartekracht, en de wetten der mechanica zijn
evenzeer van toepassing bij de beweging van de spier, die den arm opheft, als
bij de beweging van het voedsel van den mond naar de maag. Maar die
eigenschappen der stof geven een levend wezen niet zijnen vorm, zijne
levenskracht, zijne persoonlijkheid. Men moet de eigenschappen der stof, zoo
schreef Claude Bernard, niet verwarren met de functies, die verricht worden.
Zoude men het niet ongerijmd vinden, als men hoorde zeggen, dat de
stembanden de eigenschap hebben van te spreken en te zingen, of het
middelrif de eigenschap heeft van te ademen? Zoo is het ook met de
hersencellen: men kan niet zeggen, dat zij de eigenschap hebben van te
gevoelen, te denken of te willen!
Het leven heeft de gedachte voortgebracht. Ook de gedachte bestaat; het is
eene kracht, die zelfbewust is, die gevoelt, wil en handelt. Zij is geen stof. Het
lichaam en de beweging zijn zuiver verschijnselen: het eerste is het beeld der
stof, het tweede het beeld der handeling; maar beide zijn de gevolgen der
kracht. Op den bodem van ons onderzoek is de kracht gelegen. Wij hebben
haar zien ontstaan, nederig, zwak, onbewust in het protoplasma. Wij hebben
haar langzaam zien toenemen, zich bevestigen en heerschen bij de
ontwikkeling van het dierenrijk. Wij zien haar op haar toppunt bij den
mensch. De menschelijke gedachte is het eindresultaat van alle
natuurkrachten, omdat zij die alle in zich heeft opgenomen.
Het wezen der kracht is ons onbekend. Wij houden eenen steen in de hand: hij
valt; waar is de onzichtbare band, die hem naar de aarde heeft toegetrokken.
Onze planeet draait met groote snelheid om de zon: waar is de slinger, die
haar aan het draaien gebracht heeft? Hier is een regelmatig veelvlak, eene ster
van sneeuw, eene ijsbloem, waar is de hand, die de moleculen in bepaalde
vormen rangschikt? Hier zijn twee zaadkorrels; uit een natuur- en scheikundig
Page 134
oogpunt zijn zij gelijk; de één zal echter het aanzijn schenken aan een plantje,
dat in den herfst niet meer zal leven, de andere aan eenen reusachtigen boom,
die jaren en eeuwen zal voortbestaan: waarin ligt het verschil der beide
kiemen? in eene onzichtbare kracht, die de ontwikkeling der plant van hare
geboorte tot aan haren dood beheerscht. Het wezen der dingen is dus niet de
stof, maar de kracht.
De wetenschap veroordeelt dus niet ons gevoel, onze hoop, onze neigingen.
Haar doel is integendeel, ze te verklaren en te rechtvaardigen. De wetenschap
is nog zoo jong, en laat dus nog zoovele raadselen onopgelost. Maar naarmate
zij meer vooruitgaat, zal zij ons meer licht verschaffen. De wetenschap is
echter niet de slavin van eene secte of van een stelsel; zij brengt ons
voortdurend nader tot het ideaal, om ons in de natuur wetten en krachten te
doen bewonderen, waarvan het wezen ons verborgen is en tot het gebied van
het onzichtbare en oneindige behoort.
1 De in fig. 34 en 35 geteekende wezens zijn die, welke in de lucht het meest verspreid zijn. Op
bewoonde plaatsen is hun aantal zeer groot, terwijl het op de bergen en in volle zee uiterst gering is,
zooals de volgende tabel leert:
Aantal bacteriën, geteld in eenen cubieken meter lucht.
Op de bergen 1 tot 10
Boven op het Pantheon te Parijs 200
Park van Montsouris 500
Lucht in de rue Rivoli te Parijs 3 480
Lucht in de nieuwe huizen te Parijs 4 500
Lucht in het laboratorium te Montsouris 7 420
Lucht in de oude huizen te Parijs 36 000
Lucht in het nieuwe hospitaal te Parijs 40 000
Lucht in het hospitaal la Pitié te Parijs 79 000
2 Bij de hydra’s vindt men reeds eene sterke ontwikkeling der levenskracht. Zij zijn zeer gulzig en
gevaarlijk voor hare even groote naburen. De mond aan het vooreinde is omzet met een krans van
bewegelijke, lange vangarmen; aan de oppervlakte en in de nabijheid daarvan vindt men een aantal
netelorganen. De draad, in die netelorganen besloten, eindigt in een peervormig blaasje, waarachter drie
dat in den herfst niet meer zal leven, de andere aan eenen reusachtigen boom,
die jaren en eeuwen zal voortbestaan: waarin ligt het verschil der beide
kiemen? in eene onzichtbare kracht, die de ontwikkeling der plant van hare
geboorte tot aan haren dood beheerscht. Het wezen der dingen is dus niet de
stof, maar de kracht.
De wetenschap veroordeelt dus niet ons gevoel, onze hoop, onze neigingen.
Haar doel is integendeel, ze te verklaren en te rechtvaardigen. De wetenschap
is nog zoo jong, en laat dus nog zoovele raadselen onopgelost. Maar naarmate
zij meer vooruitgaat, zal zij ons meer licht verschaffen. De wetenschap is
echter niet de slavin van eene secte of van een stelsel; zij brengt ons
voortdurend nader tot het ideaal, om ons in de natuur wetten en krachten te
doen bewonderen, waarvan het wezen ons verborgen is en tot het gebied van
het onzichtbare en oneindige behoort.
1 De in fig. 34 en 35 geteekende wezens zijn die, welke in de lucht het meest verspreid zijn. Op
bewoonde plaatsen is hun aantal zeer groot, terwijl het op de bergen en in volle zee uiterst gering is,
zooals de volgende tabel leert:
Aantal bacteriën, geteld in eenen cubieken meter lucht.
Op de bergen 1 tot 10
Boven op het Pantheon te Parijs 200
Park van Montsouris 500
Lucht in de rue Rivoli te Parijs 3 480
Lucht in de nieuwe huizen te Parijs 4 500
Lucht in het laboratorium te Montsouris 7 420
Lucht in de oude huizen te Parijs 36 000
Lucht in het nieuwe hospitaal te Parijs 40 000
Lucht in het hospitaal la Pitié te Parijs 79 000
2 Bij de hydra’s vindt men reeds eene sterke ontwikkeling der levenskracht. Zij zijn zeer gulzig en
gevaarlijk voor hare even groote naburen. De mond aan het vooreinde is omzet met een krans van
bewegelijke, lange vangarmen; aan de oppervlakte en in de nabijheid daarvan vindt men een aantal
netelorganen. De draad, in die netelorganen besloten, eindigt in een peervormig blaasje, waarachter drie
Page 135
of vier weerhaakjes staan; de polyp kan naar willekeur die weerhaakjes uitslaan en intrekken. Als een
infusiediertje in de nabijheid der hydra komt, grijpen de vangarmen het aan, haken de weerhaakjes
daarin vast en wordt het in den mond van het monster gesleept. Geen enkel dier op het land, zelfs niet de
ontzaglijkste verscheurende dieren, bezit zulke gevaarlijke wapenen als die bijna onmerkbare polyp,
wier gulzigheid en verterend vermogen zonder wederga zijn.
Door middel van den mikroskoop heeft men waargenomen, dat die diertjes, na hunne prooi te hebben
verslonden, eenige minuten later de overblijfselen weder uitwerpen, die dan hunne voedende
eigenschappen verloren hebben; somtijds verslinden zij lichamen, grooter dan zij zelf zijn; men ziet dan
de mondopening, en de holte, die het lichaam vormt, zich uitzetten tot driemaal het gewone volume;
indien het verslonden dier een omhulsel bevat, dan wordt dit in de maag van de polyp door het maagsap
week gemaakt en zoo voor de voeding geschikt.
Opmerkelijk is het, dat dit verterend vermogen alleen werkt op vreemde lichamen en niet op polypen.
Trembley had dit reeds in het midden der vorige eeuw opgemerkt. Eene polyp had tegelijk met hare
prooi éénen harer eigen vangarmen ingeslikt: na verloop van eenige oogenblikken kwam de vangarm
ongedeerd uit de mondopening, terwijl de prooi in het lichaam van de polyp werd opgelost. Harting
vertelt, dat twee polypen elkander eene prooi betwistten; geene van beide wilde de prooi loslaten; de
sterkste slikte toen de zwakste op met de prooi, waaraan zij zich had vastgeklemd. Eenigen tijd later
wierp de overwinnaar de overblijfselen van zijnen maaltijd uit, en tegelijkertijd kwam de andere polyp
ongedeerd te voorschijn, die weer na korten tijd jacht ging maken op andere dieren, als ware er niets
geschied.
3 Zij heeft reeds eenen aanvang genomen bij de planten. De plant is lang zoo werkeloos niet als men
zich dit gewoonlijk voorstelt; zij ademt, eet, drinkt en slaapt. Zij ademt evenals wij de dampkringslucht
in, maar juist in omgekeerde volgorde; zij ademt koolzuur in, dat voor ons doodende gas, en herstelt zoo
het evenwicht in de samenstelling van den dampkring.
Zij eet en drinkt; haar voedsel is koolstof, ammoniak, zwavel, phosphorus. De krachtige bouw harer
wortels en bladeren stelt haar in staat, haar voedsel te nemen en zelfs te halen uit de lucht en den bodem,
zoover hare armen zich kunnen uitstrekken.—Zij slaapt: de meeste planten volgen gehoorzaam de
natuur en slapen van het ondergaan tot aan het opkomen van de zon, andere echter waken tot laat in den
nacht, staan niet vóór ’s middags op, en ontwaken zelfs in het geheel niet bij regenachtig weder.
Een geheime band verbindt de plant aan het licht; het uur van haar ontwaken en ontluiken wijzigt zich
naar de families; er zijn er, die daarin de jaargetijden en de afwisselingen in temperatuur volgen; andere
echter onderwerpen zich als gehoorzame dochters aan den schijnbaren loop der zon. Hieruit heeft
Linnaeus zijn bekend uurwerk van Flora vervaardigd.
De plant heeft het vermogen, het voedsel te kiezen, dat haar past. Tot voorbeeld diene het volgende:
infusiediertje in de nabijheid der hydra komt, grijpen de vangarmen het aan, haken de weerhaakjes
daarin vast en wordt het in den mond van het monster gesleept. Geen enkel dier op het land, zelfs niet de
ontzaglijkste verscheurende dieren, bezit zulke gevaarlijke wapenen als die bijna onmerkbare polyp,
wier gulzigheid en verterend vermogen zonder wederga zijn.
Door middel van den mikroskoop heeft men waargenomen, dat die diertjes, na hunne prooi te hebben
verslonden, eenige minuten later de overblijfselen weder uitwerpen, die dan hunne voedende
eigenschappen verloren hebben; somtijds verslinden zij lichamen, grooter dan zij zelf zijn; men ziet dan
de mondopening, en de holte, die het lichaam vormt, zich uitzetten tot driemaal het gewone volume;
indien het verslonden dier een omhulsel bevat, dan wordt dit in de maag van de polyp door het maagsap
week gemaakt en zoo voor de voeding geschikt.
Opmerkelijk is het, dat dit verterend vermogen alleen werkt op vreemde lichamen en niet op polypen.
Trembley had dit reeds in het midden der vorige eeuw opgemerkt. Eene polyp had tegelijk met hare
prooi éénen harer eigen vangarmen ingeslikt: na verloop van eenige oogenblikken kwam de vangarm
ongedeerd uit de mondopening, terwijl de prooi in het lichaam van de polyp werd opgelost. Harting
vertelt, dat twee polypen elkander eene prooi betwistten; geene van beide wilde de prooi loslaten; de
sterkste slikte toen de zwakste op met de prooi, waaraan zij zich had vastgeklemd. Eenigen tijd later
wierp de overwinnaar de overblijfselen van zijnen maaltijd uit, en tegelijkertijd kwam de andere polyp
ongedeerd te voorschijn, die weer na korten tijd jacht ging maken op andere dieren, als ware er niets
geschied.
3 Zij heeft reeds eenen aanvang genomen bij de planten. De plant is lang zoo werkeloos niet als men
zich dit gewoonlijk voorstelt; zij ademt, eet, drinkt en slaapt. Zij ademt evenals wij de dampkringslucht
in, maar juist in omgekeerde volgorde; zij ademt koolzuur in, dat voor ons doodende gas, en herstelt zoo
het evenwicht in de samenstelling van den dampkring.
Zij eet en drinkt; haar voedsel is koolstof, ammoniak, zwavel, phosphorus. De krachtige bouw harer
wortels en bladeren stelt haar in staat, haar voedsel te nemen en zelfs te halen uit de lucht en den bodem,
zoover hare armen zich kunnen uitstrekken.—Zij slaapt: de meeste planten volgen gehoorzaam de
natuur en slapen van het ondergaan tot aan het opkomen van de zon, andere echter waken tot laat in den
nacht, staan niet vóór ’s middags op, en ontwaken zelfs in het geheel niet bij regenachtig weder.
Een geheime band verbindt de plant aan het licht; het uur van haar ontwaken en ontluiken wijzigt zich
naar de families; er zijn er, die daarin de jaargetijden en de afwisselingen in temperatuur volgen; andere
echter onderwerpen zich als gehoorzame dochters aan den schijnbaren loop der zon. Hieruit heeft
Linnaeus zijn bekend uurwerk van Flora vervaardigd.
De plant heeft het vermogen, het voedsel te kiezen, dat haar past. Tot voorbeeld diene het volgende:
Page 136
Op de puinhoopen van New-Abbey in het Graafschap Galloway groeide op eenen ouden muur een
ahornboom. Daar leed de arme ahorn, eenige voeten boven den vruchtbaren bodem, honger, eene ware
tantalusbeproeving, nu de vruchtbare aarde zoo dicht in zijne nabijheid lag. Wie kan ons de
stuiptrekkingen schetsen van het arme wezen, strijdende tegen den dood, de kwellingen, die het niet kon
uiten, zijn versmachten en lijden? Wie kan zeggen, wat er in het organisme van den armen lijder
omging; welke vermogens werden geprikkeld en geoefend, welke gaven zich gingen openbaren?....
Zeker is het, dat de ahorn, de onbewegelijke, de geketende, nu hij de aarde niet tot zich kon trekken,
zich naar die aarde voortbewoog.
Liep hij? Neen, hij rekte zich uit en strekte wanhopig zijne armen uit. Een voor dat doel gevormde
wortel werd op verkenning uitgezonden, naar den grond gericht, en.... bereikte dien. Met hoeveel
vreugde drong hij daarin door! De boom was gered. Door dien nieuwen wortel gevoed, verplaatste hij
zich, liet hij de wortels, die doelloos waren, afsterven, en verliet hij de steenen van den ouden muur, om
voort te leven op het reddende orgaan, dat weldra in eenen stam veranderde. Is de overeenstemming van
dien drang met den menschelijken wil niet treffend?
Licht! licht! riep Goethe uit, toen hij den laatsten adem uitblies. Die kreet, die uiting van eene heerlijke
symboliek, die dorst naar licht, het is de voortdurende smeekbede van de plant, van den
groengebladerden tak, van de welriekende bloem.
Men heeft waargenomen, hoe eene heldhaftige jasmijn telkens eene plank, van gaten voorzien, doortrok,
om het licht te zoeken, zoo dikwijls men haar, door de plank om te keeren, van het licht afwendde.
En dan het kruidje-roer-mij-niet, dat bij de minste aanraking in doodslaap geraakt! In de tropen vindt
men soms velden vol van die planten, welke reeds bij de stappen van een paard in de verte
samentrekken, als werden zij verschrikt. Verdoovende middelen verminderen hare gevoeligheid. Met
opium besproeid slapen zij in. Eene electrische ontlading kan ze dooden. Een waarnemer deelt mede,
hoe zij in een rijtuig geplaatst, zich onder den invloed der schokken eerst verschrikt samentrokken, en na
er aan gewoon geraakt te zijn, weer rustig werden. Zoo dikwijls het rijtuig stil hield, schenen zij zich
weer opnieuw te verbazen en te schrikken, en trokken zij weer samen.
Wij zouden te ver afdwalen, indien wij de aandacht onzer lezers vestigden op de vleeschetende planten.
Genoeg zij het, er op gewezen te hebben, hoe ook de plantenwereld hare stem doet hooren in het
harmonische koor der natuur.
ahornboom. Daar leed de arme ahorn, eenige voeten boven den vruchtbaren bodem, honger, eene ware
tantalusbeproeving, nu de vruchtbare aarde zoo dicht in zijne nabijheid lag. Wie kan ons de
stuiptrekkingen schetsen van het arme wezen, strijdende tegen den dood, de kwellingen, die het niet kon
uiten, zijn versmachten en lijden? Wie kan zeggen, wat er in het organisme van den armen lijder
omging; welke vermogens werden geprikkeld en geoefend, welke gaven zich gingen openbaren?....
Zeker is het, dat de ahorn, de onbewegelijke, de geketende, nu hij de aarde niet tot zich kon trekken,
zich naar die aarde voortbewoog.
Liep hij? Neen, hij rekte zich uit en strekte wanhopig zijne armen uit. Een voor dat doel gevormde
wortel werd op verkenning uitgezonden, naar den grond gericht, en.... bereikte dien. Met hoeveel
vreugde drong hij daarin door! De boom was gered. Door dien nieuwen wortel gevoed, verplaatste hij
zich, liet hij de wortels, die doelloos waren, afsterven, en verliet hij de steenen van den ouden muur, om
voort te leven op het reddende orgaan, dat weldra in eenen stam veranderde. Is de overeenstemming van
dien drang met den menschelijken wil niet treffend?
Licht! licht! riep Goethe uit, toen hij den laatsten adem uitblies. Die kreet, die uiting van eene heerlijke
symboliek, die dorst naar licht, het is de voortdurende smeekbede van de plant, van den
groengebladerden tak, van de welriekende bloem.
Men heeft waargenomen, hoe eene heldhaftige jasmijn telkens eene plank, van gaten voorzien, doortrok,
om het licht te zoeken, zoo dikwijls men haar, door de plank om te keeren, van het licht afwendde.
En dan het kruidje-roer-mij-niet, dat bij de minste aanraking in doodslaap geraakt! In de tropen vindt
men soms velden vol van die planten, welke reeds bij de stappen van een paard in de verte
samentrekken, als werden zij verschrikt. Verdoovende middelen verminderen hare gevoeligheid. Met
opium besproeid slapen zij in. Eene electrische ontlading kan ze dooden. Een waarnemer deelt mede,
hoe zij in een rijtuig geplaatst, zich onder den invloed der schokken eerst verschrikt samentrokken, en na
er aan gewoon geraakt te zijn, weer rustig werden. Zoo dikwijls het rijtuig stil hield, schenen zij zich
weer opnieuw te verbazen en te schrikken, en trokken zij weer samen.
Wij zouden te ver afdwalen, indien wij de aandacht onzer lezers vestigden op de vleeschetende planten.
Genoeg zij het, er op gewezen te hebben, hoe ook de plantenwereld hare stem doet hooren in het
harmonische koor der natuur.
Page 137
Page 138
Derde hoofdstuk.
Page 139
Eerste planten en eerste dieren.
De oudste versteeningen. Laurentische, Cambrische en Silurische tijdperken.
Wij moeten, nadat wij in groote trekken de ontwikkeling van het leven op
aarde besproken hebben, thans hare geologische geschiedenis bestudeeren.
Wij hebben den oorsprong, de langzame ontwikkeling en de schitterende
vorderingen van het leven bijgewoond, van het nederige protoplasma tot aan
de menschelijke ziel. Wij zullen in de versteeningen, die bij iedere laag
behooren, de onwraakbare getuigenis vinden van den vooruitgang van het
leven, van de oudste tijden af tot op onzen tijd.
Reeds zagen wij, dat de aardbol, die zich uit de zonnevlek verdicht heeft,
eeuwen lang in gloeienden toestand geweest is, langzaam is afgekoeld en aan
de oppervlakte hard is geworden; in dien tijd was er geen leven op de aarde
mogelijk. Doch toen de dampkring, die de aarde omringde, zich verdicht had,
toen de afgekoelde dampen vloeibaar geworden waren, en de zoo ontstane
wateren de zeeën gevormd hadden, toen de temperatuur van het water tot 60°
was afgekoeld, toen gaven de koolstofverbindingen en de stoffen die in dat
water dreven, het aanzijn aan de eerste organismen. Die eiwitrijke,
geleiachtige organismen konden niet versteenen en dus niet bewaard blijven
tot leering voor toekomstige eeuwen. De eerste fossielen zijn die van wezens,
die op den bodem der zee onttrokken waren aan den vernielenden invloed van
de destijds levende dieren, het water en de lucht, en die zich in eenen
zoodanigen grond bevinden, dat zij daarin konden versteenen. In eenen
doordringbaren grond, zooals van zand of zandsteen, heeft de versteening, die
hand aan hand gaat met de verharding van den grond, niet op dezelfde wijze
plaats als in ondoordringbare lagen, zooals klei. Somtijds ontstaat er alleen
een getrouwe afdruk van het dier; in andere gevallen maakt ieder der
moleculen plaats voor eene delfstofmolecule, door de laag geleverd, die op het
lijk, het geraamte, de schelp drukt. Somtijds ook worden de schelpen
tegelijkertijd omgeven en doordrongen met kalk; ook geschiedt het wel, dat er
als het ware eene aantrekking van zwavelijzer rondom of in de versteening
plaats grijpt. Steeds dus ondergaan de lichamen meer of minder belangrijke
De oudste versteeningen. Laurentische, Cambrische en Silurische tijdperken.
Wij moeten, nadat wij in groote trekken de ontwikkeling van het leven op
aarde besproken hebben, thans hare geologische geschiedenis bestudeeren.
Wij hebben den oorsprong, de langzame ontwikkeling en de schitterende
vorderingen van het leven bijgewoond, van het nederige protoplasma tot aan
de menschelijke ziel. Wij zullen in de versteeningen, die bij iedere laag
behooren, de onwraakbare getuigenis vinden van den vooruitgang van het
leven, van de oudste tijden af tot op onzen tijd.
Reeds zagen wij, dat de aardbol, die zich uit de zonnevlek verdicht heeft,
eeuwen lang in gloeienden toestand geweest is, langzaam is afgekoeld en aan
de oppervlakte hard is geworden; in dien tijd was er geen leven op de aarde
mogelijk. Doch toen de dampkring, die de aarde omringde, zich verdicht had,
toen de afgekoelde dampen vloeibaar geworden waren, en de zoo ontstane
wateren de zeeën gevormd hadden, toen de temperatuur van het water tot 60°
was afgekoeld, toen gaven de koolstofverbindingen en de stoffen die in dat
water dreven, het aanzijn aan de eerste organismen. Die eiwitrijke,
geleiachtige organismen konden niet versteenen en dus niet bewaard blijven
tot leering voor toekomstige eeuwen. De eerste fossielen zijn die van wezens,
die op den bodem der zee onttrokken waren aan den vernielenden invloed van
de destijds levende dieren, het water en de lucht, en die zich in eenen
zoodanigen grond bevinden, dat zij daarin konden versteenen. In eenen
doordringbaren grond, zooals van zand of zandsteen, heeft de versteening, die
hand aan hand gaat met de verharding van den grond, niet op dezelfde wijze
plaats als in ondoordringbare lagen, zooals klei. Somtijds ontstaat er alleen
een getrouwe afdruk van het dier; in andere gevallen maakt ieder der
moleculen plaats voor eene delfstofmolecule, door de laag geleverd, die op het
lijk, het geraamte, de schelp drukt. Somtijds ook worden de schelpen
tegelijkertijd omgeven en doordrongen met kalk; ook geschiedt het wel, dat er
als het ware eene aantrekking van zwavelijzer rondom of in de versteening
plaats grijpt. Steeds dus ondergaan de lichamen meer of minder belangrijke
Page 140
wijzigingen. Indien het beschermende afzetsel volkomen ondoordringbaar
ware, dan zouden zij eeuwen en eeuwen ongeschonden bewaard kunnen
blijven. Dit is het geval met het steeds bevroren slijk van Siberië, waar
geheele lijken van mammouths geheel onveranderd zijn teruggevonden,
zonder dat het vleesch of de haren iets van hunne frischheid verloren hadden;
ook ziet men dit bij de insecten, die in de hars en het barnsteen zijn
opgesloten.
Hoe hebben zich de lagen gevormd?
De oorspronkelijke aardbol bestaat ongetwijfeld voornamelijk uit ijzer. De
dichtheid der planeet (5,5 maal zoo groot als water) bewijst, dat zij bestaat uit
elementen, die zwaarder zijn, dan die welke in de korst voorkomen. Het
graniet weegt tusschen 2,6 en 2,7; zoo ook gneiss, kwarts en schiefer. De
dichtheid van lei is van 2,6 tot 2,9, van bazalt van 2,8 tot 3,1, van zandsteen
2,2, van marmer 2,6 tot 2,8, van gips 2,2. Deze getallen zijn veel kleiner dan
de gemiddelde dichtheid der aarde, en indien onze planeet hoofdzakelijk
bestond uit graniet, zou zij nauwelijks driemaal zooveel wegen als een even
groote bol water, terwijl zij thans 5,5 maal zooveel weegt. Dit zoude eene
reeks van merkwaardige gevolgen hebben. Wij zelf zouden minder wegen;
met dezelfde spierkracht zouden wij lichter zijn, de maan zoude langzamer
om ons heen draaien, de maanden zouden dus langer zijn enz.
ware, dan zouden zij eeuwen en eeuwen ongeschonden bewaard kunnen
blijven. Dit is het geval met het steeds bevroren slijk van Siberië, waar
geheele lijken van mammouths geheel onveranderd zijn teruggevonden,
zonder dat het vleesch of de haren iets van hunne frischheid verloren hadden;
ook ziet men dit bij de insecten, die in de hars en het barnsteen zijn
opgesloten.
Hoe hebben zich de lagen gevormd?
De oorspronkelijke aardbol bestaat ongetwijfeld voornamelijk uit ijzer. De
dichtheid der planeet (5,5 maal zoo groot als water) bewijst, dat zij bestaat uit
elementen, die zwaarder zijn, dan die welke in de korst voorkomen. Het
graniet weegt tusschen 2,6 en 2,7; zoo ook gneiss, kwarts en schiefer. De
dichtheid van lei is van 2,6 tot 2,9, van bazalt van 2,8 tot 3,1, van zandsteen
2,2, van marmer 2,6 tot 2,8, van gips 2,2. Deze getallen zijn veel kleiner dan
de gemiddelde dichtheid der aarde, en indien onze planeet hoofdzakelijk
bestond uit graniet, zou zij nauwelijks driemaal zooveel wegen als een even
groote bol water, terwijl zij thans 5,5 maal zooveel weegt. Dit zoude eene
reeks van merkwaardige gevolgen hebben. Wij zelf zouden minder wegen;
met dezelfde spierkracht zouden wij lichter zijn, de maan zoude langzamer
om ons heen draaien, de maanden zouden dus langer zijn enz.
Page 141
Fig. 60. Eerste lagen op den aardbol afgezet na zijne afkoeling. Azoïsche periode.
De groote hoeveelheden ongemengd ijzer, somtijds (zooals in Siberië) uit de
diepten der aarde naar de oppervlakte gebracht, de verschijnselen van het
aardmagnetisme, de samenstelling der meteoorsteenen, zijn even zoovele
getuigenissen, die gevoegd bij het feit, dat de dichtheid der aarde zoo
aanzienlijk is, ons er toe leiden aan te nemen, dat het ijzer één der
hoofdbestanddeelen onzer aarde is. Zijne dichtheid (7,2) is juist zoo groot, dat
wij voor het soortelijk gewicht der geheele aarde 5,5 vinden.
Laten wij nog even terugkeeren tot den tijd, toen de aarde, na haar licht en
hare warmte verloren te hebben, hare eigenschappen als zon verloren had, en
in den toestand van planeet overging, nog steeds vloeibaar, maar afkoelende.
De groote hoeveelheden ongemengd ijzer, somtijds (zooals in Siberië) uit de
diepten der aarde naar de oppervlakte gebracht, de verschijnselen van het
aardmagnetisme, de samenstelling der meteoorsteenen, zijn even zoovele
getuigenissen, die gevoegd bij het feit, dat de dichtheid der aarde zoo
aanzienlijk is, ons er toe leiden aan te nemen, dat het ijzer één der
hoofdbestanddeelen onzer aarde is. Zijne dichtheid (7,2) is juist zoo groot, dat
wij voor het soortelijk gewicht der geheele aarde 5,5 vinden.
Laten wij nog even terugkeeren tot den tijd, toen de aarde, na haar licht en
hare warmte verloren te hebben, hare eigenschappen als zon verloren had, en
in den toestand van planeet overging, nog steeds vloeibaar, maar afkoelende.
Page 142
De lichtste gedeelten der gesmolten massa, die door hun gering soortelijk
gewicht tot de oppervlakte moesten naderen, waren tevens samengesteld uit
de moeilijkst smeltbare stoffen, en indien enkele lichte metalen daarmede
vermengd waren, dan waren het metalen, die gemakkelijk zuurstof opnamen
en zich ook gemakkelijk met kiezel en aluminium konden verbinden.
Naarmate dus het warmteverlies door uitstraling toenam, begon die soort
kiezelschuim gedeeltelijk vast te worden. Daar de gesteenten bij het vast
worden in het algemeen een grooter soortelijk gewicht verkrijgen, begonnen
de eerste vaste stukken eerst te zinken, maar niet zeer diep; daar immers de
stoffen in gesmolten toestand op elkander lagen in de volgorde harer
dichtheid, vond ieder stuk spoedig eene gesmolten laag om zich heen van
dezelfde dichtheid. De stukken begonnen toen geheel of gedeeltelijk weder
opnieuw te smelten, maar ten koste van de warmte der omringende stoffen.
Dit verschijnsel, zich tegelijkertijd op de geheele aardoppervlakte herhalend,
had ten gevolge, dat er eene bolvormige korst ontstond, bestaande uit een
mengsel van de lichtste stoffen en andere, die behoorden tot iets zwaardere
lagen. Het gesmolten graniet werd vast, toen de temperatuur der
aardoppervlakte tot 1500° gedaald was.
Vóórdat die korst vast geworden was, was al het water onzer zeeën in
dampvormigen toestand in den oorspronkelijken dampkring, wiens drukking
250 tot 300 maal grooter was dan thans, zoodat ook deze eenen grooten
invloed uitoefende op de wijze van vast worden van de kiezelmassa. Met den
waterdamp vermengd vond men verschillende vluchtige zelfstandigheden, die
thans in den oceaan of in de aardschors gebonden zijn, voornamelijk
alcalische chloor- en fluorium-verbindingen.
Nauwelijks was de korst gevormd, of de vluchtige stoffen, van nu af aan
afgesloten van de warmtebron, die ze in gasvormigen toestand hield,
begonnen te verdichten. Men kan zich gemakkelijk voorstellen, hoe verbazend
de kracht was, waarmede in dien eersten oceaan, die bijna de temperatuur van
het kookpunt had, de stoffen kristalliseerden. Vandaar dus eene zoowel
scheikundige als mechanische vervorming der stoffen, waaruit de nauwelijks
vast geworden aardschors bestond. Bovendien konden de mineralen der
schors, die eene soort van kleverig deeg vormden, zich niet onttrekken aan de
verschijnselen van moleculaire samentrekking, die steeds optreden in alle
ongelijkslachtige stoffen, die niet volkomen onbewegelijk zijn. Het is dus
gewicht tot de oppervlakte moesten naderen, waren tevens samengesteld uit
de moeilijkst smeltbare stoffen, en indien enkele lichte metalen daarmede
vermengd waren, dan waren het metalen, die gemakkelijk zuurstof opnamen
en zich ook gemakkelijk met kiezel en aluminium konden verbinden.
Naarmate dus het warmteverlies door uitstraling toenam, begon die soort
kiezelschuim gedeeltelijk vast te worden. Daar de gesteenten bij het vast
worden in het algemeen een grooter soortelijk gewicht verkrijgen, begonnen
de eerste vaste stukken eerst te zinken, maar niet zeer diep; daar immers de
stoffen in gesmolten toestand op elkander lagen in de volgorde harer
dichtheid, vond ieder stuk spoedig eene gesmolten laag om zich heen van
dezelfde dichtheid. De stukken begonnen toen geheel of gedeeltelijk weder
opnieuw te smelten, maar ten koste van de warmte der omringende stoffen.
Dit verschijnsel, zich tegelijkertijd op de geheele aardoppervlakte herhalend,
had ten gevolge, dat er eene bolvormige korst ontstond, bestaande uit een
mengsel van de lichtste stoffen en andere, die behoorden tot iets zwaardere
lagen. Het gesmolten graniet werd vast, toen de temperatuur der
aardoppervlakte tot 1500° gedaald was.
Vóórdat die korst vast geworden was, was al het water onzer zeeën in
dampvormigen toestand in den oorspronkelijken dampkring, wiens drukking
250 tot 300 maal grooter was dan thans, zoodat ook deze eenen grooten
invloed uitoefende op de wijze van vast worden van de kiezelmassa. Met den
waterdamp vermengd vond men verschillende vluchtige zelfstandigheden, die
thans in den oceaan of in de aardschors gebonden zijn, voornamelijk
alcalische chloor- en fluorium-verbindingen.
Nauwelijks was de korst gevormd, of de vluchtige stoffen, van nu af aan
afgesloten van de warmtebron, die ze in gasvormigen toestand hield,
begonnen te verdichten. Men kan zich gemakkelijk voorstellen, hoe verbazend
de kracht was, waarmede in dien eersten oceaan, die bijna de temperatuur van
het kookpunt had, de stoffen kristalliseerden. Vandaar dus eene zoowel
scheikundige als mechanische vervorming der stoffen, waaruit de nauwelijks
vast geworden aardschors bestond. Bovendien konden de mineralen der
schors, die eene soort van kleverig deeg vormden, zich niet onttrekken aan de
verschijnselen van moleculaire samentrekking, die steeds optreden in alle
ongelijkslachtige stoffen, die niet volkomen onbewegelijk zijn. Het is dus
Page 143
mogelijk, dat er op die wijze eene meer of minder volkomen scheiding heeft
plaats gevonden van de verschillende elementen, en dat wel bij voorkeur in
den vorm van lensvormige in horizontalen zin gerekte strooken. Daar
eindelijk die eerste korst in het begin weinig weerstand kon bieden aan
uitwendige krachten, zoo moesten de stoffen, die daaronder in vloeibaren of
weeken toestand gelegen waren, zich als aderen of als massieve stukken daar
door heen verspreiden en zoo door hare aanraking de omringende deelen
wijzigen.
Zoo kunnen wij ons de omstandigheden denken, waaronder zich die schors
moet gevormd hebben, die als voetstuk moest dienen voor de sedimentlagen.1
Die aardkorst, die oorspronkelijke formatie, bestaat, zooals wij reeds vroeger
zagen, uit graniet, gneiss, micaschiefer en gesteenten, waarin kwarts,
veldspaat en mica de hoofdrol vervullen (Plutonische formatie). Men vindt die
oorspronkelijke formatie overal, op alle breedten terug, als grondslag voor de
sedimentlagen, die zich later in het water hebben gevormd en op die
oorspronkelijke formatie hebben afgezet. Terwijl die sedimentlagen zeer
verschillend zijn en niet overal gevonden worden, bestaat de oorspronkelijke
formatie overal in de diepten van den bodem. Die formatie is dus zonder
twijfel de oppervlakte onzer planeet, op het tijdstip toen de wateren zich
verdichtten.
Op die oorspronkelijke gesteenten, wier oppervlakte zeer gewijzigd is door
uitwendige verschijnselen, zooals de drukking van het water, de zuurstof der
lucht en andere, op dat voetstuk, dat reeds bestond vóórdat er nog leven op
aarde was, hebben zich de formaties afgezet, die gelijktijdig bestonden met
het leven.
De oorsprong van die sedimentlagen verschilt ten eenenmale van dien der
vorige. Het zijn bezinksels en stoffen, die van andere plaatsen zijn
aangebracht en die onafhankelijk zijn van de inwendige samenstelling der
planeet. Regen, wind, zonnestralen, koude, ontleden langzamerhand alles wat
daaraan is blootgesteld. Nauwelijks waren de eerste rotsachtige eilanden, die
nog elken plantengroei misten, uit de wereldzee opgestegen, nauwelijks waren
de eerste graniet- of gneissrotsen uit het water te voorschijn getreden,
nauwelijks verhieven zich de eerste bergen in de lucht, of die verwering nam
plaats gevonden van de verschillende elementen, en dat wel bij voorkeur in
den vorm van lensvormige in horizontalen zin gerekte strooken. Daar
eindelijk die eerste korst in het begin weinig weerstand kon bieden aan
uitwendige krachten, zoo moesten de stoffen, die daaronder in vloeibaren of
weeken toestand gelegen waren, zich als aderen of als massieve stukken daar
door heen verspreiden en zoo door hare aanraking de omringende deelen
wijzigen.
Zoo kunnen wij ons de omstandigheden denken, waaronder zich die schors
moet gevormd hebben, die als voetstuk moest dienen voor de sedimentlagen.1
Die aardkorst, die oorspronkelijke formatie, bestaat, zooals wij reeds vroeger
zagen, uit graniet, gneiss, micaschiefer en gesteenten, waarin kwarts,
veldspaat en mica de hoofdrol vervullen (Plutonische formatie). Men vindt die
oorspronkelijke formatie overal, op alle breedten terug, als grondslag voor de
sedimentlagen, die zich later in het water hebben gevormd en op die
oorspronkelijke formatie hebben afgezet. Terwijl die sedimentlagen zeer
verschillend zijn en niet overal gevonden worden, bestaat de oorspronkelijke
formatie overal in de diepten van den bodem. Die formatie is dus zonder
twijfel de oppervlakte onzer planeet, op het tijdstip toen de wateren zich
verdichtten.
Op die oorspronkelijke gesteenten, wier oppervlakte zeer gewijzigd is door
uitwendige verschijnselen, zooals de drukking van het water, de zuurstof der
lucht en andere, op dat voetstuk, dat reeds bestond vóórdat er nog leven op
aarde was, hebben zich de formaties afgezet, die gelijktijdig bestonden met
het leven.
De oorsprong van die sedimentlagen verschilt ten eenenmale van dien der
vorige. Het zijn bezinksels en stoffen, die van andere plaatsen zijn
aangebracht en die onafhankelijk zijn van de inwendige samenstelling der
planeet. Regen, wind, zonnestralen, koude, ontleden langzamerhand alles wat
daaraan is blootgesteld. Nauwelijks waren de eerste rotsachtige eilanden, die
nog elken plantengroei misten, uit de wereldzee opgestegen, nauwelijks waren
de eerste graniet- of gneissrotsen uit het water te voorschijn getreden,
nauwelijks verhieven zich de eerste bergen in de lucht, of die verwering nam
Page 144
een aanvang. De regen gaf het aanzijn aan bronnen, de bronnen aan beken, de
beken aan stroomen, en later aan de groote rivieren. De wateren verbrijzelden
de steenen, en veranderden ze in keien en in zand. De zee, die aan de kusten
knaagde, de vloed en de eb, veranderden tweemalen daags de grenzen en de
vormen der kusten. Daardoor hebben de elementen der aardoppervlakte, meer
of minder verdeeld, zich neergezet op den bodem van den oceaan, van de
stroomen en de meren, alle overblijfselen met zich mede voerende, waarmede
zij vermengd waren.
beken aan stroomen, en later aan de groote rivieren. De wateren verbrijzelden
de steenen, en veranderden ze in keien en in zand. De zee, die aan de kusten
knaagde, de vloed en de eb, veranderden tweemalen daags de grenzen en de
vormen der kusten. Daardoor hebben de elementen der aardoppervlakte, meer
of minder verdeeld, zich neergezet op den bodem van den oceaan, van de
stroomen en de meren, alle overblijfselen met zich mede voerende, waarmede
zij vermengd waren.
Page 145
Fig. 61. Agaatsteenen met merkwaardige figuren.
Page 146
Fig. 62. Merkwaardige steenen, met afdruksels van planten.
Wij zeiden reeds, dat de verschillende sedimentformaties onderling zeer
verschillen. Enkele zijn gevormd uit zeer fijn zand, dat zweefde in de kalme
wateren, en dat zich zeer langzaam neerzette op eenen horizontalen bodem.
Andere, als het zandsteen, zijn de vrucht van het samenkleven van zand met
de ééne of andere bindende stof: men onderscheidt kwartszandsteen,
Wij zeiden reeds, dat de verschillende sedimentformaties onderling zeer
verschillen. Enkele zijn gevormd uit zeer fijn zand, dat zweefde in de kalme
wateren, en dat zich zeer langzaam neerzette op eenen horizontalen bodem.
Andere, als het zandsteen, zijn de vrucht van het samenkleven van zand met
de ééne of andere bindende stof: men onderscheidt kwartszandsteen,
Page 147
ijzerzandsteen, leemzandsteen, kalkzandsteen enz. Nog andere, en deze
worden bijna overal gevonden, zijn bezonken opeenhoopingen van
keisteenen, kiezel, ijzeroxyde enz. door het water medegevoerd. Weer andere
zijn kleiachtige afzetsels, of kalkformaties, bestaande uit koolzure kalk, en die
zeer dikwijls uitsluitend ontstaan uit opeengehoopte schelpen. Daartoe
behoort het krijt, een broos gesteente, dat bestaat uit eene verzameling van
protozoën: men vindt daarin stukken van foraminiferen, met overblijfselen
van polypen, stekelhuidigen, weekdieren, verbonden met kiezelrijke
overblijfselen van straaldieren, sponsen en diatomeën. Sommige
kalkformaties bestaan geheel en al uit eene opeenhooping van kleine schilden
van zoetwaterschaaldieren. De kristallisatie der kalksteenen brengt het
marmer voort. Tripelaarde bestaat geheel uit diatomeën, mikroskopisch kleine
kiezelrijke wieren, bacillen enz. De steenkool is eene sedimentformatie,
bestaande uit overblijfselen van dicht opeengehoopte planten, onder eene
verbazende drukking begraven.
Die lagen hebben zich in volgorde op elkander gerangschikt. De overblijfselen
van dieren en planten, die men er ontmoet, behoorden tot wezens, die leefden
op de tijdstippen, waarop die lagen gevormd zijn, en die behoudens enkele
uitzonderingen niet ver van de plaatsen leefden, waar men ze vindt; want
groote verplaatsingen kunnen zij niet zonder nadeel weerstaan. Meesttijds is
het lichaam bewaard gebleven door in de plaatstreding van andere moleculen,
zoodat het geheel versteend is, en van de stof zelf niets is overgebleven, maar
de vorm, zoowel in- als uitwendig, geheel is behouden gebleven. De
bezinking groeit van boven aan, zoodat zij ouder is, naarmate zij dieper ligt.
Terecht noemt men de oorspronkelijke gesteenten, graniet, gneiss,
micaschiefer, die de kristallijnen stoffen voorstellen van de kern der aarde,
toen deze nog gloeiend was en het leven ontbrak, azoïsch (zonder leven), en
de eerste sedimentformaties, die ontstaan zijn na de verdichting van het water,
paleozoïsch (oudste leven).
De wetenschap der fossielen is nog jong. Eeuwen lang heeft men gestreden
tegen de meening, als zouden die overblijfselen van dieren en planten
werkelijk aan levende wezens behoord hebben. Men zeide, dat het spelingen
der natuur waren, ontstaan onder den invloed der sterrenbeelden, de zon,
maan en planeten, door eene geheimzinnige kracht, aan de aarde eigen. Eerst
worden bijna overal gevonden, zijn bezonken opeenhoopingen van
keisteenen, kiezel, ijzeroxyde enz. door het water medegevoerd. Weer andere
zijn kleiachtige afzetsels, of kalkformaties, bestaande uit koolzure kalk, en die
zeer dikwijls uitsluitend ontstaan uit opeengehoopte schelpen. Daartoe
behoort het krijt, een broos gesteente, dat bestaat uit eene verzameling van
protozoën: men vindt daarin stukken van foraminiferen, met overblijfselen
van polypen, stekelhuidigen, weekdieren, verbonden met kiezelrijke
overblijfselen van straaldieren, sponsen en diatomeën. Sommige
kalkformaties bestaan geheel en al uit eene opeenhooping van kleine schilden
van zoetwaterschaaldieren. De kristallisatie der kalksteenen brengt het
marmer voort. Tripelaarde bestaat geheel uit diatomeën, mikroskopisch kleine
kiezelrijke wieren, bacillen enz. De steenkool is eene sedimentformatie,
bestaande uit overblijfselen van dicht opeengehoopte planten, onder eene
verbazende drukking begraven.
Die lagen hebben zich in volgorde op elkander gerangschikt. De overblijfselen
van dieren en planten, die men er ontmoet, behoorden tot wezens, die leefden
op de tijdstippen, waarop die lagen gevormd zijn, en die behoudens enkele
uitzonderingen niet ver van de plaatsen leefden, waar men ze vindt; want
groote verplaatsingen kunnen zij niet zonder nadeel weerstaan. Meesttijds is
het lichaam bewaard gebleven door in de plaatstreding van andere moleculen,
zoodat het geheel versteend is, en van de stof zelf niets is overgebleven, maar
de vorm, zoowel in- als uitwendig, geheel is behouden gebleven. De
bezinking groeit van boven aan, zoodat zij ouder is, naarmate zij dieper ligt.
Terecht noemt men de oorspronkelijke gesteenten, graniet, gneiss,
micaschiefer, die de kristallijnen stoffen voorstellen van de kern der aarde,
toen deze nog gloeiend was en het leven ontbrak, azoïsch (zonder leven), en
de eerste sedimentformaties, die ontstaan zijn na de verdichting van het water,
paleozoïsch (oudste leven).
De wetenschap der fossielen is nog jong. Eeuwen lang heeft men gestreden
tegen de meening, als zouden die overblijfselen van dieren en planten
werkelijk aan levende wezens behoord hebben. Men zeide, dat het spelingen
der natuur waren, ontstaan onder den invloed der sterrenbeelden, de zon,
maan en planeten, door eene geheimzinnige kracht, aan de aarde eigen. Eerst
Page 148
in de eerste helft der zestiende eeuw begonnen de geologische verschijnselen
de aandacht te trekken. Toen ontbrandde een hevige strijd in Italië over den
waren aard en den oorsprong der zeeschelpen en andere bewerktuigde
versteeningen, die men in menigte in de formaties van dat land vindt. De
beroemde schilder Leonardo de Vinci, die in zijne jeugd de plannen had
gemaakt voor verscheidene bevaarbare kanalen in het noorden van Italië, die
door hem werden uitgevoerd, was één der eersten, die op gezonde en logische
wijze over dit onderwerp oordeelde. „Het slijk der rivieren,” zoo sprak hij,
„heeft de fossiele schelpen bedekt en is daar in binnengedrongen, toen zij
nabij de kusten op den bodem der zee lagen. Men beweert, dat die schelpen
gevormd zijn op de heuvels, onder den invloed der sterren, maar dan vraag ik,
of men thans nog de sterren op de heuvels schelpen ziet vormen van
verschillende tijden en soorten. Hoe zouden daarenboven de sterren den
oorsprong van het grint kunnen verklaren, dat men op verschillende hoogten
vindt, en dat bestaat uit keisteenen, die door de beweging van het stroomende
water afgerond schijnen? Hoe eindelijk is op deze wijze op die heuvels de
versteening te verklaren van de bladeren, de planten en de zeekrabben?” De
opgravingen, in 1517 gedaan ten behoeve van de herstellingswerken van
Verona, brachten een aantal merkwaardige versteeningen aan het licht en
leverden aan verschillende schrijvers stof op voor bespiegelingen. Zoo zeide
o.a. Frascatoro, dat de fossiele schelpen alle aan wezens hadden behoord, die
moesten geleefd hebben op de plaatsen, waar men hunne overblijfselen
gevonden had. Hij toonde aan, hoe dwaas het was, zijne toevlucht te nemen
tot de „plastische kracht” der natuur, die het vermogen zoude gehad hebben,
om organische vormen aan de steenen te geven, en bewees met tal van on
wederlegbare bewijzen, dat het bespottelijk was, om de ligging der schelpen
toe te schrijven aan den zondvloed, zooals sommigen volhielden.
de aandacht te trekken. Toen ontbrandde een hevige strijd in Italië over den
waren aard en den oorsprong der zeeschelpen en andere bewerktuigde
versteeningen, die men in menigte in de formaties van dat land vindt. De
beroemde schilder Leonardo de Vinci, die in zijne jeugd de plannen had
gemaakt voor verscheidene bevaarbare kanalen in het noorden van Italië, die
door hem werden uitgevoerd, was één der eersten, die op gezonde en logische
wijze over dit onderwerp oordeelde. „Het slijk der rivieren,” zoo sprak hij,
„heeft de fossiele schelpen bedekt en is daar in binnengedrongen, toen zij
nabij de kusten op den bodem der zee lagen. Men beweert, dat die schelpen
gevormd zijn op de heuvels, onder den invloed der sterren, maar dan vraag ik,
of men thans nog de sterren op de heuvels schelpen ziet vormen van
verschillende tijden en soorten. Hoe zouden daarenboven de sterren den
oorsprong van het grint kunnen verklaren, dat men op verschillende hoogten
vindt, en dat bestaat uit keisteenen, die door de beweging van het stroomende
water afgerond schijnen? Hoe eindelijk is op deze wijze op die heuvels de
versteening te verklaren van de bladeren, de planten en de zeekrabben?” De
opgravingen, in 1517 gedaan ten behoeve van de herstellingswerken van
Verona, brachten een aantal merkwaardige versteeningen aan het licht en
leverden aan verschillende schrijvers stof op voor bespiegelingen. Zoo zeide
o.a. Frascatoro, dat de fossiele schelpen alle aan wezens hadden behoord, die
moesten geleefd hebben op de plaatsen, waar men hunne overblijfselen
gevonden had. Hij toonde aan, hoe dwaas het was, zijne toevlucht te nemen
tot de „plastische kracht” der natuur, die het vermogen zoude gehad hebben,
om organische vormen aan de steenen te geven, en bewees met tal van on
wederlegbare bewijzen, dat het bespottelijk was, om de ligging der schelpen
toe te schrijven aan den zondvloed, zooals sommigen volhielden.
Page 149
Fig. 63. Leisteenen met versteeningen.
Page 150
Fig. 64. Fossielen, in het jaar 1761 nageteekend.
Doch deze verstandige denkbeelden werden niet begrepen, en drie eeuwen
lang duurde de strijd voort, of de fossiele overblijfselen eertijds hadden
toebehoord aan levende wezens, en of, als dit eenmaal vaststond, alle
verschijnselen niet konden verklaard worden uit den zondvloed. Tot dien tijd
toch meende men algemeen, dat sedert de schepping de zondvloed de eenige
Doch deze verstandige denkbeelden werden niet begrepen, en drie eeuwen
lang duurde de strijd voort, of de fossiele overblijfselen eertijds hadden
toebehoord aan levende wezens, en of, als dit eenmaal vaststond, alle
verschijnselen niet konden verklaard worden uit den zondvloed. Tot dien tijd
toch meende men algemeen, dat sedert de schepping de zondvloed de eenige
Page 151
oorzaak was, dat eene belangrijke verandering op de oppervlakte der aarde
had plaats gegrepen. Men vindt dan ook in de bespiegelingen der oude
geologen overal toespelingen op den invloed van den zondvloed en op de
spoedige nadering van den ondergang der wereld, die eerst reeds tegen het
jaar 1000 voorspeld was. Wat den ouderdom der aarde betrof, bleef de
meening der geleerden eeuwen lang ongewijzigd. De eerste poging, om door
middel van natuurkundige bewijzen een zoo algemeen verspreid
geloofsartikel af te breken, verwekte eene verbazende opschudding; maar
door de verdraagzaamheid der Italiaansche geestelijkheid was het veroorloofd
dat onderwerp volkomen vrij te bespreken. Zelfs de priesters namen deel aan
het twistgeding en namen daarbij zelfs niet allen hetzelfde standpunt in.
Te betreuren is het, dat dergelijke vraagpunten niet werden gesteld met het
doel om de waarheid te zoeken, maar voornamelijk om de handigheid der
stellers in het debat te doen uitkomen. Elke theorie, hoe dwaas ook, vond
aanhangers, zoodra zij op het groote publiek indruk kon maken. Zoo
verdedigde Mattioli, een uitnemend plantkundige, de stelling, dat eene vette
zelfstandigheid, in gisting gebracht door de warmte, het aanzijn schonk aan
fossiele organische vormen. En toch hadden hem zijne eigene waarnemingen
geleerd, dat poreuze lichamen, zooals beenderen en schelpen, in steenen
konden veranderen, daar zij doordringbaar waren voor wat hij het
versteenende sap noemde. Zoo beweerde Faloppio, van Padua, dat versteende
schelpen door gisting ontstonden op de plaatsen waar men ze vindt, of dat zij
in bepaalde gevallen hare vormen verkregen hadden door de beroeringen van
aardsche uitwasemingen. Hoewel zelf een verdienstelijk hoogleeraar in de
ontleedkunde, beweerde hij toch, dat sommige slagtanden van olifanten, in
zijnen tijd opgegraven, niets anders waren dan verhardingen der aarde. Zoo
beweerde men zelfs, dat de muntschelpen (nummuliten), in Egypte gevonden,
linzen waren, door de Pharao’s opgehoopt tot voedsel voor de slaven, die
gebruikt werden voor den bouw der pyramiden!
Eindelijk echter brak de waarheid door. Een eenvoudig pottenbakker, Bernard
Palissy, neemt de natuur zelf waar en heeft den moed te Parijs te verkondigen,
ten aanhoore van alle doctoren, dat de fossiele schelpen niets anders waren
clan gewone schelpen, eertijds door de zee neergelegd op de plaatsen, waar zij
gevonden werden, dat dieren, en vooral visschen aan de steenen hunne
verschillende vormen gegeven hadden, en hij tartte de geheele Aristotelische
had plaats gegrepen. Men vindt dan ook in de bespiegelingen der oude
geologen overal toespelingen op den invloed van den zondvloed en op de
spoedige nadering van den ondergang der wereld, die eerst reeds tegen het
jaar 1000 voorspeld was. Wat den ouderdom der aarde betrof, bleef de
meening der geleerden eeuwen lang ongewijzigd. De eerste poging, om door
middel van natuurkundige bewijzen een zoo algemeen verspreid
geloofsartikel af te breken, verwekte eene verbazende opschudding; maar
door de verdraagzaamheid der Italiaansche geestelijkheid was het veroorloofd
dat onderwerp volkomen vrij te bespreken. Zelfs de priesters namen deel aan
het twistgeding en namen daarbij zelfs niet allen hetzelfde standpunt in.
Te betreuren is het, dat dergelijke vraagpunten niet werden gesteld met het
doel om de waarheid te zoeken, maar voornamelijk om de handigheid der
stellers in het debat te doen uitkomen. Elke theorie, hoe dwaas ook, vond
aanhangers, zoodra zij op het groote publiek indruk kon maken. Zoo
verdedigde Mattioli, een uitnemend plantkundige, de stelling, dat eene vette
zelfstandigheid, in gisting gebracht door de warmte, het aanzijn schonk aan
fossiele organische vormen. En toch hadden hem zijne eigene waarnemingen
geleerd, dat poreuze lichamen, zooals beenderen en schelpen, in steenen
konden veranderen, daar zij doordringbaar waren voor wat hij het
versteenende sap noemde. Zoo beweerde Faloppio, van Padua, dat versteende
schelpen door gisting ontstonden op de plaatsen waar men ze vindt, of dat zij
in bepaalde gevallen hare vormen verkregen hadden door de beroeringen van
aardsche uitwasemingen. Hoewel zelf een verdienstelijk hoogleeraar in de
ontleedkunde, beweerde hij toch, dat sommige slagtanden van olifanten, in
zijnen tijd opgegraven, niets anders waren dan verhardingen der aarde. Zoo
beweerde men zelfs, dat de muntschelpen (nummuliten), in Egypte gevonden,
linzen waren, door de Pharao’s opgehoopt tot voedsel voor de slaven, die
gebruikt werden voor den bouw der pyramiden!
Eindelijk echter brak de waarheid door. Een eenvoudig pottenbakker, Bernard
Palissy, neemt de natuur zelf waar en heeft den moed te Parijs te verkondigen,
ten aanhoore van alle doctoren, dat de fossiele schelpen niets anders waren
clan gewone schelpen, eertijds door de zee neergelegd op de plaatsen, waar zij
gevonden werden, dat dieren, en vooral visschen aan de steenen hunne
verschillende vormen gegeven hadden, en hij tartte de geheele Aristotelische
Page 152
school, zijne bewijzen te weerleggen. „En al vindt men steenen, met schelpen
gevuld op de toppen der hoogste bergen,” zoo sprak hij, „daarom meene men
niet, dat de schelpen gevormd zijn op zoodanige vreemde wijze, als sommigen
meenen. Geen enkele steen kan den vorm van eene schelp of van een dier
aannemen, als niet het dier zelf dien vorm gebouwd heeft. Vóórdat dus die
schelpen versteend waren, leefden de visschen, die ze gevormd hebben, in het
water, en de visschen en het water zijn gelijktijdig versteend.”
Toch bleef men twijfelen. Hoewel reeds Steno in 1669 eene verklaring
gegeven had van de sedimentformaties en de fossielen, twijfelen Fontenelle,
Buffon en anderen nog aan den aard der fossielen, en hebben zij geen
denkbeeld van de wijze van ontstaan der sedimentformaties. Doch
langzamerhand trekt het geheimzinnig waas weg, dat altijd de fossielen bedekt
had. De onderzoekingen van Steno, Pallas, Saussure, Werner, Deluc, Hutton,
Playfair, Smith, Humboldt, Cuvier, Lyell, Elie de Beaumont en anderen
verhieven de leer der fossielen tot de positieve wetenschap, die een belangrijk
onderdeel der aardkunde uitmaakt. Cuvier was in waarheid de schepper der
paleontologie. Na hem durfde niemand meer te twijfelen aan het wezen der
fossielen, en moest iedereen erkennen, dat zij de overblijfselen waren van
dieren en planten, die geleefd hadden in eenen tijd, toen de mensch nog niet
op aarde verschenen was, en die bewaard gebleven waren in de
sedimentformaties, die zich achtereenvolgens hadden afgezet. Toch had reeds
Ovidius geschreven:
Vidi, ego, quod fuerat quondam solidissima tellus
Esse fretum; vidi factas ex æquore terras;
Et procul a pelago conchæ jacuere marinæ
Et vetus inventa est in montibus anchora summis.2
Maar de waarheid breekt eerst langzamerhand baan; het oog gewent eerst
geleidelijk aan het licht.
Naar aanleiding van dit overzicht is het niet van belang ontbloot, op te
merken, hoe groote geesten eenen eigenaardigen luister geven aan ieder
onderwerp, door hen behandeld. Somtijds wel breiden zij hunnen horizon
zóózeer uit, dat zij het doel nooit bereiken, maar op hunnen weg vinden zij
eenen zóó ruimen oogst, dat die oogst, oorspronkelijk bijzaak, zóó belangrijk
gevuld op de toppen der hoogste bergen,” zoo sprak hij, „daarom meene men
niet, dat de schelpen gevormd zijn op zoodanige vreemde wijze, als sommigen
meenen. Geen enkele steen kan den vorm van eene schelp of van een dier
aannemen, als niet het dier zelf dien vorm gebouwd heeft. Vóórdat dus die
schelpen versteend waren, leefden de visschen, die ze gevormd hebben, in het
water, en de visschen en het water zijn gelijktijdig versteend.”
Toch bleef men twijfelen. Hoewel reeds Steno in 1669 eene verklaring
gegeven had van de sedimentformaties en de fossielen, twijfelen Fontenelle,
Buffon en anderen nog aan den aard der fossielen, en hebben zij geen
denkbeeld van de wijze van ontstaan der sedimentformaties. Doch
langzamerhand trekt het geheimzinnig waas weg, dat altijd de fossielen bedekt
had. De onderzoekingen van Steno, Pallas, Saussure, Werner, Deluc, Hutton,
Playfair, Smith, Humboldt, Cuvier, Lyell, Elie de Beaumont en anderen
verhieven de leer der fossielen tot de positieve wetenschap, die een belangrijk
onderdeel der aardkunde uitmaakt. Cuvier was in waarheid de schepper der
paleontologie. Na hem durfde niemand meer te twijfelen aan het wezen der
fossielen, en moest iedereen erkennen, dat zij de overblijfselen waren van
dieren en planten, die geleefd hadden in eenen tijd, toen de mensch nog niet
op aarde verschenen was, en die bewaard gebleven waren in de
sedimentformaties, die zich achtereenvolgens hadden afgezet. Toch had reeds
Ovidius geschreven:
Vidi, ego, quod fuerat quondam solidissima tellus
Esse fretum; vidi factas ex æquore terras;
Et procul a pelago conchæ jacuere marinæ
Et vetus inventa est in montibus anchora summis.2
Maar de waarheid breekt eerst langzamerhand baan; het oog gewent eerst
geleidelijk aan het licht.
Naar aanleiding van dit overzicht is het niet van belang ontbloot, op te
merken, hoe groote geesten eenen eigenaardigen luister geven aan ieder
onderwerp, door hen behandeld. Somtijds wel breiden zij hunnen horizon
zóózeer uit, dat zij het doel nooit bereiken, maar op hunnen weg vinden zij
eenen zóó ruimen oogst, dat die oogst, oorspronkelijk bijzaak, zóó belangrijk
Page 153
is, dat deze hoofdzaak wordt. Zoo werd aan Leibnitz in 1680 door hertog
Ernst August van Brunswijk opgedragen, de geschiedenis van het huis van
Hannover en het hertogdom Brunswijk te schrijven, en hij wilde die
geschiedenis beginnen met die van den bodem zelf; zoo kwam hij tot dien van
den geheelen aardbodem. Aldus ontstond zijn geschrift over de vormingen en
omwentelingen van den aardbodem, als inleiding tot de geschiedenis van
Hannover.... en kwam hij zelfs niet tot aan den zondvloed. Toch is dit boekje
onvergelijkelijk belangrijker dan de geschiedenis eener dynastie van hertogen,
of keizers, en zoo was Leibnitz zijnen tijd twee eeuwen vooruit. Doch keeren
wij tot ons onderwerp terug.
De oudste sedimentformaties zijn die, welke op de oorspronkelijke gesteenten
rusten. Zij zijn de bezinkingen in de azoïsche periode en kunnen in drie lagen
verdeeld worden. Zij hebben haren oorspronkelijken horizontalen vorm niet
behouden, maar zijn door verschillende oorzaken telkens veel vervormd
geworden. De doorsnede van den aardbol in figuur 60 is dan ook meer
theoretisch, dan dat zij in werkelijkheid zoo bestaat.
De diepste formatie heet de Laurentische. Zij is haren naam verschuldigd aan
de opgravingen oan de Sint-Laurensrivier in Canada; de tweede formatie, de
Cambrische, heet naar Wales (Cambria) in Engeland, waar die lagen bijzonder
bestudeerd zijn; de derde, de Silurische, heet naar de Celtische volksstam de
Siluriërs, die in Shropshire woonden tijdens den inval der Romeinen in
Engeland, waar die sedimentformaties zeer verspreid zijn.
De betrekkelijke dikte dier drie lagen kan een denkbeeld geven van de
verhouding van den duur der perioden, waarin zij gevormd zijn. De
Laurentische formatie is negen kilometers dik, de Cambrische zes kilometers,
de Silurische acht kilometers, te zamen dus 23 kilometers, geheel gevormd
door de bezinking in de zee. Alle nieuwere formaties, op de andere gelegen,
en behoorende tot de volgende perioden, de primaire, secundaire, tertiaire en
quaternaire periode, zijn slechts 20 kilometers dik. Hieruit volgt reeds, dat de
azoïsche periode langer geduurd heeft dan de vier nieuwere perioden te
zamen.
Uit de waarnemingen van den tijd, dien regen en wind noodig hebben om de
boven het water uitstekende deelen der aarde te verweren, van den tijd, waarin
Ernst August van Brunswijk opgedragen, de geschiedenis van het huis van
Hannover en het hertogdom Brunswijk te schrijven, en hij wilde die
geschiedenis beginnen met die van den bodem zelf; zoo kwam hij tot dien van
den geheelen aardbodem. Aldus ontstond zijn geschrift over de vormingen en
omwentelingen van den aardbodem, als inleiding tot de geschiedenis van
Hannover.... en kwam hij zelfs niet tot aan den zondvloed. Toch is dit boekje
onvergelijkelijk belangrijker dan de geschiedenis eener dynastie van hertogen,
of keizers, en zoo was Leibnitz zijnen tijd twee eeuwen vooruit. Doch keeren
wij tot ons onderwerp terug.
De oudste sedimentformaties zijn die, welke op de oorspronkelijke gesteenten
rusten. Zij zijn de bezinkingen in de azoïsche periode en kunnen in drie lagen
verdeeld worden. Zij hebben haren oorspronkelijken horizontalen vorm niet
behouden, maar zijn door verschillende oorzaken telkens veel vervormd
geworden. De doorsnede van den aardbol in figuur 60 is dan ook meer
theoretisch, dan dat zij in werkelijkheid zoo bestaat.
De diepste formatie heet de Laurentische. Zij is haren naam verschuldigd aan
de opgravingen oan de Sint-Laurensrivier in Canada; de tweede formatie, de
Cambrische, heet naar Wales (Cambria) in Engeland, waar die lagen bijzonder
bestudeerd zijn; de derde, de Silurische, heet naar de Celtische volksstam de
Siluriërs, die in Shropshire woonden tijdens den inval der Romeinen in
Engeland, waar die sedimentformaties zeer verspreid zijn.
De betrekkelijke dikte dier drie lagen kan een denkbeeld geven van de
verhouding van den duur der perioden, waarin zij gevormd zijn. De
Laurentische formatie is negen kilometers dik, de Cambrische zes kilometers,
de Silurische acht kilometers, te zamen dus 23 kilometers, geheel gevormd
door de bezinking in de zee. Alle nieuwere formaties, op de andere gelegen,
en behoorende tot de volgende perioden, de primaire, secundaire, tertiaire en
quaternaire periode, zijn slechts 20 kilometers dik. Hieruit volgt reeds, dat de
azoïsche periode langer geduurd heeft dan de vier nieuwere perioden te
zamen.
Uit de waarnemingen van den tijd, dien regen en wind noodig hebben om de
boven het water uitstekende deelen der aarde te verweren, van den tijd, waarin
Page 154
de stroomen en rivieren de ontlede stoffen naar zee voeren, en waarin de in
het water zwevende stoffen bezinken, kan men zich bij benadering een
denkbeeld vormen van den duur dier praehistorische tijden. Ons leven is zóó
kort, de geschiedenis der volken gaat zóó snel voort, dat wij steeds de neiging
hebben, de werken der natuur terug te brengen tot de schaal van onzen
mikrokosmos, en daar ééne eeuw ons zeer lang toeschijnt, meenen wij ook,
dat dit werkelijk ook voor de natuur eene lange periode is. Maar de studie van
het heelal en zijne bewegingen en vervormingen leert ons, dat in de
geschiedenis van het heelal de eeuwen minder zijn dan secunden in ons leven.
Toch nemen wij als grondslag voor onze redeneering eene nauwe doch voor
ons te bevatten grens aan. Onze historische herinnering is zóó kort, dat indien
wij voor het quaternaire tijdperk, het tijdperk, waarin de mensch leefde,
honderdduizend jaren nemen, wij vreezen te overdrijven, en toch is het zeker,
dat dit cijfer beneden de werkelijkheid is. De menschheid heeft reeds
onmetelijke tijden bestaan, vóórdat de geschiedenis begon, vóórdat zij kon
spreken en schrijven, vóórdat zij zich vereenigde tot volken. Doch nemen wij
als grondslag voor de tegenwoordige periode sedert den oorsprong der
menschheid honderdduizend jaren aan. In dat geval heeft de tertiaire periode
460 000 jaren, de secundaire 2 300 000 jaren, de primaire periode 6 420 000
jaren, de azoïsche periode 10 720 000 jaren geduurd, zooals blijkt uit de
volgende tabel:
Verhouding van de dichtheid der lagen en minimumduur der perioden:
Dikte. Verhouding. Duur.
(100 000 jaren voor de quaternaire
periode gerekend).
Azoïsche 23 000 53,6 10 720 000 jaren.
periode. Meters
Primaire 14 000 32,1 6 420 000 jaren.
periode. Meters
Secundaire 5 000 11,5 2 300 000 jaren.
periode. Meters
Tertiaire 1 000 2,3 460 000 jaren.
periode. Meters
het water zwevende stoffen bezinken, kan men zich bij benadering een
denkbeeld vormen van den duur dier praehistorische tijden. Ons leven is zóó
kort, de geschiedenis der volken gaat zóó snel voort, dat wij steeds de neiging
hebben, de werken der natuur terug te brengen tot de schaal van onzen
mikrokosmos, en daar ééne eeuw ons zeer lang toeschijnt, meenen wij ook,
dat dit werkelijk ook voor de natuur eene lange periode is. Maar de studie van
het heelal en zijne bewegingen en vervormingen leert ons, dat in de
geschiedenis van het heelal de eeuwen minder zijn dan secunden in ons leven.
Toch nemen wij als grondslag voor onze redeneering eene nauwe doch voor
ons te bevatten grens aan. Onze historische herinnering is zóó kort, dat indien
wij voor het quaternaire tijdperk, het tijdperk, waarin de mensch leefde,
honderdduizend jaren nemen, wij vreezen te overdrijven, en toch is het zeker,
dat dit cijfer beneden de werkelijkheid is. De menschheid heeft reeds
onmetelijke tijden bestaan, vóórdat de geschiedenis begon, vóórdat zij kon
spreken en schrijven, vóórdat zij zich vereenigde tot volken. Doch nemen wij
als grondslag voor de tegenwoordige periode sedert den oorsprong der
menschheid honderdduizend jaren aan. In dat geval heeft de tertiaire periode
460 000 jaren, de secundaire 2 300 000 jaren, de primaire periode 6 420 000
jaren, de azoïsche periode 10 720 000 jaren geduurd, zooals blijkt uit de
volgende tabel:
Verhouding van de dichtheid der lagen en minimumduur der perioden:
Dikte. Verhouding. Duur.
(100 000 jaren voor de quaternaire
periode gerekend).
Azoïsche 23 000 53,6 10 720 000 jaren.
periode. Meters
Primaire 14 000 32,1 6 420 000 jaren.
periode. Meters
Secundaire 5 000 11,5 2 300 000 jaren.
periode. Meters
Tertiaire 1 000 2,3 460 000 jaren.
periode. Meters
Page 155
Dikte. Verhouding. Duur.
(100 000 jaren voor de quaternaire
periode gerekend).
Quaternaire 200 0,5 102 000 jaren.
periode. Meters
43 200 100 20 002 000 jaren.3
Meters
Wij hebben als grondslag voor deze getallen de gegevens van Haeckel omtrent
de dikte der formaties genomen. De cijfers, door verschillende geologen
gegeven, wijken in enkele opzichten af, maar het eindresultaat blijft ongeveer
hetzelfde.
Laat ons thans de azoïsche periode wat nader beschouwen en de sporen van
planten en dieren onderzoeken, die men daarin aantreft.
Fig. 65. Oudste bezinkingen. Laurentische formatie.
Eozoön canadense.
De azoïsche periode wordt in de aardkunde vertegenwoordigd door drie
formaties, die in de volgorde harer vorming op elkander liggen en de volgende
betrekkelijke dikte hebben:
Formaties. Dikte.
Azoïsche periode laurentisch 9 000 Meters,
(100 000 jaren voor de quaternaire
periode gerekend).
Quaternaire 200 0,5 102 000 jaren.
periode. Meters
43 200 100 20 002 000 jaren.3
Meters
Wij hebben als grondslag voor deze getallen de gegevens van Haeckel omtrent
de dikte der formaties genomen. De cijfers, door verschillende geologen
gegeven, wijken in enkele opzichten af, maar het eindresultaat blijft ongeveer
hetzelfde.
Laat ons thans de azoïsche periode wat nader beschouwen en de sporen van
planten en dieren onderzoeken, die men daarin aantreft.
Fig. 65. Oudste bezinkingen. Laurentische formatie.
Eozoön canadense.
De azoïsche periode wordt in de aardkunde vertegenwoordigd door drie
formaties, die in de volgorde harer vorming op elkander liggen en de volgende
betrekkelijke dikte hebben:
Formaties. Dikte.
Azoïsche periode laurentisch 9 000 Meters,
Page 156
Formaties. Dikte.
cambrisch 6 000 Meters,
silurisch 8 000 Meters.
Fig. 66. De raadselachtige organismen der oude zeeën. (Bilobiten).
In de laurentische formatie heeft men tot nu toe niets met volkomen zekerheid
gevonden. Verscheidene geologen, vooral Dawson en Carpenter, meenden, dat
die lagen in Canada bestonden uit organische overblijfselen; men heeft aan die
gesteenten den naam gegeven van Eozoön Canadense (organisme van den
dageraad). Men meent diezelfde organismen ook gevonden te hebben in
Ierland, Zweden, Boheme en Beieren. Hoewel nu het bestaan van die
cambrisch 6 000 Meters,
silurisch 8 000 Meters.
Fig. 66. De raadselachtige organismen der oude zeeën. (Bilobiten).
In de laurentische formatie heeft men tot nu toe niets met volkomen zekerheid
gevonden. Verscheidene geologen, vooral Dawson en Carpenter, meenden, dat
die lagen in Canada bestonden uit organische overblijfselen; men heeft aan die
gesteenten den naam gegeven van Eozoön Canadense (organisme van den
dageraad). Men meent diezelfde organismen ook gevonden te hebben in
Ierland, Zweden, Boheme en Beieren. Hoewel nu het bestaan van die
Page 157
organismen niet volkomen zeker is, zoo staat het toch vast, dat de eerste
organismen in die periode gevormd zijn. Wij mogen dus aannemen, dat wij op
den drempel staan van het gebouw des levens.
Daar de geologische onderzoekingen zich nog nauwelijks uitstrekken over het
duizendste deel van de oppervlakte der aarde, zoo is het niet vreemd, dat men
zoo weinig fossielen gevonden heeft, behoorende tot de eerste tijden van het
leven op aarde; daarenboven zijn die oorspronkelijke formaties zóózeer verhit
en zóózeer gewijzigd door de inwendige warmte der aarde, dat de groote
meerderheid van de overblijfselen van levende wezens onder die
omstandigheden verwoest zijn. Toch behoeft men niet te wanhopen, dat er
meer bewijsstukken voor den dag zullen komen, naarmate de geologen hun
onderzoek verder zullen uitstrekken, en dat zij met zekerheid zullen
aantoonen, dat het leven begonnen is in de Laurentische periode.
Het is niet overbodig, hierbij op te merken, dat de eerste geleiachtige
organismen nog niet genoeg vastheid bezaten, om te versteenen; hunne
omzetting en bewaring zouden ten minste moeten plaats gegrepen hebben
onder zeer moeilijk te verwezenlijken omstandigheden, zoodat het niet
vreemd is, dat de bewijsstukken voor het bestaan van organische lichamen
zeldzamer worden, naarmate de lagen ouder zijn.
Die laurentische laag vertegenwoordigt eene langdurige periode van
bezinking op den bodem der wateren; zij is immers negen kilometers dik. De
laagste schatting geeft voor die periode eenen duur van verscheidene
millioenen jaren. Die rekening kan niet volkomen nauwkeurig zijn, daar die
bezinking sneller of langzamer plaats vindt naar gelang van den afstand tot de
kusten, van de diepte van het water en van de rijzingen en de dalingen van den
bodem. In de aardkunde is men lang niet op zulk een bekend terrein als in de
sterrenkunde.
organismen in die periode gevormd zijn. Wij mogen dus aannemen, dat wij op
den drempel staan van het gebouw des levens.
Daar de geologische onderzoekingen zich nog nauwelijks uitstrekken over het
duizendste deel van de oppervlakte der aarde, zoo is het niet vreemd, dat men
zoo weinig fossielen gevonden heeft, behoorende tot de eerste tijden van het
leven op aarde; daarenboven zijn die oorspronkelijke formaties zóózeer verhit
en zóózeer gewijzigd door de inwendige warmte der aarde, dat de groote
meerderheid van de overblijfselen van levende wezens onder die
omstandigheden verwoest zijn. Toch behoeft men niet te wanhopen, dat er
meer bewijsstukken voor den dag zullen komen, naarmate de geologen hun
onderzoek verder zullen uitstrekken, en dat zij met zekerheid zullen
aantoonen, dat het leven begonnen is in de Laurentische periode.
Het is niet overbodig, hierbij op te merken, dat de eerste geleiachtige
organismen nog niet genoeg vastheid bezaten, om te versteenen; hunne
omzetting en bewaring zouden ten minste moeten plaats gegrepen hebben
onder zeer moeilijk te verwezenlijken omstandigheden, zoodat het niet
vreemd is, dat de bewijsstukken voor het bestaan van organische lichamen
zeldzamer worden, naarmate de lagen ouder zijn.
Die laurentische laag vertegenwoordigt eene langdurige periode van
bezinking op den bodem der wateren; zij is immers negen kilometers dik. De
laagste schatting geeft voor die periode eenen duur van verscheidene
millioenen jaren. Die rekening kan niet volkomen nauwkeurig zijn, daar die
bezinking sneller of langzamer plaats vindt naar gelang van den afstand tot de
kusten, van de diepte van het water en van de rijzingen en de dalingen van den
bodem. In de aardkunde is men lang niet op zulk een bekend terrein als in de
sterrenkunde.
Page 158
Fig. 67. De raadselachtige organismen der oude zeeën. (Brachyphyllum gracile).
De eerste zekere sporen van organische wezens zijn in de cambrische lagen
gevonden, hoofdzakelijk in Engeland en Zweden. Het zijn afdruksels van zeer
laag staande zeeplanten en zeedieren, wieren, ringwormen, weekdieren,
sponsen, polypen, zeeëgels. Bij het aanschouwen van die eerste afdruksels
aarzelt men te beslissen, of het wieren of buizen van ringwormen zijn, ja zelfs
of het misschien strepen zijn van zuiver levenlooze voorwerpen, door de
golven voortbewogen langs den slibbigen bodem. Alles schijnt geheimzinnig,
De eerste zekere sporen van organische wezens zijn in de cambrische lagen
gevonden, hoofdzakelijk in Engeland en Zweden. Het zijn afdruksels van zeer
laag staande zeeplanten en zeedieren, wieren, ringwormen, weekdieren,
sponsen, polypen, zeeëgels. Bij het aanschouwen van die eerste afdruksels
aarzelt men te beslissen, of het wieren of buizen van ringwormen zijn, ja zelfs
of het misschien strepen zijn van zuiver levenlooze voorwerpen, door de
golven voortbewogen langs den slibbigen bodem. Alles schijnt geheimzinnig,
Page 159
en toch gevoelt men, dat men die niet te ontcijferen teekens niet aan het toeval
kan toeschrijven, en dat men daar de sporen van de eerste planten en de eerste
dieren vóór zich heeft.
Fig. 68. Eerste planten: Wieren.
De raadselachtige wezens der oude zeeën, de bilobieten, de gyrolithen, de
vexilleën, die men versteend in de oudste formaties, voornamelijk in de
silurische vindt, en waarin enkele geologen en natuurkundigen slechts
versteende sporen zien van voetstappen van dieren, zijn naar de uitstekende
onderzoekingen van den markies de Saporta werkelijke organismen, die wel
zeer laag staan, doch het karakter vertoonen van planten en de voorouders zijn
der wieren. Men mag aannemen, dat die eerste zeeplanten, hetzij plat
liggende, hetzij schuin geplaatst tegen den bodem der zee, op het slijk
elkander kruisende hoopen vormden, als het ware om elkander kruipende
koloniën. Evenals men het meest vaatcryptogamen vindt onder de eerste
planten op aarde; evenals men de kraakbeenige visschen ziet optreden vóór de
andere; evenals men kan nagaan, dat de kruipende dieren de overige
gewervelde dieren, door longen ademend, zijn voorafgegaan, en de
buideldieren de overige levend barende gewervelde dieren, zoo moeten op den
bodem der oude zeeën de ééncellige wieren als oudste plantenvormen zijn
voorgekomen.
De wieren worden reeds spoedig zóó talrijk, dat men somtijds de azoïsche
periode het wierentijdperk noemt. Zijn het planten? Zij zijn nog weinig
kan toeschrijven, en dat men daar de sporen van de eerste planten en de eerste
dieren vóór zich heeft.
Fig. 68. Eerste planten: Wieren.
De raadselachtige wezens der oude zeeën, de bilobieten, de gyrolithen, de
vexilleën, die men versteend in de oudste formaties, voornamelijk in de
silurische vindt, en waarin enkele geologen en natuurkundigen slechts
versteende sporen zien van voetstappen van dieren, zijn naar de uitstekende
onderzoekingen van den markies de Saporta werkelijke organismen, die wel
zeer laag staan, doch het karakter vertoonen van planten en de voorouders zijn
der wieren. Men mag aannemen, dat die eerste zeeplanten, hetzij plat
liggende, hetzij schuin geplaatst tegen den bodem der zee, op het slijk
elkander kruisende hoopen vormden, als het ware om elkander kruipende
koloniën. Evenals men het meest vaatcryptogamen vindt onder de eerste
planten op aarde; evenals men de kraakbeenige visschen ziet optreden vóór de
andere; evenals men kan nagaan, dat de kruipende dieren de overige
gewervelde dieren, door longen ademend, zijn voorafgegaan, en de
buideldieren de overige levend barende gewervelde dieren, zoo moeten op den
bodem der oude zeeën de ééncellige wieren als oudste plantenvormen zijn
voorgekomen.
De wieren worden reeds spoedig zóó talrijk, dat men somtijds de azoïsche
periode het wierentijdperk noemt. Zijn het planten? Zij zijn nog weinig
Page 160
ontwikkeld. Enkele draden gaan uit van een centraal punt (fig. 68). Zoodra
verscheidene van die planten zich vereenigen, vormt zich eene soort van
weefsel, eene soort van kleverig slijk, dat half-doorschijnend is en onder den
mikroskoop gezien zich verdeelt in eene menigte voor het bloote oog
onzichtbare draden. Het zeegras, dat de zee nog thans in groote hoeveelheid
bevat, is veel steviger. Nog altijd zijn het aaneengestrengelde, wortellooze
cellen, maar die door hare opeenhooping in zee een zóó dicht weefsel vormen,
dat een schip somtijds moeite heeft er door heen te komen.
Fig. 69. Fossiele wier.
verscheidene van die planten zich vereenigen, vormt zich eene soort van
weefsel, eene soort van kleverig slijk, dat half-doorschijnend is en onder den
mikroskoop gezien zich verdeelt in eene menigte voor het bloote oog
onzichtbare draden. Het zeegras, dat de zee nog thans in groote hoeveelheid
bevat, is veel steviger. Nog altijd zijn het aaneengestrengelde, wortellooze
cellen, maar die door hare opeenhooping in zee een zóó dicht weefsel vormen,
dat een schip somtijds moeite heeft er door heen te komen.
Fig. 69. Fossiele wier.
Page 161
Fig. 70. De oudste planten. Cambrische periode.
1. Versteende chondriten.—2. Murchisonitis Forbesi.—3. Oude
ebondriten.—4. Zeewier.
Die eerste planten zijn bijzonder eenvoudig. Het zijn als het ware niets anders
dan platte buizen, zonder bladeren, zonder bloemen en zonder vruchten. Zij
leefden en ontwikkelden zich in het lauwe water der oorspronkelijke zeeën. Er
was nog geen vast land; nauwelijks begonnen enkele eilanden te voorschijn te
treden uit de wateren. Er waren toen noch seizoenen, noch klimaten, daar de
aardschors nog warmer was dan de temperatuur, die zij van de zon kon
1. Versteende chondriten.—2. Murchisonitis Forbesi.—3. Oude
ebondriten.—4. Zeewier.
Die eerste planten zijn bijzonder eenvoudig. Het zijn als het ware niets anders
dan platte buizen, zonder bladeren, zonder bloemen en zonder vruchten. Zij
leefden en ontwikkelden zich in het lauwe water der oorspronkelijke zeeën. Er
was nog geen vast land; nauwelijks begonnen enkele eilanden te voorschijn te
treden uit de wateren. Er waren toen noch seizoenen, noch klimaten, daar de
aardschors nog warmer was dan de temperatuur, die zij van de zon kon
Page 162
verkrijgen; de levensvoorwaarden waren aan de pool dezelfde als aan den
evenaar. Zelfs gaven de getijden, die het sterkst waren in de richting van zon
en maan, aan de streken, die wij thans de tropen noemen, eene beweging, die
naar de polen afnam. De poolstreken waren dus uit dat oogpunt meer
bevoorrecht dan de keerkringen, te meer waar diezelfde aantrekking van zon
en maan, die met meer kracht werkte op de vloeibare kern aan den evenaar
dan aan de poolstreken, de aardschors aan den evenaar minder vastheid gaf.
De eerste levende organismen moeten zich dus gevormd hebben in de rustige
poolstreken, die toen door eene reusachtige zon verlicht werden. Het is zelfs
hoogst waarschijnlijk, dat de zon zich gedurende de laurentische periode,
waarin het leven zijne intrede op aarde gedaan heeft, nog niet ver binnen de
loopbaan van Venus verdicht had. Het is te verwachten, dat men de eerste
organismen, hetzij planten, hetzij dieren, nog niet gevonden heeft, en dat men
die vinden zal in de nog niet onderzochte laurentische lagen.
evenaar. Zelfs gaven de getijden, die het sterkst waren in de richting van zon
en maan, aan de streken, die wij thans de tropen noemen, eene beweging, die
naar de polen afnam. De poolstreken waren dus uit dat oogpunt meer
bevoorrecht dan de keerkringen, te meer waar diezelfde aantrekking van zon
en maan, die met meer kracht werkte op de vloeibare kern aan den evenaar
dan aan de poolstreken, de aardschors aan den evenaar minder vastheid gaf.
De eerste levende organismen moeten zich dus gevormd hebben in de rustige
poolstreken, die toen door eene reusachtige zon verlicht werden. Het is zelfs
hoogst waarschijnlijk, dat de zon zich gedurende de laurentische periode,
waarin het leven zijne intrede op aarde gedaan heeft, nog niet ver binnen de
loopbaan van Venus verdicht had. Het is te verwachten, dat men de eerste
organismen, hetzij planten, hetzij dieren, nog niet gevonden heeft, en dat men
die vinden zal in de nog niet onderzochte laurentische lagen.
Page 163
Fig. 71. Fossiel afdruksel der oorspronkelijke planten.
Page 164
Fig. 72. De eerste dieren: afdruksel van eenen ringworm in de
cambrische periode.
Fig. 73. De oudste dieren. Cambrische periode. Graptolithus turriculatus. Diprion pristis.
Monograptus. Bastrites peregrinus. Phyllographtus.
cambrische periode.
Fig. 73. De oudste dieren. Cambrische periode. Graptolithus turriculatus. Diprion pristis.
Monograptus. Bastrites peregrinus. Phyllographtus.
Page 165
Fig. 74. De oudste dierenversteening van het mosdier
Fenestella tenuiceps.
Fig. 75. Oudste dieren: Trilobieten.
De eerste dieren zijn eveneens zeedieren. Men heeft in de cambrische
gesteenten ringwormen gevonden, die evenzeer gelijken op voortbrengselen
van het plantenrijk als van het dierenrijk: het zijn niets anders dan gelede
buizen, die in het water drijven. Ook vindt men in grooten getale graptolithen,
eenvoudige polypen, bestaande uit getande en samengerolde buizen,
monograpten, rastriten, phyllograpten. Het zijn eenvoudige protozoën,
verzamelingen van aan elkander vastgehechte vakken. Zij zijn het begin der
polypen, en men verbaast er zich over, dat het leven zoo vreemdsoortige
vormen heeft kunnen aannemen. Dezelfde lagen bevatten ook kleine schelpen,
Fenestella tenuiceps.
Fig. 75. Oudste dieren: Trilobieten.
De eerste dieren zijn eveneens zeedieren. Men heeft in de cambrische
gesteenten ringwormen gevonden, die evenzeer gelijken op voortbrengselen
van het plantenrijk als van het dierenrijk: het zijn niets anders dan gelede
buizen, die in het water drijven. Ook vindt men in grooten getale graptolithen,
eenvoudige polypen, bestaande uit getande en samengerolde buizen,
monograpten, rastriten, phyllograpten. Het zijn eenvoudige protozoën,
verzamelingen van aan elkander vastgehechte vakken. Zij zijn het begin der
polypen, en men verbaast er zich over, dat het leven zoo vreemdsoortige
vormen heeft kunnen aannemen. Dezelfde lagen bevatten ook kleine schelpen,
Page 166
waaraan men den naam van lingulae gegeven heeft (de eerste armpootige
weekdieren) en mosdieren, opgesloten in cellen.
Reeds hebben de cambrische lagen een vijftigtal soorten van planten en dieren
opgeleverd, waaronder in de eerste plaats voorkomen ééncellige wieren,
ringwormen, armpootigen, sponsen en polypen. In de silurische lagen vormen
de graptolithen en trilobieten de meerderheid.
Eene menigte nieuwe wezens treedt immers op en verspreidt zich wijd en zijd:
het zijn schaaldieren, bekend onder den naam van trilobieten, en die reeds
sedert langen tijd zijn uitgestorven: zij zijn verdwenen in de steenkoolperiode,
millioenen jaren geleden. De trilobieten kwamen in menigte voor in de
oorspronkelijke zeeën, en men vindt ze gemakkelijk, indien men er eenige
uren naar zoekt op klippen of in bergtunnels in de terreinen, die ze bevatten.
Zij zijn zeer verspreid in Maine-et-Loire, en in de silurische lagen van de
mijngroeven van Trélazé bij Angers.
Uit dezen tijd
dagteekent ook de
koraalpolyp, die zulk
eene belangrijke rol
gespeeld heeft bij de
vorming der aarde, en
wier eeuwenoude
koloniën groote
eilanden hebben
gevormd. Onder de
plantdieren vindt men
Fig. 76. Versteende stekelhuidigen.
de peervormige
hemicosmiten,
stekelhuidigen, zeekomkommers (holothuriën). Nauwelijks verdienen die
wezens den naam van dieren. Verscheidene hebben nog geen kop en kunnen
zich niet bewegen, evenals de oesters, wier voorvaderen men daaronder vindt;
andere hebben eene soort van kop en een begin van een spijsverteringskanaal;
maar het voedsel wordt door dezelfde opening ingebracht en verwijderd,
evenals bij de stekelhuidigen; nog andere, zooals de wormen, hebben een
begin van bewerktuiging, hoewel de meeste zintuigen nog afwezig zijn en zij
weekdieren) en mosdieren, opgesloten in cellen.
Reeds hebben de cambrische lagen een vijftigtal soorten van planten en dieren
opgeleverd, waaronder in de eerste plaats voorkomen ééncellige wieren,
ringwormen, armpootigen, sponsen en polypen. In de silurische lagen vormen
de graptolithen en trilobieten de meerderheid.
Eene menigte nieuwe wezens treedt immers op en verspreidt zich wijd en zijd:
het zijn schaaldieren, bekend onder den naam van trilobieten, en die reeds
sedert langen tijd zijn uitgestorven: zij zijn verdwenen in de steenkoolperiode,
millioenen jaren geleden. De trilobieten kwamen in menigte voor in de
oorspronkelijke zeeën, en men vindt ze gemakkelijk, indien men er eenige
uren naar zoekt op klippen of in bergtunnels in de terreinen, die ze bevatten.
Zij zijn zeer verspreid in Maine-et-Loire, en in de silurische lagen van de
mijngroeven van Trélazé bij Angers.
Uit dezen tijd
dagteekent ook de
koraalpolyp, die zulk
eene belangrijke rol
gespeeld heeft bij de
vorming der aarde, en
wier eeuwenoude
koloniën groote
eilanden hebben
gevormd. Onder de
plantdieren vindt men
Fig. 76. Versteende stekelhuidigen.
de peervormige
hemicosmiten,
stekelhuidigen, zeekomkommers (holothuriën). Nauwelijks verdienen die
wezens den naam van dieren. Verscheidene hebben nog geen kop en kunnen
zich niet bewegen, evenals de oesters, wier voorvaderen men daaronder vindt;
andere hebben eene soort van kop en een begin van een spijsverteringskanaal;
maar het voedsel wordt door dezelfde opening ingebracht en verwijderd,
evenals bij de stekelhuidigen; nog andere, zooals de wormen, hebben een
begin van bewerktuiging, hoewel de meeste zintuigen nog afwezig zijn en zij
Page 167
zich alleen kruipend kunnen voortbewegen, door hunne ringen beurtelings in
te trekken en uit te rekken.
Deze azoïsche periode heeft, zooals wij zagen,
millioenen jaren geduurd. Gedurende dien langen tijd
vertoonden de eerste diersoorten, hoe laag zij ook
stonden, reeds sporen van vooruitgang. Wel is er nog
geen enkel gewerveld dier en bestonden er zelfs nog
geene insecten, visschen, kruipende dieren, vogels of
zoogdieren. Maar onder de ongewervelde dieren is er
vooruitgang. Wij hebben niet meer alleen het
oorspronkelijke protoplasma en de platen gelei, die in
het water drijven, en de eenvoudige cellengroepen, de
wieren en de ringwormen. De trilobieten hebben
reeds eenen kop, eenen staart en waarschijnlijk
Fig. 77. De koning der
pooten, de laatste echter tenger en dun, want zij zijn
oorspronkelijke zeeën:
niet versteend; op den kop vindt men de sporen van
Trilobites calymene.
oogen. Het zijn de eerste oogen, die op onze aarde
bestaan hebben, nog niet ontwikkeld en nauwelijks
waard dien naam te dragen, maar reeds vinden wij oogzenuw en netvlies. Die
oorspronkelijke arthropoden, (gelede dieren) veel lager staande dan onze
krabben en kreeften, nemen de voornaamste plaats in onder de zeedieren der
silurische periode; het aantal soorten en families neemt eerst verbazend toe,
doch plotseling verdwijnen zij tijdens de steenkoolperiode, en thans worden
zij nauwelijks vertegenwoordigd door den limulus. Men heeft nog twee
andere schaaldieren gevonden, die betrekkelijk even hoog staan op den trap
der ontwikkeling, den pterygotus bilobus, en den eurypterus remipes; ook
deze hadden eenen kop, waarin oogen aanwezig waren, en misschien waren
zij de eerste zoetwaterdieren. Het zoetwater, uit den regen ontstaan, ontstond
tegelijk met de bergen, de bronnen en de eerste rivieren.
te trekken en uit te rekken.
Deze azoïsche periode heeft, zooals wij zagen,
millioenen jaren geduurd. Gedurende dien langen tijd
vertoonden de eerste diersoorten, hoe laag zij ook
stonden, reeds sporen van vooruitgang. Wel is er nog
geen enkel gewerveld dier en bestonden er zelfs nog
geene insecten, visschen, kruipende dieren, vogels of
zoogdieren. Maar onder de ongewervelde dieren is er
vooruitgang. Wij hebben niet meer alleen het
oorspronkelijke protoplasma en de platen gelei, die in
het water drijven, en de eenvoudige cellengroepen, de
wieren en de ringwormen. De trilobieten hebben
reeds eenen kop, eenen staart en waarschijnlijk
Fig. 77. De koning der
pooten, de laatste echter tenger en dun, want zij zijn
oorspronkelijke zeeën:
niet versteend; op den kop vindt men de sporen van
Trilobites calymene.
oogen. Het zijn de eerste oogen, die op onze aarde
bestaan hebben, nog niet ontwikkeld en nauwelijks
waard dien naam te dragen, maar reeds vinden wij oogzenuw en netvlies. Die
oorspronkelijke arthropoden, (gelede dieren) veel lager staande dan onze
krabben en kreeften, nemen de voornaamste plaats in onder de zeedieren der
silurische periode; het aantal soorten en families neemt eerst verbazend toe,
doch plotseling verdwijnen zij tijdens de steenkoolperiode, en thans worden
zij nauwelijks vertegenwoordigd door den limulus. Men heeft nog twee
andere schaaldieren gevonden, die betrekkelijk even hoog staan op den trap
der ontwikkeling, den pterygotus bilobus, en den eurypterus remipes; ook
deze hadden eenen kop, waarin oogen aanwezig waren, en misschien waren
zij de eerste zoetwaterdieren. Het zoetwater, uit den regen ontstaan, ontstond
tegelijk met de bergen, de bronnen en de eerste rivieren.
Page 168
Fig. 78. De eerste dieren. Versteende schelpen van armpootigen uit de silurische periode.
Orthis elegantula. Pantamerus. Stropnomena. Omphyma.
In de silurische periode werden de schaaldieren nog door andere soorten
vertegenwoordigd. Behalve alle soorten van trilobieten vond men de
dalmaniten, den trinucleus enz.; behalve den pterygotus en den eurypterus,
zou men nog den peltocaris, den ceratiocaris, de aristozoë, de beyrichia e.a.
kunnen noemen. Maar wij schrijven geen leerboek over paleontologie en
mogen dus de hoofdtrekken van de geschiedenis der aarde niet vergeten, door
in de bijzonderheden te verdwalen. Toch moeten wij nog opmerken, dat in het
tweede gedeelte dezer periode de koppootigen eene verbazende uitbreiding
verkrijgen: men vindt meer dan 1600 soorten dier dieren, waaronder de
Nautiliden belangrijk zijn. Enkele dezer (o.a. orthoceras) zijn tot twee meters
lang. De vinpootigen, (pteropoda) buikpootigen en armpootigen zijn zeer
talrijk, wij geven in nevensgaande teekening enkele typen (fig. 78). Ook vindt
men polypen, sponsen en medusen. De stekelhuidigen worden
vertegenwoordigd door de crinoïden, (zeeleliën) merkwaardige wezens,
waarvan de meeste door eenen buigzamen, rechten steel aan den grond
verbonden zijn. Die steel bestaat uit een groot aantal op elkander gestapelde
schijven en hoewel oorspronkelijk kort, heeft hij tijdens de juraperiode eene
groote ontwikkeling verkregen. Fig. 79 geeft twee merkwaardige typen, den
ichthyocrinus uit de silurische periode en den apiocrinus uit de juraperiode.
De versteende zeeleliën alleen vormen somtijds reeds uitgebreide steenlagen;
in de oorspronkelijke zeeën waren zij buitengewoon talrijk en bekleedden zij
den bodem der zee met prachtige levende weilanden. Bijna alle zeeleliën uit
dien tijd waren aan den bodem vastgehecht: een lange, buigzame, gelede steel
Orthis elegantula. Pantamerus. Stropnomena. Omphyma.
In de silurische periode werden de schaaldieren nog door andere soorten
vertegenwoordigd. Behalve alle soorten van trilobieten vond men de
dalmaniten, den trinucleus enz.; behalve den pterygotus en den eurypterus,
zou men nog den peltocaris, den ceratiocaris, de aristozoë, de beyrichia e.a.
kunnen noemen. Maar wij schrijven geen leerboek over paleontologie en
mogen dus de hoofdtrekken van de geschiedenis der aarde niet vergeten, door
in de bijzonderheden te verdwalen. Toch moeten wij nog opmerken, dat in het
tweede gedeelte dezer periode de koppootigen eene verbazende uitbreiding
verkrijgen: men vindt meer dan 1600 soorten dier dieren, waaronder de
Nautiliden belangrijk zijn. Enkele dezer (o.a. orthoceras) zijn tot twee meters
lang. De vinpootigen, (pteropoda) buikpootigen en armpootigen zijn zeer
talrijk, wij geven in nevensgaande teekening enkele typen (fig. 78). Ook vindt
men polypen, sponsen en medusen. De stekelhuidigen worden
vertegenwoordigd door de crinoïden, (zeeleliën) merkwaardige wezens,
waarvan de meeste door eenen buigzamen, rechten steel aan den grond
verbonden zijn. Die steel bestaat uit een groot aantal op elkander gestapelde
schijven en hoewel oorspronkelijk kort, heeft hij tijdens de juraperiode eene
groote ontwikkeling verkregen. Fig. 79 geeft twee merkwaardige typen, den
ichthyocrinus uit de silurische periode en den apiocrinus uit de juraperiode.
De versteende zeeleliën alleen vormen somtijds reeds uitgebreide steenlagen;
in de oorspronkelijke zeeën waren zij buitengewoon talrijk en bekleedden zij
den bodem der zee met prachtige levende weilanden. Bijna alle zeeleliën uit
dien tijd waren aan den bodem vastgehecht: een lange, buigzame, gelede steel
Page 169
droeg eenen bundel eveneens gelede aanhangsels, die dikwijls nog tot in het
oneindige vertakt waren en die zich boven den steel uitspreidden als de
bladeren van enkele palmen, of die tegen elkander sloten en ineengerold
waren als de bloembladeren van eene slapende bloem. Enkele zeeleliën waren
meer dan een meter lang; de steel van sommige Pentacrinen was meer dan
vijftig voet lang.
De geschiedenis der zeeleliën begint tegelijk met de geschiedenis der aarde.
De eerste rudimentaire vormen zijn verwant met die, waaruit de holothuriën,
de encriniden en de zeesterren ontstaan zijn.
Nadat zij gedurende de secundaire periode een tijdperk van buitengewonen
bloei gehad hadden, zijn de zeeleliën in de volgende perioden langzaam
achteruitgegaan; toch vindt men thans nog enkele soorten, zooals de
comatuliden, de pentacriniden, de bathycriniden e.a.
oneindige vertakt waren en die zich boven den steel uitspreidden als de
bladeren van enkele palmen, of die tegen elkander sloten en ineengerold
waren als de bloembladeren van eene slapende bloem. Enkele zeeleliën waren
meer dan een meter lang; de steel van sommige Pentacrinen was meer dan
vijftig voet lang.
De geschiedenis der zeeleliën begint tegelijk met de geschiedenis der aarde.
De eerste rudimentaire vormen zijn verwant met die, waaruit de holothuriën,
de encriniden en de zeesterren ontstaan zijn.
Nadat zij gedurende de secundaire periode een tijdperk van buitengewonen
bloei gehad hadden, zijn de zeeleliën in de volgende perioden langzaam
achteruitgegaan; toch vindt men thans nog enkele soorten, zooals de
comatuliden, de pentacriniden, de bathycriniden e.a.
Page 170
Fig. 79. De eerste dieren. Stekelhuidigen: zeeleliën. 1. Apiocrinus Royssianus. 2.
Ichthyocrinus laevis: a. met open armen, b. met gesloten armen.
De zeeleliën leven op groote diepten: de Pentacrinus Caput Medusae op 400
tot 500 Meters onder den waterspiegel, de Rhyzocrinus Lafotensis op 160 tot
1500 Meters, de Bathycrinus gracilis op 4000 Meters. Op die diepten, waar de
storm niet meer woedt, waar de veranderingen in temperatuur niet meer
Ichthyocrinus laevis: a. met open armen, b. met gesloten armen.
De zeeleliën leven op groote diepten: de Pentacrinus Caput Medusae op 400
tot 500 Meters onder den waterspiegel, de Rhyzocrinus Lafotensis op 160 tot
1500 Meters, de Bathycrinus gracilis op 4000 Meters. Op die diepten, waar de
storm niet meer woedt, waar de veranderingen in temperatuur niet meer
Page 171
gevoeld worden, waar de zon nauwelijks hare stralen werpen kan, waar alleen
phosphoresceerende wezens eenen flauwen lichtschijn verspreiden, is het
leven niet meer onderworpen aan de zoo veranderlijke omstandigheden, die
daarop aan de oppervlakte van invloed zijn. Het is dan ook in de diepte der
wateren, dat de wezens zijn blijven voortleven onder die omstandigheden,
waaronder zij oorspronkelijk optraden. De moeilijkheid om de bewoners dier
donkere afgronden te bereiken heeft ze langen tijd aan onze nasporing
onttrokken, doch thans weet men, dank zij vooral de onderzoekingen van
Agassiz en zijne leerlingen, dat zij zeer talrijk zijn, en dat de pentacriniden
den bodem der zee bedekken met eene nieuwe soort van leven. Zij zijn in de
millioenen jaren van hun bestaan weinig veranderd, omdat de voorwaarden
van het leven op die diepte weinig gewijzigd zijn. Alleen die wezens, die in de
nabijheid der kusten of de oppervlakte langzamerhand zijn gaan leven in eene
andere middenstof, en van waterdieren landdieren geworden zijn, kunnen zich
wijzigen. Konden zij zich niet in de gewijzigde levensvoorwaarden schikken,
dan zijn zij verdwenen.
Gelijktijdig met de stekelhuidigen komen in de silurische periode de
weekdieren en de schaaldieren in grooten getale voor. De trilobieten en de
nautiliden met eenen reeds gevormden en tamelijk volkomen kop hebben de
overhand. De vooruitgang neemt steeds toe. De eerste visschen verschijnen in
het water op het einde dier periode, bij den overgang tot de devonische
periode, en op de uit de zee verrezen eilanden, die reeds met planten,
voornamelijk met wolfsklauwen bedekt zijn, zullen gelijktijdig de eerste
dieren, in de lucht ademend, verschijnen, in de gedaante van schorpioenen.
Door opheffingen van de aardschors zijn de cambrische en silurische lagen op
verschillende punten van Europa bloot geraakt en daardoor het voorwerp
geworden van belangrijke onderzoekingen. In Engeland is de cambrische laag
meer dan 6000 Meters dik en de silurische 8000 Meters. In Zweden
daarentegen is de silurische laag slechts 600 Meters dik. In Bohemen
daarentegen is zij gelegen tusschen eruptiefgesteenten. Opmerkelijk is het, dat
dezelfde levende wezens, thans versteend, gelijktijdig verschenen zijn in alle
silurische formaties. Dezelfde soorten worden gevonden in Zweden,
Engeland, Boheme, de Vereenigde Staten, de Kaap de Goede Hoop en in
Barrowstraat en Melville-eiland op 76° noorderbreedte; enkele soorten, zooals
graptolithus Murchisonii e.a. komen voor op plaatsen, die aan verschillende
phosphoresceerende wezens eenen flauwen lichtschijn verspreiden, is het
leven niet meer onderworpen aan de zoo veranderlijke omstandigheden, die
daarop aan de oppervlakte van invloed zijn. Het is dan ook in de diepte der
wateren, dat de wezens zijn blijven voortleven onder die omstandigheden,
waaronder zij oorspronkelijk optraden. De moeilijkheid om de bewoners dier
donkere afgronden te bereiken heeft ze langen tijd aan onze nasporing
onttrokken, doch thans weet men, dank zij vooral de onderzoekingen van
Agassiz en zijne leerlingen, dat zij zeer talrijk zijn, en dat de pentacriniden
den bodem der zee bedekken met eene nieuwe soort van leven. Zij zijn in de
millioenen jaren van hun bestaan weinig veranderd, omdat de voorwaarden
van het leven op die diepte weinig gewijzigd zijn. Alleen die wezens, die in de
nabijheid der kusten of de oppervlakte langzamerhand zijn gaan leven in eene
andere middenstof, en van waterdieren landdieren geworden zijn, kunnen zich
wijzigen. Konden zij zich niet in de gewijzigde levensvoorwaarden schikken,
dan zijn zij verdwenen.
Gelijktijdig met de stekelhuidigen komen in de silurische periode de
weekdieren en de schaaldieren in grooten getale voor. De trilobieten en de
nautiliden met eenen reeds gevormden en tamelijk volkomen kop hebben de
overhand. De vooruitgang neemt steeds toe. De eerste visschen verschijnen in
het water op het einde dier periode, bij den overgang tot de devonische
periode, en op de uit de zee verrezen eilanden, die reeds met planten,
voornamelijk met wolfsklauwen bedekt zijn, zullen gelijktijdig de eerste
dieren, in de lucht ademend, verschijnen, in de gedaante van schorpioenen.
Door opheffingen van de aardschors zijn de cambrische en silurische lagen op
verschillende punten van Europa bloot geraakt en daardoor het voorwerp
geworden van belangrijke onderzoekingen. In Engeland is de cambrische laag
meer dan 6000 Meters dik en de silurische 8000 Meters. In Zweden
daarentegen is de silurische laag slechts 600 Meters dik. In Bohemen
daarentegen is zij gelegen tusschen eruptiefgesteenten. Opmerkelijk is het, dat
dezelfde levende wezens, thans versteend, gelijktijdig verschenen zijn in alle
silurische formaties. Dezelfde soorten worden gevonden in Zweden,
Engeland, Boheme, de Vereenigde Staten, de Kaap de Goede Hoop en in
Barrowstraat en Melville-eiland op 76° noorderbreedte; enkele soorten, zooals
graptolithus Murchisonii e.a. komen voor op plaatsen, die aan verschillende
Page 172
uiteinden van de middellijn der aarde gelegen zijn. Overal heerschte dezelfde
temperatuur.
Zelden zijn de silurische lagen horizontaal. Zij hebben alle rijzingen en
dalingen medegemaakt, die in de aardschors sedert dien tijd hebben plaats
gevonden; men heeft hare fossielen in de Andes in Amerika gevonden op
5000 Meters hoogte. Gedurende die langdurige azoïsche periode strekken de
zeeën zich bijna over de geheele aarde uit. Bijna geheel Europa b.v. van
Spanje tot aan het Ural-gebergte lag onder water. Een deel van Bretagne stak
boven water uit, zoo ook Auvergne, de Alpen, de Jura en enkele eilanden in de
Pyreneën; maar de plaatsen, waar Parijs, Rouaan, Havre, Orleans, Bordeaux,
Marseille, Nizza, Turin, Genève, Brussel gelegen zijn, lagen toen nog onder
de golven der silurische zee. Brest, Nantes, Autun waren reeds uit de wateren
te voorschijn getreden. IJsland, gevormd uit eruptiefgesteenten der azoïsche
periode, Lapland, Finland, een deel van Zweden en Noorwegen, een deel van
Schotland en Ierland, van Spanje, Zwitserland, Corsica, Sardinië, Boheme,
Turkije, staken boven de zee uit; maar Londen, Amsterdam, Parijs, Madrid,
Petersburg lagen op den bodem van den Oceaan, en daarboven bewogen zich
in de wateren onze plantaardige en dierlijke voorouders der silurische periode,
die het vruchtbare werk van het toekomstige leven voorbereidden.
Hoe welsprekend is dit schouwpel voor hem, die het kan bevatten! Op den
eersten oogopslag doet het ons den betrekkelijken ouderdom der bergen
kennen. De Alpen zijn ouder dan de Pyreneën. Toen de Mont-Blanc, de Sint-
Gothard, de Jungfrau reeds hunne kruinen boven de wolken verhieven, rustten
de Pyreneën nog op den bodem van het water; zij zijn de dochters der
secundaire periode en millioenen jaren jonger dan de Alpen. Toen verhieven
zich slechts enkele toppen der Pyreneën als kleine eilanden, boven de golven;
maar het water stroomde vrij door den archipel, en Spanje was nog evenmin
scherp begrensd als Frankrijk. De Middellandsche zee bestond evenmin als de
Caspische, de Zwarte zee, de Baltische zee of het Kanaal: ééne enkele
wereldzee strekte zich over den aardbol uit. De Alpen waren waarschijnlijk
veel hooger dan nu; zij schijnen ten minste weder gezakt te zijn, en zelfs
verscheidene malen te zijn gestegen en gedaald.
In die zeeën heerschten de phalangieten (bastaardspinnen) en tallooze
trilobieten. Gewapend met zijn drielobbig schild, was dit het eerste schaaldier,
temperatuur.
Zelden zijn de silurische lagen horizontaal. Zij hebben alle rijzingen en
dalingen medegemaakt, die in de aardschors sedert dien tijd hebben plaats
gevonden; men heeft hare fossielen in de Andes in Amerika gevonden op
5000 Meters hoogte. Gedurende die langdurige azoïsche periode strekken de
zeeën zich bijna over de geheele aarde uit. Bijna geheel Europa b.v. van
Spanje tot aan het Ural-gebergte lag onder water. Een deel van Bretagne stak
boven water uit, zoo ook Auvergne, de Alpen, de Jura en enkele eilanden in de
Pyreneën; maar de plaatsen, waar Parijs, Rouaan, Havre, Orleans, Bordeaux,
Marseille, Nizza, Turin, Genève, Brussel gelegen zijn, lagen toen nog onder
de golven der silurische zee. Brest, Nantes, Autun waren reeds uit de wateren
te voorschijn getreden. IJsland, gevormd uit eruptiefgesteenten der azoïsche
periode, Lapland, Finland, een deel van Zweden en Noorwegen, een deel van
Schotland en Ierland, van Spanje, Zwitserland, Corsica, Sardinië, Boheme,
Turkije, staken boven de zee uit; maar Londen, Amsterdam, Parijs, Madrid,
Petersburg lagen op den bodem van den Oceaan, en daarboven bewogen zich
in de wateren onze plantaardige en dierlijke voorouders der silurische periode,
die het vruchtbare werk van het toekomstige leven voorbereidden.
Hoe welsprekend is dit schouwpel voor hem, die het kan bevatten! Op den
eersten oogopslag doet het ons den betrekkelijken ouderdom der bergen
kennen. De Alpen zijn ouder dan de Pyreneën. Toen de Mont-Blanc, de Sint-
Gothard, de Jungfrau reeds hunne kruinen boven de wolken verhieven, rustten
de Pyreneën nog op den bodem van het water; zij zijn de dochters der
secundaire periode en millioenen jaren jonger dan de Alpen. Toen verhieven
zich slechts enkele toppen der Pyreneën als kleine eilanden, boven de golven;
maar het water stroomde vrij door den archipel, en Spanje was nog evenmin
scherp begrensd als Frankrijk. De Middellandsche zee bestond evenmin als de
Caspische, de Zwarte zee, de Baltische zee of het Kanaal: ééne enkele
wereldzee strekte zich over den aardbol uit. De Alpen waren waarschijnlijk
veel hooger dan nu; zij schijnen ten minste weder gezakt te zijn, en zelfs
verscheidene malen te zijn gestegen en gedaald.
In die zeeën heerschten de phalangieten (bastaardspinnen) en tallooze
trilobieten. Gewapend met zijn drielobbig schild, was dit het eerste schaaldier,
Page 173
dat zich vrij durfde bewegen, andere plaatsen durfde opzoeken en nieuwe
kusten tot woonplaats durfde te kiezen.
Het was ook het eerste dier, dat oogen had, geschikt om te zien. Vóór dien tijd
werd ieder wezen blind geboren en bleef het blind, alsof de vormelooze natuur
zich schaamde voor hare omgeving. Tot nu toe konden de dieren alleen licht
en duisternis, dag en nacht onderscheiden, zij konden de plaats, die zij
innamen, alleen voelen en niet zien. Doch nu treedt de trilobiet op; hij heeft
een werkelijk gezichtsorgaan, niet langer in rudimentairen toestand. En wat
zag dat eerste oog, met bulten overdekt? Kleine drijvende weekdieren, nog
geen visschen, of kruipende of gewervelde dieren, maar tallooze plantdieren,
koralen, zeeleliën, zeesterren. Om zijne vijanden te ontkomen, rolde hij zich
tot eenen bal samen en liet hij zich door den Oceaan medevoeren.
Hij zal lang genoeg leven, om eindelijk het bijna volkomen gevormde oog der
koppootige weekdieren te aanschouwen; het geheele gezichtsorgaan heeft zich
ontwikkeld en geleidelijk volmaakt, van de gekleurde stip der zoänthariën tot
aan de groote oogen der ammonieten en belemnieten. De levende natuur is
niet langer blind.
De trilobiet, de voorvader der schaaldieren, was ook een der eerste wezens,
die van de zich ontwikkelende aarde verdwenen. Zijn schild met drie lobben
heeft hem niet kunnen beschermen tegen den tand des tijds; hij verkondigt de
veranderlijkheid der vormen, die zich evenals de aarde voortdurend wijzigen;
hij verkondigt, hoe niet alleen individuen, maar ook soorten en geslachten
sterven.
Geen schepsel heeft zich nog buiten de lauwe wateren gewaagd; hier en daar
werpen de stormen eene ontwortelde wier, eene tweekleppige schelp op de
kust, doch deze worden weder door de golven medegevoerd en aan den
Oceaan teruggegeven. Geen wezen heeft nog gepoogd op het vaste land te
leven; geen enkele getuige heeft nog het hoofd boven de zee durven uitsteken
en het heelal durven aanschouwen: alleen de wateren zijn bewoond.
Verheffend denkbeeld! De menschen, die ons zijn voorgegaan, kenden slechts
de bewerktuigde wezens van hunnen tijd, zonder te vermoeden, dat er ooit
andere bestaan hebben. Hun horizon beperkte zich tot de tegenwoordige
kusten tot woonplaats durfde te kiezen.
Het was ook het eerste dier, dat oogen had, geschikt om te zien. Vóór dien tijd
werd ieder wezen blind geboren en bleef het blind, alsof de vormelooze natuur
zich schaamde voor hare omgeving. Tot nu toe konden de dieren alleen licht
en duisternis, dag en nacht onderscheiden, zij konden de plaats, die zij
innamen, alleen voelen en niet zien. Doch nu treedt de trilobiet op; hij heeft
een werkelijk gezichtsorgaan, niet langer in rudimentairen toestand. En wat
zag dat eerste oog, met bulten overdekt? Kleine drijvende weekdieren, nog
geen visschen, of kruipende of gewervelde dieren, maar tallooze plantdieren,
koralen, zeeleliën, zeesterren. Om zijne vijanden te ontkomen, rolde hij zich
tot eenen bal samen en liet hij zich door den Oceaan medevoeren.
Hij zal lang genoeg leven, om eindelijk het bijna volkomen gevormde oog der
koppootige weekdieren te aanschouwen; het geheele gezichtsorgaan heeft zich
ontwikkeld en geleidelijk volmaakt, van de gekleurde stip der zoänthariën tot
aan de groote oogen der ammonieten en belemnieten. De levende natuur is
niet langer blind.
De trilobiet, de voorvader der schaaldieren, was ook een der eerste wezens,
die van de zich ontwikkelende aarde verdwenen. Zijn schild met drie lobben
heeft hem niet kunnen beschermen tegen den tand des tijds; hij verkondigt de
veranderlijkheid der vormen, die zich evenals de aarde voortdurend wijzigen;
hij verkondigt, hoe niet alleen individuen, maar ook soorten en geslachten
sterven.
Geen schepsel heeft zich nog buiten de lauwe wateren gewaagd; hier en daar
werpen de stormen eene ontwortelde wier, eene tweekleppige schelp op de
kust, doch deze worden weder door de golven medegevoerd en aan den
Oceaan teruggegeven. Geen wezen heeft nog gepoogd op het vaste land te
leven; geen enkele getuige heeft nog het hoofd boven de zee durven uitsteken
en het heelal durven aanschouwen: alleen de wateren zijn bewoond.
Verheffend denkbeeld! De menschen, die ons zijn voorgegaan, kenden slechts
de bewerktuigde wezens van hunnen tijd, zonder te vermoeden, dat er ooit
andere bestaan hebben. Hun horizon beperkte zich tot de tegenwoordige
Page 174
natuur. Zij vermoedden niet, dat er eene zichtbare, versteende eeuwigheid
achter hen lag. Of indien zij vermoedden, dat ooit andere vormen op de aarde
bestaan hadden, waren het voor hen chimaeren, centauren en dergelijke
monsters, door de verbeelding gewrocht. De sterrenkunde deed ons de ruimte,
de aardkunde, den tijd kennen.
Doch zie! Daar leeren wij een nieuw heelal kennen. Voor ons opent zich een
onmetelijk verleden, bewoond met schepselen, waarvan wij geen denkbeeld
hadden. De visioenen der dichters en profeten zijn door de werkelijkheid
overtroffen. Zij nemen voor ons een’ vorm aan en heeten pterodactylen
(vleugelvingerigen), plesiosauren, dinotheriums enz.
„Welk eenen invloed,” zegt Edgard Quinet, „moeten dergelijke veranderingen
in onze beschouwingen, een zoodanige rijkdom, bij den reeds aanwezigen
rijkdom gevoegd, de gift van eene geheel nieuwe natuur, in den dood
bewaard, uitgeoefend hebben op onze voorstellingen van leven en dood, van
het heden en de toekomst, van onze plaats aan de spits der bewerktuigde
schepselen! Indien de kruipende dieren in het secundaire tijdperk hadden
kunnen spreken, dan zouden zij gezegd hebben: Wij zijn de koningen der
schepping. Geen wezen staat boven ons, niemand dan wij is in staat te
kruipen. Tevergeefs tracht een troep lagere wezens, straaldieren, weekdieren,
visschen zich met ons te meten. Het kruipende dier is het uitverkoren
schepsel, de goddelijke vorm; met hem eindigt de wereld haren vooruitgang
en hij is de kroon der schepping.
achter hen lag. Of indien zij vermoedden, dat ooit andere vormen op de aarde
bestaan hadden, waren het voor hen chimaeren, centauren en dergelijke
monsters, door de verbeelding gewrocht. De sterrenkunde deed ons de ruimte,
de aardkunde, den tijd kennen.
Doch zie! Daar leeren wij een nieuw heelal kennen. Voor ons opent zich een
onmetelijk verleden, bewoond met schepselen, waarvan wij geen denkbeeld
hadden. De visioenen der dichters en profeten zijn door de werkelijkheid
overtroffen. Zij nemen voor ons een’ vorm aan en heeten pterodactylen
(vleugelvingerigen), plesiosauren, dinotheriums enz.
„Welk eenen invloed,” zegt Edgard Quinet, „moeten dergelijke veranderingen
in onze beschouwingen, een zoodanige rijkdom, bij den reeds aanwezigen
rijkdom gevoegd, de gift van eene geheel nieuwe natuur, in den dood
bewaard, uitgeoefend hebben op onze voorstellingen van leven en dood, van
het heden en de toekomst, van onze plaats aan de spits der bewerktuigde
schepselen! Indien de kruipende dieren in het secundaire tijdperk hadden
kunnen spreken, dan zouden zij gezegd hebben: Wij zijn de koningen der
schepping. Geen wezen staat boven ons, niemand dan wij is in staat te
kruipen. Tevergeefs tracht een troep lagere wezens, straaldieren, weekdieren,
visschen zich met ons te meten. Het kruipende dier is het uitverkoren
schepsel, de goddelijke vorm; met hem eindigt de wereld haren vooruitgang
en hij is de kroon der schepping.
Page 175
De eerste dagen der silurische periode: Alleen de wateren zijn bewoond.
„Indien de groote zoogdieren van het tertraire tijdperk hunne stem hadden
doen hooren, dan zouden zij gezegd hebben: Het heelal heeft eenen stap
voorwaarts gedaan, wij staan op de hoogste trede der ontwikkeling. Hoe is het
mogelijk, dat de kruipende dieren ooit hebben kunnen gelooven, dat met hen
de wereld voltooid was. Zij zijn in staat op den buik voor te gaan; maar wij
„Indien de groote zoogdieren van het tertraire tijdperk hunne stem hadden
doen hooren, dan zouden zij gezegd hebben: Het heelal heeft eenen stap
voorwaarts gedaan, wij staan op de hoogste trede der ontwikkeling. Hoe is het
mogelijk, dat de kruipende dieren ooit hebben kunnen gelooven, dat met hen
de wereld voltooid was. Zij zijn in staat op den buik voor te gaan; maar wij
Page 176
hebben het hoofd opgeheven. Wij zijn de wettige heerschers, hoe kunnen er
nog hooger bewerktuigde wezens bestaan? Al die overgangsvormen, die zich
oefenden tot het leven, ontwikkelden zich geleidelijk tot onze gedaante. Maar
wij hebben het eindpunt bereikt, zonder vrees, dat ooit eenig ander wezen ons
van onzen troon verjaagt; wij kunnen van eeuw tot eeuw rustig de aarde
afweiden en ons onderling verscheuren.
„Doch zie! Daar begint het quaternaire tijdstip; de mensch verschijnt en zegt:
Tot nu toe heeft iedereen zich vergist, wij alleen niet. De kruipende dieren
geloofden aan de goddelijke heerschappij der kruipende dieren, de zoogdieren
aan die der zoogdieren. Dwaling, vermetelheid van het lagere volk der
schepping. Ik alleen ben de wettige heerscher. Om voor mij plaats te maken,
zijn al die koningen van éénen dag ter aarde gestort, van de trilobieten en de
koninklijke ammonieten tot de groote gewervelde dieren. Ik alleen ben de
heerscher, in wien het leven zijnen volmaaktsten vorm heeft verkregen; of
juister gezegd, er is geene enkele schakel tusschen de vroegere vormen en den
mijnen. Het heelal is voltooid, de tijden zijn vervuld. In mij heeft God zich
uitgeput, ik ben de laatste zoon van zijnen ouderdom.
„Dat gezichtspunt is dagelijks moeilijker vol te houden; zoo talrijke
organische dynastiën moeten den mensch eindelijk overtuigen, dat hij zelf
eene soort van ééne dag is, en dat het oogenblik komen zal, waarop ook hij zal
worden onttroond.
„Wanneer ik dien langzamen vooruitgang zie, van den trilobiet, den eersten
verbaasden getuige van de wordende wereld tot aan het menschengeslacht,
dan is het mij onmogelijk, te gelooven, dat de opklimming bij mij eindigt en
dat die oneindige arbeid zich niet verder uitstrekt dan tot den horizon, dien ik
overzie. Dan kan ik mij niet langer tevreden stellen met wat ik ben. Dan
verlang ook ik vleugelen en schep ik mij in mijne verbeelding toekomstige, nu
nog onbekende rijen van vormen en wezens, die mij in kracht en in licht
evenveel zullen overtreffen, als ik uitmunt boven het eerste wezen, in de oude
wereldzee geschapen. Dan kan ik mij dat wonder van hoogmoed en
nederigheid verklaren, mensch genoemd; hoogmoedig tegenover de vroegere
wezens, die langzaam tot hem opklimmen; maar nederig tegenover de hoogere
wezens, waarvan hij de kiem in zich omdraagt en waarvan hij de hoogere
aspiraties in zich voelt.4”
nog hooger bewerktuigde wezens bestaan? Al die overgangsvormen, die zich
oefenden tot het leven, ontwikkelden zich geleidelijk tot onze gedaante. Maar
wij hebben het eindpunt bereikt, zonder vrees, dat ooit eenig ander wezen ons
van onzen troon verjaagt; wij kunnen van eeuw tot eeuw rustig de aarde
afweiden en ons onderling verscheuren.
„Doch zie! Daar begint het quaternaire tijdstip; de mensch verschijnt en zegt:
Tot nu toe heeft iedereen zich vergist, wij alleen niet. De kruipende dieren
geloofden aan de goddelijke heerschappij der kruipende dieren, de zoogdieren
aan die der zoogdieren. Dwaling, vermetelheid van het lagere volk der
schepping. Ik alleen ben de wettige heerscher. Om voor mij plaats te maken,
zijn al die koningen van éénen dag ter aarde gestort, van de trilobieten en de
koninklijke ammonieten tot de groote gewervelde dieren. Ik alleen ben de
heerscher, in wien het leven zijnen volmaaktsten vorm heeft verkregen; of
juister gezegd, er is geene enkele schakel tusschen de vroegere vormen en den
mijnen. Het heelal is voltooid, de tijden zijn vervuld. In mij heeft God zich
uitgeput, ik ben de laatste zoon van zijnen ouderdom.
„Dat gezichtspunt is dagelijks moeilijker vol te houden; zoo talrijke
organische dynastiën moeten den mensch eindelijk overtuigen, dat hij zelf
eene soort van ééne dag is, en dat het oogenblik komen zal, waarop ook hij zal
worden onttroond.
„Wanneer ik dien langzamen vooruitgang zie, van den trilobiet, den eersten
verbaasden getuige van de wordende wereld tot aan het menschengeslacht,
dan is het mij onmogelijk, te gelooven, dat de opklimming bij mij eindigt en
dat die oneindige arbeid zich niet verder uitstrekt dan tot den horizon, dien ik
overzie. Dan kan ik mij niet langer tevreden stellen met wat ik ben. Dan
verlang ook ik vleugelen en schep ik mij in mijne verbeelding toekomstige, nu
nog onbekende rijen van vormen en wezens, die mij in kracht en in licht
evenveel zullen overtreffen, als ik uitmunt boven het eerste wezen, in de oude
wereldzee geschapen. Dan kan ik mij dat wonder van hoogmoed en
nederigheid verklaren, mensch genoemd; hoogmoedig tegenover de vroegere
wezens, die langzaam tot hem opklimmen; maar nederig tegenover de hoogere
wezens, waarvan hij de kiem in zich omdraagt en waarvan hij de hoogere
aspiraties in zich voelt.4”
Page 177
Langzaam en regelmatig groeit en ontwikkelt zich de boom des levens. De
ontwikkeling van het plantenrijk loopt evenwijdig met die van het dierenrijk.
De oudste planten zijn de laagste zeeplanten, evenals de oudste dieren
zeedieren waren. Opmerkelijk is het, dat planten- en dierenrijk ontwikkeld
zijn in de volgorde, door de physiologie aangegeven: dit is een belangrijk en
tevens onwederlegbaar feit. Indien de gesteenten, in de laurentische,
cambrische en silurische lagen bewaard gebleven, ons hoogere planten,
boomen, bloemen of vruchten hadden leeren kennen, aan de onze gelijk, dan
had men grond gehad, de beginselen in dit boek neergelegd te bestrijden.
Maar beide rijken hebben nauwkeurig den weg gevolgd, dien onze lezers bij
deze onderzoekingen hebben leeren kennen. De eenvoudigste planten, de
cryptogamen, zijn de oudste; men vindt deze alleen in de geologische lagen
der azoïsche periode; de meer volkomen planten, de phanerogamen zijn eerst
veel later ten tooneele verschenen. De cryptogamen zijn in de geschiedenis
der planeet evenals in de plantenphysiologie, de oorsprong en het
uitgangspunt van alle planten.
Aan den oorsprong van alle planten ontmoeten wij het vormelooze
protoplasma, dat echter reeds de kenmerken van het leven bezit. Het is
dezelfde stof, waaruit ook de eerste dieren bestaan, en in de meest volmaakte
plant vindt men nog de herinnering aan dien toestand terug. Binnen de
plantencellen trekt het protoplasma zich samen en ademt het, zooals de
dierlijke stof. De vleeschetende planten herinneren ons aan dien toestand,
evenzeer als het kruidje-roer-mij-niet, dat den invloed van verdoovende
middelen ondervindt. De eerste planten, de ééncellige wieren, de
paddestoelen, de korstmossen, zijn slechts opeenhoopingen van
protoplasmacellen.
ontwikkeling van het plantenrijk loopt evenwijdig met die van het dierenrijk.
De oudste planten zijn de laagste zeeplanten, evenals de oudste dieren
zeedieren waren. Opmerkelijk is het, dat planten- en dierenrijk ontwikkeld
zijn in de volgorde, door de physiologie aangegeven: dit is een belangrijk en
tevens onwederlegbaar feit. Indien de gesteenten, in de laurentische,
cambrische en silurische lagen bewaard gebleven, ons hoogere planten,
boomen, bloemen of vruchten hadden leeren kennen, aan de onze gelijk, dan
had men grond gehad, de beginselen in dit boek neergelegd te bestrijden.
Maar beide rijken hebben nauwkeurig den weg gevolgd, dien onze lezers bij
deze onderzoekingen hebben leeren kennen. De eenvoudigste planten, de
cryptogamen, zijn de oudste; men vindt deze alleen in de geologische lagen
der azoïsche periode; de meer volkomen planten, de phanerogamen zijn eerst
veel later ten tooneele verschenen. De cryptogamen zijn in de geschiedenis
der planeet evenals in de plantenphysiologie, de oorsprong en het
uitgangspunt van alle planten.
Aan den oorsprong van alle planten ontmoeten wij het vormelooze
protoplasma, dat echter reeds de kenmerken van het leven bezit. Het is
dezelfde stof, waaruit ook de eerste dieren bestaan, en in de meest volmaakte
plant vindt men nog de herinnering aan dien toestand terug. Binnen de
plantencellen trekt het protoplasma zich samen en ademt het, zooals de
dierlijke stof. De vleeschetende planten herinneren ons aan dien toestand,
evenzeer als het kruidje-roer-mij-niet, dat den invloed van verdoovende
middelen ondervindt. De eerste planten, de ééncellige wieren, de
paddestoelen, de korstmossen, zijn slechts opeenhoopingen van
protoplasmacellen.
Page 178
Fig. 81. De oudste planten. Chondrites bollensis elongatus.
Terecht heeft men aan de azoïsche periode den naam van de periode der
wieren gegeven, want spoedig hebben zij zich in de oorspronkelijke zeeën
verspreid, en het zijn ook de eerste planten, die zich aan de kusten een weinig
gewijzigd hebben, om zonder veel water te kunnen leven of zelfs in vochtige
lucht. Die wieren, welke op den bodem van het water gebleven zijn, onder
ongewijzigde omstandigheden, behoefden zich niet te vervormen, en zooals
zij dan ook voor millioenen jaren bestonden, zoo vinden wij ze nog heden
terug. Die eerste planten (protophyten) vertoonen echter op het einde der
silurische periode eene groote verscheidenheid van vormen en afmetingen. Bij
de vroeger genoemde soorten kan men nog voegen de crossochorda, in de
lagere silurische lagen van Schotland en Bagnols (département de l’Orne)
gevonden, die uit niets anders bestaat dan uit dooreengestrengelde buizen; de
arthrophycus, op alle diepten der silurische formatie, de eophyton en vooral de
belangrijke groep der Chondriten, die beginnende in de silurische periode, in
het midden der tertiaire periode verdwenen zijn. De hoogere wieren,
fucoïdeën, florideën enz. zijn eerst veel later verschenen. Wij zullen thans niet
verder in bijzonderheden afdalen. Ons doel was alleen aan te toonen, dat het
planten- en dierenrijk begonnen is met de laagste zeeorganismen. De planten
in de lucht zijn ontstaan uit de waterplanten. Verschillende wiersoorten
Terecht heeft men aan de azoïsche periode den naam van de periode der
wieren gegeven, want spoedig hebben zij zich in de oorspronkelijke zeeën
verspreid, en het zijn ook de eerste planten, die zich aan de kusten een weinig
gewijzigd hebben, om zonder veel water te kunnen leven of zelfs in vochtige
lucht. Die wieren, welke op den bodem van het water gebleven zijn, onder
ongewijzigde omstandigheden, behoefden zich niet te vervormen, en zooals
zij dan ook voor millioenen jaren bestonden, zoo vinden wij ze nog heden
terug. Die eerste planten (protophyten) vertoonen echter op het einde der
silurische periode eene groote verscheidenheid van vormen en afmetingen. Bij
de vroeger genoemde soorten kan men nog voegen de crossochorda, in de
lagere silurische lagen van Schotland en Bagnols (département de l’Orne)
gevonden, die uit niets anders bestaat dan uit dooreengestrengelde buizen; de
arthrophycus, op alle diepten der silurische formatie, de eophyton en vooral de
belangrijke groep der Chondriten, die beginnende in de silurische periode, in
het midden der tertiaire periode verdwenen zijn. De hoogere wieren,
fucoïdeën, florideën enz. zijn eerst veel later verschenen. Wij zullen thans niet
verder in bijzonderheden afdalen. Ons doel was alleen aan te toonen, dat het
planten- en dierenrijk begonnen is met de laagste zeeorganismen. De planten
in de lucht zijn ontstaan uit de waterplanten. Verschillende wiersoorten
Page 179
hebben het water verlaten om bezit te nemen van den grond, die boven het
water uitstak; eerst hebben zij zich gelegerd op vochtige en dikwijls
overstroomde plaatsen, doch later hebben zij zich stap voor stap verspreid met
die wijzigingen, die de levensvoorwaarden medebrachten. Onder den invloed
van de nieuwe omgeving gaven de celweefsels, die oorspronkelijk
gelijkslachtig waren, het aanzijn aan nieuwe bedekkingen. Bij gewijzigde
voeding werden ook de planten voor dat doel gewijzigd. Zoo ontstonden
eensdeels de blad- en levermossen, anderdeels de varens, de paardestaarten en
andere. De eerste planten waren sporeplanten (cryptogamen); de
phanerogamen (zaadplanten) stammen daarvan af.
De eerste op het land groeiende planten komen evenals de eerste in de lucht
ademende dieren eerst voor op het einde van het silurische tijdperk. In het
leisteen van Angers heeft men eenen schoonen afdruk van eene varen
gevonden. Men vindt ook in de silurische lagen van Cincinnati wolfsklauwen
en sigillaria’s. Dit zijn de oudste planten, buiten het water levende en
dagteekenend uit de silurische periode. De reeds zoo ingewikkelde bouw der
plant bij haar eerste verschijnen op de oppervlakte van den bodem, doet ons
vermoeden, dat er eene ons onbekende periode moet geweest zijn, waarin op
het vasteland eenvoudiger planten bestaan hebben dan varens. Toen de regens
als het ware voortdurend op de aarde nedervielen en het water der zee door
zijne hooge temperatuur steeds verdampte, moesten planten van zeer lage
ontwikkeling den grond bedekken. Die planten leefden ongetwijfeld op de
wijze der wieren, die als het ware gedompeld blijven in een onafgebroken
bad. Eerst na eene reeks van eeuwen kunnen zij de vormen verkregen hebben,
door de oudste afdruksels geopenbaard. In den tijd waarin zich de lei-, de
kwarts- en de kalkrotsen der laurentische, cambrische en silurische periode
vormden, is de lucht gezuiverd, vielen de regens in plaats van voortdurend,
met tusschenpoozen, en vormde de dampkring, nevelachtig en warm blijvend,
eene tweede zee, over den Oceaan hangend. Toen verkreeg de plantengroei op
aarde nieuwe vormen en organen, passend voor de gewijzigde
omstandigheden. Voor het eerst verkregen de planten bladeren, schoten zij
wortels uit, en kregen de weefsels verschillenden bouw en verwierven zij
grootere schoonheid en symmetrie.
Het water is eene middelstof, uiterst geschikt voor de meeste lagere
organismen. Geheele afdeelingen van planten en dieren, zooals wieren,
water uitstak; eerst hebben zij zich gelegerd op vochtige en dikwijls
overstroomde plaatsen, doch later hebben zij zich stap voor stap verspreid met
die wijzigingen, die de levensvoorwaarden medebrachten. Onder den invloed
van de nieuwe omgeving gaven de celweefsels, die oorspronkelijk
gelijkslachtig waren, het aanzijn aan nieuwe bedekkingen. Bij gewijzigde
voeding werden ook de planten voor dat doel gewijzigd. Zoo ontstonden
eensdeels de blad- en levermossen, anderdeels de varens, de paardestaarten en
andere. De eerste planten waren sporeplanten (cryptogamen); de
phanerogamen (zaadplanten) stammen daarvan af.
De eerste op het land groeiende planten komen evenals de eerste in de lucht
ademende dieren eerst voor op het einde van het silurische tijdperk. In het
leisteen van Angers heeft men eenen schoonen afdruk van eene varen
gevonden. Men vindt ook in de silurische lagen van Cincinnati wolfsklauwen
en sigillaria’s. Dit zijn de oudste planten, buiten het water levende en
dagteekenend uit de silurische periode. De reeds zoo ingewikkelde bouw der
plant bij haar eerste verschijnen op de oppervlakte van den bodem, doet ons
vermoeden, dat er eene ons onbekende periode moet geweest zijn, waarin op
het vasteland eenvoudiger planten bestaan hebben dan varens. Toen de regens
als het ware voortdurend op de aarde nedervielen en het water der zee door
zijne hooge temperatuur steeds verdampte, moesten planten van zeer lage
ontwikkeling den grond bedekken. Die planten leefden ongetwijfeld op de
wijze der wieren, die als het ware gedompeld blijven in een onafgebroken
bad. Eerst na eene reeks van eeuwen kunnen zij de vormen verkregen hebben,
door de oudste afdruksels geopenbaard. In den tijd waarin zich de lei-, de
kwarts- en de kalkrotsen der laurentische, cambrische en silurische periode
vormden, is de lucht gezuiverd, vielen de regens in plaats van voortdurend,
met tusschenpoozen, en vormde de dampkring, nevelachtig en warm blijvend,
eene tweede zee, over den Oceaan hangend. Toen verkreeg de plantengroei op
aarde nieuwe vormen en organen, passend voor de gewijzigde
omstandigheden. Voor het eerst verkregen de planten bladeren, schoten zij
wortels uit, en kregen de weefsels verschillenden bouw en verwierven zij
grootere schoonheid en symmetrie.
Het water is eene middelstof, uiterst geschikt voor de meeste lagere
organismen. Geheele afdeelingen van planten en dieren, zooals wieren,
Page 180
plantdieren, de meeste weekdieren en alle visschen leven in het water, dat zij
niet straffeloos kunnen verlaten. Niet alleen dient het water tot voertuig voor
de gassen, door die schepselen ingeademd, maar het doordringt ze ook; het
waterdragend deel der weekdieren bevat een geheel stelsel van openingen en
kanalen. Dit is zelfs één der duidelijkste karaktertrekken, waaruit hunne
betrekkelijk lage ontwikkeling blijkt. Zoowel de wieren als de weeke dieren
drogen uit, zoodra zij uit het water komen en verliezen dan door verdamping
het vocht, dat voor het behoud van hun leven noodig is. Een zeer vochtige
dampkring echter kan de rol van eene vloeibare middenstof vervullen. Zoo
kunnen blad- en korstmossen, al zijn het landplanten, alleen onder den invloed
van water groeien. Zoolang de lucht droog blijft, schijnt het leven uitgedoofd,
totdat de vochtigheid het leven weder opwekt.
niet straffeloos kunnen verlaten. Niet alleen dient het water tot voertuig voor
de gassen, door die schepselen ingeademd, maar het doordringt ze ook; het
waterdragend deel der weekdieren bevat een geheel stelsel van openingen en
kanalen. Dit is zelfs één der duidelijkste karaktertrekken, waaruit hunne
betrekkelijk lage ontwikkeling blijkt. Zoowel de wieren als de weeke dieren
drogen uit, zoodra zij uit het water komen en verliezen dan door verdamping
het vocht, dat voor het behoud van hun leven noodig is. Een zeer vochtige
dampkring echter kan de rol van eene vloeibare middenstof vervullen. Zoo
kunnen blad- en korstmossen, al zijn het landplanten, alleen onder den invloed
van water groeien. Zoolang de lucht droog blijft, schijnt het leven uitgedoofd,
totdat de vochtigheid het leven weder opwekt.
Page 181
Fig. 82. Het oudste bekende landdier. Versteende schorpioen in 1884 in eene silurische laag
ontdekt.
De vochtige lucht is dan ook de weg geweest, waarlangs het leven zijne
voortbrengselen van het water naar de oppervlakte der aarde heeft
overgebracht. De varens, de oudste der bekende landplanten, tieren het weligst
in vochtige lucht. Het door longen ademende weekdier, bij hetwelk de
kieuwen vervangen zijn door luchtzakken, en dat buiten het water ademt, is
eerst na tal van voorzorgen er toe kunnen komen, om op het land voort te
ontdekt.
De vochtige lucht is dan ook de weg geweest, waarlangs het leven zijne
voortbrengselen van het water naar de oppervlakte der aarde heeft
overgebracht. De varens, de oudste der bekende landplanten, tieren het weligst
in vochtige lucht. Het door longen ademende weekdier, bij hetwelk de
kieuwen vervangen zijn door luchtzakken, en dat buiten het water ademt, is
eerst na tal van voorzorgen er toe kunnen komen, om op het land voort te
Page 182
kruipen. Het zou zich, met eene bloote en weeke huid, niet over den grond
kunnen voortbewegen, zonder het slijm te verliezen, dat uit zijn lichaam
druipt en zijnen gang vergemakkelijkt. Het bewoont daarom donkere en
vochtige plaatsen, die het alleen des nachts of op regendagen verlaat, terwijl
voor diegenen welke eene schelp bezitten, het gevaar om zich aan de lucht
bloot te stellen, zóó groot is, dat zij zich hermetisch insluiten, òf door het
afscheiden van een slijmerig vocht, òf door van een deksel gebruik te maken.
Teruggetrokken in eene nauwe, doch zekere schuilplaats, blijven weekdieren
somtijds maanden lang slapend, totdat zij door de vochtigheid ontwaken; men
heeft zelfs somtijds dieren uit eene schelpenverzameling na jaren uit hunne
rust zien ontwaken onder den invloed van een bad.
Terwijl echter de planten en dieren, vroeger in het water levend, begonnen zijn
voor het land geschikt te worden door het water te zoeken in den bodem en de
lucht, duurde het nog langen tijd, en moest de natuur meer ingewikkelde
plannen scheppen, eer zij voor goed voor het land geschikt waren. Bij de
werveldieren moesten daartoe de organen voor het ademen door longen
gevormd worden, bij de planten een aantal organen, die bij de lagere planten
òf niet bestaan, òf niet ontwikkeld zijn, zooals de wortels, die dienen, om de
sappen op te zuigen en de bladeren, die dienen voor de ademhaling.
Tot voor eenige jaren twijfelde men nog aan het bestaan van dieren, die in de
lucht ademen, uit het silurische tijdvak. In 1884 werd echter in de bovenste
silurische lagen van Gothland (Zweden) een versteende schorpioen gevonden.
Opmerkelijk is het, dat tegelijkertijd de ware aard van eenen anderen
schorpioen ontdekt werd, in 1883 in de bovenste silurische lagen van
Schotland gevonden. Deze beide exemplaren van dieren, die thans alleen
leven in de warme landen, zijn gevonden op de hooge breedte van Schotland
en Zweden, een bewijs te meer, dat er toen nog geene klimaten bestonden.
Zoo vertoont zich dan het ééncellige wezen aan den drempel der geheele
schepping; naarmate de eeuwen bij tienduizenden voorbijgaan, verdeelen zich
de wezens in soorten, die zich weder splitsen en vertakken; al meer en meer
wijken zij van elkander af; hunne levensverrichtingen worden met hunne
organen ingewikkelder; hunne vermogens beperken zich tot bepaalde deelen;
hunne instincten komen voor den dag; het laatst treedt het verstand op. En zóó
nadert het indrukwekkende drama zijne ontknooping, waarbij de mensen
kunnen voortbewegen, zonder het slijm te verliezen, dat uit zijn lichaam
druipt en zijnen gang vergemakkelijkt. Het bewoont daarom donkere en
vochtige plaatsen, die het alleen des nachts of op regendagen verlaat, terwijl
voor diegenen welke eene schelp bezitten, het gevaar om zich aan de lucht
bloot te stellen, zóó groot is, dat zij zich hermetisch insluiten, òf door het
afscheiden van een slijmerig vocht, òf door van een deksel gebruik te maken.
Teruggetrokken in eene nauwe, doch zekere schuilplaats, blijven weekdieren
somtijds maanden lang slapend, totdat zij door de vochtigheid ontwaken; men
heeft zelfs somtijds dieren uit eene schelpenverzameling na jaren uit hunne
rust zien ontwaken onder den invloed van een bad.
Terwijl echter de planten en dieren, vroeger in het water levend, begonnen zijn
voor het land geschikt te worden door het water te zoeken in den bodem en de
lucht, duurde het nog langen tijd, en moest de natuur meer ingewikkelde
plannen scheppen, eer zij voor goed voor het land geschikt waren. Bij de
werveldieren moesten daartoe de organen voor het ademen door longen
gevormd worden, bij de planten een aantal organen, die bij de lagere planten
òf niet bestaan, òf niet ontwikkeld zijn, zooals de wortels, die dienen, om de
sappen op te zuigen en de bladeren, die dienen voor de ademhaling.
Tot voor eenige jaren twijfelde men nog aan het bestaan van dieren, die in de
lucht ademen, uit het silurische tijdvak. In 1884 werd echter in de bovenste
silurische lagen van Gothland (Zweden) een versteende schorpioen gevonden.
Opmerkelijk is het, dat tegelijkertijd de ware aard van eenen anderen
schorpioen ontdekt werd, in 1883 in de bovenste silurische lagen van
Schotland gevonden. Deze beide exemplaren van dieren, die thans alleen
leven in de warme landen, zijn gevonden op de hooge breedte van Schotland
en Zweden, een bewijs te meer, dat er toen nog geene klimaten bestonden.
Zoo vertoont zich dan het ééncellige wezen aan den drempel der geheele
schepping; naarmate de eeuwen bij tienduizenden voorbijgaan, verdeelen zich
de wezens in soorten, die zich weder splitsen en vertakken; al meer en meer
wijken zij van elkander af; hunne levensverrichtingen worden met hunne
organen ingewikkelder; hunne vermogens beperken zich tot bepaalde deelen;
hunne instincten komen voor den dag; het laatst treedt het verstand op. En zóó
nadert het indrukwekkende drama zijne ontknooping, waarbij de mensen
Page 183
optreedt, de kroon der schepping, volkomen bewust van de hem toebedeelde
rol.
1 Door bezinking ontstane lagen (Neptunische formatie).
2 Ik heb gezien, dat datgene wat eertijds vastland geweest was, nu zee is; ik heb gezien, dat land uit
de zee is ontstaan. En ver van de zee liggen zeeschelpen, en een oud anker is gevonden op den top van
eenen berg. (Ovid. Metam. XV, 262–265).
3 Wij herhalen nog eens, dat deze getallen geene absolute waarde hebben en alleen dienen als
verhoudingsgetallen.
4 Edgard Quinet: La Création.
rol.
1 Door bezinking ontstane lagen (Neptunische formatie).
2 Ik heb gezien, dat datgene wat eertijds vastland geweest was, nu zee is; ik heb gezien, dat land uit
de zee is ontstaan. En ver van de zee liggen zeeschelpen, en een oud anker is gevonden op den top van
eenen berg. (Ovid. Metam. XV, 262–265).
3 Wij herhalen nog eens, dat deze getallen geene absolute waarde hebben en alleen dienen als
verhoudingsgetallen.
4 Edgard Quinet: La Création.
Page 184
Page 185
Derde boek.
Page 186
Het primaire tijdperk.
Page 187
Eerste hoofdstuk.
Page 188
De tijdperken in de schepping. De formaties. Hare
verdeeling.
In een Arabisch handschrift uit de 13de eeuw legt de schrijver een denkbeeldig
persoon de volgende aardige legende in den mond:
Toen ik mij eens in eene oude en bevolkte stad bevond, vroeg ik éénen der
inwoners, hoe lang geleden die stad gesticht was. Hij antwoordde: wij weten
niet, sedert wanneer deze groote stad bestaat, en onze voorouders wisten het
evenmin.
Vijf eeuwen later kwam ik weer op dezelfde plaats en kon ik geen spoor der stad
meer ontdekken. Ik vroeg eenen boer, die op de plaats waar de stad gestaan had,
aan het maaien was, hoe lang geleden de stad verwoest was. Dit is, antwoordde
hij, eene vreemde vraag. Deze plek is nooit iets anders geweest, dan zij nu is.—
Maar stond er dan oudtijds niet eene prachtige stad?—Nooit, was zijn antwoord,
voor zooverre wij er tenminste over kunnen oordeelen, en onze vaderen hebben
ons nooit over het bestaan dier stad gesproken.
Weer vijfhonderd jaren later vond ik op dezelfde plek de zee. Aan de kust stond
een troep visschers, die ik vroeg, sedert hoelang het land overstroomd was. Hoe
kunt gij ons dat vragen, zeiden zij. Die plek was altijd, wat zij nog thans is.
Nog eens vijfhonderd jaren later was bij mijne terugkomst de zee verdwenen; ik
vroeg iemand, dien ik alleen op die plek vond, sedert wanneer de verandering
had plaats gegrepen, en hij gaf mij hetzelfde antwoord als te voren.
Eindelijk, na eene even groote tijdsruimte, kwam ik er voor het laatst, en ik vond
er eene bloeiende stad, meer bevolkt en rijker in monumenten, dan de eerste, en
toen ik naar haren oorsprong vroeg, antwoordden mij de inwoners: de tijd harer
stichting verliest zich in de grijze oudheid; wij weten niet, hoelang zij bestaat, en
onze vaderen wisten er evenmin iets van af.
Ziedaar inderdaad het beeld van den korten duur van ’s menschen herinnering,
en van de beperktheid van onzen gezichtskring in tijd en in ruimte. Wij zijn
verdeeling.
In een Arabisch handschrift uit de 13de eeuw legt de schrijver een denkbeeldig
persoon de volgende aardige legende in den mond:
Toen ik mij eens in eene oude en bevolkte stad bevond, vroeg ik éénen der
inwoners, hoe lang geleden die stad gesticht was. Hij antwoordde: wij weten
niet, sedert wanneer deze groote stad bestaat, en onze voorouders wisten het
evenmin.
Vijf eeuwen later kwam ik weer op dezelfde plaats en kon ik geen spoor der stad
meer ontdekken. Ik vroeg eenen boer, die op de plaats waar de stad gestaan had,
aan het maaien was, hoe lang geleden de stad verwoest was. Dit is, antwoordde
hij, eene vreemde vraag. Deze plek is nooit iets anders geweest, dan zij nu is.—
Maar stond er dan oudtijds niet eene prachtige stad?—Nooit, was zijn antwoord,
voor zooverre wij er tenminste over kunnen oordeelen, en onze vaderen hebben
ons nooit over het bestaan dier stad gesproken.
Weer vijfhonderd jaren later vond ik op dezelfde plek de zee. Aan de kust stond
een troep visschers, die ik vroeg, sedert hoelang het land overstroomd was. Hoe
kunt gij ons dat vragen, zeiden zij. Die plek was altijd, wat zij nog thans is.
Nog eens vijfhonderd jaren later was bij mijne terugkomst de zee verdwenen; ik
vroeg iemand, dien ik alleen op die plek vond, sedert wanneer de verandering
had plaats gegrepen, en hij gaf mij hetzelfde antwoord als te voren.
Eindelijk, na eene even groote tijdsruimte, kwam ik er voor het laatst, en ik vond
er eene bloeiende stad, meer bevolkt en rijker in monumenten, dan de eerste, en
toen ik naar haren oorsprong vroeg, antwoordden mij de inwoners: de tijd harer
stichting verliest zich in de grijze oudheid; wij weten niet, hoelang zij bestaat, en
onze vaderen wisten er evenmin iets van af.
Ziedaar inderdaad het beeld van den korten duur van ’s menschen herinnering,
en van de beperktheid van onzen gezichtskring in tijd en in ruimte. Wij zijn
Page 189
geneigd te gelooven, dat de aarde altijd geweest is wat zij nu is; slechts met
moeite kunnen wij ons de veranderingen voorstellen, die zij in de millioenen en
millioenen jaren, die het optreden van den mensch zijn voorafgegaan, heeft
ondergaan; de lange duur van dien tijd verplettert ons, zooals de uitgestrektheid
der ruimte ons in de sterrenkunde verplettert.
In het tijdperk, waartoe wij thans genaderd zijn in onze geschiedenis der aarde,
was het leven reeds zeer verspreid in de wateren, die nog bijna de geheele aarde
bedekten. Zij bestaat hoofdzakelijk uit laag ontwikkelde planten, uit weekdieren
en schaaldieren. Doch zij ontwikkelt zich. De soorten, die in dezelfde
levensomstandigheden blijven, zooals op den bodem der zee, blijven
onveranderd voortbestaan, een groot aantal leeft nog in onzen tijd. De soorten,
die zich aan de kusten of op het vasteland bevonden, ondergaan wijzigingen in
voeding, temperatuur, licht, ademhaling enz., zij zullen zich schikken naar die
gewijzigde omstandigheden door te veranderen, of zullen bezwijken, als de
verandering te groot of te plotseling plaats heeft. Enkele geologen noemen het
tijdperk, dat wij thans gaan bespreken, overgangstijdperk; doch ten onrechte:
iedere periode is eene overgangsperiode. Wij zullen dus de geologische
benaming behouden, die men er aan gegeven heeft, en zullen dus de periode, die
begint onmiddellijk na de silurische periode, het primaire of devonische tijdperk
noemen, omdat men voor het eerst die terreinen nauwkeurig bestudeerd heeft in
Devonshire (1837). De formatie zelf wordt ook wel bonte zandsteenformatie
genoemd.
Maar het is van belang, dat wij ons uit een geologisch standpunt rekenschap
geven van die opvolging in geologische formaties. Tot nu toe hebben wij
voornamelijk de geboorte en de ontwikkeling van het leven bestudeerd en
hebben wij de wezens zien ontstaan, die de eerste trede vormden, welke leidde
tot het toppunt der schepping, den mensch. Het is thans van belang na te gaan,
hoe de lagen zich op elkander hebben gerangschikt, en den gang te volgen der
natuur bij het afzetten van al die lagen, waarin men de sporen van verdwenen
wezens heeft gevonden.
Laten wij dus eerst eene tabel samenstellen van de opvolging dier formaties en
tijdperken, te beginnen met de oudste, dat zijn die, welke wij reeds in het vorige
hoofdstuk besproken hebben.
Tabel der groote perioden van de organische geschiedenis der Aarde.
moeite kunnen wij ons de veranderingen voorstellen, die zij in de millioenen en
millioenen jaren, die het optreden van den mensch zijn voorafgegaan, heeft
ondergaan; de lange duur van dien tijd verplettert ons, zooals de uitgestrektheid
der ruimte ons in de sterrenkunde verplettert.
In het tijdperk, waartoe wij thans genaderd zijn in onze geschiedenis der aarde,
was het leven reeds zeer verspreid in de wateren, die nog bijna de geheele aarde
bedekten. Zij bestaat hoofdzakelijk uit laag ontwikkelde planten, uit weekdieren
en schaaldieren. Doch zij ontwikkelt zich. De soorten, die in dezelfde
levensomstandigheden blijven, zooals op den bodem der zee, blijven
onveranderd voortbestaan, een groot aantal leeft nog in onzen tijd. De soorten,
die zich aan de kusten of op het vasteland bevonden, ondergaan wijzigingen in
voeding, temperatuur, licht, ademhaling enz., zij zullen zich schikken naar die
gewijzigde omstandigheden door te veranderen, of zullen bezwijken, als de
verandering te groot of te plotseling plaats heeft. Enkele geologen noemen het
tijdperk, dat wij thans gaan bespreken, overgangstijdperk; doch ten onrechte:
iedere periode is eene overgangsperiode. Wij zullen dus de geologische
benaming behouden, die men er aan gegeven heeft, en zullen dus de periode, die
begint onmiddellijk na de silurische periode, het primaire of devonische tijdperk
noemen, omdat men voor het eerst die terreinen nauwkeurig bestudeerd heeft in
Devonshire (1837). De formatie zelf wordt ook wel bonte zandsteenformatie
genoemd.
Maar het is van belang, dat wij ons uit een geologisch standpunt rekenschap
geven van die opvolging in geologische formaties. Tot nu toe hebben wij
voornamelijk de geboorte en de ontwikkeling van het leven bestudeerd en
hebben wij de wezens zien ontstaan, die de eerste trede vormden, welke leidde
tot het toppunt der schepping, den mensch. Het is thans van belang na te gaan,
hoe de lagen zich op elkander hebben gerangschikt, en den gang te volgen der
natuur bij het afzetten van al die lagen, waarin men de sporen van verdwenen
wezens heeft gevonden.
Laten wij dus eerst eene tabel samenstellen van de opvolging dier formaties en
tijdperken, te beginnen met de oudste, dat zijn die, welke wij reeds in het vorige
hoofdstuk besproken hebben.
Tabel der groote perioden van de organische geschiedenis der Aarde.
Page 190
I. Azoïsche periode.
Periode der koplooze dieren en der wieren.
1 Oudste azoïsche periode of Laurentische periode.
2 Middelste azoïsche periode of Cambrische periode.
3 Jongste azoïsche periode of Silurische periode.
II. Primaire periode.
Periode der Visschen en Varens.
4 Oudste primaire periode of Devonische periode.
5 Middelste primaire periode of Steenkool periode.
6 Jongste primaire periode of Permische periode.
III. Secundaire periode.
Periode der kruipende dieren en der boomen met overblijvende bladeren.
7 Oudste secundaire periode of Trias periode.
8 Middelste secundaire periode of Jura periode.
9 Jongste secundaire periode of Krijt periode.
IV. Tertiaire periode.
Periode der zoogdieren en der boomen met afvallende bladeren.
10 Oudste tertiaire periode of Eoceen periode.
11 Middelste tertiaire periode of Mioceen periode.
12 Jongste tertiaire periode of Plioceen periode.
V. Quaternaire periode.
Periode der menschen, der gekweekte planten en der huisdieren.
13 Oudste quaternaire periode of IJsperiode.
14 Middelste quaternaire periode of Postglaciaire periode.
15 Jongste quaternaire periode of Periode der beschaving.
Periode der koplooze dieren en der wieren.
1 Oudste azoïsche periode of Laurentische periode.
2 Middelste azoïsche periode of Cambrische periode.
3 Jongste azoïsche periode of Silurische periode.
II. Primaire periode.
Periode der Visschen en Varens.
4 Oudste primaire periode of Devonische periode.
5 Middelste primaire periode of Steenkool periode.
6 Jongste primaire periode of Permische periode.
III. Secundaire periode.
Periode der kruipende dieren en der boomen met overblijvende bladeren.
7 Oudste secundaire periode of Trias periode.
8 Middelste secundaire periode of Jura periode.
9 Jongste secundaire periode of Krijt periode.
IV. Tertiaire periode.
Periode der zoogdieren en der boomen met afvallende bladeren.
10 Oudste tertiaire periode of Eoceen periode.
11 Middelste tertiaire periode of Mioceen periode.
12 Jongste tertiaire periode of Plioceen periode.
V. Quaternaire periode.
Periode der menschen, der gekweekte planten en der huisdieren.
13 Oudste quaternaire periode of IJsperiode.
14 Middelste quaternaire periode of Postglaciaire periode.
15 Jongste quaternaire periode of Periode der beschaving.
Page 191
In dezelfde volgorde komen ook de lagen voor. Ook deze zullen wij geven, met
de oudste beneden, zooals zij ook in de geschiedenis der natuur op elkander
volgen:
Opvolging en chronologische volgorde der verschillende lagen.
Dikte der lagen.
200 m. Quaternair
Oppervlakte.
Bovenste quaternaire formatie.
Middelste quaternaire formatie. (Postglaciair).
Oudste quaternaire formatie. (Glaciair).
1000 m. Tertiair
Bovenste pliocene formatie.
Onderste pliocene formatie.
Bovenste miocene formatie.
Onderste miocene formatie. (Molasse).
Bovenste eocene formatie. (Gips).
Middelste eocene formatie. (Grofkalk).
Onderste eocene formatie. (Zand en klei).
5000 m. Secundair
Bovenste krijtformatie. (Wit krijt).
Middelste krijtformatie. (Groenzand).
Onderste krijtformatie. (Wealdvorming).
Witte Juraformatie. (Lithographische steen)
Bruine Juraformatie. (Portland cement).
Zwarte Juraformatie. (Lias).
Bovenste Triasformatie. (Keuper, mergel).
Middelste Triasformatie. (Schelpkalk).
Onderste Triasformatie. (Bonte zandsteen).
14000 m. Primair
de oudste beneden, zooals zij ook in de geschiedenis der natuur op elkander
volgen:
Opvolging en chronologische volgorde der verschillende lagen.
Dikte der lagen.
200 m. Quaternair
Oppervlakte.
Bovenste quaternaire formatie.
Middelste quaternaire formatie. (Postglaciair).
Oudste quaternaire formatie. (Glaciair).
1000 m. Tertiair
Bovenste pliocene formatie.
Onderste pliocene formatie.
Bovenste miocene formatie.
Onderste miocene formatie. (Molasse).
Bovenste eocene formatie. (Gips).
Middelste eocene formatie. (Grofkalk).
Onderste eocene formatie. (Zand en klei).
5000 m. Secundair
Bovenste krijtformatie. (Wit krijt).
Middelste krijtformatie. (Groenzand).
Onderste krijtformatie. (Wealdvorming).
Witte Juraformatie. (Lithographische steen)
Bruine Juraformatie. (Portland cement).
Zwarte Juraformatie. (Lias).
Bovenste Triasformatie. (Keuper, mergel).
Middelste Triasformatie. (Schelpkalk).
Onderste Triasformatie. (Bonte zandsteen).
14000 m. Primair
Page 192
Dikte der lagen.
Bovenste Permische formatie. (Zechsteen).
Onderste Permische formatie. (Roode zandsteen).
Bovenste steenkoolformatie. (Zwarte leisteen).
Onderste steenkoolformatie. (Kolenkalk).
Bovenste devonische formatie. (Roode zandsteen).
Onderste devonische formatie.
23000 m. Azoïsch
Bovenste silurische formatie.
Onderste silurische formatie.
Bovenste cambrische formatie.
Onderste cambrische formatie.
Bovenste laurentische formatie.
Onderste cambrische formatie.
Deze formaties liggen op den oorspronkelijken bodem der aarde, het graniet,
enz., waarin men geen spoor van leven ontdekt heeft. Tusschen het graniet en de
onderste laurentische formaties ligt, zooals wij zagen: gneiss, micaschiefer en
glimmer d.i. waarschijnlijk graniet, gewijzigd door de drukking, de hitte, het
water, de zouten, de uitbarstingen, verplaatsingen, vermengingen, enz., in één
woord door de omwentelingen in de oorspronkelijke formatie.
Bovenste Permische formatie. (Zechsteen).
Onderste Permische formatie. (Roode zandsteen).
Bovenste steenkoolformatie. (Zwarte leisteen).
Onderste steenkoolformatie. (Kolenkalk).
Bovenste devonische formatie. (Roode zandsteen).
Onderste devonische formatie.
23000 m. Azoïsch
Bovenste silurische formatie.
Onderste silurische formatie.
Bovenste cambrische formatie.
Onderste cambrische formatie.
Bovenste laurentische formatie.
Onderste cambrische formatie.
Deze formaties liggen op den oorspronkelijken bodem der aarde, het graniet,
enz., waarin men geen spoor van leven ontdekt heeft. Tusschen het graniet en de
onderste laurentische formaties ligt, zooals wij zagen: gneiss, micaschiefer en
glimmer d.i. waarschijnlijk graniet, gewijzigd door de drukking, de hitte, het
water, de zouten, de uitbarstingen, verplaatsingen, vermengingen, enz., in één
woord door de omwentelingen in de oorspronkelijke formatie.
Page 193
Fig. 84. Betrekkelijke dikte der verschillende formaties.
Fig. 84 geeft eene schematische voorstelling van die formaties met hare
betrekkelijke dichtheid. Wel zijn, zooals wij zagen, die lagen in werkelijkheid
niet horizontaal of evenwijdig, maar de volgorde is steeds dezelfde.
Iedereen weet, dat onder den bebouwden grond, waarop de bosschen, weiden en
bouwlanden groeien, steenachtige lagen gelegen zijn van anderen aard, meer of
minder harde steenen, kalksteen, zand, krijt, klei, enz. De vruchtbare grond is
nooit zeer dik; dikwijls bedraagt de dikte slechts enkele decimeters, en in enkele
steenachtige streken slechts enkele centimeters. De bovenste laag van den
bodem is het product van de thans nog werkzame krachten: hier is het eene
humuslaag, die langzaam de dikte van de vruchtbare laag doet toenemen, daar is
het de menschelijke industrie, die meststoffen aan den grond toevoegt; nog
Fig. 84 geeft eene schematische voorstelling van die formaties met hare
betrekkelijke dichtheid. Wel zijn, zooals wij zagen, die lagen in werkelijkheid
niet horizontaal of evenwijdig, maar de volgorde is steeds dezelfde.
Iedereen weet, dat onder den bebouwden grond, waarop de bosschen, weiden en
bouwlanden groeien, steenachtige lagen gelegen zijn van anderen aard, meer of
minder harde steenen, kalksteen, zand, krijt, klei, enz. De vruchtbare grond is
nooit zeer dik; dikwijls bedraagt de dikte slechts enkele decimeters, en in enkele
steenachtige streken slechts enkele centimeters. De bovenste laag van den
bodem is het product van de thans nog werkzame krachten: hier is het eene
humuslaag, die langzaam de dikte van de vruchtbare laag doet toenemen, daar is
het de menschelijke industrie, die meststoffen aan den grond toevoegt; nog
Page 194
verder zetten de regens op de lagere streken de vruchtbare stoffen af, van
hoogere streken toegevoerd; elders weder verspreiden de overstroomde rivieren
haar slib over de weilanden; en zoo wordt steeds de oppervlakte der aarde
gewijzigd.
Onder deze laag vindt men de delfstoffen in de volgorde, waarin zij gevormd
zijn. Daarin vindt men bijna overal afwisselend zandsteen, kalk en klei. Van den
bebouwden grond af tot op de grootste diepten bestaat de aarde hoofdzakelijk uit
kiezel, koolzure kalk en aluminium. Het kiezel heeft de kwarts, de bloksteen en
de keisteen, het zand der oevers en duinen voortgebracht; het aluminium, de klei
en de mergel; de koolzure kalk, de kalksteen, de steenen uit onze steengroeven,
het krijt, het marmer en het zandsteen. Dan komen de metalen, gewoonlijk in
aderen.
Die lagen zijn uiterst langzaam gevormd. Hetgeen in stilstaand water of aan de
oevers der zee gedurende eene geheele eeuw bezinkt, vormt eene bijna
onmerkbare laag. De op elkander gelegen lagen hebben zich als slib op den
bodem der zee afgezet. Dat slib is langzamerhand versteend; na een groot aantal
rijzingen en dalingen hebben die rotsen zich tot bergen verheven. Alle bergen,
met uitzondering van die van graniet en gneiss, bestaan uit rotsen, die zich
oorspronkelijk op den bodem der zee gevormd hebben.
Nog thans worden er evenals vroeger stoffen afgezet op den bodem van het
water. De werking van de zuurstof der lucht op de hardste rotsen, de warmte, die
den grond uitdroogt en doet barsten, de afwisseling van warmte en koude, de
wind, de bliksem, de regen, overstroomingen, dat alles ontleedt de rotsen, en
verandert de gesteenten in zand. Noch het graniet, noch het ijzer, noch de hardste
metalen kunnen daaraan weerstand bieden. Alleen reeds de werking van den
regen en van het koolzuurhoudende water is verbazend groot. Steenen- en
marmeren beelden, eerst eenige eeuwen geleden vervaardigd, zijn daardoor
reeds nu bijna onkenbaar geworden. Kerken van graniet verweren aan de zijde,
die aan wind en regen is blootgesteld. De steengroeven, waaruit de steenen van
de kerk te Limoges afkomstig zijn, zijn over eene dikte van 1,60 meters
verweerd. Al dat stof, al dat zand wordt door den regen naar zee medegevoerd,
waar het zich afzet, vermengd met de plantaardige en dierlijke overblijfselen, die
het medevoert. Geheel andere bezinkingen hebben thans in den Oceaan plaats;
de peilingen bij het leggen van den transatlantischen kabel hebben doen zien, dat
eene witte modder, bestaande uit organische lichamen, overeenkomende met die,
hoogere streken toegevoerd; elders weder verspreiden de overstroomde rivieren
haar slib over de weilanden; en zoo wordt steeds de oppervlakte der aarde
gewijzigd.
Onder deze laag vindt men de delfstoffen in de volgorde, waarin zij gevormd
zijn. Daarin vindt men bijna overal afwisselend zandsteen, kalk en klei. Van den
bebouwden grond af tot op de grootste diepten bestaat de aarde hoofdzakelijk uit
kiezel, koolzure kalk en aluminium. Het kiezel heeft de kwarts, de bloksteen en
de keisteen, het zand der oevers en duinen voortgebracht; het aluminium, de klei
en de mergel; de koolzure kalk, de kalksteen, de steenen uit onze steengroeven,
het krijt, het marmer en het zandsteen. Dan komen de metalen, gewoonlijk in
aderen.
Die lagen zijn uiterst langzaam gevormd. Hetgeen in stilstaand water of aan de
oevers der zee gedurende eene geheele eeuw bezinkt, vormt eene bijna
onmerkbare laag. De op elkander gelegen lagen hebben zich als slib op den
bodem der zee afgezet. Dat slib is langzamerhand versteend; na een groot aantal
rijzingen en dalingen hebben die rotsen zich tot bergen verheven. Alle bergen,
met uitzondering van die van graniet en gneiss, bestaan uit rotsen, die zich
oorspronkelijk op den bodem der zee gevormd hebben.
Nog thans worden er evenals vroeger stoffen afgezet op den bodem van het
water. De werking van de zuurstof der lucht op de hardste rotsen, de warmte, die
den grond uitdroogt en doet barsten, de afwisseling van warmte en koude, de
wind, de bliksem, de regen, overstroomingen, dat alles ontleedt de rotsen, en
verandert de gesteenten in zand. Noch het graniet, noch het ijzer, noch de hardste
metalen kunnen daaraan weerstand bieden. Alleen reeds de werking van den
regen en van het koolzuurhoudende water is verbazend groot. Steenen- en
marmeren beelden, eerst eenige eeuwen geleden vervaardigd, zijn daardoor
reeds nu bijna onkenbaar geworden. Kerken van graniet verweren aan de zijde,
die aan wind en regen is blootgesteld. De steengroeven, waaruit de steenen van
de kerk te Limoges afkomstig zijn, zijn over eene dikte van 1,60 meters
verweerd. Al dat stof, al dat zand wordt door den regen naar zee medegevoerd,
waar het zich afzet, vermengd met de plantaardige en dierlijke overblijfselen, die
het medevoert. Geheel andere bezinkingen hebben thans in den Oceaan plaats;
de peilingen bij het leggen van den transatlantischen kabel hebben doen zien, dat
eene witte modder, bestaande uit organische lichamen, overeenkomende met die,
Page 195
welke het krijt vormen, en die men op verschillende diepten in bijna geheel
Europa vindt, thans bezinkt over eene uitgestrektheid, die veel grooter is dan
geheel Europa.
Hoewel de betrekkelijke dikte der verschillende lagen ons bij benadering den
betrekkelijken duur der verschillende tijdperken doet kennen, zoo mag men toch
niet besluiten, dat eene laag van honderd meters overeenkomt met eene
duizendmaal langere periode dan eene laag van één decimeter, daar de
voorwaarden voor de vorming der verschillende lagen niet dezelfde zijn.
Met alleen dat een verbazende tijd noodig geweest is voor de vorming der
bezinksels en voor hunne versteening tot harde rotsen, maar het is ook zeker, dat
voor de opheffingen van bergen, zooals de Alpen, Pyreneën, Andes en
Cordillera’s, die van vier- tot achtduizend meters boven de oppervlakte der zee
uitsteken, onmetelijke tijdstippen noodig waren. Behalve bij vulcanische
werkingen en door plaatselijke oorzaken, moeten die rijzingen en dalingen
uiterst langzaam hebben plaats gegrepen. Hoe groot de onregelmatigheden van
de aardoppervlakte ons ook toeschijnen, met betrekking tot de grootte der aarde
zijn zij hoogst onbeduidend.
Europa vindt, thans bezinkt over eene uitgestrektheid, die veel grooter is dan
geheel Europa.
Hoewel de betrekkelijke dikte der verschillende lagen ons bij benadering den
betrekkelijken duur der verschillende tijdperken doet kennen, zoo mag men toch
niet besluiten, dat eene laag van honderd meters overeenkomt met eene
duizendmaal langere periode dan eene laag van één decimeter, daar de
voorwaarden voor de vorming der verschillende lagen niet dezelfde zijn.
Met alleen dat een verbazende tijd noodig geweest is voor de vorming der
bezinksels en voor hunne versteening tot harde rotsen, maar het is ook zeker, dat
voor de opheffingen van bergen, zooals de Alpen, Pyreneën, Andes en
Cordillera’s, die van vier- tot achtduizend meters boven de oppervlakte der zee
uitsteken, onmetelijke tijdstippen noodig waren. Behalve bij vulcanische
werkingen en door plaatselijke oorzaken, moeten die rijzingen en dalingen
uiterst langzaam hebben plaats gegrepen. Hoe groot de onregelmatigheden van
de aardoppervlakte ons ook toeschijnen, met betrekking tot de grootte der aarde
zijn zij hoogst onbeduidend.
Page 196
De geologische lagen. Doorsnede der Artesische put van Grenelle te
Parijs.
Wij herhalen hier nog eens met nadruk, dat al die sedimentformaties gevormd
zijn ten koste der oorspronkelijke aardschors: zij zijn de vrucht van langzame
verwering. Indien zij 43000 meters dik zijn, van de laurentische periode tot op
onzen tijd, dan zijn dit 43000 meters stap voor stap ontnomen aan de
oppervlakte der boven het water uitstekende rotsen. De aardschors, ten koste
Parijs.
Wij herhalen hier nog eens met nadruk, dat al die sedimentformaties gevormd
zijn ten koste der oorspronkelijke aardschors: zij zijn de vrucht van langzame
verwering. Indien zij 43000 meters dik zijn, van de laurentische periode tot op
onzen tijd, dan zijn dit 43000 meters stap voor stap ontnomen aan de
oppervlakte der boven het water uitstekende rotsen. De aardschors, ten koste
Page 197
waarvan alle sedimentformaties zijn gevormd, was dus reeds zeer dik gedurende
dien langen geologischen tijd. Sedert de azoïsche periode is trouwens de vaste
aardschors van twee zijden aangegroeid: beneden, door het langzaam vast
worden ten gevolge der afkoeling; van boven, door het afzetten der stoffen in de
bekkens der zee; die tweede toename in dikte moet echter meer beschouwd
worden als eene gelijkmaking dan als eene werkelijke aangroeiing, daar zij
plaats heeft ten koste der bergen en van alles, wat blootgesteld is aan
atmosferische invloeden.
Fig. 86. Wijze van ontstaan der sedimentformaties.
De hier geteekende doorsnede (fig. 86) geeft ons een denkbeeld van het ontstaan
dier formaties. In een meer of minder diep bekken, hetzij zee of meer, heeft zich
het puin van de boven water uitstekende rotsen, dat daaraan ontnomen is door de
genoemde atmosferische invloeden, geleidelijk neergezet. De samenstelling, de
dichtheid en de dikte van die laag hangen af van den aard der gesteenten,
waaruit, en van de omstandigheden, waaronder zij ontstaan is.
dien langen geologischen tijd. Sedert de azoïsche periode is trouwens de vaste
aardschors van twee zijden aangegroeid: beneden, door het langzaam vast
worden ten gevolge der afkoeling; van boven, door het afzetten der stoffen in de
bekkens der zee; die tweede toename in dikte moet echter meer beschouwd
worden als eene gelijkmaking dan als eene werkelijke aangroeiing, daar zij
plaats heeft ten koste der bergen en van alles, wat blootgesteld is aan
atmosferische invloeden.
Fig. 86. Wijze van ontstaan der sedimentformaties.
De hier geteekende doorsnede (fig. 86) geeft ons een denkbeeld van het ontstaan
dier formaties. In een meer of minder diep bekken, hetzij zee of meer, heeft zich
het puin van de boven water uitstekende rotsen, dat daaraan ontnomen is door de
genoemde atmosferische invloeden, geleidelijk neergezet. De samenstelling, de
dichtheid en de dikte van die laag hangen af van den aard der gesteenten,
waaruit, en van de omstandigheden, waaronder zij ontstaan is.
Page 198
Fig. 87. Opheffingen der sedimentformaties.
A. Vulcanische rotsen, graniet, porphyr, enz.—B. Azoïsche formaties.—C. Primaire formaties.
—D. Secundaire formaties.—E. Tertiaire formaties.
Oorspronkelijk waren die lagen horizontaal of flauw hellend. Maar wij zagen
reeds vroeger, dat de aarde oorspronkelijk vloeibaar was, en hare afkoeling
begonnen is aan de oppervlakte, daar de omgeving eene temperatuur had van
270° onder nul. Het eerste vlies, de eerste granietlaag, is ontstaan door het op
elkander stapelen en het vasthechten van drijvende stukken hard geworden
graniet, en langen tijd bleef dat vlies uiterst dun. Eeuwen lang kon het dus
gehoor geven aan de lichtste slingeringen van den vloeibaren bol en onderging
het den invloed van getijden, schommelingen, rijzingen en dalingen. Toen het
vlies echter dikker en steviger werd, kon het niet meer zoo gemakkelijk golven,
maar kon het evenmin weerstand bieden aan de inwendige schokken,
veroorzaakt door scheikundige werkingen, door veranderingen in het evenwicht,
die het gevolg waren der verdichting, door het opgesloten zijn van eenen vuurbol
in eene schaal van klei, water en lucht. Opheffingen, gering in betrekking tot de
grootte der geheele aarde, veranderden langzamerhand de oppervlakte. De oude
vulcanische rotsen, nog week of zelfs vloeibaar, hieven de vaste korst op, die
daarop drukte, en baanden zich eenen uitweg door spleten, die dikwijls
verscheidene kilometers breed zijn (fig. 87). Zoo zijn de Alpen, de Pyreneën, de
Vogezen en andere bergen ontstaan.
A. Vulcanische rotsen, graniet, porphyr, enz.—B. Azoïsche formaties.—C. Primaire formaties.
—D. Secundaire formaties.—E. Tertiaire formaties.
Oorspronkelijk waren die lagen horizontaal of flauw hellend. Maar wij zagen
reeds vroeger, dat de aarde oorspronkelijk vloeibaar was, en hare afkoeling
begonnen is aan de oppervlakte, daar de omgeving eene temperatuur had van
270° onder nul. Het eerste vlies, de eerste granietlaag, is ontstaan door het op
elkander stapelen en het vasthechten van drijvende stukken hard geworden
graniet, en langen tijd bleef dat vlies uiterst dun. Eeuwen lang kon het dus
gehoor geven aan de lichtste slingeringen van den vloeibaren bol en onderging
het den invloed van getijden, schommelingen, rijzingen en dalingen. Toen het
vlies echter dikker en steviger werd, kon het niet meer zoo gemakkelijk golven,
maar kon het evenmin weerstand bieden aan de inwendige schokken,
veroorzaakt door scheikundige werkingen, door veranderingen in het evenwicht,
die het gevolg waren der verdichting, door het opgesloten zijn van eenen vuurbol
in eene schaal van klei, water en lucht. Opheffingen, gering in betrekking tot de
grootte der geheele aarde, veranderden langzamerhand de oppervlakte. De oude
vulcanische rotsen, nog week of zelfs vloeibaar, hieven de vaste korst op, die
daarop drukte, en baanden zich eenen uitweg door spleten, die dikwijls
verscheidene kilometers breed zijn (fig. 87). Zoo zijn de Alpen, de Pyreneën, de
Vogezen en andere bergen ontstaan.
Page 199
Fig. 88. Eene steengroeve. Lagen van op elkander liggende gesteenten.
Hieruit volgt, dat sedert het begin van het leven, de geheele aardoppervlakte alle
mogelijke veranderingen heeft ondergaan. Er is geene enkele plek op aarde, die
niet gedurende den loop der tijden verscheidene vervormingen heeft ondergaan.
Alle deelen der aarde zijn eens of meer met water bedekt geweest. De meeste
deelen zijn beurtelings gerezen, gedaald en weder gerezen. Men vindt hier en
daar alle soorten van formaties bloot liggen, zoowel primaire als secundaire,
tertiaire en quaternaire. De steengroeven doen ons de ligging der verschillende
formaties zien (fig. 88).
Niet alle plaatsen der aardoppervlakte zijn even sterk gewijzigd. Als regel kan
men stellen, dat de berglanden gevormd zijn door opheffingen der
oorspronkelijke gesteenten; dat de heuvelachtige terreinen als het ware de
schoormuren zijn van de berglanden, en gevormd zijn door opheffing der
secundaire formaties, welke steunen tegen de primaire formaties, die aan de
Hieruit volgt, dat sedert het begin van het leven, de geheele aardoppervlakte alle
mogelijke veranderingen heeft ondergaan. Er is geene enkele plek op aarde, die
niet gedurende den loop der tijden verscheidene vervormingen heeft ondergaan.
Alle deelen der aarde zijn eens of meer met water bedekt geweest. De meeste
deelen zijn beurtelings gerezen, gedaald en weder gerezen. Men vindt hier en
daar alle soorten van formaties bloot liggen, zoowel primaire als secundaire,
tertiaire en quaternaire. De steengroeven doen ons de ligging der verschillende
formaties zien (fig. 88).
Niet alle plaatsen der aardoppervlakte zijn even sterk gewijzigd. Als regel kan
men stellen, dat de berglanden gevormd zijn door opheffingen der
oorspronkelijke gesteenten; dat de heuvelachtige terreinen als het ware de
schoormuren zijn van de berglanden, en gevormd zijn door opheffing der
secundaire formaties, welke steunen tegen de primaire formaties, die aan de
Page 200
eruptiefgesteenten grenzen, terwijl de vlakten gelegen zijn op de tertiaire
formaties, die verder van de plaats van opheffing verwijderd zijn (fig. 90).
Fig. 89. Opheffing van den bodem, en helling daardoor ontstaan.
Fig. 90. Laagsgewijze ligging der formaties.
Fig. 91. Doorsnede van het bekken der Seine. Artesische put.
Ook de vlakke terreinen leveren eene groote verscheidenheid op. Dikwijls
hebben aanslibbingen, ontstaande door overstroomingen eener naburige rivier,
die vlakten met eene sliblaag bedekt, die even glad is als de waterspiegel.
Dikwijls daarentegen heeft eene rivier, die de vroeger vlakke streek doorstroomt,
met hare bijstroomen den grond doorwoeld, en vooral na regentijden en
stortvloeden de vlakte vervormd, valleien gegraven en zoo het geheele terrein
gewijzigd. Maar de lagen, die den ondergrond van die valleien uitmaken, en die
formaties, die verder van de plaats van opheffing verwijderd zijn (fig. 90).
Fig. 89. Opheffing van den bodem, en helling daardoor ontstaan.
Fig. 90. Laagsgewijze ligging der formaties.
Fig. 91. Doorsnede van het bekken der Seine. Artesische put.
Ook de vlakke terreinen leveren eene groote verscheidenheid op. Dikwijls
hebben aanslibbingen, ontstaande door overstroomingen eener naburige rivier,
die vlakten met eene sliblaag bedekt, die even glad is als de waterspiegel.
Dikwijls daarentegen heeft eene rivier, die de vroeger vlakke streek doorstroomt,
met hare bijstroomen den grond doorwoeld, en vooral na regentijden en
stortvloeden de vlakte vervormd, valleien gegraven en zoo het geheele terrein
gewijzigd. Maar de lagen, die den ondergrond van die valleien uitmaken, en die
Page 201
welke de heuvels vormen, die ontstaan zijn door de uitgraving der omliggende
terreinen, zijn horizontaal en regelmatig op elkander gerangschikt gebleven. Zoo
rust de vlakte, waarop Parijs gebouwd is, op tertiaire formaties, bestaande uit
horizontale lagen, en diezelfde lagen zetten zich voort in de heuvels. De groote
overstroomingen der Seine in praehistorische tijden hebben het terrein, waarop
thans de stad rust, uitgebaggerd en zoo van den Mont-Valérien en den
Montmartre op zich zelf staande heuvels gemaakt. Toen men in 1833 de
Artesische put van Grenelle wilde boren, die in 1842 voltooid was, stelde men
zich ten doel, door de verschillende formaties heen het water te bereiken, dat uit
Bourgogne en de bergvlakte van Langres afkomstig was, welke streken, zooals
fig. 91 aanwijst, tot de Juraformatie behooren. Men moest dus de verschillende
formaties doorboren, die in den vorm van eene waschkom onder Parijs
doorloopen, en verder weer stijgen. Op eene diepte van 547 meters was men tot
die formatie doorgedrongen. Had men nog verder doorgeboord, dan zoude men
door de Jura- en triasformatie gekomen zijn in de primaire, formaties en
eindelijk de lagen der azoïsche periode bereikt hebben, die rusten op eenen
ondergrond van gneiss, micaschiefer en graniet.
Fig. 92. Golvingen, rijzingen en dalingen in de aardschors.
Waterspiegel
Zooals men ziet, is Parijs in eene soort kom gebouwd, op eene bedding,
gevormd door de tertiaire lagen, zooals deze zich door de golvingen der
secundaire lagen hebben moeten vervormen. De bovenste laag van de secundaire
formatie, de krijtlaag, komt b. v. oostwaarts te Troyes bloot. De Juralaag heeft o.
a. de heuvelen van Bourgogne en de bergvlakte van Langres gevormd. Fig. 91
maakt duidelijk, hoe het water der artesische put gevoed wordt door het water,
dat stroomt door het secundaire zand, dat de Juraformatie van Langres tot Parijs
bedekt.
terreinen, zijn horizontaal en regelmatig op elkander gerangschikt gebleven. Zoo
rust de vlakte, waarop Parijs gebouwd is, op tertiaire formaties, bestaande uit
horizontale lagen, en diezelfde lagen zetten zich voort in de heuvels. De groote
overstroomingen der Seine in praehistorische tijden hebben het terrein, waarop
thans de stad rust, uitgebaggerd en zoo van den Mont-Valérien en den
Montmartre op zich zelf staande heuvels gemaakt. Toen men in 1833 de
Artesische put van Grenelle wilde boren, die in 1842 voltooid was, stelde men
zich ten doel, door de verschillende formaties heen het water te bereiken, dat uit
Bourgogne en de bergvlakte van Langres afkomstig was, welke streken, zooals
fig. 91 aanwijst, tot de Juraformatie behooren. Men moest dus de verschillende
formaties doorboren, die in den vorm van eene waschkom onder Parijs
doorloopen, en verder weer stijgen. Op eene diepte van 547 meters was men tot
die formatie doorgedrongen. Had men nog verder doorgeboord, dan zoude men
door de Jura- en triasformatie gekomen zijn in de primaire, formaties en
eindelijk de lagen der azoïsche periode bereikt hebben, die rusten op eenen
ondergrond van gneiss, micaschiefer en graniet.
Fig. 92. Golvingen, rijzingen en dalingen in de aardschors.
Waterspiegel
Zooals men ziet, is Parijs in eene soort kom gebouwd, op eene bedding,
gevormd door de tertiaire lagen, zooals deze zich door de golvingen der
secundaire lagen hebben moeten vervormen. De bovenste laag van de secundaire
formatie, de krijtlaag, komt b. v. oostwaarts te Troyes bloot. De Juralaag heeft o.
a. de heuvelen van Bourgogne en de bergvlakte van Langres gevormd. Fig. 91
maakt duidelijk, hoe het water der artesische put gevoed wordt door het water,
dat stroomt door het secundaire zand, dat de Juraformatie van Langres tot Parijs
bedekt.
Page 202
Fig. 93. Scheuren in de aardschors.
De geschiedenis der menschheid hangt ten nauwste samen met den aard der
formaties, waarop de mensch leeft. Niet alleen dat de oeconomische waarde der
terreinen, uit het oogpunt van voeding, van de planten, die er groeien, de dieren,
die er leven, de bouwmaterialen, en alles wat op de levensvoorwaarden van de
bewoners betrekking heeft, eenen grooten invloed op het karakter der menschen
en op de lotgevallen van het land heeft uitgeoefend, maar men kan bijna de
geheele geschiedenis van een volk uit den bodem leeren kennen. Meermalen is
de vraag gesteld, waarom Parijs de hoofdstad van Frankrijk is geworden. Parijs
ligt niet in het midden van het land: Bourges voldoet veel meer aan die
voorwaarde. Zij is evenmin de oudste stad: Marseille en Lyon waren bloeiende
steden in het Romeinsche tijdvak, toen Lutetia (Parijs) nog slechts een
visschersdorp was, en toch zijn Marseille en Lyon slechts de voorloopige
standplaatsen der beschaving geweest. De politieke rol van Parijs moet noch aan
het toeval, noch aan den menschelijken wil worden toegeschreven, maar aan de
geologische ligging. Ile de France is eene oase, omgeven door streken, minder
bevoorrecht uit het oogpunt van den loop der stroomen en den plantengroei, en
alsof de natuur alle mogelijke voorzorgsmaatregelen wilde nemen, heeft zij daar
uitstekende bouwmaterialen bijgevoegd. Zoo hangt alles in de natuur samen,
oorzaken en gevolgen staan met elkander in nauw verband, en de mensch met al
zijne overtreffelijke gaven en zijne vrijheidsliefde, is slechts de slaaf van het
land, dat hem heeft voortgebracht.
De geschiedenis der menschheid hangt ten nauwste samen met den aard der
formaties, waarop de mensch leeft. Niet alleen dat de oeconomische waarde der
terreinen, uit het oogpunt van voeding, van de planten, die er groeien, de dieren,
die er leven, de bouwmaterialen, en alles wat op de levensvoorwaarden van de
bewoners betrekking heeft, eenen grooten invloed op het karakter der menschen
en op de lotgevallen van het land heeft uitgeoefend, maar men kan bijna de
geheele geschiedenis van een volk uit den bodem leeren kennen. Meermalen is
de vraag gesteld, waarom Parijs de hoofdstad van Frankrijk is geworden. Parijs
ligt niet in het midden van het land: Bourges voldoet veel meer aan die
voorwaarde. Zij is evenmin de oudste stad: Marseille en Lyon waren bloeiende
steden in het Romeinsche tijdvak, toen Lutetia (Parijs) nog slechts een
visschersdorp was, en toch zijn Marseille en Lyon slechts de voorloopige
standplaatsen der beschaving geweest. De politieke rol van Parijs moet noch aan
het toeval, noch aan den menschelijken wil worden toegeschreven, maar aan de
geologische ligging. Ile de France is eene oase, omgeven door streken, minder
bevoorrecht uit het oogpunt van den loop der stroomen en den plantengroei, en
alsof de natuur alle mogelijke voorzorgsmaatregelen wilde nemen, heeft zij daar
uitstekende bouwmaterialen bijgevoegd. Zoo hangt alles in de natuur samen,
oorzaken en gevolgen staan met elkander in nauw verband, en de mensch met al
zijne overtreffelijke gaven en zijne vrijheidsliefde, is slechts de slaaf van het
land, dat hem heeft voortgebracht.
Page 203
Fig. 94. Eenvoudige scheur.
Zoo zijn de verschillende formaties onder den invloed van atmosferische
invloeden ontstaan, zoo droeg iedere laag hare eigen planten en dieren, met hare
eigen fossielen. De dikte van iedere laag hangt af van de voorwaarden,
waaronder zij ontstaan is, hier zijn zij rijk en dik, daar arm en dun, elders
ontbreken zij door opheffingen en verschuivingen geheel en al, maar wij zagen
in het vorige hoofdstuk, dat toch de som van alle lagen 43000 meters bedraagt,
gerekend van de oppervlakte tot aan den granietbodem.
De menschheid woont dus op een kerkhof van 40 kilometers dikte; wij loopen
over de graven van ontelbare wezens, die gedurende millioenen en millioenen
jaren daar begraven zijn, op de schepselen, die van de grijze oudheid af daar
langzaam zijn opgehoopt, van den oorsprong van het leven tot op onzen tijd; het
stof van verloopen eeuwen vertreden wij met de voeten.
Zoo zijn de verschillende formaties onder den invloed van atmosferische
invloeden ontstaan, zoo droeg iedere laag hare eigen planten en dieren, met hare
eigen fossielen. De dikte van iedere laag hangt af van de voorwaarden,
waaronder zij ontstaan is, hier zijn zij rijk en dik, daar arm en dun, elders
ontbreken zij door opheffingen en verschuivingen geheel en al, maar wij zagen
in het vorige hoofdstuk, dat toch de som van alle lagen 43000 meters bedraagt,
gerekend van de oppervlakte tot aan den granietbodem.
De menschheid woont dus op een kerkhof van 40 kilometers dikte; wij loopen
over de graven van ontelbare wezens, die gedurende millioenen en millioenen
jaren daar begraven zijn, op de schepselen, die van de grijze oudheid af daar
langzaam zijn opgehoopt, van den oorsprong van het leven tot op onzen tijd; het
stof van verloopen eeuwen vertreden wij met de voeten.
Page 204
Fig. 95. Scheur, gevolgd door eene verzakking
De geschiedenis der natuur wordt nog steeds voortgezet. Nog thans beweegt zich
onze planeet in de ruimte voort, zooals in de voorhistorische tijden; nog steeds
wordt in iedere secunde een mensch geboren; de geslachten volgen elkander op,
de dooden keeren tot de aarde weder, en dienen weder tot de vorming van
nieuwe wezens, zoowel menschen als planten en dieren; wie weet, of één onzer
niet eene molecule bevat, die vroeger behoord heeft aan Caesar of Napoleon; de
wilg aan den oever der beek ademt de zuurstof uit, die door het kind, dat te
midden der bloemen speelt, wordt ingeademd; de koolzuurmolecule, door den
stervenden grijsaard uitgeademd, kan de schoone roos tot voedsel dienen; van
het leven tot den dood, van den dood tot het leven, wordt alles gewijzigd en
vervormd.
Fig. 96. Lagen, opgeheven op eene eruptiefmassa.
De geschiedenis der natuur wordt nog steeds voortgezet. Nog thans beweegt zich
onze planeet in de ruimte voort, zooals in de voorhistorische tijden; nog steeds
wordt in iedere secunde een mensch geboren; de geslachten volgen elkander op,
de dooden keeren tot de aarde weder, en dienen weder tot de vorming van
nieuwe wezens, zoowel menschen als planten en dieren; wie weet, of één onzer
niet eene molecule bevat, die vroeger behoord heeft aan Caesar of Napoleon; de
wilg aan den oever der beek ademt de zuurstof uit, die door het kind, dat te
midden der bloemen speelt, wordt ingeademd; de koolzuurmolecule, door den
stervenden grijsaard uitgeademd, kan de schoone roos tot voedsel dienen; van
het leven tot den dood, van den dood tot het leven, wordt alles gewijzigd en
vervormd.
Fig. 96. Lagen, opgeheven op eene eruptiefmassa.
Page 205
De wereld, door onze voorouders uit de vorige tijdperken betreden, was dezelfde
als de tegenwoordige. Geene wonderen zijn noodig om de vorming der
geologische lagen te verklaren. Het eerste dunne vlies om den gloeienden,
vloeibaren bol heeft alle golvingen en trillingen van dien bol moeten volgen.
Doch ook die eerste plooien zijn gewijzigd. De aarde koelt af en trekt samen. De
korst moet zich dus weder op eene andere wijze plooien, om op de kern te
kunnen blijven rusten; aan de ééne zijde daalt zij, aan de andere zijde gaat zij
omhoog; zij scheurt, de eruptiefgesteenten zoeken eenen uitweg door de
scheuren en komen bloot. De wateren verzamelen zich op de diepste plaatsen.
Bergen, vastland, zeebekkens, dalingen, rijzingen, vulcanische uitbarstingen,
adervormingen (fig. 92–97), het is alles een geopend boek voor hem, die het wil
lezen.
Fig. 97. Aderen, door de laagsgewijze gerangschikte gesteenten.
Nog steeds herhalen zich die verschijnselen; nog steeds verandert de gedaante
der aarde; het ééne deel rijst, een ander deel daalt, hier knaagt de zee aan de
kusten, daar trekt zij zich terug, hier wordt eene vallei gevuld, daar glijdt een
heuvel af met al wat hij bevat. Dit onderwerp, van het hoogste wetenschappelijk
en philosophisch belang, zal in ons volgende hoofdstuk nader behandeld
worden; het is de grondslag der geologie.
als de tegenwoordige. Geene wonderen zijn noodig om de vorming der
geologische lagen te verklaren. Het eerste dunne vlies om den gloeienden,
vloeibaren bol heeft alle golvingen en trillingen van dien bol moeten volgen.
Doch ook die eerste plooien zijn gewijzigd. De aarde koelt af en trekt samen. De
korst moet zich dus weder op eene andere wijze plooien, om op de kern te
kunnen blijven rusten; aan de ééne zijde daalt zij, aan de andere zijde gaat zij
omhoog; zij scheurt, de eruptiefgesteenten zoeken eenen uitweg door de
scheuren en komen bloot. De wateren verzamelen zich op de diepste plaatsen.
Bergen, vastland, zeebekkens, dalingen, rijzingen, vulcanische uitbarstingen,
adervormingen (fig. 92–97), het is alles een geopend boek voor hem, die het wil
lezen.
Fig. 97. Aderen, door de laagsgewijze gerangschikte gesteenten.
Nog steeds herhalen zich die verschijnselen; nog steeds verandert de gedaante
der aarde; het ééne deel rijst, een ander deel daalt, hier knaagt de zee aan de
kusten, daar trekt zij zich terug, hier wordt eene vallei gevuld, daar glijdt een
heuvel af met al wat hij bevat. Dit onderwerp, van het hoogste wetenschappelijk
en philosophisch belang, zal in ons volgende hoofdstuk nader behandeld
worden; het is de grondslag der geologie.
Page 206
Page 207
Tweede hoofdstuk.
Page 208
De vervormingen van den bodem in onzen tijd.
Verandering der kusten.—Mondingen en delta’s.— Werking van het stroomende water.—
Langzame schommelingen.—Rijzingen.—Dalingen.—Het land en de zee.—De natuur zet haren
arbeid voort.
Langzamerhand verandert alles om ons heen. De grond zelf, dien wij gewoon
zijn te beschouwen als het type van wat onveranderlijk is, verandert
onophoudelijk. Het is daarom verkeerd, te zeggen, dat er bepaalde geologische
perioden zijn, die de schepping der wereld voorstellen, en dat die schepping
thans voleindigd is. Ook onze periode is „geologisch”, en zelfs niet minder dan
de voorafgaande.
De oppervlakte der aarde, in haar geheel beschouwd, verandert. Regen, vorst,
warmte, wind, onweer, beken, bergstroomen, verweren de toppen der bergen,
waarvan de bouwstoffen afgerukt, medegesleept, verbrijzeld, tot zand
vermorzeld en door de mondingen der rivieren naar zee gevoerd worden. Ook
knaagt de zee voortdurend aan de oevers; daardoor worden de kusten steiler en
wordt de bodem verhoogd door de losgelaten bouwstoffen. Bovendien eindelijk
werken nog voortdurend de inwendige krachten der aarde: enkele streken rijzen,
terwijl andere dalen. Laat ons zoo kort mogelijk de bewijzen voor die
veranderingen nagaan, en die zooveel mogelijk op het terrein zelf bestudeeren.
Wij kunnen uitgaan van twee algemeene grondbeginselen: 1º. Overal, waar de
kust steil is, wint de zee; 2º. aan de mondingen der rivieren wijkt de zee terug. In
het eerste geval knaagt zij aan de klippen, die tot strandkeien verbrijzeld worden;
in het tweede geval draagt de zee zand aan, dat den bodem der zee verheft en
haar doet wijken. Er zijn wel is waar uitzonderingen op die regels, onder andere
kunnen de zeestroomingen en de golven het water een eind binnenwaarts voeren
of de keisteenen gebruiken om nieuwe kustgrenzen te vormen, maar in het
algemeen zijn die twee oorzaken voldoende, om de geheele gesteldheid onzer
planeet te veranderen, onafhankelijk van de rijzingen en dalingen van den
bodem.
Iedereen b.v. kent Havre. Men weet, dat die stad nog geen vier eeuwen oud is en
in 1516 door Frans I is gesticht. De geheele vlakte, waarop die belangrijke stad
Verandering der kusten.—Mondingen en delta’s.— Werking van het stroomende water.—
Langzame schommelingen.—Rijzingen.—Dalingen.—Het land en de zee.—De natuur zet haren
arbeid voort.
Langzamerhand verandert alles om ons heen. De grond zelf, dien wij gewoon
zijn te beschouwen als het type van wat onveranderlijk is, verandert
onophoudelijk. Het is daarom verkeerd, te zeggen, dat er bepaalde geologische
perioden zijn, die de schepping der wereld voorstellen, en dat die schepping
thans voleindigd is. Ook onze periode is „geologisch”, en zelfs niet minder dan
de voorafgaande.
De oppervlakte der aarde, in haar geheel beschouwd, verandert. Regen, vorst,
warmte, wind, onweer, beken, bergstroomen, verweren de toppen der bergen,
waarvan de bouwstoffen afgerukt, medegesleept, verbrijzeld, tot zand
vermorzeld en door de mondingen der rivieren naar zee gevoerd worden. Ook
knaagt de zee voortdurend aan de oevers; daardoor worden de kusten steiler en
wordt de bodem verhoogd door de losgelaten bouwstoffen. Bovendien eindelijk
werken nog voortdurend de inwendige krachten der aarde: enkele streken rijzen,
terwijl andere dalen. Laat ons zoo kort mogelijk de bewijzen voor die
veranderingen nagaan, en die zooveel mogelijk op het terrein zelf bestudeeren.
Wij kunnen uitgaan van twee algemeene grondbeginselen: 1º. Overal, waar de
kust steil is, wint de zee; 2º. aan de mondingen der rivieren wijkt de zee terug. In
het eerste geval knaagt zij aan de klippen, die tot strandkeien verbrijzeld worden;
in het tweede geval draagt de zee zand aan, dat den bodem der zee verheft en
haar doet wijken. Er zijn wel is waar uitzonderingen op die regels, onder andere
kunnen de zeestroomingen en de golven het water een eind binnenwaarts voeren
of de keisteenen gebruiken om nieuwe kustgrenzen te vormen, maar in het
algemeen zijn die twee oorzaken voldoende, om de geheele gesteldheid onzer
planeet te veranderen, onafhankelijk van de rijzingen en dalingen van den
bodem.
Iedereen b.v. kent Havre. Men weet, dat die stad nog geen vier eeuwen oud is en
in 1516 door Frans I is gesticht. De geheele vlakte, waarop die belangrijke stad
Page 209
zoo snel is opgekomen, is gevormd door aanslibbing van de Seine en bezinking
van het zand, dat bij springvloed door de zee is uitgeworpen; de geheele plek
was tot aan deze eeuw moeras. De Seine sleept het zand mede, dat zij langzaam
neerlegt aan hare monding, en tot zelfs een eind ver in zee. Maar bij springtij en
storm drijft de zee dat bezinksel terug en wijzigt zij daardoor onophoudelijk den
ondergrond. Het gevolg hiervan is, dat het gebied der zee gedurig afneemt. De
rechteroever der Seine wordt voorbij Havre al langer en langer, de linkeroever
verandert eveneens, zoodat het zeestrand bij Trouville al breeder en breeder
wordt. Zoo ziet men, hoe alles om ons heen verandert door nog steeds werkende
oorzaken, en dat daartoe volstrekt geene groote omwentelingen in de natuur
noodig zijn. Fig. 99 toont ons aan, hoe de zee langzamerhand den voet der
rotssteilten bij Kaap la Hève ondermijnt, en wel vooral bij storm en springtij, en
hoe daardoor die banken van krijt, mergel en klei verteerd worden; het gevolg
hiervan is, dat vertikale muren van honderd meters hoog overhellen, en dat door
het voortdurend invreten in den voet der rots de eeuwenoude steenlagen worden
uitgegraven. Daardoor levert die kust eenen schilderachtigen aanblik op.
van het zand, dat bij springvloed door de zee is uitgeworpen; de geheele plek
was tot aan deze eeuw moeras. De Seine sleept het zand mede, dat zij langzaam
neerlegt aan hare monding, en tot zelfs een eind ver in zee. Maar bij springtij en
storm drijft de zee dat bezinksel terug en wijzigt zij daardoor onophoudelijk den
ondergrond. Het gevolg hiervan is, dat het gebied der zee gedurig afneemt. De
rechteroever der Seine wordt voorbij Havre al langer en langer, de linkeroever
verandert eveneens, zoodat het zeestrand bij Trouville al breeder en breeder
wordt. Zoo ziet men, hoe alles om ons heen verandert door nog steeds werkende
oorzaken, en dat daartoe volstrekt geene groote omwentelingen in de natuur
noodig zijn. Fig. 99 toont ons aan, hoe de zee langzamerhand den voet der
rotssteilten bij Kaap la Hève ondermijnt, en wel vooral bij storm en springtij, en
hoe daardoor die banken van krijt, mergel en klei verteerd worden; het gevolg
hiervan is, dat vertikale muren van honderd meters hoog overhellen, en dat door
het voortdurend invreten in den voet der rots de eeuwenoude steenlagen worden
uitgegraven. Daardoor levert die kust eenen schilderachtigen aanblik op.
Page 210
Fig. 99. Kaap la Hève en hare geologische samenstelling.
Sedert het begin der elfde eeuw zijn reeds 1400 meters door de werking der zee
ingevreten.
Sedert het begin der elfde eeuw zijn reeds 1400 meters door de werking der zee
ingevreten.
Page 211
Fig. 100. Klip aan de Middellandsche zee.
Oorspronkelijk hadden de kusten van alle zeeën eene geringe helling: de
vertikale muren en de rotssteilten zijn het gevolg van het invreten der zee; dat
voortdurend wegbijten geeft het aanzijn aan de keisteenen, die men op het strand
vindt. Men kan zelfs een karakteristiek verschil waarnemen tusschen het profiel
van klippen, die langzamerhand weggebeten worden door eene zee met
standvastigen waterspiegel, zooals de Middellandsche zee, waar bijna geene
getijden zijn, en de klippen van den Atlantischen Oceaan. In het eerste geval
vertoonen de klippen, waartegen de golven aanklotsen, een enkel profiel (fig.
100), in het tweede geval is het profiel dubbel: het ééne is geteekend door den
vloed, het andere door de ebbe (fig. 101).
Oorspronkelijk hadden de kusten van alle zeeën eene geringe helling: de
vertikale muren en de rotssteilten zijn het gevolg van het invreten der zee; dat
voortdurend wegbijten geeft het aanzijn aan de keisteenen, die men op het strand
vindt. Men kan zelfs een karakteristiek verschil waarnemen tusschen het profiel
van klippen, die langzamerhand weggebeten worden door eene zee met
standvastigen waterspiegel, zooals de Middellandsche zee, waar bijna geene
getijden zijn, en de klippen van den Atlantischen Oceaan. In het eerste geval
vertoonen de klippen, waartegen de golven aanklotsen, een enkel profiel (fig.
100), in het tweede geval is het profiel dubbel: het ééne is geteekend door den
vloed, het andere door de ebbe (fig. 101).
Page 212
Fig. 101. Klip aan den Atlantischen Oceaan.
Behoudens de kleine verschillen, veroorzaakt door de aantrekking van het vaste
land, door de veranderingen in luchtdruk, door den invloed der getijden, mag
men den waterspiegel der zee als bijna standvastig beschouwen; die waterspiegel
is dan ook het beste merkteeken ter vergelijking. Indien men van eeuw tot eeuw
aan eene kust eene verandering van de waterhoogte waarneemt, dan is men
zeker, dat niet de zee in hoogte veranderd is, maar de grond. De zee houdt steeds
dezelfde gemiddelde hoogte, omdat de hoeveelheid water, die in den vorm van
regen of sneeuw neervalt, gelijk is aan die welke door verdamping der zee
opstijgt; dit kan trouwens niet anders, daar de wolken gevormd worden door
verdamping van het water der zee en der rivieren.
Men schat de hoogte van den regen, die ieder jaar op de geheele aarde neervalt,
op 1,50 meter. Dit is dus ook juist het bedrag, dat verdampt, om de wolken te
vormen. Indien die waterdamp buiten de aarde kwam, zou de zee van jaar tot
jaar lager worden. Maar het water valt in den vorm van regen weder in den
Oceaan neer, of het wordt door de rivieren weder naar den Oceaan toegevoerd.
Behoudens de kleine verschillen, veroorzaakt door de aantrekking van het vaste
land, door de veranderingen in luchtdruk, door den invloed der getijden, mag
men den waterspiegel der zee als bijna standvastig beschouwen; die waterspiegel
is dan ook het beste merkteeken ter vergelijking. Indien men van eeuw tot eeuw
aan eene kust eene verandering van de waterhoogte waarneemt, dan is men
zeker, dat niet de zee in hoogte veranderd is, maar de grond. De zee houdt steeds
dezelfde gemiddelde hoogte, omdat de hoeveelheid water, die in den vorm van
regen of sneeuw neervalt, gelijk is aan die welke door verdamping der zee
opstijgt; dit kan trouwens niet anders, daar de wolken gevormd worden door
verdamping van het water der zee en der rivieren.
Men schat de hoogte van den regen, die ieder jaar op de geheele aarde neervalt,
op 1,50 meter. Dit is dus ook juist het bedrag, dat verdampt, om de wolken te
vormen. Indien die waterdamp buiten de aarde kwam, zou de zee van jaar tot
jaar lager worden. Maar het water valt in den vorm van regen weder in den
Oceaan neer, of het wordt door de rivieren weder naar den Oceaan toegevoerd.
Page 213
Indien het regent, keert een deel van het neervallende water onmiddellijk weder
door verdamping in den dampkring terug; het overblijvende water dringt in den
bodem, totdat het eene laag ondoordringbare klei vindt. Het glijdt dan over die
laag heen, totdat het eindelijk eene bron vormt, in de nabijheid van de
oppervlakte der aarde. Dit is de oorsprong van alle bronnen, beken en rivieren.
Men vindt bronnen op alle hoogten, van de toppen der bergen af, tot op den
bodem der zee. Die verdamping, die verdichting tot wolken boven in de lucht, en
dat neerslaan als regen, maakt van de aarde eenen grooten distilleerketel. De
zonnewarmte, die noodig is, om die hoeveelheid water op te heffen tot de
gemiddelde hoogte der wolken, komt overeen met den arbeid, die verricht zoude
worden door 1500 milliard paarden, zeven uren per dag werkende!
Daar het zout niet verdampt, is het water der wolken, van den regen, van de
bronnen en de stroomen zoet water, door de zon gedistilleerd. Het normale
water, het zeewater, is zout, daar het bestaat uit waterstof, zuurstof en chloor-
natrium (keukenzout). Een zeer klein gedeelte van het regenwater keert niet tot
de zee terug, omdat het, in den grond dringende, geene volkomen
ondoordringbare laag vindt. Dat gedeelte dringt dus diep in het inwendige der
aarde door, verzadigt de gesteenten, vormt de minerale wateren, daalt af tot in de
warme lagen, waar het verdampt en uitbarstingen veroorzaakt, maar in ieder
geval niet naar de oppervlakte terugkeert. De zee vermindert dus van eeuw tot
eeuw iets; maar zelfs in drieduizend jaren is die vermindering nog niet
merkbaar1.
Iedere rivier, hetzij zij haren oorsprong vindt in de gletschers, zooals de Rijn, de
Rhône, de Po, de Garonne, of in de bergstroomen, zooals de Seine, de Loire enz,
volgt eene sterke helling, die haar in den regentijd eene groote snelheid geeft,
zoodat de terreinen, waardoor zij stroomt, sterk veranderen. Zij graaft valleien,
maakt gesteenten los, rolt steenen voort, verbrijzelt die en sleept ze mede, zoodat
zij eene groote hoeveelheid zand en slijk medevoert. Op het bovengedeelte van
haren loop bijt zij den bodem uit; op het tweede gedeelte, waar de stroom nog
krachtig genoeg is om de stoffen mede te voeren, maar breeder en regelmatiger,
graaft zij hare bedding niet meer uit, doch vult zij die evenmin weder aan; op het
derde gedeelte, waar zij tot de zeevlakte nadert, wordt de helling flauw en zet zij
de medegevoerde stoffen af, zoodat daar aanslibbing plaats vindt. Zoo komt de
Rhône, die haren oorsprong op 1760 meters hoogte in de Alpen heeft, in het
meer van Genève met eene gemiddelde helling van 7,40 meter per kilometer. Bij
haar binnentreden in dat meer zet zij reeds zóóveel stoffen af, dat het meer van
door verdamping in den dampkring terug; het overblijvende water dringt in den
bodem, totdat het eene laag ondoordringbare klei vindt. Het glijdt dan over die
laag heen, totdat het eindelijk eene bron vormt, in de nabijheid van de
oppervlakte der aarde. Dit is de oorsprong van alle bronnen, beken en rivieren.
Men vindt bronnen op alle hoogten, van de toppen der bergen af, tot op den
bodem der zee. Die verdamping, die verdichting tot wolken boven in de lucht, en
dat neerslaan als regen, maakt van de aarde eenen grooten distilleerketel. De
zonnewarmte, die noodig is, om die hoeveelheid water op te heffen tot de
gemiddelde hoogte der wolken, komt overeen met den arbeid, die verricht zoude
worden door 1500 milliard paarden, zeven uren per dag werkende!
Daar het zout niet verdampt, is het water der wolken, van den regen, van de
bronnen en de stroomen zoet water, door de zon gedistilleerd. Het normale
water, het zeewater, is zout, daar het bestaat uit waterstof, zuurstof en chloor-
natrium (keukenzout). Een zeer klein gedeelte van het regenwater keert niet tot
de zee terug, omdat het, in den grond dringende, geene volkomen
ondoordringbare laag vindt. Dat gedeelte dringt dus diep in het inwendige der
aarde door, verzadigt de gesteenten, vormt de minerale wateren, daalt af tot in de
warme lagen, waar het verdampt en uitbarstingen veroorzaakt, maar in ieder
geval niet naar de oppervlakte terugkeert. De zee vermindert dus van eeuw tot
eeuw iets; maar zelfs in drieduizend jaren is die vermindering nog niet
merkbaar1.
Iedere rivier, hetzij zij haren oorsprong vindt in de gletschers, zooals de Rijn, de
Rhône, de Po, de Garonne, of in de bergstroomen, zooals de Seine, de Loire enz,
volgt eene sterke helling, die haar in den regentijd eene groote snelheid geeft,
zoodat de terreinen, waardoor zij stroomt, sterk veranderen. Zij graaft valleien,
maakt gesteenten los, rolt steenen voort, verbrijzelt die en sleept ze mede, zoodat
zij eene groote hoeveelheid zand en slijk medevoert. Op het bovengedeelte van
haren loop bijt zij den bodem uit; op het tweede gedeelte, waar de stroom nog
krachtig genoeg is om de stoffen mede te voeren, maar breeder en regelmatiger,
graaft zij hare bedding niet meer uit, doch vult zij die evenmin weder aan; op het
derde gedeelte, waar zij tot de zeevlakte nadert, wordt de helling flauw en zet zij
de medegevoerde stoffen af, zoodat daar aanslibbing plaats vindt. Zoo komt de
Rhône, die haren oorsprong op 1760 meters hoogte in de Alpen heeft, in het
meer van Genève met eene gemiddelde helling van 7,40 meter per kilometer. Bij
haar binnentreden in dat meer zet zij reeds zóóveel stoffen af, dat het meer van
Page 214
Genève sterk in lengte en diepte afneemt; dit is reeds van geslacht tot geslacht
merkbaar. Van Genève tot Lyon is de helling slechts 1 meter per kilometer; van
Lyon tot Beaucaire is zij 0,40 meter, en van Beaucaire tot Arles 0,12 meter; van
Arles tot aan zee is er slechts eene helling van 1 meter op de 50 kilometers; de
rivier heeft daar op sommige plaatsen eene breedte van verscheidene kilometers,
hare snelheid, die te Genève en zelfs te Lyon nog zoo groot was, is bijna nul en
al het zand spreidt zich daar uit over eene groote uitgestrektheid, die door de
golven en de zeestroomingen voortdurend gewijzigd wordt. Dit is de wijze,
waarop iedere rivier de gedaante der planeet wijzigt. Enkele rivieren, zooals de
Seine, de Gironde, de Theems, de Hudson, houden eene voldoende snelheid en
worden door de zeestroomingen voldoende uitgeschuurd, om hare monding vrij
te houden, en daardoor de vestiging van groote havenplaatsen, zooals Havre,
Bordeaux, London, New-York, mogelijk te maken; andere, zooals de Rhône, de
Po, de Nijl, de Donau, voeren haar zand zóó langzaam weg, dat langzamerhand
de bodem verhoogd wordt en de doortocht voor schepen onmogelijk wordt.
De geheele golf van Lyon, van de Pyreneën tot Marseille, levert bewijzen op van
de veranderingen, die aan de monding eener rivier plaats vinden. Voor
tweeduizend jaren, vóór de Romeinsche overheersching en gedurende dien tijd,
had men eene rij van bloeiende steden langs die golf: Illiberris, Ruscino,
Narbonne, Agde, Aigues-Mortes, St. Gilles, Heraclea, Rhodanusia. Vier van die
bloeiende steden zijn geheel verdwenen, en slechts puinhoopen zijn er van
overgebleven. De overige zijn dood, en haar tegenwoordige toestand is slechts
de schaduw van hare vroegere grootheid. Eertijds waren de mondingen diep en
bevaarbaar, en langs de kusten waren lagunen, evenals die van Venetië, voor de
scheepvaart geopend. Maar de bedding der rivier rijst langzaam en de steden,
eertijds door hare stroomen gevoed, en als het ware uit de lagunen geboren, zijn
thans met die lagunen gestorven. De bosschen zijn onverstandig door den
mensch geveld. De lagunen zijn in poelen, de poelen in koortsverwekkende
moerassen veranderd. Reeds eeuwen lang tracht men de grootste oppervlakte
dier moerassen droog te maken, maar de grond is nog steeds niet vast genoeg
voor den plantengroei.
merkbaar. Van Genève tot Lyon is de helling slechts 1 meter per kilometer; van
Lyon tot Beaucaire is zij 0,40 meter, en van Beaucaire tot Arles 0,12 meter; van
Arles tot aan zee is er slechts eene helling van 1 meter op de 50 kilometers; de
rivier heeft daar op sommige plaatsen eene breedte van verscheidene kilometers,
hare snelheid, die te Genève en zelfs te Lyon nog zoo groot was, is bijna nul en
al het zand spreidt zich daar uit over eene groote uitgestrektheid, die door de
golven en de zeestroomingen voortdurend gewijzigd wordt. Dit is de wijze,
waarop iedere rivier de gedaante der planeet wijzigt. Enkele rivieren, zooals de
Seine, de Gironde, de Theems, de Hudson, houden eene voldoende snelheid en
worden door de zeestroomingen voldoende uitgeschuurd, om hare monding vrij
te houden, en daardoor de vestiging van groote havenplaatsen, zooals Havre,
Bordeaux, London, New-York, mogelijk te maken; andere, zooals de Rhône, de
Po, de Nijl, de Donau, voeren haar zand zóó langzaam weg, dat langzamerhand
de bodem verhoogd wordt en de doortocht voor schepen onmogelijk wordt.
De geheele golf van Lyon, van de Pyreneën tot Marseille, levert bewijzen op van
de veranderingen, die aan de monding eener rivier plaats vinden. Voor
tweeduizend jaren, vóór de Romeinsche overheersching en gedurende dien tijd,
had men eene rij van bloeiende steden langs die golf: Illiberris, Ruscino,
Narbonne, Agde, Aigues-Mortes, St. Gilles, Heraclea, Rhodanusia. Vier van die
bloeiende steden zijn geheel verdwenen, en slechts puinhoopen zijn er van
overgebleven. De overige zijn dood, en haar tegenwoordige toestand is slechts
de schaduw van hare vroegere grootheid. Eertijds waren de mondingen diep en
bevaarbaar, en langs de kusten waren lagunen, evenals die van Venetië, voor de
scheepvaart geopend. Maar de bedding der rivier rijst langzaam en de steden,
eertijds door hare stroomen gevoed, en als het ware uit de lagunen geboren, zijn
thans met die lagunen gestorven. De bosschen zijn onverstandig door den
mensch geveld. De lagunen zijn in poelen, de poelen in koortsverwekkende
moerassen veranderd. Reeds eeuwen lang tracht men de grootste oppervlakte
dier moerassen droog te maken, maar de grond is nog steeds niet vast genoeg
voor den plantengroei.
Page 215
Fig. 102. Geleidelijke vermindering van de zee aan de monding van de Po.
Men begrijpt, dat de rivieren aan hare monding de neiging hebben, aan het vaste
land uitbreiding te geven ten koste van de zee, en om de stoffen af te zetten, die
aan de bergen ontrukt zijn door de bergstroomen en die tot poeder verbrijzeld
zijn. Dit is reeds voldoende, om den vorm der landen langzamerhand te
wijzigen. De monding van de Po geeft hiervan een merkwaardig voorbeeld. Fig.
102 doet ons reeds bij den eersten oogopslag zien, hoe de Adriatische zee is
afgenomen door de aanslibbing van de Po. De stad Adria was ten tijde der
Etrusken, voor drieduizend jaren, aan den oever der zee gelegen. Zij is thans 26
kilometers van het meest nabijzijnde gedeelte der zee verwijderd; de Adige en de
verschillende zeearmen van de Po, drijven den oever der zee langzaam terug; de
hoofdmonding van de Po is thans 35 kilometers van den meridiaan over Adria
verwijderd. De winst van het land op de zee bedraagt jaarlijks zeventig meters.
Jaarlijks worden door de rivier 42 760 000 cubieke meters slib aangebracht, of
Men begrijpt, dat de rivieren aan hare monding de neiging hebben, aan het vaste
land uitbreiding te geven ten koste van de zee, en om de stoffen af te zetten, die
aan de bergen ontrukt zijn door de bergstroomen en die tot poeder verbrijzeld
zijn. Dit is reeds voldoende, om den vorm der landen langzamerhand te
wijzigen. De monding van de Po geeft hiervan een merkwaardig voorbeeld. Fig.
102 doet ons reeds bij den eersten oogopslag zien, hoe de Adriatische zee is
afgenomen door de aanslibbing van de Po. De stad Adria was ten tijde der
Etrusken, voor drieduizend jaren, aan den oever der zee gelegen. Zij is thans 26
kilometers van het meest nabijzijnde gedeelte der zee verwijderd; de Adige en de
verschillende zeearmen van de Po, drijven den oever der zee langzaam terug; de
hoofdmonding van de Po is thans 35 kilometers van den meridiaan over Adria
verwijderd. De winst van het land op de zee bedraagt jaarlijks zeventig meters.
Jaarlijks worden door de rivier 42 760 000 cubieke meters slib aangebracht, of
Page 216
1,36 cub. meter in de secunde. De Donau voert jaarlijks slechts 35 500 000
cubieke meters slib aan.
De dijken werden reeds in de XIIIde eeuw aangelegd; daardoor is het land
beveiligd tegen de jaarlijksche overstroomingen, maar de bedding der rivier rijst,
zoodat de oppervlakte van het water van de Po iets hooger is dan de bodem der
omliggende streken; bij de hooge waterstanden van 1870 en 1872 stond het van
twee tot vier meters boven den straatweg. Als een dijkbreuk plaats heeft na den
regentijd, dan veroorzaken de overstroomingen overal verwoesting en dood. Als
de dijken niet verwoest worden, worden de bewoonde streken eilanden: uit onze
kaart ziet men, dat Ravenna voor drieduizend jaren eene zeehaven was; dit was
zelfs nog het geval ten tijde van Augustus, die de haven uitbreidde; thans ligt de
stad op 7 kilometers van de zee.
Dezelfde verschijnselen neemt men waar, als men de monding van den Tiber
beschouwt te Ostia bij Rome. Ostia beteekent monding. Die haven is aan de
monding van den Tiber gesticht door Ancus Marcius. Thans bevinden zich de
puinhoopen van het oude Ostia op 4000 meters van de monding. De vloot van
Scipio Africanus vertrok uit die haven naar Spanje. De bevolking, die vroeger uit
80000 inwoners bestond, is thans tot 50 gedaald, en die 50 verlaten de plaats nog
des zomers om de malaria. Het tegenwoordige dorp is in 830 door Gregorius IV
gesticht. In 1596 werd aan den oever der zee de toren San Michele gebouwd;
deze is thans 700 meters van de zee gelegen. Reeds ten tijde der Romeinsche
keizers moest men de haven en het kanaal van Fiumicino graven, om de
verzande monding der rivier te vervangen. Sedert 1662 bedraagt de
vooruitschuiving van de delta van den Tiber gemiddeld 3,90 meters ’s jaars. Fig.
103 geeft ons rekenschap van de verplaatsing der kust.
cubieke meters slib aan.
De dijken werden reeds in de XIIIde eeuw aangelegd; daardoor is het land
beveiligd tegen de jaarlijksche overstroomingen, maar de bedding der rivier rijst,
zoodat de oppervlakte van het water van de Po iets hooger is dan de bodem der
omliggende streken; bij de hooge waterstanden van 1870 en 1872 stond het van
twee tot vier meters boven den straatweg. Als een dijkbreuk plaats heeft na den
regentijd, dan veroorzaken de overstroomingen overal verwoesting en dood. Als
de dijken niet verwoest worden, worden de bewoonde streken eilanden: uit onze
kaart ziet men, dat Ravenna voor drieduizend jaren eene zeehaven was; dit was
zelfs nog het geval ten tijde van Augustus, die de haven uitbreidde; thans ligt de
stad op 7 kilometers van de zee.
Dezelfde verschijnselen neemt men waar, als men de monding van den Tiber
beschouwt te Ostia bij Rome. Ostia beteekent monding. Die haven is aan de
monding van den Tiber gesticht door Ancus Marcius. Thans bevinden zich de
puinhoopen van het oude Ostia op 4000 meters van de monding. De vloot van
Scipio Africanus vertrok uit die haven naar Spanje. De bevolking, die vroeger uit
80000 inwoners bestond, is thans tot 50 gedaald, en die 50 verlaten de plaats nog
des zomers om de malaria. Het tegenwoordige dorp is in 830 door Gregorius IV
gesticht. In 1596 werd aan den oever der zee de toren San Michele gebouwd;
deze is thans 700 meters van de zee gelegen. Reeds ten tijde der Romeinsche
keizers moest men de haven en het kanaal van Fiumicino graven, om de
verzande monding der rivier te vervangen. Sedert 1662 bedraagt de
vooruitschuiving van de delta van den Tiber gemiddeld 3,90 meters ’s jaars. Fig.
103 geeft ons rekenschap van de verplaatsing der kust.
Page 217
Fig. 103. Langzame landaanwinning aan de monding van den Tiber.
Reeds de ouden kenden die veranderingen, waarvan de aanslibbing van den Nijl
in Egypte een zoo merkwaardig voorbeeld oplevert. Reeds voor 2400 jaren
schreef Herodotus, dat de Egyptische priesters hun land beschouwden als een
geschenk van den Nijl. Volgens hem zoude de delta eerst van jeugdige
dagteekening zijn. Homerus spreekt van Thebe, als ware dit de eenige stad in
Egypte, en maakt volstrekt geene melding van Memphis. Eertijds waren de
takken van de rivier, die zich bij Canope en Pelusium in zee werpen, de
voornaamste, en de kust strekte zich bijna in eene rechte lijn tusschen die beide
plaatsen uit, zooals uit de kaarten van Ptolemaeus blijkt. Thans zijn Canope en
Pelusium nog slechts puinhoopen, en zijn de hoofdmondingen der rivier tot
elkander genaderd, zoodat zij sedert tweeduizend jaren haar water afvoeren in de
richting van Rosette en Damiette, steden die nog geen duizend jaren geleden aan
den oever der zee gesticht zijn en thans reeds acht kilometers daarvan verwijderd
zijn. De Nijl zelf heeft aan de delta haren vorm gegeven; de oppervlakte van de
delta bedraagt thans 22276 vierkante kilometers. Men heeft berekend, dat indien
Reeds de ouden kenden die veranderingen, waarvan de aanslibbing van den Nijl
in Egypte een zoo merkwaardig voorbeeld oplevert. Reeds voor 2400 jaren
schreef Herodotus, dat de Egyptische priesters hun land beschouwden als een
geschenk van den Nijl. Volgens hem zoude de delta eerst van jeugdige
dagteekening zijn. Homerus spreekt van Thebe, als ware dit de eenige stad in
Egypte, en maakt volstrekt geene melding van Memphis. Eertijds waren de
takken van de rivier, die zich bij Canope en Pelusium in zee werpen, de
voornaamste, en de kust strekte zich bijna in eene rechte lijn tusschen die beide
plaatsen uit, zooals uit de kaarten van Ptolemaeus blijkt. Thans zijn Canope en
Pelusium nog slechts puinhoopen, en zijn de hoofdmondingen der rivier tot
elkander genaderd, zoodat zij sedert tweeduizend jaren haar water afvoeren in de
richting van Rosette en Damiette, steden die nog geen duizend jaren geleden aan
den oever der zee gesticht zijn en thans reeds acht kilometers daarvan verwijderd
zijn. De Nijl zelf heeft aan de delta haren vorm gegeven; de oppervlakte van de
delta bedraagt thans 22276 vierkante kilometers. Men heeft berekend, dat indien
Page 218
al het slib door de monden van den Nijl aangebracht, regelmatig over de kust
verspreid werd, deze jaarlijks vier meters zoude vooruitgaan; maar die
vooruitgang is zeer onregelmatig en de rivier geeft bijna al haar slib af aan de
velden, die aan de oevers liggen, waardoor de grond opgehoogd wordt; ook de
landbouwers wijzigen merkbaar den arbeid der natuur door stoompompen en
andere werktuigkundige toepassingen2. In fig. 104 is op de kaart van de monden
van den Nijl de oude kustlijn geteekend, zooals Ptolemaeus, die als Egyptenaar
het terrein kende, die beschrijft.
Fig. 104. Langzame landaanwinning aan de monding van den Nijl.
De Mississipi en de Ganges zijn nog merkwaardiger. De eerste heeft zijn slib tot
op 40 kilometers in zee gevoerd; de Ganges en de Brahmapoutra storten in de
baai van Bengalen jaarlijks 1 milliard 132 millioen cubieke meters slib!
Wij zouden nog veel meer voorbeelden kunnen noemen. Wij hebben echter
alleen de meest sprekende typen gekozen. Het is natuurlijk, dat die
landaanwinning alleen plaats heeft, als er geene andere factoren in het spel zijn;
een aantal monden vertoonen juist een tegenovergesteld verschijnsel door den
vorm der rotsen, door de zeestroomingen of de dalingen van den bodem; het
verspreid werd, deze jaarlijks vier meters zoude vooruitgaan; maar die
vooruitgang is zeer onregelmatig en de rivier geeft bijna al haar slib af aan de
velden, die aan de oevers liggen, waardoor de grond opgehoogd wordt; ook de
landbouwers wijzigen merkbaar den arbeid der natuur door stoompompen en
andere werktuigkundige toepassingen2. In fig. 104 is op de kaart van de monden
van den Nijl de oude kustlijn geteekend, zooals Ptolemaeus, die als Egyptenaar
het terrein kende, die beschrijft.
Fig. 104. Langzame landaanwinning aan de monding van den Nijl.
De Mississipi en de Ganges zijn nog merkwaardiger. De eerste heeft zijn slib tot
op 40 kilometers in zee gevoerd; de Ganges en de Brahmapoutra storten in de
baai van Bengalen jaarlijks 1 milliard 132 millioen cubieke meters slib!
Wij zouden nog veel meer voorbeelden kunnen noemen. Wij hebben echter
alleen de meest sprekende typen gekozen. Het is natuurlijk, dat die
landaanwinning alleen plaats heeft, als er geene andere factoren in het spel zijn;
een aantal monden vertoonen juist een tegenovergesteld verschijnsel door den
vorm der rotsen, door de zeestroomingen of de dalingen van den bodem; het
Page 219
resultaat is echter steeds langzame vervorming. Slechts weinige plekken zijn in
het geheel niet veranderd, zelfs van de historische tijden gerekend.
Door dien arbeid van het water worden de bergen lager en de bodem der zee
hooger. De Rijn voert in zijn water 6/1000 deelen slib mede, de Garonne
10/1000, de Indus van 2/1000 tot 5/1000. Het is natuurlijk, dat dit maxima zijn,
die alleen bereikt worden bij sterken was. Er zijn dagen, waarop de Donau
1250000 cubieke meters slib naar zee voert. Elisée Réclus berekent, dat alle
stroomen te zamen jaarlijks 10 cubieke kilometers slib in zee storten. Indien dit
zich regelmatig verspreidde over den bodem der zee, dan zoude dat bezinksel in
341 jaren 1 centimeter dik zijn, en dus in 34 millioen jaren 1 kilometer. Al het
water der rivieren en stroomen vormt slechts een klein deel van het water der
oceanen. Nemen wij aan, dat de gemiddelde diepte der oceanen vijf kilometers
bedraagt, dan zoude de hoeveelheid water, die in zee stroomt, eerst in 5½
millioen jaren gelijk zijn aan al het water, dat de zee bevat.
Onverbiddelijk moet de gedaante der aarde veranderen. Indien geen enkele
oorzaak rijzingen of dalingen van den bodem teweegbracht, dan zoude alleen
door de werking van het water de aarde eindelijk volkomen glad worden, en
bedekt met eene laag water van eenige honderden meters diepte. Maar ook de
oppervlakte van den bodem wordt gewijzigd. Toch is van eeuw tot eeuw de
invloed der aanslibbing alleen duidelijk merkbaar. Zoo zal mettertijd de
Middellandsche zee eene aaneenschakeling van meren worden, en nog later een
reusachtige stroom. De zee van Azof verandert langzamerhand door de nadering
der oevers in eene rivier. De golf van Venetië zal mettertijd niets anders zijn dan
het verlengde van de vallei van de Po, en de twee groote bekkens der
Middellandsche zee, gescheiden door de onderzeesche zandbank, die Sicilië met
Afrika verbindt, zullen twee meren vormen, die al nauwer en nauwer zullen
worden en den grootsten stroom der wereld zullen voeden. Dan zullen de
Dnieper, de Donau en de Po slechts bijrivieren van dien stroom zijn; misschien
zelfs dat de Nijl, die thans reeds zoo weinig beteekent aan zijne monding, al zijn
water door verdamping zal verliezen, vóórdat hij den breeden stroom bereikt.
Een dergelijke toestand is werkelijk reeds op Mars aanwezig, welke planeet,
ouder dan de aarde, geene wereldzee meer bevat, maar alleen binnenzeeën,
stroomen en kanalen.
het geheel niet veranderd, zelfs van de historische tijden gerekend.
Door dien arbeid van het water worden de bergen lager en de bodem der zee
hooger. De Rijn voert in zijn water 6/1000 deelen slib mede, de Garonne
10/1000, de Indus van 2/1000 tot 5/1000. Het is natuurlijk, dat dit maxima zijn,
die alleen bereikt worden bij sterken was. Er zijn dagen, waarop de Donau
1250000 cubieke meters slib naar zee voert. Elisée Réclus berekent, dat alle
stroomen te zamen jaarlijks 10 cubieke kilometers slib in zee storten. Indien dit
zich regelmatig verspreidde over den bodem der zee, dan zoude dat bezinksel in
341 jaren 1 centimeter dik zijn, en dus in 34 millioen jaren 1 kilometer. Al het
water der rivieren en stroomen vormt slechts een klein deel van het water der
oceanen. Nemen wij aan, dat de gemiddelde diepte der oceanen vijf kilometers
bedraagt, dan zoude de hoeveelheid water, die in zee stroomt, eerst in 5½
millioen jaren gelijk zijn aan al het water, dat de zee bevat.
Onverbiddelijk moet de gedaante der aarde veranderen. Indien geen enkele
oorzaak rijzingen of dalingen van den bodem teweegbracht, dan zoude alleen
door de werking van het water de aarde eindelijk volkomen glad worden, en
bedekt met eene laag water van eenige honderden meters diepte. Maar ook de
oppervlakte van den bodem wordt gewijzigd. Toch is van eeuw tot eeuw de
invloed der aanslibbing alleen duidelijk merkbaar. Zoo zal mettertijd de
Middellandsche zee eene aaneenschakeling van meren worden, en nog later een
reusachtige stroom. De zee van Azof verandert langzamerhand door de nadering
der oevers in eene rivier. De golf van Venetië zal mettertijd niets anders zijn dan
het verlengde van de vallei van de Po, en de twee groote bekkens der
Middellandsche zee, gescheiden door de onderzeesche zandbank, die Sicilië met
Afrika verbindt, zullen twee meren vormen, die al nauwer en nauwer zullen
worden en den grootsten stroom der wereld zullen voeden. Dan zullen de
Dnieper, de Donau en de Po slechts bijrivieren van dien stroom zijn; misschien
zelfs dat de Nijl, die thans reeds zoo weinig beteekent aan zijne monding, al zijn
water door verdamping zal verliezen, vóórdat hij den breeden stroom bereikt.
Een dergelijke toestand is werkelijk reeds op Mars aanwezig, welke planeet,
ouder dan de aarde, geene wereldzee meer bevat, maar alleen binnenzeeën,
stroomen en kanalen.
Page 220
Niet alleen, dat het water langzamerhand de gedaante der aarde wijzigt, het
speelt tevens eene belangrijke rol in de geologische samenstelling der
verschillende deelen en in het bewaren van de overblijfselen van levende
wezens.
In de Gangesdelta en die van de Brahmapoutra, eene uitgestrektheid van 166400
vierkante kilometers, waarover de twee stroomen hun slib afzetten ter dikte van
60 tot 70 centimeters in de eeuw, vindt men verschillende soorten van
krokodillen. Die dieren komen in grooten getale in het brakke water voor over
de geheele lijn der zandbanken, waar de delta het snelst aangroeit. Men vindt ze
bij honderden bij elkander in de kreken, of zich koesterend in de zon op de
ondiepten. Zij vallen menschen en vee aan, werpen zich op de onvoorzichtigen,
die in de rivier baden en op de huisdieren of wilde dieren, die daar komen
drinken. Dikwijls kan men daar een drijvend lijk zien, dat door eenen krokodil
met zulk eene drift wordt aangegrepen, dat het dier, om zijne prooi beter te
kunnen vasthouden, half boven water uitsteekt. De gewoonten en de
verspreiding dier dieren stellen hen bloot, om in de horizontale lagen van het
fijne slib bedolven te worden, dat jaarlijks in de Golf van Bengalen over
honderden vierkante kilometers wordt afgezet. De bewoners van het land, die
verdronken zijn in die stroomen, worden de prooi van die gulzige dieren, en ook
de overblijfselen der dieren zelf worden in de nieuwe formaties begraven.
Daarbij komt, dat jaarlijks zoovele lijken van arme Hindoe’s in den Ganges
geworpen worden, dat men steeds in het vloeibare slib eenige beenderen of
eenige overblijfselen van hun geraamte vindt.
Die bezinkingen worden gesteenten, en de beenderen, die zij bevatten,
versteenen evenzoo. De aard, de dichtheid, de dikte, de kleur, de hardheid der
lagen hangen af van den aard der voortgestuwde stoffen en de snelheid van het
water. De rangschikking in de bezinkselen hangt het meest af van de snelheid
van het stroomende water; indien dit toch eene bepaalde snelheid heeft, kan het
alleen deeltjes van bepaalde grootte en bepaald gewicht medevoeren. Hieruit
volgt, dat naarmate de kracht van den stroom toeneemt of afneemt, de afgezette
stoffen reeds gerangschikt zijn naar hare grootte, haren vorm en haar soortelijk
gewicht. Verschillende omstandigheden wijzigen den aard der afgezette stoffen.
Zoo wordt den éénen tijd van het jaar hout medegevoerd, den anderen tijd slijk.
Bereikt de stroom zijne grootste snelheid dan kan hij keisteenan verspreiden
over eene oppervlakte, waar bij laag water alleen een fijn bezinksel wordt
afgezet.
speelt tevens eene belangrijke rol in de geologische samenstelling der
verschillende deelen en in het bewaren van de overblijfselen van levende
wezens.
In de Gangesdelta en die van de Brahmapoutra, eene uitgestrektheid van 166400
vierkante kilometers, waarover de twee stroomen hun slib afzetten ter dikte van
60 tot 70 centimeters in de eeuw, vindt men verschillende soorten van
krokodillen. Die dieren komen in grooten getale in het brakke water voor over
de geheele lijn der zandbanken, waar de delta het snelst aangroeit. Men vindt ze
bij honderden bij elkander in de kreken, of zich koesterend in de zon op de
ondiepten. Zij vallen menschen en vee aan, werpen zich op de onvoorzichtigen,
die in de rivier baden en op de huisdieren of wilde dieren, die daar komen
drinken. Dikwijls kan men daar een drijvend lijk zien, dat door eenen krokodil
met zulk eene drift wordt aangegrepen, dat het dier, om zijne prooi beter te
kunnen vasthouden, half boven water uitsteekt. De gewoonten en de
verspreiding dier dieren stellen hen bloot, om in de horizontale lagen van het
fijne slib bedolven te worden, dat jaarlijks in de Golf van Bengalen over
honderden vierkante kilometers wordt afgezet. De bewoners van het land, die
verdronken zijn in die stroomen, worden de prooi van die gulzige dieren, en ook
de overblijfselen der dieren zelf worden in de nieuwe formaties begraven.
Daarbij komt, dat jaarlijks zoovele lijken van arme Hindoe’s in den Ganges
geworpen worden, dat men steeds in het vloeibare slib eenige beenderen of
eenige overblijfselen van hun geraamte vindt.
Die bezinkingen worden gesteenten, en de beenderen, die zij bevatten,
versteenen evenzoo. De aard, de dichtheid, de dikte, de kleur, de hardheid der
lagen hangen af van den aard der voortgestuwde stoffen en de snelheid van het
water. De rangschikking in de bezinkselen hangt het meest af van de snelheid
van het stroomende water; indien dit toch eene bepaalde snelheid heeft, kan het
alleen deeltjes van bepaalde grootte en bepaald gewicht medevoeren. Hieruit
volgt, dat naarmate de kracht van den stroom toeneemt of afneemt, de afgezette
stoffen reeds gerangschikt zijn naar hare grootte, haren vorm en haar soortelijk
gewicht. Verschillende omstandigheden wijzigen den aard der afgezette stoffen.
Zoo wordt den éénen tijd van het jaar hout medegevoerd, den anderen tijd slijk.
Bereikt de stroom zijne grootste snelheid dan kan hij keisteenan verspreiden
over eene oppervlakte, waar bij laag water alleen een fijn bezinksel wordt
afgezet.
Page 221
Maar wij mogen ons niet te ver laten medevoeren door die bijzonderheden, daar
het schade zoude doen aan ons overzicht van de verschillende oorzaken, die den
bodem hebben gewijzigd. Wij komen thans tot eene andere oorzaak van
wijziging, niet minder belangrijk dan de vorige, de rijzingen en dalingen van den
bodem. Nemen wij bijvoorbeeld de bekende baai van Mont-Saint-Michel op de
grenzen van Bretagne en Normandië. Ten tijde van de Romeinsche verovering
en in de eerste eeuwen na Christus strekte zich een onmetelijk woud over die
streken uit: het was het bosch van Scissey, waarin verschillende kloosters
gesticht werden. Mont-Saint-Michel, toen Mont-Tombe genoemd, lag op 20
kilometers van de zee in het midden van het bosch. Thans ligt het in het midden
van eene naakte kust, die tweemalen daags bij vloed bedolven wordt onder de
golven der zee, die tot aan de dijken voortgaat, tot op twee kilometers daarvan af
en over eene breedte van 30 kilometers. In die geheele streek vindt men aan
weerszijden van het strand, dat door den vloed bedekt wordt, reeds op geringe
diepte alle soorten van boomstammen.
Een handschrift uit de 9de of 10de eeuw verhaalt, dat Mont-Saint-Michel reeds
lang het bosch verloren heeft, waarmede het omringd was, dat God die streek
veranderd heeft om den dienst van den heiligen aartsengel voor te bereiden, en
dat de zee alles heeft weggevaagd, om den pelgrims, die van alle zijden komen
toestroomen, eenen goeden weg te verschaffen. De eerste abdij, aan den dienst
van den heiligen Michaël gewijd, was in 709 gesticht, en reeds toen stroomde de
zee om den berg; de oude kronieken der abdij leggen immers den aartsengel de
woorden in pelago (in de zee) in den mond.
het schade zoude doen aan ons overzicht van de verschillende oorzaken, die den
bodem hebben gewijzigd. Wij komen thans tot eene andere oorzaak van
wijziging, niet minder belangrijk dan de vorige, de rijzingen en dalingen van den
bodem. Nemen wij bijvoorbeeld de bekende baai van Mont-Saint-Michel op de
grenzen van Bretagne en Normandië. Ten tijde van de Romeinsche verovering
en in de eerste eeuwen na Christus strekte zich een onmetelijk woud over die
streken uit: het was het bosch van Scissey, waarin verschillende kloosters
gesticht werden. Mont-Saint-Michel, toen Mont-Tombe genoemd, lag op 20
kilometers van de zee in het midden van het bosch. Thans ligt het in het midden
van eene naakte kust, die tweemalen daags bij vloed bedolven wordt onder de
golven der zee, die tot aan de dijken voortgaat, tot op twee kilometers daarvan af
en over eene breedte van 30 kilometers. In die geheele streek vindt men aan
weerszijden van het strand, dat door den vloed bedekt wordt, reeds op geringe
diepte alle soorten van boomstammen.
Een handschrift uit de 9de of 10de eeuw verhaalt, dat Mont-Saint-Michel reeds
lang het bosch verloren heeft, waarmede het omringd was, dat God die streek
veranderd heeft om den dienst van den heiligen aartsengel voor te bereiden, en
dat de zee alles heeft weggevaagd, om den pelgrims, die van alle zijden komen
toestroomen, eenen goeden weg te verschaffen. De eerste abdij, aan den dienst
van den heiligen Michaël gewijd, was in 709 gesticht, en reeds toen stroomde de
zee om den berg; de oude kronieken der abdij leggen immers den aartsengel de
woorden in pelago (in de zee) in den mond.
Page 222
Mont-Saint-Michel.
In 1822, na eenen storm, die het strand had omgewoeld, vond men op tien voet
onder het zand eenen straatweg, met platte steenen geplaveid, de sporen
dragende van eenen ouden Romeinschen weg, die door den moerassigen bodem
van het oude bosch gelegd was.
In 1822, na eenen storm, die het strand had omgewoeld, vond men op tien voet
onder het zand eenen straatweg, met platte steenen geplaveid, de sporen
dragende van eenen ouden Romeinschen weg, die door den moerassigen bodem
van het oude bosch gelegd was.
Page 223
Wij mogen aannemen, dat in het jaar 709 de hoogste vloed 12 meters boven de
hoogte bij laagwater was. Thans bedraagt deze 15,50 meter. De zee heeft dus in
hoogte 3,50 meters gewonnen, dat wil zeggen, de bodem is 3,50 meters gedaald,
of 33 centimeters in de eeuw.
Volgens een verhaal uit de zesde eeuw kwamen in de baai op denzelfden dag (15
April 565) de twee bisschoppen, Sint-Patern en Sint-Scubilio, om. Den dag vóór
hunnen dood gingen zij elkander te gemoet. Het was de dag vóór nieuwe maan
en de vloed kwam te zes uren op. Zij waren door den vloed van elkander
gescheiden door eene watervlakte van vier kilometers. Thans heeft de zeearm
eene breedte van twaalf kilometers.
Zoo kan men een aantal voorbeelden geven van daling van den bodem. In de
nabijheid van het vorige bosch was een ander bosch, waarin Dol gelegen is.
Thans strekt zich om Dol eene groote vlakte uit, die langzamerhand daalt en
alleen door dijken tegen de zee beveiligd kan worden. In die moeras vindt men
alle sporen der bedolven bosschen: eiken, kastanjes, populieren enz.
In de twaalfde eeuw was de rivier de Rance, die van Dinan naar St. Malo
stroomt, 70 meters breed (bij laag water). Thans is de breedte (eveneens bij laag
water) 1100 meters. Die geheele vallei is onder de golven neergedaald.
Bij overlevering weet men, dat het eiland Jersey in de historische tijden met het
vaste land verbonden was, en dat ten tijde der eerste bisschoppen (in het jaar
400) de bewoners van het eiland verplicht waren, den bisschop eene plank te
brengen, om bij laag water eene rivier over te steken. Het onderzoek der
zeekaarten bevestigt die overlevering. Men kan in de zee eene landengte
terugvinden, waardoor Jersey een tijd lang hare laatste verbinding met het vaste
land gehouden heeft. In die richting kan men over eene lengte van 32 kilometers
eene onafgebroken reeks van onderzeesche steenachtige hoogten vinden, die ons
die verbinding ten duidelijkste aanwijzen. Op Jersey en Guernsey bedekt thans
eene watermassa van 15 meters den bodem, waarop nog in 1340 bosschen en
weilanden waren.
De zee bijt ook de klippen weg langs de kust van Calvados. Bij Caen heeft men
op zes meters onder laag water overblijfselen van bootjes uit de XVde eeuw
gevonden. Bij Cherbourg vindt men op den bodem der zee overblijfselen van
een uitgestrekt bosch, bestaande uit thans nog bestaande boomsoorten. Enkele
boomstompen staan zelfs nog overeind.
hoogte bij laagwater was. Thans bedraagt deze 15,50 meter. De zee heeft dus in
hoogte 3,50 meters gewonnen, dat wil zeggen, de bodem is 3,50 meters gedaald,
of 33 centimeters in de eeuw.
Volgens een verhaal uit de zesde eeuw kwamen in de baai op denzelfden dag (15
April 565) de twee bisschoppen, Sint-Patern en Sint-Scubilio, om. Den dag vóór
hunnen dood gingen zij elkander te gemoet. Het was de dag vóór nieuwe maan
en de vloed kwam te zes uren op. Zij waren door den vloed van elkander
gescheiden door eene watervlakte van vier kilometers. Thans heeft de zeearm
eene breedte van twaalf kilometers.
Zoo kan men een aantal voorbeelden geven van daling van den bodem. In de
nabijheid van het vorige bosch was een ander bosch, waarin Dol gelegen is.
Thans strekt zich om Dol eene groote vlakte uit, die langzamerhand daalt en
alleen door dijken tegen de zee beveiligd kan worden. In die moeras vindt men
alle sporen der bedolven bosschen: eiken, kastanjes, populieren enz.
In de twaalfde eeuw was de rivier de Rance, die van Dinan naar St. Malo
stroomt, 70 meters breed (bij laag water). Thans is de breedte (eveneens bij laag
water) 1100 meters. Die geheele vallei is onder de golven neergedaald.
Bij overlevering weet men, dat het eiland Jersey in de historische tijden met het
vaste land verbonden was, en dat ten tijde der eerste bisschoppen (in het jaar
400) de bewoners van het eiland verplicht waren, den bisschop eene plank te
brengen, om bij laag water eene rivier over te steken. Het onderzoek der
zeekaarten bevestigt die overlevering. Men kan in de zee eene landengte
terugvinden, waardoor Jersey een tijd lang hare laatste verbinding met het vaste
land gehouden heeft. In die richting kan men over eene lengte van 32 kilometers
eene onafgebroken reeks van onderzeesche steenachtige hoogten vinden, die ons
die verbinding ten duidelijkste aanwijzen. Op Jersey en Guernsey bedekt thans
eene watermassa van 15 meters den bodem, waarop nog in 1340 bosschen en
weilanden waren.
De zee bijt ook de klippen weg langs de kust van Calvados. Bij Caen heeft men
op zes meters onder laag water overblijfselen van bootjes uit de XVde eeuw
gevonden. Bij Cherbourg vindt men op den bodem der zee overblijfselen van
een uitgestrekt bosch, bestaande uit thans nog bestaande boomsoorten. Enkele
boomstompen staan zelfs nog overeind.
Page 224
In de baai van Douarnenez (Finistère) bestond eertijds eene beroemde stad, Is.
Die stad was nog bloeiend in de eerste eeuwen onzer jaartelling, hoewel zij toen
reeds door de zee bedreigd werd en door dijken werd beschermd. Hare
verwoesting door de zee dagteekent, volgens de overlevering, van het jaar 444.
Men ziet thans nog bij laag water oude muren, die den naam dragen van
„Mogher Greghi”, muren der Grieken.
De geschiedenis van de verwoesting dier stad verdient een oogenblik onze aandacht. De
overlevering verhaalt, dat de stad Is tegen den Oceaan verdedigd werd door stevige dijken,
waarvan de sluizen éénmaal in iedere maand onder toezicht van den koning geopend werden, om
het overtollige water af te voeren. De stad was prachtig, het paleis weelderig ingericht, en het hof
zedeloos. De dochter des konings, prinses Dahut, was schoon, doch zeer behaagziek en
onzedelijk, zoodat zij zich, niettegenstaande haar vader een ernstig vorst was, aan de grootste
bandeloosheid overgaf. Koning Gradlon, haar vader, had beloofd, een einde te zullen maken aan
de losbandige handelingen zijner dochter, maar hij liet zich steeds door zijne goedhartigheid
medesleepen. De jeugdige prinses smeedde een komplot, om het koninklijke gezag te
vermeesteren en de oude koning werd in zijn eigen paleis gevangen gehouden. De prinses hield
nu het toezicht over het openen der sluizen, en vatte het dwaze plan op om ze bij springtij zelf te
openen!... Het was avond; de koning zag St.-Guenolëus, den apostel van Bretagne komen, die
hem de onvoorzichtigheid zijner dochter mededeelde: de zee drong in de stad door, de storm
stuwde het water voort, en daar de geheele stad op het punt was te verdwijnen, bleef hem niets
over dan de vlucht. Toch wilde de koning zijne dochter nog redden: hij liet haar halen, plaatste
haar vóór zich op zijn paard en begaf zich, gevolgd door eenige hovelingen, naar de poorten der
stad. Toen hij die poorten bereikt had, hoorde hij een akelig gebulder; omziende, zag hij, dat
waar vroeger de stad Is gestaan had, zich eene onmetelijke baai uitstrekte, waarin de sterren haar
licht weerkaatsten. En al meer en meer naderden hem de golven. Reeds wilden zij hem bereiken
en omverwerpen, daar hoorde hij eene stem: „Gradlon, indien gij niet wilt omkomen, laat dan
den demon los, dien gij met u voert.” Verschrikt voelde Dahut, hoe hare krachten haar verlieten,
een sluier bedekte hare oogen, hare handen, die stuipachtig de borst haars vaders omklemden,
verstijfden en vielen langs haar neer: zij stortte in de golven. En zie, nauwelijks hadden de
golven haar verzwolgen, of het water bleef stil staan. De koning kwam behouden te Quimper en
vestigde daar zijne residentie.
Zeker is dit verhaal eene legende, maar toch bevat het eenen grond van
waarheid: de overstrooming eener groote stad in de Vde eeuw onzer jaartelling.
Behalve Is zijn ook door de zee verzwolgen: de stad Herbadilla (bij Nantes), in
580,—Tolente, bij Brest;—Nazado, bij Erquy;—Gardoine, in de vlakte van Dol,
ten tijde van Karel den Groote. Van den mond der Loire tot Finistère vindt men
geen enkel gedeelte, waar niet overstroomde steden gevonden worden, en geen
strand, waar men niet sporen vindt, waaruit blijkt, dat die plaatsen vroeger
bewoond waren.
Die stad was nog bloeiend in de eerste eeuwen onzer jaartelling, hoewel zij toen
reeds door de zee bedreigd werd en door dijken werd beschermd. Hare
verwoesting door de zee dagteekent, volgens de overlevering, van het jaar 444.
Men ziet thans nog bij laag water oude muren, die den naam dragen van
„Mogher Greghi”, muren der Grieken.
De geschiedenis van de verwoesting dier stad verdient een oogenblik onze aandacht. De
overlevering verhaalt, dat de stad Is tegen den Oceaan verdedigd werd door stevige dijken,
waarvan de sluizen éénmaal in iedere maand onder toezicht van den koning geopend werden, om
het overtollige water af te voeren. De stad was prachtig, het paleis weelderig ingericht, en het hof
zedeloos. De dochter des konings, prinses Dahut, was schoon, doch zeer behaagziek en
onzedelijk, zoodat zij zich, niettegenstaande haar vader een ernstig vorst was, aan de grootste
bandeloosheid overgaf. Koning Gradlon, haar vader, had beloofd, een einde te zullen maken aan
de losbandige handelingen zijner dochter, maar hij liet zich steeds door zijne goedhartigheid
medesleepen. De jeugdige prinses smeedde een komplot, om het koninklijke gezag te
vermeesteren en de oude koning werd in zijn eigen paleis gevangen gehouden. De prinses hield
nu het toezicht over het openen der sluizen, en vatte het dwaze plan op om ze bij springtij zelf te
openen!... Het was avond; de koning zag St.-Guenolëus, den apostel van Bretagne komen, die
hem de onvoorzichtigheid zijner dochter mededeelde: de zee drong in de stad door, de storm
stuwde het water voort, en daar de geheele stad op het punt was te verdwijnen, bleef hem niets
over dan de vlucht. Toch wilde de koning zijne dochter nog redden: hij liet haar halen, plaatste
haar vóór zich op zijn paard en begaf zich, gevolgd door eenige hovelingen, naar de poorten der
stad. Toen hij die poorten bereikt had, hoorde hij een akelig gebulder; omziende, zag hij, dat
waar vroeger de stad Is gestaan had, zich eene onmetelijke baai uitstrekte, waarin de sterren haar
licht weerkaatsten. En al meer en meer naderden hem de golven. Reeds wilden zij hem bereiken
en omverwerpen, daar hoorde hij eene stem: „Gradlon, indien gij niet wilt omkomen, laat dan
den demon los, dien gij met u voert.” Verschrikt voelde Dahut, hoe hare krachten haar verlieten,
een sluier bedekte hare oogen, hare handen, die stuipachtig de borst haars vaders omklemden,
verstijfden en vielen langs haar neer: zij stortte in de golven. En zie, nauwelijks hadden de
golven haar verzwolgen, of het water bleef stil staan. De koning kwam behouden te Quimper en
vestigde daar zijne residentie.
Zeker is dit verhaal eene legende, maar toch bevat het eenen grond van
waarheid: de overstrooming eener groote stad in de Vde eeuw onzer jaartelling.
Behalve Is zijn ook door de zee verzwolgen: de stad Herbadilla (bij Nantes), in
580,—Tolente, bij Brest;—Nazado, bij Erquy;—Gardoine, in de vlakte van Dol,
ten tijde van Karel den Groote. Van den mond der Loire tot Finistère vindt men
geen enkel gedeelte, waar niet overstroomde steden gevonden worden, en geen
strand, waar men niet sporen vindt, waaruit blijkt, dat die plaatsen vroeger
bewoond waren.
Page 225
Op de kust bij Duinkerken, daar waar thans het strand door de zee bedekt wordt,
waren eertijds bosschen. Het strand te Etaples (bij Montreuil) bevatte een zoo
groot aantal in het zand bedolven boomen, dat de staat het recht verpachtte, om
ze uit te graven.
België en Nederland dalen langzaam; de grond der steden, in de nabijheid der
kust gebouwd, is beneden de oppervlakte der zee, zelfs bij de laagste getijden;
op verscheidene plaatsen komt de zee bij hoog water boven de daken der huizen.
Indien die streken toch bewoond zijn en tot het oude land behooren, dan hebben
zij dat te danken, niet aan de natuur, maar aan de door de menschen
vervaardigde dijken, en dat wel sedert de oudste tijden van de geschiedenis van
Nederland. Nog steeds worden die streken met bewonderenswaardige volharding
tegen de zee beveiligd.
waren eertijds bosschen. Het strand te Etaples (bij Montreuil) bevatte een zoo
groot aantal in het zand bedolven boomen, dat de staat het recht verpachtte, om
ze uit te graven.
België en Nederland dalen langzaam; de grond der steden, in de nabijheid der
kust gebouwd, is beneden de oppervlakte der zee, zelfs bij de laagste getijden;
op verscheidene plaatsen komt de zee bij hoog water boven de daken der huizen.
Indien die streken toch bewoond zijn en tot het oude land behooren, dan hebben
zij dat te danken, niet aan de natuur, maar aan de door de menschen
vervaardigde dijken, en dat wel sedert de oudste tijden van de geschiedenis van
Nederland. Nog steeds worden die streken met bewonderenswaardige volharding
tegen de zee beveiligd.
Page 226
Verwoesting der stad Is in de Vde eeuw onzer jaartelling.
Wij behoeven slechts eenige feiten mede te deelen, om een denkbeeld te
verkrijgen van den strijd, dien de inwoners van Nederland tegen het water
hebben te leveren.
In de 12de en 13de eeuw verwoesting der kust: 140 000 slachtoffers.
In 1282, vorming der Zuiderzee, door instrooming van het water in het meer Flevo.
Wij behoeven slechts eenige feiten mede te deelen, om een denkbeeld te
verkrijgen van den strijd, dien de inwoners van Nederland tegen het water
hebben te leveren.
In de 12de en 13de eeuw verwoesting der kust: 140 000 slachtoffers.
In 1282, vorming der Zuiderzee, door instrooming van het water in het meer Flevo.
Page 227
In 1321, 100 000 slachtoffers.
In 1421, 72 dorpen verzwolgen aan den mond van de Maas.
In 1427, 55 dorpen verwoest.
In 1570, doorbraak van de dijken aan den mond van de Maas, 10 000 slachtoffers.
In 1531, vergrooting van de Haarlemmermeer.
In 1717, nieuwe overstrooming, 12 000 slachtoffers, de grond is tien meters onder de vloedlijn
gedaald.
In 1775 overstrooming en tal van rampen, enz.
De kronieken van Nederland bevatten de treurigste verhalen van die vreeselijke
werking der zee op eenen steeds dalenden bodem. In de jaren 1421, 1427 en
1446 werden meer dan tweehonderd dorpen van Friesland en Zeeland
verzwolgen. Langen tijd zag men de spitsen der torens boven het water
uitsteken. Het eiland der Batavieren, reeds tijdens Tacitus bewoond, ligt thans
onder de laagwaterlijn. Bij hevige westerstormen staan de golven op de
Hollandsche kust 5½ meter boven de straten van Amsterdam.
De Zuiderzee, die eene oppervlakte heeft van 196 670 hectaren en eene diepte
heeft van 1 tot 8 meters, is eerst in de dertiende eeuw ontstaan. De tijd is
waarschijnlijk niet meer ver af, dat menschenhanden haar zullen droog maken en
dienstbaar zullen maken aan den landbouw, zooals dit ook geschied is met de
Haarlemmermeer, die 21 kilometers lang en 10 kilometers breed was en 724
millioen cubieke meters water bevatte. Ten tijde van Tacitus was de Zuiderzee
vast land met enkele meren, waarvan het grootste het meer Flevo was. Toen
stroomde de IJsel daar doorheen, en stortte zich deze, zijnen loop vervolgende,
tusschen Vlieland en Terschelling in zee.
In 1421, 72 dorpen verzwolgen aan den mond van de Maas.
In 1427, 55 dorpen verwoest.
In 1570, doorbraak van de dijken aan den mond van de Maas, 10 000 slachtoffers.
In 1531, vergrooting van de Haarlemmermeer.
In 1717, nieuwe overstrooming, 12 000 slachtoffers, de grond is tien meters onder de vloedlijn
gedaald.
In 1775 overstrooming en tal van rampen, enz.
De kronieken van Nederland bevatten de treurigste verhalen van die vreeselijke
werking der zee op eenen steeds dalenden bodem. In de jaren 1421, 1427 en
1446 werden meer dan tweehonderd dorpen van Friesland en Zeeland
verzwolgen. Langen tijd zag men de spitsen der torens boven het water
uitsteken. Het eiland der Batavieren, reeds tijdens Tacitus bewoond, ligt thans
onder de laagwaterlijn. Bij hevige westerstormen staan de golven op de
Hollandsche kust 5½ meter boven de straten van Amsterdam.
De Zuiderzee, die eene oppervlakte heeft van 196 670 hectaren en eene diepte
heeft van 1 tot 8 meters, is eerst in de dertiende eeuw ontstaan. De tijd is
waarschijnlijk niet meer ver af, dat menschenhanden haar zullen droog maken en
dienstbaar zullen maken aan den landbouw, zooals dit ook geschied is met de
Haarlemmermeer, die 21 kilometers lang en 10 kilometers breed was en 724
millioen cubieke meters water bevatte. Ten tijde van Tacitus was de Zuiderzee
vast land met enkele meren, waarvan het grootste het meer Flevo was. Toen
stroomde de IJsel daar doorheen, en stortte zich deze, zijnen loop vervolgende,
tusschen Vlieland en Terschelling in zee.
Page 228
Fig. 107. Zeeuwsche eilanden, onder de zee verdwenen.
Dezelfde verschijnselen als aan de Nederlandsche kusten neemt men ook waar
aan den mond der Gironde. Men behoeft slechts de kaarten van het jaar 1752
met die van 1842 te vergelijken, om te zien, dat de zee daar in dien tijd 1200
meters is vooruitgegaan. In 1774 was de vloedlijn te Soulac 950 meters van de
kerk verwijderd, in 1865 nog slechts 560 meters.
De rots van Cordouan maakte eertijds deel uit van het vaste land; in het jaar
1500 was zij er bij laag water alleen door eene nauwe en doorwaadbare geul van
gescheiden. Thans is zij zeven kilometers van de kust verwijderd en men kan
alleen bij laag water den toren bereiken. Zelfs kan men wiskundig aantoonen,
hoeveel de jaarlijksche daling bedraagt. Immers door de daling van den bodem
heeft men den vuurtoren moeten verhoogen, opdat het licht over dezelfde
uitgestrektheid zichtbaar zoude zijn als eene eeuw geleden. De daling bedraagt
Dezelfde verschijnselen als aan de Nederlandsche kusten neemt men ook waar
aan den mond der Gironde. Men behoeft slechts de kaarten van het jaar 1752
met die van 1842 te vergelijken, om te zien, dat de zee daar in dien tijd 1200
meters is vooruitgegaan. In 1774 was de vloedlijn te Soulac 950 meters van de
kerk verwijderd, in 1865 nog slechts 560 meters.
De rots van Cordouan maakte eertijds deel uit van het vaste land; in het jaar
1500 was zij er bij laag water alleen door eene nauwe en doorwaadbare geul van
gescheiden. Thans is zij zeven kilometers van de kust verwijderd en men kan
alleen bij laag water den toren bereiken. Zelfs kan men wiskundig aantoonen,
hoeveel de jaarlijksche daling bedraagt. Immers door de daling van den bodem
heeft men den vuurtoren moeten verhoogen, opdat het licht over dezelfde
uitgestrektheid zichtbaar zoude zijn als eene eeuw geleden. De daling bedraagt
Page 229
drie meters in de eeuw. Hier heeft echter ook het inbijten van het zeewater zich
met de daling van den bodem vereenigd.
Het eiland Aix, tegenover Rochefort, is in het jaar 1400 van Rochefort
losgeraakt; thans ligt het er verscheidene kilometers van verwijderd.
Hetzelfde is het geval met Arcachon, en op de kust van Landes tot aan Spanje.
Zeer merkbaar is die vooruitschuiving der zee te Saint-Jean-de-Luz. De stad
strekte zich eertijds noordwaarts uit: een klooster der Benedictijnen, dat daar
vroeger stond, is thans onder het water bedolven en verwoest, met uitzondering
van twee putten, wier metselwerk weerstand heeft geboden aan het water, en
waaruit men nog zoet water putten kan. Jaarlijks gaat de zee twee meters
vooruit.
met de daling van den bodem vereenigd.
Het eiland Aix, tegenover Rochefort, is in het jaar 1400 van Rochefort
losgeraakt; thans ligt het er verscheidene kilometers van verwijderd.
Hetzelfde is het geval met Arcachon, en op de kust van Landes tot aan Spanje.
Zeer merkbaar is die vooruitschuiving der zee te Saint-Jean-de-Luz. De stad
strekte zich eertijds noordwaarts uit: een klooster der Benedictijnen, dat daar
vroeger stond, is thans onder het water bedolven en verwoest, met uitzondering
van twee putten, wier metselwerk weerstand heeft geboden aan het water, en
waaruit men nog zoet water putten kan. Jaarlijks gaat de zee twee meters
vooruit.
Page 230
Fig. 108. De vuurtoren van Cordouan en het eiland in de 16de eeuw.
In de Middellandsche zee, aan het uiteinde der Adriatische zee, is Venetië een
voorbeeld van de langzame daling van den bodem: deze bedraagt 0,155 meter in
de eeuw. Het plaveisel van het Marco-plein, dat reeds eenmaal is opgehoogd,
wordt van tijd tot tijd overstroomd door het water dat bij springvloed doorsijpelt.
Het is dus zeker, dat de bodem van Nederland, België, Normandië, Bretagne en
een gedeelte van de Fransche kust van den Atlantischen Oceaan daalt. Hoeveel
bedraagt die daling? Sommigen schatten die op 2 meters in de eeuw, en beweren,
dat Normandië en Bretagne in tien eeuwen 20 meters zullen gedaald zijn, dat
alle havens aan het kanaal en aan den Oceaan zullen verwoest worden, en dat
later Parijs eene zeestad zal worden, om nog later, over een twintigtal eeuwen,
onder het water te verdwijnen; anderen daarentegen zijn van meening, dat dit
nog wel zevenmaal langer zal duren. Het is echter slechts eene vraag van tijd.
Het feit op zichzelf is niet betwistbaar. Over eenige eeuwen zal Parijs zeehaven
geworden zijn, uitsluitend door de krachten der natuur, later zal diezelfde streek
langzaam onder de zee verdwijnen, tenzij ten minste die daling ophoude en er
eene rijzing op volgt, wat mogelijk is, maar volstrekt niet zeker.
In de Middellandsche zee, aan het uiteinde der Adriatische zee, is Venetië een
voorbeeld van de langzame daling van den bodem: deze bedraagt 0,155 meter in
de eeuw. Het plaveisel van het Marco-plein, dat reeds eenmaal is opgehoogd,
wordt van tijd tot tijd overstroomd door het water dat bij springvloed doorsijpelt.
Het is dus zeker, dat de bodem van Nederland, België, Normandië, Bretagne en
een gedeelte van de Fransche kust van den Atlantischen Oceaan daalt. Hoeveel
bedraagt die daling? Sommigen schatten die op 2 meters in de eeuw, en beweren,
dat Normandië en Bretagne in tien eeuwen 20 meters zullen gedaald zijn, dat
alle havens aan het kanaal en aan den Oceaan zullen verwoest worden, en dat
later Parijs eene zeestad zal worden, om nog later, over een twintigtal eeuwen,
onder het water te verdwijnen; anderen daarentegen zijn van meening, dat dit
nog wel zevenmaal langer zal duren. Het is echter slechts eene vraag van tijd.
Het feit op zichzelf is niet betwistbaar. Over eenige eeuwen zal Parijs zeehaven
geworden zijn, uitsluitend door de krachten der natuur, later zal diezelfde streek
langzaam onder de zee verdwijnen, tenzij ten minste die daling ophoude en er
eene rijzing op volgt, wat mogelijk is, maar volstrekt niet zeker.
Page 231
Fig. 109. De vuurtoren van Cordouan.
De Seine is te Parijs slechts 26 meters boven den gemiddelden waterspiegel der
zee gelegen. In toekomstige eeuwen zullen het Pantheon, de sterrenwacht, de
Triomfboog, de toekomstige gebouwen van Montmartre, Père-Lachaise en
Mont-Valérien boven de zee uitsteken als de laatste getuigen van vervlogen
eeuwen. Maar het is hoogstwaarschijnlijk, dat die heerlijke stad niet zoolang
leven zal, en dat zij over vier- vijf- of zesduizend jaren reeds vergeten zal zijn,
De Seine is te Parijs slechts 26 meters boven den gemiddelden waterspiegel der
zee gelegen. In toekomstige eeuwen zullen het Pantheon, de sterrenwacht, de
Triomfboog, de toekomstige gebouwen van Montmartre, Père-Lachaise en
Mont-Valérien boven de zee uitsteken als de laatste getuigen van vervlogen
eeuwen. Maar het is hoogstwaarschijnlijk, dat die heerlijke stad niet zoolang
leven zal, en dat zij over vier- vijf- of zesduizend jaren reeds vergeten zal zijn,
Page 232
als de brandpunten der beschaving zich naar gene zijde van den Atlantischen
Oceaan zullen hebben verplaatst.
Wat Holland, de baai St.-Michel, Venetië, Cordouan en andere betreft, valt er aan
het dalen van den bodem niet te twijfelen. In andere gevallen komt nog bij die
daling de verwering der kusten door de golven der zee. Somtijds ook, zooals bij
Kaap la Hève is de uitbreiding van de zee alleen het gevolg van het knagen aan
de kusten, zonder dat de bodem gedaald is. Overal waar de rotsen ondermijnd
worden door het water, wordt de kust weggebeten. In Engeland vindt men
daarvan een aantal voorbeelden. Het eiland Sheppey in Kent, verliest meer dan
eene hectare in het jaar, en als dit zoo voortgaat, is de tijd niet ver meer
verwijderd, dat het geheele eiland verdwenen is. Verder oostwaarts ziet men de
kerk van Reculver, die ten tijde van Hendrik VIII op 1600 meters van de zee
verwijderd was. In 1781 was er nog een aanzienlijke afstand tusschen den muur
van het kerkhof en de klip; in 1804 werd een deel van het kerkhof bedolven; in
1834 vond Lyell menschenbeenderen en een stuk van eene houten doodkist, die
uit de ingestorte glooiing uitstak, thans blijft de kerk alleen staan door eenen
kunstmatigen dijk van steenen en palen, die haar beschermt (fig. 110 en 111).
Op de kust van Suffolk is de stad Dunwich, eertijds de belangrijkste haven van
die streek, door het inwerken van het water op de rotsen, waarop zij gebouwd
was, geheel verwoest. De verwoesting begon in de 11de en is in de 18de eeuw
voleindigd.
Te Harwich, Folkestone, St. Leonard, Hastings, New-Haven wordt de kust door
de zee afgeknaagd, die op verschillende punten meer dan honderd meters in de
eeuw vooruitgaat. Men houdt met die afneming der Engelsche kusten op
sommige plaatsen zóózeer rekening, dat men ze bij koopactes schat op 1 meter
in het jaar.
Ook in Turkije, b.v. te Gallipoli, knaagt de zee aan de rotsen. Dikwijls kan de
mensch die verwoesting der klippen in bedwang houden door de golven te
beletten, tot den voet der steilte door te dringen. Niet ver van Dover verheft zich
de beroemde klip, die de Engelschen aan Shakespeare gewijd hebben ter
herinnering aan de schoone beschrijving, door hem daarvan in „King Lear”
gegeven. Om die historische plek, de rotsen en de daarop gebouwde huizen, den
spoortrein, te beschermen, heeft men door mijngangen het geheele bovenste deel
der rots, wier voet verteerd was, laten springen. Door middel van 9 000 kilogram
Oceaan zullen hebben verplaatst.
Wat Holland, de baai St.-Michel, Venetië, Cordouan en andere betreft, valt er aan
het dalen van den bodem niet te twijfelen. In andere gevallen komt nog bij die
daling de verwering der kusten door de golven der zee. Somtijds ook, zooals bij
Kaap la Hève is de uitbreiding van de zee alleen het gevolg van het knagen aan
de kusten, zonder dat de bodem gedaald is. Overal waar de rotsen ondermijnd
worden door het water, wordt de kust weggebeten. In Engeland vindt men
daarvan een aantal voorbeelden. Het eiland Sheppey in Kent, verliest meer dan
eene hectare in het jaar, en als dit zoo voortgaat, is de tijd niet ver meer
verwijderd, dat het geheele eiland verdwenen is. Verder oostwaarts ziet men de
kerk van Reculver, die ten tijde van Hendrik VIII op 1600 meters van de zee
verwijderd was. In 1781 was er nog een aanzienlijke afstand tusschen den muur
van het kerkhof en de klip; in 1804 werd een deel van het kerkhof bedolven; in
1834 vond Lyell menschenbeenderen en een stuk van eene houten doodkist, die
uit de ingestorte glooiing uitstak, thans blijft de kerk alleen staan door eenen
kunstmatigen dijk van steenen en palen, die haar beschermt (fig. 110 en 111).
Op de kust van Suffolk is de stad Dunwich, eertijds de belangrijkste haven van
die streek, door het inwerken van het water op de rotsen, waarop zij gebouwd
was, geheel verwoest. De verwoesting begon in de 11de en is in de 18de eeuw
voleindigd.
Te Harwich, Folkestone, St. Leonard, Hastings, New-Haven wordt de kust door
de zee afgeknaagd, die op verschillende punten meer dan honderd meters in de
eeuw vooruitgaat. Men houdt met die afneming der Engelsche kusten op
sommige plaatsen zóózeer rekening, dat men ze bij koopactes schat op 1 meter
in het jaar.
Ook in Turkije, b.v. te Gallipoli, knaagt de zee aan de rotsen. Dikwijls kan de
mensch die verwoesting der klippen in bedwang houden door de golven te
beletten, tot den voet der steilte door te dringen. Niet ver van Dover verheft zich
de beroemde klip, die de Engelschen aan Shakespeare gewijd hebben ter
herinnering aan de schoone beschrijving, door hem daarvan in „King Lear”
gegeven. Om die historische plek, de rotsen en de daarop gebouwde huizen, den
spoortrein, te beschermen, heeft men door mijngangen het geheele bovenste deel
der rots, wier voet verteerd was, laten springen. Door middel van 9 000 kilogram
Page 233
kruit heeft men één milliard kilogram verbrijzeld en doen neêrstorten, welke
massa eene bank vormt van zeven tot acht hectaren, die door hare glooiing in de
eerste eeuwen de verwoesting der rots belet, welke reeds gedurende achttien
eeuwen over eene lengte van twee kilometers afgeknaagd was.
Fig. 110. Het voortwoekeren der zee: De kerk van Reculver in 1781.
Kan men reeds van geslacht tot geslacht en zelfs van jaar tot jaar dat knagen der
zee volgen bij klippen op het vasteland gelegen, des te sterker komt dit uit op
eilanden. Enkele sterk glooiende eilanden, die vroeger eene groote
uitgestrektheid hadden, zijn bijna geheel verdwenen. Zoo kan men in de
Noordzee het eiland Helgoland noemen, dat bestaat uit bonte zandsteen, en dat
over zijnen geheelen omtrek omgeven is door eene rotssteilte van 60 meters
hoogte. In de elfde eeuw strekte het zich uit over eene oppervlakte van 900
vierkante kilometers, was het zeer vruchtbaar, en rijk aan graan, vee en
pluimgedierte. Thans is er nog slechts eene bank over van 2 kilometers lengte en
massa eene bank vormt van zeven tot acht hectaren, die door hare glooiing in de
eerste eeuwen de verwoesting der rots belet, welke reeds gedurende achttien
eeuwen over eene lengte van twee kilometers afgeknaagd was.
Fig. 110. Het voortwoekeren der zee: De kerk van Reculver in 1781.
Kan men reeds van geslacht tot geslacht en zelfs van jaar tot jaar dat knagen der
zee volgen bij klippen op het vasteland gelegen, des te sterker komt dit uit op
eilanden. Enkele sterk glooiende eilanden, die vroeger eene groote
uitgestrektheid hadden, zijn bijna geheel verdwenen. Zoo kan men in de
Noordzee het eiland Helgoland noemen, dat bestaat uit bonte zandsteen, en dat
over zijnen geheelen omtrek omgeven is door eene rotssteilte van 60 meters
hoogte. In de elfde eeuw strekte het zich uit over eene oppervlakte van 900
vierkante kilometers, was het zeer vruchtbaar, en rijk aan graan, vee en
pluimgedierte. Thans is er nog slechts eene bank over van 2 kilometers lengte en
Page 234
600 meters breedte, en vindt men er onvruchtbare weilanden en enkele
aardappelvelden. Zoo zouden wij nog een groot aantal voorbeelden kunnen
noemen.
Fig. 111. De kerk van Reculver in 1834.
Indien eenerzijds de zee aan het vasteland knaagt, kunnen wij anderzijds
voorbeelden genoeg vinden, hoe het vasteland aanwint ten koste van de zee. Wij
hebben reeds gesproken over de monden der rivieren en zullen thans enkele
voorbeelden geven van de rijzing van den bodem.
In Bretagne vormden het vlek Batz tusschen de Loire en de Vilaine, le Croisic en
Pouliguen, eertijds een eiland. Langzamerhand is de ruimte tusschen het eiland
en het vasteland in eene moeras veranderd. Strabo verhaalt, dat dit eiland
bewoond werd door Samnitische priesteressen, die daar eenen wreeden en
onzinnigen godsdienst uitoefenden. De zoutmoerassen zijn door de zee verlaten.
aardappelvelden. Zoo zouden wij nog een groot aantal voorbeelden kunnen
noemen.
Fig. 111. De kerk van Reculver in 1834.
Indien eenerzijds de zee aan het vasteland knaagt, kunnen wij anderzijds
voorbeelden genoeg vinden, hoe het vasteland aanwint ten koste van de zee. Wij
hebben reeds gesproken over de monden der rivieren en zullen thans enkele
voorbeelden geven van de rijzing van den bodem.
In Bretagne vormden het vlek Batz tusschen de Loire en de Vilaine, le Croisic en
Pouliguen, eertijds een eiland. Langzamerhand is de ruimte tusschen het eiland
en het vasteland in eene moeras veranderd. Strabo verhaalt, dat dit eiland
bewoond werd door Samnitische priesteressen, die daar eenen wreeden en
onzinnigen godsdienst uitoefenden. De zoutmoerassen zijn door de zee verlaten.
Page 235
Te Carnac wijkt de zee terug, te Hennebont eveneens; te Brouage, niet ver van
Rochefort, is de zee teruggeweken en heeft zij plaats gemaakt voor zoutpoelen.
De vrachtdieren worden thans vastgemaakt aan dezelfde ringen, waaraan tijdens
het beleg van La Rochelle (1627) de schepen van Richelieu bevestigd werden.
Het stadje Brouage, dat thans om zijne ongezonde ligging verlaten is, krijgt in
zijne grachten alleen bij springvloed water.
In Rochefort zijn de scheepshellingen, die ten tijde van Lodewijk XIV
vervaardigd zijn, thans 1,25 meter te hoog; in de zoutpoelen daar ter plaatse
bemerkt men, dat van jaar tot jaar de bodem rijst, en moet men, om het water te
doen binnenstroomen, dat het zout moet leveren, meer en meer tot de kust
naderen, en de oude verdampingsbekkens laten liggen, die nu eene breede strook
vormen achter de thans in gebruik zijnde bekkens.
Ten zuiden van den mond der Loire vindt men het eiland Noirmontiers, eertijds
een op zich zelf staand eiland, thans bij eb aan het land verbonden. De gemeente
Bourgneuf heeft in honderd jaren 500 hectaren aangewonnen. De baai van
Aiguillon schijnt het overblijfsel te zijn van de oude golf van Poitou, die zich tot
Niort, Luçon en Courçon uitstrekte; aanslibbingen en misschien ook eene rijzing
van de kust hebben in betrekkelijk korten tijd eene landaanwinst van 500 000
hectaren geleverd: men berekent, dat de zee jaarlijks dertig hectaren afstaat;
blijft dit zoo voortduren, dan is van de geheele golf van Poitou over honderd
jaren niets meer over.
Op de kust der Vendée, bij Aiguillon, bezaten de monniken van Saint-Michel-en-
l’Herm een onmetelijk terrein met visscherijen en paardenstoeterijen, die
honderdduizenden guldens jaarlijks opbrachten; daar zij wenschten de
landaanwinningen voor zich te behouden en vreesden, dat de koning hun die
vermeerdering zoude betwisten, luidden hunne eigendomstitels: in het westen tot
aan Amerika. Men ziet, dat zij de noodige voorzorgsmaatregelen genomen
hadden. Hendrik IV durfde des avonds bij stormweder niet over te steken naar
het eiland Noirmoutiers, hoewel die overtocht thans bij elk mogelijk weder op
paarden of ezels geschiedt.
Bij al die oorzaken van verandering der kusten moeten wij nog de zandduinen
voegen, door den zeewind voortgestuwd. Op de kust van de Landes in Gascogne
brengt de zee jaarlijks 6 millioen cubieke meters zand aan! Dat zand, door den
wind voortgedreven, vormt heuvels, somtijds bergen. Er zijn er van 80 tot 90
Rochefort, is de zee teruggeweken en heeft zij plaats gemaakt voor zoutpoelen.
De vrachtdieren worden thans vastgemaakt aan dezelfde ringen, waaraan tijdens
het beleg van La Rochelle (1627) de schepen van Richelieu bevestigd werden.
Het stadje Brouage, dat thans om zijne ongezonde ligging verlaten is, krijgt in
zijne grachten alleen bij springvloed water.
In Rochefort zijn de scheepshellingen, die ten tijde van Lodewijk XIV
vervaardigd zijn, thans 1,25 meter te hoog; in de zoutpoelen daar ter plaatse
bemerkt men, dat van jaar tot jaar de bodem rijst, en moet men, om het water te
doen binnenstroomen, dat het zout moet leveren, meer en meer tot de kust
naderen, en de oude verdampingsbekkens laten liggen, die nu eene breede strook
vormen achter de thans in gebruik zijnde bekkens.
Ten zuiden van den mond der Loire vindt men het eiland Noirmontiers, eertijds
een op zich zelf staand eiland, thans bij eb aan het land verbonden. De gemeente
Bourgneuf heeft in honderd jaren 500 hectaren aangewonnen. De baai van
Aiguillon schijnt het overblijfsel te zijn van de oude golf van Poitou, die zich tot
Niort, Luçon en Courçon uitstrekte; aanslibbingen en misschien ook eene rijzing
van de kust hebben in betrekkelijk korten tijd eene landaanwinst van 500 000
hectaren geleverd: men berekent, dat de zee jaarlijks dertig hectaren afstaat;
blijft dit zoo voortduren, dan is van de geheele golf van Poitou over honderd
jaren niets meer over.
Op de kust der Vendée, bij Aiguillon, bezaten de monniken van Saint-Michel-en-
l’Herm een onmetelijk terrein met visscherijen en paardenstoeterijen, die
honderdduizenden guldens jaarlijks opbrachten; daar zij wenschten de
landaanwinningen voor zich te behouden en vreesden, dat de koning hun die
vermeerdering zoude betwisten, luidden hunne eigendomstitels: in het westen tot
aan Amerika. Men ziet, dat zij de noodige voorzorgsmaatregelen genomen
hadden. Hendrik IV durfde des avonds bij stormweder niet over te steken naar
het eiland Noirmoutiers, hoewel die overtocht thans bij elk mogelijk weder op
paarden of ezels geschiedt.
Bij al die oorzaken van verandering der kusten moeten wij nog de zandduinen
voegen, door den zeewind voortgestuwd. Op de kust van de Landes in Gascogne
brengt de zee jaarlijks 6 millioen cubieke meters zand aan! Dat zand, door den
wind voortgedreven, vormt heuvels, somtijds bergen. Er zijn er van 80 tot 90
Page 236
meters hoogte. In Afrika, op de lage zandoevers, waar de Oceaan aan de Sahara
grenst, bereiken de duinen van kaap Bojador en kaap Verde dikwijls eene hoogte
van 120 tot 180 meters. Men heeft van eeuw tot eeuw dorpen zien bedelven
onder het fijne stof. In Gascogne zijn de dorpen Lislan en Lélos geheel
verdwenen. Het dorpje Mimizan is nog bijtijds gered door palen en
beplantingen. Sommige duinen verplaatsen zich 20 tot 25 meters jaarlijks. De
mensch houdt ze thans tegen door beplantingen, die den wind geen vat geven.
Indien de zeewind en de landwind gemiddeld met elkander evenwicht maken,
blijven de duinen op hunne plaats; wat zij den éénen dag winnen, verliezen zij
den volgenden dag. Maar indien de zeewind de overhand heeft, breiden zij zich
hoe langer zoo verder uit en vormen zij wandelende heuvels, die onverbiddelijk
in het land binnendringen. Zoo bedekken de duinen van Santec in de nabijheid
van Saint-Pol-de Leon (Finistère) eene streek, die tot in 1616 bewoond en
vruchtbaar was; men kon nog in het begin dezer eeuw, de klok van den toren en
enkele schoorsteenen boven het zand zien uitsteken. De duinen gingen jaarlijks
537 meters vooruit! Men heeft dien voortgang tegengehouden door beplanting.
grenst, bereiken de duinen van kaap Bojador en kaap Verde dikwijls eene hoogte
van 120 tot 180 meters. Men heeft van eeuw tot eeuw dorpen zien bedelven
onder het fijne stof. In Gascogne zijn de dorpen Lislan en Lélos geheel
verdwenen. Het dorpje Mimizan is nog bijtijds gered door palen en
beplantingen. Sommige duinen verplaatsen zich 20 tot 25 meters jaarlijks. De
mensch houdt ze thans tegen door beplantingen, die den wind geen vat geven.
Indien de zeewind en de landwind gemiddeld met elkander evenwicht maken,
blijven de duinen op hunne plaats; wat zij den éénen dag winnen, verliezen zij
den volgenden dag. Maar indien de zeewind de overhand heeft, breiden zij zich
hoe langer zoo verder uit en vormen zij wandelende heuvels, die onverbiddelijk
in het land binnendringen. Zoo bedekken de duinen van Santec in de nabijheid
van Saint-Pol-de Leon (Finistère) eene streek, die tot in 1616 bewoond en
vruchtbaar was; men kon nog in het begin dezer eeuw, de klok van den toren en
enkele schoorsteenen boven het zand zien uitsteken. De duinen gingen jaarlijks
537 meters vooruit! Men heeft dien voortgang tegengehouden door beplanting.
Page 237
Fig. 112. Dorp onder de duinen begraven.
In ons land heeft men dezelfde verschijnselen waargenomen. Van 1421 tot 1625
is het dorp Petten eenmaal geheel vernield en heeft het tweemaal zóóveel
verloren, dat men de huizen landwaarts heeft moeten verplaatsen. De
Hondsbossche zeedijk was in de zeventiende eeuw nog door duinen van 350
meters breedte beschermd; sedert dien tijd is dat duin weggeslagen. Van 1660 tot
1839 is de laagwaterlijn 670 meters oostwaarts verplaatst.
De voet der duinen is langs de kust van Noord-Holland van 1843 tot 1853
gemiddeld 20 meters geweken. Op sommige plaatsen is door aanstuiving het
weggeslagene weder teruggegeven.
Van Noordwijk-buiten en Katwijk-buiten is herhaaldelijk een deel der huizen
door stormvloeden weggeslagen. Het huis te Britten, waarvan in 1694 nog de
fundamenten gezien zijn, lag een paar duizend meters van het tegenwoordige
In ons land heeft men dezelfde verschijnselen waargenomen. Van 1421 tot 1625
is het dorp Petten eenmaal geheel vernield en heeft het tweemaal zóóveel
verloren, dat men de huizen landwaarts heeft moeten verplaatsen. De
Hondsbossche zeedijk was in de zeventiende eeuw nog door duinen van 350
meters breedte beschermd; sedert dien tijd is dat duin weggeslagen. Van 1660 tot
1839 is de laagwaterlijn 670 meters oostwaarts verplaatst.
De voet der duinen is langs de kust van Noord-Holland van 1843 tot 1853
gemiddeld 20 meters geweken. Op sommige plaatsen is door aanstuiving het
weggeslagene weder teruggegeven.
Van Noordwijk-buiten en Katwijk-buiten is herhaaldelijk een deel der huizen
door stormvloeden weggeslagen. Het huis te Britten, waarvan in 1694 nog de
fundamenten gezien zijn, lag een paar duizend meters van het tegenwoordige
Page 238
strand. De kerk te Scheveningen ligt op 1800 meters van de plaats, waar de
vorige gestaan heeft.
Op Voorne en Goeree hebben zich de duinen eveneens oostwaarts verplaatst, zóó
zelfs dat de zee gronden heeft vermeesterd, die vroeger aan den binnenkant der
duinen lagen.
Men ziet, dat een aantal oorzaken inwerken op den vorm der kusten. Somtijds
worden de brokstukken der klippen als keisteenen en zand langs de kusten
medegevoerd door de vloedgolven, en worden daardoor banken gevormd. Dit is
het geval op de kusten van het Kanaal, aan den mond van de Somme, op de
kusten van Vlaanderen, Holland en het oosten van Engeland. De zeestroomen,
de windrichting en de loop van het zand, dat naar de monden der stroomen
gevoerd wordt, veranderen dus op ingewikkelde wijze de gedaante der kusten.
Doch keeren wij tot de beweging van den bodem terug.
Het duidelijkst blijkt de langzame doch zekere verandering van den bodem in
Zweden en het geheele Scandinavische schiereiland, dat aan de ééne zijde rijst,
terwijl het aan de andere zijde daalt. Reeds in 1730 had de Zweedsche
sterrenkundige Celsius (bekend door den honderddeeligen thermometer) uit de
berichten van boeren en visschers afgeleid, dat de Bothnische golf van jaar tot
jaar in diepte en uitgestrektheid afneemt; oudere lieden wezen hem verschillende
punten van de kust aan, waar de zee in hunne jeugd nog kwam; de namen der
plaatsen, de binnenwaartsche ligging van vroegere havens, de overblijfselen van
booten, ver van de zee gevonden, de volkszangen, konden daaromtrent geenen
twijfel overlaten. Was het hier de zee, die gedaald, of de grond, die gerezen was?
Toen ten tijde was men algemeen van gevoelen, dat de bodem onveranderlijk
was, en zoowel Celsius als de andere geleerden van zijnen tijd schreven de
verandering toe aan eene vermindering van het water der Baltische Zee. Het
volgende jaar, in 1731, trok hij met Linnaeus eene merklijn aan den voet van
eene rots op het eiland Loeffgrund, en dertien jaren later was het water 0,18
meter gezakt. Hij werd door de theologen van Stockholm en Upsala, die
beweerden dat de schepping onveranderlijk was, van onrechtzinnigheid
beschuldigd, en zelfs werd het Parlement geroepen, om het vraagstuk door
stemming te beslissen. De vertegenwoordigers van het volk en den adel hadden
zóóveel gezond verstand, dat zij zich onbevoegd verklaarden; maar de
vorige gestaan heeft.
Op Voorne en Goeree hebben zich de duinen eveneens oostwaarts verplaatst, zóó
zelfs dat de zee gronden heeft vermeesterd, die vroeger aan den binnenkant der
duinen lagen.
Men ziet, dat een aantal oorzaken inwerken op den vorm der kusten. Somtijds
worden de brokstukken der klippen als keisteenen en zand langs de kusten
medegevoerd door de vloedgolven, en worden daardoor banken gevormd. Dit is
het geval op de kusten van het Kanaal, aan den mond van de Somme, op de
kusten van Vlaanderen, Holland en het oosten van Engeland. De zeestroomen,
de windrichting en de loop van het zand, dat naar de monden der stroomen
gevoerd wordt, veranderen dus op ingewikkelde wijze de gedaante der kusten.
Doch keeren wij tot de beweging van den bodem terug.
Het duidelijkst blijkt de langzame doch zekere verandering van den bodem in
Zweden en het geheele Scandinavische schiereiland, dat aan de ééne zijde rijst,
terwijl het aan de andere zijde daalt. Reeds in 1730 had de Zweedsche
sterrenkundige Celsius (bekend door den honderddeeligen thermometer) uit de
berichten van boeren en visschers afgeleid, dat de Bothnische golf van jaar tot
jaar in diepte en uitgestrektheid afneemt; oudere lieden wezen hem verschillende
punten van de kust aan, waar de zee in hunne jeugd nog kwam; de namen der
plaatsen, de binnenwaartsche ligging van vroegere havens, de overblijfselen van
booten, ver van de zee gevonden, de volkszangen, konden daaromtrent geenen
twijfel overlaten. Was het hier de zee, die gedaald, of de grond, die gerezen was?
Toen ten tijde was men algemeen van gevoelen, dat de bodem onveranderlijk
was, en zoowel Celsius als de andere geleerden van zijnen tijd schreven de
verandering toe aan eene vermindering van het water der Baltische Zee. Het
volgende jaar, in 1731, trok hij met Linnaeus eene merklijn aan den voet van
eene rots op het eiland Loeffgrund, en dertien jaren later was het water 0,18
meter gezakt. Hij werd door de theologen van Stockholm en Upsala, die
beweerden dat de schepping onveranderlijk was, van onrechtzinnigheid
beschuldigd, en zelfs werd het Parlement geroepen, om het vraagstuk door
stemming te beslissen. De vertegenwoordigers van het volk en den adel hadden
zóóveel gezond verstand, dat zij zich onbevoegd verklaarden; maar de
Page 239
geestelijkheid en de burgerij verklaarden de nieuwe meening kettersch! De
geschiedenis der kerkelijke ijdelheid zal toch steeds merkwaardig blijven!
Doch de uitspraak der Zweedsche theologen belette de aarde niet te veranderen.
Sedert Celsius en Linnaeus heeft men de waarnemingen voortgezet, en heeft
men duidelijk aangetoond, dat werkelijk de bodem van Zweden merkbaar in het
noorden rijst en in het zuiden daalt. De scheidingslijn loopt van de Zweedsche
kust naar die van Sleeswijk-Holstein, tot voorbij Bornholm en Laaland. Volgens
de laatste opmetingen (1884) is de noordelijke kust in 153 jaren 2,10 meters
gestegen. Daarentegen daalt het zuidelijk uiteinde van het Scandinavisch
schiereiland en ook Jutland langzaam. Oude bosschen aan de kust der zee zijn
verzwolgen en dalen nog steeds. Enkele straten van Trelleborg, Istad, Malmö
staan thans onder water: de laatste stad is sedert 1731 1,55 meters gedaald.
Tot op 27 meters hoogte vindt men zeeschelpen, die overeenkomen met die,
welke thans in die zeeën gevonden worden.
Toen men de kanalen groef, die bij Stockholm het Mölarmeer met de zee
verbinden, kwamen oude begraven schepen te voorschijn. Toen men eenen
heuvel afgroef, vond men eene houten woning, op 15 meters diepte onder het
zand, de klei en de grint bedolven.
Ook in Devonshire en in Cornwall (Engeland) vond men onder de zee begraven
bosschen; bij laag water vindt men een aantal zwart geworden stompen van
boomen, en pootaarde, waarin hazelnoten, takken, bladeren en beenderen
gevonden worden. Die stompen staan alle vertikaal: de daling moet dus
langzaam en zonder schokken hebben plaats gehad.
Van Kessing tot Cromer (Norfolk) is een bosch van 64 kilometers lengte
zichtbaar bij laag water; dat bosch bestaat uit boomstammen, die nog met de
wortels aan den grond bevestigd zijn; er zijn er onder, die van 60 tot 90
centimeters middellijn hebben, en de kleibedding, waarin zij gevonden worden,
bevat eene groote hoeveelheid plantaardige stoffen. Zij komen te voorschijn, zoo
dikwijls de golven bij laag water het zand en de keisteenen hebben weggeruimd,
die ze bedekken.
Ook te Plumstead, te Dagenham, en andere gedeelten van de Theems, tusschen
Woolwich en Erith, kan men bij laag water de overblijfselen vinden van een
bosch, waarover tegenwoordig de Theems stroomt; men heeft daar onder 6 tot 8
geschiedenis der kerkelijke ijdelheid zal toch steeds merkwaardig blijven!
Doch de uitspraak der Zweedsche theologen belette de aarde niet te veranderen.
Sedert Celsius en Linnaeus heeft men de waarnemingen voortgezet, en heeft
men duidelijk aangetoond, dat werkelijk de bodem van Zweden merkbaar in het
noorden rijst en in het zuiden daalt. De scheidingslijn loopt van de Zweedsche
kust naar die van Sleeswijk-Holstein, tot voorbij Bornholm en Laaland. Volgens
de laatste opmetingen (1884) is de noordelijke kust in 153 jaren 2,10 meters
gestegen. Daarentegen daalt het zuidelijk uiteinde van het Scandinavisch
schiereiland en ook Jutland langzaam. Oude bosschen aan de kust der zee zijn
verzwolgen en dalen nog steeds. Enkele straten van Trelleborg, Istad, Malmö
staan thans onder water: de laatste stad is sedert 1731 1,55 meters gedaald.
Tot op 27 meters hoogte vindt men zeeschelpen, die overeenkomen met die,
welke thans in die zeeën gevonden worden.
Toen men de kanalen groef, die bij Stockholm het Mölarmeer met de zee
verbinden, kwamen oude begraven schepen te voorschijn. Toen men eenen
heuvel afgroef, vond men eene houten woning, op 15 meters diepte onder het
zand, de klei en de grint bedolven.
Ook in Devonshire en in Cornwall (Engeland) vond men onder de zee begraven
bosschen; bij laag water vindt men een aantal zwart geworden stompen van
boomen, en pootaarde, waarin hazelnoten, takken, bladeren en beenderen
gevonden worden. Die stompen staan alle vertikaal: de daling moet dus
langzaam en zonder schokken hebben plaats gehad.
Van Kessing tot Cromer (Norfolk) is een bosch van 64 kilometers lengte
zichtbaar bij laag water; dat bosch bestaat uit boomstammen, die nog met de
wortels aan den grond bevestigd zijn; er zijn er onder, die van 60 tot 90
centimeters middellijn hebben, en de kleibedding, waarin zij gevonden worden,
bevat eene groote hoeveelheid plantaardige stoffen. Zij komen te voorschijn, zoo
dikwijls de golven bij laag water het zand en de keisteenen hebben weggeruimd,
die ze bedekken.
Ook te Plumstead, te Dagenham, en andere gedeelten van de Theems, tusschen
Woolwich en Erith, kan men bij laag water de overblijfselen vinden van een
bosch, waarover tegenwoordig de Theems stroomt; men heeft daar onder 6 tot 8
Page 240
voet aangeslibden grond, eenen bodem gevonden, bestaande uit takken,
bladeren, en sporen van boomen en beenderen van dieren uit het tegenwoordig
tijdperk. Die daling is van jongen datum, evenals alle vorige. De stad Londen is
op een oud bosch gebouwd, dat eertijds bewoond werd door dierenrassen,
waarvan men de overblijfselen heeft weergevonden.
Die dalingen en rijzingen hebben niet alleen in het tegenwoordige tijdperk plaats
gehad; ook eertijds deed zich ditzelfde verschijnsel voor, en daaruit kan de
verscheidenheid in de hoogte van de aardschors verklaard worden.
Groenland, thans overdekt met ijs en bezaaid met puinhoopen, was, zooals de
naam aanduidt; eertijds een vruchtbaar land. Na de reizen, in 983 en 986 door
Erik den Roode gedaan, werd het land langs de kusten gekoloniseerd. Thans
bedekt het ijs meer dan de helft van de twee milliard vierkante kilometers zijner
oppervlakte. Het is na de ijsperiode gerezen, en die rijzing heeft banken van
schelpen, overeenkomende met die, welke thans in de naburige zee gevonden
worden, tot 50 meters opgevoerd. De expeditie van 1879 tot 1883 op last van de
Deensche regeering ondernomen, heeft eene ruïne gevonden uit de
middeleeuwen, op eene klip gelegen, die zóózeer gedaald is, dat de zee den voet
aanraakt. De westelijke kust daalt langzaam maar zeker.
Niet ver van Groenland vindt men op de oude zeekaarten op 57° N.B. en 30°
W.L. „het verdronken Bussland”, waarvan men thans geen spoor meer
terugvindt. Daar staat thans 748 vademen water boven eenen onderzeeschen
berg, waaromheen aan weerszijden de diepte 1200 vademen bedraagt. Toch
wezen nog in 1777 de zeekaarten daar eene klip aan. Nog verder teruggaande in
de geschiedenis vindt men in 1380 het verhaal van twee Venetiaansche edelen,
Nicola en Antonio Zeni, die, door eenen storm overvallen, zijn opgenomen door
eene Christelijke bevolking, die een groot eiland bewoonde, waarop honderd
steden en honderd dorpen gevonden werden. Was dat eiland Bussland of een
deel van Groenland? De geschiedenis zwijgt er over. Waarschijnlijk is daar een
verdronken eiland.
Wij mogen na het voorgaande als zeker aannemen, dat de westkust van
Groenland, het zuidelijk uiteinde van Zweden, Pruisen, Hannover, Holland,
België, Vlaanderen, Picardië, Normandië, een groot deel van Bretagne, (de
Vendée, Poitou, Saintonge schijnen te rijzen), de Landes en Gascogne tot aan
Spanje, de kust der Adriatische zee, de Nijldelta en de streek van het Suezkanaal,
bladeren, en sporen van boomen en beenderen van dieren uit het tegenwoordig
tijdperk. Die daling is van jongen datum, evenals alle vorige. De stad Londen is
op een oud bosch gebouwd, dat eertijds bewoond werd door dierenrassen,
waarvan men de overblijfselen heeft weergevonden.
Die dalingen en rijzingen hebben niet alleen in het tegenwoordige tijdperk plaats
gehad; ook eertijds deed zich ditzelfde verschijnsel voor, en daaruit kan de
verscheidenheid in de hoogte van de aardschors verklaard worden.
Groenland, thans overdekt met ijs en bezaaid met puinhoopen, was, zooals de
naam aanduidt; eertijds een vruchtbaar land. Na de reizen, in 983 en 986 door
Erik den Roode gedaan, werd het land langs de kusten gekoloniseerd. Thans
bedekt het ijs meer dan de helft van de twee milliard vierkante kilometers zijner
oppervlakte. Het is na de ijsperiode gerezen, en die rijzing heeft banken van
schelpen, overeenkomende met die, welke thans in de naburige zee gevonden
worden, tot 50 meters opgevoerd. De expeditie van 1879 tot 1883 op last van de
Deensche regeering ondernomen, heeft eene ruïne gevonden uit de
middeleeuwen, op eene klip gelegen, die zóózeer gedaald is, dat de zee den voet
aanraakt. De westelijke kust daalt langzaam maar zeker.
Niet ver van Groenland vindt men op de oude zeekaarten op 57° N.B. en 30°
W.L. „het verdronken Bussland”, waarvan men thans geen spoor meer
terugvindt. Daar staat thans 748 vademen water boven eenen onderzeeschen
berg, waaromheen aan weerszijden de diepte 1200 vademen bedraagt. Toch
wezen nog in 1777 de zeekaarten daar eene klip aan. Nog verder teruggaande in
de geschiedenis vindt men in 1380 het verhaal van twee Venetiaansche edelen,
Nicola en Antonio Zeni, die, door eenen storm overvallen, zijn opgenomen door
eene Christelijke bevolking, die een groot eiland bewoonde, waarop honderd
steden en honderd dorpen gevonden werden. Was dat eiland Bussland of een
deel van Groenland? De geschiedenis zwijgt er over. Waarschijnlijk is daar een
verdronken eiland.
Wij mogen na het voorgaande als zeker aannemen, dat de westkust van
Groenland, het zuidelijk uiteinde van Zweden, Pruisen, Hannover, Holland,
België, Vlaanderen, Picardië, Normandië, een groot deel van Bretagne, (de
Vendée, Poitou, Saintonge schijnen te rijzen), de Landes en Gascogne tot aan
Spanje, de kust der Adriatische zee, de Nijldelta en de streek van het Suezkanaal,
Page 241
de monden van den Indus en de Gangesdelta, dalen. De oostkust van Noord-
Amerika tusschen Florida en New-Foundland, en Brazilië van den mond der
Amazonenrivier tot aan de Pornahyba, de Amazonenvallei, die over 500
kilometers door den Oceaan bedekt is en de Andes, waarop Quito gebouwd is,
schijnen langzaam te dalen. Daarentegen rijzen Spitsbergen, de Oostkust van
Siberië, Noorwegen en de Scandinavische Alpen, Schotland, Sardinië, Tunis, de
beide oevers der Roode zee en Turkestan.
Fig. 113. In zee verzinkend bosch op de kust van Zweden.
Oudtijds was Engeland met Frankrijk verbonden. Aan weerszijden van het
kanaal is de geologische gesteldheid van den bodem dezelfde; men vindt er
dezelfde formaties, en de in Frankrijk waargenomen rijzingen zetten zich in
Engeland, aan de overzijde van het kanaal, voort. Engeland heeft geene enkele
plant, geen enkel dier, dat niet van het vasteland afkomstig is. Bij het nauw van
Calais heeft de vereeniging van de wateren van den Atlantischen Oceaan met die
der Noordzee plaats gehad: de afstand van de Engelsche en Fransche kust is daar
nog thans slechts 22 kilometers en de grootste diepte is daar 57 meters. Wanneer
is het nauw van Calais ontstaan? Dit is moeilijk uit te maken; zeker is het, dat
het in het tegenwoordig tijdperk, en misschien wel na het optreden van den
mensch moet geschied zijn. Een sterke stormvloed kan voldoende geweest zijn,
om den doorgang te openen. Het nauw van Calais wordt steeds dieper. Eene
eerste kaart van den bodem van het kanaal van het jaar 1737 geeft 29 vademen
voor de grootste diepte tusschen Dover en Calais; zij wijst bovendien eene bank
Amerika tusschen Florida en New-Foundland, en Brazilië van den mond der
Amazonenrivier tot aan de Pornahyba, de Amazonenvallei, die over 500
kilometers door den Oceaan bedekt is en de Andes, waarop Quito gebouwd is,
schijnen langzaam te dalen. Daarentegen rijzen Spitsbergen, de Oostkust van
Siberië, Noorwegen en de Scandinavische Alpen, Schotland, Sardinië, Tunis, de
beide oevers der Roode zee en Turkestan.
Fig. 113. In zee verzinkend bosch op de kust van Zweden.
Oudtijds was Engeland met Frankrijk verbonden. Aan weerszijden van het
kanaal is de geologische gesteldheid van den bodem dezelfde; men vindt er
dezelfde formaties, en de in Frankrijk waargenomen rijzingen zetten zich in
Engeland, aan de overzijde van het kanaal, voort. Engeland heeft geene enkele
plant, geen enkel dier, dat niet van het vasteland afkomstig is. Bij het nauw van
Calais heeft de vereeniging van de wateren van den Atlantischen Oceaan met die
der Noordzee plaats gehad: de afstand van de Engelsche en Fransche kust is daar
nog thans slechts 22 kilometers en de grootste diepte is daar 57 meters. Wanneer
is het nauw van Calais ontstaan? Dit is moeilijk uit te maken; zeker is het, dat
het in het tegenwoordig tijdperk, en misschien wel na het optreden van den
mensch moet geschied zijn. Een sterke stormvloed kan voldoende geweest zijn,
om den doorgang te openen. Het nauw van Calais wordt steeds dieper. Eene
eerste kaart van den bodem van het kanaal van het jaar 1737 geeft 29 vademen
voor de grootste diepte tusschen Dover en Calais; zij wijst bovendien eene bank
Page 242
aan over de geheele breedte van het nauw, waarboven slechts 19 vademen water
stond. In 1737 was dus de grootste diepte 47 meters. De kaart, in 1876
vervaardigd, naar aanleiding van het plan van den onderzeeschen tunnel
tusschen Frankrijk en Engeland, geeft voor dat maximum 57 meters. Het kanaal
zou dus in 139 jaren 10 meters dieper geworden zijn. Wel kunnen wij op de
peilingen van de vorige eeuw niet volkomen vertrouwen, maar aan de daling van
den bodem valt toch niet te twijfelen. Tusschen Folkstone en kaap Gris-Nez
vindt men banken, die slechts vijf of zes meters onder water liggen. De
landengte van Dover–Calais is dus nog zichtbaar.
Het nauw van Calais wordt niet alleen dieper, het wordt ook breeder. De
rotssteilte van kaap Gris-Nez, het uiteinde van Frankrijk, dat het dichtst bij
Engeland gelegen is, wijkt jaarlijks 25 centimeters terug. Ditzelfde is bij Dover
het geval.
Ook Ierland is in de tegenwoordige geologische periode van Engeland
gescheiden.
Evenals Engeland eertijds aan Frankrijk verbonden was, zoo was ook Afrika aan
Europa verbonden. De straat van Gibraltar heeft niet altijd bestaan. Reeds de
ouden hadden, met het oog op den symmetrischen vorm van beide kusten,
daarvan een vermoeden: volgens hen had Hercules den doorgang tusschen den
Atlantischen Oceaan en de Middellandsche zee geopend. Sallustius beschouwt
het zelfs als eene ongerijmdheid; dat men Europa en Afrika verschillende namen
heeft gegeven. Evenals het nauw van Calais, zoo wordt ook de straat van
Gibraltar wijder onder den invloed der verschijnselen in den dampkring, de
stormvloeden en de zeestroomingen. Uit een dierkundig oogpunt kan men het
oorspronkelijke verband tusschen Afrika en Europa hieruit afleiden, dat in het
noorden van Afrika geene enkele soort van levende weekdieren gevonden wordt,
die niet ook in het zuiden van Spanje voorkomt.
De straat van Gibraltar, oudtijds bekend onder den naam van „de Zuilen van
Hercules” om de reusachtige rotsen, die beide kusten begrenzen, wordt van eeuw
tot eeuw wijder en dieper. Plinius, Pomponius Mela, Avienus spreken van
boomrijke eilanden, die haar doorsneden; er zou zelfs een tempel gestaan hebben
ter eere van Hercules. Volgens Plinius was de kleinste breedte 10 of 11
kilometers, de grootste breedte 14½ kilometer. Thans is de grootste breedte 16
stond. In 1737 was dus de grootste diepte 47 meters. De kaart, in 1876
vervaardigd, naar aanleiding van het plan van den onderzeeschen tunnel
tusschen Frankrijk en Engeland, geeft voor dat maximum 57 meters. Het kanaal
zou dus in 139 jaren 10 meters dieper geworden zijn. Wel kunnen wij op de
peilingen van de vorige eeuw niet volkomen vertrouwen, maar aan de daling van
den bodem valt toch niet te twijfelen. Tusschen Folkstone en kaap Gris-Nez
vindt men banken, die slechts vijf of zes meters onder water liggen. De
landengte van Dover–Calais is dus nog zichtbaar.
Het nauw van Calais wordt niet alleen dieper, het wordt ook breeder. De
rotssteilte van kaap Gris-Nez, het uiteinde van Frankrijk, dat het dichtst bij
Engeland gelegen is, wijkt jaarlijks 25 centimeters terug. Ditzelfde is bij Dover
het geval.
Ook Ierland is in de tegenwoordige geologische periode van Engeland
gescheiden.
Evenals Engeland eertijds aan Frankrijk verbonden was, zoo was ook Afrika aan
Europa verbonden. De straat van Gibraltar heeft niet altijd bestaan. Reeds de
ouden hadden, met het oog op den symmetrischen vorm van beide kusten,
daarvan een vermoeden: volgens hen had Hercules den doorgang tusschen den
Atlantischen Oceaan en de Middellandsche zee geopend. Sallustius beschouwt
het zelfs als eene ongerijmdheid; dat men Europa en Afrika verschillende namen
heeft gegeven. Evenals het nauw van Calais, zoo wordt ook de straat van
Gibraltar wijder onder den invloed der verschijnselen in den dampkring, de
stormvloeden en de zeestroomingen. Uit een dierkundig oogpunt kan men het
oorspronkelijke verband tusschen Afrika en Europa hieruit afleiden, dat in het
noorden van Afrika geene enkele soort van levende weekdieren gevonden wordt,
die niet ook in het zuiden van Spanje voorkomt.
De straat van Gibraltar, oudtijds bekend onder den naam van „de Zuilen van
Hercules” om de reusachtige rotsen, die beide kusten begrenzen, wordt van eeuw
tot eeuw wijder en dieper. Plinius, Pomponius Mela, Avienus spreken van
boomrijke eilanden, die haar doorsneden; er zou zelfs een tempel gestaan hebben
ter eere van Hercules. Volgens Plinius was de kleinste breedte 10 of 11
kilometers, de grootste breedte 14½ kilometer. Thans is de grootste breedte 16
Page 243
kilometers. De zee heeft de stad Belo verzwolgen, op 12 kilometers ten oosten
van Tarifa, en in de baai van Gibraltar zelf, een deel der stad Carteya.
Hoeveel landen zijn sedert het optreden der menschheid reeds verdwenen! Allen,
die de oude letteren liefhebben, hebben in Plato de schoone bladzijden gelezen,
gewijd aan de herinnering van Atlantis, dat geheimzinnige land, dat eertijds
bestond tusschen Europa en Amerika, en waarop een vroeger menschengeslacht
geleefd heeft. Zeker is het, dat in de miocene periode de planten en dieren van
Europa en Amerika dezelfde waren, hoezeer zij ook thans mogen verschillen.
Waarschijnlijk was dus in dien tijd het verdwenen vasteland, dat zijnen naam
gegeven heeft aan den Atlantischen Oceaan, door eilanden aan Europa zoowel
als aan Amerika verbonden. De bewoners der Canarische eilanden zijn zelfs wel
eens beschouwd als de afstammelingen der oudste menschheid, die Atlantis
bewoonde.
Het eiland Madagascar is ongetwijfeld een stuk van een vastland, onder de
golven gedaald. Hoewel niet zoo ver van Afrika verwijderd, heeft het toch
geheel andere plant- en diersoorten; er komen zelfs slangen en apen voor, die
nergens anders op de aarde gevonden worden. Hetzelfde is met het eiland
Ceylon het geval. Het behoorde ongetwijfeld met Madagascar en de Seychellen
tot een oud vastland, thans in den Indischen Oceaan ondergegaan.
De meeste Antillen schijnen te behooren tot een vastland, dat niet met Noord
Amerika in betrekking stond. Iedereen weet, dat Nieuw-Zeeland eene geheel op
zich zelf staande planten- en dierenwereld bezit. Noch de levende soorten, noch
de fossielen komen overeen met die van Australië of Zuid-Amerika.
van Tarifa, en in de baai van Gibraltar zelf, een deel der stad Carteya.
Hoeveel landen zijn sedert het optreden der menschheid reeds verdwenen! Allen,
die de oude letteren liefhebben, hebben in Plato de schoone bladzijden gelezen,
gewijd aan de herinnering van Atlantis, dat geheimzinnige land, dat eertijds
bestond tusschen Europa en Amerika, en waarop een vroeger menschengeslacht
geleefd heeft. Zeker is het, dat in de miocene periode de planten en dieren van
Europa en Amerika dezelfde waren, hoezeer zij ook thans mogen verschillen.
Waarschijnlijk was dus in dien tijd het verdwenen vasteland, dat zijnen naam
gegeven heeft aan den Atlantischen Oceaan, door eilanden aan Europa zoowel
als aan Amerika verbonden. De bewoners der Canarische eilanden zijn zelfs wel
eens beschouwd als de afstammelingen der oudste menschheid, die Atlantis
bewoonde.
Het eiland Madagascar is ongetwijfeld een stuk van een vastland, onder de
golven gedaald. Hoewel niet zoo ver van Afrika verwijderd, heeft het toch
geheel andere plant- en diersoorten; er komen zelfs slangen en apen voor, die
nergens anders op de aarde gevonden worden. Hetzelfde is met het eiland
Ceylon het geval. Het behoorde ongetwijfeld met Madagascar en de Seychellen
tot een oud vastland, thans in den Indischen Oceaan ondergegaan.
De meeste Antillen schijnen te behooren tot een vastland, dat niet met Noord
Amerika in betrekking stond. Iedereen weet, dat Nieuw-Zeeland eene geheel op
zich zelf staande planten- en dierenwereld bezit. Noch de levende soorten, noch
de fossielen komen overeen met die van Australië of Zuid-Amerika.
Page 244
Fig. 114. Langzame teruggang van den waterval der Niagara.
Naar de zoo merkwaardige versteeningen, te Pikermi gevonden: hipparion’s,
antilopen, giraffen, mastodonten, rhinocerossen, dinotheriums, machaerodonten,
te oordeelen, is Griekenland het overblijfsel van een oud vastland, dat
uitgestrekte bosschen en overvloedige weilanden bezat, en dat zich tot Afrika
uitstrekte over de streken, thans aangewezen door de eilanden van den
Griekschen Archipel en de Zee van Kandia.
Naar de zoo merkwaardige versteeningen, te Pikermi gevonden: hipparion’s,
antilopen, giraffen, mastodonten, rhinocerossen, dinotheriums, machaerodonten,
te oordeelen, is Griekenland het overblijfsel van een oud vastland, dat
uitgestrekte bosschen en overvloedige weilanden bezat, en dat zich tot Afrika
uitstrekte over de streken, thans aangewezen door de eilanden van den
Griekschen Archipel en de Zee van Kandia.
Page 245
Fig. 115. Panorama van den waterval der Niagara.
Alles verandert met grootere of kleinere snelheid. Wie kent niet bij name den
prachtigen waterval van de Niagara! Deze levert een prachtig voorbeeld van de
langzame uitholling eener diepe vallei in het harde gesteente. De rivier stroomt
over eene hooge bergvlakte, waarin het bekken van het Eriemeer eene uitholling
vormt. Het gedeelte, waar de rivier uit het meer komt, is meer dan 1600 meters
breed en ligt meer dan 100 meters boven het Ontariomeer, dat 48 kilometers
daarvan verwijderd is. Als de Niagara het Eriemeer verlaat, op de 25 eerste
kilometers van haren loop, wordt zij begrensd door oevers, die bijna even hoog
liggen als het aangrenzend land, ten westen opper-Canada en ten oosten de staat
New-York; de oevers zijn daar nergens meer dan 9 of 12 meters boven de
oppervlakte van het land. De rivier, op sommige plaatsen 4800 meters breed, en
op verschillende plaatsen doorsneden door lage, en boomrijke eilanden, vormt
eenen helderen en rustigen stroom; het verval bedraagt slechts 4,50 meters op
eene uitgestrektheid van verscheidene kilometers; de rivier gelijkt in dat gedeelte
Alles verandert met grootere of kleinere snelheid. Wie kent niet bij name den
prachtigen waterval van de Niagara! Deze levert een prachtig voorbeeld van de
langzame uitholling eener diepe vallei in het harde gesteente. De rivier stroomt
over eene hooge bergvlakte, waarin het bekken van het Eriemeer eene uitholling
vormt. Het gedeelte, waar de rivier uit het meer komt, is meer dan 1600 meters
breed en ligt meer dan 100 meters boven het Ontariomeer, dat 48 kilometers
daarvan verwijderd is. Als de Niagara het Eriemeer verlaat, op de 25 eerste
kilometers van haren loop, wordt zij begrensd door oevers, die bijna even hoog
liggen als het aangrenzend land, ten westen opper-Canada en ten oosten de staat
New-York; de oevers zijn daar nergens meer dan 9 of 12 meters boven de
oppervlakte van het land. De rivier, op sommige plaatsen 4800 meters breed, en
op verschillende plaatsen doorsneden door lage, en boomrijke eilanden, vormt
eenen helderen en rustigen stroom; het verval bedraagt slechts 4,50 meters op
eene uitgestrektheid van verscheidene kilometers; de rivier gelijkt in dat gedeelte
Page 246
van haren loop op eenen arm van het Eriemeer. Maar spoedig verandert zij van
karakter, en zoodra zij den waterval nadert, loopt zij schuimend over eene
bedding van steenachtige en oneffen kalksteen, en doorloopt zij zoo eenen weg
van omstreeks 1600 meters, totdat zij eindelijk, aan den waterval gekomen,
vertikaal neervalt van eene hoogte van 50 meters. Een eiland, aan den rand van
den val gelegen, verdeelt de Niagara in twee watervlakten; de grootste is 530, de
kleinste 180 meters breed. Nadat het water zich gestort heeft in een diep bekken,
stroomt het met groote snelheid in een nauw kanaal met groote helling over eene
uitgestrektheid van elf kilometers. Die bergkloof, die slechts van 200 tot 400
meters breed is, en van 60 tot 90 meters diep, eindigt plotseling te Queenstown
in eene lange rij van rotssteilten tegenover den oever van het Ontariomeer.
Zoodra de Niagara die engte voorbij is, komt zij in eene vlakte, die zóó weinig
hooger ligt dan het Ontariomeer, dat de elf kilometers, begrepen tusschen
Queenstown en de oevers van dat meer, slechts een verval hebben van 12
centimeters.
Een blik op dien waterval wijst reeds op eene voortdurende verwoesting; het
gedeelte van het bekken, dat in de laatste 150 jaren ontstaan is, en dat in diepte,
breedte en aard overeenkomt met het overige deel van de engte, die zich beneden
uitstrekt over eene lengte van elf kilometers, doet ons besluiten, dat de geheele
bergkloof op dezelfde wijze gegraven is, door teruggang van den waterval.
In het jaar 1885 heeft Wesson nagegaan, hoeveel de waterval teruggaat, nadat
reeds Bakewell in 1829 en Lyell in 1841 hetzelfde hadden gedaan. Fig. 114 geeft
de merklijnen van dien teruggang aan, volgens de officieele kaart der Vereenigde
Staten van Amerika. Die teruggang is niet regelmatig; maar van 1842 tot 1883
bedraagt hij 77 meters, of gemiddeld 1,88 meter ’s jaars. Naar dien maatstaf
zoude de waterval eerst voor 6000 jaren begonnen zijn terug te gaan, te beginnen
bij Queenstown. Lyell had over eene kleinere uitgestrektheid voor dien
teruggang 0,30 meters ’s jaars gevonden, hetgeen dus op eenen tijd van 35000
jaren zoude wijzen. Eertijds stroomde de rivier in eene andere bedding, waarvan
men de sporen niet ver van de tegenwoordige bedding terugvindt.
karakter, en zoodra zij den waterval nadert, loopt zij schuimend over eene
bedding van steenachtige en oneffen kalksteen, en doorloopt zij zoo eenen weg
van omstreeks 1600 meters, totdat zij eindelijk, aan den waterval gekomen,
vertikaal neervalt van eene hoogte van 50 meters. Een eiland, aan den rand van
den val gelegen, verdeelt de Niagara in twee watervlakten; de grootste is 530, de
kleinste 180 meters breed. Nadat het water zich gestort heeft in een diep bekken,
stroomt het met groote snelheid in een nauw kanaal met groote helling over eene
uitgestrektheid van elf kilometers. Die bergkloof, die slechts van 200 tot 400
meters breed is, en van 60 tot 90 meters diep, eindigt plotseling te Queenstown
in eene lange rij van rotssteilten tegenover den oever van het Ontariomeer.
Zoodra de Niagara die engte voorbij is, komt zij in eene vlakte, die zóó weinig
hooger ligt dan het Ontariomeer, dat de elf kilometers, begrepen tusschen
Queenstown en de oevers van dat meer, slechts een verval hebben van 12
centimeters.
Een blik op dien waterval wijst reeds op eene voortdurende verwoesting; het
gedeelte van het bekken, dat in de laatste 150 jaren ontstaan is, en dat in diepte,
breedte en aard overeenkomt met het overige deel van de engte, die zich beneden
uitstrekt over eene lengte van elf kilometers, doet ons besluiten, dat de geheele
bergkloof op dezelfde wijze gegraven is, door teruggang van den waterval.
In het jaar 1885 heeft Wesson nagegaan, hoeveel de waterval teruggaat, nadat
reeds Bakewell in 1829 en Lyell in 1841 hetzelfde hadden gedaan. Fig. 114 geeft
de merklijnen van dien teruggang aan, volgens de officieele kaart der Vereenigde
Staten van Amerika. Die teruggang is niet regelmatig; maar van 1842 tot 1883
bedraagt hij 77 meters, of gemiddeld 1,88 meter ’s jaars. Naar dien maatstaf
zoude de waterval eerst voor 6000 jaren begonnen zijn terug te gaan, te beginnen
bij Queenstown. Lyell had over eene kleinere uitgestrektheid voor dien
teruggang 0,30 meters ’s jaars gevonden, hetgeen dus op eenen tijd van 35000
jaren zoude wijzen. Eertijds stroomde de rivier in eene andere bedding, waarvan
men de sporen niet ver van de tegenwoordige bedding terugvindt.
Page 247
Fig. 116. Waterval van de Niagara.
Deze veranderingen gaan ongemerkt voorbij voor den mensch, waarnemer van
éénen dag, omdat ons leven te kort is en onze tijd in beslag wordt genomen door
andere, minder belangrijke onderwerpen.
Wij zagen zooeven, dat alle bergen langzaam verweren onder den invloed van
den dampkring. Dit blijkt duidelijk, zoodra wij oude historische herinneringen
Deze veranderingen gaan ongemerkt voorbij voor den mensch, waarnemer van
éénen dag, omdat ons leven te kort is en onze tijd in beslag wordt genomen door
andere, minder belangrijke onderwerpen.
Wij zagen zooeven, dat alle bergen langzaam verweren onder den invloed van
den dampkring. Dit blijkt duidelijk, zoodra wij oude historische herinneringen
Page 248
raadplegen. Zoo vraagt hij, die voor het eerst Rome, „de stad der zeven
heuvelen” bezoekt, waar de zeven heuvelen zijn. Zij zijn gedaald, hunne
overblijfselen hebben de valleien, die er tusschen lagen (vooral het Forum)
gevuld, en het zijn thans slechts nietige hoogten.
In praehistorische tijden was de Seine eene veel breedere rivier dan thans. Te
Parijs was zij verscheidene kilometers breed en 37 meters hooger dan thans.
Voortdurende verandering! Hier graaft het water den bodem uit, daar verhoogt
het den bodem weder, door het slib af te zetten, dat bij groote overstroomingen is
aangevoerd, of door eene bedding te vormen uit de bouwstoffen, door den regen
aan de bergen ontnomen.
Fig. 117. De tempel van Serapis te Pozzuoli.
heuvelen” bezoekt, waar de zeven heuvelen zijn. Zij zijn gedaald, hunne
overblijfselen hebben de valleien, die er tusschen lagen (vooral het Forum)
gevuld, en het zijn thans slechts nietige hoogten.
In praehistorische tijden was de Seine eene veel breedere rivier dan thans. Te
Parijs was zij verscheidene kilometers breed en 37 meters hooger dan thans.
Voortdurende verandering! Hier graaft het water den bodem uit, daar verhoogt
het den bodem weder, door het slib af te zetten, dat bij groote overstroomingen is
aangevoerd, of door eene bedding te vormen uit de bouwstoffen, door den regen
aan de bergen ontnomen.
Fig. 117. De tempel van Serapis te Pozzuoli.
Page 249
In de schoone golf van Napels, op dien tooverachtigen oever, waar de
geschiedkundige herinneringen, zich parend aan de schoonheden der natuur, ons
zooveel te denken geven, vindt men te midden der puinhoopen van Pozzuoli den
ouden tempel van Jupiter Serapis, een merkwaardig getuigenis van de
veranderlijkheid van den bodem. Die tempel, omstreeks 105 vóór Christus
gebouwd, aan de kust der zee, maar ver boven den waterspiegel, en door
Septimius Severus met kostbaar marmer versierd tusschen de jaren 194 en 211
na Christus, later weder door Severus Alexander tusschen 222 en 235 verfraaid,
werd door Alarik in 410 en door Genserik in 445 verwoest. De bodem, waarop
die tempel gebouwd is, is onder den waterspiegel gedaald. De drie prachtige
marmeren zuilen, die er nog van over zijn, elk bestaande uit één enkel blok van
12,5 meter hoogte, zijn zóóver gedaald, dat zij nog slechts 6,30 meter hoog zijn.
Deze daling heeft plaats gehad in de middeleeuwen en is geëindigd in de XVde
eeuw; het bovengedeelte van de ondergedompelde zuilen is over eene hoogte
van 2,70 meter door steenetende weekdieren, die toen evenals thans in zee
leefden, aangetast, zoodat zij bezaaid zijn met kleine gaten, waarin men nog
thans hunne schelpen vindt. Die gaatjes zijn zóó diep, dat zij wijzen op een
langdurig verblijf van die diertjes in de zuilen, want naarmate de dieren ouder en
grooter worden, vergrooten zij hunne woning. Het ondergedeelte der zuilen is
niet aangetast, omdat dit in den bodem der zee was ingedrongen, en tot eene
hoogte van 3,60 meters bedekt was met modder en vulkanische slakken.
Op het einde der 15de eeuw begon diezelfde bodem weder langzaam te rijzen. In
eene oorkonde van October 1503 staat geschreven, dat Ferdinand en Isabella aan
de hoogeschool te Pozzuoli een gedeelte afstaan van de streek, waar de zee van
terugwijkt; na dien tijd kan men in de oorkonden die langzame rijzing volgen. In
1749 was de tempel geheel uit het water te voorschijn getreden, en het
omringende land drooggeworden. In 1807 zag de bouwkundige, die belast was
met de herstelling der puinhoopen, nooit water op de straat, behalve wanneer de
zuidewind hevig waaide. Maar de grond begon toch weer te dalen. Van 1822 tot
1838 bedroeg die daling 25 millimeters in de vier jaren, zoodat men in 1838
dagelijks visch ving op plaatsen, waar in 1807 bij stil weder nooit een druppel
water stond. In 1857 en 1858 vond Lyell, dat er 0,60 meter water op de straat
stond. Nog steeds daalt de bodem. Die merkwaardige schommelingen in den
bodem, door den tempel van Serapis zoo duidelijk voor den dag komend, zijn in
die geheele streek zichtbaar. Zoo zijn te Pozzuoli zelf de tempel van Neptunus
en die der Nymfen onder water; hetzelfde is met twee Romeinsche wegen het
geval; langs de kust vindt men overal schelpen, en aan de andere zijde van
geschiedkundige herinneringen, zich parend aan de schoonheden der natuur, ons
zooveel te denken geven, vindt men te midden der puinhoopen van Pozzuoli den
ouden tempel van Jupiter Serapis, een merkwaardig getuigenis van de
veranderlijkheid van den bodem. Die tempel, omstreeks 105 vóór Christus
gebouwd, aan de kust der zee, maar ver boven den waterspiegel, en door
Septimius Severus met kostbaar marmer versierd tusschen de jaren 194 en 211
na Christus, later weder door Severus Alexander tusschen 222 en 235 verfraaid,
werd door Alarik in 410 en door Genserik in 445 verwoest. De bodem, waarop
die tempel gebouwd is, is onder den waterspiegel gedaald. De drie prachtige
marmeren zuilen, die er nog van over zijn, elk bestaande uit één enkel blok van
12,5 meter hoogte, zijn zóóver gedaald, dat zij nog slechts 6,30 meter hoog zijn.
Deze daling heeft plaats gehad in de middeleeuwen en is geëindigd in de XVde
eeuw; het bovengedeelte van de ondergedompelde zuilen is over eene hoogte
van 2,70 meter door steenetende weekdieren, die toen evenals thans in zee
leefden, aangetast, zoodat zij bezaaid zijn met kleine gaten, waarin men nog
thans hunne schelpen vindt. Die gaatjes zijn zóó diep, dat zij wijzen op een
langdurig verblijf van die diertjes in de zuilen, want naarmate de dieren ouder en
grooter worden, vergrooten zij hunne woning. Het ondergedeelte der zuilen is
niet aangetast, omdat dit in den bodem der zee was ingedrongen, en tot eene
hoogte van 3,60 meters bedekt was met modder en vulkanische slakken.
Op het einde der 15de eeuw begon diezelfde bodem weder langzaam te rijzen. In
eene oorkonde van October 1503 staat geschreven, dat Ferdinand en Isabella aan
de hoogeschool te Pozzuoli een gedeelte afstaan van de streek, waar de zee van
terugwijkt; na dien tijd kan men in de oorkonden die langzame rijzing volgen. In
1749 was de tempel geheel uit het water te voorschijn getreden, en het
omringende land drooggeworden. In 1807 zag de bouwkundige, die belast was
met de herstelling der puinhoopen, nooit water op de straat, behalve wanneer de
zuidewind hevig waaide. Maar de grond begon toch weer te dalen. Van 1822 tot
1838 bedroeg die daling 25 millimeters in de vier jaren, zoodat men in 1838
dagelijks visch ving op plaatsen, waar in 1807 bij stil weder nooit een druppel
water stond. In 1857 en 1858 vond Lyell, dat er 0,60 meter water op de straat
stond. Nog steeds daalt de bodem. Die merkwaardige schommelingen in den
bodem, door den tempel van Serapis zoo duidelijk voor den dag komend, zijn in
die geheele streek zichtbaar. Zoo zijn te Pozzuoli zelf de tempel van Neptunus
en die der Nymfen onder water; hetzelfde is met twee Romeinsche wegen het
geval; langs de kust vindt men overal schelpen, en aan de andere zijde van
Page 250
Napels, te Sorrente, heeft men op eene zekere diepte onder zee stukken van
Romeinsche gebouwen gevonden. Op het eiland Capri (het beroemde Capua der
ouden) is één der paleizen van Tiberius door het water bedekt.
Men mag met Babbage en Lyell aannemen, dat de warmte op de ééne of andere
wijze de oorzaak is van de verschijnselen, die de verandering in de hoogte van
den tempel bepalen. De warme bron van dien tempel, de onmiddellijke nabijheid
van den Solfatare en de Monte-Nuova, de warme bronnen van Nero, op de
tegenover gelegen kust van de golf van Baja, de kokende bronnen, de oude
vulkanen van Ischia en de Vesuvius, ziedaar een aantal omstandigheden, die dit
vermoeden wettigen. Vergelijkt men toch de dagteekening der voornaamste
schommelingen met de geschiedenis dezer landstreek, dan is een zeker verband
niet te miskennen tusschen iedere rijzing en eene plaatselijke ontwikkeling van
vulkanische warmte, terwijl iedere periode van daling samenvalt met eenen
toestand van rust in den onderaardschen vuurhaard. Zóó lag bij voorbeeld, vóór
onze jaartelling, toen de talrijke vulkanen van Ischia hunne uitbarstingen deden
gevoelen, en de Phlegreïsche velden bekend waren wegens hun vulkanisch
karakter, de bodem, waarop de tempel van Serapis rust, hoog boven het water.
Toen werd de Vesuvius als een uitgedoofde krater beschouwd; maar toen in de
eerste eeuw na Christus die vulkaan weder tot uitbarsting kwam, kon men geene
enkele uitbarsting meer op het eiland Ischia of in de golf van Baja aanwijzen.
Toen was de tempel aan het dalen. In de vijf eeuwen, die de groote uitbarsting
van den Vesuvius van 1631 voorafgingen, was de vulkaan zeer rustig, maar toen
had men uitbarstingen te Solfatare in 1198, te Ischia in 1302, terwijl de Monte-
Nuovo in 1538 ontstond. In die periode rees de bodem van den tempel weder.
Eindelijk begon de Vesuvius weer te werken, zooals nog steeds het geval is, en
na dien tijd daalt de bodem van den tempel weer.
Deze verschijnselen komen overeen met de onderstelling, dat zoodra er zich bij
toeneming der inwendige warmte lava vormt, zonder dat deze eenen
gemakkelijken uitweg vindt, de omringende bodem rijst; terwijl diezelfde bodem
daalt, zoodra de rotsen, daaronder gelegen, afkoelen en zich samentrekken, en de
lava langzaam vast wordt en in volume afneemt.
De Monte-Nuovo, die merkwaardige berg, wiens hoogte 132 meters en wiens
omtrek aan den voet 2400 meters bedraagt, en die in ééne nacht ontstond op de
plek van het oude Lucrinische meer, is uit een geologisch oogpunt zeer
belangrijk. Gedurende 492 jaren was de Vesuvius betrekkelijk rustig geweest
Romeinsche gebouwen gevonden. Op het eiland Capri (het beroemde Capua der
ouden) is één der paleizen van Tiberius door het water bedekt.
Men mag met Babbage en Lyell aannemen, dat de warmte op de ééne of andere
wijze de oorzaak is van de verschijnselen, die de verandering in de hoogte van
den tempel bepalen. De warme bron van dien tempel, de onmiddellijke nabijheid
van den Solfatare en de Monte-Nuova, de warme bronnen van Nero, op de
tegenover gelegen kust van de golf van Baja, de kokende bronnen, de oude
vulkanen van Ischia en de Vesuvius, ziedaar een aantal omstandigheden, die dit
vermoeden wettigen. Vergelijkt men toch de dagteekening der voornaamste
schommelingen met de geschiedenis dezer landstreek, dan is een zeker verband
niet te miskennen tusschen iedere rijzing en eene plaatselijke ontwikkeling van
vulkanische warmte, terwijl iedere periode van daling samenvalt met eenen
toestand van rust in den onderaardschen vuurhaard. Zóó lag bij voorbeeld, vóór
onze jaartelling, toen de talrijke vulkanen van Ischia hunne uitbarstingen deden
gevoelen, en de Phlegreïsche velden bekend waren wegens hun vulkanisch
karakter, de bodem, waarop de tempel van Serapis rust, hoog boven het water.
Toen werd de Vesuvius als een uitgedoofde krater beschouwd; maar toen in de
eerste eeuw na Christus die vulkaan weder tot uitbarsting kwam, kon men geene
enkele uitbarsting meer op het eiland Ischia of in de golf van Baja aanwijzen.
Toen was de tempel aan het dalen. In de vijf eeuwen, die de groote uitbarsting
van den Vesuvius van 1631 voorafgingen, was de vulkaan zeer rustig, maar toen
had men uitbarstingen te Solfatare in 1198, te Ischia in 1302, terwijl de Monte-
Nuovo in 1538 ontstond. In die periode rees de bodem van den tempel weder.
Eindelijk begon de Vesuvius weer te werken, zooals nog steeds het geval is, en
na dien tijd daalt de bodem van den tempel weer.
Deze verschijnselen komen overeen met de onderstelling, dat zoodra er zich bij
toeneming der inwendige warmte lava vormt, zonder dat deze eenen
gemakkelijken uitweg vindt, de omringende bodem rijst; terwijl diezelfde bodem
daalt, zoodra de rotsen, daaronder gelegen, afkoelen en zich samentrekken, en de
lava langzaam vast wordt en in volume afneemt.
De Monte-Nuovo, die merkwaardige berg, wiens hoogte 132 meters en wiens
omtrek aan den voet 2400 meters bedraagt, en die in ééne nacht ontstond op de
plek van het oude Lucrinische meer, is uit een geologisch oogpunt zeer
belangrijk. Gedurende 492 jaren was de Vesuvius betrekkelijk rustig geweest
Page 251
(terwijl de Etna juist bijzonder krachtig werkzaam was) en nog bijna honderd
jaren daarna had er geene uitbarsting plaats. Den 29sten September 1538, rees, na
twee dagen van aanhoudende aardbevingen, de kust zóóveel, dat de zee over
eenen weg van tweehonderd schreden terugging. In den namiddag zag men op
de plaats, waar thans de Monte-Nuovo staat, den grond eerst vier meters
inzakken en daarna rijzen; na eenige uren opende zich de grond en spuwde hij
vuur, asch en steenen uit. Des avonds braakte de grond, evenals een vulkaan, met
gevaarlijk geraas, groote steenblokken uit. De geheele streek werd bedekt onder
eenen regen van puimsteen en asch. Twee ooggetuigen, die elkander niet kenden,
en wier handschriften eerst veel later zijn teruggevonden, deelen mede, dat de
nieuwe vulkaan tot op 2400 meters aardmassa’s en steenen opwierp zoo groot
als ossen. Den volgenden morgen zag men, dat een hooge berg uit den grond
was opgerezen. De uitbarsting duurde onafgebroken twee dagen en twee nachten
voort; toen men na afloop der uitbarsting den nieuwen berg besteeg, zag men op
den top eenen krater van 400 meters omtrek; de steenen, die daarin neergevallen
waren, geleken op blazen, die uit kokend water losraken. Den vierden dag begon
de uitbarsting weer, en den zevenden dag was zij zóó hevig, dat verscheidene
personen, die op den berg waren, door de steenen gedood werden of door den
rook verstikten. Merkwaardig is het, dat de krater inwendig tot aan den voet van
den berg doorloopt: het benedenvlak, op 126 meters van den top, ligt slechts op
5,70 meters van de oppervlakte der zee verwijderd. Het is een krater, die
overeenkomt met die op de maan.
jaren daarna had er geene uitbarsting plaats. Den 29sten September 1538, rees, na
twee dagen van aanhoudende aardbevingen, de kust zóóveel, dat de zee over
eenen weg van tweehonderd schreden terugging. In den namiddag zag men op
de plaats, waar thans de Monte-Nuovo staat, den grond eerst vier meters
inzakken en daarna rijzen; na eenige uren opende zich de grond en spuwde hij
vuur, asch en steenen uit. Des avonds braakte de grond, evenals een vulkaan, met
gevaarlijk geraas, groote steenblokken uit. De geheele streek werd bedekt onder
eenen regen van puimsteen en asch. Twee ooggetuigen, die elkander niet kenden,
en wier handschriften eerst veel later zijn teruggevonden, deelen mede, dat de
nieuwe vulkaan tot op 2400 meters aardmassa’s en steenen opwierp zoo groot
als ossen. Den volgenden morgen zag men, dat een hooge berg uit den grond
was opgerezen. De uitbarsting duurde onafgebroken twee dagen en twee nachten
voort; toen men na afloop der uitbarsting den nieuwen berg besteeg, zag men op
den top eenen krater van 400 meters omtrek; de steenen, die daarin neergevallen
waren, geleken op blazen, die uit kokend water losraken. Den vierden dag begon
de uitbarsting weer, en den zevenden dag was zij zóó hevig, dat verscheidene
personen, die op den berg waren, door de steenen gedood werden of door den
rook verstikten. Merkwaardig is het, dat de krater inwendig tot aan den voet van
den berg doorloopt: het benedenvlak, op 126 meters van den top, ligt slechts op
5,70 meters van de oppervlakte der zee verwijderd. Het is een krater, die
overeenkomt met die op de maan.
Page 252
Fig. 118. De storm.
Die geheele streek is van vulkanischen aard. Daar was, zooals men weet,
volgens Virgilius de onderwereld gelegen (Phlegreïsche velden). Men vindt daar
het meer van Averno, de Solfatare, de Sibyllijnsche grot, enz. Ook vindt men
daar de beroemde Hondsgrot, waarin een hond verstikt wordt door het
onzichtbare koolzuur, dat tot op één voet van den bodem stijgt, terwijl de
mensen gewone dampkringslucht ademt. Daar vindt men ook de zweetbaden van
Die geheele streek is van vulkanischen aard. Daar was, zooals men weet,
volgens Virgilius de onderwereld gelegen (Phlegreïsche velden). Men vindt daar
het meer van Averno, de Solfatare, de Sibyllijnsche grot, enz. Ook vindt men
daar de beroemde Hondsgrot, waarin een hond verstikt wordt door het
onzichtbare koolzuur, dat tot op één voet van den bodem stijgt, terwijl de
mensen gewone dampkringslucht ademt. Daar vindt men ook de zweetbaden van
Page 253
Nero, een gang in den berg, waarvan de temperatuur 55° bedraagt: een jongen
gaat naakt met eenen leegen emmer en rauwe eieren in de gaanderij en komt na
drie minuten terug, met den emmer vol warm water, de eieren gekookt, en het
lichaam zoo rood als een kreeft. Ook de Solfatare is zóó hol, dat de grond tot op
eenen grooten afstand beeft, als men er met den voet op trapt.
Ten slotte wijzen wij nog op de verwoestingen, door de vulkanen en de
aardbevingen aangericht; in het jaar 79, toen Pompeji, Herculanum en Stabia
verwoest werden, en op de verwoesting van Ischia (1883).
Bij al deze oorzaken van verwoesting moeten wij nog de stormen voegen.
Onophoudelijk werken zij mede tot de vernieling der kusten. Duidelijk komt dit
uit aan de kusten van den Atlantischen Oceaan. Bij donkeren hemel en hevigen
wind, ziet men het heir der schuimende golven uit de zee opkomen en de rotsen
beuken. Zij storten vooruit, botsen tegen elkander, werpen zich met blinde
woede op de klippen. Alles wat van de klip kan losgemaakt worden, wordt
weggespoeld, vermorzeld en medegesleurd, en een naakt geraamte met
fantastische vormen blijft over. De rotsen zelf worden tot keisteenen vermalen,
als zij het water niet doorlaten. De brokstukken zelf worden door de golven
gebruikt als geschut tegen de muren. Als de golven onmiddellijk tegen den voet
der rotssteilte kunnen aanstroomen, dan rammeien zij die rotsen, zooals eertijds
de stormrammen de oude vestingmuren rammeiden, en brengen zij den berg zelf
aan het wankelen. De kracht der golven bij eenen storm is verbazend. Door de
klippen en hindernissen geprikkeld, stijgen zij dikwijls tot 20, 50 of 100 meters
tegen de rotsen op als schuimend stof, dat in de lucht weer neervalt. Men heeft
dikwijls drukkingen waargenomen van 35000 kilogram op éénen vierkanten
meter. Ontzaglijke steenblokken, als beschutting tegen de dijken geplaatst, die
duizenden kilogrammen wegen, worden voortgerold en zelfs weggeslingerd ten
speelbal van den woedenden storm; te Cherbourg is het zwaarste vestinggeschut
verplaatst. Tot op 1500 meters afstand kan men met gevoelige werktuigen het
beven van den grond aantoonen. Een ieder kent het spreekwoord: Gutta cavat
lapidem, non vi, sed saepe cadendo, de waterdruppel holt den steen uit, niet met
geweld, maar door dikwijls te vallen. Het regenwater verandert den bodem,
graaft afgronden, veroorzaakt ophoopingen van grond en aardschuivingen, en
dat alles door zijne weekmakende en oplossende werking.
Te Lons-le-Saulnier hebben aanhoudend, o.a. in 1703, 1712, 1738, 1792, 1814,
1836 en 1848 aardstortingen plaats gehad. Het schijnt, dat eene soort van
gaat naakt met eenen leegen emmer en rauwe eieren in de gaanderij en komt na
drie minuten terug, met den emmer vol warm water, de eieren gekookt, en het
lichaam zoo rood als een kreeft. Ook de Solfatare is zóó hol, dat de grond tot op
eenen grooten afstand beeft, als men er met den voet op trapt.
Ten slotte wijzen wij nog op de verwoestingen, door de vulkanen en de
aardbevingen aangericht; in het jaar 79, toen Pompeji, Herculanum en Stabia
verwoest werden, en op de verwoesting van Ischia (1883).
Bij al deze oorzaken van verwoesting moeten wij nog de stormen voegen.
Onophoudelijk werken zij mede tot de vernieling der kusten. Duidelijk komt dit
uit aan de kusten van den Atlantischen Oceaan. Bij donkeren hemel en hevigen
wind, ziet men het heir der schuimende golven uit de zee opkomen en de rotsen
beuken. Zij storten vooruit, botsen tegen elkander, werpen zich met blinde
woede op de klippen. Alles wat van de klip kan losgemaakt worden, wordt
weggespoeld, vermorzeld en medegesleurd, en een naakt geraamte met
fantastische vormen blijft over. De rotsen zelf worden tot keisteenen vermalen,
als zij het water niet doorlaten. De brokstukken zelf worden door de golven
gebruikt als geschut tegen de muren. Als de golven onmiddellijk tegen den voet
der rotssteilte kunnen aanstroomen, dan rammeien zij die rotsen, zooals eertijds
de stormrammen de oude vestingmuren rammeiden, en brengen zij den berg zelf
aan het wankelen. De kracht der golven bij eenen storm is verbazend. Door de
klippen en hindernissen geprikkeld, stijgen zij dikwijls tot 20, 50 of 100 meters
tegen de rotsen op als schuimend stof, dat in de lucht weer neervalt. Men heeft
dikwijls drukkingen waargenomen van 35000 kilogram op éénen vierkanten
meter. Ontzaglijke steenblokken, als beschutting tegen de dijken geplaatst, die
duizenden kilogrammen wegen, worden voortgerold en zelfs weggeslingerd ten
speelbal van den woedenden storm; te Cherbourg is het zwaarste vestinggeschut
verplaatst. Tot op 1500 meters afstand kan men met gevoelige werktuigen het
beven van den grond aantoonen. Een ieder kent het spreekwoord: Gutta cavat
lapidem, non vi, sed saepe cadendo, de waterdruppel holt den steen uit, niet met
geweld, maar door dikwijls te vallen. Het regenwater verandert den bodem,
graaft afgronden, veroorzaakt ophoopingen van grond en aardschuivingen, en
dat alles door zijne weekmakende en oplossende werking.
Te Lons-le-Saulnier hebben aanhoudend, o.a. in 1703, 1712, 1738, 1792, 1814,
1836 en 1848 aardstortingen plaats gehad. Het schijnt, dat eene soort van
Page 254
onderaardsche rivier onder de stad doorloopt en langzamerhand de mergel
ondermijnt. In 1792 verdween plotseling een molen, huizen daalden in eenen
afgrond neer en werden met 15 meters water bedekt. Toen men den afgrond
wilde vullen, teneinde de naburige straten te beveiligen, wierp men er 15711
karrevrachten puin in, zonder hem te kunnen vullen.
Een ander merkwaardig voorbeeld van de werking van het water is opgemerkt in
Georgia bij Milledgevile. Toen Lyell in 1846 die streek bezocht, merkte hij op,
dat het water in 20 jaren eene bergkloof had gegraven van 16 meters diepte tegen
54 meters breedte en 300 meters lengte, en dat wel in een terrein, dat eertijds
boomrijk, nooit eenige merkbare verandering had ondergaan. Toen de boomen
geveld waren, ontstonden er spleten van negen centimeters in de klei, tengevolge
van de zomerwarmte; in den regentijd begon het water de spleet te verwijden.
Zóó werd langzamerhand die breede bergkloof gevormd. Een nauwkeurig
onderzoek, in het jaar 1885 in de Vereenigde Staten gedaan, heeft aangetoond,
dat het regenwater jaarlijks 385 kilogram per hectare aan de berghellingen
ontneemt, om het weg te voeren in de valleien, rivieren en in de zee.
En wat te zeggen van de bergstortingen, door het water veroorzaakt? Steile en
vooroverhangende rotsen, die boven de velden hingen, raken plotseling los en
glijden langs de hellingen af; neerstortend doen zij stofwolken opstijgen, die
gelijken op de asch, door vulkanen uitgeworpen; de geheele vallei is in
duisternis gehuld, de grond dreunt onder het botsen en stooten der rotsblokken.
Als de duisternis is opgetrokken, dan ziet men puinhoopen en rotsblokken, dáár
waar eertijds groene weiden en vruchtbare akkers gelegen waren; de bergstroom
is in eenen modderpoel veranderd, en de muur van rotsen heeft zijnen ouden
vorm verloren.
Bekend is de bergstorting, waarbij de oude Romeinsche stad Velleja in de 6de
eeuw verzwolgen werd; het groot aantal beenderen, munten en kostbaarheden,
die men in de puinhoopen gevonden heeft, bewijzen, dat de bevolking geenen
tijd gehad heeft, te vluchten. Zoo werd ook het kasteel Tauretunum en het
naburige dorp, aan den zuidelijken oever van het meer van Genève in 563 door
eene neerstorting van rotsen verwoest; de golven, die ontstonden door het
neerstorten der steenen in het meer, verwoestten zelfs aan den anderen oever alle
woningen; alle steden der kust werden verwoest en eerst eene halve eeuw later
opgebouwd: zelfs Genève werd gedeeltelijk door het water bedekt.3
ondermijnt. In 1792 verdween plotseling een molen, huizen daalden in eenen
afgrond neer en werden met 15 meters water bedekt. Toen men den afgrond
wilde vullen, teneinde de naburige straten te beveiligen, wierp men er 15711
karrevrachten puin in, zonder hem te kunnen vullen.
Een ander merkwaardig voorbeeld van de werking van het water is opgemerkt in
Georgia bij Milledgevile. Toen Lyell in 1846 die streek bezocht, merkte hij op,
dat het water in 20 jaren eene bergkloof had gegraven van 16 meters diepte tegen
54 meters breedte en 300 meters lengte, en dat wel in een terrein, dat eertijds
boomrijk, nooit eenige merkbare verandering had ondergaan. Toen de boomen
geveld waren, ontstonden er spleten van negen centimeters in de klei, tengevolge
van de zomerwarmte; in den regentijd begon het water de spleet te verwijden.
Zóó werd langzamerhand die breede bergkloof gevormd. Een nauwkeurig
onderzoek, in het jaar 1885 in de Vereenigde Staten gedaan, heeft aangetoond,
dat het regenwater jaarlijks 385 kilogram per hectare aan de berghellingen
ontneemt, om het weg te voeren in de valleien, rivieren en in de zee.
En wat te zeggen van de bergstortingen, door het water veroorzaakt? Steile en
vooroverhangende rotsen, die boven de velden hingen, raken plotseling los en
glijden langs de hellingen af; neerstortend doen zij stofwolken opstijgen, die
gelijken op de asch, door vulkanen uitgeworpen; de geheele vallei is in
duisternis gehuld, de grond dreunt onder het botsen en stooten der rotsblokken.
Als de duisternis is opgetrokken, dan ziet men puinhoopen en rotsblokken, dáár
waar eertijds groene weiden en vruchtbare akkers gelegen waren; de bergstroom
is in eenen modderpoel veranderd, en de muur van rotsen heeft zijnen ouden
vorm verloren.
Bekend is de bergstorting, waarbij de oude Romeinsche stad Velleja in de 6de
eeuw verzwolgen werd; het groot aantal beenderen, munten en kostbaarheden,
die men in de puinhoopen gevonden heeft, bewijzen, dat de bevolking geenen
tijd gehad heeft, te vluchten. Zoo werd ook het kasteel Tauretunum en het
naburige dorp, aan den zuidelijken oever van het meer van Genève in 563 door
eene neerstorting van rotsen verwoest; de golven, die ontstonden door het
neerstorten der steenen in het meer, verwoestten zelfs aan den anderen oever alle
woningen; alle steden der kust werden verwoest en eerst eene halve eeuw later
opgebouwd: zelfs Genève werd gedeeltelijk door het water bedekt.3
Page 255
Vreeselijk waren de gevolgen van het neerstorten van een deel van den
Rossberg, den 2den September 1806. Die berg, ten noorden van de Rigi gelegen,
in het midden van het schiereiland, begrensd door de meren van Zug, Egeri en
Lowerz, bestaat uit lagen van stevig samengepakte stoffen, op eene kleibedding
rustend, die door het water ondermijnd wordt. Reeds op een onbekend tijdstip
was het dorp Rotten door de instorting van eenen bergwand verwoest; maar in
1806 was de vernieling nog veel ontzettender. Het had langen tijd geregend, en
de kleilagen waren langzamerhand in eene modderachtige massa veranderd;
eindelijk begonnen de bovenste rotsen, nu zij haren steun misten, langs de
helling af te glijden. Plotseling stortte de geheele massa, met hare bosschen,
weiden, hutten en bewoners in de vlakte neer; de tegen elkander botsende rotsen
sloegen vlammen uit; het water der diepe lagen, plotseling in damp veranderd,
spoot uit den grond, en ontzettende massa’s steen en modder werden als uit den
mond van eenen vulkaan uitgeworpen. De prachtige buitenplaatsen van Goldau
en vier dorpen, door omstreeks duizend menschen bewoond, verdwenen onder
de puinhoopen, en de woedende golf, door het storten van het puin in het meer
van Lowerz tot eene hoogte van twintig meters opgeheven, vaagde alle
woningen weg. Het gedeelte van den berg, dat ingestort was, was vier kilometers
lang, 320 meters breed en 32 meters hoog, d. i. 40 millioen cubieke meters.
Minder hevig was de bergstorting, die in het jaar 1881 de helft van het dorpje
Elm in Zwitserland vernielde. Deze ramp was het gevolg van onvoorzichtigheid.
Gedurende eeuwen waren leigroeven gegraven, in eene vooruitstekende rots,
zonder dat men zich de moeite gaf de rots te schoren. Reeds vóór de instorting
verwachtte men het onheil: er had zich in den grond boven de groeve eene spleet
gevormd, die jaarlijks breeder en dieper werd. Eindelijk brak de grond door: tien
millioen cubieke meters steen stortten zich uit over het dorp Unterthal en
stootten tegen eenen daar tegenover gelegen berg aan, die de ontzettende massa
steenen weer in de vlakte terugkaatste.
Zoo zien wij, hoe de verschijnselen in den dampkring, het ijs en de
bergstroomen de onvermoeibare werklieden zijn, die een geheel net van gangen,
engten, valleien in de bergen gevormd hebben. Die werklieden verlagen nog
steeds de hooge toppen der bergen en voeren de bouwstoffen, aan de hellingen
ontnomen, naar de vlakten en naar zee.
Ook de temperatuur werkt op den bodem; over dag zetten de stoffen uit onder
den invloed der zonnewarmte, des nachts krimpen zij in door de uitstraling,
Rossberg, den 2den September 1806. Die berg, ten noorden van de Rigi gelegen,
in het midden van het schiereiland, begrensd door de meren van Zug, Egeri en
Lowerz, bestaat uit lagen van stevig samengepakte stoffen, op eene kleibedding
rustend, die door het water ondermijnd wordt. Reeds op een onbekend tijdstip
was het dorp Rotten door de instorting van eenen bergwand verwoest; maar in
1806 was de vernieling nog veel ontzettender. Het had langen tijd geregend, en
de kleilagen waren langzamerhand in eene modderachtige massa veranderd;
eindelijk begonnen de bovenste rotsen, nu zij haren steun misten, langs de
helling af te glijden. Plotseling stortte de geheele massa, met hare bosschen,
weiden, hutten en bewoners in de vlakte neer; de tegen elkander botsende rotsen
sloegen vlammen uit; het water der diepe lagen, plotseling in damp veranderd,
spoot uit den grond, en ontzettende massa’s steen en modder werden als uit den
mond van eenen vulkaan uitgeworpen. De prachtige buitenplaatsen van Goldau
en vier dorpen, door omstreeks duizend menschen bewoond, verdwenen onder
de puinhoopen, en de woedende golf, door het storten van het puin in het meer
van Lowerz tot eene hoogte van twintig meters opgeheven, vaagde alle
woningen weg. Het gedeelte van den berg, dat ingestort was, was vier kilometers
lang, 320 meters breed en 32 meters hoog, d. i. 40 millioen cubieke meters.
Minder hevig was de bergstorting, die in het jaar 1881 de helft van het dorpje
Elm in Zwitserland vernielde. Deze ramp was het gevolg van onvoorzichtigheid.
Gedurende eeuwen waren leigroeven gegraven, in eene vooruitstekende rots,
zonder dat men zich de moeite gaf de rots te schoren. Reeds vóór de instorting
verwachtte men het onheil: er had zich in den grond boven de groeve eene spleet
gevormd, die jaarlijks breeder en dieper werd. Eindelijk brak de grond door: tien
millioen cubieke meters steen stortten zich uit over het dorp Unterthal en
stootten tegen eenen daar tegenover gelegen berg aan, die de ontzettende massa
steenen weer in de vlakte terugkaatste.
Zoo zien wij, hoe de verschijnselen in den dampkring, het ijs en de
bergstroomen de onvermoeibare werklieden zijn, die een geheel net van gangen,
engten, valleien in de bergen gevormd hebben. Die werklieden verlagen nog
steeds de hooge toppen der bergen en voeren de bouwstoffen, aan de hellingen
ontnomen, naar de vlakten en naar zee.
Ook de temperatuur werkt op den bodem; over dag zetten de stoffen uit onder
den invloed der zonnewarmte, des nachts krimpen zij in door de uitstraling,
Page 256
zoodat de geheele massa rijst en daalt; het bedrag dier verandering is dikwijls
meetbaar. De sterrenwachten te Armagh, in Ierland, te Grenève, te Neuchatel
staan, blijkens de waarnemingen, daar gedaan, niet volkomen stil, maar
schommelen naar gelang van het jaargetijde; die te Neuchatel helt bovendien
langzamerhand naar het westen over door eene verschuiving van den grond.
Indien men bij sterrenwachten zoodanige schommelingen waarneemt, dan is dit
niet het gevolg van mindere stevigheid van den grond, waarop die gebouwen
geplaatst zijn, maar eenvoudig van de nauwkeurigheid der waarnemingen, die op
zoodanige inrichtingen worden volbracht, en die den sterrenkundige in staat
stellen, de geringste afwijkingen aan te toonen.
Een ander voorbeeld van de rijzingen en dalingen van den grond, wordt, voor
zoover de bodem der zee betreft, door de koraaleilanden of atollen geleverd. Die
ringvormige eilanden werden door koralen gebouwd, die alleen op geringe
diepte onder den waterspiegel kunnen tieren en evenmin kunnen leven boven
den kam der golven. De hoogte der koralen staat dus in nauw verband met die
van den waterspiegel. Indien een koraaleiland aan het dalen is, groeien de
koralen evenals boomen aan, zóódanig dat zij steeds gelijk blijven met den
waterspiegel. Fig. 120 maakt dit duidelijk. Als het eiland daalt, neemt de diepte
van het water daarboven toe; het is alsof de waterspiegel rees, en het
koraaleiland verkrijgt de hoogten A, B, C. In den Stillen Oceaan en in de
Indische zee vindt men koraaleilanden, die eene hoogte hebben van meer dan
1000 meters.
meetbaar. De sterrenwachten te Armagh, in Ierland, te Grenève, te Neuchatel
staan, blijkens de waarnemingen, daar gedaan, niet volkomen stil, maar
schommelen naar gelang van het jaargetijde; die te Neuchatel helt bovendien
langzamerhand naar het westen over door eene verschuiving van den grond.
Indien men bij sterrenwachten zoodanige schommelingen waarneemt, dan is dit
niet het gevolg van mindere stevigheid van den grond, waarop die gebouwen
geplaatst zijn, maar eenvoudig van de nauwkeurigheid der waarnemingen, die op
zoodanige inrichtingen worden volbracht, en die den sterrenkundige in staat
stellen, de geringste afwijkingen aan te toonen.
Een ander voorbeeld van de rijzingen en dalingen van den grond, wordt, voor
zoover de bodem der zee betreft, door de koraaleilanden of atollen geleverd. Die
ringvormige eilanden werden door koralen gebouwd, die alleen op geringe
diepte onder den waterspiegel kunnen tieren en evenmin kunnen leven boven
den kam der golven. De hoogte der koralen staat dus in nauw verband met die
van den waterspiegel. Indien een koraaleiland aan het dalen is, groeien de
koralen evenals boomen aan, zóódanig dat zij steeds gelijk blijven met den
waterspiegel. Fig. 120 maakt dit duidelijk. Als het eiland daalt, neemt de diepte
van het water daarboven toe; het is alsof de waterspiegel rees, en het
koraaleiland verkrijgt de hoogten A, B, C. In den Stillen Oceaan en in de
Indische zee vindt men koraaleilanden, die eene hoogte hebben van meer dan
1000 meters.
Page 257
Eene aardbeving.
Merkwaardige scheppingen! Terwijl de golven met hun wit schuim de
koraalriffen beuken, zijn de atollen van binnen kalm als een meer. Door het
doorschijnende water heen ziet men het prachtig gekleurde bosch op den bodem
van het water bloeien, bij duizenden en tienduizenden vermenigvuldigen de
koraalbloemen hare schitterende sterren; alles is licht en leven in die nieuwe
tuinen der Hesperiden; zelfs het veelkleurige mos, dat de tusschenruimten vult,
Merkwaardige scheppingen! Terwijl de golven met hun wit schuim de
koraalriffen beuken, zijn de atollen van binnen kalm als een meer. Door het
doorschijnende water heen ziet men het prachtig gekleurde bosch op den bodem
van het water bloeien, bij duizenden en tienduizenden vermenigvuldigen de
koraalbloemen hare schitterende sterren; alles is licht en leven in die nieuwe
tuinen der Hesperiden; zelfs het veelkleurige mos, dat de tusschenruimten vult,
Page 258
bestaat uit millioenen koraaldiertjes. De kleine bouwlieden leven en werken
zonder ophouden. Al rukt de storm de grootste steenblokken af, de bevolking
herstelt dag en nacht het verlies. Geen monster uit het dierenrijk, geene
inspanning door menschenhanden, kan ooit iets wrochten, dat wedijveren kan
met de onmetelijke eilanden, door de nietige koraaldiertjes op den bodem der
zee opgericht.
Fig. 120. Vertikale doorsnede van een koraaleiland op verschillende tijdstippen.
Als wij zeiden, hoe de langzaam voortgaande werking van natuurverschijnselen
de verandering van den aardbol verklaren kan, dan wilden wij daarmede niet
beweren, dat alle veranderingen steeds langs rustigen en langzamen weg hebben
plaats gehad. Van tijd tot tijd toch hebben in de natuur, niet minder dan in de
menschheid, omwentelingen plaats. Overstroomingen, vulkanische
uitbarstingen, aardbevingen, cyclonen, stormen, grondverschuivingen, het kruien
van het ijs, ziedaar een aantal verschijnselen, die zich wel is waar beperken tot
bepaalde streken, maar die toch eenen grooten invloed hebben op de gedaante
der aarde. Steden zijn verwoest door aardbevingen; Herculanum, Stabia en
Pompeji zijn onder de asch van den Vesuvius bedolven; Lissabon is in 1755 door
eene schrikkelijke aardbeving geteisterd; Murcia is in 1879 overstroomd; Ischia
is in 1883 door eene aardbeving verwoest (2443 dooden); de uitbarstingen van
den vulkaan Krakatau heeft in 1883 aan 40000 menschen het leven gekost; de
aardbevingen van Spanje (1884) aan 2500 slachtoffers; de aardbeving in
Centraal-Azië, in de vallei van Cashmir aan 2700. De uitbarsting van den
vulkaan Krakatau is waarschijnlijk de grootste geologische omwenteling in de
geschiedenis der menschheid. Die vulkaan, in de Sunda-straat, heeft meer dan
18000 milliard kubieke meters puimsteen en water aan de ingewanden der aarde
ontrukt, waarvan twee derden neergevallen is binnen eenen kring van 15
kilometers straal, en het overige derde zich tot zulk eene hoogte in den vorm van
waterdamp, fijn stof, enz. verspreid heeft, dat nog een jaar later het avondrood
zonder ophouden. Al rukt de storm de grootste steenblokken af, de bevolking
herstelt dag en nacht het verlies. Geen monster uit het dierenrijk, geene
inspanning door menschenhanden, kan ooit iets wrochten, dat wedijveren kan
met de onmetelijke eilanden, door de nietige koraaldiertjes op den bodem der
zee opgericht.
Fig. 120. Vertikale doorsnede van een koraaleiland op verschillende tijdstippen.
Als wij zeiden, hoe de langzaam voortgaande werking van natuurverschijnselen
de verandering van den aardbol verklaren kan, dan wilden wij daarmede niet
beweren, dat alle veranderingen steeds langs rustigen en langzamen weg hebben
plaats gehad. Van tijd tot tijd toch hebben in de natuur, niet minder dan in de
menschheid, omwentelingen plaats. Overstroomingen, vulkanische
uitbarstingen, aardbevingen, cyclonen, stormen, grondverschuivingen, het kruien
van het ijs, ziedaar een aantal verschijnselen, die zich wel is waar beperken tot
bepaalde streken, maar die toch eenen grooten invloed hebben op de gedaante
der aarde. Steden zijn verwoest door aardbevingen; Herculanum, Stabia en
Pompeji zijn onder de asch van den Vesuvius bedolven; Lissabon is in 1755 door
eene schrikkelijke aardbeving geteisterd; Murcia is in 1879 overstroomd; Ischia
is in 1883 door eene aardbeving verwoest (2443 dooden); de uitbarstingen van
den vulkaan Krakatau heeft in 1883 aan 40000 menschen het leven gekost; de
aardbevingen van Spanje (1884) aan 2500 slachtoffers; de aardbeving in
Centraal-Azië, in de vallei van Cashmir aan 2700. De uitbarsting van den
vulkaan Krakatau is waarschijnlijk de grootste geologische omwenteling in de
geschiedenis der menschheid. Die vulkaan, in de Sunda-straat, heeft meer dan
18000 milliard kubieke meters puimsteen en water aan de ingewanden der aarde
ontrukt, waarvan twee derden neergevallen is binnen eenen kring van 15
kilometers straal, en het overige derde zich tot zulk eene hoogte in den vorm van
waterdamp, fijn stof, enz. verspreid heeft, dat nog een jaar later het avondrood
Page 259
daarvan het gevolg was. Het geraas der uitbarsting is tot op ontzettende
afstanden gehoord; de golvingen in de zee hebben zich tot op onze kusten
voortgeplant; de evenwichtstoestand in den dampkring is zóózeer verstoord, dat
die storing zich over den omtrek der aarde in 35 uren heeft voortgeplant, en zelfs
tweemalen den omtrek der aarde heeft doorloopen. De geheele Sunda-straat is
door die uitbarsting gewijzigd en nog thans (1885) zet zich die wijziging voort
door de zeestroomingen.
Fig. 121. Een koraaleiland.
Al willen wij niet beweren, dat een ontzettende zondvloed de geheele aarde
zoude hebben veranderd, en al kan men een groot gedeelte van de verplaatsingen
en bezinkingen verklaren door bergstroomen en aanslibbing, zoo kan men toch
de overleveringen over den zondvloed niet geheel verwerpen. De oude
overleveringen stemmen te zeer overeen, dan dat men kan twijfelen aan eene
overstrooming, in vroegeren tijd in de nabijheid van den berg Ararat, in Armenië
plaats gegrepen. Ongetwijfeld hebben de eerste menschenstammen, die daar
begonnen te ontwaken in den dageraad der beschaving, eene overstrooming
beleefd, veroorzaakt door de Caspische, de Zwarte of de Middellandsche zee, of
afstanden gehoord; de golvingen in de zee hebben zich tot op onze kusten
voortgeplant; de evenwichtstoestand in den dampkring is zóózeer verstoord, dat
die storing zich over den omtrek der aarde in 35 uren heeft voortgeplant, en zelfs
tweemalen den omtrek der aarde heeft doorloopen. De geheele Sunda-straat is
door die uitbarsting gewijzigd en nog thans (1885) zet zich die wijziging voort
door de zeestroomingen.
Fig. 121. Een koraaleiland.
Al willen wij niet beweren, dat een ontzettende zondvloed de geheele aarde
zoude hebben veranderd, en al kan men een groot gedeelte van de verplaatsingen
en bezinkingen verklaren door bergstroomen en aanslibbing, zoo kan men toch
de overleveringen over den zondvloed niet geheel verwerpen. De oude
overleveringen stemmen te zeer overeen, dan dat men kan twijfelen aan eene
overstrooming, in vroegeren tijd in de nabijheid van den berg Ararat, in Armenië
plaats gegrepen. Ongetwijfeld hebben de eerste menschenstammen, die daar
begonnen te ontwaken in den dageraad der beschaving, eene overstrooming
beleefd, veroorzaakt door de Caspische, de Zwarte of de Middellandsche zee, of
Page 260
misschien door den Euphraat. Zeker is het, dat dergelijke omwentelingen invloed
hebben gehad op den vorm der aarde.
Bij al die veranderingen van den bodem moet nog die van het klimaat gevoegd
worden, die alle vorige in belangrijkheid overtreft door haren invloed op het
planten- en dierenrijk. De zeestroomingen, die zich wijzigen met de verandering
in hoogte der bekkens en oevers, de doorgraving van landengten, de verbreeding
van zeestraten, de verwoesting van kapen, de rijzing van landen, dat alles wijzigt
reeds het klimaat der verschillende streken. Zonder den Oceaan en den
golfstroom, die met zijn lauw water langs de kusten van Frankrijk, Engeland,
Nederland en Zweden stroomt, zouden onze streken veel kouder zijn dan thans
het geval is, en zouden wij hier het klimaat hebben van Poltava of de
Donkozakken. Zoo ook hangt de hoeveelheid water, die jaarlijks op ieder land
valt, van de verdamping der zee af, van de windrichting, de gedaante van den
bodem; en de invloed, daardoor op het leven uitgeoefend, hangt af van de
geologische samenstelling van het land. Bovendien verandert langzaam van jaar
tot jaar de schuinte der zonnestralen door de verandering van de helling der
ecliptica. Zoo zouden wij nog kunnen spreken over mogelijke veranderingen in
breedte, of over veranderingen van den waterspiegel.... Maar het voorgaande is
genoeg, om onze lezers te overtuigen van den invloed van het klimaat op den
toestand der aarde.
Zoo hebben wij dan in dit hoofdstuk trachten duidelijk te maken, dat het werk
der schepping—dat is de voortdurende verandering van wezens en zaken—nog
steeds voortduurt; dat zij ons door het tegenwoordige over het verledene doet
oordeelen, dat zij in hetgeen thans geschiedt, ons de verklaring schenkt van wat
heeft plaats gegrepen sedert het ontstaan der aardsche nevelvlek, sedert de
vorming van het protoplasma, sedert het ontstaan van de eerste plant en het
eerste dier, tot aan den tegenwoordigen toestand der natuur. Ook de toekomst is
reeds als kiem in het heden aanwezig, zooals het heden in kiem voorkwam in het
verledene. Ons doel is bereikt, zoo wij hebben aangetoond, dat de wereld vóór
de schepping van den mensch is gewijzigd door dezelfde oorzaken, die nog
steeds onder onze oogen werken.
Bij de levende wezens is die verandering eene veredeling, eene opklimming tot
meerdere volmaking. De geschiedenis der wereld is de stamboom van haren
vooruitgang.
hebben gehad op den vorm der aarde.
Bij al die veranderingen van den bodem moet nog die van het klimaat gevoegd
worden, die alle vorige in belangrijkheid overtreft door haren invloed op het
planten- en dierenrijk. De zeestroomingen, die zich wijzigen met de verandering
in hoogte der bekkens en oevers, de doorgraving van landengten, de verbreeding
van zeestraten, de verwoesting van kapen, de rijzing van landen, dat alles wijzigt
reeds het klimaat der verschillende streken. Zonder den Oceaan en den
golfstroom, die met zijn lauw water langs de kusten van Frankrijk, Engeland,
Nederland en Zweden stroomt, zouden onze streken veel kouder zijn dan thans
het geval is, en zouden wij hier het klimaat hebben van Poltava of de
Donkozakken. Zoo ook hangt de hoeveelheid water, die jaarlijks op ieder land
valt, van de verdamping der zee af, van de windrichting, de gedaante van den
bodem; en de invloed, daardoor op het leven uitgeoefend, hangt af van de
geologische samenstelling van het land. Bovendien verandert langzaam van jaar
tot jaar de schuinte der zonnestralen door de verandering van de helling der
ecliptica. Zoo zouden wij nog kunnen spreken over mogelijke veranderingen in
breedte, of over veranderingen van den waterspiegel.... Maar het voorgaande is
genoeg, om onze lezers te overtuigen van den invloed van het klimaat op den
toestand der aarde.
Zoo hebben wij dan in dit hoofdstuk trachten duidelijk te maken, dat het werk
der schepping—dat is de voortdurende verandering van wezens en zaken—nog
steeds voortduurt; dat zij ons door het tegenwoordige over het verledene doet
oordeelen, dat zij in hetgeen thans geschiedt, ons de verklaring schenkt van wat
heeft plaats gegrepen sedert het ontstaan der aardsche nevelvlek, sedert de
vorming van het protoplasma, sedert het ontstaan van de eerste plant en het
eerste dier, tot aan den tegenwoordigen toestand der natuur. Ook de toekomst is
reeds als kiem in het heden aanwezig, zooals het heden in kiem voorkwam in het
verledene. Ons doel is bereikt, zoo wij hebben aangetoond, dat de wereld vóór
de schepping van den mensch is gewijzigd door dezelfde oorzaken, die nog
steeds onder onze oogen werken.
Bij de levende wezens is die verandering eene veredeling, eene opklimming tot
meerdere volmaking. De geschiedenis der wereld is de stamboom van haren
vooruitgang.
Page 261
1 Op bepaalde plaatsen is de verdamping veel sterker dan het algemeen gemiddelde bedraagt. Zoo regent
het bijna nooit boven de Roode zee en in hare nabijheid, en de verdamping heeft daar zóó snel plaats, dat
daar eene laag van 7 meters dikte jaarlijks als damp wordt weggevoerd. De Roode zee zoude dus reeds lang
uitgedroogd en vervangen zijn door eene zoutvallei, indien zij niet gevoed werd door de Indische zee en de
Middellandsche zee.
De waterspiegel der Roode zee is dezelfde als die van den gemiddelden waterspiegel van den Oceaan,
omdat zij daarmede in gemeenschap staat. Ditzelfde geldt voor de Middellandsche zee, niettegenstaande
hare verdamping ⅓ meer bedraagt dan hetgeen haar wordt toegevoegd.
Daar de Caspische zee afgesloten is, heeft zij eenen anderen waterspiegel verkregen en is zij 100 meters
gedaald; de doode zee is 400 meters gedaald; de waterspiegel dier zeeën wordt bepaald door de verhouding
tusschen de hoeveelheid verdampend water en de hoeveelheid regen.
2 De arbeid der rivieren bij de aanslibbing vermindert van jaar tot jaar door het gebruik, dat de
landbouwers van het water maken. De Po wordt gebruikt voor de besproeiing van honderdduizenden
bunders: dagelijks worden daaraan 55 millioen cubieke meters water onttrokken voor den landbouw in
Lombardije en Venetië. Zoo geeft de Ganges6⁄7van zijn water af ten behoeve van 3 millioen menschen; in
de delta van den Nijl dienen steeds 50 000 putten ter besproeiing ten koste der rivier en der kanalen. Een
groot gedeelte van het water is reeds gedronken en afgeleid vóórdat het de zee bereikt.
3 Welke verwoestingen eene zoodanige golf, veroorzaakt door het storten van groote massa’s steen in
het water, kan veroorzaken, heeft men in 1883 te Krakatau ondervonden. Men leze over die ontzettende
ramp het voortreffelijke werk van den Heer R.D.M. Verbeek: Krakatau.
het bijna nooit boven de Roode zee en in hare nabijheid, en de verdamping heeft daar zóó snel plaats, dat
daar eene laag van 7 meters dikte jaarlijks als damp wordt weggevoerd. De Roode zee zoude dus reeds lang
uitgedroogd en vervangen zijn door eene zoutvallei, indien zij niet gevoed werd door de Indische zee en de
Middellandsche zee.
De waterspiegel der Roode zee is dezelfde als die van den gemiddelden waterspiegel van den Oceaan,
omdat zij daarmede in gemeenschap staat. Ditzelfde geldt voor de Middellandsche zee, niettegenstaande
hare verdamping ⅓ meer bedraagt dan hetgeen haar wordt toegevoegd.
Daar de Caspische zee afgesloten is, heeft zij eenen anderen waterspiegel verkregen en is zij 100 meters
gedaald; de doode zee is 400 meters gedaald; de waterspiegel dier zeeën wordt bepaald door de verhouding
tusschen de hoeveelheid verdampend water en de hoeveelheid regen.
2 De arbeid der rivieren bij de aanslibbing vermindert van jaar tot jaar door het gebruik, dat de
landbouwers van het water maken. De Po wordt gebruikt voor de besproeiing van honderdduizenden
bunders: dagelijks worden daaraan 55 millioen cubieke meters water onttrokken voor den landbouw in
Lombardije en Venetië. Zoo geeft de Ganges6⁄7van zijn water af ten behoeve van 3 millioen menschen; in
de delta van den Nijl dienen steeds 50 000 putten ter besproeiing ten koste der rivier en der kanalen. Een
groot gedeelte van het water is reeds gedronken en afgeleid vóórdat het de zee bereikt.
3 Welke verwoestingen eene zoodanige golf, veroorzaakt door het storten van groote massa’s steen in
het water, kan veroorzaken, heeft men in 1883 te Krakatau ondervonden. Men leze over die ontzettende
ramp het voortreffelijke werk van den Heer R.D.M. Verbeek: Krakatau.
Page 262
Page 263
Derde hoofdstuk
Page 264
De ontwikkeling van het leven.
De devonische periode.—De geboorte der visschen.
De talrijke bewijsstukken, die wij in het vorige hoofdstuk gegeven hebben, met
het doel om den arbeid der natuur bij de voortdurende gedaantewisseling der
aarde te begrijpen, mogen ons niet uit het oog doen verliezen, bij welk tijdperk
wij geëindigd zijn in onze beschrijving van de wereld vóór den mensen. Het
vorige overzicht heeft ons in staat gesteld, ons rekenschap te geven van den weg,
door de natuur gevolgd bij de vorming en ontwikkeling der aarde. In de
werkplaats der natuur toegelaten, ingewijd in hare geheimen, kunnen wij den
grootschen eenvoud van haren arbeid op prijs stellen, en zien wij de langzame
opklimming van het planten- en dierenrijk tot hooger ontwikkelde vormen.
Reeds de ouden zeiden, dat de aarde de dochter is van den Oceaan, en terecht.
Wij zagen in de lauwe wateren der azoïsche periode het leven te voorschijn
treden, in den vorm van eenvoudige organismen, klonters gelei, protisten,
afgietseldiertjes, diatomeeën, wieren, bilobieten, chondriten, mosdieren,
plantdieren, poliepen, stekelhuidigen, armpootigen, trilobieten, enz. De eerste
eilanden kwamen uit de zee naar boven, en de weekdieren en zeeplanten
begonnen zich te wagen op de eerste oevers, nog laag en vochtig, en trachtten
zich in te passen in die gewijzigde levensvoorwaarden. In de vochtige lucht,
onder eenen zwaren en lauwen dampkring, verkrijgen de varens hunnen rijken
bladerendos, en reeds ziet men op den vasten grond ringwormen, schaaldieren en
spinachtige dieren, krabben en schorpioenen.
Maar in al die millioenen jaren der laurentische, cambrische en silurische
periode bestond er op de aarde geen enkel hooger bewerktuigd wezen. Het
plantenrijk was alleen vertegenwoordigd door sporeplanten, het dierenrijk door
ongewervelde dieren. Onder al die planten geene enkele bloem, geene enkele
vrucht, geen enkele werkelijke boom; geene roos, geene korenbloem, geene
klaproos of winde; geen wilg, geen eik, geen berk of populier; niets van datgene,
wat thans de schoonheid onzer landschappen uitmaakt. Niets dan mos, soms zeer
hoog, maar veeleer geel dan groen. En onder de dieren geen enkele van die,
welke thans de belangrijkste bevolking der aarde uitmaken, geen viervoetig dier,
geen vogel, geen kruipend dier, zelfs geen visch.
De devonische periode.—De geboorte der visschen.
De talrijke bewijsstukken, die wij in het vorige hoofdstuk gegeven hebben, met
het doel om den arbeid der natuur bij de voortdurende gedaantewisseling der
aarde te begrijpen, mogen ons niet uit het oog doen verliezen, bij welk tijdperk
wij geëindigd zijn in onze beschrijving van de wereld vóór den mensen. Het
vorige overzicht heeft ons in staat gesteld, ons rekenschap te geven van den weg,
door de natuur gevolgd bij de vorming en ontwikkeling der aarde. In de
werkplaats der natuur toegelaten, ingewijd in hare geheimen, kunnen wij den
grootschen eenvoud van haren arbeid op prijs stellen, en zien wij de langzame
opklimming van het planten- en dierenrijk tot hooger ontwikkelde vormen.
Reeds de ouden zeiden, dat de aarde de dochter is van den Oceaan, en terecht.
Wij zagen in de lauwe wateren der azoïsche periode het leven te voorschijn
treden, in den vorm van eenvoudige organismen, klonters gelei, protisten,
afgietseldiertjes, diatomeeën, wieren, bilobieten, chondriten, mosdieren,
plantdieren, poliepen, stekelhuidigen, armpootigen, trilobieten, enz. De eerste
eilanden kwamen uit de zee naar boven, en de weekdieren en zeeplanten
begonnen zich te wagen op de eerste oevers, nog laag en vochtig, en trachtten
zich in te passen in die gewijzigde levensvoorwaarden. In de vochtige lucht,
onder eenen zwaren en lauwen dampkring, verkrijgen de varens hunnen rijken
bladerendos, en reeds ziet men op den vasten grond ringwormen, schaaldieren en
spinachtige dieren, krabben en schorpioenen.
Maar in al die millioenen jaren der laurentische, cambrische en silurische
periode bestond er op de aarde geen enkel hooger bewerktuigd wezen. Het
plantenrijk was alleen vertegenwoordigd door sporeplanten, het dierenrijk door
ongewervelde dieren. Onder al die planten geene enkele bloem, geene enkele
vrucht, geen enkele werkelijke boom; geene roos, geene korenbloem, geene
klaproos of winde; geen wilg, geen eik, geen berk of populier; niets van datgene,
wat thans de schoonheid onzer landschappen uitmaakt. Niets dan mos, soms zeer
hoog, maar veeleer geel dan groen. En onder de dieren geen enkele van die,
welke thans de belangrijkste bevolking der aarde uitmaken, geen viervoetig dier,
geen vogel, geen kruipend dier, zelfs geen visch.
Page 265
Vreemde wereld, die reeds alles, wat thans bestaat, in kiem bevat! Reeds is het
de Aarde en dus met andere eigenschappen bedeeld dan de maan, Venus, Jupiter
of Saturnus. De weg harer ontwikkeling is gebaand.
Tot nu toe was de natuur doode stof. Bij de trilobieten begon zij het eerst te zien:
met deze opende zich het oog voor het licht, en van stap tot stap ontwikkelde het
zich om te worden het oog van den arend, den hond, den leeuw, die aanschouwt,
het oog van den man, die denkt of de blik van de vrouw, die bemint. Tot nu toe
waren ook alle levende wezens doof; de gehoorzenuw vormt zich, trilt voor het
eerst, geeft langzamerhand het aanzijn aan het oor; het strottenhoofd en de tong
zijn ontwikkeld genoeg, zoodat tonen kunnen worden voortgebracht, die eerst
nog onduidelijk, langzamerhand meer gearticuleerd worden; het zal gesis
worden bij de slang, gebrul bij de verscheurende dieren, gezang bij den
nachtegaal, en de spraak bij den mensch, de spraak die door haren rijkdom en
hare bekoring de menschheid op den weg der verstandsontwikkeling geleid
heeft, de geschreven taal heeft geschapen, de geschiedenis heeft gesticht, dat
heerlijke erfgoed van vervlogen eeuwen, en het menschelijke ras het karakter
van zijnen adel en zijne grootheid heeft geschonken. Het oog en het oor, zien,
hooren, en spreken! Schitterende vooruitgang bij den tijd, toen de natuur,
niettegenstaande de optrekkende duisternis en het geluid van wind en golven,
zoovele eeuwen blind en doof is gebleven! Dankbaarheid bezielt den
natuuronderzoeker en den denker jegens de eerste oogen, thans versteend, die
hier op aarde geopend zijn, jegens de eerste wezens, die gesidderd hebben bij het
geluid van storm en donder, en getracht hebben te schreeuwen; want aan hen
hebben wij onze heerlijke zintuigen te danken.
De devonische periode, de dochter en erfgename der silurische periode, wijst op
eenen verbazenden vooruitgang in de organische wereld: de eerste gewervelde
dieren verschijnen in het water, evenals hunne ongewervelde voorgangers: het
zijn visschen.
De visschen zijn de laagst ontwikkelde gewervelde dieren, en hunne
verschijning aan den ingang der devonische periode pleit voor de leer van de
geleidelijke ontwikkeling der levende wezens.
Hunne hersenen zijn klein en weinig ontwikkeld; hun wervelkolom is nog
rudimentair, hun zenuwstelsel weinig gevormd; de helft hunner macht zetelt in
hunnen bek; de kop is tamelijk ontwikkeld, de reuk is zeer gevoelig, het oog ziet
de Aarde en dus met andere eigenschappen bedeeld dan de maan, Venus, Jupiter
of Saturnus. De weg harer ontwikkeling is gebaand.
Tot nu toe was de natuur doode stof. Bij de trilobieten begon zij het eerst te zien:
met deze opende zich het oog voor het licht, en van stap tot stap ontwikkelde het
zich om te worden het oog van den arend, den hond, den leeuw, die aanschouwt,
het oog van den man, die denkt of de blik van de vrouw, die bemint. Tot nu toe
waren ook alle levende wezens doof; de gehoorzenuw vormt zich, trilt voor het
eerst, geeft langzamerhand het aanzijn aan het oor; het strottenhoofd en de tong
zijn ontwikkeld genoeg, zoodat tonen kunnen worden voortgebracht, die eerst
nog onduidelijk, langzamerhand meer gearticuleerd worden; het zal gesis
worden bij de slang, gebrul bij de verscheurende dieren, gezang bij den
nachtegaal, en de spraak bij den mensch, de spraak die door haren rijkdom en
hare bekoring de menschheid op den weg der verstandsontwikkeling geleid
heeft, de geschreven taal heeft geschapen, de geschiedenis heeft gesticht, dat
heerlijke erfgoed van vervlogen eeuwen, en het menschelijke ras het karakter
van zijnen adel en zijne grootheid heeft geschonken. Het oog en het oor, zien,
hooren, en spreken! Schitterende vooruitgang bij den tijd, toen de natuur,
niettegenstaande de optrekkende duisternis en het geluid van wind en golven,
zoovele eeuwen blind en doof is gebleven! Dankbaarheid bezielt den
natuuronderzoeker en den denker jegens de eerste oogen, thans versteend, die
hier op aarde geopend zijn, jegens de eerste wezens, die gesidderd hebben bij het
geluid van storm en donder, en getracht hebben te schreeuwen; want aan hen
hebben wij onze heerlijke zintuigen te danken.
De devonische periode, de dochter en erfgename der silurische periode, wijst op
eenen verbazenden vooruitgang in de organische wereld: de eerste gewervelde
dieren verschijnen in het water, evenals hunne ongewervelde voorgangers: het
zijn visschen.
De visschen zijn de laagst ontwikkelde gewervelde dieren, en hunne
verschijning aan den ingang der devonische periode pleit voor de leer van de
geleidelijke ontwikkeling der levende wezens.
Hunne hersenen zijn klein en weinig ontwikkeld; hun wervelkolom is nog
rudimentair, hun zenuwstelsel weinig gevormd; de helft hunner macht zetelt in
hunnen bek; de kop is tamelijk ontwikkeld, de reuk is zeer gevoelig, het oog ziet
Page 266
goed, het oor begint, verscheidene visschen kunnen zelfs fijne geluiden
onderscheiden; de stem echter ontbreekt: de natuur is niet langer doof, doch nog
steeds stom en alle levende wezens zijn stilzwijgend. De geslachten zijn
gescheiden, maar bij die koudbloedige dieren brengt die scheiding nog niet de
zoete wet der aanraking mede. Die aantrekkingskracht is weggelegd voor de
kinderen der toekomst; de zoete liefdelust kennen zij niet. Onbekend met de
wellust, is ook kinder- of ouderliefde hun vreemd. Welk een afstand tusschen
visch en vogel! Hoeveel treden moet de natuur nog stijgen! Iedere visch staat op
zich zelf. Eten en gegeten worden: ziedaar zijne bestemming. Het wijfje strooit
duizenden eieren, waarvan het grootste gedeelte voor den arbeid des levens
verloren gaat; zij laat ze los als een overtollige last en bekommert zich niet om
de toekomst; zij worden haar even vreemd, als waren zij uit den hemel gevallen.
Te eeniger tijd zwemt het mannetje over die eieren heen en laat hij een
bevruchtend vocht daarop vallen; hij kent ze evenmin, het zijn niet zijne
kinderen, maar die der natuur. Treurige liefde! treurig leven!
En toch! hoever zijn de visschen niet vooruit bij de weekdieren, die met moeite
voortkropen over den bodem van het water! Hoe vrij bewegen zij zich!
Gelukkig, zegt het spreekwoord, als een visch in het water! Dat geluk bestaat in
het gevoel van vrijheid.
onderscheiden; de stem echter ontbreekt: de natuur is niet langer doof, doch nog
steeds stom en alle levende wezens zijn stilzwijgend. De geslachten zijn
gescheiden, maar bij die koudbloedige dieren brengt die scheiding nog niet de
zoete wet der aanraking mede. Die aantrekkingskracht is weggelegd voor de
kinderen der toekomst; de zoete liefdelust kennen zij niet. Onbekend met de
wellust, is ook kinder- of ouderliefde hun vreemd. Welk een afstand tusschen
visch en vogel! Hoeveel treden moet de natuur nog stijgen! Iedere visch staat op
zich zelf. Eten en gegeten worden: ziedaar zijne bestemming. Het wijfje strooit
duizenden eieren, waarvan het grootste gedeelte voor den arbeid des levens
verloren gaat; zij laat ze los als een overtollige last en bekommert zich niet om
de toekomst; zij worden haar even vreemd, als waren zij uit den hemel gevallen.
Te eeniger tijd zwemt het mannetje over die eieren heen en laat hij een
bevruchtend vocht daarop vallen; hij kent ze evenmin, het zijn niet zijne
kinderen, maar die der natuur. Treurige liefde! treurig leven!
En toch! hoever zijn de visschen niet vooruit bij de weekdieren, die met moeite
voortkropen over den bodem van het water! Hoe vrij bewegen zij zich!
Gelukkig, zegt het spreekwoord, als een visch in het water! Dat geluk bestaat in
het gevoel van vrijheid.
Page 267
Fig. 123–124. De eerste visschen.—Devonische periode. Cephalaspis Lyellii en Pterichthys
Milleri.
De eerste visschen hadden echter niet den fraaien vorm, die ons thans zoo
bekoort. Ook zij zijn veel vooruitgegaan. De oudste versteende visschen, in de
devonische formatie1 gevonden, zijn van beenschilden voorzien, en heeten
glansschubbigen (ganoïdeën); hun beenderstelsel was onvolkomen en hun
lichaam was door groote platen en beenige schubben beveiligd, die eene
schitterende kleurenpracht vertoonden. Zijn het wel visschen, of zijn het niet
familieleden van de schaaldieren? Langen tijd is over die vraag getwist, totdat in
het jaar 1863 gebleken is, dat zij schubben bezitten. Het is trouwens niet te
verwonderen, dat uitstekende natuuronderzoekers die laag ontwikkelde visschen
tot de ongewervelde dieren brachten. Immers gewervelde dieren moeten wervels
bezitten, en de eerste fossiele visschen vertoonen evenmin sporen van wervels
als de amphyoxus uit onze zeeën. Bij de gewervelde dieren zijn de ledematen
door beenderen aan de wervelkolom verbonden; de eerste fossiele visschen
Milleri.
De eerste visschen hadden echter niet den fraaien vorm, die ons thans zoo
bekoort. Ook zij zijn veel vooruitgegaan. De oudste versteende visschen, in de
devonische formatie1 gevonden, zijn van beenschilden voorzien, en heeten
glansschubbigen (ganoïdeën); hun beenderstelsel was onvolkomen en hun
lichaam was door groote platen en beenige schubben beveiligd, die eene
schitterende kleurenpracht vertoonden. Zijn het wel visschen, of zijn het niet
familieleden van de schaaldieren? Langen tijd is over die vraag getwist, totdat in
het jaar 1863 gebleken is, dat zij schubben bezitten. Het is trouwens niet te
verwonderen, dat uitstekende natuuronderzoekers die laag ontwikkelde visschen
tot de ongewervelde dieren brachten. Immers gewervelde dieren moeten wervels
bezitten, en de eerste fossiele visschen vertoonen evenmin sporen van wervels
als de amphyoxus uit onze zeeën. Bij de gewervelde dieren zijn de ledematen
door beenderen aan de wervelkolom verbonden; de eerste fossiele visschen
Page 268
vertoonen geen spoor van dergelijke beenderen of een inwendig been; zij hebben
alleen één of meer platen, die een schild vormen.
De eerste bewoners der aarde gedurende de devonische periode.
Zoo bevestigt zich ook hier weder de leer der langzame ontwikkeling der
wezens. Wij zagen vroeger, dat de amphyoxus, koploos gewerveld dier, den
overgang vormt van de ongewervelden tot de gewervelden: de paleontologie is
alleen één of meer platen, die een schild vormen.
De eerste bewoners der aarde gedurende de devonische periode.
Zoo bevestigt zich ook hier weder de leer der langzame ontwikkeling der
wezens. Wij zagen vroeger, dat de amphyoxus, koploos gewerveld dier, den
overgang vormt van de ongewervelden tot de gewervelden: de paleontologie is
Page 269
weer in volmaakte overeenstemming met de physiologie: de visschen, de
oorspronkelijke glansschubbigen, behooren tot het type van den amphyoxus.
Fig. 123–124 stellen twee visschen voor uit die periode; zij verschillen zóózeer
van alle tegenwoordige soorten, dat het moeilijk te beslissen valt, of zij behooren
tot de beenige of kraakbeenige visschen. Zij missen wervels en inwendige
beenderen. Tevergeefs zoude men in hunnen kop de inrichting der
tegenwoordige visschen zoeken: men ziet een schild, waarin men onmogelijk de
verdeelingen van de beenderen van den schedel kan terugvinden; zij gelijken in
hunnen vorm op trilobieten. Zoo heeft de trilobiet, de koning der zeeën uit de
azoïsche periode, tot opvolger eenen op hem gelijkenden visch, die met hem de
heerschappij over de primaire wateren deelt.
Fig. 126. De eerste visschen. Coccosteus decipiens.
De pterichthys (fig. 124) heeft eene wervelkolom, die echter niet verhard is; de
buitenste helft van het lichaam is ingesloten in een schild, en de pooten schijnen
meer gevormd om te springen dan om te zwemmen; de achterste helft draagt
schubben en vinnen. Het is alsof het vreemde dier uit twee deelen bestond, een
voorste gedeelte, waardoor het tot de ongewervelden zou behooren, en een
achterste gedeelte, waardoor het gewerveld is.
Fig. 127. De eerste visschen. Holoptychus Andersonii.
oorspronkelijke glansschubbigen, behooren tot het type van den amphyoxus.
Fig. 123–124 stellen twee visschen voor uit die periode; zij verschillen zóózeer
van alle tegenwoordige soorten, dat het moeilijk te beslissen valt, of zij behooren
tot de beenige of kraakbeenige visschen. Zij missen wervels en inwendige
beenderen. Tevergeefs zoude men in hunnen kop de inrichting der
tegenwoordige visschen zoeken: men ziet een schild, waarin men onmogelijk de
verdeelingen van de beenderen van den schedel kan terugvinden; zij gelijken in
hunnen vorm op trilobieten. Zoo heeft de trilobiet, de koning der zeeën uit de
azoïsche periode, tot opvolger eenen op hem gelijkenden visch, die met hem de
heerschappij over de primaire wateren deelt.
Fig. 126. De eerste visschen. Coccosteus decipiens.
De pterichthys (fig. 124) heeft eene wervelkolom, die echter niet verhard is; de
buitenste helft van het lichaam is ingesloten in een schild, en de pooten schijnen
meer gevormd om te springen dan om te zwemmen; de achterste helft draagt
schubben en vinnen. Het is alsof het vreemde dier uit twee deelen bestond, een
voorste gedeelte, waardoor het tot de ongewervelden zou behooren, en een
achterste gedeelte, waardoor het gewerveld is.
Fig. 127. De eerste visschen. Holoptychus Andersonii.
Page 270
Men vindt ook in de devonische formaties eene meer ontwikkelde vischsoort,
den coccosteus. Het achterste gedeelte van het lichaam was bloot; het voorste
deel met een stevig schild bedekt. Gaudry meent, dat die visch het achterste deel
van het lichaam, dat geene verdedigingsmiddelen bezat, in den modder verborg,
en wijst op den nog thans bestaanden Pimelodus gulio, eene Indische visch, wier
lichaam naakt is en wier kop eenen harden helm draagt; die visch begraaft zich
in den modder, wacht totdat een visch over hem heen gaat, en doodt hem dan
door eenen stevigen stoot met zijnen helm. Onder de merkwaardigste visschen
van die periode behoort ook de Holoptychus Andersonii (fig. 127).
Belangrijk is
het, de
verandering
van den
staart der
visschen te
vergelijken
met die van
de
wervelkolo
m. In het
eerste type
Fig. 128. Vervorming van den staart der visschen. (A) is de
staart
enkelvoudig
en neemt de wervelkolom geleidelijk af; in het
tweede type (B) is de wervelkolom omgebogen en
vergroot, en is de staart eveneens onregelmatig; in het
derde type (C) is de wervelkolom in twee takken
gesplitst; daaraan hebben de tegenwoordige visschen
hunne vlugheid te danken. Hoewel sommige soorten
van het eerste type in stand gebleven zijn tot op
onzen tijd (zooals de alen), zoo heerschten zij toch
oppermachtig in de primaire periode; het tweede type
heerschte in de tweede periode; het derde type Fig. 129. Schaaldieren uit de
kenmerkt de latere tijdperken. devonische periode. Phacops
latifrons.
den coccosteus. Het achterste gedeelte van het lichaam was bloot; het voorste
deel met een stevig schild bedekt. Gaudry meent, dat die visch het achterste deel
van het lichaam, dat geene verdedigingsmiddelen bezat, in den modder verborg,
en wijst op den nog thans bestaanden Pimelodus gulio, eene Indische visch, wier
lichaam naakt is en wier kop eenen harden helm draagt; die visch begraaft zich
in den modder, wacht totdat een visch over hem heen gaat, en doodt hem dan
door eenen stevigen stoot met zijnen helm. Onder de merkwaardigste visschen
van die periode behoort ook de Holoptychus Andersonii (fig. 127).
Belangrijk is
het, de
verandering
van den
staart der
visschen te
vergelijken
met die van
de
wervelkolo
m. In het
eerste type
Fig. 128. Vervorming van den staart der visschen. (A) is de
staart
enkelvoudig
en neemt de wervelkolom geleidelijk af; in het
tweede type (B) is de wervelkolom omgebogen en
vergroot, en is de staart eveneens onregelmatig; in het
derde type (C) is de wervelkolom in twee takken
gesplitst; daaraan hebben de tegenwoordige visschen
hunne vlugheid te danken. Hoewel sommige soorten
van het eerste type in stand gebleven zijn tot op
onzen tijd (zooals de alen), zoo heerschten zij toch
oppermachtig in de primaire periode; het tweede type
heerschte in de tweede periode; het derde type Fig. 129. Schaaldieren uit de
kenmerkt de latere tijdperken. devonische periode. Phacops
latifrons.
Page 271
In het begin van dit werk a. Het dier uitgespreid, b.
vestigden wij er de Opgerold.
aandacht op, dat de
embryologie (de leer der
ongeboren vrucht) ons de verwantschap der wezens
bewijst, door ons de gelijkenis van de menschelijke
vrucht met die der overige levende wezens voor
oogen te stellen. De jonge Agassiz heeft aangetoond:
dat de visschen van de ongeboren vrucht tot den
volwassen toestand dezelfde overgangsvormen
doorloopen, die zij doorloopen hebben van de
primaire tijden tot op onzen tijd.
De devonische periode kenmerkt zich dus door eenen
beslissenden stap in de ontwikkeling, door het
Fig. 130. Schaaldier uit het optreden der eerste gewervelden, de visschen. In de
devonische tijdperk. Hemiaspis vorige hoofdstukken hebben wij de ongewervelden,
limuloïdes. plantdieren, poliepen, stekelhuidigen, armpootigen,
weekdieren, schaaldieren enz. zien optreden. Van nu
af aan worden de
wateren ook bevolkt
door de visschen,
trapsgewijze
voortgekomen uit de
wormen. Weldra zullen
wij getuige zijn van
verdere ontwikkeling.
De visschen zullen het
aanzijn schenken aan
de tweeslachtige dieren,
deze aan de kruipende
dieren, de laatste aan de
vogels, en dat alles
langzaam en
geleidelijk.
Fig. 131. Pterygotus anglica.
Tegelijkertijd, dat de
eerste visschen zich in
vestigden wij er de Opgerold.
aandacht op, dat de
embryologie (de leer der
ongeboren vrucht) ons de verwantschap der wezens
bewijst, door ons de gelijkenis van de menschelijke
vrucht met die der overige levende wezens voor
oogen te stellen. De jonge Agassiz heeft aangetoond:
dat de visschen van de ongeboren vrucht tot den
volwassen toestand dezelfde overgangsvormen
doorloopen, die zij doorloopen hebben van de
primaire tijden tot op onzen tijd.
De devonische periode kenmerkt zich dus door eenen
beslissenden stap in de ontwikkeling, door het
Fig. 130. Schaaldier uit het optreden der eerste gewervelden, de visschen. In de
devonische tijdperk. Hemiaspis vorige hoofdstukken hebben wij de ongewervelden,
limuloïdes. plantdieren, poliepen, stekelhuidigen, armpootigen,
weekdieren, schaaldieren enz. zien optreden. Van nu
af aan worden de
wateren ook bevolkt
door de visschen,
trapsgewijze
voortgekomen uit de
wormen. Weldra zullen
wij getuige zijn van
verdere ontwikkeling.
De visschen zullen het
aanzijn schenken aan
de tweeslachtige dieren,
deze aan de kruipende
dieren, de laatste aan de
vogels, en dat alles
langzaam en
geleidelijk.
Fig. 131. Pterygotus anglica.
Tegelijkertijd, dat de
eerste visschen zich in
Page 272
de zee ontwikkelen, heerschen de schaaldieren en vooral de trilobieten nog,
zooals zij dit reeds eeuwen lang in de silurische periode deden. Maar toch
gevoelen zij reeds, dat zij hunne plaats moeten afstaan aan hunne opvolgers.
Noemen wij den phacops latifrons, die ons doet denken aan de calymene (blz.
154). Behalve de vroeger genoemde trilobieten vindt men in de devonische
formatie den stylonurus (puntstaart), de slimonia (naar den Schotschen geoloog
Slimon), den xiphosurus (degenstaart), de hemiaspis limuloïdes (fig. 130).
Enkele van die schaaldieren en gelede dieren bereikten verbazende afmetingen;
in de devonische terreinen van Schotland heeft men eene soort pterigotus
gevonden, die 1,80 meter lang is en dus de grootste kreeften van onzen tijd
overtreft. Opmerkelijk is het, hoe de kopaanhangsels (fig. 131), ma., 1 m, 2 m,
mp de rol van pooten vervullen, terwijl het getande grondvlak dier pooten de rol
van kaken vervult!
Behalve de oorspronkelijke visschen en de groote hoeveelheid schaaldieren
waren de zeeën bevolkt met veel meer koppootige weekdieren dan thans. Bij de
typen uit de silurische periode (blz. 155) moeten nog gevoegd worden de
spiriferen, haplocrinen en calceolae, die aan die periode bepaald eigen zijn. Wij
noemen ook nog de vinpootigen, de nautiliden en de nog zeer verspreide
zeeleliën.
Fig. 132. Koppootige weekdieren van het devonische tijdperk.
Spirifer macropterus.
Fig. 133. Armpootige weekdieren uit het devonische tijdperk.
Haplocrinus mespiliformis.—a. Van ter zijde. b. Van boven. c. Van
onderen.
zooals zij dit reeds eeuwen lang in de silurische periode deden. Maar toch
gevoelen zij reeds, dat zij hunne plaats moeten afstaan aan hunne opvolgers.
Noemen wij den phacops latifrons, die ons doet denken aan de calymene (blz.
154). Behalve de vroeger genoemde trilobieten vindt men in de devonische
formatie den stylonurus (puntstaart), de slimonia (naar den Schotschen geoloog
Slimon), den xiphosurus (degenstaart), de hemiaspis limuloïdes (fig. 130).
Enkele van die schaaldieren en gelede dieren bereikten verbazende afmetingen;
in de devonische terreinen van Schotland heeft men eene soort pterigotus
gevonden, die 1,80 meter lang is en dus de grootste kreeften van onzen tijd
overtreft. Opmerkelijk is het, hoe de kopaanhangsels (fig. 131), ma., 1 m, 2 m,
mp de rol van pooten vervullen, terwijl het getande grondvlak dier pooten de rol
van kaken vervult!
Behalve de oorspronkelijke visschen en de groote hoeveelheid schaaldieren
waren de zeeën bevolkt met veel meer koppootige weekdieren dan thans. Bij de
typen uit de silurische periode (blz. 155) moeten nog gevoegd worden de
spiriferen, haplocrinen en calceolae, die aan die periode bepaald eigen zijn. Wij
noemen ook nog de vinpootigen, de nautiliden en de nog zeer verspreide
zeeleliën.
Fig. 132. Koppootige weekdieren van het devonische tijdperk.
Spirifer macropterus.
Fig. 133. Armpootige weekdieren uit het devonische tijdperk.
Haplocrinus mespiliformis.—a. Van ter zijde. b. Van boven. c. Van
onderen.
Page 273
De dierenwereld uit het devonische tijdperk is dus slechts het vervolg van die uit
het silurische tijdperk, maar met eene duidelijke neiging tot volmaking.
Sommige soorten gaan uit het ééne naar het andere tijdperk over; een groot
aantal silurische soorten worden in het devonische tijdperk door nieuwe vormen
vertegenwoordigd; verscheidene sterven uit, en die, welke optreden, zijn veel
ingewikkelder van bouw.
Fig. 134. Calceola Sandalina.
Fig. 137 geeft een overzicht van den tijd, waarop ieder der genoemde
diersoorten voor het eerst voorkwam en het tijdperk, waarop zij verdwenen. Wij
zien, dat de graptolithen in het cambrische tijdperk ontstonden en na het
silurische weder uitgestorven waren, en dat de trilobieten de permische periode
niet hebben overleefd.
Fig. 135. Vinpootige weekdieren uit het devonische
tijdperk. Murchisonia intermedia. Avicula flabella.
het silurische tijdperk, maar met eene duidelijke neiging tot volmaking.
Sommige soorten gaan uit het ééne naar het andere tijdperk over; een groot
aantal silurische soorten worden in het devonische tijdperk door nieuwe vormen
vertegenwoordigd; verscheidene sterven uit, en die, welke optreden, zijn veel
ingewikkelder van bouw.
Fig. 134. Calceola Sandalina.
Fig. 137 geeft een overzicht van den tijd, waarop ieder der genoemde
diersoorten voor het eerst voorkwam en het tijdperk, waarop zij verdwenen. Wij
zien, dat de graptolithen in het cambrische tijdperk ontstonden en na het
silurische weder uitgestorven waren, en dat de trilobieten de permische periode
niet hebben overleefd.
Fig. 135. Vinpootige weekdieren uit het devonische
tijdperk. Murchisonia intermedia. Avicula flabella.
Page 274
Fig. 136. Vinpootige weekdieren uit het devonische tijdperk. Cirrus
spinosus.
De insecten zijn in dienzelfden tijd verschenen, maar zij hebben, zooals men
licht begrijpt, geene versteeningen achtergelaten. Men heeft vleugels van
netvleugeligen (haften) in de devonische formatie van Canada gevonden. Één
dier voorouders, platephemera genaamd, was met uitgestrekte vleugels meer dan
20 centimeter lang, een andere scheen tusschen de haften en waterjuffers in te
liggen, en zoo vindt men nog enkele soorten meer. Merkwaardig is het, dat het
tegelijkertijd water- en luchtinsecten zijn. Uit het feit dat in de devonische
periode netvleugelige insecten voorkomen, volgt reeds, dat zij minder volmaakte
voorgangers moeten gehad hebben.2 De sierlijke waternymf is niet uit eene
zonnestraal geboren; zij heeft grovere voorouders gehad. Men kan er niet aan
twijfelen, of de verschillende soorten van insecten hebben zich uit elkander
ontwikkeld. Niet alleen hunne overeenstemming, maar ook het aantal reeds
bekende soorten duidt dit aan. 376000 verschillende soorten zouden anders
paarsgewijze moeten geschapen zijn.
spinosus.
De insecten zijn in dienzelfden tijd verschenen, maar zij hebben, zooals men
licht begrijpt, geene versteeningen achtergelaten. Men heeft vleugels van
netvleugeligen (haften) in de devonische formatie van Canada gevonden. Één
dier voorouders, platephemera genaamd, was met uitgestrekte vleugels meer dan
20 centimeter lang, een andere scheen tusschen de haften en waterjuffers in te
liggen, en zoo vindt men nog enkele soorten meer. Merkwaardig is het, dat het
tegelijkertijd water- en luchtinsecten zijn. Uit het feit dat in de devonische
periode netvleugelige insecten voorkomen, volgt reeds, dat zij minder volmaakte
voorgangers moeten gehad hebben.2 De sierlijke waternymf is niet uit eene
zonnestraal geboren; zij heeft grovere voorouders gehad. Men kan er niet aan
twijfelen, of de verschillende soorten van insecten hebben zich uit elkander
ontwikkeld. Niet alleen hunne overeenstemming, maar ook het aantal reeds
bekende soorten duidt dit aan. 376000 verschillende soorten zouden anders
paarsgewijze moeten geschapen zijn.
Page 275
Fig. 137. Ontwikkeling der eerste dieren in de verschillende tijdperken.
Zoo zijn dan de insecten verschenen, waarschijnlijk afstammende van de
ringwormen uit de azoïsche periode. Zij nemen eene snelle vlucht en zullen zich
in de volgende periode krachtig ontwikkelen, tegelijk met de plantenwereld.
Reeds beginnen de planten zich buiten het water te gewennen in moerassen en
op lage eilanden. Het vasteland neemt trouwens langzaam toe door langzame
rijzing uit het water, en wordt met planten bedekt. Het zijn nu niet alleen meer
wieren of laag ontwikkelde planten, maar reeds verschijnen de varens, de
wolfsklauwen, de sigillaria’s, de paardestaarten. Nog altijd echter beperkt zich
de plantenwereld tot de sporeplanten: dezen zijn de alleenheerscheressen in de
wateren en op de eilanden, en geen profeet zoude nog kunnen voorspellen,
welke rijkdommen voor de toekomstige plantenwereld zijn weggelegd.
Zoo zijn dan de insecten verschenen, waarschijnlijk afstammende van de
ringwormen uit de azoïsche periode. Zij nemen eene snelle vlucht en zullen zich
in de volgende periode krachtig ontwikkelen, tegelijk met de plantenwereld.
Reeds beginnen de planten zich buiten het water te gewennen in moerassen en
op lage eilanden. Het vasteland neemt trouwens langzaam toe door langzame
rijzing uit het water, en wordt met planten bedekt. Het zijn nu niet alleen meer
wieren of laag ontwikkelde planten, maar reeds verschijnen de varens, de
wolfsklauwen, de sigillaria’s, de paardestaarten. Nog altijd echter beperkt zich
de plantenwereld tot de sporeplanten: dezen zijn de alleenheerscheressen in de
wateren en op de eilanden, en geen profeet zoude nog kunnen voorspellen,
welke rijkdommen voor de toekomstige plantenwereld zijn weggelegd.
Page 276
Fig. 138. De eerste insecten. Fossiele vleugels van een platvleugelig insect.
In de lagere
devonische
formatie, boven
de silurische
formatie, waarin
wij de wieren,
bilobieten enz.
gevonden
hebben, vindt
men den
psylophiton, in
Canada
gevonden (fig.
139). Het is eene
Fig. 140. Versteende overblijfselen der soort van
oorspronkelijke planten. Paardestaarten uit het wolfsklauw. Al
In de lagere
devonische
formatie, boven
de silurische
formatie, waarin
wij de wieren,
bilobieten enz.
gevonden
hebben, vindt
men den
psylophiton, in
Canada
gevonden (fig.
139). Het is eene
Fig. 140. Versteende overblijfselen der soort van
oorspronkelijke planten. Paardestaarten uit het wolfsklauw. Al
Page 277
Fig. 139. De oudste planten. devonische tijdperk. die oude planten
Psylophiton princeps. Silurische zijn, evenals de
en devonische formatie. eerste dieren, in
noordelijke streken gevonden: Canada, Scandinavië,
Rusland, Engeland. Wij zullen weldra zien, dat er toen
nog geene jaargetijden of klimaten waren, en de temperatuur dezelfde was over
de geheele aarde; waarschijnlijk is dan ook in de kalme poolstreken het leven
begonnen.
Fig. 141. Oorspronkelijke planten.
Calamiten a. Tak. b. Aar.
Iedereen kent het schaafstroo, eene plant in den vorm van harde, bladerlooze
biezen, die men aan de oevers van eenzame beken vindt. Die plant is het type der
paardestaarten, zoo genoemd om den vorm der takken, die op paardehaar
gelijken. De plant, die thans slechts enkele decimeters hoog is, was in de
devonische periode zeven of acht meters hoog. Hoewel nog eene laag
ontwikkelde sporeplant, nog weinig van de oorspronkelijke wieren verwijderd
(doch reeds eene landplant) nauwelijks samengestelder dan de korstmossen, de
bladmossen en levermossen, begint toch met de paardestaart de ontwikkeling
van het plantenrijk. Het tijdperk der sporeplanten opent de rij, om later gevolgd
Psylophiton princeps. Silurische zijn, evenals de
en devonische formatie. eerste dieren, in
noordelijke streken gevonden: Canada, Scandinavië,
Rusland, Engeland. Wij zullen weldra zien, dat er toen
nog geene jaargetijden of klimaten waren, en de temperatuur dezelfde was over
de geheele aarde; waarschijnlijk is dan ook in de kalme poolstreken het leven
begonnen.
Fig. 141. Oorspronkelijke planten.
Calamiten a. Tak. b. Aar.
Iedereen kent het schaafstroo, eene plant in den vorm van harde, bladerlooze
biezen, die men aan de oevers van eenzame beken vindt. Die plant is het type der
paardestaarten, zoo genoemd om den vorm der takken, die op paardehaar
gelijken. De plant, die thans slechts enkele decimeters hoog is, was in de
devonische periode zeven of acht meters hoog. Hoewel nog eene laag
ontwikkelde sporeplant, nog weinig van de oorspronkelijke wieren verwijderd
(doch reeds eene landplant) nauwelijks samengestelder dan de korstmossen, de
bladmossen en levermossen, begint toch met de paardestaart de ontwikkeling
van het plantenrijk. Het tijdperk der sporeplanten opent de rij, om later gevolgd
Page 278
te worden door de zaadplanten. Onder de devonische fossielen heeft men
overblijfselen gevonden, die behoord hebben tot paardestaarten van eene hoogte
van 10 meters. Die eerste bosschen bevatten behalve de calamiten, eene soort
van reusachtig riet van meer dan eenen millimeter middellijn cordaïten, bornia’s,
antholithen, wolfsklauwen, waaronder de lepidodendrons, die in de volgende
perioden 25 tot 30 meters hoogte zullen bereiken. Thans zijn de wolfsklauwen
planten met neerliggende, kruipende stengels!
Fig. 142. Planten der devonische periode: Paardestaart. Versteende rietplant
In die stille bosschen leefde geen enkele vogel, kruipend of viervoetig dier. De
tegenwoordige boschbewoners: herten, reeën, wolven, vossen of eekhorentjes;
leeuwen, tijgers, panthers of jakhalzen; hagedissen of kikvorschen; arenden,
gieren, raven, pauwen of patrijzen, zangvogels, nachtegalen of vinken, bestaan
nog niet. Als men iets hoort bewegen, dan is het een schorpioen onder de
overblijfselen gevonden, die behoord hebben tot paardestaarten van eene hoogte
van 10 meters. Die eerste bosschen bevatten behalve de calamiten, eene soort
van reusachtig riet van meer dan eenen millimeter middellijn cordaïten, bornia’s,
antholithen, wolfsklauwen, waaronder de lepidodendrons, die in de volgende
perioden 25 tot 30 meters hoogte zullen bereiken. Thans zijn de wolfsklauwen
planten met neerliggende, kruipende stengels!
Fig. 142. Planten der devonische periode: Paardestaart. Versteende rietplant
In die stille bosschen leefde geen enkele vogel, kruipend of viervoetig dier. De
tegenwoordige boschbewoners: herten, reeën, wolven, vossen of eekhorentjes;
leeuwen, tijgers, panthers of jakhalzen; hagedissen of kikvorschen; arenden,
gieren, raven, pauwen of patrijzen, zangvogels, nachtegalen of vinken, bestaan
nog niet. Als men iets hoort bewegen, dan is het een schorpioen onder de
Page 279
steenen, een kakkerlak tusschen de bladeren of een krekel, die met de vleugels
klapt. Enkele insecten, enkele muggen gonzen reeds in de zware en zoele lucht.
Maar het leven is nog bijna geheel beperkt tot de wateren. Het daglicht is nog
niet sterk: de zon schijnt nog niet krachtig, zij is groot, doch nevelachtig; de
hemelsblauwe, heldere lucht bestaat nog niet; dag en nacht verschillen nog
weinig; de aarde kent nog geene jaargetijden of klimaten.
Fig. 143. De eerste bosschen. Devonische periode.
Eertijds, in de azoïsche periode, was er in het geheel geen verschil tusschen dag
en nacht, hoewel de planeet reeds om hare as wentelde, omdat het zwakke licht
door de zonnenevelvlek uitgestraald, nog niet tot de oppervlakte der aarde
doordrong, en omdat de aarde zelf langen tijd lichtgevend geweest was, en
daarna door dampen omgeven was, die het licht opslorpten. Doch nu, in het
devonische tijdperk, en zelfs in het silurische, is er verschil tusschen dag en
nacht, hoe weinig dan ook: dit weten wij reeds daaruit, dat de trilobieten, de
schaaldieren, de weekdieren en de visschen oogen bezitten. Geen oog kan
bestaan zonder licht: de oorsprong van het oog zetelt in den lichtindruk. Wij
mogen daaruit dus besluiten, dat de nevelvlek toen reeds zeer was verdicht.
klapt. Enkele insecten, enkele muggen gonzen reeds in de zware en zoele lucht.
Maar het leven is nog bijna geheel beperkt tot de wateren. Het daglicht is nog
niet sterk: de zon schijnt nog niet krachtig, zij is groot, doch nevelachtig; de
hemelsblauwe, heldere lucht bestaat nog niet; dag en nacht verschillen nog
weinig; de aarde kent nog geene jaargetijden of klimaten.
Fig. 143. De eerste bosschen. Devonische periode.
Eertijds, in de azoïsche periode, was er in het geheel geen verschil tusschen dag
en nacht, hoewel de planeet reeds om hare as wentelde, omdat het zwakke licht
door de zonnenevelvlek uitgestraald, nog niet tot de oppervlakte der aarde
doordrong, en omdat de aarde zelf langen tijd lichtgevend geweest was, en
daarna door dampen omgeven was, die het licht opslorpten. Doch nu, in het
devonische tijdperk, en zelfs in het silurische, is er verschil tusschen dag en
nacht, hoe weinig dan ook: dit weten wij reeds daaruit, dat de trilobieten, de
schaaldieren, de weekdieren en de visschen oogen bezitten. Geen oog kan
bestaan zonder licht: de oorsprong van het oog zetelt in den lichtindruk. Wij
mogen daaruit dus besluiten, dat de nevelvlek toen reeds zeer was verdicht.
Page 280
Maar wij zullen dit belangrijke vraagstuk behandelen, nu wij tot de
steenkoolperiode genaderd zijn.
Fig. 144. De eerste boomen. Rietplanten.
1 De devonische formatie ligt bloot in Engeland (Devonshire, Shropshire, Herefordshire enz.), in
Frankrijk (Ardennen, Orne, Cotentin, Sarthe, Mayenne, Ile-et-Vilaine, Vogezen, Languedoc, Pyreneën), in
Duitschland (Rijnoevers, Nassau, Westphalen) in Spanje (Asturië) enz.
steenkoolperiode genaderd zijn.
Fig. 144. De eerste boomen. Rietplanten.
1 De devonische formatie ligt bloot in Engeland (Devonshire, Shropshire, Herefordshire enz.), in
Frankrijk (Ardennen, Orne, Cotentin, Sarthe, Mayenne, Ile-et-Vilaine, Vogezen, Languedoc, Pyreneën), in
Duitschland (Rijnoevers, Nassau, Westphalen) in Spanje (Asturië) enz.
Page 281
2 Eerst onlangs heeft men in de middelste silurische formatie in Calvados den vleugel van een insect
gevonden. Het was eene soort van kakkerlak.
gevonden. Het was eene soort van kakkerlak.
Page 282
Vierde hoofdstuk
Page 283
De steenkoolperiode.
Ontwikkeling van het plantenrijk.—Eilanden en vastland.—Zeeklimaat.—Afwezigheid van
jaargetijden.—De zonnenevelvlek.—De dampkring, de warmte en de vochtigheid.—De planten
en boomen.—Oude bosschen en dieren, daarin levend.
Geene enkele ster is in rust in het onmetelijke heelal; geen enkel atoom zelfs van
het hardste gesteente, staat stil; geene enkele molecule in het lichaam van plant
of dier is onbewegelijk; geen enkel bloedlichaampje in onze aderen, dat niet
voortdurend stroomt; overal en in alles is de onzichtbare en onvermoeide kracht
werkzaam; werelden veranderen van gedaante; zonnen worden ontstoken en
uitgedoofd; de aarde verandert van eeuw tot eeuw; de wezens, die haar
bevolken, wijzigen zich naar de levensvoorwaarden, en de geschiedenis der
aarde is het tafereel harer voortdurende wijziging.
Wij zagen, hoe de eilanden, uit de wereldzee opgerezen, de levensvoorwaarden
van planten en dieren hebben gewijzigd, en hoe zeeplanten in zoetwaterplanten
veranderd zijn, om zich later te gewennen aan den vochtigen dampkring boven
ondiepten. Langs de kusten beginnen zij het eerst haar nieuw bestaan. Zij
verkrijgen bladeren, die haar in staat zullen stellen, lucht te ademen, in plaats
van ondergedompeld of drijvend te blijven. Hare broeders, de zee- of
waterdieren beginnen ook op geringe diepte onder het water, of zelfs buiten het
water te leven. Reeds fladderen insecten aan de oppervlakte van het water;
kakkerlakken, sprinkhanen, krekels, witte mieren, kruipen, springen of glijden
voort onder de eerste bladeren. De dampkring is zwoel, bijna nog water. De hitte
is verstikkend. Het regent voortdurend.
Uitstekende levensvoorwaarden voor het plantenrijk! Aan den oorsprong van het
leven waren er planten noch dieren: er was alleen protoplasma, drijvend in het
water, amoeben en protisten, de voorouders der dieren en der planten. Daarna
heeft zich het leven vertakt in twee staken, die langen tijd verbonden waren,
alsof zij de scheiding betreurden, maar die eindelijk uitliepen in takken, die
thans ver van elkander verwijderd zijn, want een groote afstand scheidt thans
schijnbaar het rund van het gras, dat het eet: toch hebben zij oorspronkelijk
denzelfden stamvader gehad, en voor hem, die de natuur ontleedt, zijn zij lang
niet zoo verscheiden als voor den herder, die de kudde weidt. In het begin der
Ontwikkeling van het plantenrijk.—Eilanden en vastland.—Zeeklimaat.—Afwezigheid van
jaargetijden.—De zonnenevelvlek.—De dampkring, de warmte en de vochtigheid.—De planten
en boomen.—Oude bosschen en dieren, daarin levend.
Geene enkele ster is in rust in het onmetelijke heelal; geen enkel atoom zelfs van
het hardste gesteente, staat stil; geene enkele molecule in het lichaam van plant
of dier is onbewegelijk; geen enkel bloedlichaampje in onze aderen, dat niet
voortdurend stroomt; overal en in alles is de onzichtbare en onvermoeide kracht
werkzaam; werelden veranderen van gedaante; zonnen worden ontstoken en
uitgedoofd; de aarde verandert van eeuw tot eeuw; de wezens, die haar
bevolken, wijzigen zich naar de levensvoorwaarden, en de geschiedenis der
aarde is het tafereel harer voortdurende wijziging.
Wij zagen, hoe de eilanden, uit de wereldzee opgerezen, de levensvoorwaarden
van planten en dieren hebben gewijzigd, en hoe zeeplanten in zoetwaterplanten
veranderd zijn, om zich later te gewennen aan den vochtigen dampkring boven
ondiepten. Langs de kusten beginnen zij het eerst haar nieuw bestaan. Zij
verkrijgen bladeren, die haar in staat zullen stellen, lucht te ademen, in plaats
van ondergedompeld of drijvend te blijven. Hare broeders, de zee- of
waterdieren beginnen ook op geringe diepte onder het water, of zelfs buiten het
water te leven. Reeds fladderen insecten aan de oppervlakte van het water;
kakkerlakken, sprinkhanen, krekels, witte mieren, kruipen, springen of glijden
voort onder de eerste bladeren. De dampkring is zwoel, bijna nog water. De hitte
is verstikkend. Het regent voortdurend.
Uitstekende levensvoorwaarden voor het plantenrijk! Aan den oorsprong van het
leven waren er planten noch dieren: er was alleen protoplasma, drijvend in het
water, amoeben en protisten, de voorouders der dieren en der planten. Daarna
heeft zich het leven vertakt in twee staken, die langen tijd verbonden waren,
alsof zij de scheiding betreurden, maar die eindelijk uitliepen in takken, die
thans ver van elkander verwijderd zijn, want een groote afstand scheidt thans
schijnbaar het rund van het gras, dat het eet: toch hebben zij oorspronkelijk
denzelfden stamvader gehad, en voor hem, die de natuur ontleedt, zijn zij lang
niet zoo verscheiden als voor den herder, die de kudde weidt. In het begin der
Page 284
steenkoolperiode heeft het plantenrijk reuzenschreden gemaakt ten gevolge van
de bijzonder gunstige omstandigheden, waardoor zich deze belangrijke phase
van de geschiedenis der aarde kenmerkt.
De inwendige warmte der aarde drong nog door de aardschors heen en
onderhield eene hooge temperatuur in den dampkring. Wel schijnt het voor hem,
die eenen vulkaan bestijgt, alsof eene geringe laag slakken en asch voldoende is,
om de warmte te onderscheppen, en iedereen weet, dat men, door een weinigje
asch in de holte der hand te nemen, eene gloeiende kool kan vasthouden zonder
zich te branden; maar men vergete niet, dat de temperatuur der lava nooit hooger
is dan 1000°, terwijl die van den oorspronkelijken aardbol minstens negen- of
tienmaal hooger was; de mechanische warmteleer leert, dat alleen reeds de
verdichting van alle moleculen der aarde van haren neveltoestand tot hare
tegenwoordige dichtheid eene hitte moet hebben veroorzaakt van 89880°, de
warmte, ontstaan door de scheikundige verbindingen niet medegerekend. Door
de spleten, door uitbarstingen, en zelfs door de dunne aardschors heen, die nog
nauwelijks vast en die met water doortrokken was, kwam die inwendige warmte
in den dampkring, die toen nog de warmtestralen niet doorliet. Het opslorpend
vermogen van waterdamp is 16000 maal grooter dan dat van droge lucht. Wij
zagen zooeven, dat de dampkring verzadigd was van waterdamp, en dat de regen
bijna voortdurend neerviel. Voegen wij nog hierbij, dat er geen vastland was,
maar alleen eilanden en dus de geheele aarde onder den invloed van een
zeeklimaat stond, en het is duidelijk, dat de temperatuur van de oppervlakte der
aarde uitnemend geschikt was voor de ontwikkeling van den plantengroei, en dat
wel niet alleen in de tropen, maar over de geheele aarde, daar er nog geene
jaargetijden bestonden.
Onze lezers weten uit „de Wonderen des Hemels”1, dat de aarde zich om de zon
beweegt, en dat hare as helt ten opzichte van het vlak der ecliptica. Gedurende
de helft van het jaar is de ééne pool naar de zon toegekeerd, en de zes overige
maanden de andere pool. Vandaar de lange winternachten en de lange
zomerdagen, de lage temperatuur aan de polen en de groote afwisseling in
jaargetijden. Gedurende het primaire tijdperk verschilde de helling der as niet
veel van de tegenwoordige helling. Had dus de zon toen evenals thans eenen
overwegenden invloed op de warmte der aarde, dan zouden reeds toen klimaten
bestaan hebben: de zonnestralen, loodrecht vallende op de keerkringslanden,
zouden daar eene veel hoogere temperatuur hebben doen ontstaan dan aan de
poolstreken, waar zij veel schuiner vallen. Doch de plantengroei der
de bijzonder gunstige omstandigheden, waardoor zich deze belangrijke phase
van de geschiedenis der aarde kenmerkt.
De inwendige warmte der aarde drong nog door de aardschors heen en
onderhield eene hooge temperatuur in den dampkring. Wel schijnt het voor hem,
die eenen vulkaan bestijgt, alsof eene geringe laag slakken en asch voldoende is,
om de warmte te onderscheppen, en iedereen weet, dat men, door een weinigje
asch in de holte der hand te nemen, eene gloeiende kool kan vasthouden zonder
zich te branden; maar men vergete niet, dat de temperatuur der lava nooit hooger
is dan 1000°, terwijl die van den oorspronkelijken aardbol minstens negen- of
tienmaal hooger was; de mechanische warmteleer leert, dat alleen reeds de
verdichting van alle moleculen der aarde van haren neveltoestand tot hare
tegenwoordige dichtheid eene hitte moet hebben veroorzaakt van 89880°, de
warmte, ontstaan door de scheikundige verbindingen niet medegerekend. Door
de spleten, door uitbarstingen, en zelfs door de dunne aardschors heen, die nog
nauwelijks vast en die met water doortrokken was, kwam die inwendige warmte
in den dampkring, die toen nog de warmtestralen niet doorliet. Het opslorpend
vermogen van waterdamp is 16000 maal grooter dan dat van droge lucht. Wij
zagen zooeven, dat de dampkring verzadigd was van waterdamp, en dat de regen
bijna voortdurend neerviel. Voegen wij nog hierbij, dat er geen vastland was,
maar alleen eilanden en dus de geheele aarde onder den invloed van een
zeeklimaat stond, en het is duidelijk, dat de temperatuur van de oppervlakte der
aarde uitnemend geschikt was voor de ontwikkeling van den plantengroei, en dat
wel niet alleen in de tropen, maar over de geheele aarde, daar er nog geene
jaargetijden bestonden.
Onze lezers weten uit „de Wonderen des Hemels”1, dat de aarde zich om de zon
beweegt, en dat hare as helt ten opzichte van het vlak der ecliptica. Gedurende
de helft van het jaar is de ééne pool naar de zon toegekeerd, en de zes overige
maanden de andere pool. Vandaar de lange winternachten en de lange
zomerdagen, de lage temperatuur aan de polen en de groote afwisseling in
jaargetijden. Gedurende het primaire tijdperk verschilde de helling der as niet
veel van de tegenwoordige helling. Had dus de zon toen evenals thans eenen
overwegenden invloed op de warmte der aarde, dan zouden reeds toen klimaten
bestaan hebben: de zonnestralen, loodrecht vallende op de keerkringslanden,
zouden daar eene veel hoogere temperatuur hebben doen ontstaan dan aan de
poolstreken, waar zij veel schuiner vallen. Doch de plantengroei der
Page 285
steenkoolperiode wijst juist op het tegendeel. Dezelfde plantensoorten, die aan
de tropen voorkwamen, werden ook in de poolstreken gevonden. Tot aan
Spitzbergen en zelfs tot op de hoogste breedte, door menschen bereikt
(noordpoolexpeditie in 1878, tot op eene breedte van 82° 40′) heeft men dezelfde
kolenkalk gevonden, en tot op 76° breedte dezelfde steenkoollagen als in
Frankrijk en de Vereenigde Staten, in China, Zambeze (Afrika) en Zuid-
Amerika. Bovendien bestaat de geheele flora uit boomen met blijvende bladeren.
De stammen van de fossiele boomen uit dit tijdvak hebben nog niet de
concentrische jaarringen, ieder voorjaar gevormd, waaruit men den ouderdom
der boomen kan leeren kennen. Men kan hieruit met zekerheid afleiden, dat er
toen nog geene jaargetijden waren. De zon voegde slechts weinig warmte toe
aan die der aarde, want de temperatuur, waarbij de boomvarens, de
wolfsklauwen, de cycadeën groeien, ligt tusschen 20 en 25 graden, en was niet
hooger in Afrika dan in Spitzbergen.
De zon was toen reusachtig groot, maar nog nevelachtig, er straalde slechts een
zwak licht uit. De zon heeft zich eertijds uitgestrekt tot voorbij Neptunus en is
langzamerhand kleiner geworden, zoodat zij thans slechts eene middellijn heeft
van 1380000 kilometers, terwijl die van de loopbaan van Mercurius 112
millioen, van Venus 208 millioen, van de aarde 296 millioen kilometers
bedraagt. Toen de zon zich nog uitstrekte tot aan de baan van Venus, was de
middellijn der zonneschijf, van de aarde gezien, 90° groot, of 169 maal zoo
groot als thans. Toch waren de warmte en het licht, dat de aarde toen van de zon
verkreeg, uiterst gering in vergelijking met de warmte, die de aarde zelf bezat.
Toen de zon zich niet verder uitstrekte dan de loopbaan van Mercurius, was hare
schijnbare middellijn, van de aarde gezien, nog 45°. Van toen af aan begon eerst
de helling van de as der aarde invloed uit te oefenen op de afwisseling der
jaargetijden, indien ten minste de warmte der aarde de warmte, van de zon
ontvangen, niet overtrof.
de tropen voorkwamen, werden ook in de poolstreken gevonden. Tot aan
Spitzbergen en zelfs tot op de hoogste breedte, door menschen bereikt
(noordpoolexpeditie in 1878, tot op eene breedte van 82° 40′) heeft men dezelfde
kolenkalk gevonden, en tot op 76° breedte dezelfde steenkoollagen als in
Frankrijk en de Vereenigde Staten, in China, Zambeze (Afrika) en Zuid-
Amerika. Bovendien bestaat de geheele flora uit boomen met blijvende bladeren.
De stammen van de fossiele boomen uit dit tijdvak hebben nog niet de
concentrische jaarringen, ieder voorjaar gevormd, waaruit men den ouderdom
der boomen kan leeren kennen. Men kan hieruit met zekerheid afleiden, dat er
toen nog geene jaargetijden waren. De zon voegde slechts weinig warmte toe
aan die der aarde, want de temperatuur, waarbij de boomvarens, de
wolfsklauwen, de cycadeën groeien, ligt tusschen 20 en 25 graden, en was niet
hooger in Afrika dan in Spitzbergen.
De zon was toen reusachtig groot, maar nog nevelachtig, er straalde slechts een
zwak licht uit. De zon heeft zich eertijds uitgestrekt tot voorbij Neptunus en is
langzamerhand kleiner geworden, zoodat zij thans slechts eene middellijn heeft
van 1380000 kilometers, terwijl die van de loopbaan van Mercurius 112
millioen, van Venus 208 millioen, van de aarde 296 millioen kilometers
bedraagt. Toen de zon zich nog uitstrekte tot aan de baan van Venus, was de
middellijn der zonneschijf, van de aarde gezien, 90° groot, of 169 maal zoo
groot als thans. Toch waren de warmte en het licht, dat de aarde toen van de zon
verkreeg, uiterst gering in vergelijking met de warmte, die de aarde zelf bezat.
Toen de zon zich niet verder uitstrekte dan de loopbaan van Mercurius, was hare
schijnbare middellijn, van de aarde gezien, nog 45°. Van toen af aan begon eerst
de helling van de as der aarde invloed uit te oefenen op de afwisseling der
jaargetijden, indien ten minste de warmte der aarde de warmte, van de zon
ontvangen, niet overtrof.
Page 286
Een bosch uit de steenkool-periode.
Voor acht of tien millioen jaren, in het midden der primaire periode, waren de
voorwaarden voor de duurzaamheid van het wereldstelsel niet dezelfde als thans.
De zon was grooter, haar zwaartepunt (en ook dat van het zonnestelsel) nam
eene andere plaats in dan thans, en misschien was ook het zonnestelsel door
zijne beweging in de ruimte onderworpen aan den invloed van vaste sterren, aan
Voor acht of tien millioen jaren, in het midden der primaire periode, waren de
voorwaarden voor de duurzaamheid van het wereldstelsel niet dezelfde als thans.
De zon was grooter, haar zwaartepunt (en ook dat van het zonnestelsel) nam
eene andere plaats in dan thans, en misschien was ook het zonnestelsel door
zijne beweging in de ruimte onderworpen aan den invloed van vaste sterren, aan
Page 287
welke het thans niet meer gehoorzaamt. Het is niet uitgemaakt, dat de helling der
ecliptica dezelfde was als thans, of dat de polen der aarde in al dien tijd zich niet
over de oppervlakte der aarde verplaatst hebben, of dat de verandering van de
excentriciteit der aardbaan de berekende grenzen niet overschrijdt en dus
grooteren invloed uitoefent op de jaargetijden, dan men gewoonlijk meent. Het
is zelfs waarschijnlijk, dat de aarde in die vervlogen tijden onder geheel andere
omstandigheden bestond dan thans het geval is.
Zoowel de sterrenkunde, als de aardkunde en de paleontologie leeren ons, dat de
jaargetijden eerst zeer laat in de ontwikkelingsperiode der aarde ontstaan zijn, en
dat in vroeger tijd het klimaat aan de polen hetzelfde was als aan den evenaar, en
niet alleen leeren ons die wetenschappen, dàt dit zoo geweest is, maar ook leeren
zij ons, waarom dit het geval is geweest.
Een zware, zwoele, regenachtige dampkring; eene gelijkmatige, hooge
temperatuur; ontzaglijke getijden; uitbarstingen van het inwendige vuur; talrijke
onweders; ijzingwekkende stormen; ziedaar het beeld der aarde in dien tijd. De
getuigen van dien toestand moeten grove, sterke wezens geweest zijn, in wier
schoot de veredeling van latere tijden ontworpen zal worden.
De planten, weinig samengesteld, zonder geur, zonder bloemen, verkrijgen in
dien voedzamen dampkring reusachtige afmetingen. De zon heeft nog geen
glans; de vogels zingen nog niet; eene doodelijke stilte omringt de aarde; alleen
de insecten gonzen en vermenigvuldigen zich in de schaduw der onmetelijke
bosschen, die de planeet voor het eerst bekleeden met een niet te ontwarren
groen tapijt, van den evenaar tot aan de polen. Niemand kan nog gissen, dat er in
de toekomst ijswoestijnen of eeuwigdurende sneeuw zullen ontstaan, die op de
bergen en aan de poolstreken in de toekomst het leven zullen tegenhouden.
Indien men zich in de verbeelding in die uitgestrekte eenzaamheid verplaatst,
dan wordt men tegenover die eentonigheid van vormen vreemd gestemd. De
geheele afwezigheid van bloemen en hoogere dieren wierp op de schepping
eenen sluier van algemeene droefheid, geen enkele vogel vervroolijkte de
bosschen, waarin ook nog geene zoogdieren ronddwaalden. De zoele lucht was
vervuld met verstikkende dampen, die uit den grond opstegen, en de stilte der
natuur werd alleen verbroken door het geraas van den regen, en het suizen van
den wind tusschen de boomen.
ecliptica dezelfde was als thans, of dat de polen der aarde in al dien tijd zich niet
over de oppervlakte der aarde verplaatst hebben, of dat de verandering van de
excentriciteit der aardbaan de berekende grenzen niet overschrijdt en dus
grooteren invloed uitoefent op de jaargetijden, dan men gewoonlijk meent. Het
is zelfs waarschijnlijk, dat de aarde in die vervlogen tijden onder geheel andere
omstandigheden bestond dan thans het geval is.
Zoowel de sterrenkunde, als de aardkunde en de paleontologie leeren ons, dat de
jaargetijden eerst zeer laat in de ontwikkelingsperiode der aarde ontstaan zijn, en
dat in vroeger tijd het klimaat aan de polen hetzelfde was als aan den evenaar, en
niet alleen leeren ons die wetenschappen, dàt dit zoo geweest is, maar ook leeren
zij ons, waarom dit het geval is geweest.
Een zware, zwoele, regenachtige dampkring; eene gelijkmatige, hooge
temperatuur; ontzaglijke getijden; uitbarstingen van het inwendige vuur; talrijke
onweders; ijzingwekkende stormen; ziedaar het beeld der aarde in dien tijd. De
getuigen van dien toestand moeten grove, sterke wezens geweest zijn, in wier
schoot de veredeling van latere tijden ontworpen zal worden.
De planten, weinig samengesteld, zonder geur, zonder bloemen, verkrijgen in
dien voedzamen dampkring reusachtige afmetingen. De zon heeft nog geen
glans; de vogels zingen nog niet; eene doodelijke stilte omringt de aarde; alleen
de insecten gonzen en vermenigvuldigen zich in de schaduw der onmetelijke
bosschen, die de planeet voor het eerst bekleeden met een niet te ontwarren
groen tapijt, van den evenaar tot aan de polen. Niemand kan nog gissen, dat er in
de toekomst ijswoestijnen of eeuwigdurende sneeuw zullen ontstaan, die op de
bergen en aan de poolstreken in de toekomst het leven zullen tegenhouden.
Indien men zich in de verbeelding in die uitgestrekte eenzaamheid verplaatst,
dan wordt men tegenover die eentonigheid van vormen vreemd gestemd. De
geheele afwezigheid van bloemen en hoogere dieren wierp op de schepping
eenen sluier van algemeene droefheid, geen enkele vogel vervroolijkte de
bosschen, waarin ook nog geene zoogdieren ronddwaalden. De zoele lucht was
vervuld met verstikkende dampen, die uit den grond opstegen, en de stilte der
natuur werd alleen verbroken door het geraas van den regen, en het suizen van
den wind tusschen de boomen.
Page 288
De Zweedsche natuuronderzoekers Nordenskjöld en Malmgren hebben in den
zomer van 1868 op Beren-Eiland (74° 30′ N. B.) in de steenkool en de
gesteenten aan de oppervlakte, achttien soorten van planten gevonden, waarvan
vijftien overeenkomen met die der diepste lagen der steenkoolformatie. Die flora
heeft groote overeenkomst met die der Vogezen en het Schwartzwald.
Overvloedig komen de Lepidodendrons (schubboomen) voor. In de schaduw
dier boomen leefden de varens met groote bladeren. Ook de flora der
Parryeilanden heeft hetzelfde karakter; men heeft daar talrijke steenkoollagen
gevonden, en onder de planten, die men daarin ontdekt heeft, vindt men er, die
ook in de steenkool van Silezië voorkomen.
De zeedierenwereld in de poolstreken heeft hetzelfde karakter. Men vindt talrijke
weekdieren, uit de zee afkomstig, in de steenkoolformatie der poolstreken, welke
in dezelfde formatie in Europa gevonden worden, sommige zelfs komen in de
tropen voor. Behalve die weekdieren vindt men in Spitzbergen in de kalksteen
ook koraaldieren.
Alles wijst er op, dat toen de warmte, die op de aarde de overhand had, niet van
de zon afkomstig was. De poolstreken hadden eene veel hoogere temperatuur
dan thans; zooals wij zagen, mogen wij uit het voorkomen derzelfde soorten van
40 tot 76 graden N. B. afleiden, dat er over de geheele aarde eene groote
gelijkmatigheid in temperatuur bestond. Bovendien wijst het karakter der
steenkoolflora op eenen moerassigen bodem en eenen dampkring, met
waterdamp bezwangerd; tegenwoordig vindt men alleen in de vochtige streken
der tropen plantenvormen, daarmede overeenkomend.
In onzen tijd groeien de varens en de wolfsklauwen meestal onder de dichte
schaduw der bosschen, en hebben zij veel minder dan de zaadplanten behoefte
aan de rechtstreeksche werking van de zonnestralen. Dit was ook het geval met
hunne oorspronkelijke voorouders, en daar zij de groote meerderheid uitmaken
van de planten der steenkoolformatie, zoo begrijpen wij, dat zij hebben kunnen
leven en bloeien onder eenen steeds bedekten hemel. Hetzelfde is het geval met
de insecten dier periode, want voor het meerendeel zijn het nachtdieren, zooals
de witte mieren en de kakkerlakken.
Ook het feit, dat men in de poolstreken koraaldieren gevonden heeft, bewijst, dat
in die tijden de poolzee eene koralenzee was en dus nooit kouder kon geweest
zijn dan 20°.
zomer van 1868 op Beren-Eiland (74° 30′ N. B.) in de steenkool en de
gesteenten aan de oppervlakte, achttien soorten van planten gevonden, waarvan
vijftien overeenkomen met die der diepste lagen der steenkoolformatie. Die flora
heeft groote overeenkomst met die der Vogezen en het Schwartzwald.
Overvloedig komen de Lepidodendrons (schubboomen) voor. In de schaduw
dier boomen leefden de varens met groote bladeren. Ook de flora der
Parryeilanden heeft hetzelfde karakter; men heeft daar talrijke steenkoollagen
gevonden, en onder de planten, die men daarin ontdekt heeft, vindt men er, die
ook in de steenkool van Silezië voorkomen.
De zeedierenwereld in de poolstreken heeft hetzelfde karakter. Men vindt talrijke
weekdieren, uit de zee afkomstig, in de steenkoolformatie der poolstreken, welke
in dezelfde formatie in Europa gevonden worden, sommige zelfs komen in de
tropen voor. Behalve die weekdieren vindt men in Spitzbergen in de kalksteen
ook koraaldieren.
Alles wijst er op, dat toen de warmte, die op de aarde de overhand had, niet van
de zon afkomstig was. De poolstreken hadden eene veel hoogere temperatuur
dan thans; zooals wij zagen, mogen wij uit het voorkomen derzelfde soorten van
40 tot 76 graden N. B. afleiden, dat er over de geheele aarde eene groote
gelijkmatigheid in temperatuur bestond. Bovendien wijst het karakter der
steenkoolflora op eenen moerassigen bodem en eenen dampkring, met
waterdamp bezwangerd; tegenwoordig vindt men alleen in de vochtige streken
der tropen plantenvormen, daarmede overeenkomend.
In onzen tijd groeien de varens en de wolfsklauwen meestal onder de dichte
schaduw der bosschen, en hebben zij veel minder dan de zaadplanten behoefte
aan de rechtstreeksche werking van de zonnestralen. Dit was ook het geval met
hunne oorspronkelijke voorouders, en daar zij de groote meerderheid uitmaken
van de planten der steenkoolformatie, zoo begrijpen wij, dat zij hebben kunnen
leven en bloeien onder eenen steeds bedekten hemel. Hetzelfde is het geval met
de insecten dier periode, want voor het meerendeel zijn het nachtdieren, zooals
de witte mieren en de kakkerlakken.
Ook het feit, dat men in de poolstreken koraaldieren gevonden heeft, bewijst, dat
in die tijden de poolzee eene koralenzee was en dus nooit kouder kon geweest
zijn dan 20°.
Page 289
Duizenden heldere beken, gevoed door onophoudelijke regens, stroomden van
de naburige hellingen en de hooger gelegen vlakten. Aan de oevers groeiden de
boomvarens, de lepidodendrons, de sigillaria’s telkens in andere verhoudingen.
De calamiten steil en recht, de varens onuitwarbaar dooreengevlochten, zouden
de verwondering van den aanschouwer hebben opgewekt; de bevalligheid der
boomvarens met hare reusachtige bladerenkroon, de regelmatige schoonheid der
lepidodendrons, de lenigheid der asterophylliten, de spelingen van het licht, dat
even doorgelaten wordt door het dichte lommer, moeten eene verrassende
uitwerking gehad hebben. Maar onder al die steile boomen, volgens bijna
wiskundige wetten ingedeeld, was nog geene enkele bloem zichtbaar. De
voortplantingsorganen bestonden slechts uit de onmisbare gedeelten; van glans
ontbloot, waren zij onder geene bedekking verborgen of waren zij omgeven door
onbeduidende schubben. Eerst later, toen de natuur rijker aan vormen werd,
bloosde zij over hare naaktheid; eerst toen weefde zij zich bruidskleederen;
daartoe heeft zij de bladeren, die bij de voortplantingsorganen lagen, buigzaam
gemaakt en in bloembladeren veranderd, en hunnen vorm en kleur gewijzigd. En
zoo heeft zij de bloem geschapen, zooals de beschaving de weelde heeft
voortgebracht, door haar buiten de grenzen van het volstrekt noodzakelijke te
doen treden.
Fig. 146. Fossiele boomen in de steenkolenmijnen van Saint-Etienne.
De dampkring was in de steenkoolperiode rijk aan koolzuur; die groote
hoeveelheid koolzuur werd op het eerste voor goed uit de zee verrezene vaste
land aan die rijke plantenwereld afgestaan onder begunstiging van eene
de naburige hellingen en de hooger gelegen vlakten. Aan de oevers groeiden de
boomvarens, de lepidodendrons, de sigillaria’s telkens in andere verhoudingen.
De calamiten steil en recht, de varens onuitwarbaar dooreengevlochten, zouden
de verwondering van den aanschouwer hebben opgewekt; de bevalligheid der
boomvarens met hare reusachtige bladerenkroon, de regelmatige schoonheid der
lepidodendrons, de lenigheid der asterophylliten, de spelingen van het licht, dat
even doorgelaten wordt door het dichte lommer, moeten eene verrassende
uitwerking gehad hebben. Maar onder al die steile boomen, volgens bijna
wiskundige wetten ingedeeld, was nog geene enkele bloem zichtbaar. De
voortplantingsorganen bestonden slechts uit de onmisbare gedeelten; van glans
ontbloot, waren zij onder geene bedekking verborgen of waren zij omgeven door
onbeduidende schubben. Eerst later, toen de natuur rijker aan vormen werd,
bloosde zij over hare naaktheid; eerst toen weefde zij zich bruidskleederen;
daartoe heeft zij de bladeren, die bij de voortplantingsorganen lagen, buigzaam
gemaakt en in bloembladeren veranderd, en hunnen vorm en kleur gewijzigd. En
zoo heeft zij de bloem geschapen, zooals de beschaving de weelde heeft
voortgebracht, door haar buiten de grenzen van het volstrekt noodzakelijke te
doen treden.
Fig. 146. Fossiele boomen in de steenkolenmijnen van Saint-Etienne.
De dampkring was in de steenkoolperiode rijk aan koolzuur; die groote
hoeveelheid koolzuur werd op het eerste voor goed uit de zee verrezene vaste
land aan die rijke plantenwereld afgestaan onder begunstiging van eene
Page 290
tropische temperatuur en een overvloedig, hoewel verspreid licht. In gewone
omstandigheden, zouden die planten bij hare ontleding aan den dampkring het
koolzuur teruggegeven hebben, dat zij daaraan ontnomen hadden. Maar de
plantenoverblijfselen werden naar gelang van hunnen val onder het water en de
modder bedolven, en hunne langzame verandering, afgesloten van de lucht, liet
in de koolaarde de koolstof bijna geheel bestaan. Tegelijkertijd zetten zich
ontzettende massa’s kalksteen af, die eveneens eene groote hoeveelheid koolzuur
bonden. Zoo werd in die periode langzamerhand de dampkring gezuiverd.
Al zijn de natuurkundige voorwaarden der steenkoolperiode over de geheele
aarde dezelfde geweest, daaruit volgt nog niet, dat men op alle breedten
steenkolen verwachten kan. Op die plaatsen toch, waar toen de zee stroomde,
konden alleen kalksteenen, zooals koolzure kalk en andere gevormd worden.
Hieruit volgt, dat in de steenkoolperiode boven 76° N. B. zich eene onmetelijke
zee uitstrekte. Eerst ten zuiden dier parallel, op de eilanden Melville, Bathurst en
Patrick vindt men steenkoolformaties. Zoo ook ontbreken zij in de tropen van
het noordelijk halfrond, die toen onder water lagen. Op het noordelijk halfrond
vindt men dus de steenkoolformatie overal tusschen 40° en 76°. Op het zuidelijk
halfrond vindt men haar alleen op 16° breedte (Zambeze) en in Australië,
tusschen 25° en 35°. Het is dus waarschijnlijk, dat toen, evenals thans, de
zuidelijke landen zich minder ver uitstrekten en dichter bij den evenaar gelegen
waren dan de noordelijke.
De steenkoolformatie is in sommige streken twaalfduizend meters dik; daarin
overheerschen met de steenkool, zandsteen en zwarte leisteen, waarin als
afdruksels de overblijfselen der plantenwereld voorkomen; in de kolenkalk vindt
men alleen zeedieren.
Men vindt dikwijls een honderdtal lagen steenkool regelmatig op elkander
gestapeld; de steenkoolformatie vertegenwoordigt dus een langdurig tijdperk,
waarin de plantenwereld aanzienlijke veranderingen heeft ondergaan. Wij
moeten ons dus tot de planten dier formatie wenden, om onderverdeelingen in
die periode te kunnen vaststellen. De Europeesche kolenbeddingen leeren ons,
dat de steenkoolperiode in drie deelen kan verdeeld worden, ieder met hare
eigenaardige flora:
I. In de eerste periode hebben de wolfsklauwen (lepidodendrons) en de varens
met gevinde bladeren de overhand.
omstandigheden, zouden die planten bij hare ontleding aan den dampkring het
koolzuur teruggegeven hebben, dat zij daaraan ontnomen hadden. Maar de
plantenoverblijfselen werden naar gelang van hunnen val onder het water en de
modder bedolven, en hunne langzame verandering, afgesloten van de lucht, liet
in de koolaarde de koolstof bijna geheel bestaan. Tegelijkertijd zetten zich
ontzettende massa’s kalksteen af, die eveneens eene groote hoeveelheid koolzuur
bonden. Zoo werd in die periode langzamerhand de dampkring gezuiverd.
Al zijn de natuurkundige voorwaarden der steenkoolperiode over de geheele
aarde dezelfde geweest, daaruit volgt nog niet, dat men op alle breedten
steenkolen verwachten kan. Op die plaatsen toch, waar toen de zee stroomde,
konden alleen kalksteenen, zooals koolzure kalk en andere gevormd worden.
Hieruit volgt, dat in de steenkoolperiode boven 76° N. B. zich eene onmetelijke
zee uitstrekte. Eerst ten zuiden dier parallel, op de eilanden Melville, Bathurst en
Patrick vindt men steenkoolformaties. Zoo ook ontbreken zij in de tropen van
het noordelijk halfrond, die toen onder water lagen. Op het noordelijk halfrond
vindt men dus de steenkoolformatie overal tusschen 40° en 76°. Op het zuidelijk
halfrond vindt men haar alleen op 16° breedte (Zambeze) en in Australië,
tusschen 25° en 35°. Het is dus waarschijnlijk, dat toen, evenals thans, de
zuidelijke landen zich minder ver uitstrekten en dichter bij den evenaar gelegen
waren dan de noordelijke.
De steenkoolformatie is in sommige streken twaalfduizend meters dik; daarin
overheerschen met de steenkool, zandsteen en zwarte leisteen, waarin als
afdruksels de overblijfselen der plantenwereld voorkomen; in de kolenkalk vindt
men alleen zeedieren.
Men vindt dikwijls een honderdtal lagen steenkool regelmatig op elkander
gestapeld; de steenkoolformatie vertegenwoordigt dus een langdurig tijdperk,
waarin de plantenwereld aanzienlijke veranderingen heeft ondergaan. Wij
moeten ons dus tot de planten dier formatie wenden, om onderverdeelingen in
die periode te kunnen vaststellen. De Europeesche kolenbeddingen leeren ons,
dat de steenkoolperiode in drie deelen kan verdeeld worden, ieder met hare
eigenaardige flora:
I. In de eerste periode hebben de wolfsklauwen (lepidodendrons) en de varens
met gevinde bladeren de overhand.
Page 291
II. In de tweede periode de sigillaria’s en de calamiten te zamen met de groote
boomvarens.
III. In de derde periode vindt men voor het grootste gedeelte varens, cordaïten en
ringvormige moerasplanten (Annularia). In die laatste periode komt de Walchia
te voorschijn, die in de bosschen der Permische periode de overhand heeft.
Doch laat ons thans meer nauwkeurig de steenkolenmijnen onderzoeken. De
steenkolen zijn het product van eene opeenhooping van ontlede plantaardige
stoffen. Men vindt daarin de overblijfselen, de takken, de bladeren, de indrukken
van de boomen dier oude bosschen. Scheikundig ontleed, blijken zij te bestaan
uit koolstof, waterstof en zuurstof, d. i. uit de samenstellende bestanddeelen der
plantenweefsels. Gemiddeld bevatten de steenkolen 83% koolstof, 6% waterstof,
5½% zuurstof en sporen van stikstof en zwavel. Sommige stukken anthraciet
bevatten 95% koolstof.
Men kan letterlijk zeggen, dat de warmte, die de locomotieven verhit en die
afkomstig is van de koolstof, in de bosschen der primaire periode vastgelegd,
niets anders is dan de oorspronkelijke warmte der aarde en de zonnewarmte. Die
oude warmte was opgehoopt in de steenkolen, wij maken die thans weer vrij,
terwijl wij haar arbeidsvermogen in eenen anderen vorm gebruiken, en wij
geven aan de natuur de reserve terug, die zij had achtergehouden.
boomvarens.
III. In de derde periode vindt men voor het grootste gedeelte varens, cordaïten en
ringvormige moerasplanten (Annularia). In die laatste periode komt de Walchia
te voorschijn, die in de bosschen der Permische periode de overhand heeft.
Doch laat ons thans meer nauwkeurig de steenkolenmijnen onderzoeken. De
steenkolen zijn het product van eene opeenhooping van ontlede plantaardige
stoffen. Men vindt daarin de overblijfselen, de takken, de bladeren, de indrukken
van de boomen dier oude bosschen. Scheikundig ontleed, blijken zij te bestaan
uit koolstof, waterstof en zuurstof, d. i. uit de samenstellende bestanddeelen der
plantenweefsels. Gemiddeld bevatten de steenkolen 83% koolstof, 6% waterstof,
5½% zuurstof en sporen van stikstof en zwavel. Sommige stukken anthraciet
bevatten 95% koolstof.
Men kan letterlijk zeggen, dat de warmte, die de locomotieven verhit en die
afkomstig is van de koolstof, in de bosschen der primaire periode vastgelegd,
niets anders is dan de oorspronkelijke warmte der aarde en de zonnewarmte. Die
oude warmte was opgehoopt in de steenkolen, wij maken die thans weer vrij,
terwijl wij haar arbeidsvermogen in eenen anderen vorm gebruiken, en wij
geven aan de natuur de reserve terug, die zij had achtergehouden.
Page 292
Fig. 147. Fossiele boom, op 217 meters diepte gevonden.
Zijn die bosschen der steenkoolperiode begraven op de plaats, waar zij
oorspronkelijk aanwezig waren? Zou de steenkool oorspronkelijk turf geweest
zijn, die gedrukt onder later ontstane bezinksels, versteend is? of bestaat de
steenkool uit plantaardige overblijfselen, door het water medegesleept en op den
bodem der bekkens afgezet? De tweede theorie is het eerst door de geologen
verkondigd, zij is daarna door de eerste verdrongen, toen men bijna versteende,
rechtopstaande boomen ontdekt had, doch in de laatste jaren weder in eere
hersteld, omdat zij het geheel der waargenomen feiten beter verklaart. Stroomen
beladen met grint, modder en plantaardige overblijfselen monden uit in het diepe
en stille water van een meer, waar de stoffen naar hare dichtheid gescheiden
worden: de keisteenen en het grint vallen in zeer schuine lagen bij de monding,
terwijl de modder verder doorstroomt, zich onder eene veel kleinere helling
Zijn die bosschen der steenkoolperiode begraven op de plaats, waar zij
oorspronkelijk aanwezig waren? Zou de steenkool oorspronkelijk turf geweest
zijn, die gedrukt onder later ontstane bezinksels, versteend is? of bestaat de
steenkool uit plantaardige overblijfselen, door het water medegesleept en op den
bodem der bekkens afgezet? De tweede theorie is het eerst door de geologen
verkondigd, zij is daarna door de eerste verdrongen, toen men bijna versteende,
rechtopstaande boomen ontdekt had, doch in de laatste jaren weder in eere
hersteld, omdat zij het geheel der waargenomen feiten beter verklaart. Stroomen
beladen met grint, modder en plantaardige overblijfselen monden uit in het diepe
en stille water van een meer, waar de stoffen naar hare dichtheid gescheiden
worden: de keisteenen en het grint vallen in zeer schuine lagen bij de monding,
terwijl de modder verder doorstroomt, zich onder eene veel kleinere helling
Page 293
laagsgewijze afzet en de plantenstoffen bijna horizontaal aan het uiteinde
bezinken. Zoo wordt voortdurend het plantenslib onder nieuwe sedimentlagen
bedolven, en indien de toevoer van plantenoverblijfselen voortgaat, zal de
steenkoollaag zich meer of minder regelmatig op den bodem verlengen, hoewel
de verschillende deelen niet gelijktijdig ontstaan zijn. Zoo kan men in de
steenkoollaag alle overgangen vinden van de ruwere steenkool (d. i. de
plantenstof zonder minerale bijmengselen) tot aan eene modderlaag, vermengd
met enkele overblijfselen van planten.
Hoevele jaren en eeuwen vertegenwoordigen die bezinkingen? Het is moeilijk te
ramen. Volgens de berekeningen van Elie de Beaumont zoude al de steenkool,
die door onze tegenwoordige bosschen kan geleverd worden, over de
uitgestrektheid der thans ontgonnen mijnen slechts eene laag vormen van 16
centimeters in 100 jaren. Wij hebben hier dus te doen met de vrucht van
honderdduizenden jaren, die millioenen jaren achter ons liggen. Men denkt hier
onwillekeurig aan de voorstelling der Buddhisten. Om een denkbeeld te geven
van den ouderdom der aarde en van haren duur, vergelijken zij onze planeet met
eenen diamantberg, die iedere eeuw eens met een katoenen lapje wordt afgestoft.
Wanneer zal die berg versleten zijn?
De spoorwegen hebben in de laatste vijftig jaren een ongekend licht laten vallen
op de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, door de tunnels, die door de
verschillende lagen van de oppervlakte der aarde geboord zijn. Maar van alle
formaties is toch de steenkoolformatie het ijverigst bestudeerd, om hare groote
innerlijke waarde en hare beteekenis voor de industrie. (Wij behoeven hier niet
te spreken van de diamant- en metaalmijnen, omdat zij tot de vulcanische
formaties behooren, tot eenen tijd, die aan het leven is voorafgegaan). Men kent
niet alleen de steenkoolmijnen, die de oppervlakte van den bodem aanraken,
maar met de grootst mogelijke inspanning heeft men ook die lagen onderzocht,
die iets dieper liggen, maar toch nog de ontginning waard zijn. Die ontginning
heeft immers hare grenzen: indien de diepte der steenkolenlaag zoó groot is, dat
de exploitatiekosten den verkoopsprijs overtreffen, dan houdt de ontginning op.
Zóó b.v. blijkt reeds uit de figuren op blz. 179 en 184, dat men, zoo men
doorgraaft tot aan de primaire formatie, die onder Parijs gelegen is, wel
steenkool kan vinden, maar dat de exploitatiekosten eene ontginning onmogelijk
maken.
bezinken. Zoo wordt voortdurend het plantenslib onder nieuwe sedimentlagen
bedolven, en indien de toevoer van plantenoverblijfselen voortgaat, zal de
steenkoollaag zich meer of minder regelmatig op den bodem verlengen, hoewel
de verschillende deelen niet gelijktijdig ontstaan zijn. Zoo kan men in de
steenkoollaag alle overgangen vinden van de ruwere steenkool (d. i. de
plantenstof zonder minerale bijmengselen) tot aan eene modderlaag, vermengd
met enkele overblijfselen van planten.
Hoevele jaren en eeuwen vertegenwoordigen die bezinkingen? Het is moeilijk te
ramen. Volgens de berekeningen van Elie de Beaumont zoude al de steenkool,
die door onze tegenwoordige bosschen kan geleverd worden, over de
uitgestrektheid der thans ontgonnen mijnen slechts eene laag vormen van 16
centimeters in 100 jaren. Wij hebben hier dus te doen met de vrucht van
honderdduizenden jaren, die millioenen jaren achter ons liggen. Men denkt hier
onwillekeurig aan de voorstelling der Buddhisten. Om een denkbeeld te geven
van den ouderdom der aarde en van haren duur, vergelijken zij onze planeet met
eenen diamantberg, die iedere eeuw eens met een katoenen lapje wordt afgestoft.
Wanneer zal die berg versleten zijn?
De spoorwegen hebben in de laatste vijftig jaren een ongekend licht laten vallen
op de ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, door de tunnels, die door de
verschillende lagen van de oppervlakte der aarde geboord zijn. Maar van alle
formaties is toch de steenkoolformatie het ijverigst bestudeerd, om hare groote
innerlijke waarde en hare beteekenis voor de industrie. (Wij behoeven hier niet
te spreken van de diamant- en metaalmijnen, omdat zij tot de vulcanische
formaties behooren, tot eenen tijd, die aan het leven is voorafgegaan). Men kent
niet alleen de steenkoolmijnen, die de oppervlakte van den bodem aanraken,
maar met de grootst mogelijke inspanning heeft men ook die lagen onderzocht,
die iets dieper liggen, maar toch nog de ontginning waard zijn. Die ontginning
heeft immers hare grenzen: indien de diepte der steenkolenlaag zoó groot is, dat
de exploitatiekosten den verkoopsprijs overtreffen, dan houdt de ontginning op.
Zóó b.v. blijkt reeds uit de figuren op blz. 179 en 184, dat men, zoo men
doorgraaft tot aan de primaire formatie, die onder Parijs gelegen is, wel
steenkool kan vinden, maar dat de exploitatiekosten eene ontginning onmogelijk
maken.
Page 294
De groote waarde van de steenkool, die kostbaarder is, naarmate zij minder
onuitputtelijk is (de vraag wordt thans ernstig behandeld, voor hoevele eeuwen
er nog steenkool beschikbaar is), heeft er toe geleid, om ook de steenkoollagen
te leeren kennen, die niet tot de oppervlakte der aarde naderen, en door formaties
van later dagteekening bedekt zijn. Zeer rijk aan steenkolenmijnen zijn België,
Engeland, Westphalen, de Vereenigde Staten, Rusland en China2. Het
steenkolengebied strekt zich uit over meer dan een derde deel van Europeesch
Rusland. De geologische samenstelling (kolenkalk) toont aan, dat op het einde
der steenkoolperiode zich eene zee over Rusland uitstrekte toen westelijk
Europa, reeds voor het grootste gedeelte boven water, met meren en
zoetwatermoerassen bedekt was, die den voet der reuzenplanten besproeiden.
Wanneer de steenkoollagen aan de oppervlakte van den bodem grenzen, dan
strekken zij zich daarom nog niet over eene groote oppervlakte uit, maar dalen
zij wel tot op zekere diepte naar beneden. Door vertikale putten en hellende
mijngangen delven de mijnwerkers de kostbare brandstof ten koste van een
leven van zelfverloochening. Hoogst zelden is een kloeke en zorgenvrije
ouderdom de belooning van een werkzaam leven vol opofferingen. Indien de
mijnwerker ongedeerd is gebleven na alle rampen, die hem in zijn leven onder
de aardoppervlakte bedreigen, zooals mijngas, instortingen, overstroomingen
enz., dan zijn toch zijne longen doortrokken met steenkolenstof, en werken zij
niet meer normaal; zijn bloed wordt slecht vernieuwd, en het daglicht, waarvan
hij nog enkele jaren hoopte te genieten, verlicht een zwak lichaam, dat bijna zijn
tweede vaderland betreurt. Indien wij ons toevertrouwen aan het stoomros, dat
de landen doorklieft en de afstanden vernietigt, indien wij des avonds de
schitterende verlichting bewonderen, die met het daglicht wedijvert, dan denken
wij slechts hoogst zelden aan den dapperen mijnwerker, die op zijn vreedzaam
arbeidsveld de grondstof graaft ten koste van wat den mensch het liefste is.
De diepte der kolenmijnen bedraagt somtijds 500, 600 of 800 meters, en de
mijngangen, met het kompas gegraven, strekken zich dikwijls tot 5 of 6
kilometers uit.
Die steenkolenbekkens hebben in het algemeen den vorm van grootere of
kleinere, dikkere of dunnere, diepere of minder diepe kommen, maar de talrijke
ontwrichtingen der lagen en de verscheidenheid der oorspronkelijke
omstandigheden, waaronder zich de steenkool gevormd heeft, maken het
moeilijk, eenen regel daarvoor vast te stellen. Verscheidene geologen
onuitputtelijk is (de vraag wordt thans ernstig behandeld, voor hoevele eeuwen
er nog steenkool beschikbaar is), heeft er toe geleid, om ook de steenkoollagen
te leeren kennen, die niet tot de oppervlakte der aarde naderen, en door formaties
van later dagteekening bedekt zijn. Zeer rijk aan steenkolenmijnen zijn België,
Engeland, Westphalen, de Vereenigde Staten, Rusland en China2. Het
steenkolengebied strekt zich uit over meer dan een derde deel van Europeesch
Rusland. De geologische samenstelling (kolenkalk) toont aan, dat op het einde
der steenkoolperiode zich eene zee over Rusland uitstrekte toen westelijk
Europa, reeds voor het grootste gedeelte boven water, met meren en
zoetwatermoerassen bedekt was, die den voet der reuzenplanten besproeiden.
Wanneer de steenkoollagen aan de oppervlakte van den bodem grenzen, dan
strekken zij zich daarom nog niet over eene groote oppervlakte uit, maar dalen
zij wel tot op zekere diepte naar beneden. Door vertikale putten en hellende
mijngangen delven de mijnwerkers de kostbare brandstof ten koste van een
leven van zelfverloochening. Hoogst zelden is een kloeke en zorgenvrije
ouderdom de belooning van een werkzaam leven vol opofferingen. Indien de
mijnwerker ongedeerd is gebleven na alle rampen, die hem in zijn leven onder
de aardoppervlakte bedreigen, zooals mijngas, instortingen, overstroomingen
enz., dan zijn toch zijne longen doortrokken met steenkolenstof, en werken zij
niet meer normaal; zijn bloed wordt slecht vernieuwd, en het daglicht, waarvan
hij nog enkele jaren hoopte te genieten, verlicht een zwak lichaam, dat bijna zijn
tweede vaderland betreurt. Indien wij ons toevertrouwen aan het stoomros, dat
de landen doorklieft en de afstanden vernietigt, indien wij des avonds de
schitterende verlichting bewonderen, die met het daglicht wedijvert, dan denken
wij slechts hoogst zelden aan den dapperen mijnwerker, die op zijn vreedzaam
arbeidsveld de grondstof graaft ten koste van wat den mensch het liefste is.
De diepte der kolenmijnen bedraagt somtijds 500, 600 of 800 meters, en de
mijngangen, met het kompas gegraven, strekken zich dikwijls tot 5 of 6
kilometers uit.
Die steenkolenbekkens hebben in het algemeen den vorm van grootere of
kleinere, dikkere of dunnere, diepere of minder diepe kommen, maar de talrijke
ontwrichtingen der lagen en de verscheidenheid der oorspronkelijke
omstandigheden, waaronder zich de steenkool gevormd heeft, maken het
moeilijk, eenen regel daarvoor vast te stellen. Verscheidene geologen
Page 295
onderscheiden de kolenkalk van de daarboven gelegen steenkool, die daarvan
door eene laag zandsteen gescheiden is. Men kan echter moeilijk gissen, hoeveel
achtereenvolgende bezinkingen van zout- en zoetwater door de talrijke
steenkolenbladen vertegenwoordigd worden. In de laag, die zich uitstrekt van
Valencienes tot Luik, heeft men op eene dikte van 300 meters 156 op elkander
liggende bladen geteld. Enkele bladen zijn slechts eenige decimeters dik, andere,
zooals te Commentry, hebben eene dikte van 25 meters. In België hebben enkele
lagen den vorm van eene Z, zoodat eene zelfde vertikale put, dikwijls driemaal
door een zelfde blad gaat. Dikwijls moet de mijnwerker zich in de lastigste
bochten wringen, om den steenkolenader te volgen.
De steenkool komt niet alleen voor in de formaties der primaire periode,
waarvan wij thans de geschiedenis bestudeeren. De fossiele brandstof komt in
alle formaties voor, maar zij is hoe langer hoe minder zuiver en vast, of neemt
eene kleinere ruimte in, naarmate men de geologische ladder opklimt of afdaalt,
van de eigenlijke steenkolenformatie afgerekend. Alleen in die formatie zelf
waren de botanische en climatologische voorwaarden van dien aard, dat zij eene
zoo groote opeenhooping van planten toelieten, als de vorming der steenkool
noodzakelijk maakte. Wij moeten echter wel degelijk de oude en de jongere
steenkool onderscheiden.
Fig. 148. Doorsnede van de steenkoollaag van Montceau-les-Mines.
Doch keeren wij thans terug tot de planten uit de periode, waaraan wij de
steenkool te danken hebben. Te midden van de prachtige varens met hare fijn
door eene laag zandsteen gescheiden is. Men kan echter moeilijk gissen, hoeveel
achtereenvolgende bezinkingen van zout- en zoetwater door de talrijke
steenkolenbladen vertegenwoordigd worden. In de laag, die zich uitstrekt van
Valencienes tot Luik, heeft men op eene dikte van 300 meters 156 op elkander
liggende bladen geteld. Enkele bladen zijn slechts eenige decimeters dik, andere,
zooals te Commentry, hebben eene dikte van 25 meters. In België hebben enkele
lagen den vorm van eene Z, zoodat eene zelfde vertikale put, dikwijls driemaal
door een zelfde blad gaat. Dikwijls moet de mijnwerker zich in de lastigste
bochten wringen, om den steenkolenader te volgen.
De steenkool komt niet alleen voor in de formaties der primaire periode,
waarvan wij thans de geschiedenis bestudeeren. De fossiele brandstof komt in
alle formaties voor, maar zij is hoe langer hoe minder zuiver en vast, of neemt
eene kleinere ruimte in, naarmate men de geologische ladder opklimt of afdaalt,
van de eigenlijke steenkolenformatie afgerekend. Alleen in die formatie zelf
waren de botanische en climatologische voorwaarden van dien aard, dat zij eene
zoo groote opeenhooping van planten toelieten, als de vorming der steenkool
noodzakelijk maakte. Wij moeten echter wel degelijk de oude en de jongere
steenkool onderscheiden.
Fig. 148. Doorsnede van de steenkoollaag van Montceau-les-Mines.
Doch keeren wij thans terug tot de planten uit de periode, waaraan wij de
steenkool te danken hebben. Te midden van de prachtige varens met hare fijn
Page 296
uitgesneden bladeren vindt men ook de kleinste sporeplanten, die zich onder het
water verbergen of die door hare geringe afmetingen onzichtbaar zijn. Onder de
sporeplanten vindt men de grootste en de kleinste planten. Men vindt er zóó
kleine onder, dat men meer dan honderd millioen bijeen moet brengen, om het
gewicht van één gram te bereiken! En daarnaast de Macrocystis, die eene lengte
van 500 meters bereiken kan, en wier stam toch dun en buigzaam is.
Men vindt de sporeplanten overal: in het water, op de oppervlakte der aarde, in
den grond, in de lucht, in de levende lichamen, in de lijken. Hare rol is uiterst
belangrijk.
water verbergen of die door hare geringe afmetingen onzichtbaar zijn. Onder de
sporeplanten vindt men de grootste en de kleinste planten. Men vindt er zóó
kleine onder, dat men meer dan honderd millioen bijeen moet brengen, om het
gewicht van één gram te bereiken! En daarnaast de Macrocystis, die eene lengte
van 500 meters bereiken kan, en wier stam toch dun en buigzaam is.
Men vindt de sporeplanten overal: in het water, op de oppervlakte der aarde, in
den grond, in de lucht, in de levende lichamen, in de lijken. Hare rol is uiterst
belangrijk.
Page 297
Bosch uit de steenkoolperiode.
De wateren zijn vol wieren; de stroomen, de rivieren, de vijvers, de poelen
voeden onmetelijke hoeveelheden dier planten; de bodem der zeeën is er mee
bedekt; zij geven het aanzijn aan bosschen, die in verscheidenheid van vormen
en schoonheid van kleur niet onderdoen voor de bosschen op het land. Als het
bloote oog in die wateren niets nieuws meer waarneemt, dan ontdekt men met
een vergrootglas weer nieuwe landschappen; spoedig is ook het vergrootglas niet
De wateren zijn vol wieren; de stroomen, de rivieren, de vijvers, de poelen
voeden onmetelijke hoeveelheden dier planten; de bodem der zeeën is er mee
bedekt; zij geven het aanzijn aan bosschen, die in verscheidenheid van vormen
en schoonheid van kleur niet onderdoen voor de bosschen op het land. Als het
bloote oog in die wateren niets nieuws meer waarneemt, dan ontdekt men met
een vergrootglas weer nieuwe landschappen; spoedig is ook het vergrootglas niet
Page 298
meer voldoende, en indien men dan den mikroskoop te hulp neemt, dan bemerkt
men, dat men tevergeefs zijnen gezichtseinder uitbreidt door telkens sterker
vergrootingen, want steeds ontdekt men nieuwe plantensoorten, en krijgt men de
overtuiging, dat de natuur ons het oneindige te peilen geeft.
Al die sporeplanten, groot en klein, leven, en dat leven is veel meer dan het onze
de bron van het leven op aarde. Als men die planten aan den arbeid ziet, dan
begrijpt men, welke belangrijke rol zij spelen onder de verschijnselen, die op
onze planeet plaats vinden: terwijl zij, om te leven, het koolzuur onttrekken aan
de wateren, die verzadigd zijn van dubbel koolzure kalk, bereiden zij de
onoplosbare koolzure kalk, die zich afscheidt, en vervaardigen zij lagen van
steen, waarin zij hare overblijfselen achterlaten als getuigen van het deel, dat zij
aan den arbeid genomen hebben. Andere planten werken op het kiezelzuur; zij
houden dat vast, bedienen zich er van, om beschermende omhulsels te
vervaardigen, en zich met duizelingwekkende snelheid vermenigvuldigend,
vormen zij de gesteenten, die zich snel verheffen; de opvolgende geslachten
legeren zich op de lijken van die, welke vóór hen geleefd hebben, en die daar
blijven liggen, omgeven door kiezelrijke schelpen, die hun tot lijkwade dienen.
Somtijds doen die kleine sporeplanten, medegevoerd door de stroomen, hare
dooden in zóó grooten getale stranden, dat zij de mondingen van die stroomen
verstoppen. Aan de monden van den Oder en vele andere rivieren, bestaat de
modder voor een derde of de helft uit ontelbare soorten van planten. In de haven
van Pillau wordt iedere eeuw eene massa van één millioen cubieke meters van
die oneindige kleine wezens afgezet.
Nauwelijks komen die gesteenten boven water, of andere sporeplanten maken
zich er van meester: gewoonlijk zijn het korstmossen. Aan de rotsen vastgehecht,
ontleden zij zelfs de hardste gesteenten. Die merkwaardige planten, die men
overal vindt, waar een terrein geschikt gemaakt kan worden voor de vestiging
van hooger ontwikkelde planten, hetzij wieren, hetzij paddestoelen, zijn voor
verschillende soorten van arbeid geschikt; men vindt ze dan ook op het kwarts,
op zandsteen, leisteen, het bazalt en het porphyr van uitgedoofde vulkanen, en
zelfs op de nauwelijks afgekoelde lava van nog steeds vuurspuwende bergen.
Wij moeten echter opmerken, dat de sporeplanten oorspronkelijk waterplanten
waren en nog altijd min of meer het water zoeken; nauwelijks wagen zich de
hoogst ontwikkelde op droge plaatsen; de korstmossen sterven wel niet in de
brandende woestenijen, maar leven daar slechts, als zij eenig vocht vinden. Men
men, dat men tevergeefs zijnen gezichtseinder uitbreidt door telkens sterker
vergrootingen, want steeds ontdekt men nieuwe plantensoorten, en krijgt men de
overtuiging, dat de natuur ons het oneindige te peilen geeft.
Al die sporeplanten, groot en klein, leven, en dat leven is veel meer dan het onze
de bron van het leven op aarde. Als men die planten aan den arbeid ziet, dan
begrijpt men, welke belangrijke rol zij spelen onder de verschijnselen, die op
onze planeet plaats vinden: terwijl zij, om te leven, het koolzuur onttrekken aan
de wateren, die verzadigd zijn van dubbel koolzure kalk, bereiden zij de
onoplosbare koolzure kalk, die zich afscheidt, en vervaardigen zij lagen van
steen, waarin zij hare overblijfselen achterlaten als getuigen van het deel, dat zij
aan den arbeid genomen hebben. Andere planten werken op het kiezelzuur; zij
houden dat vast, bedienen zich er van, om beschermende omhulsels te
vervaardigen, en zich met duizelingwekkende snelheid vermenigvuldigend,
vormen zij de gesteenten, die zich snel verheffen; de opvolgende geslachten
legeren zich op de lijken van die, welke vóór hen geleefd hebben, en die daar
blijven liggen, omgeven door kiezelrijke schelpen, die hun tot lijkwade dienen.
Somtijds doen die kleine sporeplanten, medegevoerd door de stroomen, hare
dooden in zóó grooten getale stranden, dat zij de mondingen van die stroomen
verstoppen. Aan de monden van den Oder en vele andere rivieren, bestaat de
modder voor een derde of de helft uit ontelbare soorten van planten. In de haven
van Pillau wordt iedere eeuw eene massa van één millioen cubieke meters van
die oneindige kleine wezens afgezet.
Nauwelijks komen die gesteenten boven water, of andere sporeplanten maken
zich er van meester: gewoonlijk zijn het korstmossen. Aan de rotsen vastgehecht,
ontleden zij zelfs de hardste gesteenten. Die merkwaardige planten, die men
overal vindt, waar een terrein geschikt gemaakt kan worden voor de vestiging
van hooger ontwikkelde planten, hetzij wieren, hetzij paddestoelen, zijn voor
verschillende soorten van arbeid geschikt; men vindt ze dan ook op het kwarts,
op zandsteen, leisteen, het bazalt en het porphyr van uitgedoofde vulkanen, en
zelfs op de nauwelijks afgekoelde lava van nog steeds vuurspuwende bergen.
Wij moeten echter opmerken, dat de sporeplanten oorspronkelijk waterplanten
waren en nog altijd min of meer het water zoeken; nauwelijks wagen zich de
hoogst ontwikkelde op droge plaatsen; de korstmossen sterven wel niet in de
brandende woestenijen, maar leven daar slechts, als zij eenig vocht vinden. Men
Page 299
gevoelt bij alle sporeplanten eene geheime verwantschap met de wieren, waaruit
zij ongetwijfeld zijn voortgekomen; bijna alle moeten zij òf in het water leven òf
hebben zij behoefte aan meer of minder vochtige lucht.
Dringen wij iets dieper in den grond door, dan blijkt het dat de verschijnselen,
die wij daar waarnemen, het vervolg zijn van die, welke plaats gegrepen hebben
in de tijdperken, die aan het onze zijn voorafgegaan. Dezelfde arbeid werd
verricht, en wel op dezelfde wijze, het evenwicht werd tot stand gebracht door
de vereenigde werking van voortbrengende en verterende elementen; maar te
oordeelen naar de getuigenissen dier eeuwen, waren het alleen de sporeplanten,
die dien arbeid verrichtten, terwijl de zaadplanten eerst veel later verschenen, om
eerst met de sporeplanten samen te werken, ze later aan te vullen, en eindelijk te
trachten ze te vervangen in haren arbeid.
Tijdens den langen duur der steenkoolperiode werd de levenskracht der planeet
in de wateren hoofdzakelijk vertegenwoordigd door de visschen, op het land
door de planten. Nog bestaan wel niet de hoogere ontwikkelde soorten in het
dieren- en plantenrijk, maar reeds openbaart zich het streven der natuur door de
opklimming van het delfstoffenrijk tot aan de visschen en insecten aan de ééne
zijde, en de varens en sigillaria’s aan de andere zijde. Dat streven zal blijven
voortduren, totdat de natuur het aanzijn zal geschonken hebben aan de gevoelige
en de vleeschetende planten, het kruidje-roer-mij-niet en de drosera, en aan de
vogels, de zoogdieren en den mensch.
In de periode, die wij thans bestudeeren, hebben de planten de grootste
vorderingen gemaakt, en de natuur noodigt ons zelf uit, om een oogenblik te
vertoeven, ten einde die merkwaardige plantenwereld, die zoo dikwijls miskend
is, te bewonderen. De planten zijn niet minder merkwaardig dan de dieren, ook
zij leven, en het is alleen door eenen samenloop van omstandigheden, dat niet
het hoogst ontwikkelde ras een plantenras geworden is, in plaats van het
menschenras.
Laten wij ons eerst nog even herinneren, dat de planten in twee groote
afdeelingen kunnen gesplitst worden: de cryptogamen (geheim bloeiende
sporeplanten) en de phanerogamen (openlijk bloeiende zaadplanten). De eerste
zijn nederige, weinig schitterende planten, zonder bloemen; „de
huwelijkssponde der plant”, de voortplantingsorganen, zijn onzichtbaar,
mikroskopisch klein, en zóó verborgen, dat eertijds zelfs uitstekende
zij ongetwijfeld zijn voortgekomen; bijna alle moeten zij òf in het water leven òf
hebben zij behoefte aan meer of minder vochtige lucht.
Dringen wij iets dieper in den grond door, dan blijkt het dat de verschijnselen,
die wij daar waarnemen, het vervolg zijn van die, welke plaats gegrepen hebben
in de tijdperken, die aan het onze zijn voorafgegaan. Dezelfde arbeid werd
verricht, en wel op dezelfde wijze, het evenwicht werd tot stand gebracht door
de vereenigde werking van voortbrengende en verterende elementen; maar te
oordeelen naar de getuigenissen dier eeuwen, waren het alleen de sporeplanten,
die dien arbeid verrichtten, terwijl de zaadplanten eerst veel later verschenen, om
eerst met de sporeplanten samen te werken, ze later aan te vullen, en eindelijk te
trachten ze te vervangen in haren arbeid.
Tijdens den langen duur der steenkoolperiode werd de levenskracht der planeet
in de wateren hoofdzakelijk vertegenwoordigd door de visschen, op het land
door de planten. Nog bestaan wel niet de hoogere ontwikkelde soorten in het
dieren- en plantenrijk, maar reeds openbaart zich het streven der natuur door de
opklimming van het delfstoffenrijk tot aan de visschen en insecten aan de ééne
zijde, en de varens en sigillaria’s aan de andere zijde. Dat streven zal blijven
voortduren, totdat de natuur het aanzijn zal geschonken hebben aan de gevoelige
en de vleeschetende planten, het kruidje-roer-mij-niet en de drosera, en aan de
vogels, de zoogdieren en den mensch.
In de periode, die wij thans bestudeeren, hebben de planten de grootste
vorderingen gemaakt, en de natuur noodigt ons zelf uit, om een oogenblik te
vertoeven, ten einde die merkwaardige plantenwereld, die zoo dikwijls miskend
is, te bewonderen. De planten zijn niet minder merkwaardig dan de dieren, ook
zij leven, en het is alleen door eenen samenloop van omstandigheden, dat niet
het hoogst ontwikkelde ras een plantenras geworden is, in plaats van het
menschenras.
Laten wij ons eerst nog even herinneren, dat de planten in twee groote
afdeelingen kunnen gesplitst worden: de cryptogamen (geheim bloeiende
sporeplanten) en de phanerogamen (openlijk bloeiende zaadplanten). De eerste
zijn nederige, weinig schitterende planten, zonder bloemen; „de
huwelijkssponde der plant”, de voortplantingsorganen, zijn onzichtbaar,
mikroskopisch klein, en zóó verborgen, dat eertijds zelfs uitstekende
Page 300
plantkundigen aan het bestaan dier organen twijfelden, en die planten agamen,
(zonder voortplanting) wilden noemen. Tot die cryptogamen behooren de
wieren, de zwammen, de schimmels, de mossen, de paardestaarten, de varens. In
werkelijkheid is er bij deze planten evenmin als bij de zaadplanten, generatio
spontanea, maar evenals bij de lagere dieren, waarvan wij de
ontwikkelingsgeschiedenis hebben medegedeeld, is de wijze van voortplanting
nog weifelend, en heeft zij nog niet die volmaaktheid bereikt, dat de geslachten
volkomen gescheiden zijn, en dat twee verschillende, elkander aanvullende
wezens tot elkander moeten naderen.
Geen bloemen, geen behaagzucht, geen welriekende geuren, geen wellust:
minnarijen van weekdieren, schaaldieren, visschen.
M
aa
r
de
na
tu
Fig. 150. Boswellia. Fig. 152. Leverkruid. ur
ve
rh
Fig. 151. Coriander. eft zich tot een poëtischer
ideaal. Uit de sporeplanten
komen de zaadplanten
voort, evenals de gewervelde dieren uit de ongewervelde. De zaadplanten zijn de
hooger ontwikkelde, met schitterenden bruidstooi, en voortplantingsorganen, die
bij de meeste met het bloote oog zichtbaar zijn: de mannelijke organen, de
meeldraden, dragen de bevruchtende stof, het stuifmeel; het vrouwelijk orgaan,
de stamper, bevat de te bevruchten eitjes, die het aanzijn geven aan eene nieuwe
plant. De zaadplanten worden in twee afdeelingen verdeeld: de gymnospermen
(naaktzadigen) en de angiospermen (bedektzadigen); bij de eerste zijn de eitjes
niet in eenen gesloten zak, eierstok, ingesloten; en groeit het hout door
jaarringen aan (naaldboomen); bij de tweede zijn de eitjes opgesloten in den
eierstok; de angiospermen worden weder in twee klassen verdeeld: de
monocotylidonen (éénzaadlobbigen), waar het hout niet aangroeit door
concentrische ringen (palmen, bananen, suikerriet, dekriet, hyacinten enz.) en de
dicotylidonen (twee zaadlobbigen), waar het hout door jaarringen aangroeit en
(zonder voortplanting) wilden noemen. Tot die cryptogamen behooren de
wieren, de zwammen, de schimmels, de mossen, de paardestaarten, de varens. In
werkelijkheid is er bij deze planten evenmin als bij de zaadplanten, generatio
spontanea, maar evenals bij de lagere dieren, waarvan wij de
ontwikkelingsgeschiedenis hebben medegedeeld, is de wijze van voortplanting
nog weifelend, en heeft zij nog niet die volmaaktheid bereikt, dat de geslachten
volkomen gescheiden zijn, en dat twee verschillende, elkander aanvullende
wezens tot elkander moeten naderen.
Geen bloemen, geen behaagzucht, geen welriekende geuren, geen wellust:
minnarijen van weekdieren, schaaldieren, visschen.
M
aa
r
de
na
tu
Fig. 150. Boswellia. Fig. 152. Leverkruid. ur
ve
rh
Fig. 151. Coriander. eft zich tot een poëtischer
ideaal. Uit de sporeplanten
komen de zaadplanten
voort, evenals de gewervelde dieren uit de ongewervelde. De zaadplanten zijn de
hooger ontwikkelde, met schitterenden bruidstooi, en voortplantingsorganen, die
bij de meeste met het bloote oog zichtbaar zijn: de mannelijke organen, de
meeldraden, dragen de bevruchtende stof, het stuifmeel; het vrouwelijk orgaan,
de stamper, bevat de te bevruchten eitjes, die het aanzijn geven aan eene nieuwe
plant. De zaadplanten worden in twee afdeelingen verdeeld: de gymnospermen
(naaktzadigen) en de angiospermen (bedektzadigen); bij de eerste zijn de eitjes
niet in eenen gesloten zak, eierstok, ingesloten; en groeit het hout door
jaarringen aan (naaldboomen); bij de tweede zijn de eitjes opgesloten in den
eierstok; de angiospermen worden weder in twee klassen verdeeld: de
monocotylidonen (éénzaadlobbigen), waar het hout niet aangroeit door
concentrische ringen (palmen, bananen, suikerriet, dekriet, hyacinten enz.) en de
dicotylidonen (twee zaadlobbigen), waar het hout door jaarringen aangroeit en
Page 301
de vaatbundels onbegrensd zijn (eiken, olmen, enz.). Doch wij mogen niet te
veel in bijzonderheden afdalen: wij schrijven geen handboek over plantkunde.
Wel mogen wij het leven der planten leeren kennen, door hare zeden en
aandoeningen te bestudeeren.
Fig. 150–154 stellen eenige bloemen voor. In de bloemkroon ziet men in het
midden een aan haar benedeneinde gezwollen draadje (stijl), dit is de stamper of
het vrouwelijke orgaan; de zwelling aan de benedenzijde is de eierstok, die de
eitjes bevat; de top van den stamper is de stempel.
Rondom dien stamper ziet men de meeldraden of mannelijke organen, vijf of
meer in getal (hun aantal is veranderlijk), en ook de stamper kan één- of
veelvoudig zijn. De meeldraden bestaan uit eenen helmdraad, die eindigt in
eenen ovalen geelgekleurden helmknop, die een geel poeder, het stuifmeel bevat,
dat voor de bevruchting dient.
Men zal zich gemakkelijk van de
bevruchting der bloemen
rekenschap geven bij de
beschouwing der fig. 154–157. Fig.
154 stelt eene kalmia voor, terwijl
de meeldraden in rust zijn, vóór de
bevruchting; fig. 155 diezelfde
bloem op het oogenblik der
bevruchting, als de meeldraden zich
geplaatst hebben op den stempel
van den stamper; fig. 156 is eene
loasa lateritia, waar men alle
Fig. 153. Maankop.
meeldraden aangetrokken ziet door
den stamper.
Voor de bevruchting is het noodzakelijk, dat het stuifmeel de eitjes aanrake. De
eitjes, die niet door die bevruchtende stof worden aangeraakt, blijven
onvruchtbaar. Op het oogenblik der bevruchting opent zich de helmknop en
werpt deze het stuifmeel op den stempel. Uit iederen stuifmeelkorrel gaat eene
zeer fijne buis uit, die in den stempel dringt, den stamper in zijne geheele lengte
doortrekt, om de eitjes te zoeken, die haar aantrekken, en door haar bevrucht
worden. Van dat oogenblik af begint de vrucht zich te ontwikkelen: het
veel in bijzonderheden afdalen: wij schrijven geen handboek over plantkunde.
Wel mogen wij het leven der planten leeren kennen, door hare zeden en
aandoeningen te bestudeeren.
Fig. 150–154 stellen eenige bloemen voor. In de bloemkroon ziet men in het
midden een aan haar benedeneinde gezwollen draadje (stijl), dit is de stamper of
het vrouwelijke orgaan; de zwelling aan de benedenzijde is de eierstok, die de
eitjes bevat; de top van den stamper is de stempel.
Rondom dien stamper ziet men de meeldraden of mannelijke organen, vijf of
meer in getal (hun aantal is veranderlijk), en ook de stamper kan één- of
veelvoudig zijn. De meeldraden bestaan uit eenen helmdraad, die eindigt in
eenen ovalen geelgekleurden helmknop, die een geel poeder, het stuifmeel bevat,
dat voor de bevruchting dient.
Men zal zich gemakkelijk van de
bevruchting der bloemen
rekenschap geven bij de
beschouwing der fig. 154–157. Fig.
154 stelt eene kalmia voor, terwijl
de meeldraden in rust zijn, vóór de
bevruchting; fig. 155 diezelfde
bloem op het oogenblik der
bevruchting, als de meeldraden zich
geplaatst hebben op den stempel
van den stamper; fig. 156 is eene
loasa lateritia, waar men alle
Fig. 153. Maankop.
meeldraden aangetrokken ziet door
den stamper.
Voor de bevruchting is het noodzakelijk, dat het stuifmeel de eitjes aanrake. De
eitjes, die niet door die bevruchtende stof worden aangeraakt, blijven
onvruchtbaar. Op het oogenblik der bevruchting opent zich de helmknop en
werpt deze het stuifmeel op den stempel. Uit iederen stuifmeelkorrel gaat eene
zeer fijne buis uit, die in den stempel dringt, den stamper in zijne geheele lengte
doortrekt, om de eitjes te zoeken, die haar aantrekken, en door haar bevrucht
worden. Van dat oogenblik af begint de vrucht zich te ontwikkelen: het
Page 302
bevruchte eitje wordt eene zaadkorrel en de eierstok eene vrucht. De bloem, met
hare geuren en schoonheid, verdwijnt; het schoone wijkt voor het ware, het
aangename voor het nuttige. Het doel der natuur is volbracht.
Bij de dieren zijn reeds sedert
langen tijd de geslachten
gescheiden, en die scheiding is
een zeer krachtige oorzaak van
vooruitgang en ontwikkeling.
Bij de planten is de scheiding
der geslachten uitzondering.
Fig. 154. Kalmia. Meeldraden
Daar de planten op hare plaats
Fig. 155. Dezelfde bloem.
vóór de bevruchting.
blijven, zoo is scheiding der
Meeldraden op den stempel op
geslachten in haar nadeel,
het oogenblik der bevruchting.
zoodat deze waarschijnlijk wel
nooit algemeen zal worden. De
éénhuizige planten, waar
mannelijke en vrouwelijke
bloemen op dezelfde plant
voorkomen, gaan het meest
vooruit. De vorm der bloem hangt
samen met de betrekkelijke lengte
van de meeldraden en van den
stamper. Daar de bevruchting het
best verzekerd wordt, indien het
stuifmeel boven het vrouwelijk
orgaan gelegen is, opdat het
neervallend op den stempel kome,
zijn bij de recht opstaande bloemen
de meeldraden langer dan de
stamper en steken zij daar boven
uit. Bij de fuchsia’s, waar de Fig. 156. Loasa lateritia. Meeldraden voor de bevruchting
bloemen neerhangen, is de stempel naar den stempel gericht.
ver onder de meeldraden gelegen,
en als het stuifmeel uit de
helmknoppen valt, komt het dus weder op den stempel. Bij een groot aantal
bloemen zetten zich de meeldraden bij de minste aanraking in beweging; als
hare geuren en schoonheid, verdwijnt; het schoone wijkt voor het ware, het
aangename voor het nuttige. Het doel der natuur is volbracht.
Bij de dieren zijn reeds sedert
langen tijd de geslachten
gescheiden, en die scheiding is
een zeer krachtige oorzaak van
vooruitgang en ontwikkeling.
Bij de planten is de scheiding
der geslachten uitzondering.
Fig. 154. Kalmia. Meeldraden
Daar de planten op hare plaats
Fig. 155. Dezelfde bloem.
vóór de bevruchting.
blijven, zoo is scheiding der
Meeldraden op den stempel op
geslachten in haar nadeel,
het oogenblik der bevruchting.
zoodat deze waarschijnlijk wel
nooit algemeen zal worden. De
éénhuizige planten, waar
mannelijke en vrouwelijke
bloemen op dezelfde plant
voorkomen, gaan het meest
vooruit. De vorm der bloem hangt
samen met de betrekkelijke lengte
van de meeldraden en van den
stamper. Daar de bevruchting het
best verzekerd wordt, indien het
stuifmeel boven het vrouwelijk
orgaan gelegen is, opdat het
neervallend op den stempel kome,
zijn bij de recht opstaande bloemen
de meeldraden langer dan de
stamper en steken zij daar boven
uit. Bij de fuchsia’s, waar de Fig. 156. Loasa lateritia. Meeldraden voor de bevruchting
bloemen neerhangen, is de stempel naar den stempel gericht.
ver onder de meeldraden gelegen,
en als het stuifmeel uit de
helmknoppen valt, komt het dus weder op den stempel. Bij een groot aantal
bloemen zetten zich de meeldraden bij de minste aanraking in beweging; als
Page 303
men ze even aantikt, of een insect er maar aan raakt, vallen zij op den stempel
neer. De insecten spelen dan ook eene belangrijke rol bij het bevruchten der
bloemen. Indien zij zich in de bloemkroon neerzetten, brengen zij de zoo
gevoelige meeldraden in beweging, die instinctmatig in aanraking komen met
den stempel. De bijen, de hommels, de kapellen nemen het stuifmeel mede, als
zij honig gezocht hebben in de bloemkroon, en als zij zich dan op andere
bloemen nederzetten, geven zij daar het stuifmeel af, dat die bloemen veel
sneller bevrucht, dan zonder de tusschenkomst dier insecten het geval zoude
geweest zijn. Bij de planten met gescheiden geslachten, zooals de dadels, de
kastanjes, en andere, is de bevruchting zelfs zonder de hulp der insecten of van
den wind onmogelijk. Men kent de geschiedenis van den vrouwelijken dadel, te
Otranto geplant, die onvruchtbaar bleef, totdat een mannelijke dadel te Brindisi
zóó hoog boven de naburige boomen uitstak, dat de wind het bevruchtende
stuifmeel naar Otranto kon overbrengen.
De vallisneria, eene bekende waterplant, behoort tot de merkwaardigste der
planten met gescheiden geslachten. De vrouwelijke bloemen worden door eenen
langen steel gedragen, die haar in staat stelt, tot aan de oppervlakte van het water
te komen en daar hare bekoorlijkheden ten toon te spreiden. De mannelijke
bloemen stijgen niet hoog genoeg, om ze te bereiken. Maar somtijds ontsnappen
zij plotseling uit de bloemscheede, die ze omsloten hield, en verheffen zij zich
tot de huwelijkssponde. Dan verspreiden de helmknoppen hun stuifmeel en
wordt dit door de vrouwelijke bloemen opgenomen. Daarna wikkelen zij haren
steel spiraalvormig op, zeggen het licht vaarwel en dalen zij af tot onder het
water, om er de vrucht van hare liefde te doen rijpen.
Nog hooger in ontwikkeling zijn de planten met willekeurige of
teweeggebrachte bewegingen, die op hare wijze zenuwen en spieren bevatten en
begaafd zijn met vermogens, die hooger staan dan die van een groot aantal
lagere dieren. Daartoe behooren het kruidje-roer-mij-niet, de drosera, de
vliegenvanger, de aldrovandia, de pinguicula, de utricularia, enz. De
merkwaardigste en nauwkeurigst bestudeerde is de drosera, merkwaardig type
der vleeschetende planten. Wij zijn zóózeer gewend aan het denkbeeld, dat de
planten door hare bladeren ademen, en dat zij zich door hare wortels met de
sappen der aarde voeden, dat onze gewone begrippen omtrent de onschuld van
het plantenrijk omver geworpen worden, indien wij hooren spreken van eene
plant, die eet en haar voedsel verteert als een dier. Do drosera, die de venen en
de moerassen bewoont, heeft bladeren, die bedekt zijn met voelhorens, en
neer. De insecten spelen dan ook eene belangrijke rol bij het bevruchten der
bloemen. Indien zij zich in de bloemkroon neerzetten, brengen zij de zoo
gevoelige meeldraden in beweging, die instinctmatig in aanraking komen met
den stempel. De bijen, de hommels, de kapellen nemen het stuifmeel mede, als
zij honig gezocht hebben in de bloemkroon, en als zij zich dan op andere
bloemen nederzetten, geven zij daar het stuifmeel af, dat die bloemen veel
sneller bevrucht, dan zonder de tusschenkomst dier insecten het geval zoude
geweest zijn. Bij de planten met gescheiden geslachten, zooals de dadels, de
kastanjes, en andere, is de bevruchting zelfs zonder de hulp der insecten of van
den wind onmogelijk. Men kent de geschiedenis van den vrouwelijken dadel, te
Otranto geplant, die onvruchtbaar bleef, totdat een mannelijke dadel te Brindisi
zóó hoog boven de naburige boomen uitstak, dat de wind het bevruchtende
stuifmeel naar Otranto kon overbrengen.
De vallisneria, eene bekende waterplant, behoort tot de merkwaardigste der
planten met gescheiden geslachten. De vrouwelijke bloemen worden door eenen
langen steel gedragen, die haar in staat stelt, tot aan de oppervlakte van het water
te komen en daar hare bekoorlijkheden ten toon te spreiden. De mannelijke
bloemen stijgen niet hoog genoeg, om ze te bereiken. Maar somtijds ontsnappen
zij plotseling uit de bloemscheede, die ze omsloten hield, en verheffen zij zich
tot de huwelijkssponde. Dan verspreiden de helmknoppen hun stuifmeel en
wordt dit door de vrouwelijke bloemen opgenomen. Daarna wikkelen zij haren
steel spiraalvormig op, zeggen het licht vaarwel en dalen zij af tot onder het
water, om er de vrucht van hare liefde te doen rijpen.
Nog hooger in ontwikkeling zijn de planten met willekeurige of
teweeggebrachte bewegingen, die op hare wijze zenuwen en spieren bevatten en
begaafd zijn met vermogens, die hooger staan dan die van een groot aantal
lagere dieren. Daartoe behooren het kruidje-roer-mij-niet, de drosera, de
vliegenvanger, de aldrovandia, de pinguicula, de utricularia, enz. De
merkwaardigste en nauwkeurigst bestudeerde is de drosera, merkwaardig type
der vleeschetende planten. Wij zijn zóózeer gewend aan het denkbeeld, dat de
planten door hare bladeren ademen, en dat zij zich door hare wortels met de
sappen der aarde voeden, dat onze gewone begrippen omtrent de onschuld van
het plantenrijk omver geworpen worden, indien wij hooren spreken van eene
plant, die eet en haar voedsel verteert als een dier. Do drosera, die de venen en
de moerassen bewoont, heeft bladeren, die bedekt zijn met voelhorens, en
Page 304
vloeistofdruppels afscheiden, die in de zon schitteren. Indien een insect, vlieg,
vlinder, of waterjuffer zich op het blad plaatst, dan dalen alle voelhorens
(dikwijls ten getale van 260) op het insect af en nemen het gevangen. Al plaatst
het zich op den rand van het blad, dan wordt het reeds gegrepen en naar het
midden gesleept. Het wordt met een slijmerig vocht besmeerd en sterft spoedig.
Daarna eet de plant het in letterlijken zin op: het slorpt het op en verteert het
door middel van eene soort van maagsap. De vleeschetende plant scheidt eene
gistingsstof af, met pepsine overeenkomend, en die ook bij de spijsvertering
dezelfde rol vervult. Men kan de plant rauw, of gebraden vleesch, stukken hard
ei, beenderen of graten geven, zij geeft bijna niets terug! De plant heeft eene
ongeloofelijk krachtige spijsvertering.
Wij hebben ruimte te kort, om langer over die planten uitte weiden. Het zoude
anders belangrijk zijn, nog een oogenblik stil te staan bij de vliegenvangers, die
de onvoorzichtige vliegen, die zich een oogenblik op de bladeren neerzetten,
meedoogenloos vermorzelen en verslinden, of bij andere verwante soorten; doch
wij mogen niet langer vertoeven. Ons doel was alleen, bij de beschrijving der
steenkoolperiode, de periode van het plantenrijk bij uitnemendheid, dat
plantenrijk te leeren begrijpen: te leeren gevoelen, dat ook dat rijk niet vreemd is
aan het leven onzer planeet, en dat het veel minder ver afligt van het dierenrijk,
dan men oppervlakkig meent. Indien wij ons bezig zullen houden met den
oorsprong van den menschelijken geest, dan zullen wij zien, dat zelfs uit het
oogpunt van de geestvermogens, de plant niet zoo werkeloos is, als men meent.
Honger, dorst, ziekte, gulzigheid, wellust, ja zelfs liefde, zijn gewaarwordingen,
die den planten niet geheel en al vreemd zijn.
De hooger ontwikkelde planten zijn eerst zeer laat opgetreden, evenals de
hoogere dieren; en er is geen reden te gelooven, dat er in de toekomst niet nog
veel hooger ontwikkelde planten zullen bestaan; het plantenrijk immers gaat
evenzeer vooruit als het dierenrijk en het menschdom. De bedektzadige planten
zijn van jongen datum: de eenzaadlobbigen zijn begonnen in de triasperiode, en
de tweezaadlobbigen in de krijtperiode. In de steenkoolperiode bestond het
plantenrijk hoofdzakelijk uit sporeplanten: de naaktzadigen treden juist op.
vlinder, of waterjuffer zich op het blad plaatst, dan dalen alle voelhorens
(dikwijls ten getale van 260) op het insect af en nemen het gevangen. Al plaatst
het zich op den rand van het blad, dan wordt het reeds gegrepen en naar het
midden gesleept. Het wordt met een slijmerig vocht besmeerd en sterft spoedig.
Daarna eet de plant het in letterlijken zin op: het slorpt het op en verteert het
door middel van eene soort van maagsap. De vleeschetende plant scheidt eene
gistingsstof af, met pepsine overeenkomend, en die ook bij de spijsvertering
dezelfde rol vervult. Men kan de plant rauw, of gebraden vleesch, stukken hard
ei, beenderen of graten geven, zij geeft bijna niets terug! De plant heeft eene
ongeloofelijk krachtige spijsvertering.
Wij hebben ruimte te kort, om langer over die planten uitte weiden. Het zoude
anders belangrijk zijn, nog een oogenblik stil te staan bij de vliegenvangers, die
de onvoorzichtige vliegen, die zich een oogenblik op de bladeren neerzetten,
meedoogenloos vermorzelen en verslinden, of bij andere verwante soorten; doch
wij mogen niet langer vertoeven. Ons doel was alleen, bij de beschrijving der
steenkoolperiode, de periode van het plantenrijk bij uitnemendheid, dat
plantenrijk te leeren begrijpen: te leeren gevoelen, dat ook dat rijk niet vreemd is
aan het leven onzer planeet, en dat het veel minder ver afligt van het dierenrijk,
dan men oppervlakkig meent. Indien wij ons bezig zullen houden met den
oorsprong van den menschelijken geest, dan zullen wij zien, dat zelfs uit het
oogpunt van de geestvermogens, de plant niet zoo werkeloos is, als men meent.
Honger, dorst, ziekte, gulzigheid, wellust, ja zelfs liefde, zijn gewaarwordingen,
die den planten niet geheel en al vreemd zijn.
De hooger ontwikkelde planten zijn eerst zeer laat opgetreden, evenals de
hoogere dieren; en er is geen reden te gelooven, dat er in de toekomst niet nog
veel hooger ontwikkelde planten zullen bestaan; het plantenrijk immers gaat
evenzeer vooruit als het dierenrijk en het menschdom. De bedektzadige planten
zijn van jongen datum: de eenzaadlobbigen zijn begonnen in de triasperiode, en
de tweezaadlobbigen in de krijtperiode. In de steenkoolperiode bestond het
plantenrijk hoofdzakelijk uit sporeplanten: de naaktzadigen treden juist op.
Page 305
Fig. 157. Stamboom van het plantenrijk.
Fig. 157 geeft een duidelijk overzicht van het plantenrijk in de verschillende
perioden. Men ziet, dat in de azoïsche periode alleen hoogsteenvoudige
cryptogamen, protophyten en wieren voorkwamen; dat in de primaire periode,
het devonische tijdperk het aanzijn gaf aan de korstmossen, de bladmossen, de
eerste varens, de wolfsklauwen en de paardestaarten, die zich vooral
ontwikkelen in de steenkoolperiode; dat in die laatste periode ook de
naaktzadige cycadeën ontstaan, die aan de varens grenzen, en in de permische
periode de coniferen, die in de secundaire periode de overhand hebben. Men ziet
ook, dat de bedektzadigen in de triasperiode begonnen zijn met de
Fig. 157 geeft een duidelijk overzicht van het plantenrijk in de verschillende
perioden. Men ziet, dat in de azoïsche periode alleen hoogsteenvoudige
cryptogamen, protophyten en wieren voorkwamen; dat in de primaire periode,
het devonische tijdperk het aanzijn gaf aan de korstmossen, de bladmossen, de
eerste varens, de wolfsklauwen en de paardestaarten, die zich vooral
ontwikkelen in de steenkoolperiode; dat in die laatste periode ook de
naaktzadige cycadeën ontstaan, die aan de varens grenzen, en in de permische
periode de coniferen, die in de secundaire periode de overhand hebben. Men ziet
ook, dat de bedektzadigen in de triasperiode begonnen zijn met de
Page 306
éénzaadlobbigen, terwijl de tweedzaadlobbigen eerst op het einde dier periode
ontstaan zijn, om voort te duren tot op onzen tijd. Onze lezers kennen thans de
grondtrekken van het gebouw van het leven op aarde, de grondwaarheden van
„de wereld vóór de schepping van den mensch.”
Fig. 158. Lessonia fucescens (wieren).
Langzaam, stap voor stap, volmaakte zich het plantenrijk, terwijl het zich
aanpaste aan de levensvoorwaarden der planeet. De steenkoolperiode was het
tijdperk der sterkste uitbreiding van dat rijk. Bij dien vruchtbaren plantengroei
kon men in de lauwe wateren, in de nauwelijks verrezen eilanden, in de vochtige
wadden, de meest verschillende soorten ontdekken van sporeplanten, zooals
paardestaarten en mossen. Zij vormden als het ware het weefsel der formaties,
waarop de reusachtige paardestaarten groeien moesten. Van de laagste vormen,
waar het protoplasma bloot ligt, klimt men ongemerkt op tot de vormen, die aan
de zaadplanten grenzen.
ontstaan zijn, om voort te duren tot op onzen tijd. Onze lezers kennen thans de
grondtrekken van het gebouw van het leven op aarde, de grondwaarheden van
„de wereld vóór de schepping van den mensch.”
Fig. 158. Lessonia fucescens (wieren).
Langzaam, stap voor stap, volmaakte zich het plantenrijk, terwijl het zich
aanpaste aan de levensvoorwaarden der planeet. De steenkoolperiode was het
tijdperk der sterkste uitbreiding van dat rijk. Bij dien vruchtbaren plantengroei
kon men in de lauwe wateren, in de nauwelijks verrezen eilanden, in de vochtige
wadden, de meest verschillende soorten ontdekken van sporeplanten, zooals
paardestaarten en mossen. Zij vormden als het ware het weefsel der formaties,
waarop de reusachtige paardestaarten groeien moesten. Van de laagste vormen,
waar het protoplasma bloot ligt, klimt men ongemerkt op tot de vormen, die aan
de zaadplanten grenzen.
Page 307
Die
lagere
planten,
die
bladmoss
en, die
paardesta
arten,
groeien,
en
bereiken
eindelijk
eene
hoogte
van
verschei
dene
meters.
Men
heeft in
de
steenkoo
lformatie
zelfs
calamite
n en
paardesta
arten van
Fig. 160. Polytrichum commune.
Fig. 159. De boschpaardestaart. tien tot
(vrouwenhaar).
twaalf
meters
gevonden.
Doch dit was nog slechts het voorspel van de prachtige wouden, waarin de
schubboomen, sigillaria’s en boomvarens de overhand hebben. De schubboomen
behooren tot de familie der lycopodiaceën, die thans slechts vertegenwoordigd
worden door onze gewone wolfsklauwen. Zij bereikten toen eene verbazende
hoogte, en hunne sierlijkheid wedijverde met hunne kracht. Reeds kon men in de
lagere
planten,
die
bladmoss
en, die
paardesta
arten,
groeien,
en
bereiken
eindelijk
eene
hoogte
van
verschei
dene
meters.
Men
heeft in
de
steenkoo
lformatie
zelfs
calamite
n en
paardesta
arten van
Fig. 160. Polytrichum commune.
Fig. 159. De boschpaardestaart. tien tot
(vrouwenhaar).
twaalf
meters
gevonden.
Doch dit was nog slechts het voorspel van de prachtige wouden, waarin de
schubboomen, sigillaria’s en boomvarens de overhand hebben. De schubboomen
behooren tot de familie der lycopodiaceën, die thans slechts vertegenwoordigd
worden door onze gewone wolfsklauwen. Zij bereikten toen eene verbazende
hoogte, en hunne sierlijkheid wedijverde met hunne kracht. Reeds kon men in de
Page 308
stukken, in de steenkool teruggevonden, die kracht en die sierlijkheid
vermoeden. Toen men ze later leerde kennen, vond men, dat die stukken
behoorden tot reusachtige boomen, van 30 tot 40 meters hoogte en 1½ meter
middellijn. De schors dier boomen was bijzonder schoon, gegraveerd met
sierlijke ruiten. Men heeft zelfs den juisten vorm van hunnen inwendigen bouw
teruggevonden: in het midden was eene soort van merg, evenals bij hunne
tijdgenooten, de calamodendrons (fig. 165 en 166). Men ziet, dat er toen geene
jaarringen waren, die ons in staat zouden stellen, den leeftijd van den boom te
leeren kennen, en de jaren van ziekte en voorspoed.
Fig. 161. Versteende takken van eenen schubboom (Lepidodendron).
vermoeden. Toen men ze later leerde kennen, vond men, dat die stukken
behoorden tot reusachtige boomen, van 30 tot 40 meters hoogte en 1½ meter
middellijn. De schors dier boomen was bijzonder schoon, gegraveerd met
sierlijke ruiten. Men heeft zelfs den juisten vorm van hunnen inwendigen bouw
teruggevonden: in het midden was eene soort van merg, evenals bij hunne
tijdgenooten, de calamodendrons (fig. 165 en 166). Men ziet, dat er toen geene
jaarringen waren, die ons in staat zouden stellen, den leeftijd van den boom te
leeren kennen, en de jaren van ziekte en voorspoed.
Fig. 161. Versteende takken van eenen schubboom (Lepidodendron).
Page 309
De reuzenboomen der steenkoolperiode.—Sigillaria’s, lepidodendrons,
boomvarens, (hoogte van 30 tot 40 Meters).
Bij de calamiten en schubboomen moeten wij nog als vertegenwoordigers der
flora van dat tijdperk de varens voegen, die onder die voorspoedige
omstandigheden boomvarens worden. In plaats van eene hoogte van enkele
meters te bereiken, zooals thans zelfs in de tropen het geval is, werden zij 12 tot
boomvarens, (hoogte van 30 tot 40 Meters).
Bij de calamiten en schubboomen moeten wij nog als vertegenwoordigers der
flora van dat tijdperk de varens voegen, die onder die voorspoedige
omstandigheden boomvarens worden. In plaats van eene hoogte van enkele
meters te bereiken, zooals thans zelfs in de tropen het geval is, werden zij 12 tot
Page 310
15 meters hoog. Zij waren in de paleozoïsche periode, gedurende het eerste
levenstijdperk op aarde, de heerschers en gebieders.
Maar geene
enkele plant van
die oude tijden
was zoo
merkwaardig als
de reusachtige
boomen, die
thans
uitgestorven
zijn en bekend
staan onder den
naam van
sigillaria’s. Die
boomen, die
dikwijls eene
hoogte van 40
meters
bereikten, zijn
de
Fig. 164. Schubben van den overgangsvorme
Fig. 163. Schors van den lepidodendron. n tusschen de
lepidodendron aculeatum.
sporeplanten en
de zaadplanten, want het zijn bijna reeds
naaktzadige planten. Zij gelijken op de cycadeën en de coniferen. Zij hebben
geene jaarringen, en hare eitjes worden door geenen eierstok beschermd. De
naaktzadigen zijn onvolkomen, of liever hoogsteenvoudige zaadplanten, dichter
staande bij de cryptogamen dan de bedektzadigen. Deze laatste zullen eerst veel
later de overhand verkrijgen.
Men ziet het, de gang der natuur is steeds dezelfde: van het eenvoudige naar het
samengestelde, van het onvolkomene naar het meer volmaakte, van de armoede
naar den rijkdom.
Sedert de eerste ontdekking van stammen van sigillaria’s was men verbaasd over
de vreemdsoortige schikking van sommige ovale litteekens rondom die schoone
levenstijdperk op aarde, de heerschers en gebieders.
Maar geene
enkele plant van
die oude tijden
was zoo
merkwaardig als
de reusachtige
boomen, die
thans
uitgestorven
zijn en bekend
staan onder den
naam van
sigillaria’s. Die
boomen, die
dikwijls eene
hoogte van 40
meters
bereikten, zijn
de
Fig. 164. Schubben van den overgangsvorme
Fig. 163. Schors van den lepidodendron. n tusschen de
lepidodendron aculeatum.
sporeplanten en
de zaadplanten, want het zijn bijna reeds
naaktzadige planten. Zij gelijken op de cycadeën en de coniferen. Zij hebben
geene jaarringen, en hare eitjes worden door geenen eierstok beschermd. De
naaktzadigen zijn onvolkomen, of liever hoogsteenvoudige zaadplanten, dichter
staande bij de cryptogamen dan de bedektzadigen. Deze laatste zullen eerst veel
later de overhand verkrijgen.
Men ziet het, de gang der natuur is steeds dezelfde: van het eenvoudige naar het
samengestelde, van het onvolkomene naar het meer volmaakte, van de armoede
naar den rijkdom.
Sedert de eerste ontdekking van stammen van sigillaria’s was men verbaasd over
de vreemdsoortige schikking van sommige ovale litteekens rondom die schoone
Page 311
cilindrische
stammen; aan
de
overeenstemm
ing in vorm
van die
litteekens met
stempels, zijn
die boomen
hunnen naam
van sigillaria’s
(stempelboom
en)
verschuldigd.
De boomen
werden
gesteund door
krachtige Fig. 165. Stuk van den stam van eenen calamodendron.
wortels, die
zich dikwijls
tot 15 en 20
meters van Fig. 166. Versteend
den voet van merg van eenen
den boom calamodendron.
onder den
grond
uitstrekten.
Andere boomen dier familie zijn van boven tot beneden met zeshoekige schilden
bedekt, die tevens de sporen van bladeren dragen; of wel die soorten van
schubben zijn driemaal langer dan breed, en dragen de knoopen der bladeren aan
den bovensten hoek.
Een andere merkwaardige vorm, die der stigmaria’s, heeft aanleiding gegeven
tot onjuiste opvattingen, totdat men de oplossing van het raadsel gevonden heeft.
In de steenkolenformatie vond men verbazend groote min of meer gebogen,
maar nooit rechte stammen van eene vreemde soort; die boomen kenmerkten
zich door eene gegolfde schors, door eene plotselinge vernauwing van den stam
stammen; aan
de
overeenstemm
ing in vorm
van die
litteekens met
stempels, zijn
die boomen
hunnen naam
van sigillaria’s
(stempelboom
en)
verschuldigd.
De boomen
werden
gesteund door
krachtige Fig. 165. Stuk van den stam van eenen calamodendron.
wortels, die
zich dikwijls
tot 15 en 20
meters van Fig. 166. Versteend
den voet van merg van eenen
den boom calamodendron.
onder den
grond
uitstrekten.
Andere boomen dier familie zijn van boven tot beneden met zeshoekige schilden
bedekt, die tevens de sporen van bladeren dragen; of wel die soorten van
schubben zijn driemaal langer dan breed, en dragen de knoopen der bladeren aan
den bovensten hoek.
Een andere merkwaardige vorm, die der stigmaria’s, heeft aanleiding gegeven
tot onjuiste opvattingen, totdat men de oplossing van het raadsel gevonden heeft.
In de steenkolenformatie vond men verbazend groote min of meer gebogen,
maar nooit rechte stammen van eene vreemde soort; die boomen kenmerkten
zich door eene gegolfde schors, door eene plotselinge vernauwing van den stam
Page 312
en door vlekken, van de grootte eener erwt,
die in regelmatige spiralen om den stam
liepen. Die vlekken waren kleine stempels,
afdruksels van bladeren, die bij de sigillaria’s,
(zooals bij onze palmen en boomvarens), uit
den stam zelf kwamen; maar die bladeren
schenen volstrekt niet tot dezelfde familie te
behooren. Nauwkeuriger onderzoekingen
deden stompen vinden, die dergelijke
houtachtige, cilindrische bladeren droegen;
het waren veeleer bladstelen dan bladeren.
Eindelijk vond men eenen prachtigen stam
eener sigillaria, die nog hare wortels
behouden had, en het bleek toen, dat de
stigmaria, die men als een boom beschouwd
had, niets anders dan de wortel der sigillaria.
Fig. 167 en 168. Fossiele schors van
sigillaria’s.
Fig. 169. Versteende afdruksels van een varen, en van eenen stam en eenen tak van eenen
schubboom.
die in regelmatige spiralen om den stam
liepen. Die vlekken waren kleine stempels,
afdruksels van bladeren, die bij de sigillaria’s,
(zooals bij onze palmen en boomvarens), uit
den stam zelf kwamen; maar die bladeren
schenen volstrekt niet tot dezelfde familie te
behooren. Nauwkeuriger onderzoekingen
deden stompen vinden, die dergelijke
houtachtige, cilindrische bladeren droegen;
het waren veeleer bladstelen dan bladeren.
Eindelijk vond men eenen prachtigen stam
eener sigillaria, die nog hare wortels
behouden had, en het bleek toen, dat de
stigmaria, die men als een boom beschouwd
had, niets anders dan de wortel der sigillaria.
Fig. 167 en 168. Fossiele schors van
sigillaria’s.
Fig. 169. Versteende afdruksels van een varen, en van eenen stam en eenen tak van eenen
schubboom.
Page 313
Fig. 170. Wortels van eene sigillaria: stigmaria.
Die soort is met de oorspronkelijke flora uitgestorven; doch de sigillaria’s gaan
over in varens, de schoonste boomen dier familie. Wat wij thans varens noemen,
is nog slechts een flauw spoor van die prachtige planten van eertijds. Zij gelijken
op palmboomen, doch de bladeren zijn enkel- of dubbel gevind; bovendien
ontstaan de jonge bladeren der varens gelijktijdig en zijn zij slakkenhuisvormig
opgewonden, terwijl de bladeren der palmboomen na elkander ontstaan en uit
eenen rechten stam groeien, die spits toeloopt.
De varens en de sigillaria’s zijn planten, die vocht, schaduw en warmte noodig
hebben, want zij wijzen alle op een tropisch klimaat.
De fossiele boomen zijn van jongeren datum dan de steenkool. Hoewel echter de
planten, die in kiezel veranderd zijn, niet tot de steenkoolformatie behooren, zijn
zij toch ongetwijfeld uit de periode der roode zandsteen, die onmiddellijk daarop
volgt. Misschien hebben zich die planten ontwikkeld tijdens de
steenkoolformatie, zonder verkoold te zijn, en zijn zij op de oppervlakte
gebleven, die daarna met zand en klei bedekt is; daarna kan zich het kiezel uit
het mengsel hebben afgescheiden, om zich in de houtvezels af te zetten, of is
deze molecule voor molecule in de plaats van de koolstof getreden.
Die soort is met de oorspronkelijke flora uitgestorven; doch de sigillaria’s gaan
over in varens, de schoonste boomen dier familie. Wat wij thans varens noemen,
is nog slechts een flauw spoor van die prachtige planten van eertijds. Zij gelijken
op palmboomen, doch de bladeren zijn enkel- of dubbel gevind; bovendien
ontstaan de jonge bladeren der varens gelijktijdig en zijn zij slakkenhuisvormig
opgewonden, terwijl de bladeren der palmboomen na elkander ontstaan en uit
eenen rechten stam groeien, die spits toeloopt.
De varens en de sigillaria’s zijn planten, die vocht, schaduw en warmte noodig
hebben, want zij wijzen alle op een tropisch klimaat.
De fossiele boomen zijn van jongeren datum dan de steenkool. Hoewel echter de
planten, die in kiezel veranderd zijn, niet tot de steenkoolformatie behooren, zijn
zij toch ongetwijfeld uit de periode der roode zandsteen, die onmiddellijk daarop
volgt. Misschien hebben zich die planten ontwikkeld tijdens de
steenkoolformatie, zonder verkoold te zijn, en zijn zij op de oppervlakte
gebleven, die daarna met zand en klei bedekt is; daarna kan zich het kiezel uit
het mengsel hebben afgescheiden, om zich in de houtvezels af te zetten, of is
deze molecule voor molecule in de plaats van de koolstof getreden.
Page 314
Fig. 171. Boomvaren.
Page 315
Lepidodendron van 30 m. en Sigillaria van 40 m.
Men vindt somtijds geheele lagen versteend hout. Het stadhuis te Nordhausen
bevat eene zandsteenen trap, waarvan ieder stuk onwederlegbaar aantoont, dat
het oorspronkelijk hout geweest is, en dat de massa van jaar tot jaar is
toegenomen met houtlagen, bestaande uit vezels, stammen en takken; op andere
plaatsen vindt men, dat de houtmassa in prachtige agaatsteenen veranderd is, die
nu eens doorschijnend, dan weder ondoorschijnend zijn en de meest
Men vindt somtijds geheele lagen versteend hout. Het stadhuis te Nordhausen
bevat eene zandsteenen trap, waarvan ieder stuk onwederlegbaar aantoont, dat
het oorspronkelijk hout geweest is, en dat de massa van jaar tot jaar is
toegenomen met houtlagen, bestaande uit vezels, stammen en takken; op andere
plaatsen vindt men, dat de houtmassa in prachtige agaatsteenen veranderd is, die
nu eens doorschijnend, dan weder ondoorschijnend zijn en de meest
Page 316
verschillende kleuren vertoonen. Op van Diemensland vindt men een bosch,
bestaande uit versteende boomen, die in opaal veranderd zijn. Nergens vindt
men waarschijnlijk schooner versteend hout, en nergens is de oorspronkelijke
bouw der weefsels beter bewaard gebleven. Terwijl het van buiten nog steeds
eene gelijkslachtige en blinkende oppervlakte vertoont, bestaat het van binnen
uit concentrische lagen, die wel vast aaneengesloten schijnen, maar toch over
hare geheele lengte gemakkelijk kunnen worden gespleten.
Sir James Ross deelt het volgende mede: „Ten zuiden van de haven (op het
eiland Kerguelen) bevindt zich de merkwaardige rots, door Cook beschreven.
Het is eene ontzaglijke bazaltmassa, 500 voet dik, veel jonger dan het gesteente,
waarop zij rust, en waaruit zij in half-vloeibaren toestand schijnt verrezen te zijn,
tot eene hoogte van 600 voet boven de oppervlakte der zee. Tusschen die twee
gesteenten van verschillenden ouderdom heeft men versteende boomen
gevonden; men heeft er éénen van zeven voet uitgegraven en naar Engeland
gezonden. De graad van versteening van dat hout wisselt af tusschen de zeer
brandbare steenkool en de vuursteen, hard genoeg om glas te snijden. Eene laag
leisteen, verscheidene voeten dik, en op die boomen afgezet, schijnt de verkoling
te hebben belet, toen de lava ging stroomen. Één der merkwaardigste
geologische karaktertrekken van dat eiland is juist, dat men er verscheidene
lagen steenkool boven elkander vindt, in dikte afwisselend tusschen enkele
duimen en verscheidene voeten.”
bestaande uit versteende boomen, die in opaal veranderd zijn. Nergens vindt
men waarschijnlijk schooner versteend hout, en nergens is de oorspronkelijke
bouw der weefsels beter bewaard gebleven. Terwijl het van buiten nog steeds
eene gelijkslachtige en blinkende oppervlakte vertoont, bestaat het van binnen
uit concentrische lagen, die wel vast aaneengesloten schijnen, maar toch over
hare geheele lengte gemakkelijk kunnen worden gespleten.
Sir James Ross deelt het volgende mede: „Ten zuiden van de haven (op het
eiland Kerguelen) bevindt zich de merkwaardige rots, door Cook beschreven.
Het is eene ontzaglijke bazaltmassa, 500 voet dik, veel jonger dan het gesteente,
waarop zij rust, en waaruit zij in half-vloeibaren toestand schijnt verrezen te zijn,
tot eene hoogte van 600 voet boven de oppervlakte der zee. Tusschen die twee
gesteenten van verschillenden ouderdom heeft men versteende boomen
gevonden; men heeft er éénen van zeven voet uitgegraven en naar Engeland
gezonden. De graad van versteening van dat hout wisselt af tusschen de zeer
brandbare steenkool en de vuursteen, hard genoeg om glas te snijden. Eene laag
leisteen, verscheidene voeten dik, en op die boomen afgezet, schijnt de verkoling
te hebben belet, toen de lava ging stroomen. Één der merkwaardigste
geologische karaktertrekken van dat eiland is juist, dat men er verscheidene
lagen steenkool boven elkander vindt, in dikte afwisselend tusschen enkele
duimen en verscheidene voeten.”
Page 317
Fig. 173. Een landschap uit de steonkoolperiode.
In de roode zandsteen en onder dat gesteente vindt men versteende boomen,
waarin eene kiezelmassa is doorgedrongen, en die in chalcedoon veranderd zijn;
van die stammen, dwars doorgesneden, tot platen gezaagd en gepolijst, worden
luxeartikelen vervaardigd, even schoon als agaat of kornalijn.
Maar keeren wij tot het steenkooltijdperk terug.
Met de sigillaria’s openden de cardoïten, die eveneens uitgestorven zijn, het
tijdperk der naaktzadigen, waarvan de naaldboomen en cycadeën de thans nog
levende vertegenwoordigers zijn; ook zij waren boomen van veertig meters
hoogte, alleen aan de kruin vertakt, en gedekt door groote bladeren, een meter
lang. Die lange bladeren komen in grooten getale voor in de geheele
steenkoolformatie, en vooral in de bovenste lagen. De gekleurde plaat tegenover
blz. 274 geeft den lezer een denkbeeld van den aard dier onmetelijke wouden,
In de roode zandsteen en onder dat gesteente vindt men versteende boomen,
waarin eene kiezelmassa is doorgedrongen, en die in chalcedoon veranderd zijn;
van die stammen, dwars doorgesneden, tot platen gezaagd en gepolijst, worden
luxeartikelen vervaardigd, even schoon als agaat of kornalijn.
Maar keeren wij tot het steenkooltijdperk terug.
Met de sigillaria’s openden de cardoïten, die eveneens uitgestorven zijn, het
tijdperk der naaktzadigen, waarvan de naaldboomen en cycadeën de thans nog
levende vertegenwoordigers zijn; ook zij waren boomen van veertig meters
hoogte, alleen aan de kruin vertakt, en gedekt door groote bladeren, een meter
lang. Die lange bladeren komen in grooten getale voor in de geheele
steenkoolformatie, en vooral in de bovenste lagen. De gekleurde plaat tegenover
blz. 274 geeft den lezer een denkbeeld van den aard dier onmetelijke wouden,
Page 318
die zoowel op den bodem van het water gevonden worden als op eenen grond,
die reeds zijn plantenkarakter verkregen heeft door de menigte planten, in dien
grond reeds sedert eeuwen opgehoopt.
Dit is de flora, die onze planeet versierde op het tijdstip, waarop de rijke
kolenmijnen gevormd werden, die in onzen tijd door de menschelijke industrie
ontgonnen werden; men ziet, hoe snelle en reusachtige vorderingen het
plantenrijk heeft gemaakt. Doch alsof de natuur zich nu eens uitsluitend heeft
willen toeleggen op de uitbreiding en ontwikkeling van het plantenrijk, is het
dierenrijk slechts weinig vooruitgegaan.
De vischsoorten, die aan de devonische periode eigen zijn, zetten zich ook in de
steenkoolperiode voort, en worden vertegenwoordigd door de glansschubbigen,
waarmede wij reeds kennis gemaakt hebben. Zij ontwikkelen zich in die periode
sterk, krijgen eene groote verscheidenheid in vormen en bereiken eene
aanzienlijke grootte, zooals b.v. de megalichthys. Enkele soorten moeten tegelijk
door kieuwen en door longen geademd hebben, zoodat zij ook in droge modder
konden leven.
De weekdieren nemen in die periode eene andere gedaante aan. Het meest
komen voor de armpootigen, bekend onder den naam van productidae, groote
gewelfde dieren. De soorten der vroegere periodes nemen af met uitzondering
der spiriferidae en enkele andere. Ook verminderen de koploozen, doch de
buikpootigen nemen weer toe. De plantdieren veranderen weinig. Men vindt
stekelhuidigen, zee-egels, zeesterren uit de silurische periode voortgekomen, en
zeeleliën, waarvan men in die periode meer dan vijfduizend soorten kent.
De schaaldieren ondergaan
merkbare veranderingen; de
trilobieten verdwijnen bijna
geheel; de schorpioenen
nemen toe. Reeds vroeger
(blz. 168) hebben wij van
eenen schorpioen gesproken, Fig. 174–175.
in de silurische formatie Armpootigen uit de
gevonden. Fig. 178 stelt steenkoolperiode.
zijnen opvolger voor in het
steenkooltijdperk. De in de
die reeds zijn plantenkarakter verkregen heeft door de menigte planten, in dien
grond reeds sedert eeuwen opgehoopt.
Dit is de flora, die onze planeet versierde op het tijdstip, waarop de rijke
kolenmijnen gevormd werden, die in onzen tijd door de menschelijke industrie
ontgonnen werden; men ziet, hoe snelle en reusachtige vorderingen het
plantenrijk heeft gemaakt. Doch alsof de natuur zich nu eens uitsluitend heeft
willen toeleggen op de uitbreiding en ontwikkeling van het plantenrijk, is het
dierenrijk slechts weinig vooruitgegaan.
De vischsoorten, die aan de devonische periode eigen zijn, zetten zich ook in de
steenkoolperiode voort, en worden vertegenwoordigd door de glansschubbigen,
waarmede wij reeds kennis gemaakt hebben. Zij ontwikkelen zich in die periode
sterk, krijgen eene groote verscheidenheid in vormen en bereiken eene
aanzienlijke grootte, zooals b.v. de megalichthys. Enkele soorten moeten tegelijk
door kieuwen en door longen geademd hebben, zoodat zij ook in droge modder
konden leven.
De weekdieren nemen in die periode eene andere gedaante aan. Het meest
komen voor de armpootigen, bekend onder den naam van productidae, groote
gewelfde dieren. De soorten der vroegere periodes nemen af met uitzondering
der spiriferidae en enkele andere. Ook verminderen de koploozen, doch de
buikpootigen nemen weer toe. De plantdieren veranderen weinig. Men vindt
stekelhuidigen, zee-egels, zeesterren uit de silurische periode voortgekomen, en
zeeleliën, waarvan men in die periode meer dan vijfduizend soorten kent.
De schaaldieren ondergaan
merkbare veranderingen; de
trilobieten verdwijnen bijna
geheel; de schorpioenen
nemen toe. Reeds vroeger
(blz. 168) hebben wij van
eenen schorpioen gesproken, Fig. 174–175.
in de silurische formatie Armpootigen uit de
gevonden. Fig. 178 stelt steenkoolperiode.
zijnen opvolger voor in het
steenkooltijdperk. De in de
Page 319
lucht ademende dieren Fig. 176–177. Zeeëgels en zeeleliën uit Productus longispinus.
worden reeds talrijker. de steenkoolperiode. Productus scabriculus.
Evenals de spinachtige
dieren, zijn ook de oudste
duizendpooten in de steenkoolformatie ontdekt. Maar het zijn de insecten, die
zich het snelst ontwikkelen.
Tot voor korten tijd had men slechts een gering aantal fossiele insecten
gevonden, en dat wel alleen in de secundaire en tertiaire periode. Tot in 1878 had
men over de geheele aarde slechts 120 overblijfselen van fossiele insecten
ontdekt; na 1878 heeft men alleen in Frankrijk in de steenkolenmijnen van
Commentry 1300 exemplaren gevonden. Eenige soorten waren reeds in de
devonische formatie gevonden, en onlangs ook in de silurische. Hoewel men in
het algemeen alleen de vleugelen vond, (daar het lichaam van een insect moeilijk
bewaard kan blijven) zijn de insecten van Commentry tamelijk volledig
behouden gebleven.
Alle insecten, tot nu toe in de primaire formaties
gevonden, Zijn rechtvleugeligen, netvleugeligen of
halfvleugeligen, en dus minder ontwikkelde dieren dan
de vliesvleugeligen en schubvleugeligen; hun lichaam
vertoont nog niet die zuivere scheiding van kop,
borststuk en achterlijf, die men b.v. bij de
vliesvleugeligen bewondert. Een kakkerlak, een krekel,
een sprinkhaan, zijn niet zoo ontwikkeld als een vlinder
met geschubde vleugels, eene bij, of eene mier. Het is
natuurlijk, dat de rechtvleugeligen vóór de
Fig. 178. Fossiele spin (van
vliesvleugeligen zijn opgetreden.
onderen gezien, om de
openingen voor de ademhaling
aan te wijzen).
Fig. 179. Fossiele duizendpoot.
worden reeds talrijker. de steenkoolperiode. Productus scabriculus.
Evenals de spinachtige
dieren, zijn ook de oudste
duizendpooten in de steenkoolformatie ontdekt. Maar het zijn de insecten, die
zich het snelst ontwikkelen.
Tot voor korten tijd had men slechts een gering aantal fossiele insecten
gevonden, en dat wel alleen in de secundaire en tertiaire periode. Tot in 1878 had
men over de geheele aarde slechts 120 overblijfselen van fossiele insecten
ontdekt; na 1878 heeft men alleen in Frankrijk in de steenkolenmijnen van
Commentry 1300 exemplaren gevonden. Eenige soorten waren reeds in de
devonische formatie gevonden, en onlangs ook in de silurische. Hoewel men in
het algemeen alleen de vleugelen vond, (daar het lichaam van een insect moeilijk
bewaard kan blijven) zijn de insecten van Commentry tamelijk volledig
behouden gebleven.
Alle insecten, tot nu toe in de primaire formaties
gevonden, Zijn rechtvleugeligen, netvleugeligen of
halfvleugeligen, en dus minder ontwikkelde dieren dan
de vliesvleugeligen en schubvleugeligen; hun lichaam
vertoont nog niet die zuivere scheiding van kop,
borststuk en achterlijf, die men b.v. bij de
vliesvleugeligen bewondert. Een kakkerlak, een krekel,
een sprinkhaan, zijn niet zoo ontwikkeld als een vlinder
met geschubde vleugels, eene bij, of eene mier. Het is
natuurlijk, dat de rechtvleugeligen vóór de
Fig. 178. Fossiele spin (van
vliesvleugeligen zijn opgetreden.
onderen gezien, om de
openingen voor de ademhaling
aan te wijzen).
Fig. 179. Fossiele duizendpoot.
Page 320
In de bosschen der steenkoolperiode vond men de voorouders der kakkerlakken,
der krekels, der sprinkhanen, der witte mieren, der waterjuffers. Men kent reeds
sedert lang de kakkerlakken, door Oswald Heer in de steenkool van Zwitserland
ontdekt. Onder die oude insecten vindt men er (meganeura en titanophasma) van
33 en 25 centimeters: geen enkel insect van onzen tijd bereikt meer die grootte.
Wij noemen nog de protophasma Damasii die prachtig bewaard is gebleven, en
waarin men (fig. 181) het oog, de sprieten, den fijnen bouw der vleugelen, nog
uitstekend kan terugvinden.
Fig. 180. Insect uit de steenkoolpcriode (Blattina Helvetica.)
Vleugel en geheel dier.
Indien men aan die insecten denkt en ze in den geest doet herleven in de
schitterende wouden dier periode, terwijl men zich de gevoeligheid dier sprieten
en dier oogen met duizenden facetten voor den geest roept, dan bewondert men
de grootheid van den arbeid, door de natuur volbracht sedert den tijd, toen alleen
de raadselachtige organismen der oorspronkelijke zeeën dreven in de wereldzee
der cambrische periode.
De steenkoolperiode schijnt ook het tijdperk te zijn, waarop de kruipende dieren
het eerst optraden. Men heeft in de steenkoolformatie amphibiën gevonden, op
der krekels, der sprinkhanen, der witte mieren, der waterjuffers. Men kent reeds
sedert lang de kakkerlakken, door Oswald Heer in de steenkool van Zwitserland
ontdekt. Onder die oude insecten vindt men er (meganeura en titanophasma) van
33 en 25 centimeters: geen enkel insect van onzen tijd bereikt meer die grootte.
Wij noemen nog de protophasma Damasii die prachtig bewaard is gebleven, en
waarin men (fig. 181) het oog, de sprieten, den fijnen bouw der vleugelen, nog
uitstekend kan terugvinden.
Fig. 180. Insect uit de steenkoolpcriode (Blattina Helvetica.)
Vleugel en geheel dier.
Indien men aan die insecten denkt en ze in den geest doet herleven in de
schitterende wouden dier periode, terwijl men zich de gevoeligheid dier sprieten
en dier oogen met duizenden facetten voor den geest roept, dan bewondert men
de grootheid van den arbeid, door de natuur volbracht sedert den tijd, toen alleen
de raadselachtige organismen der oorspronkelijke zeeën dreven in de wereldzee
der cambrische periode.
De steenkoolperiode schijnt ook het tijdperk te zijn, waarop de kruipende dieren
het eerst optraden. Men heeft in de steenkoolformatie amphibiën gevonden, op
Page 321
salamanders en kikvorschen gelijkend, waarvan enkele meer dan twee meters
lang waren. Van dien tijd dagteekenen ook de labyrinthodonten, (kikvorsch-
hagedissen) die den overgang vormen tusschen de amphibiën en de kruipende
dieren. Wij zullen ze leeren kennen in de permische periode, waarin zij zich snel
ontwikkeld hebben, ten einde zich voor te bereiden voor de heerschappij, die zij
in de secundaire periode moesten voeren.
Fig. 181. Insect uit de steenkoolperiode. (Protophasma Damasii,
halve grootte).
1 De Wonderen des Hemels, naar Camille Flammarion. Zutphen, W.J. Thieme en Cie.
2 De oppervlakte der steenkolenmijnen, die in exploitatie zijn, bedraagt ongeveer 500 000 vierkante
kilometers. De hoeveelheid steenkool, die gemiddeld jaarlijks uit alle mijnen der aarde opgedolven wordt,
bedraagt 200 milliard kilogram. Engeland levert daarvan de helft, Frankrijk het tiende deel. Engeland bezit
350 000 mijnwerkers, Frankrijk 100 000, Duitschland eveneens, België 50 000. Het onderaardsche leger,
dat over de geheele aarde strijdt voor de werken des vredes, voor de industrie en de ontwikkeling der
menschheid, telt ongeveer één millioen man.
lang waren. Van dien tijd dagteekenen ook de labyrinthodonten, (kikvorsch-
hagedissen) die den overgang vormen tusschen de amphibiën en de kruipende
dieren. Wij zullen ze leeren kennen in de permische periode, waarin zij zich snel
ontwikkeld hebben, ten einde zich voor te bereiden voor de heerschappij, die zij
in de secundaire periode moesten voeren.
Fig. 181. Insect uit de steenkoolperiode. (Protophasma Damasii,
halve grootte).
1 De Wonderen des Hemels, naar Camille Flammarion. Zutphen, W.J. Thieme en Cie.
2 De oppervlakte der steenkolenmijnen, die in exploitatie zijn, bedraagt ongeveer 500 000 vierkante
kilometers. De hoeveelheid steenkool, die gemiddeld jaarlijks uit alle mijnen der aarde opgedolven wordt,
bedraagt 200 milliard kilogram. Engeland levert daarvan de helft, Frankrijk het tiende deel. Engeland bezit
350 000 mijnwerkers, Frankrijk 100 000, Duitschland eveneens, België 50 000. Het onderaardsche leger,
dat over de geheele aarde strijdt voor de werken des vredes, voor de industrie en de ontwikkeling der
menschheid, telt ongeveer één millioen man.
Page 322
Page 323
Vijfde hoofdstuk
Page 324
Einde van het Primaire Tijdperk.
De permische periode.—Amphibiën en kruipende dieren.
Uit het oogpunt van het leven beschouwd is de permische periode niet minder
dan uit een natuurkundig oogpunt de voortzetting der steenkoolperiode. Toch is
de steenkoolperiode zelf voorbij; men vindt thans kalk- en zandsteenen, zonder
brandbare stoffen, en die in meer of minder dikke lagen op de kolenlaag gelegen
zijn.
Wij zagen reeds vroeger, dat de steenkolenformatie in Rusland meer dan een
derde van Russisch-Europa uitmaakt. Hetzelfde is met de permische formatie het
geval; een groot gedeelte van Midden-Rusland wordt door die formatie, die naar
de provincie Perm genoemd wordt, ingenomen. Men noemt die formatie ook wel
rood-doodliggend, om de weinige fossielen, die zij bevat.
In Frankrijk ligt die formatie op verscheidene plaatsen bloot. Op de centrale
hoogvlakte, die, zooals wij zagen, zoo rijk is aan steenkolenlagen, bedekt de
permische formatie dikwijls die lagen met eene laag van 900 tot 1000 meters,
bestaande uit zandsteen en leisteen. In de Vogezen neemt die formatie den
bodem der valleien in, die op den oostelijken rand dier bergstreek de secundaire
bergketens snijden: daar rust zij onmiddellijk op het gneiss, dat den ondergrond
van die valleien vormt, en vermengt zij zich met het porfier, dat daar is
uitgeworpen in den tijd, toen dat geheele oostelijke gedeelte der Vogezen met
permische wouden (varens, cordaïten, enz.) bedekt was. Het oudste gedeelte der
permische formatie is eene strandvorming, in ondiepe zee gevormd.
Planten en dieren zijn nog dezelfde als in de vorige periode, maar zij staan reeds
op het punt, om plaats te maken voor volkomener vormen. De omgeving
verandert. Toch zijn er nog geene jaargetijden op onze planeet, en de zon is nog
niet zeer lichtgevend. De temperatuur is nog overal gelijkmatig en tropisch. De
bodem ondergaat dalingen, die het gevolg zijn van inwendige afkoeling en
samentrekking der aarde. In het begin dier nieuwe periode voert eene algemeene
daling van den bodem de zee weer terug over een groot gedeelte van Europa,
vooral Rusland, Centraal-Duitschland, het zuid-westen van Engeland, den voet
der Vogezen enz. Groote opeenhoopingen verzamelen zich in de zeeën: zij
De permische periode.—Amphibiën en kruipende dieren.
Uit het oogpunt van het leven beschouwd is de permische periode niet minder
dan uit een natuurkundig oogpunt de voortzetting der steenkoolperiode. Toch is
de steenkoolperiode zelf voorbij; men vindt thans kalk- en zandsteenen, zonder
brandbare stoffen, en die in meer of minder dikke lagen op de kolenlaag gelegen
zijn.
Wij zagen reeds vroeger, dat de steenkolenformatie in Rusland meer dan een
derde van Russisch-Europa uitmaakt. Hetzelfde is met de permische formatie het
geval; een groot gedeelte van Midden-Rusland wordt door die formatie, die naar
de provincie Perm genoemd wordt, ingenomen. Men noemt die formatie ook wel
rood-doodliggend, om de weinige fossielen, die zij bevat.
In Frankrijk ligt die formatie op verscheidene plaatsen bloot. Op de centrale
hoogvlakte, die, zooals wij zagen, zoo rijk is aan steenkolenlagen, bedekt de
permische formatie dikwijls die lagen met eene laag van 900 tot 1000 meters,
bestaande uit zandsteen en leisteen. In de Vogezen neemt die formatie den
bodem der valleien in, die op den oostelijken rand dier bergstreek de secundaire
bergketens snijden: daar rust zij onmiddellijk op het gneiss, dat den ondergrond
van die valleien vormt, en vermengt zij zich met het porfier, dat daar is
uitgeworpen in den tijd, toen dat geheele oostelijke gedeelte der Vogezen met
permische wouden (varens, cordaïten, enz.) bedekt was. Het oudste gedeelte der
permische formatie is eene strandvorming, in ondiepe zee gevormd.
Planten en dieren zijn nog dezelfde als in de vorige periode, maar zij staan reeds
op het punt, om plaats te maken voor volkomener vormen. De omgeving
verandert. Toch zijn er nog geene jaargetijden op onze planeet, en de zon is nog
niet zeer lichtgevend. De temperatuur is nog overal gelijkmatig en tropisch. De
bodem ondergaat dalingen, die het gevolg zijn van inwendige afkoeling en
samentrekking der aarde. In het begin dier nieuwe periode voert eene algemeene
daling van den bodem de zee weer terug over een groot gedeelte van Europa,
vooral Rusland, Centraal-Duitschland, het zuid-westen van Engeland, den voet
der Vogezen enz. Groote opeenhoopingen verzamelen zich in de zeeën: zij
Page 325
vormen het jonge roode zandsteen. Daarboven zet zich in tijden van
betrekkelijke kalmte de magnesiumkalk, ook wel zechsteen genoemd, af. Dit is
in Centraal- en West-Europa de gewone samenstelling der permische formatie,
die trouwens zeer veranderlijk is. Op verscheidene plaatsen brengen
onderaardsche inspuitingen in de zeeën delfstoffen, die in het algemeen
verderfelijk zijn voor het leven; b.v. het koper in Thuringen en Rusland, het gips
en het steenzout in Rusland en Amerika, en het magnesium overal. Uit een
mineralogisch standpunt gelijkt dan ook de permische formatie meer op het trias,
dat daarop volgt, dan op de formaties, die zijn voorafgegaan; uit een organisch
oogpunt is echter het omgekeerde het geval. Behalve in Rusland en in de
Vereenigde Staten, waar nog steeds de stilte der vorige perioden voortduurt, zijn
de bewegingen van den bodem en de omwentelingen der lagen uiterst talrijk;
vandaar dan ook, dat in de Vereenigde Staten de permische formatie 250 meters
is, terwijl deze in Boheme 700 meters en in Saksen 1200 meters bedraagt. De
onderste lagen rusten nu eens op de steenkool, dan weder op leisteen of graniet,
hetgeen wijst op den invloed der zee. De permische periode teekent het einde
van een groot geologisch tijdvak, omdat daarin de meeste oude typen uitsterven,
hetzij omdat zij hun natuurlijk uiteinde bereikt hebben, hetzij omdat de
omgeving niet meer geschikt voor hen is. Slechts enkele typen blijven
voortbestaan: nog geene enkele der nieuwe vormen, die het secundaire tijdperk
teekenen, komt ten tooneele. Het is dus natuurlijk, dat het einde der permische
periode tevens als het einde der paleozoïsche periode beschouwd wordt.
De dierenwereld uit die periode telt nauwelijks driehonderd bekende soorten.
Alle dierengroepen geraken in verval, ten minste in Europa en in de Vereenigde
Staten. De poliepen, de zeeleliën en de stekelhuidigen tellen nog slechts enkele
soorten. Bijna alle paleozoïsche armpootigen zijn verdwenen, enkele komen nog
voor het laatst voor. Die klasse zal zich niet meer uit haar verval opheffen en
altijd overtroffen worden door de buikpootige en koplooze weekdieren. De
koppootigen zijn tot enkele soorten teruggebracht, en de schaaldieren worden
alleen nog slechts vertegenwoordigd door de laatste der trilobieten, enkele
limulen en enkele cypridinen. De glansschubbige visschen behouden hunne
stelling en zijn merkwaardig door het groote aantal soorten en individuen.
De ontwikkeling van het leven schrijdt regelmatig voorwaarts. Boven de drie
afdeelingen: plantdieren, weekdieren en ringwormen, alle ongewervelde dieren,
staan de gewervelde dieren. Gedurende de azoïsche en primaire periodes hebben
wij na elkander de dieren der drie eerste afdeelingen zien verschijnen, en wel
betrekkelijke kalmte de magnesiumkalk, ook wel zechsteen genoemd, af. Dit is
in Centraal- en West-Europa de gewone samenstelling der permische formatie,
die trouwens zeer veranderlijk is. Op verscheidene plaatsen brengen
onderaardsche inspuitingen in de zeeën delfstoffen, die in het algemeen
verderfelijk zijn voor het leven; b.v. het koper in Thuringen en Rusland, het gips
en het steenzout in Rusland en Amerika, en het magnesium overal. Uit een
mineralogisch standpunt gelijkt dan ook de permische formatie meer op het trias,
dat daarop volgt, dan op de formaties, die zijn voorafgegaan; uit een organisch
oogpunt is echter het omgekeerde het geval. Behalve in Rusland en in de
Vereenigde Staten, waar nog steeds de stilte der vorige perioden voortduurt, zijn
de bewegingen van den bodem en de omwentelingen der lagen uiterst talrijk;
vandaar dan ook, dat in de Vereenigde Staten de permische formatie 250 meters
is, terwijl deze in Boheme 700 meters en in Saksen 1200 meters bedraagt. De
onderste lagen rusten nu eens op de steenkool, dan weder op leisteen of graniet,
hetgeen wijst op den invloed der zee. De permische periode teekent het einde
van een groot geologisch tijdvak, omdat daarin de meeste oude typen uitsterven,
hetzij omdat zij hun natuurlijk uiteinde bereikt hebben, hetzij omdat de
omgeving niet meer geschikt voor hen is. Slechts enkele typen blijven
voortbestaan: nog geene enkele der nieuwe vormen, die het secundaire tijdperk
teekenen, komt ten tooneele. Het is dus natuurlijk, dat het einde der permische
periode tevens als het einde der paleozoïsche periode beschouwd wordt.
De dierenwereld uit die periode telt nauwelijks driehonderd bekende soorten.
Alle dierengroepen geraken in verval, ten minste in Europa en in de Vereenigde
Staten. De poliepen, de zeeleliën en de stekelhuidigen tellen nog slechts enkele
soorten. Bijna alle paleozoïsche armpootigen zijn verdwenen, enkele komen nog
voor het laatst voor. Die klasse zal zich niet meer uit haar verval opheffen en
altijd overtroffen worden door de buikpootige en koplooze weekdieren. De
koppootigen zijn tot enkele soorten teruggebracht, en de schaaldieren worden
alleen nog slechts vertegenwoordigd door de laatste der trilobieten, enkele
limulen en enkele cypridinen. De glansschubbige visschen behouden hunne
stelling en zijn merkwaardig door het groote aantal soorten en individuen.
De ontwikkeling van het leven schrijdt regelmatig voorwaarts. Boven de drie
afdeelingen: plantdieren, weekdieren en ringwormen, alle ongewervelde dieren,
staan de gewervelde dieren. Gedurende de azoïsche en primaire periodes hebben
wij na elkander de dieren der drie eerste afdeelingen zien verschijnen, en wel
Page 326
zóó, dat de meest volkomene ongewervelde dieren, de spinachtigen, de
duizendpooten, de insecten, de gelede dieren in het algemeen, het laatst
verschenen zijn, lang na de plantdieren en de weekdieren. Zoo zagen wij ook de
gewervelde dieren met de laagst ontwikkelde, de visschen, beginnen. Die hooger
ontwikkelde afdeeling bestaat uit de volgende klassen:
Visschen.
Amphibiën.
Kruipende dieren.
Vogels.
Zoogdieren.
Fig. 183. Weekdieren uit de permische periode. 1. Productus horridus.—2.
Fenestella retiformis, met een vergroot stuk.
Wij hebben de eerste dier klassen zien optreden. Wij zullen thans de
ontwikkeling der tweede klasse bijwonen.
De amphibiën zijn noch visschen noch kruipende dieren. Hun zenuwstelsel is
ontwikkelder dan dat der eerste klasse, en minder ontwikkeld dan dat der tweede
duizendpooten, de insecten, de gelede dieren in het algemeen, het laatst
verschenen zijn, lang na de plantdieren en de weekdieren. Zoo zagen wij ook de
gewervelde dieren met de laagst ontwikkelde, de visschen, beginnen. Die hooger
ontwikkelde afdeeling bestaat uit de volgende klassen:
Visschen.
Amphibiën.
Kruipende dieren.
Vogels.
Zoogdieren.
Fig. 183. Weekdieren uit de permische periode. 1. Productus horridus.—2.
Fenestella retiformis, met een vergroot stuk.
Wij hebben de eerste dier klassen zien optreden. Wij zullen thans de
ontwikkeling der tweede klasse bijwonen.
De amphibiën zijn noch visschen noch kruipende dieren. Hun zenuwstelsel is
ontwikkelder dan dat der eerste klasse, en minder ontwikkeld dan dat der tweede
Page 327
klasse. Men noemt ze amphibiën (tweeslachtig), omdat zij zoowel in het water
als visschen, als in de lucht als kruipende dieren kunnen leven. Tot de amphibiën
behooren de kikvorsch en de pad, (staartlooze dieren) en de salamanders (die
den staart behouden). Tot de kruipende dieren behooren de slangen, de
hagedissen, de krokodillen en de schildpadden.
Fig. 184. Visch uit de permische periode.
De amphibiën ademen de lucht in, die in het water op gelost is, en wel
gedurende den eersten tijd van hun leven, door kieuwen. De kruipende dieren
ademen steeds de gewone lucht in door longen. De amphibiën vertoonen
bovendien voortdurend gedaantewisselingen; op het oogenblik, waarop zij het ei
verlaten, zijn zij nog niet tot volkomen ontwikkeling gekomen, en hebben zij
nog niet den bouw hunner ouders; dit geschiedt eerst als zij volwassen worden.
In het begin van hun leven is hun bestaan aan dat der visschen gelijk, en zijn het
waterdieren. Nu eens ontbreken de ledematen geheel en al, dan weer gelijkt het
lichaam op eene schijf, en is het afgeplat en van lange pooten voorzien. Bij
sommige, die op het land leven en geene ledematen bezitten, gelijkt het lichaam
op dat van eenen aardworm. Bij die, welke zich steeds in het water ophouden, is
de staart zijdelings afgeplat, en maakt deze het zwemmen mogelijk. De pooten
vertoonen alle trappen van ontwikkeling; eerst niet in staat, om het lichaam te
dragen, verkrijgen zij later klauwen. Somtijds bestaan alleen de voorpooten, dan
weer zijn alleen de achterpooten zichtbaar. Bij de staartloozen sterft de staart af
en verdwijnt deze bij het volwassen dier geheel.
De uitwendige vorm der amphibiën bewijst, dat haar bouw geschikt is, om
zoowel in het water als in de lucht te leven, maar dat zij langzamerhand naderen
tot de landdieren, geschikt om te kruipen en te springen.
Hoewel het zenuwstelsel nog zeer eenvoudig is, is het toch hooger ontwikkeld
dan dat der visschen. De hersenen zijn klein in vergelijking met de wervelkolom.
als visschen, als in de lucht als kruipende dieren kunnen leven. Tot de amphibiën
behooren de kikvorsch en de pad, (staartlooze dieren) en de salamanders (die
den staart behouden). Tot de kruipende dieren behooren de slangen, de
hagedissen, de krokodillen en de schildpadden.
Fig. 184. Visch uit de permische periode.
De amphibiën ademen de lucht in, die in het water op gelost is, en wel
gedurende den eersten tijd van hun leven, door kieuwen. De kruipende dieren
ademen steeds de gewone lucht in door longen. De amphibiën vertoonen
bovendien voortdurend gedaantewisselingen; op het oogenblik, waarop zij het ei
verlaten, zijn zij nog niet tot volkomen ontwikkeling gekomen, en hebben zij
nog niet den bouw hunner ouders; dit geschiedt eerst als zij volwassen worden.
In het begin van hun leven is hun bestaan aan dat der visschen gelijk, en zijn het
waterdieren. Nu eens ontbreken de ledematen geheel en al, dan weer gelijkt het
lichaam op eene schijf, en is het afgeplat en van lange pooten voorzien. Bij
sommige, die op het land leven en geene ledematen bezitten, gelijkt het lichaam
op dat van eenen aardworm. Bij die, welke zich steeds in het water ophouden, is
de staart zijdelings afgeplat, en maakt deze het zwemmen mogelijk. De pooten
vertoonen alle trappen van ontwikkeling; eerst niet in staat, om het lichaam te
dragen, verkrijgen zij later klauwen. Somtijds bestaan alleen de voorpooten, dan
weer zijn alleen de achterpooten zichtbaar. Bij de staartloozen sterft de staart af
en verdwijnt deze bij het volwassen dier geheel.
De uitwendige vorm der amphibiën bewijst, dat haar bouw geschikt is, om
zoowel in het water als in de lucht te leven, maar dat zij langzamerhand naderen
tot de landdieren, geschikt om te kruipen en te springen.
Hoewel het zenuwstelsel nog zeer eenvoudig is, is het toch hooger ontwikkeld
dan dat der visschen. De hersenen zijn klein in vergelijking met de wervelkolom.
Page 328
Evenals de visschen leggen de amphibiën eieren. De levend barenden komen
eerst later ten tooneele.1
Evenals de kruipende dieren, tieren de amphibiën het best in een warm en
vochtig klimaat; zij komen vooral voor in de tropische landen der nieuwe
wereld. In die maagdelijke wouden vinden zij het geheele jaar de vochtigheid en
de warmte, die zij voor hare ontwikkeling noodig hebben. In de onmetelijke
bosschen van Zuid-Amerika en Zuidelijk-Azië vindt men een onnoemelijk aantal
soorten; het water in de holten der boomen, op de bladeren, in het mos, op den
grond, werkt het uitkomen der eieren en de ontwikkeling der larven zeer in de
hand.
Die voorwaarden van bewoonbaarheid kenmerkten juist de permische periode:
zij pasten juist voor de amphibiën, en de varens en de sigillaria’s van die
periode.
Evenals wij de devonische periode het tijdperk der visschen genoemd hebben,
omdat deze juist in dien tijd hun bestaan gevestigd hebben, en evenals de
steenkoolperiode de tijd van de heerschappij der planten kan genoemd worden,
zoo zouden wij de permische periode kunnen beschouwen als die van de
ontwikkeling der amphibiën. Wel is het waar, dat de amphibiën en de kruipende
dieren reeds dagteekenen uit de steenkoolperiode, misschien zelfs uit het
devonische tijdperk, doch eerst in het permische tijdperk ontwikkelen zich de
amphibiën, terwijl de kruipende dieren eerst in het secundaire tijdperk, en vooral
in de Juraperiode, eene hoofdrol zullen spelen. Het werd eertijds als een axioma
beschouwd, dat er geene kruipende dieren bestaan hebben vóór de permische
periode, en wel vóór de magnesiumkalk, doch in het jaar 1844 werden in de
steenkoolformatie kruipende dieren (land- en waterdieren) gevonden.
Reeds in 1863 heeft Dawson verscheidene amphibiën en kruipende dieren
gevonden, vooral eene soort, die den naam van Hylonomus gekregen heeft, en
die door de inrichting harer wervels in staat moet geweest zijn, om buiten het
water te klimmen en te springen. Huxley heeft in de steenkool van Groot-
Brittanië verscheidene kruipende dieren gevonden, waaronder den
Anthracosaurus, twee meters lang. King vond in de steenkool van Pensylvanië
de indruksels van een ontzaglijk dier, den Batrachopus; de indruksels der
achterpooten waren bijna een voet lang, en overtroffen dus in grootte die der
doolhoftandigen uit de triasperiode. Die indruksels wijzen op een dier, dat in de
eerst later ten tooneele.1
Evenals de kruipende dieren, tieren de amphibiën het best in een warm en
vochtig klimaat; zij komen vooral voor in de tropische landen der nieuwe
wereld. In die maagdelijke wouden vinden zij het geheele jaar de vochtigheid en
de warmte, die zij voor hare ontwikkeling noodig hebben. In de onmetelijke
bosschen van Zuid-Amerika en Zuidelijk-Azië vindt men een onnoemelijk aantal
soorten; het water in de holten der boomen, op de bladeren, in het mos, op den
grond, werkt het uitkomen der eieren en de ontwikkeling der larven zeer in de
hand.
Die voorwaarden van bewoonbaarheid kenmerkten juist de permische periode:
zij pasten juist voor de amphibiën, en de varens en de sigillaria’s van die
periode.
Evenals wij de devonische periode het tijdperk der visschen genoemd hebben,
omdat deze juist in dien tijd hun bestaan gevestigd hebben, en evenals de
steenkoolperiode de tijd van de heerschappij der planten kan genoemd worden,
zoo zouden wij de permische periode kunnen beschouwen als die van de
ontwikkeling der amphibiën. Wel is het waar, dat de amphibiën en de kruipende
dieren reeds dagteekenen uit de steenkoolperiode, misschien zelfs uit het
devonische tijdperk, doch eerst in het permische tijdperk ontwikkelen zich de
amphibiën, terwijl de kruipende dieren eerst in het secundaire tijdperk, en vooral
in de Juraperiode, eene hoofdrol zullen spelen. Het werd eertijds als een axioma
beschouwd, dat er geene kruipende dieren bestaan hebben vóór de permische
periode, en wel vóór de magnesiumkalk, doch in het jaar 1844 werden in de
steenkoolformatie kruipende dieren (land- en waterdieren) gevonden.
Reeds in 1863 heeft Dawson verscheidene amphibiën en kruipende dieren
gevonden, vooral eene soort, die den naam van Hylonomus gekregen heeft, en
die door de inrichting harer wervels in staat moet geweest zijn, om buiten het
water te klimmen en te springen. Huxley heeft in de steenkool van Groot-
Brittanië verscheidene kruipende dieren gevonden, waaronder den
Anthracosaurus, twee meters lang. King vond in de steenkool van Pensylvanië
de indruksels van een ontzaglijk dier, den Batrachopus; de indruksels der
achterpooten waren bijna een voet lang, en overtroffen dus in grootte die der
doolhoftandigen uit de triasperiode. Die indruksels wijzen op een dier, dat in de
Page 329
lucht ademde; want naar de wijze hunner
versteening moeten die indruksels gemaakt
zijn door een viervoetig dier, dat op de weeke
klei aan den oever liep, en moet die klei in de
zon gedroogd en gespleten zijn. Daarna moet
de klei bedekt zijn geworden met zand, en dit
zand in zandsteen veranderd zijn. Enkele
voetstappen van kruipende dieren in
Pensylvanië gevonden, hebben doen
vermoeden, dat zij tot de devonische periode
behoord hebben.
Niet alleen dat de dieren de sporen van
hunnen stap achterlaten aan eenen effenen,
slibbigen oever, ook de regen, in groote
droppels neervallend, boort in dat slib een
aantal ronde holten. Onder den invloed der
warmte worden al die sporen hard. Indien nu
bij eenen volgenden vloed het zeewater weder
nieuw fijn zand brengt op den uitgedroogden
oever, dan zal dat zand als het ware afgietsels
vormen in die holten, en weder drogende,
getuigenis afleggen van den doortocht van
dieren en het neerstorten van den regen. Zoo
kan men aantoonen, dat in die periode de
regen met stroomen moet zijn neergevallen.
De afdruksels der voetstappen behooren tot
Fig. 185. Afdruksels van voetstappen van
die van amphibiën, die op de zandvlakten van
het Chirotherium.
het land in de steenkoolperiode niet alleen de
sporen van hunnen doortocht hebben
achtergelaten, maar ook deelen van hun geraamte, vooral beenige platen,
gelijkende op die, welke het schild der krokodillen vormen, en ook
kegelvormige tanden, ingewikkeld van vorm, waaraan die dieren den naam van
labyrinthodonten (doolhoftandigen) verschuldigd zijn. Hunne verbazende
grootte, hunne wapenrusting van beenige platen, hunne kaken met krachtige
tanden, hun gepantserde kop, dat alles maakt die thans verdwenen
amphibiënfamilie tot de merkwaardigste verschijning der primaire dierenwereld.
versteening moeten die indruksels gemaakt
zijn door een viervoetig dier, dat op de weeke
klei aan den oever liep, en moet die klei in de
zon gedroogd en gespleten zijn. Daarna moet
de klei bedekt zijn geworden met zand, en dit
zand in zandsteen veranderd zijn. Enkele
voetstappen van kruipende dieren in
Pensylvanië gevonden, hebben doen
vermoeden, dat zij tot de devonische periode
behoord hebben.
Niet alleen dat de dieren de sporen van
hunnen stap achterlaten aan eenen effenen,
slibbigen oever, ook de regen, in groote
droppels neervallend, boort in dat slib een
aantal ronde holten. Onder den invloed der
warmte worden al die sporen hard. Indien nu
bij eenen volgenden vloed het zeewater weder
nieuw fijn zand brengt op den uitgedroogden
oever, dan zal dat zand als het ware afgietsels
vormen in die holten, en weder drogende,
getuigenis afleggen van den doortocht van
dieren en het neerstorten van den regen. Zoo
kan men aantoonen, dat in die periode de
regen met stroomen moet zijn neergevallen.
De afdruksels der voetstappen behooren tot
Fig. 185. Afdruksels van voetstappen van
die van amphibiën, die op de zandvlakten van
het Chirotherium.
het land in de steenkoolperiode niet alleen de
sporen van hunnen doortocht hebben
achtergelaten, maar ook deelen van hun geraamte, vooral beenige platen,
gelijkende op die, welke het schild der krokodillen vormen, en ook
kegelvormige tanden, ingewikkeld van vorm, waaraan die dieren den naam van
labyrinthodonten (doolhoftandigen) verschuldigd zijn. Hunne verbazende
grootte, hunne wapenrusting van beenige platen, hunne kaken met krachtige
tanden, hun gepantserde kop, dat alles maakt die thans verdwenen
amphibiënfamilie tot de merkwaardigste verschijning der primaire dierenwereld.
Page 330
De bonte zandsteengroeven bij Lodève (departement Hérault), bevatten talrijke
afdruksels van de stappen der labyrinthodonten uit de triasperiode, die zóó goed
bewaard zijn, dat men er al de bijzonderheden van de schubbige huid der dieren
in kan terugvinden. Zij waren eenige meters lang en hadden korte, doch
krachtige ledematen, terwijl de weinige evenredigheid tusschen de stevige
achterpooten en de slankere vóórpooten wijst op een springend dier.
Het dier, dat de genoemde stappen heeft afgedrukt, had vier handen, vandaar zijn
naam chirotherium. De voorste ledematen waren veel kleiner dan de achterste,
die ongeveer den vorm hadden van eene zware mannenhand, met dat verschil,
dat de vingers korter en dikker waren; de lengte der achterhanden bedroeg 24
centimeters, d.i. het dubbele der voorhanden. Het chirotherium was een
reuzenlabyrinthodon. Fig. 185 doet ons, zooals uit den stand der duimen blijkt,
niet de afdruksels der handen zien, maar afdruksels, die ontstaan zijn door het
zand, in de stappen afgezet. Het dier liep evenals het paard, met de pooten zeer
dicht bij het middenvlak van het lichaam.
Fig. 186. Vierde deel van eenen tand van een labyrinthodon: dwarse
doorsnede, vergroot.
De zoo verschillende grootte van de ledematen van die dieren heeft tot de
meening geleid, dat zij verwantschap moesten hebben met de kangoeroe’s, doch
de laatste loopen niet, zij gebruiken de achterpooten alleen om te springen, en
gebruiken hunne voorste ledematen alleen, om hun voedsel te nemen; alleen bij
toeval plaatsen zij die op den grond. Die amphibiën daarentegen hebben bepaald
handvormige ledematen; het chirotherium moet eene soort reuzensalamander
geweest zijn.
afdruksels van de stappen der labyrinthodonten uit de triasperiode, die zóó goed
bewaard zijn, dat men er al de bijzonderheden van de schubbige huid der dieren
in kan terugvinden. Zij waren eenige meters lang en hadden korte, doch
krachtige ledematen, terwijl de weinige evenredigheid tusschen de stevige
achterpooten en de slankere vóórpooten wijst op een springend dier.
Het dier, dat de genoemde stappen heeft afgedrukt, had vier handen, vandaar zijn
naam chirotherium. De voorste ledematen waren veel kleiner dan de achterste,
die ongeveer den vorm hadden van eene zware mannenhand, met dat verschil,
dat de vingers korter en dikker waren; de lengte der achterhanden bedroeg 24
centimeters, d.i. het dubbele der voorhanden. Het chirotherium was een
reuzenlabyrinthodon. Fig. 185 doet ons, zooals uit den stand der duimen blijkt,
niet de afdruksels der handen zien, maar afdruksels, die ontstaan zijn door het
zand, in de stappen afgezet. Het dier liep evenals het paard, met de pooten zeer
dicht bij het middenvlak van het lichaam.
Fig. 186. Vierde deel van eenen tand van een labyrinthodon: dwarse
doorsnede, vergroot.
De zoo verschillende grootte van de ledematen van die dieren heeft tot de
meening geleid, dat zij verwantschap moesten hebben met de kangoeroe’s, doch
de laatste loopen niet, zij gebruiken de achterpooten alleen om te springen, en
gebruiken hunne voorste ledematen alleen, om hun voedsel te nemen; alleen bij
toeval plaatsen zij die op den grond. Die amphibiën daarentegen hebben bepaald
handvormige ledematen; het chirotherium moet eene soort reuzensalamander
geweest zijn.
Page 331
Reeds in de steenkoolformatie leefden de labyrinthodonten te zamen met andere
amphibiën, die eenigszins op de tegenwoordige soorten gelijken, en met de
hagedissen.
In de permische formatie zijn de amphibiën en kruipende dieren talrijker, zoowel
in Europa als in Amerika. Zoo heeft men in de permische formatie in Texas en
Illinois 28 soorten van kruipende dieren en zeven soorten van labyrinthodonten
gevonden.
Bij de oudste labyrinthodonten is de schedel geheel geharnast: de buitenste
oppervlakte van den schedel is gewoonlijk bedekt met eene leerachtige huid, die
ons doet denken aan de tegenwoordige krokodillen. De schedel is nu eens
verlengd zooals bij den archegosaurus, dan weder ineengedrongen zooals bij den
mastodontosaurus.
Bij den archegosaurus vindt men aan iedere hand vijf vingers, terwijl de twee
paar ledematen, ongeveer even groot, naar achteren gericht zijn en dienden om te
zwemmen. De beenderen waren zeer eenvoudig en konden nog zeer gemakkelijk
vervormd worden, zooals dan ook bij het versteenen dikwijls het geval geweest
is. Wij zullen niet alle soorten der labyrinthodonten bespreken, doch willen
wijzen op hetgeen ons omtrent hunnen algemeenen bouw bekend is.
Het lichaam moet zwaar en log geweest zijn. Evenals nu nog bij de staartloozen
en de salamanders, waren de achterste ledematen te zwak om het lichaam te
dragen, zoodat de buik over den grond sleepte. Zij brachten het grootste gedeelte
van hun leven door in de moerassen, vijvers en meren, die in zoo grooten getale
den grond doorsneden in de steenkoolperiode, de permische en de triasperiode.
Somtijds sleepten zij zich voort over het weeke klei vanden oever, waarin
dikwijls het spoor, door hunnen staart achtergelaten, is blijven bestaan. Zoo heeft
men afdruksels van het chirotherium in Meurthe en in Hérault gevonden,
waarvan schoone proeven in het museum te Parijs voorkomen.
Sommige labyrinthodonten moeten verbazend groot geweest zijn. In de
triasformatie heeft men schedels van 1,30 meters gevonden, waaruit men
vermoeden kan, dat die dieren meer dan zes meters lang moeten geweest zijn.
Die uit de permische terreinen van Ohio en Illinois waren kleiner. De vorm van
den schedel en van de tanden, als grijp- en kauworganen zoozeer
overeenkomend met die der krokodillen, wijst er op, dat wij te doen hebben met
verscheurende dieren. De overeenkomst van de labyrinthodonten met de
amphibiën, die eenigszins op de tegenwoordige soorten gelijken, en met de
hagedissen.
In de permische formatie zijn de amphibiën en kruipende dieren talrijker, zoowel
in Europa als in Amerika. Zoo heeft men in de permische formatie in Texas en
Illinois 28 soorten van kruipende dieren en zeven soorten van labyrinthodonten
gevonden.
Bij de oudste labyrinthodonten is de schedel geheel geharnast: de buitenste
oppervlakte van den schedel is gewoonlijk bedekt met eene leerachtige huid, die
ons doet denken aan de tegenwoordige krokodillen. De schedel is nu eens
verlengd zooals bij den archegosaurus, dan weder ineengedrongen zooals bij den
mastodontosaurus.
Bij den archegosaurus vindt men aan iedere hand vijf vingers, terwijl de twee
paar ledematen, ongeveer even groot, naar achteren gericht zijn en dienden om te
zwemmen. De beenderen waren zeer eenvoudig en konden nog zeer gemakkelijk
vervormd worden, zooals dan ook bij het versteenen dikwijls het geval geweest
is. Wij zullen niet alle soorten der labyrinthodonten bespreken, doch willen
wijzen op hetgeen ons omtrent hunnen algemeenen bouw bekend is.
Het lichaam moet zwaar en log geweest zijn. Evenals nu nog bij de staartloozen
en de salamanders, waren de achterste ledematen te zwak om het lichaam te
dragen, zoodat de buik over den grond sleepte. Zij brachten het grootste gedeelte
van hun leven door in de moerassen, vijvers en meren, die in zoo grooten getale
den grond doorsneden in de steenkoolperiode, de permische en de triasperiode.
Somtijds sleepten zij zich voort over het weeke klei vanden oever, waarin
dikwijls het spoor, door hunnen staart achtergelaten, is blijven bestaan. Zoo heeft
men afdruksels van het chirotherium in Meurthe en in Hérault gevonden,
waarvan schoone proeven in het museum te Parijs voorkomen.
Sommige labyrinthodonten moeten verbazend groot geweest zijn. In de
triasformatie heeft men schedels van 1,30 meters gevonden, waaruit men
vermoeden kan, dat die dieren meer dan zes meters lang moeten geweest zijn.
Die uit de permische terreinen van Ohio en Illinois waren kleiner. De vorm van
den schedel en van de tanden, als grijp- en kauworganen zoozeer
overeenkomend met die der krokodillen, wijst er op, dat wij te doen hebben met
verscheurende dieren. De overeenkomst van de labyrinthodonten met de
Page 332
amphibiën en de aanwezigheid van kieuwen bij de larve, wijzen er op, dat zij
tijdens het eerste gedeelte van hun leven waterdieren waren; waarschijnlijker
echter is het, dat zij in de rivieren, dan in zee voorkwamen.
Tot aan het jaar 1867 had men in Frankrijk geen
enkele kruipend dier in de primaire formatie
gevonden, hoewel men reeds in 1710 in de
permische formatie van Thuringen eenen
proterosaurus gevonden had. Thans kennen wij
er reeds een aantal. Hieruit blijkt dus, dat wij
ons moeten hoeden, om aan de natuur ledige
vakken toe te schrijven, die alleen het gevolg
zijn van onze gebrekkige waarnemingen.
Tot de amphibiën behoort ook een salamander
met korten staart, de protriton petroleï. Tot nu
toe scheen het primaire tijdperk zich
gekenmerkt te hebben door kruipende dieren,
die verschilden van onze amphibiën. De
Fig. 187. Fossiele overblijfselen van den
protriton echter en een versteend dier, in
protriton petroleï.
Duitschland gevonden, de apateon, benevens de
raniceps, in Amerika ontdekt, komen meer
daarmede overeen. De protriton wijkt in vele opzichten van den labyrinthodon
af, en komt meer overeen met onze tegenwoordige salamanders.
De kleine salamandervormige fossielen worden in dezelfde formaties gevonden
als de labyrinthodonten. Het is waarschijnlijk, dat onder de kleine
salamandervormige fossielen verscheidene den toestand der labyrinthodonten in
hunne eerste jaren voorstellen. Doch het is dikwijls moeilijk, om het verschil, dat
veroorzaakt wordt door den leeftijd, en het verschil in wezen te onderscheiden
van dieren, die misschien gedaanteverwisselingen ondergingen, zooals de
tegenwoordige amphibiën.
De grootste soort van labyrinthodonten is bekend door zijne beenderen en ook
door de afdruksels der pooten. Bij Lodève zijn de voetsporen vergezeld van die
van eenen slependen staart. Dat dier, half salamander, half krokodil, was over het
geheele lichaam bedekt met fijne hoornachtige schubben. De ledematen waren
kort maar krachtig; de weinige harmonie tusschen voor- en achterpooten wijst op
tijdens het eerste gedeelte van hun leven waterdieren waren; waarschijnlijker
echter is het, dat zij in de rivieren, dan in zee voorkwamen.
Tot aan het jaar 1867 had men in Frankrijk geen
enkele kruipend dier in de primaire formatie
gevonden, hoewel men reeds in 1710 in de
permische formatie van Thuringen eenen
proterosaurus gevonden had. Thans kennen wij
er reeds een aantal. Hieruit blijkt dus, dat wij
ons moeten hoeden, om aan de natuur ledige
vakken toe te schrijven, die alleen het gevolg
zijn van onze gebrekkige waarnemingen.
Tot de amphibiën behoort ook een salamander
met korten staart, de protriton petroleï. Tot nu
toe scheen het primaire tijdperk zich
gekenmerkt te hebben door kruipende dieren,
die verschilden van onze amphibiën. De
Fig. 187. Fossiele overblijfselen van den
protriton echter en een versteend dier, in
protriton petroleï.
Duitschland gevonden, de apateon, benevens de
raniceps, in Amerika ontdekt, komen meer
daarmede overeen. De protriton wijkt in vele opzichten van den labyrinthodon
af, en komt meer overeen met onze tegenwoordige salamanders.
De kleine salamandervormige fossielen worden in dezelfde formaties gevonden
als de labyrinthodonten. Het is waarschijnlijk, dat onder de kleine
salamandervormige fossielen verscheidene den toestand der labyrinthodonten in
hunne eerste jaren voorstellen. Doch het is dikwijls moeilijk, om het verschil, dat
veroorzaakt wordt door den leeftijd, en het verschil in wezen te onderscheiden
van dieren, die misschien gedaanteverwisselingen ondergingen, zooals de
tegenwoordige amphibiën.
De grootste soort van labyrinthodonten is bekend door zijne beenderen en ook
door de afdruksels der pooten. Bij Lodève zijn de voetsporen vergezeld van die
van eenen slependen staart. Dat dier, half salamander, half krokodil, was over het
geheele lichaam bedekt met fijne hoornachtige schubben. De ledematen waren
kort maar krachtig; de weinige harmonie tusschen voor- en achterpooten wijst op
Page 333
de eigenschappen van een springend dier, maar logger dan de tegenwoordige
amphibiën. Men kan zich van die dieren, de oudste der op het land levende
gewervelden, de volgende voorstelling maken. Zij waren traag, gulzig, zochten
kleine prooi, liepen over het vochtige zand, beschermd door eene
ondoordringbare wapenrusting; zij waren de koningen der schepping op een
tijdstip, waarop een stevige bouw voldoende was voor de heerschappij; zij
hadden geenen enkelen vijand te vreezen, daar verstand en vlugheid nog geene
rol speelden, en omdat het instinct zich nog slechts bepaalde tot het onderhouden
en het voortplanten van de soort.
Het leven van dergelijke wezens bestond nergens anders in, dan in het volgen
van het water bij zijn voorwaartstreden en achteruitwijken; zij ademden en
bewogen zich buiten het water, doch zonder zich ver van hunne wieg te
verwijderen.
Naast de labyrinthodonten vindt men eene nog onvolkomener soort, die nog
dichter bij het uitgangspunt stond: de ganocephalen (pantserkoppen). Dit type
wijst ons op den tijd, toen de kruipende dieren, misschien reeds geschikt voor
ademing in de lucht, nog altijd zwommen. Het zijn als het ware minder
gevorderde labyrinthodonten. Zooals bijna altijd, als men de oorspronkelijke
typen eener reeks vóór zich heeft, zijn zij klein in vergelijking met de
labyrinthodonten uit de triasperiode. De grootste (de archegosaurus) is nog geen
meter lang. Zijne ledematen waren zwak en beter geschikt om te zwemmen of te
kruipen dan om te loopen; toch hebben zij reeds pooten met afzonderlijke
teenen. Hij is vleeschetend evenals de labyrinthodon, en verhoudt zich tot dezen
als de salamander tot den kikvorsch, welke eerste op een zeker punt der
gedaanteverwisseling blijft staan en zijn geheele leven meer of minder een jonge
kikvorsch blijft.
Zoo ziet men in den archegosaurus het type der gewervelde dieren in wording,
op het oogenblik, waarop de verbeening van de wervelkolom voltooid wordt. In
de primaire periode waren de amphibiën en kruipende dieren nog jong;
verscheidene typen waren nog weinig in hunne ontwikkeling gevorderd; vandaar
dat zelfs bij volwassen individuen enkele karaktertrekken het beeld vertoonen
van de tegenwoordige kruipende dieren, in jeugdigen of zelfs nog in ongeboren
toestand.
amphibiën. Men kan zich van die dieren, de oudste der op het land levende
gewervelden, de volgende voorstelling maken. Zij waren traag, gulzig, zochten
kleine prooi, liepen over het vochtige zand, beschermd door eene
ondoordringbare wapenrusting; zij waren de koningen der schepping op een
tijdstip, waarop een stevige bouw voldoende was voor de heerschappij; zij
hadden geenen enkelen vijand te vreezen, daar verstand en vlugheid nog geene
rol speelden, en omdat het instinct zich nog slechts bepaalde tot het onderhouden
en het voortplanten van de soort.
Het leven van dergelijke wezens bestond nergens anders in, dan in het volgen
van het water bij zijn voorwaartstreden en achteruitwijken; zij ademden en
bewogen zich buiten het water, doch zonder zich ver van hunne wieg te
verwijderen.
Naast de labyrinthodonten vindt men eene nog onvolkomener soort, die nog
dichter bij het uitgangspunt stond: de ganocephalen (pantserkoppen). Dit type
wijst ons op den tijd, toen de kruipende dieren, misschien reeds geschikt voor
ademing in de lucht, nog altijd zwommen. Het zijn als het ware minder
gevorderde labyrinthodonten. Zooals bijna altijd, als men de oorspronkelijke
typen eener reeks vóór zich heeft, zijn zij klein in vergelijking met de
labyrinthodonten uit de triasperiode. De grootste (de archegosaurus) is nog geen
meter lang. Zijne ledematen waren zwak en beter geschikt om te zwemmen of te
kruipen dan om te loopen; toch hebben zij reeds pooten met afzonderlijke
teenen. Hij is vleeschetend evenals de labyrinthodon, en verhoudt zich tot dezen
als de salamander tot den kikvorsch, welke eerste op een zeker punt der
gedaanteverwisseling blijft staan en zijn geheele leven meer of minder een jonge
kikvorsch blijft.
Zoo ziet men in den archegosaurus het type der gewervelde dieren in wording,
op het oogenblik, waarop de verbeening van de wervelkolom voltooid wordt. In
de primaire periode waren de amphibiën en kruipende dieren nog jong;
verscheidene typen waren nog weinig in hunne ontwikkeling gevorderd; vandaar
dat zelfs bij volwassen individuen enkele karaktertrekken het beeld vertoonen
van de tegenwoordige kruipende dieren, in jeugdigen of zelfs nog in ongeboren
toestand.
Page 334
Fig. 188 stelt één der meest bekende Europeesche labyrinthodonten voor, den
mastodontosaurus, met korten, platten, breeden en parabolischen kop en
goedgewapende kaken; de bovenkaak droeg twee rijen tanden, waarvan de
buitenste alleen er honderd bevatte. Die soort kreeg hare grootste uitbreiding in
de triasperiode en is daarna uitgestorven. Op de teekening is één der dieren
voorgesteld, op den rug gezien, het andere, half in water gedompeld, doet ons de
borstplaten zien. Links ziet men op dit landschap paardestaarten en calamiten,
rechts boomvarens, tijdgenooten der labyrinthodonten, van de steenkool- tot de
triasperiode. Wij zullen de labyrinthodonten terugvinden in het begin der
secundaire periode.
mastodontosaurus, met korten, platten, breeden en parabolischen kop en
goedgewapende kaken; de bovenkaak droeg twee rijen tanden, waarvan de
buitenste alleen er honderd bevatte. Die soort kreeg hare grootste uitbreiding in
de triasperiode en is daarna uitgestorven. Op de teekening is één der dieren
voorgesteld, op den rug gezien, het andere, half in water gedompeld, doet ons de
borstplaten zien. Links ziet men op dit landschap paardestaarten en calamiten,
rechts boomvarens, tijdgenooten der labyrinthodonten, van de steenkool- tot de
triasperiode. Wij zullen de labyrinthodonten terugvinden in het begin der
secundaire periode.
Page 335
Fig. 188. De L A B Y R I N T H O D O N T E N : Mastodontosaurus.
Page 336
Fig. 189. De planten uit de permische periode.
Coniferen. (Walchia).
De planten der permisehe periode zijn, evenals de dieren, de ontwikkeling van
die uit de steenkoolperiode, (ontwikkeling in den zin van wijziging der soorten,
doch teruggang wat betreft de afmetingen). De grootste sigillaria’s met hare
wortels, de cordaïten met groote bladeren blijven nog eeuwen lang bestaan; maar
weldra verdwijnen deze vormen, om voor de coniferen plaats te maken. Die
naaldboomen kondigen weder hunne opvolgers uit onzen tijd aan. De vormen
veranderen. Men raadt reeds de bladeren, en bijna zelfs de bloemen en vruchten
der toekomstige eeuwen. Maar hoever zijn wij nog af van de sierlijke planten
van onzen tijd! Toch zijn de oorspronkelijke tijden voorbij. De natuur wijdt de
secundaire periode in: de schepping treedt in eene nieuwe phase, die het leven
eene hoogere vlucht geeft en de schatten van onze moderne schepping
gereedmaakt.
1 Enkele amphibiën zijn levend barend, en brengen jongen voort zonder kieuwen; vóór de geboorte
echter hebben zij nog kieuwen.
Coniferen. (Walchia).
De planten der permisehe periode zijn, evenals de dieren, de ontwikkeling van
die uit de steenkoolperiode, (ontwikkeling in den zin van wijziging der soorten,
doch teruggang wat betreft de afmetingen). De grootste sigillaria’s met hare
wortels, de cordaïten met groote bladeren blijven nog eeuwen lang bestaan; maar
weldra verdwijnen deze vormen, om voor de coniferen plaats te maken. Die
naaldboomen kondigen weder hunne opvolgers uit onzen tijd aan. De vormen
veranderen. Men raadt reeds de bladeren, en bijna zelfs de bloemen en vruchten
der toekomstige eeuwen. Maar hoever zijn wij nog af van de sierlijke planten
van onzen tijd! Toch zijn de oorspronkelijke tijden voorbij. De natuur wijdt de
secundaire periode in: de schepping treedt in eene nieuwe phase, die het leven
eene hoogere vlucht geeft en de schatten van onze moderne schepping
gereedmaakt.
1 Enkele amphibiën zijn levend barend, en brengen jongen voort zonder kieuwen; vóór de geboorte
echter hebben zij nog kieuwen.
Page 337
Page 338
Vierde boek.
Page 339
Het secundaire tijdperk.
Page 340
Eerste hoofdstuk.
Page 341
De triasperiode.
De dampkring is gezuiverd. De zon, niet meer zoo ontzaglijk groot en nevelachtig als te
voren, begint aan eenen azuren hemel te schitteren. De uitbarstingen van den inwendigen
oven, die gedurig het bezinken van de steenkool- en de permische formatie in den weg
hadden gestaan, worden zeldzamer en rustiger, de spleten laten niet meer zoo
gemakkelijk de inwendige warmte door en zijn gevuld met aderen, die langzamerhand
afkoelen. De planten en dieren, die uit het water de kusten en vlakten hadden opgezocht,
stijgen al hooger en hooger, naarmate de oneffenheden van den bodem duidelijker te
voorschijn komen ten gevolge van de voortdurende samentrekking van den steeds
afkoelenden bol, en van de verschuivingen en ontwrichtingen, die daardoor veroorzaakt
worden. De planten, niet meer uitsluitend gevoed door het water en den dampkring,
behouden hare reusachtige afmetingen uit de steenkoolperiode en beginnen zich al meer
en meer te splitsen; de cycadeën en coniferen treden op. Nog zijn er geene boomen met
afvallende bladeren, daar er nog geene jaargetijden bestaan. De kruipende dieren krijgen
op het vasteland de overhand. In de zee vermenigvuldigen zich de weekdieren, vooral de
koppootige uit het geslacht der ammonieten, die reeds in grooten getale optreden in het
begin der nieuwe periode, om gedurende dat geheele tijdperk voort te duren. Ook de
visschen ontwikkelen zich; zij houden op kraakbeenig te zijn en worden beenig. De
arbeid der natuur breidt zich uit en vertakt zich.
Nemen wij de secundaire periode in haar geheel, dan is de vooruitgang bij de primaire
periode onbetwistbaar. Dit wil echter niet zeggen, dat die periode begonnen is met eene
plotselinge schepping van bepaalde typen van dieren of planten, of met eene
omwenteling in de natuur, evenmin als dit bij den overgang der azoïsche tot de primaire
periode het geval is geweest. De aandachtige lezer begrijpt, dat er tusschen de ééne
periode en hare voorgangster of opvolgster geen sprong plaats heeft, evenmin als dit het
geval is tusschen den laatsten dag van het ééne jaar en den eersten dag van het volgende
jaar. De dagen en jaren van de perioden van het leven op aarde volgen even geleidelijk
op elkander als de gewone dagen en jaren; de secundaire periode is de voortzetting der
primaire.
Ieder wezen streeft naar vooruitgang, en dat streven is juist de bron zijner
werkzaamheid. De plant zoekt onbewust maar toch met nadruk het licht, dat voor hare
ontluiking het gunstigst is, en de beste sappen voor hare voeding. De visch zwemt naar
het water, dat voor hem het verkieslijkst is, en begeeft zich naar den oorsprong der
stroomen. Het insect kiest den besten honig of de rijpste druif. De vogel kiest voor zijn
nest het fijnste mos, en de gemakkelijkste plaats. De hond bespiedt den wil van zijnen
meester en zoekt hem te behagen. Zoowel in het planten- als in het dierenrijk, werken
De dampkring is gezuiverd. De zon, niet meer zoo ontzaglijk groot en nevelachtig als te
voren, begint aan eenen azuren hemel te schitteren. De uitbarstingen van den inwendigen
oven, die gedurig het bezinken van de steenkool- en de permische formatie in den weg
hadden gestaan, worden zeldzamer en rustiger, de spleten laten niet meer zoo
gemakkelijk de inwendige warmte door en zijn gevuld met aderen, die langzamerhand
afkoelen. De planten en dieren, die uit het water de kusten en vlakten hadden opgezocht,
stijgen al hooger en hooger, naarmate de oneffenheden van den bodem duidelijker te
voorschijn komen ten gevolge van de voortdurende samentrekking van den steeds
afkoelenden bol, en van de verschuivingen en ontwrichtingen, die daardoor veroorzaakt
worden. De planten, niet meer uitsluitend gevoed door het water en den dampkring,
behouden hare reusachtige afmetingen uit de steenkoolperiode en beginnen zich al meer
en meer te splitsen; de cycadeën en coniferen treden op. Nog zijn er geene boomen met
afvallende bladeren, daar er nog geene jaargetijden bestaan. De kruipende dieren krijgen
op het vasteland de overhand. In de zee vermenigvuldigen zich de weekdieren, vooral de
koppootige uit het geslacht der ammonieten, die reeds in grooten getale optreden in het
begin der nieuwe periode, om gedurende dat geheele tijdperk voort te duren. Ook de
visschen ontwikkelen zich; zij houden op kraakbeenig te zijn en worden beenig. De
arbeid der natuur breidt zich uit en vertakt zich.
Nemen wij de secundaire periode in haar geheel, dan is de vooruitgang bij de primaire
periode onbetwistbaar. Dit wil echter niet zeggen, dat die periode begonnen is met eene
plotselinge schepping van bepaalde typen van dieren of planten, of met eene
omwenteling in de natuur, evenmin als dit bij den overgang der azoïsche tot de primaire
periode het geval is geweest. De aandachtige lezer begrijpt, dat er tusschen de ééne
periode en hare voorgangster of opvolgster geen sprong plaats heeft, evenmin als dit het
geval is tusschen den laatsten dag van het ééne jaar en den eersten dag van het volgende
jaar. De dagen en jaren van de perioden van het leven op aarde volgen even geleidelijk
op elkander als de gewone dagen en jaren; de secundaire periode is de voortzetting der
primaire.
Ieder wezen streeft naar vooruitgang, en dat streven is juist de bron zijner
werkzaamheid. De plant zoekt onbewust maar toch met nadruk het licht, dat voor hare
ontluiking het gunstigst is, en de beste sappen voor hare voeding. De visch zwemt naar
het water, dat voor hem het verkieslijkst is, en begeeft zich naar den oorsprong der
stroomen. Het insect kiest den besten honig of de rijpste druif. De vogel kiest voor zijn
nest het fijnste mos, en de gemakkelijkste plaats. De hond bespiedt den wil van zijnen
meester en zoekt hem te behagen. Zoowel in het planten- als in het dierenrijk, werken
Page 342
duizenden uit- en inwendige eigenschappen, zooals de kleur—waardoor de insecten
bepaalde bloemen verkiezen, en die dus eene groote rol speelt bij de bevruchting,
evenals zij van invloed is op de paring der insecten, vogels en zoogdieren—de reuk, die
evenzeer haren invloed doet gelden—de spier- en zenuwkracht, de wijze van voeding en
de daaruit voortvloeiende hoedanigheden, mede tot den vooruitgang, door dat streven
naar het hoogere, waarmede ieder wezen begaafd is. Neem dat streven weg, en gij
verbreekt de drijfveer der beweging, en de geheele natuur, van de plant tot aan den
mensch, valt weder tot het laagste peil terug. Zonder die gave verliest zelfs het leven
zijne reden van bestaan, en blijft de menschheid stilstaan. Vooruitgang is de algemeene
drang der natuur. Ieder onzer, in welken kring ook geboren, streeft naar verbetering, de
ééne in materieelen, de andere in moreelen of intellectueelen zin; de gierigaard verrijkt
zich als moest hij nooit sterven; de geleerde studeert onophoudelijk, dorstend naar het
onbekende en wanhopend over hetgeen hem nog te leeren overblijft; de kunstenaar
tracht meer en meer het ideaal der hoogste schoonheid te bereiken; de denker ziet eene
meer volkomen menschheid vóór zich, en zoo gaat de mensch door al zijne hartstochten,
verlangens en aspiraties, in vreugde en in smart, steeds vooruit, en wel verre van voldaan
te zijn met wat het leven ons schenken kan, bepalen wij den kring onzer verlangens niet
tot deze aarde alleen, doch voelen wij ons geroepen, die hooger op te voeren. Die
goddelijke drang, reeds eigen aan het atoom, aan het laagste wezen, de cel en het
protoplasma, dat deel van het goddelijke, dat de zichtbare natuur, het uitvloeisel der
onzichtbare kracht in zich bevat; die drang naar het oneindige, is de oorzaak der
voortdurende volmaking der wezens, de geleidelijke verandering der soorten en van den
regelmatigen vooruitgang van de eerste dagen van het organische leven tot op onzen tijd.
bepaalde bloemen verkiezen, en die dus eene groote rol speelt bij de bevruchting,
evenals zij van invloed is op de paring der insecten, vogels en zoogdieren—de reuk, die
evenzeer haren invloed doet gelden—de spier- en zenuwkracht, de wijze van voeding en
de daaruit voortvloeiende hoedanigheden, mede tot den vooruitgang, door dat streven
naar het hoogere, waarmede ieder wezen begaafd is. Neem dat streven weg, en gij
verbreekt de drijfveer der beweging, en de geheele natuur, van de plant tot aan den
mensch, valt weder tot het laagste peil terug. Zonder die gave verliest zelfs het leven
zijne reden van bestaan, en blijft de menschheid stilstaan. Vooruitgang is de algemeene
drang der natuur. Ieder onzer, in welken kring ook geboren, streeft naar verbetering, de
ééne in materieelen, de andere in moreelen of intellectueelen zin; de gierigaard verrijkt
zich als moest hij nooit sterven; de geleerde studeert onophoudelijk, dorstend naar het
onbekende en wanhopend over hetgeen hem nog te leeren overblijft; de kunstenaar
tracht meer en meer het ideaal der hoogste schoonheid te bereiken; de denker ziet eene
meer volkomen menschheid vóór zich, en zoo gaat de mensch door al zijne hartstochten,
verlangens en aspiraties, in vreugde en in smart, steeds vooruit, en wel verre van voldaan
te zijn met wat het leven ons schenken kan, bepalen wij den kring onzer verlangens niet
tot deze aarde alleen, doch voelen wij ons geroepen, die hooger op te voeren. Die
goddelijke drang, reeds eigen aan het atoom, aan het laagste wezen, de cel en het
protoplasma, dat deel van het goddelijke, dat de zichtbare natuur, het uitvloeisel der
onzichtbare kracht in zich bevat; die drang naar het oneindige, is de oorzaak der
voortdurende volmaking der wezens, de geleidelijke verandering der soorten en van den
regelmatigen vooruitgang van de eerste dagen van het organische leven tot op onzen tijd.
Page 343
Landschap uit de triasperiode (schelpkalkperiode).
Het tijdperk, dat wij thans bespreken, wordt in drie perioden onderverdeeld, die door
hare karakteristieke eigenschappen scherp onderscheiden kunnen worden: de trias- de
jura- en de krijtperiode.
De eerste periode heet trias, omdat de formaties dier periode bij de eerste studie dier
formaties zich in drie lagen vertoonden: de bonte-zandsteen, de schelpkalk en de keuper,
waarin de mergel voorkomt. Die drie lagen vindt men regelmatig op elkander in
Wurtemberg, Beieren, Lotharingen en elders; doch die verdeeling, die berust op het
bestaan eener zeevorming tusschen twee zoetwatervormingen, geldt o. a. niet voor
Engeland, de Alpenstreken, het Himalayagebergte en Californië. Bovendien vindt men
Het tijdperk, dat wij thans bespreken, wordt in drie perioden onderverdeeld, die door
hare karakteristieke eigenschappen scherp onderscheiden kunnen worden: de trias- de
jura- en de krijtperiode.
De eerste periode heet trias, omdat de formaties dier periode bij de eerste studie dier
formaties zich in drie lagen vertoonden: de bonte-zandsteen, de schelpkalk en de keuper,
waarin de mergel voorkomt. Die drie lagen vindt men regelmatig op elkander in
Wurtemberg, Beieren, Lotharingen en elders; doch die verdeeling, die berust op het
bestaan eener zeevorming tusschen twee zoetwatervormingen, geldt o. a. niet voor
Engeland, de Alpenstreken, het Himalayagebergte en Californië. Bovendien vindt men
Page 344
dikwijls de triasformatie nauw aan de permische formatie verbonden, waardoor de
geleidelijke ontwikkeling der organische wereld nog nader bevestigd wordt. Wel kunnen
enkele lagen ontbreken, maar de volgorde wordt nooit gewijzigd, nooit ligt de bonte-
zandsteen onder de schelpkalk, evenals de juraformatie nooit boven de krijtformatie
gelegen is.
De tweede periode van het secundaire tijdperk, heet de Juraperiode, omdat het
Juragebergte, dat eerst later is opgeheven, grootendeels bestaat uit formaties, die in deze
periode bezonken zijn. Deze periode wordt weder onderverdeeld in de lias- en de
oölietperiode.
De derde periode heet de krijtperiode, omdat de formaties, toen door de zee afgezet,
bijna geheel uit krijt bestaan. Men verdeelt haar weder in drie afdeelingen: de onderste,
de middelste en de bovenste krijtformatie.
De triasperiode, die het secundaire tijdperk inleidt, bevat, zooals wij zagen, drie
verschillende formaties, de bonte zandsteen, de schelpkalk en de keuper. De eerste wordt
in groote hoeveelheden in de Vogezen gevonden; de tweede in Beieren, en de derde in de
Tyroler Alpen. Men noemt daarom die drie formaties ook wel Vogezische, Franconische
en Tyroler formatie.
Onder welke omstandigheden zijn die formaties ontstaan? In het begin der triasperiode
zijn de binnenzeeën, waarin zich in het noorden van Duitschland en Engeland de
zeebezinkingen der bovenste permische formatie hadden afgezet, uitgedroogd; men moet
meer in het zuiden, in de nabijheid der Middellandsche zee zijn, om eenen zeetoestand
terug te vinden. Maar weldra ontstaan er in noordelijke richting golven, en de zee strekt
zich het verst uit in de Frankonische periode, toen Lotharingen en de oostelijke rand der
centrale bergvlakte door de zee werden bespoeld. Doch weldra trekt het zeewater zich
naar het oosten en het zuiden terug en daardoor krijgen in de Tyrolsche periode lagunen,
misschien zelfs poelen, de overhand over geheel Frankrijk, geheel Engeland, en het
grootste gedeelte van Spanje. Men vindt de zee weder ten oosten van het laatste land, in
Italië: van Sicilië tot aan Venetië, bij Salzburg en in de nabijheid der Carpathen. In één
woord: de Middellandsche zee der permo-steenkool-periode is eenigszins noordwaarts
verplaatst, minder uitgestrekt naar het westen en verbonden met de lagere gedeelten van
den Ural en Centraal-Azië. Over dat geheele grondgebied, waar voor het eerst de
ammonieten optraden op het einde der permische periode, krijgt die uitgebreide familie
der koppootigen eene verbazende uitbreiding, en ditzelfde verschijnsel openbaart zich in
westelijk-Amerika, zoowel als in de poolstreken, terwijl de trias in Zuid-Afrika en in
Australië veel meer het voorkomen heeft van eene vastelandformatie.
De verschillende formaties der secundaire periode zijn zeer duidelijk van elkander
onderscheiden, zij zijn van geheel verschillende samenstelling en met duizenden eeuwen
geleidelijke ontwikkeling der organische wereld nog nader bevestigd wordt. Wel kunnen
enkele lagen ontbreken, maar de volgorde wordt nooit gewijzigd, nooit ligt de bonte-
zandsteen onder de schelpkalk, evenals de juraformatie nooit boven de krijtformatie
gelegen is.
De tweede periode van het secundaire tijdperk, heet de Juraperiode, omdat het
Juragebergte, dat eerst later is opgeheven, grootendeels bestaat uit formaties, die in deze
periode bezonken zijn. Deze periode wordt weder onderverdeeld in de lias- en de
oölietperiode.
De derde periode heet de krijtperiode, omdat de formaties, toen door de zee afgezet,
bijna geheel uit krijt bestaan. Men verdeelt haar weder in drie afdeelingen: de onderste,
de middelste en de bovenste krijtformatie.
De triasperiode, die het secundaire tijdperk inleidt, bevat, zooals wij zagen, drie
verschillende formaties, de bonte zandsteen, de schelpkalk en de keuper. De eerste wordt
in groote hoeveelheden in de Vogezen gevonden; de tweede in Beieren, en de derde in de
Tyroler Alpen. Men noemt daarom die drie formaties ook wel Vogezische, Franconische
en Tyroler formatie.
Onder welke omstandigheden zijn die formaties ontstaan? In het begin der triasperiode
zijn de binnenzeeën, waarin zich in het noorden van Duitschland en Engeland de
zeebezinkingen der bovenste permische formatie hadden afgezet, uitgedroogd; men moet
meer in het zuiden, in de nabijheid der Middellandsche zee zijn, om eenen zeetoestand
terug te vinden. Maar weldra ontstaan er in noordelijke richting golven, en de zee strekt
zich het verst uit in de Frankonische periode, toen Lotharingen en de oostelijke rand der
centrale bergvlakte door de zee werden bespoeld. Doch weldra trekt het zeewater zich
naar het oosten en het zuiden terug en daardoor krijgen in de Tyrolsche periode lagunen,
misschien zelfs poelen, de overhand over geheel Frankrijk, geheel Engeland, en het
grootste gedeelte van Spanje. Men vindt de zee weder ten oosten van het laatste land, in
Italië: van Sicilië tot aan Venetië, bij Salzburg en in de nabijheid der Carpathen. In één
woord: de Middellandsche zee der permo-steenkool-periode is eenigszins noordwaarts
verplaatst, minder uitgestrekt naar het westen en verbonden met de lagere gedeelten van
den Ural en Centraal-Azië. Over dat geheele grondgebied, waar voor het eerst de
ammonieten optraden op het einde der permische periode, krijgt die uitgebreide familie
der koppootigen eene verbazende uitbreiding, en ditzelfde verschijnsel openbaart zich in
westelijk-Amerika, zoowel als in de poolstreken, terwijl de trias in Zuid-Afrika en in
Australië veel meer het voorkomen heeft van eene vastelandformatie.
De verschillende formaties der secundaire periode zijn zeer duidelijk van elkander
onderscheiden, zij zijn van geheel verschillende samenstelling en met duizenden eeuwen
Page 345
tusschenruimte ontstaan. Toch mogen wij ze in ééne enkele periode samenvatten, daar de
planten en dieren dier geheele periode in karakter overeenstemmen. In de bonte-
zandsteen vindt men dezelfde soorten als in de schelpkalk en de keuper, en zelfs wordt
een groot aantal tot in de krijtformatie teruggevonden. In die geheele periode is de
oppervlakte der aarde wel niet volkomen veranderd, maar toch vertoont zij een groot
verschil in vergelijking met de vorige periode.
Vooreerst vinden wij in grooten getale de planten, die wij reeds leerden kennen, doch bij
de oude vormen dier planten komen weder nieuwe soorten voor. Er zijn weder varens,
grassen, paardestaarten en wolfsklauwen, doch de groote soorten der twee laatste
familiën verdwijnen en zij naderen meer tot de tegenwoordige planten.
Fig. 192. Cycadeën in de triasperiode.
De grassen komen in grooten getale voor, doch niet meer in groote lagen verkoolde
plantenstof, zooals vroeger, maar in den vorm van talrijke afdruksels in de zandsteen.
Bijzonder eigen aan de secundaire periode zijn de Cycadeën, eene plant, waarvan in de
steenkoolperiode slechts vier soorten, en waarvan thans veertig soorten bekend zijn. In
de triasformatie vindt men van de cycadeën twintig soorten, in de Juraformatie dertig en
in de krijtformatie vijftien soorten, d. i. dus in het geheel vijfenzestig, of vijfentwintig
meer dan wij er thans van vinden. Fig. 192 geeft een denkbeeld van den algemeenen
vorm dier familie.
planten en dieren dier geheele periode in karakter overeenstemmen. In de bonte-
zandsteen vindt men dezelfde soorten als in de schelpkalk en de keuper, en zelfs wordt
een groot aantal tot in de krijtformatie teruggevonden. In die geheele periode is de
oppervlakte der aarde wel niet volkomen veranderd, maar toch vertoont zij een groot
verschil in vergelijking met de vorige periode.
Vooreerst vinden wij in grooten getale de planten, die wij reeds leerden kennen, doch bij
de oude vormen dier planten komen weder nieuwe soorten voor. Er zijn weder varens,
grassen, paardestaarten en wolfsklauwen, doch de groote soorten der twee laatste
familiën verdwijnen en zij naderen meer tot de tegenwoordige planten.
Fig. 192. Cycadeën in de triasperiode.
De grassen komen in grooten getale voor, doch niet meer in groote lagen verkoolde
plantenstof, zooals vroeger, maar in den vorm van talrijke afdruksels in de zandsteen.
Bijzonder eigen aan de secundaire periode zijn de Cycadeën, eene plant, waarvan in de
steenkoolperiode slechts vier soorten, en waarvan thans veertig soorten bekend zijn. In
de triasformatie vindt men van de cycadeën twintig soorten, in de Juraformatie dertig en
in de krijtformatie vijftien soorten, d. i. dus in het geheel vijfenzestig, of vijfentwintig
meer dan wij er thans van vinden. Fig. 192 geeft een denkbeeld van den algemeenen
vorm dier familie.
Page 346
Fig. 193. Versteende cycadeënvruchten.
Die plantengroep, die zeer dicht aan de palmen grenst en eenen tropischen oorsprong
verraadt, komt het eerst voor in de steenkoolformatie en doorloopt alle overige formaties
behalve de schelpkalk. Men kan dus den vorm der cycadeën volgen van de secundaire
periode tot op onzen tijd: zij komen in zóó groote menigte voor, dat hare versteende
vruchten, bladeren en geraamte overal worden teruggevonden.
Fig. 193 stelt enkele versteende cycadeënvruchten voor, waarvan de voornaamste op
eene kokosnoot gelijkt. De cycadeën bereikten eene hoogte van tien tot twaalf meters:
tegenwoordig zijn zij zelden hooger dan 1 meter. De boomachtige cycadeën zijn thans
vervangen door de schoonere palmen.
De lias- en Juraformaties toonen ons duidelijk de verandering in den bodem aan. Wij
vinden daarin reeds enkele bloeiende planten, en wel vooreerst de coniferen, wier
Die plantengroep, die zeer dicht aan de palmen grenst en eenen tropischen oorsprong
verraadt, komt het eerst voor in de steenkoolformatie en doorloopt alle overige formaties
behalve de schelpkalk. Men kan dus den vorm der cycadeën volgen van de secundaire
periode tot op onzen tijd: zij komen in zóó groote menigte voor, dat hare versteende
vruchten, bladeren en geraamte overal worden teruggevonden.
Fig. 193 stelt enkele versteende cycadeënvruchten voor, waarvan de voornaamste op
eene kokosnoot gelijkt. De cycadeën bereikten eene hoogte van tien tot twaalf meters:
tegenwoordig zijn zij zelden hooger dan 1 meter. De boomachtige cycadeën zijn thans
vervangen door de schoonere palmen.
De lias- en Juraformaties toonen ons duidelijk de verandering in den bodem aan. Wij
vinden daarin reeds enkele bloeiende planten, en wel vooreerst de coniferen, wier
Page 347
bladeren naaldvormig zijn, en wier kegelvormige vruchten aan de geheele familie haren
naam gegeven hebben. In den bergketen, die zich uitstrekt tusschen Adersdach en
Kudowa, bij het dorp Radowenz in Bohème, heeft men in 1857 een geheel bosch
ontdekt, waarin die versteende boomsoort de overhand heeft. In de steenkoolformatie, in
de omstreken van Pilsen (Boheme), heeft men stammen van acht meters lengte en één
meter middellijn bloot gelegd, die nu eens rechtop staan, dan weder nederliggen, en alle
op dezelfde wijze versteend zijn; men vermoedt, dat zij veranderd zijn door het
kiezelhoudend water.
De boomen van die familie wijzen op het bestaan van eenen drogen bodem en van een
minder warm klimaat; de aarde moet dus gedeeltelijk haar karakter van moerassen en
eilanden verloren hebben; op hare oppervlakte moet zij heuvelen en bergen hebben zien
oprijzen: het gelijktijdig voorkomen van de vruchten en stammen van coniferen met
palmen, die vocht en warmte noodig hebben, terwijl de eerste de voorkeur geven aan
eenen drogen bodem en eene lagere temperatuur, leidt ons van de hoogten en heuvels
naar de bergen, waar men zelfs in de tropen de coniferen vindt.
Wij mogen daaruit besluiten, dat er bergketenen bestonden, bedekt met dichte wouden
van naaldboomen, misschien wel bergvlakten, ingesloten in het binnenland, terwijl de
cycadeën, de varens, de wolfsklauwen, met palmen en lelieachtige planten er tusschen,
de kusten dier uitgestrekte formaties omgaven. Het organische leven schijnt zich te
hebben verzameld in de ravijnen dier boomrijke heuvels.
Onder de verschillende soorten van naaldboomen vindt men in groote menigte de zoo
schoone araucaria’s. Fig. 194 stelt eenen versteenden tak dier plant voor. Bij haar leven
zijn de takken dier planten regelmatig om den stam gerold, en daardoor vertoonen die
planten eenen zoo sierlijken vorm.
Tot de merkwaardige boomen van die wouden der secundaire periode behooren de
voltzia en het pterophyllum, alsmede de haidingera, een naaldboom, die zeer veel
voorkomt in de schelpkalkperiode, en die in bouw moet geleken hebben op onze
cederen. Doch de rijkdom aan planten uit de steenkoolperiode heeft plaats gemaakt voor
betrekkelijke armoede; het zijn niet meer die diepe bosschen met reuzenboomen, en
ondoordringbare schaduw. De planten zijn dun gezaaid, het terrein is meer golvend, en
het licht speelt op een groen grastapijt. Het plantentype der steenkoolperiode is
verdwenen, maar de „bedektzadigen”, d.i. de planten, die alleen reeds 9/10 uitmaken van
de tegenwoordige flora, zijn nog niet gevormd, behoudens enkele zeldzame
éénzaadlobbigen. Men vindt bijna alleen sporeplanten en naaktzadigen, de eerste
vertegenwoordigd door varens, paardestaarten e.a., de tweede door cycadeën en
naaldboomen. Over den geheelen archipel, die toen bestond, waar nu Europa gelegen is,
merkt men op, dat de plantengroei der kusten en lage streken van dien der heuvels en
bergtoppen verschilt: beneden, de varens met breed ontwikkelde of fijn uitgesneden
naam gegeven hebben. In den bergketen, die zich uitstrekt tusschen Adersdach en
Kudowa, bij het dorp Radowenz in Bohème, heeft men in 1857 een geheel bosch
ontdekt, waarin die versteende boomsoort de overhand heeft. In de steenkoolformatie, in
de omstreken van Pilsen (Boheme), heeft men stammen van acht meters lengte en één
meter middellijn bloot gelegd, die nu eens rechtop staan, dan weder nederliggen, en alle
op dezelfde wijze versteend zijn; men vermoedt, dat zij veranderd zijn door het
kiezelhoudend water.
De boomen van die familie wijzen op het bestaan van eenen drogen bodem en van een
minder warm klimaat; de aarde moet dus gedeeltelijk haar karakter van moerassen en
eilanden verloren hebben; op hare oppervlakte moet zij heuvelen en bergen hebben zien
oprijzen: het gelijktijdig voorkomen van de vruchten en stammen van coniferen met
palmen, die vocht en warmte noodig hebben, terwijl de eerste de voorkeur geven aan
eenen drogen bodem en eene lagere temperatuur, leidt ons van de hoogten en heuvels
naar de bergen, waar men zelfs in de tropen de coniferen vindt.
Wij mogen daaruit besluiten, dat er bergketenen bestonden, bedekt met dichte wouden
van naaldboomen, misschien wel bergvlakten, ingesloten in het binnenland, terwijl de
cycadeën, de varens, de wolfsklauwen, met palmen en lelieachtige planten er tusschen,
de kusten dier uitgestrekte formaties omgaven. Het organische leven schijnt zich te
hebben verzameld in de ravijnen dier boomrijke heuvels.
Onder de verschillende soorten van naaldboomen vindt men in groote menigte de zoo
schoone araucaria’s. Fig. 194 stelt eenen versteenden tak dier plant voor. Bij haar leven
zijn de takken dier planten regelmatig om den stam gerold, en daardoor vertoonen die
planten eenen zoo sierlijken vorm.
Tot de merkwaardige boomen van die wouden der secundaire periode behooren de
voltzia en het pterophyllum, alsmede de haidingera, een naaldboom, die zeer veel
voorkomt in de schelpkalkperiode, en die in bouw moet geleken hebben op onze
cederen. Doch de rijkdom aan planten uit de steenkoolperiode heeft plaats gemaakt voor
betrekkelijke armoede; het zijn niet meer die diepe bosschen met reuzenboomen, en
ondoordringbare schaduw. De planten zijn dun gezaaid, het terrein is meer golvend, en
het licht speelt op een groen grastapijt. Het plantentype der steenkoolperiode is
verdwenen, maar de „bedektzadigen”, d.i. de planten, die alleen reeds 9/10 uitmaken van
de tegenwoordige flora, zijn nog niet gevormd, behoudens enkele zeldzame
éénzaadlobbigen. Men vindt bijna alleen sporeplanten en naaktzadigen, de eerste
vertegenwoordigd door varens, paardestaarten e.a., de tweede door cycadeën en
naaldboomen. Over den geheelen archipel, die toen bestond, waar nu Europa gelegen is,
merkt men op, dat de plantengroei der kusten en lage streken van dien der heuvels en
bergtoppen verschilt: beneden, de varens met breed ontwikkelde of fijn uitgesneden
Page 348
bladeren, de paardestaarten en de oorspronkelijke
naaldboomen; boven, op de drogere en hooger gelegen
plaatsen, de varens met schraal en hard loof, cycadeën
en de reuzenconiferen, die de voornaamste boomen
waren der wouden op de bergen.
Fig. 194. Versteende tak eener araucaria.
naaldboomen; boven, op de drogere en hooger gelegen
plaatsen, de varens met schraal en hard loof, cycadeën
en de reuzenconiferen, die de voornaamste boomen
waren der wouden op de bergen.
Fig. 194. Versteende tak eener araucaria.
Page 349
Fig. 195–196. De planten der triasperiode. Voltzia en pterophyllum.
De zandsteen, die thans op de toppen van de secundaire bergketenen der Vogezen ligt tot
eene dikte van vijftig tot zestig meters, en die op eene vijfhonderd meters dikke laag
fijne steentjes rust, hetgeen te zamen de eerste verdieping der triasformatie uitmaakt, is
vol van landplanten, die bewijzen, dat de wouden van dat tijdperk nog bezet waren met
boomvarens en met eene groote menigte cycadeën en naaldboomen, die veel
overeenkomst hadden met onze cypressen. De cypressen, die niet onder den invloed der
jaargetijden staan, en die daarom de graven der afgestorvenen met haren blijvenden
bladerendos beschutten, de pijnboomen met hunne uitgebreide takken, die sombere en
eentonige boomen, zijn de oudste van de thans bestaande planten, want de varens en
paardestaarten der primaire periode hebben thans nog slechts kruidachtige
vertegenwoordigers. Wij zijn nog ver van de vruchtboomen verwijderd.
De zandsteen, die thans op de toppen van de secundaire bergketenen der Vogezen ligt tot
eene dikte van vijftig tot zestig meters, en die op eene vijfhonderd meters dikke laag
fijne steentjes rust, hetgeen te zamen de eerste verdieping der triasformatie uitmaakt, is
vol van landplanten, die bewijzen, dat de wouden van dat tijdperk nog bezet waren met
boomvarens en met eene groote menigte cycadeën en naaldboomen, die veel
overeenkomst hadden met onze cypressen. De cypressen, die niet onder den invloed der
jaargetijden staan, en die daarom de graven der afgestorvenen met haren blijvenden
bladerendos beschutten, de pijnboomen met hunne uitgebreide takken, die sombere en
eentonige boomen, zijn de oudste van de thans bestaande planten, want de varens en
paardestaarten der primaire periode hebben thans nog slechts kruidachtige
vertegenwoordigers. Wij zijn nog ver van de vruchtboomen verwijderd.
Page 350
Fig. 197. De triasformatie. Zoutmijnen in Wieliezka (Polen).
De derde, en dus de jongste laag der triasreeks, die der bonte mergels, wordt somtijds de
zoutlaag genoemd, omdat men er veel gips en steenzout in vindt. In Lotharingen
Wurtemberg, Beieren en Zwitserland vormen die steenzoutlagen op sommige punten
rijke mijnen. Te Dieuze (Lotharingen) telt men niet minder dan dertien op elkander
liggende lagen tot eene dikte van vijftig meters. Die zoutlagen der triasformatie strekken
zich uit tot het Juragebergte waar zij de talrijke zoute bronnen dier streek voeden, zooals
b.v. te Lons-le-Saulnier. In de beroemde zoutmijn te Strassfurt is de zoutlaag, vermengd
met zwavelzure magnesia en keukenzout, 166 meters dik. Die laag strekt zich uit tot
onder Berlijn, waar eene zoutlaag van 1550 meters dikte op eene diepte van slechts 90
meters onder de oppervlakte gevonden wordt.
Het bijna geheel ontbreken van versteeningen van zeeplanten en zeedieren in de klei, die
de triasformatie sluit, de talrijkheid van landplanten en de overvloed van gips en zout,
wijzen er ons op, dat Centraal-Europa, waar die mergel zeer verspreid is, toen door
ondiep water bedekt was, welks zoutgehalte zóó aanzienlijk was, dat het geene levende
wezens bevatten kon. De Doode zee, de groote zoutmeren van Azië en Afrika, die
gedeeltelijk door eene zoutkorst bedekt zijn, geven ons een voorbeeld van den toestand
van noordelijk Europa in die dagen. De Oceaan had zich toen teruggetrokken naar het
De derde, en dus de jongste laag der triasreeks, die der bonte mergels, wordt somtijds de
zoutlaag genoemd, omdat men er veel gips en steenzout in vindt. In Lotharingen
Wurtemberg, Beieren en Zwitserland vormen die steenzoutlagen op sommige punten
rijke mijnen. Te Dieuze (Lotharingen) telt men niet minder dan dertien op elkander
liggende lagen tot eene dikte van vijftig meters. Die zoutlagen der triasformatie strekken
zich uit tot het Juragebergte waar zij de talrijke zoute bronnen dier streek voeden, zooals
b.v. te Lons-le-Saulnier. In de beroemde zoutmijn te Strassfurt is de zoutlaag, vermengd
met zwavelzure magnesia en keukenzout, 166 meters dik. Die laag strekt zich uit tot
onder Berlijn, waar eene zoutlaag van 1550 meters dikte op eene diepte van slechts 90
meters onder de oppervlakte gevonden wordt.
Het bijna geheel ontbreken van versteeningen van zeeplanten en zeedieren in de klei, die
de triasformatie sluit, de talrijkheid van landplanten en de overvloed van gips en zout,
wijzen er ons op, dat Centraal-Europa, waar die mergel zeer verspreid is, toen door
ondiep water bedekt was, welks zoutgehalte zóó aanzienlijk was, dat het geene levende
wezens bevatten kon. De Doode zee, de groote zoutmeren van Azië en Afrika, die
gedeeltelijk door eene zoutkorst bedekt zijn, geven ons een voorbeeld van den toestand
van noordelijk Europa in die dagen. De Oceaan had zich toen teruggetrokken naar het
Page 351
zuiden, en bezette toen de Alpenstreken. Een bewijs hiervoor is, dat men, indien men in
Frankrijk tot de centrale bergvlakte nadert, vindt, dat de schelpkalk, eene zeevorming,
zich niet tot die streek uitstrekt, en dat de mergel dadelijk op de bonte-zandsteen ligt.
Men vindt de schelpkalk terug in de Benedenalpen, in Hérault, Var en de omstreken van
Toulon; men kan haar over de geheele Alpenstreek volgen, waar zij eene groote
uitbreiding verkrijgt. Daar bestaat de triasformatie uitsluitend uit zeevormingen, uit
groote hoeveelheden dicht opééngedrongen kalksteen, die een groot aantal fossielen
bevatten. In die kalklagen vindt men een duidelijk beeld van de dierenwereld, die in de
triasperiode de zee bevolkte.
Iedereen weet, dat het zout één der belangrijkste mineralen is. In den vorm van steenzout
wordt het in grooten getale binnen in de formaties der secundaire periode gevonden. In
Transsylvanië vindt men zoutbergen, die verscheidene mijlen lang zijn en die steile
kanten hebben van honderden voeten hoogte, welke bergen geheel uit steenzout bestaan.
In Cardona, aan de zuidzijde der Pyreneën, vindt men eene zoutmassa van bijna honderd
meters hoogte boven den grond. Die massa is zóó verscheurd en gespleten door den
regen, dat men ze met hunne pyramiden, horens, holten en spitsen voor eenen ijsberg
zoude aanzien; de hoeveelheid zout is zóó overvloedig, dat men de mijn voor
onuitputtelijk houdt, hoewel men haar reeds eeuwen lang ontgint (er wordt reeds in het
jaar 1103 melding van gemaakt). De geheele zoutberg is eenige honderden meters hoog.
De zoutketenen ten zuiden en ten noorden van het Himalayagebergte leveren nog veel
grootere zoutmassa’s op. Te Kallabaugh is over eene groote uitgestrektheid de weg in
zoutrotsen gehouwen van dertig meters hoogte. Doch die ontzaglijke massa’s verzinken
nog in het niet, vergeleken bij de zoutbergen, die het Titicacameer omgeven in de
Peruaansche Andes; dat meer is 350 kilometers lang.
Daar het zout gemakkelijk in water oplost, zoo vindt men in de nabijheid der zoutbergen
dikwijls zoutwatermeren. Ook het zeewater is zout, niettegenstaande de rivieren steeds
zoet water daarin leiden. Het zeewater komt voort uit de verbinding van natrium en
chloor, twee elementen, die het oorspronkelijke water schijnt bevat te hebben.
Overal waar het zeewater verdampt, zet zich het zout af; op vele kusten wordt het door
verdamping ingezameld. Wij weten niet, of alle zoutafzettingen op zoodanige wijze
ontstaan zijn, dan wel of sommige lagen in de aardschors zijn ontstaan door andere
verschijnselen; maar een groot aantal van die zoutmassa’s, zooals in Zwitserland, zijn
door de verdamping der zee ontstaan. De weekdieren, in de kalkrotsen in de nabijheid
dier zoutlagen gevonden, bewijzen, dat het zeevormingen zijn.
Indien men eene zoutmijn binnentreedt, geraakt men steeds onder den indruk van het
vreemde voorkomen dier onderaardsche grotten. Hier en daar verbreeden zich de
gaanderijen tot groote kamers of holen; in het midden vindt men dikwijls eenen kleinen
vijver; de wanden en gewelven schitteren door duizenden zoutkristallen. Die zoutkamers
Frankrijk tot de centrale bergvlakte nadert, vindt, dat de schelpkalk, eene zeevorming,
zich niet tot die streek uitstrekt, en dat de mergel dadelijk op de bonte-zandsteen ligt.
Men vindt de schelpkalk terug in de Benedenalpen, in Hérault, Var en de omstreken van
Toulon; men kan haar over de geheele Alpenstreek volgen, waar zij eene groote
uitbreiding verkrijgt. Daar bestaat de triasformatie uitsluitend uit zeevormingen, uit
groote hoeveelheden dicht opééngedrongen kalksteen, die een groot aantal fossielen
bevatten. In die kalklagen vindt men een duidelijk beeld van de dierenwereld, die in de
triasperiode de zee bevolkte.
Iedereen weet, dat het zout één der belangrijkste mineralen is. In den vorm van steenzout
wordt het in grooten getale binnen in de formaties der secundaire periode gevonden. In
Transsylvanië vindt men zoutbergen, die verscheidene mijlen lang zijn en die steile
kanten hebben van honderden voeten hoogte, welke bergen geheel uit steenzout bestaan.
In Cardona, aan de zuidzijde der Pyreneën, vindt men eene zoutmassa van bijna honderd
meters hoogte boven den grond. Die massa is zóó verscheurd en gespleten door den
regen, dat men ze met hunne pyramiden, horens, holten en spitsen voor eenen ijsberg
zoude aanzien; de hoeveelheid zout is zóó overvloedig, dat men de mijn voor
onuitputtelijk houdt, hoewel men haar reeds eeuwen lang ontgint (er wordt reeds in het
jaar 1103 melding van gemaakt). De geheele zoutberg is eenige honderden meters hoog.
De zoutketenen ten zuiden en ten noorden van het Himalayagebergte leveren nog veel
grootere zoutmassa’s op. Te Kallabaugh is over eene groote uitgestrektheid de weg in
zoutrotsen gehouwen van dertig meters hoogte. Doch die ontzaglijke massa’s verzinken
nog in het niet, vergeleken bij de zoutbergen, die het Titicacameer omgeven in de
Peruaansche Andes; dat meer is 350 kilometers lang.
Daar het zout gemakkelijk in water oplost, zoo vindt men in de nabijheid der zoutbergen
dikwijls zoutwatermeren. Ook het zeewater is zout, niettegenstaande de rivieren steeds
zoet water daarin leiden. Het zeewater komt voort uit de verbinding van natrium en
chloor, twee elementen, die het oorspronkelijke water schijnt bevat te hebben.
Overal waar het zeewater verdampt, zet zich het zout af; op vele kusten wordt het door
verdamping ingezameld. Wij weten niet, of alle zoutafzettingen op zoodanige wijze
ontstaan zijn, dan wel of sommige lagen in de aardschors zijn ontstaan door andere
verschijnselen; maar een groot aantal van die zoutmassa’s, zooals in Zwitserland, zijn
door de verdamping der zee ontstaan. De weekdieren, in de kalkrotsen in de nabijheid
dier zoutlagen gevonden, bewijzen, dat het zeevormingen zijn.
Indien men eene zoutmijn binnentreedt, geraakt men steeds onder den indruk van het
vreemde voorkomen dier onderaardsche grotten. Hier en daar verbreeden zich de
gaanderijen tot groote kamers of holen; in het midden vindt men dikwijls eenen kleinen
vijver; de wanden en gewelven schitteren door duizenden zoutkristallen. Die zoutkamers
Page 352
zijn wel de merkwaardigste voortbrengselen dier formaties en maken eenen vreemden
indruk, als men ze bij fakkellicht bezoekt.1
De Duitsche zoutlagen vertoonen eene treffende overeenkomst in vorm met die van
Noordelijk-Zwitserland; men mag daaruit besluiten, dat zij tegelijkertijd en op dezelfde
wijze zijn afgezet. Het zout van Wurtemberg, dat in lagen van 10 tot 20 meters
voorkomt, is van denzelfden aard als het zeezout.
Fig. 198. Versteende oesters der triasperiode.
Toch is de zee waarschijnlijk niet de eenige oorzaak van het ontstaan dier merkwaardige
zoutrotsen. Te Dieuze vindt men in het zout holten met bewegelijke luchtbellen; het is
indruk, als men ze bij fakkellicht bezoekt.1
De Duitsche zoutlagen vertoonen eene treffende overeenkomst in vorm met die van
Noordelijk-Zwitserland; men mag daaruit besluiten, dat zij tegelijkertijd en op dezelfde
wijze zijn afgezet. Het zout van Wurtemberg, dat in lagen van 10 tot 20 meters
voorkomt, is van denzelfden aard als het zeezout.
Fig. 198. Versteende oesters der triasperiode.
Toch is de zee waarschijnlijk niet de eenige oorzaak van het ontstaan dier merkwaardige
zoutrotsen. Te Dieuze vindt men in het zout holten met bewegelijke luchtbellen; het is
Page 353
vermengd met klei, gips, zwavelzure soda en zwavelzure magnesia; maar het bevat geen
chloor-magnesium, en geene sporen van iodium of bromium. Het is dus niet
waarschijnlijk, dat dit zout ontstaan is door verdamping der zoutwatermoerassen; wel
waarschijnlijk is het, dat dit zout langs vulcanischen weg is te voorschijn gekomen.
Lagen mergel en klei met gips en anhydriet scheiden de zoutlagen van elkander. Het gips
vormt talrijke, doch kleinere hoopen dan het steenzout, en ieder van die hoopen heeft
den vorm van eenen grooten knobbel, waaromheen de mergel gewelfd gerangschikt ligt.
Die opzwelling kan verklaard worden door aan te nemen, dat het gips ontstaan is door
eene wijziging der kalk door de uitstroomingen van zwavel.
In den tijd, toen het zout gevormd werd, hadden er telkens bewegingen in de zee plaats,
en uit het feit, dat men schelpkalklagen boven de zoutlagen vindt, volgt, dat de zee, na
het verdampen van het water en de vorming der zandbanken op de uitgedroogde plaatsen
is teruggekeerd en er die kalk en klei heeft afgezet. De dieren, die in de schelpkalk
voorkomen, geven ons reeds enkele aanwijzingen omtrent het tijdstip van de vorming
der zoutlagen. Zij leeren ons tevens de zeedieren van die verwijderde tijdstippen kennen.
In de Zwitsersche salinen heeft Oswald Heer belangrijke voorbeelden van de fauna dier
dagen gevonden, o.a. eene kreeft met eenen langen staart en een knobbelig schild,
zeesterren en zeeleliën. Aan de oevers der Reuss zijn de rotsen vol zeeleliën. Die dieren
leefden in koloniën, zoo schrijft de geleerde Zwitsersche natuuronderzoeker, en een
zoodanige bank, bewoond door geheele familiën zeeleliën met hare dunne en lange
voeten, en die van boven open gaan als eene tulp, terwijl uit de fijn gebeeldhouwde
schaal de trilharen uittreden als eene garve losse draden, moeten een prachtig
schouwspel opgeleverd hebben.
Terwijl die dieren leefden, die geheel vreemd zijn aan onze tegenwoordige fauna,
verschenen ook talrijke weekdieren. Deze naderden veel meer tot de thans nog bestaande
soorten en vele daaronder behoorden tot soorten, die nog thans voorkomen. Tot die
soorten behoort de lima lineata, die men kan herkennen aan hare twee groote, diep
gegroefde kleppen in den vorm van horens, en haren platten, gladden kam. De
éénkleppigen zijn niet zeldzaam, en de meeste behooren tot soorten, die nog thans
bestaan: daartoe behooren o.a. de turbonilla, en een schoone nautilus, waarvan men
dikwijls exemplaren gevonden heeft van eenen voet in middellijn.
De ceratites nodosus is de eerste vertegenwoordiger van de thans uitgestorven familie
der ammonieten. De ammonieten en de nautili behooren tot de groep der koppootigen,
die den eersten rang innemen in de orde der weekdieren en die zich onderscheiden door
den bouw hunner schelpen. De talrijke weekdieren dienden tot voedsel van de visschen
en de amphibiën, waarvan de verschillende soorten de zee bevolkten.
chloor-magnesium, en geene sporen van iodium of bromium. Het is dus niet
waarschijnlijk, dat dit zout ontstaan is door verdamping der zoutwatermoerassen; wel
waarschijnlijk is het, dat dit zout langs vulcanischen weg is te voorschijn gekomen.
Lagen mergel en klei met gips en anhydriet scheiden de zoutlagen van elkander. Het gips
vormt talrijke, doch kleinere hoopen dan het steenzout, en ieder van die hoopen heeft
den vorm van eenen grooten knobbel, waaromheen de mergel gewelfd gerangschikt ligt.
Die opzwelling kan verklaard worden door aan te nemen, dat het gips ontstaan is door
eene wijziging der kalk door de uitstroomingen van zwavel.
In den tijd, toen het zout gevormd werd, hadden er telkens bewegingen in de zee plaats,
en uit het feit, dat men schelpkalklagen boven de zoutlagen vindt, volgt, dat de zee, na
het verdampen van het water en de vorming der zandbanken op de uitgedroogde plaatsen
is teruggekeerd en er die kalk en klei heeft afgezet. De dieren, die in de schelpkalk
voorkomen, geven ons reeds enkele aanwijzingen omtrent het tijdstip van de vorming
der zoutlagen. Zij leeren ons tevens de zeedieren van die verwijderde tijdstippen kennen.
In de Zwitsersche salinen heeft Oswald Heer belangrijke voorbeelden van de fauna dier
dagen gevonden, o.a. eene kreeft met eenen langen staart en een knobbelig schild,
zeesterren en zeeleliën. Aan de oevers der Reuss zijn de rotsen vol zeeleliën. Die dieren
leefden in koloniën, zoo schrijft de geleerde Zwitsersche natuuronderzoeker, en een
zoodanige bank, bewoond door geheele familiën zeeleliën met hare dunne en lange
voeten, en die van boven open gaan als eene tulp, terwijl uit de fijn gebeeldhouwde
schaal de trilharen uittreden als eene garve losse draden, moeten een prachtig
schouwspel opgeleverd hebben.
Terwijl die dieren leefden, die geheel vreemd zijn aan onze tegenwoordige fauna,
verschenen ook talrijke weekdieren. Deze naderden veel meer tot de thans nog bestaande
soorten en vele daaronder behoorden tot soorten, die nog thans voorkomen. Tot die
soorten behoort de lima lineata, die men kan herkennen aan hare twee groote, diep
gegroefde kleppen in den vorm van horens, en haren platten, gladden kam. De
éénkleppigen zijn niet zeldzaam, en de meeste behooren tot soorten, die nog thans
bestaan: daartoe behooren o.a. de turbonilla, en een schoone nautilus, waarvan men
dikwijls exemplaren gevonden heeft van eenen voet in middellijn.
De ceratites nodosus is de eerste vertegenwoordiger van de thans uitgestorven familie
der ammonieten. De ammonieten en de nautili behooren tot de groep der koppootigen,
die den eersten rang innemen in de orde der weekdieren en die zich onderscheiden door
den bouw hunner schelpen. De talrijke weekdieren dienden tot voedsel van de visschen
en de amphibiën, waarvan de verschillende soorten de zee bevolkten.
Page 354
In de keuperperiode komen de landdieren slechts in geringen getale voor. Heer heeft
tevergeefs naar insecten gezocht in die formaties in Zwitserland; alleen in de leiachtige
klei heeft hij twee soorten van schildvleugelen gevonden. Bij Richen, in de bonte
zandsteen, heeft men groote afdruksels van schubben van eenen reusachtigen
labyrinthodon en het geraamte van eene kleine hagedis gevonden, die veel overeenkomst
had met de salamanders. Te Rheinfelden heeft men eene soort van krokodil ontdekt, den
sclerosaurus armatus, en schubben van den kop van den grooten mastodontosaurus. Ook
heeft men een aantal hagedissen in het keuper van Wurtemberg gevonden; de meest
voorkomende is de belodon Plieningeri, die veel geleek op de Gavialiden van tropisch
Amerika; hij heeft dezelfde kaken, lang, smal en met groote tanden gewapend. Gressly
heeft te Liestal groote en holle beenderen te voorschijn gebracht, die ongetwijfeld
behoord hebben tot eene soort van ontzaglijk groote teratosauren.
Fig. 199. Ammoniet der triasperiode.
Ceratites Nodosus.
Fig. 200. Ammoniet der triasperiode.
tevergeefs naar insecten gezocht in die formaties in Zwitserland; alleen in de leiachtige
klei heeft hij twee soorten van schildvleugelen gevonden. Bij Richen, in de bonte
zandsteen, heeft men groote afdruksels van schubben van eenen reusachtigen
labyrinthodon en het geraamte van eene kleine hagedis gevonden, die veel overeenkomst
had met de salamanders. Te Rheinfelden heeft men eene soort van krokodil ontdekt, den
sclerosaurus armatus, en schubben van den kop van den grooten mastodontosaurus. Ook
heeft men een aantal hagedissen in het keuper van Wurtemberg gevonden; de meest
voorkomende is de belodon Plieningeri, die veel geleek op de Gavialiden van tropisch
Amerika; hij heeft dezelfde kaken, lang, smal en met groote tanden gewapend. Gressly
heeft te Liestal groote en holle beenderen te voorschijn gebracht, die ongetwijfeld
behoord hebben tot eene soort van ontzaglijk groote teratosauren.
Fig. 199. Ammoniet der triasperiode.
Ceratites Nodosus.
Fig. 200. Ammoniet der triasperiode.
Page 355
Ammonites Aon.
Het is waarschijnlijk, dat de triaszee het geheele deel van Zwitserland bedekt heeft, dat
thans door de molasse wordt ingenomen; toch vindt men hare bezinksels tot nu toe
alleen bij den Stockhorn. Men ontmoet kalkbanken en bonte-zandsteen aan de oevers
van het meer van Thun; zij bevatten talrijke versteeningen en vormen de grens der
triasformatie. Van meer gewicht zijn de bezinkingen der zee uit de triasformatie aan de
zuidoostelijke grens van Zwitserland en de gedeelten van Savoye, die daaraan grenzen.
Een ader van gips en koolzure kalk strekt zich uit van Bex naar Morillon, in Savoye, en
naar Villeneuve; verder vindt men van Meillerie af, aan den oever van het meer van
Genève en boven Thonon, de rhetische lagen, die in zuidelijke richting tot de Arvo
kunnen gevolgd worden; men verkrijgt dus het bewijs der tegenwoordigheid van de
triaszee in Savoye door het bestaan van verschillende lagen, die het land doorloopen.
Wij moeten nog opmerken, dat eene breede strook van triasgesteenten uitgaat van Tyrol
en den Vorarlberg, Vadutz en Triesen en uitkomt aan den Rijn, zonder Zwitserland aan te
raken; zij strekt zich ten noorden en ten oosten uit over de grensgebergten der Prättigau
(op drieduizend meters boven de oppervlakte der zee). Van daar strekken de
triasgesteenten zich uit over Davos tot aan Oberhalbstein en Engadin, waar zij in Ponte
weder beginnen, om zich voort te zetten tot Sulsana en vandaar oostwaarts tot Scarlthal
en Münsterthal. De kalkbergen, die de rechtergrens der vallei van Engadin innemen van
Ponte tot aan Remus, behooren evenzoo tot die formatie.
Deze streek was dus niet onder de zee bedolven in de keuperperiode, terwijl de zee het
overige gedeelte der Alpen, waar de triasformatie gevonden wordt, bedekt, zooals blijkt
uit de wieren en zeeschelpen, daar gevonden. Die formatie behoort tot de schelpkalk of
de keuper, en het is mogelijk uit den aard en de organische samenstelling der gesteenten
verscheidene verdiepingen der bezinksels te herkennen.
In die gesteenten heeft men de overblijfselen van 55 soorten zeedieren gevonden, die
geen twijfel overlaten aan hunnen oorsprong; men vindt er niet alleen den encrinus
liliiformis, de zoo fijn gestreepte halobia lommelii en de halobia obliqua, maar
verschillende hemnitzia’s, de ammonites luganensis en scaphitiformis enz.; men vindt er
nog andere weekdieren en schelpen, die het trias kenmerken, en die bewijzen, dat de
triasfauna in dezelfde vormen verspreid was in Duitschland, Zwitserland en Italië.
Het is waarschijnlijk, dat de triaszee het geheele deel van Zwitserland bedekt heeft, dat
thans door de molasse wordt ingenomen; toch vindt men hare bezinksels tot nu toe
alleen bij den Stockhorn. Men ontmoet kalkbanken en bonte-zandsteen aan de oevers
van het meer van Thun; zij bevatten talrijke versteeningen en vormen de grens der
triasformatie. Van meer gewicht zijn de bezinkingen der zee uit de triasformatie aan de
zuidoostelijke grens van Zwitserland en de gedeelten van Savoye, die daaraan grenzen.
Een ader van gips en koolzure kalk strekt zich uit van Bex naar Morillon, in Savoye, en
naar Villeneuve; verder vindt men van Meillerie af, aan den oever van het meer van
Genève en boven Thonon, de rhetische lagen, die in zuidelijke richting tot de Arvo
kunnen gevolgd worden; men verkrijgt dus het bewijs der tegenwoordigheid van de
triaszee in Savoye door het bestaan van verschillende lagen, die het land doorloopen.
Wij moeten nog opmerken, dat eene breede strook van triasgesteenten uitgaat van Tyrol
en den Vorarlberg, Vadutz en Triesen en uitkomt aan den Rijn, zonder Zwitserland aan te
raken; zij strekt zich ten noorden en ten oosten uit over de grensgebergten der Prättigau
(op drieduizend meters boven de oppervlakte der zee). Van daar strekken de
triasgesteenten zich uit over Davos tot aan Oberhalbstein en Engadin, waar zij in Ponte
weder beginnen, om zich voort te zetten tot Sulsana en vandaar oostwaarts tot Scarlthal
en Münsterthal. De kalkbergen, die de rechtergrens der vallei van Engadin innemen van
Ponte tot aan Remus, behooren evenzoo tot die formatie.
Deze streek was dus niet onder de zee bedolven in de keuperperiode, terwijl de zee het
overige gedeelte der Alpen, waar de triasformatie gevonden wordt, bedekt, zooals blijkt
uit de wieren en zeeschelpen, daar gevonden. Die formatie behoort tot de schelpkalk of
de keuper, en het is mogelijk uit den aard en de organische samenstelling der gesteenten
verscheidene verdiepingen der bezinksels te herkennen.
In die gesteenten heeft men de overblijfselen van 55 soorten zeedieren gevonden, die
geen twijfel overlaten aan hunnen oorsprong; men vindt er niet alleen den encrinus
liliiformis, de zoo fijn gestreepte halobia lommelii en de halobia obliqua, maar
verschillende hemnitzia’s, de ammonites luganensis en scaphitiformis enz.; men vindt er
nog andere weekdieren en schelpen, die het trias kenmerken, en die bewijzen, dat de
triasfauna in dezelfde vormen verspreid was in Duitschland, Zwitserland en Italië.
Page 356
Fig. 201. De ammonieten der triaszeeën.
Wij zagen vroeger, dat het zout één der belangrijkste voortbrengselen is van de
triasformatie; doch ook het gips, behoort tot diezelfde formatie. Men vindt het tusschen
de schelpkalk en het keuper, bij voorbeeld te Habsburg, Mullingen, Niederweningen,
Birmensdorf, Gebensdorf, Munsterthal enz. Het gips bevat hier en daar zwavelzure
natron en magnesia; die zouten, in water opgelost, leveren de purgeerende minerale
wateren. Uit hunnen aard zijn die wateren een handelsartikel; er zijn trouwens andere
rijke minerale bronnen uit de triasformatie, zooals het zoo hooggeschatte water uit
Baden, dat uit eene groote diepte te voorschijn komend, waarschijnlijk uit de
keuperformatie voortkomt. De zwavelhoudende wateren van Schinznach en de
jodiumhoudende wateren van Wildegg vinden waarschijnlijk hunnen oorsprong in de
gips der triasformatie. Behalve het zout en de gips en de minerale wateren bevat de
triasformatie nog rijke hulpbronnen; het levert ons talrijke bouwmaterialen, en door hare
ontleding geeft zij ons in den vorm van mergelaarde eene uitstekende meststof; de
keuperstreken onderscheiden zich door hare vette weiden, vruchtbare akkers en rijke
wijngaarden; overal is de triasformatie eene bron van welvaart voor de bevolking.
Wij zagen vroeger, dat het zout één der belangrijkste voortbrengselen is van de
triasformatie; doch ook het gips, behoort tot diezelfde formatie. Men vindt het tusschen
de schelpkalk en het keuper, bij voorbeeld te Habsburg, Mullingen, Niederweningen,
Birmensdorf, Gebensdorf, Munsterthal enz. Het gips bevat hier en daar zwavelzure
natron en magnesia; die zouten, in water opgelost, leveren de purgeerende minerale
wateren. Uit hunnen aard zijn die wateren een handelsartikel; er zijn trouwens andere
rijke minerale bronnen uit de triasformatie, zooals het zoo hooggeschatte water uit
Baden, dat uit eene groote diepte te voorschijn komend, waarschijnlijk uit de
keuperformatie voortkomt. De zwavelhoudende wateren van Schinznach en de
jodiumhoudende wateren van Wildegg vinden waarschijnlijk hunnen oorsprong in de
gips der triasformatie. Behalve het zout en de gips en de minerale wateren bevat de
triasformatie nog rijke hulpbronnen; het levert ons talrijke bouwmaterialen, en door hare
ontleding geeft zij ons in den vorm van mergelaarde eene uitstekende meststof; de
keuperstreken onderscheiden zich door hare vette weiden, vruchtbare akkers en rijke
wijngaarden; overal is de triasformatie eene bron van welvaart voor de bevolking.
Page 357
Alleen het dolomiet maakt eene uitzondering; als de regens dat gesteente ontleed
hebben, blijft er niets over dan zand, dat het water doorlaat en onvruchtbaar is. Waar de
bodem dan ook alleen uit dolomiet bestaat, zooals in de kalkbergen van Vorarlberg in
sommige vlakten van Engadin, is de plantengroei zeer arm; de boomen en de struiken
komen daar niet tot wasdom, de weiden zijn daar slechts bedekt met enkele grasstoppels
en de hooger gelegen streken zijn totaal kaal. In Zwitserland zijn enkele dolomietstreken
(zooals de Moravallei, die van St. Giacomo naar den Munsterthalalp leidt), waar de
plantengroei geheel ontbreekt, en waar alles van de diepte der vallei tot op de toppen der
bergen het beeld vertoont van verlatenheid en dood.
Als roode zandsteen en mergel vindt men het trias meer of minder doorloopend op den
rand der centrale bergvlakte van Frankrijk. Men vindt er sporen van bij Alais, tusschen
het permo-steenkoolstelsel en de lias, in de golf van Aveyron bij Rodez en Espalion en
tusschen St. Antoine en Villefranche-d’Aveyron. Om dan het trias weder terug te vinden,
moet men den noordelijken rand der bergvlakte volgen in Berry, waar de samenstelling
dezelfde is als in Nièvre.
In Provence vindt men eene triasstrook op roode zandsteen. Die strook strekt zich uit van
Toulon naar Antibes, en men vindt daarin de drie gewone afdeelingen van het
Lotharingsche trias terug.
In het département du Gard, dragen dertig meters lei en metaalerts eene 15 meters dikke
magnesiumlaag met ijzerpyriet, zwavel en lood, waarop 115 meters zandsteen en
gekleurde mergel gelegen zijn met kalk vermengd.
Bij Lodève, te Fozières, vindt men afdruksels van eenen labyrinthodon in de bonte
zandsteen.
De bonte zandsteen komt evenzoo voor den dag in verschillende deelen der Pyreneën,
vooral in het zuiden van Bayonne.
Aan het andere uiteinde van Frankrijk schijnt de streek der Ardennen in de triasperiode
bestaan te hebben uit een heuvelachtig terrein, waar door het wegvreten van de rotsen
steenblokken, keisteenen, zand en klei naar de binnenmeren gevoerd werden. Slechts
weinige overblijfselen van die afzetsels zijn tot ons gekomen; zij onderscheiden zich alle
door hunne roode kleur. De geheele strook, bestaande uit horizontale of weinig hellende
lagen, is 150 meters dik.
De triasformatie in de Ardennen was dus geene zeevorming; ditzelfde geldt voor het
geheele noordelijke deel van Frankrijk. De vernieling van oudere formaties heeft daar
het aanzijn geschonken aan kleine steentjes, waarvan men in Artois exemplaren
terugvindt.
hebben, blijft er niets over dan zand, dat het water doorlaat en onvruchtbaar is. Waar de
bodem dan ook alleen uit dolomiet bestaat, zooals in de kalkbergen van Vorarlberg in
sommige vlakten van Engadin, is de plantengroei zeer arm; de boomen en de struiken
komen daar niet tot wasdom, de weiden zijn daar slechts bedekt met enkele grasstoppels
en de hooger gelegen streken zijn totaal kaal. In Zwitserland zijn enkele dolomietstreken
(zooals de Moravallei, die van St. Giacomo naar den Munsterthalalp leidt), waar de
plantengroei geheel ontbreekt, en waar alles van de diepte der vallei tot op de toppen der
bergen het beeld vertoont van verlatenheid en dood.
Als roode zandsteen en mergel vindt men het trias meer of minder doorloopend op den
rand der centrale bergvlakte van Frankrijk. Men vindt er sporen van bij Alais, tusschen
het permo-steenkoolstelsel en de lias, in de golf van Aveyron bij Rodez en Espalion en
tusschen St. Antoine en Villefranche-d’Aveyron. Om dan het trias weder terug te vinden,
moet men den noordelijken rand der bergvlakte volgen in Berry, waar de samenstelling
dezelfde is als in Nièvre.
In Provence vindt men eene triasstrook op roode zandsteen. Die strook strekt zich uit van
Toulon naar Antibes, en men vindt daarin de drie gewone afdeelingen van het
Lotharingsche trias terug.
In het département du Gard, dragen dertig meters lei en metaalerts eene 15 meters dikke
magnesiumlaag met ijzerpyriet, zwavel en lood, waarop 115 meters zandsteen en
gekleurde mergel gelegen zijn met kalk vermengd.
Bij Lodève, te Fozières, vindt men afdruksels van eenen labyrinthodon in de bonte
zandsteen.
De bonte zandsteen komt evenzoo voor den dag in verschillende deelen der Pyreneën,
vooral in het zuiden van Bayonne.
Aan het andere uiteinde van Frankrijk schijnt de streek der Ardennen in de triasperiode
bestaan te hebben uit een heuvelachtig terrein, waar door het wegvreten van de rotsen
steenblokken, keisteenen, zand en klei naar de binnenmeren gevoerd werden. Slechts
weinige overblijfselen van die afzetsels zijn tot ons gekomen; zij onderscheiden zich alle
door hunne roode kleur. De geheele strook, bestaande uit horizontale of weinig hellende
lagen, is 150 meters dik.
De triasformatie in de Ardennen was dus geene zeevorming; ditzelfde geldt voor het
geheele noordelijke deel van Frankrijk. De vernieling van oudere formaties heeft daar
het aanzijn geschonken aan kleine steentjes, waarvan men in Artois exemplaren
terugvindt.
Page 358
De Jura- en krijtlagen van het bekken van Parijs zijn oorzaak, dat men ten zuidwesten
der Ardennen geene triasformatie ziet; zij komt weer te voorschijn te Cotentin, waar zij
bestaat uit grint, zand, zandsteen en roode mergel, doch tot eene dikte van niet meer dan
60 meters. Het is de voortzetting van het trias van Somerset- en Devonshire, en schijnt
alleen in verband te staan met het bovenste gedeelte der keuperformatie.
Men mag dus aannemen, dat het geheele bekken van Parijs (waaraan Engeland aansloot)
in de triasperiode uit eene streek bestond, waarin groote meren waren, en dat die streek
eindigde in eene zee, wier westelijke oever zich uitstrekte van Luxemburg tot Autun.
In de Westalpen heeft de triasformatie een eigenaardig voorkomen, dat zich zeer
onderscheidt van het Franconische of Vogezische type.
Om onze schets der triasformatie te
voltooien, voegen wij nog hierbij, dat het
trias zijne grootste uitbreiding vindt in het
noordwesten van Engeland (1500 meters).
Daar vindt men ook de grootste ronde
keisteenen, waarbij het kwarts in menigte
voorkomt. In het noorden of noordwesten
moet dus het vasteland gezocht worden, dat
de bouwstoffen geleverd heeft voor de
triasformatie. Het Engelsche trias rust nu
eens op de permische laag, dan weder op de
steenkool- of zelfs de cambrische laag;
bovendien vindt men in de onderlagen
dikwijls bonte-zandsteen. In de
middengraafschappen is de dikte van het
stelsel 950 meters. Het is waarschijnlijk,
dat daar de Franconische laag
vertegenwoordigd is. In de dolomietlagen,
Fig. 203. Schaaldieren uit de die van zes tot vijftien meters dik zijn, heeft
Fig. 202.
triasperiode (Pemphix senerii). men de beenderen der oude
Stekelhuidigen uit de
triasperiode: Zeelelie
thecodontosauren, der paleosauren
(encrinus liliiformis).
cylindrodon en platyodon met tanden van den ceratodus ontdekt. In
Wales heeft men in dezelfde lagen sporen van den brontozoön
ontdekt. De keuperzandsteen bevat beenderen en afdruksels der
voetstappen van de labyrinthodonten, en een visch, dysteronotus cyphus. Het steenzout
komt er in voor in lensvormige roode massa’s, 60 meters diep.
Op de zuidkust van Devonshire, te Budleigh Salterton, bestaat het trias uit keien van
silurische en devonische kwartsieten, die afkomstig schijnen uit primaire gesteenten, die
der Ardennen geene triasformatie ziet; zij komt weer te voorschijn te Cotentin, waar zij
bestaat uit grint, zand, zandsteen en roode mergel, doch tot eene dikte van niet meer dan
60 meters. Het is de voortzetting van het trias van Somerset- en Devonshire, en schijnt
alleen in verband te staan met het bovenste gedeelte der keuperformatie.
Men mag dus aannemen, dat het geheele bekken van Parijs (waaraan Engeland aansloot)
in de triasperiode uit eene streek bestond, waarin groote meren waren, en dat die streek
eindigde in eene zee, wier westelijke oever zich uitstrekte van Luxemburg tot Autun.
In de Westalpen heeft de triasformatie een eigenaardig voorkomen, dat zich zeer
onderscheidt van het Franconische of Vogezische type.
Om onze schets der triasformatie te
voltooien, voegen wij nog hierbij, dat het
trias zijne grootste uitbreiding vindt in het
noordwesten van Engeland (1500 meters).
Daar vindt men ook de grootste ronde
keisteenen, waarbij het kwarts in menigte
voorkomt. In het noorden of noordwesten
moet dus het vasteland gezocht worden, dat
de bouwstoffen geleverd heeft voor de
triasformatie. Het Engelsche trias rust nu
eens op de permische laag, dan weder op de
steenkool- of zelfs de cambrische laag;
bovendien vindt men in de onderlagen
dikwijls bonte-zandsteen. In de
middengraafschappen is de dikte van het
stelsel 950 meters. Het is waarschijnlijk,
dat daar de Franconische laag
vertegenwoordigd is. In de dolomietlagen,
Fig. 203. Schaaldieren uit de die van zes tot vijftien meters dik zijn, heeft
Fig. 202.
triasperiode (Pemphix senerii). men de beenderen der oude
Stekelhuidigen uit de
triasperiode: Zeelelie
thecodontosauren, der paleosauren
(encrinus liliiformis).
cylindrodon en platyodon met tanden van den ceratodus ontdekt. In
Wales heeft men in dezelfde lagen sporen van den brontozoön
ontdekt. De keuperzandsteen bevat beenderen en afdruksels der
voetstappen van de labyrinthodonten, en een visch, dysteronotus cyphus. Het steenzout
komt er in voor in lensvormige roode massa’s, 60 meters diep.
Op de zuidkust van Devonshire, te Budleigh Salterton, bestaat het trias uit keien van
silurische en devonische kwartsieten, die afkomstig schijnen uit primaire gesteenten, die
Page 359
thans bedekt zijn door de wateren van het Kanaal.
Ook in Noord-Amerika komt het trias in drie verschillende streken voor den dag: in het
gebied der Apalachen, het Rotsgebergte overeenkomend met Noord-Europa, en het
gebied der stille Zuidzee, waarvan het karakter hetzelfde is als dat der Alpen. Het trias
der Apalachen vormt nauwe strooken, die zich vooral in Connecticut verlengen en die
over eene groote uitgestrektheid hetzelfde karakter dragen. Het bestaat uit bruinachtig
rood zandsteen, dat somtijds den bouw heeft van eene vlakte van graniet met schiefer, en
is minstens 1000 meters diep, terwijl het talrijke sporen draagt van het kabbelen der
golven en van afdruksels van regendruppels.
In Connecticut heeft men talrijke sporen van labyrinthodonten, waarvan men meer dan
12000 afdruksels vindt. De Amerikaansche geologen hebben in die laag eene kleine
buidelrat, het dromatherium silvestre, gevonden, den oudsten vertegenwoordiger dier
klasse. Ten oosten van het Rotsgebergte, bestaat het trias uit rood-zandsteen, bonte
gypshoudende mergel en magnesia. De dikte wisselt af tusschen 600 en 1800 meters.
Wij zien dus, dat de triasformatie eene voorname plaats inneemt in de sedimentformaties
en eene belangrijke periode vertegenwoordigt in de geschiedenis van de wijziging der
soorten. Met haar beginnen nieuwe vormen van het leven, en de natuuronderzoeker kan
hier evenals in de primaire periode waarnemen, hoe de ontwikkeling van het leven
steeds evenwijdig loopt met de paleontologische ontdekkingen in de verschillende
formaties.
Ook in Noord-Amerika komt het trias in drie verschillende streken voor den dag: in het
gebied der Apalachen, het Rotsgebergte overeenkomend met Noord-Europa, en het
gebied der stille Zuidzee, waarvan het karakter hetzelfde is als dat der Alpen. Het trias
der Apalachen vormt nauwe strooken, die zich vooral in Connecticut verlengen en die
over eene groote uitgestrektheid hetzelfde karakter dragen. Het bestaat uit bruinachtig
rood zandsteen, dat somtijds den bouw heeft van eene vlakte van graniet met schiefer, en
is minstens 1000 meters diep, terwijl het talrijke sporen draagt van het kabbelen der
golven en van afdruksels van regendruppels.
In Connecticut heeft men talrijke sporen van labyrinthodonten, waarvan men meer dan
12000 afdruksels vindt. De Amerikaansche geologen hebben in die laag eene kleine
buidelrat, het dromatherium silvestre, gevonden, den oudsten vertegenwoordiger dier
klasse. Ten oosten van het Rotsgebergte, bestaat het trias uit rood-zandsteen, bonte
gypshoudende mergel en magnesia. De dikte wisselt af tusschen 600 en 1800 meters.
Wij zien dus, dat de triasformatie eene voorname plaats inneemt in de sedimentformaties
en eene belangrijke periode vertegenwoordigt in de geschiedenis van de wijziging der
soorten. Met haar beginnen nieuwe vormen van het leven, en de natuuronderzoeker kan
hier evenals in de primaire periode waarnemen, hoe de ontwikkeling van het leven
steeds evenwijdig loopt met de paleontologische ontdekkingen in de verschillende
formaties.
Page 360
Fig. 204. Schaaldieren uit de triasperiode. De eerste kreeften met hare
scharen.
Langzaam doch gestadig ontwikkelt zich het dierlijke leven in zijne hoogere
vertakkingen. Een groot aantal soorten van ongewervelde dieren (plantdieren,
weekdieren en ringwormen), waarmede wij kennis gemaakt hebben, zijn van het
wereldtooneel verdwenen om voor nieuwe wezens plaats te maken.
Bij de plantdieren merkt men op, dat het beperkte aantal soorten van zeeleliën als het
ware wordt goedgemaakt door de buitengewone menigte individuen van den encrinus
liliiformis, wier kalkplaatjes dikke en uitgestrekte lagen vormen in de schelpkalk der
triasformatie. Wij hebben die wezens reeds leeren kennen, toen wij den oorsprong der
soorten in de silurische periode bestudeerden (blz. 157). Thans is dat type in verval.
Andere soorten zijn geheel verdwenen. De beroemde trilobieten zijn voorgoed
uitgestorven. Daarentegen verkrijgen de ammonieten, gedurende de permische periode
ontstaan, eene verbazende uitbreiding. De ammonieten waren koppootige weekdieren,
wier spiraalvormige schelpen de grootste verscheidenheid in grootte en in vorm
aanboden. Zij hebben gedurende de geheele secundaire periode geheerscht, en zijn
daarna verdwenen. In de triasperiode hadden de ammonites Aon en de ceratites nodosus
de overhand. Hunne voorouders waren de nautiliden, die wij in de devonische periode
hebben ontmoet of het ééne of andere nog oudere weekdier, waarvan dan de nautiliden
scharen.
Langzaam doch gestadig ontwikkelt zich het dierlijke leven in zijne hoogere
vertakkingen. Een groot aantal soorten van ongewervelde dieren (plantdieren,
weekdieren en ringwormen), waarmede wij kennis gemaakt hebben, zijn van het
wereldtooneel verdwenen om voor nieuwe wezens plaats te maken.
Bij de plantdieren merkt men op, dat het beperkte aantal soorten van zeeleliën als het
ware wordt goedgemaakt door de buitengewone menigte individuen van den encrinus
liliiformis, wier kalkplaatjes dikke en uitgestrekte lagen vormen in de schelpkalk der
triasformatie. Wij hebben die wezens reeds leeren kennen, toen wij den oorsprong der
soorten in de silurische periode bestudeerden (blz. 157). Thans is dat type in verval.
Andere soorten zijn geheel verdwenen. De beroemde trilobieten zijn voorgoed
uitgestorven. Daarentegen verkrijgen de ammonieten, gedurende de permische periode
ontstaan, eene verbazende uitbreiding. De ammonieten waren koppootige weekdieren,
wier spiraalvormige schelpen de grootste verscheidenheid in grootte en in vorm
aanboden. Zij hebben gedurende de geheele secundaire periode geheerscht, en zijn
daarna verdwenen. In de triasperiode hadden de ammonites Aon en de ceratites nodosus
de overhand. Hunne voorouders waren de nautiliden, die wij in de devonische periode
hebben ontmoet of het ééne of andere nog oudere weekdier, waarvan dan de nautiliden
Page 361
en de ammonieten afstamden. In de triasperiode geraken de nautiliden in verval: men
vindt alleen nog den orthoceras en de goniatiden.
Men kent de ammonieten reeds langen tijd, en reeds de oudheid had door de
beschouwing dier versteende schelpen de oude gedaantewisselingen der aarde en der
zeeën geraden. Zij ontleenen hunnen naam aan de overeenkomst hunner kronkelingen
met de ramshorens, die men vindt op de symbolische voorstellingen van Jupiter Ammon.
Vooral in de Juraperiode nemen de ammonieten hunne grootste vlucht. Op het einde dier
periode vindt men er, die de grootte hebben van een wagenrad.
Ook de armpootigen komen evenals de koppootigen in verschillende soorten voor.
Behalve den spirifer der devonische periode (blz. 260) en den productus der
steenkoolperiode (blz. 315) vindt men nog terebratulae en rynchonellae, die wij vooral in
de Juraperiode zullen leeren kennen. Al die schelpen vindt men thans in de tweede laag
der triasformatie, de schelpkalk, eene zeevorming.
vindt alleen nog den orthoceras en de goniatiden.
Men kent de ammonieten reeds langen tijd, en reeds de oudheid had door de
beschouwing dier versteende schelpen de oude gedaantewisselingen der aarde en der
zeeën geraden. Zij ontleenen hunnen naam aan de overeenkomst hunner kronkelingen
met de ramshorens, die men vindt op de symbolische voorstellingen van Jupiter Ammon.
Vooral in de Juraperiode nemen de ammonieten hunne grootste vlucht. Op het einde dier
periode vindt men er, die de grootte hebben van een wagenrad.
Ook de armpootigen komen evenals de koppootigen in verschillende soorten voor.
Behalve den spirifer der devonische periode (blz. 260) en den productus der
steenkoolperiode (blz. 315) vindt men nog terebratulae en rynchonellae, die wij vooral in
de Juraperiode zullen leeren kennen. Al die schelpen vindt men thans in de tweede laag
der triasformatie, de schelpkalk, eene zeevorming.
Page 362
De bewoners der triasperiode: Capitosaurus, Belodon, Nothosaurus.
De koplooze zoowel als de buikpootige weekdieren zijn nog sterker vooruitgegaan; van
nu af aan hebben die twee klassen de overhand onder de weekdieren. Zij verdienen nog
te meer onze aandacht, omdat het voornamelijk de schelpen der verschillende soorten
van weekdieren zijn, die de formaties kenmerken, daar die schelpen zeer talrijk en zeer
verspreid zijn, en gewoonlijk ongeschonden bewaard zijn gebleven, terwijl de beenderen
van groote dieren zeldzaam en meer of minder beschadigd zijn. De familie der ostraceën
(oesters) treedt tegelijkertijd op met de pectineën, de posidonia, cardita, lima enz. De
oesters, voor het eerst optredend in de triasperiode, zullen van geslacht tot geslacht
De koplooze zoowel als de buikpootige weekdieren zijn nog sterker vooruitgegaan; van
nu af aan hebben die twee klassen de overhand onder de weekdieren. Zij verdienen nog
te meer onze aandacht, omdat het voornamelijk de schelpen der verschillende soorten
van weekdieren zijn, die de formaties kenmerken, daar die schelpen zeer talrijk en zeer
verspreid zijn, en gewoonlijk ongeschonden bewaard zijn gebleven, terwijl de beenderen
van groote dieren zeldzaam en meer of minder beschadigd zijn. De familie der ostraceën
(oesters) treedt tegelijkertijd op met de pectineën, de posidonia, cardita, lima enz. De
oesters, voor het eerst optredend in de triasperiode, zullen van geslacht tot geslacht
Page 363
blijven voortleven en zullen de tijdgenooten der menschheid worden. Zij zullen zelfs één
zijner eerste voedingsmiddelen uitmaken aan den oever der zee.
Bij de gelede dieren vindt men nu onder de schaaldieren de schaalkreeften of
tienpootigen, waartoe de macruren (langstaarten) behooren. Men heeft geheele goed
bewaarde schilden van kreeften gevonden. Het grootste verschil tusschen die kreeften en
die van onzen tijd is in hare kracht gelegen. Hare scharen, van scherpe tanden voorzien,
waren hare natuurlijke verdedigingsmiddelen, die zij noodig hadden tegen de
vraatzuchtige monsters, die de wateren onveilig maakten.
De visschen schijnen weinig vooruit gegaan te zijn. Zij behooren bijna uitsluitend tot de
placoïden en de glansschubbigen.
Onder de visschen der triasperiode kunnen wij den ceratodus als type der periode
beschouwen, een vreemd type, van kieuwen voorzien als de gewone visschen en van
longen, zooals de in de lucht ademende dieren, en van platte, aan de kanten diep
ingesneden tanden. Het merkwaardigst is, dat die visch nog in onzen tijd bestaat, en
onlangs is teruggevonden in de rivieren van Australië, waar hij eene lengte van 1,20
meters bereikt.
Fig. 206. De dicynodon, een kruipend dier der triasperiode (Zuid-Afrika).
De hoogst ontwikkelde gewervelde dieren der triasformatie zijn de amphibiën en de
kruipende dieren. Men heeft nog geen flauw vermoeden van den hond, den aap of den
mensch. De labyrinthodonten, die wij tijdens de permische periode hebben leeren
kennen, blijven de heerschers der wereld: het chirotherium, de trematosaurus, de
zijner eerste voedingsmiddelen uitmaken aan den oever der zee.
Bij de gelede dieren vindt men nu onder de schaaldieren de schaalkreeften of
tienpootigen, waartoe de macruren (langstaarten) behooren. Men heeft geheele goed
bewaarde schilden van kreeften gevonden. Het grootste verschil tusschen die kreeften en
die van onzen tijd is in hare kracht gelegen. Hare scharen, van scherpe tanden voorzien,
waren hare natuurlijke verdedigingsmiddelen, die zij noodig hadden tegen de
vraatzuchtige monsters, die de wateren onveilig maakten.
De visschen schijnen weinig vooruit gegaan te zijn. Zij behooren bijna uitsluitend tot de
placoïden en de glansschubbigen.
Onder de visschen der triasperiode kunnen wij den ceratodus als type der periode
beschouwen, een vreemd type, van kieuwen voorzien als de gewone visschen en van
longen, zooals de in de lucht ademende dieren, en van platte, aan de kanten diep
ingesneden tanden. Het merkwaardigst is, dat die visch nog in onzen tijd bestaat, en
onlangs is teruggevonden in de rivieren van Australië, waar hij eene lengte van 1,20
meters bereikt.
Fig. 206. De dicynodon, een kruipend dier der triasperiode (Zuid-Afrika).
De hoogst ontwikkelde gewervelde dieren der triasformatie zijn de amphibiën en de
kruipende dieren. Men heeft nog geen flauw vermoeden van den hond, den aap of den
mensch. De labyrinthodonten, die wij tijdens de permische periode hebben leeren
kennen, blijven de heerschers der wereld: het chirotherium, de trematosaurus, de
Page 364
mastodontosaurus enz., vergezeld van de vischhagedissen: den placodus, den
nothosaurus, den simosaurus enz. De dinosauren treden op. Die reusachtige kruipende
dieren hadden zeer sterke achterste ledematen, en hoewel zij aan hunne voorste
ledematen handen hadden met vijf duidelijk te onderscheiden vingers, hadden zij aan
hunne ontzaglijke voeten slechts drie vingers (de beide andere vingers blijven
verborgen) Tot die groep van kruipende dieren der triasperiode, die in vertikalen stand
liepen, behooren de megadactylus, de clepsysaurus, de bathygnathus enz. en
waarschijnlijk ook het brontozoön, waarvan wij zoo aanstonds (blz. 359) een afdruksel
geven, tegelijk met regendroppels, die zeker juist gevallen zijn op het oogenblik, dat het
dier daar voorbijtrok, en dus tegelijk versteend zijn. Dat afdruksel is gevonden in de
zandsteen der bovenste triasformatie. Die schijnbaar niets bijzonders vertoonende steen
is dus voor ons als het ware eene photografie van een tooneel uit een reeds lang
vervlogen tijd. Het is, als zag men het ontzaglijke kruipende dier reusachtige stappen
doen, en door den storm overvallen, langs de oppervlakte van de kust voortrennen, het
afdruksel zijner stappen achterlatend op de zachte klei, die het tot leering van de
geologen der toekomst bewaart.
Fig. 207. De zanglodon, dinosauriër der triasperiode (Europa).
Die pooten met drie teenen hadden oorspronkelijk doen denken aan reusachtige vogels,
en men was er zoo toe gekomen, aan te nemen, dat de vogels reeds in de triasperiode
voorkwamen. Dit wordt dan ook in een aantal handboeken der geologie medegedeeld,
nothosaurus, den simosaurus enz. De dinosauren treden op. Die reusachtige kruipende
dieren hadden zeer sterke achterste ledematen, en hoewel zij aan hunne voorste
ledematen handen hadden met vijf duidelijk te onderscheiden vingers, hadden zij aan
hunne ontzaglijke voeten slechts drie vingers (de beide andere vingers blijven
verborgen) Tot die groep van kruipende dieren der triasperiode, die in vertikalen stand
liepen, behooren de megadactylus, de clepsysaurus, de bathygnathus enz. en
waarschijnlijk ook het brontozoön, waarvan wij zoo aanstonds (blz. 359) een afdruksel
geven, tegelijk met regendroppels, die zeker juist gevallen zijn op het oogenblik, dat het
dier daar voorbijtrok, en dus tegelijk versteend zijn. Dat afdruksel is gevonden in de
zandsteen der bovenste triasformatie. Die schijnbaar niets bijzonders vertoonende steen
is dus voor ons als het ware eene photografie van een tooneel uit een reeds lang
vervlogen tijd. Het is, als zag men het ontzaglijke kruipende dier reusachtige stappen
doen, en door den storm overvallen, langs de oppervlakte van de kust voortrennen, het
afdruksel zijner stappen achterlatend op de zachte klei, die het tot leering van de
geologen der toekomst bewaart.
Fig. 207. De zanglodon, dinosauriër der triasperiode (Europa).
Die pooten met drie teenen hadden oorspronkelijk doen denken aan reusachtige vogels,
en men was er zoo toe gekomen, aan te nemen, dat de vogels reeds in de triasperiode
voorkwamen. Dit wordt dan ook in een aantal handboeken der geologie medegedeeld,
Page 365
waarin die sporen dan ook afdruksels van de stappen van vogels genoemd worden. Maar
men heeft in die lagen geenen enkelen versteenden vogel gevonden, en bovendien kent
men de tweepootige kruipende dieren, welke die sporen van hunnen doortocht kunnen
hebben nagelaten. Trouwens anders zoude uit de grootte dier afdruksels volgen, dat de
vogels reeds bij hun ontstaan eene verbazende grootte moeten gehad hebben. De vogels
treden eerst in de Juraperiode op.
Onder de kruipende dieren der triasformatie vindt men de theriodonten, de voorloopers
der vogelbekdieren.
De dinosauriërs en de vischhagedissen zullen als vorsten heerschen gedurende de
Juraperiode, en wij zullen dan ook in het hoofdstuk over de Juraperiode eene
afzonderlijke studie aan die dieren wijden. Toch kunnen wij reeds nu tot leering onzer
lezers diegenen onder deze bespreken, welke tot de triasperiode behooren. Onder andere
zal men in fig. 205 de capitosauren vinden, die in voorkomen en gang evenals de overige
labyrinthodonten het midden hielden tusschen de krokodillen en de salamanders. Die
diersoort kwam zeer veel voor van de permische tot aan de keuperperiode. De belodon,
één der eerste krokodilachtige dieren, onderscheidde zich door zijne zijdelingsche
afplatting en de hoogte der bovenkaak, waarvan het uiteinde haakvormig omgebogen
was. De tanden waren vertikaal en kegelvormig, terwijl het lichaam voorzien was van
een schild, dat nog veel sterker was dan dat der krokodillen. Hij is alleen gevonden in de
bovenste keuperformatie van Wurtemberg.
De nothosauren, de voorloopers der plesiosauren, komen gedurende de geheele
triasperiode voor. De nothosaurus mirabilis wordt vooral in de schelpkalk gevonden. Het
is waarschijnlijk, dat hij, hoewel een zeedier, steeds de kusten naderde en de stroomen
opzwom.
De dicynodonten hebben eenigszins overeenkomst met de schildpadden door den vorm
van den kop, met uitzondering van de snijtanden, die aan die der zoogdieren herinneren.
In verschillende opzichten naderen zij evenveel tot de zoogdieren als tot de kruipende
dieren.
De zanglodon, tijdgenoot van den belodon en de labyrinthodonten der keuperperiode,
was een reusachtige vleeschetende dinosaurus en tamelijk rijzig van gestalte. Volgens
Kapff en anderen zou de kop, onder den naam teratosaurus bekend en in dezelfde
formaties gevonden, tot eenen zanglodon behooren.
De dieren der triasperiode vertoonden voor het meerendeel vormen, die geheel vreemd
waren aan die van onze tegenwoordige wereld. Het waren in de eerste plaats tweevoetige
dieren, die in grootte en gedaante zeer veel verschilden van het type der tegenwoordige
vogels, doch die bijna alleen bekend zijn door de afdruksels hunner voetstappen, die wel
men heeft in die lagen geenen enkelen versteenden vogel gevonden, en bovendien kent
men de tweepootige kruipende dieren, welke die sporen van hunnen doortocht kunnen
hebben nagelaten. Trouwens anders zoude uit de grootte dier afdruksels volgen, dat de
vogels reeds bij hun ontstaan eene verbazende grootte moeten gehad hebben. De vogels
treden eerst in de Juraperiode op.
Onder de kruipende dieren der triasformatie vindt men de theriodonten, de voorloopers
der vogelbekdieren.
De dinosauriërs en de vischhagedissen zullen als vorsten heerschen gedurende de
Juraperiode, en wij zullen dan ook in het hoofdstuk over de Juraperiode eene
afzonderlijke studie aan die dieren wijden. Toch kunnen wij reeds nu tot leering onzer
lezers diegenen onder deze bespreken, welke tot de triasperiode behooren. Onder andere
zal men in fig. 205 de capitosauren vinden, die in voorkomen en gang evenals de overige
labyrinthodonten het midden hielden tusschen de krokodillen en de salamanders. Die
diersoort kwam zeer veel voor van de permische tot aan de keuperperiode. De belodon,
één der eerste krokodilachtige dieren, onderscheidde zich door zijne zijdelingsche
afplatting en de hoogte der bovenkaak, waarvan het uiteinde haakvormig omgebogen
was. De tanden waren vertikaal en kegelvormig, terwijl het lichaam voorzien was van
een schild, dat nog veel sterker was dan dat der krokodillen. Hij is alleen gevonden in de
bovenste keuperformatie van Wurtemberg.
De nothosauren, de voorloopers der plesiosauren, komen gedurende de geheele
triasperiode voor. De nothosaurus mirabilis wordt vooral in de schelpkalk gevonden. Het
is waarschijnlijk, dat hij, hoewel een zeedier, steeds de kusten naderde en de stroomen
opzwom.
De dicynodonten hebben eenigszins overeenkomst met de schildpadden door den vorm
van den kop, met uitzondering van de snijtanden, die aan die der zoogdieren herinneren.
In verschillende opzichten naderen zij evenveel tot de zoogdieren als tot de kruipende
dieren.
De zanglodon, tijdgenoot van den belodon en de labyrinthodonten der keuperperiode,
was een reusachtige vleeschetende dinosaurus en tamelijk rijzig van gestalte. Volgens
Kapff en anderen zou de kop, onder den naam teratosaurus bekend en in dezelfde
formaties gevonden, tot eenen zanglodon behooren.
De dieren der triasperiode vertoonden voor het meerendeel vormen, die geheel vreemd
waren aan die van onze tegenwoordige wereld. Het waren in de eerste plaats tweevoetige
dieren, die in grootte en gedaante zeer veel verschilden van het type der tegenwoordige
vogels, doch die bijna alleen bekend zijn door de afdruksels hunner voetstappen, die wel
Page 366
viermaal zoo groot zijn als die van den
struisvogel. Het aantal en de schikking der
vingers wijzen bij andere weder op zóó groote
onregelmatigheden, dat men waarlijk niet weet,
hoe ze te verklaren, nu het geraamte niet tot ons
is gekomen. Onder de kruipende dieren
herinneren sommige aan de schildpadden, andere
aan hagedisssen of krokodillen, of wel vertoonen
zij evenals de dicynodonten, wier kaken met
omgebogen slagtanden voorzien waren, de
gemengde kenmerken van die verschillende
groepen.
De dolichosauren, die gedeeltelijk tot de
hagedissen, gedeeltelijk tot de slangen
behoorden, wijzen het tijdstip aan, waarop de
laatste zich van den gemeenschappelijken stam
der hagedisachtigen hebben afgescheiden. Verder
teruggaande, zijn de hagedissen geene Fig. 208. Afdruksels der voetstappen van een
afzonderlijke orde en vindt men typen, die de brontozoön giganteüm (triasperiode) met
hagedissen met de leguanen, en de monitors met afdruksels van waterdroppels.
de krokodillen verbinden. Ook de krokodillen
wijzigen hun skelet, om andere kenmerken aan te
nemen, die men thans alleen in de ongeboren vrucht terugvindt. De labyrinthodonten
naderen tot de kikvorschen en zelfs tot de visschen en behooren, zooals wij zagen, tot de
oudste, merkwaardigste en meest weifelende der oorspronkelijke dierenwereld. De
grootte van hun lichaam, hunne bedekking van beenderige platen, hun gepantserde kop
maken het ons onmogelijk, daarin kikvorschen te zien. Zij ademden op volwassen
leeftijd door longen, liepen op den grond, en waren de opvolgers van andere kruipende
dieren, die meer in het water leefden. Waarschijnlijk vertegenwoordigen zij eenen
bijzonderen toestand, dien alle kruipende dieren doorloopen hebben vóórdat zij
landdieren werden.
Wij moeten hier het volgende opmerken: de permische periode heeft ons de geboorte der
kruipende dieren doen bijwonen; de triasperiode vertoont ons, naast de ontwikkeling der
hagedissen, die van nu af als heerschers optreden, de geboorte der zoogdieren, die zich
door de komst der buideldieren aankondigen.
De geboorte der zoogdieren!... De eerste trede van de ladder, die tot de menschheid
voert.
struisvogel. Het aantal en de schikking der
vingers wijzen bij andere weder op zóó groote
onregelmatigheden, dat men waarlijk niet weet,
hoe ze te verklaren, nu het geraamte niet tot ons
is gekomen. Onder de kruipende dieren
herinneren sommige aan de schildpadden, andere
aan hagedisssen of krokodillen, of wel vertoonen
zij evenals de dicynodonten, wier kaken met
omgebogen slagtanden voorzien waren, de
gemengde kenmerken van die verschillende
groepen.
De dolichosauren, die gedeeltelijk tot de
hagedissen, gedeeltelijk tot de slangen
behoorden, wijzen het tijdstip aan, waarop de
laatste zich van den gemeenschappelijken stam
der hagedisachtigen hebben afgescheiden. Verder
teruggaande, zijn de hagedissen geene Fig. 208. Afdruksels der voetstappen van een
afzonderlijke orde en vindt men typen, die de brontozoön giganteüm (triasperiode) met
hagedissen met de leguanen, en de monitors met afdruksels van waterdroppels.
de krokodillen verbinden. Ook de krokodillen
wijzigen hun skelet, om andere kenmerken aan te
nemen, die men thans alleen in de ongeboren vrucht terugvindt. De labyrinthodonten
naderen tot de kikvorschen en zelfs tot de visschen en behooren, zooals wij zagen, tot de
oudste, merkwaardigste en meest weifelende der oorspronkelijke dierenwereld. De
grootte van hun lichaam, hunne bedekking van beenderige platen, hun gepantserde kop
maken het ons onmogelijk, daarin kikvorschen te zien. Zij ademden op volwassen
leeftijd door longen, liepen op den grond, en waren de opvolgers van andere kruipende
dieren, die meer in het water leefden. Waarschijnlijk vertegenwoordigen zij eenen
bijzonderen toestand, dien alle kruipende dieren doorloopen hebben vóórdat zij
landdieren werden.
Wij moeten hier het volgende opmerken: de permische periode heeft ons de geboorte der
kruipende dieren doen bijwonen; de triasperiode vertoont ons, naast de ontwikkeling der
hagedissen, die van nu af als heerschers optreden, de geboorte der zoogdieren, die zich
door de komst der buideldieren aankondigen.
De geboorte der zoogdieren!... De eerste trede van de ladder, die tot de menschheid
voert.
Page 367
De kruipende dieren, de reuzenhagedissen der secundaire periode, vertegenwoordigen de
kracht. Met de zoogdieren begint de periode van het gevoel.
Beeld der triasperiode (schelpkalk): Chirotherium en nothosaurus.
Al die ontzaglijke hagedissen zijn gedoemd te sterven; zij dragen de vlam van de
verstandelijke ontwikkeling niet met zich; geen dier soorten zal tijdgenoot worden van
den mensch. De nederige buideldieren, die op dit oogenblik het daglicht aanschouwen
onder de zon der triasperiode, zijn de eerste dieren, die de liefde kennen. Tot nu toe
bestond de liefde nog niet op de aarde: plantdieren, weekdieren, schaaldieren, de
oorspronkelijke insecten, visschen, kikvorschen, kruipende dieren hebben niet bemind.
Zij hebben alleen eieren kunnen leggen, die zij zelfs niet eens zelf uitbroeden, en
kracht. Met de zoogdieren begint de periode van het gevoel.
Beeld der triasperiode (schelpkalk): Chirotherium en nothosaurus.
Al die ontzaglijke hagedissen zijn gedoemd te sterven; zij dragen de vlam van de
verstandelijke ontwikkeling niet met zich; geen dier soorten zal tijdgenoot worden van
den mensch. De nederige buideldieren, die op dit oogenblik het daglicht aanschouwen
onder de zon der triasperiode, zijn de eerste dieren, die de liefde kennen. Tot nu toe
bestond de liefde nog niet op de aarde: plantdieren, weekdieren, schaaldieren, de
oorspronkelijke insecten, visschen, kikvorschen, kruipende dieren hebben niet bemind.
Zij hebben alleen eieren kunnen leggen, die zij zelfs niet eens zelf uitbroeden, en
Page 368
waarvoor zij de zorg aan de natuur overlaten. De eerste zoogdieren leggen bijna geene
eieren meer. Wij zeggen bijna, want de ornithorhynchus legt nog eieren. Doch
geleidelijk brengen de dieren levende jongen voort in plaats van eieren te leggen.
Nederig begin! Zoogdieren zonder melkklieren. Jongen, die ter wereld komen als het
ware als eieren zonder schaal en die eerst na hunne geboorte voldragen zijn! De natuur
wil ons ook hier weder de langzame ontwikkeling der schepping doen kennen. Het eerst
zijn fossiele overblijfselen van zoogdieren uit de secundaire periode ontdekt in het jaar
1818 in de Juraformatie van Stonesfield bij Oxford. Men vond daar eene kaak, die door
Cuvier herkend werd als te behooren tot een klein zoogdier van de klasse der
buideldieren; die ontdekking verwekte de algemeene verbazing der geologen, daar deze
het onmogelijk geacht hadden, dat er vóór de tertiaire periode zoogdieren zouden
bestaan hebben. Owen merkte op, dat de soort, waartoe die kaak behoord had, groote
verwantschap had met een Australisch buideldier, den myrmecobius. In diezelfde
formatie te Stonesfield vindt men evenzoo eene kaak van eenen opossum, en in 1854
werd daar nog eene andere ontdekt, die tot eene geheel verschillende soort had behoord,
waaraan men den naam van stereognathus gaf. In 1847 vond men in de bovenste
triaslaag van Stuttgart den tand van een klein zoogdier, microlestes genaamd. Sedert dien
tijd heeft men zoowel daar, als in het bovenste trias van Somersetshire en in Noord-
Carolina eenige andere fossiele kaken gevonden, die hadden toebehoord aan kleine
buideldieren of aan lager staande insecteneters. De kaak van een diomatherium silvestre
(een klein buideldier) is door den Amerikaanschen geoloog Emons in de roode zandsteen
van Noord Amerika gevonden. Onze lezers weten, dat de buideldieren tot de meest
onvolkomen en de oudste klasse der zoogdieren behooren, en dat de laagste orde der
zoogdieren, de vogelbekdieren, thans nog slechts vertegenwoordigd worden door twee
soorten, die in Nieuw-Holland en Van-Diemensland gevonden worden: den
ornithorhynchus en de echidna hystrix. Zij zijn de laatst overblijvenden van eene eertijds
talrijke groep, die tijdens de secundaire periode de eenige vertegenwoordigster was van
de zoogdieren, en waaruit door langzame ontwikkeling en splitsing alle latere
zoogdieren zijn voortgekomen.
De buideldieren hebben hunnen naam te danken aan
eenen buidel of zak, dien het wijfje aan de onderzijde
van den buik draagt, en waarin de jongen nog langen
tijd na hunne geboorte blijven. In dien zak bevinden
zich twee melkklieren, waaraan zich de jonggeborenen Fig. 210. Oudste overblijfsel van een
vasthechten. De jongen komen bij de buideldieren zoogdier. Onderkaak van een dromatherium
veel onvolkomener ter wereld, dan dit gewoonlijk bij silvestre.
de zoogdieren het geval is. Zij zijn naakt, blind en
doof en blijven zóólang in dien buidel, totdat hunne
ledematen en hunne zintuigen voldoende ontwikkeld zijn. De buidel is dus als het ware
eene tweede baarmoeder, waarin de ontwikkeling voltooid wordt. Als de jongen eene
eieren meer. Wij zeggen bijna, want de ornithorhynchus legt nog eieren. Doch
geleidelijk brengen de dieren levende jongen voort in plaats van eieren te leggen.
Nederig begin! Zoogdieren zonder melkklieren. Jongen, die ter wereld komen als het
ware als eieren zonder schaal en die eerst na hunne geboorte voldragen zijn! De natuur
wil ons ook hier weder de langzame ontwikkeling der schepping doen kennen. Het eerst
zijn fossiele overblijfselen van zoogdieren uit de secundaire periode ontdekt in het jaar
1818 in de Juraformatie van Stonesfield bij Oxford. Men vond daar eene kaak, die door
Cuvier herkend werd als te behooren tot een klein zoogdier van de klasse der
buideldieren; die ontdekking verwekte de algemeene verbazing der geologen, daar deze
het onmogelijk geacht hadden, dat er vóór de tertiaire periode zoogdieren zouden
bestaan hebben. Owen merkte op, dat de soort, waartoe die kaak behoord had, groote
verwantschap had met een Australisch buideldier, den myrmecobius. In diezelfde
formatie te Stonesfield vindt men evenzoo eene kaak van eenen opossum, en in 1854
werd daar nog eene andere ontdekt, die tot eene geheel verschillende soort had behoord,
waaraan men den naam van stereognathus gaf. In 1847 vond men in de bovenste
triaslaag van Stuttgart den tand van een klein zoogdier, microlestes genaamd. Sedert dien
tijd heeft men zoowel daar, als in het bovenste trias van Somersetshire en in Noord-
Carolina eenige andere fossiele kaken gevonden, die hadden toebehoord aan kleine
buideldieren of aan lager staande insecteneters. De kaak van een diomatherium silvestre
(een klein buideldier) is door den Amerikaanschen geoloog Emons in de roode zandsteen
van Noord Amerika gevonden. Onze lezers weten, dat de buideldieren tot de meest
onvolkomen en de oudste klasse der zoogdieren behooren, en dat de laagste orde der
zoogdieren, de vogelbekdieren, thans nog slechts vertegenwoordigd worden door twee
soorten, die in Nieuw-Holland en Van-Diemensland gevonden worden: den
ornithorhynchus en de echidna hystrix. Zij zijn de laatst overblijvenden van eene eertijds
talrijke groep, die tijdens de secundaire periode de eenige vertegenwoordigster was van
de zoogdieren, en waaruit door langzame ontwikkeling en splitsing alle latere
zoogdieren zijn voortgekomen.
De buideldieren hebben hunnen naam te danken aan
eenen buidel of zak, dien het wijfje aan de onderzijde
van den buik draagt, en waarin de jongen nog langen
tijd na hunne geboorte blijven. In dien zak bevinden
zich twee melkklieren, waaraan zich de jonggeborenen Fig. 210. Oudste overblijfsel van een
vasthechten. De jongen komen bij de buideldieren zoogdier. Onderkaak van een dromatherium
veel onvolkomener ter wereld, dan dit gewoonlijk bij silvestre.
de zoogdieren het geval is. Zij zijn naakt, blind en
doof en blijven zóólang in dien buidel, totdat hunne
ledematen en hunne zintuigen voldoende ontwikkeld zijn. De buidel is dus als het ware
eene tweede baarmoeder, waarin de ontwikkeling voltooid wordt. Als de jongen eene
Page 369
zekere ontwikkeling verkregen hebben, laten zij de melkklieren los zonder daarom nog
den buidel te verlaten. Indien zij dien van tijd tot tijd verlaten, keeren zij daarin weder
spoedig terug, en men mag zeggen, dat zij in dien buidel hunne geheele kindsheid
doorbrengen. Bij verscheidene dieren van die orde duurt de zwangerschap niet langer
dan ééne maand, terwijl het jonge individu nog zeven tot acht maanden in den buidel
blijft vertoeven. Bij de reuzenkangoeroe verloopen er zeven maanden van het oogenblik,
waarop het jong in den zak wordt neergelegd tot dat, waarop het voor het eerst den kop
te voorschijn brengt; en eerst negen weken later komt het voor het eerst uit den zak. De
volgende negen weken leeft de jeugdige kangoeroe nu eens buiten, dan weder in den
buidel.
Tooneel uit de secundaire periode.
Het jong komt den 39sten dag ter wereld. De moeder neemt het in den bek, opent den
buidel met hare voorpooten en hecht het jong aan één der melkklieren vast. Twaalf uren
na de geboorte is de jonge kangoeroe nog slechts 32 millimeters lang, en kan het nog
vergeleken worden met de ongeboren vrucht der overige dieren. Het is eene weeke,
doorschijnende, op eenen worm gelijkende massa; de oogen zijn dicht; de neus en de
ooren nauwelijks aangewezen, de ledematen nog lang niet ontwikkeld. Het jong gelijkt
nog in het minst niet op de moeder. De voorste ledematen zijn een derde langer dan de
den buidel te verlaten. Indien zij dien van tijd tot tijd verlaten, keeren zij daarin weder
spoedig terug, en men mag zeggen, dat zij in dien buidel hunne geheele kindsheid
doorbrengen. Bij verscheidene dieren van die orde duurt de zwangerschap niet langer
dan ééne maand, terwijl het jonge individu nog zeven tot acht maanden in den buidel
blijft vertoeven. Bij de reuzenkangoeroe verloopen er zeven maanden van het oogenblik,
waarop het jong in den zak wordt neergelegd tot dat, waarop het voor het eerst den kop
te voorschijn brengt; en eerst negen weken later komt het voor het eerst uit den zak. De
volgende negen weken leeft de jeugdige kangoeroe nu eens buiten, dan weder in den
buidel.
Tooneel uit de secundaire periode.
Het jong komt den 39sten dag ter wereld. De moeder neemt het in den bek, opent den
buidel met hare voorpooten en hecht het jong aan één der melkklieren vast. Twaalf uren
na de geboorte is de jonge kangoeroe nog slechts 32 millimeters lang, en kan het nog
vergeleken worden met de ongeboren vrucht der overige dieren. Het is eene weeke,
doorschijnende, op eenen worm gelijkende massa; de oogen zijn dicht; de neus en de
ooren nauwelijks aangewezen, de ledematen nog lang niet ontwikkeld. Het jong gelijkt
nog in het minst niet op de moeder. De voorste ledematen zijn een derde langer dan de
Page 370
achterste; de staart is kort en tusschen de achterpooten omgebogen. Het hangt aan de
melkklier als eene levenlooze massa, en kan zelfs nog niet zuigen, zoodat de melk op
eene zeer eigenaardige wijze uit de klier in den bek gestort wordt; eerst later begint het
te zuigen.
Zóó voedt het jong zich gedurende acht maanden met de moedermelk; van tijd tot tijd
vertoont het den kop, maar het is nog niet in staat, zich alleen te bewegen. De
natuuronderzoeker Owen nam een jong van vier dagen van de moederborst af, om te
weten of een zoo onvolkomen wezen haar uit zich zelf kon terugvinden, dan wel of de
moeder het weer zelf zou aanleggen. Het resultaat der proefneming was het volgende:
Na het wegnemen van het jong, kwam een droppel wit vocht te voorschijn. Wel werd het
jong onrustig, maar het scheen geene pogingen te doen, om zich weder aan de moeder
vast te hechten, en kon zich volstrekt niet bewegen. Men legde het toen in den zak neder
en liet het weder aan de moeder over. Deze was toen erg rusteloos, bukte zich, krabde
tegen de buitenzijde van den zak, maakte dien met de pooten los, stak er den kop in en
bewoog dien in verschillende richtingen. Eindelijk stierf het jong, zonder dat de moeder
het weder had vastgehecht.
Indien de jonge kangoeroe éénmaal eene zekere grootte bereikt heeft, groeit zij zeer snel.
Zij steekt dan den kop uit en kijkt met hare oogen naar alle zijden rond, beweegt hare
kleine pooten en begint te eten. De moeder verzorgt haar nog steeds zeer teeder, zonder
zich echter zoo bezorgd te maken als vroeger. In den eersten tijd duldt zij niet, dat men
het ziet of betast. Zij jaagt zelfs den vader weg, zoo deze zijne spruit wil zien. Zoodra
het jong echter den kop maar ééns naar buiten gebracht heeft, is de moeder niet meer zoo
bang om het te voorschijn te doen treden. De jeugdige kangoeroe is trouwens zeer
vreesachtig, de minste aanleiding doet haar weder naar den buidel vluchten, waarin zij
alle mogelijke standen inneemt, nu eens komt zij met den kop, dan weder met de
achterpooten of den staart naar buiten. Het is een merkwaardig schouwspel, om te zien,
hoe de moeder, als zij zich verplaatsen wil, het jong dwingt om zich in de diepten van
den buidel te begeven en het daarbij zwakke stooten toebrengt. Na verloop van eenigen
tijd verlaat de jeugdige kangoeroe den buidel en springt zij om de moeder heen, maar bij
het minste gevaar vliegt zij weder hals over kop in den buidel; in een oogenblik draait zij
weder om, en nu zij zeker is tegen elk gevaar beveiligd te zijn, kijkt zij met eenen
grappigen blik naar buiten.
Onder de buideldieren vindt men evenals onder alle families van het dierenrijk de
grootste verscheidenheid van vorm en verstand. De opossum (eene buidelrat) b.v. schijnt
veel meer verstand te bezitten dan de kangoeroe. Audubon geeft van zijne levenswijze
de volgende beschrijving:
„Let op, hoe hij aan den voet van dien reusachtigen boom stil staat en ronddraait om den
stam, om onder de met sneeuw bedekte wortels eene opening te vinden, waarin hij kan
melkklier als eene levenlooze massa, en kan zelfs nog niet zuigen, zoodat de melk op
eene zeer eigenaardige wijze uit de klier in den bek gestort wordt; eerst later begint het
te zuigen.
Zóó voedt het jong zich gedurende acht maanden met de moedermelk; van tijd tot tijd
vertoont het den kop, maar het is nog niet in staat, zich alleen te bewegen. De
natuuronderzoeker Owen nam een jong van vier dagen van de moederborst af, om te
weten of een zoo onvolkomen wezen haar uit zich zelf kon terugvinden, dan wel of de
moeder het weer zelf zou aanleggen. Het resultaat der proefneming was het volgende:
Na het wegnemen van het jong, kwam een droppel wit vocht te voorschijn. Wel werd het
jong onrustig, maar het scheen geene pogingen te doen, om zich weder aan de moeder
vast te hechten, en kon zich volstrekt niet bewegen. Men legde het toen in den zak neder
en liet het weder aan de moeder over. Deze was toen erg rusteloos, bukte zich, krabde
tegen de buitenzijde van den zak, maakte dien met de pooten los, stak er den kop in en
bewoog dien in verschillende richtingen. Eindelijk stierf het jong, zonder dat de moeder
het weder had vastgehecht.
Indien de jonge kangoeroe éénmaal eene zekere grootte bereikt heeft, groeit zij zeer snel.
Zij steekt dan den kop uit en kijkt met hare oogen naar alle zijden rond, beweegt hare
kleine pooten en begint te eten. De moeder verzorgt haar nog steeds zeer teeder, zonder
zich echter zoo bezorgd te maken als vroeger. In den eersten tijd duldt zij niet, dat men
het ziet of betast. Zij jaagt zelfs den vader weg, zoo deze zijne spruit wil zien. Zoodra
het jong echter den kop maar ééns naar buiten gebracht heeft, is de moeder niet meer zoo
bang om het te voorschijn te doen treden. De jeugdige kangoeroe is trouwens zeer
vreesachtig, de minste aanleiding doet haar weder naar den buidel vluchten, waarin zij
alle mogelijke standen inneemt, nu eens komt zij met den kop, dan weder met de
achterpooten of den staart naar buiten. Het is een merkwaardig schouwspel, om te zien,
hoe de moeder, als zij zich verplaatsen wil, het jong dwingt om zich in de diepten van
den buidel te begeven en het daarbij zwakke stooten toebrengt. Na verloop van eenigen
tijd verlaat de jeugdige kangoeroe den buidel en springt zij om de moeder heen, maar bij
het minste gevaar vliegt zij weder hals over kop in den buidel; in een oogenblik draait zij
weder om, en nu zij zeker is tegen elk gevaar beveiligd te zijn, kijkt zij met eenen
grappigen blik naar buiten.
Onder de buideldieren vindt men evenals onder alle families van het dierenrijk de
grootste verscheidenheid van vorm en verstand. De opossum (eene buidelrat) b.v. schijnt
veel meer verstand te bezitten dan de kangoeroe. Audubon geeft van zijne levenswijze
de volgende beschrijving:
„Let op, hoe hij aan den voet van dien reusachtigen boom stil staat en ronddraait om den
stam, om onder de met sneeuw bedekte wortels eene opening te vinden, waarin hij kan
Page 371
binnensluipen. Na eenige minuten komt hij weder te voorschijn, een eekhorentje
medeslepend, dat reeds van het leven beroofd is: hij houdt het in den bek, terwijl hij
langzaam den boom opklimt. Blijkbaar vindt hij de laagste takken niet naar zijne gading,
want hij klimt steeds hooger, totdat hij eene plek gevonden heeft, waar hij minder in het
gezicht komt; daar zet hij zich op zijn gemak neder, rolt zijnen langen staart om de
jeugdige takken en verscheurt met zijne scherpe tanden het arme eekhorentje, dat hij met
de klauwen zijner voorpooten vasthoudt.
De schoone lentedagen zijn aangebroken; de boomen vormen krachtige knoppen; maar
de opossum is bijna naakt en schijnt door vasten uitgeput. Hij zoekt de kreken op en
smult nu aan de jeugdige kikkers. Maar de brandnetel begint zijne teere en saprijke
knoppen te ontwikkelen, die hem een kostbaar voedsel opleveren. Het morgengeroep
van den wilden kalkoen doet hem aangenaam aan, want de sluwerd weet, dat hij nu
spoedig de stem van het wijfje zal hooren, en dat hij haar naar haar nest kan volgen om
hare eieren te rooven. En terwijl hij door de bosschen zweeft, nu eens op den grond, dan
weder op de boomen van tak tot tak springend, hoort hij het gekraai van eenen haan; en
zijn hart klopt van genot, als hij zich te binnenbrengt, wat een heerlijk maal hij het
vorige jaar gehad heeft op eene nabijzijnde boerderij. Zachtjes, de oogen wijd geopend,
gaat hij vooruit en verbergt hij zich in het hoenderhok.
Waarom, eerzame landman, hebt gij het vorige jaar zoovele kraaien en raven gedood?
Koop u nu kruit en lood, maak uw geweer schoon, zet uwe vallen gereed en zorg, dat
uwe trage honden trouw waken, want de opossum nadert, de strooper is op weg. Hoort
gij de kreten van uwe kippen? Eéne der beste is door den sluwen dief medegenomen. Gij
loert op vos en uil, en waant u gelukkig, zoo gij hunnen vijand en uwen vriend, de arme
raaf gedood hebt. Nog geen week geleden lagen onder deze groote kip een dozijn eieren;
zij zijn verdwenen, de opossum heeft ze weggestolen.
Het wijfje van den opossum is een voorbeeld van moederliefde. Sla uwen blik in dien
zonderlingen buidel, waar de jongen ieder aan eene melkklier bevestigd zijn. De
zorgzame moeder voedt ze niet alleen, maar beveiligt ze ook tegen den vijand; zij neemt
ze met zich mede, zooals de zeehond haar kroost medevoert, of verbergt ze onder de
bladeren van eenen tulpeboom. Na twee maanden beginnen zij voor zich zelf te kunnen
zorgen, met wijze lessen gaan zij de wereld in. Maar als de pachter den opossum op
heeterdaad heeft betrapt, terwijl hij éénen zijner schoonste hoenders vermoordde, en zich
woedend op het arme dier werpt, rolt het zich tot eenen bal samen. Naarmate de man
woedender wordt, blijft het dier rustiger liggen; eindelijk blijft het onder den voet van
den pachter liggen zonder eenig teeken van leven te geven, met de tong uit den bek, en
de oogen gesloten, totdat zijn beul hem laat liggen in het denkbeeld, dat het dier dood is.
Doch neen! het is niet dood. Het hield zich slechts zoo; nauwelijks heeft de vijand de
hielen gekeerd, of het dier richt zich weer op en vlucht in het bosch.
medeslepend, dat reeds van het leven beroofd is: hij houdt het in den bek, terwijl hij
langzaam den boom opklimt. Blijkbaar vindt hij de laagste takken niet naar zijne gading,
want hij klimt steeds hooger, totdat hij eene plek gevonden heeft, waar hij minder in het
gezicht komt; daar zet hij zich op zijn gemak neder, rolt zijnen langen staart om de
jeugdige takken en verscheurt met zijne scherpe tanden het arme eekhorentje, dat hij met
de klauwen zijner voorpooten vasthoudt.
De schoone lentedagen zijn aangebroken; de boomen vormen krachtige knoppen; maar
de opossum is bijna naakt en schijnt door vasten uitgeput. Hij zoekt de kreken op en
smult nu aan de jeugdige kikkers. Maar de brandnetel begint zijne teere en saprijke
knoppen te ontwikkelen, die hem een kostbaar voedsel opleveren. Het morgengeroep
van den wilden kalkoen doet hem aangenaam aan, want de sluwerd weet, dat hij nu
spoedig de stem van het wijfje zal hooren, en dat hij haar naar haar nest kan volgen om
hare eieren te rooven. En terwijl hij door de bosschen zweeft, nu eens op den grond, dan
weder op de boomen van tak tot tak springend, hoort hij het gekraai van eenen haan; en
zijn hart klopt van genot, als hij zich te binnenbrengt, wat een heerlijk maal hij het
vorige jaar gehad heeft op eene nabijzijnde boerderij. Zachtjes, de oogen wijd geopend,
gaat hij vooruit en verbergt hij zich in het hoenderhok.
Waarom, eerzame landman, hebt gij het vorige jaar zoovele kraaien en raven gedood?
Koop u nu kruit en lood, maak uw geweer schoon, zet uwe vallen gereed en zorg, dat
uwe trage honden trouw waken, want de opossum nadert, de strooper is op weg. Hoort
gij de kreten van uwe kippen? Eéne der beste is door den sluwen dief medegenomen. Gij
loert op vos en uil, en waant u gelukkig, zoo gij hunnen vijand en uwen vriend, de arme
raaf gedood hebt. Nog geen week geleden lagen onder deze groote kip een dozijn eieren;
zij zijn verdwenen, de opossum heeft ze weggestolen.
Het wijfje van den opossum is een voorbeeld van moederliefde. Sla uwen blik in dien
zonderlingen buidel, waar de jongen ieder aan eene melkklier bevestigd zijn. De
zorgzame moeder voedt ze niet alleen, maar beveiligt ze ook tegen den vijand; zij neemt
ze met zich mede, zooals de zeehond haar kroost medevoert, of verbergt ze onder de
bladeren van eenen tulpeboom. Na twee maanden beginnen zij voor zich zelf te kunnen
zorgen, met wijze lessen gaan zij de wereld in. Maar als de pachter den opossum op
heeterdaad heeft betrapt, terwijl hij éénen zijner schoonste hoenders vermoordde, en zich
woedend op het arme dier werpt, rolt het zich tot eenen bal samen. Naarmate de man
woedender wordt, blijft het dier rustiger liggen; eindelijk blijft het onder den voet van
den pachter liggen zonder eenig teeken van leven te geven, met de tong uit den bek, en
de oogen gesloten, totdat zijn beul hem laat liggen in het denkbeeld, dat het dier dood is.
Doch neen! het is niet dood. Het hield zich slechts zoo; nauwelijks heeft de vijand de
hielen gekeerd, of het dier richt zich weer op en vlucht in het bosch.
Page 372
Eene andere soort, de Philander Aeneas (Aeneasrat), leeft alleen op de boomen en komt
alleen op den grond voor de jacht. Hij kan door middel van zijnen langen staart
gemakkelijk klimmen en zich daarmede overal aan vasthechten, en zoodra hij gaat
rusten, begint hij met dien om eenen tak te rollen. Op den grond loopt hij langzaam en
moeilijk; toch kan hij kleine zoogdieren, insecten, schaaldieren, vangen, vooral kreeften,
waarop hij verzot is. Op de takken der boomen vervolgt hij de vogels en plundert hij de
nesten; ook voedt hij zich met vruchten. Somtijds bezoekt hij de hoenderhokken en
doodt hij kippen en duiven.
De jongen worden, als zij half volwassen zijn, op den rug der moeder gedragen, waartoe
zij zich met hunnen staart aan dien der moeder vasthouden. Zelfs als zij bijna geheel
volwassen zijn, en dus de moedermelk niet meer behoeven, blijven zij nog bij hunne
moeder, en vluchten zij op haren rug bij het minste gevaar. Daaraan zijn zij hunnen naam
van Philander Aeneas verschuldigd2. Als de moeder verschrikt is, laat zij een gesis
hooren en verspreidt zij eenen hoogst onaangenamen reuk.
Doch wij mogen niet langer bij die afstammelingen der eerste zoogdieren stilstaan. Het
zij voldoende, als wij hebben aangetoond, hoe laag ontwikkeld zij zijn onder de
levendbarende dieren, en dat zij toch het rijk der hoogere dieren inwijden. De
verstandelijke en zinnelijke vermogens zijn ontstaan, om niet meer te verdwijnen.
1 Onder de merkwaardigste zoutmijnen der wereld behooren die van Wieliezka, bij Krakau, in Polen, aan den voet
der Karpathen. Zij zijn 3000 meters lang en 1200 meters breed en liggen 400 meters onder de oppervlakte van den
grond. Men heeft daarin eene verzameling van groote onderaardsche gewelven, eene ontzaglijk groote stad met
straten, pleinen en hutten voor de mijnwerkers en hun gezin; honderden zijn daarin geboren en eindigen daarin ook
hun leven. Er zijn kleine kapellen voor de godsdienstoefeningen, en enkele gaanderijen zijn hooger en breeder dan
kerken. Men heeft daarin een groot aantal lichten ontstoken, wier vlam overal op de zoutmuren weerkaatsend, deze nu
eens schitterend wit doet schijnen, dan weder in schitterende kleurenpracht. Men vindt er een meer, dat men in eene
roeiboot bezoekt.
De hoeveelheid zout, die men uit die mijnen geput heeft sedert hare ontdekking in het midden der dertiende eeuw,
bedraagt meer dan 600 millioen centenaars.
De zoutmijnen van Zwitserland leveren jaarlijks niet minder dan 590000 centenaars.
2 Men herinnert zich, hoe Aeneas zijnen vader Anchises op den rug wegdroeg.
alleen op den grond voor de jacht. Hij kan door middel van zijnen langen staart
gemakkelijk klimmen en zich daarmede overal aan vasthechten, en zoodra hij gaat
rusten, begint hij met dien om eenen tak te rollen. Op den grond loopt hij langzaam en
moeilijk; toch kan hij kleine zoogdieren, insecten, schaaldieren, vangen, vooral kreeften,
waarop hij verzot is. Op de takken der boomen vervolgt hij de vogels en plundert hij de
nesten; ook voedt hij zich met vruchten. Somtijds bezoekt hij de hoenderhokken en
doodt hij kippen en duiven.
De jongen worden, als zij half volwassen zijn, op den rug der moeder gedragen, waartoe
zij zich met hunnen staart aan dien der moeder vasthouden. Zelfs als zij bijna geheel
volwassen zijn, en dus de moedermelk niet meer behoeven, blijven zij nog bij hunne
moeder, en vluchten zij op haren rug bij het minste gevaar. Daaraan zijn zij hunnen naam
van Philander Aeneas verschuldigd2. Als de moeder verschrikt is, laat zij een gesis
hooren en verspreidt zij eenen hoogst onaangenamen reuk.
Doch wij mogen niet langer bij die afstammelingen der eerste zoogdieren stilstaan. Het
zij voldoende, als wij hebben aangetoond, hoe laag ontwikkeld zij zijn onder de
levendbarende dieren, en dat zij toch het rijk der hoogere dieren inwijden. De
verstandelijke en zinnelijke vermogens zijn ontstaan, om niet meer te verdwijnen.
1 Onder de merkwaardigste zoutmijnen der wereld behooren die van Wieliezka, bij Krakau, in Polen, aan den voet
der Karpathen. Zij zijn 3000 meters lang en 1200 meters breed en liggen 400 meters onder de oppervlakte van den
grond. Men heeft daarin eene verzameling van groote onderaardsche gewelven, eene ontzaglijk groote stad met
straten, pleinen en hutten voor de mijnwerkers en hun gezin; honderden zijn daarin geboren en eindigen daarin ook
hun leven. Er zijn kleine kapellen voor de godsdienstoefeningen, en enkele gaanderijen zijn hooger en breeder dan
kerken. Men heeft daarin een groot aantal lichten ontstoken, wier vlam overal op de zoutmuren weerkaatsend, deze nu
eens schitterend wit doet schijnen, dan weder in schitterende kleurenpracht. Men vindt er een meer, dat men in eene
roeiboot bezoekt.
De hoeveelheid zout, die men uit die mijnen geput heeft sedert hare ontdekking in het midden der dertiende eeuw,
bedraagt meer dan 600 millioen centenaars.
De zoutmijnen van Zwitserland leveren jaarlijks niet minder dan 590000 centenaars.
2 Men herinnert zich, hoe Aeneas zijnen vader Anchises op den rug wegdroeg.
Page 373
Page 374
Tweede hoofdstuk
Page 375
De Juraperiode.
Het Rijk der Reuzenhagedissen.
Wij zijn thans genaderd tot de merkwaardigste van alle perioden, die het optreden van
den mensch op aarde zijn voorafgegaan. Eene onmetelijke zee strekt zich nog over het
grootste gedeelte van Europa en Azië uit, en over groote uitgestrektheden van Afrika en
de beide deelen van Amerika, die thans honderden en duizenden meters boven de
oppervlakte van den Oceaan gelegen zijn. In die zeeën leven reusachtige en
vreemdsoortige dieren, waarvan thans geen enkele afstammeling meer over is. Hoewel
de planeet veel meer tot den tegenwoordigen toestand genaderd is dan in de primaire
periode, schijnt zij in menig opzicht meer van den tegenwoordigen toestand te
verschillen, omdat het leven op de planeet eene vertakking ondergaat, die volstrekt niet
doet vermoeden, wat zij in de tertiaire en quaternaire periode worden zal. Een bewoner
van Mars of van de maan, die onze aarde zoude bezocht hebben ten tijde van de
kruipende dieren van het Juratijdperk, zou niet tot het vermoeden komen, dat eens de
dag zal aanbreken, waarop de bodem der zee, na gerezen te zijn, de verblijfplaats zoude
worden der groote steden, zooals New-York, Londen, Parijs of Weenen. In de zeeën
zwemt de logge ichthyosaurus met zijne ontzaglijke oogen en vreeselijke kaken; de
plesiosaurus met zijnen langen hals, die met zijne lange pooten zwom, in de diepte der
zee onderdook en dadelijk weer op de oppervlakte verscheen; de teleosaurus,
monsterkrokodil van tien meters lengte, wiens gespleten muil, die eene wijdte had van
twee meters, dieren kon verzwelgen zoo groot als ossen; de hyleosaurus, met zijn
gepantserd schild, die de oevers onveilig maakte; terwijl op de eilanden, die uit het water
verrezen waren, aan den voet der heuvels, aan den oever der zeeën, in stroomen en
meren, in de met varens, cycadeën, araucaria’s en verschillende naaldboomen versierde
bosschen, de ontelbare soorten van dinosauriërs leefden, die in de secundaire periode de
zoogdieren der tertiaire periode voorafgingen: atlantosauren, reusachtige grasetende
viervoetige dieren van 30 meters lengte; brontosauren, sauropoden van 15 tot 20 meters;
dicloniën, tweevoetige kruipende dieren van 12 tot 15 meters lengte; stegosauren,
tweevoetige dieren van 10 meters; iguanodons, tweevoetige dieren met de klauwen van
eenen vogel, en de vleeschetende theropoden: de megalosauren, ceratosauren,
labrosauren, amphisauriden, compsognathen enz., kruipende dieren van elke grootte en
gedaante, waarvan enkele half krokodil en half vogel waren, en die van het land en de
zee, de oevers en de bosschen eene fantastische wereld moesten maken, waarvan wij ons
thans geen denkbeeld meer kunnen vormen. En daarboven dan nog de ontzaglijke
pterodactylen met vliezige vleugels, die door de lucht sprongen en zich op de oevers
neerwierpen te midden der woeste kreten dier geheele bevolking, en de ontelbare
tandvogels, die met ontzaglijke snelheid de ruimte doorkliefden om zich op hunne prooi
Het Rijk der Reuzenhagedissen.
Wij zijn thans genaderd tot de merkwaardigste van alle perioden, die het optreden van
den mensch op aarde zijn voorafgegaan. Eene onmetelijke zee strekt zich nog over het
grootste gedeelte van Europa en Azië uit, en over groote uitgestrektheden van Afrika en
de beide deelen van Amerika, die thans honderden en duizenden meters boven de
oppervlakte van den Oceaan gelegen zijn. In die zeeën leven reusachtige en
vreemdsoortige dieren, waarvan thans geen enkele afstammeling meer over is. Hoewel
de planeet veel meer tot den tegenwoordigen toestand genaderd is dan in de primaire
periode, schijnt zij in menig opzicht meer van den tegenwoordigen toestand te
verschillen, omdat het leven op de planeet eene vertakking ondergaat, die volstrekt niet
doet vermoeden, wat zij in de tertiaire en quaternaire periode worden zal. Een bewoner
van Mars of van de maan, die onze aarde zoude bezocht hebben ten tijde van de
kruipende dieren van het Juratijdperk, zou niet tot het vermoeden komen, dat eens de
dag zal aanbreken, waarop de bodem der zee, na gerezen te zijn, de verblijfplaats zoude
worden der groote steden, zooals New-York, Londen, Parijs of Weenen. In de zeeën
zwemt de logge ichthyosaurus met zijne ontzaglijke oogen en vreeselijke kaken; de
plesiosaurus met zijnen langen hals, die met zijne lange pooten zwom, in de diepte der
zee onderdook en dadelijk weer op de oppervlakte verscheen; de teleosaurus,
monsterkrokodil van tien meters lengte, wiens gespleten muil, die eene wijdte had van
twee meters, dieren kon verzwelgen zoo groot als ossen; de hyleosaurus, met zijn
gepantserd schild, die de oevers onveilig maakte; terwijl op de eilanden, die uit het water
verrezen waren, aan den voet der heuvels, aan den oever der zeeën, in stroomen en
meren, in de met varens, cycadeën, araucaria’s en verschillende naaldboomen versierde
bosschen, de ontelbare soorten van dinosauriërs leefden, die in de secundaire periode de
zoogdieren der tertiaire periode voorafgingen: atlantosauren, reusachtige grasetende
viervoetige dieren van 30 meters lengte; brontosauren, sauropoden van 15 tot 20 meters;
dicloniën, tweevoetige kruipende dieren van 12 tot 15 meters lengte; stegosauren,
tweevoetige dieren van 10 meters; iguanodons, tweevoetige dieren met de klauwen van
eenen vogel, en de vleeschetende theropoden: de megalosauren, ceratosauren,
labrosauren, amphisauriden, compsognathen enz., kruipende dieren van elke grootte en
gedaante, waarvan enkele half krokodil en half vogel waren, en die van het land en de
zee, de oevers en de bosschen eene fantastische wereld moesten maken, waarvan wij ons
thans geen denkbeeld meer kunnen vormen. En daarboven dan nog de ontzaglijke
pterodactylen met vliezige vleugels, die door de lucht sprongen en zich op de oevers
neerwierpen te midden der woeste kreten dier geheele bevolking, en de ontelbare
tandvogels, die met ontzaglijke snelheid de ruimte doorkliefden om zich op hunne prooi
Page 376
te werpen ... en wij hebben een zwak beeld van het schouwspel, dat onze planeet moet
hebben aangeboden in die lang vervlogen eeuwen.
Fig. 212. Tooneel uit de Juraperiode. Ichthyosaurus, plesiosaurus, pterodactylus.
Terecht wordt die periode het tijdperk der kruipende dieren genoemd. En toch, hoever
zijn die wezens niet in vorm en gewoonten verwijderd van de kruipende dieren van
onzen tijd! Die dieren kropen niet. Het waren geen slangen of adders; het waren veeleer
reusachtige hagedissen, waarvan sommige op vier pooten, andere bij voorkeur op hunne
achterpooten liepen en den vertikalen stand aannamen, en dat wel hagedissen van 10, 15,
20, 30 meters lengte! Die kruipende dieren met hunne ontzaglijke ledematen waren de
voorouders van de krokodillen en de hagedissen der tertiaire periode. De pooten zijn
langzamerhand verdwenen.—Ook de vogels hadden de kruipende dieren tot voorouders.
Die zoo rijke Juraperiode heeft zich over een zeer groot tijdvak uitgestrekt. Onmiddellijk
na de laatste triaslagen heeft zich eerst zandsteen afgezet, daarna mergel met koolzure
kalk vermengd. Men vindt daarin vele fossielen, vooral schelpen, ammonieten enz. Die
eerste lagen heeten lias of zwarte Jura. Daarboven hebben zich lagen van eenen anderen
aard afgezet, voornamelijk fijnkorrelig kalksteen, dat doet denken aan eene verzameling
hebben aangeboden in die lang vervlogen eeuwen.
Fig. 212. Tooneel uit de Juraperiode. Ichthyosaurus, plesiosaurus, pterodactylus.
Terecht wordt die periode het tijdperk der kruipende dieren genoemd. En toch, hoever
zijn die wezens niet in vorm en gewoonten verwijderd van de kruipende dieren van
onzen tijd! Die dieren kropen niet. Het waren geen slangen of adders; het waren veeleer
reusachtige hagedissen, waarvan sommige op vier pooten, andere bij voorkeur op hunne
achterpooten liepen en den vertikalen stand aannamen, en dat wel hagedissen van 10, 15,
20, 30 meters lengte! Die kruipende dieren met hunne ontzaglijke ledematen waren de
voorouders van de krokodillen en de hagedissen der tertiaire periode. De pooten zijn
langzamerhand verdwenen.—Ook de vogels hadden de kruipende dieren tot voorouders.
Die zoo rijke Juraperiode heeft zich over een zeer groot tijdvak uitgestrekt. Onmiddellijk
na de laatste triaslagen heeft zich eerst zandsteen afgezet, daarna mergel met koolzure
kalk vermengd. Men vindt daarin vele fossielen, vooral schelpen, ammonieten enz. Die
eerste lagen heeten lias of zwarte Jura. Daarboven hebben zich lagen van eenen anderen
aard afgezet, voornamelijk fijnkorrelig kalksteen, dat doet denken aan eene verzameling
Page 377
visscheneieren. Daarom heet die kalksteen ook wel: oölithisch (ᾠόν, ei en λίθος, steen).
De formatie der Juraperiode kan dus in twee hoofdafdeelingen verdeeld worden, de lias
en de oölithische formatie. Ieder dier hoofdverdeelingen kan weder onderverdeeld
worden, want er zijn een groot aantal lagen, die uit een mineralogisch oogpunt en uit het
oogpunt van fossielen onderling zeer verschillen. De voornaamste zijn:
Voornaamste verdeelingen der Juraperiode.
I. Liasformatie.
Zandsteen der Rhetische laag. (Rhetische Alpen) Zwarte
Infraliasformatie Jura.
Onderste liasformatie Sinemurische laag. (Semur)
Middelste liasformatie Charmouthische laag. (Charmouth)
Bovenste liasformatie Toarcische laag. (Thouarsi)
II. Oölithische formatie.
Onderste oölitihische Bathonische (Bath) en Bajocische laag Bruine
formatie (Bayeux) Jura.
Middelste oölitihische 1. Oxfordlaag
formatie 2. Corallische (koralen), sequanische (Seine), Witte
kimmeridische laag Jura.
Bovenste oölitihische Portland en Purbecklaag
formatie
Er zijn nog wel andere verdeelingen; maar wij moeten alles vermijden, wat de zaak
ingewikkelder maakt. Alleen merken wij op, dat de lagen hoe langer zoo helderder
worden, geleidelijk van donker naar wit overgaan, naarmate wij de krijtformatie
naderen, die zooals wij zagen, op de Juraformatie ligt. Vandaar ook de namen: zwarte,
bruine en witte Jura.
De verschillende lagen verschillen naar gelang der plaatsen zeer in dikte. Zoo is b.v. in
het departement der Haute-Marne, dat in de krijtperiode uit het water is verrezen, de
infralias-zandsteenlaag zeer dun, de onderste liaslaag 5 meters dik, de lias 91 meters, en
de bovenste lias 53 meters; de onderste oölitische formatie is op de bergvlakte van
Langres en in Bourgogne 30 meters dik, de oxfordlaag slechts 5 of 6 meters, de mergel-
oölithische laag 70 meters; de koraallaag, (die dikwijls onder de sequanische laag
vermengd is) is daar uiterst dun, de portlandlaag somtijds 80 tot 150 meters.
Daarentegen vindt men de infraliaslaag in Lotharingen 12 meters, te Kédange 24 meters,
in Luxemburg 60, in Scanië 700 meters dik; de onderste lias is in Yorkshire 160 meters
De formatie der Juraperiode kan dus in twee hoofdafdeelingen verdeeld worden, de lias
en de oölithische formatie. Ieder dier hoofdverdeelingen kan weder onderverdeeld
worden, want er zijn een groot aantal lagen, die uit een mineralogisch oogpunt en uit het
oogpunt van fossielen onderling zeer verschillen. De voornaamste zijn:
Voornaamste verdeelingen der Juraperiode.
I. Liasformatie.
Zandsteen der Rhetische laag. (Rhetische Alpen) Zwarte
Infraliasformatie Jura.
Onderste liasformatie Sinemurische laag. (Semur)
Middelste liasformatie Charmouthische laag. (Charmouth)
Bovenste liasformatie Toarcische laag. (Thouarsi)
II. Oölithische formatie.
Onderste oölitihische Bathonische (Bath) en Bajocische laag Bruine
formatie (Bayeux) Jura.
Middelste oölitihische 1. Oxfordlaag
formatie 2. Corallische (koralen), sequanische (Seine), Witte
kimmeridische laag Jura.
Bovenste oölitihische Portland en Purbecklaag
formatie
Er zijn nog wel andere verdeelingen; maar wij moeten alles vermijden, wat de zaak
ingewikkelder maakt. Alleen merken wij op, dat de lagen hoe langer zoo helderder
worden, geleidelijk van donker naar wit overgaan, naarmate wij de krijtformatie
naderen, die zooals wij zagen, op de Juraformatie ligt. Vandaar ook de namen: zwarte,
bruine en witte Jura.
De verschillende lagen verschillen naar gelang der plaatsen zeer in dikte. Zoo is b.v. in
het departement der Haute-Marne, dat in de krijtperiode uit het water is verrezen, de
infralias-zandsteenlaag zeer dun, de onderste liaslaag 5 meters dik, de lias 91 meters, en
de bovenste lias 53 meters; de onderste oölitische formatie is op de bergvlakte van
Langres en in Bourgogne 30 meters dik, de oxfordlaag slechts 5 of 6 meters, de mergel-
oölithische laag 70 meters; de koraallaag, (die dikwijls onder de sequanische laag
vermengd is) is daar uiterst dun, de portlandlaag somtijds 80 tot 150 meters.
Daarentegen vindt men de infraliaslaag in Lotharingen 12 meters, te Kédange 24 meters,
in Luxemburg 60, in Scanië 700 meters dik; de onderste lias is in Yorkshire 160 meters
Page 378
dik; de lias of zwarte Jura van Wurtemberg is 100 meters dik, de onderste oölithische
laag is in de omstreken van Bath 60 meters dik, het klei van Kimmeridge in Lincolnshire
is in twee lagen 350 meters dik.
In het begin der Juraperiode was een groot gedeelte van Europa onder het water
bedolven. Sedert de lang vervlogen tijden der Silurische zee, toen de granietmassa’s van
Bretagne, de Vendée en Auvergne te voorschijn traden en eilanden bijna zonder
plantengroei vormden, is de zee verscheidene malen teruggegaan en weder teruggekeerd.
In de triasperiode strekte zich eene uitgestrekte, in golven uitgesneden binnenzee uit
over Frankrijk, Engeland, Spanje en Italië; die zee strekte zich over Lotharingen, zelfs
tot in Duitschland uit. In het begin der liasperiode was de zee oostwaarts teruggetrokken,
waarbij geheel Frankrijk en een gedeelte van Duitschland droog lag; maar spoedig
bedekt zij weder geheel Frankrijk, en laat zij alleen de eilanden der oude formatie droog,
zonder dat deze met elkander in verbinding staan, zooals Bretagne, de centrale
bergvlakte, de Vogezen en de oorspronkelijke Alpen. Die veranderingen zijn het gevolg
van de dalingen en rijzingen der aardschors, die overeenkomen met die, welke nog thans
plaats grijpen, en die wij vroeger bestudeerd hebben: langzame, geleidelijke
bewegingen, die herhaaldelijk onmerkbaar de gedaante der aarde gewijzigd hebben.
Honderdduizenden jaren zijn in de archieven van de jeugd der aarde verborgen.
In die dagen strekte zich de zee uit over Parijs, Tours, Poitiers, Bordeaux, Genève, Bern,
Bazel, Nancy, Troyes enz. Zij bedekte het geheele gebied, dat zich uitstrekte van Londen
tot Parijs, Brussel, Bordeaux en Marseille.
In het tweede gedeelte der Juraperiode, de oölithische periode, maakt de daling van den
bodem plaats voor eene langzame en geleidelijke rijzing. In het midden dier periode ziet
men de onder de zee bedolven streken, die de eilanden der oorspronkelijke formatie van
elkander scheidden, boven het water uitsteken en de centrale bergvlakte van Frankrijk
verbinden met de Vendée en Bretagne en met de Vogezen en België. Op het einde der
Juraperiode zijn al die streken, die eertijds onder de wateren bedolven waren, tot zekere
hoogte opgeheven.
In Engeland vormen de Juraformaties eene breede strook, die zich over het zuidelijke
gedeelte van Groot-Brittannië uitstrekt, van het noordoosten naar het zuidwesten; die
strook is het verlengde van die, welke rondom het bekken van Parijs gelegen is. De
Jurazee heeft zich dus over dat geheele gedeelte van Engeland evenals over Frankrijk
uitgestrekt.
Maar op het einde der Juraperiode was dat gedeelte van Engeland weder uit het water
verrezen, zooals de Jura, de bergvlakte van Langres en de geheele gordel, waarvan wij
zooeven gesproken hebben. Zelfs waren ook de streken, die thans onder de wateren van
het Kanaal bedolven zijn, boven water, en wel voornamelijk de streek tusschen Portland
laag is in de omstreken van Bath 60 meters dik, het klei van Kimmeridge in Lincolnshire
is in twee lagen 350 meters dik.
In het begin der Juraperiode was een groot gedeelte van Europa onder het water
bedolven. Sedert de lang vervlogen tijden der Silurische zee, toen de granietmassa’s van
Bretagne, de Vendée en Auvergne te voorschijn traden en eilanden bijna zonder
plantengroei vormden, is de zee verscheidene malen teruggegaan en weder teruggekeerd.
In de triasperiode strekte zich eene uitgestrekte, in golven uitgesneden binnenzee uit
over Frankrijk, Engeland, Spanje en Italië; die zee strekte zich over Lotharingen, zelfs
tot in Duitschland uit. In het begin der liasperiode was de zee oostwaarts teruggetrokken,
waarbij geheel Frankrijk en een gedeelte van Duitschland droog lag; maar spoedig
bedekt zij weder geheel Frankrijk, en laat zij alleen de eilanden der oude formatie droog,
zonder dat deze met elkander in verbinding staan, zooals Bretagne, de centrale
bergvlakte, de Vogezen en de oorspronkelijke Alpen. Die veranderingen zijn het gevolg
van de dalingen en rijzingen der aardschors, die overeenkomen met die, welke nog thans
plaats grijpen, en die wij vroeger bestudeerd hebben: langzame, geleidelijke
bewegingen, die herhaaldelijk onmerkbaar de gedaante der aarde gewijzigd hebben.
Honderdduizenden jaren zijn in de archieven van de jeugd der aarde verborgen.
In die dagen strekte zich de zee uit over Parijs, Tours, Poitiers, Bordeaux, Genève, Bern,
Bazel, Nancy, Troyes enz. Zij bedekte het geheele gebied, dat zich uitstrekte van Londen
tot Parijs, Brussel, Bordeaux en Marseille.
In het tweede gedeelte der Juraperiode, de oölithische periode, maakt de daling van den
bodem plaats voor eene langzame en geleidelijke rijzing. In het midden dier periode ziet
men de onder de zee bedolven streken, die de eilanden der oorspronkelijke formatie van
elkander scheidden, boven het water uitsteken en de centrale bergvlakte van Frankrijk
verbinden met de Vendée en Bretagne en met de Vogezen en België. Op het einde der
Juraperiode zijn al die streken, die eertijds onder de wateren bedolven waren, tot zekere
hoogte opgeheven.
In Engeland vormen de Juraformaties eene breede strook, die zich over het zuidelijke
gedeelte van Groot-Brittannië uitstrekt, van het noordoosten naar het zuidwesten; die
strook is het verlengde van die, welke rondom het bekken van Parijs gelegen is. De
Jurazee heeft zich dus over dat geheele gedeelte van Engeland evenals over Frankrijk
uitgestrekt.
Maar op het einde der Juraperiode was dat gedeelte van Engeland weder uit het water
verrezen, zooals de Jura, de bergvlakte van Langres en de geheele gordel, waarvan wij
zooeven gesproken hebben. Zelfs waren ook de streken, die thans onder de wateren van
het Kanaal bedolven zijn, boven water, en wel voornamelijk de streek tusschen Portland
Page 379
en Boulogne. Frankrijk was toen met Engeland verbonden, en daar waar thans de golven
van het Kanaal rollen, strekte zich een vastland uit, met meren bedekt, die aan hunne
oevers eenen rijken plantengroei bezaten, waarbij cycadeën, varens, naaldboomen de
overhand hadden, en die bewoond waren door groote, grasetende, kruipende dieren,
vooral iguanodons, en door buideldieren. Op dat verdwenen land vormde zich de
Purbeckformatie, waarvan het eiland Purbeck, op de Engelsche kust, tegenover
Cherbourg het type is, zoowel uit een geologisch oogpunt als uit het oogpunt der
fossielen.
Terwijl dus het begin der Juraperiode zich kenmerkte door eene daling van den bodem
van een gedeelte van Frankrijk en Engeland, had op het einde dier periode het
omgekeerde plaats, waardoor een deel van Noordelijk Europa uit de wateren verrees.
Vóór die rijzing, tijdens het bestaan der Jurazee, vond men in Frankrijk en Engeland een
groot aantal koralen. De koraalriffen zijn nauw verbonden aan de oölithische formaties.
Het kalkrijke zand, dat door den vloed op de kust der koraalriffen wordt geworpen,
wordt vast door het water, dat er in doordringt; nu eens kleven de korrels licht aan
elkander en kan men er de kalk tusschen herkennen; dan weder is het zand harde kalk
geworden, waarbij men echter nog steeds de kleine zandkorrels herkennen kan. Somtijds
ook is het zand vermengd met keisteentjes, die afkomstig zijn van het eiland, dat het rif
omlijst. Diezelfde formatie vindt men thans nog terug op Ascension en op verscheidene
punten der Stille Zuidzee.
De overblijfselen dier koraalriffen vindt men in de Jura over eene dikte van 40 tot 60
meters (in de omstreken van Gray en Besançon), in Yonne, Provence, in de Beneden-
Alpen, in de omstreken van Grenoble,—waar zij worden vertegenwoordigd door groote
massa’s witte kalksteen, met poliepen vermengd, en hunnen gewonen nasleep van zee-
egels en diceraten—in Noorwegen en in Engeland, waar drie koraallagen duidelijk op de
oxfordlaag gezien worden, op de kust van Weymouth.
Uit het feit, dat de koralen in de Juraperiode in Frankrijk en Engeland voorkwamen,
volgt dat het aequatoriale klimaat zich tot voorbij 55° N.B. uitstrekte, hetgeen niet
mogelijk is, als aan de noordpool ijs gevonden wordt. Ook de fossiele plantengroei leidt
tot diezelfde gevolgtrekking, daar tropische planten, cycadeën en varens toen tot in
Siberië op 71° N.B. voorkwamen. In die periode waren dus de jaargetijden en het
klimaat niet scherp onderscheiden.
Hoe moeielijk het ook wezen moge, om nauwkeurig de tijdstippen van het wijken en
voorwaartsschrijden der zee vast te stellen, zoo mogen wij toch besluiten, dat Europa in
het begin der Juraperiode een archipel was bestaande uit grootere of kleinere eilanden.
Ten tijde van de lias was de centrale bergvlakte van Frankrijk van de Vendée ten westen,
van de Vogezen en een gedeelte der Alpen in het oosten door de zee gescheiden. Op het
van het Kanaal rollen, strekte zich een vastland uit, met meren bedekt, die aan hunne
oevers eenen rijken plantengroei bezaten, waarbij cycadeën, varens, naaldboomen de
overhand hadden, en die bewoond waren door groote, grasetende, kruipende dieren,
vooral iguanodons, en door buideldieren. Op dat verdwenen land vormde zich de
Purbeckformatie, waarvan het eiland Purbeck, op de Engelsche kust, tegenover
Cherbourg het type is, zoowel uit een geologisch oogpunt als uit het oogpunt der
fossielen.
Terwijl dus het begin der Juraperiode zich kenmerkte door eene daling van den bodem
van een gedeelte van Frankrijk en Engeland, had op het einde dier periode het
omgekeerde plaats, waardoor een deel van Noordelijk Europa uit de wateren verrees.
Vóór die rijzing, tijdens het bestaan der Jurazee, vond men in Frankrijk en Engeland een
groot aantal koralen. De koraalriffen zijn nauw verbonden aan de oölithische formaties.
Het kalkrijke zand, dat door den vloed op de kust der koraalriffen wordt geworpen,
wordt vast door het water, dat er in doordringt; nu eens kleven de korrels licht aan
elkander en kan men er de kalk tusschen herkennen; dan weder is het zand harde kalk
geworden, waarbij men echter nog steeds de kleine zandkorrels herkennen kan. Somtijds
ook is het zand vermengd met keisteentjes, die afkomstig zijn van het eiland, dat het rif
omlijst. Diezelfde formatie vindt men thans nog terug op Ascension en op verscheidene
punten der Stille Zuidzee.
De overblijfselen dier koraalriffen vindt men in de Jura over eene dikte van 40 tot 60
meters (in de omstreken van Gray en Besançon), in Yonne, Provence, in de Beneden-
Alpen, in de omstreken van Grenoble,—waar zij worden vertegenwoordigd door groote
massa’s witte kalksteen, met poliepen vermengd, en hunnen gewonen nasleep van zee-
egels en diceraten—in Noorwegen en in Engeland, waar drie koraallagen duidelijk op de
oxfordlaag gezien worden, op de kust van Weymouth.
Uit het feit, dat de koralen in de Juraperiode in Frankrijk en Engeland voorkwamen,
volgt dat het aequatoriale klimaat zich tot voorbij 55° N.B. uitstrekte, hetgeen niet
mogelijk is, als aan de noordpool ijs gevonden wordt. Ook de fossiele plantengroei leidt
tot diezelfde gevolgtrekking, daar tropische planten, cycadeën en varens toen tot in
Siberië op 71° N.B. voorkwamen. In die periode waren dus de jaargetijden en het
klimaat niet scherp onderscheiden.
Hoe moeielijk het ook wezen moge, om nauwkeurig de tijdstippen van het wijken en
voorwaartsschrijden der zee vast te stellen, zoo mogen wij toch besluiten, dat Europa in
het begin der Juraperiode een archipel was bestaande uit grootere of kleinere eilanden.
Ten tijde van de lias was de centrale bergvlakte van Frankrijk van de Vendée ten westen,
van de Vogezen en een gedeelte der Alpen in het oosten door de zee gescheiden. Op het
Page 380
einde der Oxfordperiode breidden die eilanden zich uit en hechtten zij zich aan elkander,
aan de ééne zijde door de landengte van Poitiers, aan de andere zijde door die van Côte-
d’Or. In de koraalperiode hebben de drie bekkens, waarin Frankrijk verdeeld is, dat van
Parijs in het noorden, dat van Aquitanië in het zuidwesten, dat der Rhône in het
zuidoosten geen directe gemeenschap met elkander, daar de zeestraten van Poitiers en
Côte-d’Or afgesloten zijn. Die rijzing, die zoo duidelijk te voorschijn treedt in het
westen en noorden van Frankrijk, wordt nog sterker op het einde der Juraperiode.
Frankrijk wordt met Engeland verbonden, en op de plaats, waar thans het kanaal is, vindt
men een uitgestrekt vastland, waarop de dier- en plantensoorten het karakter vertoonen
van te leven in streken, die niet hoog boven de oppervlakte der zee gelegen waren en die
telkens door de zee overstroomd werden. Toch vindt men er een aantal zoetwaterplanten
en -dieren; de zoetwater- en zeeschelpen wisselen af over eene dikte van 125 meters: de
periode is dus van zeer langen duur geweest. Ook in de Jura waren er zoet watermeren.
Wij zagen zooeven, dat de korallische laag in het zuiden van Frankrijk, Provence,
Beneden-Alpen, Dauphiné vertegenwoordigd wordt door groote massa’s witte kalk, vol
poliepen. De kalk is daar onmiddellijk door krijt bedekt. Hieruit volgt, dat die bodem na
de koraalperiode, in de eeuwen, waarop zich de Kimmeridge- en Portlandformaties
gevormd hebben, buiten het water uitstak en tot aan de periode der krijtformatie boven
water gebleven is.
Op de Juraperiode volgt de krijtperiode. Van het begin dier periode af verandert weder
alles in de verdeeling van land en zee. De rijzing van den bodem van Frankrijk,
Engeland en het noorden van Europa, die de hoofdtrek der oölithische periode is
geweest, houdt op en maakt plaats voor eene beweging in tegengestelden zin. Een groot
gedeelte van Noordelijk Europa daalt weder onder water en er zet zich niets af dan alleen
daar waar de mikroskopische wezens van den Oceaan hunne krachten beproeven.
aan de ééne zijde door de landengte van Poitiers, aan de andere zijde door die van Côte-
d’Or. In de koraalperiode hebben de drie bekkens, waarin Frankrijk verdeeld is, dat van
Parijs in het noorden, dat van Aquitanië in het zuidwesten, dat der Rhône in het
zuidoosten geen directe gemeenschap met elkander, daar de zeestraten van Poitiers en
Côte-d’Or afgesloten zijn. Die rijzing, die zoo duidelijk te voorschijn treedt in het
westen en noorden van Frankrijk, wordt nog sterker op het einde der Juraperiode.
Frankrijk wordt met Engeland verbonden, en op de plaats, waar thans het kanaal is, vindt
men een uitgestrekt vastland, waarop de dier- en plantensoorten het karakter vertoonen
van te leven in streken, die niet hoog boven de oppervlakte der zee gelegen waren en die
telkens door de zee overstroomd werden. Toch vindt men er een aantal zoetwaterplanten
en -dieren; de zoetwater- en zeeschelpen wisselen af over eene dikte van 125 meters: de
periode is dus van zeer langen duur geweest. Ook in de Jura waren er zoet watermeren.
Wij zagen zooeven, dat de korallische laag in het zuiden van Frankrijk, Provence,
Beneden-Alpen, Dauphiné vertegenwoordigd wordt door groote massa’s witte kalk, vol
poliepen. De kalk is daar onmiddellijk door krijt bedekt. Hieruit volgt, dat die bodem na
de koraalperiode, in de eeuwen, waarop zich de Kimmeridge- en Portlandformaties
gevormd hebben, buiten het water uitstak en tot aan de periode der krijtformatie boven
water gebleven is.
Op de Juraperiode volgt de krijtperiode. Van het begin dier periode af verandert weder
alles in de verdeeling van land en zee. De rijzing van den bodem van Frankrijk,
Engeland en het noorden van Europa, die de hoofdtrek der oölithische periode is
geweest, houdt op en maakt plaats voor eene beweging in tegengestelden zin. Een groot
gedeelte van Noordelijk Europa daalt weder onder water en er zet zich niets af dan alleen
daar waar de mikroskopische wezens van den Oceaan hunne krachten beproeven.
Page 381
Fig. 213. De bodem van het kanaal komt op het einde der Juraperiode boven water.
(Buideldieren, cyanodons, vleugelvingerigen, te midden der varens.)
Wij beleven eenen tijd van kalmte, waarin de oneindig kleine wezens op den bodem der
zee werkten en het krijt vormden, dat tot eene dikte van honderden meters bijna
uitsluitend bestaat uit hunne overblijfselen. In Frankrijk bedekte eene uitgestrekte zee
den voet der Jura; die zee was aan de ééne zijde verbonden met de Parijsche zee, aan de
andere zijde met eene zuidelijke zee, die zich tot aan de tegenwoordige Middellandsche
zee uitstrekte. Het zuiden van Frankrijk, dat sedert de koraalperiode boven het water
uitstak, is weder gedaald en maakt weder deel uit van eene uitgestrekte watermassa, die
zich over het geheele zuiden van Europa uitstrekt. In dien tijd belette de centrale
bergvlakte, die geheel boven water uitstak, en die aan de ééne zijde met de Vogezen, aan
de andere zijde met de Vendée verbonden was, de gemeenschap tusschen die
Middellandsche en de Parijsche zee, die zich tot aan het zuiden van Engeland uitstrekte.
Het begin der krijtperiode kenmerkt zich dus door eene groote verandering in de kaart
der aarde en door den terugkeer der zee naar streken, die zij reeds lang had verlaten. Die
inval der zee schijnt zijn maximum te hebben bereikt in de periode van het witte krijt.
Wel doet ons het onderzoek van den bodem de plaatsen kennen, waar het land de plaats
van de zee heeft ingenomen, nadat de bodem der zee gerezen was; maar het is niet zoo
(Buideldieren, cyanodons, vleugelvingerigen, te midden der varens.)
Wij beleven eenen tijd van kalmte, waarin de oneindig kleine wezens op den bodem der
zee werkten en het krijt vormden, dat tot eene dikte van honderden meters bijna
uitsluitend bestaat uit hunne overblijfselen. In Frankrijk bedekte eene uitgestrekte zee
den voet der Jura; die zee was aan de ééne zijde verbonden met de Parijsche zee, aan de
andere zijde met eene zuidelijke zee, die zich tot aan de tegenwoordige Middellandsche
zee uitstrekte. Het zuiden van Frankrijk, dat sedert de koraalperiode boven het water
uitstak, is weder gedaald en maakt weder deel uit van eene uitgestrekte watermassa, die
zich over het geheele zuiden van Europa uitstrekt. In dien tijd belette de centrale
bergvlakte, die geheel boven water uitstak, en die aan de ééne zijde met de Vogezen, aan
de andere zijde met de Vendée verbonden was, de gemeenschap tusschen die
Middellandsche en de Parijsche zee, die zich tot aan het zuiden van Engeland uitstrekte.
Het begin der krijtperiode kenmerkt zich dus door eene groote verandering in de kaart
der aarde en door den terugkeer der zee naar streken, die zij reeds lang had verlaten. Die
inval der zee schijnt zijn maximum te hebben bereikt in de periode van het witte krijt.
Wel doet ons het onderzoek van den bodem de plaatsen kennen, waar het land de plaats
van de zee heeft ingenomen, nadat de bodem der zee gerezen was; maar het is niet zoo
Page 382
eenvoudig, de plaatsen te leeren kennen, die in zee veranderd zijn, daar men nog niet ver
genoeg gevorderd is in het onderzoek van den bodem der zee. Wij kunnen dus den
toestand van Europa voor eene bepaalde geologische periode niet nauwkeurig bepalen.
Al is het immers mogelijk, in kaarten den toestand van Europa te teekenen in de
silurische en de Juraperiode, tijdens de krijtformatie of in het midden der tertiaire
periode, zoo zoude men tusschen die kaarten nog verscheidene andere moeten teekenen,
geheel met de overige verschillend, en die met uitzondering der oorspronkelijke
formaties, die boven de zee zijn blijven uitsteken sedert het begin der silurische periode,
op een groot aantal plaatsen den gedurigen terugkeer en het verdwijnen der zee zouden
moeten aanwijzen.
Indien men toch b.v. de opheffingen der voornaamste bergen beschouwt, zooals de
Alpen, de Pyreneën enz., dan ziet men, dat daar verschillende rijzingen en dalingen
hebben plaats gegrepen. De oorspronkelijke gesteenten der Alpen, graniet, gneiss en
schiefer, dragen geene azoïsche of primaire formaties boven zich: zij waren dus tijdens
de laurentische, cambrische, silurische, devonische en steenkoolperiode reeds uit de zee
opgerezen. In de Permische periode moeten zij gedaald zijn, want zij dragen eene
anthraciet-houdende laag op de kristallijnen lagen. Tijdens de afzetting der Permische
formatie vormden de Alpen eene kuststreek, die daalde om bezinksels van dolomiet, gips
en andere triasgesteenten op te nemen. Die daling was echter niet algemeen, maar alleen
aan enkele plaatsen eigen, en in het begin der Juraperiode neemt men een aantal
schommelingen waar, die eindigen in een volkomen inzinken onder de oppervlakte der
zee. Vervolgens zetten zich op de verzwolgen Alpen de oölithische formaties af, die
volkomen zeevormingen waren, en daarna de formaties der krijtperiode, waarvan alleen
de laatste eene neiging vertoonen om in den vorm van eilanden te verrijzen. Om die
eilanden, die langen tijd weinig ontwikkeld waren, plaatsen zich de eocene zeeformaties,
uit het begin der tertiaire periode. Maar die ketenen blijven stijgen en vormen weldra te
midden der eocene zee een vastland, dat door zijne bewegelijkheid aan groote
afbrokkelingen is blootgesteld en waarvan de overblijfselen zich ophoopen in de lagen
der molasse, die nu eens het karakter draagt eener landformatie, dan weder van eene
zeeformatie, en daardoor de veranderlijkheid der kusten duidelijk aantoont.
Nauwelijks is de molasse vast geworden, of de vervorming bereikt haar toppunt en de
miocene lagen worden sterk geschud zonder dat de pliocene periode, in het begin
waarvan die beweging geschiedt, andere sporen achterlaat dan bezinkingen, door de
bergstroomen afgezet en kleine bekkens van bruinkool op korten afstand daarvan
gelegen. Men ziet dus, dat de opheffing der Alpen een werk van langen adem is geweest,
en dat de verschillende ketenen, waardoor die bergstreek in verschillende deelen
verdeeld is, niet uit denzelfden tijd dagteekenen. De binnenste ketenen behooren tot de
eocene of misschien wel tot de krijtperiode; die welke daarop volgen, tot de miocene, en
die aan den rand tot de pliocene periode. Men wane echter niet, dat er nooit diepe golven
ontstaan zijn, waardoor de zee voortdrong tot de inwendige reeds gevormde ketenen.
genoeg gevorderd is in het onderzoek van den bodem der zee. Wij kunnen dus den
toestand van Europa voor eene bepaalde geologische periode niet nauwkeurig bepalen.
Al is het immers mogelijk, in kaarten den toestand van Europa te teekenen in de
silurische en de Juraperiode, tijdens de krijtformatie of in het midden der tertiaire
periode, zoo zoude men tusschen die kaarten nog verscheidene andere moeten teekenen,
geheel met de overige verschillend, en die met uitzondering der oorspronkelijke
formaties, die boven de zee zijn blijven uitsteken sedert het begin der silurische periode,
op een groot aantal plaatsen den gedurigen terugkeer en het verdwijnen der zee zouden
moeten aanwijzen.
Indien men toch b.v. de opheffingen der voornaamste bergen beschouwt, zooals de
Alpen, de Pyreneën enz., dan ziet men, dat daar verschillende rijzingen en dalingen
hebben plaats gegrepen. De oorspronkelijke gesteenten der Alpen, graniet, gneiss en
schiefer, dragen geene azoïsche of primaire formaties boven zich: zij waren dus tijdens
de laurentische, cambrische, silurische, devonische en steenkoolperiode reeds uit de zee
opgerezen. In de Permische periode moeten zij gedaald zijn, want zij dragen eene
anthraciet-houdende laag op de kristallijnen lagen. Tijdens de afzetting der Permische
formatie vormden de Alpen eene kuststreek, die daalde om bezinksels van dolomiet, gips
en andere triasgesteenten op te nemen. Die daling was echter niet algemeen, maar alleen
aan enkele plaatsen eigen, en in het begin der Juraperiode neemt men een aantal
schommelingen waar, die eindigen in een volkomen inzinken onder de oppervlakte der
zee. Vervolgens zetten zich op de verzwolgen Alpen de oölithische formaties af, die
volkomen zeevormingen waren, en daarna de formaties der krijtperiode, waarvan alleen
de laatste eene neiging vertoonen om in den vorm van eilanden te verrijzen. Om die
eilanden, die langen tijd weinig ontwikkeld waren, plaatsen zich de eocene zeeformaties,
uit het begin der tertiaire periode. Maar die ketenen blijven stijgen en vormen weldra te
midden der eocene zee een vastland, dat door zijne bewegelijkheid aan groote
afbrokkelingen is blootgesteld en waarvan de overblijfselen zich ophoopen in de lagen
der molasse, die nu eens het karakter draagt eener landformatie, dan weder van eene
zeeformatie, en daardoor de veranderlijkheid der kusten duidelijk aantoont.
Nauwelijks is de molasse vast geworden, of de vervorming bereikt haar toppunt en de
miocene lagen worden sterk geschud zonder dat de pliocene periode, in het begin
waarvan die beweging geschiedt, andere sporen achterlaat dan bezinkingen, door de
bergstroomen afgezet en kleine bekkens van bruinkool op korten afstand daarvan
gelegen. Men ziet dus, dat de opheffing der Alpen een werk van langen adem is geweest,
en dat de verschillende ketenen, waardoor die bergstreek in verschillende deelen
verdeeld is, niet uit denzelfden tijd dagteekenen. De binnenste ketenen behooren tot de
eocene of misschien wel tot de krijtperiode; die welke daarop volgen, tot de miocene, en
die aan den rand tot de pliocene periode. Men wane echter niet, dat er nooit diepe golven
ontstaan zijn, waardoor de zee voortdrong tot de inwendige reeds gevormde ketenen.
Page 383
Men vindt daarvoor het bewijs in het voorkomen van muntschelpen of nummulieten in
het inwendige der westelijke Alpen. De geschiedenis der Oost-Alpen is niet volkomen
dezelfde als die der Zwitsersche Alpen: zij zijn eerst voor goed uit de zee verrezen ten
tijde der bovenste krijtformatie, en zij vormden reeds in de oölithische periode eene
keten van eilanden, waarop de zee in de cenomanische periode langzamerhand inbreuk
maakte. De opheffing der eocene ketenen heeft daar waarschijnlijk eer plaats gegrepen
dan in de centrale Alpen. De grenslijn der beide ketenen lag toen evenals thans in de
Rijnvallei. Van de silurische tot aan de steenkoolperiode, is de streek, gelegen ten oosten
van den Rijn, gedeeltelijk onder water gebleven, terwijl het westen een vastland vormde,
bestaande uit oorspronkelijke gesteenten, en dat waarschijnlijk in verbinding stond met
de Vogezen, de centrale bergvlakte en het Schwarzwald. Daarna dalen de Oostalpen, en
eene rijke triasfauna treedt daar op, terwijl het grootste gedeelte der Westalpen boven
water blijft. Op het einde dier periode overstroomt de Rhetische zee Zwitserland, dat hoe
langer hoe meer daalt. De voornaamste rijzingen der Westalpen zijn het resultaat van
eene rij van geleidelijke bewegingen of schokken, die in de periode der molasse op
elkander gevolgd zijn. Die bewegingen, die op de ruggen der eerste Alpenketenen de
onderste en middelste lagen dier formatie hebben opgeheven, wierpen langzamerhand de
wateren, waarin zich de bovenste lagen vormden, buiten den gordel der bergen, en gaven
het aanzijn aan zoetwaterbekkens, waarin zich de bruinkool afzette.
Evenals de Alpen, zijn ook de Pyreneën de vrucht van telkens hernieuwde beroeringen;
doch de keten is veel eenvoudiger van bouw dan die der Alpen; zij vertoont slechts ééne
enkele massa van oude formaties, die de as der keten vormt, en waarvan de beide
hellingen zeer verschillend zijn samengesteld. De helling aan de Fransche zijde is veel
steiler, dan die aan de zijde van Spanje; de verplaatsingen zijn er talrijk en ingewikkeld.
Aan de Spaansche zijde wijken de bezonken lagen over het algemeen weinig van den
horizontalen stand af. De eerste opheffing schijnt te hebben plaats gegrepen vóór de
afzetting der steenkoollagen, daarna komt eene doorloopende rij van lagen van de
steenkoolafzettignen tot aan de onderste krijtlagen. Hierop schijnt eene nieuwe beweging
gevolgd te zijn, waardoor eene verbreking plaats had tusschen het verband der vorige rij
en die der volgende lagen, van het krijt tot de eoceenformatie. Op het einde der eocene
periode heeft eene beweging plaats, die veel sterker was dan alle vorige, en die aan de
Pyreneën haren voornaamsten vorm geeft. Wij zagen, dat de beslissende opheffing der
Alpen is voorafgegaan door de vorming van verbazende ophoopingen van molasse, die
het bewijs zijn van eenen bodem, die door zijne bewegelijkheid gemakkelijk afgebeten
werd; zoo is ook de opheffing der Pyreneën voorafgegaan door de bezinking van kleine
steentjes. De nummulietlagen zijn tot op verbazende hoogten gebracht in den keten der
Pyreneën, waar zij eene hoogte van 3352 meters bereiken. De voornaamste
omwentelingen in de Pyreneën hebben plaats gegrepen tijdens de vorming der eocene
formaties.
het inwendige der westelijke Alpen. De geschiedenis der Oost-Alpen is niet volkomen
dezelfde als die der Zwitsersche Alpen: zij zijn eerst voor goed uit de zee verrezen ten
tijde der bovenste krijtformatie, en zij vormden reeds in de oölithische periode eene
keten van eilanden, waarop de zee in de cenomanische periode langzamerhand inbreuk
maakte. De opheffing der eocene ketenen heeft daar waarschijnlijk eer plaats gegrepen
dan in de centrale Alpen. De grenslijn der beide ketenen lag toen evenals thans in de
Rijnvallei. Van de silurische tot aan de steenkoolperiode, is de streek, gelegen ten oosten
van den Rijn, gedeeltelijk onder water gebleven, terwijl het westen een vastland vormde,
bestaande uit oorspronkelijke gesteenten, en dat waarschijnlijk in verbinding stond met
de Vogezen, de centrale bergvlakte en het Schwarzwald. Daarna dalen de Oostalpen, en
eene rijke triasfauna treedt daar op, terwijl het grootste gedeelte der Westalpen boven
water blijft. Op het einde dier periode overstroomt de Rhetische zee Zwitserland, dat hoe
langer hoe meer daalt. De voornaamste rijzingen der Westalpen zijn het resultaat van
eene rij van geleidelijke bewegingen of schokken, die in de periode der molasse op
elkander gevolgd zijn. Die bewegingen, die op de ruggen der eerste Alpenketenen de
onderste en middelste lagen dier formatie hebben opgeheven, wierpen langzamerhand de
wateren, waarin zich de bovenste lagen vormden, buiten den gordel der bergen, en gaven
het aanzijn aan zoetwaterbekkens, waarin zich de bruinkool afzette.
Evenals de Alpen, zijn ook de Pyreneën de vrucht van telkens hernieuwde beroeringen;
doch de keten is veel eenvoudiger van bouw dan die der Alpen; zij vertoont slechts ééne
enkele massa van oude formaties, die de as der keten vormt, en waarvan de beide
hellingen zeer verschillend zijn samengesteld. De helling aan de Fransche zijde is veel
steiler, dan die aan de zijde van Spanje; de verplaatsingen zijn er talrijk en ingewikkeld.
Aan de Spaansche zijde wijken de bezonken lagen over het algemeen weinig van den
horizontalen stand af. De eerste opheffing schijnt te hebben plaats gegrepen vóór de
afzetting der steenkoollagen, daarna komt eene doorloopende rij van lagen van de
steenkoolafzettignen tot aan de onderste krijtlagen. Hierop schijnt eene nieuwe beweging
gevolgd te zijn, waardoor eene verbreking plaats had tusschen het verband der vorige rij
en die der volgende lagen, van het krijt tot de eoceenformatie. Op het einde der eocene
periode heeft eene beweging plaats, die veel sterker was dan alle vorige, en die aan de
Pyreneën haren voornaamsten vorm geeft. Wij zagen, dat de beslissende opheffing der
Alpen is voorafgegaan door de vorming van verbazende ophoopingen van molasse, die
het bewijs zijn van eenen bodem, die door zijne bewegelijkheid gemakkelijk afgebeten
werd; zoo is ook de opheffing der Pyreneën voorafgegaan door de bezinking van kleine
steentjes. De nummulietlagen zijn tot op verbazende hoogten gebracht in den keten der
Pyreneën, waar zij eene hoogte van 3352 meters bereiken. De voornaamste
omwentelingen in de Pyreneën hebben plaats gegrepen tijdens de vorming der eocene
formaties.
Page 384
De beslissende opheffing der Pyreneën heeft dus plaats gegrepen in de eerste eeuwen der
tertiaire periode, tegen het einde der eoceenperiode; hetzelfde is het geval geweest bij de
Apennijnen. De beslissende opheffing der Alpen daarentegen heeft plaats gegrepen in de
laatste eeuwen der tertiaire periode, tegen het einde der miocene periode.
Deze feiten zijn tegenwoordig voldoende vastgesteld. Het kan oppervlakkig moeilijk
schijnen aan te nemen, dat men den betrekkelijken ouderdom der bergen kan lezen in de
archieven der oorspronkelijke wereld, toch zijn de geologen, en met name Leopold von
Buch, Élie de Beaumont en Constant Prevost daarin door hunne uitstekende nasporingen
geslaagd. Men zou bij het zien van eenen berg geneigd zijn te meenen, dat zij uit den
grond is verrezen door eenen verticalen naar boven gerichten druk, op de wijze der
vulkanen. Toch begrijpt men bij eenig nadenken, als men nagaat, dat de aarde bij hare
afkoeling moet zijn samengetrokken, dat dit niet kan geschied zijn zonder dat plooien, of
inwendige leegten of gewelven moeten zijn ontstaan, of ontwrichtingen der schors
moeten hebben plaats gegrepen, die aan de bergen het aanzijn geschonken hebben.
Indien men den bouw der bergen onderzoekt, dan ziet men, dat meesttijds in het midden
van den berg het oorspronkelijke gesteente te voorschijn treedt uit de scheuren der
bezonken lagen, en zoo de toppen vormt. Daar iedere laag, die bezonken is, zich in het
water moet hebben afgezet in meer of minder horizontale lagen, zoo kunnen die lagen
nooit eenen schuinen stand verkregen hebben dan door eene opheffing, die na hare
bezinking heeft plaats gegrepen. De bergketen heeft dus haren vertikalen vorm
verkregen nadat de verschillende lagen afgezet zijn, die zij heeft opgetild, doch vóórdat
de horizontale lagen zijn gevormd, die men op de zijden van den berg vindt. In een vorig
hoofdstuk hebben wij gezien, dat dit nog in onzen tijd op dezelfde wijze geschiedt. De
voornaamste oorzaak van de vorming der bergen is de langzame samentrekking der
aarde. Die vorming der bergen is ook de oorzaak van die aardbevingen, die niet door
vulkanen ontstaan. Bijna overal is ten gevolge van den weeken toestand van de kern de
bodem der planeet in langzame schommeling.
Iedere eeuw wordt de oppervlakte van den bodem op enkele gedeelte opgeheven en op
andere neergedrukt; hetzelfde is met de bedding der zee het geval. Door die
voortdurende veranderingen en door meteorologische oorzaken, zooals regen, wind, eb
en vloed enz. heeft de aardschors telkens nieuwe vormen aangenomen van het oogenblik
af, dat hare oppervlakte bewoond is geworden door bewerktuigde wezens en de bedding
van den Oceaan is opgeheven tot de hoogte der hoogste bergen. Wel duizelen wij,
wanneer wij alle oneffenheden nagaan, die sedert het begin van dat tijdstip in de
aardschors zijn ontstaan; doch als men daarbij rekening houdt met den verbazenden tijd,
waarin die oneffenheden zijn ontstaan, dan behoeven wij geene plotselinge
omwentelingen daarbij aan te nemen. Trouwens het resultaat dier veranderingen is
eigenlijk nog onbeduidend, daar de hoogste bergketenen bijna geene wijziging brengen
in den regelmatigen vorm van den aardbol. De Gorisankar b.v., die eene hoogte heeft
tertiaire periode, tegen het einde der eoceenperiode; hetzelfde is het geval geweest bij de
Apennijnen. De beslissende opheffing der Alpen daarentegen heeft plaats gegrepen in de
laatste eeuwen der tertiaire periode, tegen het einde der miocene periode.
Deze feiten zijn tegenwoordig voldoende vastgesteld. Het kan oppervlakkig moeilijk
schijnen aan te nemen, dat men den betrekkelijken ouderdom der bergen kan lezen in de
archieven der oorspronkelijke wereld, toch zijn de geologen, en met name Leopold von
Buch, Élie de Beaumont en Constant Prevost daarin door hunne uitstekende nasporingen
geslaagd. Men zou bij het zien van eenen berg geneigd zijn te meenen, dat zij uit den
grond is verrezen door eenen verticalen naar boven gerichten druk, op de wijze der
vulkanen. Toch begrijpt men bij eenig nadenken, als men nagaat, dat de aarde bij hare
afkoeling moet zijn samengetrokken, dat dit niet kan geschied zijn zonder dat plooien, of
inwendige leegten of gewelven moeten zijn ontstaan, of ontwrichtingen der schors
moeten hebben plaats gegrepen, die aan de bergen het aanzijn geschonken hebben.
Indien men den bouw der bergen onderzoekt, dan ziet men, dat meesttijds in het midden
van den berg het oorspronkelijke gesteente te voorschijn treedt uit de scheuren der
bezonken lagen, en zoo de toppen vormt. Daar iedere laag, die bezonken is, zich in het
water moet hebben afgezet in meer of minder horizontale lagen, zoo kunnen die lagen
nooit eenen schuinen stand verkregen hebben dan door eene opheffing, die na hare
bezinking heeft plaats gegrepen. De bergketen heeft dus haren vertikalen vorm
verkregen nadat de verschillende lagen afgezet zijn, die zij heeft opgetild, doch vóórdat
de horizontale lagen zijn gevormd, die men op de zijden van den berg vindt. In een vorig
hoofdstuk hebben wij gezien, dat dit nog in onzen tijd op dezelfde wijze geschiedt. De
voornaamste oorzaak van de vorming der bergen is de langzame samentrekking der
aarde. Die vorming der bergen is ook de oorzaak van die aardbevingen, die niet door
vulkanen ontstaan. Bijna overal is ten gevolge van den weeken toestand van de kern de
bodem der planeet in langzame schommeling.
Iedere eeuw wordt de oppervlakte van den bodem op enkele gedeelte opgeheven en op
andere neergedrukt; hetzelfde is met de bedding der zee het geval. Door die
voortdurende veranderingen en door meteorologische oorzaken, zooals regen, wind, eb
en vloed enz. heeft de aardschors telkens nieuwe vormen aangenomen van het oogenblik
af, dat hare oppervlakte bewoond is geworden door bewerktuigde wezens en de bedding
van den Oceaan is opgeheven tot de hoogte der hoogste bergen. Wel duizelen wij,
wanneer wij alle oneffenheden nagaan, die sedert het begin van dat tijdstip in de
aardschors zijn ontstaan; doch als men daarbij rekening houdt met den verbazenden tijd,
waarin die oneffenheden zijn ontstaan, dan behoeven wij geene plotselinge
omwentelingen daarbij aan te nemen. Trouwens het resultaat dier veranderingen is
eigenlijk nog onbeduidend, daar de hoogste bergketenen bijna geene wijziging brengen
in den regelmatigen vorm van den aardbol. De Gorisankar b.v., die eene hoogte heeft
Page 385
van 8840 meters boven de oppervlakte der zee, moet op eene aardglobe van 1,44 meters
middellijn worden voorgesteld door eene zandkorrel van 1 m.m. dikte.
Men kan dus de oneffenheden op de oppervlakte der aarde als uiterst klein beschouwen,
en uit een geologisch oogpunt als van tijdelijken aard, zooals b.v. de vorm en de hoogte
van den kegel van den Vesuvius tusschen twee uitbarstingen. Hoe gering echter die
oneffenheid is in vergelijking der geheele massa, zoo hangt toch de toestand van den
dampkring en het klimaat af van de plaats en de richting dier kleine oneffenheden.
Men kan den ouderdom van eene omwenteling nagaan uit den ouderdom der formaties,
die daardoor gewijzigd worden. Indien twee lagen onmiddellijk op elkander rusten,
zóódanig dat zij beide niet denzelfden hoek met den horizon maken, dan is het duidelijk,
dat men daar te doen heeft met twee afzonderlijke opheffingen, waarvan de ééne heeft
plaats gehad vóór en de andere na de afzetting der jongste laag. Eene breuk is natuurlijk
steeds jonger dan de formatie, die gebroken is, en daarin hebben wij dus reeds eene
benaderde bepaling voor den tijd, waarop de omwenteling moet hebben plaats gegrepen.
Indien zich eene belangrijke keten van hoogten vormt, dan verandert deze den toestand
van het vasteland geheel en al; sommige zeeën worden ver weggeworpen en de kaart der
streek wordt dus daardoor geheel gewijzigd.
Men begrijpt uit het voorgaande, hoe moeilijk de taak is, om ons een denkbeeld te
maken van den vorm der aarde op verschillende tijdstippen. Wij zullen echter hier niet
verder uitweiden over de formaties der tertiaire periode, hoeveel wij ook nog zouden
kunnen mededeelen over de rijzingen en dalingen der Pyreneën, Alpen en andere
bergketenen, of over de veranderingen in den vorm der zeeën en landen. Wij zullen
daarop in het gedeelte, dat over de tertiaire formaties handelt, nog terugkomen. Het was
echter voor ons van belang, om ons een juist denkbeeld te vormen van de geografische
veranderingen, die in den loop der tijden door die rijzingen en dalingen hebben plaats
gegrepen.
Wat onze aandacht het meest trekt in de beschouwing van die vervlogen perioden, is het
leven, waardoor zij werden gekenmerkt; geene enkele periode zoude toch kunnen
wedijveren met die welke wij thans beschouwen, wat betreft de vreemdsoortigheid der
wezens uit dat tijdperk. Nieuwsgierig, doch tevens met huivering, aanschouwen wij de
reusachtige kruipende dieren der Juraperiode, en voornamelijk de ichthyosauren
(vischhagedissen) en de plesiosauren (zeedraken), die het kenmerk zijn van die
dierenwereld.
De kruipende dieren vertegenwoordigen het verledene, eeuwen lang hebben zij als
heerschers over de aardoppervlakte geregeerd; men ziet eene lange rij dieren
verschijnen, die behooren tot geheel verdwenen vormen, in vergelijking waarmede de
thans bestaande kruipende dieren nietige dwergen zijn. Enkele kruipende dieren der
middellijn worden voorgesteld door eene zandkorrel van 1 m.m. dikte.
Men kan dus de oneffenheden op de oppervlakte der aarde als uiterst klein beschouwen,
en uit een geologisch oogpunt als van tijdelijken aard, zooals b.v. de vorm en de hoogte
van den kegel van den Vesuvius tusschen twee uitbarstingen. Hoe gering echter die
oneffenheid is in vergelijking der geheele massa, zoo hangt toch de toestand van den
dampkring en het klimaat af van de plaats en de richting dier kleine oneffenheden.
Men kan den ouderdom van eene omwenteling nagaan uit den ouderdom der formaties,
die daardoor gewijzigd worden. Indien twee lagen onmiddellijk op elkander rusten,
zóódanig dat zij beide niet denzelfden hoek met den horizon maken, dan is het duidelijk,
dat men daar te doen heeft met twee afzonderlijke opheffingen, waarvan de ééne heeft
plaats gehad vóór en de andere na de afzetting der jongste laag. Eene breuk is natuurlijk
steeds jonger dan de formatie, die gebroken is, en daarin hebben wij dus reeds eene
benaderde bepaling voor den tijd, waarop de omwenteling moet hebben plaats gegrepen.
Indien zich eene belangrijke keten van hoogten vormt, dan verandert deze den toestand
van het vasteland geheel en al; sommige zeeën worden ver weggeworpen en de kaart der
streek wordt dus daardoor geheel gewijzigd.
Men begrijpt uit het voorgaande, hoe moeilijk de taak is, om ons een denkbeeld te
maken van den vorm der aarde op verschillende tijdstippen. Wij zullen echter hier niet
verder uitweiden over de formaties der tertiaire periode, hoeveel wij ook nog zouden
kunnen mededeelen over de rijzingen en dalingen der Pyreneën, Alpen en andere
bergketenen, of over de veranderingen in den vorm der zeeën en landen. Wij zullen
daarop in het gedeelte, dat over de tertiaire formaties handelt, nog terugkomen. Het was
echter voor ons van belang, om ons een juist denkbeeld te vormen van de geografische
veranderingen, die in den loop der tijden door die rijzingen en dalingen hebben plaats
gegrepen.
Wat onze aandacht het meest trekt in de beschouwing van die vervlogen perioden, is het
leven, waardoor zij werden gekenmerkt; geene enkele periode zoude toch kunnen
wedijveren met die welke wij thans beschouwen, wat betreft de vreemdsoortigheid der
wezens uit dat tijdperk. Nieuwsgierig, doch tevens met huivering, aanschouwen wij de
reusachtige kruipende dieren der Juraperiode, en voornamelijk de ichthyosauren
(vischhagedissen) en de plesiosauren (zeedraken), die het kenmerk zijn van die
dierenwereld.
De kruipende dieren vertegenwoordigen het verledene, eeuwen lang hebben zij als
heerschers over de aardoppervlakte geregeerd; men ziet eene lange rij dieren
verschijnen, die behooren tot geheel verdwenen vormen, in vergelijking waarmede de
thans bestaande kruipende dieren nietige dwergen zijn. Enkele kruipende dieren der
Page 386
secundaire periode kunnen wij begroeten als de reusachtigste van alle bekende
landdieren; zij waren grooter dan olifanten en walvisschen; men heeft dijbeenderen
gevonden van meer dan twee meters, hetgeen wijst op dieren van eene zóó verbazende
kracht, dat het onze verbeelding te boven gaat. Geheele groepen, waarvan niets in de
tegenwoordige natuur ons een denkbeeld kan geven, hebben de oceanen, het vaste land
of de moerassen bewoond; zij zijn onherroepelijk verdwenen zonder nakomelingen
achter te laten; enkele dier groepen staan zóó geheel op zich zelf, dat zij meer verschillen
van onze tegenwoordige dieren, dan de slang van den krokodil verschilt; reeds thans
kent men honderden soorten van die dieren, die zoo langen tijd op de oppervlakte der
aarde de rol van onze zoogdieren hebben vervuld; men vindt er vleeschetende,
grasetende, insectenetende en vruchtenetende dieren onder; zij zijn overal te vinden, op
het vaste land, in het water en in de lucht. Indien het primaire tijdperk te recht den naam
kon dragen van het tijdperk der visschen, dan kan men van de secundaire periode
zeggen, dat zij de ontwikkeling der kruipende dieren tot hun maximum heeft
bijgewoond.
De vreemde dieren, die als het ware den overgang vormen tusschen de kruipende dieren
en de kikvorschen, sterven voor goed uit in de onderste lagen der Juraformatie; de ware
kruipende dieren bereiken echter hunne hoogste ontwikkeling; zij worden
vertegenwoordigd door alle groote groepen, die wij thans nog hebben, met uitzondering
van de slangen, die eerst optreden als de eerste kruipende dieren hunne pooten verloren
hebben. Bovendien vindt men dieren van een in onze fauna volkomen onbekend type,
die in de krijtperiode weder verdwenen zijn.
Van de kruipende dieren der secundaire periode zijn de ichthyosauren (van ἰχθύς visch
en σαῦρος hagedis) reeds het langst bekend; want Scheuchzer spreekt reeds in 1708 van
wervels in het lias van Altdorf gevonden. De natuur van deze vreemdsoortige wezens is
echter eerst in de eerste helft dezer eeuw bepaald.
De ichthyosauren hadden de wervels van eenen visch, den kop van eene hagedis, den
muil van eenen bruinvisch, de tanden van eenen krokodil, het borstbeen van eenen
ornithorynchus en de vinnen van eenen walvisch. Men kent een groot aantal
verschillende soorten, waarvan enkele van tien tot twaalf meters groot zijn. Men vindt ze
in grooten getale in de Juraformatie, vooral in de onderste lagen. Hun kop was lang en
puntig, met ontzaglijke oogen voorzien, hunne talrijke tanden waren groot, kegelvormig
en puntig; men heeft kaken gevonden met 180 tanden. Zij moeten eenige overeenkomst
gehad hebben met onze tegenwoordige walvisschen.
Zelfs onafhankelijk van de grootte van het monster, moeten de oogen, die de grootte
hadden van een menschenhoofd, het reeds een schrikwekkend aanzien gegeven hebben.
Binnen de oogholte ziet men eenen cirkel, bestaande uit 13 tot 17 beenige platen, die
waarschijnlijk tot steun dienden aan het wit van het oog; het licht werd door de opening
landdieren; zij waren grooter dan olifanten en walvisschen; men heeft dijbeenderen
gevonden van meer dan twee meters, hetgeen wijst op dieren van eene zóó verbazende
kracht, dat het onze verbeelding te boven gaat. Geheele groepen, waarvan niets in de
tegenwoordige natuur ons een denkbeeld kan geven, hebben de oceanen, het vaste land
of de moerassen bewoond; zij zijn onherroepelijk verdwenen zonder nakomelingen
achter te laten; enkele dier groepen staan zóó geheel op zich zelf, dat zij meer verschillen
van onze tegenwoordige dieren, dan de slang van den krokodil verschilt; reeds thans
kent men honderden soorten van die dieren, die zoo langen tijd op de oppervlakte der
aarde de rol van onze zoogdieren hebben vervuld; men vindt er vleeschetende,
grasetende, insectenetende en vruchtenetende dieren onder; zij zijn overal te vinden, op
het vaste land, in het water en in de lucht. Indien het primaire tijdperk te recht den naam
kon dragen van het tijdperk der visschen, dan kan men van de secundaire periode
zeggen, dat zij de ontwikkeling der kruipende dieren tot hun maximum heeft
bijgewoond.
De vreemde dieren, die als het ware den overgang vormen tusschen de kruipende dieren
en de kikvorschen, sterven voor goed uit in de onderste lagen der Juraformatie; de ware
kruipende dieren bereiken echter hunne hoogste ontwikkeling; zij worden
vertegenwoordigd door alle groote groepen, die wij thans nog hebben, met uitzondering
van de slangen, die eerst optreden als de eerste kruipende dieren hunne pooten verloren
hebben. Bovendien vindt men dieren van een in onze fauna volkomen onbekend type,
die in de krijtperiode weder verdwenen zijn.
Van de kruipende dieren der secundaire periode zijn de ichthyosauren (van ἰχθύς visch
en σαῦρος hagedis) reeds het langst bekend; want Scheuchzer spreekt reeds in 1708 van
wervels in het lias van Altdorf gevonden. De natuur van deze vreemdsoortige wezens is
echter eerst in de eerste helft dezer eeuw bepaald.
De ichthyosauren hadden de wervels van eenen visch, den kop van eene hagedis, den
muil van eenen bruinvisch, de tanden van eenen krokodil, het borstbeen van eenen
ornithorynchus en de vinnen van eenen walvisch. Men kent een groot aantal
verschillende soorten, waarvan enkele van tien tot twaalf meters groot zijn. Men vindt ze
in grooten getale in de Juraformatie, vooral in de onderste lagen. Hun kop was lang en
puntig, met ontzaglijke oogen voorzien, hunne talrijke tanden waren groot, kegelvormig
en puntig; men heeft kaken gevonden met 180 tanden. Zij moeten eenige overeenkomst
gehad hebben met onze tegenwoordige walvisschen.
Zelfs onafhankelijk van de grootte van het monster, moeten de oogen, die de grootte
hadden van een menschenhoofd, het reeds een schrikwekkend aanzien gegeven hebben.
Binnen de oogholte ziet men eenen cirkel, bestaande uit 13 tot 17 beenige platen, die
waarschijnlijk tot steun dienden aan het wit van het oog; het licht werd door de opening
Page 387
van den cirkel doorgelaten. Die platen, die men ook vindt in de oogen van verscheidene
vogels, bij de schildpadden en de hagedissen, dienen om het doorschijnende hoornvlies
naar voren of naar achteren te duwen, ten einde zijne kromming te vermeerderen of te
verminderen, en om daardoor het waarnemen van voorwerpen op groote en op kleine
afstanden gemakkelijk te maken, d. i. om het dier naar verkiezing bijziend of verziend te
maken. Van de oogen af neemt de schedel reusachtige afmetingen aan, het voorhoofd
stijgt om van achteren weder af te platten: de beenderen steken in het midden en de
beide zijden tot aan het achterhoofd uit, en laten holten open, die de spieren hielden,
waarmede het dier de lange onderkaak moest bewegen.
De groote kop had eenen machtigen steun noodig; die rol werd door den hals vervuld,
die kort en dik was en waarvan de wervels zich tot binnen in den kop uitstrekten, terwijl
de benedenkaak zich vrij vóór en onder deze bewoog. De wervelkolom wordt van den
kop tot het midden van den rug dikker. De wervels zijn bijna cirkelvormig, plat en
voorzien van uitsnijdingen voor de kraakbeenige banden, waarmede zij onder elkander
verbonden zijn.
Bij de tegenwoordige dieren is het aantal der wervels zóózeer bepaald, dat het tot
onderscheidingsmiddel der verschillende families dient; bij de voorwereldlijke
hagedissen daarentegen is dat aantal niet bepaald, hetgeen wijst op eene onvolkomen
ontwikkeling: er had zich nog geen vast type gevormd; de wervelkolom bestaat nu eens
uit 110, dan weder uit 120, ja zelfs uit 145 wervels, waarvan 45 dienen voor de
inplanting der ribben.
De staart bevat van 80 tot 85 wervels, waarvan de eerste aan weerszijden verlengd zijn,
welke verlengstukken echter al kleiner en kleiner worden. Het achtereinde van den staart
is rond.
De met zwemvliezen voorziene
pooten herinneren aan de vinnen
van den walvisch, met dit
verschil, dat zij meer vingers
bevatten; maar deze bestaan,
evenals de hand van den mensen
(behalve de duim) uit eene rij
Fig. 214. Versteende kop van eenen ichthyosaurus. leden, die door spieren en
kraakbeenige bandspieren aan
elkander verbonden zijn. Die pooten schijnen meer gevormd te zijn tot zwemmen dan tot
loopen, doch zij kunnen voor beide gediend hebben.
De vier ledematen van den ichthyosaurus waren gepantserd als een ijzeren handschoen,
terwijl het overige deel van het lichaam geene wapenrusting ter verdediging bezat.
vogels, bij de schildpadden en de hagedissen, dienen om het doorschijnende hoornvlies
naar voren of naar achteren te duwen, ten einde zijne kromming te vermeerderen of te
verminderen, en om daardoor het waarnemen van voorwerpen op groote en op kleine
afstanden gemakkelijk te maken, d. i. om het dier naar verkiezing bijziend of verziend te
maken. Van de oogen af neemt de schedel reusachtige afmetingen aan, het voorhoofd
stijgt om van achteren weder af te platten: de beenderen steken in het midden en de
beide zijden tot aan het achterhoofd uit, en laten holten open, die de spieren hielden,
waarmede het dier de lange onderkaak moest bewegen.
De groote kop had eenen machtigen steun noodig; die rol werd door den hals vervuld,
die kort en dik was en waarvan de wervels zich tot binnen in den kop uitstrekten, terwijl
de benedenkaak zich vrij vóór en onder deze bewoog. De wervelkolom wordt van den
kop tot het midden van den rug dikker. De wervels zijn bijna cirkelvormig, plat en
voorzien van uitsnijdingen voor de kraakbeenige banden, waarmede zij onder elkander
verbonden zijn.
Bij de tegenwoordige dieren is het aantal der wervels zóózeer bepaald, dat het tot
onderscheidingsmiddel der verschillende families dient; bij de voorwereldlijke
hagedissen daarentegen is dat aantal niet bepaald, hetgeen wijst op eene onvolkomen
ontwikkeling: er had zich nog geen vast type gevormd; de wervelkolom bestaat nu eens
uit 110, dan weder uit 120, ja zelfs uit 145 wervels, waarvan 45 dienen voor de
inplanting der ribben.
De staart bevat van 80 tot 85 wervels, waarvan de eerste aan weerszijden verlengd zijn,
welke verlengstukken echter al kleiner en kleiner worden. Het achtereinde van den staart
is rond.
De met zwemvliezen voorziene
pooten herinneren aan de vinnen
van den walvisch, met dit
verschil, dat zij meer vingers
bevatten; maar deze bestaan,
evenals de hand van den mensen
(behalve de duim) uit eene rij
Fig. 214. Versteende kop van eenen ichthyosaurus. leden, die door spieren en
kraakbeenige bandspieren aan
elkander verbonden zijn. Die pooten schijnen meer gevormd te zijn tot zwemmen dan tot
loopen, doch zij kunnen voor beide gediend hebben.
De vier ledematen van den ichthyosaurus waren gepantserd als een ijzeren handschoen,
terwijl het overige deel van het lichaam geene wapenrusting ter verdediging bezat.
Page 388
Het groote aantal en de dubbelholle oppervlakte der wervels doen ons besluiten, dat het
monster eene grootte vlugheid bezat, waardoor het, hoewel schijnbaar log, gemakkelijk
zijne prooi kon bereiken. Indien de lengte der vier ledematen gering schijnt, dan wijst de
bouw der staartwervels en eene vergelijking met die der visschen met lang lichaam er
op, dat de staart van den ichthyosaurus voorzien was van breede en krachtige vinnen, die
vertikaal stonden, zooals bij al onze visschen, en niet horizontaal zooals bij den
walvisch; men begrijpt, dat hij bij eenen zoo gerekten lichaamsbouw met behulp van
eenen zoodanigen roeiriem het water met snelheid kon doorklieven. In het Museum te
Parijs vindt men eenen ichthyosaurus, waarin zich een kleine volkomen gevormde
ichthyosaurus bevindt. Moeder en kind zijn volkomen goed bewaard gebleven. Dit is een
onwederlegbaar bewijs voor de stelling, dat die kruipende dieren levende jongen
voortbrachten.
Fig. 215. Versteend skelet van eenen ichthyosaurus.
Die ichthyosaurus is door den natuuronderzoeker Chaining Pearce gevonden, in de
liasformatie van Somersetshire; het fossiele skelet lag op den buik. Door de ééne of
andere overstrooming overvallen, was het dier met zand bedekt en toen versteend met al
wat het bevatte, met uitzondering van de zachte gedeelten. Toen men de hard geworden
klei voorzichtig weggenomen had, had men de geheele buikzijde van het monster bloot
gelegd; deze was, evenals het geheele geraamte, volkomen bewaard gebleven.
Doch hoe groot was de verbazing van den natuuronderzoeker, toen hij in de holte van het
bekken van den ichthyosaurus, een ander dier van dezelfde soort, doch in het klein,
ontdekte, wiens skelet met den kop naar den staart van het moederdier gelegen was!
De ontdekking van eene versteende ongeboren vrucht in het versteende lichaam der
moeder was zóó merkwaardig dat men er geen geloof aan wilde hechten, vóórdat men
het feit nauwkeurig had onderzocht; er viel echter aan de juistheid niet te twijfelen.
Zooals wij zagen, is het groote skelet van beneden naar boven losgemaakt, waardoor
reeds het denkbeeld is uitgesloten, als zoude het kleine skelet door aanspoeling daarin
gebracht zijn; evenmin is het aan te nemen, dat het groote skelet op het kleine gevallen
is, dat reeds in de modder begraven zoude geweest zijn, en dit laatste den stand van eene
ongeboren vrucht zoude hebben doen aannemen op het oogenblik der geboorte. De
meening, als zoude het kleine dier door het groote verslonden zijn en zoo gekomen zijn
voor de opening van het darmkanaal, wordt reeds hierdoor wederlegd, dat het jeugdige
monster eene grootte vlugheid bezat, waardoor het, hoewel schijnbaar log, gemakkelijk
zijne prooi kon bereiken. Indien de lengte der vier ledematen gering schijnt, dan wijst de
bouw der staartwervels en eene vergelijking met die der visschen met lang lichaam er
op, dat de staart van den ichthyosaurus voorzien was van breede en krachtige vinnen, die
vertikaal stonden, zooals bij al onze visschen, en niet horizontaal zooals bij den
walvisch; men begrijpt, dat hij bij eenen zoo gerekten lichaamsbouw met behulp van
eenen zoodanigen roeiriem het water met snelheid kon doorklieven. In het Museum te
Parijs vindt men eenen ichthyosaurus, waarin zich een kleine volkomen gevormde
ichthyosaurus bevindt. Moeder en kind zijn volkomen goed bewaard gebleven. Dit is een
onwederlegbaar bewijs voor de stelling, dat die kruipende dieren levende jongen
voortbrachten.
Fig. 215. Versteend skelet van eenen ichthyosaurus.
Die ichthyosaurus is door den natuuronderzoeker Chaining Pearce gevonden, in de
liasformatie van Somersetshire; het fossiele skelet lag op den buik. Door de ééne of
andere overstrooming overvallen, was het dier met zand bedekt en toen versteend met al
wat het bevatte, met uitzondering van de zachte gedeelten. Toen men de hard geworden
klei voorzichtig weggenomen had, had men de geheele buikzijde van het monster bloot
gelegd; deze was, evenals het geheele geraamte, volkomen bewaard gebleven.
Doch hoe groot was de verbazing van den natuuronderzoeker, toen hij in de holte van het
bekken van den ichthyosaurus, een ander dier van dezelfde soort, doch in het klein,
ontdekte, wiens skelet met den kop naar den staart van het moederdier gelegen was!
De ontdekking van eene versteende ongeboren vrucht in het versteende lichaam der
moeder was zóó merkwaardig dat men er geen geloof aan wilde hechten, vóórdat men
het feit nauwkeurig had onderzocht; er viel echter aan de juistheid niet te twijfelen.
Zooals wij zagen, is het groote skelet van beneden naar boven losgemaakt, waardoor
reeds het denkbeeld is uitgesloten, als zoude het kleine skelet door aanspoeling daarin
gebracht zijn; evenmin is het aan te nemen, dat het groote skelet op het kleine gevallen
is, dat reeds in de modder begraven zoude geweest zijn, en dit laatste den stand van eene
ongeboren vrucht zoude hebben doen aannemen op het oogenblik der geboorte. De
meening, als zoude het kleine dier door het groote verslonden zijn en zoo gekomen zijn
voor de opening van het darmkanaal, wordt reeds hierdoor wederlegd, dat het jeugdige
Page 389
dier zóó teer is, dat zijn geraamte in de maag van het groote monster zou moeten
verbrijzeld zijn, zelfs nog aannemende, dat de tanden het ongedeerd gelaten hadden. Wij
mogen hier opmerken, dat het levendbaren den vischhagedissen eigen is; de haaien baren
eveneens levende jongen, evenals verschillende soorten van slangen, de salamanders en
enkele andere kruipende dieren.
Indien wij zoo de sporen van dit lang vervlogen leven
terugvinden, indien wij in het lichaam van den ichthyosaurus het
voedsel terugvinden, dat hij een oogenblik vóór zijnen dood
inzwelgde, indien wij daarin nog de overblijfselen zien van
visschen, voor honderden millioenen jaren verslonden, dan
verdwijnt die onmetelijke tijdsruimte voor onzen geest, en dan
vinden wij ons als het ware in onmiddellijke aanraking met alle
gebeurtenissen, die toen ten tijde hebben plaats gevonden, als
waren zij eerst onlangs geschied.1
Fig. 217.
Opmerkelijk is het, dat men geene ichthyosauren gevonden heeft
Tand van
in de secundaire formaties van de Vereenigde Staten van
eenen
Amerika. In 1879 vond echter professor Marsh een exemplaar
Fig. 216. Tand plesiosaurus.
van drie meters lengte, afkomstig uit de Juraformatie van het
van eenen
Rotsgebergte, maar zonder tanden. De wervels, de ribben en de
ichthyosaurus
overige deelen van het skelet konden nauwelijks onderscheiden worden van
.
de overeen-komstige deelen van eenen ichthyosaurus, en ook de schedel
kwam in velerlei opzicht met dien van den laatsten overeen. En toch waren
er geene tanden aanwezig; zelfs werden de tandholten gemist. De geleerde paleontoloog
stelt voor, de nieuwe hagedis „Sauranodon” of tandlooze hagedis te noemen.
Hoewel men reeds, zooals wij zagen, sedert 1708 fossiele overblijfselen van
ichthyosauren had onderzocht, heeft men ze eerst sedert 1814 bestudeerd; in dat jaar gaf
Sir Everard Home zijne eerste onderzoekingen in het licht over de beenderen, die in het
lias van Dorset gevonden waren. In 1816 en 1818 werden nieuwe stukken op dezelfde
plaats gevonden en in 1819 een geheel skelet. In 1824 gaf Cuvier eene volledige
verhandeling over dat merkwaardige wezen in het licht. Na dien tijd heeft men er
verscheidene gevonden in verschillende lagen der lias- en Juraformatie, maar nooit meer
na het midden der krijtperiode. Men onderscheidt vier soorten: den ichthyosaurus
communis, den grootsten van alle (12 meters), met gegroefde en kegelvormige tanden;
den ichthyosaurus platyodon, bij welken de tanden ingedrukt zijn; den ichthyosaurus
tenuirostris, met eenen langen, dunnen muil; en den ichthyosaurus intermedius, die op de
eerste soort gelijkt, maar scherpere en dieper gegroefde tanden heeft.
verbrijzeld zijn, zelfs nog aannemende, dat de tanden het ongedeerd gelaten hadden. Wij
mogen hier opmerken, dat het levendbaren den vischhagedissen eigen is; de haaien baren
eveneens levende jongen, evenals verschillende soorten van slangen, de salamanders en
enkele andere kruipende dieren.
Indien wij zoo de sporen van dit lang vervlogen leven
terugvinden, indien wij in het lichaam van den ichthyosaurus het
voedsel terugvinden, dat hij een oogenblik vóór zijnen dood
inzwelgde, indien wij daarin nog de overblijfselen zien van
visschen, voor honderden millioenen jaren verslonden, dan
verdwijnt die onmetelijke tijdsruimte voor onzen geest, en dan
vinden wij ons als het ware in onmiddellijke aanraking met alle
gebeurtenissen, die toen ten tijde hebben plaats gevonden, als
waren zij eerst onlangs geschied.1
Fig. 217.
Opmerkelijk is het, dat men geene ichthyosauren gevonden heeft
Tand van
in de secundaire formaties van de Vereenigde Staten van
eenen
Amerika. In 1879 vond echter professor Marsh een exemplaar
Fig. 216. Tand plesiosaurus.
van drie meters lengte, afkomstig uit de Juraformatie van het
van eenen
Rotsgebergte, maar zonder tanden. De wervels, de ribben en de
ichthyosaurus
overige deelen van het skelet konden nauwelijks onderscheiden worden van
.
de overeen-komstige deelen van eenen ichthyosaurus, en ook de schedel
kwam in velerlei opzicht met dien van den laatsten overeen. En toch waren
er geene tanden aanwezig; zelfs werden de tandholten gemist. De geleerde paleontoloog
stelt voor, de nieuwe hagedis „Sauranodon” of tandlooze hagedis te noemen.
Hoewel men reeds, zooals wij zagen, sedert 1708 fossiele overblijfselen van
ichthyosauren had onderzocht, heeft men ze eerst sedert 1814 bestudeerd; in dat jaar gaf
Sir Everard Home zijne eerste onderzoekingen in het licht over de beenderen, die in het
lias van Dorset gevonden waren. In 1816 en 1818 werden nieuwe stukken op dezelfde
plaats gevonden en in 1819 een geheel skelet. In 1824 gaf Cuvier eene volledige
verhandeling over dat merkwaardige wezen in het licht. Na dien tijd heeft men er
verscheidene gevonden in verschillende lagen der lias- en Juraformatie, maar nooit meer
na het midden der krijtperiode. Men onderscheidt vier soorten: den ichthyosaurus
communis, den grootsten van alle (12 meters), met gegroefde en kegelvormige tanden;
den ichthyosaurus platyodon, bij welken de tanden ingedrukt zijn; den ichthyosaurus
tenuirostris, met eenen langen, dunnen muil; en den ichthyosaurus intermedius, die op de
eerste soort gelijkt, maar scherpere en dieper gegroefde tanden heeft.
Page 390
Fig. 218. Kleine ichthyosaurus, in fossielen staat in de moederschoot bewaard gebleven.
Nog vreemder en dikwijls nog reusachtiger dan de ichthyosauren, waren de plesiosauren,
hunne tijdgenooten in de periode, waarvan wij thans de geschiedenis schrijven. Hun
vorm is bijzonder vreemd; men stelle zich eenen walvisch voor, wiens romp eindigt in
eenen hals, die op het lichaam van eene slang gelijkt, en waarop een kop rust, die
merkwaardig klein is in vergelijking met de grootte van het dier; ziedaar den
plesiosaurus, die in enkele opzichten gelijkt op eenen krokodil, in andere opzichten op
eene hagedis, eene schildpad en eenen walvisch, met bijzondere karaktertrekken, hem
alleen eigen. Enkele dikke en korte soorten gelijken weder op ichthyosauren. De
plesiosauren moeten een ontzaglijk groot lichaam gehad hebben: hunne tanden zijn meer
dan een meter lang, en enkele dijbeenderen zijn grooter dan een mensch van
middelmatige lengte! Niet minder geducht waren de cetiosauren; hun dijbeen was meer
dan 1½ meter lang, en de dieren moeten dus eene lengte gehad hebben van 18 meters.
Onze tegenwoordige kruipende dieren zijn dwergen in vergelijking met de dieren dier
oude tijden!
Die koningen der Jurazeeën bewoonden de groote zeeën, hunne ledematen, vier in getal,
en afgeplat als roeiriemen, waren als het ware voor het zwemmen geschapen; hun dikke
ineengedrongen staart diende hun tot roer. Daar zij in de lucht ademden, zwommen zij
niet in de diepte, maar aan de oppervlakte van het water, evenals de zwaan en de
watervogels. Terwijl zij hunnen langen en buigzamen hals naar achteren bogen, schoten
zij van tijd tot tijd met hunnen sterken en met scherpe tanden gewapenden bek vooruit,
om de visschen te grijpen. Waarschijnlijk brachten zij levende jongen ter wereld, evenals
Nog vreemder en dikwijls nog reusachtiger dan de ichthyosauren, waren de plesiosauren,
hunne tijdgenooten in de periode, waarvan wij thans de geschiedenis schrijven. Hun
vorm is bijzonder vreemd; men stelle zich eenen walvisch voor, wiens romp eindigt in
eenen hals, die op het lichaam van eene slang gelijkt, en waarop een kop rust, die
merkwaardig klein is in vergelijking met de grootte van het dier; ziedaar den
plesiosaurus, die in enkele opzichten gelijkt op eenen krokodil, in andere opzichten op
eene hagedis, eene schildpad en eenen walvisch, met bijzondere karaktertrekken, hem
alleen eigen. Enkele dikke en korte soorten gelijken weder op ichthyosauren. De
plesiosauren moeten een ontzaglijk groot lichaam gehad hebben: hunne tanden zijn meer
dan een meter lang, en enkele dijbeenderen zijn grooter dan een mensch van
middelmatige lengte! Niet minder geducht waren de cetiosauren; hun dijbeen was meer
dan 1½ meter lang, en de dieren moeten dus eene lengte gehad hebben van 18 meters.
Onze tegenwoordige kruipende dieren zijn dwergen in vergelijking met de dieren dier
oude tijden!
Die koningen der Jurazeeën bewoonden de groote zeeën, hunne ledematen, vier in getal,
en afgeplat als roeiriemen, waren als het ware voor het zwemmen geschapen; hun dikke
ineengedrongen staart diende hun tot roer. Daar zij in de lucht ademden, zwommen zij
niet in de diepte, maar aan de oppervlakte van het water, evenals de zwaan en de
watervogels. Terwijl zij hunnen langen en buigzamen hals naar achteren bogen, schoten
zij van tijd tot tijd met hunnen sterken en met scherpe tanden gewapenden bek vooruit,
om de visschen te grijpen. Waarschijnlijk brachten zij levende jongen ter wereld, evenals
Page 391
de ichthyosauren; zij leefden van de levende prooi, die zij met hunne talrijke en scherpe
tanden konden grijpen.
De eerste plesiosauren zijn ook in het lias van Engeland gevonden. In 1821 gaven
Conybeare en De la Bêche de eerste beschrijving van die dieren. Een volkomen skelet
werd in 1824 ontdekt. Zij leefden, evenals de ichthyosauren, in de lias- en Juraperiode,
tot aan het midden der krijtperiode: zij komen voor in de oude zeeën van Europa, en in
die van Amerika, Nieuw-Zeeland en Australië. Men kent reeds 73 verschillende soorten,
waarvan 24 in de krijtformatie. De bovenste helft der Juraformaties in Frankrijk heeft 14
soorten geleverd, die voor het meerendeel in de omstreken van Havre en Boulogne
gevonden zijn.
In 1839 ontdekte de Engelsche natuuronderzoeker Richard Owen een even groot
kruipend dier als den plesiosaurus, waaraan hij den naam van pliosaurus gaf, en die van
den vorigen daarin verschilt, dat zijn hals minder gerekt en veel korter is, evenals bij den
ichthyosaurus. Toch behoort de pliosaurus tot het type der plesiosauren.
Fig. 219. Skelet van den plesiosaurus.
In dienzelfden tijd leerde de Duitsche geleerde Hermann Meyer kruipende dieren
kennen, die afkomstig zijn uit de benedenste lagen der secundaire formatie en die in het
trias gevonden zijn. Die dieren, bekend onder de namen van nothosauren, pistosauren,
simosauren, hebben vele punten van overeenkomst met de plesiosauren. Men ziet
hieruit, zooals dit ook blijkt bij de verschillende hondenrassen van onzen tijd, die
onderling zóózeer in vorm en grootte verschillen, hoe moeilijk het is, de grens te trekken
tusschen soortverschillen en rasverschillen.
Onze lezers zullen zich nog beter dan door de geteekende fossielen rekenschap kunnen
geven van het voorkomen der ichthyosauren en plesiosauren, indien zij fig. 212 blz. 370
beschouwen, en vooral bij het bestudeeren van de titelplaat van dit werk: op die plaat
zijn de plesiosaurus en de ichthyosaurus geplaatst, vergezeld van niet minder vreemde
wezens, die wij thans zullen beschrijven.
De laatste ontdekkingen toch der paleontologie bewijzen, dat de dieren, waarvan wij
gesproken hebben, nog niet de vreemdsoortigste wezens zijn van die periode. Wij mogen
tanden konden grijpen.
De eerste plesiosauren zijn ook in het lias van Engeland gevonden. In 1821 gaven
Conybeare en De la Bêche de eerste beschrijving van die dieren. Een volkomen skelet
werd in 1824 ontdekt. Zij leefden, evenals de ichthyosauren, in de lias- en Juraperiode,
tot aan het midden der krijtperiode: zij komen voor in de oude zeeën van Europa, en in
die van Amerika, Nieuw-Zeeland en Australië. Men kent reeds 73 verschillende soorten,
waarvan 24 in de krijtformatie. De bovenste helft der Juraformaties in Frankrijk heeft 14
soorten geleverd, die voor het meerendeel in de omstreken van Havre en Boulogne
gevonden zijn.
In 1839 ontdekte de Engelsche natuuronderzoeker Richard Owen een even groot
kruipend dier als den plesiosaurus, waaraan hij den naam van pliosaurus gaf, en die van
den vorigen daarin verschilt, dat zijn hals minder gerekt en veel korter is, evenals bij den
ichthyosaurus. Toch behoort de pliosaurus tot het type der plesiosauren.
Fig. 219. Skelet van den plesiosaurus.
In dienzelfden tijd leerde de Duitsche geleerde Hermann Meyer kruipende dieren
kennen, die afkomstig zijn uit de benedenste lagen der secundaire formatie en die in het
trias gevonden zijn. Die dieren, bekend onder de namen van nothosauren, pistosauren,
simosauren, hebben vele punten van overeenkomst met de plesiosauren. Men ziet
hieruit, zooals dit ook blijkt bij de verschillende hondenrassen van onzen tijd, die
onderling zóózeer in vorm en grootte verschillen, hoe moeilijk het is, de grens te trekken
tusschen soortverschillen en rasverschillen.
Onze lezers zullen zich nog beter dan door de geteekende fossielen rekenschap kunnen
geven van het voorkomen der ichthyosauren en plesiosauren, indien zij fig. 212 blz. 370
beschouwen, en vooral bij het bestudeeren van de titelplaat van dit werk: op die plaat
zijn de plesiosaurus en de ichthyosaurus geplaatst, vergezeld van niet minder vreemde
wezens, die wij thans zullen beschrijven.
De laatste ontdekkingen toch der paleontologie bewijzen, dat de dieren, waarvan wij
gesproken hebben, nog niet de vreemdsoortigste wezens zijn van die periode. Wij mogen
Page 392
beweren, dat de vreemdste wezens, die ooit op onze planeet bestaan hebben, de
dinosauren der Juraperiode geweest zijn.
Zooals hun naam aanwijst (δεινός, verschrikkelijk), waren het vreeselijke wezens, die de
zoogdieren voorafgingen, op het land en in de zee leefden, en eene uitbreiding
verkregen, die vergeleken kan worden met die der thans levende zoogdieren. Enkele
waren vleeschetende, andere grasetende dieren; zij voedden zich met de planten, die in
de diepe wouden groeiden en elkander verscheurden. Van het trias af tot aan het einde
der krijtperiode, beheerschten zij de wereld, en waren zij na elkander tijdgenooten van
de ichthyosauren, de plesiosauren, de teleosauren, de mosasauren enz. De ontdekkingen
van den laatsten tijd stellen ons thans in staat, den weg te vinden in die fossiele
overblijfselen, de voornaamste soorten weder op te bouwen, en in die vreemde
bevolking der secundaire periode groepen vast te stellen.
Het ligt voor de hand, ze eerst in twee klassen te verdeelen: de grasetende en de
vleeschetende dieren. In ieder dier klassen zullen wij de voornaamste soorten opgeven:
Dinosauren.
Grasetende Dieren.
I.—Sauropoden (Hagedispootigen).
Voornaamste soorten: Atlantosaurus, Brontosaurus.—Diplodocus.—
Morosaurus.—Cetiosaurus.
II.—Stegosauri (Schildhagedissen).
Voornaamste soorten: Stegosaurus communis, Diracodon, Omosaurus.—
Scelidosaurus, Hylaeosaurus.
III.—Ornithopoden (Vogelpootigen).
Voornaamste soorten: Iguanodon, Camptonotus.—Hypsilophodon.—
Hadrosaurus.
Vleeschetende Dieren.
IV.—Theropoden (Met pooten van vleeschetende dieren).
Voornaamste soorten: Megalosaurus, Allosaurus.—Ceratosaurus.—
Labrosaurus.—Zanelodon.—Amphisaurus.—Coelurus.—Compsognathes.
Wij zullen van ieder dier afdeelingen een kort denkbeeld geven:
dinosauren der Juraperiode geweest zijn.
Zooals hun naam aanwijst (δεινός, verschrikkelijk), waren het vreeselijke wezens, die de
zoogdieren voorafgingen, op het land en in de zee leefden, en eene uitbreiding
verkregen, die vergeleken kan worden met die der thans levende zoogdieren. Enkele
waren vleeschetende, andere grasetende dieren; zij voedden zich met de planten, die in
de diepe wouden groeiden en elkander verscheurden. Van het trias af tot aan het einde
der krijtperiode, beheerschten zij de wereld, en waren zij na elkander tijdgenooten van
de ichthyosauren, de plesiosauren, de teleosauren, de mosasauren enz. De ontdekkingen
van den laatsten tijd stellen ons thans in staat, den weg te vinden in die fossiele
overblijfselen, de voornaamste soorten weder op te bouwen, en in die vreemde
bevolking der secundaire periode groepen vast te stellen.
Het ligt voor de hand, ze eerst in twee klassen te verdeelen: de grasetende en de
vleeschetende dieren. In ieder dier klassen zullen wij de voornaamste soorten opgeven:
Dinosauren.
Grasetende Dieren.
I.—Sauropoden (Hagedispootigen).
Voornaamste soorten: Atlantosaurus, Brontosaurus.—Diplodocus.—
Morosaurus.—Cetiosaurus.
II.—Stegosauri (Schildhagedissen).
Voornaamste soorten: Stegosaurus communis, Diracodon, Omosaurus.—
Scelidosaurus, Hylaeosaurus.
III.—Ornithopoden (Vogelpootigen).
Voornaamste soorten: Iguanodon, Camptonotus.—Hypsilophodon.—
Hadrosaurus.
Vleeschetende Dieren.
IV.—Theropoden (Met pooten van vleeschetende dieren).
Voornaamste soorten: Megalosaurus, Allosaurus.—Ceratosaurus.—
Labrosaurus.—Zanelodon.—Amphisaurus.—Coelurus.—Compsognathes.
Wij zullen van ieder dier afdeelingen een kort denkbeeld geven:
Page 393
In de eerste serie vinden wij vooreerst de atlantosauren en de brontosauren, reuzen der
secundaire fauna. De eerste waren 30, de tweede 16 meters lang. Het waren reusachtige
grasetende, viervoetige dieren, de grootste viervoetige dieren, die er ooit bestaan hebben.
Fig. 222 geeft eene vergelijking tusschen den atlantosaurus en den olifant. De
brontosaurus was een zooltreder en had aan de vier pooten vijf teenen; zijn kop was zeer
klein, en wel kleiner dan bij eenig bekend gewerveld dier; zijn hals was lang en
buigzaam, zijn romp kort. Waarschijnlijk was het een tweeslachtig dier. De
Amerikaansche paleontoloog Marsh heeft zijn skelet weder opgebouwd (fig. 223). Naar
alle waarschijnlijkheid was het een traag en dom dier, dat 30000 kilogram woog. Het
liep zooals de tegenwoordige beren loopen, en de indruk zijner stappen was bijna een
vierkante meter groot.
De diplodocus was 14 meters lang en geleek in ledematen en gang veel op den
brontosaurus; de kop was klein, hij leefde in het water, en de tandvorming was
onvolkomen, achter in de kaak ontbraken de tanden; het was een grasetend dier. De
schedel was klein, zooals bij alle dinosauren.
De cetiosaurus had dijbeenderen van 1,70 meters lengte; de kop en de wervelkolom
bedroegen te zamen 12 meters, zoodat het dier 16 tot 17 meters lang was! Hij kon op het
vaste land leven, en kon zich in de moerassen of aan de monding der groote rivieren
terugtrekken; gewoonlijk leefde hij te midden der varens, der cycadeën en de
naaldboomen, en bewoog hij zich in de bosschen, die door insecten en kleine zoogdieren
bevolkt waren. Hij behoorde tot de grasetende dieren.
Onder de hagedispootigen vindt men de grootste der landdieren. Ook Sauvage schat de
lengte van sommige op vijf-en-dertig meters.
De stegosauren waren tweevoetige kruipende dieren, die eene lengte konden bereiken
van 10 meters; de voorste ledematen zijn veel korter en minder stevig dan de achterste
ledematen; vijf vingers aan ieder dier ledematen, kleine kop en kleine schedel; een
waterdier, dat zich met planten voedde. Het lichaam was door eene wapenrusting
beschermd, die uit platen en dorens bestond, waarvan enkele 63 centimeters groot waren.
Onder de vogelpootigen zijn ongetwijfeld de iguanodons de merkwaardigste. Wij komen
daarop zoo aanstonds terug. Maar eerst moeten wij ons algemeen overzicht der
dinosauren voltooien.
secundaire fauna. De eerste waren 30, de tweede 16 meters lang. Het waren reusachtige
grasetende, viervoetige dieren, de grootste viervoetige dieren, die er ooit bestaan hebben.
Fig. 222 geeft eene vergelijking tusschen den atlantosaurus en den olifant. De
brontosaurus was een zooltreder en had aan de vier pooten vijf teenen; zijn kop was zeer
klein, en wel kleiner dan bij eenig bekend gewerveld dier; zijn hals was lang en
buigzaam, zijn romp kort. Waarschijnlijk was het een tweeslachtig dier. De
Amerikaansche paleontoloog Marsh heeft zijn skelet weder opgebouwd (fig. 223). Naar
alle waarschijnlijkheid was het een traag en dom dier, dat 30000 kilogram woog. Het
liep zooals de tegenwoordige beren loopen, en de indruk zijner stappen was bijna een
vierkante meter groot.
De diplodocus was 14 meters lang en geleek in ledematen en gang veel op den
brontosaurus; de kop was klein, hij leefde in het water, en de tandvorming was
onvolkomen, achter in de kaak ontbraken de tanden; het was een grasetend dier. De
schedel was klein, zooals bij alle dinosauren.
De cetiosaurus had dijbeenderen van 1,70 meters lengte; de kop en de wervelkolom
bedroegen te zamen 12 meters, zoodat het dier 16 tot 17 meters lang was! Hij kon op het
vaste land leven, en kon zich in de moerassen of aan de monding der groote rivieren
terugtrekken; gewoonlijk leefde hij te midden der varens, der cycadeën en de
naaldboomen, en bewoog hij zich in de bosschen, die door insecten en kleine zoogdieren
bevolkt waren. Hij behoorde tot de grasetende dieren.
Onder de hagedispootigen vindt men de grootste der landdieren. Ook Sauvage schat de
lengte van sommige op vijf-en-dertig meters.
De stegosauren waren tweevoetige kruipende dieren, die eene lengte konden bereiken
van 10 meters; de voorste ledematen zijn veel korter en minder stevig dan de achterste
ledematen; vijf vingers aan ieder dier ledematen, kleine kop en kleine schedel; een
waterdier, dat zich met planten voedde. Het lichaam was door eene wapenrusting
beschermd, die uit platen en dorens bestond, waarvan enkele 63 centimeters groot waren.
Onder de vogelpootigen zijn ongetwijfeld de iguanodons de merkwaardigste. Wij komen
daarop zoo aanstonds terug. Maar eerst moeten wij ons algemeen overzicht der
dinosauren voltooien.
Page 394
Fig. 220. Versteende macrocephale plesiosaurus.
De hypsilophodon had de grootte van eenen grooten hond. Het was een viervoetig dier,
een teentreder en met vier vingers aan vóór- en achterpooten. Zijne tanden, die over de
geheele kaken verspreid waren, toonen aan, dat het een grasetend dier was. Het miste
alle aanvals- of verdedigingswapenen.
De diclonius was omstreeks 15 meters lang; een tweevoetig dier; (de voorste ledematen
waren veel korter dan de achterste, zooals bij vele soorten uit dat tijdperk), een
teentreder; vier vingers aan de handen en drie aan de pooten. De kop was 1,18 meters
lang. Het dier is van boven naar beneden sterk afgeplat en heeft van boven gezien veel
overeenkomst in vorm met den ornithorhynchus. De kaken eindigen in eenen
gehoornden bek, en bevatten 2072 tanden. Het skelet is ongeveer 11,50 meters lang.
Met den ceratosaurus vangen wij onze bespreking der vleeschetende dinosauren aan. Dat
dier was omstreeks zes meters lang. Het was tweevoetig, evenals de stegosauren en de
ornithopoden. Zijn kop is omstreeks 60 centimeters lang, de kaken bevatten over hunne
geheele uitgestrektheid sterke en snijdende tanden. Evenals de rhinoceros had hij eenen
grooten horen op den neus. De megalosaurus was een tweevoetig dier derzelfde
De hypsilophodon had de grootte van eenen grooten hond. Het was een viervoetig dier,
een teentreder en met vier vingers aan vóór- en achterpooten. Zijne tanden, die over de
geheele kaken verspreid waren, toonen aan, dat het een grasetend dier was. Het miste
alle aanvals- of verdedigingswapenen.
De diclonius was omstreeks 15 meters lang; een tweevoetig dier; (de voorste ledematen
waren veel korter dan de achterste, zooals bij vele soorten uit dat tijdperk), een
teentreder; vier vingers aan de handen en drie aan de pooten. De kop was 1,18 meters
lang. Het dier is van boven naar beneden sterk afgeplat en heeft van boven gezien veel
overeenkomst in vorm met den ornithorhynchus. De kaken eindigen in eenen
gehoornden bek, en bevatten 2072 tanden. Het skelet is ongeveer 11,50 meters lang.
Met den ceratosaurus vangen wij onze bespreking der vleeschetende dinosauren aan. Dat
dier was omstreeks zes meters lang. Het was tweevoetig, evenals de stegosauren en de
ornithopoden. Zijn kop is omstreeks 60 centimeters lang, de kaken bevatten over hunne
geheele uitgestrektheid sterke en snijdende tanden. Evenals de rhinoceros had hij eenen
grooten horen op den neus. De megalosaurus was een tweevoetig dier derzelfde
Page 395
afdeeling. Evenals de teratosaurus bewoonde hij de inhammen en moerassen en voedde
hij zich met visschen.
De allosaurus, eveneens een teentreder en tweevoetig, had drie teenen en vier vingers.
De achterste ledematen, waarop het gewicht van het geheele lichaam rust, eindigen,
evenals bij de sauropoden, de stegosauri en de ornithopoden, in kleine hoeven. De
voorste ledematen, die dienden, om de prooi vast te houden, zijn van scherpe klauwen
voorzien.
De compsognathes was slechts één meter lang. Hij had aan de voorste en achterste
ledematen slechts drie vingers; zeer merkwaardig door zijne beteekenis tegenover de
vogels. De dinosauren toch zijn verwant met de hagedissen en de krokodillen, en tevens
met de vogels. De compsognathes is de dinosaurus, die de meeste overeenkomst heeft
met de vogels. Evenals de morosaurus (verwant met den brontosaurus) was hij levend
barend.
De compsognathes is in de lithographische steen van Solenhofen, in Beieren, gevonden,
en dus iets vóór de Juraperiode; in die fijnkorrelige formatie, gevormd in ondiep en
rustig water, zijn de dieren prachtig bewaard gebleven; men vindt daarin visschen,
insecten en zelfs volkomen weeke dieren, zooals zeesterren en medusen. „Het
Solenhofensche dier is,” zoo zegt Sauvage, „zeer klein, en is belangrijk door de
onevenredigheid tusschen de voorste en de achterste ledematen; die laatste toch zijn
lang, de andere zeer kort, de voorste wervels zijn van voren bol, van achteren hol; de
lange hals eindigt in eenen kop, die veel op dien der vogels gelijkt; de tanden zijn talrijk,
de voor- en achterpooten hebben slechts drie vingers, het grootste hielbeen is met het
scheenbeen verbonden, zooals men dat bij de vogels ziet. De compsognathes is dus wel
een kruipend dier, maar grenst toch aan de vogels; het is één van die dieren, welke in de
oudste tijden den overgang vormden tusschen de verschillende groepen, en dus op
hunnen gemeenschappelijken oorsprong wijzen.”
Wij zullen thans onze aandacht bepalen tot de iguanodons, die aan de geologen eerst
goed bekend zijn sedert de kostbare en belangrijke ontdekking, onlangs in België
gedaan. Men heeft daar een aantal van die dinosauren gevonden en opgegraven, die
uitstekend bewaard gebleven waren. Wij zullen de uitstekende beschrijving weergeven,
die de heer Dollo, de aan het Museum te Brussel verbonden natuuronderzoeker, daarvan
gegeven heeft.
De eerste ontdekking van overblijfselen van iguanodons, dagteekent van het jaar 1822.
Gideon Mantell, de Engelsche natuuronderzoeker, vond toen in de Wealdformatie van
Tilgate Forest (Sussexshire) de eerste tanden van het dier, waaraan men eenige jaren
later den naam van Iguanodon gegeven heeft. Die tanden waren zóó merkwaardig, dat zij
reeds door hunne zonderlinge gedaante de aandacht van den oppervlakkigsten
hij zich met visschen.
De allosaurus, eveneens een teentreder en tweevoetig, had drie teenen en vier vingers.
De achterste ledematen, waarop het gewicht van het geheele lichaam rust, eindigen,
evenals bij de sauropoden, de stegosauri en de ornithopoden, in kleine hoeven. De
voorste ledematen, die dienden, om de prooi vast te houden, zijn van scherpe klauwen
voorzien.
De compsognathes was slechts één meter lang. Hij had aan de voorste en achterste
ledematen slechts drie vingers; zeer merkwaardig door zijne beteekenis tegenover de
vogels. De dinosauren toch zijn verwant met de hagedissen en de krokodillen, en tevens
met de vogels. De compsognathes is de dinosaurus, die de meeste overeenkomst heeft
met de vogels. Evenals de morosaurus (verwant met den brontosaurus) was hij levend
barend.
De compsognathes is in de lithographische steen van Solenhofen, in Beieren, gevonden,
en dus iets vóór de Juraperiode; in die fijnkorrelige formatie, gevormd in ondiep en
rustig water, zijn de dieren prachtig bewaard gebleven; men vindt daarin visschen,
insecten en zelfs volkomen weeke dieren, zooals zeesterren en medusen. „Het
Solenhofensche dier is,” zoo zegt Sauvage, „zeer klein, en is belangrijk door de
onevenredigheid tusschen de voorste en de achterste ledematen; die laatste toch zijn
lang, de andere zeer kort, de voorste wervels zijn van voren bol, van achteren hol; de
lange hals eindigt in eenen kop, die veel op dien der vogels gelijkt; de tanden zijn talrijk,
de voor- en achterpooten hebben slechts drie vingers, het grootste hielbeen is met het
scheenbeen verbonden, zooals men dat bij de vogels ziet. De compsognathes is dus wel
een kruipend dier, maar grenst toch aan de vogels; het is één van die dieren, welke in de
oudste tijden den overgang vormden tusschen de verschillende groepen, en dus op
hunnen gemeenschappelijken oorsprong wijzen.”
Wij zullen thans onze aandacht bepalen tot de iguanodons, die aan de geologen eerst
goed bekend zijn sedert de kostbare en belangrijke ontdekking, onlangs in België
gedaan. Men heeft daar een aantal van die dinosauren gevonden en opgegraven, die
uitstekend bewaard gebleven waren. Wij zullen de uitstekende beschrijving weergeven,
die de heer Dollo, de aan het Museum te Brussel verbonden natuuronderzoeker, daarvan
gegeven heeft.
De eerste ontdekking van overblijfselen van iguanodons, dagteekent van het jaar 1822.
Gideon Mantell, de Engelsche natuuronderzoeker, vond toen in de Wealdformatie van
Tilgate Forest (Sussexshire) de eerste tanden van het dier, waaraan men eenige jaren
later den naam van Iguanodon gegeven heeft. Die tanden waren zóó merkwaardig, dat zij
reeds door hunne zonderlinge gedaante de aandacht van den oppervlakkigsten
Page 396
waarnemer zouden getrokken hebben. Zij konden onmogelijk
verward worden met tanden van krokodillen, megalosauren en
plesiosauren, de eenige van tanden voorziene kruipende dieren,
die men tot nu toe in die formatie gevonden had. Drie jaren
later meende dezelfde natuuronderzoeker, dat zij het best
vergeleken konden worden met die van eenen leguaan (Iguana,
kamhagedis), en die overeenkomst trof hem zoozeer, dat hij het
dier den naam gaf van Leguaantandige of Iguanodon. Zoo was
dus het geslacht Iguanodon ontdekt uit de beschouwing van
eenen tand.
Eerst negen jaren later legde men de hand op eene verzameling
beenderen, die tegelijk met tanden van eenen iguanodon
gevonden waren. In 1834 werden enkele fossiele stukken te
voorschijn gebracht, maar eerst in het jaar 1868 gaf Huxley
Fig. 221. Tand van eene
eene tamelijk volledige beschrijving van het dier.
iguanodon.
Tot aan de ontdekking te Bernissart, had men nog geene geheele
iguanodons opgegraven. Wel had men nauwkeurige gegevens omtrent de plaats van die
hagedis op de ladder der wezens, maar men wist nog niets met zekerheid omtrent zijne
grootte, de verhouding der verschillende deelen van het lichaam, zijnen schedel, zijne
wervelkolom en zijne voorpooten.
Den 7den Mei 1878 deelde van Beneden, hoogleeraar te Leuven, aan de Belgische
academie mede, dat men eene groote menigte beenderen van reusachtige kruipende
dieren gevonden had op 322 meters diepte, te Bernissart, een dorpje tusschen Bergen en
Doornik, in de nabijheid der Fransche grenzen. De beroemde paleontoloog wees op den
slechten toestand, waarin zij bewaard waren gebleven, en durfde dus alleen het
vermoeden uitspreken, dat zij tot het geslacht Iguanodon behoorden. Onder die
overblijfselen bevonden zich tevens andere, vooral van schildpadden, krokodillen,
visschen en een aantal planten. Het te voorschijn brengen van beenderen ging met
talrijke moeilijkheden gepaard: de uitvoering was kostbaar en vereischte veel zorg,
terwijl het resultaat onzeker bleef.
Eerst zag men, dat de voorloopige gang, die men gegraven had, door eenen iganuodon
heenging, van den kop tot het bekken, zoodat alleen de achterste ledematen en de lange
staart van het dier ongeschonden waren gebleven. Doch de uitgravingen, die men
ondernomen had om de fossielen te voorschijn te brengen, brachten andere sporen aan
het licht die gevolgd werden, en weldra werd men overtuigd, dat het dier, dat door de
gang doorboord was, niet op zich zelf stond, en dat geheele geraamten konden worden
uitgegraven.
verward worden met tanden van krokodillen, megalosauren en
plesiosauren, de eenige van tanden voorziene kruipende dieren,
die men tot nu toe in die formatie gevonden had. Drie jaren
later meende dezelfde natuuronderzoeker, dat zij het best
vergeleken konden worden met die van eenen leguaan (Iguana,
kamhagedis), en die overeenkomst trof hem zoozeer, dat hij het
dier den naam gaf van Leguaantandige of Iguanodon. Zoo was
dus het geslacht Iguanodon ontdekt uit de beschouwing van
eenen tand.
Eerst negen jaren later legde men de hand op eene verzameling
beenderen, die tegelijk met tanden van eenen iguanodon
gevonden waren. In 1834 werden enkele fossiele stukken te
voorschijn gebracht, maar eerst in het jaar 1868 gaf Huxley
Fig. 221. Tand van eene
eene tamelijk volledige beschrijving van het dier.
iguanodon.
Tot aan de ontdekking te Bernissart, had men nog geene geheele
iguanodons opgegraven. Wel had men nauwkeurige gegevens omtrent de plaats van die
hagedis op de ladder der wezens, maar men wist nog niets met zekerheid omtrent zijne
grootte, de verhouding der verschillende deelen van het lichaam, zijnen schedel, zijne
wervelkolom en zijne voorpooten.
Den 7den Mei 1878 deelde van Beneden, hoogleeraar te Leuven, aan de Belgische
academie mede, dat men eene groote menigte beenderen van reusachtige kruipende
dieren gevonden had op 322 meters diepte, te Bernissart, een dorpje tusschen Bergen en
Doornik, in de nabijheid der Fransche grenzen. De beroemde paleontoloog wees op den
slechten toestand, waarin zij bewaard waren gebleven, en durfde dus alleen het
vermoeden uitspreken, dat zij tot het geslacht Iguanodon behoorden. Onder die
overblijfselen bevonden zich tevens andere, vooral van schildpadden, krokodillen,
visschen en een aantal planten. Het te voorschijn brengen van beenderen ging met
talrijke moeilijkheden gepaard: de uitvoering was kostbaar en vereischte veel zorg,
terwijl het resultaat onzeker bleef.
Eerst zag men, dat de voorloopige gang, die men gegraven had, door eenen iganuodon
heenging, van den kop tot het bekken, zoodat alleen de achterste ledematen en de lange
staart van het dier ongeschonden waren gebleven. Doch de uitgravingen, die men
ondernomen had om de fossielen te voorschijn te brengen, brachten andere sporen aan
het licht die gevolgd werden, en weldra werd men overtuigd, dat het dier, dat door de
gang doorboord was, niet op zich zelf stond, en dat geheele geraamten konden worden
uitgegraven.
Page 397
Fig. 222. Waarschijnlijke vorm en grootte van eenen atlantosaurus: het grootste dier der
schepping (35 meters).
Naarmate men met de opdelving vorderde, ontmoette men nieuwe overblijfselen, en in
de uitgegraven aarde zelf vond men eene groote hoeveelheid kruipende dieren,
schildpadden, visschen en planten. Na eenen zwaren arbeid van drie jaren en
uitgravingen op eene diepte van 322 tot 356 meters, had men 29 iguanodons, waarvan
een groot gedeelte in hun hun geheel, 5 krokodillen, 1 salamander en duizenden
visschen, opgegraven2.
In vorm, houding en gang gelijken zij op eene reusachtige kangoeroe. Hun kop is
betrekkelijk klein en gelijkt op die der éénhoevige dieren.
Tegelijk met die iguanodons heeft men, zooals wij zagen talrijke overblijfselen van land-
en waterschildpadden ontdekt, die dikwijls vier meters lang waren, en honderden
zoetwatervisschen.
Het is dus zeker, dat door de kloof te Bernissart water gestroomd heeft, maar daar het
bezinksel afwisselt met zwarte klei, zoo mag men besluiten, dat het water periodiek
hooger en lager stond. Bij laag water vormde de kloof een moeras: de plantengroei en de
fossiele dieren wijzen dit aan. Op den bodem vond men een modderachtig slijk, waarin
de overblijfselen van de varens, die de vochtigheid zochten en aan den zoom der moeras
groeiden, bedolven waren. De reusachtige iguanodons, die het moeras wilden
doortrekken, moeten daarin geheel ingezakt zijn; juist daardoor is hun geheele geraamte
duizenden eeuwen bewaard gebleven en bezitten wij ze thans zoo volledig. Men heeft ze
gevonden, op de zijde liggend, en min of meer vervormd door de drukking van de
stoffen, waaronder zij begraven zijn gebleven.
schepping (35 meters).
Naarmate men met de opdelving vorderde, ontmoette men nieuwe overblijfselen, en in
de uitgegraven aarde zelf vond men eene groote hoeveelheid kruipende dieren,
schildpadden, visschen en planten. Na eenen zwaren arbeid van drie jaren en
uitgravingen op eene diepte van 322 tot 356 meters, had men 29 iguanodons, waarvan
een groot gedeelte in hun hun geheel, 5 krokodillen, 1 salamander en duizenden
visschen, opgegraven2.
In vorm, houding en gang gelijken zij op eene reusachtige kangoeroe. Hun kop is
betrekkelijk klein en gelijkt op die der éénhoevige dieren.
Tegelijk met die iguanodons heeft men, zooals wij zagen talrijke overblijfselen van land-
en waterschildpadden ontdekt, die dikwijls vier meters lang waren, en honderden
zoetwatervisschen.
Het is dus zeker, dat door de kloof te Bernissart water gestroomd heeft, maar daar het
bezinksel afwisselt met zwarte klei, zoo mag men besluiten, dat het water periodiek
hooger en lager stond. Bij laag water vormde de kloof een moeras: de plantengroei en de
fossiele dieren wijzen dit aan. Op den bodem vond men een modderachtig slijk, waarin
de overblijfselen van de varens, die de vochtigheid zochten en aan den zoom der moeras
groeiden, bedolven waren. De reusachtige iguanodons, die het moeras wilden
doortrekken, moeten daarin geheel ingezakt zijn; juist daardoor is hun geheele geraamte
duizenden eeuwen bewaard gebleven en bezitten wij ze thans zoo volledig. Men heeft ze
gevonden, op de zijde liggend, en min of meer vervormd door de drukking van de
stoffen, waaronder zij begraven zijn gebleven.
Page 398
Die waarneming staat niet geheel op zichzelf. Men heeft uit het pliocene slijk van
Dursart (Gard) olifanten opgedolven, die op dezelfde wijze bedolven waren.
Niettegenstaande het verbazende tijdsverloop tusschen beide formaties bestaat er eene
duidelijk zichtbare betrekking tusschen beider graftomben: kleur en vastheid komen
overeen. Doch in Dursart vindt men eikenbladeren, terwijl het in België de varens zijn,
die behooren bij eene door het water overstroomde streek.
Men kent tegenwoordig drie soorten van iguanodons: den Iguanodon Prestwichi, den
Iguanodon Mantelli en den Iguanodon Bernissartensis.
I. De Iguanodon Bernissartensis is 9,50 meters lang, van den bek tot aan het uiteinde van den staart, en zoo
hij op zijne achterpooten stond, hetgeen het geval was als hij liep, was hij 4,36 meters hoog.
De kop is naar verhouding klein en in de breedte samengedrukt. De neusgaten zijn wijd en van voren als
het ware afgeschut. De oogholten zijn middelmatig van grootte en in vertikale richting gerekt. Het uiteinde
der beide kaken is tandeloos; het dier had waarschijnlijk eenen gehoornden bek. De 92 tanden van den bek
wijzen op de leefwijze van plantenetende dieren. Evenals bij de tegenwoordige kruipende dieren, werden
de versleten tanden dadelijk door nieuwe vervangen. De hals is tamelijk lang en bevat behalve den
proatlas tien wervels, van ribvormige zijstukken voorzien. Hij was uiterst bewegelijk.
De romp bestaat uit 24 wervels, die door pezen stevig verbonden waren. De staart is iets langer dan het
overige deel van het lichaam; deze bereikt eene lengte van vijf meters en bevat 51 wervels. Hij is evenals
die van den krokodil zijdelings samengedrukt.
De voorste ledematen zijn korter dan de achterste. Zij zijn dik en krachtig, en eindigen in eene hand met
vijf vingers. De eerste vinger of duim heeft in plaats van het voorste lid eene groote spoor, die een
vreeselijk wapen moet geweest zijn. De tweede, derde en vierde vinger hebben ieder drie leden, waarvan
het laatste eenen kleinen horen draagt. De vijfde vinger stond waarschijnlijk evenals bij ons de duim
tegenover de overige vingers, zoodat het dier de takken der boomen naar zich toe kon trekken, wier
vruchten tot zijne voeding dienden.
Fig. 223. Dieren der Juraperiode: de brontosaurus (1/125 der ware grootte).
De achterste ledematen zijn de grootste en gelijken op de pooten der vogels.
II. De Iguanodon Mantelli onderscheidt zich van den Iguanodon Bernissartensis in de volgende opzichten:
1º. Hij is slechts 5 tot 6 meters, in plaats van 10 meters lang.
2º. Hij heeft slechts 5 wervels aan het heiligbeen, in plaats van zes.
3º. De neusgaten zijn wijder.
Dursart (Gard) olifanten opgedolven, die op dezelfde wijze bedolven waren.
Niettegenstaande het verbazende tijdsverloop tusschen beide formaties bestaat er eene
duidelijk zichtbare betrekking tusschen beider graftomben: kleur en vastheid komen
overeen. Doch in Dursart vindt men eikenbladeren, terwijl het in België de varens zijn,
die behooren bij eene door het water overstroomde streek.
Men kent tegenwoordig drie soorten van iguanodons: den Iguanodon Prestwichi, den
Iguanodon Mantelli en den Iguanodon Bernissartensis.
I. De Iguanodon Bernissartensis is 9,50 meters lang, van den bek tot aan het uiteinde van den staart, en zoo
hij op zijne achterpooten stond, hetgeen het geval was als hij liep, was hij 4,36 meters hoog.
De kop is naar verhouding klein en in de breedte samengedrukt. De neusgaten zijn wijd en van voren als
het ware afgeschut. De oogholten zijn middelmatig van grootte en in vertikale richting gerekt. Het uiteinde
der beide kaken is tandeloos; het dier had waarschijnlijk eenen gehoornden bek. De 92 tanden van den bek
wijzen op de leefwijze van plantenetende dieren. Evenals bij de tegenwoordige kruipende dieren, werden
de versleten tanden dadelijk door nieuwe vervangen. De hals is tamelijk lang en bevat behalve den
proatlas tien wervels, van ribvormige zijstukken voorzien. Hij was uiterst bewegelijk.
De romp bestaat uit 24 wervels, die door pezen stevig verbonden waren. De staart is iets langer dan het
overige deel van het lichaam; deze bereikt eene lengte van vijf meters en bevat 51 wervels. Hij is evenals
die van den krokodil zijdelings samengedrukt.
De voorste ledematen zijn korter dan de achterste. Zij zijn dik en krachtig, en eindigen in eene hand met
vijf vingers. De eerste vinger of duim heeft in plaats van het voorste lid eene groote spoor, die een
vreeselijk wapen moet geweest zijn. De tweede, derde en vierde vinger hebben ieder drie leden, waarvan
het laatste eenen kleinen horen draagt. De vijfde vinger stond waarschijnlijk evenals bij ons de duim
tegenover de overige vingers, zoodat het dier de takken der boomen naar zich toe kon trekken, wier
vruchten tot zijne voeding dienden.
Fig. 223. Dieren der Juraperiode: de brontosaurus (1/125 der ware grootte).
De achterste ledematen zijn de grootste en gelijken op de pooten der vogels.
II. De Iguanodon Mantelli onderscheidt zich van den Iguanodon Bernissartensis in de volgende opzichten:
1º. Hij is slechts 5 tot 6 meters, in plaats van 10 meters lang.
2º. Hij heeft slechts 5 wervels aan het heiligbeen, in plaats van zes.
3º. De neusgaten zijn wijder.
Page 399
III. De Iguanodon Prestwichi onderscheidt zich door vier wervels in het heiligbeen en door het
samengestelde der tanden.
Wij kunnen ons de iguanodons voorstellen als tweeslachtige dieren, die zich met planten
voedden. Zij beten die af met hunnen gehoornden bek, en vermaalden ze in den
achterbek door middel van de 92 tanden, die telkens vernieuwd werden. Het waren
waarschijnlijk waterdieren. De omstandigheden, waaronder de dinosauren gevonden
zijn, bewijzen, dat die dieren moeten geleefd hebben te midden der moerassen en aan de
oevers eener rivier. Nu wij mogen aannemen, dat de iguanodons een groot gedeelte van
hun leven in het water doorbrachten, kunnen wij ons, met behulp der waarnemingen op
den krokodil en den amblyrhinchus (groote zeehagedis op de Galapagos-eilanden
voorkomend) twee wijzen van voortbewegen bij onzen dinosaurus voorstellen.
Als hij langzaam zwom, bediende hij zich van zijne vier ledematen en zijnen staart,
wilde hij daarentegen snel vooruitgaan, om zijne vijanden te ontvluchten, dan trok hij
zijne voorste ledematen langs het lichaam in, en gebruikte hij alleen den staart. Het is
duidelijk, dat hoe korter de voorpooten zijn, zij des te gemakkelijker bij die beweging
kunnen geborgen worden, en dus minder weerstand bieden aan de verplaatsing van het
dier in het water. Alle in het water levende zoogdieren strekken tot bewijs hiervan. Op
het land liepen die dieren alleen met behulp hunner achterste ledematen. Met andere
woorden: zij waren tweevoetig, zooals de mensch en een groot aantal vogels, en
sprongen niet, zooals de kangoeroes. Zij steunden bovendien niet op den staart, maar
lieten dien eenvoudig slepen.
De iguanodons, die plantetende dieren waren, moesten ten prooi verstrekken aan de
groote vleeschetende dieren van hunnen tijd. Daar zij nu in de moerassen verblijf
hielden, konden zij onder de varens, die hen omgaven, hunne vijanden moeilijk zien
aankomen, tenzij zij rechtop stonden. In die houding konden zij bovendien hunnen
aanvaller in hunne korte en sterke armen vatten en hem de groote met eenen snijdenden
hoorn voorziene sporen hunner handen in het lichaam steken.
Onze lezers zullen zich een denkbeeld kunnen vormen van den bouw dier
vreemdsoortige wezens, door de beschouwing van fig. 224 en zeker nog beter door de
schoone teekening op blz. 409, waarin de ontmoeting van eenen iguanodon en eenen
megalosaurus in een woud der Weald-Juraformatie geschetst wordt3.
samengestelde der tanden.
Wij kunnen ons de iguanodons voorstellen als tweeslachtige dieren, die zich met planten
voedden. Zij beten die af met hunnen gehoornden bek, en vermaalden ze in den
achterbek door middel van de 92 tanden, die telkens vernieuwd werden. Het waren
waarschijnlijk waterdieren. De omstandigheden, waaronder de dinosauren gevonden
zijn, bewijzen, dat die dieren moeten geleefd hebben te midden der moerassen en aan de
oevers eener rivier. Nu wij mogen aannemen, dat de iguanodons een groot gedeelte van
hun leven in het water doorbrachten, kunnen wij ons, met behulp der waarnemingen op
den krokodil en den amblyrhinchus (groote zeehagedis op de Galapagos-eilanden
voorkomend) twee wijzen van voortbewegen bij onzen dinosaurus voorstellen.
Als hij langzaam zwom, bediende hij zich van zijne vier ledematen en zijnen staart,
wilde hij daarentegen snel vooruitgaan, om zijne vijanden te ontvluchten, dan trok hij
zijne voorste ledematen langs het lichaam in, en gebruikte hij alleen den staart. Het is
duidelijk, dat hoe korter de voorpooten zijn, zij des te gemakkelijker bij die beweging
kunnen geborgen worden, en dus minder weerstand bieden aan de verplaatsing van het
dier in het water. Alle in het water levende zoogdieren strekken tot bewijs hiervan. Op
het land liepen die dieren alleen met behulp hunner achterste ledematen. Met andere
woorden: zij waren tweevoetig, zooals de mensch en een groot aantal vogels, en
sprongen niet, zooals de kangoeroes. Zij steunden bovendien niet op den staart, maar
lieten dien eenvoudig slepen.
De iguanodons, die plantetende dieren waren, moesten ten prooi verstrekken aan de
groote vleeschetende dieren van hunnen tijd. Daar zij nu in de moerassen verblijf
hielden, konden zij onder de varens, die hen omgaven, hunne vijanden moeilijk zien
aankomen, tenzij zij rechtop stonden. In die houding konden zij bovendien hunnen
aanvaller in hunne korte en sterke armen vatten en hem de groote met eenen snijdenden
hoorn voorziene sporen hunner handen in het lichaam steken.
Onze lezers zullen zich een denkbeeld kunnen vormen van den bouw dier
vreemdsoortige wezens, door de beschouwing van fig. 224 en zeker nog beter door de
schoone teekening op blz. 409, waarin de ontmoeting van eenen iguanodon en eenen
megalosaurus in een woud der Weald-Juraformatie geschetst wordt3.
Page 400
Fig. 224. Geraamte van den voornaamsten Iguanodon te Bernissart.
Onlangs (1885) heeft de Heer Dollo een nieuw kruipend dier opgebouwd, dat in het krijt
van Henegouwen gevonden is, en dat hij daarom Hainosaurus genoemd heeft, (hagedis
van de Haine). Die naam is dus op dezelfde wijze gevormd als Mosasaurus (hagedis van
de Maas). De lengte van den schedel bedraagt 1,55 meters en de geheele lengte van het
dier moet 13 meters geweest zijn. Het is de grootste der bekende mosasauren4. De kop
van den mosasaurus, die niet minder dan 1,30 meters lang is en dikwijls eene lengte van
2,50 meters bereikt, gelijkt op dien der monitors. De kaken zijn voorzien van scherpe
tanden. De hals bevatte waarschijnlijk hoogstens tien wervels en was even groot als die
van de ichthyosauri. De hand, met vijf vingers, eindigde in leden, die geene klauwen
bezaten en had den bouw der vinnen. De langste vinger had zes leden; de kortste vier.
Marsh teekent aan den duim slechts drie leden. De achterste ledematen komen in bouw
met de voorste overeen, doch zijn iets kleiner. De huid was bedekt met platen van
ongeveer twee centimeters: die platen, welke aan de binnenzijde glad waren, lagen als
dakpannen over elkander; men kent nog niet de wijze, waarop zij over het lichaam der
dieren verspreid waren.
Uit dit alles volgt, dat de mosasauri kruipende dieren waren, die uitwendig het
voorkomen hadden van dolfijnen, b.v. groote bruinvisschen. Toch kon men ze
gemakkelijk daarvan onderkennen: hun lichaam immers is niet naakt, zooals dat der
Onlangs (1885) heeft de Heer Dollo een nieuw kruipend dier opgebouwd, dat in het krijt
van Henegouwen gevonden is, en dat hij daarom Hainosaurus genoemd heeft, (hagedis
van de Haine). Die naam is dus op dezelfde wijze gevormd als Mosasaurus (hagedis van
de Maas). De lengte van den schedel bedraagt 1,55 meters en de geheele lengte van het
dier moet 13 meters geweest zijn. Het is de grootste der bekende mosasauren4. De kop
van den mosasaurus, die niet minder dan 1,30 meters lang is en dikwijls eene lengte van
2,50 meters bereikt, gelijkt op dien der monitors. De kaken zijn voorzien van scherpe
tanden. De hals bevatte waarschijnlijk hoogstens tien wervels en was even groot als die
van de ichthyosauri. De hand, met vijf vingers, eindigde in leden, die geene klauwen
bezaten en had den bouw der vinnen. De langste vinger had zes leden; de kortste vier.
Marsh teekent aan den duim slechts drie leden. De achterste ledematen komen in bouw
met de voorste overeen, doch zijn iets kleiner. De huid was bedekt met platen van
ongeveer twee centimeters: die platen, welke aan de binnenzijde glad waren, lagen als
dakpannen over elkander; men kent nog niet de wijze, waarop zij over het lichaam der
dieren verspreid waren.
Uit dit alles volgt, dat de mosasauri kruipende dieren waren, die uitwendig het
voorkomen hadden van dolfijnen, b.v. groote bruinvisschen. Toch kon men ze
gemakkelijk daarvan onderkennen: hun lichaam immers is niet naakt, zooals dat der
Page 401
dolfijnen, maar bedekt met kleine beenige platen; zij bezitten twee paar vinnen, terwijl
de dolfijnen slechts één paar bezitten; hun staart was zijdelings ingedrukt en niet van
boven naar beneden. Bovendien eindigen de neusgaten niet boven den kop, en zijn zij
niet tot spuitgaten vervormd.
In 1884 heeft Marsh een nieuw kruipend dier opgebouwd, dat in de Juraformatie
gevonden was en dat hij den naam van macelognates gegeven heeft. Het is eene soort
van kikvorsch, met tanden achter in de kaken en eenen gehoornden bek. Bij al die
verschillende dieren moeten nog de champsosauri gevoegd worden, waarvan men den
juisten vorm nog niet volkomen kent. Ook hebben wij tijdens de triasperiode de
zonderlinge dicynodonten van Zuid-Afrika leeren kennen (fig. 206 blz. 356). In de
krijtperiode zullen wij nog andere terugvinden. De natuuronderzoeker Cotta noemde ze
„de hooge adel van het rijk van Neptunus, tot de tanden gewapend en bedekt met een
ondoordringbaar pantser, de vrijbuiters der oorspronkelijke zeeën.” Toch zijn die
kruipende dieren nog niet de zonderlingste wezens uit dien vreemden tijd, want wij
hebben nog niet gesproken van de vliegende reptielen, de pterodactyli, en van de
tandvogels, de odontorithen.
Al die wezens schijnen de gaping aan te vullen, die in onzen tijd de meest volkomen
kruipende dieren, de krokodillen en de schildpadden, van de lagere zoogdieren, de
buideldieren, en de minst tot vliegen geschikte vogels, zooals den struisvogel, den emu
en den casuaris scheidt. Zij staan zóóver van de kruipende dieren af, dat men voor hen
eene afzonderlijke onderafdeeling zoude moeten maken van denzelfden rang als die der
tegenwoordige kruipende dieren; de punten van verschil immers met onze kruipende
dieren zijn veel grooter dan die tusschen de schildpadden en de slangen. Wij kennen van
de dinosauren alleen het geraamte; indien wij hunnen bouw nauwkeurig kenden, en
tevens hunnen bloedsomloop en hunne ontwikkeling, dan zouden wij waarschijnlijk
geen oogenblik aarzelen, daarvan eene tusschenklasse te vormen tusschen de zoogdieren
en vogels, en de kruipende dieren in engeren zin. Men begint te vermoeden, dat onder
die dieren zeer verschillende typen voorkomen, die evenveel van elkander verschillen als
bij de zoogdieren de dikhuidigen, de herkauwenden of de vleeschetende dieren.
De grootte en vorm van den schedel verschilt veel bij de verschillende typen. De
schedel, die evenals die der krokodillen bij de dinosauren der triasperiode zeer gerekt is,
is bij de dieren van den lateren tijd veel ingekort. Bij enkele dieren, zooals bij den
hypsilophodon, zijn de beenderen der oogholten met de voorhoofdsbeenderen in
verband, evenals bij de zoogdieren en vele vogels. De hersenen komen overeen met die
der kruipende dieren en zijn dikwijls bijzonder klein. De tusschenkaaksbeenderen zijn
gescheiden; de beide helften van de onderkaak zijn alleen door kraakbeen vereenigd. De
samenstelling van den schedel gelijkt dus bij die hagedissen in enkele opzichten op die
der krokodillen.
de dolfijnen slechts één paar bezitten; hun staart was zijdelings ingedrukt en niet van
boven naar beneden. Bovendien eindigen de neusgaten niet boven den kop, en zijn zij
niet tot spuitgaten vervormd.
In 1884 heeft Marsh een nieuw kruipend dier opgebouwd, dat in de Juraformatie
gevonden was en dat hij den naam van macelognates gegeven heeft. Het is eene soort
van kikvorsch, met tanden achter in de kaken en eenen gehoornden bek. Bij al die
verschillende dieren moeten nog de champsosauri gevoegd worden, waarvan men den
juisten vorm nog niet volkomen kent. Ook hebben wij tijdens de triasperiode de
zonderlinge dicynodonten van Zuid-Afrika leeren kennen (fig. 206 blz. 356). In de
krijtperiode zullen wij nog andere terugvinden. De natuuronderzoeker Cotta noemde ze
„de hooge adel van het rijk van Neptunus, tot de tanden gewapend en bedekt met een
ondoordringbaar pantser, de vrijbuiters der oorspronkelijke zeeën.” Toch zijn die
kruipende dieren nog niet de zonderlingste wezens uit dien vreemden tijd, want wij
hebben nog niet gesproken van de vliegende reptielen, de pterodactyli, en van de
tandvogels, de odontorithen.
Al die wezens schijnen de gaping aan te vullen, die in onzen tijd de meest volkomen
kruipende dieren, de krokodillen en de schildpadden, van de lagere zoogdieren, de
buideldieren, en de minst tot vliegen geschikte vogels, zooals den struisvogel, den emu
en den casuaris scheidt. Zij staan zóóver van de kruipende dieren af, dat men voor hen
eene afzonderlijke onderafdeeling zoude moeten maken van denzelfden rang als die der
tegenwoordige kruipende dieren; de punten van verschil immers met onze kruipende
dieren zijn veel grooter dan die tusschen de schildpadden en de slangen. Wij kennen van
de dinosauren alleen het geraamte; indien wij hunnen bouw nauwkeurig kenden, en
tevens hunnen bloedsomloop en hunne ontwikkeling, dan zouden wij waarschijnlijk
geen oogenblik aarzelen, daarvan eene tusschenklasse te vormen tusschen de zoogdieren
en vogels, en de kruipende dieren in engeren zin. Men begint te vermoeden, dat onder
die dieren zeer verschillende typen voorkomen, die evenveel van elkander verschillen als
bij de zoogdieren de dikhuidigen, de herkauwenden of de vleeschetende dieren.
De grootte en vorm van den schedel verschilt veel bij de verschillende typen. De
schedel, die evenals die der krokodillen bij de dinosauren der triasperiode zeer gerekt is,
is bij de dieren van den lateren tijd veel ingekort. Bij enkele dieren, zooals bij den
hypsilophodon, zijn de beenderen der oogholten met de voorhoofdsbeenderen in
verband, evenals bij de zoogdieren en vele vogels. De hersenen komen overeen met die
der kruipende dieren en zijn dikwijls bijzonder klein. De tusschenkaaksbeenderen zijn
gescheiden; de beide helften van de onderkaak zijn alleen door kraakbeen vereenigd. De
samenstelling van den schedel gelijkt dus bij die hagedissen in enkele opzichten op die
der krokodillen.
Page 402
De vorsten der aarde in de Juraperiode. Iguanodon en megalosaurus in een
bosch van varens, cycadeën en naaldboomen.
Daar de leefwijze der verschillende dinosauren onderling zeer verschilde, zoo moet er
ook eene groote verscheidenheid bestaan hebben in den vorm der tanden. De
vleeschetende dieren, zooals de megalosaurus, hadden sterke en scherpe tanden, die aan
de randen gekerfd waren. De grasetende dieren, zooals de iguanodon, de vectisaurus, de
laosaurus, de hypsilophodon hadden kaken, die van tanden voorzien waren, welke
uitstekend geschikt waren om te snijden en te vermalen; die tanden sleten evenals die der
tegenwoordige grasetende zoogdieren en werden dadelijk vernieuwd, als zij versleten
waren; de onderkaak kon zich evenals bij de tegenwoordige herkauwende dieren
bosch van varens, cycadeën en naaldboomen.
Daar de leefwijze der verschillende dinosauren onderling zeer verschilde, zoo moet er
ook eene groote verscheidenheid bestaan hebben in den vorm der tanden. De
vleeschetende dieren, zooals de megalosaurus, hadden sterke en scherpe tanden, die aan
de randen gekerfd waren. De grasetende dieren, zooals de iguanodon, de vectisaurus, de
laosaurus, de hypsilophodon hadden kaken, die van tanden voorzien waren, welke
uitstekend geschikt waren om te snijden en te vermalen; die tanden sleten evenals die der
tegenwoordige grasetende zoogdieren en werden dadelijk vernieuwd, als zij versleten
waren; de onderkaak kon zich evenals bij de tegenwoordige herkauwende dieren
Page 403
horizontaal bewegen, ten einde de tanden in staat te stellen, het voedsel te vermalen; die
beweging bestaat niet bij de tegenwoordige kruipende dieren; de grootte der gaten en
kanalen, waardoor de zenuwen heengingen, toont aan, dat die dieren weeke lippen
hadden. De hadrosauren, grasetende dieren, hadden verscheidene rijen van tanden, die
door het afslijten eene malende oppervlakte hadden in den vorm van een dambord. Bij
de grasetende dieren, die tot de groep der vogelpootigen gerangschikt zijn, droeg de
tusschenkaak geene tanden; hetzelfde is het geval met het uiteinde van de benedenkaak,
die waarschijnlijk eindigde in eenen gehoornden bek, waarmede het dier de knoppen en
bladeren afsneed, die het voor zijne voeding noodig had.
In die secundaire tijden, waarin die vreemdsoortige en reusachtige dinosauren leefden,
vinden wij de kruipende dieren in hunne grootste ontwikkeling. De zoogdieren zijn nog
klein en worden alleen vertegenwoordigd door de laagste soorten; de dinosauren
schijnen op de oppervlakte der aarde de rol gespeeld te hebben, thans weggelegd voor de
groote vleeschetende en plantenetende zoogdieren; maar terwijl de zoogdieren zich
steeds verder ontwikkeld hebben, zoodat zij reeds tegen het einde der tertiaire periode
den bloei bereikt hebben, dien wij thans nog bewonderen, zijn de kruipende dieren
steeds achteruitgegaan: de hoogere dieren hebben de overwinning behaald op de minder
ontwikkelde wezens. Op het einde der secundaire periode verdwenen de dinosauren voor
goed, zonder afstammelingen na te laten; zij hebben zich niet kunnen voegen in de
nieuwe levensvoorwaarden, die hun werden opgelegd, en zijn dus uitgestorven, terwijl
de zoogdieren daarentegen dagelijks meer naderden tot de hoogste ontwikkelde typen.
Tijdens het laatste gedeelte der Juraperiode was West-Europa doorsneden door
moerassen, lagunen en dikwijls overstroomde inhammen; die bevoorrechte plaatsen
hadden eenen rijkeren en meer afwisselenden plantengroei dan de bergstreken; daar
groeiden groote varens met lederachtig loof, terwijl de helling en hoogten bedekt waren
met planten, die naderden tot de araucaria’s en de cycadeën, en die het voedsel vormden
der plantenetende dinosauren dier periode. Hetzelfde was het geval in het begin der
krijtperiode, toen de wealdformaties ontstonden.
beweging bestaat niet bij de tegenwoordige kruipende dieren; de grootte der gaten en
kanalen, waardoor de zenuwen heengingen, toont aan, dat die dieren weeke lippen
hadden. De hadrosauren, grasetende dieren, hadden verscheidene rijen van tanden, die
door het afslijten eene malende oppervlakte hadden in den vorm van een dambord. Bij
de grasetende dieren, die tot de groep der vogelpootigen gerangschikt zijn, droeg de
tusschenkaak geene tanden; hetzelfde is het geval met het uiteinde van de benedenkaak,
die waarschijnlijk eindigde in eenen gehoornden bek, waarmede het dier de knoppen en
bladeren afsneed, die het voor zijne voeding noodig had.
In die secundaire tijden, waarin die vreemdsoortige en reusachtige dinosauren leefden,
vinden wij de kruipende dieren in hunne grootste ontwikkeling. De zoogdieren zijn nog
klein en worden alleen vertegenwoordigd door de laagste soorten; de dinosauren
schijnen op de oppervlakte der aarde de rol gespeeld te hebben, thans weggelegd voor de
groote vleeschetende en plantenetende zoogdieren; maar terwijl de zoogdieren zich
steeds verder ontwikkeld hebben, zoodat zij reeds tegen het einde der tertiaire periode
den bloei bereikt hebben, dien wij thans nog bewonderen, zijn de kruipende dieren
steeds achteruitgegaan: de hoogere dieren hebben de overwinning behaald op de minder
ontwikkelde wezens. Op het einde der secundaire periode verdwenen de dinosauren voor
goed, zonder afstammelingen na te laten; zij hebben zich niet kunnen voegen in de
nieuwe levensvoorwaarden, die hun werden opgelegd, en zijn dus uitgestorven, terwijl
de zoogdieren daarentegen dagelijks meer naderden tot de hoogste ontwikkelde typen.
Tijdens het laatste gedeelte der Juraperiode was West-Europa doorsneden door
moerassen, lagunen en dikwijls overstroomde inhammen; die bevoorrechte plaatsen
hadden eenen rijkeren en meer afwisselenden plantengroei dan de bergstreken; daar
groeiden groote varens met lederachtig loof, terwijl de helling en hoogten bedekt waren
met planten, die naderden tot de araucaria’s en de cycadeën, en die het voedsel vormden
der plantenetende dinosauren dier periode. Hetzelfde was het geval in het begin der
krijtperiode, toen de wealdformaties ontstonden.
Page 404
Fig. 226. De Rhamphorynchus.
Wij zagen zooeven, dat de dinosauren verdwenen zijn in het midden der krijtperiode; de
reden van die verdwijning lag in de ontzaglijke veranderingen, die in dien tijd in de
temperatuur plaats vonden. Tot nu toe wees de verspreiding der planten en dieren over
de oppervlakte der aarde, en tevens de aard der dieren en planten, op eene hooge,
gelijkmatige temperatuur, die niet zoo veel hooger was aan den aequator dan op onze
breedte, en die tot op 76° noorderbreedte tropisch was. In één woord: over de geheele
aarde heerschte het klimaat der tegenwoordige verzengde luchtstreken. Gedurende al die
eeuwen schijnt de temperatuur niet de minste schommeling te hebben ondergaan;
hoogstens heeft men uit het voorkomen der bezinkingen de periodes van betrekkelijke
vochtigheid en droogte trachten af te leiden. In het midden der krijtperiode wordt de
toestand anders, en kan men het begin eener verkoeling naar het noorden waarnemen.
Wij leiden dit af uit de afwezigheid van riffen en de zeldzaamheid van koralen, op de
plaats waar thans Europa ligt, uit het zeldzaam voorkomen van rudistae boven 45°
Noorderbreedte, en uit de verschijning op die plaatsen van plantenfamiliën, die slechts
bij uitzondering in de tropen gevonden worden.
Die rijke Juraperiode geeft ons een helder denkbeeld van de vruchtbaarheid der natuur,
want de aarde was toen zeer verschillend van die van onzen tijd. Het kan zijn nut
hebben, de wereld te beschouwen uit het oogpunt der organische natuur, en hetgeen ons
de aarde leert, in verband te brengen met onze opvattingen van het heelal.
Wij zagen zooeven, dat de dinosauren verdwenen zijn in het midden der krijtperiode; de
reden van die verdwijning lag in de ontzaglijke veranderingen, die in dien tijd in de
temperatuur plaats vonden. Tot nu toe wees de verspreiding der planten en dieren over
de oppervlakte der aarde, en tevens de aard der dieren en planten, op eene hooge,
gelijkmatige temperatuur, die niet zoo veel hooger was aan den aequator dan op onze
breedte, en die tot op 76° noorderbreedte tropisch was. In één woord: over de geheele
aarde heerschte het klimaat der tegenwoordige verzengde luchtstreken. Gedurende al die
eeuwen schijnt de temperatuur niet de minste schommeling te hebben ondergaan;
hoogstens heeft men uit het voorkomen der bezinkingen de periodes van betrekkelijke
vochtigheid en droogte trachten af te leiden. In het midden der krijtperiode wordt de
toestand anders, en kan men het begin eener verkoeling naar het noorden waarnemen.
Wij leiden dit af uit de afwezigheid van riffen en de zeldzaamheid van koralen, op de
plaats waar thans Europa ligt, uit het zeldzaam voorkomen van rudistae boven 45°
Noorderbreedte, en uit de verschijning op die plaatsen van plantenfamiliën, die slechts
bij uitzondering in de tropen gevonden worden.
Die rijke Juraperiode geeft ons een helder denkbeeld van de vruchtbaarheid der natuur,
want de aarde was toen zeer verschillend van die van onzen tijd. Het kan zijn nut
hebben, de wereld te beschouwen uit het oogpunt der organische natuur, en hetgeen ons
de aarde leert, in verband te brengen met onze opvattingen van het heelal.
Page 405
Letten wij b.v. op het landschap van araucaria’s en cycadeën, waarin zich de reusachtige
stegosaurus beweegt met zijn lichaam, dat bedekt was met beenige en doornachtige
platen, en met zijne merkwaardig korte voorste ledematen,—den compsonotus, een’
anderen niet minder merkwaardigen dinosaurus,—en de vreemde vliegende reptielen, de
pterodactyli (fig. 227). Vormt dit landschap niet eene wereld, die geheel van de onze
verschilt? Zou men zich die kunnen voorstellen, als men de versteeningen niet ontdekt
had? Die bewoners der secundaire periode zijn allen op het laatst der krijtperiode
verdwenen. Toen heerschte over de geheele aarde het klimaat der tegenwoordige tropen;
tot op de hoogste breedten heeft men dezelfde planten en dieren teruggevonden. Het is
de periode der kruipende dieren, en welke kruipende dieren! De brontosaurus, wij
merkten het reeds op, bereikte eene lengte van 16 meters en moest meer dan 30000
kilogram wegen! De atlantosaurus was nog grooter. De Europeesche cetiosaurus deed
niet onder voor zijne Amerikaansche mededingers: men kan daarover gemakkelijk
oordeelen, indien men weet, dat het dijbeen 1,70 meter lang, en dat het gedeelte van den
kop en de wervelkolom, dat bekend is, reeds 12 meters lang is, hetgeen voor het geheele
dier eene lengte van 16 tot 17 meters geeft. De iguanodons waren dikwijls tien meters
lang; de grootste heeft eenen kop van 1,20 meters en de voorpooten waren 2,50 meters
lang.
Fig. 227. De Pterodactylus.
stegosaurus beweegt met zijn lichaam, dat bedekt was met beenige en doornachtige
platen, en met zijne merkwaardig korte voorste ledematen,—den compsonotus, een’
anderen niet minder merkwaardigen dinosaurus,—en de vreemde vliegende reptielen, de
pterodactyli (fig. 227). Vormt dit landschap niet eene wereld, die geheel van de onze
verschilt? Zou men zich die kunnen voorstellen, als men de versteeningen niet ontdekt
had? Die bewoners der secundaire periode zijn allen op het laatst der krijtperiode
verdwenen. Toen heerschte over de geheele aarde het klimaat der tegenwoordige tropen;
tot op de hoogste breedten heeft men dezelfde planten en dieren teruggevonden. Het is
de periode der kruipende dieren, en welke kruipende dieren! De brontosaurus, wij
merkten het reeds op, bereikte eene lengte van 16 meters en moest meer dan 30000
kilogram wegen! De atlantosaurus was nog grooter. De Europeesche cetiosaurus deed
niet onder voor zijne Amerikaansche mededingers: men kan daarover gemakkelijk
oordeelen, indien men weet, dat het dijbeen 1,70 meter lang, en dat het gedeelte van den
kop en de wervelkolom, dat bekend is, reeds 12 meters lang is, hetgeen voor het geheele
dier eene lengte van 16 tot 17 meters geeft. De iguanodons waren dikwijls tien meters
lang; de grootste heeft eenen kop van 1,20 meters en de voorpooten waren 2,50 meters
lang.
Fig. 227. De Pterodactylus.
Page 406
Zonder zelfs te spreken van de oude wereld der ichthyosauren, der plesiosauren, der
labyrinthodonten, der paleotheriums, is de periode der dinosauren voldoende, om
getuigenis af te leggen van de verscheidenheid van de voortbrengselen der levenskracht,
zelfs op onze nietige planeet. De natuur zelf beantwoordt hen, die aan hare
vruchtbaarheid twijfelen, en wij behoeven aan hare wonderen niets toe te voegen.
Noch de denkbeeldige dieren, door de fabelleer van alle volkeren verzonnen, noch de
spooksels, door de vrees geschapen in de sombere tijden, toen de menschelijke gedachte
scheen te sluimeren en te droomen, zouden kunnen wedijveren met de fantastische
voortbrengselen der aarde tijdens den oorsprong der viervoetige dieren en der
zoogdieren. Het is, alsof de natuur van alles in kolossale verhoudingen de proef
genomen heeft, vóórdat zij kon besluiten tot de vormen, die eens in de menschheid
moesten eindigen.
Terwijl de zeeën doorploegd werden door reusachtige kruipende dieren, ichthyosauren,
plesiosauren, pliosauren, nothosauren, waarvan de tegenwoordige natuur ons geen flauw
denkbeeld kan geven; terwijl op het vasteland de dinosauren heerschten, misschien wel
de merkwaardigste dieren, ons door de oudheid nagelaten, waren de hemelen met niet
minder vreemde wezens bevolkt, met dieren, die noch vogels, noch kruipende dieren
waren, of liever met dieren, die tegelijk vogels waren, zonder veeren en met tanden
gewapend, tegelijk warmbloedige kruipende dieren, die noch konden loopen, noch
konden zwemmen. Het zijn in den waren zin des woords de draken uit de fabelleer, en de
meest rijke verbeelding kan zich geene verzameling van zóó vreemde monsters denken,
of zij hebben tijdens de Juraperiode geleefd.
Niet alleen door hunne grootte onderscheidden zich de kruipende dieren in de oude
tijden: ook door de talrijke en zeldzame vormen, die zij aannamen. Wij wijzen hier op de
dieren, die niet, zooals de vliegende draken, door middel hunner ribben vlogen, of zooals
de vogels, door vleugels met aan de uiteinden vergroeide middelhandsbeenderen, of
zooals de vleermuizen door vleugels, waarbij de duim alleen vrij is, maar door middel
van vleugels, die gesteund werden door eenen zeer langen vinger, terwijl de andere
vingers hunne gewone lengte en hunne klauwen behouden hadden. Die vliegende
reptielen (vreemde tegenstelling) hadden eenen langen hals, en den bek van een vogel.
Die vreemde dieren zijn de pterodactyli. Hunne korte en stevige kaken zijn aan de
voorzijde voorzien van tanden, terwijl de kaak zich tot eene soort bek verlengt, die bij
den ramphorynchus en den dimorphodon waarschijnlijk met eenen hoorn bekleed was en
geene tanden bevatte. Die tanden doen door hunnen stand en de wijze hunner inplanting
meer denken aan de merkwaardige van tanden voorziene vogels der krijtformatie van
Amerika, zooals den hesperornis, dan aan kruipende dieren.5
labyrinthodonten, der paleotheriums, is de periode der dinosauren voldoende, om
getuigenis af te leggen van de verscheidenheid van de voortbrengselen der levenskracht,
zelfs op onze nietige planeet. De natuur zelf beantwoordt hen, die aan hare
vruchtbaarheid twijfelen, en wij behoeven aan hare wonderen niets toe te voegen.
Noch de denkbeeldige dieren, door de fabelleer van alle volkeren verzonnen, noch de
spooksels, door de vrees geschapen in de sombere tijden, toen de menschelijke gedachte
scheen te sluimeren en te droomen, zouden kunnen wedijveren met de fantastische
voortbrengselen der aarde tijdens den oorsprong der viervoetige dieren en der
zoogdieren. Het is, alsof de natuur van alles in kolossale verhoudingen de proef
genomen heeft, vóórdat zij kon besluiten tot de vormen, die eens in de menschheid
moesten eindigen.
Terwijl de zeeën doorploegd werden door reusachtige kruipende dieren, ichthyosauren,
plesiosauren, pliosauren, nothosauren, waarvan de tegenwoordige natuur ons geen flauw
denkbeeld kan geven; terwijl op het vasteland de dinosauren heerschten, misschien wel
de merkwaardigste dieren, ons door de oudheid nagelaten, waren de hemelen met niet
minder vreemde wezens bevolkt, met dieren, die noch vogels, noch kruipende dieren
waren, of liever met dieren, die tegelijk vogels waren, zonder veeren en met tanden
gewapend, tegelijk warmbloedige kruipende dieren, die noch konden loopen, noch
konden zwemmen. Het zijn in den waren zin des woords de draken uit de fabelleer, en de
meest rijke verbeelding kan zich geene verzameling van zóó vreemde monsters denken,
of zij hebben tijdens de Juraperiode geleefd.
Niet alleen door hunne grootte onderscheidden zich de kruipende dieren in de oude
tijden: ook door de talrijke en zeldzame vormen, die zij aannamen. Wij wijzen hier op de
dieren, die niet, zooals de vliegende draken, door middel hunner ribben vlogen, of zooals
de vogels, door vleugels met aan de uiteinden vergroeide middelhandsbeenderen, of
zooals de vleermuizen door vleugels, waarbij de duim alleen vrij is, maar door middel
van vleugels, die gesteund werden door eenen zeer langen vinger, terwijl de andere
vingers hunne gewone lengte en hunne klauwen behouden hadden. Die vliegende
reptielen (vreemde tegenstelling) hadden eenen langen hals, en den bek van een vogel.
Die vreemde dieren zijn de pterodactyli. Hunne korte en stevige kaken zijn aan de
voorzijde voorzien van tanden, terwijl de kaak zich tot eene soort bek verlengt, die bij
den ramphorynchus en den dimorphodon waarschijnlijk met eenen hoorn bekleed was en
geene tanden bevatte. Die tanden doen door hunnen stand en de wijze hunner inplanting
meer denken aan de merkwaardige van tanden voorziene vogels der krijtformatie van
Amerika, zooals den hesperornis, dan aan kruipende dieren.5
Page 407
De pterodactyli waren dieren, die zich met kracht en snel door de lucht konden
voortbewegen: hunne voorste ledematen zijn dan ook geheel daartoe ingericht. Bij de
vogels, de dieren der lucht bij uitnemendheid, bestaan de vleugels uit onbuigzame
pennen, die met haar ééne uiteinde bevestigd zijn aan eene platte en bijna onbeweeglijke
stomp; de twee beenderen van den middenarm kunnen niet om elkander draaien, en de
handwortel bestaat slechts uit twee kleine beentjes; de hand bestaat uit eenen weinig
ontwikkelden duim, eenen pink en eenen middenvinger, die uit twee leden bestaat. Het
vliegorgaan der zich in de lucht bewegende zoogdieren, zooals de vleermuizen, is geheel
anders samengesteld. Bij de laatste dient een zeer dun vlies, tusschen de voorste en
achterste ledematen en de huid, voor het vliegen; om dat vlies te dragen, moeten de
vingers bijzonder lang zijn.
voortbewegen: hunne voorste ledematen zijn dan ook geheel daartoe ingericht. Bij de
vogels, de dieren der lucht bij uitnemendheid, bestaan de vleugels uit onbuigzame
pennen, die met haar ééne uiteinde bevestigd zijn aan eene platte en bijna onbeweeglijke
stomp; de twee beenderen van den middenarm kunnen niet om elkander draaien, en de
handwortel bestaat slechts uit twee kleine beentjes; de hand bestaat uit eenen weinig
ontwikkelden duim, eenen pink en eenen middenvinger, die uit twee leden bestaat. Het
vliegorgaan der zich in de lucht bewegende zoogdieren, zooals de vleermuizen, is geheel
anders samengesteld. Bij de laatste dient een zeer dun vlies, tusschen de voorste en
achterste ledematen en de huid, voor het vliegen; om dat vlies te dragen, moeten de
vingers bijzonder lang zijn.
Page 408
Fig. 228. De dinosauren: Stegosaurus en Compsonotus in een landschap van
araucaria’s.
Evenals verscheidene andere dieren dier periode, vertoont de pterodactylus een mengsel
van zeer verschillende karaktertrekken. De hals, gevormd uit zeven wervels, wijst op een
zoogdier, de vliezen, die voor het vliegen dienen en zich uitstrekken tusschen de vóór-
en achterpooten, behooren tot de vleermuizen, terwijl men den pterodactylus naar den
bouw van den voet onder de kruipende dieren moet rangschikken; de zoogdieren toch
hebben aan alle vingers hetzelfde aantal leden; de kruipende dieren daarentegen, en met
name de hagedis, hebben het kleinste aantal leden aan den vinger, die de plaats van den
araucaria’s.
Evenals verscheidene andere dieren dier periode, vertoont de pterodactylus een mengsel
van zeer verschillende karaktertrekken. De hals, gevormd uit zeven wervels, wijst op een
zoogdier, de vliezen, die voor het vliegen dienen en zich uitstrekken tusschen de vóór-
en achterpooten, behooren tot de vleermuizen, terwijl men den pterodactylus naar den
bouw van den voet onder de kruipende dieren moet rangschikken; de zoogdieren toch
hebben aan alle vingers hetzelfde aantal leden; de kruipende dieren daarentegen, en met
name de hagedis, hebben het kleinste aantal leden aan den vinger, die de plaats van den
Page 409
duim inneemt, en één lid meer aan iederen volgenden vinger, tot aan den laatsten, die
één minder heeft dan de vorige.
De pterodactylus, die dezelfde inrichting der vingers heeft, wordt dus onder de
hagedissen gerangschikt; het was eene soort van vliegende hagedis van middelmatige
grootte, en, te oordeelen naar het aantal insecten, dat men dicht bij zijne overblijfselen
vindt, een insecteneter. Het hoofdvoedsel schijnt uit libellulae bestaan te hebben,
waarvan men eene zeer schoone soort bij hunne overblijfselen vindt. Men heeft
opgemerkt, dat de pterodactylus geene verdedigingswapenen of haren bezat; in de
afdruksels vindt men daarvan geen spoor. Blz. 422 geeft een denkbeeld van zijne grootte
in vergelijking met die van de vleermuis.
In de lithographische steen van Beieren, waarin zoovele merkwaardige dieren gevonden
zijn, die uitstekend bewaard zijn gebleven, heeft men in 1873 eenen rhamphorynchus
gevonden, met volkomen gaven vleugel. Uit dat exemplaar blijkt, dat de vleugel een
vlies was, dat op dat der vleermuizen geleek, glad en netvormig. Het vlies was aan de
binnenzijde aan den geheelen arm verbonden, de vijfde vinger, die lang uitgerekt was,
steunde het tot aan het uiteinde. De staart was zeer lang en de staartwervels werden
vastgehouden door beenige pezen; de merkwaardige toestel, die men aan het uiteinde
van den staart van den rhamphorynchus waarneemt, deed klaarblijkelijk dienst als roer.
De zooeven genoemde karaktertrekken zijn zóó bijzonder, dat het niet te verwonderen is,
dat de pterodactyli, ook wel pterosauri en ornithoscelidae genoemd, nu eens als vogels,
dan weder als kruipende dieren beschouwd zijn, of ook wel als dieren, tusschen beide
klassen instaande. Het onderzoek der fossielen heeft onze vroegere begrippen over de
verschillende groepen van dieren in velerlei opzichten gewijzigd; wij kennen thans
vogels, met tanden als bij de zoogdieren, en zoogdieren met vogelbekken; sommige
wezens zijn zóó vreemdsoortig, dat zij door de uitstekendste ontleedkundigen nu eens
beschouwd zijn als gevleugelde reptielen, dan weder als vogels, die over een groot
gedeelte van hun skelet op reptielen geleken. De verdeeling in klassen, orden en
families, zooals wij die aannemen, bestaat in de natuur niet; er zijn schakels, die de ééne
soort met de andere vereenigen. Indien de dinosauri eenigszins den overgang
vertegenwoordigen tusschen de kruipende dieren, en de vogels en de zoogdieren, dan
verbinden de pterodactyli de kruipende dieren met de vogels, doch liggen zij dichter bij
de laatste dan bij de eerste. Evenals de dinosauri zijn de pterosauri tot nu toe alleen
gevonden in de secundaire formaties van Europa en Noord-Amerika. Ook bij deze dieren
vindt men verscheidene typen.
De pterodactyli der Juraperiode van West-Europa hadden de grootte van musschen,
lijsters en duiven. Maar in de Vereenigde Staten heeft Marsh in de krijtformatie van
Kansas beenderen gevonden van het geslacht pteranodon, die behoord hebben tot dieren,
wier vleugeluitgebreidheid zes of zeven meters bedroeg! Deze monsters moeten in de
één minder heeft dan de vorige.
De pterodactylus, die dezelfde inrichting der vingers heeft, wordt dus onder de
hagedissen gerangschikt; het was eene soort van vliegende hagedis van middelmatige
grootte, en, te oordeelen naar het aantal insecten, dat men dicht bij zijne overblijfselen
vindt, een insecteneter. Het hoofdvoedsel schijnt uit libellulae bestaan te hebben,
waarvan men eene zeer schoone soort bij hunne overblijfselen vindt. Men heeft
opgemerkt, dat de pterodactylus geene verdedigingswapenen of haren bezat; in de
afdruksels vindt men daarvan geen spoor. Blz. 422 geeft een denkbeeld van zijne grootte
in vergelijking met die van de vleermuis.
In de lithographische steen van Beieren, waarin zoovele merkwaardige dieren gevonden
zijn, die uitstekend bewaard zijn gebleven, heeft men in 1873 eenen rhamphorynchus
gevonden, met volkomen gaven vleugel. Uit dat exemplaar blijkt, dat de vleugel een
vlies was, dat op dat der vleermuizen geleek, glad en netvormig. Het vlies was aan de
binnenzijde aan den geheelen arm verbonden, de vijfde vinger, die lang uitgerekt was,
steunde het tot aan het uiteinde. De staart was zeer lang en de staartwervels werden
vastgehouden door beenige pezen; de merkwaardige toestel, die men aan het uiteinde
van den staart van den rhamphorynchus waarneemt, deed klaarblijkelijk dienst als roer.
De zooeven genoemde karaktertrekken zijn zóó bijzonder, dat het niet te verwonderen is,
dat de pterodactyli, ook wel pterosauri en ornithoscelidae genoemd, nu eens als vogels,
dan weder als kruipende dieren beschouwd zijn, of ook wel als dieren, tusschen beide
klassen instaande. Het onderzoek der fossielen heeft onze vroegere begrippen over de
verschillende groepen van dieren in velerlei opzichten gewijzigd; wij kennen thans
vogels, met tanden als bij de zoogdieren, en zoogdieren met vogelbekken; sommige
wezens zijn zóó vreemdsoortig, dat zij door de uitstekendste ontleedkundigen nu eens
beschouwd zijn als gevleugelde reptielen, dan weder als vogels, die over een groot
gedeelte van hun skelet op reptielen geleken. De verdeeling in klassen, orden en
families, zooals wij die aannemen, bestaat in de natuur niet; er zijn schakels, die de ééne
soort met de andere vereenigen. Indien de dinosauri eenigszins den overgang
vertegenwoordigen tusschen de kruipende dieren, en de vogels en de zoogdieren, dan
verbinden de pterodactyli de kruipende dieren met de vogels, doch liggen zij dichter bij
de laatste dan bij de eerste. Evenals de dinosauri zijn de pterosauri tot nu toe alleen
gevonden in de secundaire formaties van Europa en Noord-Amerika. Ook bij deze dieren
vindt men verscheidene typen.
De pterodactyli der Juraperiode van West-Europa hadden de grootte van musschen,
lijsters en duiven. Maar in de Vereenigde Staten heeft Marsh in de krijtformatie van
Kansas beenderen gevonden van het geslacht pteranodon, die behoord hebben tot dieren,
wier vleugeluitgebreidheid zes of zeven meters bedroeg! Deze monsters moeten in de
Page 410
krijtperiode te Amerika tamelijk talrijk geweest zijn; de Amerikaansche
natuuronderzoeker verzekert toch, dat in Yale-College te New-Haven (Connecticut)
beenderen van meer dan 600 reuzenpteranodons gevonden worden.
Die vreemde bevolking der secundaire periode is, zooals wij zagen, met de
labyrinthodonten begonnen. Stellen wij ons behalve die vreemde vormen ook nog de
woeste kreten van al die kruipende dieren voor: het geloei en gehuil der dinosauri, het
gekwaak van den labyrinthodon, dien reusachtigen kikvorsch, aan den oever van de zilte
meren!
Al die dieren richten eene vreeselijke verwoesting aan onder de vreedzame menigte der
weekdieren. Zij vermalen de parelmoerkleurige schelpen en voeden zich met visschen en
kruipende dieren. Geen enkel wezen kan aan hunne verscheurende kaken weerstand
bieden; zij worden de heerschers der wereld.
Wat eene vreemde en fantastische dierenwereld. Beeldhouwers en schilders hebben
voorheen en thans de wereld verrijkt met wezens, die nooit bestaan hebben. Gelooft
men, dat de sphynxen der Egyptenaren, op het zand neergehurkt, de centauren, de
faunen, de Grieksche satyrs, de Hindoesche en Perzische griffioenen, de slangenengelen
van Raphaël, geene verwante vormen vinden onder de levende wezens, die de aarde in
die oude tijden bevolkt hebben? De dinosauri, de iguanodons, de plesiosauren kunnen,
zoo zeggen wij met Edgard Quinet, wel degelijk wedijveren met de draken met
vlammenden muil van Medea; de vliegende slangen met de slangen van Laocoön; de
oudste herkauwende dieren en de groote tandelooze dieren, de mylodon en het
megatherium met de gekroonde stieren van Babel, de geheimzinnige dromatheriums en
dinotheriums met de reusachtige sphynxen van Thebe, de ichthyosauren met de draken
van Hercules en de harpyen van Homerus, de hipparions met hunne gevingerde voeten
met de paarden van Neptunus of met het monster van Rubens met de opgeheven manen.
Men zou den stamvader der honden, den amphicyon willen zien en hem hooren blaffen
op den kruisweg van de schepping der tertiaire zoogdieren. Indien de Grieksche en
moderne kunstenaar onmogelijke vormen moest verzinnen, dan had hij slechts te putten
in de bewerktuigde wereld; hij zou geheel gereedgemaakte vormen gevonden hebben in
de werkplaats der natuur; hij zou realist zijn, niettegenstaande hij de grenzen der
tegenwoordige wereld overschreed.
Ieder wezen heeft zijn natuurlijk kader. Even moeilijk als het voor ons zoude zijn, zich
den kameel voor te stellen zonder hem in den geest met de woestijn te verbinden,
evenzoo moeilijk is het, zich de krokodillen der Juraperiode in eene andere omlijsting te
denken dan die van dien tijd. Zij waagden zich op het strand, doch vonden vóór zich een
laag, moerassig, smal eiland, het Liaseiland, dat geene krachtige pogingen vereischte,
om er bezit van te nemen. Indien de hagedissen zich op den modder hadden gesleept en
geene prooi ze aantrok, gingen zij niet verder. Een korte, vormlooze, handvormige poot,
natuuronderzoeker verzekert toch, dat in Yale-College te New-Haven (Connecticut)
beenderen van meer dan 600 reuzenpteranodons gevonden worden.
Die vreemde bevolking der secundaire periode is, zooals wij zagen, met de
labyrinthodonten begonnen. Stellen wij ons behalve die vreemde vormen ook nog de
woeste kreten van al die kruipende dieren voor: het geloei en gehuil der dinosauri, het
gekwaak van den labyrinthodon, dien reusachtigen kikvorsch, aan den oever van de zilte
meren!
Al die dieren richten eene vreeselijke verwoesting aan onder de vreedzame menigte der
weekdieren. Zij vermalen de parelmoerkleurige schelpen en voeden zich met visschen en
kruipende dieren. Geen enkel wezen kan aan hunne verscheurende kaken weerstand
bieden; zij worden de heerschers der wereld.
Wat eene vreemde en fantastische dierenwereld. Beeldhouwers en schilders hebben
voorheen en thans de wereld verrijkt met wezens, die nooit bestaan hebben. Gelooft
men, dat de sphynxen der Egyptenaren, op het zand neergehurkt, de centauren, de
faunen, de Grieksche satyrs, de Hindoesche en Perzische griffioenen, de slangenengelen
van Raphaël, geene verwante vormen vinden onder de levende wezens, die de aarde in
die oude tijden bevolkt hebben? De dinosauri, de iguanodons, de plesiosauren kunnen,
zoo zeggen wij met Edgard Quinet, wel degelijk wedijveren met de draken met
vlammenden muil van Medea; de vliegende slangen met de slangen van Laocoön; de
oudste herkauwende dieren en de groote tandelooze dieren, de mylodon en het
megatherium met de gekroonde stieren van Babel, de geheimzinnige dromatheriums en
dinotheriums met de reusachtige sphynxen van Thebe, de ichthyosauren met de draken
van Hercules en de harpyen van Homerus, de hipparions met hunne gevingerde voeten
met de paarden van Neptunus of met het monster van Rubens met de opgeheven manen.
Men zou den stamvader der honden, den amphicyon willen zien en hem hooren blaffen
op den kruisweg van de schepping der tertiaire zoogdieren. Indien de Grieksche en
moderne kunstenaar onmogelijke vormen moest verzinnen, dan had hij slechts te putten
in de bewerktuigde wereld; hij zou geheel gereedgemaakte vormen gevonden hebben in
de werkplaats der natuur; hij zou realist zijn, niettegenstaande hij de grenzen der
tegenwoordige wereld overschreed.
Ieder wezen heeft zijn natuurlijk kader. Even moeilijk als het voor ons zoude zijn, zich
den kameel voor te stellen zonder hem in den geest met de woestijn te verbinden,
evenzoo moeilijk is het, zich de krokodillen der Juraperiode in eene andere omlijsting te
denken dan die van dien tijd. Zij waagden zich op het strand, doch vonden vóór zich een
laag, moerassig, smal eiland, het Liaseiland, dat geene krachtige pogingen vereischte,
om er bezit van te nemen. Indien de hagedissen zich op den modder hadden gesleept en
geene prooi ze aantrok, gingen zij niet verder. Een korte, vormlooze, handvormige poot,
Page 411
de achterarm tegen het lichaam gedrukt, ziedaar alles wat noodig is om die bank te
bezetten, die beurtelings onder water, beurtelings boven water, een tweeslachtig verblijf
aanbood aan tweeslachtige wezens. En daar op dien verdroogden modder, waarop alle
schepselen zich langzaam bewogen, geen gevaar te vermijden viel, was er geen
noodzakelijkheid of verlangen, om te vluchten of zich te haasten. Zoo kan men zeggen,
dat de aarde haren stempel gedrukt heeft op de bewoners van dien tijd en het aanzijn gaf
aan de kruipende dieren. Daar waar een vaste bodem ontbrak, kon zich de wijze van
voortbewegen der landdieren niet ontwikkelen. De dieren behoefden noch te loopen,
noch te rennen, noch te vliegen; kruipen was voldoende. Met de hagedissen waagden
zich ook de schildpadden op het land; daar het hun alleen te doen was, zich op den grond
neer te zetten, en die vaste grond slechts eene kleine uitgestrektheid had, behoefden zij
zich niet te haasten; zij hadden slechts te kruipen, om hun erfgoed te bemachtigen, en
verkregen alzoo den stempel der onbewegelijkheid. Als op die smalle landtong, de poot
zich niet kon ontwikkelen door beweging en snelheid, hoe kon dan de vleugel zich
ontwikkelen? Men kan zich alleen vleugels denken, indien zich groote uitgestrektheden
aan den horizon openen, indien men die moet doorklieven, om eene van verre zichtbare
prooi te bereiken, of om van klimaat te veranderen door verhuizing naar eene andere
landstreek.
Doch welk wezen had op dat woeste strand der Juraperiode behoefte om eene vlucht te
nemen, teneinde een zoo klein gebied te doorloopen. Daarom ontbreken de vogels nog.
Als het eerste spoor van eenen vleugel verschijnt, is het de vleugel van een reptiel, den
pterodactylus, met den getanden muil van eene hagedis, en twee vliezige vleugels. Die
vleugels zijn voor hem voldoende, want hij behoeft geene wijde oceanen over te steken,
om vastelanden te bereiken, die nog niet bestaan; hij behoeft zich nog niet in één
oogwenk van eene ongenaakbare rots in eene diepe vallei te werpen. Er zijn nog geene
bergen of valleien, het is slechts een effen, smal, ingekorven terrein, waar al de
voorwerpen in elkanders nabijheid zijn gelegen. Indien het kruipende dier, in het moeras
verborgen, eenen zwerm libellulae in het voorbijvliegen kan grijpen of eenen grooten
kever, dan is dat voldoende voor zijne voeding.
De tijd voor het ware vliegen is nog niet gekomen; de vleugel met zijne groote
vleugelwijdte ontwikkelt zich eerst, als het vasteland zich ontwikkeld heeft, als de
bergen zijn opgerezen, de valleien uitgediept, het klimaat gewijzigd is, en de
eilandgroepen te voorschijn zijn getreden, die aan de vogels op hunne verre tochten tot
rustplaats kunnen strekken.
Wij zien dus, dat de tijdperken niet voorbijgaan zonder een levend beeld van zich achter
te laten. Zij drukken op onuitwischbare wijze hunnen stempel op de elkander
opvolgende schepselen. Zij herleven daarin. Ieder oogenblik van de eeuwigheid heeft
zich dus vastgezet in een type, eene soort, eene familie, die daarvan de
vertegenwoordiger is. Indien de woestijn verdween, dan zoude deze nog in den kameel
bezetten, die beurtelings onder water, beurtelings boven water, een tweeslachtig verblijf
aanbood aan tweeslachtige wezens. En daar op dien verdroogden modder, waarop alle
schepselen zich langzaam bewogen, geen gevaar te vermijden viel, was er geen
noodzakelijkheid of verlangen, om te vluchten of zich te haasten. Zoo kan men zeggen,
dat de aarde haren stempel gedrukt heeft op de bewoners van dien tijd en het aanzijn gaf
aan de kruipende dieren. Daar waar een vaste bodem ontbrak, kon zich de wijze van
voortbewegen der landdieren niet ontwikkelen. De dieren behoefden noch te loopen,
noch te rennen, noch te vliegen; kruipen was voldoende. Met de hagedissen waagden
zich ook de schildpadden op het land; daar het hun alleen te doen was, zich op den grond
neer te zetten, en die vaste grond slechts eene kleine uitgestrektheid had, behoefden zij
zich niet te haasten; zij hadden slechts te kruipen, om hun erfgoed te bemachtigen, en
verkregen alzoo den stempel der onbewegelijkheid. Als op die smalle landtong, de poot
zich niet kon ontwikkelen door beweging en snelheid, hoe kon dan de vleugel zich
ontwikkelen? Men kan zich alleen vleugels denken, indien zich groote uitgestrektheden
aan den horizon openen, indien men die moet doorklieven, om eene van verre zichtbare
prooi te bereiken, of om van klimaat te veranderen door verhuizing naar eene andere
landstreek.
Doch welk wezen had op dat woeste strand der Juraperiode behoefte om eene vlucht te
nemen, teneinde een zoo klein gebied te doorloopen. Daarom ontbreken de vogels nog.
Als het eerste spoor van eenen vleugel verschijnt, is het de vleugel van een reptiel, den
pterodactylus, met den getanden muil van eene hagedis, en twee vliezige vleugels. Die
vleugels zijn voor hem voldoende, want hij behoeft geene wijde oceanen over te steken,
om vastelanden te bereiken, die nog niet bestaan; hij behoeft zich nog niet in één
oogwenk van eene ongenaakbare rots in eene diepe vallei te werpen. Er zijn nog geene
bergen of valleien, het is slechts een effen, smal, ingekorven terrein, waar al de
voorwerpen in elkanders nabijheid zijn gelegen. Indien het kruipende dier, in het moeras
verborgen, eenen zwerm libellulae in het voorbijvliegen kan grijpen of eenen grooten
kever, dan is dat voldoende voor zijne voeding.
De tijd voor het ware vliegen is nog niet gekomen; de vleugel met zijne groote
vleugelwijdte ontwikkelt zich eerst, als het vasteland zich ontwikkeld heeft, als de
bergen zijn opgerezen, de valleien uitgediept, het klimaat gewijzigd is, en de
eilandgroepen te voorschijn zijn getreden, die aan de vogels op hunne verre tochten tot
rustplaats kunnen strekken.
Wij zien dus, dat de tijdperken niet voorbijgaan zonder een levend beeld van zich achter
te laten. Zij drukken op onuitwischbare wijze hunnen stempel op de elkander
opvolgende schepselen. Zij herleven daarin. Ieder oogenblik van de eeuwigheid heeft
zich dus vastgezet in een type, eene soort, eene familie, die daarvan de
vertegenwoordiger is. Indien de woestijn verdween, dan zoude deze nog in den kameel
Page 412
afgebeeld zijn. Uit dat oogpunt teekent de rij der georganiseerde wezens de rij der groote
vervlogen tijdperken. Iedere plant, ieder dier, tot zijn type teruggebracht, is als het ware
een vast punt in de opvolging der gebeurtenissen, die de geschiedenis der aarde vormen.
Pterodactylus en vleermuis.
Toch wane men niet, dat die wonderlijke Juraperiode, de grootste en vruchtbaarste van
de geheele geschiedenis der aarde, alleen die ontzaglijke en fantastische dinosauri en
gevleugelde reptielen heeft voortgebracht; het was hare bestemming, om nog eenen stap
verder te gaan op de baan der schepping, en om zich nog op andere wijze te openbaren
dan door die geweldige krachtsuitingen; zij heeft het voorrecht gehad, den vogel het
vervlogen tijdperken. Iedere plant, ieder dier, tot zijn type teruggebracht, is als het ware
een vast punt in de opvolging der gebeurtenissen, die de geschiedenis der aarde vormen.
Pterodactylus en vleermuis.
Toch wane men niet, dat die wonderlijke Juraperiode, de grootste en vruchtbaarste van
de geheele geschiedenis der aarde, alleen die ontzaglijke en fantastische dinosauri en
gevleugelde reptielen heeft voortgebracht; het was hare bestemming, om nog eenen stap
verder te gaan op de baan der schepping, en om zich nog op andere wijze te openbaren
dan door die geweldige krachtsuitingen; zij heeft het voorrecht gehad, den vogel het
Page 413
aanzijn te schenken, nog wel niet de zwaluw of de nachtegaal, maar den laagst
ontwikkelden, den oorspronkelijken vogel.
Fig. 230. Staart van den
archeopteryx.
ontwikkelden, den oorspronkelijken vogel.
Fig. 230. Staart van den
archeopteryx.
Page 414
Fig. 231. Fossiele overblijfselen van den archeopteryx te Solenhofen in
de Juraformatie gevonden.
De ontdekking der eerste veeren van den fossielen vogel was hoogst belangrijk. Zij
dateert van 1860 en is gedaan in de bovenste Juraformatie van Beieren, in de
lithographische steen van Solenhofen. De geologen twijfelden aan de echtheid van de
veer, totdat men in het volgende jaar in dezelfde formatie en vlak bij de plaats, waar de
veer gevonden was, een gedeelte ontdekte van het lichaam van den oorspronkelijken
vogel, die den naam kreeg van archeopteryx. Het duurde verscheidene jaren, eer het
mogelijk was, nauwkeuriger kennis omtrent dien vogel op te doen. In 1863 gaf Owen er
voor het eerst eene beschrijving van. In 1877 werd een tweede exemplaar, schooner en
vollediger, gevonden op 14 kilometers van de plek, waar het eerste gevonden is. Het
eerste exemplaar is aangekocht door het Museüm van Londen, het tweede door dat van
de Juraformatie gevonden.
De ontdekking der eerste veeren van den fossielen vogel was hoogst belangrijk. Zij
dateert van 1860 en is gedaan in de bovenste Juraformatie van Beieren, in de
lithographische steen van Solenhofen. De geologen twijfelden aan de echtheid van de
veer, totdat men in het volgende jaar in dezelfde formatie en vlak bij de plaats, waar de
veer gevonden was, een gedeelte ontdekte van het lichaam van den oorspronkelijken
vogel, die den naam kreeg van archeopteryx. Het duurde verscheidene jaren, eer het
mogelijk was, nauwkeuriger kennis omtrent dien vogel op te doen. In 1863 gaf Owen er
voor het eerst eene beschrijving van. In 1877 werd een tweede exemplaar, schooner en
vollediger, gevonden op 14 kilometers van de plek, waar het eerste gevonden is. Het
eerste exemplaar is aangekocht door het Museüm van Londen, het tweede door dat van
Page 415
Berlijn. Het onderzoek van dat laatste exemplaar heeft geleerd, dat de schedel reeds den
eigenaardigen vorm van eenen vogelschedel heeft, maar dat hij voorzien is van kaken
met tanden in tandkassen. De grootte van dien vogel komt overeen met die van eene
duif. De staart is hoogst merkwaardig. Hij is zeer lang en bestaat uit 20 wervels, die
ieder aan weerszijden eene veer dragen. Door die wervels is het meer de staart van een
kruipend dier dan van eenen vogel. De archeopteryx vult juist de leege ruimte aan
tusschen de kruipende dieren en de vogels. Reeds lang wist men, dat de vogels
vervormde kruipende dieren zijn; maar men kende nog geene fossielen uit dien
overgangstijd. De archeopteryx is dus in ieder opzicht eene der belangrijkste
ontdekkingen der paleontologie.
Fig. 232. De archeopteryx (de oudste fossiele vogel).
En toch was de ontdekking van dat dier nog slechts een voorspel van de ontdekkingen,
onlangs in Amerika gedaan naar aanleiding der eerste fossiele vogels; die ontdekkingen
waren zóó belangrijk en talrijk, dat Marsh aan de voornaamste ontdekkingen een folio
boekdeel wijdt, dat als het ware alleen nog maar eenen ontleedkundigen catalogus vormt
van de onderzochte exemplaren. Uit dat prachtige werk, de vrucht van doorwrochte
studie, zullen wij enkele exemplaren als typen kiezen, indien wij in ons volgend
hoofdstuk de krijtperiode behandelen, waarin die dieren tot hunne grootste ontwikkeling
gekomen zijn.
eigenaardigen vorm van eenen vogelschedel heeft, maar dat hij voorzien is van kaken
met tanden in tandkassen. De grootte van dien vogel komt overeen met die van eene
duif. De staart is hoogst merkwaardig. Hij is zeer lang en bestaat uit 20 wervels, die
ieder aan weerszijden eene veer dragen. Door die wervels is het meer de staart van een
kruipend dier dan van eenen vogel. De archeopteryx vult juist de leege ruimte aan
tusschen de kruipende dieren en de vogels. Reeds lang wist men, dat de vogels
vervormde kruipende dieren zijn; maar men kende nog geene fossielen uit dien
overgangstijd. De archeopteryx is dus in ieder opzicht eene der belangrijkste
ontdekkingen der paleontologie.
Fig. 232. De archeopteryx (de oudste fossiele vogel).
En toch was de ontdekking van dat dier nog slechts een voorspel van de ontdekkingen,
onlangs in Amerika gedaan naar aanleiding der eerste fossiele vogels; die ontdekkingen
waren zóó belangrijk en talrijk, dat Marsh aan de voornaamste ontdekkingen een folio
boekdeel wijdt, dat als het ware alleen nog maar eenen ontleedkundigen catalogus vormt
van de onderzochte exemplaren. Uit dat prachtige werk, de vrucht van doorwrochte
studie, zullen wij enkele exemplaren als typen kiezen, indien wij in ons volgend
hoofdstuk de krijtperiode behandelen, waarin die dieren tot hunne grootste ontwikkeling
gekomen zijn.
Page 416
Al die landvogels (meer dan duizend in aantal) zijn gevonden naast pterodactyli van 25
voet vleugelwijdte, mosasauri, sauropoden en reusachtige stegosauri. Volgens Marsh
vindt men in de Amerikaansche Juraformaties kleine dinosauri, wier beenderen, van het
skelet gescheiden, als de schedel ontbreekt, niet kunnen onderscheiden worden van die
der vogels uit dezelfde lagen. Enkele van deze leefden op de boomen en onderscheidden
zich van de vogels alleen door de afwezigheid van veeren. Hoe zijn die veeren ontstaan?
Wij hebben eene aanwijzing daarvan in het vliegen van den galeopithecus, de vliegende
eekhorentjes, de vliegende hagedissen en de vliegende kikvorschen. Bij de
oorspronkelijke vogels, die op de boomen leefden en die van tak op tak sprongen, waren
zelfs reeds rudimentaire veeren een voordeel, want zij zouden eenen grooteren sprong
naar beneden hebben mogelijk gemaakt of de kracht van den val hebben kunnen breken.
Naarmate de veeren groeiden, werd het lichaam warmer en het bloed werkzamer. Met
het toenemen van het aantal veeren zoude het vermogen om te vliegen zijn toegenomen;
die verhoogde werkzaamheid zoude weer eenen vollediger bloedsomloop tengevolge
hebben enz.
De ramphorynchus kan ons een zeer goed denkbeeld geven van die kleine vliegende
dinosauri.
De leer van de ontwikkeling der ongeboren vrucht heeft reeds lang de overeenkomst
aangetoond van de schubben en stekels der kruipende dieren, en de wratvormige
stompjes, die bij de ongeboren vrucht der vogels, de eerste sporen van het gevederte zijn.
Het is dus geene wetenschappelijke ketterij, aan te nemen, dat er kruipende dieren
geweest zijn, met veeren bekleed; dit is misschien het geval geweest met den
compsognathes en den archeopteryx. Naar de onderzoekingen van Carl Vogt, op het
tweede exemplaar gedaan, had de eerste vogel ongetwijfeld een naakt lichaam. Hij
schrijft daaromtrent het volgende:
Aan iedere hand heeft hij drie lange en slanke vingers, met kromme, scherpe klauwen. De duim is de
kortste; de beide andere zijn bijna even lang; toch heeft de tweede de overhand. Die twee vingers waren
klaarblijkelijk met elkander verbonden door peesachtige vliezen. De duim bestaat uit twee leden en een
middelhandsbeen, en de andere vingers uit drie leden en een middelhandsbeen.
De vleugels waren aan den voorarm en de hand bevestigd, zonder dat men in het skelet eene bijzondere
aanpassing voor dat doel vindt. De duim was vrij, evenals de twee andere vingers. Indien men in zijne
gedachte alle veeren wegneemt, dan heeft men eene drievingerige hand van een kruipend dier voor oogen,
zooals de compsognathes en vele andere dinosauri gehad hebben blijkens de sporen hunner voetstappen.
Ik durf beweren, dat geen enkele geleerde, wien men het skelet van eenen archeopteryx zonder veeren liet
zien, zou kunnen vermoeden, dat dit dier bij zijn leven vleugels bezeten heeft.
Later zullen wij de ontwikkeling der vogels volgen, indien wij de tertiaire periode
bestudeeren.
voet vleugelwijdte, mosasauri, sauropoden en reusachtige stegosauri. Volgens Marsh
vindt men in de Amerikaansche Juraformaties kleine dinosauri, wier beenderen, van het
skelet gescheiden, als de schedel ontbreekt, niet kunnen onderscheiden worden van die
der vogels uit dezelfde lagen. Enkele van deze leefden op de boomen en onderscheidden
zich van de vogels alleen door de afwezigheid van veeren. Hoe zijn die veeren ontstaan?
Wij hebben eene aanwijzing daarvan in het vliegen van den galeopithecus, de vliegende
eekhorentjes, de vliegende hagedissen en de vliegende kikvorschen. Bij de
oorspronkelijke vogels, die op de boomen leefden en die van tak op tak sprongen, waren
zelfs reeds rudimentaire veeren een voordeel, want zij zouden eenen grooteren sprong
naar beneden hebben mogelijk gemaakt of de kracht van den val hebben kunnen breken.
Naarmate de veeren groeiden, werd het lichaam warmer en het bloed werkzamer. Met
het toenemen van het aantal veeren zoude het vermogen om te vliegen zijn toegenomen;
die verhoogde werkzaamheid zoude weer eenen vollediger bloedsomloop tengevolge
hebben enz.
De ramphorynchus kan ons een zeer goed denkbeeld geven van die kleine vliegende
dinosauri.
De leer van de ontwikkeling der ongeboren vrucht heeft reeds lang de overeenkomst
aangetoond van de schubben en stekels der kruipende dieren, en de wratvormige
stompjes, die bij de ongeboren vrucht der vogels, de eerste sporen van het gevederte zijn.
Het is dus geene wetenschappelijke ketterij, aan te nemen, dat er kruipende dieren
geweest zijn, met veeren bekleed; dit is misschien het geval geweest met den
compsognathes en den archeopteryx. Naar de onderzoekingen van Carl Vogt, op het
tweede exemplaar gedaan, had de eerste vogel ongetwijfeld een naakt lichaam. Hij
schrijft daaromtrent het volgende:
Aan iedere hand heeft hij drie lange en slanke vingers, met kromme, scherpe klauwen. De duim is de
kortste; de beide andere zijn bijna even lang; toch heeft de tweede de overhand. Die twee vingers waren
klaarblijkelijk met elkander verbonden door peesachtige vliezen. De duim bestaat uit twee leden en een
middelhandsbeen, en de andere vingers uit drie leden en een middelhandsbeen.
De vleugels waren aan den voorarm en de hand bevestigd, zonder dat men in het skelet eene bijzondere
aanpassing voor dat doel vindt. De duim was vrij, evenals de twee andere vingers. Indien men in zijne
gedachte alle veeren wegneemt, dan heeft men eene drievingerige hand van een kruipend dier voor oogen,
zooals de compsognathes en vele andere dinosauri gehad hebben blijkens de sporen hunner voetstappen.
Ik durf beweren, dat geen enkele geleerde, wien men het skelet van eenen archeopteryx zonder veeren liet
zien, zou kunnen vermoeden, dat dit dier bij zijn leven vleugels bezeten heeft.
Later zullen wij de ontwikkeling der vogels volgen, indien wij de tertiaire periode
bestudeeren.
Page 417
De insecten, wier verschijning wij reeds vóór de dagen der steenkoolperiode begroet
hebben (blz. 263) nemen gedurende de Juraperiode snel toe, en ontwikkelen zich
evenzeer tot volkomener soorten. Ook hier openbaart zich de groote wet van den
vooruitgang, zooals wij die leerden kennen in het geheele dierenrijk. Wij zagen, dat de
insecten der primaire periode behoorden tot de lagere soorten, de rechtvleugeligen, de
netvleugeligen en de halfvleugeligen (zooals kakkerlakken, krekels, sprinkhanen, witte
mieren, waterjuffers), en dat men in die oude formaties nog geene overblijfselen van
insecten gevonden heeft, die behoorden tot de hoogere orden der vliesvleugeligen,
tweevleugeligen of vlinders, bijen, mieren of kapellen. In de oudste bezinksels der
Juraperiode, in het trias, heeft Oswald Heer, alleen in Zwitserland, tweeduizend
exemplaren gevonden, aldus verdeeld over 143 soorten:
Rechtvleugeligen 7 soorten.
Netvleugeligen 7 soorten.
Schildvleugeligen 116 soorten.
Vliesvleugeligen 1 soorten.
Halfvleugeligen 12 soorten.
Men ziet, dat de schildvleugeligen de groote meerderheid uitmaken. Die insecten leveren
de helft der fossiele soorten, en wijzen er op, dat het vasteland met bosschen begroeid
was.
Fig. 233 en 234 stellen vleugels van eenen fossielen kever en van eene fossiele
waterjuffer voor, gevonden in de oölitische formatie van Stonesfield, bij Oxford.
De rijkdom der insectenfauna bewijst, dat het vasteland in dien tijd eene groote
uitgestrektheid had en dat wij hier niet meer de kleine eilanden der liaszee voor oogen
hebben. Het bestaan van waterjuffers en schildvleugelige insecten in zoo groote
hoeveelheden wijst op rivieren of zoetwaterbekkens. Wij weten, dat alle kleine eilanden
van den Atlantischen Oceaan slechts aan zeer weinige waterdieren tot verblijfplaats
strekken; de Canarische eilanden, Madera, de Azoren bezitten er slechts enkele. De
reden is eenvoudig: de beken zijn te klein, en op sommige tijden van het jaar bijna
geheel uitgedroogd, hetgeen een beletsel is voor het bestaan van zoetwaterdieren. Een
eiland moet eene zekere uitgestrektheid hebben, opdat de beken er niet uitdrogen. Al
weten wij nu, dat er in de Juraperiode waarschijnlijk meer water viel dan thans, en dat de
regen zich over het geheele jaar regelmatiger verdeelde, dan thans op de genoemde
eilanden het geval is, toch mogen wij uit het groote aantal zoetwaterinsecten opmaken,
dat de eilanden der Juraperiode zeer groot waren.
Tijdens de Juraperiode huppelden in Frankrijk en Engeland kleine krekels in de struiken,
de waterjuffers schommelden door de lucht, de kakkerlakken en witte mieren zochten
hebben (blz. 263) nemen gedurende de Juraperiode snel toe, en ontwikkelen zich
evenzeer tot volkomener soorten. Ook hier openbaart zich de groote wet van den
vooruitgang, zooals wij die leerden kennen in het geheele dierenrijk. Wij zagen, dat de
insecten der primaire periode behoorden tot de lagere soorten, de rechtvleugeligen, de
netvleugeligen en de halfvleugeligen (zooals kakkerlakken, krekels, sprinkhanen, witte
mieren, waterjuffers), en dat men in die oude formaties nog geene overblijfselen van
insecten gevonden heeft, die behoorden tot de hoogere orden der vliesvleugeligen,
tweevleugeligen of vlinders, bijen, mieren of kapellen. In de oudste bezinksels der
Juraperiode, in het trias, heeft Oswald Heer, alleen in Zwitserland, tweeduizend
exemplaren gevonden, aldus verdeeld over 143 soorten:
Rechtvleugeligen 7 soorten.
Netvleugeligen 7 soorten.
Schildvleugeligen 116 soorten.
Vliesvleugeligen 1 soorten.
Halfvleugeligen 12 soorten.
Men ziet, dat de schildvleugeligen de groote meerderheid uitmaken. Die insecten leveren
de helft der fossiele soorten, en wijzen er op, dat het vasteland met bosschen begroeid
was.
Fig. 233 en 234 stellen vleugels van eenen fossielen kever en van eene fossiele
waterjuffer voor, gevonden in de oölitische formatie van Stonesfield, bij Oxford.
De rijkdom der insectenfauna bewijst, dat het vasteland in dien tijd eene groote
uitgestrektheid had en dat wij hier niet meer de kleine eilanden der liaszee voor oogen
hebben. Het bestaan van waterjuffers en schildvleugelige insecten in zoo groote
hoeveelheden wijst op rivieren of zoetwaterbekkens. Wij weten, dat alle kleine eilanden
van den Atlantischen Oceaan slechts aan zeer weinige waterdieren tot verblijfplaats
strekken; de Canarische eilanden, Madera, de Azoren bezitten er slechts enkele. De
reden is eenvoudig: de beken zijn te klein, en op sommige tijden van het jaar bijna
geheel uitgedroogd, hetgeen een beletsel is voor het bestaan van zoetwaterdieren. Een
eiland moet eene zekere uitgestrektheid hebben, opdat de beken er niet uitdrogen. Al
weten wij nu, dat er in de Juraperiode waarschijnlijk meer water viel dan thans, en dat de
regen zich over het geheele jaar regelmatiger verdeelde, dan thans op de genoemde
eilanden het geval is, toch mogen wij uit het groote aantal zoetwaterinsecten opmaken,
dat de eilanden der Juraperiode zeer groot waren.
Tijdens de Juraperiode huppelden in Frankrijk en Engeland kleine krekels in de struiken,
de waterjuffers schommelden door de lucht, de kakkerlakken en witte mieren zochten
Page 418
hun voedsel in de bosschen, en vroolijke zwermen van waterkevers verlustigden zich op
de oppervlakte van het water.
Ook vond men daar reeds de sprinkhanen met hunne onharmonische en knersende
geluiden.
In overeenstemming met andere klassen van dieren moeten de oorspronkelijke insecten
groote afmetingen gehad hebben en vormen, die meer of minder van de tegenwoordige
verschilden. Wij hebben reeds in de steenkoolperiode gesproken over de reusachtige
grootte van den titanophasma. Doch in de Juraperiode hadden de insecten reeds dezelfde
afmetingen als in onzen tijd.
Indien wij op het aantal families letten, dan zien wij, dat dit op een warm klimaat wijst;
wij herinneren o.a. aan de witte mieren en de kakkerlakken; de laatsten hebben veel
meer overeenkomst met die der warme luchtstreken dan met de onze. Hetzelfde is met
de planten het geval. De cycadeën en de groote boomvarens komen alleen in de
verzengde luchtstreken voor.
De araucaria’s strekken zich uit van
de warme tot de gematigde
luchtstreken en de thuya zelfs tot
zeer noordelijke breedten, en toch
zijn dit de twee boomsoorten onder
de naaldboomen, die het meest naar
het zuiden afdalen; zij zijn dus niet
in tegenspraak met de vroeger
gegeven onderstelling, hoewel wij Fig. 233. Vleugel van eenen kever, in de oölitische formatie
uit hunne aanwezigheid niet mogen bewaard gebleven.
besluiten tot een warm klimaat. Niet
alleen de lucht, doch ook de zee had
op onze breedte eene hoogere temperatuur dan thans; de ammonieten, nauw verwant met
de nautili, die thans nog in de Indische zee leven, leveren daarvoor het bewijs, evenals
de pentacriniden, die alleen op de kusten der Antillen voorkomen.
De insecten, die reeds in grooten getale en in groote verscheidenheid voorkwamen in de
Juraperiode, leggen dus evenals de overige planten en dieren getuigenis af omtrent de
temperatuur in dien tijd. Doch zoo aanstonds zullen wij daarvoor een ander bewijs
verkrijgen in de koralen der Jurazeeën. Vóórdat wij echter van de insecten en vooral van
de schildvleugeligen uit dien tijd afstappen, moeten wij nog opmerken, dat wij ook bij
hen belangrijke feiten kunnen waarnemen ten gunste van de aanpassing der soorten naar
de levensvoorwaarden. Zoo zijn de insecten, die in het water leven, slechts gering in
aantal, in vergelijking met die, welke op het land voorkomen; in de zee komen slechts
de oppervlakte van het water.
Ook vond men daar reeds de sprinkhanen met hunne onharmonische en knersende
geluiden.
In overeenstemming met andere klassen van dieren moeten de oorspronkelijke insecten
groote afmetingen gehad hebben en vormen, die meer of minder van de tegenwoordige
verschilden. Wij hebben reeds in de steenkoolperiode gesproken over de reusachtige
grootte van den titanophasma. Doch in de Juraperiode hadden de insecten reeds dezelfde
afmetingen als in onzen tijd.
Indien wij op het aantal families letten, dan zien wij, dat dit op een warm klimaat wijst;
wij herinneren o.a. aan de witte mieren en de kakkerlakken; de laatsten hebben veel
meer overeenkomst met die der warme luchtstreken dan met de onze. Hetzelfde is met
de planten het geval. De cycadeën en de groote boomvarens komen alleen in de
verzengde luchtstreken voor.
De araucaria’s strekken zich uit van
de warme tot de gematigde
luchtstreken en de thuya zelfs tot
zeer noordelijke breedten, en toch
zijn dit de twee boomsoorten onder
de naaldboomen, die het meest naar
het zuiden afdalen; zij zijn dus niet
in tegenspraak met de vroeger
gegeven onderstelling, hoewel wij Fig. 233. Vleugel van eenen kever, in de oölitische formatie
uit hunne aanwezigheid niet mogen bewaard gebleven.
besluiten tot een warm klimaat. Niet
alleen de lucht, doch ook de zee had
op onze breedte eene hoogere temperatuur dan thans; de ammonieten, nauw verwant met
de nautili, die thans nog in de Indische zee leven, leveren daarvoor het bewijs, evenals
de pentacriniden, die alleen op de kusten der Antillen voorkomen.
De insecten, die reeds in grooten getale en in groote verscheidenheid voorkwamen in de
Juraperiode, leggen dus evenals de overige planten en dieren getuigenis af omtrent de
temperatuur in dien tijd. Doch zoo aanstonds zullen wij daarvoor een ander bewijs
verkrijgen in de koralen der Jurazeeën. Vóórdat wij echter van de insecten en vooral van
de schildvleugeligen uit dien tijd afstappen, moeten wij nog opmerken, dat wij ook bij
hen belangrijke feiten kunnen waarnemen ten gunste van de aanpassing der soorten naar
de levensvoorwaarden. Zoo zijn de insecten, die in het water leven, slechts gering in
aantal, in vergelijking met die, welke op het land voorkomen; in de zee komen slechts
Page 419
zeer weinigen voor; die gelede dieren zijn niet voor het zeeleven gebouwd, en worden
daarin dan ook vervangen door de schaaldieren. Toch zijn er enkele insecten, die een
groot gedeelte van hun leven onder de zee doorbrengen. Hooren wij, wat Audouin
daaromtrent mededeelt:
Op eene reis, in 1822 langs de kusten der Vendée,
bezocht ik een aantal eilanden van den Oceaan, ten
einde schaaldieren en andere zeedieren te
verzamelen. Eens was ik in den loop van September
bezig met het doorzoeken van het eiland
Noirmoutiers, en ik had gebruik gemaakt van de eb,
om tot op 200 vademen in de zeebedding voort te
gaan, toen ik plotseling te midden dier diepte
getroffen werd door een uiterst klein dier, dat ik
dadelijk als een insect herkende. Het liep snel over
de oppervlakte der steenen, over het zeewier, over de
sponzen en de overige voorwerpen, zooeven door de
zee verlaten, en die nog vochtig waren door de
laatste golf.
Op het eerste gezicht vermoedde ik, dat dit kleine
insect, dat ontegenzeggelijk tot de carabidae
behoorde, waarvan alle soorten vleeschetende
landdieren zijn, bij toeval daar aanwezig was, en dat
ik het misschien zelf had medegevoerd. Toch vond
Fig. 234. Fossiele waterjuffer der Juraperiode. ik het dier merkwaardig genoeg, om het mede te
nemen. Doch spoedig zag ik een tweede en een
derde exemplaar. Nog iets verder zag ik een vierde
en zoo had ik binnen zes minuten een tiental bijeen... Den volgenden dag kwam ik terug, toen het water
begon te vallen, met het doel om den teruggang van het water stap voor stap te volgen. Eerst was ik zeer
verbaasd, dat ik niettegenstaande mijn ijverig zoeken geen enkel van die insecten ontmoette op het terrein,
dat het eerst bloot lag. Eerst nadat het water een eind gezakt was, begon ik ze op te merken. Ik zag er meer
dan 15, maar in plaats van ze te vangen, bestudeerde ik hunne bewegingen en besloot de plaats niet te
verlaten, vóórdat zij die zelf verlaten hadden.
Weldra had ik reden mij over mijn geduld te verheugen. Ik kon mij namelijk overtuigen, dat zoodra de zee
de plaats, door één der insecten ingenomen, blootlegde, het insect daarvan gebruik maakte, om dadelijk
weg te loopen en vlug over den vochtigen grond voortliep; doch zoodra de vloed opkwam en den grond
bedekte, zag ik telkens die kleine insecten in plaats van hun heil in de vlucht te zoeken, zich snel
verbergen onder eenen naburigen steen, die dadelijk daarop onder water geraakte en door eene telkens
aangroeiende watermassa werd bedekt.
Het was dus buiten twijfel, dat die kleine dieren den bodem der zee niet verlieten, om de kust op te
zoeken, en dat zij gedurende den duur van den vloed, d.i. 6 uren lang, naar gelang van de plaatsen door 20,
30 of 40 voet water bedekt waren.
Hieruit volgt, dat de dieren slechts met groote tusschenpoozen, en dan nog slechts kort, vrij in de lucht
kunnen ademen, en dat zij veel langer onder water dan boven water zijn. Maar de natuur, die naarmate de
wezens aan grootere gevaren zijn blootgesteld, betere voorzorgen neemt tot hun behoud, heeft het kleine
insect het middel gegeven, zich met eene luchtbel te omgeven, en gemaakt, dat die luchtbel aan het dier
niet gemakkelijk ontsnappen kan.
Indien men met het bloote oog of liever met eene loupe de oppervlakte zijner vleugels beschouwt, of
zijnen kop, zijn middenlijf, zijne sprieten, zijne pooten, in één woord, zijn geheele lichaam, dan ziet men,
dat het bedekt is met haartjes, waarvan enkele eene tamelijke lengte hebben.
daarin dan ook vervangen door de schaaldieren. Toch zijn er enkele insecten, die een
groot gedeelte van hun leven onder de zee doorbrengen. Hooren wij, wat Audouin
daaromtrent mededeelt:
Op eene reis, in 1822 langs de kusten der Vendée,
bezocht ik een aantal eilanden van den Oceaan, ten
einde schaaldieren en andere zeedieren te
verzamelen. Eens was ik in den loop van September
bezig met het doorzoeken van het eiland
Noirmoutiers, en ik had gebruik gemaakt van de eb,
om tot op 200 vademen in de zeebedding voort te
gaan, toen ik plotseling te midden dier diepte
getroffen werd door een uiterst klein dier, dat ik
dadelijk als een insect herkende. Het liep snel over
de oppervlakte der steenen, over het zeewier, over de
sponzen en de overige voorwerpen, zooeven door de
zee verlaten, en die nog vochtig waren door de
laatste golf.
Op het eerste gezicht vermoedde ik, dat dit kleine
insect, dat ontegenzeggelijk tot de carabidae
behoorde, waarvan alle soorten vleeschetende
landdieren zijn, bij toeval daar aanwezig was, en dat
ik het misschien zelf had medegevoerd. Toch vond
Fig. 234. Fossiele waterjuffer der Juraperiode. ik het dier merkwaardig genoeg, om het mede te
nemen. Doch spoedig zag ik een tweede en een
derde exemplaar. Nog iets verder zag ik een vierde
en zoo had ik binnen zes minuten een tiental bijeen... Den volgenden dag kwam ik terug, toen het water
begon te vallen, met het doel om den teruggang van het water stap voor stap te volgen. Eerst was ik zeer
verbaasd, dat ik niettegenstaande mijn ijverig zoeken geen enkel van die insecten ontmoette op het terrein,
dat het eerst bloot lag. Eerst nadat het water een eind gezakt was, begon ik ze op te merken. Ik zag er meer
dan 15, maar in plaats van ze te vangen, bestudeerde ik hunne bewegingen en besloot de plaats niet te
verlaten, vóórdat zij die zelf verlaten hadden.
Weldra had ik reden mij over mijn geduld te verheugen. Ik kon mij namelijk overtuigen, dat zoodra de zee
de plaats, door één der insecten ingenomen, blootlegde, het insect daarvan gebruik maakte, om dadelijk
weg te loopen en vlug over den vochtigen grond voortliep; doch zoodra de vloed opkwam en den grond
bedekte, zag ik telkens die kleine insecten in plaats van hun heil in de vlucht te zoeken, zich snel
verbergen onder eenen naburigen steen, die dadelijk daarop onder water geraakte en door eene telkens
aangroeiende watermassa werd bedekt.
Het was dus buiten twijfel, dat die kleine dieren den bodem der zee niet verlieten, om de kust op te
zoeken, en dat zij gedurende den duur van den vloed, d.i. 6 uren lang, naar gelang van de plaatsen door 20,
30 of 40 voet water bedekt waren.
Hieruit volgt, dat de dieren slechts met groote tusschenpoozen, en dan nog slechts kort, vrij in de lucht
kunnen ademen, en dat zij veel langer onder water dan boven water zijn. Maar de natuur, die naarmate de
wezens aan grootere gevaren zijn blootgesteld, betere voorzorgen neemt tot hun behoud, heeft het kleine
insect het middel gegeven, zich met eene luchtbel te omgeven, en gemaakt, dat die luchtbel aan het dier
niet gemakkelijk ontsnappen kan.
Indien men met het bloote oog of liever met eene loupe de oppervlakte zijner vleugels beschouwt, of
zijnen kop, zijn middenlijf, zijne sprieten, zijne pooten, in één woord, zijn geheele lichaam, dan ziet men,
dat het bedekt is met haartjes, waarvan enkele eene tamelijke lengte hebben.
Page 420
Indien men dan plotseling het insect van de lucht in het zeewater overbrengt, dan bemerkt men, dat ieder
dier haren eene kleine laag elastische vloeistof bevat, die eerst tot kleine ovaalvormige lichamen
vereenigd, weldra eenen kleinen bol vormt, die zijn lichaam van alle zijden omgeeft, en die nooit ontsnapt,
hoe het dier zich ook beweegt. Het insect neemt steeds eene kleine luchtlaag mede, en indien het zich
onder eenen steen verschuilt, is het tijdelijk in dezelfde omstandigheden als de zich vrij in de lucht
bewegende insecten.
Het door Audouin bestudeerde insect was de aepus marinus; later heeft Charles Robin in
1848 te Dieppe eene tweede soort ontdekt en de waarnemingen van Robin hebben die
van Audouin bevestigd; die van Coquerel, te Brest gedaan, zijn echter nog vollediger; hij
is zelfs zoo gelukkig geweest, de larve te ontdekken.
De aepus Robini, zoo zegt hij, wordt alleen gevonden onder steenen, die stevig aan den grond vastzitten,
op plaatsen die bedekt zijn met grof grint, en steeds onder de laagwater-lijn. Als de zee zich terugtrekt, en
het zand nog vochtig is, ziet men er geen’ enkelen; zij zijn dan in kleine gaten tamelijk diep verborgen. Zij
komen eerst te voorschijn, zoodra de grond minder vochtig wordt, en men ziet ze met groote snelheid
aanstormen, als men den steen optilt, die hun tot schuilplaats diende.
Het leven dier merkwaardige insecten hangt dus geheel af van de getijden. Zij blijven onder het water in
slaap, zoolang het hoog water is, en bewegen zich eerst, als de zee teruggaat. Indien de Oceaan ten
gevolge eener storing in de natuurwetten minder regelmatig onze kusten blootlegde, zou dat insect zeker
moeten omkomen; merkwaardig voorbeeld van de schoone harmonie, die wij bij iederen stap op het
gebied der natuur waarnemen. Vandaar, dat het insect niet gevonden wordt op de kusten der
Middellandsche zee, waar geene getijden bestaan.
Fig. 235. Verschillende kalkscheeden (snavels of rostra) van belemnieten uit de Juraperiode.
dier haren eene kleine laag elastische vloeistof bevat, die eerst tot kleine ovaalvormige lichamen
vereenigd, weldra eenen kleinen bol vormt, die zijn lichaam van alle zijden omgeeft, en die nooit ontsnapt,
hoe het dier zich ook beweegt. Het insect neemt steeds eene kleine luchtlaag mede, en indien het zich
onder eenen steen verschuilt, is het tijdelijk in dezelfde omstandigheden als de zich vrij in de lucht
bewegende insecten.
Het door Audouin bestudeerde insect was de aepus marinus; later heeft Charles Robin in
1848 te Dieppe eene tweede soort ontdekt en de waarnemingen van Robin hebben die
van Audouin bevestigd; die van Coquerel, te Brest gedaan, zijn echter nog vollediger; hij
is zelfs zoo gelukkig geweest, de larve te ontdekken.
De aepus Robini, zoo zegt hij, wordt alleen gevonden onder steenen, die stevig aan den grond vastzitten,
op plaatsen die bedekt zijn met grof grint, en steeds onder de laagwater-lijn. Als de zee zich terugtrekt, en
het zand nog vochtig is, ziet men er geen’ enkelen; zij zijn dan in kleine gaten tamelijk diep verborgen. Zij
komen eerst te voorschijn, zoodra de grond minder vochtig wordt, en men ziet ze met groote snelheid
aanstormen, als men den steen optilt, die hun tot schuilplaats diende.
Het leven dier merkwaardige insecten hangt dus geheel af van de getijden. Zij blijven onder het water in
slaap, zoolang het hoog water is, en bewegen zich eerst, als de zee teruggaat. Indien de Oceaan ten
gevolge eener storing in de natuurwetten minder regelmatig onze kusten blootlegde, zou dat insect zeker
moeten omkomen; merkwaardig voorbeeld van de schoone harmonie, die wij bij iederen stap op het
gebied der natuur waarnemen. Vandaar, dat het insect niet gevonden wordt op de kusten der
Middellandsche zee, waar geene getijden bestaan.
Fig. 235. Verschillende kalkscheeden (snavels of rostra) van belemnieten uit de Juraperiode.
Page 421
Fig. 236. Terebratula
digona.
Fig. 237. Rynchonellae van verschillende zijden gezien.
Dit voorbeeld, ontleend aan de schildvleugelige insecten, één der oudste onder de
fossielen, verschaft ons veel licht omtrent den oorsprong der soorten. Ieder dier
verandert, om zich aan te passen naar de gewijzigde levensvoorwaarden. Dit is evenzoo
het geval geweest met de blind geworden insecten, die in holen leven; hunne haren zijn
langer geworden, daar de tastzin in de plaats van den gezichtszin is getreden. Doch
keeren wij terug tot de Juraperiode en voltooien wij hare beschrijving. Wij hebben de
geheele bevolking dier periode besproken, wij moeten nog alleen de weekdieren en de
lagere dieren bespreken, die nog steeds, niettegenstaande den vooruitgang, zijn blijven
voortbestaan. En waarom zouden zij ook niet zijn blijven voortbestaan? Immers die
dieren, wier levensvoorwaarden niet gewijzigd zijn, b.v. die, welke op den bodem der
zee leven, veranderen niet. De levenskracht der planeet is niet uitgeput, het zoude dus
mogelijk zijn, dat nog steeds het protoplasma het aanzijn schenkt aan de organismen der
azoïsche periode.
digona.
Fig. 237. Rynchonellae van verschillende zijden gezien.
Dit voorbeeld, ontleend aan de schildvleugelige insecten, één der oudste onder de
fossielen, verschaft ons veel licht omtrent den oorsprong der soorten. Ieder dier
verandert, om zich aan te passen naar de gewijzigde levensvoorwaarden. Dit is evenzoo
het geval geweest met de blind geworden insecten, die in holen leven; hunne haren zijn
langer geworden, daar de tastzin in de plaats van den gezichtszin is getreden. Doch
keeren wij terug tot de Juraperiode en voltooien wij hare beschrijving. Wij hebben de
geheele bevolking dier periode besproken, wij moeten nog alleen de weekdieren en de
lagere dieren bespreken, die nog steeds, niettegenstaande den vooruitgang, zijn blijven
voortbestaan. En waarom zouden zij ook niet zijn blijven voortbestaan? Immers die
dieren, wier levensvoorwaarden niet gewijzigd zijn, b.v. die, welke op den bodem der
zee leven, veranderen niet. De levenskracht der planeet is niet uitgeput, het zoude dus
mogelijk zijn, dat nog steeds het protoplasma het aanzijn schenkt aan de organismen der
azoïsche periode.
Page 422
Fig. 238. Stuk van eenen steenklomp, die uitsluitend bestaat uit rhynchonellae.
Wij zagen in het begin van dit hoofdstuk, dat de Juraformatie over een groot gedeelte
van Frankrijk bloot ligt. Eene belangrijke strook strekt zich uit van het westen naar het
oosten, en wordt breeder naarmate men het Juragebergte nadert; zij loopt over La
Rochelle, Nevers, Dyon, Langres, Chaumont, Neufchâteau, Nancy, Metz, Luxemburg,
en vertakt zich naar het zuidoosten over de Jura en de Alpen. Die bodem is zóó rijk aan
fossielen, dat de meeste kinderen zich daar reeds van hunne vroegste jeugd, zonder het te
weten, met geologie en paleontologie bezighouden. In groote menigte vindt men daar
kegels (fig. 235) van alle grootten, van één tot 20 centimeters. Die zwarte en puntige
kegels worden door de landlieden dondersteenen genoemd. Men heeft ze vroeger
dikwijls aangezien voor spelingen der natuur, of steenachtige verhardingen, voor
druipsteenen, vischtanden, en somtijds heeft men ze ook duivelsklauwen genoemd. Men
vindt ze in zóó grooten getale, dat men slechts te bukken heeft om ze te vinden. Die
puntige kegelvormige steenen is het eenige wat overgebleven is van een koppootig
weekdier, dat in de zeeën dier periode zeer verspreid was, het zijn kalkscheeden van
belemnieten; wij zullen ze zoo aanstonds meer in bijzonderheden bespreken. In het
Museum te Parijs vindt men eene plaat leisteen uit het lias van Engeland, waar men op
eene oppervlakte van 25 vierkante decimeters meer dan 900 van die kalkscheeden telt.
Wij zagen in het begin van dit hoofdstuk, dat de Juraformatie over een groot gedeelte
van Frankrijk bloot ligt. Eene belangrijke strook strekt zich uit van het westen naar het
oosten, en wordt breeder naarmate men het Juragebergte nadert; zij loopt over La
Rochelle, Nevers, Dyon, Langres, Chaumont, Neufchâteau, Nancy, Metz, Luxemburg,
en vertakt zich naar het zuidoosten over de Jura en de Alpen. Die bodem is zóó rijk aan
fossielen, dat de meeste kinderen zich daar reeds van hunne vroegste jeugd, zonder het te
weten, met geologie en paleontologie bezighouden. In groote menigte vindt men daar
kegels (fig. 235) van alle grootten, van één tot 20 centimeters. Die zwarte en puntige
kegels worden door de landlieden dondersteenen genoemd. Men heeft ze vroeger
dikwijls aangezien voor spelingen der natuur, of steenachtige verhardingen, voor
druipsteenen, vischtanden, en somtijds heeft men ze ook duivelsklauwen genoemd. Men
vindt ze in zóó grooten getale, dat men slechts te bukken heeft om ze te vinden. Die
puntige kegelvormige steenen is het eenige wat overgebleven is van een koppootig
weekdier, dat in de zeeën dier periode zeer verspreid was, het zijn kalkscheeden van
belemnieten; wij zullen ze zoo aanstonds meer in bijzonderheden bespreken. In het
Museum te Parijs vindt men eene plaat leisteen uit het lias van Engeland, waar men op
eene oppervlakte van 25 vierkante decimeters meer dan 900 van die kalkscheeden telt.
Page 423
Met die kalkscheeden van belemnieten vindt men, als de meest gewone fossielen, de
terebratulae en de rynchonellae. Die versteende schelpen, die iets grooter zijn dan
abrikozenpitten, hebben somtijds sierlijke vormen. De eerste zijn amandelvormig, en
hebben aan de rugklep zijdelingsche aanhangsels, zoogenaamde ooren, de laatste zijn
gewoonlijk waaiersgewijs geplooid. Men vindt ze dikwijls in zóó groote hoeveelheden,
dat steenblokken van eenige kilogrammen geheel bestaan uit eene opeenhooping van die
schelpen, die men gemakkelijk van elkander kan losmaken. De terebratulae en de
rynchonellae waren armpootige weekdieren, die ook in de Jurazeeën in grooten getale
voorkwamen.
Fig. 238 stelt een stuk van een blok voor, dat uitsluitend bestaat uit rynchonellae.
Zeldzamer zijn in die formaties de versteende oesters, toch vindt men ze nog in
betrekkelijk groot aantal, evenals de zeeëgels. Al die formaties behooren tot de oudste
oölithische, de bathonische formatie. Op die heuvelhellingen, waar de Maas en de Marne
ontspringen, vindt men ook mosselschelpen, ammonieten en poliepen. Men vindt er ook
versteend hout: in de Juraperiocle waren er dus ook bosschen.
Wij spraken zooeven van de belemnieten en de
scherpe steenen, die zij achtergelaten hebben. Het
waren koppootige weekdieren, verwant aan de
groote inktvisschen van onzen tijd. Iedereen kent de
inktvisschen niet alleen omdat hij ze aan den oever
der zee of in de aquaria gezien heeft, maar ook om
den inktzak, eene klier in den vorm van een
peervormig zakje, waarin eene bruinzwarte vloeistof
wordt afgescheiden, en om het zeeschuim of
sepiabeen. Die bruinzwarte vloeistof werd ook door
de belemnieten afgescheiden, en is zelfs in den zak
van het dier teruggevonden als een fossiel poeder;
men heeft zelfs teekeningen kunnen vervaardigen
met die sepia, die reeds millioenen jaren oud is.
Volgens de onderzoekingen van Blainville en
d’Orbigny bereikten de belemnieten somtijds eene
lengte van twee meters. Men kent 5 hoofdsoorten.
Het waren goede zwemmers, die gewoonlijk
Fig. 239. Loligo vulgaris (van onzen tijd). achteruit zwommen, in den horizontalen stand van
fig. 241. In de Juraformaties bereiken de belemnieten
hunne grootste lengte. Zij zijn reeds lang
uitgestorven.
terebratulae en de rynchonellae. Die versteende schelpen, die iets grooter zijn dan
abrikozenpitten, hebben somtijds sierlijke vormen. De eerste zijn amandelvormig, en
hebben aan de rugklep zijdelingsche aanhangsels, zoogenaamde ooren, de laatste zijn
gewoonlijk waaiersgewijs geplooid. Men vindt ze dikwijls in zóó groote hoeveelheden,
dat steenblokken van eenige kilogrammen geheel bestaan uit eene opeenhooping van die
schelpen, die men gemakkelijk van elkander kan losmaken. De terebratulae en de
rynchonellae waren armpootige weekdieren, die ook in de Jurazeeën in grooten getale
voorkwamen.
Fig. 238 stelt een stuk van een blok voor, dat uitsluitend bestaat uit rynchonellae.
Zeldzamer zijn in die formaties de versteende oesters, toch vindt men ze nog in
betrekkelijk groot aantal, evenals de zeeëgels. Al die formaties behooren tot de oudste
oölithische, de bathonische formatie. Op die heuvelhellingen, waar de Maas en de Marne
ontspringen, vindt men ook mosselschelpen, ammonieten en poliepen. Men vindt er ook
versteend hout: in de Juraperiocle waren er dus ook bosschen.
Wij spraken zooeven van de belemnieten en de
scherpe steenen, die zij achtergelaten hebben. Het
waren koppootige weekdieren, verwant aan de
groote inktvisschen van onzen tijd. Iedereen kent de
inktvisschen niet alleen omdat hij ze aan den oever
der zee of in de aquaria gezien heeft, maar ook om
den inktzak, eene klier in den vorm van een
peervormig zakje, waarin eene bruinzwarte vloeistof
wordt afgescheiden, en om het zeeschuim of
sepiabeen. Die bruinzwarte vloeistof werd ook door
de belemnieten afgescheiden, en is zelfs in den zak
van het dier teruggevonden als een fossiel poeder;
men heeft zelfs teekeningen kunnen vervaardigen
met die sepia, die reeds millioenen jaren oud is.
Volgens de onderzoekingen van Blainville en
d’Orbigny bereikten de belemnieten somtijds eene
lengte van twee meters. Men kent 5 hoofdsoorten.
Het waren goede zwemmers, die gewoonlijk
Fig. 239. Loligo vulgaris (van onzen tijd). achteruit zwommen, in den horizontalen stand van
fig. 241. In de Juraformaties bereiken de belemnieten
hunne grootste lengte. Zij zijn reeds lang
uitgestorven.
Page 424
Fig. 240. Beleraniet uit de
Juraperiode.
Fig. 241. Zwemmende belemniet.
De koppootige weekdieren met vangarmen, vooral de ammonieten, ontwikkelen zich
langzamerhand, totdat zij in de krijtperiode hun maximum bereiken. Tot de
Juraperiode.
Fig. 241. Zwemmende belemniet.
De koppootige weekdieren met vangarmen, vooral de ammonieten, ontwikkelen zich
langzamerhand, totdat zij in de krijtperiode hun maximum bereiken. Tot de
Page 425
merkwaardigste behooren de ammonites Jason (fig. 245). Tot de koplooze en
buikpootige weekdieren van die periode behooren voornamelijk: de trigonia clavellata
en de pleurotomaria conoïdea (fig. 243). De zeeëgels komen in grooten getale voor (fig.
242). De zeeleliën bereiken voor de tweede maal, doch nu voor het laatst, een maximum;
van nu af aan gaan zij achteruit. In sommige streken en op sommige diepten vormden zij
geheele onderzeesche velden. De voornaamste soorten zijn de pentacrinus (fig. 244), de
apiocrinus, de millericrinus en de isocrinus. Zij bezaten gewoonlijk eenen langen rechten
steel en eenen kelk, gevormd uit dikke stukken; de armen waren vrij en dikwijls sterk
vertakt. Al die weekdieren hebben sporen achtergelaten in de formaties, die wij thans
behandelen, en door ze weder voor den geest te roepen, kunnen wij ons rekenschap
geven van de oorspronkelijke bevolking dier zeeën.
Fig. 242. Zeeëgels der Juraperiode.
Fig. 243. Koplooze en buikpootige weekdieren der Juraperiode.
buikpootige weekdieren van die periode behooren voornamelijk: de trigonia clavellata
en de pleurotomaria conoïdea (fig. 243). De zeeëgels komen in grooten getale voor (fig.
242). De zeeleliën bereiken voor de tweede maal, doch nu voor het laatst, een maximum;
van nu af aan gaan zij achteruit. In sommige streken en op sommige diepten vormden zij
geheele onderzeesche velden. De voornaamste soorten zijn de pentacrinus (fig. 244), de
apiocrinus, de millericrinus en de isocrinus. Zij bezaten gewoonlijk eenen langen rechten
steel en eenen kelk, gevormd uit dikke stukken; de armen waren vrij en dikwijls sterk
vertakt. Al die weekdieren hebben sporen achtergelaten in de formaties, die wij thans
behandelen, en door ze weder voor den geest te roepen, kunnen wij ons rekenschap
geven van de oorspronkelijke bevolking dier zeeën.
Fig. 242. Zeeëgels der Juraperiode.
Fig. 243. Koplooze en buikpootige weekdieren der Juraperiode.
Page 426
Fig. 244. Zeeleliën der Juraperiode.
Nog meer echter wordt onze aandacht getrokken door de koraalriffen, die de laatste
eeuwen der Juraperiode hebben gekenmerkt, en die aan die geheele laag den naam van
korallische laag gegeven hebben. Die laag is bijzonder sterk ontwikkeld aan de Maas,
waar zij tot 150 meters dik is, bij de Jura, in Zwitserland, Provence, Dauphiné,
Bourgogne en in Normandië bij Trouville. In al die streken vindt men in grooten getale
den oölithkalksteen, die gewoonlijk met de koraalriffen gevonden wordt; ook vindt men
er dicht opeengedrongen, fijnkorreligen kalksteen, een zeker bewijs, dat de bezinking
heeft plaats gegrepen onder groote diepte, buiten de beweging der golven. De korallische
formatie bestaat uit uitgebreide banken van massieven, vasten kalksteen, bestaande uit
koralen, waarvan enkele gebroken zijn, andere de ligging behouden hebben, die zij
tijdens hunne ontwikkeling bezaten. Hoewel zij niet zoo groot waren als de koraalriffen
der tropische zeeën, hadden toch de riffen der korallische formatie eene veel grootere
uitgestrektheid, omdat men ze op alle breedten ontmoet. Men vindt in fig. 246 de
voornaamste soorten van koralen, in die formaties gevonden.
Nog meer echter wordt onze aandacht getrokken door de koraalriffen, die de laatste
eeuwen der Juraperiode hebben gekenmerkt, en die aan die geheele laag den naam van
korallische laag gegeven hebben. Die laag is bijzonder sterk ontwikkeld aan de Maas,
waar zij tot 150 meters dik is, bij de Jura, in Zwitserland, Provence, Dauphiné,
Bourgogne en in Normandië bij Trouville. In al die streken vindt men in grooten getale
den oölithkalksteen, die gewoonlijk met de koraalriffen gevonden wordt; ook vindt men
er dicht opeengedrongen, fijnkorreligen kalksteen, een zeker bewijs, dat de bezinking
heeft plaats gegrepen onder groote diepte, buiten de beweging der golven. De korallische
formatie bestaat uit uitgebreide banken van massieven, vasten kalksteen, bestaande uit
koralen, waarvan enkele gebroken zijn, andere de ligging behouden hebben, die zij
tijdens hunne ontwikkeling bezaten. Hoewel zij niet zoo groot waren als de koraalriffen
der tropische zeeën, hadden toch de riffen der korallische formatie eene veel grootere
uitgestrektheid, omdat men ze op alle breedten ontmoet. Men vindt in fig. 246 de
voornaamste soorten van koralen, in die formaties gevonden.
Page 427
Fig. 245. Koppootige weekdieren der Juraperiode.
Fig. 246. Fossiele koralen der Juraperiode. (Frankrijk)
Fig. 246. Fossiele koralen der Juraperiode. (Frankrijk)
Page 428
Fig. 247. Fransch landschap in de Juraperiode.
Wij moeten nog even spreken over de koraalbanken, die in zoo grooten getale in de
Jurazee gevonden worden in de kantons Bazel, Solothurn en Bern. Die koraalbanken
hebben in Europa eene soortgelijke rol gespeeld als de tegenwoordige koraalriffen van
den Indischen Oceaan en de stille Zuidzee. De juiste verspreiding en de vorm der
koraalbanken in de Jurazeeën van Europa is een nog onopgelost vraagstuk.
Men kan de vraag stellen, of zij door de wateren bedekt waren, dan wel of zij boven het
water uitstaken en eilanden vormden, zooals men er een groot aantal in de Zuidzee vindt;
beide gevallen kwamen voor. In Zwitserland, in het kanton Bazel, is de koraallaag
bedekt met eene wel is waar weinig belangrijke steenkoollaag, maar die er toch op wijst,
Wij moeten nog even spreken over de koraalbanken, die in zoo grooten getale in de
Jurazee gevonden worden in de kantons Bazel, Solothurn en Bern. Die koraalbanken
hebben in Europa eene soortgelijke rol gespeeld als de tegenwoordige koraalriffen van
den Indischen Oceaan en de stille Zuidzee. De juiste verspreiding en de vorm der
koraalbanken in de Jurazeeën van Europa is een nog onopgelost vraagstuk.
Men kan de vraag stellen, of zij door de wateren bedekt waren, dan wel of zij boven het
water uitstaken en eilanden vormden, zooals men er een groot aantal in de Zuidzee vindt;
beide gevallen kwamen voor. In Zwitserland, in het kanton Bazel, is de koraallaag
bedekt met eene wel is waar weinig belangrijke steenkoollaag, maar die er toch op wijst,
Page 429
dat daar een vastland aanwezig was; in het westelijk gedeelte der Jura waren de
koraaleilanden bedekt met planten, zooals men zien kan uit de aanwezigheid van
schoone bladeren van cycadeën. In de omstreken van Lyon was een koraaleiland met een
bosch van cycadeën, want men vindt hier en daar in die streek groote en schoone
bladeren van dien boom.
Wij hebben in fig. 247 een zeelandschap geteekend, dat een juist denkbeeld geeft van de
koraaleilanden der Juraperiode en van het voorkomen der oude atollen van Frankrijk.
Men vindt er schildpadden, die uit de zee kwamen en zich naar den zandigen oever
begaven, om er hare eieren neer te leggen, pterodactyli, die naar de kust vlogen, en in de
nabijheid van de kust langhalzige plesiosauri, die hun voedsel zochten. In de diepten der
zee kunnen wij een bosch van koralen onderscheiden, en de dieren, die daarbij gevonden
werden.
koraaleilanden bedekt met planten, zooals men zien kan uit de aanwezigheid van
schoone bladeren van cycadeën. In de omstreken van Lyon was een koraaleiland met een
bosch van cycadeën, want men vindt hier en daar in die streek groote en schoone
bladeren van dien boom.
Wij hebben in fig. 247 een zeelandschap geteekend, dat een juist denkbeeld geeft van de
koraaleilanden der Juraperiode en van het voorkomen der oude atollen van Frankrijk.
Men vindt er schildpadden, die uit de zee kwamen en zich naar den zandigen oever
begaven, om er hare eieren neer te leggen, pterodactyli, die naar de kust vlogen, en in de
nabijheid van de kust langhalzige plesiosauri, die hun voedsel zochten. In de diepten der
zee kunnen wij een bosch van koralen onderscheiden, en de dieren, die daarbij gevonden
werden.
Page 430
Aan den oever der zee tijdens de Juraperiode.
Wij moeten, om onze beschrijving van de merkwaardigste van alle perioden vóór de
geboorte van den mensch, volledig te doen zijn, hier nog bijvoegen, dat de
plantenwereld gedurende de verschillende tijdperken der Juraperiode van het laagste lias
tot aan de bovenste oölithlaag, niet zulke scherp begrensde en karakteristieke vormen
vertoont als het dierenrijk. De oorspronkelijke soorten sterven langzaam uit, om plaats te
maken voor een rijkeren en meer gesplitsten plantengroei. Het is een overgangstijdperk.
De bedekt bloeienden hebben nog de overhand: varens, paardestaarten enz.; maar de
naaktzadige zaadplanten (cycadeën, naaldboomen) beginnen reeds eene rol te spelen. Er
zijn nog geene jaar getijden of klimaten: dezelfde plantenfamilies worden gevonden van
Wij moeten, om onze beschrijving van de merkwaardigste van alle perioden vóór de
geboorte van den mensch, volledig te doen zijn, hier nog bijvoegen, dat de
plantenwereld gedurende de verschillende tijdperken der Juraperiode van het laagste lias
tot aan de bovenste oölithlaag, niet zulke scherp begrensde en karakteristieke vormen
vertoont als het dierenrijk. De oorspronkelijke soorten sterven langzaam uit, om plaats te
maken voor een rijkeren en meer gesplitsten plantengroei. Het is een overgangstijdperk.
De bedekt bloeienden hebben nog de overhand: varens, paardestaarten enz.; maar de
naaktzadige zaadplanten (cycadeën, naaldboomen) beginnen reeds eene rol te spelen. Er
zijn nog geene jaar getijden of klimaten: dezelfde plantenfamilies worden gevonden van
Page 431
den evenaar tot aan Siberië en Spitzbergen. Zelfs in Frankrijk, aan de oevers der zee, die
de streken bedekte, waar later Parijs gesticht werd, zou men toen landschappen hebben
kunnen zien, gelijkende op die van nevensgaande teekening: op den voorgrond
pandaneën met luchtwortels, cycadeën met lagen stam, en op den achtergrond de
plesiosauren met hunne lange halzen, in het water zwemmende.
De krijtperiode, die op de Juraperiode volgt, voltooit de geschiedenis der secundaire
periode.
1 Merkwaardig is het, hoever wij het in de kennis van die oude soorten gebracht hebben. Wij weten b. v. welke
dieren de ichthyosauren verslonden; men weet, hoe hun darmkanaal gevormd was. Die kennis zijn wij te danken aan
de ontdekking van de koprolithen (dreksteenen), die tegelijk met de skeletten dier dieren versteend zijn. Het
onderzoek dier dreksteenen van den ichthyosaurus heeft ons duidelijk schubben van visschen, tanden, enz. doen
kennen.
2 Was de ontdekking dezer wezens moeilijk, hunne uitgraving was het nog meer, en slechts onder de grootste
voorzorgen kon men die tot een goed einde brengen. De beenderen toch hadden weinig vastheid en vielen tot stof,
zoodra men ze vrijmaakte. Om aan dit groote bezwaar te gemoet te komen, nam men zijne toevlucht tot eene
handelwijze, die herinnert aan die, welke de tuinlieden toepassen, om graszoden over te planten. Evenmin als zij de
grashalmen één voor één uittrekken, om ze zóó over te brengen, maar de aarde, die de graszoden draagt, bij platen
losmaken, zoo deed men ook met de beenderen der iguanodons. Men hakte de klei, die de beenderen bevatte, in
blokken, en men besloot deze in dien toestand naar de oppervlakte te brengen. Doch die blokken, waarvan enkele 1,50
meters lang en breed, en 60 centimeters hoog waren, liepen door hunne groote afmetingen gevaar van in stukken te
vallen. Dit moest tot elken prijs vermeden worden. Daarom omgaf men ze met een hard omhulsel, door ze in gips te
dompelen. Zoo werd het blok aan vier zijden bepleisterd, waarna men het naar de oppervlakte bracht. Daarna omgaf
men het door ijzeren hoepels en bekleedde ook de beide vrije uiteinden met gips. Vervolgens kreeg het blok een
volgnummer, en alle blokken, die tot eenzelfde dier behoorden, werden met eene zelfde letter gemerkt: zoo vermeed
men het gevaar, dat de kop van het ééne dier op den romp van het andere geplaatst werd. Bovendien werd nog eene
teekening gemaakt van de ligging der verschillende blokken van ieder exemplaar, ten einde ze later nauwkeurig in den
stand te plaatsen, dien zij innamen, toen zij nog deel uitmaakten van de kleilaag. Het totale gewicht der blokken
bedroeg met hun omhulsel 110 000 kilogram; zij werden per spoor naar Brussel vervoerd, waar zij ongedeerd in het
Museum van natuurlijke historie aankwamen.
3 Die teekening herstelt de beide kruipende dieren in de omgeving van hunnen tijd. De megalosaurus, een
vleeschetend dier, heeft eene aanvallende houding; de iguanodon, een plantenetend dier, gaat verdedigender wijze te
werk, op het punt van gebruik te maken van de vreeselijke spoor aan zijn’ duim.
Men vindt op den achtergrond verschillende soorten van varens, cycadeën en naaldboomen. Er waren toen reeds
pijnboomen.
4 De eerste mosasauri zijn reeds in 1766 bij Maastricht gevonden door eenen officier Drouin, die de beenderen
opkocht, welke door de werklieden in de steengroeven ontdekt waren. Hoffman, een officier van gezondheid, zette de
onderzoekingen van Drouin voort en verzamelde eene groote menigte bouwstoffen, die bij den dood van den bezitter
in 1782 in handen van Petrus Camper overgingen.
de streken bedekte, waar later Parijs gesticht werd, zou men toen landschappen hebben
kunnen zien, gelijkende op die van nevensgaande teekening: op den voorgrond
pandaneën met luchtwortels, cycadeën met lagen stam, en op den achtergrond de
plesiosauren met hunne lange halzen, in het water zwemmende.
De krijtperiode, die op de Juraperiode volgt, voltooit de geschiedenis der secundaire
periode.
1 Merkwaardig is het, hoever wij het in de kennis van die oude soorten gebracht hebben. Wij weten b. v. welke
dieren de ichthyosauren verslonden; men weet, hoe hun darmkanaal gevormd was. Die kennis zijn wij te danken aan
de ontdekking van de koprolithen (dreksteenen), die tegelijk met de skeletten dier dieren versteend zijn. Het
onderzoek dier dreksteenen van den ichthyosaurus heeft ons duidelijk schubben van visschen, tanden, enz. doen
kennen.
2 Was de ontdekking dezer wezens moeilijk, hunne uitgraving was het nog meer, en slechts onder de grootste
voorzorgen kon men die tot een goed einde brengen. De beenderen toch hadden weinig vastheid en vielen tot stof,
zoodra men ze vrijmaakte. Om aan dit groote bezwaar te gemoet te komen, nam men zijne toevlucht tot eene
handelwijze, die herinnert aan die, welke de tuinlieden toepassen, om graszoden over te planten. Evenmin als zij de
grashalmen één voor één uittrekken, om ze zóó over te brengen, maar de aarde, die de graszoden draagt, bij platen
losmaken, zoo deed men ook met de beenderen der iguanodons. Men hakte de klei, die de beenderen bevatte, in
blokken, en men besloot deze in dien toestand naar de oppervlakte te brengen. Doch die blokken, waarvan enkele 1,50
meters lang en breed, en 60 centimeters hoog waren, liepen door hunne groote afmetingen gevaar van in stukken te
vallen. Dit moest tot elken prijs vermeden worden. Daarom omgaf men ze met een hard omhulsel, door ze in gips te
dompelen. Zoo werd het blok aan vier zijden bepleisterd, waarna men het naar de oppervlakte bracht. Daarna omgaf
men het door ijzeren hoepels en bekleedde ook de beide vrije uiteinden met gips. Vervolgens kreeg het blok een
volgnummer, en alle blokken, die tot eenzelfde dier behoorden, werden met eene zelfde letter gemerkt: zoo vermeed
men het gevaar, dat de kop van het ééne dier op den romp van het andere geplaatst werd. Bovendien werd nog eene
teekening gemaakt van de ligging der verschillende blokken van ieder exemplaar, ten einde ze later nauwkeurig in den
stand te plaatsen, dien zij innamen, toen zij nog deel uitmaakten van de kleilaag. Het totale gewicht der blokken
bedroeg met hun omhulsel 110 000 kilogram; zij werden per spoor naar Brussel vervoerd, waar zij ongedeerd in het
Museum van natuurlijke historie aankwamen.
3 Die teekening herstelt de beide kruipende dieren in de omgeving van hunnen tijd. De megalosaurus, een
vleeschetend dier, heeft eene aanvallende houding; de iguanodon, een plantenetend dier, gaat verdedigender wijze te
werk, op het punt van gebruik te maken van de vreeselijke spoor aan zijn’ duim.
Men vindt op den achtergrond verschillende soorten van varens, cycadeën en naaldboomen. Er waren toen reeds
pijnboomen.
4 De eerste mosasauri zijn reeds in 1766 bij Maastricht gevonden door eenen officier Drouin, die de beenderen
opkocht, welke door de werklieden in de steengroeven ontdekt waren. Hoffman, een officier van gezondheid, zette de
onderzoekingen van Drouin voort en verzamelde eene groote menigte bouwstoffen, die bij den dood van den bezitter
in 1782 in handen van Petrus Camper overgingen.
Page 432
Toen in 1793 het Fransche leger Maastricht binnengetrokken was, zond de generaal Kleber naar den Jardin des Plantes
te Parijs den fossielen kop van den mosasaurus, die toen in handen was van het kerkbestuur. Faujas de Saint-Fons
bestudeerde dien en meende in het Maastrichtsche dier, zooals het toen genoemd werd, eenen grooten krokodil te
herkennen. De kop is twee meters lang. Cuvier beschreef den schedel en de wervelkolom, en beoordeelde het
zoölogische karakter van het dier juister, hoewel hij den juisten aard der ledematen nog niet voldoende kon vaststellen.
Toch herkende hij reeds, dat het eene soort van vinnen waren, die hij vergeleek met die der dolfijnen en der
plesiosauren.
In 1841 vond R. Owen naast den bekenden mosasaurus eene nieuwe familie, den leiodon, die aan zijne tanden herkend
kon worden. Door die ontdekking nam wel het aantal vormen toe, doch de kennis van de beenderen der soort ging er
niet door vooruit.
Iets later (1845) vond Goldfuss weder eene nieuwe soort, den Amerikaanschen mosasaurus, waarvan het geraamte
thans te Rome bewaard wordt. Daardoor was onze kennis der mosasauri werkelijk vooruitgegaan. Nadat een tijdlang
geene nieuwe ontdekkingen plaats hadden, werd de kennis dier wezens onverwacht vermeerderd door de onverwachte
opgravingen aan de overzijde van den Atlantischen Oceaan.
Professor Cope beschreef in zijn groot werk over de gewervelde dieren uit de krijtperiode drie nieuwe soorten
(Platecarpus, Clidastes en Sironectes), die te zamen 21 families vertegenwoordigden.
Professor Marsh eindelijk, die 1400 exemplaren van mosasauri bezit, ontstak in 1872 licht over den bouw der
schouderbladeren, het bekken en de ledematen. Acht jaren later (1880) beschreef hij het borstbeen. Ook ontdekte hij
den aard der huidbekleedsels. Aan de vijf nieuwe families door hem bepaald, voegde Dollo nog twee toe.
5 In de groene zandsteen van Cambridge, behoorende tot het bovenste gedeelte der oudste krijtformatie, heeft men
den vorm der schedelholte van eenen pterodactylus gevonden. De hersenen geleken op die van eenen uil; ook het
achterhoofd en de gezichtszenuw gelijken meer op die van eenen vogel dan op die van een kruipend dier.
te Parijs den fossielen kop van den mosasaurus, die toen in handen was van het kerkbestuur. Faujas de Saint-Fons
bestudeerde dien en meende in het Maastrichtsche dier, zooals het toen genoemd werd, eenen grooten krokodil te
herkennen. De kop is twee meters lang. Cuvier beschreef den schedel en de wervelkolom, en beoordeelde het
zoölogische karakter van het dier juister, hoewel hij den juisten aard der ledematen nog niet voldoende kon vaststellen.
Toch herkende hij reeds, dat het eene soort van vinnen waren, die hij vergeleek met die der dolfijnen en der
plesiosauren.
In 1841 vond R. Owen naast den bekenden mosasaurus eene nieuwe familie, den leiodon, die aan zijne tanden herkend
kon worden. Door die ontdekking nam wel het aantal vormen toe, doch de kennis van de beenderen der soort ging er
niet door vooruit.
Iets later (1845) vond Goldfuss weder eene nieuwe soort, den Amerikaanschen mosasaurus, waarvan het geraamte
thans te Rome bewaard wordt. Daardoor was onze kennis der mosasauri werkelijk vooruitgegaan. Nadat een tijdlang
geene nieuwe ontdekkingen plaats hadden, werd de kennis dier wezens onverwacht vermeerderd door de onverwachte
opgravingen aan de overzijde van den Atlantischen Oceaan.
Professor Cope beschreef in zijn groot werk over de gewervelde dieren uit de krijtperiode drie nieuwe soorten
(Platecarpus, Clidastes en Sironectes), die te zamen 21 families vertegenwoordigden.
Professor Marsh eindelijk, die 1400 exemplaren van mosasauri bezit, ontstak in 1872 licht over den bouw der
schouderbladeren, het bekken en de ledematen. Acht jaren later (1880) beschreef hij het borstbeen. Ook ontdekte hij
den aard der huidbekleedsels. Aan de vijf nieuwe families door hem bepaald, voegde Dollo nog twee toe.
5 In de groene zandsteen van Cambridge, behoorende tot het bovenste gedeelte der oudste krijtformatie, heeft men
den vorm der schedelholte van eenen pterodactylus gevonden. De hersenen geleken op die van eenen uil; ook het
achterhoofd en de gezichtszenuw gelijken meer op die van eenen vogel dan op die van een kruipend dier.
Page 433
Page 434
Derde hoofdstuk
Page 435
De krijtperiode
Indien gij, waarde lezer, met aandacht blz. 179 van dit werk beschouwt, en de doorsnede
van den Artesischen put van Grenelle te Parijs bestudeert, dan hebt gij de beste
voorbereiding voor de studie der laatste periode van het secundaire tijdperk, de
krijtperiode.
Men ziet, dat men van eene diepte van 41 meters van de oppervlakte van den bodem te
Parijs tot op eene diepte van 506 meters, krijt, nog eens krijt en niets dan krijt vindt. Al
dat krijt heeft zich afgezet op den bodem der zee, toen de zee die streken bedekte, die
thans door den mensch bewoond worden.
Die dikke krijtlaag, die onder Parijs doorloopt, is eene soort van onregelmatige kom,
waarvan de randen op zekeren afstand van de stad aan de oppervlakte komen: het krijt
ligt bloot over eene strook, gaande van Arras, over St. Quentin, Rheims, Châlons-sur-
Marne, Troyes, Sens, Auxerre, Bourges, Tours, Loudun, le Mans, Rouaan. Dat
blootleggen van het krijt over eene groote uitgestrektheid, heeft aan een deel van
Champagne hare bekende onvruchtbaarheid gegeven; over duizenden hectaren heeft de
bebouwbare grond geene meerdere dikte dan van 15 tot 20 centimeters, er is dus geen
belangrijke plantengroei mogelijk, alleen de valleien blijven groen en eenigszins
vruchtbaar; als men in eenen luchtballon over die streken heentrekt, schijnen de smalle
weiden, die aan de oevers der stroomen gelegen zijn, rivieren, die zich kronkelen over
eenen gelen en dorren bodem. Die krijtformatie wordt ook in andere gedeelten van
Frankrijk teruggevonden, zij komt door eene plaatselijke rijzing van den grond, vlak bij
Parijs bloot, bij de heuvels van Meudon, Bellevue en Bougival. Men vindt haar ook
terug te Mantes, le Mans, Gisors en bij Rouaan; langs de oevers der Seine van Vernon
naar Havre, het bovenste gedeelte van de rotssteilte van kaap la Hève, vijftig meters dik.
Men vindt daar de cenomanische formatie. In Engeland heeft men de turonische
formatie, doch beide behooren tot de krijtformatie. Het Kanaal heeft zijne bedding
gegraven door het krijt: in een vorig hoofdstuk zagen wij, dat het Kanaal breeder wordt.
Dezelfde krijtformatie, vindt men tusschen Saintes en Cahors, op de beide hellingen der
Pyreneën, overal aan de Spaansche zijde, in de Fransche Alpen, aan den rechter
Rijnoever, in Engeland, Duitschland, een klein gedeelte van Limburg, Algiers, Palestina,
Noord-Amerika, Groenland, in één woord bijna overal op de aardoppervlakte.
Evenals de vorige formaties, hebben ook de krijtformaties het aanzijn verkregen op den
bodem van het water. Al de streken, waar de krijtformatie bloot ligt, waren onder de
golven gelegen. Zoo strekte zich in de krijtperiode eene uitgestrekte zee uit over de
geheele streek, die wij zooeven genoemd hebben, in de omstreken van Parijs, van Bar-
Indien gij, waarde lezer, met aandacht blz. 179 van dit werk beschouwt, en de doorsnede
van den Artesischen put van Grenelle te Parijs bestudeert, dan hebt gij de beste
voorbereiding voor de studie der laatste periode van het secundaire tijdperk, de
krijtperiode.
Men ziet, dat men van eene diepte van 41 meters van de oppervlakte van den bodem te
Parijs tot op eene diepte van 506 meters, krijt, nog eens krijt en niets dan krijt vindt. Al
dat krijt heeft zich afgezet op den bodem der zee, toen de zee die streken bedekte, die
thans door den mensch bewoond worden.
Die dikke krijtlaag, die onder Parijs doorloopt, is eene soort van onregelmatige kom,
waarvan de randen op zekeren afstand van de stad aan de oppervlakte komen: het krijt
ligt bloot over eene strook, gaande van Arras, over St. Quentin, Rheims, Châlons-sur-
Marne, Troyes, Sens, Auxerre, Bourges, Tours, Loudun, le Mans, Rouaan. Dat
blootleggen van het krijt over eene groote uitgestrektheid, heeft aan een deel van
Champagne hare bekende onvruchtbaarheid gegeven; over duizenden hectaren heeft de
bebouwbare grond geene meerdere dikte dan van 15 tot 20 centimeters, er is dus geen
belangrijke plantengroei mogelijk, alleen de valleien blijven groen en eenigszins
vruchtbaar; als men in eenen luchtballon over die streken heentrekt, schijnen de smalle
weiden, die aan de oevers der stroomen gelegen zijn, rivieren, die zich kronkelen over
eenen gelen en dorren bodem. Die krijtformatie wordt ook in andere gedeelten van
Frankrijk teruggevonden, zij komt door eene plaatselijke rijzing van den grond, vlak bij
Parijs bloot, bij de heuvels van Meudon, Bellevue en Bougival. Men vindt haar ook
terug te Mantes, le Mans, Gisors en bij Rouaan; langs de oevers der Seine van Vernon
naar Havre, het bovenste gedeelte van de rotssteilte van kaap la Hève, vijftig meters dik.
Men vindt daar de cenomanische formatie. In Engeland heeft men de turonische
formatie, doch beide behooren tot de krijtformatie. Het Kanaal heeft zijne bedding
gegraven door het krijt: in een vorig hoofdstuk zagen wij, dat het Kanaal breeder wordt.
Dezelfde krijtformatie, vindt men tusschen Saintes en Cahors, op de beide hellingen der
Pyreneën, overal aan de Spaansche zijde, in de Fransche Alpen, aan den rechter
Rijnoever, in Engeland, Duitschland, een klein gedeelte van Limburg, Algiers, Palestina,
Noord-Amerika, Groenland, in één woord bijna overal op de aardoppervlakte.
Evenals de vorige formaties, hebben ook de krijtformaties het aanzijn verkregen op den
bodem van het water. Al de streken, waar de krijtformatie bloot ligt, waren onder de
golven gelegen. Zoo strekte zich in de krijtperiode eene uitgestrekte zee uit over de
geheele streek, die wij zooeven genoemd hebben, in de omstreken van Parijs, van Bar-
Page 436
le-Duc ten oosten, tot le Mans ten westen, en van Bourges ten zuiden tot Engeland en
nog verder. Eene andere zee bedekte een deel der Pyreneën, de Zee-alpen, Savoye en
Perigord. De Juraketen is vóór de krijtperiode opgerezen.
Het is nog niet zeker, of enkele deelen van het Kanaal, van den Atlantischen Oceaan en
van de Middellandsche zee, niet reeds toen boven water lagen en later weer zijn gedaald,
en of niet enkele golven of straten reeds bestaan hebben, ten gevolge van plaatselijke
dalingen.
Fig. 250. De pterodactyli.
nog verder. Eene andere zee bedekte een deel der Pyreneën, de Zee-alpen, Savoye en
Perigord. De Juraketen is vóór de krijtperiode opgerezen.
Het is nog niet zeker, of enkele deelen van het Kanaal, van den Atlantischen Oceaan en
van de Middellandsche zee, niet reeds toen boven water lagen en later weer zijn gedaald,
en of niet enkele golven of straten reeds bestaan hebben, ten gevolge van plaatselijke
dalingen.
Fig. 250. De pterodactyli.
Page 437
Zooals de naam reeds aanwijst, bestaat de krijtformatie hoofdzakelijk uit krijt. Toch
bevat zij, vooral aan de onder- zijde, dicht opeengedrongen kalksteen en klei; maar de
weinig samenhangende gesteenten, zand of gemakkelijk te verbreken zandsteen en
vooral krijt, hebben in het bovenste gedeelte verreweg de overhand. In het algemeen zijn
de krijtgesteenten lichter van kleur en frisscher dan de Juragesteenten, de fossielen zijn
niet zoo volkomen veranderd en schijnen ook jeugdiger dan in de laatstgenoemde
formatie. Men vindt in het krijt zeer weinig ijzer, gips, dolomiet en steenzout,
daarentegen vindt men er klompen vuursteen in grooten getale. De grootste dikte dier
formatie bedraagt meer dan tweeduizend meters. Hoewel het bijna geheel eene
zeeformatie is, bevat zij toch op verschillende diepten zoetwater, dat zich verder uitstrekt
dan bij de Juraformatie, en dat somtijds bruinkool oplevert. In Engeland en op andere
plaatsen begint de krijtformatie met klei en zand, dat bezonken is in moerassen, die
overeenkomen met die, waarin zich de Purbecklaag vormde. De schommelingen van den
bodem hebben zich gedurende de geheele periode voortgezet, zoodat de zee telkens
stroomde over streken, waar zich eene diepe laag bezinksel afzette, en andere plaatsen
droog bleven, waar dus geheele lagen gemist worden. Toch is de richting der beweging
in West-Europa in het algemeen eene rijzende; de zeebekkens nemen nog wel ongeveer
dezelfde ruimten in als in de Juraperiode, maar zij verminderen langzamerhand in
oppervlakte. Hieruit volgt, dat de dieren en bezinkingen meer en meer gaan verschillen,
zelfs op korte afstanden, en vergeleken kunnen worden met die der silurische periode.
Daarentegen overstroomt in Noord-Amerika de zee de kust van den Atlantischen
Oceaan, en dringt zij tot ten westen van de Mississippi door, waar uitgestrekte
bezinkingen getuigenis afleggen van hare tegenwoordigheid.
Die formaties hebben gewoonlijk den vorm van hooge bergvlakten, die meestal dorre en
onvruchtbare vlakten of lage bergen met ronde hellingen vormen. Bijna overal vormen
zij strooken, die concentrisch zijn met de groote strooken Juraformatie, die wij
beschreven hebben en steunen zij daarop, bedolven onder de tertiaire formaties, die ze in
de vlakten bedekken. Op enkele punten liggen zij op de steenkoolformatie en zelfs wel
eens op de oudere kristallijnen lagen, waaruit volgt, dat in dien tijd nog groote
bewegingen in den bodem hebben plaats gegrepen.
De zeeën, waarin die lagen bezonken zijn, bedekten nog een groot gedeelte van Europa,
maar haar vorm was niet meer dezelfde als in de Juraperiode. De krijtperiode kenmerkt
zich door eenen terugkeer der zee op plaatsen, reeds lang te voren door haar verlaten.
Zoo is het zuidelijke deel van Frankrijk, dat reeds sedert de korallische periode boven
water gelegen was, weder onder water geraakt en heeft het deel uitgemaakt van eene
uitgestrekte zee, die zich over het geheele zuidelijke deel van Europa uitstrekte.
De centrale bergvlakte van Frankrijk, die geheel boven water uitstak, en aan de ééne
zijde verbonden was met de Vogezen, aan de andere zijde met de Vendée, maakte elke
bevat zij, vooral aan de onder- zijde, dicht opeengedrongen kalksteen en klei; maar de
weinig samenhangende gesteenten, zand of gemakkelijk te verbreken zandsteen en
vooral krijt, hebben in het bovenste gedeelte verreweg de overhand. In het algemeen zijn
de krijtgesteenten lichter van kleur en frisscher dan de Juragesteenten, de fossielen zijn
niet zoo volkomen veranderd en schijnen ook jeugdiger dan in de laatstgenoemde
formatie. Men vindt in het krijt zeer weinig ijzer, gips, dolomiet en steenzout,
daarentegen vindt men er klompen vuursteen in grooten getale. De grootste dikte dier
formatie bedraagt meer dan tweeduizend meters. Hoewel het bijna geheel eene
zeeformatie is, bevat zij toch op verschillende diepten zoetwater, dat zich verder uitstrekt
dan bij de Juraformatie, en dat somtijds bruinkool oplevert. In Engeland en op andere
plaatsen begint de krijtformatie met klei en zand, dat bezonken is in moerassen, die
overeenkomen met die, waarin zich de Purbecklaag vormde. De schommelingen van den
bodem hebben zich gedurende de geheele periode voortgezet, zoodat de zee telkens
stroomde over streken, waar zich eene diepe laag bezinksel afzette, en andere plaatsen
droog bleven, waar dus geheele lagen gemist worden. Toch is de richting der beweging
in West-Europa in het algemeen eene rijzende; de zeebekkens nemen nog wel ongeveer
dezelfde ruimten in als in de Juraperiode, maar zij verminderen langzamerhand in
oppervlakte. Hieruit volgt, dat de dieren en bezinkingen meer en meer gaan verschillen,
zelfs op korte afstanden, en vergeleken kunnen worden met die der silurische periode.
Daarentegen overstroomt in Noord-Amerika de zee de kust van den Atlantischen
Oceaan, en dringt zij tot ten westen van de Mississippi door, waar uitgestrekte
bezinkingen getuigenis afleggen van hare tegenwoordigheid.
Die formaties hebben gewoonlijk den vorm van hooge bergvlakten, die meestal dorre en
onvruchtbare vlakten of lage bergen met ronde hellingen vormen. Bijna overal vormen
zij strooken, die concentrisch zijn met de groote strooken Juraformatie, die wij
beschreven hebben en steunen zij daarop, bedolven onder de tertiaire formaties, die ze in
de vlakten bedekken. Op enkele punten liggen zij op de steenkoolformatie en zelfs wel
eens op de oudere kristallijnen lagen, waaruit volgt, dat in dien tijd nog groote
bewegingen in den bodem hebben plaats gegrepen.
De zeeën, waarin die lagen bezonken zijn, bedekten nog een groot gedeelte van Europa,
maar haar vorm was niet meer dezelfde als in de Juraperiode. De krijtperiode kenmerkt
zich door eenen terugkeer der zee op plaatsen, reeds lang te voren door haar verlaten.
Zoo is het zuidelijke deel van Frankrijk, dat reeds sedert de korallische periode boven
water gelegen was, weder onder water geraakt en heeft het deel uitgemaakt van eene
uitgestrekte zee, die zich over het geheele zuidelijke deel van Europa uitstrekte.
De centrale bergvlakte van Frankrijk, die geheel boven water uitstak, en aan de ééne
zijde verbonden was met de Vogezen, aan de andere zijde met de Vendée, maakte elke
Page 438
verbinding onmogelijk tusschen die Zuidzee en die welke zich tot ver in het noorden
over het bekken van Parijs en het zuiden van Engeland uitstrekte. Vandaar verklaart zich
het groote onderscheid tusschen de krijtformaties van het noorden en het zuiden van
Frankrijk.
De krijtperiode wordt, evenals de Juraperiode, in twee goed te onderscheiden deelen
verdeeld. Evenals wij in de Juraformatie de lias van de oölithlaag onderscheidden, zoo
moeten wij ook in de krijtformatie de onderkrijtformatie van de eigenlijke krijtformatie
onderscheiden. De eerste, die onmiddellijk op de Juralaag volgt, bevat geen krijt, maar
kalksteen, zonder klei, die veel overeenkomt met de Juraformatie. Ieder dier afdeelingen,
de onder- en bovenkrijtlaag, kan weder in verschillende lagen verdeeld worden:
Voornaamste verdeeling der krijtformatie.
I. Onderlaag.
Neocomische formatie1.
Urgonische formatie2. Gault, zand en klei3.
Aptische formatie4.
Albische formatie5.
II. Bovenlaag.
Cenomanische formatie6.
Turonische formatie7.
Senonische8 en campanische formatie9.
Deensche en Garumnische formatie10.
De onderkrijtformatie is wat hare algemeene eigenschappen betreft, nauw verbonden
met de voorafgaande formatie. De flora, waar de cycadeën en de naaldboomen de
overhand hebben, en waar de bedektzadige tweezaadlobbige planten nog onbekend zijn,
is de flora der Juraperiode. Indien pijnboomen, denneboomen en cederen daar op een
verband wijzen met de boomtypen der tropen, dan vindt men toch dat verband evenzeer
bij de polen, zooals in Groenland, als in centraal-Europa, weder een bewijs, dat de
klimaten nog weinig verschilden. Toch is het opmerkelijk, dat de poliepen die zich in de
oölithische periode tot in Yorkshire (tot meer dan 50° N.B.) uitstrekken, merkbaar naar
het zuiden teruggeweken zijn, want de caprotinae, die voor de onderste krijtlaag dezelfde
rol vervullen als de diceraten in de Juraperiode, worden alleen in de strook bij de
Middellandsche zee gevonden. Het is dus niet onmogelijk, dat de tropische toestanden,
die noodig zijn voor de koraalvorming, niet meer bestonden in het noordelijk gedeelte
van ons halfrond. Hot vasteland werd toen waarschijnlijk geregeerd door de groote
tweevoetige dinosauri, doch reeds met gemengde karaktertrekken, die ze tegelijk doen
behooren tot de zoogdieren, de vogels en de kruipende dieren. Wat de zeedieren betreft,
kan men zeggen, dat zij de typen der oölithische periode voortzetten; alleen komen in de
krijtperiode betrekkelijk veel koppootige weekdieren met weinig gewonden schaal voor.
over het bekken van Parijs en het zuiden van Engeland uitstrekte. Vandaar verklaart zich
het groote onderscheid tusschen de krijtformaties van het noorden en het zuiden van
Frankrijk.
De krijtperiode wordt, evenals de Juraperiode, in twee goed te onderscheiden deelen
verdeeld. Evenals wij in de Juraformatie de lias van de oölithlaag onderscheidden, zoo
moeten wij ook in de krijtformatie de onderkrijtformatie van de eigenlijke krijtformatie
onderscheiden. De eerste, die onmiddellijk op de Juralaag volgt, bevat geen krijt, maar
kalksteen, zonder klei, die veel overeenkomt met de Juraformatie. Ieder dier afdeelingen,
de onder- en bovenkrijtlaag, kan weder in verschillende lagen verdeeld worden:
Voornaamste verdeeling der krijtformatie.
I. Onderlaag.
Neocomische formatie1.
Urgonische formatie2. Gault, zand en klei3.
Aptische formatie4.
Albische formatie5.
II. Bovenlaag.
Cenomanische formatie6.
Turonische formatie7.
Senonische8 en campanische formatie9.
Deensche en Garumnische formatie10.
De onderkrijtformatie is wat hare algemeene eigenschappen betreft, nauw verbonden
met de voorafgaande formatie. De flora, waar de cycadeën en de naaldboomen de
overhand hebben, en waar de bedektzadige tweezaadlobbige planten nog onbekend zijn,
is de flora der Juraperiode. Indien pijnboomen, denneboomen en cederen daar op een
verband wijzen met de boomtypen der tropen, dan vindt men toch dat verband evenzeer
bij de polen, zooals in Groenland, als in centraal-Europa, weder een bewijs, dat de
klimaten nog weinig verschilden. Toch is het opmerkelijk, dat de poliepen die zich in de
oölithische periode tot in Yorkshire (tot meer dan 50° N.B.) uitstrekken, merkbaar naar
het zuiden teruggeweken zijn, want de caprotinae, die voor de onderste krijtlaag dezelfde
rol vervullen als de diceraten in de Juraperiode, worden alleen in de strook bij de
Middellandsche zee gevonden. Het is dus niet onmogelijk, dat de tropische toestanden,
die noodig zijn voor de koraalvorming, niet meer bestonden in het noordelijk gedeelte
van ons halfrond. Hot vasteland werd toen waarschijnlijk geregeerd door de groote
tweevoetige dinosauri, doch reeds met gemengde karaktertrekken, die ze tegelijk doen
behooren tot de zoogdieren, de vogels en de kruipende dieren. Wat de zeedieren betreft,
kan men zeggen, dat zij de typen der oölithische periode voortzetten; alleen komen in de
krijtperiode betrekkelijk veel koppootige weekdieren met weinig gewonden schaal voor.
Page 439
Wij zeiden zooeven, dat de krijtformatie begint met kalksteen, zand en klei, zoodat er
nog eenige overeenkomst is met de Juraformatie; eerst in de hoogere lagen vindt men
inderdaad krijt.
Het Gault is te herkennen aan zijne donkere kleur, zoodat men het reeds van verre ziet,
daar de donkere strooken sterk afsteken bij de lichte kleur der omringende gesteenten.
Het is eene somtijds groene, somtijds zwarte zandsteen, die eene groote menigte groene
korrels bevat, die het den naam van groenzand gegeven hebben. Die korrels bestaan uit
een silicaat van ijzeroxyd; die oxydatie is juist de oorzaak van de donkere kleur. Het
Gault bevat op sommige plaatsen talrijke klompen, die waarschijnlijk phosphorzure kalk
bevatten. Het komt zeer veel voorin de Alpenstreken van Oost-Zwitserland, vooral bij
het Vierwaldstättermeer, bij Pragel en in Unterwald; in de Berner en Lucerneralpen komt
het echter niet voor; in groote hoeveelheden vindt men het in het Rhônedal en in Savoye.
Verder van de Rhône af, is het licht-groengrijs; dit is ook in de Jura het geval, waar het
door blauwe klei bedekt is.
Het feit, dat men die korrels overal in de krijtformatie terugvindt, en vooral in het
Engelsche Gault, moet het gevolg zijn van eene algemeene oorzaak, die bij hare
verschijning en verdwijning gewerkt heeft. Tijdens de krijtperiode moet er tweemaal
eene hoeveelheid ijzer uit het inwendige der aarde te voorschijn gekomen zijn, en zich
over geheel Europa hebben verspreid; wij zijn thans echter nog niet in staat, eene
deugdelijke verklaring van dat verschijnsel te geven.
De dikte der krijtlaag in het bekken van Parijs is ontzaglijk groot; in de rotssteilten van
het Kanaal is zij dikker dan 100 meters; naarmate men het midden van het bekken
nadert, neemt die dikte toe; te Parijs hebben de boringen voor de Artesische putten krijt
doen vinden op eene diepte van 460 meters; men kan het in twee hoofdafdeelingen
verdeelen; de eerste bestaat uit krijt met licht gekleurde vuursteenen, de tweede uit wit
krijt met gordels van vuursteenen, en op verschillende diepten bevatten zij spatangiden
(tot de zeeëgels behoorend), en vooral micrasters (eveneens zeeëgels),
Dat krijt met micrasters is het hoofdbestanddeel der rotsen van Dieppe.
Al die krijtlagen vormen in het bekken van Parijs, om de tertiaire lagen, die in het
middelpunt gelegen zijn, eene uitgestrekte, golvende, hoefijzervormige vlakte, waarvan
de beide beenen op de Normandische kust uitkomen, het ééne tusschen Dieppe en
Tréport, het andere tusschen Boulogne en Calais. Die twee krijtstrooken zetten zich door
het Kanaal voort, en komen weer op de Engelsche kust voor den dag, waar zij de witte
krijtrotsen vormen, aan weerszijden van Dover. Engeland draagt daarom den naam van
Albion. Het krijt wordt daar ook gevonden rondom de tertiaire lagen, waarop Londen
gelegen is, en vormt daar eene heuvelenrij, die den naam van Downs draagt. Al die
streken, Orleans, Parijs, Dieppe, Londen, waren dus in dien tijd onder water bedolven. In
nog eenige overeenkomst is met de Juraformatie; eerst in de hoogere lagen vindt men
inderdaad krijt.
Het Gault is te herkennen aan zijne donkere kleur, zoodat men het reeds van verre ziet,
daar de donkere strooken sterk afsteken bij de lichte kleur der omringende gesteenten.
Het is eene somtijds groene, somtijds zwarte zandsteen, die eene groote menigte groene
korrels bevat, die het den naam van groenzand gegeven hebben. Die korrels bestaan uit
een silicaat van ijzeroxyd; die oxydatie is juist de oorzaak van de donkere kleur. Het
Gault bevat op sommige plaatsen talrijke klompen, die waarschijnlijk phosphorzure kalk
bevatten. Het komt zeer veel voorin de Alpenstreken van Oost-Zwitserland, vooral bij
het Vierwaldstättermeer, bij Pragel en in Unterwald; in de Berner en Lucerneralpen komt
het echter niet voor; in groote hoeveelheden vindt men het in het Rhônedal en in Savoye.
Verder van de Rhône af, is het licht-groengrijs; dit is ook in de Jura het geval, waar het
door blauwe klei bedekt is.
Het feit, dat men die korrels overal in de krijtformatie terugvindt, en vooral in het
Engelsche Gault, moet het gevolg zijn van eene algemeene oorzaak, die bij hare
verschijning en verdwijning gewerkt heeft. Tijdens de krijtperiode moet er tweemaal
eene hoeveelheid ijzer uit het inwendige der aarde te voorschijn gekomen zijn, en zich
over geheel Europa hebben verspreid; wij zijn thans echter nog niet in staat, eene
deugdelijke verklaring van dat verschijnsel te geven.
De dikte der krijtlaag in het bekken van Parijs is ontzaglijk groot; in de rotssteilten van
het Kanaal is zij dikker dan 100 meters; naarmate men het midden van het bekken
nadert, neemt die dikte toe; te Parijs hebben de boringen voor de Artesische putten krijt
doen vinden op eene diepte van 460 meters; men kan het in twee hoofdafdeelingen
verdeelen; de eerste bestaat uit krijt met licht gekleurde vuursteenen, de tweede uit wit
krijt met gordels van vuursteenen, en op verschillende diepten bevatten zij spatangiden
(tot de zeeëgels behoorend), en vooral micrasters (eveneens zeeëgels),
Dat krijt met micrasters is het hoofdbestanddeel der rotsen van Dieppe.
Al die krijtlagen vormen in het bekken van Parijs, om de tertiaire lagen, die in het
middelpunt gelegen zijn, eene uitgestrekte, golvende, hoefijzervormige vlakte, waarvan
de beide beenen op de Normandische kust uitkomen, het ééne tusschen Dieppe en
Tréport, het andere tusschen Boulogne en Calais. Die twee krijtstrooken zetten zich door
het Kanaal voort, en komen weer op de Engelsche kust voor den dag, waar zij de witte
krijtrotsen vormen, aan weerszijden van Dover. Engeland draagt daarom den naam van
Albion. Het krijt wordt daar ook gevonden rondom de tertiaire lagen, waarop Londen
gelegen is, en vormt daar eene heuvelenrij, die den naam van Downs draagt. Al die
streken, Orleans, Parijs, Dieppe, Londen, waren dus in dien tijd onder water bedolven. In
Page 440
de omstreken van Parijs, te Meudon, vindt men, boven het witte krijt, eene gele
kalksteen, bestaande uit kleine, ronde korrels en overblijfselen van fossielen, bekend
onder den naam van pisolithische steen; die steen, die het bovenste bezinksel is der
krijtperiode, bevat een mengsel van stoffen uit de krijtformatie en de tertiaire formatie.
Men vindt daar onder andere, ananchiten11, cerithiden11, die vergeleken kunnen worden
met het cerithium11 gigantëum, dat in de Parijsche tertiaire formatie in groote
hoeveelheden voorkomt.
Men vindt diezelfde formatie in losse brokken tegen het krijt aan op verschillende
punten van de omstreken van Parijs. Zij heeft duidelijk het karakter eener kustformatie,
en wijst door hare verdeeling op eene belangrijke verandering, die heeft plaats gehad in
den toestand van het Parijsche bekken, dat eerst door de zee bedekt was. Die zee, van het
noorden komende, is geleidelijk teruggeweken, zoodat al die krijtmassa’s, die wij
besproken hebben, bij het terugwijken de ééne op de andere is afgezet. Na het afzetten
der pisolithische kalksteen, die slechts over eene kleine uitgestrektheid beperkt is, was
het geheele noordelijke deel van Frankrijk boven water gekomen.
Hoe zijn die dikke krijtlagen gevormd, die dikwijls 500, 1000 en 2000 meters dik zijn?
Het antwoord is, door bezinking op den bodem van het water, evenals de vorige
formaties, maar toch op eene andere wijze. Krijt is koolzure kalk. Die koolzure kalk was
in meer of minder verzadigde oplossing in de wateren der oorspronkelijke zeeën
aanwezig, daar onnoemelijke hoeveelheden schaaldieren er zich van bediend hebben, om
hunne kalkschelpen te vervaardigen. In die vloeibare middenstof krioelden poliepen,
foraminiferen en rudistae en vormden deze eene tallooze bevolking. Wat werden de
lichamen dier dieren, groot en klein, maar gewoonlijk mikroskopisch klein, na hunnen
dood? De organische stof verdween door rotting op den bodem van het water; er bleef
niets anders over, dan de onverdelgbare anorganische stof, de koolzure kalk, die de
schaal vormde. Die kalkmassa hoopte zich tot dikke lagen in het bekken der zee op; zij
verbond zich tot ééne enkele massa en vormde zoo eene doorloopende bedding op den
bodem der zee. Die telkens op elkander afgezette lagen, die in den loop der eeuwen al
dikker en dikker werden, vormden langzamerhand onze krijtformatie.
Indien men een stukje krijt onder den mikroskoop beschouwt, dan ziet men daarin niet
meer een vormeloos en grof poeder, maar alle korrels nemen eene regelmatige gedaante
aan. Fig. 251–253 bestaan uit stukjes schelp, mikroskopische ammonieten en een geheel
heir foraminiferen. Die geheele wereld der oude wateren komt onder den mikroskoop te
voorschijn; eene geheele krijtrots is niets anders dan eene eeuwendurende opeenhooping
van die zeedieren uit eene andere periode der aarde!
kalksteen, bestaande uit kleine, ronde korrels en overblijfselen van fossielen, bekend
onder den naam van pisolithische steen; die steen, die het bovenste bezinksel is der
krijtperiode, bevat een mengsel van stoffen uit de krijtformatie en de tertiaire formatie.
Men vindt daar onder andere, ananchiten11, cerithiden11, die vergeleken kunnen worden
met het cerithium11 gigantëum, dat in de Parijsche tertiaire formatie in groote
hoeveelheden voorkomt.
Men vindt diezelfde formatie in losse brokken tegen het krijt aan op verschillende
punten van de omstreken van Parijs. Zij heeft duidelijk het karakter eener kustformatie,
en wijst door hare verdeeling op eene belangrijke verandering, die heeft plaats gehad in
den toestand van het Parijsche bekken, dat eerst door de zee bedekt was. Die zee, van het
noorden komende, is geleidelijk teruggeweken, zoodat al die krijtmassa’s, die wij
besproken hebben, bij het terugwijken de ééne op de andere is afgezet. Na het afzetten
der pisolithische kalksteen, die slechts over eene kleine uitgestrektheid beperkt is, was
het geheele noordelijke deel van Frankrijk boven water gekomen.
Hoe zijn die dikke krijtlagen gevormd, die dikwijls 500, 1000 en 2000 meters dik zijn?
Het antwoord is, door bezinking op den bodem van het water, evenals de vorige
formaties, maar toch op eene andere wijze. Krijt is koolzure kalk. Die koolzure kalk was
in meer of minder verzadigde oplossing in de wateren der oorspronkelijke zeeën
aanwezig, daar onnoemelijke hoeveelheden schaaldieren er zich van bediend hebben, om
hunne kalkschelpen te vervaardigen. In die vloeibare middenstof krioelden poliepen,
foraminiferen en rudistae en vormden deze eene tallooze bevolking. Wat werden de
lichamen dier dieren, groot en klein, maar gewoonlijk mikroskopisch klein, na hunnen
dood? De organische stof verdween door rotting op den bodem van het water; er bleef
niets anders over, dan de onverdelgbare anorganische stof, de koolzure kalk, die de
schaal vormde. Die kalkmassa hoopte zich tot dikke lagen in het bekken der zee op; zij
verbond zich tot ééne enkele massa en vormde zoo eene doorloopende bedding op den
bodem der zee. Die telkens op elkander afgezette lagen, die in den loop der eeuwen al
dikker en dikker werden, vormden langzamerhand onze krijtformatie.
Indien men een stukje krijt onder den mikroskoop beschouwt, dan ziet men daarin niet
meer een vormeloos en grof poeder, maar alle korrels nemen eene regelmatige gedaante
aan. Fig. 251–253 bestaan uit stukjes schelp, mikroskopische ammonieten en een geheel
heir foraminiferen. Die geheele wereld der oude wateren komt onder den mikroskoop te
voorschijn; eene geheele krijtrots is niets anders dan eene eeuwendurende opeenhooping
van die zeedieren uit eene andere periode der aarde!
Page 441
Fig. 251. Stukje krijt, onder den mikroskoop gezien.
De schelpen der foraminiferen vormen alleen reeds geheele ketenen van hooge rotsen en
uitgestrekte banken van bouwmateriaal. De foraminiferen zijn zeeschelpen, waarvan de
grootste hoogstens twee millimeters groot zijn, en waarvan men meer dan 800
verschillende soorten heeft leeren kennen! Hoevelen van die kleine wezens waren er niet
noodig, opdat hunne opeengestapelde overblijfselen zoo uitgestrekte krijtbanken konden
vormen! De grofkalk uit de omstreken van Parijs is op sommige plaatsen zóó vol van die
overblijfselen, dat een cubieke centimeter uit de groeven van Gentilly er minstens 20000
bevat; dit geeft dus 20 milliard op 1 cub. meter.
Indien wij een huis voorbijgaan, dat afgebroken wordt, of een huis in aanbouw, en wij
omgeven zijn door een stofwolk, die ons in de keel dringt, dan verzwelgen wij dikwijls
zonder het te weten honderden van die kleine wezens. Men geeft aan die mikroskopische
fossielen ook wel den naam van miliolae; hun volume overtreft zelden dat Van eene
gierstkorrel.
De Egyptische pyramiden zijn eveneens gebouwd uit
dezelfde steensoort en rusten op eene basis van
nummulietenkalk. Wij zagen reeds vroeger, dat de ouden de
brokstukken, die aan den voet neervielen, voor versteende
linzen aanzagen. De naam van nummulieten is afgeleid uit
hunne overeenkomst met kleine muntstukjes.
De schelpen der foraminiferen vormen alleen reeds geheele ketenen van hooge rotsen en
uitgestrekte banken van bouwmateriaal. De foraminiferen zijn zeeschelpen, waarvan de
grootste hoogstens twee millimeters groot zijn, en waarvan men meer dan 800
verschillende soorten heeft leeren kennen! Hoevelen van die kleine wezens waren er niet
noodig, opdat hunne opeengestapelde overblijfselen zoo uitgestrekte krijtbanken konden
vormen! De grofkalk uit de omstreken van Parijs is op sommige plaatsen zóó vol van die
overblijfselen, dat een cubieke centimeter uit de groeven van Gentilly er minstens 20000
bevat; dit geeft dus 20 milliard op 1 cub. meter.
Indien wij een huis voorbijgaan, dat afgebroken wordt, of een huis in aanbouw, en wij
omgeven zijn door een stofwolk, die ons in de keel dringt, dan verzwelgen wij dikwijls
zonder het te weten honderden van die kleine wezens. Men geeft aan die mikroskopische
fossielen ook wel den naam van miliolae; hun volume overtreft zelden dat Van eene
gierstkorrel.
De Egyptische pyramiden zijn eveneens gebouwd uit
dezelfde steensoort en rusten op eene basis van
nummulietenkalk. Wij zagen reeds vroeger, dat de ouden de
brokstukken, die aan den voet neervielen, voor versteende
linzen aanzagen. De naam van nummulieten is afgeleid uit
hunne overeenkomst met kleine muntstukjes.
Page 442
De foraminiferen hebben dus een gedeelte van den grond Fig. 252. De nummulieten uit de
afgescheiden, waarop wij loopen, van de huizen, die ons kalksteen.
beschutten, en van de gebouwen, die wij aan de
nakomelingschap nalaten. Ieder diertje heeft zijn korreltje
geleverd, ieder type heeft een onmerkbaar laagje afgezet. De soorten, die nog thans
leven, maken rustig, op den bodem van den Oceaan, het bouwmateriaal gereed, dat voor
toekomstige geslachten dienst moet doen.
Ehrenberg, die duizenden monsters slijk onderzocht heeft, in alle zeeën opgezameld,
heeft onder andere ook de modder bestudeerd, die op eene diepte van 300 tot 500 meters
is opgevischt bij gelegenheid van de peilingen ten behoeve van eenen transatlantischen
kabel. Dikwijls vond de Berlijnsche natuuronderzoeker in de schelpen, die bij de
peilingen opgehaald werden, overblijfselen van het zachte deel van het dier. Hij leidt
daaruit af, dat die dieren ook werkelijk op die groote diepte leven, en dat hunne
verbazend snelle vermenigvuldiging het middel is, waardoor geleidelijk de onderzeesche
valleien effen gemaakt worden.
De grootste van alle foraminiferen, de nummulitidae, hebben eene belangrijke rol
gespeeld in verschillende geologische periodes. Men vindt ze in ontzaglijke
hoeveelheden in de secundaire en tertiaire formaties, en zij kwamen in zóó grooten
getale voor in de zeeën, die eenige onzer vaste landen bedekten, dat hunne kalkschilden
alleen reeds hooge bergen vormen.
Over eene groote uitgestrektheid vormen die schelpen de geheele Arabische keten, die
langs den oever van den Nijl loopt; zij zijn daar zeer talrijk en dicht opeengehoopt. In
verscheidene gedeelten van Opper-Egypte bestaat de bodem van de woestijn uit eene
dikke laag nummulieten, waarin de voeten van reizigers en kameelen een eind inzakken.
De bodem van de stad Richmond en de omringende streken in den staat Virginia, bestaat
uit eene laag fossiele diatomeën van bijna tien meters dikte, behoorende tot soorten, die
nog thans in de IJszee leven.
Daarentegen heeft men in de zoetwatermeren van West-Afrika, zoodanige levende
organismen ontdekt, van eene soort, die in fossielen toestand in Zweden en Noorwegen
onder den naam van mineraal meel bekend is.
Het oude hertogdom Luneburg wordt gewoonlijk beschouwd als eene zandvlakte; doch
dit is slechts voor enkele aan de oppervlakte gelegen gedeelten het geval; de formaties,
op eenige diepte gelegen, bestaan over honderden vierkante mijlen uit eene laag
diatomeën, die 10 tot 20 meters dik is. De laag diatomeën van Brandenburg, waarop de
stad Berlijn gebouwd is, is nog dikker; zij is op enkele plaatsen 40 tot 50 meters dik;
afgescheiden, waarop wij loopen, van de huizen, die ons kalksteen.
beschutten, en van de gebouwen, die wij aan de
nakomelingschap nalaten. Ieder diertje heeft zijn korreltje
geleverd, ieder type heeft een onmerkbaar laagje afgezet. De soorten, die nog thans
leven, maken rustig, op den bodem van den Oceaan, het bouwmateriaal gereed, dat voor
toekomstige geslachten dienst moet doen.
Ehrenberg, die duizenden monsters slijk onderzocht heeft, in alle zeeën opgezameld,
heeft onder andere ook de modder bestudeerd, die op eene diepte van 300 tot 500 meters
is opgevischt bij gelegenheid van de peilingen ten behoeve van eenen transatlantischen
kabel. Dikwijls vond de Berlijnsche natuuronderzoeker in de schelpen, die bij de
peilingen opgehaald werden, overblijfselen van het zachte deel van het dier. Hij leidt
daaruit af, dat die dieren ook werkelijk op die groote diepte leven, en dat hunne
verbazend snelle vermenigvuldiging het middel is, waardoor geleidelijk de onderzeesche
valleien effen gemaakt worden.
De grootste van alle foraminiferen, de nummulitidae, hebben eene belangrijke rol
gespeeld in verschillende geologische periodes. Men vindt ze in ontzaglijke
hoeveelheden in de secundaire en tertiaire formaties, en zij kwamen in zóó grooten
getale voor in de zeeën, die eenige onzer vaste landen bedekten, dat hunne kalkschilden
alleen reeds hooge bergen vormen.
Over eene groote uitgestrektheid vormen die schelpen de geheele Arabische keten, die
langs den oever van den Nijl loopt; zij zijn daar zeer talrijk en dicht opeengehoopt. In
verscheidene gedeelten van Opper-Egypte bestaat de bodem van de woestijn uit eene
dikke laag nummulieten, waarin de voeten van reizigers en kameelen een eind inzakken.
De bodem van de stad Richmond en de omringende streken in den staat Virginia, bestaat
uit eene laag fossiele diatomeën van bijna tien meters dikte, behoorende tot soorten, die
nog thans in de IJszee leven.
Daarentegen heeft men in de zoetwatermeren van West-Afrika, zoodanige levende
organismen ontdekt, van eene soort, die in fossielen toestand in Zweden en Noorwegen
onder den naam van mineraal meel bekend is.
Het oude hertogdom Luneburg wordt gewoonlijk beschouwd als eene zandvlakte; doch
dit is slechts voor enkele aan de oppervlakte gelegen gedeelten het geval; de formaties,
op eenige diepte gelegen, bestaan over honderden vierkante mijlen uit eene laag
diatomeën, die 10 tot 20 meters dik is. De laag diatomeën van Brandenburg, waarop de
stad Berlijn gebouwd is, is nog dikker; zij is op enkele plaatsen 40 tot 50 meters dik;
Page 443
maar zij is niet zoo zuiver als die van Luneburg; men vindt daarin vele andere
organismen en ook anorganische stoffen.
De tripelaarde, ook bekend onder den naam van mineraal meel, die vooral in de
omstreken van Bilin in Boheme gevonden wordt, is niets anders dan eene verzameling
kiezelrijke schelpen van mikroskopische wezens. Alexander von Humboldt verhaalt
zelfs, dat enkele volksstammen der Antillen daarvan eene lekkernij bereiden, die bestaat
uit kleine rolletjes van een deeg, uit die infusiediertjes samengesteld en boven het vuur
gedroogd, om er eene soort van koek van te maken.
Die mikroskopische wezens zijn over de geheele aarde verspreid, van de polen tot den
evenaar. Al de organische wezens van onzen tijd verschillen naar de klimaten; de
diatomeën daarentegen schijnen noch den invloed der warmte, noch dien der koude te
ondervinden: de soorten in China en Japan gevonden, zijn volkomen dezelfde als die,
welke in de Baltische zee leven. Nieuw-Holland, waarvan de organische voortbrengselen
zóózeer onderscheiden zijn van die van de oude wereld, bezit soorten, die zoowel
verspreid zijn in de verzengde streken van Afrika en Azië, als in de koude streken van
Europa en Amerika; de soorten, die men ontdekt heeft in de warme bronnen van
Carlsbad, vindt men ook in de nabijheid der polen; die, welke op de oppervlakte der zee
leven, zijn eveneens, door middel van het dieplood, op eene diepte van 600 meters
gevonden, waar zij onder eene drukking van 60 atmosferen stonden.
Wij zagen vroeger, dat de oudste lagen der aardschors, die, welke dadelijk na de
afkoeling der oppervlakte door de nog kokende zee zijn afgezet, reeds diatomeën
bevatten, die overeenkomen met de nog thans levende soorten. De ontzaglijkste dieren
der voorwereld, de atlantosauri, de brontosauri, de monsterachtige krokodillen en
vliegende hagedissen, de mammouths, zij allen zijn thans verdwenen, zonder eenig
ander spoor na te laten dan hunne fossiele overblijfselen. De mikroskopisch kleine
diatomeën daarentegen hebben alle omwentelingen der aarde, alle gevechten der
ontketende elementen overleefd: hare afstammelingen bevolken nog dezelfde zeeën, die
de beenderen der reusachtige dieren verzwolgen hebben, waarvan geen enkele is
overgebleven, om zijn geslacht voort te planten. Terwijl eenerzijds de bijzondere
kleinheid der diatomeën haar weerstandsvermogen verklaart, zoo kunnen wij anderzijds
uit haar ongeloofelijk sterk voortplantingsvermogen hare beteekenis begrijpen voor de
huishouding der natuur.
organismen en ook anorganische stoffen.
De tripelaarde, ook bekend onder den naam van mineraal meel, die vooral in de
omstreken van Bilin in Boheme gevonden wordt, is niets anders dan eene verzameling
kiezelrijke schelpen van mikroskopische wezens. Alexander von Humboldt verhaalt
zelfs, dat enkele volksstammen der Antillen daarvan eene lekkernij bereiden, die bestaat
uit kleine rolletjes van een deeg, uit die infusiediertjes samengesteld en boven het vuur
gedroogd, om er eene soort van koek van te maken.
Die mikroskopische wezens zijn over de geheele aarde verspreid, van de polen tot den
evenaar. Al de organische wezens van onzen tijd verschillen naar de klimaten; de
diatomeën daarentegen schijnen noch den invloed der warmte, noch dien der koude te
ondervinden: de soorten in China en Japan gevonden, zijn volkomen dezelfde als die,
welke in de Baltische zee leven. Nieuw-Holland, waarvan de organische voortbrengselen
zóózeer onderscheiden zijn van die van de oude wereld, bezit soorten, die zoowel
verspreid zijn in de verzengde streken van Afrika en Azië, als in de koude streken van
Europa en Amerika; de soorten, die men ontdekt heeft in de warme bronnen van
Carlsbad, vindt men ook in de nabijheid der polen; die, welke op de oppervlakte der zee
leven, zijn eveneens, door middel van het dieplood, op eene diepte van 600 meters
gevonden, waar zij onder eene drukking van 60 atmosferen stonden.
Wij zagen vroeger, dat de oudste lagen der aardschors, die, welke dadelijk na de
afkoeling der oppervlakte door de nog kokende zee zijn afgezet, reeds diatomeën
bevatten, die overeenkomen met de nog thans levende soorten. De ontzaglijkste dieren
der voorwereld, de atlantosauri, de brontosauri, de monsterachtige krokodillen en
vliegende hagedissen, de mammouths, zij allen zijn thans verdwenen, zonder eenig
ander spoor na te laten dan hunne fossiele overblijfselen. De mikroskopisch kleine
diatomeën daarentegen hebben alle omwentelingen der aarde, alle gevechten der
ontketende elementen overleefd: hare afstammelingen bevolken nog dezelfde zeeën, die
de beenderen der reusachtige dieren verzwolgen hebben, waarvan geen enkele is
overgebleven, om zijn geslacht voort te planten. Terwijl eenerzijds de bijzondere
kleinheid der diatomeën haar weerstandsvermogen verklaart, zoo kunnen wij anderzijds
uit haar ongeloofelijk sterk voortplantingsvermogen hare beteekenis begrijpen voor de
huishouding der natuur.
Page 444
Fig. 253. Sterk vergroote miliola der grofkalk (Polystomella strigillata).
Die wezens planten zich door deeling voort. Uit één dier lichaampjes vormen zich
plotseling twee, waarvan elk grooter wordt, op hunne beurt splitsen deze zich weder, en
zoo voort, zoodat men heeft kunnen waarnemen, dat ééne enkele diatomeë in 48 uren
een millioen dier wezens kan voortbrengen, en in 4 dagen 150 milliard. Doch zij leven
niet lang; hunne overblijfselen blijven echter bestaan. Niet altijd echter heeft de
voortplanting zoo snel plaats; toch kan men haar somtijds met het oog volgen. De
modder, die zich in de haven van Pilau (bij Koningsbergen) afzet, bestaat voor de helft
uit mikroskopische organismen; daardoor moet de haven voortdurend onderhouden
worden, daar de nieuwe bezinkingen jaarlijks 14000 cubieke voeten bedragen. Als men
daarin niet voorzag, zou de haven spoedig niet meer bevaarbaar zijn, daar men binnen
eene eeuw daarin eene laag diatomeën van 1½ millioen cubieke meters vinden zou.
In het zeezand vindt men dikwijls kleine schelpen; reeds in de eerste jaren der vorige
eeuw, gaven zich twee Italiaansche geleerden, Bianchi en Beccaria, de moeite, om het
aantal schelpen te tellen, die in een ons zand der Adriatische zee, in de nabijheid van
Bologna, gevonden werden; zij vonden daarin 1120. Beccaria toonde aan, dat geheele
heuvels vastland, ten zuiden van Bologna, uitsluitend uit die schelpen gevormd zijn.
Maar in dien tijd, toen men gewoon was alle dergelijke verschijnselen op rekening van
den zondvloed te stellen, begreep men de beteekenis van dat feit volstrekt niet.
In den loop dezer eeuw, lang vóór de peilingen, voor het leggen van den
transatlantischen kabel gedaan, had men gevonden, dat een groot gedeelte van den
bodem van den Atlantischen Oceaan uit een bezinksel bestond, dat thans bekend staat
onder den naam van modder van globigerinen. Het bestaat uit schelpen van kleine
foraminiferen, die voornamelijk behooren tot het geslacht Globigerina; in drogen
Die wezens planten zich door deeling voort. Uit één dier lichaampjes vormen zich
plotseling twee, waarvan elk grooter wordt, op hunne beurt splitsen deze zich weder, en
zoo voort, zoodat men heeft kunnen waarnemen, dat ééne enkele diatomeë in 48 uren
een millioen dier wezens kan voortbrengen, en in 4 dagen 150 milliard. Doch zij leven
niet lang; hunne overblijfselen blijven echter bestaan. Niet altijd echter heeft de
voortplanting zoo snel plaats; toch kan men haar somtijds met het oog volgen. De
modder, die zich in de haven van Pilau (bij Koningsbergen) afzet, bestaat voor de helft
uit mikroskopische organismen; daardoor moet de haven voortdurend onderhouden
worden, daar de nieuwe bezinkingen jaarlijks 14000 cubieke voeten bedragen. Als men
daarin niet voorzag, zou de haven spoedig niet meer bevaarbaar zijn, daar men binnen
eene eeuw daarin eene laag diatomeën van 1½ millioen cubieke meters vinden zou.
In het zeezand vindt men dikwijls kleine schelpen; reeds in de eerste jaren der vorige
eeuw, gaven zich twee Italiaansche geleerden, Bianchi en Beccaria, de moeite, om het
aantal schelpen te tellen, die in een ons zand der Adriatische zee, in de nabijheid van
Bologna, gevonden werden; zij vonden daarin 1120. Beccaria toonde aan, dat geheele
heuvels vastland, ten zuiden van Bologna, uitsluitend uit die schelpen gevormd zijn.
Maar in dien tijd, toen men gewoon was alle dergelijke verschijnselen op rekening van
den zondvloed te stellen, begreep men de beteekenis van dat feit volstrekt niet.
In den loop dezer eeuw, lang vóór de peilingen, voor het leggen van den
transatlantischen kabel gedaan, had men gevonden, dat een groot gedeelte van den
bodem van den Atlantischen Oceaan uit een bezinksel bestond, dat thans bekend staat
onder den naam van modder van globigerinen. Het bestaat uit schelpen van kleine
foraminiferen, die voornamelijk behooren tot het geslacht Globigerina; in drogen
Page 445
toestand geleek die modder veel op fijn zand; de kleine schelpen, die gemakkelijk van
elkander genomen konden worden, maakten het duidelijk, dat het bezinksel grootendeels
daaruit was samengesteld. Indien men, door middel eener daarvoor speciaal uitgedachte
methode, monsters haalde uit een dieper gelegen deel van den bodem, vond men
gebroken schelpen der globigerinen, die vast aan elkander gehecht waren, zoodat zij een
gelijkmatig slib vormden, waarin men nog een groot aantal ongebroken schelpen en
goed herkenbare stukken kon onderscheiden. De geheele massa bestond bijna uitsluitend
uit koolzure kalk, en het eenige gesteente, dat daaruit zou kunnen voortkomen, zou
kalksteen kunnen zijn. Uit deze waarnemingen heeft men de gevolgtrekking afgeleid, dat
zich over eene groote uitgestrektheid van het noordelijke gedeelte van den Atlantischen
Oceaan en op verscheidene andere gedeelten van de aardoppervlakte, kalksteenen van
die soort moeten hebben afgezet. Andere waarnemingen hebben aangetoond, dat het
bijna dezelfde stof was, waaruit het krijt bestond, en het is ontwijfelbaar zeker, dat het
bezinksel, dat nog steeds afgezet wordt, volkomen hetzelfde is als krijt.
Die kleine wezens hebben eene veel krachtiger werking uitgeoefend dan de ontzaglijkste
plutonische en vulkanische krachten. De laatste hebben niets anders kunnen uitrichten,
dan hetgeen reeds bestond van het middelpunt naar de oppervlakte te brengen, of wel het
te vernietigen of omver te werpen. De poliepen daarentegen bouwden, schiepen en
vervormden langzaam doch onophoudelijk, in den loop van millioenen jaren, de
gedaante der planeet. Von Schleiden zegt daaromtrent volkomen juist: „De wijzigingen
der aardoppervlakte zijn gedeeltelijk het werk van dieren en planten, waarvan men ten
onrechte meent, dat de bestemming alleen is, door de aarde gedragen en gevoed te
worden; en het zijn niet de ontzaglijke gevaarten, zooals de walvisschen en olifanten, of
de hooge eiken en boababs, maar de poliepen zoo groot als een speldenknop, de
polythalamen, met het bloote oog onzichtbaar, de kleinste mikroskopische planten, in de
moerassen verborgen, die den grootsten invloed hebben uitgeoefend op den bouw der
aarde.”
Met bewondering beschouwen wij eene lange rij bergen, met bosschen van eiken en
beuken bedekt, en wij gaan met minachting het groenachtige schuim van eenen
stilstaanden waterpoel voorbij; en toch beweegt zich in dat geminachte schuim eene
wereld van kleine wezens, die de bergen bouwen. Zoo is het ook in de zee, waar eene
onuitputtelijke voortbrengende kracht zonder tusschenpoozen de rotsen bedekt met
wezens, die zelf weer nieuwe rotsen bouwen, en die wezens zijn zóó klein, dat zij zich
aan het menschelijke oog onttrekken.
Het krijt is dus een voortbrengsel van het organische leven. Het bestaat uit vormlooze
kalkdeeltjes, waarmede een groot aantal mikroskopische schilden van foraminiferen
verbonden zijn, die vooral tot het geslacht globigerina behooren. Doch er is eene groote
verscheidenheid in de samenstelling van het krijt; nu eens is het verbonden met klei en
wordt het dan mergel, dan weer is het met groene ijzerhoudende korrels verbonden
elkander genomen konden worden, maakten het duidelijk, dat het bezinksel grootendeels
daaruit was samengesteld. Indien men, door middel eener daarvoor speciaal uitgedachte
methode, monsters haalde uit een dieper gelegen deel van den bodem, vond men
gebroken schelpen der globigerinen, die vast aan elkander gehecht waren, zoodat zij een
gelijkmatig slib vormden, waarin men nog een groot aantal ongebroken schelpen en
goed herkenbare stukken kon onderscheiden. De geheele massa bestond bijna uitsluitend
uit koolzure kalk, en het eenige gesteente, dat daaruit zou kunnen voortkomen, zou
kalksteen kunnen zijn. Uit deze waarnemingen heeft men de gevolgtrekking afgeleid, dat
zich over eene groote uitgestrektheid van het noordelijke gedeelte van den Atlantischen
Oceaan en op verscheidene andere gedeelten van de aardoppervlakte, kalksteenen van
die soort moeten hebben afgezet. Andere waarnemingen hebben aangetoond, dat het
bijna dezelfde stof was, waaruit het krijt bestond, en het is ontwijfelbaar zeker, dat het
bezinksel, dat nog steeds afgezet wordt, volkomen hetzelfde is als krijt.
Die kleine wezens hebben eene veel krachtiger werking uitgeoefend dan de ontzaglijkste
plutonische en vulkanische krachten. De laatste hebben niets anders kunnen uitrichten,
dan hetgeen reeds bestond van het middelpunt naar de oppervlakte te brengen, of wel het
te vernietigen of omver te werpen. De poliepen daarentegen bouwden, schiepen en
vervormden langzaam doch onophoudelijk, in den loop van millioenen jaren, de
gedaante der planeet. Von Schleiden zegt daaromtrent volkomen juist: „De wijzigingen
der aardoppervlakte zijn gedeeltelijk het werk van dieren en planten, waarvan men ten
onrechte meent, dat de bestemming alleen is, door de aarde gedragen en gevoed te
worden; en het zijn niet de ontzaglijke gevaarten, zooals de walvisschen en olifanten, of
de hooge eiken en boababs, maar de poliepen zoo groot als een speldenknop, de
polythalamen, met het bloote oog onzichtbaar, de kleinste mikroskopische planten, in de
moerassen verborgen, die den grootsten invloed hebben uitgeoefend op den bouw der
aarde.”
Met bewondering beschouwen wij eene lange rij bergen, met bosschen van eiken en
beuken bedekt, en wij gaan met minachting het groenachtige schuim van eenen
stilstaanden waterpoel voorbij; en toch beweegt zich in dat geminachte schuim eene
wereld van kleine wezens, die de bergen bouwen. Zoo is het ook in de zee, waar eene
onuitputtelijke voortbrengende kracht zonder tusschenpoozen de rotsen bedekt met
wezens, die zelf weer nieuwe rotsen bouwen, en die wezens zijn zóó klein, dat zij zich
aan het menschelijke oog onttrekken.
Het krijt is dus een voortbrengsel van het organische leven. Het bestaat uit vormlooze
kalkdeeltjes, waarmede een groot aantal mikroskopische schilden van foraminiferen
verbonden zijn, die vooral tot het geslacht globigerina behooren. Doch er is eene groote
verscheidenheid in de samenstelling van het krijt; nu eens is het verbonden met klei en
wordt het dan mergel, dan weer is het met groene ijzerhoudende korrels verbonden
Page 446
(groenzand). Als het hard en vast is, noemt men het wit krijt, als het geel en zandig is,
noemt men het tufkrijt.
In het krijt komen nog enkele vreemde stoffen voor, waaronder het kiezel en het
zwavelijzer. Het kiezel komt veel voor in het witte krijt, dat het bovenste gedeelte van de
krijtformatie uitmaakt. Men vindt het daar als knobbelige klompen, in gordels, die op
één of twee meters in de krijtmassa van elkander verwijderd zijn. Dat kiezel is afkomstig
van de ontleding van organische kiezelhoudende lichamen, zooals de sponzen.
Ook de kleur verschilt: de ééne krijtsoort is grijs, de andere lichter, enkele zijn zelfs
geheel zwart.
Het zwavelijzer komt dikwijls voor in den vorm van staafjes of bolletjes van
vezelachtigen bouw, goudgeel (geel pyriet) of zilverwit (wit pyriet).
Al behoeft men niet aan te nemen, dat het krijt op groote diepte gevormd is, toch is het
zeker, dat de bezinking aan geene beroeringen was blootgesteld, en dat de naburige
oevers er niets bij aangebracht hebben. Die bezinking heeft overigens uiterst langzaam
plaats gegrepen; het is immers niet zeldzaam, zeeëgels te vinden, op wier schaal zich
crania’s (tot de armpootigen behoorend) hebben ontwikkeld om op hunne beurt na den
dood van de zeeëgels te dienen tot aanhechtingsvlak van serpuleae (kalkkokerwormen).
Verschillende geslachten van zeedieren zijn dus op hetzelfde punt op elkander gevolgd,
vóórdat zich op den bodem eene eenigszins dikke krijtlaag had afgezet.
noemt men het tufkrijt.
In het krijt komen nog enkele vreemde stoffen voor, waaronder het kiezel en het
zwavelijzer. Het kiezel komt veel voor in het witte krijt, dat het bovenste gedeelte van de
krijtformatie uitmaakt. Men vindt het daar als knobbelige klompen, in gordels, die op
één of twee meters in de krijtmassa van elkander verwijderd zijn. Dat kiezel is afkomstig
van de ontleding van organische kiezelhoudende lichamen, zooals de sponzen.
Ook de kleur verschilt: de ééne krijtsoort is grijs, de andere lichter, enkele zijn zelfs
geheel zwart.
Het zwavelijzer komt dikwijls voor in den vorm van staafjes of bolletjes van
vezelachtigen bouw, goudgeel (geel pyriet) of zilverwit (wit pyriet).
Al behoeft men niet aan te nemen, dat het krijt op groote diepte gevormd is, toch is het
zeker, dat de bezinking aan geene beroeringen was blootgesteld, en dat de naburige
oevers er niets bij aangebracht hebben. Die bezinking heeft overigens uiterst langzaam
plaats gegrepen; het is immers niet zeldzaam, zeeëgels te vinden, op wier schaal zich
crania’s (tot de armpootigen behoorend) hebben ontwikkeld om op hunne beurt na den
dood van de zeeëgels te dienen tot aanhechtingsvlak van serpuleae (kalkkokerwormen).
Verschillende geslachten van zeedieren zijn dus op hetzelfde punt op elkander gevolgd,
vóórdat zich op den bodem eene eenigszins dikke krijtlaag had afgezet.
Page 447
Een Bosch in de eerste eeuwen der krijtperiode.
De dierenwereld uit de krijtformatie is de voortzetting van de Jurafauna, met eene
neiging tot ontwikkeling, die eerst in de tertiaire periode tot haar recht komt. Men kent
reeds 6000 soorten, die kenmerkend zijn voor die periode. De secundaire typen hebben
de overhand, maar op het einde treden reeds de tertiaire typen op. Wij zien hier weder
diezelfde wet van geleidelijken overgang, die wij gedurende onze geheele studie hebben
leeren kennen.
Onder de lagere klassen der dierenwereld hebben wij reeds de aandacht gevestigd op de
groote en merkwaardige ontwikkeling der foraminiferen, die op die der poliepen en
sponzen der korallische formatie volgde. De koralen bouwen in onze streken geene
De dierenwereld uit de krijtformatie is de voortzetting van de Jurafauna, met eene
neiging tot ontwikkeling, die eerst in de tertiaire periode tot haar recht komt. Men kent
reeds 6000 soorten, die kenmerkend zijn voor die periode. De secundaire typen hebben
de overhand, maar op het einde treden reeds de tertiaire typen op. Wij zien hier weder
diezelfde wet van geleidelijken overgang, die wij gedurende onze geheele studie hebben
leeren kennen.
Onder de lagere klassen der dierenwereld hebben wij reeds de aandacht gevestigd op de
groote en merkwaardige ontwikkeling der foraminiferen, die op die der poliepen en
sponzen der korallische formatie volgde. De koralen bouwen in onze streken geene
Page 448
riffen meer, en op het einde der krijtperiode
verlaten zij de noordelijke zeeën geheel en al,
hetgeen wijst op eene verlaging van
temperatuur. De zeesterren handhaven zich
langer; de zeeëgels gaan vooruit (wij wijzen
onder de karakteristieke schelpen dier
formatie op den micraster cor-anguinum (fig.
255), dien men in het bekken van Parijs in
grooten getale vindt). De bryozoën
Fig. 256. Fossiel der
Fig. 255. Fossiel der (mosdieren) nemen, vooral in de hoogere
krijtperiode.
krijtperiode. lagen, in aantal toe. De armpootige
Terebratula praelonga. weekdieren brengen nieuwe soorten voort,
Micraster cor-anguinum.
vooral de terebratulinae, waarvan
verschillende soorten nog in onze diepe
zeeën voorkomen (fig. 256–258). Enkele lagen zijn rijk aan oesters. De koplooze en
buikpootige weekdieren ontwikkelen zich eveneens, en geven het aanzijn aan de
merkwaardige familie der rudistae, die alleen voorkomen in de krijtformatie.
De rudistae zijn
vreemdsoortige
weekdieren, die het
geduld en het
verstand der
natuuronderzoekers
niet minder op de Fig. 258. Fossiel der krijtperiode.
proef gesteld
hebben dan de Rynchonella vespertilo.
belemnieten. Hunne
massieve en Fig. 257. Fossiel der
onregelmatige schelp gelijkt op eenen uitgerekten horen; het krijtperiode.
geheel is bezaaid met buisvormige openingen De voornaamste
geslachten der rudistae zijn de hippuriten, de spheruliten, de Terebrirosta neocomiensis.
radioliten, de caprinen en de caprotinen (fig. 259–260). Zij
leefden dikwijls in koloniën, die uitgestrekte banken vormden, waar individuen van alle
tijden zich aan elkander vasthechtten. Zij komen in grooten getale voor in het krijt in het
zuidwesten van Frankrijk en worden uiterst zelden boven 45° N.B. gevonden, een nieuw
bewijs voor de waarschijnlijke verlaging der temperatuur. Men vindt nog thans prachtige
typen dier oude riffen, zooals zij zich gevormd hebben onder den invloed der
onderzeesche stroomen, die groote hoeveelheden van die wezens op bepaalde punten
ophoopten. Merkwaardig is die verzameling van nog loodrecht staande rudistae, die men
op zichzelf of in groepen tegen de helling van sommige bergen in Provence vindt. Het is,
alsof de zee nog eerst onlangs teruggetrokken is, en zóó de onderzeesche dierenwereld,
verlaten zij de noordelijke zeeën geheel en al,
hetgeen wijst op eene verlaging van
temperatuur. De zeesterren handhaven zich
langer; de zeeëgels gaan vooruit (wij wijzen
onder de karakteristieke schelpen dier
formatie op den micraster cor-anguinum (fig.
255), dien men in het bekken van Parijs in
grooten getale vindt). De bryozoën
Fig. 256. Fossiel der
Fig. 255. Fossiel der (mosdieren) nemen, vooral in de hoogere
krijtperiode.
krijtperiode. lagen, in aantal toe. De armpootige
Terebratula praelonga. weekdieren brengen nieuwe soorten voort,
Micraster cor-anguinum.
vooral de terebratulinae, waarvan
verschillende soorten nog in onze diepe
zeeën voorkomen (fig. 256–258). Enkele lagen zijn rijk aan oesters. De koplooze en
buikpootige weekdieren ontwikkelen zich eveneens, en geven het aanzijn aan de
merkwaardige familie der rudistae, die alleen voorkomen in de krijtformatie.
De rudistae zijn
vreemdsoortige
weekdieren, die het
geduld en het
verstand der
natuuronderzoekers
niet minder op de Fig. 258. Fossiel der krijtperiode.
proef gesteld
hebben dan de Rynchonella vespertilo.
belemnieten. Hunne
massieve en Fig. 257. Fossiel der
onregelmatige schelp gelijkt op eenen uitgerekten horen; het krijtperiode.
geheel is bezaaid met buisvormige openingen De voornaamste
geslachten der rudistae zijn de hippuriten, de spheruliten, de Terebrirosta neocomiensis.
radioliten, de caprinen en de caprotinen (fig. 259–260). Zij
leefden dikwijls in koloniën, die uitgestrekte banken vormden, waar individuen van alle
tijden zich aan elkander vasthechtten. Zij komen in grooten getale voor in het krijt in het
zuidwesten van Frankrijk en worden uiterst zelden boven 45° N.B. gevonden, een nieuw
bewijs voor de waarschijnlijke verlaging der temperatuur. Men vindt nog thans prachtige
typen dier oude riffen, zooals zij zich gevormd hebben onder den invloed der
onderzeesche stroomen, die groote hoeveelheden van die wezens op bepaalde punten
ophoopten. Merkwaardig is die verzameling van nog loodrecht staande rudistae, die men
op zichzelf of in groepen tegen de helling van sommige bergen in Provence vindt. Het is,
alsof de zee nog eerst onlangs teruggetrokken is, en zóó de onderzeesche dierenwereld,
Page 449
zooals zij toen leefde, ongedeerd voor onze oogen toovert. Men vindt daar ontzaglijke
groepen hippuriten, omgeven door poliepen, zeeëgels, weekdieren, die in die dierlijke
koloniën vereenigd leefden, overeenkomende met die, welke op de koraalriffen der
Antillen en Oceanië leven. Die verzameling kan alleen dan voor ons behouden gebleven
zijn, indien zij plotseling bedekt is geworden met bezinksels, die thans, nu zij onder den
invloed van den dampkring vernietigd worden, die wereld der oude tijden weder voor
ons blootleggen.
De ammonieten bereiken thans hunne hoogste
ontwikkeling en vertoonen eenen overvloed der meest
verschillende typen. Het geslacht ammonites heeft
evenals in de Juraperiode de overhand; het zoude ons te
ver voeren, indien wij zelfs de voornaamste vormen
wilden beschrijven; wij noemen dus alleen den
ammonites inflatus (fig. 261) en den ammonites radiatus
(fig. 262), die tot de merkwaardigste kunnen gerekend
worden. Zij verdwijnen van nu af aan voor goed. De
belemnieten worden nog vertegenwoordigd door de
geslachten actinocomax (fig. 263) en belemnitella
mucronatus (fig. 264). Boven de krijtformatie vindt men
geene ammonieten of belemnieten meer, zoodat men uit
de aanwezigheid dier fossielen reeds met zekerheid kan
besluiten, dat eene formatie niet ouder is dan het trias of
jonger dan het krijt. Terecht, ziet men, beschouwen de
geologen de schelpen als de herinneringsmedailles van
de groote tijdperken in de ontwikkelingsgeschiedenis der Fig. 259. Eene groep van hippuriten van
aarde. Hij, die eene belemniet zou vinden in de verschillenden ouderdom.
steenkoolformatie, zoude eene ontdekking doen, even
vreemd, als wanneer men in een handschrift van Cicero
een Fransch woord vond. Het is een onmogelijk anachronisme.
groepen hippuriten, omgeven door poliepen, zeeëgels, weekdieren, die in die dierlijke
koloniën vereenigd leefden, overeenkomende met die, welke op de koraalriffen der
Antillen en Oceanië leven. Die verzameling kan alleen dan voor ons behouden gebleven
zijn, indien zij plotseling bedekt is geworden met bezinksels, die thans, nu zij onder den
invloed van den dampkring vernietigd worden, die wereld der oude tijden weder voor
ons blootleggen.
De ammonieten bereiken thans hunne hoogste
ontwikkeling en vertoonen eenen overvloed der meest
verschillende typen. Het geslacht ammonites heeft
evenals in de Juraperiode de overhand; het zoude ons te
ver voeren, indien wij zelfs de voornaamste vormen
wilden beschrijven; wij noemen dus alleen den
ammonites inflatus (fig. 261) en den ammonites radiatus
(fig. 262), die tot de merkwaardigste kunnen gerekend
worden. Zij verdwijnen van nu af aan voor goed. De
belemnieten worden nog vertegenwoordigd door de
geslachten actinocomax (fig. 263) en belemnitella
mucronatus (fig. 264). Boven de krijtformatie vindt men
geene ammonieten of belemnieten meer, zoodat men uit
de aanwezigheid dier fossielen reeds met zekerheid kan
besluiten, dat eene formatie niet ouder is dan het trias of
jonger dan het krijt. Terecht, ziet men, beschouwen de
geologen de schelpen als de herinneringsmedailles van
de groote tijdperken in de ontwikkelingsgeschiedenis der Fig. 259. Eene groep van hippuriten van
aarde. Hij, die eene belemniet zou vinden in de verschillenden ouderdom.
steenkoolformatie, zoude eene ontdekking doen, even
vreemd, als wanneer men in een handschrift van Cicero
een Fransch woord vond. Het is een onmogelijk anachronisme.
Page 450
Fig. 260. Rudisten uit de krijtperiode.
Caprina adversa.
Fig. 261. Ammoniet uit de krijtperiode.
Ammonites inflatus.
Caprina adversa.
Fig. 261. Ammoniet uit de krijtperiode.
Ammonites inflatus.
Page 451
Fig. 262. Ammoniet uit de krijtperiode.
Ammonites radiatus.
Evenals in de Juraperiode vormen de weekdieren ook nog in de krijtperiode het
belangrijkste deel van de bevolking der zeeën. De koppootigen wedijveren in aantal met
die der Juraperiode; indien de ammonieten niet in zóó grooten getale voorkomen, zijn
daarentegen de nautili veel talrijker geworden; met de turruliten, baculiten,
ptychoceraten en hamiten verschijnen geheel nieuwe soorten. De talrijke vormen van die
groep met rechte, gebogen of aan het uiteinde omgekrulde schelpen zijn het kenmerk der
krijtperiode. Reeds tijdens de Juraperiode vindt men hieronder eene groote
verscheidenheid van vormen; die verscheidenheid blijft nog tijdens de krijtperiode
voortduren, en zelfs komen er nog nieuwe typen bij. De ammonieten zijn niet alleen
spiraalsgewijze in één vlak gewonden, zooals in de Juraperiode; zij krijgen in de
krijtperiode ook nog de gedaante van horens, staven en van schelpen met
wenteltrapvormige of slakkenhuisvormige windingen. Vóórdat die weekdieren dus van
het tooneel verdwenen, hadden zij nog eene groote verscheidenheid van vormen.
Onder de hooger ontwikkelde dieren kan men de langzame verandering der visschen en
der kruipende dieren waarnemen. De glansschubbige visschen geraken in verval en
hebben plaats gemaakt voor de beenige visschen. De kruipende dieren, die de
Juraperiode gekenmerkt hebben, sterven langzamerhand uit. In de tweede helft der
krijtperiode vindt men geene ichthyosauren, plesiosauren of pterodactyli meer. De
dinosauri worden nog vertegenwoordigd door de iguanodons, de megalosauri, de
hyleosauri, de pelorosauri en vooral door de reusachtige mosasauri. De krokodillen, de
afstammelingen der hagedissen uit de Juraperiode, verschijnen thans, om tot op onze
dagen te duren.
Ammonites radiatus.
Evenals in de Juraperiode vormen de weekdieren ook nog in de krijtperiode het
belangrijkste deel van de bevolking der zeeën. De koppootigen wedijveren in aantal met
die der Juraperiode; indien de ammonieten niet in zóó grooten getale voorkomen, zijn
daarentegen de nautili veel talrijker geworden; met de turruliten, baculiten,
ptychoceraten en hamiten verschijnen geheel nieuwe soorten. De talrijke vormen van die
groep met rechte, gebogen of aan het uiteinde omgekrulde schelpen zijn het kenmerk der
krijtperiode. Reeds tijdens de Juraperiode vindt men hieronder eene groote
verscheidenheid van vormen; die verscheidenheid blijft nog tijdens de krijtperiode
voortduren, en zelfs komen er nog nieuwe typen bij. De ammonieten zijn niet alleen
spiraalsgewijze in één vlak gewonden, zooals in de Juraperiode; zij krijgen in de
krijtperiode ook nog de gedaante van horens, staven en van schelpen met
wenteltrapvormige of slakkenhuisvormige windingen. Vóórdat die weekdieren dus van
het tooneel verdwenen, hadden zij nog eene groote verscheidenheid van vormen.
Onder de hooger ontwikkelde dieren kan men de langzame verandering der visschen en
der kruipende dieren waarnemen. De glansschubbige visschen geraken in verval en
hebben plaats gemaakt voor de beenige visschen. De kruipende dieren, die de
Juraperiode gekenmerkt hebben, sterven langzamerhand uit. In de tweede helft der
krijtperiode vindt men geene ichthyosauren, plesiosauren of pterodactyli meer. De
dinosauri worden nog vertegenwoordigd door de iguanodons, de megalosauri, de
hyleosauri, de pelorosauri en vooral door de reusachtige mosasauri. De krokodillen, de
afstammelingen der hagedissen uit de Juraperiode, verschijnen thans, om tot op onze
dagen te duren.
Page 452
De visschen en de amphibiën schijnen niet talrijk geweest te
zijn, hoewel men hier en daar enkele overblijfselen vindt.
Onder de eerste zijn de haaien merkwaardig; men heeft daarvan
zes soorten in Zwitserland ontdekt; zij behooren tot geslachten,
waarvan enkele nog thans voorkomen, zooals de oxyrhina en
de odontaspis; andere behooren tot de geslachten otodus en
corax, die alleen in het krijt en in de tertiaire zee voorkomen.
Wij vinden de glansschubbigen evenals in de Juraperiode
vertegenwoordigd door het geslacht pycnodus met vijf soorten;
ook vindt men de geslachten sphaenodus en gyrodus.
Pictet heeft
vier
soorten van
visschen
beschreven
, die op
haringen
gelijken, en
die hij
gevonden
heeft in de
neocomisc
Fig. 263. Fig. 264.
he lagen;
Belemniet der Belemniet der
zij zijn
krijtperiode. krijtperiode.
Fig. 266. Koppootige ammoniet verwant
Actinocomax. Belemnitella. der krijtperiode. aan de
geslachten
Fig. 265. Koppootige Helicoceras Robertianum. elops en
ammoniet der krijtperiode. megalops
der tropen. De visschen der
Scaphites Yvanii. krijtperiode wijken af van die der
Juraperiode en naderen tot de
tegenwoordige fauna.
De kruipende dieren uit de zee voleindigen hunne regeering. Indien een waarnemer en
denker uit dien tijd de streken had kunnen aanschouwen, waar thans Parijs schittert, en
had kunnen doordringen in de diepte der zee, waarin zich de krijtbanken afgezet hebben,
die wij in de doorsnede der artesische put van Grenelle hebben leeren kennen, dan had
die voorlooper der toekomstige menschheid in die wateren de oude visschen dier periode
kunnen zien, de macropoma, den gyrodus, den belenostomus, den lepidotus, tegelijk met
de koppootige weekdieren, de hippuriten, de zeeëgels, de sponzen, die een leven leiden,
zijn, hoewel men hier en daar enkele overblijfselen vindt.
Onder de eerste zijn de haaien merkwaardig; men heeft daarvan
zes soorten in Zwitserland ontdekt; zij behooren tot geslachten,
waarvan enkele nog thans voorkomen, zooals de oxyrhina en
de odontaspis; andere behooren tot de geslachten otodus en
corax, die alleen in het krijt en in de tertiaire zee voorkomen.
Wij vinden de glansschubbigen evenals in de Juraperiode
vertegenwoordigd door het geslacht pycnodus met vijf soorten;
ook vindt men de geslachten sphaenodus en gyrodus.
Pictet heeft
vier
soorten van
visschen
beschreven
, die op
haringen
gelijken, en
die hij
gevonden
heeft in de
neocomisc
Fig. 263. Fig. 264.
he lagen;
Belemniet der Belemniet der
zij zijn
krijtperiode. krijtperiode.
Fig. 266. Koppootige ammoniet verwant
Actinocomax. Belemnitella. der krijtperiode. aan de
geslachten
Fig. 265. Koppootige Helicoceras Robertianum. elops en
ammoniet der krijtperiode. megalops
der tropen. De visschen der
Scaphites Yvanii. krijtperiode wijken af van die der
Juraperiode en naderen tot de
tegenwoordige fauna.
De kruipende dieren uit de zee voleindigen hunne regeering. Indien een waarnemer en
denker uit dien tijd de streken had kunnen aanschouwen, waar thans Parijs schittert, en
had kunnen doordringen in de diepte der zee, waarin zich de krijtbanken afgezet hebben,
die wij in de doorsnede der artesische put van Grenelle hebben leeren kennen, dan had
die voorlooper der toekomstige menschheid in die wateren de oude visschen dier periode
kunnen zien, de macropoma, den gyrodus, den belenostomus, den lepidotus, tegelijk met
de koppootige weekdieren, de hippuriten, de zeeëgels, de sponzen, die een leven leiden,
Page 453
dat niets doet vermoeden van de toekomstige
bestemming der aarde, en die beheerscht worden
door de reusachtige kruipende dieren aan de
oppervlakte, zooals den beroemden mosasaurus,
die reeds vroeger beschreven is en die tot in de
laatste tijden der krijtperiode blijft heerschen.
Fig. 268 geeft daarvan een denkbeeld.
Fig. 267. Koppootige ammoniet der krijtperiode.
Heteroceras Emericianum.
bestemming der aarde, en die beheerscht worden
door de reusachtige kruipende dieren aan de
oppervlakte, zooals den beroemden mosasaurus,
die reeds vroeger beschreven is en die tot in de
laatste tijden der krijtperiode blijft heerschen.
Fig. 268 geeft daarvan een denkbeeld.
Fig. 267. Koppootige ammoniet der krijtperiode.
Heteroceras Emericianum.
Page 454
Parijs tijdens de krijtperiode. Einde van de heerschappij van den grooten
mosasaurus.
De vogels nemen langzamerhand bezit van de lucht. Op den archeopteryx der
Juraperiode volgen de tandvogels, waarmede wij reeds kennis gemaakt hebben, de
ichthyornis, de hesperornis enz.
De oudste en best gekende van die oorspronkelijke vogels is de hesperornis regalis. Hij
schijnt in het midden der krijtperiode tamelijk veel te zijn voorgekomen. Het was een
watervogel. Hij bewoonde de oevers der zee, die zich toen over Noord-Amerika
uitstrekte; hij was zeer groot en moet geleken hebben op eenen grooten pinguin. Zijne
vleugels beperkten zich tot één enkel naaldvormig been, dat het sleutelbeen voorstelt;
mosasaurus.
De vogels nemen langzamerhand bezit van de lucht. Op den archeopteryx der
Juraperiode volgen de tandvogels, waarmede wij reeds kennis gemaakt hebben, de
ichthyornis, de hesperornis enz.
De oudste en best gekende van die oorspronkelijke vogels is de hesperornis regalis. Hij
schijnt in het midden der krijtperiode tamelijk veel te zijn voorgekomen. Het was een
watervogel. Hij bewoonde de oevers der zee, die zich toen over Noord-Amerika
uitstrekte; hij was zeer groot en moet geleken hebben op eenen grooten pinguin. Zijne
vleugels beperkten zich tot één enkel naaldvormig been, dat het sleutelbeen voorstelt;
Page 455
zijn plat borstbeen zonder kam geleek op dat der struisvogels, en zijn schouderblad
herinnert aan de dinosauri. De achterste ledematen, met hunne met zwemvliezen
voorziene pooten, waren bijzonder sterk, en hij had eenen stevigen staart, die, met zijne
twaalf zijdelings uitgestrekte wervels, een krachtig bewegingstoestel moet gevormd
hebben.
De bek was puntig als die van den duikelaar of de ooievaar. De bovenkaak bevatte
veertien tanden, zonder tanden op de voorkaak, de benedenkaak daarentegen had tanden
over den geheelen rand, aan iederen kant 33, en de twee helften, door een kraakbeenig
gewricht vereenigd, konden zich uitzetten, waardoor het dier in staat was groote
lichamen te verzwelgen, zooals dit ook bij de slangen het geval is. In hoofdzaak kwam
het dier met de kruipende dieren overeen: de tanden zijn met stevige wortels in eene
gemeenschappelijke groeve ingeplant; zij zijn met een glad glazuursel bedekt, en zijn
kegelvormig met een punt naar achteren, zoodat zij evenals de kruipende dieren geschikt
zijn, om het voedsel te grijpen, niet om het te kauwen.
Ook de schedel had wegens zijne geringe afmetingen groote overeenkomst met dien der
kruipende dieren.
Wij moeten nog den ichthyornis noemen, die nauw verwant was met den hesperornis
regalis. De kenmerken, waarin hij van den laatste verschilt, doen hem juist tot onze
tegenwoordige vogels naderen. Hij behoort door zijnen kleinen schedel en door zijne
dubbel-holle wervels tot de kruipende dieren, maar overigens heeft hij alle
eigenschappen van eenen vogel. In het bijzonder heeft hij goed ontwikkelde vleugels.
Hij is niet grooter dan eene duif of eene raaf, en hij komt overeen met onze
zeezwaluwen.
De vergelijking van die oorspronkelijke vogels zou ons tot de meening doen overhellen,
dat zij niet van éénen tak der kruipende dieren, maar van verschillende afstammen.
Onze geest is door zijn vermogen, om de nauwe grenzen van ons tegenwoordig leven te
overschrijden, in staat om die lange krijtperiode te omvatten, die misschien millioen
jaren geduurd heeft.
herinnert aan de dinosauri. De achterste ledematen, met hunne met zwemvliezen
voorziene pooten, waren bijzonder sterk, en hij had eenen stevigen staart, die, met zijne
twaalf zijdelings uitgestrekte wervels, een krachtig bewegingstoestel moet gevormd
hebben.
De bek was puntig als die van den duikelaar of de ooievaar. De bovenkaak bevatte
veertien tanden, zonder tanden op de voorkaak, de benedenkaak daarentegen had tanden
over den geheelen rand, aan iederen kant 33, en de twee helften, door een kraakbeenig
gewricht vereenigd, konden zich uitzetten, waardoor het dier in staat was groote
lichamen te verzwelgen, zooals dit ook bij de slangen het geval is. In hoofdzaak kwam
het dier met de kruipende dieren overeen: de tanden zijn met stevige wortels in eene
gemeenschappelijke groeve ingeplant; zij zijn met een glad glazuursel bedekt, en zijn
kegelvormig met een punt naar achteren, zoodat zij evenals de kruipende dieren geschikt
zijn, om het voedsel te grijpen, niet om het te kauwen.
Ook de schedel had wegens zijne geringe afmetingen groote overeenkomst met dien der
kruipende dieren.
Wij moeten nog den ichthyornis noemen, die nauw verwant was met den hesperornis
regalis. De kenmerken, waarin hij van den laatste verschilt, doen hem juist tot onze
tegenwoordige vogels naderen. Hij behoort door zijnen kleinen schedel en door zijne
dubbel-holle wervels tot de kruipende dieren, maar overigens heeft hij alle
eigenschappen van eenen vogel. In het bijzonder heeft hij goed ontwikkelde vleugels.
Hij is niet grooter dan eene duif of eene raaf, en hij komt overeen met onze
zeezwaluwen.
De vergelijking van die oorspronkelijke vogels zou ons tot de meening doen overhellen,
dat zij niet van éénen tak der kruipende dieren, maar van verschillende afstammen.
Onze geest is door zijn vermogen, om de nauwe grenzen van ons tegenwoordig leven te
overschrijden, in staat om die lange krijtperiode te omvatten, die misschien millioen
jaren geduurd heeft.
Page 456
Fig. 269. Kop van eenen tandvogel (krijtperiode).
Indien wij in onze gedachte verwijlen bij de neocomische periode en de kusten onzer
zeeën doorloopen, dan ontmoeten wij op verscheidene plaatsen eene groote menigte
dieren, door den oceaan op onze oevers geworpen. Verschillende soorten zullen zich aan
onzen blik vertoonen; overal zullen wij de vreemde gedaanten der belemnieten
ontmoeten, en ammonieten en verschillende soorten van koppootige weekdieren.
Indien wij in onze gedachte verwijlen bij de neocomische periode en de kusten onzer
zeeën doorloopen, dan ontmoeten wij op verscheidene plaatsen eene groote menigte
dieren, door den oceaan op onze oevers geworpen. Verschillende soorten zullen zich aan
onzen blik vertoonen; overal zullen wij de vreemde gedaanten der belemnieten
ontmoeten, en ammonieten en verschillende soorten van koppootige weekdieren.
Page 457
De tandvogels der krijtperiode (Ichthyoinis victor).
Indien wij onze gedachten bepalen tot een later tijdstip, het urgonische, van het vorige
misschien door een tijdvak van honderdduizend jaren gescheiden, en weder dezelfde
plaatsen bezoeken, dan bemerken wij tot onze verbazing, dat wij de koppootige
weekdieren niet meer terugzien, die in de neocomische periode één der sieraden van de
dierenwereld uitmaakten, en de oevers der zee door hunne schitterende parelmoeren
schelpen opluisterden; al die zoo sierlijk in kamers verdeelde woningen zijn verdwenen,
behoudens enkele weinige sporen. Toch vinden wij nog hier en daar langs de kusten
enkele koraalbanken.
Indien wij onze gedachten bepalen tot een later tijdstip, het urgonische, van het vorige
misschien door een tijdvak van honderdduizend jaren gescheiden, en weder dezelfde
plaatsen bezoeken, dan bemerken wij tot onze verbazing, dat wij de koppootige
weekdieren niet meer terugzien, die in de neocomische periode één der sieraden van de
dierenwereld uitmaakten, en de oevers der zee door hunne schitterende parelmoeren
schelpen opluisterden; al die zoo sierlijk in kamers verdeelde woningen zijn verdwenen,
behoudens enkele weinige sporen. Toch vinden wij nog hier en daar langs de kusten
enkele koraalbanken.
Page 458
Indien wij honderdduizend jaren later, in de gaultperiode, dezelfde kusten bezoeken, dan
vinden wij daar groote hoeveelheden zeeëgels en één- en tweekleppige weekdieren; wij
zien weder geheel andere koppootige weekdieren dan tijdens de neocomische periode,
en geheel nieuwe geslachten en soorten, zooals de turruliten en de helioceraten.
Zoo heeft die dierenwereld den stempel behouden van ieder der formaties uit de
krijtperiode. Indien wij gedurende die periode honderd maal met tusschenpoozen van
tienduizend jaren de oevers dier zeeën hadden bezocht, dan zouden wij misschien de
achtereenvolgende wijzigingen der dierenwereld hebben kunnen volgen, en zouden wij
het bewijs hebben kunnen leveren, dat die verschillende vormen op velerlei wijzen met
elkander verbonden waren; dan zouden wij de ontelbare wezens, die men, sedert zoovele
eeuwen bedolven, heeft teruggevonden, levend hebben kunnen aanschouwen. Bij de
zoogdieren vindt men in die periode geen vooruitgang; de minst ontwikkelde zijn
soorten, die zooals wij zagen, reeds in de liasperiode zijn opgetreden.
Wat ons het meest treft in de duizenden en tienduizenden eeuwen der Jura- en
krijtperiode, is zeker wel het feit, dat onmetelijke tijdstippen op elkander volgen, zonder
dat de natuur hoogere wezens schept dan kruipende dieren. Wel neemt het aantal
hagedisachtige dieren toe; wel worden de dieren zelf grooter, doch het blijft steeds
hetzelfde type.
Toch bestond het type der zoogdieren en der vogels reeds, geschetst als het was in de
triasperiode; doch zij komen daar uiterst zeldzaam voor. Indien zij zich niet hebben
kunnen ontwikkelen, en de wereld niet hebben kunnen veroveren, dan was daarvan niet
de oorzaak, dat de tijd voor hunne geleidelijke ontwikkeling te kort was, maar dat de
gedaante der aarde in die eeuwenlange periode niet veranderde. Het vaste land bleef
ongeschikt voor de bewoning.
vinden wij daar groote hoeveelheden zeeëgels en één- en tweekleppige weekdieren; wij
zien weder geheel andere koppootige weekdieren dan tijdens de neocomische periode,
en geheel nieuwe geslachten en soorten, zooals de turruliten en de helioceraten.
Zoo heeft die dierenwereld den stempel behouden van ieder der formaties uit de
krijtperiode. Indien wij gedurende die periode honderd maal met tusschenpoozen van
tienduizend jaren de oevers dier zeeën hadden bezocht, dan zouden wij misschien de
achtereenvolgende wijzigingen der dierenwereld hebben kunnen volgen, en zouden wij
het bewijs hebben kunnen leveren, dat die verschillende vormen op velerlei wijzen met
elkander verbonden waren; dan zouden wij de ontelbare wezens, die men, sedert zoovele
eeuwen bedolven, heeft teruggevonden, levend hebben kunnen aanschouwen. Bij de
zoogdieren vindt men in die periode geen vooruitgang; de minst ontwikkelde zijn
soorten, die zooals wij zagen, reeds in de liasperiode zijn opgetreden.
Wat ons het meest treft in de duizenden en tienduizenden eeuwen der Jura- en
krijtperiode, is zeker wel het feit, dat onmetelijke tijdstippen op elkander volgen, zonder
dat de natuur hoogere wezens schept dan kruipende dieren. Wel neemt het aantal
hagedisachtige dieren toe; wel worden de dieren zelf grooter, doch het blijft steeds
hetzelfde type.
Toch bestond het type der zoogdieren en der vogels reeds, geschetst als het was in de
triasperiode; doch zij komen daar uiterst zeldzaam voor. Indien zij zich niet hebben
kunnen ontwikkelen, en de wereld niet hebben kunnen veroveren, dan was daarvan niet
de oorzaak, dat de tijd voor hunne geleidelijke ontwikkeling te kort was, maar dat de
gedaante der aarde in die eeuwenlange periode niet veranderde. Het vaste land bleef
ongeschikt voor de bewoning.
Page 459
Fig. 271. De tandvogels. (Hesperornis regalis).
Tevergeefs volgden de eeuwen op elkander: zij konden aan de levende wezens niet het
karakter van vastelandsdieren geven, daar de aarde nog geen vastelandsvorm bezat. De
kleine insectenetende knaagdieren bleven op de eilanden der Juraperiode, wat hunne
stamgenooten nog zijn op de eilanden der Zuidzee. Hoogstens bereikten zij den trap,
waarop thans de kangoeroe’s van Nieuw-Zeeland staan.
De verbrokkeling van het vasteland leverde eenen onoverkomelijken slagboom op tegen
de ontwikkeling der vastelandszoogdieren, want deze kunnen alleen dan zich tot groote
soorten verheffen, als zij een groot veld vóór zich hebben. Als nomadische wezens
moeten zij ruimte hebben, om te trekken, als grasetende dieren hebben zij behoefte aan
steeds nieuwe weiden. Men kan zich de groote vleeschetende dieren niet denken zonder
kudden van grasetende dieren, en de laatste zijn niet denkbaar zonder uitgestrekte
grasrijke vlakten. Ieder levend wezen moet de afspiegeling zijn van eenen bepaalden
vorm zijner omgeving. De kameel is niet te scheiden van de woestijn, het paard van de
steppen, de gems van de steile bergen, de olifant en de rhinoceros van de ontzaglijke
bosschen, de giraffe van de oasen, het rund van de maagdelijke vlakten, de
hippopotamus van de zoetwaterstroomen. Ieder dier zoogdieren komt overeen met eene
Tevergeefs volgden de eeuwen op elkander: zij konden aan de levende wezens niet het
karakter van vastelandsdieren geven, daar de aarde nog geen vastelandsvorm bezat. De
kleine insectenetende knaagdieren bleven op de eilanden der Juraperiode, wat hunne
stamgenooten nog zijn op de eilanden der Zuidzee. Hoogstens bereikten zij den trap,
waarop thans de kangoeroe’s van Nieuw-Zeeland staan.
De verbrokkeling van het vasteland leverde eenen onoverkomelijken slagboom op tegen
de ontwikkeling der vastelandszoogdieren, want deze kunnen alleen dan zich tot groote
soorten verheffen, als zij een groot veld vóór zich hebben. Als nomadische wezens
moeten zij ruimte hebben, om te trekken, als grasetende dieren hebben zij behoefte aan
steeds nieuwe weiden. Men kan zich de groote vleeschetende dieren niet denken zonder
kudden van grasetende dieren, en de laatste zijn niet denkbaar zonder uitgestrekte
grasrijke vlakten. Ieder levend wezen moet de afspiegeling zijn van eenen bepaalden
vorm zijner omgeving. De kameel is niet te scheiden van de woestijn, het paard van de
steppen, de gems van de steile bergen, de olifant en de rhinoceros van de ontzaglijke
bosschen, de giraffe van de oasen, het rund van de maagdelijke vlakten, de
hippopotamus van de zoetwaterstroomen. Ieder dier zoogdieren komt overeen met eene
Page 460
bepaalde gedaante der aarde, en te zamen onderstellen zij eene zóó groote
uitgestrektheid, als alleen het vasteland aanbiedt.
Indien men zich het vasteland ingekrompen denkt tot de grootte van een eiland, zelfs al
stelt men zich een groot aantal van die eilanden voor, dan nog kan men zich binnen die
enge grenzen het optreden der groote zoogdieren niet denken, daar dit volstrekt niet in
overeenstemming zoude zijn met hunne omgeving. Zoolang de aarde nog den
eilandvorm behouden hoeft, om den vastelandvorm aan te nemen, zoolang kan de
dierenwereld zich niet van het kruipende dier tot het zoogdier, en nog veel minder tot
den mensch ontwikkelen.
Indien gij op een eiland de fossiele overblijfselen vindt van een groot zoogdier, wees dan
overtuigd, dat het er niet tehuis behoort en dat het er van buiten is ingebracht, òf dat het
eiland van een vastland is losgeraakt. Reeds het feit alleen, dat men fossiele beenderen
van olifanten en rhinocerossen te Palermo gevonden heeft, bewijst, dat Sicilië eertijds
met het vasteland verbonden was. Men behoeft daartoe niet eens de onderzeesche
bezinkingen te onderzoeken. De groote zoogdieren en de eilanden sluiten elkander uit.
Wij behoeven er ons dus niet over te verwonderen, dat de zeeën der Jura- en der
krijtperiode, geen nieuwe typen van levende wezens hebben kunnen voortbrengen. Op
de oppervlakte van al die op elkander gelijkende eilanden, die het één na het andere uit
het water verrezen, moesten de kruipende dieren standhouden, die zich wel
langzamerhand vervormden, maar toch niet konden treden uit het kader, waarin zij
ingesloten waren.
Het einde der secundaire periode duidt dus het verdwijnen der oude wereld aan, en het
optreden eener nieuwe wereld. De fossielen worden zeldzaam; versteende zoogdieren
komen bijna niet voor. Het is de schemering, die den dageraad voorafgaat. Hetzelfde is
het geval met de planten. Het aantal bekende plantensoorten is in de krijtperiode niet
meer dan 300. Nog altijd hebben varens en naaldboomen de overhand. Doch spoedig
zullen zij plaats maken voor nieuwe soorten. Het karakter der planten uit de krijtperiode
bestaat in het optreden der tweezaadbollige, bedektzadige planten. Van dien tijd af vindt
men in de Europeesche flora twee verschillende typen, het ééne bestemd om te
verdwijnen of naar het zuiden te worden teruggedrongen, het andere om de grondslag te
worden van den plantengroei in midden-Europa. Zoo komen de populieren, de beuken,
het klimop, de kastanjes en de platanen voor naast de palmen en de laurierboomen.
De naaldboomen uit de Juraperiode waren voor het meerendeel hooge boomen. Enkele
geleken op de araucaria’s of behoorden inderdaad tot die afdeeling, andere hadden het
voorkomen van onze cipressen doch met sterkere en zwaardere takken; andere eindelijk
hadden slechts onbuigzame takken en naakte of weinig vertakte stammen. De bladeren
uitgestrektheid, als alleen het vasteland aanbiedt.
Indien men zich het vasteland ingekrompen denkt tot de grootte van een eiland, zelfs al
stelt men zich een groot aantal van die eilanden voor, dan nog kan men zich binnen die
enge grenzen het optreden der groote zoogdieren niet denken, daar dit volstrekt niet in
overeenstemming zoude zijn met hunne omgeving. Zoolang de aarde nog den
eilandvorm behouden hoeft, om den vastelandvorm aan te nemen, zoolang kan de
dierenwereld zich niet van het kruipende dier tot het zoogdier, en nog veel minder tot
den mensch ontwikkelen.
Indien gij op een eiland de fossiele overblijfselen vindt van een groot zoogdier, wees dan
overtuigd, dat het er niet tehuis behoort en dat het er van buiten is ingebracht, òf dat het
eiland van een vastland is losgeraakt. Reeds het feit alleen, dat men fossiele beenderen
van olifanten en rhinocerossen te Palermo gevonden heeft, bewijst, dat Sicilië eertijds
met het vasteland verbonden was. Men behoeft daartoe niet eens de onderzeesche
bezinkingen te onderzoeken. De groote zoogdieren en de eilanden sluiten elkander uit.
Wij behoeven er ons dus niet over te verwonderen, dat de zeeën der Jura- en der
krijtperiode, geen nieuwe typen van levende wezens hebben kunnen voortbrengen. Op
de oppervlakte van al die op elkander gelijkende eilanden, die het één na het andere uit
het water verrezen, moesten de kruipende dieren standhouden, die zich wel
langzamerhand vervormden, maar toch niet konden treden uit het kader, waarin zij
ingesloten waren.
Het einde der secundaire periode duidt dus het verdwijnen der oude wereld aan, en het
optreden eener nieuwe wereld. De fossielen worden zeldzaam; versteende zoogdieren
komen bijna niet voor. Het is de schemering, die den dageraad voorafgaat. Hetzelfde is
het geval met de planten. Het aantal bekende plantensoorten is in de krijtperiode niet
meer dan 300. Nog altijd hebben varens en naaldboomen de overhand. Doch spoedig
zullen zij plaats maken voor nieuwe soorten. Het karakter der planten uit de krijtperiode
bestaat in het optreden der tweezaadbollige, bedektzadige planten. Van dien tijd af vindt
men in de Europeesche flora twee verschillende typen, het ééne bestemd om te
verdwijnen of naar het zuiden te worden teruggedrongen, het andere om de grondslag te
worden van den plantengroei in midden-Europa. Zoo komen de populieren, de beuken,
het klimop, de kastanjes en de platanen voor naast de palmen en de laurierboomen.
De naaldboomen uit de Juraperiode waren voor het meerendeel hooge boomen. Enkele
geleken op de araucaria’s of behoorden inderdaad tot die afdeeling, andere hadden het
voorkomen van onze cipressen doch met sterkere en zwaardere takken; andere eindelijk
hadden slechts onbuigzame takken en naakte of weinig vertakte stammen. De bladeren
Page 461
dier laatste beperkten zich tot met knobbels bedekte, dicht bij elkander gelegen
schubben.
Ten tijde der wealdperiode, het begin der krijtformatie of als men liever wil, het einde
der oölithische formatie, ziet men op een aantal plaatsen het land uit de zee te voorschijn
treden; in Engeland, in het noorden van Duitschland, in de Jura en elders beginnen de
rivieren en meren zich meer en meer uit te breiden. Het zijn de eerste aanwijzingen van
de omwenteling, die in de plantenwereld wordt voorbereid.
De ontwikkeling in de organische wereld, waaraan de tweezaadbollige planten haar
ontstaan en hare uitbreiding te danken hadden, heeft plaats gegrepen gedurende de
krijtperiode.
Overal kregen toen de
tweezaadlobbige planten of
loofboomen de overhand; overal
hebben de cycadeën en
naaldboomen, die tot nu toe de
onbetwiste heerschappij hadden over
het plantenrijk, de neiging af te
nemen en te wijken.
De tweezaadlobbige planten komen
in grooten getale voor in het
cenomanische Duitschland, in
Moravië, Saksen, Boheme, Silezië
tusschen 49° en 50° N.B. Te midden Fig. 272. Fossiele schildpad der krijtperiode.
dier streek, die toen in de nabijheid
van de golven eener noordelijke zee
gelegen was, vertoonen de loofboomen een merkwaardig mengsel van uitgestorven, van
uitheemsch en tropisch geworden, en van Europeesch gebleven soorten of ten minste van
soorten, die nog in het noorden buiten Europa voorkomen. De credneria is een voorbeeld
der eerste soort; de hymenea, die tot de peulvruchten behoort, is een voorbeeld der
tweede soort. Die typen, die van toen af aan in hoofdtrekken gegrondvest waren, zijn na
dien tijd bijna niet meer veranderd.
schubben.
Ten tijde der wealdperiode, het begin der krijtformatie of als men liever wil, het einde
der oölithische formatie, ziet men op een aantal plaatsen het land uit de zee te voorschijn
treden; in Engeland, in het noorden van Duitschland, in de Jura en elders beginnen de
rivieren en meren zich meer en meer uit te breiden. Het zijn de eerste aanwijzingen van
de omwenteling, die in de plantenwereld wordt voorbereid.
De ontwikkeling in de organische wereld, waaraan de tweezaadbollige planten haar
ontstaan en hare uitbreiding te danken hadden, heeft plaats gegrepen gedurende de
krijtperiode.
Overal kregen toen de
tweezaadlobbige planten of
loofboomen de overhand; overal
hebben de cycadeën en
naaldboomen, die tot nu toe de
onbetwiste heerschappij hadden over
het plantenrijk, de neiging af te
nemen en te wijken.
De tweezaadlobbige planten komen
in grooten getale voor in het
cenomanische Duitschland, in
Moravië, Saksen, Boheme, Silezië
tusschen 49° en 50° N.B. Te midden Fig. 272. Fossiele schildpad der krijtperiode.
dier streek, die toen in de nabijheid
van de golven eener noordelijke zee
gelegen was, vertoonen de loofboomen een merkwaardig mengsel van uitgestorven, van
uitheemsch en tropisch geworden, en van Europeesch gebleven soorten of ten minste van
soorten, die nog in het noorden buiten Europa voorkomen. De credneria is een voorbeeld
der eerste soort; de hymenea, die tot de peulvruchten behoort, is een voorbeeld der
tweede soort. Die typen, die van toen af aan in hoofdtrekken gegrondvest waren, zijn na
dien tijd bijna niet meer veranderd.
Page 462
Fig. 273. Een landschap der krijtperiode. (Boheme).
De plataan, de beuk, de eik, de kastanje zijn zoowel in Amerika als in Europa in de
krijtformatie gevonden. Het zijn de voorloopers der tegenwoordige plantenwereld.
De eerste palmboomen vindt men in Europa in de tweede helft der krijtperiode; het
spreekt vanzelf, dat wij hierbij geen rekening houden met de verkeerde opvattingen
omtrent de aanwezigheid dier planten in de steenkoolperiode.
Nördenskjöld heeft eene cenomanische laag van landplanten ontdekt op Groenland. Men
vindt daar eene bamboessoort, eene cycadea, tropische varens, gleichenia’s en
bedektzadige planten, waaronder vooral eene populiersoort van de familie populus
De plataan, de beuk, de eik, de kastanje zijn zoowel in Amerika als in Europa in de
krijtformatie gevonden. Het zijn de voorloopers der tegenwoordige plantenwereld.
De eerste palmboomen vindt men in Europa in de tweede helft der krijtperiode; het
spreekt vanzelf, dat wij hierbij geen rekening houden met de verkeerde opvattingen
omtrent de aanwezigheid dier planten in de steenkoolperiode.
Nördenskjöld heeft eene cenomanische laag van landplanten ontdekt op Groenland. Men
vindt daar eene bamboessoort, eene cycadea, tropische varens, gleichenia’s en
bedektzadige planten, waaronder vooral eene populiersoort van de familie populus
Page 463
euphratica, en daarbij vijgeboomen, magnolia’s, enz. Dit merkwaardig geheel wordt
voltooid door pijnboomen, sequoia’s, enz.; palmen komen er niet voor; deze worden op
dat tijdstip wel gevonden in Silezië en Provence. Hieruit schijnt te mogen worden
afgeleid, dat zich toen de klimaten in de poolstreken begonnen te scheiden.
Saporta zegt: „Het gelijktijdig voorkomen der twee typen, die elkander in onzen tijd
schijnen uit te sluiten, had toen zijnen grond. Niettegenstaande de warmte, die zeker
getemperd werd door de vochtigheid en die waarschijnlijk tamelijk gelijkmatig was,
konden zij in de beste harmonie te zamen leven. De grootte der planten uit die periode
wijst op eenen tijd, die zeer geschikt was voor de ontwikkeling der plantenwereld, en
daardoor hebben zich de verschillende typen der tweezaadlobbige planten zoo snel
kunnen ontwikkelen. De meeste tweezaadlobbige planten zijn van dien tijd afkomstig, en
hadden van toen af aan het karakter, dat haar nog steeds onderscheidt. De tweede helft
der krijtperiode kan beschouwd worden als het uitgangspunt van den plantengroei, die
ons klimaat eigen is, evenals de steenkoolperiode het uitgangspunt der geheele
plantenwereld is. Van de cenomanische periode af begint eene ontwikkeling, waaruit
nieuwe soorten in toenemende mate ontstaan.
„Het Europeesch klimaat is verscheidene malen gewijzigd, en daaruit kan verklaard
worden, hoe in den loop der tertiaire periode beurtelings soorten met weinig en taai loof,
beurtelings soorten met eenen rijken bladerentooi gevonden worden. Hetzelfde heeft nog
onder onze eigen oogen plaats; de afwijkingen in de boomen op de ééne plaats of de
andere zijn het beeld van de afwijkingen, die het gevolg waren van het verschil in tijd op
dezelfde plaats. Dezelfde verschijnselen, die wij thans opmerken, indien wij
verschillende streken der aarde vergelijken, hebben zich eertijds na elkander voorgedaan
in den loop der tijden. De wijze van werken der natuur is eigenlijk volkomen dezelfde
gebleven. Steeds heeft zij de organismen gewijzigd naar hare omgeving, en onder den
invloed dier omgeving is de kracht geboren, die de veranderingen schept, waaraan ieder
levend wezen onderworpen is. Die kracht treedt des te sterker op, daar zij steeds
voortwerkt en haren invloed uitoefent op organismen, aan den grond vastgehecht, zooals
de planten, die daaraan onderworpen zijn, zonder zich door de vlucht daaraan te kunnen
onttrekken.”
Fig. 273 stelt een landschap voor uit de krijtperiode, en wel tijdens de cenomanische
formatie. Men ziet, dat de wereld zich in de richting van onzen tijd ontwikkelt. Het zijn
niet meer de paardestaarten en de calamiten der devonische periode, of de varens der
steenkoolperiode (blz. 284), de sigillaria’s, de lepidodendrons (blz. 298) of de
haidingera’s en de voltzia’s der triasperiode. (blz. 330 en 354). Wij naderen meer en
meer tot het tegenwoordige type. Maar toch zijn het nog niet onze tropische
landschappen, noch onze bosschen met eiken, beuken of olmen, of onze bosschages met
linden, populieren of wilgen.
voltooid door pijnboomen, sequoia’s, enz.; palmen komen er niet voor; deze worden op
dat tijdstip wel gevonden in Silezië en Provence. Hieruit schijnt te mogen worden
afgeleid, dat zich toen de klimaten in de poolstreken begonnen te scheiden.
Saporta zegt: „Het gelijktijdig voorkomen der twee typen, die elkander in onzen tijd
schijnen uit te sluiten, had toen zijnen grond. Niettegenstaande de warmte, die zeker
getemperd werd door de vochtigheid en die waarschijnlijk tamelijk gelijkmatig was,
konden zij in de beste harmonie te zamen leven. De grootte der planten uit die periode
wijst op eenen tijd, die zeer geschikt was voor de ontwikkeling der plantenwereld, en
daardoor hebben zich de verschillende typen der tweezaadlobbige planten zoo snel
kunnen ontwikkelen. De meeste tweezaadlobbige planten zijn van dien tijd afkomstig, en
hadden van toen af aan het karakter, dat haar nog steeds onderscheidt. De tweede helft
der krijtperiode kan beschouwd worden als het uitgangspunt van den plantengroei, die
ons klimaat eigen is, evenals de steenkoolperiode het uitgangspunt der geheele
plantenwereld is. Van de cenomanische periode af begint eene ontwikkeling, waaruit
nieuwe soorten in toenemende mate ontstaan.
„Het Europeesch klimaat is verscheidene malen gewijzigd, en daaruit kan verklaard
worden, hoe in den loop der tertiaire periode beurtelings soorten met weinig en taai loof,
beurtelings soorten met eenen rijken bladerentooi gevonden worden. Hetzelfde heeft nog
onder onze eigen oogen plaats; de afwijkingen in de boomen op de ééne plaats of de
andere zijn het beeld van de afwijkingen, die het gevolg waren van het verschil in tijd op
dezelfde plaats. Dezelfde verschijnselen, die wij thans opmerken, indien wij
verschillende streken der aarde vergelijken, hebben zich eertijds na elkander voorgedaan
in den loop der tijden. De wijze van werken der natuur is eigenlijk volkomen dezelfde
gebleven. Steeds heeft zij de organismen gewijzigd naar hare omgeving, en onder den
invloed dier omgeving is de kracht geboren, die de veranderingen schept, waaraan ieder
levend wezen onderworpen is. Die kracht treedt des te sterker op, daar zij steeds
voortwerkt en haren invloed uitoefent op organismen, aan den grond vastgehecht, zooals
de planten, die daaraan onderworpen zijn, zonder zich door de vlucht daaraan te kunnen
onttrekken.”
Fig. 273 stelt een landschap voor uit de krijtperiode, en wel tijdens de cenomanische
formatie. Men ziet, dat de wereld zich in de richting van onzen tijd ontwikkelt. Het zijn
niet meer de paardestaarten en de calamiten der devonische periode, of de varens der
steenkoolperiode (blz. 284), de sigillaria’s, de lepidodendrons (blz. 298) of de
haidingera’s en de voltzia’s der triasperiode. (blz. 330 en 354). Wij naderen meer en
meer tot het tegenwoordige type. Maar toch zijn het nog niet onze tropische
landschappen, noch onze bosschen met eiken, beuken of olmen, of onze bosschages met
linden, populieren of wilgen.
Page 464
Toch zijn de nieuwere soorten reeds geboren. De sequoia’s, de pijnboomen, de
bamboe’s, de vijgeboomen, de magnolia’s, de palmboomen, de platanen, de populieren,
de eiken, de linden, de kastanjes, de beuken, de wilgen, het klimop bestaan reeds. De
woonplaats van den mensen wordt reeds gereedgemaakt. Men ziet, hoe de plantenwereld
zich evenals de dierenwereld regelmatig ontwikkeld heeft, en dat juist tijdens de
krijtperiode de tweezaadlobbige planten zijn overgegaan in de hoogst ontwikkelde
organismen van het plantenrijk. Van dien tijd af hebben wij afwisseling van jaargetijden,
boomen met in den winter afvallende en in de lente zich weder vernieuwende bladeren.
De bewoners der oude bosschen zijn verdwenen. De wonderlijke iguanodons, de
vreemdsoortige reptielen met hunne fantastische vlucht, de reuzenhagedissen, die geheel
vormlooze, ruwe, weinig sierlijke wereld is thans onder de fossielenrijke lagen begraven.
Boven hunne grafsteden kweelen de vogels, fladderen de insecten, vliegen de vlinders en
in die liefelijke omgeving beschijnen de zonnestralen de eerste bloemen. Het ruwe
gekrijsch van de monsterachtige dieren wordt al zeldzamer en zeldzamer gehoord en
wordt overstemd door duizenden welluidende stemmen, die zich doen hooren onder den
adem der hartstochten. Op de afzondering der eerste wezens is het leven in kudden
gevolgd. Bij de buideldieren heeft zich het gevoel van moederliefde ontwikkeld.
Verstandige zorg voor hun kroost is de levensvoorwaarde der vogels geworden. De
planten zoowel als de dieren zijn schooner geworden; spoedig zullen zij, naast
schitterende bloemen, saprijke vruchten opleveren. De warmte is meer gematigd, de
lucht is zuiverder, de hemel helderder. De aarde wordt volmaakter. De menschheid
ontwaakt weldra—binnen enkele duizenden eeuwen—met hare hoogere neigingen, maar
ook met hare dierlijke hartstochten, die aan haren oorsprong herinneren, met hare nagels,
tanden, wapenen, haar oorlogsbudget en hare staande legers.
1 Naar Neuchâtel (Neocomium).
2 Naar Orgon (Frankrijk).
3 De bodem van den Artesischen put te Grenelle bestaat uit Gault.
4 Naar Apt (Frankrijk).
5 Naar het departement Aube.
6 Naar de stad le Mans.
7 Naar Touraine (Tufkrijt, ook bij Maastricht voorkomend).
8 Naar Sens (Wit krijt).
9 Champagnekrijt.
10 In Haute-Garonne voorkomend.
11 Soorten van zeeëgels.
bamboe’s, de vijgeboomen, de magnolia’s, de palmboomen, de platanen, de populieren,
de eiken, de linden, de kastanjes, de beuken, de wilgen, het klimop bestaan reeds. De
woonplaats van den mensen wordt reeds gereedgemaakt. Men ziet, hoe de plantenwereld
zich evenals de dierenwereld regelmatig ontwikkeld heeft, en dat juist tijdens de
krijtperiode de tweezaadlobbige planten zijn overgegaan in de hoogst ontwikkelde
organismen van het plantenrijk. Van dien tijd af hebben wij afwisseling van jaargetijden,
boomen met in den winter afvallende en in de lente zich weder vernieuwende bladeren.
De bewoners der oude bosschen zijn verdwenen. De wonderlijke iguanodons, de
vreemdsoortige reptielen met hunne fantastische vlucht, de reuzenhagedissen, die geheel
vormlooze, ruwe, weinig sierlijke wereld is thans onder de fossielenrijke lagen begraven.
Boven hunne grafsteden kweelen de vogels, fladderen de insecten, vliegen de vlinders en
in die liefelijke omgeving beschijnen de zonnestralen de eerste bloemen. Het ruwe
gekrijsch van de monsterachtige dieren wordt al zeldzamer en zeldzamer gehoord en
wordt overstemd door duizenden welluidende stemmen, die zich doen hooren onder den
adem der hartstochten. Op de afzondering der eerste wezens is het leven in kudden
gevolgd. Bij de buideldieren heeft zich het gevoel van moederliefde ontwikkeld.
Verstandige zorg voor hun kroost is de levensvoorwaarde der vogels geworden. De
planten zoowel als de dieren zijn schooner geworden; spoedig zullen zij, naast
schitterende bloemen, saprijke vruchten opleveren. De warmte is meer gematigd, de
lucht is zuiverder, de hemel helderder. De aarde wordt volmaakter. De menschheid
ontwaakt weldra—binnen enkele duizenden eeuwen—met hare hoogere neigingen, maar
ook met hare dierlijke hartstochten, die aan haren oorsprong herinneren, met hare nagels,
tanden, wapenen, haar oorlogsbudget en hare staande legers.
1 Naar Neuchâtel (Neocomium).
2 Naar Orgon (Frankrijk).
3 De bodem van den Artesischen put te Grenelle bestaat uit Gault.
4 Naar Apt (Frankrijk).
5 Naar het departement Aube.
6 Naar de stad le Mans.
7 Naar Touraine (Tufkrijt, ook bij Maastricht voorkomend).
8 Naar Sens (Wit krijt).
9 Champagnekrijt.
10 In Haute-Garonne voorkomend.
11 Soorten van zeeëgels.
Page 465
Page 466
Vijfde boek.
Page 467
Het tertiaire tijdperk.
Page 468
Eerste hoofdstuk.
Page 469
De Eocene Periode.
De jaren zijn op de jaren, de eeuwen op de eeuwen gevolgd; duizenden,
tienduizenden eeuwen zijn over de aarde heengegleden sedert den oorsprong van
het geschapene. Op de kosmische periode van de schepping der planeet, toen het
leven nog ontbrak, is de azoïsche periode gevolgd, de tijd der laagst ontwikkelde
organismen, der koplooze dieren zonder zintuigen, der planten zonder bladeren en
vruchten, eene gevoellooze, stomme en blinde wereld. Langen tijd daarna
verschenen de iets meer ontwikkelde wezens der primaire periode, uit de eerste
voortgekomen: de weekdieren, de schaaldieren, de visschen, nog doof en stom,
doch niet meer blind. Wij hebben daarna de geboorte der kruipende dieren en der
boomen met blijvende bladeren gadegeslagen, die het type waren der drie groote
perioden van het secundaire tijdperk; en reeds begroetten wij op het einde van dat
tijdperk de verschijning der vogel-reptielen, en die der oorspronkelijke zoogdieren,
de buideldieren. Zoo heeft ons de geschiedenis der schepping langzaam, doch
geleidelijk naar het voorportaal der tertiaire tijden gevoerd, waarin wij thans
binnentreden, en die zich kenmerken door de grootste schrede op de baan van den
vooruitgang, de verschijning der menschheid.
Het tertiaire tijdperk kan met één woord worden omschreven: het is het tijdperk,
waarin de voorwaarden voor het leven, dat tot nu toe eenvormig was, zich zóódanig
gesplitst hebben, dat zij de verscheidenheid hebben voortgebracht, die het
tegenwoordige tijdperk kenmerkt. Op het einde der krijtperiode begon Europa, dat
zich slechts tot een klein centraal vastland beperkte en dat weinig verheffing had,
uit de zee op te rijzen. Met talrijke lotwisselingen zal die beweging steeds
duidelijker op den voorgrond treden en zullen hooge bergketenen verrijzen. Terwijl
in de nabijheid der Middellandsche zee, de lagen in het algemeen het karakter
eener zeeformatie behouden, zal in de noordelijke streken de zee al meer en meer
teruggedrongen worden tot hare tegenwoordige grenzen. De warme luchtstreek zal,
na gedurende langen tijd haar gebied te hebben verdedigd, geheel naar het zuiden
terugwijken; spoedig zal het verschil in breedte tusschen Provence en Engeland
voldoende zijn, om eene geheel andere flora te voorschijn te roepen, in afwachting
dat de afkoeling aan de pool alle planten terugdringt, die geene lange winters
kunnen verdragen.
Het toenemen van het vasteland en de groote verscheidenheid in de
omstandigheden, die zich van nu af aan openbaart, brengt eene gewichtige
De jaren zijn op de jaren, de eeuwen op de eeuwen gevolgd; duizenden,
tienduizenden eeuwen zijn over de aarde heengegleden sedert den oorsprong van
het geschapene. Op de kosmische periode van de schepping der planeet, toen het
leven nog ontbrak, is de azoïsche periode gevolgd, de tijd der laagst ontwikkelde
organismen, der koplooze dieren zonder zintuigen, der planten zonder bladeren en
vruchten, eene gevoellooze, stomme en blinde wereld. Langen tijd daarna
verschenen de iets meer ontwikkelde wezens der primaire periode, uit de eerste
voortgekomen: de weekdieren, de schaaldieren, de visschen, nog doof en stom,
doch niet meer blind. Wij hebben daarna de geboorte der kruipende dieren en der
boomen met blijvende bladeren gadegeslagen, die het type waren der drie groote
perioden van het secundaire tijdperk; en reeds begroetten wij op het einde van dat
tijdperk de verschijning der vogel-reptielen, en die der oorspronkelijke zoogdieren,
de buideldieren. Zoo heeft ons de geschiedenis der schepping langzaam, doch
geleidelijk naar het voorportaal der tertiaire tijden gevoerd, waarin wij thans
binnentreden, en die zich kenmerken door de grootste schrede op de baan van den
vooruitgang, de verschijning der menschheid.
Het tertiaire tijdperk kan met één woord worden omschreven: het is het tijdperk,
waarin de voorwaarden voor het leven, dat tot nu toe eenvormig was, zich zóódanig
gesplitst hebben, dat zij de verscheidenheid hebben voortgebracht, die het
tegenwoordige tijdperk kenmerkt. Op het einde der krijtperiode begon Europa, dat
zich slechts tot een klein centraal vastland beperkte en dat weinig verheffing had,
uit de zee op te rijzen. Met talrijke lotwisselingen zal die beweging steeds
duidelijker op den voorgrond treden en zullen hooge bergketenen verrijzen. Terwijl
in de nabijheid der Middellandsche zee, de lagen in het algemeen het karakter
eener zeeformatie behouden, zal in de noordelijke streken de zee al meer en meer
teruggedrongen worden tot hare tegenwoordige grenzen. De warme luchtstreek zal,
na gedurende langen tijd haar gebied te hebben verdedigd, geheel naar het zuiden
terugwijken; spoedig zal het verschil in breedte tusschen Provence en Engeland
voldoende zijn, om eene geheel andere flora te voorschijn te roepen, in afwachting
dat de afkoeling aan de pool alle planten terugdringt, die geene lange winters
kunnen verdragen.
Het toenemen van het vasteland en de groote verscheidenheid in de
omstandigheden, die zich van nu af aan openbaart, brengt eene gewichtige
Page 470
verandering teweeg in de planten- en dierenwereld. Men ziet eene ingewikkelde
verdeeling der organen, die evenzeer de hoogere ontwikkeling van het lichaam
kenmerkt, als de verdeeling van den arbeid het kenmerk is van den vooruitgang in
de beschaving. De zoogdieren, die langen tijd niet tot hoogere ontwikkeling konden
komen, ontwikkelen zich van nu af aan bijzonder krachtig en nemen bezit van de
aarde, terwijl de plantenwereld, vóór den beslissenden inval der koude van de
poolstreken, eenen tot nu toe ongekenden luister verkrijgen. De heerschappij der
naaktzadige planten is geëindigd, de palmen en de boomen met afvallende bladeren
verkrijgen de overhand en zullen in het midden der tertiaire periode hunnen
hoogsten bloei bereiken. In de zeeën spelen de koppootige weekdieren nog slechts
eene zeer ondergeschikte rol, de armpootigen zijn slecht vertegenwoordigd en de
ammonieten hebben hun laatste woord gesproken. Daarentegen komen de
plaatkieuwige dieren in grooten getale voor, en met deze de buikpootige
weekdieren, wier ontwikkeling samenhangt met het karakter van de meeste
formaties, die in dien tijd boven water gestegen zijn. In de eigenlijk gezegde
zeestreken bloeien de foraminiferen, ten minste in het begin der periode; zij
bouwen de kalklagen, die den tertiairen vorm der binnenzeeën bepalen, zooals de
banken, door de rudisten gebouwd, den secundairen vorm bepaalden. De
verschillende diersoorten bepalen zich meer en meer tot bepaalde streken onder den
invloed van uitwendige omstandigheden, die al meer en meer verschillend waren.
Tegelijkertijd ontwaakt weder de vulkanische kracht, die eeuwenlang in rust was
gebleven, en deze geeft over de geheele aarde het aanzijn aan grootsche
natuurverschijnselen, waarvan onze vulkanische verschijnselen slechts eene
zwakke echo zijn. De oude scheuren in de aardschors openen zich weder; nieuwe
kloven ontstaan, op wier wanden de uit het inwendige der aarde afkomstige stoffen
worden afgezet, en wel voornamelijk het goud en het zilver. Het is, alsof de aarde
aanstalten maakt, om hem waardiglijk te ontvangen, die als heer der aarde moet
heerschen.
Het is de periode der vulkanische verschijnselen; voor het eerst zijn de gesteenten
met bellen en blazen voorzien, en zijn zij vergezeld van asch en slakken, getuigen
van eene krachtige gasontwikkeling. Op het einde der periode komen de kraters te
voorschijn. In Frankrijk opent zich de centrale bergvlakte en verschaft zij eenen
doorgang aan het bazalt en het trachyt. Daaruit bestaan nog thans in Auvergne de
bergen, zooals de Puy-de-Dôme en de Mont-Doré, die eene hoogte hebben van
1500 tot 1800 meters. Hetzelfde is over de geheele aarde het geval. In Europa zijn
het de centrale vlakten van Duitschland, Hongarije en Zevenbergen, waar de
uitbarstingen het sterkst geweest zijn.
verdeeling der organen, die evenzeer de hoogere ontwikkeling van het lichaam
kenmerkt, als de verdeeling van den arbeid het kenmerk is van den vooruitgang in
de beschaving. De zoogdieren, die langen tijd niet tot hoogere ontwikkeling konden
komen, ontwikkelen zich van nu af aan bijzonder krachtig en nemen bezit van de
aarde, terwijl de plantenwereld, vóór den beslissenden inval der koude van de
poolstreken, eenen tot nu toe ongekenden luister verkrijgen. De heerschappij der
naaktzadige planten is geëindigd, de palmen en de boomen met afvallende bladeren
verkrijgen de overhand en zullen in het midden der tertiaire periode hunnen
hoogsten bloei bereiken. In de zeeën spelen de koppootige weekdieren nog slechts
eene zeer ondergeschikte rol, de armpootigen zijn slecht vertegenwoordigd en de
ammonieten hebben hun laatste woord gesproken. Daarentegen komen de
plaatkieuwige dieren in grooten getale voor, en met deze de buikpootige
weekdieren, wier ontwikkeling samenhangt met het karakter van de meeste
formaties, die in dien tijd boven water gestegen zijn. In de eigenlijk gezegde
zeestreken bloeien de foraminiferen, ten minste in het begin der periode; zij
bouwen de kalklagen, die den tertiairen vorm der binnenzeeën bepalen, zooals de
banken, door de rudisten gebouwd, den secundairen vorm bepaalden. De
verschillende diersoorten bepalen zich meer en meer tot bepaalde streken onder den
invloed van uitwendige omstandigheden, die al meer en meer verschillend waren.
Tegelijkertijd ontwaakt weder de vulkanische kracht, die eeuwenlang in rust was
gebleven, en deze geeft over de geheele aarde het aanzijn aan grootsche
natuurverschijnselen, waarvan onze vulkanische verschijnselen slechts eene
zwakke echo zijn. De oude scheuren in de aardschors openen zich weder; nieuwe
kloven ontstaan, op wier wanden de uit het inwendige der aarde afkomstige stoffen
worden afgezet, en wel voornamelijk het goud en het zilver. Het is, alsof de aarde
aanstalten maakt, om hem waardiglijk te ontvangen, die als heer der aarde moet
heerschen.
Het is de periode der vulkanische verschijnselen; voor het eerst zijn de gesteenten
met bellen en blazen voorzien, en zijn zij vergezeld van asch en slakken, getuigen
van eene krachtige gasontwikkeling. Op het einde der periode komen de kraters te
voorschijn. In Frankrijk opent zich de centrale bergvlakte en verschaft zij eenen
doorgang aan het bazalt en het trachyt. Daaruit bestaan nog thans in Auvergne de
bergen, zooals de Puy-de-Dôme en de Mont-Doré, die eene hoogte hebben van
1500 tot 1800 meters. Hetzelfde is over de geheele aarde het geval. In Europa zijn
het de centrale vlakten van Duitschland, Hongarije en Zevenbergen, waar de
uitbarstingen het sterkst geweest zijn.
Page 471
De schommelingen van den bodem, die onophoudelijk plaats grepen, nog meer dan
in de onmiddellijk voorafgaande periode, openbaren zich door tallooze
afwisselingen van zout- en zoetwater tijdens de geheele tertiaire periode. In het
begin van het tijdperk had het vasteland ongeveer den ouden vorm behouden, en
herkent men nog de drie Fransche bekkens, wier landengten iets in breedte zijn
toegenomen; doch spoedig is het vasteland voor goed uit de zee verrezen en
verkrijgt het zijnen tegenwoordigen vorm. In dat tijdperk hebben de Alpen, de
Himalaya en de Cordillera’s hunne reusachtige hoogte verkregen.
De tertiaire gesteenten zijn zeer verschillend. Zij bestaan uit meer of minder zuiver
zand, somtijds zóó saamgepakt, dat het zandsteen van verschillende vastheid
vormt; verder bestaan zij uit mergel, klei en kalksteen. Gips, steenzout,
ijzerhoudende mineralen, zwavel, kiezelhoudende klompen, bruinkool, komen in
grooten getale voor. Verscheidene steensoorten zijn rechtstreeks uit de diepten der
aarde afkomstig, waarvan zij in meer of minder beperkte bekkens uitgeworpen zijn:
dit is het geval met het zand, de klei en de ijzersteenen der Berner Jura. Terwijl de
tertiaire lagen over het algemeen horizontaal zijn en in haar geheel zijn gebleven,
vindt men ze alleen verbroken en opgeheven in de bergen. De dikte der tertiaire
formatie bedraagt somtijds meer dan 3000 meters, doch misschien komt zij nergens
volledig voor.
In het tijdperk, toen zich die tertiaire formatie vormde, welke aan Frankrijk, dat
toen nog met Engeland verbonden was, ongeveer zijnen tegenwoordigen vorm gaf,
krijgt de planten- en dierenwereld hare laatste ontwikkeling. Geheel vrij geworden
van de oude vormen, die aan de vorige tijdperken eigen waren, gelijken de planten
en dieren zóózeer op die van onzen tijd, dat men terecht heeft kunnen zeggen, dat
wij nog altijd in de tertiaire periode leven. Wij zijn er trouwens beter mede bekend
dan met die der vorige tijdperken en zij bevatten een groot aantal typen, die niet
zijn bewaard gebleven in de oudere formaties, waarin zij waarschijnlijk reeds
bestonden.
De kruipende en tweeslachtige dieren naderen tot die van onzen tijd, vooral de
kikvorschen en de salamanders; schildpadden, krokodillen, hagedissen en slangen
treden het laatst op, als gewijzigde afstammelingen der oude hagedissen. De vogels
hebben talrijke overblijfselen achtergelaten.
De zoogdieren drukken echter op de dierenwereld der tertiaire periode hunnen
eigenaardigen stempel. Al de orden der zoogdieren komen er in voor. Eerst de
dikhuidigen, die tot uitgestorven geslachten behoorden, en enkele verscheurende
dieren, enkele vleugelhandigen en knaagdieren; vervolgens verschijnen de
in de onmiddellijk voorafgaande periode, openbaren zich door tallooze
afwisselingen van zout- en zoetwater tijdens de geheele tertiaire periode. In het
begin van het tijdperk had het vasteland ongeveer den ouden vorm behouden, en
herkent men nog de drie Fransche bekkens, wier landengten iets in breedte zijn
toegenomen; doch spoedig is het vasteland voor goed uit de zee verrezen en
verkrijgt het zijnen tegenwoordigen vorm. In dat tijdperk hebben de Alpen, de
Himalaya en de Cordillera’s hunne reusachtige hoogte verkregen.
De tertiaire gesteenten zijn zeer verschillend. Zij bestaan uit meer of minder zuiver
zand, somtijds zóó saamgepakt, dat het zandsteen van verschillende vastheid
vormt; verder bestaan zij uit mergel, klei en kalksteen. Gips, steenzout,
ijzerhoudende mineralen, zwavel, kiezelhoudende klompen, bruinkool, komen in
grooten getale voor. Verscheidene steensoorten zijn rechtstreeks uit de diepten der
aarde afkomstig, waarvan zij in meer of minder beperkte bekkens uitgeworpen zijn:
dit is het geval met het zand, de klei en de ijzersteenen der Berner Jura. Terwijl de
tertiaire lagen over het algemeen horizontaal zijn en in haar geheel zijn gebleven,
vindt men ze alleen verbroken en opgeheven in de bergen. De dikte der tertiaire
formatie bedraagt somtijds meer dan 3000 meters, doch misschien komt zij nergens
volledig voor.
In het tijdperk, toen zich die tertiaire formatie vormde, welke aan Frankrijk, dat
toen nog met Engeland verbonden was, ongeveer zijnen tegenwoordigen vorm gaf,
krijgt de planten- en dierenwereld hare laatste ontwikkeling. Geheel vrij geworden
van de oude vormen, die aan de vorige tijdperken eigen waren, gelijken de planten
en dieren zóózeer op die van onzen tijd, dat men terecht heeft kunnen zeggen, dat
wij nog altijd in de tertiaire periode leven. Wij zijn er trouwens beter mede bekend
dan met die der vorige tijdperken en zij bevatten een groot aantal typen, die niet
zijn bewaard gebleven in de oudere formaties, waarin zij waarschijnlijk reeds
bestonden.
De kruipende en tweeslachtige dieren naderen tot die van onzen tijd, vooral de
kikvorschen en de salamanders; schildpadden, krokodillen, hagedissen en slangen
treden het laatst op, als gewijzigde afstammelingen der oude hagedissen. De vogels
hebben talrijke overblijfselen achtergelaten.
De zoogdieren drukken echter op de dierenwereld der tertiaire periode hunnen
eigenaardigen stempel. Al de orden der zoogdieren komen er in voor. Eerst de
dikhuidigen, die tot uitgestorven geslachten behoorden, en enkele verscheurende
dieren, enkele vleugelhandigen en knaagdieren; vervolgens verschijnen de
Page 472
snuitdieren, vinpootige dieren (zeehonden enz.), meerdere knaagdieren,
insecteneters, vierhandigen en zeer waarschijnlijk de tweehandigen.
De tertiaire periode is dus de periode, waarin voor goed het vasteland ontstond; wij
moeten hier echter nog bijvoegen, dat de verschillende lagen dier formatie een zóó
groot tijdsverloop voorstellen, dat men mag aannemen, dat de verdeeling van land
en zee daarom nog niet over de geheele aarde standvastig is gebleven. De bodem is
overal in het begin van het tijdperk onderworpen aan onophoudelijke
schommelingen, die eerst de golven in lagunen veranderd hebben en ze daarna
hebben drooggelegd. Het water van den dampkring, dat zich ophoopte in de
bekkens, heeft meren gevormd, waaromheen zich een rijke plantengroei
ontwikkeld heeft, die verwant was aan dien onzer tegenwoordige bosschen. Die
toestand heeft voortgeduurd, totdat eene beweging in tegengestelden zin het
zeewater weer terugvoerde naar de plaatsen, die het eertijds bespoelde. Die
afwisselende rijzingen en dalingen hebben het vasteland langzamerhand zijnen
tegenwoordigen vorm gegeven.
insecteneters, vierhandigen en zeer waarschijnlijk de tweehandigen.
De tertiaire periode is dus de periode, waarin voor goed het vasteland ontstond; wij
moeten hier echter nog bijvoegen, dat de verschillende lagen dier formatie een zóó
groot tijdsverloop voorstellen, dat men mag aannemen, dat de verdeeling van land
en zee daarom nog niet over de geheele aarde standvastig is gebleven. De bodem is
overal in het begin van het tijdperk onderworpen aan onophoudelijke
schommelingen, die eerst de golven in lagunen veranderd hebben en ze daarna
hebben drooggelegd. Het water van den dampkring, dat zich ophoopte in de
bekkens, heeft meren gevormd, waaromheen zich een rijke plantengroei
ontwikkeld heeft, die verwant was aan dien onzer tegenwoordige bosschen. Die
toestand heeft voortgeduurd, totdat eene beweging in tegengestelden zin het
zeewater weer terugvoerde naar de plaatsen, die het eertijds bespoelde. Die
afwisselende rijzingen en dalingen hebben het vasteland langzamerhand zijnen
tegenwoordigen vorm gegeven.
Page 473
Europeesch landschap der tertiaire periode.
Het tertiaire tijdperk kan in drie perioden verdeeld worden, die ieder gekenmerkt
worden door bepaalde geologische eigenschappen en eene afzonderlijke fauna,
waarbij zich al meer en meer de tegenwoordige soorten van dieren vertoonen: 1e
De laagste tertiaire formatie: Eocene formatie (de dageraad der tegenwoordige
geslachten); 2e de middelste tertiaire formatie: Miocene formatie (minder
geslachten van den tegenwoordigen tijd); 3e bovenste tertiaire formatie: Pliocene
formatie (meer geslachten van den tegenwoordigen tijd).
Het tertiaire tijdperk kan in drie perioden verdeeld worden, die ieder gekenmerkt
worden door bepaalde geologische eigenschappen en eene afzonderlijke fauna,
waarbij zich al meer en meer de tegenwoordige soorten van dieren vertoonen: 1e
De laagste tertiaire formatie: Eocene formatie (de dageraad der tegenwoordige
geslachten); 2e de middelste tertiaire formatie: Miocene formatie (minder
geslachten van den tegenwoordigen tijd); 3e bovenste tertiaire formatie: Pliocene
formatie (meer geslachten van den tegenwoordigen tijd).
Page 474
Die drie hoofdverdeelingen, door Lyell voorgesteld en reeds sedert langen tijd
ingevoerd, worden, naarmate de geologische wetenschap zich ontwikkeld heeft,
meer en meer onderverdeeld. Enkele geologen zelfs stellen eene andere verdeeling
voor: zij noemen de eerste tertiaire lagen paleoceen, de daaropvolgende oligoceen
(gedeeltelijk eoceen, en gedeeltelijk mioceen) en, wat er nog van de miocene en
pliocene formatie overblijft, om de tertiaire formatie te voltooien, neogeen. Wij
zullen niet te ver afwijken van beide verdeelingen, en wij zullen termen behouden,
die het meest gebruikt worden, door ons aan de verdeelingen van Lyell te houden
en de eerste periode in twee afdeelingen te verdeelen, de paleocene en de
oligocene. Het tertiaire tijdperk kan dus als volgt geschetst worden:
Het tertiaire tijdperk.
Eocene periode.
1. Paleoceen Suessonische formatie1.
Parijsche formatie2.
2. Oligoceen Tongersche formatie3.
Aquitanische formatie4.
Miocene Periode.
Onderste Mioceen Langhische formatie5.
Middelste Mioceen Helvetische, molasse formatie6.
Bovenste Mioceen Tortonische formatie7.
Pliocene Periode.
Onderste Plioceen Messinische formatie8.
Middelste Plioceen Plaisantische formatie9.
Astische formatie10.
Bovenste Plioceen Arnusische formatie11.
Al de formaties zijn genoemd naar de landen, waar zij het best bestudeerd zijn.
Toch begrijpt men, dat dit nog slechts voorloopige namen zijn. Waarom toch den
naam eener Russische, Engelsche, Zwitsersche of Fransche provincie gegeven aan
eene formatie, die over de geheele aarde verspreid is? Eene eerst onlangs geboren
ingevoerd, worden, naarmate de geologische wetenschap zich ontwikkeld heeft,
meer en meer onderverdeeld. Enkele geologen zelfs stellen eene andere verdeeling
voor: zij noemen de eerste tertiaire lagen paleoceen, de daaropvolgende oligoceen
(gedeeltelijk eoceen, en gedeeltelijk mioceen) en, wat er nog van de miocene en
pliocene formatie overblijft, om de tertiaire formatie te voltooien, neogeen. Wij
zullen niet te ver afwijken van beide verdeelingen, en wij zullen termen behouden,
die het meest gebruikt worden, door ons aan de verdeelingen van Lyell te houden
en de eerste periode in twee afdeelingen te verdeelen, de paleocene en de
oligocene. Het tertiaire tijdperk kan dus als volgt geschetst worden:
Het tertiaire tijdperk.
Eocene periode.
1. Paleoceen Suessonische formatie1.
Parijsche formatie2.
2. Oligoceen Tongersche formatie3.
Aquitanische formatie4.
Miocene Periode.
Onderste Mioceen Langhische formatie5.
Middelste Mioceen Helvetische, molasse formatie6.
Bovenste Mioceen Tortonische formatie7.
Pliocene Periode.
Onderste Plioceen Messinische formatie8.
Middelste Plioceen Plaisantische formatie9.
Astische formatie10.
Bovenste Plioceen Arnusische formatie11.
Al de formaties zijn genoemd naar de landen, waar zij het best bestudeerd zijn.
Toch begrijpt men, dat dit nog slechts voorloopige namen zijn. Waarom toch den
naam eener Russische, Engelsche, Zwitsersche of Fransche provincie gegeven aan
eene formatie, die over de geheele aarde verspreid is? Eene eerst onlangs geboren
Page 475
wetenschap gaat steeds aan een zoodanig euvel mank; maar reeds nu ontstaat er
verwarring tusschen namen, die geenen anderen oorsprong hebben dan het toeval.
Wij zullen thans een oogenblik trachten te herleven te midden dier vervlogen
tijdstippen en de volgorde van hare historische ontwikkeling nagaan. Laat ons eerst
de eocene periode bespreken.
De natuur doet ons grootsche veranderingen in den toestand der aarde bijwonen.
Telkens bedekt de zee streken, die thans voor goed tot het gebied der menschen
schijnen te behooren, en een tijd later komt het land weer bloot; nu eens
overstroomt zij uitgestrekte gedeelten, dan weder trekt zij zich terug om later weder
te verschijnen. In de eocene periode kan men zeggen, dat Europa zijnen
tegenwoordigen vorm en zijne bergketenen verkregen heeft. Reeds in het einde der
krijtperiode was eene rijzende beweging gevolgd op de groote daling tijdens de
krijtformatie. De eocene formaties wijzen reeds van het begin af op den strijd van
den oceaan en het vasteland, vooral in de noordelijke streken, waar de
zoetwaterformaties de overhand hebben, die zich meer en meer in zuidelijke
richting zullen uitbreiden, totdat de Pyreneën opgeheven zullen worden.
Doch die strijd heeft niet plaats in het bekken der Middellandsche zee, waar de
zeevormingen iets behouden hebben van het eigenaardige karakter, dat die streek
tijdens de vorige perioden onderscheidde; men ziet daar namelijk overgroote
uitgestrektheden kalksteenen, aan wier bouw de kleine weekdieren een belangrijk
aandeel genomen hebben. Doch die rol is niet langer toebedeeld aan de diceraten of
de rudisten, doch aan eenvoudige protozoën en vooral aan de nummulieten, die
zelfs aan de eocene formatie der Middellandsche zee den naam hebben gegeven
van nummulitische formatie.
In dien tijd strekte zich eene vier- of vijfmaal grootere Middellandsche zee dan de
onze, de nummulitische zee, dwars over Europa uit, van Nizza tot de Krim, in de
richting van den Alpenketen. Op de plaats, waar thans de Alpen gelegen zijn, had
men toen slechts kleine eilanden. Vandaar dat men de bezinksels dier zee op de
toppen der Alpen terugvindt.
Europa had toen een Afrikaansch klimaat. Onder den invloed eener warme zee, die
in het zuiden aan de keerkringen grensde, had men droge en brandend heete
jaargetijden, afwisselend met gematigde en regenachtige tijden; de gemiddelde
jaartemperatuur bedroeg op 45° N. B. 25°. Het is die periode van het tertiaire
tijdperk, waarin Europa de hoogste temperatuur had. In Frankrijk kwamen
palmboomen in overvloed voor, kokosboomen en dergelijke tieren welig in
verwarring tusschen namen, die geenen anderen oorsprong hebben dan het toeval.
Wij zullen thans een oogenblik trachten te herleven te midden dier vervlogen
tijdstippen en de volgorde van hare historische ontwikkeling nagaan. Laat ons eerst
de eocene periode bespreken.
De natuur doet ons grootsche veranderingen in den toestand der aarde bijwonen.
Telkens bedekt de zee streken, die thans voor goed tot het gebied der menschen
schijnen te behooren, en een tijd later komt het land weer bloot; nu eens
overstroomt zij uitgestrekte gedeelten, dan weder trekt zij zich terug om later weder
te verschijnen. In de eocene periode kan men zeggen, dat Europa zijnen
tegenwoordigen vorm en zijne bergketenen verkregen heeft. Reeds in het einde der
krijtperiode was eene rijzende beweging gevolgd op de groote daling tijdens de
krijtformatie. De eocene formaties wijzen reeds van het begin af op den strijd van
den oceaan en het vasteland, vooral in de noordelijke streken, waar de
zoetwaterformaties de overhand hebben, die zich meer en meer in zuidelijke
richting zullen uitbreiden, totdat de Pyreneën opgeheven zullen worden.
Doch die strijd heeft niet plaats in het bekken der Middellandsche zee, waar de
zeevormingen iets behouden hebben van het eigenaardige karakter, dat die streek
tijdens de vorige perioden onderscheidde; men ziet daar namelijk overgroote
uitgestrektheden kalksteenen, aan wier bouw de kleine weekdieren een belangrijk
aandeel genomen hebben. Doch die rol is niet langer toebedeeld aan de diceraten of
de rudisten, doch aan eenvoudige protozoën en vooral aan de nummulieten, die
zelfs aan de eocene formatie der Middellandsche zee den naam hebben gegeven
van nummulitische formatie.
In dien tijd strekte zich eene vier- of vijfmaal grootere Middellandsche zee dan de
onze, de nummulitische zee, dwars over Europa uit, van Nizza tot de Krim, in de
richting van den Alpenketen. Op de plaats, waar thans de Alpen gelegen zijn, had
men toen slechts kleine eilanden. Vandaar dat men de bezinksels dier zee op de
toppen der Alpen terugvindt.
Europa had toen een Afrikaansch klimaat. Onder den invloed eener warme zee, die
in het zuiden aan de keerkringen grensde, had men droge en brandend heete
jaargetijden, afwisselend met gematigde en regenachtige tijden; de gemiddelde
jaartemperatuur bedroeg op 45° N. B. 25°. Het is die periode van het tertiaire
tijdperk, waarin Europa de hoogste temperatuur had. In Frankrijk kwamen
palmboomen in overvloed voor, kokosboomen en dergelijke tieren welig in
Page 476
Engeland, waar de boomen met afwisselende bladeren nog alleen op de hoogten
gevonden worden, waarvan zij eerst op het einde der eocene periode zullen afdalen.
Zoolang die periode duurt, blijven de streken in de nabijheid van de pool eenen
plantengroei vertoonen, die overeenkomt met eene temperatuur, gemiddeld 20°
hooger dan die, welke men in onzen tijd in diezelfde streken heeft.
Ook de werking in het inwendige der aarde begint zich in dien tijd te openbaren, en
uit zich vooral door de opheffing der Pyreneën en Apennijnen, terwijl meer in het
noorden zwavel- en ijzerverbindingen tot de oppervlakte der aarde dringen.
De laagste tertiaire formatie is sterk ontwikkeld in de omstreken van Parijs; zij zet
zich oostwaarts in België voort en noordwestwaarts in Engeland. Parijs, Londen en
Brussel zijn op die formatie gebouwd. Het Kanaal bestond toen niet; Bretagne, met
Cornwallis verbonden, sloot aan die zijde de Engelsch-Parijsche golf af, die zich
ver oostwaarts uitstrekte, over de Ardennen heenliep en zich over België
verspreidde.
In het bekken van Parijs bestaat de eocene formatie afwisselend uit zee- en
zoetwaterformaties, die aldus gerangschikt zijn:
Eocene Formatie.
Bovenste
Mergel, gips (zoetwatervorming).
Mergel, gips en harde tufsteen (zoetwatervorming).
Mergel, gips (zeevorming).
Middelste
Grofkalk (zoetwatervorming).
Zandsteen (zeevorming).
Grofkalk (zeevorming).
Onderste
II
Zand (Soissons) (zeevorming).
Klei en bruinkool (zoetwatervorming).
Zand (Bracheux) (zeevorming).
I
Kalksteen (zoetwatervorming).
Kalksteen (zeevorming).
gevonden worden, waarvan zij eerst op het einde der eocene periode zullen afdalen.
Zoolang die periode duurt, blijven de streken in de nabijheid van de pool eenen
plantengroei vertoonen, die overeenkomt met eene temperatuur, gemiddeld 20°
hooger dan die, welke men in onzen tijd in diezelfde streken heeft.
Ook de werking in het inwendige der aarde begint zich in dien tijd te openbaren, en
uit zich vooral door de opheffing der Pyreneën en Apennijnen, terwijl meer in het
noorden zwavel- en ijzerverbindingen tot de oppervlakte der aarde dringen.
De laagste tertiaire formatie is sterk ontwikkeld in de omstreken van Parijs; zij zet
zich oostwaarts in België voort en noordwestwaarts in Engeland. Parijs, Londen en
Brussel zijn op die formatie gebouwd. Het Kanaal bestond toen niet; Bretagne, met
Cornwallis verbonden, sloot aan die zijde de Engelsch-Parijsche golf af, die zich
ver oostwaarts uitstrekte, over de Ardennen heenliep en zich over België
verspreidde.
In het bekken van Parijs bestaat de eocene formatie afwisselend uit zee- en
zoetwaterformaties, die aldus gerangschikt zijn:
Eocene Formatie.
Bovenste
Mergel, gips (zoetwatervorming).
Mergel, gips en harde tufsteen (zoetwatervorming).
Mergel, gips (zeevorming).
Middelste
Grofkalk (zoetwatervorming).
Zandsteen (zeevorming).
Grofkalk (zeevorming).
Onderste
II
Zand (Soissons) (zeevorming).
Klei en bruinkool (zoetwatervorming).
Zand (Bracheux) (zeevorming).
I
Kalksteen (zoetwatervorming).
Kalksteen (zeevorming).
Page 477
Wij zullen die verschillende formaties in bijzonderheden bespreken, die in de
omstreken van Parijs zeer gemakkelijk kunnen worden waargenomen. Wij
beginnen bij de oudste lagen.
Ondereoceen: I. Zee- en zoetwatervorming.
De onderste lagen der eocene formatie worden in de onmiddellijke omstreken van
Parijs, vooral te Meudon, waar zij de pisolithische kalksteen bedekken, die het
einde is der krijtformatie, vertegenwoordigd door witte mergel, die beneden
kalksteen met zeefossielen bevat, en van boven eene witte verharding, die
zoetwater- en landweekdieren bevat. Het bekken van Parijs moet dus eertijds
bedekt zijn geweest met zeewater en later gedeeltelijk boven water zijn gekomen
en met zoetwater bedekt. Die zeevorming, die aantoont, dat in de eerste eeuwen der
eocene periode, de zee eenen nieuwen inval gedaan heeft, wordt meer naar het
zuiden aangewezen door eenen band van ronde strandkeien, die thans door kiezel
aan elkander verbonden zijn en nog steeds de grens aanwijzen van den inval der
zee. Ten oosten, in België, geven die zeebezinkingen het aanzijn aan eene zandige
kalksteen, die vele schelpen bevat, en eene schoone zeefauna leert kennen.
Daarboven vindt men evenals te Meudon zoetwatergesteenten, met niet tot de zee
behoorende schelpen gevuld. Bij Reims vindt men diezelfde kalksteen, bij Rilly is
zij verscheidenene meters dik en zeer rijk aan fossielen. Verder, bij Sézanne, vindt
men eene laag harde tufsteen, rustende tegen eene krijtrots, die op die plaats de
grens aanwijst van dat oude meer. In dat water leefden talrijke weekdieren, met
insecten, die versteend zijn en zóó goed bewaard zijn gebleven, dat men alle
bijzonderheden van hunnen bouw kent.
II. Zand van Soissons. Daarna heeft de zee de geheele Engelsch-Parijsche golf
weder bedekt, zij heeft daar glaukoniet-zand met zeeschelpen afgezet, die talrijk
zijn in de omstreken van Bracheux, waar zij gekenmerkt worden door de
aanwezigheid van eene groote oestersoort, die geheele banken vormt.
Klei en bruinkool. De golf, waar dit zand zich afzette, was dus zeer uitgestrekt.
Eene rijzing van het Engelsch-Parijsche bekken, die daarop gevolgd is, vooral in
het oosten, heeft in het midden van het bekken, in de onmiddellijke omgeving van
Parijs, een meer doen ontstaan, waarin zich kleilagen hebben afgezet, die te
Vaurigard en Issy voor baksteenen, en te Montereau, waar de klei zuiverder is, voor
porselein en aardewerk gebruikt worden. Die klei, welke bruinkool bevat, strekt
zich veel verder uit dan de lagere kleilagen. Hetzelfde is het geval in Engeland,
waar het zand en het met bruinkool vermengde krijt bedekt is met een bruin, taai
klei, London clay, dat te Londen eene dikte heeft van 150 meters. Het London clay
omstreken van Parijs zeer gemakkelijk kunnen worden waargenomen. Wij
beginnen bij de oudste lagen.
Ondereoceen: I. Zee- en zoetwatervorming.
De onderste lagen der eocene formatie worden in de onmiddellijke omstreken van
Parijs, vooral te Meudon, waar zij de pisolithische kalksteen bedekken, die het
einde is der krijtformatie, vertegenwoordigd door witte mergel, die beneden
kalksteen met zeefossielen bevat, en van boven eene witte verharding, die
zoetwater- en landweekdieren bevat. Het bekken van Parijs moet dus eertijds
bedekt zijn geweest met zeewater en later gedeeltelijk boven water zijn gekomen
en met zoetwater bedekt. Die zeevorming, die aantoont, dat in de eerste eeuwen der
eocene periode, de zee eenen nieuwen inval gedaan heeft, wordt meer naar het
zuiden aangewezen door eenen band van ronde strandkeien, die thans door kiezel
aan elkander verbonden zijn en nog steeds de grens aanwijzen van den inval der
zee. Ten oosten, in België, geven die zeebezinkingen het aanzijn aan eene zandige
kalksteen, die vele schelpen bevat, en eene schoone zeefauna leert kennen.
Daarboven vindt men evenals te Meudon zoetwatergesteenten, met niet tot de zee
behoorende schelpen gevuld. Bij Reims vindt men diezelfde kalksteen, bij Rilly is
zij verscheidenene meters dik en zeer rijk aan fossielen. Verder, bij Sézanne, vindt
men eene laag harde tufsteen, rustende tegen eene krijtrots, die op die plaats de
grens aanwijst van dat oude meer. In dat water leefden talrijke weekdieren, met
insecten, die versteend zijn en zóó goed bewaard zijn gebleven, dat men alle
bijzonderheden van hunnen bouw kent.
II. Zand van Soissons. Daarna heeft de zee de geheele Engelsch-Parijsche golf
weder bedekt, zij heeft daar glaukoniet-zand met zeeschelpen afgezet, die talrijk
zijn in de omstreken van Bracheux, waar zij gekenmerkt worden door de
aanwezigheid van eene groote oestersoort, die geheele banken vormt.
Klei en bruinkool. De golf, waar dit zand zich afzette, was dus zeer uitgestrekt.
Eene rijzing van het Engelsch-Parijsche bekken, die daarop gevolgd is, vooral in
het oosten, heeft in het midden van het bekken, in de onmiddellijke omgeving van
Parijs, een meer doen ontstaan, waarin zich kleilagen hebben afgezet, die te
Vaurigard en Issy voor baksteenen, en te Montereau, waar de klei zuiverder is, voor
porselein en aardewerk gebruikt worden. Die klei, welke bruinkool bevat, strekt
zich veel verder uit dan de lagere kleilagen. Hetzelfde is het geval in Engeland,
waar het zand en het met bruinkool vermengde krijt bedekt is met een bruin, taai
klei, London clay, dat te Londen eene dikte heeft van 150 meters. Het London clay
Page 478
heeft nog deze merkwaardigheid, dat het zeeschelpen bevat, die tot soorten
behooren, die alleen in de warme zeeën leven; met die fossielen vindt men daar een
groot aantal schildpadden, meer dan zestig soorten visschen, talrijke beenderen van
zoogdieren, en groote, samengedrukte hoekige vruchten, tamelijk gelijkend op
kokosnoten, die op de oppervlakte van het water moeten gedreven hebben, vóórdat
zij in de modder bedolven zijn, waarin wij ze thans uitstekend bewaard
terugvinden. Men heeft die tropische vruchten teruggevonden in de mergel en het
zand van het Trocadero, toen men de grondwerken verrichtte voor het gebouw van
de Parijsche tentoonstelling van 1867; Parijs was in die periode een inham in de
nabijheid der zee.
Bovenste zand van Soissons. Toen die klei zich afzette in het zuiden van Engeland
en in België, lag het bekken van Parijs nog onder water: het fijne en gele zand, dat
bij Soissons de klei met bruinkool bedekt, en dat wijst op eenen terugkeer van de
zee op die plaatsen, bevat eene groote hoeveelheid nummulieten.
Dat zand is zeer ontwikkeld ten noordoosten van Parijs, vooral in de Aisne-vallei,
waar het 50 meters dik is. In België is het boven de klei van Vlaanderen nog veel
sterker ontwikkeld. De nummulietenzee is dus van het oosten gekomen; zij is over
Vlaanderen tot het bekken van Parijs doorgedrongen, door eene straat, die
overeenkomt met de tegenwoordige vallei der Oise, en zij strekte zich niet verder
uit dan de onmiddellijke omgeving van Parijs. Het glaukonietzand te Vaurigard en
Vauves, dat daar de keien bedekt, behoort tot de grofkalklaag en wijst het begin aan
der middelste eocene periode.
Middelste Eocene Formatie. Onderste grofkalk. Het grofkalk bevat eene
verzameling van fossielenhoudende kalksteenen, die uitstekende bouwsteenen
opleveren; de vlakte der laag bedraagt van 30 tot 35 meters; beneden vindt men
grof zand met kleine zwarte vuursteenen en groene korrels glaukoniet, die dikwijls
aan elkander verbonden zijn door kalksteen; het bevat tanden van zeehonden,
kleine poliepen en eene groote nummulietsoort, die in het grofkalk zeer veel
voorkomt.
Dat glaukonietzand wijst op het begin der zeevorming, die zich zal uitstrekken over
het zuidoosten van Ile-de France.
Daarboven vindt men eene grove kalksteen, met vele schelpen, en een ontzaglijk
aantal nummulieten; daarin komen groote tweekleppige weekdieren, zeeëgels en
eene cerithidensoort voor, die voor die laag kenschetsend is.
behooren, die alleen in de warme zeeën leven; met die fossielen vindt men daar een
groot aantal schildpadden, meer dan zestig soorten visschen, talrijke beenderen van
zoogdieren, en groote, samengedrukte hoekige vruchten, tamelijk gelijkend op
kokosnoten, die op de oppervlakte van het water moeten gedreven hebben, vóórdat
zij in de modder bedolven zijn, waarin wij ze thans uitstekend bewaard
terugvinden. Men heeft die tropische vruchten teruggevonden in de mergel en het
zand van het Trocadero, toen men de grondwerken verrichtte voor het gebouw van
de Parijsche tentoonstelling van 1867; Parijs was in die periode een inham in de
nabijheid der zee.
Bovenste zand van Soissons. Toen die klei zich afzette in het zuiden van Engeland
en in België, lag het bekken van Parijs nog onder water: het fijne en gele zand, dat
bij Soissons de klei met bruinkool bedekt, en dat wijst op eenen terugkeer van de
zee op die plaatsen, bevat eene groote hoeveelheid nummulieten.
Dat zand is zeer ontwikkeld ten noordoosten van Parijs, vooral in de Aisne-vallei,
waar het 50 meters dik is. In België is het boven de klei van Vlaanderen nog veel
sterker ontwikkeld. De nummulietenzee is dus van het oosten gekomen; zij is over
Vlaanderen tot het bekken van Parijs doorgedrongen, door eene straat, die
overeenkomt met de tegenwoordige vallei der Oise, en zij strekte zich niet verder
uit dan de onmiddellijke omgeving van Parijs. Het glaukonietzand te Vaurigard en
Vauves, dat daar de keien bedekt, behoort tot de grofkalklaag en wijst het begin aan
der middelste eocene periode.
Middelste Eocene Formatie. Onderste grofkalk. Het grofkalk bevat eene
verzameling van fossielenhoudende kalksteenen, die uitstekende bouwsteenen
opleveren; de vlakte der laag bedraagt van 30 tot 35 meters; beneden vindt men
grof zand met kleine zwarte vuursteenen en groene korrels glaukoniet, die dikwijls
aan elkander verbonden zijn door kalksteen; het bevat tanden van zeehonden,
kleine poliepen en eene groote nummulietsoort, die in het grofkalk zeer veel
voorkomt.
Dat glaukonietzand wijst op het begin der zeevorming, die zich zal uitstrekken over
het zuidoosten van Ile-de France.
Daarboven vindt men eene grove kalksteen, met vele schelpen, en een ontzaglijk
aantal nummulieten; daarin komen groote tweekleppige weekdieren, zeeëgels en
eene cerithidensoort voor, die voor die laag kenschetsend is.
Page 479
Van St.-Quentin tot Rijssel vindt men aan de oppervlakte van den bodem
kiezelhoudende blokken verspreid, waarin de nummulites laevigata voorkomt,
somtijds omsloten door bont-roode klei. Dit zijn de laatste overblijfselen van eene
laag, die ons aantoont, dat de lagere grofkalkzee zich in die richting tot zóóver
uitstrekte en in België werd voortgezet in eene straat, die langs de Sommevallei het
departement du Nord in zijne geheele uitgestrektheid doorsneed.
Bovenste grofkalk. Het bovenste grofkalk verliest weder het karakter eener
zeevorming, aan de vorige lagen eigen, en wijst op eene kustformatie. Het bevat
aan de benedenoppervlakte een zoetwatervlak besloten tusschen twee zeebanken,
die ieder gekenmerkt zijn door den overvloed van cerithiden, die daar voorkomen
met buikpootige brakwater-weekdieren. De zoetwater-kalksteen bevat limnaeiden
en paludiniden (tot de buikpootige weekdieren behoorend), daartusschen ligt
dikwijls klei met bruinkool, die eenen tropischen plantengroei bevat, o.a.
palmboomen. Men vindt daar ook den lophiodon.
Daar de grofkalkzee zich meer en meer naar het noorden terugtrekt, eindigt die rij
in dunne lagen dicht opeengepakte of kiezelhoudende kalksteen, afwisselend met
gebladerde, dikwijls magnesiumhoudende mergel, waarin men hoogst zelden
fossielen aantreft.
Zandsteen. Na die afwisseling van zoetwater- en zeevorming, die het einde
aanwijst der grofkalk, heeft de terugkeer van de zee in het bekken van Parijs weer
het aanzijn geschonken aan een zandbezinksel, welks fauna weinig met die der
grofkalk verschilt. Met een aantal soorten aan de beide lagen eigen, vindt men nog
eene geheel aan de laatste laag eigen soort van nummuliet.
Bovenste grofkalk van St.-Ouen. Na die bezinking sluit zich de golf van het bekken
van Parijs geheel af bij hare monding, en verandert zij dus in een zoetwatermeer,
waarin zich nu kalksteen en mergel afzet, met vuursteenlagen daartusschen, wier
dikte een twintigtal meters kan bereiken. Die kalksteen strekt zich ten noorden van
Parijs uit en bevat limneïden met enkele schelpen, niet tot zeedieren behoorend. Op
het einde der eocene periode hebben dus de zoetwatervormingen in het bekken van
Parijs de overhand.
Bovenste Eocene Formatie. Gipshoudende mergel. De bovenste eocene laag
bestaat uit eene lange reeks lagen gebladerde mergel, met lagen gips er tusschen in;
die bezinksels, die eene dikte van 60 meters kunnen bereiken, zijn nog
grootendeels eene zoetwaterformatie. Van onderen heeft men eene dunne laag
gipshoudende mergel op de kalksteen van St.-Ouen. Daarboven liggen de
kiezelhoudende blokken verspreid, waarin de nummulites laevigata voorkomt,
somtijds omsloten door bont-roode klei. Dit zijn de laatste overblijfselen van eene
laag, die ons aantoont, dat de lagere grofkalkzee zich in die richting tot zóóver
uitstrekte en in België werd voortgezet in eene straat, die langs de Sommevallei het
departement du Nord in zijne geheele uitgestrektheid doorsneed.
Bovenste grofkalk. Het bovenste grofkalk verliest weder het karakter eener
zeevorming, aan de vorige lagen eigen, en wijst op eene kustformatie. Het bevat
aan de benedenoppervlakte een zoetwatervlak besloten tusschen twee zeebanken,
die ieder gekenmerkt zijn door den overvloed van cerithiden, die daar voorkomen
met buikpootige brakwater-weekdieren. De zoetwater-kalksteen bevat limnaeiden
en paludiniden (tot de buikpootige weekdieren behoorend), daartusschen ligt
dikwijls klei met bruinkool, die eenen tropischen plantengroei bevat, o.a.
palmboomen. Men vindt daar ook den lophiodon.
Daar de grofkalkzee zich meer en meer naar het noorden terugtrekt, eindigt die rij
in dunne lagen dicht opeengepakte of kiezelhoudende kalksteen, afwisselend met
gebladerde, dikwijls magnesiumhoudende mergel, waarin men hoogst zelden
fossielen aantreft.
Zandsteen. Na die afwisseling van zoetwater- en zeevorming, die het einde
aanwijst der grofkalk, heeft de terugkeer van de zee in het bekken van Parijs weer
het aanzijn geschonken aan een zandbezinksel, welks fauna weinig met die der
grofkalk verschilt. Met een aantal soorten aan de beide lagen eigen, vindt men nog
eene geheel aan de laatste laag eigen soort van nummuliet.
Bovenste grofkalk van St.-Ouen. Na die bezinking sluit zich de golf van het bekken
van Parijs geheel af bij hare monding, en verandert zij dus in een zoetwatermeer,
waarin zich nu kalksteen en mergel afzet, met vuursteenlagen daartusschen, wier
dikte een twintigtal meters kan bereiken. Die kalksteen strekt zich ten noorden van
Parijs uit en bevat limneïden met enkele schelpen, niet tot zeedieren behoorend. Op
het einde der eocene periode hebben dus de zoetwatervormingen in het bekken van
Parijs de overhand.
Bovenste Eocene Formatie. Gipshoudende mergel. De bovenste eocene laag
bestaat uit eene lange reeks lagen gebladerde mergel, met lagen gips er tusschen in;
die bezinksels, die eene dikte van 60 meters kunnen bereiken, zijn nog
grootendeels eene zoetwaterformatie. Van onderen heeft men eene dunne laag
gipshoudende mergel op de kalksteen van St.-Ouen. Daarboven liggen de
Page 480
eigenlijke gipshoudende mergellagen, waar het gips uit drie lensvormige lagen
bestaat. De eerste twee zijn gemiddeld 4 of 5 meters dik; de laatste is de dikste en
strekt zich het verst uit; te Montmartre is zij 20 meters dik. De gips heeft daar de
gedaante van suiker en is in prisma’s verdeeld, gelijkende op die van het bazalt.
Dat geheel bovenste gedeelte, eene zoetwatervorming, eindigt van onder in
blauwachtig, van boven in zeer wit mergel.
In de bovenste massa vindt men de dikhuidige dieren, paleotheriums,
anoplotheriums, enz., waarmede wij weldra kennis zullen maken, en die
beschouwd kunnen worden als de wezens, die het kenmerk zijn der bovenste
eocene formatie.
Dit is de opvolging der versteende lagen tijdens de eocene periode. Merkwaardig is
het, dat die gesteenten eene belangrijke rol gespeeld hebben bij den bouw van
steden en woningen. Indien er geene bouwsteenen waren, hoe zouden dan dorpen,
steden, huizen en monumenten gebouwd kunnen worden? De menschheid is niet
alleen afhankelijk van het dieren- en plantenrijk, maar is ook de slaaf van het
delfstoffenrijk, dat zich afspiegelt in hare wijze van werken en hare geschiedenis.
Die afwisselingen van zee, vastland en meren hebben alleen in die ééne periode
honderdduizenden jaren geduurd!
Om zich een denkbeeld te vormen van de buitengewone veranderlijkheid in de
eocene periode, zij het voldoende op te merken, dat het oudste gedeelte der tertiaire
formatie in het bekken van Parijs vertegenwoordigd wordt door een twintigtal
verschillende lagen, die ieder eene bijzondere mineralogische karaktertrek of
enkele eigenaardige fossielen bezitten, en waarvan sommige zeevormingen, andere
zoetwatervormingen zijn; daarentegen bestaat zij in de Pyreneën, in Zuid-Europa,
tot zelfs in China, bijna uitsluitend uit eene bank vast opeengedrongen kalksteen,
die geheel eene zeeformatie is, en het voorkomen heeft van eene Juraformatie,
waarin het wemelt van foraminiferen, zoodat zelfs de steen nummulietenkalk
genoemd wordt. In al de bekkens ontdekt men tusschen de verschillende lagen
fossielen, en wel gewoonlijk des te talrijker, naarmate men in eene hoogere laag
komt. Iedere afdeeling der tertiaire periode onderscheidt zich dan ook duidelijker
van de krijtperiode dan van volgende perioden: een groot aantal soorten der
miocene periode komen ook in de pliocene formatie voor, en de tegenwoordige
zeeën, b.v. de Middellandsche zee, bevatten nog een zóó groot aantal pliocene
weekdieren, dat de grens niet gemakkelijk te trekken is tusschen de tertiaire
bezinkingen en die van onzen tijd. Voegen wij nog hierbij, dat men in den laatsten
bestaat. De eerste twee zijn gemiddeld 4 of 5 meters dik; de laatste is de dikste en
strekt zich het verst uit; te Montmartre is zij 20 meters dik. De gips heeft daar de
gedaante van suiker en is in prisma’s verdeeld, gelijkende op die van het bazalt.
Dat geheel bovenste gedeelte, eene zoetwatervorming, eindigt van onder in
blauwachtig, van boven in zeer wit mergel.
In de bovenste massa vindt men de dikhuidige dieren, paleotheriums,
anoplotheriums, enz., waarmede wij weldra kennis zullen maken, en die
beschouwd kunnen worden als de wezens, die het kenmerk zijn der bovenste
eocene formatie.
Dit is de opvolging der versteende lagen tijdens de eocene periode. Merkwaardig is
het, dat die gesteenten eene belangrijke rol gespeeld hebben bij den bouw van
steden en woningen. Indien er geene bouwsteenen waren, hoe zouden dan dorpen,
steden, huizen en monumenten gebouwd kunnen worden? De menschheid is niet
alleen afhankelijk van het dieren- en plantenrijk, maar is ook de slaaf van het
delfstoffenrijk, dat zich afspiegelt in hare wijze van werken en hare geschiedenis.
Die afwisselingen van zee, vastland en meren hebben alleen in die ééne periode
honderdduizenden jaren geduurd!
Om zich een denkbeeld te vormen van de buitengewone veranderlijkheid in de
eocene periode, zij het voldoende op te merken, dat het oudste gedeelte der tertiaire
formatie in het bekken van Parijs vertegenwoordigd wordt door een twintigtal
verschillende lagen, die ieder eene bijzondere mineralogische karaktertrek of
enkele eigenaardige fossielen bezitten, en waarvan sommige zeevormingen, andere
zoetwatervormingen zijn; daarentegen bestaat zij in de Pyreneën, in Zuid-Europa,
tot zelfs in China, bijna uitsluitend uit eene bank vast opeengedrongen kalksteen,
die geheel eene zeeformatie is, en het voorkomen heeft van eene Juraformatie,
waarin het wemelt van foraminiferen, zoodat zelfs de steen nummulietenkalk
genoemd wordt. In al de bekkens ontdekt men tusschen de verschillende lagen
fossielen, en wel gewoonlijk des te talrijker, naarmate men in eene hoogere laag
komt. Iedere afdeeling der tertiaire periode onderscheidt zich dan ook duidelijker
van de krijtperiode dan van volgende perioden: een groot aantal soorten der
miocene periode komen ook in de pliocene formatie voor, en de tegenwoordige
zeeën, b.v. de Middellandsche zee, bevatten nog een zóó groot aantal pliocene
weekdieren, dat de grens niet gemakkelijk te trekken is tusschen de tertiaire
bezinkingen en die van onzen tijd. Voegen wij nog hierbij, dat men in den laatsten
Page 481
tijd een groot aantal tertiaire soorten ontdekt heeft, die men meende, dat
uitgestorven waren, en die toch in de diepten der zee in grooten getale voorkomen.
De poolstreken, thans ijskoud en verlaten, waren toen, evenals in de secundaire
tijden, bedekt met plantenrijke bosschen; doch er is reeds eene neiging tot
afkoeling. Het zijn geen tropische planten meer, maar platanen, linden, kastanjes,
beuken, pijnboomen, berken, noteboomen. Die boomen zullen later eerst in onze
streken gevonden worden, wanneer de temperatuur voldoende gedaald zal zijn.
Maar in dien tijd waren Frankrijk, Duitschland, België, Engeland nog met
palmboomen bedekt, omdat daar nog een tropisch klimaat heerschte.
Langzaam en geleidelijk, doch steeds vooruitgaande, heeft zich van eeuw tot eeuw
het leven ontwikkeld en gesplitst. De ongewervelde dieren der azoïsche periode
hebben het aanzijn geschonken aan de gewervelde dieren. Op de weekdieren zijn
de visschen gevolgd, op de visschen de kruipende dieren van het water, daarop de
tweeslachtige dieren, en uit de kruipende dieren zijn de vogels voortgekomen. Met
de vogelbekdieren en de buideldieren, uit de tweeslachtige dieren voortgekomen, is
de heerschappij der zoogdieren begonnen, die tijdens het tertiaire tijdperk de
wereld zijn gaan beheerschen. Wij zullen thans de ontwikkeling dier klasse van
hoogere dieren volgen, waaruit de dikhuidige, de herkauwende, de verscheurende
dieren, de knaagdieren, de halfapen, de apen en de mensch zijn voortgekomen.
uitgestorven waren, en die toch in de diepten der zee in grooten getale voorkomen.
De poolstreken, thans ijskoud en verlaten, waren toen, evenals in de secundaire
tijden, bedekt met plantenrijke bosschen; doch er is reeds eene neiging tot
afkoeling. Het zijn geen tropische planten meer, maar platanen, linden, kastanjes,
beuken, pijnboomen, berken, noteboomen. Die boomen zullen later eerst in onze
streken gevonden worden, wanneer de temperatuur voldoende gedaald zal zijn.
Maar in dien tijd waren Frankrijk, Duitschland, België, Engeland nog met
palmboomen bedekt, omdat daar nog een tropisch klimaat heerschte.
Langzaam en geleidelijk, doch steeds vooruitgaande, heeft zich van eeuw tot eeuw
het leven ontwikkeld en gesplitst. De ongewervelde dieren der azoïsche periode
hebben het aanzijn geschonken aan de gewervelde dieren. Op de weekdieren zijn
de visschen gevolgd, op de visschen de kruipende dieren van het water, daarop de
tweeslachtige dieren, en uit de kruipende dieren zijn de vogels voortgekomen. Met
de vogelbekdieren en de buideldieren, uit de tweeslachtige dieren voortgekomen, is
de heerschappij der zoogdieren begonnen, die tijdens het tertiaire tijdperk de
wereld zijn gaan beheerschen. Wij zullen thans de ontwikkeling dier klasse van
hoogere dieren volgen, waaruit de dikhuidige, de herkauwende, de verscheurende
dieren, de knaagdieren, de halfapen, de apen en de mensch zijn voortgekomen.
Page 482
De ontwikkeling van het dierenrijk in verband met de opvolging der geologische
perioden.
Wij geven hier (blz. 499) eene schets van het chronologisch verband tusschen de
ontwikkeling van het dierenrijk en de opvolging der geologische tijdperken. Eén
blik is voldoende, om die grootsche geschiedenis te kunnen opbouwen. De
tegenwoordige orden der visschen bestonden reeds tijdens de krijtperiode, en
waarschijnlijk reeds vroeger; zij begonnen zich te vormen in de devonische en de
steenkoolperiode. De tegenwoordige orden der kruipende dieren bestonden reeds
perioden.
Wij geven hier (blz. 499) eene schets van het chronologisch verband tusschen de
ontwikkeling van het dierenrijk en de opvolging der geologische tijdperken. Eén
blik is voldoende, om die grootsche geschiedenis te kunnen opbouwen. De
tegenwoordige orden der visschen bestonden reeds tijdens de krijtperiode, en
waarschijnlijk reeds vroeger; zij begonnen zich te vormen in de devonische en de
steenkoolperiode. De tegenwoordige orden der kruipende dieren bestonden reeds
Page 483
vóór de eocene periode; hunne vorming is begonnen in de permische periode. De
tegenwoordige orden der zoogdieren zijn eerst volledig tot ontwikkeling gekomen
in de miocene periode; in het eocene tijdperk begonnen zij zich eerst te splitsen en
verschilden zij nog slechts zeer weinig van elkander.
In de eocene formatie der
Vereenigde Staten zijn de
kruipende dieren talrijk, hoewel
zij vervallen zijn van den rang,
dien zij in de secundaire periode
innamen. Men vindt geene
landdinosauri meer, en er vliegen
geene pterosauri meer in de lucht:
deze zijn met de Jurazeeën en
krijtzeeën, waarin zij leefden,
verdwenen. Voortaan nemen de
krokodillen, schildpadden en
hagedissen hunne plaats in, en de
Fig. 276. Fossiele visschen naar eene teekening van Agassiz. slangen treden voor het eerst op
het vasteland van Amerika op. De
krokodillen behooren reeds tot de
tegenwoordige typen, reeds een twaalftal soorten kunnen onderscheiden worden.
Van de schildpadden zijn reeds 43 soorten bekend. Men kent nog slechts zes
eocene soorten van slangen.
In de bezinksels der eocene zeeën heeft men verschillende roggen gevonden, en
daaronder den sidderrog of electrischen rog, dien men kan herkennen aan zijne om
het geheele lichaam gelegen vinnen. Men heeft sidderroggen gevonden in de
omstreken van Verona, op den berg Bolca, die beroemd is door zijn groot aantal
fossielen; zij zijn veel grooter dan die, welke thans de Middellandsche zee
bewonen. Die fossiele wezens hebben thans hunne vertegenwoordigers bijna
uitsluitend in de zuidelijke zeeën; de ostracion quadricornis b.v. is merkwaardig
door de vreemde ligging zijner oogen, die op horens bevestigd zijn (fig. 277).
Ook te Aix (Provence) heeft men eene groote hoeveelheid fossiele visschen. Men
vindt daar vooral eene soort van karper (lebias cephalotes), die zich van de overige
karpers onderscheidt door zijnen van tanden voorzienen bek. Die soort bestaat nog
heden ten dage in het zoetwater van Provence. Fig. 276 is gemaakt naar eene
teekening van Agassiz.
tegenwoordige orden der zoogdieren zijn eerst volledig tot ontwikkeling gekomen
in de miocene periode; in het eocene tijdperk begonnen zij zich eerst te splitsen en
verschilden zij nog slechts zeer weinig van elkander.
In de eocene formatie der
Vereenigde Staten zijn de
kruipende dieren talrijk, hoewel
zij vervallen zijn van den rang,
dien zij in de secundaire periode
innamen. Men vindt geene
landdinosauri meer, en er vliegen
geene pterosauri meer in de lucht:
deze zijn met de Jurazeeën en
krijtzeeën, waarin zij leefden,
verdwenen. Voortaan nemen de
krokodillen, schildpadden en
hagedissen hunne plaats in, en de
Fig. 276. Fossiele visschen naar eene teekening van Agassiz. slangen treden voor het eerst op
het vasteland van Amerika op. De
krokodillen behooren reeds tot de
tegenwoordige typen, reeds een twaalftal soorten kunnen onderscheiden worden.
Van de schildpadden zijn reeds 43 soorten bekend. Men kent nog slechts zes
eocene soorten van slangen.
In de bezinksels der eocene zeeën heeft men verschillende roggen gevonden, en
daaronder den sidderrog of electrischen rog, dien men kan herkennen aan zijne om
het geheele lichaam gelegen vinnen. Men heeft sidderroggen gevonden in de
omstreken van Verona, op den berg Bolca, die beroemd is door zijn groot aantal
fossielen; zij zijn veel grooter dan die, welke thans de Middellandsche zee
bewonen. Die fossiele wezens hebben thans hunne vertegenwoordigers bijna
uitsluitend in de zuidelijke zeeën; de ostracion quadricornis b.v. is merkwaardig
door de vreemde ligging zijner oogen, die op horens bevestigd zijn (fig. 277).
Ook te Aix (Provence) heeft men eene groote hoeveelheid fossiele visschen. Men
vindt daar vooral eene soort van karper (lebias cephalotes), die zich van de overige
karpers onderscheidt door zijnen van tanden voorzienen bek. Die soort bestaat nog
heden ten dage in het zoetwater van Provence. Fig. 276 is gemaakt naar eene
teekening van Agassiz.
Page 484
Tot de merkwaardigste visschen van
dat tijdperk behoort de platax
altissimus (fig. 278).
De vogels, die wij voor het eerst in de
gedaante van den archeopteryx
hebben zien verschijnen, scheiden
Fig. 277. De visschen der eocene periode. (Ostracion
zich thans voor goed van de
quadricornis).
kruipende dieren. Fig. 279 stelt een
merkwaardig afdruksel voor, in de
benedenlagen van den heuvel van Montmartre gevonden. Het zijn de overblijfselen
van een gevleugeld wezen, dat het voorkomen en den bouw heeft van onze
tegenwoordige vogels, en dat men den naam gegeven heeft van den vogel van
Montmartre.
dat tijdperk behoort de platax
altissimus (fig. 278).
De vogels, die wij voor het eerst in de
gedaante van den archeopteryx
hebben zien verschijnen, scheiden
Fig. 277. De visschen der eocene periode. (Ostracion
zich thans voor goed van de
quadricornis).
kruipende dieren. Fig. 279 stelt een
merkwaardig afdruksel voor, in de
benedenlagen van den heuvel van Montmartre gevonden. Het zijn de overblijfselen
van een gevleugeld wezen, dat het voorkomen en den bouw heeft van onze
tegenwoordige vogels, en dat men den naam gegeven heeft van den vogel van
Montmartre.
Page 485
Fig. 278. De visschen der eocene periode. (Blatax altissimus).
Die vogel was niet bijzonder groot. De gastornis parisiensis echter, in 1855 door
Gaston Planté in de eocene lagen van Mendon gevonden, moet, zooals uit de
gevonden tibia blijkt, eene zeer groote vleugelwijdte gehad hebben.
Die vogel was niet bijzonder groot. De gastornis parisiensis echter, in 1855 door
Gaston Planté in de eocene lagen van Mendon gevonden, moet, zooals uit de
gevonden tibia blijkt, eene zeer groote vleugelwijdte gehad hebben.
Page 486
Fig. 279. Fossiele vogel te Montmartre gevonden (halve grootte).
Wij zullen zien, dat de vogels eerst in de miocene periode tot hunne volle
ontwikkeling komen. Zooals wij reeds hebben opgemerkt, zijn het de zoogdieren,
die kenschetsend zijn voor het tertiaire tijdperk. Wij hebben vroeger reeds
gesproken over hun eerste optreden in den vorm van buideldieren. Die lagere
zoogdieren zijn in Europa de voorgangers der placentaire zoogdieren geweest; na
daar in de secundaire periode te hebben geleefd, zijn zij in de eocene periode
zeldzaam geworden en in het midden der miocene periode verdwenen.
Waarschijnlijk zijn verscheidene van deze in placentaire zoogdieren veranderd.
Diegene, welke geen verandering hebben ondergaan of niet verhuisd zijn, waren in
den strijd om het bestaan in ongunstige omstandigheden. Hoe groot ook hun moed
en hunne kinderliefde zijn, toch zijn hunne jongen, zwakke en ontijdig ter wereld
gekomen wezens, meer blootgesteld aan de aanvallen der roofdieren dan de
placentaire zoogdieren en vooral de knaagdieren en dikhuidigen, die reeds zeer
ontwikkeld ter wereld komen. Bovendien kunnen de buideldieren met hunne
jongen in hunnen buidel of op hunnen rug geene rivieren oversteken zonder gevaar
te loopen ze in het water te zien stikken; de placentaire zoogdieren, wier jongen
genoeg ontwikkeld ter wereld komen om te kunnen loopen en zwemmen,
ondervinden diezelfde bezwaren niet. Daar de grasetende dieren van veld tot veld
moeten gaan om de planten te plukken, die in ieder jaargetijde bloeien, moeten zij
meer last gehad hebben van zeearmen en stroomen dan de vleeschetende
buideldieren; misschien is dit één der redenen, waarom zij vroeger uit onze streken
verdwenen zijn, want opmerkelijk is het, dat men in onze tertiaire formaties geen
enkel grasetend buideldier gevonden heeft, en wel overblijfselen van vleeschetende
buideldieren.
Wij zullen zien, dat de vogels eerst in de miocene periode tot hunne volle
ontwikkeling komen. Zooals wij reeds hebben opgemerkt, zijn het de zoogdieren,
die kenschetsend zijn voor het tertiaire tijdperk. Wij hebben vroeger reeds
gesproken over hun eerste optreden in den vorm van buideldieren. Die lagere
zoogdieren zijn in Europa de voorgangers der placentaire zoogdieren geweest; na
daar in de secundaire periode te hebben geleefd, zijn zij in de eocene periode
zeldzaam geworden en in het midden der miocene periode verdwenen.
Waarschijnlijk zijn verscheidene van deze in placentaire zoogdieren veranderd.
Diegene, welke geen verandering hebben ondergaan of niet verhuisd zijn, waren in
den strijd om het bestaan in ongunstige omstandigheden. Hoe groot ook hun moed
en hunne kinderliefde zijn, toch zijn hunne jongen, zwakke en ontijdig ter wereld
gekomen wezens, meer blootgesteld aan de aanvallen der roofdieren dan de
placentaire zoogdieren en vooral de knaagdieren en dikhuidigen, die reeds zeer
ontwikkeld ter wereld komen. Bovendien kunnen de buideldieren met hunne
jongen in hunnen buidel of op hunnen rug geene rivieren oversteken zonder gevaar
te loopen ze in het water te zien stikken; de placentaire zoogdieren, wier jongen
genoeg ontwikkeld ter wereld komen om te kunnen loopen en zwemmen,
ondervinden diezelfde bezwaren niet. Daar de grasetende dieren van veld tot veld
moeten gaan om de planten te plukken, die in ieder jaargetijde bloeien, moeten zij
meer last gehad hebben van zeearmen en stroomen dan de vleeschetende
buideldieren; misschien is dit één der redenen, waarom zij vroeger uit onze streken
verdwenen zijn, want opmerkelijk is het, dat men in onze tertiaire formaties geen
enkel grasetend buideldier gevonden heeft, en wel overblijfselen van vleeschetende
buideldieren.
Page 487
In de eerste helft van het tertiaire tijdperk waren er in Parijs, Auvergne, Vaucluse,
Zwitserland dieren, die zeer veel geleken op de tegenwoordige buidelratten. Men
kan er niet aan twijfelen, dat zij eenen soortgelijken bouw gehad hebben; Cuvier
toch heeft bij één van deze de buidelbeenderen teruggevonden, die dienen tot steun
van den buidel, waarin de jongen geplaatst zijn. Deze ontdekking behoort tot die,
welke het meest den grooten natuuronderzoeker belang inboezemden; vóórdat hij
het bekken gezien had, was hij overtuigd, dat het dier buidelbeenderen bezat,
omdat de studie der tanden en van het geraamte hem reeds tot de verwantschap van
die dieren met de buidelratten had doen besluiten. Cuvier was van meening, dat er
een nauw verband bestaat tusschen de verschillende organen; hij meende, dat de
aanwezigheid van het ééne orgaan de aanwezigheid van een ander orgaan
medebrengt; toen hij dus in het gips van Montmartre een dier zag, dat tanden had
als eene buidelrat, beweerde hij reeds vooruit, dat het ook buidelbeenderen moest
hebben als eene buidelrat. Toen hij dus het dier ging uitgraven, en het bekken ging
blootleggen, riep hij eenige vrienden te zamen, om hen getuige te doen zijn van de
ontdekking der buidelbeenderen, en werkelijk werd zijne voorspelling bewaarheid.
Toch had het kunnen zijn, dat Cuvier niet zoo gelukkig geweest ware; men moet
immers de wet van het onderling verband der verschillende organen niet te streng
toepassen. Cuvier toch, die aan de onveranderlijkheid der soorten geloofde,
meende, dat een hond altijd een hond, eene buidelrat altijd eene buidelrat is. Toch
behoeft dit niet steeds het geval te zijn; een dier kan tegelijkertijd de
karaktertrekken van twee verschillende soorten of van twee verschillende klassen
gehad hebben. Het is zelfs mogelijk, dat het een schakel geweest is tusschen de
twee voornaamste afdeelingen van de klasse der zoogdieren. Wij hebben hiervan
het bewijs gehad bij de vogel-reptielen en de dinosauri.
De eocene periode kenmerkt zich door eenen merkwaardigen rijkdom en eene
groote verscheidenheid van soorten van dikhuidigen, die onder de viervoetige
dieren van onzen tijd niet meer gevonden worden; zij kwamen overeen met de
tapirs, de rhinocerossen en de kameelen. Het zijn de paleotheriums, lophiodons,
anoplotheriums, anthracotheriums, cheropotami, adapis, alle door Cuvier ontdekt.
Wij zullen ze in breede trekken beschrijven.
De paleotheriums geleken op de tapirs door hunnen algemeenen bouw, den vorm
van hunnen kop en de kortheid der neusbeenderen, waaruit blijkt, dat zij evenals de
tapirs eenen kleinen snuit hadden, ook hadden zij zes snijtanden en twee
hoektanden in iedere kaak; maar door hunne kiezen, waarvan de bovenste plat en
van verhevene halvemaansvormige plooien voorzien waren, en door hunne pooten,
Zwitserland dieren, die zeer veel geleken op de tegenwoordige buidelratten. Men
kan er niet aan twijfelen, dat zij eenen soortgelijken bouw gehad hebben; Cuvier
toch heeft bij één van deze de buidelbeenderen teruggevonden, die dienen tot steun
van den buidel, waarin de jongen geplaatst zijn. Deze ontdekking behoort tot die,
welke het meest den grooten natuuronderzoeker belang inboezemden; vóórdat hij
het bekken gezien had, was hij overtuigd, dat het dier buidelbeenderen bezat,
omdat de studie der tanden en van het geraamte hem reeds tot de verwantschap van
die dieren met de buidelratten had doen besluiten. Cuvier was van meening, dat er
een nauw verband bestaat tusschen de verschillende organen; hij meende, dat de
aanwezigheid van het ééne orgaan de aanwezigheid van een ander orgaan
medebrengt; toen hij dus in het gips van Montmartre een dier zag, dat tanden had
als eene buidelrat, beweerde hij reeds vooruit, dat het ook buidelbeenderen moest
hebben als eene buidelrat. Toen hij dus het dier ging uitgraven, en het bekken ging
blootleggen, riep hij eenige vrienden te zamen, om hen getuige te doen zijn van de
ontdekking der buidelbeenderen, en werkelijk werd zijne voorspelling bewaarheid.
Toch had het kunnen zijn, dat Cuvier niet zoo gelukkig geweest ware; men moet
immers de wet van het onderling verband der verschillende organen niet te streng
toepassen. Cuvier toch, die aan de onveranderlijkheid der soorten geloofde,
meende, dat een hond altijd een hond, eene buidelrat altijd eene buidelrat is. Toch
behoeft dit niet steeds het geval te zijn; een dier kan tegelijkertijd de
karaktertrekken van twee verschillende soorten of van twee verschillende klassen
gehad hebben. Het is zelfs mogelijk, dat het een schakel geweest is tusschen de
twee voornaamste afdeelingen van de klasse der zoogdieren. Wij hebben hiervan
het bewijs gehad bij de vogel-reptielen en de dinosauri.
De eocene periode kenmerkt zich door eenen merkwaardigen rijkdom en eene
groote verscheidenheid van soorten van dikhuidigen, die onder de viervoetige
dieren van onzen tijd niet meer gevonden worden; zij kwamen overeen met de
tapirs, de rhinocerossen en de kameelen. Het zijn de paleotheriums, lophiodons,
anoplotheriums, anthracotheriums, cheropotami, adapis, alle door Cuvier ontdekt.
Wij zullen ze in breede trekken beschrijven.
De paleotheriums geleken op de tapirs door hunnen algemeenen bouw, den vorm
van hunnen kop en de kortheid der neusbeenderen, waaruit blijkt, dat zij evenals de
tapirs eenen kleinen snuit hadden, ook hadden zij zes snijtanden en twee
hoektanden in iedere kaak; maar door hunne kiezen, waarvan de bovenste plat en
van verhevene halvemaansvormige plooien voorzien waren, en door hunne pooten,
Page 488
die alle vier drie toonen bevatten (bij de tapirs hebben de voorpooten vier toonen)
gelijken zij op den rhinoceros12.
Het is ééne der meest verspreide soorten uit die formatie. Reeds Cuvier schrijft, dat
de gipsgroeven in de omstreken van Parijs er van wemelen: men vindt daar
beenderen van zeven verschillende soorten. De eerste (paleotherium magnum), is
zoo groot als een paard; drie andere zijn van de grootte van een varken, maar ééne
daarvan met lange, smalle pooten, ééne met breedere pooten, ééne met nog
breedere en nog kortere pooten; de vijfde soort, van de grootte van een schaap,
heeft nog kortere en breedere pooten; de zesde soort heeft de grootte van een
lammetje, en heeft slanke pooten, waarvan de uiterste toonen korter zijn dan de
overige; de zevende soort is zoo groot als eene haas.
Men heeft ook in andere streken van Frankrijk paleotheriums gevonden: te Puy-en-
Velay, in de gipshoudende mergel; in de omstreken van Orleans, in de mergellagen,
en bij Issel in eene laag molasse. Maar vooral in de molasse van Dordogne komt
het paleotherium even talrijk voor als in de gipsgroeven van Parijs.
Fig. 280.—Het paleotherium, dikhuidig zoogdier der eocene periode (1/20 der nat. gr.).
gelijken zij op den rhinoceros12.
Het is ééne der meest verspreide soorten uit die formatie. Reeds Cuvier schrijft, dat
de gipsgroeven in de omstreken van Parijs er van wemelen: men vindt daar
beenderen van zeven verschillende soorten. De eerste (paleotherium magnum), is
zoo groot als een paard; drie andere zijn van de grootte van een varken, maar ééne
daarvan met lange, smalle pooten, ééne met breedere pooten, ééne met nog
breedere en nog kortere pooten; de vijfde soort, van de grootte van een schaap,
heeft nog kortere en breedere pooten; de zesde soort heeft de grootte van een
lammetje, en heeft slanke pooten, waarvan de uiterste toonen korter zijn dan de
overige; de zevende soort is zoo groot als eene haas.
Men heeft ook in andere streken van Frankrijk paleotheriums gevonden: te Puy-en-
Velay, in de gipshoudende mergel; in de omstreken van Orleans, in de mergellagen,
en bij Issel in eene laag molasse. Maar vooral in de molasse van Dordogne komt
het paleotherium even talrijk voor als in de gipsgroeven van Parijs.
Fig. 280.—Het paleotherium, dikhuidig zoogdier der eocene periode (1/20 der nat. gr.).
Page 489
De lophiodons zijn nog nader verwant met de tapirs dan de paleotheriums, daar ook
hunne benedenkiezen dwarse verhevenheden bezitten. In enkele opzichten wijken
zij er echter weder van af.
Cuvier heeft in Frankrijk 12 soorten ontdekt, alle begraven in mergel, uit zoetwater
gevormd, en met limneïden gevuld. De grootste soort bevindt zich nabij Orleans, in
dezelfde groeve als de paleotheriums; zij gelijkt op den rhinoceros. Op dezelfde
plaats is eene tweede, kleinere soort; eene derde soort vindt men te Montpellier,
eene vierde bij Laon, twee bij Bichsweiller in den Elzas, vijf in Berry bij Argenton.
De verschillende soorten verschillen onderling in grootte; de kleinste waren
nauwelijks zoo groot als een lammetje; ook vindt men kleine verschillen in den
vorm der tanden, die wij hier niet zullen bespreken. In de bovenste lagen van de
Parijsche grofkalk heeft men een groot aantal fossiele beenderen van lophiodons
gevonden.
De anoplotheriums, die men in de gipsgroeven buiten Parijs gevonden heeft,
hebben sommige karaktertrekken, die men bij geen enkel ander dier terugvindt;
pooten met twee toonen, waarvan de middelhandsbeenderen niet met elkander
vereenigd zijn zooals bij de herkauwende dieren, en tanden, die tegen elkander
aanliggen, zooals dit thans alleen bij den mensch het geval is.
Er bestaan drie soorten van anoplotheriums; de anoplotheriums in den eigenlijken
zin, de xiphodons en de dichobuni, die in den vorm der tanden van elkander
verschilden.
Het meest verspreide anoplotherium was een dier van de hoogte van een wild
zwijn, doch veel langer en voorzien van eenen langen en dikken staart, zoodat het
ongeveer de afmetingen had van eenen grooten otter. Waarschijnlijk kon het goed
zwemmen: men vindt op den bodem der zee zijne beenderen ingesloten in het gips,
dat zich daar afzette.
De xiphodon was slank en licht als eene schoone gazelle.
De dichobunus had de grootte van eene haas. Hij onderscheidt zich van de
anoplotheriums en de xiphodons door twee kleine en dunne teenen aan iederen
voet, naast de twee groote teenen.
De anthracotheriums liggen tusschen de paleotheriums, de anoplotheriums en de
varkens in. Twee van die soorten zijn in het bruinkool van Cadibona bij Savona
hunne benedenkiezen dwarse verhevenheden bezitten. In enkele opzichten wijken
zij er echter weder van af.
Cuvier heeft in Frankrijk 12 soorten ontdekt, alle begraven in mergel, uit zoetwater
gevormd, en met limneïden gevuld. De grootste soort bevindt zich nabij Orleans, in
dezelfde groeve als de paleotheriums; zij gelijkt op den rhinoceros. Op dezelfde
plaats is eene tweede, kleinere soort; eene derde soort vindt men te Montpellier,
eene vierde bij Laon, twee bij Bichsweiller in den Elzas, vijf in Berry bij Argenton.
De verschillende soorten verschillen onderling in grootte; de kleinste waren
nauwelijks zoo groot als een lammetje; ook vindt men kleine verschillen in den
vorm der tanden, die wij hier niet zullen bespreken. In de bovenste lagen van de
Parijsche grofkalk heeft men een groot aantal fossiele beenderen van lophiodons
gevonden.
De anoplotheriums, die men in de gipsgroeven buiten Parijs gevonden heeft,
hebben sommige karaktertrekken, die men bij geen enkel ander dier terugvindt;
pooten met twee toonen, waarvan de middelhandsbeenderen niet met elkander
vereenigd zijn zooals bij de herkauwende dieren, en tanden, die tegen elkander
aanliggen, zooals dit thans alleen bij den mensch het geval is.
Er bestaan drie soorten van anoplotheriums; de anoplotheriums in den eigenlijken
zin, de xiphodons en de dichobuni, die in den vorm der tanden van elkander
verschilden.
Het meest verspreide anoplotherium was een dier van de hoogte van een wild
zwijn, doch veel langer en voorzien van eenen langen en dikken staart, zoodat het
ongeveer de afmetingen had van eenen grooten otter. Waarschijnlijk kon het goed
zwemmen: men vindt op den bodem der zee zijne beenderen ingesloten in het gips,
dat zich daar afzette.
De xiphodon was slank en licht als eene schoone gazelle.
De dichobunus had de grootte van eene haas. Hij onderscheidt zich van de
anoplotheriums en de xiphodons door twee kleine en dunne teenen aan iederen
voet, naast de twee groote teenen.
De anthracotheriums liggen tusschen de paleotheriums, de anoplotheriums en de
varkens in. Twee van die soorten zijn in het bruinkool van Cadibona bij Savona
Page 490
gelegen. De eerste geleek in grootte op den rhinoceros, de tweede was veel kleiner.
Men vindt ze ook in den Elzas. Hunne kiezen gelijken op die der anoplotheriums;
doch zij hebben scherpe hoektanden.
De cheropotamus komt in de gipsgroeven bij Parijs voor, naast de paleotheriums en
de anoplotheriums, maar hij is veel zeldzamer. Zijne achterste kiezen zijn van
boven vierkant, van onderen rechthoekig en hebben vier kegelvormige
verhevenheden, omgeven door kleinere bulten. Zijne hoektanden zijn klein. Hij
was zoo groot als een varken.
De adapis had de grootte van een konijn; zij komt ook in de gipsgroeven van Parijs
voor, en was nauw verwant aan het anoplotherium.
Wij kennen dus bijna 40 uitgestorven dikhuidige dieren.
Dit groote aantal dikhuidigen is des te merkwaardiger, daar wij in de formatie, die
wij thans behandelen, bijna geene herkauwende dieren vinden, terwijl deze thans in
zoovele soorten voorkomen bij de herten en gazellen en zulke groote afmetingen
kunnen aannemen, zooals bij het rund, de giraffe of den kameel.
Doch die dikhuidigen waren niet de eenige bewoners van de landen, waar zij
leefden. In de gipsgroeven immers vinden wij daarbij verscheurende dieren,
knaagdieren, verscheidene soorten van vogels, krokodillen en schildpadden; die
twee laatste dieren vindt men ook met de dikhuidigen in de molasse en de mergel
van het midden en het zuiden van Frankrijk. Ook is eene vleermuis merkwaardig,
te Montmartre ontdekt.
Te Montmartre zijn ook de beenderen van eenen vos gevonden, die van onzen vos
afwijkt en evenzoo verschilt van den jakhals, den isatis en den Amerikaanschen
vos; evenzoo eene soort wilde kat en twee of drie verscheurende dieren, die nog
niet goed bekend zijn.
De krokodillen uit dat tijdperk gelijken op onze gewone krokodillen door den vorm
van hunnen kop, terwijl men in de banken der Juraperiode alleen soorten vindt, die
aan de gavialen verwant zijn. De schildpadden van dien tijd zijn alle
zoetwaterdieren; sommige behooren tot de emydiden; en er zijn te Montmartre en
vooral in de molasse van Dordogne, grootere dan die, welke men levend kent;
andere zijn trionychidae of schildpadden met weeke lippen. Die soort, die men
gemakkelijk kan herkennen aan den vorm van hare schildbeenderen, en die thans
alleen voorkomt in de rivieren der warme landen, zooals de Nijl, de Ganges, de
Men vindt ze ook in den Elzas. Hunne kiezen gelijken op die der anoplotheriums;
doch zij hebben scherpe hoektanden.
De cheropotamus komt in de gipsgroeven bij Parijs voor, naast de paleotheriums en
de anoplotheriums, maar hij is veel zeldzamer. Zijne achterste kiezen zijn van
boven vierkant, van onderen rechthoekig en hebben vier kegelvormige
verhevenheden, omgeven door kleinere bulten. Zijne hoektanden zijn klein. Hij
was zoo groot als een varken.
De adapis had de grootte van een konijn; zij komt ook in de gipsgroeven van Parijs
voor, en was nauw verwant aan het anoplotherium.
Wij kennen dus bijna 40 uitgestorven dikhuidige dieren.
Dit groote aantal dikhuidigen is des te merkwaardiger, daar wij in de formatie, die
wij thans behandelen, bijna geene herkauwende dieren vinden, terwijl deze thans in
zoovele soorten voorkomen bij de herten en gazellen en zulke groote afmetingen
kunnen aannemen, zooals bij het rund, de giraffe of den kameel.
Doch die dikhuidigen waren niet de eenige bewoners van de landen, waar zij
leefden. In de gipsgroeven immers vinden wij daarbij verscheurende dieren,
knaagdieren, verscheidene soorten van vogels, krokodillen en schildpadden; die
twee laatste dieren vindt men ook met de dikhuidigen in de molasse en de mergel
van het midden en het zuiden van Frankrijk. Ook is eene vleermuis merkwaardig,
te Montmartre ontdekt.
Te Montmartre zijn ook de beenderen van eenen vos gevonden, die van onzen vos
afwijkt en evenzoo verschilt van den jakhals, den isatis en den Amerikaanschen
vos; evenzoo eene soort wilde kat en twee of drie verscheurende dieren, die nog
niet goed bekend zijn.
De krokodillen uit dat tijdperk gelijken op onze gewone krokodillen door den vorm
van hunnen kop, terwijl men in de banken der Juraperiode alleen soorten vindt, die
aan de gavialen verwant zijn. De schildpadden van dien tijd zijn alle
zoetwaterdieren; sommige behooren tot de emydiden; en er zijn te Montmartre en
vooral in de molasse van Dordogne, grootere dan die, welke men levend kent;
andere zijn trionychidae of schildpadden met weeke lippen. Die soort, die men
gemakkelijk kan herkennen aan den vorm van hare schildbeenderen, en die thans
alleen voorkomt in de rivieren der warme landen, zooals de Nijl, de Ganges, de
Page 491
Orinoco, kwam in grooten getale voor in de streken, door de paleotheriums
bewoond. Men vindt eene ontzaglijke hoeveelheid overblijfselen te Montmartre en
in de molasse van Dordogne en andere bezinkingen uit dien tijd in het zuiden van
Frankrijk.
Fig. 281.—Xiphodon gracile. (Eocene formatie van Parijs.)
De zoetwatermeren, in wier omtrek al deze dieren leefden, en die hunne beenderen
opnamen, bevatten behalve schildpadden en krokodillen, enkele visschen en
schelpen. Al de dieren, die men daar gevonden heeft, zijn even vreemd aan ons
klimaat en even onbekend in de wateren van onzen tijd, als de paleotheriums en de
overige viervoetige dieren van dien tijd. Zelfs de visschen behooren gedeeltelijk tot
onbekende soorten.
Het is dus niet twijfelachtig, dat die eerste groote bevolking van zoogdieren
gedeeltelijk vernietigd is; overal dan ook, waar men hunne overblijfselen vindt, zijn
daarboven groote bezinkingen van eene zeevorming, zoodat later de zee weder
gestroomd heeft over de landen, waar die dieren woonden en ze gedurende langen
tijd bedekt heeft gehouden.
Nog niet lang geleden, in 1884, heeft Lemoine in de lagere eocene formatie in de
omstreken van Parijs een zoogdier gevonden, dat hij den naam gegeven heeft van
pleuraspidotherium. Dat dier was verwant aan de buideldieren en het paleotherium.
bewoond. Men vindt eene ontzaglijke hoeveelheid overblijfselen te Montmartre en
in de molasse van Dordogne en andere bezinkingen uit dien tijd in het zuiden van
Frankrijk.
Fig. 281.—Xiphodon gracile. (Eocene formatie van Parijs.)
De zoetwatermeren, in wier omtrek al deze dieren leefden, en die hunne beenderen
opnamen, bevatten behalve schildpadden en krokodillen, enkele visschen en
schelpen. Al de dieren, die men daar gevonden heeft, zijn even vreemd aan ons
klimaat en even onbekend in de wateren van onzen tijd, als de paleotheriums en de
overige viervoetige dieren van dien tijd. Zelfs de visschen behooren gedeeltelijk tot
onbekende soorten.
Het is dus niet twijfelachtig, dat die eerste groote bevolking van zoogdieren
gedeeltelijk vernietigd is; overal dan ook, waar men hunne overblijfselen vindt, zijn
daarboven groote bezinkingen van eene zeevorming, zoodat later de zee weder
gestroomd heeft over de landen, waar die dieren woonden en ze gedurende langen
tijd bedekt heeft gehouden.
Nog niet lang geleden, in 1884, heeft Lemoine in de lagere eocene formatie in de
omstreken van Parijs een zoogdier gevonden, dat hij den naam gegeven heeft van
pleuraspidotherium. Dat dier was verwant aan de buideldieren en het paleotherium.
Page 492
Fig. 282. Het anoplotherium, dikhuidig zoogdier der eocone periode. (1/20 der nat.
gr.)
Onlangs bij den bouw van den nieuwen spoorweg van St.-Cloud naar Marly-le-Roy
heeft men over eene groote uitgestrektheid het zand van Fontainebleau blootgelegd
met de schelphoudende mergel. Men heeft daarin, onder talrijke fossiele
overblijfselen, veertien verbazend zware en groote ribben gevonden. Zij zijn 43
centimeters lang en even dik als breed. Gaudry meent, dat zij behoord moeten
hebben tot het grootste zeezoogdier, dat tot nu toe in de omstreken van Parijs
ontdekt is. Het moet geleken hebben op onze tegenwoordige zeekoe, een groot
grasetend walvischachtig zoogdier. De vinnen bestaan uit vijf vingers, die
werkelijke handen vormen. De wijfjes hebben twee groote melkklieren. Men kent
geen enkel ander dier met zoo zware en groote ribben.
Doch de grootste schatten voor de paleontologie zijn in den laatsten tijd in Amerika
ontdekt. Sedert den bouw van den spoorweg, die Amerika doorsnijdt van den
Atlantischen tot den Stillen Oceaan, zijn streken onderzocht, die tot dien tijd voor
de beschaving en de wetenschap gesloten waren. Men heeft daar eene menigte
fossiele dieren gevonden, waarvan verscheidene zeer veel verschillen van die van
Europa.
Dat gedeelte van Wyoming, begrepen tusschen het Rotsgebergte en den
Wahsatchketen, is één der streken, die den paleontologen de meeste verrassingen
aanbieden. In de eocene periode was de zee, die tijdens de krijtperiode die streken
bedekt had, door groote zoetwatermeren vervangen, aan wier oevers een rijke
gr.)
Onlangs bij den bouw van den nieuwen spoorweg van St.-Cloud naar Marly-le-Roy
heeft men over eene groote uitgestrektheid het zand van Fontainebleau blootgelegd
met de schelphoudende mergel. Men heeft daarin, onder talrijke fossiele
overblijfselen, veertien verbazend zware en groote ribben gevonden. Zij zijn 43
centimeters lang en even dik als breed. Gaudry meent, dat zij behoord moeten
hebben tot het grootste zeezoogdier, dat tot nu toe in de omstreken van Parijs
ontdekt is. Het moet geleken hebben op onze tegenwoordige zeekoe, een groot
grasetend walvischachtig zoogdier. De vinnen bestaan uit vijf vingers, die
werkelijke handen vormen. De wijfjes hebben twee groote melkklieren. Men kent
geen enkel ander dier met zoo zware en groote ribben.
Doch de grootste schatten voor de paleontologie zijn in den laatsten tijd in Amerika
ontdekt. Sedert den bouw van den spoorweg, die Amerika doorsnijdt van den
Atlantischen tot den Stillen Oceaan, zijn streken onderzocht, die tot dien tijd voor
de beschaving en de wetenschap gesloten waren. Men heeft daar eene menigte
fossiele dieren gevonden, waarvan verscheidene zeer veel verschillen van die van
Europa.
Dat gedeelte van Wyoming, begrepen tusschen het Rotsgebergte en den
Wahsatchketen, is één der streken, die den paleontologen de meeste verrassingen
aanbieden. In de eocene periode was de zee, die tijdens de krijtperiode die streken
bedekt had, door groote zoetwatermeren vervangen, aan wier oevers een rijke
Page 493
plantengroei ontstond, en waar de reusachtige dikhuidigen zich ontwikkelden, wien
men den naam van dinoceratiden gegeven heeft. Marsh heeft een groot werk
geschreven over die vreemde schepselen; het is nog rijker in belangrijke gegevens
dan dat, waarvan wij vroeger gesproken hebben naar aanleiding van de tandvogels.
De schedel der dinoceratiden13 verklaart ons, waarom men hun dien naam gegeven
heeft. Nog nooit had men koppen gezien met zóóveel horens: de neusbeenderen
dragen twee kleine beenige uitsteeksels; de vóórkaken leveren boven de
hoektanden twee stevige uitsteeksels; een derde nog grooter en merkwaardiger paar
wordt door de zijbeenderen gevormd; men heeft getracht van dit vreemde dier eene
voorstelling te maken, die in fig. 283 is weergegeven.
Ook de hersenen zijn bijzonder vreemd en veel kleiner dan bij eenig ander
zoogdier, zoodat zij op die van kruipende dieren gelijken. De geringe afmeting der
hersenen is een karaktertrek, eigen aan verscheidene zoogdieren der tertiaire
formatie; dat gedeelte van het lichaam is eerst tot meerdere ontwikkeling gekomen
bij de dieren van het middelste tertiaire tijdperk en vooral bij die der tegenwoordige
periode. Daar er in het algemeen verband bestaat tusschen de ontwikkeling der
hersenen en het verstand, mag men aannemen, dat de oudere zoogdieren minder
verstand hadden dan die van onzen tijd.
men den naam van dinoceratiden gegeven heeft. Marsh heeft een groot werk
geschreven over die vreemde schepselen; het is nog rijker in belangrijke gegevens
dan dat, waarvan wij vroeger gesproken hebben naar aanleiding van de tandvogels.
De schedel der dinoceratiden13 verklaart ons, waarom men hun dien naam gegeven
heeft. Nog nooit had men koppen gezien met zóóveel horens: de neusbeenderen
dragen twee kleine beenige uitsteeksels; de vóórkaken leveren boven de
hoektanden twee stevige uitsteeksels; een derde nog grooter en merkwaardiger paar
wordt door de zijbeenderen gevormd; men heeft getracht van dit vreemde dier eene
voorstelling te maken, die in fig. 283 is weergegeven.
Ook de hersenen zijn bijzonder vreemd en veel kleiner dan bij eenig ander
zoogdier, zoodat zij op die van kruipende dieren gelijken. De geringe afmeting der
hersenen is een karaktertrek, eigen aan verscheidene zoogdieren der tertiaire
formatie; dat gedeelte van het lichaam is eerst tot meerdere ontwikkeling gekomen
bij de dieren van het middelste tertiaire tijdperk en vooral bij die der tegenwoordige
periode. Daar er in het algemeen verband bestaat tusschen de ontwikkeling der
hersenen en het verstand, mag men aannemen, dat de oudere zoogdieren minder
verstand hadden dan die van onzen tijd.
Page 494
Fig. 283. De dinoceras van Noord-Amerika: Eocene periode.
Het fossiele dier, dat door zijne ledematen en zijne tandvorming het meest tot de
dinoceratiden nadert, is de coryphodon; maar toch is het nog ver van de
dinoceratiden verwijderd.
Niettegenstaande hunne verbazende grootte en bepaalde punten van overeenkomst
in hunne ledematen, kunnen de bekende groote dieren der Western-Territories toch
niet in verband gebracht worden met de snuitdieren, want zij hadden noch eenen
snuit, noch bovensnijtanden, en hoewel hunne pooten eenige overeenkomst hebben
met die der olifanten, verschillen zij daarvan weder in vele andere opzichten. De
dinoceratiden zijn inderdaad wezens, die verdwenen zijn zonder nakomelingschap
achter te laten, nadat zij aan de eocene wereld een vreemdsoortig voorkomen
gegeven hadden.
Het fossiele dier, dat door zijne ledematen en zijne tandvorming het meest tot de
dinoceratiden nadert, is de coryphodon; maar toch is het nog ver van de
dinoceratiden verwijderd.
Niettegenstaande hunne verbazende grootte en bepaalde punten van overeenkomst
in hunne ledematen, kunnen de bekende groote dieren der Western-Territories toch
niet in verband gebracht worden met de snuitdieren, want zij hadden noch eenen
snuit, noch bovensnijtanden, en hoewel hunne pooten eenige overeenkomst hebben
met die der olifanten, verschillen zij daarvan weder in vele andere opzichten. De
dinoceratiden zijn inderdaad wezens, die verdwenen zijn zonder nakomelingschap
achter te laten, nadat zij aan de eocene wereld een vreemdsoortig voorkomen
gegeven hadden.
Page 495
Het is inderdaad vreemd, dat men reeds in het begin der tertiaire periode zulke
groote zoogdieren vindt: de onderzoekingen toch, in den laatsten tijd in Amerika
gedaan, en die welke in Europa volbracht zijn, hadden slechts nietige zoogdieren
der secundaire periode aan het licht gebracht.
Van 1870 tot 1883 heeft Marsh de overblijfselen van meer dan 200 exemplaren van
dinoceratiden verzameld, zonder nog te spreken van de tallooze fossielen, tot
andere groepen behoorende. Men kent reeds 30 verschillende soorten. De studie
van dat prachtige materiaal is de grondslag van zijne schoone verhandeling.
Zooals wij zagen behooren de hersenen tot de merkwaardigste organen der
dinoceratiden: zij zijn kleiner dan van eenig ander bekend zoogdier, zelfs niet
grooter dan de geheele wervelkolom. De ontwikkeling der hersenen heeft in de
tertiaire periode volgens Marsh naar de volgende wetten plaats gegrepen:
1. Alle zoogdieren der tertiaire periode hadden kleine hersenen.
2. In de tertiaire periode zijn de hersenen geleidelijk toegenomen.
3. Die toeneming had vooral plaats in de halfronden.
4. Bij enkele groepen worden de hersenwindingen samengestelder.
De halswervels der dinoceratiden gelijken op die der snuitdieren, maar zij zijn
langer. De geheele hals was een derde langer dan die van den olifant. Een snuit was
dus onnoodig, omdat het dier met den kop den grond kon bereiken. De beenderen
der ledematen zijn over het algemeen zeer sterk, zooals trouwens het geheele
geraamte, met uitzondering van een deel van den schedel. De voorste ledematen
hebben veel overeenkomst met die der snuitdieren. De voorpooten zijn zwaarder
dan de achterpooten.
Indien men den dinoceras vergelijkt met enkele der grootste veelhoevige dieren van
onzen tijd, dan blijkt het, dat hij eenige punten van overeenkomst heeft met den
rhinoceros en eveneens met den olifant. Wat zijne grootte betreft, staat hij tusschen
beide in. In andere opzichten herinnert hij ons aan den hippopotamus. De
merkwaardig kleine hersenen en de logheid der ledematen wijzen op een dier, dat
zich langzaam beweegt, dat zich niet onttrekken kan aan veranderingen in het
klimaat, en dat dus veroordeeld is te verdwijnen ten gevolge van de wijzigingen,
die er op het einde der eocene periode in het klimaat hebben plaats gegrepen.
groote zoogdieren vindt: de onderzoekingen toch, in den laatsten tijd in Amerika
gedaan, en die welke in Europa volbracht zijn, hadden slechts nietige zoogdieren
der secundaire periode aan het licht gebracht.
Van 1870 tot 1883 heeft Marsh de overblijfselen van meer dan 200 exemplaren van
dinoceratiden verzameld, zonder nog te spreken van de tallooze fossielen, tot
andere groepen behoorende. Men kent reeds 30 verschillende soorten. De studie
van dat prachtige materiaal is de grondslag van zijne schoone verhandeling.
Zooals wij zagen behooren de hersenen tot de merkwaardigste organen der
dinoceratiden: zij zijn kleiner dan van eenig ander bekend zoogdier, zelfs niet
grooter dan de geheele wervelkolom. De ontwikkeling der hersenen heeft in de
tertiaire periode volgens Marsh naar de volgende wetten plaats gegrepen:
1. Alle zoogdieren der tertiaire periode hadden kleine hersenen.
2. In de tertiaire periode zijn de hersenen geleidelijk toegenomen.
3. Die toeneming had vooral plaats in de halfronden.
4. Bij enkele groepen worden de hersenwindingen samengestelder.
De halswervels der dinoceratiden gelijken op die der snuitdieren, maar zij zijn
langer. De geheele hals was een derde langer dan die van den olifant. Een snuit was
dus onnoodig, omdat het dier met den kop den grond kon bereiken. De beenderen
der ledematen zijn over het algemeen zeer sterk, zooals trouwens het geheele
geraamte, met uitzondering van een deel van den schedel. De voorste ledematen
hebben veel overeenkomst met die der snuitdieren. De voorpooten zijn zwaarder
dan de achterpooten.
Indien men den dinoceras vergelijkt met enkele der grootste veelhoevige dieren van
onzen tijd, dan blijkt het, dat hij eenige punten van overeenkomst heeft met den
rhinoceros en eveneens met den olifant. Wat zijne grootte betreft, staat hij tusschen
beide in. In andere opzichten herinnert hij ons aan den hippopotamus. De
merkwaardig kleine hersenen en de logheid der ledematen wijzen op een dier, dat
zich langzaam beweegt, dat zich niet onttrekken kan aan veranderingen in het
klimaat, en dat dus veroordeeld is te verdwijnen ten gevolge van de wijzigingen,
die er op het einde der eocene periode in het klimaat hebben plaats gegrepen.
Page 496
De zoogdieren der tertiaire periode zijn voor ons in bijzonder gunstige
omstandigheden, om de ontwikkelingsleer te bestudeeren. Die wezens, wier huid
meestal fijn, en òf naakt òf alleen met haren bedekt was, hebben eerst hunne volle
ontwikkeling bereikt, toen de ontzaglijke kruipende dieren der secundaire periode
waren uitgestorven, wier lederachtige en dikwijls gepantserde huid groote
voordeelen opleverde in den strijd om het bestaan. Tijdens het grootste gedeelte der
tertiaire periode verschilden de zoogdieren zeer veel van de tegenwoordige
zoogdieren; zij waren nog in volle ontwikkeling.
Staan wij een oogenblik stil bij de dikhuidigen, die de gipsgroeven in de omstreken
van Parijs tot graftombe hadden. Montmartre en Pantin waren hun laatste
toevluchtsoord. Ieder blok, dat uit die groeven komt, bevat een of ander stuk van
een been dier zoogdieren, en hoeveel millioenen van die beenderen zijn verwoest
geworden, vóórdat men aan de studie der paleontologie zijne aandacht wijdde.
De dikhuidigen kunnen in twee hoofdgroepen verdeeld worden: die met een
oneven aantal teenen, zooals de rhinoceros en de tapir, en die met een even aantal
teenen, zooals het zwijn en het nijlpaard. In onzen tijd zijn de verschillende soorten
van dikhuidigen voor het meerendeel scherp van elkander gescheiden, en in dit
opzicht vertoonen zij een groot verschil met de herkauwende dieren, waarvan
sommige zóó op elkander gelijken, dat men onmogelijk de grenslijn tusschen de
verschillende soorten trekken kan. De tegenwoordige dikhuidigen zouden er toe
bijdragen om de meening van ons af te werpen, dat de verschillende soorten van
elkander zijn afgestamd; doch indien wij tot de geologische perioden doordringen,
dan zien wij de ledige ruimten zich aanvullen: „De verschillende soorten, zegt
Gaudry, liggen zóó dicht bij elkander, dat men moeilijk het denkbeeld van zich kan
afzetten, dat die gelijkenis op eene gemeenschappelijke afstamming wijst.”
Als voorbeeld der tegenwoordige dikhuidigen, die van tertiaire soorten schijnen te
zijn afgeleid, kan men den rhinoceros noemen. Die welke in Afrika te huis
behooren, verschillen in vele opzichten van die, welke in Azië leven; er is dus geen
grond, om te meenen, dat de ééne soort in rechte lijn van de andere afstamt. Het is
veeleer natuurlijk te meenen, dat zij beide afstammen van hunne tertiaire
voorgangers; want zij hebben daarmede bijzonder veel overeenkomst: de
tegenwoordige Aziatische rhinoceros herinnert aan den rhinoceros Schleiermacheri
van Pikermi, Eppelsheim en Sansan; de tweehoornige Afrikaansche rhinoceros
heeft eene treffende overeenkomst met den rhinoceros pachygnathus van Pikermi.
De rhinocerossen zijn nog niet zeer oud; zij zijn in de tertiaire periode
voorafgegaan door de acerotheriums, de paleotheriums, de paloplotheriums. De
omstandigheden, om de ontwikkelingsleer te bestudeeren. Die wezens, wier huid
meestal fijn, en òf naakt òf alleen met haren bedekt was, hebben eerst hunne volle
ontwikkeling bereikt, toen de ontzaglijke kruipende dieren der secundaire periode
waren uitgestorven, wier lederachtige en dikwijls gepantserde huid groote
voordeelen opleverde in den strijd om het bestaan. Tijdens het grootste gedeelte der
tertiaire periode verschilden de zoogdieren zeer veel van de tegenwoordige
zoogdieren; zij waren nog in volle ontwikkeling.
Staan wij een oogenblik stil bij de dikhuidigen, die de gipsgroeven in de omstreken
van Parijs tot graftombe hadden. Montmartre en Pantin waren hun laatste
toevluchtsoord. Ieder blok, dat uit die groeven komt, bevat een of ander stuk van
een been dier zoogdieren, en hoeveel millioenen van die beenderen zijn verwoest
geworden, vóórdat men aan de studie der paleontologie zijne aandacht wijdde.
De dikhuidigen kunnen in twee hoofdgroepen verdeeld worden: die met een
oneven aantal teenen, zooals de rhinoceros en de tapir, en die met een even aantal
teenen, zooals het zwijn en het nijlpaard. In onzen tijd zijn de verschillende soorten
van dikhuidigen voor het meerendeel scherp van elkander gescheiden, en in dit
opzicht vertoonen zij een groot verschil met de herkauwende dieren, waarvan
sommige zóó op elkander gelijken, dat men onmogelijk de grenslijn tusschen de
verschillende soorten trekken kan. De tegenwoordige dikhuidigen zouden er toe
bijdragen om de meening van ons af te werpen, dat de verschillende soorten van
elkander zijn afgestamd; doch indien wij tot de geologische perioden doordringen,
dan zien wij de ledige ruimten zich aanvullen: „De verschillende soorten, zegt
Gaudry, liggen zóó dicht bij elkander, dat men moeilijk het denkbeeld van zich kan
afzetten, dat die gelijkenis op eene gemeenschappelijke afstamming wijst.”
Als voorbeeld der tegenwoordige dikhuidigen, die van tertiaire soorten schijnen te
zijn afgeleid, kan men den rhinoceros noemen. Die welke in Afrika te huis
behooren, verschillen in vele opzichten van die, welke in Azië leven; er is dus geen
grond, om te meenen, dat de ééne soort in rechte lijn van de andere afstamt. Het is
veeleer natuurlijk te meenen, dat zij beide afstammen van hunne tertiaire
voorgangers; want zij hebben daarmede bijzonder veel overeenkomst: de
tegenwoordige Aziatische rhinoceros herinnert aan den rhinoceros Schleiermacheri
van Pikermi, Eppelsheim en Sansan; de tweehoornige Afrikaansche rhinoceros
heeft eene treffende overeenkomst met den rhinoceros pachygnathus van Pikermi.
De rhinocerossen zijn nog niet zeer oud; zij zijn in de tertiaire periode
voorafgegaan door de acerotheriums, de paleotheriums, de paloplotheriums. De
Page 497
romp en de ledematen van die verschillende dieren hebben merkwaardig veel
overkomst met elkander. Hunne verdeeling in soorten berust op het onderzoek van
den schedel en hunne tandvorming; zij verschillen niet zóóveel, of men kan nog
begrijpen, dat zij gemeenschappelijke stamouders bezaten.
Opdat onze lezers zelf over die verwantschap kunnen oordeelen, geven wij in fig.
284 en 285 de fossiele geraamten weer, wier vergelijking ons als het ware eene
openbaring is van hunne afstamming. Het eerste is van het paleotherium magnum
der bovenste eocene formatie; het tweede is van den rhinoceros pachygnathus uit
de bovenste miocene formatie. Zoo wordt door de meest verschillende feiten de
leer van de verandering der soorten bevestigd.
Het valt niet te ontkennen, dat de plotselinge verschijning der groote zoogdieren,
paleotheriums, anoplotheriums, in de tertiaire formatie, de geologen evenzeer
moest verwonderen als de verschijning van de pyramiden van Egypte, de groote
tempels van Palmyra, Paestum en andere de verbazing opwekken van den
ontwikkelden reiziger.
Zij, die voor het eerst die tempels en pyramiden zagen, schreven den bouw toe aan
denkbeeldige wezens, demonen, feeën, goede geesten, die in de plaats treden van
de verdwenen macht der oude beschaving. Vandaar het groote aantal legenden,
overleveringen en volksgedichten, die aan ieder dier ruïnen verbonden zijn.
Tevergeefs hebben de nieuwe ontdekkingen de verschillende ontwikkelingsphasen
der menschheid leeren kennen, tevergeefs hebben zij doen zien, hoeveel
tusschenschakels er waren tusschen het steenen en het ijzeren tijdperk, hoeveel
voorloopige toestanden er noodig waren voor ieder standpunt der menschheid; hoe
lang de arische volksstammen de ontwikkeling van het sanskrit zijn voorafgegaan;
hoe zich achter iedere oudheid eene nog oudere oudheid openbaart, achter ieder
geslacht een nog ouder geslacht, en hoeveel honderden eeuwen reeds verloopen
waren, vóórdat de eerstgeborenen van den eersten dag der menschenwereld het
daglicht zagen. Tevergeefs, want de gewoonte wint het van hetgeen wij
aanschouwen. Wij moeten ons dus niet er over verwonderen, dat bij de eerste
openbaring van de beenderen in de tertiaire formatie verspreid, eene dergelijke
stomme verbazing den geest bevangen hield. De menschelijke geest kon het raadsel
niet ontwarren. Hoe zouden de geleerdste, de verstandigste, de meest logische
denkers een ander antwoord kunnen gegeven hebben, dan: „Het gaat de
menschelijke bevatting te boven. Laat ons het onmogelijke niet beproeven. De
organismen, wier overblijfselen wij zooeven ontdekt hebben, waren reeds van het
begin af wat zij later waren. Zij zijn geheel afgewerkt uit de hand van den Schepper
overkomst met elkander. Hunne verdeeling in soorten berust op het onderzoek van
den schedel en hunne tandvorming; zij verschillen niet zóóveel, of men kan nog
begrijpen, dat zij gemeenschappelijke stamouders bezaten.
Opdat onze lezers zelf over die verwantschap kunnen oordeelen, geven wij in fig.
284 en 285 de fossiele geraamten weer, wier vergelijking ons als het ware eene
openbaring is van hunne afstamming. Het eerste is van het paleotherium magnum
der bovenste eocene formatie; het tweede is van den rhinoceros pachygnathus uit
de bovenste miocene formatie. Zoo wordt door de meest verschillende feiten de
leer van de verandering der soorten bevestigd.
Het valt niet te ontkennen, dat de plotselinge verschijning der groote zoogdieren,
paleotheriums, anoplotheriums, in de tertiaire formatie, de geologen evenzeer
moest verwonderen als de verschijning van de pyramiden van Egypte, de groote
tempels van Palmyra, Paestum en andere de verbazing opwekken van den
ontwikkelden reiziger.
Zij, die voor het eerst die tempels en pyramiden zagen, schreven den bouw toe aan
denkbeeldige wezens, demonen, feeën, goede geesten, die in de plaats treden van
de verdwenen macht der oude beschaving. Vandaar het groote aantal legenden,
overleveringen en volksgedichten, die aan ieder dier ruïnen verbonden zijn.
Tevergeefs hebben de nieuwe ontdekkingen de verschillende ontwikkelingsphasen
der menschheid leeren kennen, tevergeefs hebben zij doen zien, hoeveel
tusschenschakels er waren tusschen het steenen en het ijzeren tijdperk, hoeveel
voorloopige toestanden er noodig waren voor ieder standpunt der menschheid; hoe
lang de arische volksstammen de ontwikkeling van het sanskrit zijn voorafgegaan;
hoe zich achter iedere oudheid eene nog oudere oudheid openbaart, achter ieder
geslacht een nog ouder geslacht, en hoeveel honderden eeuwen reeds verloopen
waren, vóórdat de eerstgeborenen van den eersten dag der menschenwereld het
daglicht zagen. Tevergeefs, want de gewoonte wint het van hetgeen wij
aanschouwen. Wij moeten ons dus niet er over verwonderen, dat bij de eerste
openbaring van de beenderen in de tertiaire formatie verspreid, eene dergelijke
stomme verbazing den geest bevangen hield. De menschelijke geest kon het raadsel
niet ontwarren. Hoe zouden de geleerdste, de verstandigste, de meest logische
denkers een ander antwoord kunnen gegeven hebben, dan: „Het gaat de
menschelijke bevatting te boven. Laat ons het onmogelijke niet beproeven. De
organismen, wier overblijfselen wij zooeven ontdekt hebben, waren reeds van het
begin af wat zij later waren. Zij zijn geheel afgewerkt uit de hand van den Schepper
Page 498
gekomen. Meer te willen weten, is de grenzen van ons kenvermogen overschrijden.
Pas op, dat het u niet duizelt: houd stil. Tracht God niet van aangezicht tot
aangezicht te zien.”
Ziedaar, met andere woorden, het antwoord van Cuvier, die voor den geest die
nieuwe afgronden geopend had. Maar de menschelijke weetgierigheid,
tegelijkertijd aangetrokken en afgestooten, kon geen vrede hebben met eene zoo
groote angstvalligheid. De onmogelijkheid der oude verklaring sprong in het oog.
Hoe kan de eik plotseling haren vollen wasdom bereikt hebben, hoe kan de leeuw
uit het niet ontstaan zijn, zonder eerst welp geweest te zijn?
En de mensch, dien men zich dertig jaren oud, en dus volwassen moest voorstellen,
zonder moeder, zonder kindsheid, dadelijk met zijne volle kracht en volle oefening!
En die oefening is noodig voor de minste beweging, voor de nietigste handeling,
voor het eenvoudigste gebruik der zintuigen. Wat zou die man van dertig jaren
uitrichten, die plotseling verschenen was, en niet had leeren zien, betasten en
hooren. Wat zou hij hebben aan zijne machtige armen, als hij niet kon grijpen, aan
zijne oogen, als hij niet had leeren zien en had leeren afstanden beoordeelen; aan
zijne voeten, als hij niet had leeren loopen. Zijne kracht zelf zoude zich tegen hem
keeren.
Fig. 284. De verandering der soorten: geraamte van het paleotherium.
De oplossing kwam, zooals wij zagen, van verschillende punten te gelijk. Eerst ziet
men hier en daar losse draden, die tot geleiddraden konden dienen. De wezens, die
in de verschillende tijdperken op elkander gevolgd zijn, hebben dikwijls naast
Pas op, dat het u niet duizelt: houd stil. Tracht God niet van aangezicht tot
aangezicht te zien.”
Ziedaar, met andere woorden, het antwoord van Cuvier, die voor den geest die
nieuwe afgronden geopend had. Maar de menschelijke weetgierigheid,
tegelijkertijd aangetrokken en afgestooten, kon geen vrede hebben met eene zoo
groote angstvalligheid. De onmogelijkheid der oude verklaring sprong in het oog.
Hoe kan de eik plotseling haren vollen wasdom bereikt hebben, hoe kan de leeuw
uit het niet ontstaan zijn, zonder eerst welp geweest te zijn?
En de mensch, dien men zich dertig jaren oud, en dus volwassen moest voorstellen,
zonder moeder, zonder kindsheid, dadelijk met zijne volle kracht en volle oefening!
En die oefening is noodig voor de minste beweging, voor de nietigste handeling,
voor het eenvoudigste gebruik der zintuigen. Wat zou die man van dertig jaren
uitrichten, die plotseling verschenen was, en niet had leeren zien, betasten en
hooren. Wat zou hij hebben aan zijne machtige armen, als hij niet kon grijpen, aan
zijne oogen, als hij niet had leeren zien en had leeren afstanden beoordeelen; aan
zijne voeten, als hij niet had leeren loopen. Zijne kracht zelf zoude zich tegen hem
keeren.
Fig. 284. De verandering der soorten: geraamte van het paleotherium.
De oplossing kwam, zooals wij zagen, van verschillende punten te gelijk. Eerst ziet
men hier en daar losse draden, die tot geleiddraden konden dienen. De wezens, die
in de verschillende tijdperken op elkander gevolgd zijn, hebben dikwijls naast
Page 499
groote verschilpunten, trekken van overeenkomst behouden. Daar wij de laatst
opgetreden wezens der schepping zijn, hebben wij de geboorte der wezens niet
bijgewoond. „Wij zijn gelijk aan de wezens van één dag, die sterven op den dag,
waarop zij geboren zijn, wij hebben den tijd niet gehad om de
gedaanteverwisselingen der organische wereld te leeren kennen.” En toch, indien
wij de overblijfselen bestudeeren, die in de lagen der aarde verborgen zijn, dan
kunnen wij uit de overeenstemming tusschen de dieren van onzen tijd en hunne
voorgangers een besluit trekken omtrent hunne verwantschap. Wij vinden b.v. in
fossielen toestand hyena’s, katten, olifanten, rhinocerossen, tapirs, zwijnen, herten,
gazellen, dolfijnen enz., die nauwelijks van de tegenwoordige soorten kunnen
onderscheiden worden; men mag dus besluiten, dat zij de voorouders dier dieren
geweest zijn, daar het verschil niet grooter is dan dat van rassen, die eenen
gemeenschappelijken oorsprong hebben; in de geologische tijden, zoowel als in de
tegenwoordige tijden, hebben zich de soorten tot rassen onderverdeeld, en het is
onmogelijk te zeggen, waar de soort begint, waar het ras ophoudt.
Fig. 285. De verandering der soorten: geraamte van den rhinoceros.
Doch het zijn niet alleen de soorten van eenzelfde geslacht, die de sporen van
verwantschap dragen. „Als ik zie, zegt Gaudry, dat het paard op het hipparion
gevolgd is, de olifant op den mastodon, de rhinoceros op het paleotherium, de tapir
op den lophiodon, de otter op den lutrictis, de hyena op het ictitherium, de hond op
den amphicyon, de semnopithecus op den mesopithecus enz., dan geloof ik, dat die
geslachten door nauwe banden verbonden zijn, want hunne punten van
overeenkomst hebben verreweg de overhand boven hunne punten van verschil.
opgetreden wezens der schepping zijn, hebben wij de geboorte der wezens niet
bijgewoond. „Wij zijn gelijk aan de wezens van één dag, die sterven op den dag,
waarop zij geboren zijn, wij hebben den tijd niet gehad om de
gedaanteverwisselingen der organische wereld te leeren kennen.” En toch, indien
wij de overblijfselen bestudeeren, die in de lagen der aarde verborgen zijn, dan
kunnen wij uit de overeenstemming tusschen de dieren van onzen tijd en hunne
voorgangers een besluit trekken omtrent hunne verwantschap. Wij vinden b.v. in
fossielen toestand hyena’s, katten, olifanten, rhinocerossen, tapirs, zwijnen, herten,
gazellen, dolfijnen enz., die nauwelijks van de tegenwoordige soorten kunnen
onderscheiden worden; men mag dus besluiten, dat zij de voorouders dier dieren
geweest zijn, daar het verschil niet grooter is dan dat van rassen, die eenen
gemeenschappelijken oorsprong hebben; in de geologische tijden, zoowel als in de
tegenwoordige tijden, hebben zich de soorten tot rassen onderverdeeld, en het is
onmogelijk te zeggen, waar de soort begint, waar het ras ophoudt.
Fig. 285. De verandering der soorten: geraamte van den rhinoceros.
Doch het zijn niet alleen de soorten van eenzelfde geslacht, die de sporen van
verwantschap dragen. „Als ik zie, zegt Gaudry, dat het paard op het hipparion
gevolgd is, de olifant op den mastodon, de rhinoceros op het paleotherium, de tapir
op den lophiodon, de otter op den lutrictis, de hyena op het ictitherium, de hond op
den amphicyon, de semnopithecus op den mesopithecus enz., dan geloof ik, dat die
geslachten door nauwe banden verbonden zijn, want hunne punten van
overeenkomst hebben verreweg de overhand boven hunne punten van verschil.
Page 500
Indien ik geloof aan de verwantschap van dieren, tot verschillende geslachten
behoorende, dan geloof ik ook aan de verwantschap van dieren uit verschillende
orden; ik zie immers herkauwende en eenhoevige dieren in de plaats treden van
dikhuidige dieren, die zóó dicht daartoe naderen, dat niemand de grens kan
aanwijzen tusschen de dikhuidige, de éénhoevige en de herkauwende dieren. Het
komt mij dus voor, dat de paleontologen gerechtigd zijn tot de meening, dat zij
talrijke punten van verwantschap ontdekt hebben tusschen de tegenwoordige dieren
en de zoogdieren, die hun in de geologische tijden zijn voorafgegaan.”
„Naarmate ik mijne waarnemingen verder heb uitgebreid, zegt de uitnemende
natuuronderzoeker verder, ben ik bevestigd in de meening, dat de wezens niet
afzonderlijk op aarde verschenen zijn, zonder eenig verband; ik geloof, dat in de
schijnbare verscheidenheid der natuur een plan bestaat, waarin de oneindige
Schepper den stempel zijner éénheid gedrukt heeft. Vandaar, dat het denkbeeld, om
iets van dat plan te ontdekken, mijne schreden op het gebied der paleontologie
gericht heeft.”
Die natuurwet wordt meer en meer bevestigd, naarmate wij in onze kennis van de
geschiedenis der aarde vooruitgaan. Naarmate zich de omgeving wijzigt, wijzigen
zich tegelijkertijd de levende soorten.
De nieuwe dieren der eocene periode kruipen niet meer, zij loopen en springen en
blijven niet in de modder van een moeras stil zitten. Zij zijn meesters der aarde en
kennen haar, want zij dwalen ver weg, tot kudden vereenigd.
Sommigen klauteren in de boomen en knagen van de vruchten, die de tertiaire flora
voor hen heeft doen rijpen; anderen springen van rots op rots tot den top der juist
boven water verrezen bergen; bijna allen hebben de schubbige wapenrusting der
kruipende dieren afgelegd. Het zijn dikhuidige zoogdieren, wier huid met haren
bedekt is. Geen enkele hinderpaal houdt hen tegen; als eene streek uitgeput is, gaan
zij verder. Het zijn het anoplotherium, de xiphodon, het paleotherium.
Er zijn er reeds, die in de aarde wroeten met hunnen grooten snuit; anderen
ontwortelen de heesters met hunne lange ivoren tanden. De meesten, zooals het
anoplotherium, zijn geheel zonder wapenen. Zonder verdedigingsmiddelen zijn zij
verschenen op de aarde, waar de oude kruipende bevolking niets tegen hen
vermocht. Hunne kracht zetelt in de vier dunne pooten, die hen in één oogenblik
ver weg kunnen dragen.
behoorende, dan geloof ik ook aan de verwantschap van dieren uit verschillende
orden; ik zie immers herkauwende en eenhoevige dieren in de plaats treden van
dikhuidige dieren, die zóó dicht daartoe naderen, dat niemand de grens kan
aanwijzen tusschen de dikhuidige, de éénhoevige en de herkauwende dieren. Het
komt mij dus voor, dat de paleontologen gerechtigd zijn tot de meening, dat zij
talrijke punten van verwantschap ontdekt hebben tusschen de tegenwoordige dieren
en de zoogdieren, die hun in de geologische tijden zijn voorafgegaan.”
„Naarmate ik mijne waarnemingen verder heb uitgebreid, zegt de uitnemende
natuuronderzoeker verder, ben ik bevestigd in de meening, dat de wezens niet
afzonderlijk op aarde verschenen zijn, zonder eenig verband; ik geloof, dat in de
schijnbare verscheidenheid der natuur een plan bestaat, waarin de oneindige
Schepper den stempel zijner éénheid gedrukt heeft. Vandaar, dat het denkbeeld, om
iets van dat plan te ontdekken, mijne schreden op het gebied der paleontologie
gericht heeft.”
Die natuurwet wordt meer en meer bevestigd, naarmate wij in onze kennis van de
geschiedenis der aarde vooruitgaan. Naarmate zich de omgeving wijzigt, wijzigen
zich tegelijkertijd de levende soorten.
De nieuwe dieren der eocene periode kruipen niet meer, zij loopen en springen en
blijven niet in de modder van een moeras stil zitten. Zij zijn meesters der aarde en
kennen haar, want zij dwalen ver weg, tot kudden vereenigd.
Sommigen klauteren in de boomen en knagen van de vruchten, die de tertiaire flora
voor hen heeft doen rijpen; anderen springen van rots op rots tot den top der juist
boven water verrezen bergen; bijna allen hebben de schubbige wapenrusting der
kruipende dieren afgelegd. Het zijn dikhuidige zoogdieren, wier huid met haren
bedekt is. Geen enkele hinderpaal houdt hen tegen; als eene streek uitgeput is, gaan
zij verder. Het zijn het anoplotherium, de xiphodon, het paleotherium.
Er zijn er reeds, die in de aarde wroeten met hunnen grooten snuit; anderen
ontwortelen de heesters met hunne lange ivoren tanden. De meesten, zooals het
anoplotherium, zijn geheel zonder wapenen. Zonder verdedigingsmiddelen zijn zij
verschenen op de aarde, waar de oude kruipende bevolking niets tegen hen
vermocht. Hunne kracht zetelt in de vier dunne pooten, die hen in één oogenblik
ver weg kunnen dragen.
Page 501
Elke nieuwe vorm der aarde spiegelt zich af in de zeden, de gewoonten, het instinct
en de gedaante der wezens: allen worden meer of minder gewijzigd door die
nieuwe verdeeling van land en water, door de opheffing der bergen en de afkoeling
op de hoogten; iedere nieuwe vorm der aarde wordt afgedrukt in den vorm van
ieder wezen.
Wij zullen daarvoor een nieuw bewijs leveren.
De Jurastreek en een groot gedeelte van de omgeving der centrale bergvlakte van
Frankrijk zijn op verscheidene plaatsen bedekt door eene bijzondere formatie, die
wegens den overvloed van korrelig ijzererts den naam gekregen heeft van
siderolithische formatie. Die formatie dagteekent van de tweede helft der eocene
periode. De lagen phosphorzure kalk, die men in zoo groote menigte te Quercy
vindt, hebben in menig opzicht groote overeenkomst met de siderolithische
formatie, en schijnen even als deze grootendeels tot de laatste helft der eocene
periode te behooren. Die lagen bevatten een groot aantal fossielen, vooral van
zoogdieren.
Die phosphorlagen dan hebben een hoogst merkwaardig geslacht leeren kennen als
tusschenvorm tusschen de buideldieren en de placentaire zoogdieren, het is een
verscheurend dier, door Filhol cynohyaenodon, door Gaudry proviverra genoemd.
De schedelholte toont aan, dat de hersenhalfronden voorzien waren van een aantal
in de lengte gerangschikte windingen misschien vier in getal, en dat de twee
middelste een begin van kronkelingen vertoonden; het achterhoofd was geheel
bloot en zeer stevig.
De naam yan thylacomorphus, waaronder die schedel is ingeschreven, toont aan,
dat hij, volgens den geleerden directeur van het Museüm, verwantschap had met de
buideldieren.
Ook heeft men in de lagere tertiaire formatie een verscheurend dier gevonden, dat
tot een geheel ander type behoort, dan alle voorgaande: zijne tanden zijn niet
scherp en wijzen op de voeding der beren, die tot de allesetende (omnivore) dieren
behooren; dat dier is de arctocyon uit de zandsteenformatie van la Fère; het is het
oudste van alle tot nu toe bekende zoogdieren in de tertiaire formatie. Bekwame
paleontologen hebben gemeend, dat het dier tot de placentaire zoogdieren
behoorde; het is echter voornamelijk uit den vorm van den schedel gebleken, dat
het meer tot de buideldieren naderde.
en de gedaante der wezens: allen worden meer of minder gewijzigd door die
nieuwe verdeeling van land en water, door de opheffing der bergen en de afkoeling
op de hoogten; iedere nieuwe vorm der aarde wordt afgedrukt in den vorm van
ieder wezen.
Wij zullen daarvoor een nieuw bewijs leveren.
De Jurastreek en een groot gedeelte van de omgeving der centrale bergvlakte van
Frankrijk zijn op verscheidene plaatsen bedekt door eene bijzondere formatie, die
wegens den overvloed van korrelig ijzererts den naam gekregen heeft van
siderolithische formatie. Die formatie dagteekent van de tweede helft der eocene
periode. De lagen phosphorzure kalk, die men in zoo groote menigte te Quercy
vindt, hebben in menig opzicht groote overeenkomst met de siderolithische
formatie, en schijnen even als deze grootendeels tot de laatste helft der eocene
periode te behooren. Die lagen bevatten een groot aantal fossielen, vooral van
zoogdieren.
Die phosphorlagen dan hebben een hoogst merkwaardig geslacht leeren kennen als
tusschenvorm tusschen de buideldieren en de placentaire zoogdieren, het is een
verscheurend dier, door Filhol cynohyaenodon, door Gaudry proviverra genoemd.
De schedelholte toont aan, dat de hersenhalfronden voorzien waren van een aantal
in de lengte gerangschikte windingen misschien vier in getal, en dat de twee
middelste een begin van kronkelingen vertoonden; het achterhoofd was geheel
bloot en zeer stevig.
De naam yan thylacomorphus, waaronder die schedel is ingeschreven, toont aan,
dat hij, volgens den geleerden directeur van het Museüm, verwantschap had met de
buideldieren.
Ook heeft men in de lagere tertiaire formatie een verscheurend dier gevonden, dat
tot een geheel ander type behoort, dan alle voorgaande: zijne tanden zijn niet
scherp en wijzen op de voeding der beren, die tot de allesetende (omnivore) dieren
behooren; dat dier is de arctocyon uit de zandsteenformatie van la Fère; het is het
oudste van alle tot nu toe bekende zoogdieren in de tertiaire formatie. Bekwame
paleontologen hebben gemeend, dat het dier tot de placentaire zoogdieren
behoorde; het is echter voornamelijk uit den vorm van den schedel gebleken, dat
het meer tot de buideldieren naderde.
Page 502
Wij mogen ons dus afvragen, of de placentaire zoogdieren niet afstammen van de
buideldieren. Indien wij weten, dat de pterodon, de hyaenodon, de paleonictis, de
proviverra, de arctocyon geleefd hebben in het tijdperk, waarop de buideldieren op
het punt waren uit Europa te verdwijnen, om plaats te maken voor de placentaire
zoogdieren, en wij zien, dat die verscheurende dieren tegelijkertijd karaktertrekken
gemeen hebben met de buideldieren en de placentaire zoogdieren, dan mogen wij
aannemen, dat zij inderdaad de afstammelingen zijn van de buideldieren der
secundaire periode.
Men vindt zelfs herinneringen aan den bouw der buideldieren bij dieren, die het
voorkomen hebben van ware placentaire dieren; zoo heeft de amphicyon, die tot de
familie der honden behoort, hetzelfde aantal bovenachterkiezen als de buideldieren
en zijn schouderblad gelijkt meer op dat van die dieren dan op dat der honden. De
cynodon is verwant aan den hond en de civetkat.
Het ligt dus voor de hand, te besluiten, dat de tegenwoordige wezens van die der
oude tijden afstammen. De geschiedenis van een bepaald tijdperk hangt samen met
die van het voorafgaande tijdperk.
De eocene periode heeft de geboorte bijgewoond van de halfapen, wezens, die
vroeger door de natuuronderzoekers onder de apen gerangschikt werden, maar die
dien naam niet verdienen en veeleer tusschen de handvleugeligen (vleermuizen) en
de apen inliggen. Men zal zich rekenschap geven van de punten van verschil
tusschen de halfapen en de apen, als men bedenkt, dat tot de eerste behooren de
maki, de lori, de galago, de tarsius (spookaap), de galeopithecus, (kataap) terwijl
tot de tweede behooren de sajou, de baviaan, de makaki, de groene meerkat, de
hulman, de gibbon, de orang-oetan, de chimpansee en de gorilla. Het onderscheid
is bijzonder groot, de vierhandigen omvatten dus twee duidelijk van elkander te
onderscheiden groepen: de halfapen en de apen.
buideldieren. Indien wij weten, dat de pterodon, de hyaenodon, de paleonictis, de
proviverra, de arctocyon geleefd hebben in het tijdperk, waarop de buideldieren op
het punt waren uit Europa te verdwijnen, om plaats te maken voor de placentaire
zoogdieren, en wij zien, dat die verscheurende dieren tegelijkertijd karaktertrekken
gemeen hebben met de buideldieren en de placentaire zoogdieren, dan mogen wij
aannemen, dat zij inderdaad de afstammelingen zijn van de buideldieren der
secundaire periode.
Men vindt zelfs herinneringen aan den bouw der buideldieren bij dieren, die het
voorkomen hebben van ware placentaire dieren; zoo heeft de amphicyon, die tot de
familie der honden behoort, hetzelfde aantal bovenachterkiezen als de buideldieren
en zijn schouderblad gelijkt meer op dat van die dieren dan op dat der honden. De
cynodon is verwant aan den hond en de civetkat.
Het ligt dus voor de hand, te besluiten, dat de tegenwoordige wezens van die der
oude tijden afstammen. De geschiedenis van een bepaald tijdperk hangt samen met
die van het voorafgaande tijdperk.
De eocene periode heeft de geboorte bijgewoond van de halfapen, wezens, die
vroeger door de natuuronderzoekers onder de apen gerangschikt werden, maar die
dien naam niet verdienen en veeleer tusschen de handvleugeligen (vleermuizen) en
de apen inliggen. Men zal zich rekenschap geven van de punten van verschil
tusschen de halfapen en de apen, als men bedenkt, dat tot de eerste behooren de
maki, de lori, de galago, de tarsius (spookaap), de galeopithecus, (kataap) terwijl
tot de tweede behooren de sajou, de baviaan, de makaki, de groene meerkat, de
hulman, de gibbon, de orang-oetan, de chimpansee en de gorilla. Het onderscheid
is bijzonder groot, de vierhandigen omvatten dus twee duidelijk van elkander te
onderscheiden groepen: de halfapen en de apen.
Page 503
Fig. 286.—De galeopithecus, halfaap der eocene periode.
Rüttmeyer is de eerste, die eenen fossielen halfaap gevonden heeft. De geleerde
Bazelsche hoogleeraar vond onder de eocene fossielen, in de siderolithische
formatie van Egerkingen bij Solothurn een stuk van eene kaak, die slechts drie
kiezen bevatte; daarin wist hij eenen halfaap te herkennen, dien hij den naam gaf
van coenopithecus.
In 1873 vond Delfortrie in de phosphor-lagen eenen bijna volledigen kop van eenen
oorspronkelijken halfaap, dien hij den naam gaf van palaeolemur.
Na dien tijd vond Filhol in diezelfde formatie den kop van eene tweede soort van
datzelfde geslacht, die zich door zijne grootere afmetingen en vooral door zijnen
gerekten vorm onderscheidde. Dezelfde natuuronderzoeker heeft nog eenen kleinen
halfaap, door hem necrolemur genaamd, leeren kennen.
Gaudry leidt uit het onderzoek der halfapen, die in de phosphorzure kalk gevonden
zijn, af, dat zij eenen gemeenschappelijken oorsprong met de eocene dikhuidige
Rüttmeyer is de eerste, die eenen fossielen halfaap gevonden heeft. De geleerde
Bazelsche hoogleeraar vond onder de eocene fossielen, in de siderolithische
formatie van Egerkingen bij Solothurn een stuk van eene kaak, die slechts drie
kiezen bevatte; daarin wist hij eenen halfaap te herkennen, dien hij den naam gaf
van coenopithecus.
In 1873 vond Delfortrie in de phosphor-lagen eenen bijna volledigen kop van eenen
oorspronkelijken halfaap, dien hij den naam gaf van palaeolemur.
Na dien tijd vond Filhol in diezelfde formatie den kop van eene tweede soort van
datzelfde geslacht, die zich door zijne grootere afmetingen en vooral door zijnen
gerekten vorm onderscheidde. Dezelfde natuuronderzoeker heeft nog eenen kleinen
halfaap, door hem necrolemur genaamd, leeren kennen.
Gaudry leidt uit het onderzoek der halfapen, die in de phosphorzure kalk gevonden
zijn, af, dat zij eenen gemeenschappelijken oorsprong met de eocene dikhuidige
Page 504
dieren kunnen gehad hebben. De waarschijnlijkheid van die meening neemt toe, nu
Milne-Edwards en Grandidier in hun werk over de zoogdieren van Madagascar
bewezen hebben, hoe groote overeenkomst er bestaat tusschen de halfapen en de
veelhoevige dieren. Om aan te toonen, dat verscheidene der halfapen
karaktertrekken gehad hebben tusschen de tegenwoordige halfapen en de eocene
dikhuidigen, behoeven wij slechts de omstandigheden hunner ontdekking te
vermelden. Toen Delfortrie den schedel van den door hem ontdekten halfaap
bestudeerd had, zond hij dien naar Gaudry met verscheidene andere fragmenten,
die in de phosphorzure kalk gevonden waren. Onder die monsters was ook eene
kaak, die hem herinnerde aan een stuk uit de gipsgroeven van Parijs, waarvan de
indeeling hem veel moeite gekost had, en dat geleek op eene kaak door Gervais
onder den naam van aphelotherium beschreven, maar waarvan het moeilijk was te
zeggen, tot welke groep zij moest worden gerekend. De vergelijking van zoodanige
kaken met de stukken, door Delfortrie ontdekt en met die van de levende halfapen,
overtuigde hem, dat de monsters van den geleerden natuuronderzoeker en de kaken
van het aphelotherium tot dezelfde halfapen behoorden. Tevens herinnerde hij zich,
dat in de bovenste eocene formatie een fossiel voorkwam, waarvan de
rangschikking even lastig was als van het aphelotherium: de adapis parisiensis, en
kwam hij tot de gevolgtrekking, dat ook deze tot diezelfde soort van halfapen
behoort. Is dit het geval, dan is het bewezen, dat de halfapen voorheen niet zoover
van de dikhuidigen verwijderd waren als thans: Cuvier toch rangschikt den adapis
onder de dikhuidigen. Gervais heeft voorloopig het aphelotherium naast de
dikhuidigen gerangschikt. Dat er eertijds trekken van overeenkomst bestaan hebben
tusschen de halfapen en de dikhuidigen, mag dus worden aangenomen,
niettegenstaande het ontdekte materiaal nog niet bijzonder rijk is. Gaudry is na het
onderzoek der gevonden kaken van meening, dat ook de apen van de dikhuidigen
kunnen afstammen.
Zooals men ziet, zijn de halfapen naar de ontwikkeling van het organische leven
sedert het begin der aarde, juist op hunnen tijd gekomen, en wel in de eocene
periode; wij zullen de ware apen in de volgende periode zien verschijnen. Fig. 286
geeft ons eene teekening van eenen halfaap, den galeopithecus, (kataap), die nauw
verwant is met de vleugelhandigen. Het merkwaardigste van dit halfslachtige
wezen is het vleugelvormig vlies, dat als valscherm dienst doet en dat het dier in
staat stelt, niet om te vliegen als de vleermuis (evenzoo een nauw verwant
zoogdier), maar om zich in de lucht in evenwicht te houden. Misschien is het
jammer, dat de mensch niet van den galeopithecus afstamt. Door de ontwikkeling
der organen en der levensverrichtingen zou hij dan ongetwijfeld hebben kunnen
vliegen.
Milne-Edwards en Grandidier in hun werk over de zoogdieren van Madagascar
bewezen hebben, hoe groote overeenkomst er bestaat tusschen de halfapen en de
veelhoevige dieren. Om aan te toonen, dat verscheidene der halfapen
karaktertrekken gehad hebben tusschen de tegenwoordige halfapen en de eocene
dikhuidigen, behoeven wij slechts de omstandigheden hunner ontdekking te
vermelden. Toen Delfortrie den schedel van den door hem ontdekten halfaap
bestudeerd had, zond hij dien naar Gaudry met verscheidene andere fragmenten,
die in de phosphorzure kalk gevonden waren. Onder die monsters was ook eene
kaak, die hem herinnerde aan een stuk uit de gipsgroeven van Parijs, waarvan de
indeeling hem veel moeite gekost had, en dat geleek op eene kaak door Gervais
onder den naam van aphelotherium beschreven, maar waarvan het moeilijk was te
zeggen, tot welke groep zij moest worden gerekend. De vergelijking van zoodanige
kaken met de stukken, door Delfortrie ontdekt en met die van de levende halfapen,
overtuigde hem, dat de monsters van den geleerden natuuronderzoeker en de kaken
van het aphelotherium tot dezelfde halfapen behoorden. Tevens herinnerde hij zich,
dat in de bovenste eocene formatie een fossiel voorkwam, waarvan de
rangschikking even lastig was als van het aphelotherium: de adapis parisiensis, en
kwam hij tot de gevolgtrekking, dat ook deze tot diezelfde soort van halfapen
behoort. Is dit het geval, dan is het bewezen, dat de halfapen voorheen niet zoover
van de dikhuidigen verwijderd waren als thans: Cuvier toch rangschikt den adapis
onder de dikhuidigen. Gervais heeft voorloopig het aphelotherium naast de
dikhuidigen gerangschikt. Dat er eertijds trekken van overeenkomst bestaan hebben
tusschen de halfapen en de dikhuidigen, mag dus worden aangenomen,
niettegenstaande het ontdekte materiaal nog niet bijzonder rijk is. Gaudry is na het
onderzoek der gevonden kaken van meening, dat ook de apen van de dikhuidigen
kunnen afstammen.
Zooals men ziet, zijn de halfapen naar de ontwikkeling van het organische leven
sedert het begin der aarde, juist op hunnen tijd gekomen, en wel in de eocene
periode; wij zullen de ware apen in de volgende periode zien verschijnen. Fig. 286
geeft ons eene teekening van eenen halfaap, den galeopithecus, (kataap), die nauw
verwant is met de vleugelhandigen. Het merkwaardigste van dit halfslachtige
wezen is het vleugelvormig vlies, dat als valscherm dienst doet en dat het dier in
staat stelt, niet om te vliegen als de vleermuis (evenzoo een nauw verwant
zoogdier), maar om zich in de lucht in evenwicht te houden. Misschien is het
jammer, dat de mensch niet van den galeopithecus afstamt. Door de ontwikkeling
der organen en der levensverrichtingen zou hij dan ongetwijfeld hebben kunnen
vliegen.
Page 505
Het einde der eocene periode, ook wel bekend onder den naam van oligocene
periode, heeft eerst de voornaamste opheffing der Pyreneën en later die van de
voornaamste Alpen medegemaakt. De gedaante der aarde wijzigt zich dus in die
periode zeer. Reeds vroeger merkten wij op, dat de zee, uit het noorden komende,
zich over een deel van Frankrijk, en over de Rijnvallei tot aan Bazel heeft
uitgebreid, en dat in de zuidelijke streken daarentegen de zee in zuidelijke richting
terugweek. Onder den invloed dier noordelijke zee wordt het klimaat van Europa
meer effen en gematigd.
Daarna wijkt de zee naar het noorden terug en wordt bijna geheel Europa vastland.
Het is het tijdperk der groote meren, zoowel in Frankrijk als in Zwitserland,
verscheidene deelen van Duitschland, Oostenrijk, Italië en Griekenland.
Tegelijkertijd vindt men in Noord-Duitschland de veenachtige lagunen, waarin de
bruinkool gevormd wordt. De uitbreiding der meren en de overvloed der
zoetwaterbezinkingen, zoowel als de rijkdom der plantenwereld, wijzen op de
toenemende vochtigheid van den bodem, gevoegd bij eene gematigde en
gelijkmatige temperatuur. De boomen met afvallende bladeren nemen in die tweede
phase eene groote vlucht, zonder dat echter de palmen ontbreken, die nog welig
tieren voorbij 50° N.B., dus nog in het noorden van Frankrijk, noch de
kamferboomen, wier noordelijke grens voorbij 55° ligt. De periode eindigt met
eene uitdroging der groote meren en het ontstaan van groote stroomen, waarop de
molasse zee volgt.
Waarschijnlijk behoort de bruinkool met fossiele planten, in Groenland op 70° N.-
B., en in Noord-Canada, IJsland en Spitzbergen ontdekt, tot de eocene formatie.
Die lagen bevatten 9 soorten van groote varens, 31 soorten van naaldboomen, 11
soorten van éénzaadlobbigen en 93 tweezaadlobbige planten, waaronder
noteboomen, platanen, beuken, eiken, ahornen, populieren enz.
Daar de afkoeling der aarde aan de polen begonnen is, zoo is het waarschijnlijk, dat
die flora, niettegenstaande het voorkomen van miocene soorten, die trouwens niet
meer dan een vierde deel van het geheel vormen, ouder is dan de Europeesche
miocene flora, dat is, ouder dan de periode, waarin de planten, die de miocene
periode kenmerken, zich zuidwaarts verplaatsten. Het noordelijkste punt, waar die
flora is waargenomen, is Grinnelland, op de 82ste paralel gelegen. Daar groeiden de
zilverspar en de cipres naast den populier en den berk, aan de oevers der meren, die
met nenufars bedekt waren; het klimaat was dus op korten afstand van de pool
hetzelfde als thans in de Vogezen. Maar de magnolia’s ontbraken er, terwijl deze
wel in Groenland, op 70° breedte gevonden werden. De gemiddelde
periode, heeft eerst de voornaamste opheffing der Pyreneën en later die van de
voornaamste Alpen medegemaakt. De gedaante der aarde wijzigt zich dus in die
periode zeer. Reeds vroeger merkten wij op, dat de zee, uit het noorden komende,
zich over een deel van Frankrijk, en over de Rijnvallei tot aan Bazel heeft
uitgebreid, en dat in de zuidelijke streken daarentegen de zee in zuidelijke richting
terugweek. Onder den invloed dier noordelijke zee wordt het klimaat van Europa
meer effen en gematigd.
Daarna wijkt de zee naar het noorden terug en wordt bijna geheel Europa vastland.
Het is het tijdperk der groote meren, zoowel in Frankrijk als in Zwitserland,
verscheidene deelen van Duitschland, Oostenrijk, Italië en Griekenland.
Tegelijkertijd vindt men in Noord-Duitschland de veenachtige lagunen, waarin de
bruinkool gevormd wordt. De uitbreiding der meren en de overvloed der
zoetwaterbezinkingen, zoowel als de rijkdom der plantenwereld, wijzen op de
toenemende vochtigheid van den bodem, gevoegd bij eene gematigde en
gelijkmatige temperatuur. De boomen met afvallende bladeren nemen in die tweede
phase eene groote vlucht, zonder dat echter de palmen ontbreken, die nog welig
tieren voorbij 50° N.B., dus nog in het noorden van Frankrijk, noch de
kamferboomen, wier noordelijke grens voorbij 55° ligt. De periode eindigt met
eene uitdroging der groote meren en het ontstaan van groote stroomen, waarop de
molasse zee volgt.
Waarschijnlijk behoort de bruinkool met fossiele planten, in Groenland op 70° N.-
B., en in Noord-Canada, IJsland en Spitzbergen ontdekt, tot de eocene formatie.
Die lagen bevatten 9 soorten van groote varens, 31 soorten van naaldboomen, 11
soorten van éénzaadlobbigen en 93 tweezaadlobbige planten, waaronder
noteboomen, platanen, beuken, eiken, ahornen, populieren enz.
Daar de afkoeling der aarde aan de polen begonnen is, zoo is het waarschijnlijk, dat
die flora, niettegenstaande het voorkomen van miocene soorten, die trouwens niet
meer dan een vierde deel van het geheel vormen, ouder is dan de Europeesche
miocene flora, dat is, ouder dan de periode, waarin de planten, die de miocene
periode kenmerken, zich zuidwaarts verplaatsten. Het noordelijkste punt, waar die
flora is waargenomen, is Grinnelland, op de 82ste paralel gelegen. Daar groeiden de
zilverspar en de cipres naast den populier en den berk, aan de oevers der meren, die
met nenufars bedekt waren; het klimaat was dus op korten afstand van de pool
hetzelfde als thans in de Vogezen. Maar de magnolia’s ontbraken er, terwijl deze
wel in Groenland, op 70° breedte gevonden werden. De gemiddelde
Page 506
jaartemperatuur van noordelijk Groenland was toen 12° en dus dezelfde als thans
die van Californië, terwijl op Spitzbergen (80° N.B.) de gemiddelde
jaartemperatuur 8° of 9° bedroeg. De flora van Groenland had eene merkwaardige
overeenkomst met die van de Parijsche lagere eocene formatie. De flora der
poolstreken is de onze voorafgegaan en heeft zich verplaatst naar Europa en
Amerika, terwijl de palmboomen, die voor het eerst in Europa gekomen zijn in de
krijtperiode, nooit binnen den poolcirkel zijn binnengedrongen.
Hoewel wij thans het nieuwere tijdvak van de geschiedenis der aarde zijn
binnengetreden, en de tertiaire periode nog zeer jong is met betrekking tot het
secundaire tijdperk, zoo zijn de veranderingen van de gedaante der aarde, die na
dien tijd hebben plaats gegrepen, verre van onbeteekenend. De zee is na het begin
der eocene periode naar Parijs, Londen, Brussel, Weenen, Berlijn, enz.
teruggekeerd. Een zeearm strekte zich tevens uit van Bordeaux, over Montpellier,
Lyon, Genève tot in Oostenrijk. Vroeger, in ons hoofdstuk over de tegenwoordige
veranderingen van den bodem, hebben wij gezien, dat die schommelingen der
aardoppervlakte nog in onzen tijd voortduren, en dat de zee weer aanwint in het
westen en noorden van Frankrijk, in België, Holland, in het zuiden van Zweden
enz. terwijl zij terugwijkt in het noorden van het Scandinavische schiereiland, aan
de mondingen van de Po, den Nijl, de Rhône enz. Zoo verandert onze planeet van
eeuw tot eeuw, evenals alle wezens, die haar bewonen.
Om het beeld der periode te voltooien, voegen wij hier nogmaals bij, hoewel wij
het reeds vroeger hebben opgemerkt, dat de Pyreneën in het laatste gedeelte der
eocene periode hunne voornaamste rijzing hebben verkregen, waarbij de
nummulieten-lagen tot eene hoogte van 3352 meters gestegen zijn. De Apenijnen
dagteekenen uit datzelfde tijdperk, dat is dus uit de oligocene periode, het einde
van het eocene tijdperk. De Alpen daarentegen hebben hunne grootste hoogte eerst
verkregen in de miocene periode, die wij in het volgende hoofdstuk tot het
onderwerp onzer studie zullen maken.
1 Naar het zand van Soissons.
2 Parijsch grofkalk.
3 Klei en zand van Tongeren in Limburg.
4 Kalksteen van Aquitanië.
5 Naar de Italiaansche heuvels (langhue).
6 Zwitsersche molasse. (Eibergen en Winterswijk).
die van Californië, terwijl op Spitzbergen (80° N.B.) de gemiddelde
jaartemperatuur 8° of 9° bedroeg. De flora van Groenland had eene merkwaardige
overeenkomst met die van de Parijsche lagere eocene formatie. De flora der
poolstreken is de onze voorafgegaan en heeft zich verplaatst naar Europa en
Amerika, terwijl de palmboomen, die voor het eerst in Europa gekomen zijn in de
krijtperiode, nooit binnen den poolcirkel zijn binnengedrongen.
Hoewel wij thans het nieuwere tijdvak van de geschiedenis der aarde zijn
binnengetreden, en de tertiaire periode nog zeer jong is met betrekking tot het
secundaire tijdperk, zoo zijn de veranderingen van de gedaante der aarde, die na
dien tijd hebben plaats gegrepen, verre van onbeteekenend. De zee is na het begin
der eocene periode naar Parijs, Londen, Brussel, Weenen, Berlijn, enz.
teruggekeerd. Een zeearm strekte zich tevens uit van Bordeaux, over Montpellier,
Lyon, Genève tot in Oostenrijk. Vroeger, in ons hoofdstuk over de tegenwoordige
veranderingen van den bodem, hebben wij gezien, dat die schommelingen der
aardoppervlakte nog in onzen tijd voortduren, en dat de zee weer aanwint in het
westen en noorden van Frankrijk, in België, Holland, in het zuiden van Zweden
enz. terwijl zij terugwijkt in het noorden van het Scandinavische schiereiland, aan
de mondingen van de Po, den Nijl, de Rhône enz. Zoo verandert onze planeet van
eeuw tot eeuw, evenals alle wezens, die haar bewonen.
Om het beeld der periode te voltooien, voegen wij hier nogmaals bij, hoewel wij
het reeds vroeger hebben opgemerkt, dat de Pyreneën in het laatste gedeelte der
eocene periode hunne voornaamste rijzing hebben verkregen, waarbij de
nummulieten-lagen tot eene hoogte van 3352 meters gestegen zijn. De Apenijnen
dagteekenen uit datzelfde tijdperk, dat is dus uit de oligocene periode, het einde
van het eocene tijdperk. De Alpen daarentegen hebben hunne grootste hoogte eerst
verkregen in de miocene periode, die wij in het volgende hoofdstuk tot het
onderwerp onzer studie zullen maken.
1 Naar het zand van Soissons.
2 Parijsch grofkalk.
3 Klei en zand van Tongeren in Limburg.
4 Kalksteen van Aquitanië.
5 Naar de Italiaansche heuvels (langhue).
6 Zwitsersche molasse. (Eibergen en Winterswijk).
Page 507
7 Klei uit Tortone. (Italië).
8 Overeenkomende met de formatie der Caspische zee.
9 Subapennijnsche zeevorming: Plaisance, enz.
10 Uitdroging van het Rhônebekken.
11 Strook van den elephas meridionalis van de Arnovallei.
12 Later, (fig. 284) geven wij het geraamte van het paleotherium, en op de volgende bladzijde (fig. 280) het
geheele dier. Het is niet, zooals men vroeger meende, log en lomp, maar het heeft eene sierlijke gestalte, en de
hals was misschien even lang als die van het paard en van denzelfden vorm als bij de lama.
13 δεινός, verschrikkelijk; κέρας, horen.
8 Overeenkomende met de formatie der Caspische zee.
9 Subapennijnsche zeevorming: Plaisance, enz.
10 Uitdroging van het Rhônebekken.
11 Strook van den elephas meridionalis van de Arnovallei.
12 Later, (fig. 284) geven wij het geraamte van het paleotherium, en op de volgende bladzijde (fig. 280) het
geheele dier. Het is niet, zooals men vroeger meende, log en lomp, maar het heeft eene sierlijke gestalte, en de
hals was misschien even lang als die van het paard en van denzelfden vorm als bij de lama.
13 δεινός, verschrikkelijk; κέρας, horen.
Page 508
Tweede hoofdstuk.
Page 509
De Miocene Periode.
De miocene periode, het middelste tijdperk der tertiaire periode, volgt op de tijden,
waarvan wij zooeven de geschiedenis geschetst hebben, en ziet de organische en
anorganische wereld voortschrijden naar den toestand, waarin zij thans verkeert. In
die nieuwe periode heeft de aarde ongeveer den vorm verkregen, dien zij thans nog
heeft, en de Alpen, zich verheffende tot de hoogte van de eeuwigdurende sneeuw,
zooals dit met de Pyreneën reeds in de vorige periode het geval geweest is, geven
aan west-Europa haren beslissenden vertikalen vorm, terwijl in het midden van
Frankrijk de bazaltuitbarstingen de vulkanen doen ontstaan, die hunne vlammen
zullen spuwen over een deel van het land. In die periode worden ook de hoogere
zoogdieren, de apen, geboren. Gewichtige vooruitgang!
De vulkanische uitbarstingen hebben in Cantal op de oorspronkelijke
granietmassa’s, die reeds eene hoogte hadden van 800 tot 900 meters, bergen doen
ontstaan, die nog thans, niettegenstaande de verwering, waardoor zij afgenomen
zijn, eene hoogte bereiken van 1800 tot 1900 meters. De dinotheriums en
hipparions zijn getuigen geweest van die uitbarstingen en hebben hunne sporen
achtergelaten in het grint, dat die bazaltmassa’s bedekt. De uitbarstingen van het
miocene bazalt zijn, na eenen tijd van rust, gevolgd door de uitstrooming eener
taaie massa, die thans als bouwsteen gebruikt wordt. Daarna is een krater ontstaan
tusschen de meren van Murat en Aurillac. Eene ontzaglijke bres is gevormd,
waaruit stroomen porfierhoudend bazalt stroomden, die de bosschen verbrandden,
welke tegen de hellingen van den berg gelegen waren. Daarna opende zich een
krater en wierp een’ aschregen tot op 20 tot 30 kilometers, die de planten in de
nabijheid bedelvend, het aanzijn gaf aan de aschsteenen van Cantal. Die
vulkanische uitbarstingen hebben geduurd tot aan de pliocene periode, waarin zich
de vulkanen van Mont-Dore en Puys geopend hebben.
Voor de eerste maal schijnt de aarde werkelijk uit het water verrezen te zijn. Het
zijn niet meer die losse strooken, die hier en daar uit de uitgebreide zee uitstaken;
het zijn nu groote uitgestrektheden, die eenen breeden grondslag vormen voor de
ontwikkeling van het leven op aarde. Wel zijn de Alpen nog slechts heuvels, doch
reeds zijn elf zuilen uit het water verrezen, die als het ware de wervelkolom
vormen van west-Europa, want die Alpeneilanden zijn met elkander verbonden en
wijzen den vorm aan van de lagere landen.
De miocene periode, het middelste tijdperk der tertiaire periode, volgt op de tijden,
waarvan wij zooeven de geschiedenis geschetst hebben, en ziet de organische en
anorganische wereld voortschrijden naar den toestand, waarin zij thans verkeert. In
die nieuwe periode heeft de aarde ongeveer den vorm verkregen, dien zij thans nog
heeft, en de Alpen, zich verheffende tot de hoogte van de eeuwigdurende sneeuw,
zooals dit met de Pyreneën reeds in de vorige periode het geval geweest is, geven
aan west-Europa haren beslissenden vertikalen vorm, terwijl in het midden van
Frankrijk de bazaltuitbarstingen de vulkanen doen ontstaan, die hunne vlammen
zullen spuwen over een deel van het land. In die periode worden ook de hoogere
zoogdieren, de apen, geboren. Gewichtige vooruitgang!
De vulkanische uitbarstingen hebben in Cantal op de oorspronkelijke
granietmassa’s, die reeds eene hoogte hadden van 800 tot 900 meters, bergen doen
ontstaan, die nog thans, niettegenstaande de verwering, waardoor zij afgenomen
zijn, eene hoogte bereiken van 1800 tot 1900 meters. De dinotheriums en
hipparions zijn getuigen geweest van die uitbarstingen en hebben hunne sporen
achtergelaten in het grint, dat die bazaltmassa’s bedekt. De uitbarstingen van het
miocene bazalt zijn, na eenen tijd van rust, gevolgd door de uitstrooming eener
taaie massa, die thans als bouwsteen gebruikt wordt. Daarna is een krater ontstaan
tusschen de meren van Murat en Aurillac. Eene ontzaglijke bres is gevormd,
waaruit stroomen porfierhoudend bazalt stroomden, die de bosschen verbrandden,
welke tegen de hellingen van den berg gelegen waren. Daarna opende zich een
krater en wierp een’ aschregen tot op 20 tot 30 kilometers, die de planten in de
nabijheid bedelvend, het aanzijn gaf aan de aschsteenen van Cantal. Die
vulkanische uitbarstingen hebben geduurd tot aan de pliocene periode, waarin zich
de vulkanen van Mont-Dore en Puys geopend hebben.
Voor de eerste maal schijnt de aarde werkelijk uit het water verrezen te zijn. Het
zijn niet meer die losse strooken, die hier en daar uit de uitgebreide zee uitstaken;
het zijn nu groote uitgestrektheden, die eenen breeden grondslag vormen voor de
ontwikkeling van het leven op aarde. Wel zijn de Alpen nog slechts heuvels, doch
reeds zijn elf zuilen uit het water verrezen, die als het ware de wervelkolom
vormen van west-Europa, want die Alpeneilanden zijn met elkander verbonden en
wijzen den vorm aan van de lagere landen.
Page 510
Tusschen het Juragebergte, dat reeds tot de helft zijner hoogte gekomen is, en de in
wording zijnde Alpen, blijft nog de zee in eene nauwe golf bestaan; zij beukt beide
oevers met hare golven, en hoopt aan de voeten dier bergen nieuwe schelpen op;
maar zij kan de twee forsche lijnen der Alpen en der Jura niet meer uitwisschen.
De Middellandsche zee, nog langen tijd onzeker van haar gebied, gaat vooruit en
wijkt weer terug door de Rhônevallei, Zwitserland en Beieren. De Indische zee
staat met de Middellandsche zee in verband, daar een deel van Egypte nog onder
water gelegen is. Maar er zijn uitgestrekte streken, die de zeeën niet meer kunnen
veroveren; zij moeten zich aan hare tegenwoordige bedding gewennen.
wording zijnde Alpen, blijft nog de zee in eene nauwe golf bestaan; zij beukt beide
oevers met hare golven, en hoopt aan de voeten dier bergen nieuwe schelpen op;
maar zij kan de twee forsche lijnen der Alpen en der Jura niet meer uitwisschen.
De Middellandsche zee, nog langen tijd onzeker van haar gebied, gaat vooruit en
wijkt weer terug door de Rhônevallei, Zwitserland en Beieren. De Indische zee
staat met de Middellandsche zee in verband, daar een deel van Egypte nog onder
water gelegen is. Maar er zijn uitgestrekte streken, die de zeeën niet meer kunnen
veroveren; zij moeten zich aan hare tegenwoordige bedding gewennen.
Page 511
Fransche vulkanen in de miocene periode.
Griekenland, dat nog niet van Klein-Azië gescheiden is, begint te ontstaan. Eene
lange, ingekerfde strook, het ruggemerg van Italië, is nog zóó onvolledig, dat Rome
en Florence nog ontbreken. Afrika is met Europa vereenigd door eene landengte
tusschen Tunis en Genua en bij Gibraltar. Ten noorden strekt zich het vasteland uit
van het Ural-gebergte tot Engeland, en verlengt het zich door vastland en eilanden
(Atlantis?) tot aan de kusten van Noord- en Zuid-Amerika.
Griekenland, dat nog niet van Klein-Azië gescheiden is, begint te ontstaan. Eene
lange, ingekerfde strook, het ruggemerg van Italië, is nog zóó onvolledig, dat Rome
en Florence nog ontbreken. Afrika is met Europa vereenigd door eene landengte
tusschen Tunis en Genua en bij Gibraltar. Ten noorden strekt zich het vasteland uit
van het Ural-gebergte tot Engeland, en verlengt het zich door vastland en eilanden
(Atlantis?) tot aan de kusten van Noord- en Zuid-Amerika.
Page 512
Tijdens de miocene periode hebben belangrijke veranderingen plaats gehad in den
vorm van Europa. Reeds in het begin der miocene periode verliezen de meren, die
op het einde der eocene periode bestonden, hun water door eene opheffing van den
bodem. Daarna bedekt weder de molasse- of Helvetische zee een groot gedeelte
van west-Europa. De zee dringt in Frankrijk door, door de Loire-vallei, tot aan
Blois, en één harer armen dringt door tot aan het Kanaal door Ille-et-Vilaine,
waardoor het noord-westelijk deel van Frankrijk een eiland wordt. De zee
verspreidt zich in de Rhônevallei, bedekt een deel van Zwitserland en Oostenrijk,
stroomt langs den tegenwoordigen voet der Alpen, en verspreidt zich over oostelijk
Klein-Azië tot aan den Euphraat. Door die zee wordt Europa verdeeld in eene soort
Indischen archipel, waar de omstandigheden uiterst gunstig zijn voor de
ontwikkeling der plantenwereld, die in haar geheel nooit zoo rijk geweest is als in
dien tijd. De winter is nog bijzonder zacht, zoodat nooit de plantengroei geheel
gestaakt wordt, en op het einde der periode bloeit de kamferboom reeds in de
maand Maart aan de oevers van het meer van Constanz, zooals nu nog te Madera.
Om den plantengroei van de miocene periode terug te vinden, zoude men thans tot
25 of 30° naar het zuiden moeten afdalen. Indien er reeds een duidelijk onderscheid
was tusschen den plantengroei der poolstreken en van midden-Europa, deed toch
het ijs zijnen invloed nog niet gevoelen en was IJsland met prachtige bosschen
bedekt. In dienzelfden tijd had men herhaaldelijk vulkanische uitbarstingen in
Auvergne, de Rijnvallei, Hongarije, de westelijke helling van het Rotsgebergte en
andere gedeelten der aarde.—De vulkanen van Italië, de Vesuvius, de phlegreïsche
velden, de Etna, zijn uit de quaternaire periode.—Overal was de aardschors in
beweging en de ketenen der Alpen, Cordillera’s en der Himalaya staken hunne
kruinen uit tot hoog in de wolken.
Wij hebben zooeven gezien, dat Europa gedurende de eocene periode reeds een
vastland was van groote uitgestrektheid, doorsneden door een aantal zeearmen.
Eene dergelijke verdeeling was er ook tijdens de molassische periode. Een
verbazend groot eiland, dat het geheele tegenwoordige alpengebied bevatte, was in
grootte toegenomen. Ten westen strekte dat eiland zich uit tot aan het westen van
Frankrijk, en was het door Piemont in verbinding met het Italiaansche schiereiland.
Ten oosten bevatte het al het land, dat zich tot ongeveer 35° oosterlengte uitstrekte,
en ten zuiden verlengde het zich over Dalmatië tot in Griekenland. Ten noorden
was het begrensd door de zee, die daar eene groote baai vormde, de vlakten van
Hongarije bedekte en in eenen betrekkelijk nauwen arm geheel Europa doorsneed.
In het oosten was de Hongaarsche zee in gemeenschap met den Grooten Oceaan;
deze strekte zich uit over Zuid-Rusland; de Zwarte Zee, de Caspische Zee en de zee
van Aral zijn daarvan slechts kleine overblijfselen. Die Oceaan bedekte
vorm van Europa. Reeds in het begin der miocene periode verliezen de meren, die
op het einde der eocene periode bestonden, hun water door eene opheffing van den
bodem. Daarna bedekt weder de molasse- of Helvetische zee een groot gedeelte
van west-Europa. De zee dringt in Frankrijk door, door de Loire-vallei, tot aan
Blois, en één harer armen dringt door tot aan het Kanaal door Ille-et-Vilaine,
waardoor het noord-westelijk deel van Frankrijk een eiland wordt. De zee
verspreidt zich in de Rhônevallei, bedekt een deel van Zwitserland en Oostenrijk,
stroomt langs den tegenwoordigen voet der Alpen, en verspreidt zich over oostelijk
Klein-Azië tot aan den Euphraat. Door die zee wordt Europa verdeeld in eene soort
Indischen archipel, waar de omstandigheden uiterst gunstig zijn voor de
ontwikkeling der plantenwereld, die in haar geheel nooit zoo rijk geweest is als in
dien tijd. De winter is nog bijzonder zacht, zoodat nooit de plantengroei geheel
gestaakt wordt, en op het einde der periode bloeit de kamferboom reeds in de
maand Maart aan de oevers van het meer van Constanz, zooals nu nog te Madera.
Om den plantengroei van de miocene periode terug te vinden, zoude men thans tot
25 of 30° naar het zuiden moeten afdalen. Indien er reeds een duidelijk onderscheid
was tusschen den plantengroei der poolstreken en van midden-Europa, deed toch
het ijs zijnen invloed nog niet gevoelen en was IJsland met prachtige bosschen
bedekt. In dienzelfden tijd had men herhaaldelijk vulkanische uitbarstingen in
Auvergne, de Rijnvallei, Hongarije, de westelijke helling van het Rotsgebergte en
andere gedeelten der aarde.—De vulkanen van Italië, de Vesuvius, de phlegreïsche
velden, de Etna, zijn uit de quaternaire periode.—Overal was de aardschors in
beweging en de ketenen der Alpen, Cordillera’s en der Himalaya staken hunne
kruinen uit tot hoog in de wolken.
Wij hebben zooeven gezien, dat Europa gedurende de eocene periode reeds een
vastland was van groote uitgestrektheid, doorsneden door een aantal zeearmen.
Eene dergelijke verdeeling was er ook tijdens de molassische periode. Een
verbazend groot eiland, dat het geheele tegenwoordige alpengebied bevatte, was in
grootte toegenomen. Ten westen strekte dat eiland zich uit tot aan het westen van
Frankrijk, en was het door Piemont in verbinding met het Italiaansche schiereiland.
Ten oosten bevatte het al het land, dat zich tot ongeveer 35° oosterlengte uitstrekte,
en ten zuiden verlengde het zich over Dalmatië tot in Griekenland. Ten noorden
was het begrensd door de zee, die daar eene groote baai vormde, de vlakten van
Hongarije bedekte en in eenen betrekkelijk nauwen arm geheel Europa doorsneed.
In het oosten was de Hongaarsche zee in gemeenschap met den Grooten Oceaan;
deze strekte zich uit over Zuid-Rusland; de Zwarte Zee, de Caspische Zee en de zee
van Aral zijn daarvan slechts kleine overblijfselen. Die Oceaan bedekte
Page 513
waarschijnlijk het oosten van den Ural en breidde zich uit over de uitgestrekte
vlakten van Siberië, zoodat Europa en Azië van elkander gescheiden waren, omdat
die zee in gemeenschap stond met de Poolzee.
Bovendien strekte zich de miocene zee uit over Armenië en het oosten van Klein-
Azië, en was zij in verband met de Middellandsche zee, zooals blijkt uit de talrijke
versteeningen, die aan al die landen gemeen zijn. Daarentegen was de straat der
Dardanellen afgesloten en bestond de Aegeïsche zee niet. Griekenland vormde een
vastland, dat zich verlengde tot aan Klein-Azië: de eilanden van den Aegeïschen
archipel zijn de bergen van een land, dat later gezonken is. Richten wij onze
blikken naar het zuiden, dan zien wij, dat de Middellandsche zee met den Indischen
Oceaan vereenigd was en Egypte bedekte; zij strekte zich uit over Mesopotamië,
waar zij waarschijnlijk in gemeenschap stond met den Oceaan van Rusland. De
molassezee bedekte de Alpen zelf niet, zooals dit met de nummulietenzee het geval
geweest is, maar hare golven stroomden rondom die streek, die al duidelijker en
duidelijker haren tegenwoordigen vorm vertoonde.
Daar de planten- en dierenwereld van Marokko en Algerië in grondtrekken eene
groote overeenkomst vertoont met die der Europeesche kusten, zoo heeft men reeds
langen tijd gemeend, dat die landen eertijds verbonden waren door landengten,
zooals die welke bij Gibraltar bestonden, waarschijnlijk tusschen Corsika en
Sardinië. Die meening is later nog waarschijnlijker geworden door de
overblijfselen van beenderen, die men onlangs in Sicilië ontdekt heeft, en die ons
leeren, dat de Afrikaansche olifant, de hippopotamus en de gevlekte hyena in
Sicilië leefden, en dat dus eertijds dat land in verbinding moet gestaan hebben met
Afrika.
De Baltische zee was waarschijnlijk droog en verbonden met het oorspronkelijke
Scandinavië; die zee is het vaderland van het barnsteen, dat niets anders is dan het
product der naaldboomen uit de tertiaire periode.
Denemarken, Nederland en het noorden van België lagen onder water en de zee
strekte zich tot Keulen uit, doch de geologische formatie der kusten van Bretagne
en Engeland en de aard van den bodem maken het waarschijnlijk, dat Frankrijk en
Engeland met elkander in gemeenschap stonden. Het is ook waarschijnlijk, dat de
Britsche eilanden, zooals wij reeds vroeger mededeelden, een klein gedeelte
uitmaakten van een groot vastland, dat zich over den Atlantischen Oceaan tot aan
Amerika uitstrekte.
vlakten van Siberië, zoodat Europa en Azië van elkander gescheiden waren, omdat
die zee in gemeenschap stond met de Poolzee.
Bovendien strekte zich de miocene zee uit over Armenië en het oosten van Klein-
Azië, en was zij in verband met de Middellandsche zee, zooals blijkt uit de talrijke
versteeningen, die aan al die landen gemeen zijn. Daarentegen was de straat der
Dardanellen afgesloten en bestond de Aegeïsche zee niet. Griekenland vormde een
vastland, dat zich verlengde tot aan Klein-Azië: de eilanden van den Aegeïschen
archipel zijn de bergen van een land, dat later gezonken is. Richten wij onze
blikken naar het zuiden, dan zien wij, dat de Middellandsche zee met den Indischen
Oceaan vereenigd was en Egypte bedekte; zij strekte zich uit over Mesopotamië,
waar zij waarschijnlijk in gemeenschap stond met den Oceaan van Rusland. De
molassezee bedekte de Alpen zelf niet, zooals dit met de nummulietenzee het geval
geweest is, maar hare golven stroomden rondom die streek, die al duidelijker en
duidelijker haren tegenwoordigen vorm vertoonde.
Daar de planten- en dierenwereld van Marokko en Algerië in grondtrekken eene
groote overeenkomst vertoont met die der Europeesche kusten, zoo heeft men reeds
langen tijd gemeend, dat die landen eertijds verbonden waren door landengten,
zooals die welke bij Gibraltar bestonden, waarschijnlijk tusschen Corsika en
Sardinië. Die meening is later nog waarschijnlijker geworden door de
overblijfselen van beenderen, die men onlangs in Sicilië ontdekt heeft, en die ons
leeren, dat de Afrikaansche olifant, de hippopotamus en de gevlekte hyena in
Sicilië leefden, en dat dus eertijds dat land in verbinding moet gestaan hebben met
Afrika.
De Baltische zee was waarschijnlijk droog en verbonden met het oorspronkelijke
Scandinavië; die zee is het vaderland van het barnsteen, dat niets anders is dan het
product der naaldboomen uit de tertiaire periode.
Denemarken, Nederland en het noorden van België lagen onder water en de zee
strekte zich tot Keulen uit, doch de geologische formatie der kusten van Bretagne
en Engeland en de aard van den bodem maken het waarschijnlijk, dat Frankrijk en
Engeland met elkander in gemeenschap stonden. Het is ook waarschijnlijk, dat de
Britsche eilanden, zooals wij reeds vroeger mededeelden, een klein gedeelte
uitmaakten van een groot vastland, dat zich over den Atlantischen Oceaan tot aan
Amerika uitstrekte.
Page 514
Landschap der miocene periode, bij Lausanne, naar Oswald Heer.
De rijzing van de Alpen, die heeft plaats gehad na de molassezee, heeft aan Europa
haren tegenwoordigen vorm gegeven. Eenige honderden meters verschil (dikwijls
zelfs eenige tientallen) zijn voldoende, om de zee op de plaats te brengen van het
land, en omgekeerd. De formaties, die wij geleidelijk hebben zien ontstaan, hebben
herhaaldelijk rijzingen en dalingen ondergaan, waardoor zij beurtelings boven en
onder water gekomen zijn. De opheffing der Alpen is dan ook de oorzaak van het
verschil in den vorm van Europa in de miocene periode en thans. Naarmate de
De rijzing van de Alpen, die heeft plaats gehad na de molassezee, heeft aan Europa
haren tegenwoordigen vorm gegeven. Eenige honderden meters verschil (dikwijls
zelfs eenige tientallen) zijn voldoende, om de zee op de plaats te brengen van het
land, en omgekeerd. De formaties, die wij geleidelijk hebben zien ontstaan, hebben
herhaaldelijk rijzingen en dalingen ondergaan, waardoor zij beurtelings boven en
onder water gekomen zijn. De opheffing der Alpen is dan ook de oorzaak van het
verschil in den vorm van Europa in de miocene periode en thans. Naarmate de
Page 515
Alpen gerezen zijn, hebben zij de zee teruggedreven naar hare tegenwoordige
grenzen. In het westen is het vasteland, dat waarschijnlijk een deel van den
Atlantischen Oceaan innam, onder de golven van den Oceaan gedaald, en is het
Kanaal ontstaan, dat de verbinding vormt tusschen de Noordzee en den
Atlantischen Oceaan.
Wij zeiden reeds vroeger, dat de miocene formatie in drie lagen kan worden
verdeeld: de onderste of langhische is eene zoetwatervorming en is ontstaan vóór
den inval der molassezee. De middelste of Helvetische laag omvat de zeevorming
van het schelpzand van Touraine en de Zwitsersche molasse. In de bovenste of
Tortonische laag vindt men de lagen, die gelijktijdig ontstaan zijn met de klei van
Tortone in Italië, en vooral het meerendeel der bezinkingen van het bekken van
Weenen.
In het begin der miocene periode is Parijs door eene groote zee bedekt, die uit het
noord-oosten afkomstig was; het zand, daaruit afgezet, is de zandsteen van
Fontainebleau geworden; die zee, die om Normandië stroomde, komt niet verder
dan het zuiden van Engeland; in het noordoosten bedekt zij nog een groot gedeelte
van België, doch weldra trekt zich die zee weder terug en ontstaat daar een groot,
zich ver naar het zuiden uitstrekkend meer, waarin zich de kalksteen van Beauce
afzet.
Het is merkwaardig, om den zandsteen van Fontainebleau op den top dier heuvels
te beschouwen. Men zou meenen, dat de zee eerst sedert gisteren is teruggetrokken.
De zandsteen ligt tusschen twee zoetwatervormingen, de kalksteen van Beauce er
boven, die van Brie er onder.
Daarna heeft het zoetwater in de middelste miocene periode het zand van Orleans
afgezet, waarin onder het tegenwoordige bosch van Orleans de dinotheriums en
mastodonten bewaard zijn gebleven. Later is de zee teruggekeerd naar het westen
van Parijs, en heeft zij het aanzijn gegeven aan het schelpzand van Touraine,
Anjou, Bretagne, Cotentin en Bordeaux. Dat schelpzand is eene zeevorming,
bestaande uit gebroken schelpen, poliepen, mosdieren, vermengd met meer of
minder grof kiezelhoudend zand. Dezelfde bezinksels heeft de zee toen
achtergelaten in de golf van Aquitanië, bij Bordeaux en in de Rhônevallei. In
Provence en Dauphiné heeft zij kalksteen afgezet.
In dienzelfden tijd heeft de zee bijna geheel Zwitserland overstroomd, boven de
Alpen, die nog niet geheel opgeheven waren. De naam van molasse is gegeven aan
de formaties, voornamelijk zandsteen, die op den bodem der Helvetische zee
grenzen. In het westen is het vasteland, dat waarschijnlijk een deel van den
Atlantischen Oceaan innam, onder de golven van den Oceaan gedaald, en is het
Kanaal ontstaan, dat de verbinding vormt tusschen de Noordzee en den
Atlantischen Oceaan.
Wij zeiden reeds vroeger, dat de miocene formatie in drie lagen kan worden
verdeeld: de onderste of langhische is eene zoetwatervorming en is ontstaan vóór
den inval der molassezee. De middelste of Helvetische laag omvat de zeevorming
van het schelpzand van Touraine en de Zwitsersche molasse. In de bovenste of
Tortonische laag vindt men de lagen, die gelijktijdig ontstaan zijn met de klei van
Tortone in Italië, en vooral het meerendeel der bezinkingen van het bekken van
Weenen.
In het begin der miocene periode is Parijs door eene groote zee bedekt, die uit het
noord-oosten afkomstig was; het zand, daaruit afgezet, is de zandsteen van
Fontainebleau geworden; die zee, die om Normandië stroomde, komt niet verder
dan het zuiden van Engeland; in het noordoosten bedekt zij nog een groot gedeelte
van België, doch weldra trekt zich die zee weder terug en ontstaat daar een groot,
zich ver naar het zuiden uitstrekkend meer, waarin zich de kalksteen van Beauce
afzet.
Het is merkwaardig, om den zandsteen van Fontainebleau op den top dier heuvels
te beschouwen. Men zou meenen, dat de zee eerst sedert gisteren is teruggetrokken.
De zandsteen ligt tusschen twee zoetwatervormingen, de kalksteen van Beauce er
boven, die van Brie er onder.
Daarna heeft het zoetwater in de middelste miocene periode het zand van Orleans
afgezet, waarin onder het tegenwoordige bosch van Orleans de dinotheriums en
mastodonten bewaard zijn gebleven. Later is de zee teruggekeerd naar het westen
van Parijs, en heeft zij het aanzijn gegeven aan het schelpzand van Touraine,
Anjou, Bretagne, Cotentin en Bordeaux. Dat schelpzand is eene zeevorming,
bestaande uit gebroken schelpen, poliepen, mosdieren, vermengd met meer of
minder grof kiezelhoudend zand. Dezelfde bezinksels heeft de zee toen
achtergelaten in de golf van Aquitanië, bij Bordeaux en in de Rhônevallei. In
Provence en Dauphiné heeft zij kalksteen afgezet.
In dienzelfden tijd heeft de zee bijna geheel Zwitserland overstroomd, boven de
Alpen, die nog niet geheel opgeheven waren. De naam van molasse is gegeven aan
de formaties, voornamelijk zandsteen, die op den bodem der Helvetische zee
Page 516
gevormd zijn. Men kan bijna zeggen, dat de naam middelste „miocene formatie”
dezelfde beteekenis heeft als „molasse.”
De bezinksels uit dien tijd zijn zeer aanzienlijk en verheffen zich thans aan den
Alpenrand tot tamelijk hooge bergen, zooals de Speer (2000 meters) en de Rigi
(1800 meters). In het noorden is de molasse-formatie niet zoo hoog; men kan
daaruit besluiten, dat het water in die richting afstroomde, en stroomen en beken
vormde.
De voornaamste gesteenten, die zich in die periode afzetten, zijn zandsteen, mergel,
kalksteen, en nagelfluh. (Nagelfluh bestaat uit ronde keisteenen van alle grootten,
met elkander verbonden door zandhoudend mergel of zandsteen).
Terwijl de kalksteen eene belangrijke rol speelt in de Jura- en krijtformaties, is hare
beteekenis in de molasseformatie zeer onbeduidend. De omstandigheden,
waaronder die geweldige kalkmassa’s gevormd zijn, zijn in die nieuwe periode
geheel gewijzigd; wij vinden die duizenden kleine werklieden in de zee niet meer
terug, die zonder oponthoud arbeidden aan den opbouw der aardschors. Men vindt
zeer dikwijls bruinkool in de molasse-formatie.
Het terugwijken der molassezee heeft zich in het zuidoosten van Frankrijk
gekenmerkt door de grootste geologische gebeurtenis, waarvan die streek ooit het
tooneel is geweest: de beslissende vorming der Alpen dagteekent van dat tijdperk.
Die hooge bergen hebben hunnen tegenwoordigen vorm gekregen ten gevolge van
bewegingen, die hebben plaats gegrepen na de bezinking der molasse. Gedurende
de bovenste miocene periode rijst noordelijk-Europa langzaam.
Door eene bepaalde streek te bestudeeren, die bijzonder rijk is aan plantaardige
fossielen en aan dieren, aan die periode eigen, namelijk het gebied van Oeningen in
Zwitserland bij het meer van Constanz, heeft Oswald Heer reeds langen tijd
geleden het geheele leven dier oude eeuwen op uitstekende wijze weder
opgeroepen. Hij heeft voornamelijk sequoia’s, cipressen, grassen (o.a. rijst en
gierst), riet, het grootste gedeelte van onze struiken, acht verschillende soorten van
populieren, eene soort van abeel, haagbeuken, noteboomen, eiken, olmen, 17
soorten van vijgeboomen, 25 soorten van laurierboomen, kamferboomen, esschen,
lianen, ranonkels, meelbloemen, wijnstokken, magnolia’s, mirthen, linden, acacia’s,
mimoseën, ahornen, hazelaars, hulsten, kerseboomen, pruimeboomen en
amandelboomen teruggevonden. Pere- of appelboomen uit dien tijd zijn tot nog toe
niet bekend.
dezelfde beteekenis heeft als „molasse.”
De bezinksels uit dien tijd zijn zeer aanzienlijk en verheffen zich thans aan den
Alpenrand tot tamelijk hooge bergen, zooals de Speer (2000 meters) en de Rigi
(1800 meters). In het noorden is de molasse-formatie niet zoo hoog; men kan
daaruit besluiten, dat het water in die richting afstroomde, en stroomen en beken
vormde.
De voornaamste gesteenten, die zich in die periode afzetten, zijn zandsteen, mergel,
kalksteen, en nagelfluh. (Nagelfluh bestaat uit ronde keisteenen van alle grootten,
met elkander verbonden door zandhoudend mergel of zandsteen).
Terwijl de kalksteen eene belangrijke rol speelt in de Jura- en krijtformaties, is hare
beteekenis in de molasseformatie zeer onbeduidend. De omstandigheden,
waaronder die geweldige kalkmassa’s gevormd zijn, zijn in die nieuwe periode
geheel gewijzigd; wij vinden die duizenden kleine werklieden in de zee niet meer
terug, die zonder oponthoud arbeidden aan den opbouw der aardschors. Men vindt
zeer dikwijls bruinkool in de molasse-formatie.
Het terugwijken der molassezee heeft zich in het zuidoosten van Frankrijk
gekenmerkt door de grootste geologische gebeurtenis, waarvan die streek ooit het
tooneel is geweest: de beslissende vorming der Alpen dagteekent van dat tijdperk.
Die hooge bergen hebben hunnen tegenwoordigen vorm gekregen ten gevolge van
bewegingen, die hebben plaats gegrepen na de bezinking der molasse. Gedurende
de bovenste miocene periode rijst noordelijk-Europa langzaam.
Door eene bepaalde streek te bestudeeren, die bijzonder rijk is aan plantaardige
fossielen en aan dieren, aan die periode eigen, namelijk het gebied van Oeningen in
Zwitserland bij het meer van Constanz, heeft Oswald Heer reeds langen tijd
geleden het geheele leven dier oude eeuwen op uitstekende wijze weder
opgeroepen. Hij heeft voornamelijk sequoia’s, cipressen, grassen (o.a. rijst en
gierst), riet, het grootste gedeelte van onze struiken, acht verschillende soorten van
populieren, eene soort van abeel, haagbeuken, noteboomen, eiken, olmen, 17
soorten van vijgeboomen, 25 soorten van laurierboomen, kamferboomen, esschen,
lianen, ranonkels, meelbloemen, wijnstokken, magnolia’s, mirthen, linden, acacia’s,
mimoseën, ahornen, hazelaars, hulsten, kerseboomen, pruimeboomen en
amandelboomen teruggevonden. Pere- of appelboomen uit dien tijd zijn tot nog toe
niet bekend.
Page 517
Als karakteristieke planten hebben wij op blz. 535 het merkwaardige landschap van
Lausanne uit de miocene periode weergegeven, dat de bekende Zwitsersche
natuuronderzoeker vervaardigd heeft. Men ziet daar bij elkander: palmboomen,
acacia’s, eiken, haagbeuken, noteboomen, pijnboomen en hulsten. Rhinocerossen,
tapirs en krokodillen worden gelokt door het frissche water. Het klimaat der
Zwitsersche valleien en van centraal-Frankrijk was toen dat van Louisiana of van
Noord-Afrika (20° tot 21° gemiddeld) in de oudste miocene periode, en dat van
Madera, Malaga, Sicilië (18° tot 19°) in de jongste miocene periode.
Het gezamenlijk voorkomen van tropische planten en die van de gematigde streken
wijst op zachte winters en niet te warme zomers: een zeeklimaat. De gevonden
planten bewijzen, dat de temperatuur in het noorden in dien tijd afnemende was.
Op Spitzbergen is zij reeds tot 8° gedaald, en hetzelfde is ook het geval op
Groenland, waar men magnolia’s, sequoia’s, populieren, kastanjes, eiken en zelfs
den wijnstok gevonden heeft. Thans is de gemiddelde jaartemperatuur dier streken
7° tot 8° onder nul. De boomen, die in de gematigde luchtstreken voorkomen,
dennen, eiken, populieren enz., dalen in die periode van het noorden naar
zuidelijker gelegen streken af, en beginnen met over te komen, op de bergen, waar
de temperatuur lager is. De palmen worden alleen gevonden in de vlakte en de
valleien. Verschillen in klimaat en afwisseling van jaargetijden worden merkbaar.
De gevonden insecten leggen dezelfde getuigenis af.
In de vroegere tijden, even als thans, maken de insecten het grootste deel uit van
het dierenrijk. Niettegenstaande hunne kleinheid en de zwakheid van hunnen bouw,
is er een zóó groot aantal soorten tot ons gekomen, dat er geen twijfel daaromtrent
kan bestaan. Oswald Heer heeft 876 fossiele soorten uit die periode verzameld. Die
insecten worden aldus verdeeld: 543 schildvleugeligen, 20 rechtvleugeligen, 29
netvleugeligen, 81 vliesvleugeligen, 3 schubvleugeligen, 64 tweevleugeligen en
136 halfvleugeligen. Het talrijkst zijn dus de schildvleugeligen; daarop volgen de
halfvleugeligen, de vliesvleugeligen, de tweevleugeligen en de netvleugeligen. De
schubvleugeligen zijn het slechtst vertegenwoordigd. Onder de vliesvleugeligen
komen, evenals thans ook het geval is, het meest mieren, onder de tweevleugeligen,
muggen voor.
Lausanne uit de miocene periode weergegeven, dat de bekende Zwitsersche
natuuronderzoeker vervaardigd heeft. Men ziet daar bij elkander: palmboomen,
acacia’s, eiken, haagbeuken, noteboomen, pijnboomen en hulsten. Rhinocerossen,
tapirs en krokodillen worden gelokt door het frissche water. Het klimaat der
Zwitsersche valleien en van centraal-Frankrijk was toen dat van Louisiana of van
Noord-Afrika (20° tot 21° gemiddeld) in de oudste miocene periode, en dat van
Madera, Malaga, Sicilië (18° tot 19°) in de jongste miocene periode.
Het gezamenlijk voorkomen van tropische planten en die van de gematigde streken
wijst op zachte winters en niet te warme zomers: een zeeklimaat. De gevonden
planten bewijzen, dat de temperatuur in het noorden in dien tijd afnemende was.
Op Spitzbergen is zij reeds tot 8° gedaald, en hetzelfde is ook het geval op
Groenland, waar men magnolia’s, sequoia’s, populieren, kastanjes, eiken en zelfs
den wijnstok gevonden heeft. Thans is de gemiddelde jaartemperatuur dier streken
7° tot 8° onder nul. De boomen, die in de gematigde luchtstreken voorkomen,
dennen, eiken, populieren enz., dalen in die periode van het noorden naar
zuidelijker gelegen streken af, en beginnen met over te komen, op de bergen, waar
de temperatuur lager is. De palmen worden alleen gevonden in de vlakte en de
valleien. Verschillen in klimaat en afwisseling van jaargetijden worden merkbaar.
De gevonden insecten leggen dezelfde getuigenis af.
In de vroegere tijden, even als thans, maken de insecten het grootste deel uit van
het dierenrijk. Niettegenstaande hunne kleinheid en de zwakheid van hunnen bouw,
is er een zóó groot aantal soorten tot ons gekomen, dat er geen twijfel daaromtrent
kan bestaan. Oswald Heer heeft 876 fossiele soorten uit die periode verzameld. Die
insecten worden aldus verdeeld: 543 schildvleugeligen, 20 rechtvleugeligen, 29
netvleugeligen, 81 vliesvleugeligen, 3 schubvleugeligen, 64 tweevleugeligen en
136 halfvleugeligen. Het talrijkst zijn dus de schildvleugeligen; daarop volgen de
halfvleugeligen, de vliesvleugeligen, de tweevleugeligen en de netvleugeligen. De
schubvleugeligen zijn het slechtst vertegenwoordigd. Onder de vliesvleugeligen
komen, evenals thans ook het geval is, het meest mieren, onder de tweevleugeligen,
muggen voor.
Page 518
Fig. 290. Insecten der miocene periode, in fossielen toestand gevonden.
Fig. 290 doet ons eene merkwaardige verzameling van die insecten uit de miocene
periode zien. Men merkt voornamelijk de schildvleugeligen op, waaronder
verscheidene vormen van lievenheersbeestjes en een groot aantal insecten; die men
nog thans op velden en weiden vindt. Men ziet beneden verscheidene soorten van
vliesvleugeligen, die in het water van het meer van Oeningen gevallen zijn en op
den bodem van het meer versteend zijn; men vindt daaronder bijen, hommels,
wespen en mieren. Vlinders komen zeldzamer voor; toch vindt men er enkele
onder. Het zijn de laatstgevormde insecten en de meest volkomene.
De insecten verhalen de korte geschiedenis van het leven op aarde; hunne
gedaanteverwisselingen herinneren aan de opvolging der eeuwen; de vlinder is de
Fig. 290 doet ons eene merkwaardige verzameling van die insecten uit de miocene
periode zien. Men merkt voornamelijk de schildvleugeligen op, waaronder
verscheidene vormen van lievenheersbeestjes en een groot aantal insecten; die men
nog thans op velden en weiden vindt. Men ziet beneden verscheidene soorten van
vliesvleugeligen, die in het water van het meer van Oeningen gevallen zijn en op
den bodem van het meer versteend zijn; men vindt daaronder bijen, hommels,
wespen en mieren. Vlinders komen zeldzamer voor; toch vindt men er enkele
onder. Het zijn de laatstgevormde insecten en de meest volkomene.
De insecten verhalen de korte geschiedenis van het leven op aarde; hunne
gedaanteverwisselingen herinneren aan de opvolging der eeuwen; de vlinder is de
Page 519
tijdgenoot der bloemen, terwijl de rups door hare wapenen en haar geheel
voorkomen aan de primaire en secundaire periode herinnert; de
gedaanteverwisseling, die thans in enkele maanden plaats heeft, vertegenwoordigt
eene periode van millioenen jaren. De oorspronkelijke soorten zijn bijna
onveranderd gebleven. De krekel en de kakkerlak der steenkoolperiode hebben de
veranderingen der aarde overleefd en hebben daarbij hunne gewoonten en
levenswijze behouden; wij vinden ze thans verscholen bij de bakkersovens of bij de
fornuizen der oude keukens, zich warmend evenals ten tijde der steenkoolperiode
en het tegenwoordige meel verslindend, zooals eertijds het meel der cycadeën en
der paardestaarten. Zij zoeken de warmte op en vermijden het licht, zeker niet
wetend, dat de wereld veel veranderd is sedert den tijd dat zij in de oorspronkelijke
bosschen huisden.
In het gegons der insecten herkennen wij de echo der vervlogen eeuwen. Er waren
toen nog geen vogels en nog geen gezang; de vleugels der krekels en der
sprinkhanen, het gegons der insecten in de bosschen en de velden na eenen warmen
zomerdag, doen in de zoele lucht onduidelijke klanken hooren, die ons verhalen
van die oorspronkelijke tijden. De avondschemering herinnert hun de periode van
schemering, waarin zij het aanzijn ontvangen hebben.
Wij hebben onze kennis der fossiele insecten te danken aan de onderzoekingen van
Brongniart, Grand’Eury, Fayol en Oswald Heer. Vóórdat wij afscheid nemen van
de fossielen van Oeningen, moeten wij nog mededeelen, hoe die uit een geologisch
oogpunt zoo merkwaardige plaats, die zoo rijk was aan alle soorten van fossielen,
insecten, visschen, kruipende dieren enz. reeds in de vorige eeuw de
natuuronderzoekers had verbaasd door eene vreemde ontdekking.
Men vond daar in 1725 die beroemde versteening, die de geleerde wereld eene
halve eeuw lang in beroering bracht, en waarin de natuuronderzoeker Scheuchzer
eenen fossielen mensch meende te herkennen, dien hij den naam gaf van homo
diluvii testis, „mensch, getuige van den zondvloed”. Inderdaad was het niets anders
dan het geraamte van eenen slecht bewaard gebleven kikvorsch of liever van eenen
salamander, 1,26 meters lang. Het hoofd, de wervelkolom, de armen, de beenen,
waren in de oogen van de natuuronderzoekers uit die dagen, deelen van een
menschelijk geraamte. Langen tijd bracht die praeadamiet de wereld in beweging,
doch, hoewel men tot bewijs van de juistheid der ontdekking zich beriep op de
ontdekking van werkelijk versteende geraamten van menschen aan de kusten van
Guadeloupe, leerde men door de vorderingen, in de vergelijkende ontleedkunde
gemaakt, eindelijk den waren aard der versteening kennen. Men zag, dat de te
voorkomen aan de primaire en secundaire periode herinnert; de
gedaanteverwisseling, die thans in enkele maanden plaats heeft, vertegenwoordigt
eene periode van millioenen jaren. De oorspronkelijke soorten zijn bijna
onveranderd gebleven. De krekel en de kakkerlak der steenkoolperiode hebben de
veranderingen der aarde overleefd en hebben daarbij hunne gewoonten en
levenswijze behouden; wij vinden ze thans verscholen bij de bakkersovens of bij de
fornuizen der oude keukens, zich warmend evenals ten tijde der steenkoolperiode
en het tegenwoordige meel verslindend, zooals eertijds het meel der cycadeën en
der paardestaarten. Zij zoeken de warmte op en vermijden het licht, zeker niet
wetend, dat de wereld veel veranderd is sedert den tijd dat zij in de oorspronkelijke
bosschen huisden.
In het gegons der insecten herkennen wij de echo der vervlogen eeuwen. Er waren
toen nog geen vogels en nog geen gezang; de vleugels der krekels en der
sprinkhanen, het gegons der insecten in de bosschen en de velden na eenen warmen
zomerdag, doen in de zoele lucht onduidelijke klanken hooren, die ons verhalen
van die oorspronkelijke tijden. De avondschemering herinnert hun de periode van
schemering, waarin zij het aanzijn ontvangen hebben.
Wij hebben onze kennis der fossiele insecten te danken aan de onderzoekingen van
Brongniart, Grand’Eury, Fayol en Oswald Heer. Vóórdat wij afscheid nemen van
de fossielen van Oeningen, moeten wij nog mededeelen, hoe die uit een geologisch
oogpunt zoo merkwaardige plaats, die zoo rijk was aan alle soorten van fossielen,
insecten, visschen, kruipende dieren enz. reeds in de vorige eeuw de
natuuronderzoekers had verbaasd door eene vreemde ontdekking.
Men vond daar in 1725 die beroemde versteening, die de geleerde wereld eene
halve eeuw lang in beroering bracht, en waarin de natuuronderzoeker Scheuchzer
eenen fossielen mensch meende te herkennen, dien hij den naam gaf van homo
diluvii testis, „mensch, getuige van den zondvloed”. Inderdaad was het niets anders
dan het geraamte van eenen slecht bewaard gebleven kikvorsch of liever van eenen
salamander, 1,26 meters lang. Het hoofd, de wervelkolom, de armen, de beenen,
waren in de oogen van de natuuronderzoekers uit die dagen, deelen van een
menschelijk geraamte. Langen tijd bracht die praeadamiet de wereld in beweging,
doch, hoewel men tot bewijs van de juistheid der ontdekking zich beriep op de
ontdekking van werkelijk versteende geraamten van menschen aan de kusten van
Guadeloupe, leerde men door de vorderingen, in de vergelijkende ontleedkunde
gemaakt, eindelijk den waren aard der versteening kennen. Men zag, dat de te
Page 520
Oeningen gevonden brokstukken behoord hadden aan eenen reuzensalamander, en
men werd hierin bevestigd door het vinden van volledige geraamten dier
voorwereldlijke dieren aan de oevers van den Rijn en in Japan. Bovendien bleek
het, dat de „fossiele menschen” van Guadeloupe niets anders waren dan lijken, die
door het water, dat door de dunne laag aarde van een door Europeanen na de
ontdekking van Amerika aangelegd kerkhof, met eene soort kalkhoudende tufaarde
omgeven waren.
Scheuchzer had over dien praeadamiet eene uitgebreide verhandeling geschreven.
Die verhandeling bevatte eene houtsnede van den mensch, getuige van den
zondvloed. Hij kwam in een ander werk, Physica sacra op dit onderwerp terug. Hij
schrijft: „zeker is het, dat die steen bijna de helft van het geraamte van eenen
mensch bevat; dat de beenderstof zelfs, en wat nog meer zegt, het vleesch en nog
zachtere deelen dan het vleesch, in den steen aanwezig zijn; in één woord, dat het
één der zeldzaamste overblijfselen is, die wij nog hebben van het vervloekte ras,
dat onder het water bedolven werd. De figuur vertoont ons den omtrek van het
voorhoofdsbeen en de oogholten, die enkele groote zenuwen doorlaten. Men vindt
er overblijfselen van de hersenen, van het hoofdwigbeen, van de kaken, en sporen
van den lever.”
Hoe het mogelijk is, dat genoemde natuuronderzoeker in dit geraamte een mensch
heeft kunnen zien, blijft een raadsel (zie fig. 291). Cuvier zeide reeds: „Neem een
geraamte van eenen salamander en leg het, zonder u te laten in de war brengen
door het verschil in grootte, naast de versteening, hetgeen gemakkelijk is, indien
men eene teekening van eenen salamander op de natuurlijke grootte vergelijkt met
de teekening der versteening op ⅙ der ware grootte, en alles wordt u duidelijk.
Indien men over de versteening mocht beschikken, dan zou men zeker in de
wervels, in de kaken, in de sporen van zeer kleine tanden en zelfs in het doolhof
van het oor nog een aantal nieuwe bewijzen daarvan vinden.”
De groote natuuronderzoeker had de voldoening, zelf het onderzoek te mogen
doen, waarvan hij in het bovenstaande sprak. Toen hij te Haarlem was, vroeg hij
den bestuurder van het Museüm, om den steen te mogen uithollen, die den
zoogenaamden fossielen mensch bevatte. De bewerking had plaats in
tegenwoordigheid van den bestuurder en eenen anderen natuuronderzoeker. Eene
teekening van het geraamte van eenen salamander was door Cuvier naast het
fossiele voorwerp geplaatst. Hij had de voldoening, dat naarmate het geraamte
meer werd blootgelegd, de juistheid zijner onderstelling meer en meer werd
bevestigd.
men werd hierin bevestigd door het vinden van volledige geraamten dier
voorwereldlijke dieren aan de oevers van den Rijn en in Japan. Bovendien bleek
het, dat de „fossiele menschen” van Guadeloupe niets anders waren dan lijken, die
door het water, dat door de dunne laag aarde van een door Europeanen na de
ontdekking van Amerika aangelegd kerkhof, met eene soort kalkhoudende tufaarde
omgeven waren.
Scheuchzer had over dien praeadamiet eene uitgebreide verhandeling geschreven.
Die verhandeling bevatte eene houtsnede van den mensch, getuige van den
zondvloed. Hij kwam in een ander werk, Physica sacra op dit onderwerp terug. Hij
schrijft: „zeker is het, dat die steen bijna de helft van het geraamte van eenen
mensch bevat; dat de beenderstof zelfs, en wat nog meer zegt, het vleesch en nog
zachtere deelen dan het vleesch, in den steen aanwezig zijn; in één woord, dat het
één der zeldzaamste overblijfselen is, die wij nog hebben van het vervloekte ras,
dat onder het water bedolven werd. De figuur vertoont ons den omtrek van het
voorhoofdsbeen en de oogholten, die enkele groote zenuwen doorlaten. Men vindt
er overblijfselen van de hersenen, van het hoofdwigbeen, van de kaken, en sporen
van den lever.”
Hoe het mogelijk is, dat genoemde natuuronderzoeker in dit geraamte een mensch
heeft kunnen zien, blijft een raadsel (zie fig. 291). Cuvier zeide reeds: „Neem een
geraamte van eenen salamander en leg het, zonder u te laten in de war brengen
door het verschil in grootte, naast de versteening, hetgeen gemakkelijk is, indien
men eene teekening van eenen salamander op de natuurlijke grootte vergelijkt met
de teekening der versteening op ⅙ der ware grootte, en alles wordt u duidelijk.
Indien men over de versteening mocht beschikken, dan zou men zeker in de
wervels, in de kaken, in de sporen van zeer kleine tanden en zelfs in het doolhof
van het oor nog een aantal nieuwe bewijzen daarvan vinden.”
De groote natuuronderzoeker had de voldoening, zelf het onderzoek te mogen
doen, waarvan hij in het bovenstaande sprak. Toen hij te Haarlem was, vroeg hij
den bestuurder van het Museüm, om den steen te mogen uithollen, die den
zoogenaamden fossielen mensch bevatte. De bewerking had plaats in
tegenwoordigheid van den bestuurder en eenen anderen natuuronderzoeker. Eene
teekening van het geraamte van eenen salamander was door Cuvier naast het
fossiele voorwerp geplaatst. Hij had de voldoening, dat naarmate het geraamte
meer werd blootgelegd, de juistheid zijner onderstelling meer en meer werd
bevestigd.
Page 521
Zoo geraakte de salamander
van Oeningen, die een
oogenblik veranderd was in een
fossiel mensch, weder in
vergetelheid, zooals dit het
geval geweest is met een aantal
dergelijke ontdekkingen,
hetzelfde onderwerp
betreffende. De werkelijke
overblijfselen van eenen
fossielen mensch zijn eerst in
onze eeuw gevonden, zooals
wij later zullen zien.
In diezelfde miocene periode
heeft de vogel, niet meer de
reptiele, maar de werkelijke
vogel, voor goed bezit
genomen van den dampkring.
Het is nu niet meer de
archeopteryx alleen, die in de
cycadeënbosschen fladderde,
zonder zich van de moerassen
te verwijderen of de toppen van
bergen op te zoeken, die nog
niet bestonden. Er ontstaan
uitgestrekte vastelanden, met
Fig. 291. De mensch, getuige van den zondvloed, volgens
elkander door landengten
Scheuchzer. (1725). Versteende salamander.
verbonden. Wie anders dan de
vogel zal ze het eerst
bezoeken? Hij bezit
doordringende oogen, om verre streken te ontdekken, en die verre streken nemen
meer en meer toe en de aarde breidt zich uit en het vasteland ontwikkelt zich,
naarmate hij vooruitgaat. Hij moet dus, in de plaats van den strammen vleugel van
eenen archeopteryx, eenen onvermoeibaren vleugel verkrijgen.
Zoo is het vliegvermogen het uitvloeisel van den nieuwen vorm der aarde. In de
Juraperiode was de vogel een gevangene. Hij kon zijne krachten en zijn instinct
niet ontwikkelen, en daarom was zijn vleugel niets anders dan een arm, waarmede
van Oeningen, die een
oogenblik veranderd was in een
fossiel mensch, weder in
vergetelheid, zooals dit het
geval geweest is met een aantal
dergelijke ontdekkingen,
hetzelfde onderwerp
betreffende. De werkelijke
overblijfselen van eenen
fossielen mensch zijn eerst in
onze eeuw gevonden, zooals
wij later zullen zien.
In diezelfde miocene periode
heeft de vogel, niet meer de
reptiele, maar de werkelijke
vogel, voor goed bezit
genomen van den dampkring.
Het is nu niet meer de
archeopteryx alleen, die in de
cycadeënbosschen fladderde,
zonder zich van de moerassen
te verwijderen of de toppen van
bergen op te zoeken, die nog
niet bestonden. Er ontstaan
uitgestrekte vastelanden, met
Fig. 291. De mensch, getuige van den zondvloed, volgens
elkander door landengten
Scheuchzer. (1725). Versteende salamander.
verbonden. Wie anders dan de
vogel zal ze het eerst
bezoeken? Hij bezit
doordringende oogen, om verre streken te ontdekken, en die verre streken nemen
meer en meer toe en de aarde breidt zich uit en het vasteland ontwikkelt zich,
naarmate hij vooruitgaat. Hij moet dus, in de plaats van den strammen vleugel van
eenen archeopteryx, eenen onvermoeibaren vleugel verkrijgen.
Zoo is het vliegvermogen het uitvloeisel van den nieuwen vorm der aarde. In de
Juraperiode was de vogel een gevangene. Hij kon zijne krachten en zijn instinct
niet ontwikkelen, en daarom was zijn vleugel niets anders dan een arm, waarmede
Page 522
hij zich meer ophield, dan dat hij de lucht er mede doorkliefde. De tertiaire wereld
ontrolt zich voor hem, en zie, nu vervolgt hij den steeds wijkenden gezichtseinder;
zijn instinct is hem geopenbaard, hij vertrouwt zich aan de uitgestrekte ruimte toe.
Een nieuw type ontstaat tegelijk met een nieuw heelal. Hoever zijn wij reeds
verwijderd van het silurische weekdier of het kruipende dier uit de Juraperiode!
De vogel! de levende poëzie! de vrije vlucht, de vleugel, de vrijheid boven den
beganen grond, het gezang, het nest, de liefde, het ei! alles tegelijk.
De levende natuur was stom gebleven tot aan het einde der primaire tijden. Bij het
geraas van de golven, van den wind in de bladeren, den bliksem en het onweder, de
orkanen en de stormen, waren de weekdieren, de visschen, de schaaldieren stom
gebleven. De insecten begonnen te gonzen, de krekels klepten met hunne vleugels,
de kikvorschen kwaakten, de eerste zoogdieren brulden, de reuzenhagedissen
loeiden of schreeuwden. Maar nog geen enkel wezen had gezongen.
Doch daar verschijnt de vogel, de blauwe hemel, de bloem. De aarde volmaakt
zich. Spoedig kan de menschheid geboren worden.
Liefelijke vogel, zinnebeeld van den vooruitgang, welkom op aarde! Beter dan alle
vorige wezens openbaart gij ons de algemeene wet der schepping; van u leeren wij
meer dan van de geheele geschiedenis der menschheid. Gij leert ons, dat in de
goddelijke natuur alles streeft naar het schoone, naar harmonie, naar licht.
Rustelooze bouw van het nest, duistere en heerlijke gewaarwordingen van den
broeienden vogel, geboorte en opvoeding der jongen: is dat niet een beeld van de
ontwikkeling der menschheid?
In de miocene periode zijn de vogels zeer talrijk. In de fossiele formaties van het
departement l’Allier heeft Milne-Edwards meer dan 70 verschillende soorten van
vogels gevonden, tot zeer verschillende groepen behoorend, zooals pelikanen,
kraanvogels, marabu’s, lepelaars, ibissen, zwaluwen, papegaaien, enz.; die vogels
wijzen op een warmer klimaat dan het onze: het midden van Frankrijk moest dus
hetzelfde klimaat hebben als thans centraal-Afrika.
De vooruitgang openbaart zich in alle afdeelingen van het dierenrijk. Wij hebben
reeds in het vorige hoofdstuk gezien, dat de dikhuidigen, lophiodons,
paleotheriums, anoplotheriums, naar alle waarschijnlijkheid zijn voortgekomen uit
de buideldieren, en wel in het begin der eocene periode. Zoo hebben de
dikhuidigen waarschijnlijk weder het aanzien geschonken aan de herkauwende en
de verscheurende dieren.
ontrolt zich voor hem, en zie, nu vervolgt hij den steeds wijkenden gezichtseinder;
zijn instinct is hem geopenbaard, hij vertrouwt zich aan de uitgestrekte ruimte toe.
Een nieuw type ontstaat tegelijk met een nieuw heelal. Hoever zijn wij reeds
verwijderd van het silurische weekdier of het kruipende dier uit de Juraperiode!
De vogel! de levende poëzie! de vrije vlucht, de vleugel, de vrijheid boven den
beganen grond, het gezang, het nest, de liefde, het ei! alles tegelijk.
De levende natuur was stom gebleven tot aan het einde der primaire tijden. Bij het
geraas van de golven, van den wind in de bladeren, den bliksem en het onweder, de
orkanen en de stormen, waren de weekdieren, de visschen, de schaaldieren stom
gebleven. De insecten begonnen te gonzen, de krekels klepten met hunne vleugels,
de kikvorschen kwaakten, de eerste zoogdieren brulden, de reuzenhagedissen
loeiden of schreeuwden. Maar nog geen enkel wezen had gezongen.
Doch daar verschijnt de vogel, de blauwe hemel, de bloem. De aarde volmaakt
zich. Spoedig kan de menschheid geboren worden.
Liefelijke vogel, zinnebeeld van den vooruitgang, welkom op aarde! Beter dan alle
vorige wezens openbaart gij ons de algemeene wet der schepping; van u leeren wij
meer dan van de geheele geschiedenis der menschheid. Gij leert ons, dat in de
goddelijke natuur alles streeft naar het schoone, naar harmonie, naar licht.
Rustelooze bouw van het nest, duistere en heerlijke gewaarwordingen van den
broeienden vogel, geboorte en opvoeding der jongen: is dat niet een beeld van de
ontwikkeling der menschheid?
In de miocene periode zijn de vogels zeer talrijk. In de fossiele formaties van het
departement l’Allier heeft Milne-Edwards meer dan 70 verschillende soorten van
vogels gevonden, tot zeer verschillende groepen behoorend, zooals pelikanen,
kraanvogels, marabu’s, lepelaars, ibissen, zwaluwen, papegaaien, enz.; die vogels
wijzen op een warmer klimaat dan het onze: het midden van Frankrijk moest dus
hetzelfde klimaat hebben als thans centraal-Afrika.
De vooruitgang openbaart zich in alle afdeelingen van het dierenrijk. Wij hebben
reeds in het vorige hoofdstuk gezien, dat de dikhuidigen, lophiodons,
paleotheriums, anoplotheriums, naar alle waarschijnlijkheid zijn voortgekomen uit
de buideldieren, en wel in het begin der eocene periode. Zoo hebben de
dikhuidigen waarschijnlijk weder het aanzien geschonken aan de herkauwende en
de verscheurende dieren.
Page 523
De paleontologie wijst ons, zooals wij zagen, op fossiele soorten, die de voorouders
kunnen zijn van sommige tegenwoordige verscheurende dieren; ook begint zij ons
schakels te vertoonen, die soorten vereenigen, welke thans van elkander gescheiden
liggen. Niet alle dieren, die men onder den naam van verscheurende dieren
bijeenvoegt, hebben dezelfde voedingswijze: de leeuw eet versch vleesch, de hyena
lijken, terwijl enkele beren evenzoo omnivoor zijn als de zwijnen. Hiermede
hangen belangrijke verschillen in den vorm der tanden samen; naarmate de voeding
van het dier meer tot die der verscheurende dieren behoort, zijn zijne tanden
scherper en de hoektanden grooter; indien zijne levenswijze met die der omnivoren
overeenkomt, dan krijgen de knobbelkiezen de overhand. Zoo komen ook de
ledematen der verschillende dieren overeen met hunne levenswijze; de beer, die
weinig loopt en in de boomen klimt, kan niet dezelfde ledematen hebben als de
hond; de klauwen, waarmede de hond zijne prooi verscheurt, kunnen niet gevormd
zijn als die van de hyena. De roofdieren worden dan ook in zes families verdeeld:
Beerachtige roofdieren, Hyena’s,
Marterachtige roofdieren, Civetkatten,
Hondachtige roofdieren, Katachtige roofdieren.
Tusschen de verschillende families bestaan talrijke punten van overeenkomst.
Niettegenstaande het groote verschil tusschen den hond en den beer kent men
fossiele roofdieren, die weer het denkbeeld van verwantschap tusschen die dieren
opwekken. Zoo b.v. de amphicyon: dat viervoetige dier, dat één der meest
eigenaardige fossielen is van het midden der tertiaire periode, behoort zeker, zooals
de naam aanwijst, tot de honden; dit is zelfs zóó waar, dat de paleontologen
dikwijls moeite hebben, om de overblijfselen van den amphicyon te onderscheiden
van die der honden. Toch was de amphicyon een zoolganger en misschien een
klimmend dier, evenals de beren, terwijl de honden teengangers zijn en niet
klimmen.
Er is eene fossiele soort, waarbij de verwantschap met de beren nog duidelijker
uitkomt dan bij den amphicyon; wij bedoelen den hyaenarctos1, die in de middelste
miocene formatie gevonden is.
De hyena’s verschillen tegenwoordig veel van de civetkatten, doch dit is niet altijd
het geval geweest; door het onderzoek der tanden leert ons de paleontologie den
overgang kennen tusschen de hyena’s en de civetkatten.
kunnen zijn van sommige tegenwoordige verscheurende dieren; ook begint zij ons
schakels te vertoonen, die soorten vereenigen, welke thans van elkander gescheiden
liggen. Niet alle dieren, die men onder den naam van verscheurende dieren
bijeenvoegt, hebben dezelfde voedingswijze: de leeuw eet versch vleesch, de hyena
lijken, terwijl enkele beren evenzoo omnivoor zijn als de zwijnen. Hiermede
hangen belangrijke verschillen in den vorm der tanden samen; naarmate de voeding
van het dier meer tot die der verscheurende dieren behoort, zijn zijne tanden
scherper en de hoektanden grooter; indien zijne levenswijze met die der omnivoren
overeenkomt, dan krijgen de knobbelkiezen de overhand. Zoo komen ook de
ledematen der verschillende dieren overeen met hunne levenswijze; de beer, die
weinig loopt en in de boomen klimt, kan niet dezelfde ledematen hebben als de
hond; de klauwen, waarmede de hond zijne prooi verscheurt, kunnen niet gevormd
zijn als die van de hyena. De roofdieren worden dan ook in zes families verdeeld:
Beerachtige roofdieren, Hyena’s,
Marterachtige roofdieren, Civetkatten,
Hondachtige roofdieren, Katachtige roofdieren.
Tusschen de verschillende families bestaan talrijke punten van overeenkomst.
Niettegenstaande het groote verschil tusschen den hond en den beer kent men
fossiele roofdieren, die weer het denkbeeld van verwantschap tusschen die dieren
opwekken. Zoo b.v. de amphicyon: dat viervoetige dier, dat één der meest
eigenaardige fossielen is van het midden der tertiaire periode, behoort zeker, zooals
de naam aanwijst, tot de honden; dit is zelfs zóó waar, dat de paleontologen
dikwijls moeite hebben, om de overblijfselen van den amphicyon te onderscheiden
van die der honden. Toch was de amphicyon een zoolganger en misschien een
klimmend dier, evenals de beren, terwijl de honden teengangers zijn en niet
klimmen.
Er is eene fossiele soort, waarbij de verwantschap met de beren nog duidelijker
uitkomt dan bij den amphicyon; wij bedoelen den hyaenarctos1, die in de middelste
miocene formatie gevonden is.
De hyena’s verschillen tegenwoordig veel van de civetkatten, doch dit is niet altijd
het geval geweest; door het onderzoek der tanden leert ons de paleontologie den
overgang kennen tusschen de hyena’s en de civetkatten.
Page 524
De roofdieren der tegenwoordige tijden zijn door talrijke schakels aan die van
vroeger verbonden; maar evenals vele grasetende dieren uitgestorven zijn en niet
tot ons zijn gekomen, evenzoo is het ook zeker, dat enkele roofdieren alleen geleefd
hebben in de geologische tijden en gestorven zijn, zonder kroost achter te laten.
Gaudry geeft als voorbeeld den machoerodus2. Zooals de naam reeds aanduidt,
bezat dat dier lange scheurkiezen, zoo scherp als het lemmet van een mes,
waarmede het repen kon trekken uit de dikke huid der dikhuidige dieren; geen
enkel dier van onzen tijd schijnt van dit roofdier af te stammen.
Fig. 292. De mastodon, de voorbode van den olifant. Miocene periode.
Wij hebben reeds opgemerkt, dat de zoogdieren in diezelfde miocene periode
hunne grootste ontwikkeling schijnen verkregen te hebben. Sedert de langhische
periode ziet men bij de placentaire landdieren de laatste karaktertrekken
verdwijnen, die hen nog met de buideldieren verbonden. De snuitdieren
verschijnen naast den mastodon en het dinotherium, die wij beide kunnen
beschouwen als de voorboden der olifanten, waarmede zij trouwens talrijke
aanrakingspunten vertoonen.
vroeger verbonden; maar evenals vele grasetende dieren uitgestorven zijn en niet
tot ons zijn gekomen, evenzoo is het ook zeker, dat enkele roofdieren alleen geleefd
hebben in de geologische tijden en gestorven zijn, zonder kroost achter te laten.
Gaudry geeft als voorbeeld den machoerodus2. Zooals de naam reeds aanduidt,
bezat dat dier lange scheurkiezen, zoo scherp als het lemmet van een mes,
waarmede het repen kon trekken uit de dikke huid der dikhuidige dieren; geen
enkel dier van onzen tijd schijnt van dit roofdier af te stammen.
Fig. 292. De mastodon, de voorbode van den olifant. Miocene periode.
Wij hebben reeds opgemerkt, dat de zoogdieren in diezelfde miocene periode
hunne grootste ontwikkeling schijnen verkregen te hebben. Sedert de langhische
periode ziet men bij de placentaire landdieren de laatste karaktertrekken
verdwijnen, die hen nog met de buideldieren verbonden. De snuitdieren
verschijnen naast den mastodon en het dinotherium, die wij beide kunnen
beschouwen als de voorboden der olifanten, waarmede zij trouwens talrijke
aanrakingspunten vertoonen.
Page 525
Het dinotherium is het grootste van alle ooit bestaan hebbende landzoogdieren.
Langen tijd bezat men van dat dier slechts onvolledige overblijfselen, daardoor
kwam Cuvier er ten onrechte toe, om het onder de tapirs te rangschikken. De
ontdekking van eene bijna volledige benedenkaak, gewapend met eenen naar
beneden gerichten slagtand, bewees, dat dit geheimzinnige wezen het type was
eener nieuwe en tevens hoogst merkwaardige soort. Doch daar men dieren der oude
wereld kende, wier boven- en benedenkaak beide van slagtanden voorzien waren,
meende men een’ tijd lang, dat ditzelfde ook bij het dinotherium wel het geval kon
wezen. Doch in 1836 werd bij Eppelsheim (Hessen-Darmstadt) een bijna volledige
schedel gevonden met enkel slagtanden op de benedenkaak. Naar de gevonden
ledematen te oordeelen, moet het dier groote gelijkenis gehad hebben met den
mastodon.
De mastodon is het eerst in de vorige eeuw in Amerika ontdekt, en Buffon gaf het
dier den naam van olifant van den Ohio. Cuvier noemde hem mastodon.
De mastodon der miocene periode had vier slagtanden, waarvan de kortste aan de
benedenkaak geplaatst waren.
Ten allen tijde heeft men beenderen van fossiele olifanten en mastodonten
gevonden; die beenderen hebben aanleiding gegeven tot de dwaze verhalen omtrent
de opgraving van geraamten van oude reuzen; want in eenen tijd, toen de
ontleedkunde nog zoo laag stond, kon de zucht tot het wonderbaarlijke te meer van
dergelijke gebeurtenissen partij trekken, om denkbeelden te doen ingang vinden,
die op de verbeelding werkten, waar de olifant een dier is, wiens geraamte (met
uitzondering van de grootte) tamelijk veel overeenkomst heeft met dat van den
mensch. Men zou een geheel boek kunnen vullen met verhalen omtrent fossiele
beenderen van groote viervoetige dieren, die bedrog of onkunde hebben doen
doorgaan voor overblijfselen van menschelijke reuzen. Het bekendste van die
verhalen is dat omtrent het geraamte, dat men onder Lodewijk XIII vond, en dat
men vertoonde als dat van Teutobochus, koning der Cimbren, die tegen Marius
gestreden had.
Den 11den Januari 1613 vond men in eene zandgroeve bij het kasteel van Chaumont
in Dauphiné tusschen de steden Montricaux en St. Etienne, beenderen, waarvan
enkele door de werklieden gebroken waren; een heelkundige uit Beaurepaire,
Mazurier genaamd, wien men de ontdekking mededeelde, maakte zich van de
beenderen meester en besloot er zijn voordeel mede te doen; hij beweerde, dat hij
ze in een graf van 30 voet lengte gevonden had, waarop geschreven stond
Teutobochus Rex; hij deelde verder mede, dat hij tevens een vijftigtal penningen
Langen tijd bezat men van dat dier slechts onvolledige overblijfselen, daardoor
kwam Cuvier er ten onrechte toe, om het onder de tapirs te rangschikken. De
ontdekking van eene bijna volledige benedenkaak, gewapend met eenen naar
beneden gerichten slagtand, bewees, dat dit geheimzinnige wezen het type was
eener nieuwe en tevens hoogst merkwaardige soort. Doch daar men dieren der oude
wereld kende, wier boven- en benedenkaak beide van slagtanden voorzien waren,
meende men een’ tijd lang, dat ditzelfde ook bij het dinotherium wel het geval kon
wezen. Doch in 1836 werd bij Eppelsheim (Hessen-Darmstadt) een bijna volledige
schedel gevonden met enkel slagtanden op de benedenkaak. Naar de gevonden
ledematen te oordeelen, moet het dier groote gelijkenis gehad hebben met den
mastodon.
De mastodon is het eerst in de vorige eeuw in Amerika ontdekt, en Buffon gaf het
dier den naam van olifant van den Ohio. Cuvier noemde hem mastodon.
De mastodon der miocene periode had vier slagtanden, waarvan de kortste aan de
benedenkaak geplaatst waren.
Ten allen tijde heeft men beenderen van fossiele olifanten en mastodonten
gevonden; die beenderen hebben aanleiding gegeven tot de dwaze verhalen omtrent
de opgraving van geraamten van oude reuzen; want in eenen tijd, toen de
ontleedkunde nog zoo laag stond, kon de zucht tot het wonderbaarlijke te meer van
dergelijke gebeurtenissen partij trekken, om denkbeelden te doen ingang vinden,
die op de verbeelding werkten, waar de olifant een dier is, wiens geraamte (met
uitzondering van de grootte) tamelijk veel overeenkomst heeft met dat van den
mensch. Men zou een geheel boek kunnen vullen met verhalen omtrent fossiele
beenderen van groote viervoetige dieren, die bedrog of onkunde hebben doen
doorgaan voor overblijfselen van menschelijke reuzen. Het bekendste van die
verhalen is dat omtrent het geraamte, dat men onder Lodewijk XIII vond, en dat
men vertoonde als dat van Teutobochus, koning der Cimbren, die tegen Marius
gestreden had.
Den 11den Januari 1613 vond men in eene zandgroeve bij het kasteel van Chaumont
in Dauphiné tusschen de steden Montricaux en St. Etienne, beenderen, waarvan
enkele door de werklieden gebroken waren; een heelkundige uit Beaurepaire,
Mazurier genaamd, wien men de ontdekking mededeelde, maakte zich van de
beenderen meester en besloot er zijn voordeel mede te doen; hij beweerde, dat hij
ze in een graf van 30 voet lengte gevonden had, waarop geschreven stond
Teutobochus Rex; hij deelde verder mede, dat hij tevens een vijftigtal penningen
Page 526
ontdekt had met de beeltenis van Marius. Al die verhalen maakte hij publiek in
eene brochure, die er op ingericht was, de nieuwsgierigheid van het publiek te
prikkelen, en hij liet zoowel in Parijs als op andere plaatsen de beenderen van den
reus voor geld zien. Gassendi toonde aan, dat de zoogenaamde penningen
nagemaakt waren; de beenderen, die thans in het Museüm te Parijs geplaatst zijn,
zijn, zooals de vorm der tanden reeds op het eerste gezicht doet zien, beenderen
van eenen mastodon en niet van eenen olifant, zooals men gemeend had, zoolang
men geenen anderen gids bij het onderzoek had dan eene soort inventaris van de
stukken, aan het publiek vertoond, en enkele niet zeer heldere opgaven in de
geschriften der geneesheeren, die deelnamen aan den strijd vóór of tegen de
leugenachtige beweringen van Mazurier.
Dergelijke dwaasheden waren in de achttiende eeuw reeds niet meer mogelijk; als
men olifantsbeenderen vond, begreep men, dat het olifantsbeenderen en geene
menschenbeenderen waren; maar toch geloofde men nog, dat zij ten tijde der
Romeinen onder den grond begraven waren.
De mastodon, wiens verschijning uit de miocene periode dagteekent, is de
voorbode en waarschijnlijk de stamvader van den olifant. Gaudry heeft op eene
heldere wijze aangetoond, hoe de tanden van den oudsten mastodon zich
geleidelijk gewijzigd hebben tot die van onzen tegenwoordigen olifant.
Daaromtrent is geen twijfel meer mogelijk. Men ziet de soort zich langzamerhand
vervormen van een volkomen omnivoor (allesetend) type tot een even volkomen
grasetend type. Uit het oogpunt van het verstand is er niet minder vooruitgang dan
uit het oogpunt van den bouw; onze lezers weten immers, dat de olifant één der
verstandigste en goedmoedigste dieren is.
Zooals wij zagen, zijn in de miocene periode alle orden der zoogdieren
vertegenwoordigd: dikhuidigen, verscheurende dieren, vleugelhandigen,
knaagdieren, snuitdieren, herkauwende dieren, insectenetende, walvischachtige en
vierhandige dieren. De merkwaardigste zijn, zooals wij zagen, de dinotheriums en
de mastodonten. Zij waren vergezeld van een groot aantal andere bewoners der
wouden, velden en oevers, zooals het antracotherium, een dikhuidig dier met
snijtanden en scherpe kiezen gewapend, die ter verdediging konden dienen. De
tapirs en de rhinocerossen verschijnen met de eerste voorouders der herkauwende
dieren. Alleen in Griekenland, dat toen deel van een uitgebreid vastland uitmaakte,
heeft Gaudry 51 verschillende soorten te voorschijn gebracht, waaronder wij,
behalve de apen, waarover wij zoo aanstonds zullen spreken, hipparions, antilopen,
gazellen, giraffen, wilde zwijnen, wilde katten, civetkatten, enz. kunnen noemen.
eene brochure, die er op ingericht was, de nieuwsgierigheid van het publiek te
prikkelen, en hij liet zoowel in Parijs als op andere plaatsen de beenderen van den
reus voor geld zien. Gassendi toonde aan, dat de zoogenaamde penningen
nagemaakt waren; de beenderen, die thans in het Museüm te Parijs geplaatst zijn,
zijn, zooals de vorm der tanden reeds op het eerste gezicht doet zien, beenderen
van eenen mastodon en niet van eenen olifant, zooals men gemeend had, zoolang
men geenen anderen gids bij het onderzoek had dan eene soort inventaris van de
stukken, aan het publiek vertoond, en enkele niet zeer heldere opgaven in de
geschriften der geneesheeren, die deelnamen aan den strijd vóór of tegen de
leugenachtige beweringen van Mazurier.
Dergelijke dwaasheden waren in de achttiende eeuw reeds niet meer mogelijk; als
men olifantsbeenderen vond, begreep men, dat het olifantsbeenderen en geene
menschenbeenderen waren; maar toch geloofde men nog, dat zij ten tijde der
Romeinen onder den grond begraven waren.
De mastodon, wiens verschijning uit de miocene periode dagteekent, is de
voorbode en waarschijnlijk de stamvader van den olifant. Gaudry heeft op eene
heldere wijze aangetoond, hoe de tanden van den oudsten mastodon zich
geleidelijk gewijzigd hebben tot die van onzen tegenwoordigen olifant.
Daaromtrent is geen twijfel meer mogelijk. Men ziet de soort zich langzamerhand
vervormen van een volkomen omnivoor (allesetend) type tot een even volkomen
grasetend type. Uit het oogpunt van het verstand is er niet minder vooruitgang dan
uit het oogpunt van den bouw; onze lezers weten immers, dat de olifant één der
verstandigste en goedmoedigste dieren is.
Zooals wij zagen, zijn in de miocene periode alle orden der zoogdieren
vertegenwoordigd: dikhuidigen, verscheurende dieren, vleugelhandigen,
knaagdieren, snuitdieren, herkauwende dieren, insectenetende, walvischachtige en
vierhandige dieren. De merkwaardigste zijn, zooals wij zagen, de dinotheriums en
de mastodonten. Zij waren vergezeld van een groot aantal andere bewoners der
wouden, velden en oevers, zooals het antracotherium, een dikhuidig dier met
snijtanden en scherpe kiezen gewapend, die ter verdediging konden dienen. De
tapirs en de rhinocerossen verschijnen met de eerste voorouders der herkauwende
dieren. Alleen in Griekenland, dat toen deel van een uitgebreid vastland uitmaakte,
heeft Gaudry 51 verschillende soorten te voorschijn gebracht, waaronder wij,
behalve de apen, waarover wij zoo aanstonds zullen spreken, hipparions, antilopen,
gazellen, giraffen, wilde zwijnen, wilde katten, civetkatten, enz. kunnen noemen.
Page 527
Een tandeloos dier met kromme klauwen heeft den naam van ankilotherium
gekregen. Een ander dier, dat half beer, half hond schijnt te zijn, en ook
eigenschappen met de kat gemeen heeft, heeft den naam van simocyon gekregen.
Eene soort van giraffe met niet bijzonder langen hals is helladotherium genoemd.
Twee herkauwende dieren, gelijkende op onze geiten, heeten paleoceras en
tragoceras. Bij al die dieren der miocene periode moeten wij nog voegen de bevers,
de marmotten en een groot aantal steltvogels.
Fig. 293. Schedel van eenen mesopithecus der
miocene periode.
gekregen. Een ander dier, dat half beer, half hond schijnt te zijn, en ook
eigenschappen met de kat gemeen heeft, heeft den naam van simocyon gekregen.
Eene soort van giraffe met niet bijzonder langen hals is helladotherium genoemd.
Twee herkauwende dieren, gelijkende op onze geiten, heeten paleoceras en
tragoceras. Bij al die dieren der miocene periode moeten wij nog voegen de bevers,
de marmotten en een groot aantal steltvogels.
Fig. 293. Schedel van eenen mesopithecus der
miocene periode.
Page 528
Fig. 294. Mesopithecus der miocene periode in Griekenland.
Wij hebben reeds vroeger (in het vorige hoofdstuk) de onderzoekingen
medegedeeld van Gaudry over de afstamming der apen uit de dikhuidigen en het
optreden der halfapen in die periode. Wat ook die oorsprong zij, de voornaamste
typen van apen komen in de miocene periode voor: in de formaties van dien tijd
vindt men de gewone en de anthropomorphe apen.
De eerste fossiele aap, dien men heeft gevonden, is de semnopithecus
subhimalayanus, door Baker en Durand in 1836 in de bovenste miocene formatie
der Himalaya gevonden; hij had de grootte van eenen oerang-oetan. Spoedig
daarna hebben Falconner en Gautley uit dezelfde lagen eene kleinere soort van
semnopithecus opgedolven. Gervais heeft te Montpellier enkele stukken gevonden,
die hij eveneens toeschreef aan eenen semnopithecus. Eene kaak van eenen
makako is uit de pliocene terreinen van Val-d’Arno opgedolven.
Wij hebben reeds vroeger (in het vorige hoofdstuk) de onderzoekingen
medegedeeld van Gaudry over de afstamming der apen uit de dikhuidigen en het
optreden der halfapen in die periode. Wat ook die oorsprong zij, de voornaamste
typen van apen komen in de miocene periode voor: in de formaties van dien tijd
vindt men de gewone en de anthropomorphe apen.
De eerste fossiele aap, dien men heeft gevonden, is de semnopithecus
subhimalayanus, door Baker en Durand in 1836 in de bovenste miocene formatie
der Himalaya gevonden; hij had de grootte van eenen oerang-oetan. Spoedig
daarna hebben Falconner en Gautley uit dezelfde lagen eene kleinere soort van
semnopithecus opgedolven. Gervais heeft te Montpellier enkele stukken gevonden,
die hij eveneens toeschreef aan eenen semnopithecus. Eene kaak van eenen
makako is uit de pliocene terreinen van Val-d’Arno opgedolven.
Page 529
Fig. 295. De siamang, een gibbon der miocene periode.
In de bruinkool van Elgg, in Zwitserland, heeft men eene goed bewaard gebleven
kaak van eenen aap gevonden, waarin de tanden nog aanwezig waren; het was een
aap, die tot de familie der catarrhinae, smalneuzen, behoorde. Die kaak heeft
bijzonder veel overeenkomst met eene andere apenkaak bij Auch ontdekt door
Lartet, en behoort tot dezelfde soort. Gervais is van oordeel, dat het eene
uitgestorven soort is, de pliopithecus, terwijl Rütmeyer meent, dat het een
Indiaansche gibbon is; in ieder geval heeft hij de grootste overeenkomst met die
langarmige, staartlooze apen. Volgens Rütmeyer is die oorspronkelijke gibbon één
der voorouders van den siamang van Sumatra.
Gaudry heeft te Pikermi de overblijfselen bijeengezameld van 25 exemplaren van
het geslacht mesopithecus; daaruit kan men zich een denkbeeld vormen van zijn
voorkomen en zijne levenswijze (fig. 293 en 294). Zijn gezichtshoek van 57° wijst
op eenen aap, die tamelijk ontwikkeld was; zijne tanden toonen aan, dat hij zich
niet uitsluitend met vruchten, maar ook met boomknoppen voedde. Uit de
gelijkheid van zijne vóór- en achterpooten kan men afleiden, dat hij veeleer liep
dan klom; hij leefde in kleine troepen vereenigd. De kennis van de verschillende
In de bruinkool van Elgg, in Zwitserland, heeft men eene goed bewaard gebleven
kaak van eenen aap gevonden, waarin de tanden nog aanwezig waren; het was een
aap, die tot de familie der catarrhinae, smalneuzen, behoorde. Die kaak heeft
bijzonder veel overeenkomst met eene andere apenkaak bij Auch ontdekt door
Lartet, en behoort tot dezelfde soort. Gervais is van oordeel, dat het eene
uitgestorven soort is, de pliopithecus, terwijl Rütmeyer meent, dat het een
Indiaansche gibbon is; in ieder geval heeft hij de grootste overeenkomst met die
langarmige, staartlooze apen. Volgens Rütmeyer is die oorspronkelijke gibbon één
der voorouders van den siamang van Sumatra.
Gaudry heeft te Pikermi de overblijfselen bijeengezameld van 25 exemplaren van
het geslacht mesopithecus; daaruit kan men zich een denkbeeld vormen van zijn
voorkomen en zijne levenswijze (fig. 293 en 294). Zijn gezichtshoek van 57° wijst
op eenen aap, die tamelijk ontwikkeld was; zijne tanden toonen aan, dat hij zich
niet uitsluitend met vruchten, maar ook met boomknoppen voedde. Uit de
gelijkheid van zijne vóór- en achterpooten kan men afleiden, dat hij veeleer liep
dan klom; hij leefde in kleine troepen vereenigd. De kennis van de verschillende
Page 530
deelen van het geraamte van den mesopithecus leert ons, dat die aap den overgang
vormt tusschen twee thans nog levende soorten, de semnopitheken en de gibbons;
daarom heeft men ze ook mesopitheken genoemd3.
De ontdekking der anthropomorphe fossiele apen is men verschuldigd aan Gaudry.
In 1835 heeft hij bij Auch den pliopithecus gevonden, die nauw aan den gibbon
verwant is. Later heeft hij den dryopithecus beschreven; men kent daarvan echter
alleen de benedenkaak en het sleutelbeen. „De dryopithecus,” zegt de uitnemende
geleerde, „was een zeer ontwikkelde aap. Hij kwam in verschillende
bijzonderheden met den mensen overeen. Hij moet ongeveer even groot geweest
zijn als de mensen; zijne snijtanden waren klein; zijne achterkiezen hadden
knobbels, die minder rond waren dan die van de Europeesche rassen, maar die
geleken op de knobbels van de kiezen der Australiërs. Naast die punten van
overeenkomst is er een punt van verschil, dat ons treft, zoodra wij de kaak van een
mensch met die van eenen dryopithecus vergelijkt: in de kaak van den mensch is de
eerste achterkies sterker dan bij den dryopithecus, de hoektand en de voorkiezen
zijn echter zwakker; dat verschil is van groot gewicht, want de verkorting der
voortanden staat in verband met het weinig vooruitsteken van het gelaat, en is dus
een bewijs voor de voortreffelijkheid van den mensch; de mensch kenmerkt zich
vooral door eene buitengewone ontwikkeling van de beenderen, die de hersens, den
zetel der gedachten, omgeven, en eene zóó sterke vermindering der
aangezichtsbeenderen, dat zij niet meer eenen snuit, maar den gevel van het hoofd
vormen.”
Zoo wordt van stap tot stap de heerschappij van den mensch voorbereid.
1 ὕαινα, hyena; ἄρκτος, beer.
2 μάχαιρα, mes; όδους, tand.
3 μέσος, midden; πίθηκος, aap.
vormt tusschen twee thans nog levende soorten, de semnopitheken en de gibbons;
daarom heeft men ze ook mesopitheken genoemd3.
De ontdekking der anthropomorphe fossiele apen is men verschuldigd aan Gaudry.
In 1835 heeft hij bij Auch den pliopithecus gevonden, die nauw aan den gibbon
verwant is. Later heeft hij den dryopithecus beschreven; men kent daarvan echter
alleen de benedenkaak en het sleutelbeen. „De dryopithecus,” zegt de uitnemende
geleerde, „was een zeer ontwikkelde aap. Hij kwam in verschillende
bijzonderheden met den mensen overeen. Hij moet ongeveer even groot geweest
zijn als de mensen; zijne snijtanden waren klein; zijne achterkiezen hadden
knobbels, die minder rond waren dan die van de Europeesche rassen, maar die
geleken op de knobbels van de kiezen der Australiërs. Naast die punten van
overeenkomst is er een punt van verschil, dat ons treft, zoodra wij de kaak van een
mensch met die van eenen dryopithecus vergelijkt: in de kaak van den mensch is de
eerste achterkies sterker dan bij den dryopithecus, de hoektand en de voorkiezen
zijn echter zwakker; dat verschil is van groot gewicht, want de verkorting der
voortanden staat in verband met het weinig vooruitsteken van het gelaat, en is dus
een bewijs voor de voortreffelijkheid van den mensch; de mensch kenmerkt zich
vooral door eene buitengewone ontwikkeling van de beenderen, die de hersens, den
zetel der gedachten, omgeven, en eene zóó sterke vermindering der
aangezichtsbeenderen, dat zij niet meer eenen snuit, maar den gevel van het hoofd
vormen.”
Zoo wordt van stap tot stap de heerschappij van den mensch voorbereid.
1 ὕαινα, hyena; ἄρκτος, beer.
2 μάχαιρα, mes; όδους, tand.
3 μέσος, midden; πίθηκος, aap.
Page 531
Page 532
Derde hoofdstuk
Page 533
De Pliocene Periode.
De derde en laatste periode van het tertiaire tijdperk heeft, zooals wij zagen, den
naam van pliocene periode gekregen. Hoewel nauw genoeg verwant aan de
tegenwoordige periode, om de opvatting van enkele schrijvers te verklaren, die
haar tot onze periode rekenen, zoo heeft zij toch een eigenaardig karakter, dat
tamelijk veel verschilt van dat van onzen tijd. Wel verschilden de vormen der zeeën
en der landen weinig van die van thans, maar de bezinkingen van dien tijd hellen
thans op enkele plaatsen en zijn hoog opgeheven, terwijl de dierenwereld, wier
overblijfselen in die lagen bewaard zijn gebleven, en die bestond vóór de afkoeling
der noordelijke streken, meer het einde van een ouder tijdperk, dan het begin van
een nieuw tijdperk aanwijst.
In het begin der pliocene periode heeft de gedaante der streken aan de
Middellandsche zee eene tijdelijke, doch tevens belangrijke verandering ondergaan.
De eerste lagen dier periode immers wijzen meer op brakwater dan op zeewater. De
Middellandsche zee stroomde toen niet verder oostwaarts dan de meridiaan over
Sardinië, en het geheele oostelijke gedeelte dier zee had plaats gemaakt voor een
aantal binnenzeeën, aan wier oevers zich groote kudden grasetende dieren
bewogen. Maar weldra keert de zee daar weder terug en stroomt zij door de
Rhônevallei en de Povallei. In Frankrijk is de pliocene zee voortgegaan tot aan de
poorten van Lyon, in Italië tot aan de Apennijnen; Rome, de heuvels van het
Vaticaan en van de Monte-Mario waren toen onder water. Men vindt tot onder het
Vaticaan, de pliocene schelpen, die dagteekenen van duizenden eeuwen herwaarts.
De derde en laatste periode van het tertiaire tijdperk heeft, zooals wij zagen, den
naam van pliocene periode gekregen. Hoewel nauw genoeg verwant aan de
tegenwoordige periode, om de opvatting van enkele schrijvers te verklaren, die
haar tot onze periode rekenen, zoo heeft zij toch een eigenaardig karakter, dat
tamelijk veel verschilt van dat van onzen tijd. Wel verschilden de vormen der zeeën
en der landen weinig van die van thans, maar de bezinkingen van dien tijd hellen
thans op enkele plaatsen en zijn hoog opgeheven, terwijl de dierenwereld, wier
overblijfselen in die lagen bewaard zijn gebleven, en die bestond vóór de afkoeling
der noordelijke streken, meer het einde van een ouder tijdperk, dan het begin van
een nieuw tijdperk aanwijst.
In het begin der pliocene periode heeft de gedaante der streken aan de
Middellandsche zee eene tijdelijke, doch tevens belangrijke verandering ondergaan.
De eerste lagen dier periode immers wijzen meer op brakwater dan op zeewater. De
Middellandsche zee stroomde toen niet verder oostwaarts dan de meridiaan over
Sardinië, en het geheele oostelijke gedeelte dier zee had plaats gemaakt voor een
aantal binnenzeeën, aan wier oevers zich groote kudden grasetende dieren
bewogen. Maar weldra keert de zee daar weder terug en stroomt zij door de
Rhônevallei en de Povallei. In Frankrijk is de pliocene zee voortgegaan tot aan de
poorten van Lyon, in Italië tot aan de Apennijnen; Rome, de heuvels van het
Vaticaan en van de Monte-Mario waren toen onder water. Men vindt tot onder het
Vaticaan, de pliocene schelpen, die dagteekenen van duizenden eeuwen herwaarts.
Page 534
Fig. 297. Fossiel geraamte van het megatherium.
In diezelfde periode openbaren zich nog altijd de vulkanische verschijnselen, die de
miocene periode kenmerkten. Een betrekkelijk zacht klimaat is oorzaak, dat Europa
eenen plantengroei vertoont, waar de typen der dichte bosschen van het noorden
verbonden zijn met die der Canarische eilanden en den Caucasus. Doch de
temperatuur daalt al meer en meer, terwijl tegelijkertijd de zee zich terugtrekt; de
plantenwereld wordt al armer en armer, om niet meer aan te winnen; de gevoeligste
soorten verhuizen naar het zuiden, en de palmen worden alleen aangetroffen op
plaatsen meer dan 10° ten zuiden van die, waarin zij tijdens de miocene periode
voorkwamen. Op het einde der periode vindt men alleen die planten, die
tegenwoordig nog gevonden worden op plaatsen, eenige graden dichter bij den
evenaar gelegen. Zij leveren echter nog voldoende voedsel op voor de
plantenetende dieren van die periode.
Terwijl de miocene periode de bloeitijd was van de plantenwereld in Europa, begint
in de pliocene periode haar verval: de warmte vermindert en de plantengroei
verarmt voor altoos.
Onmerkbaar trekt de zee zich terug van de opgeheven Alpen, van Zwitserland en
van geheel Frankrijk. In de Rhônevallei trekt zij eerst terug naar Valence, daarna
naar Montélimart en naar Orange; evenals de monding der Rhône vormen die der
In diezelfde periode openbaren zich nog altijd de vulkanische verschijnselen, die de
miocene periode kenmerkten. Een betrekkelijk zacht klimaat is oorzaak, dat Europa
eenen plantengroei vertoont, waar de typen der dichte bosschen van het noorden
verbonden zijn met die der Canarische eilanden en den Caucasus. Doch de
temperatuur daalt al meer en meer, terwijl tegelijkertijd de zee zich terugtrekt; de
plantenwereld wordt al armer en armer, om niet meer aan te winnen; de gevoeligste
soorten verhuizen naar het zuiden, en de palmen worden alleen aangetroffen op
plaatsen meer dan 10° ten zuiden van die, waarin zij tijdens de miocene periode
voorkwamen. Op het einde der periode vindt men alleen die planten, die
tegenwoordig nog gevonden worden op plaatsen, eenige graden dichter bij den
evenaar gelegen. Zij leveren echter nog voldoende voedsel op voor de
plantenetende dieren van die periode.
Terwijl de miocene periode de bloeitijd was van de plantenwereld in Europa, begint
in de pliocene periode haar verval: de warmte vermindert en de plantengroei
verarmt voor altoos.
Onmerkbaar trekt de zee zich terug van de opgeheven Alpen, van Zwitserland en
van geheel Frankrijk. In de Rhônevallei trekt zij eerst terug naar Valence, daarna
naar Montélimart en naar Orange; evenals de monding der Rhône vormen die der
Page 535
Po en van den Donau golven. De landen nemen langzamerhand hunne
tegenwoordige gedaante aan, en de rivieren hunne tegenwoordige richting.
Gedurende het eerste gedeelte der pliocene periode hebben onder de landdieren de
plantenetende dieren zonder twijfel de overhand. De miocene zeeën zijn
opgedroogd, of liever zij zijn veranderd in groote zoutwatermeren, waaromheen
zich eene welige grasflora ontwikkelt. Op die weiden loopen ontelbare kudden
antilopen, herten, helladotheriums, giraffen, palaeotragi, palaeorea’s, waarvan men
de fossielen gevonden heeft in Griekenland, Zwitserland en Frankrijk. Daarbij
komen nog het hipparion, de mastodon en de mesopitheke aap.
In het algemeen nadert de natuur in die periode tot die van den tegenwoordigen
tijd. Wij zien in Frankrijk de palmen verdwijnen en alleen de planten der gematigde
luchtstreken overblijven, en dat niet alleen de boomen, maar ook de heesters en
bloemen. Nadat Europa nog eenigen tijd de sequoia’s en de bamboe’s behouden
heeft, komen daarna alleen soorten voor, die verwant zijn aan die, welke daar thans
gevonden worden, maar die bestemd zijn, om in de volgende eeuwen naar het
zuiden terug te wijken. De pliocene flora getuigt reeds van een kouder klimaat. De
klimatologische verschillen tusschen het noorden en het zuiden van Europa
beginnen scherper uit te komen; zoo vond men nog in de omstreken van Marseille
eenen palmboom (Chamaerops humilis) naast eenen eik (Quercus lusitanica), dien
men nu nog slechts vindt in het zuiden van Spanje, terwijl de ahorn, de populier, de
noteboom en de lork de overhand hadden in het midden van Frankrijk, en eenige
typen vertoonden, die thans gevonden worden in Algiers, in Portugal of in Japan.
Verscheidene plantensoorten van de Europeesche pliocene periode komen thans
voor in de groote wouden van Amerika.
Bij het dierenrijk neemt men eene groote ontwikkeling van de zoogdieren waar;
nieuwe mastodonten vervangen de oude, om spoedig voor altoos te verdwijnen.
De mastodon, dien wij naar aanleiding van de vorige periode bestudeerd hebben,
leefde nog in de pliocene periode. Fig. 301 stelt een fossiel geraamte voor van de
soort, die in dien tijd leefde: den mastodon van Turijn, die alleen de groote
slagtanden op de bovenkaak had. De mastodon, die in de miocene periode leefde,
had, zooals wij vroeger zagen, vier slagtanden.
De dinotheriums zijn uitgestorven; de olifanten zullen zich in nieuwe soorten
voortplanten (mammouth of elephas primigenius), die den duur van het geslacht tot
op onzen tijd zullen waarborgen; de nijlpaarden en de rhinocerossen nemen toe,
evenals de tapirs en de kameelen. Men ziet ontzaglijke runderen optreden, die in de
tegenwoordige gedaante aan, en de rivieren hunne tegenwoordige richting.
Gedurende het eerste gedeelte der pliocene periode hebben onder de landdieren de
plantenetende dieren zonder twijfel de overhand. De miocene zeeën zijn
opgedroogd, of liever zij zijn veranderd in groote zoutwatermeren, waaromheen
zich eene welige grasflora ontwikkelt. Op die weiden loopen ontelbare kudden
antilopen, herten, helladotheriums, giraffen, palaeotragi, palaeorea’s, waarvan men
de fossielen gevonden heeft in Griekenland, Zwitserland en Frankrijk. Daarbij
komen nog het hipparion, de mastodon en de mesopitheke aap.
In het algemeen nadert de natuur in die periode tot die van den tegenwoordigen
tijd. Wij zien in Frankrijk de palmen verdwijnen en alleen de planten der gematigde
luchtstreken overblijven, en dat niet alleen de boomen, maar ook de heesters en
bloemen. Nadat Europa nog eenigen tijd de sequoia’s en de bamboe’s behouden
heeft, komen daarna alleen soorten voor, die verwant zijn aan die, welke daar thans
gevonden worden, maar die bestemd zijn, om in de volgende eeuwen naar het
zuiden terug te wijken. De pliocene flora getuigt reeds van een kouder klimaat. De
klimatologische verschillen tusschen het noorden en het zuiden van Europa
beginnen scherper uit te komen; zoo vond men nog in de omstreken van Marseille
eenen palmboom (Chamaerops humilis) naast eenen eik (Quercus lusitanica), dien
men nu nog slechts vindt in het zuiden van Spanje, terwijl de ahorn, de populier, de
noteboom en de lork de overhand hadden in het midden van Frankrijk, en eenige
typen vertoonden, die thans gevonden worden in Algiers, in Portugal of in Japan.
Verscheidene plantensoorten van de Europeesche pliocene periode komen thans
voor in de groote wouden van Amerika.
Bij het dierenrijk neemt men eene groote ontwikkeling van de zoogdieren waar;
nieuwe mastodonten vervangen de oude, om spoedig voor altoos te verdwijnen.
De mastodon, dien wij naar aanleiding van de vorige periode bestudeerd hebben,
leefde nog in de pliocene periode. Fig. 301 stelt een fossiel geraamte voor van de
soort, die in dien tijd leefde: den mastodon van Turijn, die alleen de groote
slagtanden op de bovenkaak had. De mastodon, die in de miocene periode leefde,
had, zooals wij vroeger zagen, vier slagtanden.
De dinotheriums zijn uitgestorven; de olifanten zullen zich in nieuwe soorten
voortplanten (mammouth of elephas primigenius), die den duur van het geslacht tot
op onzen tijd zullen waarborgen; de nijlpaarden en de rhinocerossen nemen toe,
evenals de tapirs en de kameelen. Men ziet ontzaglijke runderen optreden, die in de
Page 536
wouden in kudden leven; herten met een groot gewei; beren, hipparions en paarden
(kleiner dan die van den tegenwoordigen tijd). Ook worden nieuwe apensoorten
geboren; doch de apen verlaten weldra Europa, dat te koud voor hen geworden is,
om in Afrika te gaan leven.
Fig. 298. Het megatherium (pliocene periode, Zuid-Amerika).
Op het nieuwe vasteland vindt men onder de merkwaardigste zoogdieren dier
periode het megatherium, te Buenos-Ayres ontdekt, tot de orde der tandeloozen
behoorende; dat dier was dom en traag in zijne bewegingen, plantenetend en was
2½ meter hoog; zijn geraamte is bewaard gebleven in het Museüm te Madrid. Wij
kunnen hier nog bijvoegen zijnen tijdgenoot, den mylodon, die zich hoofdzakelijk
voedde met bladeren en knoppen van boomen. Deze was iets kleiner dan het
megatherium en had eveneens aan iederen poot groote nagels.—Doch keeren wij
tot de bewoners van Europa terug.
(kleiner dan die van den tegenwoordigen tijd). Ook worden nieuwe apensoorten
geboren; doch de apen verlaten weldra Europa, dat te koud voor hen geworden is,
om in Afrika te gaan leven.
Fig. 298. Het megatherium (pliocene periode, Zuid-Amerika).
Op het nieuwe vasteland vindt men onder de merkwaardigste zoogdieren dier
periode het megatherium, te Buenos-Ayres ontdekt, tot de orde der tandeloozen
behoorende; dat dier was dom en traag in zijne bewegingen, plantenetend en was
2½ meter hoog; zijn geraamte is bewaard gebleven in het Museüm te Madrid. Wij
kunnen hier nog bijvoegen zijnen tijdgenoot, den mylodon, die zich hoofdzakelijk
voedde met bladeren en knoppen van boomen. Deze was iets kleiner dan het
megatherium en had eveneens aan iederen poot groote nagels.—Doch keeren wij
tot de bewoners van Europa terug.
Page 537
De groote snuitdieren hebben de overhand, vooral de elephas meridionalis, die
zelfs tot in Engeland gevonden wordt; op het einde der pliocene periode
verdwijnen de mastodonten uit Europa, om in Amerika nog een tijdlang hun leven
voort te zetten. De rhinocerossen en de nijlpaarden hebben hunnen grootsten bloei
bereikt, het hert en het rund treden op: al die plantenetende dieren leveren het
bewijs voor den grooten overvloed aan plantaardig voedsel.
Fig. 299. De mylodon (Pliocene periode, Zuid Amerika).
In de afdeeling voor paleontologie van het Museüm te Parijs kan men het
versteende geraamte zien van den elephas meridionalis, in 1872 te Durfort (Gard)
ontdekt; het dier is 4,10 meters hoog, en de grootste breedte van den schedel
bedraagt 1,65 meters.
In de pliocene periode wordt ook het grootste van alle herten geboren; zijne
beenderen zijn in Indië gevonden, in de streken, waar de God Siva wordt
aangebeden, vandaar de naam sivatherium.
zelfs tot in Engeland gevonden wordt; op het einde der pliocene periode
verdwijnen de mastodonten uit Europa, om in Amerika nog een tijdlang hun leven
voort te zetten. De rhinocerossen en de nijlpaarden hebben hunnen grootsten bloei
bereikt, het hert en het rund treden op: al die plantenetende dieren leveren het
bewijs voor den grooten overvloed aan plantaardig voedsel.
Fig. 299. De mylodon (Pliocene periode, Zuid Amerika).
In de afdeeling voor paleontologie van het Museüm te Parijs kan men het
versteende geraamte zien van den elephas meridionalis, in 1872 te Durfort (Gard)
ontdekt; het dier is 4,10 meters hoog, en de grootste breedte van den schedel
bedraagt 1,65 meters.
In de pliocene periode wordt ook het grootste van alle herten geboren; zijne
beenderen zijn in Indië gevonden, in de streken, waar de God Siva wordt
aangebeden, vandaar de naam sivatherium.
Page 538
Het sivatherium had de grootte van eenen olifant, en was het grootste hert, dat ooit
bestaan heeft. Het geleek op onzen tegenwoordigen eland, maar was grooter en
zwaarder. Zijn kop had vier horens, twee boven op het voorhoofd, en twee grootere
boven de oogen, iets wat bij geen enkel ander dier voorkomt. Die vier horens, die
wijd uit elkander stonden, gaven aan het hert een bijzonder vreemd voorkomen.
De geologische geschiedenis der herkauwende dieren wijkt zeer af van die der
dikhuidigen. De laatste hebben in Europa geleefd in de eerste helft der tertiaire
periode, en men vindt daar nog slechts weinige van over. De herkauwende dieren
daarentegen hebben geheerscht in de tweede helft der tertiaire periode, en nog
thans is die orde in vollen bloei.
De oudste herkauwende dieren, die in Europa gevonden zijn, zijn de xiphodon, de
dichodon en de amphimeryx; de laatste zijn nog slechts onvolledig bekend; de
xiphodon kan met evenveel recht onder de dikhuidigen als onder de herkauwende
dieren gerangschikt worden. In Amerika schijnen de herkauwende dieren zich
vroeger te hebben ontwikkeld dan in Europa; op het einde der eocene, of liever in
het begin der miocene periode hadden de meeste herkauwende dieren nog enkele
karaktertrekken van de dikhuidigen bewaard.
Indien wij zien, dat de herkauwende dieren zich tijdens de tertiaire periode
ontwikkeld hebben, naarmate de dikhuidigen afnamen, dan ligt de meening voor de
hand, dat zij veranderde dikhuidigen kunnen geweest zijn. Dit is trouwens ook de
gevolgtrekking, waartoe Gaudry gekomen is door de vergelijking der tanden, het is
echter moeilijk te beslissen, welke dikhuidigen als de stamvaders der herkauwende
dieren moeten beschouwd worden.
bestaan heeft. Het geleek op onzen tegenwoordigen eland, maar was grooter en
zwaarder. Zijn kop had vier horens, twee boven op het voorhoofd, en twee grootere
boven de oogen, iets wat bij geen enkel ander dier voorkomt. Die vier horens, die
wijd uit elkander stonden, gaven aan het hert een bijzonder vreemd voorkomen.
De geologische geschiedenis der herkauwende dieren wijkt zeer af van die der
dikhuidigen. De laatste hebben in Europa geleefd in de eerste helft der tertiaire
periode, en men vindt daar nog slechts weinige van over. De herkauwende dieren
daarentegen hebben geheerscht in de tweede helft der tertiaire periode, en nog
thans is die orde in vollen bloei.
De oudste herkauwende dieren, die in Europa gevonden zijn, zijn de xiphodon, de
dichodon en de amphimeryx; de laatste zijn nog slechts onvolledig bekend; de
xiphodon kan met evenveel recht onder de dikhuidigen als onder de herkauwende
dieren gerangschikt worden. In Amerika schijnen de herkauwende dieren zich
vroeger te hebben ontwikkeld dan in Europa; op het einde der eocene, of liever in
het begin der miocene periode hadden de meeste herkauwende dieren nog enkele
karaktertrekken van de dikhuidigen bewaard.
Indien wij zien, dat de herkauwende dieren zich tijdens de tertiaire periode
ontwikkeld hebben, naarmate de dikhuidigen afnamen, dan ligt de meening voor de
hand, dat zij veranderde dikhuidigen kunnen geweest zijn. Dit is trouwens ook de
gevolgtrekking, waartoe Gaudry gekomen is door de vergelijking der tanden, het is
echter moeilijk te beslissen, welke dikhuidigen als de stamvaders der herkauwende
dieren moeten beschouwd worden.
Page 539
Bewoners van Griekenland, Zwitserland en Provence in de eerste eeuwen
der pliocene periode.
De langzame uitbreiding der plantenetende dieren, hetzij zoolgangers, hetzij
herkauwende dieren, is een opmerkelijk feit, en getuigt voor de geleidelijke
ontwikkeling der soorten. Daar de plantenetende dieren groote kudden vormen, zoo
wijst hun komst op de toenemende vruchtbaarheid der natuur. Niet alleen door hun
aantal, maar ook door de vlugheid hunner bewegingen geven zij leven aan de
velden. De plantenetende dieren wijzen ook op eenen vooruitgang uit een
der pliocene periode.
De langzame uitbreiding der plantenetende dieren, hetzij zoolgangers, hetzij
herkauwende dieren, is een opmerkelijk feit, en getuigt voor de geleidelijke
ontwikkeling der soorten. Daar de plantenetende dieren groote kudden vormen, zoo
wijst hun komst op de toenemende vruchtbaarheid der natuur. Niet alleen door hun
aantal, maar ook door de vlugheid hunner bewegingen geven zij leven aan de
velden. De plantenetende dieren wijzen ook op eenen vooruitgang uit een
Page 540
esthetisch oogpunt; de zoolgangers immers wedijveren in schoonheid met de
herkauwende dieren; verscheidene van deze, de zebra, de daw, de conagga, hebben
een prachtig kleed; enkele hebben eenen bijzonder edelen gang, alle zijn slank en
hebben edele vormen.
Fig. 301. Fossiel geraamte van den masthodon uit het Museüm te Parijs.
In dien tijd leefde ook het hipparion, waarschijnlijk de stamvader van het paard, dat
van het hipparion hierin verschilt, dat de emailplooien der kiezen anders gevormd
waren, terwijl het hipparion niet aan iederen poot éénen hoef had, maar er drie
bezat, waarvan twee onontwikkeld waren. De verandering der vijf toonen in éénen
enkelen was nog niet volkomen. Indien men zijn geraamte beschouwt (fig. 303),
dan vermoedt men reeds in het hipparion den edelen gang van het paard.
herkauwende dieren; verscheidene van deze, de zebra, de daw, de conagga, hebben
een prachtig kleed; enkele hebben eenen bijzonder edelen gang, alle zijn slank en
hebben edele vormen.
Fig. 301. Fossiel geraamte van den masthodon uit het Museüm te Parijs.
In dien tijd leefde ook het hipparion, waarschijnlijk de stamvader van het paard, dat
van het hipparion hierin verschilt, dat de emailplooien der kiezen anders gevormd
waren, terwijl het hipparion niet aan iederen poot éénen hoef had, maar er drie
bezat, waarvan twee onontwikkeld waren. De verandering der vijf toonen in éénen
enkelen was nog niet volkomen. Indien men zijn geraamte beschouwt (fig. 303),
dan vermoedt men reeds in het hipparion den edelen gang van het paard.
Page 541
Fig. 302. Het sivatherium, reuzenhert der pliocene periode.
Indien wij nu eene korte schets willen geven van de geheele tertiaire periode, naar
hetgeen de geologie en de paleontologie ons geleerd hebben, dan moeten wij ons
het vasteland als zeer uitgestrekt voorstellen, en reeds door hooge, doch nog ver uit
elkander gelegen bergen opgehoogd. In Europa geleek het vasteland op de vlakke
of golvende streken van het binnenland van Afrika; het was bezaaid met meren en
moerassen, en droeg eenen weelderigen plantengroei. Ontelbare kudden
plantenetende dieren doorkruisten die half onder water gelegen grasvlakten; die
kudden waren even talrijk en boden meer verscheidenheid aan dan de troepen
olifanten, zebra’s en antilopen van centraal-Afrika De rhinocerossen, de tapirs,
verscheidene wilde zwijnen, antilopen, architheriums, op paarden gelijkend,
weidden in dezelfde streken als de paleotheriums, de anthracotheriums, de
helladotheriums, de sivatheriums, de mastodonten, dieren, niet minder
merkwaardig door de vreemdheid hunner vormen, dan door die hunner namen.
Talrijke roofdieren brachten hierin de noodige afwisseling. Loopvogels, op den
struisvogel gelijkend, doorliepen de vlakten, groote hagedissen, verschillende
slangen bewogen zich tusschen de boomen in bosschen, die bewoond werden door
Indien wij nu eene korte schets willen geven van de geheele tertiaire periode, naar
hetgeen de geologie en de paleontologie ons geleerd hebben, dan moeten wij ons
het vasteland als zeer uitgestrekt voorstellen, en reeds door hooge, doch nog ver uit
elkander gelegen bergen opgehoogd. In Europa geleek het vasteland op de vlakke
of golvende streken van het binnenland van Afrika; het was bezaaid met meren en
moerassen, en droeg eenen weelderigen plantengroei. Ontelbare kudden
plantenetende dieren doorkruisten die half onder water gelegen grasvlakten; die
kudden waren even talrijk en boden meer verscheidenheid aan dan de troepen
olifanten, zebra’s en antilopen van centraal-Afrika De rhinocerossen, de tapirs,
verscheidene wilde zwijnen, antilopen, architheriums, op paarden gelijkend,
weidden in dezelfde streken als de paleotheriums, de anthracotheriums, de
helladotheriums, de sivatheriums, de mastodonten, dieren, niet minder
merkwaardig door de vreemdheid hunner vormen, dan door die hunner namen.
Talrijke roofdieren brachten hierin de noodige afwisseling. Loopvogels, op den
struisvogel gelijkend, doorliepen de vlakten, groote hagedissen, verschillende
slangen bewogen zich tusschen de boomen in bosschen, die bewoond werden door
Page 542
eene bevolking van verschillende apen, de voorboden van den mensch. Insecten en
vogels van alle mogelijke soorten doorkliefden de lucht. De meren en moerassen,
de woonplaatsen der krokodillen, verschaften ook het noodige voedsel aan
visschen, die overeenkwamen met die van onze rivieren. Langs de oevers der zeeën
bewogen zich zeekalven en zeekoeien; en de oceanen, bevolkt door dolfijnen,
walvisschen en potvisschen, werden door ontzaglijke haaien geplunderd. Zoo gaat
de natuur langzaam voort, en nadert zij tot den tegenwoordigen toestand.
Misschien leefde toen, zooals wij weldra zullen zien, de mensch reeds in wilden
toestand, maar hij kende den weg naar Europa nog niet en leefde te midden der
bosschen van zuid-Azië, onbewust van zijne bestemming en zijn eigen bestaan. Hij
is op zijnen tijd geboren, na de anthropoïde apen, den chimpansee, den orang-oetan
en den gorilla.
Op het einde der periode is de temperatuur ongeveer dezelfde als thans; de
mastodonten, de tapirs, de apen worden niet meer in Europa, maar in Afrika en in
het zuiden van Azië gevonden.
De opgedolven fossielen leeren ons, dat er eene voortdurende harmonie geweest is
bij de gedaanteverwisseling der organische wereld. Welke fossielen wij ook
bestudeeren, steeds openbaart zich aan ons de schoonheid der natuur.
Die schoonheid der natuur, die in alle tijdperken te voorschijn treedt, is het geheim
van de geestdrift, die alle natuuronderzoekers bezielt, wier leven gewijd is aan
paleontologische onderzoekingen, en wier geest in die onderzoekingen eene altijd
nieuwe bekoring vindt. Toen Cuvier de viervoetige dieren uit de gipsgroeve van
Parijs weêr in het leven kon terugroepen, moet hij een ongekend genot gesmaakt
hebben; daar waar thans de stad der steden zich uitstrekt, dacht hij zich de meren,
waarin de anoplotheriums baadden; op de oevers dier meren, met palmboomen
omzoomd, zag hij paleotheriums van alle soorten, naast choeropotami en
dichobuni; de sierlijke xiphodon en de amphimeryx liepen door de vlakten;
verschillende kleinere dieren gaven daarbij afwisseling aan de landschappen: het
waren eekhorentjes, buidelratten, vleermuizen en verschillende soorten van apen,
voornamelijk de anthropoïde apen. „Ik heb steeds,” zoo zegt Gaudry, „de maanden,
die ik in de bergkloof van Pikermi heb doorgebracht, de viervoetige dieren
opdelvend, die eertijds de velden van Griekenland bevolkten, tot de gelukkigste
van mijn leven gerekend. Die dieren moeten inderdaad een heerlijk schouwspel
opgeleverd hebben; hier deden apen hunne kromme sprongen, daar dwaalde het
reusachtige ankylotherium, met zijne kromme klauwen. De vlakten waren bezaaid
met kudden hipparions en herkauwende dieren; de horens dier dieren hadden de
vogels van alle mogelijke soorten doorkliefden de lucht. De meren en moerassen,
de woonplaatsen der krokodillen, verschaften ook het noodige voedsel aan
visschen, die overeenkwamen met die van onze rivieren. Langs de oevers der zeeën
bewogen zich zeekalven en zeekoeien; en de oceanen, bevolkt door dolfijnen,
walvisschen en potvisschen, werden door ontzaglijke haaien geplunderd. Zoo gaat
de natuur langzaam voort, en nadert zij tot den tegenwoordigen toestand.
Misschien leefde toen, zooals wij weldra zullen zien, de mensch reeds in wilden
toestand, maar hij kende den weg naar Europa nog niet en leefde te midden der
bosschen van zuid-Azië, onbewust van zijne bestemming en zijn eigen bestaan. Hij
is op zijnen tijd geboren, na de anthropoïde apen, den chimpansee, den orang-oetan
en den gorilla.
Op het einde der periode is de temperatuur ongeveer dezelfde als thans; de
mastodonten, de tapirs, de apen worden niet meer in Europa, maar in Afrika en in
het zuiden van Azië gevonden.
De opgedolven fossielen leeren ons, dat er eene voortdurende harmonie geweest is
bij de gedaanteverwisseling der organische wereld. Welke fossielen wij ook
bestudeeren, steeds openbaart zich aan ons de schoonheid der natuur.
Die schoonheid der natuur, die in alle tijdperken te voorschijn treedt, is het geheim
van de geestdrift, die alle natuuronderzoekers bezielt, wier leven gewijd is aan
paleontologische onderzoekingen, en wier geest in die onderzoekingen eene altijd
nieuwe bekoring vindt. Toen Cuvier de viervoetige dieren uit de gipsgroeve van
Parijs weêr in het leven kon terugroepen, moet hij een ongekend genot gesmaakt
hebben; daar waar thans de stad der steden zich uitstrekt, dacht hij zich de meren,
waarin de anoplotheriums baadden; op de oevers dier meren, met palmboomen
omzoomd, zag hij paleotheriums van alle soorten, naast choeropotami en
dichobuni; de sierlijke xiphodon en de amphimeryx liepen door de vlakten;
verschillende kleinere dieren gaven daarbij afwisseling aan de landschappen: het
waren eekhorentjes, buidelratten, vleermuizen en verschillende soorten van apen,
voornamelijk de anthropoïde apen. „Ik heb steeds,” zoo zegt Gaudry, „de maanden,
die ik in de bergkloof van Pikermi heb doorgebracht, de viervoetige dieren
opdelvend, die eertijds de velden van Griekenland bevolkten, tot de gelukkigste
van mijn leven gerekend. Die dieren moeten inderdaad een heerlijk schouwspel
opgeleverd hebben; hier deden apen hunne kromme sprongen, daar dwaalde het
reusachtige ankylotherium, met zijne kromme klauwen. De vlakten waren bezaaid
met kudden hipparions en herkauwende dieren; de horens dier dieren hadden de
Page 543
meest verschillende vormen; eenige waren liervormig, andere deden denken aan de
horens onzer gazellen, nog andere aan die der geiten. Hoezeer verschilden wel die
dieren, wier gang zoo sierlijk was, van de logge rhinocerossen en de wilde zwijnen!
Wat ontzaglijke gestalten en welke verscheidenheid op het schouwtooneel der
wereld! De gedachte aan die reuzendieren van Pikermi heeft mijnen geest dikwijls
met ontzag vervuld; ik kan aan hen niet denken zonder mij te verheffen tot den
oneindigen Bouwmeester, wiens werk zij zijn, en zonder hem te danken voor het
voorrecht, dat hij ons dat groote schouwspel heeft doen bijwonen, dat alleen voor
Hem scheen bestemd te zijn tot aan den dag, waarop de sluier is weggetrokken,
waaronder de paleontologie verborgen was.
„De heerlijkste dichtwerken zijn verborgen in onze aardschors. Hoevele menschen,
die dorsten naar het schoone, zouden het heerlijkste genot smaken, als zij de
geheimzinnige bron van het leven wilden opzoeken! Hoevelen gaan voort langs
wegen, waar zij smakelooze en dikwijls wrange vruchten plukken, en die gelukkig
zouden zijn, indien zij de wonderen der natuur hielpen doorgronden! Tot die
menschen zeg ik: ‘helpt ons, onze wetenschap is rijk genoeg, om niet alleen de ziel
van den wijsgeer, maar ook die van den kunstenaar te bekoren.’”
Fig. 303. Fossiel geraamte van een hipparion. (1/20 der nat. gr.)
horens onzer gazellen, nog andere aan die der geiten. Hoezeer verschilden wel die
dieren, wier gang zoo sierlijk was, van de logge rhinocerossen en de wilde zwijnen!
Wat ontzaglijke gestalten en welke verscheidenheid op het schouwtooneel der
wereld! De gedachte aan die reuzendieren van Pikermi heeft mijnen geest dikwijls
met ontzag vervuld; ik kan aan hen niet denken zonder mij te verheffen tot den
oneindigen Bouwmeester, wiens werk zij zijn, en zonder hem te danken voor het
voorrecht, dat hij ons dat groote schouwspel heeft doen bijwonen, dat alleen voor
Hem scheen bestemd te zijn tot aan den dag, waarop de sluier is weggetrokken,
waaronder de paleontologie verborgen was.
„De heerlijkste dichtwerken zijn verborgen in onze aardschors. Hoevele menschen,
die dorsten naar het schoone, zouden het heerlijkste genot smaken, als zij de
geheimzinnige bron van het leven wilden opzoeken! Hoevelen gaan voort langs
wegen, waar zij smakelooze en dikwijls wrange vruchten plukken, en die gelukkig
zouden zijn, indien zij de wonderen der natuur hielpen doorgronden! Tot die
menschen zeg ik: ‘helpt ons, onze wetenschap is rijk genoeg, om niet alleen de ziel
van den wijsgeer, maar ook die van den kunstenaar te bekoren.’”
Fig. 303. Fossiel geraamte van een hipparion. (1/20 der nat. gr.)
Page 544
Schoone gedachten, den edelen denker en natuurvorscher waardig, die ze heeft
geuit. De studie der natuur zal steeds de diepste en bekoorlijkste aller studiën zijn;
hare harmonie, hare beelden zullen onzen geest steeds bekoren. Is het voor ons
geen genot, die zoo lang vervlogen eeuwen weder te doen herleven, en daardoor de
schepping der wereld bij te wonen, eene schepping, die onafgebroken voortduurt,
van den dag, dat de aarde als nevelvlek van de zon werd losgerukt, tot op onzen
dag. Dank zij de inspanning der paleontologen, hebben wij die versteende wezens
uit den doode kunnen doen herleven en hen weder kunnen plaatsen op hunne oude
plaats; wij hebben gezien, hoe de zee telkens de plaats van het land innam, en hoe
telkens de gedaante der aarde met die van al hare bewoners veranderde; wij hebben
zelfs de schepping kunnen volgen, zonder dat de schakels ontbraken, die de
anorganische wereld aan de organische verbindt, en konden opklimmen tot den
oorsprong van het leven. Zoo hebben wij reeds thans, welke vorderingen ook later
de wetenschappen mogen maken, en hoe onvolledig onze kennis nog moge wezen,
een helder denkbeeld verkregen van den gang der natuur en van het werk der
schepping.
Met het einde van het tertiaire tijdperk hebben wij alle phasen van de natuurlijke
geschiedenis der aarde doorloopen. De schepping is voleindigd, daar de mensch
reeds in wording is in de anthropoïde apen, en daar de drang naar volmaking,
einddoel van het bestaan van ieder wezen, die anthropoïde apen zal verheffen tot
den rang van wilde menschen. Dit vraagpunt zullen wij met zorg bestudeeren in het
volgende boek, en het zal daar volkomen op zijne plaats zijn, daar de menschheid
hare dierlijkheid heeft afgelegd bij den dageraad der quaternaire periode. Thans, op
het einde der tertiaire periode, verdient zij haren naam nog niet. In de bosschen
leven families van groote apen, semnopitheken, orang-oetans, gorilla’s,
chimpansee’s. De olifant, het nijlpaard, de rhinoceros, het hert, het paard, de wilde
kat, de wilde hond, de wolf, de beer, de hyena, de tijger, de leeuw, in één woord de
tegenwoordige geslachten, tijdgenooten van de menschheid, bestaan reeds in de
natuur, te midden van eenen plantengroei, die overeenkomt met dien welke thans
de aarde bedekt. Valleien, hemelhooge bergen, met sneeuw bedekt, schaduwrijke
dalen, bronnen en beken, watervallen en stroomen, maagdelijke wouden, weiden,
rijk aan grassen, onvruchtbare woestijnen, klimaten en jaargetijden, grazende
kudden, vogels in de wouden zingende, liefelijke landouwen, zonnestralen en
schaduw, regen en zon, bloemen der velden, wilde vruchten, alles is gevormd en
gereed om den mensch te ontvangen. De oude wereld is dood. De nieuwe wereld is
geboren.
geuit. De studie der natuur zal steeds de diepste en bekoorlijkste aller studiën zijn;
hare harmonie, hare beelden zullen onzen geest steeds bekoren. Is het voor ons
geen genot, die zoo lang vervlogen eeuwen weder te doen herleven, en daardoor de
schepping der wereld bij te wonen, eene schepping, die onafgebroken voortduurt,
van den dag, dat de aarde als nevelvlek van de zon werd losgerukt, tot op onzen
dag. Dank zij de inspanning der paleontologen, hebben wij die versteende wezens
uit den doode kunnen doen herleven en hen weder kunnen plaatsen op hunne oude
plaats; wij hebben gezien, hoe de zee telkens de plaats van het land innam, en hoe
telkens de gedaante der aarde met die van al hare bewoners veranderde; wij hebben
zelfs de schepping kunnen volgen, zonder dat de schakels ontbraken, die de
anorganische wereld aan de organische verbindt, en konden opklimmen tot den
oorsprong van het leven. Zoo hebben wij reeds thans, welke vorderingen ook later
de wetenschappen mogen maken, en hoe onvolledig onze kennis nog moge wezen,
een helder denkbeeld verkregen van den gang der natuur en van het werk der
schepping.
Met het einde van het tertiaire tijdperk hebben wij alle phasen van de natuurlijke
geschiedenis der aarde doorloopen. De schepping is voleindigd, daar de mensch
reeds in wording is in de anthropoïde apen, en daar de drang naar volmaking,
einddoel van het bestaan van ieder wezen, die anthropoïde apen zal verheffen tot
den rang van wilde menschen. Dit vraagpunt zullen wij met zorg bestudeeren in het
volgende boek, en het zal daar volkomen op zijne plaats zijn, daar de menschheid
hare dierlijkheid heeft afgelegd bij den dageraad der quaternaire periode. Thans, op
het einde der tertiaire periode, verdient zij haren naam nog niet. In de bosschen
leven families van groote apen, semnopitheken, orang-oetans, gorilla’s,
chimpansee’s. De olifant, het nijlpaard, de rhinoceros, het hert, het paard, de wilde
kat, de wilde hond, de wolf, de beer, de hyena, de tijger, de leeuw, in één woord de
tegenwoordige geslachten, tijdgenooten van de menschheid, bestaan reeds in de
natuur, te midden van eenen plantengroei, die overeenkomt met dien welke thans
de aarde bedekt. Valleien, hemelhooge bergen, met sneeuw bedekt, schaduwrijke
dalen, bronnen en beken, watervallen en stroomen, maagdelijke wouden, weiden,
rijk aan grassen, onvruchtbare woestijnen, klimaten en jaargetijden, grazende
kudden, vogels in de wouden zingende, liefelijke landouwen, zonnestralen en
schaduw, regen en zon, bloemen der velden, wilde vruchten, alles is gevormd en
gereed om den mensch te ontvangen. De oude wereld is dood. De nieuwe wereld is
geboren.
Page 545
Page 546
Zesde boek.
Page 547
Het quaternaire tijdperk.
Page 548
Eerste hoofdstuk.
Page 549
Het vierde tijdperk van het leven op aarde en de eerste
dagen van het tegenwoordige tijdperk.
Met het vierde tijdperk van de geschiedenis der aarde treden wij de moderne tijden
in, den tegenwoordigen toestand der schepping op onze planeet. Toch is het begin
dier periode reeds meer dan honderdduizend jaren van ons verwijderd, en hebben
er in den toestand der aarde, in de verdeeling van land en zee, in de klimaten, in de
openbaringen van het leven, sedert de eerste eeuwen van dat tijdperk gewichtige
gebeurtenissen plaats gegrepen. De geheele geschiedenis der menschheid is
slechts het laatste hoofdstuk van de geschiedenis der aarde, wel is waar het kortste,
doch tevens het gewichtigste en het roemrijkste.—De ontwikkelde menschheid
dagteekent eerst van gisteren.
Het begin der quaternaire periode heeft zich gekenmerkt door eene gewichtige
gebeurtenis, de tijdelijke verandering van het klimaat; in de geheele gematigde
luchtstreek heeft eene verdichting van het water van den dampkring plaats
gegrepen, die het aanzijn heeft geschonken aan onmetelijke gletschers, aan
ontzaglijke regens en aan belangrijke afschuringen en aanslibbingen. Als gevolg
dier verandering hebben groote vlakten sneeuw en ijs de bergen en de noordelijk
gelegen landen bedekt, waardoor eene sterke afkoeling over de geheele aarde is
veroorzaakt. Eerst later is de temperatuur weder gestegen.
Terwijl dus in onzen tijd de invloed van gletschers, rivieren en dampkring op de
aardoppervlakte onbeteekenend is, was die invloed in het begin van het
tegenwoordige tijdperk voldoende, om somtijds zeer dikke lagen af te zetten op
groote uitgestrektheden.
De quaternaire periode is begonnen met eene algemeene afkoeling, die haar den
naam verschaft heeft van de ijsperiode. Op het Scandinavische schiereiland
openbaart zich de verlaging in temperatuur door het voorkomen der rotsen, die
gegroefd en dikwijls door de oude gletschers tot aan de oppervlakte der zee
afgeslepen zijn; ook openbaart zij zich door de erratische blokken (zwerfblokken)
van klei, zand en grint vergezeld, die verspreid liggen over den geheelen
noordelijken omtrek van het schiereiland, uitgaande van een punt der
Scandinavische Alpen, dat in de nabijheid van Stockholm gelegen is, en in
midden-Europa begrensd door eene lijn, loopende over Vikaltkoï, Coula, Krakau,
dagen van het tegenwoordige tijdperk.
Met het vierde tijdperk van de geschiedenis der aarde treden wij de moderne tijden
in, den tegenwoordigen toestand der schepping op onze planeet. Toch is het begin
dier periode reeds meer dan honderdduizend jaren van ons verwijderd, en hebben
er in den toestand der aarde, in de verdeeling van land en zee, in de klimaten, in de
openbaringen van het leven, sedert de eerste eeuwen van dat tijdperk gewichtige
gebeurtenissen plaats gegrepen. De geheele geschiedenis der menschheid is
slechts het laatste hoofdstuk van de geschiedenis der aarde, wel is waar het kortste,
doch tevens het gewichtigste en het roemrijkste.—De ontwikkelde menschheid
dagteekent eerst van gisteren.
Het begin der quaternaire periode heeft zich gekenmerkt door eene gewichtige
gebeurtenis, de tijdelijke verandering van het klimaat; in de geheele gematigde
luchtstreek heeft eene verdichting van het water van den dampkring plaats
gegrepen, die het aanzijn heeft geschonken aan onmetelijke gletschers, aan
ontzaglijke regens en aan belangrijke afschuringen en aanslibbingen. Als gevolg
dier verandering hebben groote vlakten sneeuw en ijs de bergen en de noordelijk
gelegen landen bedekt, waardoor eene sterke afkoeling over de geheele aarde is
veroorzaakt. Eerst later is de temperatuur weder gestegen.
Terwijl dus in onzen tijd de invloed van gletschers, rivieren en dampkring op de
aardoppervlakte onbeteekenend is, was die invloed in het begin van het
tegenwoordige tijdperk voldoende, om somtijds zeer dikke lagen af te zetten op
groote uitgestrektheden.
De quaternaire periode is begonnen met eene algemeene afkoeling, die haar den
naam verschaft heeft van de ijsperiode. Op het Scandinavische schiereiland
openbaart zich de verlaging in temperatuur door het voorkomen der rotsen, die
gegroefd en dikwijls door de oude gletschers tot aan de oppervlakte der zee
afgeslepen zijn; ook openbaart zij zich door de erratische blokken (zwerfblokken)
van klei, zand en grint vergezeld, die verspreid liggen over den geheelen
noordelijken omtrek van het schiereiland, uitgaande van een punt der
Scandinavische Alpen, dat in de nabijheid van Stockholm gelegen is, en in
midden-Europa begrensd door eene lijn, loopende over Vikaltkoï, Coula, Krakau,
Page 550
Breslau, Leipzig, Hannover, Arnhem en het noorden van Engeland. Al de stoffen,
die zoo verspreid liggen, zijn de plaats van de Oost- en Noordzee overgetrokken
en zijn van de Scandinavische Alpen afkomstig; zij hebben den naam gekregen
van drift. Datzelfde drift vindt men ook in de nieuwe Wereld; doch de werking van
het ijs strekt zich daar veel zuidelijker uit, en wordt waargenomen tot op den 39sten
breedtegraad in Pennsylvanië, Ohio, Indiana, Illinois en Iowa; hieruit volgt, dat de
isothermen1 reeds dezelfde bochten hadden als thans. De ijsstrooken bevatten
overblijfselen van weekdieren, die men thans nog alleen terugvindt in de
poolstreken. Eerst onlangs (11 Januari 1886) is in de Fransche Academie
mededeeling gedaan van het feit, dat men zelfs in dat gedeelte van Afrika, dat
onmiddellijk aan den evenaar grenst, (5° noorderbreedte), de sporen der
ijsformatie heeft teruggevonden.
De bewijzen van die merkwaardige ijsperiode zijn overal terug te vinden. Wij
zullen ons een oogenblik bezighouden met Italië, Frankrijk en de Alpenstreken.
De oude gletschers hebben, evenals de tegenwoordige, duidelijke sporen van
hunnen loop achtergelaten; een enkele blik op den langen Alpenketen en de
valleien, aan den voet der Alpen gelegen, is voldoende, om ons de ontwikkeling
dier ijszeeën en de doorloopen baan te doen zien, die voor enkele meer dan 400
kilometers bedroeg.
Men moet zich de toppen onzer bergen veel hooger voorstellen dan thans het geval
is. Eene der laatste rijzingen van den bodem, op het einde der tertiaire periode, had
de belangrijkste verhooging van onze bergenrijen voleindigd. Berekent men het
volume der gesteenten, door de wateren de ijsstroomingen aan die toppen
ontnomen, om op eenen afstand diepe valleien te vullen, dan blijkt het dat die
bergen verscheidene honderden meters hooger moeten geweest zijn, dan thans het
geval is.
Dat ijs is neergedaald van den Mont-Blanc, den Mont-Rosa, den Splugen, den St.-
Gothard, den Mont-Viso, den Mont-Cenis, in één woord, van den geheelen
Alpenketen, en heeft de vlakten en valleien vermeesterd. De aard van den bodem
kon hinderpalen in den weg leggen aan den loop van eenen ijsberg en zelfs dien
loop wijzigen; in dat geval ziet men, dat de tegenstand biedende grond somtijds
diep uitgegraven is, maar vooral gepolijst en gladgeschuurd door de wrijving van
die rotsblokken, die het ijs in zijnen loop medevoert. Doch indien de grond alleen
bestond uit oude aanslibbingen, dan hebben de ijsgolven zich gemakkelijk eenen
weg kunnen banen en hebben zij verbazende afstanden afgelegd.
die zoo verspreid liggen, zijn de plaats van de Oost- en Noordzee overgetrokken
en zijn van de Scandinavische Alpen afkomstig; zij hebben den naam gekregen
van drift. Datzelfde drift vindt men ook in de nieuwe Wereld; doch de werking van
het ijs strekt zich daar veel zuidelijker uit, en wordt waargenomen tot op den 39sten
breedtegraad in Pennsylvanië, Ohio, Indiana, Illinois en Iowa; hieruit volgt, dat de
isothermen1 reeds dezelfde bochten hadden als thans. De ijsstrooken bevatten
overblijfselen van weekdieren, die men thans nog alleen terugvindt in de
poolstreken. Eerst onlangs (11 Januari 1886) is in de Fransche Academie
mededeeling gedaan van het feit, dat men zelfs in dat gedeelte van Afrika, dat
onmiddellijk aan den evenaar grenst, (5° noorderbreedte), de sporen der
ijsformatie heeft teruggevonden.
De bewijzen van die merkwaardige ijsperiode zijn overal terug te vinden. Wij
zullen ons een oogenblik bezighouden met Italië, Frankrijk en de Alpenstreken.
De oude gletschers hebben, evenals de tegenwoordige, duidelijke sporen van
hunnen loop achtergelaten; een enkele blik op den langen Alpenketen en de
valleien, aan den voet der Alpen gelegen, is voldoende, om ons de ontwikkeling
dier ijszeeën en de doorloopen baan te doen zien, die voor enkele meer dan 400
kilometers bedroeg.
Men moet zich de toppen onzer bergen veel hooger voorstellen dan thans het geval
is. Eene der laatste rijzingen van den bodem, op het einde der tertiaire periode, had
de belangrijkste verhooging van onze bergenrijen voleindigd. Berekent men het
volume der gesteenten, door de wateren de ijsstroomingen aan die toppen
ontnomen, om op eenen afstand diepe valleien te vullen, dan blijkt het dat die
bergen verscheidene honderden meters hooger moeten geweest zijn, dan thans het
geval is.
Dat ijs is neergedaald van den Mont-Blanc, den Mont-Rosa, den Splugen, den St.-
Gothard, den Mont-Viso, den Mont-Cenis, in één woord, van den geheelen
Alpenketen, en heeft de vlakten en valleien vermeesterd. De aard van den bodem
kon hinderpalen in den weg leggen aan den loop van eenen ijsberg en zelfs dien
loop wijzigen; in dat geval ziet men, dat de tegenstand biedende grond somtijds
diep uitgegraven is, maar vooral gepolijst en gladgeschuurd door de wrijving van
die rotsblokken, die het ijs in zijnen loop medevoert. Doch indien de grond alleen
bestond uit oude aanslibbingen, dan hebben de ijsgolven zich gemakkelijk eenen
weg kunnen banen en hebben zij verbazende afstanden afgelegd.
Page 551
Die ijsstroomen hebben evenals waterstroomen aan hunne randen en aan hun
uiteinde hoopen modder afgezet, die heuvels of moraines vormen, en zij hebben
op hunnen weg de dikwijls ontzaglijke zwerfblokken neergelegd, wier
aanwezigheid tot de vreemdste verhalen aanleiding heeft gegeven.
De oude geologen noemen al die van andere plaatsen afkomstige stoffen diluvium,
een naam, die het gevolg is van de vroegere opvatting van eenen algemeenen
zondvloed, waaraan die verplaatsing te danken zoude zijn.2
Door nauwkeurige waarnemingen dier moraine-afzetsels, die zich duidelijk
onderscheiden van de andere aanslibbingen door het volkomen gemis aan
laagsgewijze schikking en door de hoekige steenen, die het bevat, kan men met
zekerheid de uitgestrektheid der oude ijsbekkens leeren kennen. Door de groeven,
die zij gesneden hebben in de onderliggende gesteenten, hebben zij de richting
aangewezen, die zij bij hunne beweging gevolgd hebben.
Wij kennen thans de oude gletschers van de beide hellingen der Alpen en kunnen
hunnen loop volgen. Zonder nog te spreken van de gletschers van de Reuss, de
Linth en zoovele andere in het midden van Zwitserland, kunnen wij den
ontzaglijken Rhônegletscher noemen, die zich van le Valais tot aan de heuvelen
van Lyon uitstrekte. Deze omgaf de geheele noord-westelijke en noord-oostelijke
helling der Alpen. Hij strekte zich tevens uit aan de ééne zijde tot voorbij Lyon, en
door eenen anderen, noordelijken tak tot aan de Vogezen. Zijne ijsmassa breidde
zich, na de valleien tusschen de Alpen en de Jura gevuld te hebben, waaiervormig
uit, en zijne uiterste moraine strekte zich in eenen halven cirkel over Bourg en de
Lyonsche heuvels tot aan de omstreken van Vienne uit.
Aan de Italiaansche zijde waren de oude gletschers zeer talrijk; geen enkele echter
bereikte de reusachtige afmetingen van den Rhônegletscher, daar het ijs nooit de
oevers van de Po overschreden heeft. Men heeft daar de gletschers van de Stura,
de Maira, de Vraita, de Po, de Pellice enz. De Tessinogletscher met zijnen
kronkelenden loop strekte zich uit van den St.-Gothard tot voorbij het
Maggioremeer; die van de Adda verlengde zich tot Monza, en aan de uiterste
oostzijde van de Italiaansche Alpenketen had men de gletschers der Etsch, der
Brenta en der Piave, waarvan de eerste alleen alle gletschers van Tyrol in zich
vereenigde, en zich uitstrekte van den Brenner tot ten zuiden van het Garda-meer.
Kan men zich iets indrukwekkenders voorstellen dan die zich bewegende
ijsmassa, die langs de helling dier reusachtige bergen afdaalde, langzamerhand de
uiteinde hoopen modder afgezet, die heuvels of moraines vormen, en zij hebben
op hunnen weg de dikwijls ontzaglijke zwerfblokken neergelegd, wier
aanwezigheid tot de vreemdste verhalen aanleiding heeft gegeven.
De oude geologen noemen al die van andere plaatsen afkomstige stoffen diluvium,
een naam, die het gevolg is van de vroegere opvatting van eenen algemeenen
zondvloed, waaraan die verplaatsing te danken zoude zijn.2
Door nauwkeurige waarnemingen dier moraine-afzetsels, die zich duidelijk
onderscheiden van de andere aanslibbingen door het volkomen gemis aan
laagsgewijze schikking en door de hoekige steenen, die het bevat, kan men met
zekerheid de uitgestrektheid der oude ijsbekkens leeren kennen. Door de groeven,
die zij gesneden hebben in de onderliggende gesteenten, hebben zij de richting
aangewezen, die zij bij hunne beweging gevolgd hebben.
Wij kennen thans de oude gletschers van de beide hellingen der Alpen en kunnen
hunnen loop volgen. Zonder nog te spreken van de gletschers van de Reuss, de
Linth en zoovele andere in het midden van Zwitserland, kunnen wij den
ontzaglijken Rhônegletscher noemen, die zich van le Valais tot aan de heuvelen
van Lyon uitstrekte. Deze omgaf de geheele noord-westelijke en noord-oostelijke
helling der Alpen. Hij strekte zich tevens uit aan de ééne zijde tot voorbij Lyon, en
door eenen anderen, noordelijken tak tot aan de Vogezen. Zijne ijsmassa breidde
zich, na de valleien tusschen de Alpen en de Jura gevuld te hebben, waaiervormig
uit, en zijne uiterste moraine strekte zich in eenen halven cirkel over Bourg en de
Lyonsche heuvels tot aan de omstreken van Vienne uit.
Aan de Italiaansche zijde waren de oude gletschers zeer talrijk; geen enkele echter
bereikte de reusachtige afmetingen van den Rhônegletscher, daar het ijs nooit de
oevers van de Po overschreden heeft. Men heeft daar de gletschers van de Stura,
de Maira, de Vraita, de Po, de Pellice enz. De Tessinogletscher met zijnen
kronkelenden loop strekte zich uit van den St.-Gothard tot voorbij het
Maggioremeer; die van de Adda verlengde zich tot Monza, en aan de uiterste
oostzijde van de Italiaansche Alpenketen had men de gletschers der Etsch, der
Brenta en der Piave, waarvan de eerste alleen alle gletschers van Tyrol in zich
vereenigde, en zich uitstrekte van den Brenner tot ten zuiden van het Garda-meer.
Kan men zich iets indrukwekkenders voorstellen dan die zich bewegende
ijsmassa, die langs de helling dier reusachtige bergen afdaalde, langzamerhand de
Page 552
valleien en vlakten bereikte, en door geen enkelen hinderpaal werd
tegengehouden, de onder gelegen gesteenten omkrullend en aangroeiend, en op
haren weg moraineheuvels achterlatend, die op onmetelijke dijken geleken? Welk
eene kracht moest die ijsstroom hebben, om graniet- en andere blokken aan de
bergen, waarvan zij gekomen waren, ontrukt, te kunnen voortsleuren tot op
ontzaglijke afstanden! Het gebeurt niet zelden, dat men op groote afstanden van de
toppen der Alpen steenen vindt, die honderden cubieke meters groot zijn, en
liggen op eenen geheel anderen bodem, zooals de Mule du Diable, een zwerfblok
van 624 cubieke meters, te Artas gelegen, tusschen Bourgoin en Lyon, en andere.
Evenals het schip, door de golven gedragen, de zee doorploegt, zoo bereikten de
zwerfblokken, door de ijsgolven gedragen, de vlakten, de valleien en de toppen
der heuvels.
Welke andere kracht zou trouwens in staat geweest zijn, eene zoo groote
verplaatsing te veroorzaken? Alle andere verklaringen, die men heeft te hulp
geroepen, zijn voor nauwkeuriger waarneming gevallen, en wel in de eerste plaats
die, waarbij de verplaatsing dier door het ijs medegevoerde stoffen werd
toegeschreven aan zondvloeden.
Hoe zoude het immers mogelijk zijn, dat zelfs de grootste watermassa, met de
grootste snelheid bedeeld, zulke blokken langs de hooge bergen kon medevoeren,
ze kon voortdrijven over onmetelijke ruimten, en ze kon opheffen op bergvlakten
en op de toppen van heuvels, waar men ze thans nog dikwijls tot pyramiden op
elkander gestapeld vindt? De woede der heftigste zee zou dit niet kunnen bereiken.
Doch terwijl geleerden van alle richtingen lansen braken over de juistheid hunner
meer of minder vreemde theoriën, gaven eenvoudige herders den sleutel van het
raadsel.
De eenvoudige gemzenjager Perraudin immers wees het eerst aan, dat de
gletschers oudtijds veel grooter moeten geweest zijn, en dat zij van de toppen en
hellingen der bergen moeten zijn afgedaald, granietgesteenten medesleurend, die
zij daaraan ontrukt hadden. Later gaven eenvoudige houthakkers diezelfde
verklaring als de natuurlijkste zaak der wereld. Die openbaring diende later tot
gids aan allen, die deze belangrijke vraag wilden ontwikkelen en doorgronden.
Toen het klimaat droger geworden was en de verdamping niet zoo sterk, werden
de gletschers al minder en minder gevoed; daardoor verminderde langzamerhand
hun volume en bereikte het de afmetingen, die zij thans hebben.
tegengehouden, de onder gelegen gesteenten omkrullend en aangroeiend, en op
haren weg moraineheuvels achterlatend, die op onmetelijke dijken geleken? Welk
eene kracht moest die ijsstroom hebben, om graniet- en andere blokken aan de
bergen, waarvan zij gekomen waren, ontrukt, te kunnen voortsleuren tot op
ontzaglijke afstanden! Het gebeurt niet zelden, dat men op groote afstanden van de
toppen der Alpen steenen vindt, die honderden cubieke meters groot zijn, en
liggen op eenen geheel anderen bodem, zooals de Mule du Diable, een zwerfblok
van 624 cubieke meters, te Artas gelegen, tusschen Bourgoin en Lyon, en andere.
Evenals het schip, door de golven gedragen, de zee doorploegt, zoo bereikten de
zwerfblokken, door de ijsgolven gedragen, de vlakten, de valleien en de toppen
der heuvels.
Welke andere kracht zou trouwens in staat geweest zijn, eene zoo groote
verplaatsing te veroorzaken? Alle andere verklaringen, die men heeft te hulp
geroepen, zijn voor nauwkeuriger waarneming gevallen, en wel in de eerste plaats
die, waarbij de verplaatsing dier door het ijs medegevoerde stoffen werd
toegeschreven aan zondvloeden.
Hoe zoude het immers mogelijk zijn, dat zelfs de grootste watermassa, met de
grootste snelheid bedeeld, zulke blokken langs de hooge bergen kon medevoeren,
ze kon voortdrijven over onmetelijke ruimten, en ze kon opheffen op bergvlakten
en op de toppen van heuvels, waar men ze thans nog dikwijls tot pyramiden op
elkander gestapeld vindt? De woede der heftigste zee zou dit niet kunnen bereiken.
Doch terwijl geleerden van alle richtingen lansen braken over de juistheid hunner
meer of minder vreemde theoriën, gaven eenvoudige herders den sleutel van het
raadsel.
De eenvoudige gemzenjager Perraudin immers wees het eerst aan, dat de
gletschers oudtijds veel grooter moeten geweest zijn, en dat zij van de toppen en
hellingen der bergen moeten zijn afgedaald, granietgesteenten medesleurend, die
zij daaraan ontrukt hadden. Later gaven eenvoudige houthakkers diezelfde
verklaring als de natuurlijkste zaak der wereld. Die openbaring diende later tot
gids aan allen, die deze belangrijke vraag wilden ontwikkelen en doorgronden.
Toen het klimaat droger geworden was en de verdamping niet zoo sterk, werden
de gletschers al minder en minder gevoed; daardoor verminderde langzamerhand
hun volume en bereikte het de afmetingen, die zij thans hebben.
Page 553
Die langzame en telkens weer gestaakte teruggang heeft aanleiding gegeven tot de
vorming van secundaire moraines, evenwijdig aan de uiterste, welke de
verschillende standplaatsen dier ijszeeën aanwijzen bij haren teruggaanden loop.
Mogen nog enkele bijzonderheden onzeker gebleven zijn, onmogelijk kan men het
feit in twijfel trekken, dat er in het begin der quaternaire periode, vooral in
midden-Europa, eene groote uitbreiding van het ijs heeft plaats gevonden. De
paleontologie leert ons den mensch kennen, levende aan de randen dier ijsmassa’s,
en op het rendier, de antilope, het paard en den mammouth jagend. Overal vindt
men aan de grens der glaciaire streken sporen van zijn verblijf en talrijke
overblijfselen van zijne have, die hoe nietig ook, voldeed aan de voornaamste
behoeften van het leven. Bovendien heeft de paleontologie geleerd, dat in dien tijd
naast die gletschers planten en dieren gevonden werden, die getuigden van een
betrekkelijk gematigd klimaat.
De groote uitbreiding der quaternaire gletschers was aan alle streken der aarde
gemeen, en nog in onzen tijd worden er groote en talrijke gletschers gevormd, die
zich in dezelfde omstandigheden als vroeger voortbewegen over alle groote
bergketenen, en dat wel niet alleen in Europa, maar op de geheele aarde, vooral in
den Caucasus, op het Himalayagebergte, op de Andes van Patagonië, waar de
ijsstroom zich tot aan de zee uitstrekt, en in Nieuw-Zeeland, waar ijsblokken, die
losraken, van den gletscher nederstorten in eene omgeving, waar de boomvarens
weelderig tieren. Al die streken liggen zelfs binnen 40° van den evenaar af. Er is
dus geene buitengewoon lage temperatuur noodig, om eenen gletscher voort te
brengen en te voeden, en de aanwezigheid van dien gletscher maakt het organische
leven in de nabijheid niet onmogelijk.
Daar nog steeds gletschers op de toppen der bergen gevonden worden, zou eene
geringe daling in temperatuur voldoende kunnen zijn, om die gletschers hunne
vroegere afmetingen terug te geven.
Toch is het niet waarschijnlijk, dat wij daarvan ooit getuigen zullen zijn, als wij
letten op de uiterst geringe snelheid van eenen gletscher in verband met den korten
duur van het menschelijke leven. Die korte duur van het leven is één der oorzaken,
waarom wij dikwijls de grootste natuurverschijnselen niet kunnen bevatten.
Men neemt aan, dat er na eene eerste periode van koude, waardoor het
gladschuren der gesteenten van de noordelijke grens van het vasteland veroorzaakt
is, eene verhooging in temperatuur heeft plaats gegrepen, die aangewezen wordt
vorming van secundaire moraines, evenwijdig aan de uiterste, welke de
verschillende standplaatsen dier ijszeeën aanwijzen bij haren teruggaanden loop.
Mogen nog enkele bijzonderheden onzeker gebleven zijn, onmogelijk kan men het
feit in twijfel trekken, dat er in het begin der quaternaire periode, vooral in
midden-Europa, eene groote uitbreiding van het ijs heeft plaats gevonden. De
paleontologie leert ons den mensch kennen, levende aan de randen dier ijsmassa’s,
en op het rendier, de antilope, het paard en den mammouth jagend. Overal vindt
men aan de grens der glaciaire streken sporen van zijn verblijf en talrijke
overblijfselen van zijne have, die hoe nietig ook, voldeed aan de voornaamste
behoeften van het leven. Bovendien heeft de paleontologie geleerd, dat in dien tijd
naast die gletschers planten en dieren gevonden werden, die getuigden van een
betrekkelijk gematigd klimaat.
De groote uitbreiding der quaternaire gletschers was aan alle streken der aarde
gemeen, en nog in onzen tijd worden er groote en talrijke gletschers gevormd, die
zich in dezelfde omstandigheden als vroeger voortbewegen over alle groote
bergketenen, en dat wel niet alleen in Europa, maar op de geheele aarde, vooral in
den Caucasus, op het Himalayagebergte, op de Andes van Patagonië, waar de
ijsstroom zich tot aan de zee uitstrekt, en in Nieuw-Zeeland, waar ijsblokken, die
losraken, van den gletscher nederstorten in eene omgeving, waar de boomvarens
weelderig tieren. Al die streken liggen zelfs binnen 40° van den evenaar af. Er is
dus geene buitengewoon lage temperatuur noodig, om eenen gletscher voort te
brengen en te voeden, en de aanwezigheid van dien gletscher maakt het organische
leven in de nabijheid niet onmogelijk.
Daar nog steeds gletschers op de toppen der bergen gevonden worden, zou eene
geringe daling in temperatuur voldoende kunnen zijn, om die gletschers hunne
vroegere afmetingen terug te geven.
Toch is het niet waarschijnlijk, dat wij daarvan ooit getuigen zullen zijn, als wij
letten op de uiterst geringe snelheid van eenen gletscher in verband met den korten
duur van het menschelijke leven. Die korte duur van het leven is één der oorzaken,
waarom wij dikwijls de grootste natuurverschijnselen niet kunnen bevatten.
Men neemt aan, dat er na eene eerste periode van koude, waardoor het
gladschuren der gesteenten van de noordelijke grens van het vasteland veroorzaakt
is, eene verhooging in temperatuur heeft plaats gegrepen, die aangewezen wordt
Page 554
door eenen eersten teruggang der gletschers, door de verspreiding der
zwerfblokken van de Jura en door het diluvium der Rhônevallei. Daarna
veroorzaakte eene herhaling van de koude weder het terugkeeren der gletschers.
Aan die tweede glaciaire periode wordt het slib van de Rijnvallei en van het
noorden van Frankrijk toegeschreven. Daarna wordt de temperatuur
langzamerhand hooger, en zoodra zij niet meer verschilt van die van onzen tijd,
maakt de quaternaire periode plaats voor onzen tijd.
Wij kunnen ons dus die oude quaternaire periode voorstellen als een tijdperk van
groote storingen in het klimaat. Regens, buitengewoon hevig en langdurig,
overstroomden het vasteland. Zij bedekten den geheelen bodem met uitgestrekte
watervlakken, die langs de hellingen naar lager gelegen streken liepen,
langzamerhand de valleien uitgravend en daarbij het diluvium medesleurend, dat
afkomstig was van de bergruggen. Dat water viel in de nabijheid der polen en op
de hooge bergtoppen weder neder in den vorm van sneeuw. Als gevolg van den
waterdamp, de wolken en de verlaging der temperatuur, vermeesterden die
gletschers weldra de bergen, en breidden zij zich rondom de polen langzamerhand
uit. Bij het losbreken van het ijs voerden vlotten van drijvend ijs de zwerfblokken
ver weg; dikwijls is het echter moeilijk die zwerfblokken te onderscheiden van
die, welke de gletschers verlaten hebben. De bedding der stroomen wordt al meer
en meer uitgegraven.
De dieren, die gevlucht zijn naar hooge bergvlakten en in holen, planten zich toch
geregeld voort. Velen zijn het slachtoffer van de woede der elementen; toch volgen
de soorten op elkander evenals in de vorige perioden. De zeedieren, ongevoelig
voor alle beroeringen der aarde, zetten hun rustig bestaan voort op den bodem der
wateren. Na een groot aantal afwisselingen van koude en warmte, van regens en
losbreking van het ijs, wordt het klimaat eindelijk standvastig en begint onze
tegenwoordige periode. Doch de zooeven besproken verschijnselen zijn niet de
eenige, die het quaternaire tijdperk hebben gekenmerkt. Bij de genoemde
beroeringen kwamen nog heftige bewegingen van den bodem. In die periode toch
zijn verbazend hooge bergen zooals de Cordillera’s verrezen, en het is duidelijk,
dat eene zoodanige rijzing, hoe langzaam zij ook moge hebben plaats gegrepen,
niet heeft kunnen geschieden zonder geweldige storingen over groote
oppervlakten teweeg te brengen.
In dienzelfden tijd nemen de Oostzee en de Middellandsche zee haren
tegenwoordigen vorm aan, ontstaat het Kanaal, en scheiden zich de Britsche
eilanden van het vasteland af.
zwerfblokken van de Jura en door het diluvium der Rhônevallei. Daarna
veroorzaakte eene herhaling van de koude weder het terugkeeren der gletschers.
Aan die tweede glaciaire periode wordt het slib van de Rijnvallei en van het
noorden van Frankrijk toegeschreven. Daarna wordt de temperatuur
langzamerhand hooger, en zoodra zij niet meer verschilt van die van onzen tijd,
maakt de quaternaire periode plaats voor onzen tijd.
Wij kunnen ons dus die oude quaternaire periode voorstellen als een tijdperk van
groote storingen in het klimaat. Regens, buitengewoon hevig en langdurig,
overstroomden het vasteland. Zij bedekten den geheelen bodem met uitgestrekte
watervlakken, die langs de hellingen naar lager gelegen streken liepen,
langzamerhand de valleien uitgravend en daarbij het diluvium medesleurend, dat
afkomstig was van de bergruggen. Dat water viel in de nabijheid der polen en op
de hooge bergtoppen weder neder in den vorm van sneeuw. Als gevolg van den
waterdamp, de wolken en de verlaging der temperatuur, vermeesterden die
gletschers weldra de bergen, en breidden zij zich rondom de polen langzamerhand
uit. Bij het losbreken van het ijs voerden vlotten van drijvend ijs de zwerfblokken
ver weg; dikwijls is het echter moeilijk die zwerfblokken te onderscheiden van
die, welke de gletschers verlaten hebben. De bedding der stroomen wordt al meer
en meer uitgegraven.
De dieren, die gevlucht zijn naar hooge bergvlakten en in holen, planten zich toch
geregeld voort. Velen zijn het slachtoffer van de woede der elementen; toch volgen
de soorten op elkander evenals in de vorige perioden. De zeedieren, ongevoelig
voor alle beroeringen der aarde, zetten hun rustig bestaan voort op den bodem der
wateren. Na een groot aantal afwisselingen van koude en warmte, van regens en
losbreking van het ijs, wordt het klimaat eindelijk standvastig en begint onze
tegenwoordige periode. Doch de zooeven besproken verschijnselen zijn niet de
eenige, die het quaternaire tijdperk hebben gekenmerkt. Bij de genoemde
beroeringen kwamen nog heftige bewegingen van den bodem. In die periode toch
zijn verbazend hooge bergen zooals de Cordillera’s verrezen, en het is duidelijk,
dat eene zoodanige rijzing, hoe langzaam zij ook moge hebben plaats gegrepen,
niet heeft kunnen geschieden zonder geweldige storingen over groote
oppervlakten teweeg te brengen.
In dienzelfden tijd nemen de Oostzee en de Middellandsche zee haren
tegenwoordigen vorm aan, ontstaat het Kanaal, en scheiden zich de Britsche
eilanden van het vasteland af.
Page 555
Indien het bestaan van ééne of zelfs twee ijsperioden onwederlegbaar bewezen is
door de zwerfblokken, die door de gletschers zijn medegevoerd, door de strepen
en groeven, die zichtbaar zijn langs den geheelen weg, door die ijsmassa’s
gevolgd, en door de rhinocerossen, mammouths en andere dieren, die in het ijs
begraven zijn, zoo is de oorzaak van die afkoeling nog niet met voldoende
zekerheid bekend.
Verscheidene oorzaken zijn mogelijk. Ten eerste kan de zon, die ons licht en
warmte geeft, evenals zoovele andere zonnen uit het heelal, veranderingen in
helderheid ondergaan en haar uitstralend vermogen verminderen. De sterrenkunde
heeft ons het bestaan van een groot aantal veranderlijke zonnen doen kennen
onder de millioenen sterren, die over het oneindige uitspansel bezaaid zijn; zelfs
worden enkele sterren na bepaalde perioden geheel onzichtbaar door de tijdelijke
uitdooving van haar licht. Ook onze zon, die niets anders is dan eene ster, kan eene
veranderlijke ster zijn, en bedekt worden met groote vlekken, een deel van haar
licht en hare stralende warmte verliezen en jaren- en eeuwenlang de aarde en de
planeten, die tot haar stelsel behooren, in de ruimte doen voortrollen met
onvoldoende warmte. Het gevolg van die afkoeling moet zijn, koude, winter en
sneeuw. Een zoodanige winter zoude eeuwenlang kunnen duren. Nadat dan de zon
weder haren ouden glans hernomen heeft, zal de lente weder terugkeeren met het
smelten der sneeuw, den regen, de waterstroomen en den nieuwen plantengroei.
Men kan hiertegen aanmerken, dat er geen enkel bewijs voor is, dat onze zon,
niettegenstaande hare bekende periodieke vlekken, zóó veranderlijk is, en dat de
glaciaire periode het leven op aarde niet heeft uitgedoofd. Toch is die verklaring
mogelijk, immers een verschil van eenige graden in de ontvangen warmte is
voldoende, om de uitbreiding der gletschers te verklaren, zooals die blijkt uit de
ligging der zwerf blokken.
Een tweede verklaring berust op de verandering van de excentriciteit der aardbaan.
Onze lezers3 weten, dat de ellips, die de aarde jaarlijks om de zon beschrijft,
beurtelings meer of minder excentrisch wordt, dat zij nu eens, zooals dit over
23980 jaren het geval zal zijn, nauwelijks van eenen cirkel verschilt, dan weder,
zooals voor 85000 jaren zeer langwerpig is. De excentriciteit verschilt van 0,0033
als minimum tot 0,0747 als maximum; in het tweede geval is zij dus 22 maal
sterker dan in het eerste geval. Thans is de excentriciteit 0,0168; de afstand van
het middelpunt der ellips tot aan het brandpunt is dus 0,0168 maal de halve groote
as der ellips, of 0,0168 × 148 000 000 kilometers = 2486400 kilometers. De aarde
is dus den 1sten Januari 4972800 kilometers dichter bij de zon dan den 1sten Juli, en
door de zwerfblokken, die door de gletschers zijn medegevoerd, door de strepen
en groeven, die zichtbaar zijn langs den geheelen weg, door die ijsmassa’s
gevolgd, en door de rhinocerossen, mammouths en andere dieren, die in het ijs
begraven zijn, zoo is de oorzaak van die afkoeling nog niet met voldoende
zekerheid bekend.
Verscheidene oorzaken zijn mogelijk. Ten eerste kan de zon, die ons licht en
warmte geeft, evenals zoovele andere zonnen uit het heelal, veranderingen in
helderheid ondergaan en haar uitstralend vermogen verminderen. De sterrenkunde
heeft ons het bestaan van een groot aantal veranderlijke zonnen doen kennen
onder de millioenen sterren, die over het oneindige uitspansel bezaaid zijn; zelfs
worden enkele sterren na bepaalde perioden geheel onzichtbaar door de tijdelijke
uitdooving van haar licht. Ook onze zon, die niets anders is dan eene ster, kan eene
veranderlijke ster zijn, en bedekt worden met groote vlekken, een deel van haar
licht en hare stralende warmte verliezen en jaren- en eeuwenlang de aarde en de
planeten, die tot haar stelsel behooren, in de ruimte doen voortrollen met
onvoldoende warmte. Het gevolg van die afkoeling moet zijn, koude, winter en
sneeuw. Een zoodanige winter zoude eeuwenlang kunnen duren. Nadat dan de zon
weder haren ouden glans hernomen heeft, zal de lente weder terugkeeren met het
smelten der sneeuw, den regen, de waterstroomen en den nieuwen plantengroei.
Men kan hiertegen aanmerken, dat er geen enkel bewijs voor is, dat onze zon,
niettegenstaande hare bekende periodieke vlekken, zóó veranderlijk is, en dat de
glaciaire periode het leven op aarde niet heeft uitgedoofd. Toch is die verklaring
mogelijk, immers een verschil van eenige graden in de ontvangen warmte is
voldoende, om de uitbreiding der gletschers te verklaren, zooals die blijkt uit de
ligging der zwerf blokken.
Een tweede verklaring berust op de verandering van de excentriciteit der aardbaan.
Onze lezers3 weten, dat de ellips, die de aarde jaarlijks om de zon beschrijft,
beurtelings meer of minder excentrisch wordt, dat zij nu eens, zooals dit over
23980 jaren het geval zal zijn, nauwelijks van eenen cirkel verschilt, dan weder,
zooals voor 85000 jaren zeer langwerpig is. De excentriciteit verschilt van 0,0033
als minimum tot 0,0747 als maximum; in het tweede geval is zij dus 22 maal
sterker dan in het eerste geval. Thans is de excentriciteit 0,0168; de afstand van
het middelpunt der ellips tot aan het brandpunt is dus 0,0168 maal de halve groote
as der ellips, of 0,0168 × 148 000 000 kilometers = 2486400 kilometers. De aarde
is dus den 1sten Januari 4972800 kilometers dichter bij de zon dan den 1sten Juli, en
Page 556
het zuidelijk halfrond, dat dan naar de zon is toegekeerd, heeft dus eenen
warmeren zomer dan wij, die naar de zon toegekeerd zijn, op het tijdstip, waarop
wij zoover mogelijk van de zon verwijderd zijn.
Doch daar staat tegenover, dat het zomerhalf jaar in het zuidelijk halfrond acht
dagen korter duurt dan in het winterhalfjaar, daar de aarde 179 dagen noodig heeft
om van het nachteveningspunt van September tot dat van Maart te komen, en 186
dagen, om van het nachtseveningspunt van Maart tot dat van September te komen.
Dat verschil van 187 uren ten voordeele van ons halfrond weegt op tegen het
verschil in afstand van de zon, en dat wel te meer, daar ten gevolge van den
grooteren tijd, dien de noordpool naar de zon gekeerd is, het aantal uren van den
dag in het noordelijk halfrond het aantal uren van den nacht overtreft. Het is echter
niet zeker, of daardoor de koude, veroorzaakt door den grooteren afstand van de
zon in den zomer, volkomen opgeheven wordt.
Bij de grootste excentriciteit der baan is het middelpunt der aardbaan 148 000 000
× 0,0747 of 11055600 kilometers van de zon verwijderd. Dan is de aarde in het
perihelium meer dan 22 millioen kilometers dichter bij de zon gelegen dan in het
aphelium. De verhouding der warmte in die beide punten der baan is dan als 26 tot
19. Dan zal ook de aarde, die zich in het perihelium het snelst beweegt, de helft,
waarin het perihelium gelegen is, in 164 dagen, en de andere helft in 201 dagen
doorloopen.
Het halfrond der aarde, dat naar de zon gekeerd is, als de aarde in het perihelium
geplaatst is, heeft de warmste en kortste zomers, doch tevens de langste en koudste
winters. Indien bij de grootste excentriciteit de winters zeer lang en koud zijn, dan
is het mogelijk, dat de korte duur der warme zomers oorzaak is, dat niet al de
sneeuw en al het ijs smelt (zooals thans b.v. in Siberië), en dat in den zomer alleen
eene zeer krachtige verdamping plaats heeft, die de hoeveelheid waterdamp, den
regen, den mist en de sneeuw doet toenemen. Zonder waterdamp is trouwens geen
sneeuw mogelijk. Ons halfrond zoude dus uitnemend geschikt zijn voor eene
ijsperiode, zoo dikwijls de winter valt in het aphelium bij eene groote
excentriciteit der aardbaan. Die excentriciteit is bijzonder groot geweest van het
jaar 210000 tot aan het jaar 100000 vóór onze jaartelling. Indien wij nu weten, dat
alle 26000 jaren zich het verschijnsel herhaalt, dat op ons halfrond de winters in
het perihelium vallen, dan is het mogelijk, dat er in dien tijd der groote
excentriciteit vijf ijsperioden geweest zijn voor ieder halfrond, wier sterkte afhing
van verschillende omstandigheden, zooals de rijzing van het land, de richting der
stroomingen en andere.
warmeren zomer dan wij, die naar de zon toegekeerd zijn, op het tijdstip, waarop
wij zoover mogelijk van de zon verwijderd zijn.
Doch daar staat tegenover, dat het zomerhalf jaar in het zuidelijk halfrond acht
dagen korter duurt dan in het winterhalfjaar, daar de aarde 179 dagen noodig heeft
om van het nachteveningspunt van September tot dat van Maart te komen, en 186
dagen, om van het nachtseveningspunt van Maart tot dat van September te komen.
Dat verschil van 187 uren ten voordeele van ons halfrond weegt op tegen het
verschil in afstand van de zon, en dat wel te meer, daar ten gevolge van den
grooteren tijd, dien de noordpool naar de zon gekeerd is, het aantal uren van den
dag in het noordelijk halfrond het aantal uren van den nacht overtreft. Het is echter
niet zeker, of daardoor de koude, veroorzaakt door den grooteren afstand van de
zon in den zomer, volkomen opgeheven wordt.
Bij de grootste excentriciteit der baan is het middelpunt der aardbaan 148 000 000
× 0,0747 of 11055600 kilometers van de zon verwijderd. Dan is de aarde in het
perihelium meer dan 22 millioen kilometers dichter bij de zon gelegen dan in het
aphelium. De verhouding der warmte in die beide punten der baan is dan als 26 tot
19. Dan zal ook de aarde, die zich in het perihelium het snelst beweegt, de helft,
waarin het perihelium gelegen is, in 164 dagen, en de andere helft in 201 dagen
doorloopen.
Het halfrond der aarde, dat naar de zon gekeerd is, als de aarde in het perihelium
geplaatst is, heeft de warmste en kortste zomers, doch tevens de langste en koudste
winters. Indien bij de grootste excentriciteit de winters zeer lang en koud zijn, dan
is het mogelijk, dat de korte duur der warme zomers oorzaak is, dat niet al de
sneeuw en al het ijs smelt (zooals thans b.v. in Siberië), en dat in den zomer alleen
eene zeer krachtige verdamping plaats heeft, die de hoeveelheid waterdamp, den
regen, den mist en de sneeuw doet toenemen. Zonder waterdamp is trouwens geen
sneeuw mogelijk. Ons halfrond zoude dus uitnemend geschikt zijn voor eene
ijsperiode, zoo dikwijls de winter valt in het aphelium bij eene groote
excentriciteit der aardbaan. Die excentriciteit is bijzonder groot geweest van het
jaar 210000 tot aan het jaar 100000 vóór onze jaartelling. Indien wij nu weten, dat
alle 26000 jaren zich het verschijnsel herhaalt, dat op ons halfrond de winters in
het perihelium vallen, dan is het mogelijk, dat er in dien tijd der groote
excentriciteit vijf ijsperioden geweest zijn voor ieder halfrond, wier sterkte afhing
van verschillende omstandigheden, zooals de rijzing van het land, de richting der
stroomingen en andere.
Page 557
Die tweede verklaring der ijsperiode is waarschijnlijker dan de eerste, doch het is
ook mogelijk, dat die verandering in de excentriciteit wel heeft medegewerkt tot
de verschijnselen der ijsperiode, maar dat zij niet de eenige oorzaak was. Het is
immers zeker, dat voor een duizendtal eeuwen eene verandering in den vorm en
het klimaat der aarde heeft plaats gegrepen.
De eerste en grootste helft toch der quaternaire periode kenmerkt zich op ons
halfrond in de bergstreken door de groote uitbreiding der gletschers, op het
overige gedeelte door de groote afbijting der kusten en de daarmede
samenhangende aanslibbingen.
Die twee verschijnselen zijn niets anders dan verschillende uitingen eener zelfde
oorzaak, de tijdelijke toeneming van de hoeveelheid condenseerend water. Uit het
feit, dat in onze streken de nietige waterstroomen hebben plaats gemaakt voor
krachtige stroomen met beddingen, verscheidene kilometers breed; dat op alle
hellingen eene zóó sterke strooming plaats had, dat daaruit het löss4 kon gevormd
worden; dat holen en grotten bekleed zijn met een dicht kleed van druipsteen: uit
dit alles blijkt, dat er toen veel meer regen viel dan thans, en dat wel in de geheele
streek, die zich uitstrekt van de Sahara tot aan het midden van Engeland, en van
Louisiana tot aan de groote Amerikaansche meren.
Deze derde onderstelling wordt bevestigd door het onderzoek der quaternaire
dierenwereld: de tallooze beenderen van dikhuidigen, in het diluvium van het
noordelijk halfrond gevonden, wijzen er op, dat de plantenetende dieren een
overvloedig voedsel moesten vinden, en dat dus het klimaat zacht en vochtig
moest zijn.
Men weet trouwens, dat in de vorige perioden groote zoetwatermeren de valleien
innamen van de voornaamste stroomen in Europa en van de westelijke helling van
het Rotsgebergte in Amerika. Het bestaan dier watervlakten brengt eenen
bijzonder vochtigen dampkring mede, zoodat de toestand in de quaternaire periode
daarvan de voortzetting is.
ook mogelijk, dat die verandering in de excentriciteit wel heeft medegewerkt tot
de verschijnselen der ijsperiode, maar dat zij niet de eenige oorzaak was. Het is
immers zeker, dat voor een duizendtal eeuwen eene verandering in den vorm en
het klimaat der aarde heeft plaats gegrepen.
De eerste en grootste helft toch der quaternaire periode kenmerkt zich op ons
halfrond in de bergstreken door de groote uitbreiding der gletschers, op het
overige gedeelte door de groote afbijting der kusten en de daarmede
samenhangende aanslibbingen.
Die twee verschijnselen zijn niets anders dan verschillende uitingen eener zelfde
oorzaak, de tijdelijke toeneming van de hoeveelheid condenseerend water. Uit het
feit, dat in onze streken de nietige waterstroomen hebben plaats gemaakt voor
krachtige stroomen met beddingen, verscheidene kilometers breed; dat op alle
hellingen eene zóó sterke strooming plaats had, dat daaruit het löss4 kon gevormd
worden; dat holen en grotten bekleed zijn met een dicht kleed van druipsteen: uit
dit alles blijkt, dat er toen veel meer regen viel dan thans, en dat wel in de geheele
streek, die zich uitstrekt van de Sahara tot aan het midden van Engeland, en van
Louisiana tot aan de groote Amerikaansche meren.
Deze derde onderstelling wordt bevestigd door het onderzoek der quaternaire
dierenwereld: de tallooze beenderen van dikhuidigen, in het diluvium van het
noordelijk halfrond gevonden, wijzen er op, dat de plantenetende dieren een
overvloedig voedsel moesten vinden, en dat dus het klimaat zacht en vochtig
moest zijn.
Men weet trouwens, dat in de vorige perioden groote zoetwatermeren de valleien
innamen van de voornaamste stroomen in Europa en van de westelijke helling van
het Rotsgebergte in Amerika. Het bestaan dier watervlakten brengt eenen
bijzonder vochtigen dampkring mede, zoodat de toestand in de quaternaire periode
daarvan de voortzetting is.
Page 558
Fig. 305. Mammouth, met vleesch en huid in het ijs van Siberië gevonden.
Maar wat als regen neervalt in lager gelegen streken, neemt in de bergstreken den
vorm van sneeuw aan. De vochtigheid in den dampkring moet dus tot
noodzakelijk gevolg gehad hebben de vorming van sneeuwvelden, en dus ook van
groote gletschers. Die vorming, die vroeger onmogelijk was, (behalve misschien
sedert de eocene periode in de Pyreneën), bij gebrek aan uitgebreide
condensatoren, is na het einde der pliocene periode kunnen ontstaan, dat wil
zeggen op het oogenblik, waarop de Alpen en zoovele andere ketenen hunnen
tegenwoordigen vorm verkregen hebben. Niet de koude alleen heeft dus de
gletschers kunnen voortbrengen; deze is op zich zelf onvoldoende, om de
gletschers te voeden, zooals blijkt uit het feit, dat de bergvlakten van Tibet, die
5000 tot 6000 meters hoog zijn, geene gletschers bezitten. Daartoe is noodig eene
groote vochtigheid van den dampkring en het bestaan van bergen als
condensatoren, die niet alleen van groote beteekenis zijn om hunne massa maar
ook om hunne hoogte; die condensatoren waren in het begin van zooveel grooter
beteekenis, daar zij nog niet door afbijting zooveel verloren hadden en zij
Maar wat als regen neervalt in lager gelegen streken, neemt in de bergstreken den
vorm van sneeuw aan. De vochtigheid in den dampkring moet dus tot
noodzakelijk gevolg gehad hebben de vorming van sneeuwvelden, en dus ook van
groote gletschers. Die vorming, die vroeger onmogelijk was, (behalve misschien
sedert de eocene periode in de Pyreneën), bij gebrek aan uitgebreide
condensatoren, is na het einde der pliocene periode kunnen ontstaan, dat wil
zeggen op het oogenblik, waarop de Alpen en zoovele andere ketenen hunnen
tegenwoordigen vorm verkregen hebben. Niet de koude alleen heeft dus de
gletschers kunnen voortbrengen; deze is op zich zelf onvoldoende, om de
gletschers te voeden, zooals blijkt uit het feit, dat de bergvlakten van Tibet, die
5000 tot 6000 meters hoog zijn, geene gletschers bezitten. Daartoe is noodig eene
groote vochtigheid van den dampkring en het bestaan van bergen als
condensatoren, die niet alleen van groote beteekenis zijn om hunne massa maar
ook om hunne hoogte; die condensatoren waren in het begin van zooveel grooter
beteekenis, daar zij nog niet door afbijting zooveel verloren hadden en zij
Page 559
waarschijnlijk eenige honderden meters hooger waren door eene tijdelijke rijzing
der streek.
Men ziet dus, dat de groote waterstroomen in de vlakten en de groote gletschers in
de bergstreken twee nauw samenhangende verschijnselen geweest zijn, en dat men
meermalen niet zonder grond de uitdrukking glaciaire periode heeft willen
vervangen door die van regenperiode.
Het valt niet te ontkennen, dat de afkoeling aan de polen, die zich reeds had doen
gevoelen in het midden der tertiaire periode, niet geheel vreemd is geweest aan de
hierboven beschreven verschijnselen; toch zoude deze op zichzelf daartoe niet
voldoende geweest zijn, en de studie der quaternaire formatie in de gematigde
luchtstreken, op die plaatsen die niet aan den onmiddellijken invloed der
gletschers onderworpen waren, bewijst, dat de overgang van den elephas
meridionalis tot den elephas antiquus, en van dezen tot den elephas primigenius,
geleidelijk geschied is, zonder dat er in dien tusschentijd een plotselinge inval van
koude had plaats gegrepen.
Uitgaande van het bovenstaande, kunnen wij ons weder verplaatsen in den tijd,
toen de groote bergen hunne tegenwoordige hoogte verkregen hadden, dat is dus
in het begin der pliocene periode.
Reeds sedert langen tijd was het boven water komen van Europa in voorbereiding;
in Frankrijk en Engeland waren alleen zoetwatermeren. De bergstreken waren in
de pliocene periode het tooneel eener krachtige werkzaamheid, waarvan de
gesteldheid van het Rhônebekken en de oude aanslibbingen van Zwitserland
kunnen getuigen.
Wij mogen aannemen, dat op het einde der pliocene periode de voornaamste
valleien reeds gevormd waren en haren bodem reeds bedekt hadden met grint en
aangespoelde stoffen, terwijl zich op de bergvlakten het oudste klei uitspreidde.
De bekkens, die de sneeuw moesten opnemen, en de kanalen, waarlangs de
gletschers moesten glijden, waren reeds in het begin der quaternaire periode
gevormd, en voor de opneming van groote hoeveelheden ijs was alleen noodig dat
in west-Europa luchtstroomen kwamen, die meer waterdamp bevatten, dan in de
vorige perioden.
De studie van de ligging der oude ijsformaties levert een krachtig bewijs ten
voordeele der meening, dat zij ontstaan zijn uit eene toeneming der vochtigheid. In
Engeland, zoowel als in Scandinavië en Amerika, waren de streken, waar thans
der streek.
Men ziet dus, dat de groote waterstroomen in de vlakten en de groote gletschers in
de bergstreken twee nauw samenhangende verschijnselen geweest zijn, en dat men
meermalen niet zonder grond de uitdrukking glaciaire periode heeft willen
vervangen door die van regenperiode.
Het valt niet te ontkennen, dat de afkoeling aan de polen, die zich reeds had doen
gevoelen in het midden der tertiaire periode, niet geheel vreemd is geweest aan de
hierboven beschreven verschijnselen; toch zoude deze op zichzelf daartoe niet
voldoende geweest zijn, en de studie der quaternaire formatie in de gematigde
luchtstreken, op die plaatsen die niet aan den onmiddellijken invloed der
gletschers onderworpen waren, bewijst, dat de overgang van den elephas
meridionalis tot den elephas antiquus, en van dezen tot den elephas primigenius,
geleidelijk geschied is, zonder dat er in dien tusschentijd een plotselinge inval van
koude had plaats gegrepen.
Uitgaande van het bovenstaande, kunnen wij ons weder verplaatsen in den tijd,
toen de groote bergen hunne tegenwoordige hoogte verkregen hadden, dat is dus
in het begin der pliocene periode.
Reeds sedert langen tijd was het boven water komen van Europa in voorbereiding;
in Frankrijk en Engeland waren alleen zoetwatermeren. De bergstreken waren in
de pliocene periode het tooneel eener krachtige werkzaamheid, waarvan de
gesteldheid van het Rhônebekken en de oude aanslibbingen van Zwitserland
kunnen getuigen.
Wij mogen aannemen, dat op het einde der pliocene periode de voornaamste
valleien reeds gevormd waren en haren bodem reeds bedekt hadden met grint en
aangespoelde stoffen, terwijl zich op de bergvlakten het oudste klei uitspreidde.
De bekkens, die de sneeuw moesten opnemen, en de kanalen, waarlangs de
gletschers moesten glijden, waren reeds in het begin der quaternaire periode
gevormd, en voor de opneming van groote hoeveelheden ijs was alleen noodig dat
in west-Europa luchtstroomen kwamen, die meer waterdamp bevatten, dan in de
vorige perioden.
De studie van de ligging der oude ijsformaties levert een krachtig bewijs ten
voordeele der meening, dat zij ontstaan zijn uit eene toeneming der vochtigheid. In
Engeland, zoowel als in Scandinavië en Amerika, waren de streken, waar thans
Page 560
nog de grootste hoeveelheid water valt, in de quaternaire periode het middelpunt
der grootste gletscher-formaties. Daarentegen is dat gedeelte van Amerika, dat in
Wisconsin gelegen was en bekend was onder den naam van driftless area, wegens
de afwezigheid van zwerfblokken, juist de streek, waar thans nog de minste regen
valt.
In één woord, de vochtigheid en de hoogte zijn de twee groote factoren geweest
voor de vorming van het ijs; en het feit, dat over een groot gedeelte der
Amerikaansche Cordillera’s, de streken, van waar de gletschers thans verdwenen
zijn, eene lagere gemiddelde temperatuur hebben, dan die waar het ijs bewaard is
gebleven, bewijst, dat de algemeene temperatuur slechts in de tweede plaats in
aanmerking komt. De ijsmassa’s verminderen dus sterker onder den invloed eener
droge lucht, dan dat zij toenemen onder den invloed der koude.
Fig. 306. Geraamte en waarschijnlijke vorm van het hert met reusachtig gewei.
der grootste gletscher-formaties. Daarentegen is dat gedeelte van Amerika, dat in
Wisconsin gelegen was en bekend was onder den naam van driftless area, wegens
de afwezigheid van zwerfblokken, juist de streek, waar thans nog de minste regen
valt.
In één woord, de vochtigheid en de hoogte zijn de twee groote factoren geweest
voor de vorming van het ijs; en het feit, dat over een groot gedeelte der
Amerikaansche Cordillera’s, de streken, van waar de gletschers thans verdwenen
zijn, eene lagere gemiddelde temperatuur hebben, dan die waar het ijs bewaard is
gebleven, bewijst, dat de algemeene temperatuur slechts in de tweede plaats in
aanmerking komt. De ijsmassa’s verminderen dus sterker onder den invloed eener
droge lucht, dan dat zij toenemen onder den invloed der koude.
Fig. 306. Geraamte en waarschijnlijke vorm van het hert met reusachtig gewei.
Page 561
Op het einde der pliocene periode en gedurende de quaternaire periode viel in de
Sahara, in Arabië en Perzië, landstreken, die thans door de droogte geteisterd
worden, eene ontzettende hoeveelheid regen, waarvan bijzonder sterke
aanslibbingen het gevolg waren. Dat regengebied strekte zich zelfs nog verder
oostwaarts uit, over de tegenwoordige woestijnen van Mongolië, en in sommige
bekkens, zooals in dat der Gele rivier, ontstond daardoor eene ontzaglijke
ophooping van löss. Zeker is het, dat het regengebied zich in noordelijke richting
verplaatst heeft, en die verplaatsing doet zich nog thans gevoelen, want de
noordkust van Afrika en de kusten van Klein-Azië zijn lang niet meer in die
gunstige omstandigheden, waardoor in den tijd der Romeinsche overheersching
die streken zoo vruchtbaar waren. Daarentegen is het klimaat van Frankrijk en
Duitschland lang niet zoo gestreng als dit volgens de oude geschiedschrijvers het
geval is geweest. De winden, die droogte of vochtigheid veroorzaken, hangen
boven alles af van de verdeeling van land en zee, en veranderingen in den invloed
van den wind moeten dus afhankelijk geweest zijn van veranderingen in de
gesteldheid der aarde.
Fig. 307. De mammouth, elephas primigenius.
Sahara, in Arabië en Perzië, landstreken, die thans door de droogte geteisterd
worden, eene ontzettende hoeveelheid regen, waarvan bijzonder sterke
aanslibbingen het gevolg waren. Dat regengebied strekte zich zelfs nog verder
oostwaarts uit, over de tegenwoordige woestijnen van Mongolië, en in sommige
bekkens, zooals in dat der Gele rivier, ontstond daardoor eene ontzaglijke
ophooping van löss. Zeker is het, dat het regengebied zich in noordelijke richting
verplaatst heeft, en die verplaatsing doet zich nog thans gevoelen, want de
noordkust van Afrika en de kusten van Klein-Azië zijn lang niet meer in die
gunstige omstandigheden, waardoor in den tijd der Romeinsche overheersching
die streken zoo vruchtbaar waren. Daarentegen is het klimaat van Frankrijk en
Duitschland lang niet zoo gestreng als dit volgens de oude geschiedschrijvers het
geval is geweest. De winden, die droogte of vochtigheid veroorzaken, hangen
boven alles af van de verdeeling van land en zee, en veranderingen in den invloed
van den wind moeten dus afhankelijk geweest zijn van veranderingen in de
gesteldheid der aarde.
Fig. 307. De mammouth, elephas primigenius.
Page 562
De verdwijning van Atlantis heeft eene ontzaglijke wijziging in de stroomingen
veroorzaakt. Die periode is ook die geweest, waarin de vulkanen van Frankrijk,
Spanje en de Rijnoevers hunne werking deden gevoelen.
Bij al die veranderingen in de gesteldheid der aarde moet ook de hoogte van den
bodem gewijzigd zijn; wij hebben trouwens reeds vroeger gezien, dat deze zelfs
thans nog niet standvastig is. Eenige honderden meters meer in de hoogte van
noordelijk Europa kunnen voldoende geweest zijn, om de temperatuur zóóveel te
doen dalen, als voor de uitbreiding der gletschers noodig was.
Zoo kan men dan de bekende ijsperiode verklaren, die eindigde in de periode van
het diluvium, waarin zich in de valleien die stoffen hebben afgezet, die thans met
den naam van diluvium bestempeld worden. Al de bezinkingen na de tertiaire
periode, die de oppervlakte der aardschors vormen, onderscheiden zich daarin van
de vorige, dat zij niet meer het kenmerk dragen van rustig bezonken te zijn op den
bodem van groote watermassa’s, maar veeleer van te zijn ontstaan door eene
snelle, min of meer heftige verplaatsing van stoffen door middel van stroomend
water.
Die formatie bestaat gewoonlijk van onderen uit lagen of onregelmatige hoopen
ronde strandkeien, vermengd met zand en grint, gelegen op eenen sterk
gegroefden bodem.
Hooger op vermindert het grint in volume en gaat het over in grof zand, dat naar
boven al fijner en fijner wordt. Dat zand is dan vermengd met kleine beddingen
van keisteenen, en met aarde en geel slijk, dat dikwijls zeer dik is en de geheele
laag bedekt.
Men kan daarin al de karaktertrekken van het alluvium herkennen, dat is van
bezinking in stroomend water. Men vindt het in de vlakten, op de bergvlakten, op
de hellingen der heuvels; het vult ook de valleien, doch zoodanig, dat zijne massa,
in stede van door het tegenwoordige water toe te nemen, dagelijks vermindert,
daar het door de tegenwoordige rivieren wordt uitgegraven, die daar hare bedding
leggen, en het alluvium wijzigen, door nieuwe formaties, die zeer van de vorige
verschillen, daarop af te zetten.
Die rangschikking is overal dezelfde. Toch is er eenig verschil in de samenstelling
der lagen, welk verschil afhangt van de geologische gesteldheid van de streken,
die de bouwstoffen er voor geleverd hebben. Zoo vindt men b. v. in het oude
alluvium der Seine-vallei talrijke blokken graniet en porfier door de Yonne
veroorzaakt. Die periode is ook die geweest, waarin de vulkanen van Frankrijk,
Spanje en de Rijnoevers hunne werking deden gevoelen.
Bij al die veranderingen in de gesteldheid der aarde moet ook de hoogte van den
bodem gewijzigd zijn; wij hebben trouwens reeds vroeger gezien, dat deze zelfs
thans nog niet standvastig is. Eenige honderden meters meer in de hoogte van
noordelijk Europa kunnen voldoende geweest zijn, om de temperatuur zóóveel te
doen dalen, als voor de uitbreiding der gletschers noodig was.
Zoo kan men dan de bekende ijsperiode verklaren, die eindigde in de periode van
het diluvium, waarin zich in de valleien die stoffen hebben afgezet, die thans met
den naam van diluvium bestempeld worden. Al de bezinkingen na de tertiaire
periode, die de oppervlakte der aardschors vormen, onderscheiden zich daarin van
de vorige, dat zij niet meer het kenmerk dragen van rustig bezonken te zijn op den
bodem van groote watermassa’s, maar veeleer van te zijn ontstaan door eene
snelle, min of meer heftige verplaatsing van stoffen door middel van stroomend
water.
Die formatie bestaat gewoonlijk van onderen uit lagen of onregelmatige hoopen
ronde strandkeien, vermengd met zand en grint, gelegen op eenen sterk
gegroefden bodem.
Hooger op vermindert het grint in volume en gaat het over in grof zand, dat naar
boven al fijner en fijner wordt. Dat zand is dan vermengd met kleine beddingen
van keisteenen, en met aarde en geel slijk, dat dikwijls zeer dik is en de geheele
laag bedekt.
Men kan daarin al de karaktertrekken van het alluvium herkennen, dat is van
bezinking in stroomend water. Men vindt het in de vlakten, op de bergvlakten, op
de hellingen der heuvels; het vult ook de valleien, doch zoodanig, dat zijne massa,
in stede van door het tegenwoordige water toe te nemen, dagelijks vermindert,
daar het door de tegenwoordige rivieren wordt uitgegraven, die daar hare bedding
leggen, en het alluvium wijzigen, door nieuwe formaties, die zeer van de vorige
verschillen, daarop af te zetten.
Die rangschikking is overal dezelfde. Toch is er eenig verschil in de samenstelling
der lagen, welk verschil afhangt van de geologische gesteldheid van de streken,
die de bouwstoffen er voor geleverd hebben. Zoo vindt men b. v. in het oude
alluvium der Seine-vallei talrijke blokken graniet en porfier door de Yonne
Page 563
toegevoerd, terwijl men in de Marne-vallei kalkhoudende keien en vuursteenen
vindt, uit de krijtvlakten van Champagne en het Juraplateau van Langres
afkomstig.
Het grint en het zand bevatten in groote hoeveelheden voor het meerendeel
gebroken beenderen, die afkomstig zijn van thans uitgestorven geslachten, of wel
van geslachten, die thans leven op plaatsen, ver verwijderd van die, waar de
beenderen gevonden zijn. Zoo vindt men daarin over geheel Europa overblijfselen
van reusachtige olifanten (elephas primigenius), groote rhinocerossen, die twee
horens op den neus droegen (rhinoceros tichorinus) met een aantal beenderen van
paarden en groote herkauwende dieren (herten, damherten, elanden, ossen enz.).
Tanden en stukken van geraamten van tijgers en hyena’s en van eene groote soort
beren, die zoo groot waren als ossen, bewijzen eveneens, dat onder de quaternaire
dieren vele roofdieren gevonden worden. In de groote stroomen van dat tijdperk
leefden in Europa ook groote nijlpaarden. Al die geslachten zijn thans
uitgestorven; onder die uitgeweken geslachten komen het rendier en de veelvraat
voor, die thans naar de poolstreken zijn teruggeweken.
De mammouth was over het geheele noordelijke halfrond verspreid, en dat wel
niet alleen in Azië, waar men de eerste overblijfselen van dat dier gevonden heeft.
Sedert den tijd van Otto van Guericke, den uitvinder der luchtpomp, die in 1663
getuige was van de ontdekking van fossiele beenderen, (slagtanden, toen voor
horens aangezien), sedert Leibnitz, die uit die overblijfselen een vreemd,
fantastisch wezen opbouwde, dat eenen horen droeg op het midden van het
voorhoofd en een dozijn kiezen van een voet lengte; sedert de talrijke vondsten in
Duitschland, Rusland en Siberië in de vorige eeuw, hebben de mammouths
opgehouden fabelachtige dieren te zijn, vooral ook nadat in onze eeuw nieuwe en
talrijke ontdekkingen tot eene meer wetenschappelijke opvatting medewerkten.
Men weet, dat men dikwijls aan de oevers der Lena en in het ijs van Siberië niet
alleen fossiel ivoor vindt (reeds sedert onheugelijke tijden in den handel gebruikt)
maar ook geheele lijken met vleesch, huid en haar.
Het museüm te Petersburg bezit één der schoonste exemplaren, een geheel
geraamte, in 1804 te midden van het ijs der Lena gevonden. Het dier is zes meters
hoog, terwijl de omgekrulde slagtanden meer dan vier meters lang zijn. De
mammouth was veel grooter dan de olifant. Nog onlangs heeft het ijs eenen
mammouth geleverd, die bijna even groot is als die van het museüm te Petersburg.
vindt, uit de krijtvlakten van Champagne en het Juraplateau van Langres
afkomstig.
Het grint en het zand bevatten in groote hoeveelheden voor het meerendeel
gebroken beenderen, die afkomstig zijn van thans uitgestorven geslachten, of wel
van geslachten, die thans leven op plaatsen, ver verwijderd van die, waar de
beenderen gevonden zijn. Zoo vindt men daarin over geheel Europa overblijfselen
van reusachtige olifanten (elephas primigenius), groote rhinocerossen, die twee
horens op den neus droegen (rhinoceros tichorinus) met een aantal beenderen van
paarden en groote herkauwende dieren (herten, damherten, elanden, ossen enz.).
Tanden en stukken van geraamten van tijgers en hyena’s en van eene groote soort
beren, die zoo groot waren als ossen, bewijzen eveneens, dat onder de quaternaire
dieren vele roofdieren gevonden worden. In de groote stroomen van dat tijdperk
leefden in Europa ook groote nijlpaarden. Al die geslachten zijn thans
uitgestorven; onder die uitgeweken geslachten komen het rendier en de veelvraat
voor, die thans naar de poolstreken zijn teruggeweken.
De mammouth was over het geheele noordelijke halfrond verspreid, en dat wel
niet alleen in Azië, waar men de eerste overblijfselen van dat dier gevonden heeft.
Sedert den tijd van Otto van Guericke, den uitvinder der luchtpomp, die in 1663
getuige was van de ontdekking van fossiele beenderen, (slagtanden, toen voor
horens aangezien), sedert Leibnitz, die uit die overblijfselen een vreemd,
fantastisch wezen opbouwde, dat eenen horen droeg op het midden van het
voorhoofd en een dozijn kiezen van een voet lengte; sedert de talrijke vondsten in
Duitschland, Rusland en Siberië in de vorige eeuw, hebben de mammouths
opgehouden fabelachtige dieren te zijn, vooral ook nadat in onze eeuw nieuwe en
talrijke ontdekkingen tot eene meer wetenschappelijke opvatting medewerkten.
Men weet, dat men dikwijls aan de oevers der Lena en in het ijs van Siberië niet
alleen fossiel ivoor vindt (reeds sedert onheugelijke tijden in den handel gebruikt)
maar ook geheele lijken met vleesch, huid en haar.
Het museüm te Petersburg bezit één der schoonste exemplaren, een geheel
geraamte, in 1804 te midden van het ijs der Lena gevonden. Het dier is zes meters
hoog, terwijl de omgekrulde slagtanden meer dan vier meters lang zijn. De
mammouth was veel grooter dan de olifant. Nog onlangs heeft het ijs eenen
mammouth geleverd, die bijna even groot is als die van het museüm te Petersburg.
Page 564
Onder de rhinocerossen komt de rhinoceros tichorinus voor, zoo genoemd, omdat
de beide neusgaten door een beenig tusschenschot gescheiden waren. Die
rhinoceros speelde in dien tijd eenen gewichtigen rol en bijna overal vindt men
zijne beenderen terug. Aan de horens van dat dier zijn een aantal sprookjes
verbonden, onder andere meende men in de middeleeuwen den beroemden vogel
Rock in den schoot der aarde te vinden. Ook de drakenkoppen der oude tijden
ontleenen daaraan hunnen oorsprong. De anatomische kennis van dat fossiele dier
dagteekent eerst van het jaar 1772, toen de natuuronderzoeker Pallas aan de oevers
van eenen bijstroom der Lena een bijna volkomen lijk van het dier kon
bestudeeren, dat juist uit het ijs was losgemaakt. Het lichaam van den rhinoceros
tichorinus was met haren bedekt, en de huid was niet zoo ruw als die onzer
Afrikaansche rhinocerossen.
de beide neusgaten door een beenig tusschenschot gescheiden waren. Die
rhinoceros speelde in dien tijd eenen gewichtigen rol en bijna overal vindt men
zijne beenderen terug. Aan de horens van dat dier zijn een aantal sprookjes
verbonden, onder andere meende men in de middeleeuwen den beroemden vogel
Rock in den schoot der aarde te vinden. Ook de drakenkoppen der oude tijden
ontleenen daaraan hunnen oorsprong. De anatomische kennis van dat fossiele dier
dagteekent eerst van het jaar 1772, toen de natuuronderzoeker Pallas aan de oevers
van eenen bijstroom der Lena een bijna volkomen lijk van het dier kon
bestudeeren, dat juist uit het ijs was losgemaakt. Het lichaam van den rhinoceros
tichorinus was met haren bedekt, en de huid was niet zoo ruw als die onzer
Afrikaansche rhinocerossen.
Page 565
De tijdgenooten van den oorspronkelijken mensch: De holenbeer.
Één der schoonste voorwereldlijke dieren moet wel het reuzenhert geweest zijn,
waarvan de overblijfselen veelvuldig voorkomen in de omstreken van Dublin,
vermengd met schelpen, en gelegen zoowel op eene hoogte van 70 meters boven
de oppervlakte der zee als in het tufkrijt, dat zich onder de onmetelijke venen
bevindt, en in het veen zelf, dat even hoog ligt als de oppervlakte der zee. Bij
Curragh vindt men geraamten van reuzenherten in eene beperkte ruimte
opeengestapeld, alsof geheele kudden op die plek begraven lagen. Opmerkelijk is
Één der schoonste voorwereldlijke dieren moet wel het reuzenhert geweest zijn,
waarvan de overblijfselen veelvuldig voorkomen in de omstreken van Dublin,
vermengd met schelpen, en gelegen zoowel op eene hoogte van 70 meters boven
de oppervlakte der zee als in het tufkrijt, dat zich onder de onmetelijke venen
bevindt, en in het veen zelf, dat even hoog ligt als de oppervlakte der zee. Bij
Curragh vindt men geraamten van reuzenherten in eene beperkte ruimte
opeengestapeld, alsof geheele kudden op die plek begraven lagen. Opmerkelijk is
Page 566
het, dat al die exemplaren denzelfden stand hebben, den kop omhoog, den hals
gestrekt, het gewei naar achteren, alsof zij, in het moeras ingezakt, zoolang
mogelijk lucht trachtten te scheppen.
Het geslacht olifant schijnt zich aldus ontwikkeld te hebben:
Dinotherium Mioceen.
Mastodon Mioceen.
Elephas meridionalis Plioceen.
Elephas antiquus Quaternair.
Elephas primigenius (Mammouth) Quaternair.
Tegenwoordige olifanten.
In het begin der quaternaire periode is de elephas meridionalis verdwenen, om
plaats te maken voor zijnen opvolger, den elephas antiquus. Kudden van die dieren
wandelden rustig in de onmetelijke wouden, waar thans Parijs schittert.5
De elephas antiquus kenmerkt de eerste periode van het quaternaire tijdvak, de
elephas primigenius de tweede, koudere periode, de rhinoceros tichorinus de
derde, en het rendier de vierde periode. Dit geldt ten minste voor Europa. In
Amerika is dit echter eenigszins anders.
Een groot aantal der tegenwoordige landdieren bestond reeds in het begin der
periode waarin zich vele nieuwe typen vormden. Er is dus een onmerkbare
overgang van de quaternaire dierenwereld tot die van onzen tijd; de twee
tijdperken zijn dan ook veeleer gescheiden door het eindigen der natuurkundige en
klimatologische verschijnselen der glaciaire en diluvium-periode en door het
intreden van de tegenwoordige kalmte dan door een verschil in de planten- en
dierenwereld. Dit is zelfs zóó waar, dat terwijl vele tegenwoordige dieren
opklimmen tot de quaternaire en zelfs tot de tertiaire periode, verscheidene
quaternaire soorten eerst in den tegenwoordigen tijd zijn uitgestorven. De
mammouth heeft zeer lang voortgeleefd, de urus leefde in de 14de eeuw nog in
Nederland in het wild, de bison of aueros is zelfs nog niet geheel verdwenen in
Lithauen en den Caucasus.
gestrekt, het gewei naar achteren, alsof zij, in het moeras ingezakt, zoolang
mogelijk lucht trachtten te scheppen.
Het geslacht olifant schijnt zich aldus ontwikkeld te hebben:
Dinotherium Mioceen.
Mastodon Mioceen.
Elephas meridionalis Plioceen.
Elephas antiquus Quaternair.
Elephas primigenius (Mammouth) Quaternair.
Tegenwoordige olifanten.
In het begin der quaternaire periode is de elephas meridionalis verdwenen, om
plaats te maken voor zijnen opvolger, den elephas antiquus. Kudden van die dieren
wandelden rustig in de onmetelijke wouden, waar thans Parijs schittert.5
De elephas antiquus kenmerkt de eerste periode van het quaternaire tijdvak, de
elephas primigenius de tweede, koudere periode, de rhinoceros tichorinus de
derde, en het rendier de vierde periode. Dit geldt ten minste voor Europa. In
Amerika is dit echter eenigszins anders.
Een groot aantal der tegenwoordige landdieren bestond reeds in het begin der
periode waarin zich vele nieuwe typen vormden. Er is dus een onmerkbare
overgang van de quaternaire dierenwereld tot die van onzen tijd; de twee
tijdperken zijn dan ook veeleer gescheiden door het eindigen der natuurkundige en
klimatologische verschijnselen der glaciaire en diluvium-periode en door het
intreden van de tegenwoordige kalmte dan door een verschil in de planten- en
dierenwereld. Dit is zelfs zóó waar, dat terwijl vele tegenwoordige dieren
opklimmen tot de quaternaire en zelfs tot de tertiaire periode, verscheidene
quaternaire soorten eerst in den tegenwoordigen tijd zijn uitgestorven. De
mammouth heeft zeer lang voortgeleefd, de urus leefde in de 14de eeuw nog in
Nederland in het wild, de bison of aueros is zelfs nog niet geheel verdwenen in
Lithauen en den Caucasus.
Page 567
Fig. 309. Kies van den elephas antiquus (⅓ der nat. gr.).
Fig. 310. Kies van den mammouth (⅓ der nat. gr.).
In Europa waren de quaternaire zoogdieren, beren, leeuwen, hyena’s,
rhinocerossen, olifanten, herten, runderen, bijna alle reusachtig groot; buitendien
had men insecteneters, knaagdieren, verscheurende dieren, herkauwende dieren,
paarden, wilde zwijnen enz., waarvan de meeste soorten nog bestaan. De
holenbeer was zoo groot als het paard, de mammouth was veel grooter dan zijne
tegenwoordige stamgenooten en had ontzaglijke spiraalsgewijze gebogen
slagtanden; het hert der venen was minstens zoo groot als onze ossen, en sommige
ossen hadden ontzaglijke afmetingen. Dat dieren der gematigde en koude
luchtstreken op dezelfde plaatsen gevonden werden als dieren, die wij gewoon zijn
te beschouwen als bewoners der warme landen, behoeft ons niet meer te
verwonderen, nu wij weten, dat de mammouth en de rhinoceros met door een
tusschenschot gescheiden neusgaten bedekt waren met een dik kleed van wol en
haren, zooals blijkt uit de in het ijs van Siberië gevonden exemplaren. Het is dus
niet vreemd, dat men de overblijfselen van holenberen en hyena’s, rhinocerossen,
den mammouth, den struisvogel, het paard, het rendier, den veelvraat, en den
muskusos der poolstreken bij elkander vindt. De glaciaire periode heeft lang
geduurd; van daar dat de landdieren, om de gestrengheid van het klimaat te
kunnen doorstaan, langzamerhand bedekt zijn met eenen dikken pels.
Fig. 310. Kies van den mammouth (⅓ der nat. gr.).
In Europa waren de quaternaire zoogdieren, beren, leeuwen, hyena’s,
rhinocerossen, olifanten, herten, runderen, bijna alle reusachtig groot; buitendien
had men insecteneters, knaagdieren, verscheurende dieren, herkauwende dieren,
paarden, wilde zwijnen enz., waarvan de meeste soorten nog bestaan. De
holenbeer was zoo groot als het paard, de mammouth was veel grooter dan zijne
tegenwoordige stamgenooten en had ontzaglijke spiraalsgewijze gebogen
slagtanden; het hert der venen was minstens zoo groot als onze ossen, en sommige
ossen hadden ontzaglijke afmetingen. Dat dieren der gematigde en koude
luchtstreken op dezelfde plaatsen gevonden werden als dieren, die wij gewoon zijn
te beschouwen als bewoners der warme landen, behoeft ons niet meer te
verwonderen, nu wij weten, dat de mammouth en de rhinoceros met door een
tusschenschot gescheiden neusgaten bedekt waren met een dik kleed van wol en
haren, zooals blijkt uit de in het ijs van Siberië gevonden exemplaren. Het is dus
niet vreemd, dat men de overblijfselen van holenberen en hyena’s, rhinocerossen,
den mammouth, den struisvogel, het paard, het rendier, den veelvraat, en den
muskusos der poolstreken bij elkander vindt. De glaciaire periode heeft lang
geduurd; van daar dat de landdieren, om de gestrengheid van het klimaat te
kunnen doorstaan, langzamerhand bedekt zijn met eenen dikken pels.
Page 568
Fig. 311. De megalonyx, tandeloos zoogdier der quaternaire periode van het
Amerikaansche vasteland.
In Amerika is het diluvium zeer uitgestrekt en daarbij rijk aan beenderen; doch de
dierenwereld wijst groote verschilpunten aan met die van Europa. Zoo vindt men
in het slijk en het tufkrijt der onmetelijke vlakten van la Plata, in zuid-Amerika,
Pampa’s genoemd, een groot aantal zoogdieren, waarvan de geraamten in hun
geheel voorkomen, en waaronder men vooral reusachtige tandelooze dieren
opmerkt, zooals het megatherium en den mylodon, waarmede wij tijdens de
pliocene periode kennis hebben gemaakt, en die in Europa voorkomen, en den
vreemdsoortigen megalonyx, die meer eigen is aan het Amerikaansche vasteland
(fig. 311). Men vindt er ook reusachtige pantserdieren, waarvan de glyptodon het
merkwaardigst was, naast paarden, tapirs, bevers enz., terwijl de meest
voorkomende en merkwaardigste dieren der Europeesche quaternaire
dierenwereld, de mammouth, de rhinoceros, het nijlpaard, de holenbeer geheel
ontbreken.
Amerikaansche vasteland.
In Amerika is het diluvium zeer uitgestrekt en daarbij rijk aan beenderen; doch de
dierenwereld wijst groote verschilpunten aan met die van Europa. Zoo vindt men
in het slijk en het tufkrijt der onmetelijke vlakten van la Plata, in zuid-Amerika,
Pampa’s genoemd, een groot aantal zoogdieren, waarvan de geraamten in hun
geheel voorkomen, en waaronder men vooral reusachtige tandelooze dieren
opmerkt, zooals het megatherium en den mylodon, waarmede wij tijdens de
pliocene periode kennis hebben gemaakt, en die in Europa voorkomen, en den
vreemdsoortigen megalonyx, die meer eigen is aan het Amerikaansche vasteland
(fig. 311). Men vindt er ook reusachtige pantserdieren, waarvan de glyptodon het
merkwaardigst was, naast paarden, tapirs, bevers enz., terwijl de meest
voorkomende en merkwaardigste dieren der Europeesche quaternaire
dierenwereld, de mammouth, de rhinoceros, het nijlpaard, de holenbeer geheel
ontbreken.
Page 569
Fig. 312. Geraamte van den glyptodon. (zuid-Amerika).
De glyptodon (fig. 312) was een reusachtig pantserdier, dat meer dan drie meters
lang was, het was omgeven en beschermd door een dik pantser, bestaande uit
beenige, stevig verbonden stukken.
In Australië waren de quaternaire zoogdieren uitsluitend buideldieren; dit is nog
thans het geval, doch de tegenwoordige vertegenwoordigers dier orde zijn
dwergen in vergelijking van die van vroeger.
In Nieuw-Zeeland waren de zoogdieren evenals thans uiterst zeldzaam; men vindt
daar reuzenvogels, die vier meters hoog waren en wier eieren, van 32 tot 34
centimeters lang, eenen inhoud hadden van negen liters.
Al deze feiten bewijzen ons, dat in de quaternaire periode de dierenwereld in
verschillende streken reeds evenveel uiteenliep, als thans het geval is.
In het volgende hoofdstuk zullen wij ons bezighouden met het tijdstip van het
verschijnen van den mensch; reeds nu kunnen wij echter mededeelen, dat men in
het diluvium en in de holen uit het begin der quaternaire periode niet alleen
geslepen vuursteenen, bewerkte beenderen, schetsen van dieren en een aantal
sporen van de primitieve industrie der oudste tijden, maar ook fossiele
overblijfselen van den mensch gevonden heeft. De eerste menschen zijn dus
getuige geweest van de hier beschreven verschijnselen; zij hebben de
overstroomingen der diluviaansche periode bijgewoond, hebben de ontzaglijke
uitbreiding der gletschers kunnen zien, hebben bergketenen zien verrijzen, en de
geboorte van een groot aantal diersoorten kunnen waarnemen. Doch zij waren nog
De glyptodon (fig. 312) was een reusachtig pantserdier, dat meer dan drie meters
lang was, het was omgeven en beschermd door een dik pantser, bestaande uit
beenige, stevig verbonden stukken.
In Australië waren de quaternaire zoogdieren uitsluitend buideldieren; dit is nog
thans het geval, doch de tegenwoordige vertegenwoordigers dier orde zijn
dwergen in vergelijking van die van vroeger.
In Nieuw-Zeeland waren de zoogdieren evenals thans uiterst zeldzaam; men vindt
daar reuzenvogels, die vier meters hoog waren en wier eieren, van 32 tot 34
centimeters lang, eenen inhoud hadden van negen liters.
Al deze feiten bewijzen ons, dat in de quaternaire periode de dierenwereld in
verschillende streken reeds evenveel uiteenliep, als thans het geval is.
In het volgende hoofdstuk zullen wij ons bezighouden met het tijdstip van het
verschijnen van den mensch; reeds nu kunnen wij echter mededeelen, dat men in
het diluvium en in de holen uit het begin der quaternaire periode niet alleen
geslepen vuursteenen, bewerkte beenderen, schetsen van dieren en een aantal
sporen van de primitieve industrie der oudste tijden, maar ook fossiele
overblijfselen van den mensch gevonden heeft. De eerste menschen zijn dus
getuige geweest van de hier beschreven verschijnselen; zij hebben de
overstroomingen der diluviaansche periode bijgewoond, hebben de ontzaglijke
uitbreiding der gletschers kunnen zien, hebben bergketenen zien verrijzen, en de
geboorte van een groot aantal diersoorten kunnen waarnemen. Doch zij waren nog
Page 570
geene waarnemers. Hunne aandacht was alleen gewijd aan de gevaren, waaraan zij
waren blootgesteld, en de dieren, die hun leven in gevaar brachten. In de eerste
verhalen spelen monsters en reuzen de hoofdrol, en de overleveringen van alle
volkeren vermelden overstroomingen en zondvloeden, die door de legende geheel
veranderd en onkenbaar gemaakt zijn.
Het is hier de plaats niet, de nog zoo duistere geschiedenis van de eerste tijden der
menschheid te ontwarren; alleen vermelden wij, dat men overal de sporen van
verschillende menschenrassen gevonden heeft; dat de oudste schijnen overeen te
komen met de laagste volksstammen van zuid-Afrika en Australië, en dat
verscheidene stammen menscheneters waren. Slechts langzaam, en na verloop van
eeuwen, is de menschheid van den toestand van wilden tot dien van barbaren en
daarna in dien van beschaafde wezens overgegaan.
Het gebruik van steenen werktuigen is dat der metalen voorafgegaan; in die
steenperiode kan men, overeenkomstig den graad van volkomenheid der gebruikte
vuursteenen werktuigen, twee voorname perioden onderscheiden; de
paleolithische periode, waarin de werktuigen alleen geslepen zijn, de neolithische
periode, waarin die werktuigen fijner bewerkt en meestal gepolijst zijn.
Het is zeker, dat de mensch reeds langen tijd op aarde bestaat. De geschreven
oorkonden brengen ons slechts 5000 tot 6000 jaren terug, de oudste overblijfselen
van gebouwen zijn misschien twintig eeuwen ouder, doch veel verder dan die
korte historische periode, die nauwelijks den duur van 150 menschengeslachten
overschrijdt, strekt zich de periode der overlevering uit. In dien tijd verbond de
menschheid, tot zelfbewustzijn komend, de eeuwen aan elkander door legenden,
gezangen, symbolen, en de herinnering van gewichtige gebeurtenissen.
Volksverhuizingen, rassenoorlogen, vernietigingen en samensmeltingen van
volksstammen, de veroveringen van den arbeid, werden in den godsdienst
opgenomen, en werden onder meer of minder gewijzigden vorm van geslacht tot
geslacht overgeleverd als het erfdeel der volkeren. Nog vroeger, in het onbekende
verleden der tijden, leefden onze voorouders evenals de dieren in de bosschen en
holen. De overlevering zwijgt, evenals de geschiedenis, van die periode van de
menschheid; doch de aardformaties, in onzen tijd door de geologen geraadpleegd,
beginnen ons het bestaan en de zeden van die eertijds onbekende voorouders te
openbaren.
In de laatste tijden zijn zóóvele overblijfselen van menschen, zóóvele vruchten
van menschelijke industrie ontdekt, dat er geen twijfel meer kan bestaan aan den
waren blootgesteld, en de dieren, die hun leven in gevaar brachten. In de eerste
verhalen spelen monsters en reuzen de hoofdrol, en de overleveringen van alle
volkeren vermelden overstroomingen en zondvloeden, die door de legende geheel
veranderd en onkenbaar gemaakt zijn.
Het is hier de plaats niet, de nog zoo duistere geschiedenis van de eerste tijden der
menschheid te ontwarren; alleen vermelden wij, dat men overal de sporen van
verschillende menschenrassen gevonden heeft; dat de oudste schijnen overeen te
komen met de laagste volksstammen van zuid-Afrika en Australië, en dat
verscheidene stammen menscheneters waren. Slechts langzaam, en na verloop van
eeuwen, is de menschheid van den toestand van wilden tot dien van barbaren en
daarna in dien van beschaafde wezens overgegaan.
Het gebruik van steenen werktuigen is dat der metalen voorafgegaan; in die
steenperiode kan men, overeenkomstig den graad van volkomenheid der gebruikte
vuursteenen werktuigen, twee voorname perioden onderscheiden; de
paleolithische periode, waarin de werktuigen alleen geslepen zijn, de neolithische
periode, waarin die werktuigen fijner bewerkt en meestal gepolijst zijn.
Het is zeker, dat de mensch reeds langen tijd op aarde bestaat. De geschreven
oorkonden brengen ons slechts 5000 tot 6000 jaren terug, de oudste overblijfselen
van gebouwen zijn misschien twintig eeuwen ouder, doch veel verder dan die
korte historische periode, die nauwelijks den duur van 150 menschengeslachten
overschrijdt, strekt zich de periode der overlevering uit. In dien tijd verbond de
menschheid, tot zelfbewustzijn komend, de eeuwen aan elkander door legenden,
gezangen, symbolen, en de herinnering van gewichtige gebeurtenissen.
Volksverhuizingen, rassenoorlogen, vernietigingen en samensmeltingen van
volksstammen, de veroveringen van den arbeid, werden in den godsdienst
opgenomen, en werden onder meer of minder gewijzigden vorm van geslacht tot
geslacht overgeleverd als het erfdeel der volkeren. Nog vroeger, in het onbekende
verleden der tijden, leefden onze voorouders evenals de dieren in de bosschen en
holen. De overlevering zwijgt, evenals de geschiedenis, van die periode van de
menschheid; doch de aardformaties, in onzen tijd door de geologen geraadpleegd,
beginnen ons het bestaan en de zeden van die eertijds onbekende voorouders te
openbaren.
In de laatste tijden zijn zóóvele overblijfselen van menschen, zóóvele vruchten
van menschelijke industrie ontdekt, dat er geen twijfel meer kan bestaan aan den
Page 571
ouderdom der menschheid. Niet alleen bewoonden onze voorouders de bosschen
tegelijk met de bisons, maar zij leefden reeds vóór dien tijd in de ijsperiode, toen
Frankrijk en Duitschland het voorkomen hadden van het tegenwoordige
Scandinavië, en de rendieren, thans verbannen naar de poolstreken, de gletschers
der Alpen en Pyreneën doorliepen. Nog vroeger reeds, in een’ tijd, toen het
Europeesche klimaat, dat later zoozeer zou afkoelen, veel warmer was dan thans,
had de mensch uit de holen thans uitgestorven soorten van rhinocerossen en
olifanten tot tijdgenooten, en reeds oefenden zich kunstenaars, nederige
voorgangers van Phidias en Raphaël, om op hunne gereedschappen beeldjes van
vrouwen en beelden van mammouthen en herten te snijden, die in de klei der
holen bewaard zijn gebleven. En nog vóór dien tijd vindt men den mensch, om de
heerschappij kampend tegen zijnen ontzagwekkenden vijand den holenbeer,
waarvan eveneens teekeningen op steen bewaard zijn gebleven; en nog verder
terug zelfs, in de onmetelijke duisternis der eeuwen, leeren ons andere
overblijfselen, die van den elephas antiquus en den elephas meridionalis, dat onze
voorouders geboren waren in eene periode, waarvan men vroeger meende, dat zij
door eene reeks van plotselinge omwentelingen van de onze gescheiden was.
Zoo hebben wij dan de laatste der geologische perioden geschetst. Bij het optreden
van den mensch is het doel van dezen arbeid bereikt, en valt het buiten onze taak,
om ons in bijzonderheden bezig te houden met de eerste tijden der menschheid.
Ons doel was alleen, aan te toonen, hoe de levende natuur door de ontwikkeling
der soorten geleidelijk is overgegaan van het protaplasma tot den mensch, op eene
planeet die langzamerhand bewoonbaar is geworden, nadat zij nevelvlek en zon
geweest is.
Toch achten wij het, vóórdat wij onze taak als geheel voleindigd beschouwen,
noodig, te trachten uit al het voorgaande de groote onbekende op te lossen, de
Schepping van den mensch. Onze lezers zijn thans volkomen voorbereid, om zich
aan die oplossing te wagen. De vrucht is rijp; men behoeft slechts de hand uit te
strekken om haar te plukken. En deze vrucht is inderdaad de vrucht van den boom
der kennis, en het is niet verboden haar aan te raken.
1 Lijnen van dezelfde gemiddelde temperatuur.
2 In Nederland vindt men vier soorten van diluvium, en wel 1º. Het Rijndiluvium, afkomstig van de
gebergten langs den Rijn; dit bestaat grootendeels uit zand en grint (heuvels van Arnhem, Nijmegen en Kleef).
2º. Het Maasdiluvium, uit de Ardennen aangevoerd. 3º. Het Scandinavisch diluvium, granietblokken, door
ijsbergen uit Zweden en Noorwegen aangevoerd (Hunnebedden). 4º. Het gemengde diluvium (in de Veluwe en
Gooiland). Men zie hierover in bijzonderheden W.C.H. Staring, de Bodem van Nederland.
tegelijk met de bisons, maar zij leefden reeds vóór dien tijd in de ijsperiode, toen
Frankrijk en Duitschland het voorkomen hadden van het tegenwoordige
Scandinavië, en de rendieren, thans verbannen naar de poolstreken, de gletschers
der Alpen en Pyreneën doorliepen. Nog vroeger reeds, in een’ tijd, toen het
Europeesche klimaat, dat later zoozeer zou afkoelen, veel warmer was dan thans,
had de mensch uit de holen thans uitgestorven soorten van rhinocerossen en
olifanten tot tijdgenooten, en reeds oefenden zich kunstenaars, nederige
voorgangers van Phidias en Raphaël, om op hunne gereedschappen beeldjes van
vrouwen en beelden van mammouthen en herten te snijden, die in de klei der
holen bewaard zijn gebleven. En nog vóór dien tijd vindt men den mensch, om de
heerschappij kampend tegen zijnen ontzagwekkenden vijand den holenbeer,
waarvan eveneens teekeningen op steen bewaard zijn gebleven; en nog verder
terug zelfs, in de onmetelijke duisternis der eeuwen, leeren ons andere
overblijfselen, die van den elephas antiquus en den elephas meridionalis, dat onze
voorouders geboren waren in eene periode, waarvan men vroeger meende, dat zij
door eene reeks van plotselinge omwentelingen van de onze gescheiden was.
Zoo hebben wij dan de laatste der geologische perioden geschetst. Bij het optreden
van den mensch is het doel van dezen arbeid bereikt, en valt het buiten onze taak,
om ons in bijzonderheden bezig te houden met de eerste tijden der menschheid.
Ons doel was alleen, aan te toonen, hoe de levende natuur door de ontwikkeling
der soorten geleidelijk is overgegaan van het protaplasma tot den mensch, op eene
planeet die langzamerhand bewoonbaar is geworden, nadat zij nevelvlek en zon
geweest is.
Toch achten wij het, vóórdat wij onze taak als geheel voleindigd beschouwen,
noodig, te trachten uit al het voorgaande de groote onbekende op te lossen, de
Schepping van den mensch. Onze lezers zijn thans volkomen voorbereid, om zich
aan die oplossing te wagen. De vrucht is rijp; men behoeft slechts de hand uit te
strekken om haar te plukken. En deze vrucht is inderdaad de vrucht van den boom
der kennis, en het is niet verboden haar aan te raken.
1 Lijnen van dezelfde gemiddelde temperatuur.
2 In Nederland vindt men vier soorten van diluvium, en wel 1º. Het Rijndiluvium, afkomstig van de
gebergten langs den Rijn; dit bestaat grootendeels uit zand en grint (heuvels van Arnhem, Nijmegen en Kleef).
2º. Het Maasdiluvium, uit de Ardennen aangevoerd. 3º. Het Scandinavisch diluvium, granietblokken, door
ijsbergen uit Zweden en Noorwegen aangevoerd (Hunnebedden). 4º. Het gemengde diluvium (in de Veluwe en
Gooiland). Men zie hierover in bijzonderheden W.C.H. Staring, de Bodem van Nederland.
Page 572
3 Zie de Wonderen des Hemels, naar Camille Flammarion, blz. 65.
4 Het löss is eene fijn verdeelde, tot stof te wrijven klei, in ons land vooral voorkomend in Limburg.
5 In November 1885 heeft men eenen bijna volledigen slagtand van eenen elephas antiquus gevonden in de
omstreken van Parijs, op 45 meters diepte in eene gipsgroeve. Die slechts weinig gekromde slagtand was 1,50
meter lang. Dat dier had daar misschien wel honderdduizend jaren in het gips gelegen. Hoewel zelf tot gips
overgegaan, kon men er nog op het eerste gezicht de concentrische lagen van het ivoor in herkennen.
4 Het löss is eene fijn verdeelde, tot stof te wrijven klei, in ons land vooral voorkomend in Limburg.
5 In November 1885 heeft men eenen bijna volledigen slagtand van eenen elephas antiquus gevonden in de
omstreken van Parijs, op 45 meters diepte in eene gipsgroeve. Die slechts weinig gekromde slagtand was 1,50
meter lang. Dat dier had daar misschien wel honderdduizend jaren in het gips gelegen. Hoewel zelf tot gips
overgegaan, kon men er nog op het eerste gezicht de concentrische lagen van het ivoor in herkennen.
Page 573
Tweede hoofdstuk
Page 574
De Schepping van den Mensch.
Men zoude kunnen meenen, dat het juister geweest ware, tot titel van dit werk te
kiezen: De wereld vóór het optreden van den mensch dan de wereld vóór de
schepping van den mensch. Doch bij de tegenwoordige opvatting der wetenschap
zijn beide uitdrukkingen volkomen aan elkander gelijk. De studie der natuur heeft
ons in den loop van dit werk geleerd, dat de beteekenis vroeger aan het woord
schepping gehecht, niet de juiste is, en dat men nergens eene eigenlijk gezegde
schepping waarneemt. Nog nooit heeft men iets uit niets zien voortkomen. Niet
alleen dat geen enkel levend wezen, hoe laag ontwikkeld ook, geen stroohalm of
mos uit niets ontstaat, maar zelfs niet de nietigste stof, de minste molecule, of de
minste hoeveelheid warmte, licht en electriciteit, geene enkele kracht en geen
enkel atoom ontstaat uit niets. Voor hem, die vrij en zonder vooringenomenheid
het schitterend schouwspel van het levende heelal bestudeert, is dat heelal in al
zijne onderdeelen eene geleidelijke ontwikkeling van zaken en wezens. Wij
moeten dus onder het woord schepping verstaan natuurlijke ontwikkeling. In dien
zin opgevat kunnen wij onzen titel behouden. De mensch is niet plotseling
verschenen, maar geleidelijk geschapen door de krachten der natuur.
Wij willen daarmede volstrekt niet zeggen, dat de studie der natuur ons er toe
leiden moet het bestaan eener grondoorzaak te ontkennen, die blijvend inwerkt in
de ontwikkeling van het heelal, eene onzichtbare kracht, die de ontwikkeling van
wezens en zaken bestuurt met eene bedoeling, die ons tot nu toe onbekend is. Het
is van belang, dat wij de grenzen der wetenschap nauwkeurig kennen. Dwaasheid
zou het zijn te beweren, dat men niets weet; men weet veel, en ieder rechtgeaard
mensch moet doordrongen zijn van dankbaarheid jegens de onderzoekers van alle
eeuwen, die hun geheele leven gewijd hebben aan den arbeid, en wier
onderzoekingen der menschheid de schatten van den geest en de materieele
rijkdommen geschonken hebben. Doch indien men veel weet, men weet niet alles,
en de proefondervindelijke wetenschappen hebben hare grenzen, zij kan de
belangrijke vraag omtrent het bestaan der Godheid en de onsterfelijkheid der ziel
niet oplossen, en zeker niet in ontkennenden zin. Het is de plicht van iederen
denker, die de waarheid liefheeft, vrijmoedig te zeggen wat hij weet. De
philosophische stelsels, die uit naam der wetenschap het bestaan der menschelijke
ziel ontkennen, zien slechts ééne zijde van de schepping en dat wel niet de
schoonste zijde. Het is zeer zeker moeilijk, zich los te maken van iedere keten en
Men zoude kunnen meenen, dat het juister geweest ware, tot titel van dit werk te
kiezen: De wereld vóór het optreden van den mensch dan de wereld vóór de
schepping van den mensch. Doch bij de tegenwoordige opvatting der wetenschap
zijn beide uitdrukkingen volkomen aan elkander gelijk. De studie der natuur heeft
ons in den loop van dit werk geleerd, dat de beteekenis vroeger aan het woord
schepping gehecht, niet de juiste is, en dat men nergens eene eigenlijk gezegde
schepping waarneemt. Nog nooit heeft men iets uit niets zien voortkomen. Niet
alleen dat geen enkel levend wezen, hoe laag ontwikkeld ook, geen stroohalm of
mos uit niets ontstaat, maar zelfs niet de nietigste stof, de minste molecule, of de
minste hoeveelheid warmte, licht en electriciteit, geene enkele kracht en geen
enkel atoom ontstaat uit niets. Voor hem, die vrij en zonder vooringenomenheid
het schitterend schouwspel van het levende heelal bestudeert, is dat heelal in al
zijne onderdeelen eene geleidelijke ontwikkeling van zaken en wezens. Wij
moeten dus onder het woord schepping verstaan natuurlijke ontwikkeling. In dien
zin opgevat kunnen wij onzen titel behouden. De mensch is niet plotseling
verschenen, maar geleidelijk geschapen door de krachten der natuur.
Wij willen daarmede volstrekt niet zeggen, dat de studie der natuur ons er toe
leiden moet het bestaan eener grondoorzaak te ontkennen, die blijvend inwerkt in
de ontwikkeling van het heelal, eene onzichtbare kracht, die de ontwikkeling van
wezens en zaken bestuurt met eene bedoeling, die ons tot nu toe onbekend is. Het
is van belang, dat wij de grenzen der wetenschap nauwkeurig kennen. Dwaasheid
zou het zijn te beweren, dat men niets weet; men weet veel, en ieder rechtgeaard
mensch moet doordrongen zijn van dankbaarheid jegens de onderzoekers van alle
eeuwen, die hun geheele leven gewijd hebben aan den arbeid, en wier
onderzoekingen der menschheid de schatten van den geest en de materieele
rijkdommen geschonken hebben. Doch indien men veel weet, men weet niet alles,
en de proefondervindelijke wetenschappen hebben hare grenzen, zij kan de
belangrijke vraag omtrent het bestaan der Godheid en de onsterfelijkheid der ziel
niet oplossen, en zeker niet in ontkennenden zin. Het is de plicht van iederen
denker, die de waarheid liefheeft, vrijmoedig te zeggen wat hij weet. De
philosophische stelsels, die uit naam der wetenschap het bestaan der menschelijke
ziel ontkennen, zien slechts ééne zijde van de schepping en dat wel niet de
schoonste zijde. Het is zeer zeker moeilijk, zich los te maken van iedere keten en
Page 575
vrij te denken, doch dit is dan ook ’s menschen grootste verdienste en de beste
oefening van onzen geest.
De schepping van den mensch begint niet met den titel van dit hoofdstuk; zij klimt
door haren oorsprong tot de eerste bladzijden van dit boek op. Onmerkbaar,
geleidelijk, hebben zich de wezens ontwikkeld tot die hoogte, waarop thans de
menschheid staat. Het is even onmogelijk te zeggen, wanneer de mensch
begonnen is, als wanneer de roos begonnen is. Aanschouw die prachtige roos uit
onze tuinen, met hare menigvuldige bloembladeren, adem haren heerlijken geur
in, bewonder hare zoo zachte kleurschakeeringen en zoek naar haren oorsprong.
Gij zult opklimmen tot de wilde roos en tot den hagedoorn, maar het is de roos
niet meer. Zoek naar den oorsprong van de zoo schoone en saprijke perzik; zoek
naar den oorsprong van de lelie of de orchidee; en tot den oorsprong opklimmend,
verliest gij ongemerkt het voorwerp van uw onderzoek uit het oog. Van de
tegenwoordige aarde, bedekt met de voortbrengselen der strijdende menschheid,
bezaaid met velden, weiden, steden, dorpen, wegen, spoorwegen, klimt gij
ongemerkt op tot de aarde der iguanodons, dinosauren, labyrinthodonten, tot het
primaire tijdperk, tot de nevelvlek. Alles is overgang, verandering, ontwikkeling.
Het verschil tusschen middernacht en middag is groot, en toch is het onmogelijk te
zeggen, op welk oogenblik de dag begint. Zoo is het ook met den mensch.
Indien wij de menschheid in haren tegenwoordigen toestand beschouwen, dan zijn
wij geneigd te gelooven, dat zij altijd geweest is, zooals wij haar thans zien. Toch
zien wij zelf hare ontwikkeling vóór ons en kunnen wij ons rekenschap geven van
de snelheid, waarmede alles verandert. Wij kunnen ons reeds moeilijk den tijd
voorstellen, toen er geen spoortreinen of telegrafen waren, en toch is dit nog zoo
kort geleden. Onze voorvaders zouden hunne oogen niet gelooven, als zij eenen
trein zagen, die in 60 uren van Parijs naar Konstantinopel vloog en hoorden, dat
dit wonder alleen gewrocht wordt door den damp van eenige liters kokend water.
Wij zien steden, gezellige huizen, door glas afgesloten, komediegebouwen,
academies en kerken; wij zien kleeren en meubelen; wij hooren muziek, wij lezen
dagbladen en boeken, en zijn geneigd te meenen, dat dit alles altijd bestaan heeft.
Doch inderdaad heeft zich dat alles geleidelijk ontwikkeld.
De mensch heeft zich zelf vroeger gemaakt tot datgene wat hij thans is, en maakt
zich zelf thans tot datgene wat hij morgen zal zijn. Lichaam, geest, zeden,
denkbeelden, taal, alles verandert, en dat wel snel genoeg.
oefening van onzen geest.
De schepping van den mensch begint niet met den titel van dit hoofdstuk; zij klimt
door haren oorsprong tot de eerste bladzijden van dit boek op. Onmerkbaar,
geleidelijk, hebben zich de wezens ontwikkeld tot die hoogte, waarop thans de
menschheid staat. Het is even onmogelijk te zeggen, wanneer de mensch
begonnen is, als wanneer de roos begonnen is. Aanschouw die prachtige roos uit
onze tuinen, met hare menigvuldige bloembladeren, adem haren heerlijken geur
in, bewonder hare zoo zachte kleurschakeeringen en zoek naar haren oorsprong.
Gij zult opklimmen tot de wilde roos en tot den hagedoorn, maar het is de roos
niet meer. Zoek naar den oorsprong van de zoo schoone en saprijke perzik; zoek
naar den oorsprong van de lelie of de orchidee; en tot den oorsprong opklimmend,
verliest gij ongemerkt het voorwerp van uw onderzoek uit het oog. Van de
tegenwoordige aarde, bedekt met de voortbrengselen der strijdende menschheid,
bezaaid met velden, weiden, steden, dorpen, wegen, spoorwegen, klimt gij
ongemerkt op tot de aarde der iguanodons, dinosauren, labyrinthodonten, tot het
primaire tijdperk, tot de nevelvlek. Alles is overgang, verandering, ontwikkeling.
Het verschil tusschen middernacht en middag is groot, en toch is het onmogelijk te
zeggen, op welk oogenblik de dag begint. Zoo is het ook met den mensch.
Indien wij de menschheid in haren tegenwoordigen toestand beschouwen, dan zijn
wij geneigd te gelooven, dat zij altijd geweest is, zooals wij haar thans zien. Toch
zien wij zelf hare ontwikkeling vóór ons en kunnen wij ons rekenschap geven van
de snelheid, waarmede alles verandert. Wij kunnen ons reeds moeilijk den tijd
voorstellen, toen er geen spoortreinen of telegrafen waren, en toch is dit nog zoo
kort geleden. Onze voorvaders zouden hunne oogen niet gelooven, als zij eenen
trein zagen, die in 60 uren van Parijs naar Konstantinopel vloog en hoorden, dat
dit wonder alleen gewrocht wordt door den damp van eenige liters kokend water.
Wij zien steden, gezellige huizen, door glas afgesloten, komediegebouwen,
academies en kerken; wij zien kleeren en meubelen; wij hooren muziek, wij lezen
dagbladen en boeken, en zijn geneigd te meenen, dat dit alles altijd bestaan heeft.
Doch inderdaad heeft zich dat alles geleidelijk ontwikkeld.
De mensch heeft zich zelf vroeger gemaakt tot datgene wat hij thans is, en maakt
zich zelf thans tot datgene wat hij morgen zal zijn. Lichaam, geest, zeden,
denkbeelden, taal, alles verandert, en dat wel snel genoeg.
Page 576
De taal, die wij thans spreken, is eene geheel andere dan die van voor duizend
jaren. Onze voorouders uit dien tijd zouden ons niet meer verstaan. Geleidelijk
heeft de mensch zijne taal, zijne denkbeelden, zijne geestesgaven verworven;
geleidelijk is de menschheid geworden wat zij thans is. Wij moeten echter zeggen:
de beschaafde menschheid; op onze planeet, vooral in centraal-Afrika, in het
zuiden van Amerika en op de eilanden van de Stille Zuidzee vindt men nog
groepen van wezens, die wel menschen genoemd worden, maar die daarmede niets
anders dan den vorm gemeen hebben. En wat voor vorm! De wilde volksstammen,
die ongeschikt zijn tot het bevatten der eenvoudigste denkbeelden, die minder
ontwikkeld zijn dan verscheidene van onze huisdieren, die onvatbaar zijn voor
elke opvoeding, die geene geschiedkundige herinneringen hebben, die niet verder
kunnen tellen dan de vijf vingers der hand, die voor hun eigen kroost geen dieper
gevoel hebben dan sommige soorten van apen, vogels of kangoeroe’s, die laag
ontwikkelde wezens kunnen nog niet worden ingeschreven in de rijen der
menschheid, wier verstandelijke ontwikkeling wij zoo even prezen.
De verwantschap van den mensch met de wezens, die hem zijn voorafgegaan,
wordt door een aantal onwederlegbare feiten bewezen. Die feiten kunnen in
verschillende klassen worden gerangschikt en zijn voornamelijk de volgende: 1º.
De vergelijkende ontleedkunde toont de overeenkomst in bouw aan van het
lichaam van den mensch en de hoogste diersoorten, van het geraamte tot de
organen en de geringste bijzonderheden van het lichaam; 2º. de physiologie leert,
dat het meest kenmerkende orgaan van den mensch, de hersenen, zich geleidelijk
bij de dieren ontwikkeld heeft om langzaam en zonder plotselingen overgang te
eindigen in de hersenen van den mensch; 3º. de waarneming van het verstand der
dieren bewijst, dat zij in minderen graad alle verstandelijke vermogens van den
mensch bezitten, gewoonlijk in rudimentairen toestand, doch somtijds ook op
merkwaardige wijze ontwikkeld; 4º de physische en geestelijke verwantschap van
den mensch met de hoogere dieren heeft duidelijke sporen nagelaten in de
afgestorven (geatrophieerde) organen van den mensch, die het erfdeel zijn der
oorspronkelijke voorouders, en in de gevallen van terugslag (atavisme) of
terugkeer tot den oorsprong; 5º. de embryologie (leer der ongeboren vrucht) toont
aan, dat zelfs nu nog ieder menschelijk wezen in den moederschoot, alle vroegere
dierlijke phasen doorloopt, en dat ieder van ons, vóórdat hij mensch werd, ei,
kruipend dier en zoogdier geweest is; 6º. de geologie en de paleontologie leveren
van het voorgaande de proef op de som, daar de wezens, wier versteening wij
terugvinden, eene geleidelijke ontwikkeling vertoonen, van de plant- en
weekdieren tot aan den mensch.
jaren. Onze voorouders uit dien tijd zouden ons niet meer verstaan. Geleidelijk
heeft de mensch zijne taal, zijne denkbeelden, zijne geestesgaven verworven;
geleidelijk is de menschheid geworden wat zij thans is. Wij moeten echter zeggen:
de beschaafde menschheid; op onze planeet, vooral in centraal-Afrika, in het
zuiden van Amerika en op de eilanden van de Stille Zuidzee vindt men nog
groepen van wezens, die wel menschen genoemd worden, maar die daarmede niets
anders dan den vorm gemeen hebben. En wat voor vorm! De wilde volksstammen,
die ongeschikt zijn tot het bevatten der eenvoudigste denkbeelden, die minder
ontwikkeld zijn dan verscheidene van onze huisdieren, die onvatbaar zijn voor
elke opvoeding, die geene geschiedkundige herinneringen hebben, die niet verder
kunnen tellen dan de vijf vingers der hand, die voor hun eigen kroost geen dieper
gevoel hebben dan sommige soorten van apen, vogels of kangoeroe’s, die laag
ontwikkelde wezens kunnen nog niet worden ingeschreven in de rijen der
menschheid, wier verstandelijke ontwikkeling wij zoo even prezen.
De verwantschap van den mensch met de wezens, die hem zijn voorafgegaan,
wordt door een aantal onwederlegbare feiten bewezen. Die feiten kunnen in
verschillende klassen worden gerangschikt en zijn voornamelijk de volgende: 1º.
De vergelijkende ontleedkunde toont de overeenkomst in bouw aan van het
lichaam van den mensch en de hoogste diersoorten, van het geraamte tot de
organen en de geringste bijzonderheden van het lichaam; 2º. de physiologie leert,
dat het meest kenmerkende orgaan van den mensch, de hersenen, zich geleidelijk
bij de dieren ontwikkeld heeft om langzaam en zonder plotselingen overgang te
eindigen in de hersenen van den mensch; 3º. de waarneming van het verstand der
dieren bewijst, dat zij in minderen graad alle verstandelijke vermogens van den
mensch bezitten, gewoonlijk in rudimentairen toestand, doch somtijds ook op
merkwaardige wijze ontwikkeld; 4º de physische en geestelijke verwantschap van
den mensch met de hoogere dieren heeft duidelijke sporen nagelaten in de
afgestorven (geatrophieerde) organen van den mensch, die het erfdeel zijn der
oorspronkelijke voorouders, en in de gevallen van terugslag (atavisme) of
terugkeer tot den oorsprong; 5º. de embryologie (leer der ongeboren vrucht) toont
aan, dat zelfs nu nog ieder menschelijk wezen in den moederschoot, alle vroegere
dierlijke phasen doorloopt, en dat ieder van ons, vóórdat hij mensch werd, ei,
kruipend dier en zoogdier geweest is; 6º. de geologie en de paleontologie leveren
van het voorgaande de proef op de som, daar de wezens, wier versteening wij
terugvinden, eene geleidelijke ontwikkeling vertoonen, van de plant- en
weekdieren tot aan den mensch.
Page 577
Van al deze feiten, die te zamen de bouwstof leveren voor de oplossing van het
groote vraagstuk, heeft de zesde reeks het onderwerp van dit werk uitgemaakt, en
onze lezers hebben het belang en de waarde dier feiten zelf kunnen beoordeelen.
De vijf andere hebben wij in grove trekken geschetst, in het gedeelte, dat handelde
over den oorsprong en de ontwikkeling van het leven; wij moeten echter thans nog
eens de voornaamste van die bewijsgronden voor oogen nemen en trachten te
ontdekken, uit welke diersoort de menschheid is ontstaan, en wanneer die
belangrijke wijziging heeft plaats gegrepen.
Wij zeiden dan in de eerste plaats, dat de vergelijkende ontleedkunde aantoont, dat
er eene groote overeenkomst is in den bouw van den mensch en de hoogere dieren.
Dit weet tegenwoordig iedereen. Er is niemand meer, of hij heeft honderden malen
opgemerkt, zonder dat hij daarom een groot waarnemer behoeft te zijn, hoe groote
overeenstemming er is tusschen de ligging der voornaamste organen bij ossen,
kalveren, schapen, paarden enz. en die van den mensch. Gaan wij in ons
onderzoek iets verder, en bestudeeren wij de hersenen, het hart, de longen, de
ledematen, het hoofd, de tanden, oogen, ooren, handen enz. dan ziet men zeer
spoedig, dat ons lichaam in alle bijzonderheden gebouwd is naar hetzelfde type als
dat der hoogere zoogdieren. Indien men nog verder gaat, en onderzoekt, welke der
hoogere zoogdieren in anatomischen bouw en physiologische eigenschappen de
grootste gelijkenis vertoonen met ons lichaam, dan bemerkt men reeds spoedig,
dat het de apen zijn.
groote vraagstuk, heeft de zesde reeks het onderwerp van dit werk uitgemaakt, en
onze lezers hebben het belang en de waarde dier feiten zelf kunnen beoordeelen.
De vijf andere hebben wij in grove trekken geschetst, in het gedeelte, dat handelde
over den oorsprong en de ontwikkeling van het leven; wij moeten echter thans nog
eens de voornaamste van die bewijsgronden voor oogen nemen en trachten te
ontdekken, uit welke diersoort de menschheid is ontstaan, en wanneer die
belangrijke wijziging heeft plaats gegrepen.
Wij zeiden dan in de eerste plaats, dat de vergelijkende ontleedkunde aantoont, dat
er eene groote overeenkomst is in den bouw van den mensch en de hoogere dieren.
Dit weet tegenwoordig iedereen. Er is niemand meer, of hij heeft honderden malen
opgemerkt, zonder dat hij daarom een groot waarnemer behoeft te zijn, hoe groote
overeenstemming er is tusschen de ligging der voornaamste organen bij ossen,
kalveren, schapen, paarden enz. en die van den mensch. Gaan wij in ons
onderzoek iets verder, en bestudeeren wij de hersenen, het hart, de longen, de
ledematen, het hoofd, de tanden, oogen, ooren, handen enz. dan ziet men zeer
spoedig, dat ons lichaam in alle bijzonderheden gebouwd is naar hetzelfde type als
dat der hoogere zoogdieren. Indien men nog verder gaat, en onderzoekt, welke der
hoogere zoogdieren in anatomischen bouw en physiologische eigenschappen de
grootste gelijkenis vertoonen met ons lichaam, dan bemerkt men reeds spoedig,
dat het de apen zijn.
Page 578
Fig. 314. Geraamte van den orang-oetan, den chimpansee, den gorilla en den mensch.
Dit is een feit, dat door geene vooroordeelen is weg te redeneeren. Wil dat nu
zeggen, dat die gelijkenis voldoende is, om daaruit af te leiden, dat wij van de
apen afstammen? In geenen deele. Bovendien zou men dan nog moeten
onderzoeken, van welken aap de mensch zou zijn afgestamd. Wij moeten niet te
snel vooruit willen, doch evenmin mogen wij de oogen sluiten. Ons lichaam is
evenzoo gebouwd als dat der hoogere dieren. Indien de mensch de vrucht ware
van eene afzonderlijke schepping, dan zou die overeenkomst met andere levende
soorten geen reden van bestaan hebben. Zij zou zelfs bijzonder vreemd,
onverklaarbaar en vernederend zijn. Doch indien wij de hoogste tak zijn van den
boom des levens, dan kan alles langs natuurlijken weg verklaard worden.
Dit is een feit, dat door geene vooroordeelen is weg te redeneeren. Wil dat nu
zeggen, dat die gelijkenis voldoende is, om daaruit af te leiden, dat wij van de
apen afstammen? In geenen deele. Bovendien zou men dan nog moeten
onderzoeken, van welken aap de mensch zou zijn afgestamd. Wij moeten niet te
snel vooruit willen, doch evenmin mogen wij de oogen sluiten. Ons lichaam is
evenzoo gebouwd als dat der hoogere dieren. Indien de mensch de vrucht ware
van eene afzonderlijke schepping, dan zou die overeenkomst met andere levende
soorten geen reden van bestaan hebben. Zij zou zelfs bijzonder vreemd,
onverklaarbaar en vernederend zijn. Doch indien wij de hoogste tak zijn van den
boom des levens, dan kan alles langs natuurlijken weg verklaard worden.
Page 579
Fig. 315. Leeuwenkop.
Indien wij het geraamte der apen, die in hunnen bouw het meest met den mensch
overeenkomen, met het geraamte van den mensch vergelijken, dan valt het niet te
ontkennen, dat er eene treffende overeenstemming bestaat. De geheele bouw, de
ribben, de beenen, de armen, de wervelkolom, de kop maken den indruk van eene
groote gelijkenis. Toch openbaren zich verschilpunten in de bijzonderheden. De
schedel der apen is dierlijk, de armen zijn zeer lang, en vooral geeft de rechte
stand den mensch iets edels, waarop de andere dieren geen aanspraak kunnen
maken. Doch gevoelt men niet de trapsgewijze opklimming van het dierlijke
geraamte tot dat van den mensch? Indien men het geraamte van een viervoetig
dier, hond, paard of leeuw (fig. 303) vergelijkt met dat van den oerang-oetan, dan
gevoelt men, dat er een grootere afstand is tusschen het paard of den leeuw en den
aap, dan tusschen den aap en den mensch. Toch kan de leeuw beschouwd worden
als een der hoogste dieren; zijn blik, zijne fierheid, zijn voorkomen hebben reeds
iets menschelijks (fig. 315).
Indien wij het geraamte der apen, die in hunnen bouw het meest met den mensch
overeenkomen, met het geraamte van den mensch vergelijken, dan valt het niet te
ontkennen, dat er eene treffende overeenstemming bestaat. De geheele bouw, de
ribben, de beenen, de armen, de wervelkolom, de kop maken den indruk van eene
groote gelijkenis. Toch openbaren zich verschilpunten in de bijzonderheden. De
schedel der apen is dierlijk, de armen zijn zeer lang, en vooral geeft de rechte
stand den mensch iets edels, waarop de andere dieren geen aanspraak kunnen
maken. Doch gevoelt men niet de trapsgewijze opklimming van het dierlijke
geraamte tot dat van den mensch? Indien men het geraamte van een viervoetig
dier, hond, paard of leeuw (fig. 303) vergelijkt met dat van den oerang-oetan, dan
gevoelt men, dat er een grootere afstand is tusschen het paard of den leeuw en den
aap, dan tusschen den aap en den mensch. Toch kan de leeuw beschouwd worden
als een der hoogste dieren; zijn blik, zijne fierheid, zijn voorkomen hebben reeds
iets menschelijks (fig. 315).
Page 580
Fig. 316. Groene meerkatten op eenen strooptocht.
Indien wij na de beschouwing van het geraamte iets verder gaan en den geheelen
lichaamsbouw bestudeeren; en vooral als wij de verstandsontwikkeling, de
levenswijze en de zeden der apen bestudeeren, dan komt de gelijkenis met de
menschheid, en vooral met de lagere rassen, meer en meer aan het licht. Wel is
waar gelijken zij op ons van onze meest ongunstige zijde beschouwd; maar zij zijn
sluw en verstandig. Laat ons hooren, wat één der uitstekendste waarnemers,
Brehm, die niet veel van de apen schijnt te houden, daaromtrent zegt. Hij die met
aandacht de volgende beschrijving, van de natuur afgezien, leest, zal den indruk
Indien wij na de beschouwing van het geraamte iets verder gaan en den geheelen
lichaamsbouw bestudeeren; en vooral als wij de verstandsontwikkeling, de
levenswijze en de zeden der apen bestudeeren, dan komt de gelijkenis met de
menschheid, en vooral met de lagere rassen, meer en meer aan het licht. Wel is
waar gelijken zij op ons van onze meest ongunstige zijde beschouwd; maar zij zijn
sluw en verstandig. Laat ons hooren, wat één der uitstekendste waarnemers,
Brehm, die niet veel van de apen schijnt te houden, daaromtrent zegt. Hij die met
aandacht de volgende beschrijving, van de natuur afgezien, leest, zal den indruk
Page 581
verkrijgen, dat er alleen een verschil in graad, en niet in wezen bestaat tusschen
den aap en den onbeschaafden mensch.
„Men kan niet ontkennen,” zoo schrijft genoemde natuuronderzoeker, „dat zij
ondeugend, kwaadaardig, valsch, driftig, haatdragend, in ieder opzicht wellustig,
twistziek, vechtlustig, heerschzuchtig, prikkelbaar en gemelijk zijn, in één woord,
dat zij de verachtelijkste hartstochten bezitten; zij stellen er een boosaardig genot
in, om alle soorten van gemeene streken uittehalen; maar toch moeten wij
erkennen, dat zij dikwijls voorzichtig en vroolijk, zacht en goedaardig zijn en
vriendschap en vertrouwen betoonen; zij zijn van eene gezellige natuur, moedig,
aan hunne medeapen gehecht, en verdedigen ze moedig, zelfs tegen vijanden, die
hen in kracht overtreffen. Zij openbaren eene zekere grootheid in hunne liefde
voor hun kroost, in hun medelijden voor de zwakkeren, niet alleen van hun eigen
ras of familie, maar ook voor de kleinen van andere soorten of klassen.
„Het gezellige leven van die dieren is voor den waarnemer vol bekoorlijkheid.
Weinige soorten van apen leven eenzaam; de meeste vereenigen zich tot troepen.
Ieder dier troepen kiest eene vaste, min of meer uitgestrekte woonplaats, altijd in
de streken, die in ieder opzicht het gunstigst gelegen zijn, doch vooral wat de
voeding betreft. Is er gebrek aan voedsel, dan trekt de troep verder. De bosschen,
gelegen in de nabijheid van de plaatsen, door den mensch bewoond, waarin maïs
verbouwd wordt, of suikerriet, bananen, vruchtboomen, meloenen gevonden
worden, zijn voor hen een waar paradijs. Ook versmaden zij de dorpen niet, waar
het bijgeloof verbiedt, die brutale dieven te straffen. Als de troep tot
overeenstemming gekomen is over de plaats, waar zij zich zal vestigen, dan begint
het apenleven, met zijne genoegens en twisten, zijne veldslagen, zijne behoeften
en ellenden. Het krachtigste mannetje wordt de aanvoerder en gids, doch niet bij
stemming wordt hij die eer deelachtig, maar door te vechten tegen andere
mannetjes, zijne mededingers. Bij de apen beslissen evenzeer als bij de menschen,
de langste tanden en de krachtigste armen over de overwinning. Wie zich niet
goedschiks onderwerpt, wordt door geweld er toe gedwongen. De macht is bij den
sterkste; de wijste is hij, die de langste tanden heeft. De gids eischt blinde
gehoorzaamheid en kan daarop ook in alle omstandigheden rekenen; immers de
sterkste apen zijn gewoonlijk de oudste, en de jongeren hebben eerbied voor
hunne meerdere ervaring. Als een ijverzuchtig sultan, matigt hij zich het
uitsluitend recht aan over alle wijfjes en verwijdert hij die, welke zich te buiten
gaan; men kan dus zeggen, dat hij de vader van den troep is.
den aap en den onbeschaafden mensch.
„Men kan niet ontkennen,” zoo schrijft genoemde natuuronderzoeker, „dat zij
ondeugend, kwaadaardig, valsch, driftig, haatdragend, in ieder opzicht wellustig,
twistziek, vechtlustig, heerschzuchtig, prikkelbaar en gemelijk zijn, in één woord,
dat zij de verachtelijkste hartstochten bezitten; zij stellen er een boosaardig genot
in, om alle soorten van gemeene streken uittehalen; maar toch moeten wij
erkennen, dat zij dikwijls voorzichtig en vroolijk, zacht en goedaardig zijn en
vriendschap en vertrouwen betoonen; zij zijn van eene gezellige natuur, moedig,
aan hunne medeapen gehecht, en verdedigen ze moedig, zelfs tegen vijanden, die
hen in kracht overtreffen. Zij openbaren eene zekere grootheid in hunne liefde
voor hun kroost, in hun medelijden voor de zwakkeren, niet alleen van hun eigen
ras of familie, maar ook voor de kleinen van andere soorten of klassen.
„Het gezellige leven van die dieren is voor den waarnemer vol bekoorlijkheid.
Weinige soorten van apen leven eenzaam; de meeste vereenigen zich tot troepen.
Ieder dier troepen kiest eene vaste, min of meer uitgestrekte woonplaats, altijd in
de streken, die in ieder opzicht het gunstigst gelegen zijn, doch vooral wat de
voeding betreft. Is er gebrek aan voedsel, dan trekt de troep verder. De bosschen,
gelegen in de nabijheid van de plaatsen, door den mensch bewoond, waarin maïs
verbouwd wordt, of suikerriet, bananen, vruchtboomen, meloenen gevonden
worden, zijn voor hen een waar paradijs. Ook versmaden zij de dorpen niet, waar
het bijgeloof verbiedt, die brutale dieven te straffen. Als de troep tot
overeenstemming gekomen is over de plaats, waar zij zich zal vestigen, dan begint
het apenleven, met zijne genoegens en twisten, zijne veldslagen, zijne behoeften
en ellenden. Het krachtigste mannetje wordt de aanvoerder en gids, doch niet bij
stemming wordt hij die eer deelachtig, maar door te vechten tegen andere
mannetjes, zijne mededingers. Bij de apen beslissen evenzeer als bij de menschen,
de langste tanden en de krachtigste armen over de overwinning. Wie zich niet
goedschiks onderwerpt, wordt door geweld er toe gedwongen. De macht is bij den
sterkste; de wijste is hij, die de langste tanden heeft. De gids eischt blinde
gehoorzaamheid en kan daarop ook in alle omstandigheden rekenen; immers de
sterkste apen zijn gewoonlijk de oudste, en de jongeren hebben eerbied voor
hunne meerdere ervaring. Als een ijverzuchtig sultan, matigt hij zich het
uitsluitend recht aan over alle wijfjes en verwijdert hij die, welke zich te buiten
gaan; men kan dus zeggen, dat hij de vader van den troep is.
Page 582
„Als de troep te talrijk wordt, scheidt zich een deel af onder aanvoering van een
ander mannetje, dat sterk genoeg is geworden, om met den aanvoerder te strijden,
en een nieuwe strijd begint om de leiding der nieuwe vereeniging. Overal, waar
meerderen naar één doel streven, is er strijd. Bij de apen heeft men dagelijks
gevechten en twisten; een oogenblik waarnemens is voldoende, om te zien, dat er
dikwijls zonder bekende oorzaak tweedracht heerscht.
„De gids oefent zijn gezag met veel waardigheid uit. Door de achting, die hij heeft
weten in te boezemen, en die zijne eigenliefde verheft, heeft hij een zeker
zelfvertrouwen, dat bij zijne onderdanen gemist wordt; deze maken hem altijd het
hof. Men kan zien, dat de wijfjes zich beijveren, van hem de grootste gunsten te
verwerven, die een aap schenken kan; zij doen haar best, om zijne haren te
bevrijden van de lastige parasieten, die daarin huizen, en met koddige majesteit
laat hij die bewerking toe. Daarentegen waakt hij trouw voor het heil der
gemeenschap. Hij is de voorzichtigste van allen; zijne oogen dwalen steeds overal
rond; hij wantrouwt een ieder en alles, en ontdekt daardoor bijna steeds tijdig
genoeg het gevaar, dat zijne kolonie bedreigt.
„De taal der apen schijnt zeer rijk te zijn, ten minste iedere soort drukt hare
verschillende indrukken door verschillende klanken uit; de waarnemer leert
spoedig de beteekenis der geluiden begrijpen, die een gids voortbrengt, bij het
leiden zijner kudde, of den kreet van angst, die tot de vlucht aanmaant. Die kreet,
moeilijk te beschrijven en nog moeilijker na te bootsen, bestaat uit eene reeks
korte, afgebroken, bevende en onharmonische tonen, wier beteekenis nog
duidelijker wordt, als men de samentrekkingen van het gelaat beschouwt. Zoodra
het geluid gehoord wordt, neemt de geheele troep de vlucht. De moeders roepen
hare jongen naar zich toe, die zich aan haar vasthechten; met haren zoeten last
beladen begeven zij zich naar den meest nabijzijnden boom of naar de naburige
rots. De oude aap gaat voorop en wijst den weg, die door de geheele troep met
vertrouwen gevolgd wordt, en wanneer het stilstaan en de kalmte van den gids
aantoonen, dat het gevaar geweken is, dan vereenigt zich de troep weder, maakt zij
weder rechtsomkeert, en voltooit zij den roof, waarbij zij is betrapt geworden.
ander mannetje, dat sterk genoeg is geworden, om met den aanvoerder te strijden,
en een nieuwe strijd begint om de leiding der nieuwe vereeniging. Overal, waar
meerderen naar één doel streven, is er strijd. Bij de apen heeft men dagelijks
gevechten en twisten; een oogenblik waarnemens is voldoende, om te zien, dat er
dikwijls zonder bekende oorzaak tweedracht heerscht.
„De gids oefent zijn gezag met veel waardigheid uit. Door de achting, die hij heeft
weten in te boezemen, en die zijne eigenliefde verheft, heeft hij een zeker
zelfvertrouwen, dat bij zijne onderdanen gemist wordt; deze maken hem altijd het
hof. Men kan zien, dat de wijfjes zich beijveren, van hem de grootste gunsten te
verwerven, die een aap schenken kan; zij doen haar best, om zijne haren te
bevrijden van de lastige parasieten, die daarin huizen, en met koddige majesteit
laat hij die bewerking toe. Daarentegen waakt hij trouw voor het heil der
gemeenschap. Hij is de voorzichtigste van allen; zijne oogen dwalen steeds overal
rond; hij wantrouwt een ieder en alles, en ontdekt daardoor bijna steeds tijdig
genoeg het gevaar, dat zijne kolonie bedreigt.
„De taal der apen schijnt zeer rijk te zijn, ten minste iedere soort drukt hare
verschillende indrukken door verschillende klanken uit; de waarnemer leert
spoedig de beteekenis der geluiden begrijpen, die een gids voortbrengt, bij het
leiden zijner kudde, of den kreet van angst, die tot de vlucht aanmaant. Die kreet,
moeilijk te beschrijven en nog moeilijker na te bootsen, bestaat uit eene reeks
korte, afgebroken, bevende en onharmonische tonen, wier beteekenis nog
duidelijker wordt, als men de samentrekkingen van het gelaat beschouwt. Zoodra
het geluid gehoord wordt, neemt de geheele troep de vlucht. De moeders roepen
hare jongen naar zich toe, die zich aan haar vasthechten; met haren zoeten last
beladen begeven zij zich naar den meest nabijzijnden boom of naar de naburige
rots. De oude aap gaat voorop en wijst den weg, die door de geheele troep met
vertrouwen gevolgd wordt, en wanneer het stilstaan en de kalmte van den gids
aantoonen, dat het gevaar geweken is, dan vereenigt zich de troep weder, maakt zij
weder rechtsomkeert, en voltooit zij den roof, waarbij zij is betrapt geworden.
Page 583
Fig. 317. De neusaap.
„Niet alle apen echter vluchten voor den vijand; de sterksten verdedigen zich
tegen de gevaarlijkste roofdieren en zelfs tegen den mensch, die voor hen nog
gevaarlijker is; zij leveren dan veldslagen, waarvan de uitslag dikwijls onzeker is.
De groote apen, b.v. de bavianen, hebben in hunne tanden zóó krachtige wapenen,
dat zij gerust den strijd kunnen wagen tegen den alleen verschijnenden vijand,
terwijl de kleine apen zich te zamen verdedigen en elkander met lofwaardige
trouw helpen. De wijfjes vechten alleen, als zij gedwongen zijn haar leven of haar
kroost te verdedigen; in dat geval zijn zij even dapper als de mannetjes. De meeste
apen strijden met hunne handen en tanden, zij verscheuren en bijten; enkele
schrijvers beweren, dat zij zich somtijds van gebroken takken, als van stokken,
bedienen. Zeker is het, dat zij van boven uit hunne schuilplaats steenen, vruchten
en stukken hout op hunne vijanden werpen. Geen inlander meet zich met eenen
„Niet alle apen echter vluchten voor den vijand; de sterksten verdedigen zich
tegen de gevaarlijkste roofdieren en zelfs tegen den mensch, die voor hen nog
gevaarlijker is; zij leveren dan veldslagen, waarvan de uitslag dikwijls onzeker is.
De groote apen, b.v. de bavianen, hebben in hunne tanden zóó krachtige wapenen,
dat zij gerust den strijd kunnen wagen tegen den alleen verschijnenden vijand,
terwijl de kleine apen zich te zamen verdedigen en elkander met lofwaardige
trouw helpen. De wijfjes vechten alleen, als zij gedwongen zijn haar leven of haar
kroost te verdedigen; in dat geval zijn zij even dapper als de mannetjes. De meeste
apen strijden met hunne handen en tanden, zij verscheuren en bijten; enkele
schrijvers beweren, dat zij zich somtijds van gebroken takken, als van stokken,
bedienen. Zeker is het, dat zij van boven uit hunne schuilplaats steenen, vruchten
en stukken hout op hunne vijanden werpen. Geen inlander meet zich met eenen
Page 584
baviaan en zeker niet zonder vuurwapenen. De orang-oetans en de gorilla’s zijn
zóó sterk en gevaarlijk, dat als een jager met één van deze vecht, hij zijn geweer
nooit voor den aanval, doch alleen ter verdediging gebruiken kan. De vreeselijke
woede der apen, die hunne krachten vertiendubbelt, is zeer gevaarlijk, en hunne
groote behendigheid belet dikwijls den jager ze te dooden.
„In den natuurstaat vormt iedere soort eene troep op zich zelf, toch helpen
elkander wel eens soorten, die veel met elkander overeenkomen, en vereenigen zij
zich met elkander. In gevangenschap leven alle soorten vriendschappelijk bijeen,
en men neemt dan dezelfde wetten omtrent het opperbewind waar als bij eene vrije
kolonie. De sterkste oefent altijd de macht over al de anderen uit. De groote
soorten houden zich met de kleinere bezig en de mannetjes wedijveren met de
wijfjes, om ze te verzorgen. De wijfjes der groote soorten werven wel eens jonge
kinderen of kleine zoogdieren aan, die zij op de armen kunnen dragen. Zoo
kwaadaardig als een aap is jegens alle dieren, zoo lief en zacht is hij jegens
kinderen of andere jonge wezens; de moederliefde der apen is dan ook
spreekwoordelijk. Natuurlijk openbaart zich die liefde het sterkst jegens hunne
eigen kinderen. De jonggeborene is niet mooi; doch dat leelijke kleine wezen
maakt de vreugde van de moeder uit, die het liefkoost en koestert, zóó zelfs dat het
belachelijk schijnt. Korten tijd na de geboorte, gaat de jonge aap met zijne twee
vóórhanden aan den hals der moeder hangen, terwijl zijne achterhanden het
lichaam der moeder omvatten; zóó neemt hij de houding in, die voor de voedster
het minst lastig en voor hem het gemakkelijkst is om te zuigen. Is hij grooter
geworden, dan springt hij bij het minste alarm op de schouders of den rug zijner
ouders.
zóó sterk en gevaarlijk, dat als een jager met één van deze vecht, hij zijn geweer
nooit voor den aanval, doch alleen ter verdediging gebruiken kan. De vreeselijke
woede der apen, die hunne krachten vertiendubbelt, is zeer gevaarlijk, en hunne
groote behendigheid belet dikwijls den jager ze te dooden.
„In den natuurstaat vormt iedere soort eene troep op zich zelf, toch helpen
elkander wel eens soorten, die veel met elkander overeenkomen, en vereenigen zij
zich met elkander. In gevangenschap leven alle soorten vriendschappelijk bijeen,
en men neemt dan dezelfde wetten omtrent het opperbewind waar als bij eene vrije
kolonie. De sterkste oefent altijd de macht over al de anderen uit. De groote
soorten houden zich met de kleinere bezig en de mannetjes wedijveren met de
wijfjes, om ze te verzorgen. De wijfjes der groote soorten werven wel eens jonge
kinderen of kleine zoogdieren aan, die zij op de armen kunnen dragen. Zoo
kwaadaardig als een aap is jegens alle dieren, zoo lief en zacht is hij jegens
kinderen of andere jonge wezens; de moederliefde der apen is dan ook
spreekwoordelijk. Natuurlijk openbaart zich die liefde het sterkst jegens hunne
eigen kinderen. De jonggeborene is niet mooi; doch dat leelijke kleine wezen
maakt de vreugde van de moeder uit, die het liefkoost en koestert, zóó zelfs dat het
belachelijk schijnt. Korten tijd na de geboorte, gaat de jonge aap met zijne twee
vóórhanden aan den hals der moeder hangen, terwijl zijne achterhanden het
lichaam der moeder omvatten; zóó neemt hij de houding in, die voor de voedster
het minst lastig en voor hem het gemakkelijkst is om te zuigen. Is hij grooter
geworden, dan springt hij bij het minste alarm op de schouders of den rug zijner
ouders.
Page 585
Fig. 318. De gibbon.
„De jeugdige aap is in het eerst ongevoelig voor al de liefkoozingen zijner moeder,
die toch even lief voor hem blijft en zich steeds met hem bezighoudt. Nu eens likt
zij, dan weder luist zij hem; zij drukt hem tegen haar hart of neemt hem tusschen
hare twee handen, om hem beter te kunnen beschouwen, en plaatst hem dan weder
tegen hare borst, of wiegt hem in hare armen, als wilde zij hem in slaap wiegen.
Na korten tijd wordt de jonge aap iets onafhankelijker. De moeder laat hem dan
vrij in zijne bewegingen, en laat hem stoeien met de andere apen van zijne soort,
maar geen oogenblik verliest zij hem uit het oog; zij volgt al zijne schreden, houdt
het toezicht over zijne handelingen en staat hem alleen datgene toe, wat hem niet
kan schaden. Bij het minste gevaar vliegt zij naar hem toe, eenen bijzonderen kreet
„De jeugdige aap is in het eerst ongevoelig voor al de liefkoozingen zijner moeder,
die toch even lief voor hem blijft en zich steeds met hem bezighoudt. Nu eens likt
zij, dan weder luist zij hem; zij drukt hem tegen haar hart of neemt hem tusschen
hare twee handen, om hem beter te kunnen beschouwen, en plaatst hem dan weder
tegen hare borst, of wiegt hem in hare armen, als wilde zij hem in slaap wiegen.
Na korten tijd wordt de jonge aap iets onafhankelijker. De moeder laat hem dan
vrij in zijne bewegingen, en laat hem stoeien met de andere apen van zijne soort,
maar geen oogenblik verliest zij hem uit het oog; zij volgt al zijne schreden, houdt
het toezicht over zijne handelingen en staat hem alleen datgene toe, wat hem niet
kan schaden. Bij het minste gevaar vliegt zij naar hem toe, eenen bijzonderen kreet
Page 586
doende hooren, die beteekent, dat hij in hare armen moet vluchten. Als hij
ongehoorzaam is, wat zeer zelden voortkomt, daar de jonge apen in het algemeen
zeer onderdanig zijn, straft zij hem, door hem te knijpen of te schudden, of
somtijds wel door hem een paar oorvegen toe te dienen.
„In de gevangenschap deelt de moeder al wat zij eet trouw met haar kind; zij
neemt deel in alles, wat hem overkomt en geeft hem treffende bewijzen van liefde.
De dood van haar kind sleept den hare met zich mede; zij sterft van verdriet. Als
de moeder sterft, neemt een andere aap van de troep, een mannetje of wijfje, den
wees tot zich en bewijst hem bijna evenveel liefde als aan zijn eigen kroost.
„Enkele reizigers hebben eene schets gegeven van de vreeselijke gevechten
tusschen negers en gorilla’s; zij die uitgaan om ivoor te zoeken, zijn uiterst
bevreesd voor den gorilla en vooral voor de wijze waarop hij de lieden aanvalt. De
inboorlingen beweren, dat als de jagers rustig door het bosch trekken, een gorilla,
op een der onderste takken gezeten, een van hen bij den nek pakt, hem naar zich
toe trekt en hem medesleurt naar den top van den boom, waar hij hem verworgt,
zonder dat hij eenig geluid kan geven, en hem daarna op den grond laat vallen.
Dikwijls komen de negers vreeselijk verminkt uit den strijd, dien zij tegen die
vreeselijke dieren hebben moeten voeren. Indien de gorilla door zijne familie
omringd is, dan valt hij aan zonder getergd te zijn, en de strijd tusschen mensch en
dier eindigt gewoonlijk met den dood van één van beide; meestal delft de mensch
het onderspit. Het is veel moeilijker éénen jongen gorilla dan tien chimpansees te
bemachtigen. De wijfjes vluchten met hare jongen op de boomen, zoodra de jagers
naderen, terwijl de mannetjes zich dadelijk tot den strijd toerusten. Hunne groote
groene oogen schitteren, hunne haren staan op, zij knarsen met de tanden, uiten
eenen scherpen kreet, gelijkend op kahi! kahi! en storten woedend op den vijand.
Als men den gorilla niet treft, kan men zijn geweer zelfs niet als knots gebruiken,
de razende aap breekt het gemakkelijk met de handen stuk. Ook met zijne tanden
verscheurt hij den jager. Het behoeft dus geene verwondering te baren, dat de
neger, die eenen gorilla gedood heeft, als een held onder zijne stamgenooten
beschouwd wordt, en dat de inboorlingen weigeren den Europeeschen reizigers
eenen levenden gorilla te leveren tegen zijn gewicht aan goud.
„De inboorlingen meenen, dat die groote apen wezenlijke menschen zijn, en dat
zij zich maar zoo woest en zoo dom houden, omdat zij de slavernij vreezen en niet
willen werken. Voor den Afrikaan is slaaf te zijn het ergste wat er is. Ook beweren
zij, dat de ziel hunner koningen na hunnen dood in de gorilla’s verhuist en dat
deze hen dus alleen uit gewoonte haten en plagen.”
ongehoorzaam is, wat zeer zelden voortkomt, daar de jonge apen in het algemeen
zeer onderdanig zijn, straft zij hem, door hem te knijpen of te schudden, of
somtijds wel door hem een paar oorvegen toe te dienen.
„In de gevangenschap deelt de moeder al wat zij eet trouw met haar kind; zij
neemt deel in alles, wat hem overkomt en geeft hem treffende bewijzen van liefde.
De dood van haar kind sleept den hare met zich mede; zij sterft van verdriet. Als
de moeder sterft, neemt een andere aap van de troep, een mannetje of wijfje, den
wees tot zich en bewijst hem bijna evenveel liefde als aan zijn eigen kroost.
„Enkele reizigers hebben eene schets gegeven van de vreeselijke gevechten
tusschen negers en gorilla’s; zij die uitgaan om ivoor te zoeken, zijn uiterst
bevreesd voor den gorilla en vooral voor de wijze waarop hij de lieden aanvalt. De
inboorlingen beweren, dat als de jagers rustig door het bosch trekken, een gorilla,
op een der onderste takken gezeten, een van hen bij den nek pakt, hem naar zich
toe trekt en hem medesleurt naar den top van den boom, waar hij hem verworgt,
zonder dat hij eenig geluid kan geven, en hem daarna op den grond laat vallen.
Dikwijls komen de negers vreeselijk verminkt uit den strijd, dien zij tegen die
vreeselijke dieren hebben moeten voeren. Indien de gorilla door zijne familie
omringd is, dan valt hij aan zonder getergd te zijn, en de strijd tusschen mensch en
dier eindigt gewoonlijk met den dood van één van beide; meestal delft de mensch
het onderspit. Het is veel moeilijker éénen jongen gorilla dan tien chimpansees te
bemachtigen. De wijfjes vluchten met hare jongen op de boomen, zoodra de jagers
naderen, terwijl de mannetjes zich dadelijk tot den strijd toerusten. Hunne groote
groene oogen schitteren, hunne haren staan op, zij knarsen met de tanden, uiten
eenen scherpen kreet, gelijkend op kahi! kahi! en storten woedend op den vijand.
Als men den gorilla niet treft, kan men zijn geweer zelfs niet als knots gebruiken,
de razende aap breekt het gemakkelijk met de handen stuk. Ook met zijne tanden
verscheurt hij den jager. Het behoeft dus geene verwondering te baren, dat de
neger, die eenen gorilla gedood heeft, als een held onder zijne stamgenooten
beschouwd wordt, en dat de inboorlingen weigeren den Europeeschen reizigers
eenen levenden gorilla te leveren tegen zijn gewicht aan goud.
„De inboorlingen meenen, dat die groote apen wezenlijke menschen zijn, en dat
zij zich maar zoo woest en zoo dom houden, omdat zij de slavernij vreezen en niet
willen werken. Voor den Afrikaan is slaaf te zijn het ergste wat er is. Ook beweren
zij, dat de ziel hunner koningen na hunnen dood in de gorilla’s verhuist en dat
deze hen dus alleen uit gewoonte haten en plagen.”
Page 587
Ook Du Chaillu heeft hoogst belangrijke mededeelingen gedaan over den gorilla.
Wat hij er van verhaalt, komt in hoofdtrekken met het voorgaande overeen. Wij
zullen uit zijne schets datgene mededeelen, wat voor ons doel het belangrijkst is.
Het is de ontmoeting met eenen gorilla, van wiens dood hij getuige was, en is
uitnemend geschikt, om ons een denkbeeld te geven van den indruk, dien dat
vreeselijke dier moet maken.
„Terwijl wij in doodelijke stilte door het bosch kropen, weerklonk het bosch
plotseling van het ijselijke geschreeuw van den gorilla. De struiken weken uiteen
en wij stonden tegenover eenen grooten mannelijken gorilla. Op zijne vier handen
was hij door het struikgewas gekropen, maar toen hij ons zag, ging hij recht
overeind staan en keek hij ons ferm in het gezicht. Hij bleef op vijftien pas afstand
van ons staan. Ik zal de verschijning nooit vergeten. Hij was ongeveer zes voet
lang; hij had eene breede borst en zijne armen hadden eene ongeloofelijke
spierontwikkeling. Zijne groote, grijze, diepliggende oogen schitterden met eenen
woesten glans, en zijn gelaat had eene duivelachtige uitdrukking. Zoo verscheen
de koning der Afrikaansche wouden vóór ons.
„Hij verschrikte niet voor ons gezicht. Hij bleef op dezelfde plaats staan en sloeg
zich op de borst met zijne lange vuisten, die haar deden weerklinken als eene
groote trom. Zóó dagen zij hunne vijanden uit. Tegelijkertijd stiet hij snel achter
elkander een woedend gebrul uit.
„Het gebrul van eenen gorilla is het vreemdste en verschrikkelijkste geluid, dat
men in die bosschen kan hooren. Het begint met eene soort van kort afgebroken
geblaf, als dat van eenen woedenden hond, en verandert daarna in een dof gebrom,
dat zóó volkomen gelijkt op het rollen vanden donder in de verte, dat ik dikwijls
meende, dat het donderde, als ik het dier hoorde zonder het te zien. Dat geluid
klinkt zóó diep, dat men zou meenen, dat het uit de holten van borst en buik, en
niet uit den mond en de keel afkomstig was. Terwijl wij onbewegelijk bleven
staan, schitterden zijne oogen met eene schitterende vlam. De korte haren boven
op zijnen kop rezen te berge en begonnen zich snel te bewegen, terwijl hij zijne
krachtige hoektanden liet zien en zijn donderend gebrul deed hooren. Hij deed mij
toen denken aan die fantastische scheppingen, half mensch, half dier, waarmede de
verbeelding onzer oude schilders de onderwereld heeft bevolkt. Hij deed enkele
stappen voorwaarts en bleef toen weder staan, om weder zijn vreeselijk gebrul te
doen hooren; weer trad hij naar voren en bleef hij op tien pas van ons afstaan: wij
vuurden af en doodden hem.
Wat hij er van verhaalt, komt in hoofdtrekken met het voorgaande overeen. Wij
zullen uit zijne schets datgene mededeelen, wat voor ons doel het belangrijkst is.
Het is de ontmoeting met eenen gorilla, van wiens dood hij getuige was, en is
uitnemend geschikt, om ons een denkbeeld te geven van den indruk, dien dat
vreeselijke dier moet maken.
„Terwijl wij in doodelijke stilte door het bosch kropen, weerklonk het bosch
plotseling van het ijselijke geschreeuw van den gorilla. De struiken weken uiteen
en wij stonden tegenover eenen grooten mannelijken gorilla. Op zijne vier handen
was hij door het struikgewas gekropen, maar toen hij ons zag, ging hij recht
overeind staan en keek hij ons ferm in het gezicht. Hij bleef op vijftien pas afstand
van ons staan. Ik zal de verschijning nooit vergeten. Hij was ongeveer zes voet
lang; hij had eene breede borst en zijne armen hadden eene ongeloofelijke
spierontwikkeling. Zijne groote, grijze, diepliggende oogen schitterden met eenen
woesten glans, en zijn gelaat had eene duivelachtige uitdrukking. Zoo verscheen
de koning der Afrikaansche wouden vóór ons.
„Hij verschrikte niet voor ons gezicht. Hij bleef op dezelfde plaats staan en sloeg
zich op de borst met zijne lange vuisten, die haar deden weerklinken als eene
groote trom. Zóó dagen zij hunne vijanden uit. Tegelijkertijd stiet hij snel achter
elkander een woedend gebrul uit.
„Het gebrul van eenen gorilla is het vreemdste en verschrikkelijkste geluid, dat
men in die bosschen kan hooren. Het begint met eene soort van kort afgebroken
geblaf, als dat van eenen woedenden hond, en verandert daarna in een dof gebrom,
dat zóó volkomen gelijkt op het rollen vanden donder in de verte, dat ik dikwijls
meende, dat het donderde, als ik het dier hoorde zonder het te zien. Dat geluid
klinkt zóó diep, dat men zou meenen, dat het uit de holten van borst en buik, en
niet uit den mond en de keel afkomstig was. Terwijl wij onbewegelijk bleven
staan, schitterden zijne oogen met eene schitterende vlam. De korte haren boven
op zijnen kop rezen te berge en begonnen zich snel te bewegen, terwijl hij zijne
krachtige hoektanden liet zien en zijn donderend gebrul deed hooren. Hij deed mij
toen denken aan die fantastische scheppingen, half mensch, half dier, waarmede de
verbeelding onzer oude schilders de onderwereld heeft bevolkt. Hij deed enkele
stappen voorwaarts en bleef toen weder staan, om weder zijn vreeselijk gebrul te
doen hooren; weer trad hij naar voren en bleef hij op tien pas van ons afstaan: wij
vuurden af en doodden hem.
Page 588
„Het gereutel, dat hij deed hooren, geleek zoowel op dat van een mensch als op
dat van een dier. Hij viel met het gezicht op den grond. Het lichaam bewoog zich
eenige minuten stuiptrekkend, terwijl de ledematen heen en weer schudden,
daarna werd alles onbewegelijk; de dood had zijne taak volbracht. Ik had toen al
den tijd om het lijk te bezichtigen en kon mij toen overtuigen, dat de spieren van
borst en armen eene ontzaglijke kracht verrieden.
„Het is eene vaste wet bij alle jagers, die hun vak verstaan, dat men zijn schot
moet sparen tot op het laatste oogenblik. Hetzij dat het woedende dier het
afschieten van het geweer voor eene bedreiging aanziet, hetzij om eene onbekende
andere reden, zoodra de jager schiet en mist, werpt zich de gorilla op hem, en
niemand kan dien vreeselijken aanval weerstaan. Een enkele stomp met zijne met
nagels gewapende achterhand, scheurt reeds den buik open, verbrijzelt de borst of
verplettert het hoofd. Men heeft negers gezien, die door schrik tot wanhoop
gebracht, den gorilla wilden slaan met hun ontladen geweer; maar zij hadden zelfs
den tijd niet, om eenen niets vermogenden slag toe te brengen, de arm van hunnen
vijand viel met zijn volle gewicht op hen neer, en verbrijzelde tegelijkertijd het
geweer en het lichaam van den ongelukkige. Ik geloof niet, dat er één dier is,
wiens aanval voor den mensch zoo noodlottig is, daar hij zich recht overeind
tegenover zijnen vijand plaatst, met zijne armen als aanvalswapenen evenals een
bokser, met dit onderscheid, dat zijne armen veel langer en veel sterker zijn dan
die van den sterksten bokser der wereld. Het wijfje valt den jager nooit aan; toch
hebben negers mij verhaald, dat eene moeder, die haar jong bij zich heeft, somtijds
vecht om het te verdedigen. Het is een aardig schouwspel, om de moeder te zien,
vergezeld van haar jong, dat naast haar speelt. Ik heb dikwijls in de wouden er op
geloerd, daar ik verlangend was, exemplaren voor mijne verzameling te hebben
maar op het laatste oogenblik had ik den moed niet te schieten. Mijne negers
waren in soortgelijke gevallen niet zoo zwak: zij doodden hunne prooi zonder
tijdverlies.
„Als de moeder de vervolging van den jager tracht te ontvluchten, omvat het jong
haren hals met zijne voorhanden, terwijl het de korte achterhanden om haar
lichaam slaat.”
Du Chaillu heeft niet alleen studies gemaakt op den in vrijheid levenden gorilla,
maar ook op jonge gorilla’s, die hij trachtte op te voeden.
„Eenige jagers, die in de bosschen gejaagd hadden, zoo schrijft hij, brachten eenen
levenden gorilla bij mij. Ik kan de gewaarwordingen niet beschrijven, die ik
dat van een dier. Hij viel met het gezicht op den grond. Het lichaam bewoog zich
eenige minuten stuiptrekkend, terwijl de ledematen heen en weer schudden,
daarna werd alles onbewegelijk; de dood had zijne taak volbracht. Ik had toen al
den tijd om het lijk te bezichtigen en kon mij toen overtuigen, dat de spieren van
borst en armen eene ontzaglijke kracht verrieden.
„Het is eene vaste wet bij alle jagers, die hun vak verstaan, dat men zijn schot
moet sparen tot op het laatste oogenblik. Hetzij dat het woedende dier het
afschieten van het geweer voor eene bedreiging aanziet, hetzij om eene onbekende
andere reden, zoodra de jager schiet en mist, werpt zich de gorilla op hem, en
niemand kan dien vreeselijken aanval weerstaan. Een enkele stomp met zijne met
nagels gewapende achterhand, scheurt reeds den buik open, verbrijzelt de borst of
verplettert het hoofd. Men heeft negers gezien, die door schrik tot wanhoop
gebracht, den gorilla wilden slaan met hun ontladen geweer; maar zij hadden zelfs
den tijd niet, om eenen niets vermogenden slag toe te brengen, de arm van hunnen
vijand viel met zijn volle gewicht op hen neer, en verbrijzelde tegelijkertijd het
geweer en het lichaam van den ongelukkige. Ik geloof niet, dat er één dier is,
wiens aanval voor den mensch zoo noodlottig is, daar hij zich recht overeind
tegenover zijnen vijand plaatst, met zijne armen als aanvalswapenen evenals een
bokser, met dit onderscheid, dat zijne armen veel langer en veel sterker zijn dan
die van den sterksten bokser der wereld. Het wijfje valt den jager nooit aan; toch
hebben negers mij verhaald, dat eene moeder, die haar jong bij zich heeft, somtijds
vecht om het te verdedigen. Het is een aardig schouwspel, om de moeder te zien,
vergezeld van haar jong, dat naast haar speelt. Ik heb dikwijls in de wouden er op
geloerd, daar ik verlangend was, exemplaren voor mijne verzameling te hebben
maar op het laatste oogenblik had ik den moed niet te schieten. Mijne negers
waren in soortgelijke gevallen niet zoo zwak: zij doodden hunne prooi zonder
tijdverlies.
„Als de moeder de vervolging van den jager tracht te ontvluchten, omvat het jong
haren hals met zijne voorhanden, terwijl het de korte achterhanden om haar
lichaam slaat.”
Du Chaillu heeft niet alleen studies gemaakt op den in vrijheid levenden gorilla,
maar ook op jonge gorilla’s, die hij trachtte op te voeden.
„Eenige jagers, die in de bosschen gejaagd hadden, zoo schrijft hij, brachten eenen
levenden gorilla bij mij. Ik kan de gewaarwordingen niet beschrijven, die ik
Page 589
gevoelde, bij het gezicht van dat kleine dier, dat zich verdedigde, terwijl men het
met geweld in het dorp voortsleurde. Dat enkele oogenblik beloonde mij voor al
de vermoeienissen, die ik in Afrika had doorgestaan
„Het was een klein dier van twee of drie jaren, 2½ voet lang, en even woest en
ongehoorzaam als een volwassen gorilla.
„Mijne jagers
hadden het op de
volgende wijze
gevangen. Zij
waren met hun
vijven op weg
naar een dorp aan
de kust en
trokken stil het
bosch door, toen
zij een
geschreeuw
hoorden, dat zij
Fig. 319.—De gulzigheid. dadelijk
herkenden als dat
van eenen jongen
gorilla, die om
Fig. 320.—De eerste spiegel. zijne moeder
riep. Overigens
was alles in het bosch rustig; het was bijna middag; zij besloten zich te begeven
naar de zijde, van waar het geschreeuw kwam, dat zich ten tweeden male deed
hooren. Het geweer in de hand slopen zij zoo zacht mogelijk het struikgewas
binnen, waar de kleine gorilla moest wezen; uit enkele aanwijzingen bleek het, dat
de moeder niet ver af was; het was zelfs niet onmogelijk, dat het mannetje, de
gevaarlijkste van alle, zich eveneens in de nabijheid bevond. Toch aarzelden de
flinke mannen niet, om alles te wagen, en zoo het mogelijk was eenen levenden
gorilla te vangen, wetende welk een genoegen zij mij daarmede deden.
„Zij zagen de struiken bewegen; zij drongen iets meer naar voren, stil als de dood,
en hunnen adem inhoudend. Weldra zagen zij een jongen gorilla zitten, die enkele
zaadkorrels opat, die nauwelijks uit den grond waren opgeschoten; op enkele
schreden daarvan af zat ook de moeder te eten. Zij besloten los te branden; het was
met geweld in het dorp voortsleurde. Dat enkele oogenblik beloonde mij voor al
de vermoeienissen, die ik in Afrika had doorgestaan
„Het was een klein dier van twee of drie jaren, 2½ voet lang, en even woest en
ongehoorzaam als een volwassen gorilla.
„Mijne jagers
hadden het op de
volgende wijze
gevangen. Zij
waren met hun
vijven op weg
naar een dorp aan
de kust en
trokken stil het
bosch door, toen
zij een
geschreeuw
hoorden, dat zij
Fig. 319.—De gulzigheid. dadelijk
herkenden als dat
van eenen jongen
gorilla, die om
Fig. 320.—De eerste spiegel. zijne moeder
riep. Overigens
was alles in het bosch rustig; het was bijna middag; zij besloten zich te begeven
naar de zijde, van waar het geschreeuw kwam, dat zich ten tweeden male deed
hooren. Het geweer in de hand slopen zij zoo zacht mogelijk het struikgewas
binnen, waar de kleine gorilla moest wezen; uit enkele aanwijzingen bleek het, dat
de moeder niet ver af was; het was zelfs niet onmogelijk, dat het mannetje, de
gevaarlijkste van alle, zich eveneens in de nabijheid bevond. Toch aarzelden de
flinke mannen niet, om alles te wagen, en zoo het mogelijk was eenen levenden
gorilla te vangen, wetende welk een genoegen zij mij daarmede deden.
„Zij zagen de struiken bewegen; zij drongen iets meer naar voren, stil als de dood,
en hunnen adem inhoudend. Weldra zagen zij een jongen gorilla zitten, die enkele
zaadkorrels opat, die nauwelijks uit den grond waren opgeschoten; op enkele
schreden daarvan af zat ook de moeder te eten. Zij besloten los te branden; het was
Page 590
hoog tijd, want op het oogenblik, dat zij hunne geweren ophieven, zag de moeder
hen; zij hadden nog juist den tijd, om vuur te geven. Gelukkig wondden zij haar
doodelijk.
„Zij viel neder. De kleine gorilla vloog, toen zij het schot hoorde, naar hare
moeder, en verborg zich aan hare borst. De jagers vlogen met eenen triomfkreet
naar het lijk toe; maar door die kreten opgeschrikt, vlood het jonge dier naar eenen
boom en klauterde het vlug in den top, waar het bleef zitten.
„Onze jagers waren zeer verlegen, hoe het te bereiken; zij hadden geen lust, zich
bloot te stellen aan zijne beten, en aan den anderen kant wilden zij niet op het dier
schieten. Eindelijk besloten zij den boom te vellen en een schort over den kop van
het dier te werpen; toch werd één der mannen zwaar aan de hand gewond, en een
ander werd aan de dij getroffen.
„Men bouwde eene kleine hut van sterk bamboes, met stevige spijlen, die ver
genoeg uit elkander stonden, om den gorilla te kunnen waarnemen, en om hem in
de gelegenheid te stellen zelf ook naar buiten te zien. Hij werd met geweld daarin
geworpen en voor het eerst kon ik rustig het schouwspel waarnemen. Het was een
jong, mannelijk dier, dat zeker nog geen drie jaren oud was, en was bijzonder sterk
voor zijnen leeftijd. Zijn gezicht en zijne handen waren zwart, zijne oogen lagen
niet zoo diep als bij volwassen gorilla’s. De haren van zijn hoofd begonnen bij
zijne wenkbrauwen en stonden op de kruin van zijn hoofd rechtop; daar waren zij
roodachtig bruin van kleur, aan beide zijden van het gelaat liepen zij weder af tot
aan de benedenkaak, waar zij als het ware bakkebaarden vormden.
„Toen ik den kleinen aap stevig in zijne kooi opgesloten zag, naderde ik de kooi,
om hem eenige woorden van bemoediging toe te spreken. Hij week naar het verste
uiteinde terug, maar zoodra ik vooruitkwam, begon hij te brullen en wierp hij zich
tegen mij aan, zoodat hij, niettegenstaande ik zoo ver mogelijk achteruit ging,
mijn’ broek greep en die met een van zijne pooten verscheurde; daarna keerde hij
snel naar zijnen hoek terug. Die aanval maakte mij voorzichtiger; toch wanhoopte
ik er niet aan, dat ik hem eindelijk temmen zoude. Maar hij stierf spoedig.”
De negers beschouwen zich als de neven der orang-oetans. Zij zien in den
chimpansee een bijzonder menschenras, dat om zijn slecht gedrag buiten de
menschelijke maatschappij geworpen is, en dat om zijne volharding in het kwaad
langzamerhand tot zóó laag is afgedaald, als het nu gekomen is. Toch eten zij de
apen op, die zij gedood hebben. Kapitein Grandpret verhaalt de geschiedenis van
hen; zij hadden nog juist den tijd, om vuur te geven. Gelukkig wondden zij haar
doodelijk.
„Zij viel neder. De kleine gorilla vloog, toen zij het schot hoorde, naar hare
moeder, en verborg zich aan hare borst. De jagers vlogen met eenen triomfkreet
naar het lijk toe; maar door die kreten opgeschrikt, vlood het jonge dier naar eenen
boom en klauterde het vlug in den top, waar het bleef zitten.
„Onze jagers waren zeer verlegen, hoe het te bereiken; zij hadden geen lust, zich
bloot te stellen aan zijne beten, en aan den anderen kant wilden zij niet op het dier
schieten. Eindelijk besloten zij den boom te vellen en een schort over den kop van
het dier te werpen; toch werd één der mannen zwaar aan de hand gewond, en een
ander werd aan de dij getroffen.
„Men bouwde eene kleine hut van sterk bamboes, met stevige spijlen, die ver
genoeg uit elkander stonden, om den gorilla te kunnen waarnemen, en om hem in
de gelegenheid te stellen zelf ook naar buiten te zien. Hij werd met geweld daarin
geworpen en voor het eerst kon ik rustig het schouwspel waarnemen. Het was een
jong, mannelijk dier, dat zeker nog geen drie jaren oud was, en was bijzonder sterk
voor zijnen leeftijd. Zijn gezicht en zijne handen waren zwart, zijne oogen lagen
niet zoo diep als bij volwassen gorilla’s. De haren van zijn hoofd begonnen bij
zijne wenkbrauwen en stonden op de kruin van zijn hoofd rechtop; daar waren zij
roodachtig bruin van kleur, aan beide zijden van het gelaat liepen zij weder af tot
aan de benedenkaak, waar zij als het ware bakkebaarden vormden.
„Toen ik den kleinen aap stevig in zijne kooi opgesloten zag, naderde ik de kooi,
om hem eenige woorden van bemoediging toe te spreken. Hij week naar het verste
uiteinde terug, maar zoodra ik vooruitkwam, begon hij te brullen en wierp hij zich
tegen mij aan, zoodat hij, niettegenstaande ik zoo ver mogelijk achteruit ging,
mijn’ broek greep en die met een van zijne pooten verscheurde; daarna keerde hij
snel naar zijnen hoek terug. Die aanval maakte mij voorzichtiger; toch wanhoopte
ik er niet aan, dat ik hem eindelijk temmen zoude. Maar hij stierf spoedig.”
De negers beschouwen zich als de neven der orang-oetans. Zij zien in den
chimpansee een bijzonder menschenras, dat om zijn slecht gedrag buiten de
menschelijke maatschappij geworpen is, en dat om zijne volharding in het kwaad
langzamerhand tot zóó laag is afgedaald, als het nu gekomen is. Toch eten zij de
apen op, die zij gedood hebben. Kapitein Grandpret verhaalt de geschiedenis van
Page 591
eene vrouwelijke chimpansee, die de merkwaardigste bewijzen gaf van een
ontwikkeld verstand:
„Het dier bevond zich op een schip, waarmede het naar Amerika moest vervoerd
worden. Men had het geleerd, den oven te stoken, en het kweet zich van die taak
tot tevredenheid van allen; het zorgde er goed voor, dat de gloeiende kolen niet op
den grond vielen, en wist zeer goed te zien, of de oven den vereischten
warmtegraad verkregen had. Dan begaf het zich naar den bakker, en waarschuwde
hem door duidelijk te begrijpen teekenen; deze vertrouwde dan ook ten volle op de
hulp van het dier en lette nooit op het vuur. Het kon alle plichten van eenen
matroos vervullen met evenveel behendigheid als verstand, kon den ankerketting
ophijschen en de zeilen inhalen en werkte zóó goed dat de matrozen het dier als
hunnen makker beschouwden. Ongelukkig stierf het prachtige dier vóór de
landing, door de wreedheid van den loods. Deze had het mishandeld, zonder te
letten op de smeekingen van het dier, dat de handen vouwde als een smeekeling,
om het hart van den vervolger tot zachtheid te stemmen. Doch de loods volhardde
in zijne wreedheid. Het arme dier verdroeg geduldig alle mishandelingen, maar
van dat oogenblik af weigerde het alle voedsel, en stierf het vijf dagen later van
honger en smart. De geheele bemanning weende, alsof een matroos gestorven
ware.
„Brosse had twee chimpansees naar Europa medegebracht, een mannetje en een
wijfje, die aan tafel aanzaten als menschen, van alles aten en zich van mes, lepel
en vork bedienden. Zij dronken al onze dranken; zij hielden vooral van wijn en
brandewijn. Als zij iets noodig hadden, riepen zij de kajuitsjongens, als hun iets
geweigerd werd, werden zij boos, grepen zij hen bij den arm, beten hen en
wierpen hen op den grond. Toen het mannetje eens ziek was, werd hij door den
scheepsdokter adergelaten; later stak hij, zoo dikwijls hij zich ongesteld gevoelde,
den arm uit naar den dokter.
„De chimpansee, die door Buffon werd grootgebracht, liep bijna altijd rechtop,
zelfs als hij zware voorwerpen droeg. Hij had een ernstig en droevig voorkomen,
al zijne bewegingen waren verstandig en bedaard. Hij had geen enkel van de
walgelijke gebreken der bavianen, maar was niet zoo aardig als gewoonlijk de
groene meerkatten zijn. Een woord of een teeken van zijnen meester was
voldoende, om hem te doen gehoorzamen. Hij bood den arm aan hen, die Buffon
kwamen bezoeken en wandelde met hen; hij plaatste zich aan tafel, kende het
gebruik van een servet, veegde zich iederen keer, dat hij gedronken had, den mond
af, schonk zich zelf wijn in en klonk met zijne buren. Hij haalde een kopje en
ontwikkeld verstand:
„Het dier bevond zich op een schip, waarmede het naar Amerika moest vervoerd
worden. Men had het geleerd, den oven te stoken, en het kweet zich van die taak
tot tevredenheid van allen; het zorgde er goed voor, dat de gloeiende kolen niet op
den grond vielen, en wist zeer goed te zien, of de oven den vereischten
warmtegraad verkregen had. Dan begaf het zich naar den bakker, en waarschuwde
hem door duidelijk te begrijpen teekenen; deze vertrouwde dan ook ten volle op de
hulp van het dier en lette nooit op het vuur. Het kon alle plichten van eenen
matroos vervullen met evenveel behendigheid als verstand, kon den ankerketting
ophijschen en de zeilen inhalen en werkte zóó goed dat de matrozen het dier als
hunnen makker beschouwden. Ongelukkig stierf het prachtige dier vóór de
landing, door de wreedheid van den loods. Deze had het mishandeld, zonder te
letten op de smeekingen van het dier, dat de handen vouwde als een smeekeling,
om het hart van den vervolger tot zachtheid te stemmen. Doch de loods volhardde
in zijne wreedheid. Het arme dier verdroeg geduldig alle mishandelingen, maar
van dat oogenblik af weigerde het alle voedsel, en stierf het vijf dagen later van
honger en smart. De geheele bemanning weende, alsof een matroos gestorven
ware.
„Brosse had twee chimpansees naar Europa medegebracht, een mannetje en een
wijfje, die aan tafel aanzaten als menschen, van alles aten en zich van mes, lepel
en vork bedienden. Zij dronken al onze dranken; zij hielden vooral van wijn en
brandewijn. Als zij iets noodig hadden, riepen zij de kajuitsjongens, als hun iets
geweigerd werd, werden zij boos, grepen zij hen bij den arm, beten hen en
wierpen hen op den grond. Toen het mannetje eens ziek was, werd hij door den
scheepsdokter adergelaten; later stak hij, zoo dikwijls hij zich ongesteld gevoelde,
den arm uit naar den dokter.
„De chimpansee, die door Buffon werd grootgebracht, liep bijna altijd rechtop,
zelfs als hij zware voorwerpen droeg. Hij had een ernstig en droevig voorkomen,
al zijne bewegingen waren verstandig en bedaard. Hij had geen enkel van de
walgelijke gebreken der bavianen, maar was niet zoo aardig als gewoonlijk de
groene meerkatten zijn. Een woord of een teeken van zijnen meester was
voldoende, om hem te doen gehoorzamen. Hij bood den arm aan hen, die Buffon
kwamen bezoeken en wandelde met hen; hij plaatste zich aan tafel, kende het
gebruik van een servet, veegde zich iederen keer, dat hij gedronken had, den mond
af, schonk zich zelf wijn in en klonk met zijne buren. Hij haalde een kopje en
Page 592
schoteltje voor zich, deed er suiker in, schonk thee daarin en liet het koud worden
vóórdat hij er van dronk. Nooit deed hij iemand kwaad; integendeel: hij naderde
de bezoekers zeer beleefd, en werd gaarne geliefkoosd. Al de vrienden van Buffon
hielden veel van zijnen bediende en brachten hem beschuitjes en vruchten.
Ongelukkig stierf hij binnen het jaar aan de tering.
Fig. 321. De gorilla uit het museüm van Parijs, ééne maand vóór zijnen dood.
„Doctor Traill had eenen chimpansee naar Engeland overgebracht, die niet rechtop
liep en altijd op de handen steunde. Hij was beschroomd tegenover vreemden,
doch niet tegenover die personen, die hij dikwijls zag. Als hij het koud had,
bedekte hij zich met een kleed. Eens hield men hem eenen spiegel voor, die
dadelijk zijne aandacht trok; op zijne gewone groote bewegelijkheid volgde de
volmaaktste kalmte. Met nieuwsgierigheid beschouwde hij het wonderlijke
werktuig en bleef hij stom van verbazing. Hij keek nu eens naar zijnen vriend, dan
weer naar den spiegel, draaide dien rond, beschouwde zijn beeld en trachtte zich,
vóórdat hij er van dronk. Nooit deed hij iemand kwaad; integendeel: hij naderde
de bezoekers zeer beleefd, en werd gaarne geliefkoosd. Al de vrienden van Buffon
hielden veel van zijnen bediende en brachten hem beschuitjes en vruchten.
Ongelukkig stierf hij binnen het jaar aan de tering.
Fig. 321. De gorilla uit het museüm van Parijs, ééne maand vóór zijnen dood.
„Doctor Traill had eenen chimpansee naar Engeland overgebracht, die niet rechtop
liep en altijd op de handen steunde. Hij was beschroomd tegenover vreemden,
doch niet tegenover die personen, die hij dikwijls zag. Als hij het koud had,
bedekte hij zich met een kleed. Eens hield men hem eenen spiegel voor, die
dadelijk zijne aandacht trok; op zijne gewone groote bewegelijkheid volgde de
volmaaktste kalmte. Met nieuwsgierigheid beschouwde hij het wonderlijke
werktuig en bleef hij stom van verbazing. Hij keek nu eens naar zijnen vriend, dan
weer naar den spiegel, draaide dien rond, beschouwde zijn beeld en trachtte zich,
Page 593
door den spiegel aan te raken, te verzekeren, of hij werkelijk een wezen van
vleesch en been voor oogen had als hij zelf, dan wel of hij slechts iets
denkbeeldigs zag; in één woord, hij deed volkomen hetzelfde, wat de wilde
volkeren doen, als men hun voor het eerst eenen spiegel voorhoudt. Het is jammer,
dat de tering de chimpansees en de gorilla’s zoo snel doodt, als men ze uit hun
geboorteland verwijdert. Korten tijd na hunne komst in Europa beginnen zij te
hoesten en worden zij treurig. Naarmate de ziekte vorderingen maakt, neemt
hunne kalmte en hunne zachtheid toe; spoedig is het treurig ze aan te zien. Zij
buigen het hoofd naar voren, evenals menschen, wier longen zijn aangetast,
hoesten van tijd tot tijd en plaatsen hunne handen op de zieke borst; hunne
donkerbruine oogen nemen eene zóó hevige uitdrukking van smart aan, dat men ze
niet kan aanzien zonder bewogen te worden. Gewoonlijk bezwijken zij aan die
vreeselijke ziekte binnen het jaar, zelden in het tweede jaar; ons koud klimaat kan
aan die gelukkige kinderen van het zuiden hun schoon vaderland niet teruggeven.”
Dikwijls heeft men getracht jonge gorilla’s in den Parijschen Jardin des Plantes in
het leven te houden; de waarnemingen bevestigen alles, wat wij zooeven
mededeelden, en ongelukkig ook de onmogelijkheid om ze in ons klimaat in het
leven te houden. Fig. 321 stelt den laatsten gorilla voor, dien men daar gehad
heeft. Heeft men in de uitdrukking van dat gelaat niet de uitdrukking van den
balling, die zijn vaderland betreurt?
De hand van den gorilla gelijkt evenals de kop op die van den mensch.
Nog een enkel woord over eene andere soort, den orang-oetan. Deze is zacht en
zeer vreedzaam. Hij is niet beschroomd en vlucht niet voor den mensch, dien hij
integendeel met veel kalmte aanziet. Onder de talrijke waarnemingen, die wij
omtrent de zeden van dien aap (in gevangenschap) bezitten, melden wij die, welke
F. Cuvier gedaan heeft op een jong wijfje, dat eene maand lang in 1808 op het
kasteel van Malmaison leefde.
„Dat dier gebruikte zijne handen zooals wij gewoonlijk de onze gebruiken.
Meestal bracht hij zijn voedsel met zijne vingers naar den mond; doch dikwijls
pakte hij het ook met zijne lange lippen, en dronk slurpend, zooals alle dieren
doen, die hunne lippen kunnen verlengen. Hij rook aan al het voedsel, dat men
hem aanbood en dat hij niet kende; en hij raadpleegde zijn reukorgaan met
bijzondere zorg. Hij at met evenveel voorliefde vruchten, groenten, eieren, vleesch
en melk, en hield bijzonder veel van brood, koffie en sinaasappelen; eens zelfs
dronk hij eenen geheelen inktkoker leeg zonder dat het hem iets hinderde. Hij had
vleesch en been voor oogen had als hij zelf, dan wel of hij slechts iets
denkbeeldigs zag; in één woord, hij deed volkomen hetzelfde, wat de wilde
volkeren doen, als men hun voor het eerst eenen spiegel voorhoudt. Het is jammer,
dat de tering de chimpansees en de gorilla’s zoo snel doodt, als men ze uit hun
geboorteland verwijdert. Korten tijd na hunne komst in Europa beginnen zij te
hoesten en worden zij treurig. Naarmate de ziekte vorderingen maakt, neemt
hunne kalmte en hunne zachtheid toe; spoedig is het treurig ze aan te zien. Zij
buigen het hoofd naar voren, evenals menschen, wier longen zijn aangetast,
hoesten van tijd tot tijd en plaatsen hunne handen op de zieke borst; hunne
donkerbruine oogen nemen eene zóó hevige uitdrukking van smart aan, dat men ze
niet kan aanzien zonder bewogen te worden. Gewoonlijk bezwijken zij aan die
vreeselijke ziekte binnen het jaar, zelden in het tweede jaar; ons koud klimaat kan
aan die gelukkige kinderen van het zuiden hun schoon vaderland niet teruggeven.”
Dikwijls heeft men getracht jonge gorilla’s in den Parijschen Jardin des Plantes in
het leven te houden; de waarnemingen bevestigen alles, wat wij zooeven
mededeelden, en ongelukkig ook de onmogelijkheid om ze in ons klimaat in het
leven te houden. Fig. 321 stelt den laatsten gorilla voor, dien men daar gehad
heeft. Heeft men in de uitdrukking van dat gelaat niet de uitdrukking van den
balling, die zijn vaderland betreurt?
De hand van den gorilla gelijkt evenals de kop op die van den mensch.
Nog een enkel woord over eene andere soort, den orang-oetan. Deze is zacht en
zeer vreedzaam. Hij is niet beschroomd en vlucht niet voor den mensch, dien hij
integendeel met veel kalmte aanziet. Onder de talrijke waarnemingen, die wij
omtrent de zeden van dien aap (in gevangenschap) bezitten, melden wij die, welke
F. Cuvier gedaan heeft op een jong wijfje, dat eene maand lang in 1808 op het
kasteel van Malmaison leefde.
„Dat dier gebruikte zijne handen zooals wij gewoonlijk de onze gebruiken.
Meestal bracht hij zijn voedsel met zijne vingers naar den mond; doch dikwijls
pakte hij het ook met zijne lange lippen, en dronk slurpend, zooals alle dieren
doen, die hunne lippen kunnen verlengen. Hij rook aan al het voedsel, dat men
hem aanbood en dat hij niet kende; en hij raadpleegde zijn reukorgaan met
bijzondere zorg. Hij at met evenveel voorliefde vruchten, groenten, eieren, vleesch
en melk, en hield bijzonder veel van brood, koffie en sinaasappelen; eens zelfs
dronk hij eenen geheelen inktkoker leeg zonder dat het hem iets hinderde. Hij had
Page 594
niet de minste orde in den tijd zijner maaltijden en
kon, evenals de kinderen, op ieder uur eten.
„Wij zagen zooeven, dat hij zijn voedsel nam met
zijne handen of met zijne lippen; hij was niet zeer
handig in het gebruik van vork en mes; in dat
opzicht stond hij gelijk met de wilden, die men
met die werktuigen wilde laten eten, maar hij
maakte door zijne slimheid goed, wat hij aan
handigheid miste; als het voedsel, dat op zijn bord
lag, niet gemakkelijk op zijnen lepel kon geplaatst
worden, gaf hij dien aan zijnen buurman, om dien
te vullen. Hij dronk zeer handig uit een glas, dat
hij tusschen zijne beide handen hield. Toen hij
eens bij het neerzetten van zijn glas bemerkte, dat
het om zou slaan, hield hij zijne hand aan den
kant, waarnaar het glas overhelde, om het te
steunen. Bijna alle dieren beschutten zich tegen de
koude, en het is waarschijnlijk, dat de orang-
oetans in hetzelfde geval verkeeren, vooral in den
regentijd. Ik weet niet, hoe die dieren zich in den
natuurstaat tegen het ruwe weer beschermen.
Doch ons dier was er aan gewoon geraakt, zich in
zijne dekkleedjes te hullen, en had daaraan
Fig. 322. Hand van eenen gorilla.
voortdurend behoefte. Op schip nam hij al wat hij
machtig kon worden, om zich daarmede te
dekken. Wanneer dan ook een matroos een stuk kleeren zocht, was hij bijna altijd
zeker, het terug te vinden in het bed van den orang-oetan. Op die gewoonte van
het dier, om zich goed te dekken, bouwden wij een plan, om zijn verstand op de
proef te stellen.
„Dagelijks werd zijn dekkleed uitgespreid op een grasperk vóór de eetzaal, en na
den maaltijd, dien hij gewoonlijk aan tafel nam, ging hij recht op dat kleedingstuk
aan en sloeg het om zijne schouders, waarna hij in de armen van eenen jongen
bediende naar bed gedragen werd. Eens hadden wij zijn dekkleed weggenomen, en
het op den rand van een venster gehangen, om het te drogen. De orang-oetan ging
eerst naar de gewone plaats, om het te halen, maar toen hij, aan de deur gekomen,
zag dat het niet op de gewone plaats lag, zocht hij het met de oogen en ontdekte
kon, evenals de kinderen, op ieder uur eten.
„Wij zagen zooeven, dat hij zijn voedsel nam met
zijne handen of met zijne lippen; hij was niet zeer
handig in het gebruik van vork en mes; in dat
opzicht stond hij gelijk met de wilden, die men
met die werktuigen wilde laten eten, maar hij
maakte door zijne slimheid goed, wat hij aan
handigheid miste; als het voedsel, dat op zijn bord
lag, niet gemakkelijk op zijnen lepel kon geplaatst
worden, gaf hij dien aan zijnen buurman, om dien
te vullen. Hij dronk zeer handig uit een glas, dat
hij tusschen zijne beide handen hield. Toen hij
eens bij het neerzetten van zijn glas bemerkte, dat
het om zou slaan, hield hij zijne hand aan den
kant, waarnaar het glas overhelde, om het te
steunen. Bijna alle dieren beschutten zich tegen de
koude, en het is waarschijnlijk, dat de orang-
oetans in hetzelfde geval verkeeren, vooral in den
regentijd. Ik weet niet, hoe die dieren zich in den
natuurstaat tegen het ruwe weer beschermen.
Doch ons dier was er aan gewoon geraakt, zich in
zijne dekkleedjes te hullen, en had daaraan
Fig. 322. Hand van eenen gorilla.
voortdurend behoefte. Op schip nam hij al wat hij
machtig kon worden, om zich daarmede te
dekken. Wanneer dan ook een matroos een stuk kleeren zocht, was hij bijna altijd
zeker, het terug te vinden in het bed van den orang-oetan. Op die gewoonte van
het dier, om zich goed te dekken, bouwden wij een plan, om zijn verstand op de
proef te stellen.
„Dagelijks werd zijn dekkleed uitgespreid op een grasperk vóór de eetzaal, en na
den maaltijd, dien hij gewoonlijk aan tafel nam, ging hij recht op dat kleedingstuk
aan en sloeg het om zijne schouders, waarna hij in de armen van eenen jongen
bediende naar bed gedragen werd. Eens hadden wij zijn dekkleed weggenomen, en
het op den rand van een venster gehangen, om het te drogen. De orang-oetan ging
eerst naar de gewone plaats, om het te halen, maar toen hij, aan de deur gekomen,
zag dat het niet op de gewone plaats lag, zocht hij het met de oogen en ontdekte
Page 595
hij het aan het venster; hij ging toen eenvoudig daarheen en kwam er toen op de
gewone wijze mede terug.”
Uit al deze verhalen, die wij nog met een zóó groot aantal zouden kunnen
vermeerderen, dat wij er boekdeelen mede zonden kunnen vullen, blijkt duidelijk,
hoe groot de overeenkomst is tusschen de hoogst ontwikkelde apenrassen en de
laagstontwikkelde menschenrassen. De overeenstemming in physische
eigenschappen blijkt zonneklaar uit de overeenkomst van het geraamte, en uit de
resultaten der vergelijkende ontleedkunde. De punten van overeenkomst op
intellectueel gebied zijn in ons oog niet minder belangrijk. De menschelijke geest
heeft zich evenals het lichaam geleidelijk ontwikkeld.
Die ontwikkeling van den mensch heeft gelijken tred gehouden met de
ontwikkeling der hersenen. Dit is een hoogst belangrijk feit. De hagedissen, de
dinosauren, de viervoetige dieren en de zoogdieren der secundaire periode hebben
allen een bijzonder klein hersenvolume. Dat orgaan van het verstand groeit in de
tertiaire periode aan, om langzamerhand te naderen tot de hersenen der hooger
ontwikkelde apen. Die wet is algemeen, hoewel er enkele uitzonderingen zijn bij
sommige soorten van vogels, bij de muizen enz., maar de toename is
merkwaardig, als men op de geheele dierenwereld let. Wij willen niet zeggen, dat
het verstand altijd evenredig is met het volume en het gewicht der hersenen; wij
zullen zoo aanstonds zien, dat dit nog meer afhangt van het aantal en de diepte der
hersenwindingen; doch daar de hersenen het orgaan der gedachte zijn, zoo begrijpt
men, dat de ontwikkeling van het verstand samengegaan is met de aangroeiing der
hersenen.
Het gewicht der hersenen bedraagt gemiddeld bij den Europeeschen man 1485
gram, bij de vrouw 1262 gram. Daar het volume en het gewicht der hersenen
samenhangt met de grootte van het geheele lichaam, zoo moet men nooit
uitsluitend op het gewicht der hersenen letten, maar tevens het oog vestigen op het
lichaam, waartoe zij behoord hebben. Het verschil in gewicht tusschen de
hersenen van den man en de vrouw ligt voornamelijk in het verschil in gewicht
van beider lichamen. De Europeesche man weegt gemiddeld 70 kilogram, de
Europeesche vrouw 65 kilogram; de gemiddelde lengte van den man is 1,65 meter,
die van de vrouw 1,53 meter; de verhouding tusschen beider lengten is als 100 : 93
en de verhouding van het gewicht hunner hersenen als 100 : 85. Dus is ook naar
verhouding het gewicht der hersenen bij de vrouw iets minder dan bij den man.
gewone wijze mede terug.”
Uit al deze verhalen, die wij nog met een zóó groot aantal zouden kunnen
vermeerderen, dat wij er boekdeelen mede zonden kunnen vullen, blijkt duidelijk,
hoe groot de overeenkomst is tusschen de hoogst ontwikkelde apenrassen en de
laagstontwikkelde menschenrassen. De overeenstemming in physische
eigenschappen blijkt zonneklaar uit de overeenkomst van het geraamte, en uit de
resultaten der vergelijkende ontleedkunde. De punten van overeenkomst op
intellectueel gebied zijn in ons oog niet minder belangrijk. De menschelijke geest
heeft zich evenals het lichaam geleidelijk ontwikkeld.
Die ontwikkeling van den mensch heeft gelijken tred gehouden met de
ontwikkeling der hersenen. Dit is een hoogst belangrijk feit. De hagedissen, de
dinosauren, de viervoetige dieren en de zoogdieren der secundaire periode hebben
allen een bijzonder klein hersenvolume. Dat orgaan van het verstand groeit in de
tertiaire periode aan, om langzamerhand te naderen tot de hersenen der hooger
ontwikkelde apen. Die wet is algemeen, hoewel er enkele uitzonderingen zijn bij
sommige soorten van vogels, bij de muizen enz., maar de toename is
merkwaardig, als men op de geheele dierenwereld let. Wij willen niet zeggen, dat
het verstand altijd evenredig is met het volume en het gewicht der hersenen; wij
zullen zoo aanstonds zien, dat dit nog meer afhangt van het aantal en de diepte der
hersenwindingen; doch daar de hersenen het orgaan der gedachte zijn, zoo begrijpt
men, dat de ontwikkeling van het verstand samengegaan is met de aangroeiing der
hersenen.
Het gewicht der hersenen bedraagt gemiddeld bij den Europeeschen man 1485
gram, bij de vrouw 1262 gram. Daar het volume en het gewicht der hersenen
samenhangt met de grootte van het geheele lichaam, zoo moet men nooit
uitsluitend op het gewicht der hersenen letten, maar tevens het oog vestigen op het
lichaam, waartoe zij behoord hebben. Het verschil in gewicht tusschen de
hersenen van den man en de vrouw ligt voornamelijk in het verschil in gewicht
van beider lichamen. De Europeesche man weegt gemiddeld 70 kilogram, de
Europeesche vrouw 65 kilogram; de gemiddelde lengte van den man is 1,65 meter,
die van de vrouw 1,53 meter; de verhouding tusschen beider lengten is als 100 : 93
en de verhouding van het gewicht hunner hersenen als 100 : 85. Dus is ook naar
verhouding het gewicht der hersenen bij de vrouw iets minder dan bij den man.
Page 596
De hersenen nemen toe met den arbeid en de inspanning, waarvan zij de zetel zijn.
Het gewicht kan voor eenen volwassen Europeaan afwisselen tusschen 1000 en
2000 gram. Men heeft zelfs gewichten gevonden boven en beneden die grenzen,
doch dan alleen bij ziektegevallen.
Bij den Europeaan is het gewicht dus ongeveer 1/40 van het lichaam.
Het gewicht vermindert naarmate men met minder ontwikkelde volksstammen te
doen heeft, zooals de volgende tabel aanwijst:
Grammen. Verhouding tot het
lichaamsgewicht.
Gemiddeld gewicht bij den 1405 1/40
Europeaan
Gemiddeld gewicht bij den 1334 1/52
Mesties
Gemiddeld gewicht bij den neger 1300 1/55
Gemiddeld gewicht bij den 1000 1/70
Australiër
Bij den gorilla zijn die getallen 475 1/143
De verhouding van het gewicht der hersenen en het gewicht van het lichaam is bij
de:
Honden 1/242
Olifanten 1/300
Paarden 1/633
Ossen 1/700
Het gewicht kan voor eenen volwassen Europeaan afwisselen tusschen 1000 en
2000 gram. Men heeft zelfs gewichten gevonden boven en beneden die grenzen,
doch dan alleen bij ziektegevallen.
Bij den Europeaan is het gewicht dus ongeveer 1/40 van het lichaam.
Het gewicht vermindert naarmate men met minder ontwikkelde volksstammen te
doen heeft, zooals de volgende tabel aanwijst:
Grammen. Verhouding tot het
lichaamsgewicht.
Gemiddeld gewicht bij den 1405 1/40
Europeaan
Gemiddeld gewicht bij den 1334 1/52
Mesties
Gemiddeld gewicht bij den neger 1300 1/55
Gemiddeld gewicht bij den 1000 1/70
Australiër
Bij den gorilla zijn die getallen 475 1/143
De verhouding van het gewicht der hersenen en het gewicht van het lichaam is bij
de:
Honden 1/242
Olifanten 1/300
Paarden 1/633
Ossen 1/700
Page 597
Fig. 323. De hersenwindingen en het verstand. Doorsnede door de groef van Sylvius.
Doch, zooals wij zooeven reeds opmerkten, zijn die verhoudingen niet voldoende,
om de mate van verstand te schatten: daartoe moeten wij ook het oog houden op
den aard der windingen. Letten wij b.v. op de hersenen van den Europeaan, dan
zien wij, dat zij zich reeds op het eerste gezicht onderscheiden door het groote
aantal windingen. Zonder in anatomische bijzonderheden te treden, is het
voldoende op te merken, dat de hersenen, die arbeiden, sterker sprekende
windingen hebben dan de hersenen, die weinig te verrichten hebben. Grove en
Doch, zooals wij zooeven reeds opmerkten, zijn die verhoudingen niet voldoende,
om de mate van verstand te schatten: daartoe moeten wij ook het oog houden op
den aard der windingen. Letten wij b.v. op de hersenen van den Europeaan, dan
zien wij, dat zij zich reeds op het eerste gezicht onderscheiden door het groote
aantal windingen. Zonder in anatomische bijzonderheden te treden, is het
voldoende op te merken, dat de hersenen, die arbeiden, sterker sprekende
windingen hebben dan de hersenen, die weinig te verrichten hebben. Grove en
Page 598
weinig samengestelde windingen zijn het bewijs van weinig verstand, bij welk
menschenras dan ook; kleine en veelvuldig geplooide windingen zijn een bewijs
van groote geestesgaven. De kleinere zoogdieren hebben betrekkelijk meer
hersenen; de muis b.v. heeft betrekkelijk meer hersenen dan de mensch; maar hare
hersenen zijn dan ook volkomen glad en hebben geene windingen.
Indien men de hersenen van die dieren, die anatomisch en physiologisch het meest
met den mensch overeenkomen, vergelijkt met die van den mensch, dan blijkt het,
dat het aantal windingen toeneemt, van de laagste apensoorten tot aan den mensch.
De ouistiti, de laagst ontwikkelde aap, heeft volkomen gladde hersenen; de
makako heeft enkele windingen; het aantal windingen neemt van soort tot soort
toe, en plotseling, bijna zonder eenigen overgang, vindt men bij de anthropoïde
apen, de chimpansee’s en de orang-oetans zonder uitzondering de voornaamste
windingen terug, die bij de hersenen van den mensch voorkomen. Het verschil
tusschen de hersenen van den ouistiti en den chimpansee is verbazend groot; het
verschil tusschen de hersenen van den chimpansee en die van den mensch is
daarentegen zeer gering. Dit zijn feiten. Hij die dit niet wil inzien, is willens en
wetens blind.
De vergelijking der verschillende menschenrassen en apen geeft dezelfde
resultaten, indien wij den schedelinhoud en den gezichtshoek onderzoeken:
Schedelinhoud.
cub. centimeters.
Europeanen 1568
Chineezen 1518
Nieuw-Caledoniërs 1460
Afrikaansche negers 1430
Australiërs 1347
Nubiërs 1329
Gorilla’s 531
Orang-oetans 439
Chimpansees 421
Leeuwen 321
Newfoundlanders 105
menschenras dan ook; kleine en veelvuldig geplooide windingen zijn een bewijs
van groote geestesgaven. De kleinere zoogdieren hebben betrekkelijk meer
hersenen; de muis b.v. heeft betrekkelijk meer hersenen dan de mensch; maar hare
hersenen zijn dan ook volkomen glad en hebben geene windingen.
Indien men de hersenen van die dieren, die anatomisch en physiologisch het meest
met den mensch overeenkomen, vergelijkt met die van den mensch, dan blijkt het,
dat het aantal windingen toeneemt, van de laagste apensoorten tot aan den mensch.
De ouistiti, de laagst ontwikkelde aap, heeft volkomen gladde hersenen; de
makako heeft enkele windingen; het aantal windingen neemt van soort tot soort
toe, en plotseling, bijna zonder eenigen overgang, vindt men bij de anthropoïde
apen, de chimpansee’s en de orang-oetans zonder uitzondering de voornaamste
windingen terug, die bij de hersenen van den mensch voorkomen. Het verschil
tusschen de hersenen van den ouistiti en den chimpansee is verbazend groot; het
verschil tusschen de hersenen van den chimpansee en die van den mensch is
daarentegen zeer gering. Dit zijn feiten. Hij die dit niet wil inzien, is willens en
wetens blind.
De vergelijking der verschillende menschenrassen en apen geeft dezelfde
resultaten, indien wij den schedelinhoud en den gezichtshoek onderzoeken:
Schedelinhoud.
cub. centimeters.
Europeanen 1568
Chineezen 1518
Nieuw-Caledoniërs 1460
Afrikaansche negers 1430
Australiërs 1347
Nubiërs 1329
Gorilla’s 531
Orang-oetans 439
Chimpansees 421
Leeuwen 321
Newfoundlanders 105
Page 599
Men heeft opgemerkt, dat de schedels uit de 12de eeuw, op de oude kerkhoven
van Parijs gevonden, iets kleiner zijn dan die der tegenwoordige Parijzenaars. De
verhouding is van 1504 : 1558 centimeters.
De gezichtshoek is grooter, naarmate het voorhoofd breeder, en het ras
verstandiger is. Men vindt voor:
Gemiddeld.
De blanke rassen 82° tot 77°
De gele rassen 76° tot 69°
De zwarte rassen 69° tot 60°
Bij de Bosjesmannen is de gezichtshoek 60°.
De lagere menschenrassen vormen uit een physisch en verstandelijk oogpunt den
overgang tusschen de anthropoïde apen en de Europeesche rassen. Er zijn
voorbeelden genoeg van zóó weinig ontwikkelde menschenrassen, dat men ze
bijna tot de apen zoude rangschikken. Die rassen, die veel dichter bij den
natuurstaat geplaatst zijn dan wij, verdienen daardoor de belangstelling van den
anthropoloog en den taalkenner, die bij hen dikwijls de oplossing vinden van
vraagstukken, die anders onoplosbaar zijn.
Bijzonder laag staan de inboorlingen van Australië. Zij zijn op moreel gebied
volkomen stomp en daarbij diep onwetend. Een bijzonder ontwikkeld instinct, om
hun voedsel te bemachtigen, dat moeilijk te verkrijgen is, schijnt in de plaats
getreden te zijn van de meeste moreele eigenschappen van den mensch. Als de
Engelsche politie niet streng er tegen waakte, zouden zij dagelijks in de steden der
kolonie de wetten der openbare zedelijkheid trotseeren, gelijk de apen in een
beestenspel. Zij kunnen niet verder dan tot vier tellen, sommige volksstammen
zelfs maar tot drie. Het vermogen om te redeneeren is bij hen hoogst onvolkomen
ontwikkeld. De argumenten, door de kolonisten gebezigd, om hen te overreden of
te overtuigen, zijn dikwijls van dezelfde soort als die welke men bij kinderen of
halve idioten bezigt.
van Parijs gevonden, iets kleiner zijn dan die der tegenwoordige Parijzenaars. De
verhouding is van 1504 : 1558 centimeters.
De gezichtshoek is grooter, naarmate het voorhoofd breeder, en het ras
verstandiger is. Men vindt voor:
Gemiddeld.
De blanke rassen 82° tot 77°
De gele rassen 76° tot 69°
De zwarte rassen 69° tot 60°
Bij de Bosjesmannen is de gezichtshoek 60°.
De lagere menschenrassen vormen uit een physisch en verstandelijk oogpunt den
overgang tusschen de anthropoïde apen en de Europeesche rassen. Er zijn
voorbeelden genoeg van zóó weinig ontwikkelde menschenrassen, dat men ze
bijna tot de apen zoude rangschikken. Die rassen, die veel dichter bij den
natuurstaat geplaatst zijn dan wij, verdienen daardoor de belangstelling van den
anthropoloog en den taalkenner, die bij hen dikwijls de oplossing vinden van
vraagstukken, die anders onoplosbaar zijn.
Bijzonder laag staan de inboorlingen van Australië. Zij zijn op moreel gebied
volkomen stomp en daarbij diep onwetend. Een bijzonder ontwikkeld instinct, om
hun voedsel te bemachtigen, dat moeilijk te verkrijgen is, schijnt in de plaats
getreden te zijn van de meeste moreele eigenschappen van den mensch. Als de
Engelsche politie niet streng er tegen waakte, zouden zij dagelijks in de steden der
kolonie de wetten der openbare zedelijkheid trotseeren, gelijk de apen in een
beestenspel. Zij kunnen niet verder dan tot vier tellen, sommige volksstammen
zelfs maar tot drie. Het vermogen om te redeneeren is bij hen hoogst onvolkomen
ontwikkeld. De argumenten, door de kolonisten gebezigd, om hen te overreden of
te overtuigen, zijn dikwijls van dezelfde soort als die welke men bij kinderen of
halve idioten bezigt.
Page 600
Fig. 324. Patagoniërs.
Quoy en Gaymard deelen in de volgende termen hun onderhoud met die ellendige
volksstammen mede: „Onze tegenwoordigheid wekte hunne vreugde op; zij
trachtten ons hunne indrukken mede te deelen met eene woordenrijkheid, waarop
wij niet konden antwoorden, daar wij hunne taal niet verstonden. Zoodra zij ons
zagen, kwamen zij naar ons toe, onder veel gebaren en eenen ontzaglijken
woordenvloed; zij uitten luide kreten, en als wij hen op denzelfden toon
beantwoordden, was hunne vreugde verbazend groot. Dadelijk vroegen zij om
spijs, door zich op den buik te slaan.” Het tafereel, door die reizigers geschetst, is
hoogst bedroevend. Het eenige wat men van hen zeggen kan, is dat zij niet
volslagen idioot zijn.
Niet alleen de Australische inboorlingen verkeeren in dat geval; Bory de Saint-
Vincent heeft ons een bijna even droevig beeld geschetst van de bewoners van
zuid-Afrika. De Pesjereezen in Patagonië zijn even laag ontwikkeld als deze.
Quoy en Gaymard deelen in de volgende termen hun onderhoud met die ellendige
volksstammen mede: „Onze tegenwoordigheid wekte hunne vreugde op; zij
trachtten ons hunne indrukken mede te deelen met eene woordenrijkheid, waarop
wij niet konden antwoorden, daar wij hunne taal niet verstonden. Zoodra zij ons
zagen, kwamen zij naar ons toe, onder veel gebaren en eenen ontzaglijken
woordenvloed; zij uitten luide kreten, en als wij hen op denzelfden toon
beantwoordden, was hunne vreugde verbazend groot. Dadelijk vroegen zij om
spijs, door zich op den buik te slaan.” Het tafereel, door die reizigers geschetst, is
hoogst bedroevend. Het eenige wat men van hen zeggen kan, is dat zij niet
volslagen idioot zijn.
Niet alleen de Australische inboorlingen verkeeren in dat geval; Bory de Saint-
Vincent heeft ons een bijna even droevig beeld geschetst van de bewoners van
zuid-Afrika. De Pesjereezen in Patagonië zijn even laag ontwikkeld als deze.
Page 601
Aan het andere uiteinde der wereld, op de ijsvlakte bij de noordpool, vinden wij
hetzelfde terug.
John Ross bevond zich, toen hij in het ijs verdwaald was geraakt, in
tegenwoordigheid van een volk, dat nooit eenen Europeaan gezien had. De
Engelsche zeevaarder, innig godsdienstig van aard, was in de gunstigste
omstandigheden, om de eenige wezens, die hij kon liefhebben, met zachtheid te
beoordeelen, en toch ...... als oplettend en eerlijk waarnemer, moest hij er eindelijk
aan wanhopen, om in hun gemoed de bezielende vonk te ontdekken, die hij daarin
wenschte te vinden. „De Eskimo,” zegt hij, „is een roofdier, zonder eenig ander
genot, dan het eten; hij mist elk zedelijkheidsbeginsel, en verslindt al wat hij
bemachtigen kan evenals de gier en de tijger;.... hij eet slechts om te slapen, en
slaapt alleen, om weder zoo spoedig mogelijk te kunnen eten.” Wij zullen nog
lager afdalen, en menschen bespreken, die zóó laag stonden, dat zij, die ze gezien
hebben, verklaarden, dat, indien zij ze ontmoet hadden in een bosch, zij niet
zouden kunnen zeggen, of zij apen of menschen vóór zich hadden. En
merkwaardig is het, dat men die niet vindt in arme of aan het uiteinde der wereld
gelegen landen, maar op het Aziatische vasteland, ten zuiden van den
Himalayaketen, in het midden van Hindostan, en wel in de streken, die de
bakermat geweest zijn van enkele soorten van groote apen, op een tijdstip toen de
eilanden van den Indischen archipel met het vasteland van Azië verbonden waren.
Piddington, die in het midden van Hindostan gevestigd was, verhaalt, dat hij
jaarlijks met eene troep inlandsche arbeiders, die op de plantage kwamen werken,
eenen man en eene vrouw van een bijzonder vreemd voorkomen zag medekomen,
die door de inlanders aap-menschen genoemd werden. Zij hadden eene taal op
zich zelf. Voor zoover men uit teekenen kon begrijpen, leefden zij in de bosschen
en in de bergstreken en hadden zij slechts enkele dorpen. Het is waarschijnlijk, dat
beiden om eenen moord of iets dergelijks gevlucht waren. Zeker is het, dat zij
door de inlanders in het bosch gevonden waren, toen zij uitgeput en uitgehongerd
waren. In eenen zekeren nacht waren zij plotseling verdwenen, juist toen
Piddington ze naar Calcutta wilde zenden. Hij beschrijft den man aldus: Hij was
klein, had eenen platten neus, half-cirkelvormige rimpels liepen om de
mondhoeken en over de wangen; zijne armen waren bovenmatig lang, en zijne
dofzwarte huid was met roode haren bedekt. Als hij in eenen donkeren hoek
gedoken of op eenen boom zat, zou men hem voor eenen grooten orang-oetan
hebben aangezien.
hetzelfde terug.
John Ross bevond zich, toen hij in het ijs verdwaald was geraakt, in
tegenwoordigheid van een volk, dat nooit eenen Europeaan gezien had. De
Engelsche zeevaarder, innig godsdienstig van aard, was in de gunstigste
omstandigheden, om de eenige wezens, die hij kon liefhebben, met zachtheid te
beoordeelen, en toch ...... als oplettend en eerlijk waarnemer, moest hij er eindelijk
aan wanhopen, om in hun gemoed de bezielende vonk te ontdekken, die hij daarin
wenschte te vinden. „De Eskimo,” zegt hij, „is een roofdier, zonder eenig ander
genot, dan het eten; hij mist elk zedelijkheidsbeginsel, en verslindt al wat hij
bemachtigen kan evenals de gier en de tijger;.... hij eet slechts om te slapen, en
slaapt alleen, om weder zoo spoedig mogelijk te kunnen eten.” Wij zullen nog
lager afdalen, en menschen bespreken, die zóó laag stonden, dat zij, die ze gezien
hebben, verklaarden, dat, indien zij ze ontmoet hadden in een bosch, zij niet
zouden kunnen zeggen, of zij apen of menschen vóór zich hadden. En
merkwaardig is het, dat men die niet vindt in arme of aan het uiteinde der wereld
gelegen landen, maar op het Aziatische vasteland, ten zuiden van den
Himalayaketen, in het midden van Hindostan, en wel in de streken, die de
bakermat geweest zijn van enkele soorten van groote apen, op een tijdstip toen de
eilanden van den Indischen archipel met het vasteland van Azië verbonden waren.
Piddington, die in het midden van Hindostan gevestigd was, verhaalt, dat hij
jaarlijks met eene troep inlandsche arbeiders, die op de plantage kwamen werken,
eenen man en eene vrouw van een bijzonder vreemd voorkomen zag medekomen,
die door de inlanders aap-menschen genoemd werden. Zij hadden eene taal op
zich zelf. Voor zoover men uit teekenen kon begrijpen, leefden zij in de bosschen
en in de bergstreken en hadden zij slechts enkele dorpen. Het is waarschijnlijk, dat
beiden om eenen moord of iets dergelijks gevlucht waren. Zeker is het, dat zij
door de inlanders in het bosch gevonden waren, toen zij uitgeput en uitgehongerd
waren. In eenen zekeren nacht waren zij plotseling verdwenen, juist toen
Piddington ze naar Calcutta wilde zenden. Hij beschrijft den man aldus: Hij was
klein, had eenen platten neus, half-cirkelvormige rimpels liepen om de
mondhoeken en over de wangen; zijne armen waren bovenmatig lang, en zijne
dofzwarte huid was met roode haren bedekt. Als hij in eenen donkeren hoek
gedoken of op eenen boom zat, zou men hem voor eenen grooten orang-oetan
hebben aangezien.
Page 602
Piddington had veel gereisd, had zoowel de Bosjesmannen, als de Hottentotten, de
Papoea’s, de Alfoeren, de inboorlingen van nieuw-Holland, nieuw-Zeeland en de
Sand-wichseilanden gezien, zoodat hij een waarnemer was, bijzonder rijk aan
ondervinding.
Whitebourne schreef reeds in 1612, dat de Eskimo’s geen begrip hadden van de
Godheid en eene volkomen regeeringlooze troep vormden. Wij kunnen daarbij
voegen de getuigenis van John Ross, die langen tijd in hun midden woonde:
„Begrepen zij iets, zoo vraagt hij, van alles wat ik hen trachtte te leeren, door de
eenvoudigste zaken op de eenvoudigste wijze uit te leggen? Ik kan het niet
zeggen. Zou het mij beter gelukt zijn, indien ik hunne taal had verstaan? Ik heb
reden om het te betwijfelen. Ik zou niet durven ontkennen, dat zij een spoor eener
moreele wet in hun hart dragen; talrijke trekken in hun gedrag wijzen dit uit; maar
ik heb het nooit verder kunnen brengen dan tot enkele aanwijzingen. Ik heb nooit
het minste spoor van het bestaan van eenen godsdienst bij hen kunnen ontdekken.
Ik heb mijne pogingen in die richting eindelijk moeten opgeven.” Die getuigenis is
des te belangrijker, omdat wij in ieder woord het verdriet hooren spreken van
iemand, die, hoe gaarne hij het ook gewild had, in het hart van andere menschen
de echo niet gehoord heeft van de gevoelens, die hem het dierbaarst waren.
Een groot aantal van de lagere volkeren loopen totaal naakt. De beroemde
Afrikareiziger Doctor Schweinfurth verhaalt, dat bij de Dinka’s zelfs de minste
bedekking als het sterke geslacht onwaardig beschouwd wordt. De Nubiërs, die
eenen dunnen gordel dragen, worden voor vrouwen uitgescholden door de
Dinka’s, bij wie de vrouwen een schort van huiden dragen. Bij andere
volksstammen in Afrika loopen mannen en vrouwen naakt. Hun huid is chocolade-
kleurig. Sommigen slijpen hunne snijtanden scherp, om beter hunne vijanden te
kunnen bijten, terwijl anderen ze uittrekken naar de mode van hun land. De
Bongo’s dragen eenen gordel, hunne vrouwen willen echter geen enkel stukje leer
of katoen dragen, maar dragen alleen een dun takje met bladeren of eenig gras te
zamen gebonden. Beiden dragen aan armen en beenen, en dikwijls aan den hals,
zware ijzeren of koperen ringen, en de vrouwen doorboren dadelijk na haar
huwelijk hare benedenlip, waarin zij hoe langer hoe dikkere pinnen steken,
dikwijls van 2 tot 3 centimeters middellijn. Het begrip onsterfelijkheid is hun
volkomen onbekend. Elke godsdienst is hun vreemd. Behalve het woord „loma”,
dat zoowel geluk als ongeluk beteekent, hebben zij in hunne taal geen enkel
woord, dat overeenkomt met het woord Godheid. Zij noemen den God der Turken,
waarvan zij wel eens hebben hooren spreken, loma-gobo, doch zij hechten aan dat
woord meer de beteekenis van „toeval.”
Papoea’s, de Alfoeren, de inboorlingen van nieuw-Holland, nieuw-Zeeland en de
Sand-wichseilanden gezien, zoodat hij een waarnemer was, bijzonder rijk aan
ondervinding.
Whitebourne schreef reeds in 1612, dat de Eskimo’s geen begrip hadden van de
Godheid en eene volkomen regeeringlooze troep vormden. Wij kunnen daarbij
voegen de getuigenis van John Ross, die langen tijd in hun midden woonde:
„Begrepen zij iets, zoo vraagt hij, van alles wat ik hen trachtte te leeren, door de
eenvoudigste zaken op de eenvoudigste wijze uit te leggen? Ik kan het niet
zeggen. Zou het mij beter gelukt zijn, indien ik hunne taal had verstaan? Ik heb
reden om het te betwijfelen. Ik zou niet durven ontkennen, dat zij een spoor eener
moreele wet in hun hart dragen; talrijke trekken in hun gedrag wijzen dit uit; maar
ik heb het nooit verder kunnen brengen dan tot enkele aanwijzingen. Ik heb nooit
het minste spoor van het bestaan van eenen godsdienst bij hen kunnen ontdekken.
Ik heb mijne pogingen in die richting eindelijk moeten opgeven.” Die getuigenis is
des te belangrijker, omdat wij in ieder woord het verdriet hooren spreken van
iemand, die, hoe gaarne hij het ook gewild had, in het hart van andere menschen
de echo niet gehoord heeft van de gevoelens, die hem het dierbaarst waren.
Een groot aantal van de lagere volkeren loopen totaal naakt. De beroemde
Afrikareiziger Doctor Schweinfurth verhaalt, dat bij de Dinka’s zelfs de minste
bedekking als het sterke geslacht onwaardig beschouwd wordt. De Nubiërs, die
eenen dunnen gordel dragen, worden voor vrouwen uitgescholden door de
Dinka’s, bij wie de vrouwen een schort van huiden dragen. Bij andere
volksstammen in Afrika loopen mannen en vrouwen naakt. Hun huid is chocolade-
kleurig. Sommigen slijpen hunne snijtanden scherp, om beter hunne vijanden te
kunnen bijten, terwijl anderen ze uittrekken naar de mode van hun land. De
Bongo’s dragen eenen gordel, hunne vrouwen willen echter geen enkel stukje leer
of katoen dragen, maar dragen alleen een dun takje met bladeren of eenig gras te
zamen gebonden. Beiden dragen aan armen en beenen, en dikwijls aan den hals,
zware ijzeren of koperen ringen, en de vrouwen doorboren dadelijk na haar
huwelijk hare benedenlip, waarin zij hoe langer hoe dikkere pinnen steken,
dikwijls van 2 tot 3 centimeters middellijn. Het begrip onsterfelijkheid is hun
volkomen onbekend. Elke godsdienst is hun vreemd. Behalve het woord „loma”,
dat zoowel geluk als ongeluk beteekent, hebben zij in hunne taal geen enkel
woord, dat overeenkomt met het woord Godheid. Zij noemen den God der Turken,
waarvan zij wel eens hebben hooren spreken, loma-gobo, doch zij hechten aan dat
woord meer de beteekenis van „toeval.”
Page 603
Fig. 325.—Menscheneters uit centraal-Afrika, naar het reisverhaal van Schweinfurth.
De meest gewone uitdrukkingen, door ons gebezigd voor afgetrokken begrippen,
missen zij; zij hebben geene uitdrukking voor geest, ziel, onsterfelijkheid,
oneindigheid, tijd, hoop, gedachte, gevoel, kleur, reuk, enz. Ditzelfde verschijnsel
vindt men bij al die lagere rassen. Hunne taal is als het ware niets dan
klanknabootsing. Zij zelf hebben namen van dieren en planten. Bij enkele
volksstammen bestaat de onderdanigste groet hierin, dat men elkander in het
gezicht spuwt.
De Niam-Niams dragen gewoonlijk eenen gordel, die zóó om het lichaam
gebonden wordt, dat hij in eenen staart eindigt. Zij zijn nog steeds menscheneters;
aan den ingang hunner hutten vindt men staken en boomen, die dienen, om hunne
jacht- en oorlogstrofeën te vertoonen. Daaronder vond Schweinfurth koppen van
antilopen, wilde zwijnen, kleine apen, bavianen, chimpansee’s, en ook schedels
van menschen. In de nabijheid der hutten vond hij onder de keukens overblijfselen
De meest gewone uitdrukkingen, door ons gebezigd voor afgetrokken begrippen,
missen zij; zij hebben geene uitdrukking voor geest, ziel, onsterfelijkheid,
oneindigheid, tijd, hoop, gedachte, gevoel, kleur, reuk, enz. Ditzelfde verschijnsel
vindt men bij al die lagere rassen. Hunne taal is als het ware niets dan
klanknabootsing. Zij zelf hebben namen van dieren en planten. Bij enkele
volksstammen bestaat de onderdanigste groet hierin, dat men elkander in het
gezicht spuwt.
De Niam-Niams dragen gewoonlijk eenen gordel, die zóó om het lichaam
gebonden wordt, dat hij in eenen staart eindigt. Zij zijn nog steeds menscheneters;
aan den ingang hunner hutten vindt men staken en boomen, die dienen, om hunne
jacht- en oorlogstrofeën te vertoonen. Daaronder vond Schweinfurth koppen van
antilopen, wilde zwijnen, kleine apen, bavianen, chimpansee’s, en ook schedels
van menschen. In de nabijheid der hutten vond hij onder de keukens overblijfselen
Page 604
van menschenbeenderen, die de sporen droegen van de bijl of het mes; en aan de
naburige boomen hingen rottende handen en voeten, die eenen walgelijken reuk
verspreidden.
Het gedeelte van centraal-Afrika, dat door die wilden bewoond wordt, schijnt ook
het vaderland der chimpansee’s te zijn. Schweinfurth vond ten minste in de hutten
een verbazend aantal schedels van chimpansee’s, en de Niam-Niams jagen in de
wouden voortdurend op die dieren. De inboorlingen beweren, evenals die van
west-Afrika, dat die apen met menschelijke gedaante de vrouwen en jonge
negerinnen wegrooven, en dat het zeer moeilijk is, ze terug te krijgen. Die
holbewoners verdedigen zich met woede: in hunnen hoek gedoken, ontrukken zij
de wapenen aan hunne aanvallers, en maken zij er gebruik van tegen den vijand.
De Momboettoe’s, naburen der Niam-Niams, zijn nog veel meer menscheneters
dan deze. Bij hen is het volstrekt niet uit noodzakelijkheid, want zij hebben een
groot aantal dieren ter hunner beschikking, maar alleen voor de lekkernij. Zij zijn
omgeven door zwarte volksstammen, die in ontwikkeling nog lager staan dan zij,
en zij maken daarop evenzeer jacht als op apen, evenals wij op wild jacht maken.
De lichamen van hen, die sneuvelen, worden dadelijk in stukken gehakt, het
vleesch wordt in lange repen gesneden, op de plaats zelf geroosterd en als eene
lekkernij medegenomen. De gevangenen worden bewaard, als schapen opgesloten
en één voor één, naarmate van de behoefte, gewurgd. De kinderen worden als
lekkernij voor de hoofden bewaard. Dagelijks kreeg koning Mounza tijdens het
verblijf van Schweinfurth een kind op schotel. In de keuken gebruikt men
menschenvet, zooals wij boter gebruiken.
naburige boomen hingen rottende handen en voeten, die eenen walgelijken reuk
verspreidden.
Het gedeelte van centraal-Afrika, dat door die wilden bewoond wordt, schijnt ook
het vaderland der chimpansee’s te zijn. Schweinfurth vond ten minste in de hutten
een verbazend aantal schedels van chimpansee’s, en de Niam-Niams jagen in de
wouden voortdurend op die dieren. De inboorlingen beweren, evenals die van
west-Afrika, dat die apen met menschelijke gedaante de vrouwen en jonge
negerinnen wegrooven, en dat het zeer moeilijk is, ze terug te krijgen. Die
holbewoners verdedigen zich met woede: in hunnen hoek gedoken, ontrukken zij
de wapenen aan hunne aanvallers, en maken zij er gebruik van tegen den vijand.
De Momboettoe’s, naburen der Niam-Niams, zijn nog veel meer menscheneters
dan deze. Bij hen is het volstrekt niet uit noodzakelijkheid, want zij hebben een
groot aantal dieren ter hunner beschikking, maar alleen voor de lekkernij. Zij zijn
omgeven door zwarte volksstammen, die in ontwikkeling nog lager staan dan zij,
en zij maken daarop evenzeer jacht als op apen, evenals wij op wild jacht maken.
De lichamen van hen, die sneuvelen, worden dadelijk in stukken gehakt, het
vleesch wordt in lange repen gesneden, op de plaats zelf geroosterd en als eene
lekkernij medegenomen. De gevangenen worden bewaard, als schapen opgesloten
en één voor één, naarmate van de behoefte, gewurgd. De kinderen worden als
lekkernij voor de hoofden bewaard. Dagelijks kreeg koning Mounza tijdens het
verblijf van Schweinfurth een kind op schotel. In de keuken gebruikt men
menschenvet, zooals wij boter gebruiken.
Page 605
Fig. 326. Bosjesmannen op de jacht.
Wij zouden over dit onderwerp nog veel meer in bijzonderheden kunnen
uitweiden. Doch het voorgaande is voldoende, om duidelijk te maken, dat die
laagste volkstammen, die zinnelijke, grove, onwetende wezens, ongeschikt voor
iedere afgetrokken redeneering, dichter staan bij de chimpansee’s, de orang-oetans
en de gorilla’s, dan bij de menschenrassen, waartoe Newton, Leibnitz, Kepler,
Archimedes, Huygens, Phidias, Dante, Shakespeare, Leonard da Vinci, Pascal,
Mozart en zoovele andere reuzengeesten behoord hebben. Wij moeten hierbij
tevens opmerken, dat het hoe langer hoe moeilijker wordt, volkomen natuurlijke
oorspronkelijke rassen te vinden, daar de zendelingen en de reizigers de
denkbeelden, die het gevolg zijn onzer hoogere beschaving, bijna overal hebben
overgeplant. Wel zoude men in menig opzicht de voortreffelijkheid van onze
Wij zouden over dit onderwerp nog veel meer in bijzonderheden kunnen
uitweiden. Doch het voorgaande is voldoende, om duidelijk te maken, dat die
laagste volkstammen, die zinnelijke, grove, onwetende wezens, ongeschikt voor
iedere afgetrokken redeneering, dichter staan bij de chimpansee’s, de orang-oetans
en de gorilla’s, dan bij de menschenrassen, waartoe Newton, Leibnitz, Kepler,
Archimedes, Huygens, Phidias, Dante, Shakespeare, Leonard da Vinci, Pascal,
Mozart en zoovele andere reuzengeesten behoord hebben. Wij moeten hierbij
tevens opmerken, dat het hoe langer hoe moeilijker wordt, volkomen natuurlijke
oorspronkelijke rassen te vinden, daar de zendelingen en de reizigers de
denkbeelden, die het gevolg zijn onzer hoogere beschaving, bijna overal hebben
overgeplant. Wel zoude men in menig opzicht de voortreffelijkheid van onze
Page 606
verstandelijke en zedelijke ontwikkeling in twijfel kunnen trekken. Aan de edelste
godsdiensten kan men de grootste laagheden verwijten: aan de christenen, de
vervolgingen der inquisitie en de godsdienstoorlogen; aan de muzelmannen de
bloedbaden, die zij bij hunne veroveringen hebben aangericht; aan de
verstandigste regeeringen van Europa, den gewapenden vrede, het geld, dat aan de
staande legers opgeofferd wordt, de diplomatie, die het recht van den sterkste met
een masker van recht bedekken moet. Ja zeker, een bewoner van Sirius, of van
eene werkelijk verstandelijk ontwikkelde wereld zou geen onderscheid zien
tusschen de Europeanen, de Amerikanen, de Aziaten eenerzijds, en de Australische
en Afrikaansche volksstammen, waarover wij zooeven gesproken hebben, aan de
andere zijde, en misschien zouden zij over alle tegenwoordige aardbewoners
medelijdend de schouders ophalen. Maar alles is betrekkelijk. Het is niet te
loochenen, dat wij minder onvolmaakt zijn dan die wilde stammen, en dat ons
verstand veel hooger ontwikkeld is. Het doel dezer studie is geweest, het verband
aan te wijzen tusschen de menschheid en de dierenwereld, waarvan zij zich met
moeite en uiterst langzaam heeft losgemaakt.
Men heeft wel eens beweerd, dat daar de menschheid bezit heeft genomen van de
aarde en de overhand heeft verkregen boven het dierenrijk door de oefening zijner
hoogere vermogens, het te vreezen staat, dat de dag zal aanbreken, waarop een
nieuw ras te voorschijn komt, dat zooveel boven het onze staat, als wij boven de
overige zoogdieren, en dat ons zal ten onder brengen, zooals wij de lagere rassen
hebben vermeesterd. Toch is dit denkbeeld, dat in verschillende werken in
verschillende talen is uitgewerkt, eene dwaling. Wel zal de menschheid der
toekomst eene andere zijn dan de onze; maar zij zal geleidelijk gevormd zijn en de
ontwikkeling zijn van de onze. Wij zelf zijn het, die verstandiger en beter zullen
worden, die de lichamelijke en geestelijke onderdrukking van den mensch zullen
opheffen, en die het rijk van licht en vrijheid zullen stichten.
Wij kunnen het niet genoeg herhalen, de mensch neemt door zijne rede de eerste
plaats in de rij der wezens in; terecht heerscht hij dus over alles wat op de aarde
leeft. Maar wij moeten ook erkennen, dat de mensch in wezen niet verschilt van
zijne naaste buren, de anthropoïde apen. Anatomisch zijn het dezelfde organen, op
dezelfde wijze gebouwd en gelegen, en alleen door verschillen van minderen rang
van elkander afwijkend; de voeten, de handen, de wervelkolom, de borstkas, het
bekken, de zintuigen, alles is op dezelfde wijze gebouwd; de hersenen zijn in
bouw en in windingen eveneens dezelfde; de storingen komen zelfs overeen. De
eenige physische verschillen zijn gelegen in den inhoud der hersenen, die bij den
mensch driemaal grooter is, en hare windingen, waardoor bij den mensch de rede,
godsdiensten kan men de grootste laagheden verwijten: aan de christenen, de
vervolgingen der inquisitie en de godsdienstoorlogen; aan de muzelmannen de
bloedbaden, die zij bij hunne veroveringen hebben aangericht; aan de
verstandigste regeeringen van Europa, den gewapenden vrede, het geld, dat aan de
staande legers opgeofferd wordt, de diplomatie, die het recht van den sterkste met
een masker van recht bedekken moet. Ja zeker, een bewoner van Sirius, of van
eene werkelijk verstandelijk ontwikkelde wereld zou geen onderscheid zien
tusschen de Europeanen, de Amerikanen, de Aziaten eenerzijds, en de Australische
en Afrikaansche volksstammen, waarover wij zooeven gesproken hebben, aan de
andere zijde, en misschien zouden zij over alle tegenwoordige aardbewoners
medelijdend de schouders ophalen. Maar alles is betrekkelijk. Het is niet te
loochenen, dat wij minder onvolmaakt zijn dan die wilde stammen, en dat ons
verstand veel hooger ontwikkeld is. Het doel dezer studie is geweest, het verband
aan te wijzen tusschen de menschheid en de dierenwereld, waarvan zij zich met
moeite en uiterst langzaam heeft losgemaakt.
Men heeft wel eens beweerd, dat daar de menschheid bezit heeft genomen van de
aarde en de overhand heeft verkregen boven het dierenrijk door de oefening zijner
hoogere vermogens, het te vreezen staat, dat de dag zal aanbreken, waarop een
nieuw ras te voorschijn komt, dat zooveel boven het onze staat, als wij boven de
overige zoogdieren, en dat ons zal ten onder brengen, zooals wij de lagere rassen
hebben vermeesterd. Toch is dit denkbeeld, dat in verschillende werken in
verschillende talen is uitgewerkt, eene dwaling. Wel zal de menschheid der
toekomst eene andere zijn dan de onze; maar zij zal geleidelijk gevormd zijn en de
ontwikkeling zijn van de onze. Wij zelf zijn het, die verstandiger en beter zullen
worden, die de lichamelijke en geestelijke onderdrukking van den mensch zullen
opheffen, en die het rijk van licht en vrijheid zullen stichten.
Wij kunnen het niet genoeg herhalen, de mensch neemt door zijne rede de eerste
plaats in de rij der wezens in; terecht heerscht hij dus over alles wat op de aarde
leeft. Maar wij moeten ook erkennen, dat de mensch in wezen niet verschilt van
zijne naaste buren, de anthropoïde apen. Anatomisch zijn het dezelfde organen, op
dezelfde wijze gebouwd en gelegen, en alleen door verschillen van minderen rang
van elkander afwijkend; de voeten, de handen, de wervelkolom, de borstkas, het
bekken, de zintuigen, alles is op dezelfde wijze gebouwd; de hersenen zijn in
bouw en in windingen eveneens dezelfde; de storingen komen zelfs overeen. De
eenige physische verschillen zijn gelegen in den inhoud der hersenen, die bij den
mensch driemaal grooter is, en hare windingen, waardoor bij den mensch de rede,
Page 607
de schoonste parel aan zijne kroon, zooveel meer ontwikkeld is. Ook uit een
moreel oogpunt hebben wij den langzamen overgang van de dieren tot aan den
mensch leeren kennen. De vraag is thans, welke van de vier soorten van
anthropoïde apen het dichtst bij den mensch staat.
De gibbon komt niet in aanmerking. Wel staat hij hoog door zijne
hersenwindingen en zijn ruggemerg, maar door de nauwheid van zijn bekken en
de schikking zijner spieren is hij het verst van den mensch verwijderd.
Ook de orang-oetan heeft eenige anatomische karaktertrekken, waardoor hij
tamelijk ver van den mensch verwijderd is, zooals de gebrekkige handen en voeten
en de afmetingen van het geraamte; doch zijne hersenwindingen, zijn
gezichtshoek, zijne ribben, tanden en zijn verstand wijzen op eene hooge
ontwikkeling.
De chimpansee heeft in zijn voordeel het aantal hersenwindingen, de afmetingen
van het geraamte en de vorm van den schedel.
De gorilla eindelijk heeft een groot hersenvolume en komt ook door zijne spieren,
zijne handen en voeten, zijn bekken en andere bijzonderheden met den mensch
overeen; hij heeft echter 13 paar ribben, eene gebrekkige wervelkolom en lange
hoektanden.
Ieder der drie groote anthropoïde apen komt dus in enkele eigenschappen met den
mensch overeen, geen enkele echter vereenigt al die eigenschappen in zich. Zoo
kan men van de laagste menschenrassen niet beweren, (zelfs niet van de
Bosjesmannen) dat zij van eenen anthropoïden aap afstammen; zij naderen daartoe
alleen door enkele eigenschappen. De mensch, mogen wij dus aannemen, stamt
niet af van ééne der tegenwoordig bestaande anthropoïde apensoorten, hij is als
het ware de neef van den anthropoïden aap; de gemeenschappelijke stamvader
behoort tot een ander tijdperk1.
De Amerikaansche apen verschillen van die van Afrika, Azië en Europa hierin, dat
zij eenen platten neus hebben, zoodat de neusgaten zijdelings geplaatst zijn; zij
heeten daarom ook Platyrrhinae (platneuzen). De apen der oude wereld
daarentegen (orang-oetans, gorilla’s, chimpansee’s), hebben een smal
tusschenschot in den neus en de neusgaten naar beneden gericht, en heeten daarom
Catarrhinae. De laatste hebben bovendien hetzelfde aantal tanden als de mensen;
aan iedere kaak heeft men vier snijtanden, 2 hoektanden en tien kiezen, in het
moreel oogpunt hebben wij den langzamen overgang van de dieren tot aan den
mensch leeren kennen. De vraag is thans, welke van de vier soorten van
anthropoïde apen het dichtst bij den mensch staat.
De gibbon komt niet in aanmerking. Wel staat hij hoog door zijne
hersenwindingen en zijn ruggemerg, maar door de nauwheid van zijn bekken en
de schikking zijner spieren is hij het verst van den mensch verwijderd.
Ook de orang-oetan heeft eenige anatomische karaktertrekken, waardoor hij
tamelijk ver van den mensch verwijderd is, zooals de gebrekkige handen en voeten
en de afmetingen van het geraamte; doch zijne hersenwindingen, zijn
gezichtshoek, zijne ribben, tanden en zijn verstand wijzen op eene hooge
ontwikkeling.
De chimpansee heeft in zijn voordeel het aantal hersenwindingen, de afmetingen
van het geraamte en de vorm van den schedel.
De gorilla eindelijk heeft een groot hersenvolume en komt ook door zijne spieren,
zijne handen en voeten, zijn bekken en andere bijzonderheden met den mensch
overeen; hij heeft echter 13 paar ribben, eene gebrekkige wervelkolom en lange
hoektanden.
Ieder der drie groote anthropoïde apen komt dus in enkele eigenschappen met den
mensch overeen, geen enkele echter vereenigt al die eigenschappen in zich. Zoo
kan men van de laagste menschenrassen niet beweren, (zelfs niet van de
Bosjesmannen) dat zij van eenen anthropoïden aap afstammen; zij naderen daartoe
alleen door enkele eigenschappen. De mensch, mogen wij dus aannemen, stamt
niet af van ééne der tegenwoordig bestaande anthropoïde apensoorten, hij is als
het ware de neef van den anthropoïden aap; de gemeenschappelijke stamvader
behoort tot een ander tijdperk1.
De Amerikaansche apen verschillen van die van Afrika, Azië en Europa hierin, dat
zij eenen platten neus hebben, zoodat de neusgaten zijdelings geplaatst zijn; zij
heeten daarom ook Platyrrhinae (platneuzen). De apen der oude wereld
daarentegen (orang-oetans, gorilla’s, chimpansee’s), hebben een smal
tusschenschot in den neus en de neusgaten naar beneden gericht, en heeten daarom
Catarrhinae. De laatste hebben bovendien hetzelfde aantal tanden als de mensen;
aan iedere kaak heeft men vier snijtanden, 2 hoektanden en tien kiezen, in het
Page 608
geheel dus 32 tanden, terwijl de Amerikaansche apen er 36 hebben, en wel vier
kiezen meer. Hieruit volgt, dat er oudtijds in de afstamming der apen eene
scheiding heeft plaats gehad, en dat de mensch afstamt van de apen der oude
wereld. Maar geen der tegenwoordige apen kan als onze stamvader beschouwd
worden. Reeds lang zijn de aapachtige voorouders van den mensch verdwenen.
Misschien is de dryopithecus, waarvan Gaudry beweert, dat hij in staat was,
vuursteenen te slijpen, nauw aan dien voorvader verwant, wiens heerschappij
dagteekent van voor meer dan honderdduizend jaren.
De mensch is dus het laatste voortbrengsel van het leven op aarde, de top van den
stamboom van het dierenrijk, de jongste en volmaaktste der zoogdieren, in één
woord, een verbeterde en gewijzigde aap.
Dit denkbeeld hindert en ergert hen, die er genoegen in scheppen, de bakermat der
menschheid met eenen stralenkrans te omgeven; indien wij dan ook onzen roem
stellen in onzen stamboom en niet in onze eigen daden, dan is dat denkbeeld
inderdaad vernederend. Maar wat is die slag, dien onze eigenliefde hierdoor
ondergaat, in vergelijking met dien, welke ons reeds door de sterrenkunde is
toegebracht? Toen men meende, dat de aarde het middelpunt der schepping was,
en dat het heelal ten behoeve der aarde geschapen was, en de aarde ten behoeve
van den mensch, had onze hoogmoed de ruimste voldoening. Die leer verviel op
den dag, waarop bewezen werd, dat onze planeet slechts een nederige wachter is
van de zon, die zelf slechts één der vele lichtpunten van het heelal is: op dien dag
reeds en niet eerst nu werd de mensch tot nederigheid gedwongen. Niet voor hem
kwam de zon iederen morgen op, niet voor hem ontstak het hemelgewelf iederen
avond zijne ontelbare lichten; niet uitsluitend voor hem, evenmin als voor de
bewoners eener andere wereld van de oneindige ruimte, was de wereld geschapen.
Evenals de boer, die zich in den droom als den oppermachtigen heerscher der
aarde zag, ontwaakte de mensch in eene eenvoudige hut. Niet zonder leedwezen
zag hij zich zoo vernederd; langen tijd hinderde hem de herinnering aan zijnen
vervlogen droom, maar hij moest zich onderwerpen en zich gewennen aan de
werkelijkheid, en ook thans troost hij zich met het denkbeeld, dat hij, al is hij niet
meer de koning der schepping, toch nog altijd de koning der aarde is.
Op die onbetwiste heerschappij mag hij met recht trotsch zijn. Doch wordt deze
bedreigd of verminderd door de kennis van de geleidelijke verandering der
soorten? Zal zij minder beteekenis hebben, indien hij die aan zich zelf
verschuldigd is, dan wanneer hij die van zijne eerste voorouders verkregen heeft?
kiezen meer. Hieruit volgt, dat er oudtijds in de afstamming der apen eene
scheiding heeft plaats gehad, en dat de mensch afstamt van de apen der oude
wereld. Maar geen der tegenwoordige apen kan als onze stamvader beschouwd
worden. Reeds lang zijn de aapachtige voorouders van den mensch verdwenen.
Misschien is de dryopithecus, waarvan Gaudry beweert, dat hij in staat was,
vuursteenen te slijpen, nauw aan dien voorvader verwant, wiens heerschappij
dagteekent van voor meer dan honderdduizend jaren.
De mensch is dus het laatste voortbrengsel van het leven op aarde, de top van den
stamboom van het dierenrijk, de jongste en volmaaktste der zoogdieren, in één
woord, een verbeterde en gewijzigde aap.
Dit denkbeeld hindert en ergert hen, die er genoegen in scheppen, de bakermat der
menschheid met eenen stralenkrans te omgeven; indien wij dan ook onzen roem
stellen in onzen stamboom en niet in onze eigen daden, dan is dat denkbeeld
inderdaad vernederend. Maar wat is die slag, dien onze eigenliefde hierdoor
ondergaat, in vergelijking met dien, welke ons reeds door de sterrenkunde is
toegebracht? Toen men meende, dat de aarde het middelpunt der schepping was,
en dat het heelal ten behoeve der aarde geschapen was, en de aarde ten behoeve
van den mensch, had onze hoogmoed de ruimste voldoening. Die leer verviel op
den dag, waarop bewezen werd, dat onze planeet slechts een nederige wachter is
van de zon, die zelf slechts één der vele lichtpunten van het heelal is: op dien dag
reeds en niet eerst nu werd de mensch tot nederigheid gedwongen. Niet voor hem
kwam de zon iederen morgen op, niet voor hem ontstak het hemelgewelf iederen
avond zijne ontelbare lichten; niet uitsluitend voor hem, evenmin als voor de
bewoners eener andere wereld van de oneindige ruimte, was de wereld geschapen.
Evenals de boer, die zich in den droom als den oppermachtigen heerscher der
aarde zag, ontwaakte de mensch in eene eenvoudige hut. Niet zonder leedwezen
zag hij zich zoo vernederd; langen tijd hinderde hem de herinnering aan zijnen
vervlogen droom, maar hij moest zich onderwerpen en zich gewennen aan de
werkelijkheid, en ook thans troost hij zich met het denkbeeld, dat hij, al is hij niet
meer de koning der schepping, toch nog altijd de koning der aarde is.
Op die onbetwiste heerschappij mag hij met recht trotsch zijn. Doch wordt deze
bedreigd of verminderd door de kennis van de geleidelijke verandering der
soorten? Zal zij minder beteekenis hebben, indien hij die aan zich zelf
verschuldigd is, dan wanneer hij die van zijne eerste voorouders verkregen heeft?
Page 609
Wel verre van den oorsprong van ons ras te vernederen, veredelt ons de nieuwere
leer, daar zij den mensch leert, dat hij zelf zijne hooge waarde verkregen heeft
door eigen inspanning en door oefening zijner vermogens.
Doch zijn dergelijke beschouwingen niet misplaatst in een wetenschappelijk of
populair werk? Wij wenschen hierover onze meening in het kort mede te deelen.
Iedere wetenschap, en dus ook de sterrenkunde, de geologie, de paleontologie,
heeft groote waarde op zich zelf. Maar het doel van het weten is om den geest te
verlichten. Een sterrenkundige, een geoloog, een natuuronderzoeker, die al de
geheimen zijner geliefkoosde wetenschap heeft leeren ontsluieren, kan daarom
toch wel, niettegenstaande zijne groote geleerdheid, een onontwikkeld verstand
hebben, en niet hebben leeren denken. De grootste gave echter van den
menschelijken geest is het vermogen om te denken, te oordeelen, te
generaliseeren, in één woord zijne wetenschap dienstbaar te maken aan zijn
oordeel. De wetenschap, die den geest niet verlicht, die den mensch niet tot gids
verstrekt, die hem niet losmaakt van de dwalingen van de onkunde en het
vooroordeel, sticht minder nut en is minder eerbiedwaardig dan die, welke geheel
voldoet aan hare roeping, om ook te vormen voor het leven. Vandaar dan ook, dat
wij in dit hoofdstuk ons niet ontzien hebben, onze meening te zeggen omtrent de
gevolgtrekking, die men ten opzichte der afstamming van den mensch trekken kan
uit de studie der paleontologie. Wij vonden daartoe te meer vrijheid, daar ieder
lezer zich de in de vijf eerste boeken medegedeelde feiten kan eigen maken,
zonder dat hij zich verplicht behoeft te gevoelen ons te volgen in de besluiten, die
wij meenden, dat daaruit logisch konden getrokken worden. De godsdienst op zich
zelf is onafhankelijk van eenig godsdienstig dogma, of van eenige meening op
godsdienstig gebied; die meeningen worden voornamelijk door het gemoed, en
niet door het verstand beheerscht. Wij kunnen dus ieder onderdeel der
menschelijke wetenschap bestudeeren, zonder dat dit invloed heeft op onze
godsdienstige overtuiging. Het hoogste doel der wetenschap blijft steeds ons te
verheffen tot een hooger ideaal, ons los te maken van het lage materialisme, door
ons het wezen der krachten te doen begrijpen, die het heelal besturen en naar een
ons onbekend doel voeren. De ware geleerde is de vijand van onverdraagzaamheid
en dweepzucht, de verdediger van de vrijheid van geweten, de apostel van licht en
vooruitgang. Doch daartoe moet hij den moed hebben, rond voor zijn gevoelen uit
te komen en het belang der waarheid boven elk eigenbelang te stellen. Zijne taak
is het te handelen naar het woord van Juvenalis: Vitam impendere vero, d.i. zijn
leven aan de waarheid te wijden.
leer, daar zij den mensch leert, dat hij zelf zijne hooge waarde verkregen heeft
door eigen inspanning en door oefening zijner vermogens.
Doch zijn dergelijke beschouwingen niet misplaatst in een wetenschappelijk of
populair werk? Wij wenschen hierover onze meening in het kort mede te deelen.
Iedere wetenschap, en dus ook de sterrenkunde, de geologie, de paleontologie,
heeft groote waarde op zich zelf. Maar het doel van het weten is om den geest te
verlichten. Een sterrenkundige, een geoloog, een natuuronderzoeker, die al de
geheimen zijner geliefkoosde wetenschap heeft leeren ontsluieren, kan daarom
toch wel, niettegenstaande zijne groote geleerdheid, een onontwikkeld verstand
hebben, en niet hebben leeren denken. De grootste gave echter van den
menschelijken geest is het vermogen om te denken, te oordeelen, te
generaliseeren, in één woord zijne wetenschap dienstbaar te maken aan zijn
oordeel. De wetenschap, die den geest niet verlicht, die den mensch niet tot gids
verstrekt, die hem niet losmaakt van de dwalingen van de onkunde en het
vooroordeel, sticht minder nut en is minder eerbiedwaardig dan die, welke geheel
voldoet aan hare roeping, om ook te vormen voor het leven. Vandaar dan ook, dat
wij in dit hoofdstuk ons niet ontzien hebben, onze meening te zeggen omtrent de
gevolgtrekking, die men ten opzichte der afstamming van den mensch trekken kan
uit de studie der paleontologie. Wij vonden daartoe te meer vrijheid, daar ieder
lezer zich de in de vijf eerste boeken medegedeelde feiten kan eigen maken,
zonder dat hij zich verplicht behoeft te gevoelen ons te volgen in de besluiten, die
wij meenden, dat daaruit logisch konden getrokken worden. De godsdienst op zich
zelf is onafhankelijk van eenig godsdienstig dogma, of van eenige meening op
godsdienstig gebied; die meeningen worden voornamelijk door het gemoed, en
niet door het verstand beheerscht. Wij kunnen dus ieder onderdeel der
menschelijke wetenschap bestudeeren, zonder dat dit invloed heeft op onze
godsdienstige overtuiging. Het hoogste doel der wetenschap blijft steeds ons te
verheffen tot een hooger ideaal, ons los te maken van het lage materialisme, door
ons het wezen der krachten te doen begrijpen, die het heelal besturen en naar een
ons onbekend doel voeren. De ware geleerde is de vijand van onverdraagzaamheid
en dweepzucht, de verdediger van de vrijheid van geweten, de apostel van licht en
vooruitgang. Doch daartoe moet hij den moed hebben, rond voor zijn gevoelen uit
te komen en het belang der waarheid boven elk eigenbelang te stellen. Zijne taak
is het te handelen naar het woord van Juvenalis: Vitam impendere vero, d.i. zijn
leven aan de waarheid te wijden.
Page 610
Doch keeren wij tot den oorspronkelijken mensch terug.
De natuur roept ons, zoo zagen wij, met duizend tongen toe, dat de mensch van
den aap2 afstamt, de aap van het buideldier, het buideldier van de tweeslachtige
dieren, de tweeslachtige dieren van de visschen, de visschen van de ongewervelde
dieren, de ongewervelde dieren van het protoplasma, het protoplasma van de
onbewerktuigde stof. Wij hebben dien boom des levens zien ontstaan en
gedurende de verschillende tijdperken zien groeien, van de azoïsche periode tot op
onzen tijd. Wel bestaan er nog vele leemten in eene wetenschap, die uit zoovele
nog zoo nieuwe wetenschappen is samengesteld; maar toch zijn wij reeds in staat,
de hoofdlijnen van het beeld der schepping te schetsen.
Op de hoogte, waarop wij thans staan, kunnen wij de vraag stellen, van welken
tijd het optreden van den mensch op de aarde dagteekent.
Die vraag is ingewikkelder, dan men op het eerste gezicht zoude meenen. Indien
wij door het woord „mensch” verstaan het wezen, dat thans de heerscher is der
aarde, in het bezit van rede en verstand, dan kunnen wij antwoorden, dat de
menschheid nog slechts enkele duizenden jaren bestaat, van het begin der
geschiedenis af, die zelf nog geene tienduizend jaren oud is, zelfs niet die van
Egypte, het oudste land, waarvan wij geloofwaardige historische oorkonden
bezitten. Zoolang de menschheid de geschreven taal niet had, heeft zij historisch
niet bestaan. De lagere volksstammen, die nog heden ten dage zonder schrijftaal,
en zelfs bijna zonder spreektaal zijn, maken geen deel uit van de denkende en
handelende menschheid. De schrijftaal is de grootste vooruitgang, dien de
oorspronkelijke menschheid heeft ondergaan, en deze heeft den mensch eerst zijne
verstandelijke ontwikkeling gegeven. De eerste schrijftaal was uiterst weinig
ontwikkeld en de spreektaal vóór dien tijd nog veel minder.
Wij hebben tegenwoordig bewijzen, dat de oorspronkelijke mensch tienduizenden
van jaren ouder is dan de oudste oorkonden der menschheid; men heeft immers
reeds een groot aantal typen van den fossielen mensch gevonden.
Doch nog niet sedert lang. Eerst in 1823 vertoonde Amy Boué aan Cuvier
menschenbeenderen, door hem in de omstreken van Lahr, in Baden, in het
Rijnlöss gevonden. Cuvier, die zooals wij vroeger zagen, eene vooropgestelde
meening had over den aard der schepping en de onveranderlijkheid der soorten,
wilde die niet als fossiel erkennen. Doch dit nam niet weg, dat men in 1828 en in
1829 in Frankrijk, in 1833 in België, in 1839 weder in Frankrijk, in 1844 in
De natuur roept ons, zoo zagen wij, met duizend tongen toe, dat de mensch van
den aap2 afstamt, de aap van het buideldier, het buideldier van de tweeslachtige
dieren, de tweeslachtige dieren van de visschen, de visschen van de ongewervelde
dieren, de ongewervelde dieren van het protoplasma, het protoplasma van de
onbewerktuigde stof. Wij hebben dien boom des levens zien ontstaan en
gedurende de verschillende tijdperken zien groeien, van de azoïsche periode tot op
onzen tijd. Wel bestaan er nog vele leemten in eene wetenschap, die uit zoovele
nog zoo nieuwe wetenschappen is samengesteld; maar toch zijn wij reeds in staat,
de hoofdlijnen van het beeld der schepping te schetsen.
Op de hoogte, waarop wij thans staan, kunnen wij de vraag stellen, van welken
tijd het optreden van den mensch op de aarde dagteekent.
Die vraag is ingewikkelder, dan men op het eerste gezicht zoude meenen. Indien
wij door het woord „mensch” verstaan het wezen, dat thans de heerscher is der
aarde, in het bezit van rede en verstand, dan kunnen wij antwoorden, dat de
menschheid nog slechts enkele duizenden jaren bestaat, van het begin der
geschiedenis af, die zelf nog geene tienduizend jaren oud is, zelfs niet die van
Egypte, het oudste land, waarvan wij geloofwaardige historische oorkonden
bezitten. Zoolang de menschheid de geschreven taal niet had, heeft zij historisch
niet bestaan. De lagere volksstammen, die nog heden ten dage zonder schrijftaal,
en zelfs bijna zonder spreektaal zijn, maken geen deel uit van de denkende en
handelende menschheid. De schrijftaal is de grootste vooruitgang, dien de
oorspronkelijke menschheid heeft ondergaan, en deze heeft den mensch eerst zijne
verstandelijke ontwikkeling gegeven. De eerste schrijftaal was uiterst weinig
ontwikkeld en de spreektaal vóór dien tijd nog veel minder.
Wij hebben tegenwoordig bewijzen, dat de oorspronkelijke mensch tienduizenden
van jaren ouder is dan de oudste oorkonden der menschheid; men heeft immers
reeds een groot aantal typen van den fossielen mensch gevonden.
Doch nog niet sedert lang. Eerst in 1823 vertoonde Amy Boué aan Cuvier
menschenbeenderen, door hem in de omstreken van Lahr, in Baden, in het
Rijnlöss gevonden. Cuvier, die zooals wij vroeger zagen, eene vooropgestelde
meening had over den aard der schepping en de onveranderlijkheid der soorten,
wilde die niet als fossiel erkennen. Doch dit nam niet weg, dat men in 1828 en in
1829 in Frankrijk, in 1833 in België, in 1839 weder in Frankrijk, in 1844 in
Page 611
Brazilië enz. fossiele overblijfselen van menschen ontdekte. Doch de officieele
wetenschap maakte reeds apriori uit, dat de overblijfselen van den mensch of de
door den mensch vervaardigde voorwerpen, in die quaternaire formaties
gevonden, daarheen gebracht waren door het water of door inzakking.
In 1847 werd het vraagstuk een heel eind verder gebracht door de uitstekende
onderzoekingen van Boucher de Perthes, die in grintgroeven bij Abbeville eene
groote menigte door menschen bewerkte vuursteenen vond.
Doch eerst in 1861 werd het vraagstuk met volkomen zekerheid opgelost door de
wegruiming van het puin van de grot van Aurignac, door Lartet. Daar was verdere
twijfel onmogelijk. Die grot was op het oogenblik der ontdekking gesloten door
eenen van eenen grooten afstand aangebrachten steen. Lartet vond in die grot de
beenderen van acht diersoorten, tot de quaternaire periode behoorende. Eenige van
die dieren waren daar opgegeten; hunne gedeeltelijk verkoolde beenderen droegen
nog de sporen van het vuur, waarvan men nog de kolen en de asch terugvond; de
beenderen van eenen jongen rhinoceros tichorinus vertoonden inkervingen,
gemaakt met vuursteenen werktuigen, en waren afgekloven door hyena’s, waarvan
men de sporen terugvond. De ligging van de grot maakte het onmogelijk, dat er
door het diluvium iets daarheen gevoerd was. Hieruit volgt dus, dat de
oorspronkelijke mensch geleefd moet hebben tegelijk met de quaternaire
dierenwereld, en dat hij zelfs rhinocerossen als voedsel gebruikte, en door de
hyena uit dat tijdperk gevolgd werd, die zich aan de overblijfselen van den
maaltijd te goed deed. Het gelijktijdig bestaan van den mensch en die fossiele
dieren was daardoor bewezen.
Het volgende jaar werden die feiten door eene belangrijke ontdekking bevestigd.
Den 28sten Maart 1862 had Boucher de Perthes het geluk, dat hij zelf, in het grijze
diluvium van de Somme-vallei eene menschelijke kaak opgroef, die wel niet
volkomen was, maar toch ontegenzeggelijk toebehoorde aan den quaternairen
mensen.
Doch nog belangrijker feiten kwamen aan het licht. In 1868 werd in de Académie
des Sciences eene kaak van eenen rhinoceros uit de miocene periode vertoond,
waarop, zooals men zeide, eene door den mensch gedane inkerving zichtbaar was.
Zoo ook heeft men in de miocene formatie van Maine-et-Loire eene rib van een
halotherium gevonden evenzeer met insnijdingen door menschenhanden verricht.
Hetzelfde is het geval met beenderen te Pikermi gevonden. Men zou kunnen
beweren, dat die inkervingen verricht zijn door roofdieren of zelfs eenvoudig door
wetenschap maakte reeds apriori uit, dat de overblijfselen van den mensch of de
door den mensch vervaardigde voorwerpen, in die quaternaire formaties
gevonden, daarheen gebracht waren door het water of door inzakking.
In 1847 werd het vraagstuk een heel eind verder gebracht door de uitstekende
onderzoekingen van Boucher de Perthes, die in grintgroeven bij Abbeville eene
groote menigte door menschen bewerkte vuursteenen vond.
Doch eerst in 1861 werd het vraagstuk met volkomen zekerheid opgelost door de
wegruiming van het puin van de grot van Aurignac, door Lartet. Daar was verdere
twijfel onmogelijk. Die grot was op het oogenblik der ontdekking gesloten door
eenen van eenen grooten afstand aangebrachten steen. Lartet vond in die grot de
beenderen van acht diersoorten, tot de quaternaire periode behoorende. Eenige van
die dieren waren daar opgegeten; hunne gedeeltelijk verkoolde beenderen droegen
nog de sporen van het vuur, waarvan men nog de kolen en de asch terugvond; de
beenderen van eenen jongen rhinoceros tichorinus vertoonden inkervingen,
gemaakt met vuursteenen werktuigen, en waren afgekloven door hyena’s, waarvan
men de sporen terugvond. De ligging van de grot maakte het onmogelijk, dat er
door het diluvium iets daarheen gevoerd was. Hieruit volgt dus, dat de
oorspronkelijke mensch geleefd moet hebben tegelijk met de quaternaire
dierenwereld, en dat hij zelfs rhinocerossen als voedsel gebruikte, en door de
hyena uit dat tijdperk gevolgd werd, die zich aan de overblijfselen van den
maaltijd te goed deed. Het gelijktijdig bestaan van den mensch en die fossiele
dieren was daardoor bewezen.
Het volgende jaar werden die feiten door eene belangrijke ontdekking bevestigd.
Den 28sten Maart 1862 had Boucher de Perthes het geluk, dat hij zelf, in het grijze
diluvium van de Somme-vallei eene menschelijke kaak opgroef, die wel niet
volkomen was, maar toch ontegenzeggelijk toebehoorde aan den quaternairen
mensen.
Doch nog belangrijker feiten kwamen aan het licht. In 1868 werd in de Académie
des Sciences eene kaak van eenen rhinoceros uit de miocene periode vertoond,
waarop, zooals men zeide, eene door den mensch gedane inkerving zichtbaar was.
Zoo ook heeft men in de miocene formatie van Maine-et-Loire eene rib van een
halotherium gevonden evenzeer met insnijdingen door menschenhanden verricht.
Hetzelfde is het geval met beenderen te Pikermi gevonden. Men zou kunnen
beweren, dat die inkervingen verricht zijn door roofdieren of zelfs eenvoudig door
Page 612
wrijving zijn ontstaan; de abbé Bourgeois echter, een bekwaam onderzoeker, in
1878 gestorven, heeft in de miocene formatie van Loir-et-Cher vuursteenen
gevonden, die zouden moeten geslepen zijn door een wezen, dat in verstand
hooger ontwikkeld was dan de tegenwoordige dieren.
Volgens die laatste getuigenissen, die nog met een aantal andere zouden kunnen
worden vermeerderd, zoude men dus zelfs mogen besluiten tot het bestaan van den
tertiairen, miocenen mensch. Toch meenen wij, dat de bewijzen voor die stelling
nog niet voldoende zijn. Quatrefages en Hamy meenen, dat de gevonden
vuursteenen door menschen geslepen zijn. Gaudry en anderen zijn van oordeel, dat
het niet onmogelijk is, dat dit door apen zoude geschied zijn. Is dat waar, dan moet
de dryopitheke of een andere anthropomorphe aap de voorganger van den mensch
geweest zijn. Doch wij moeten hier bijvoegen, dat er zelfs deskundigen zijn, die
beweren, dat de vuursteenen in het geheel niet geslepen zijn. Anderen zelfs hebben
niet zonder grond het vermoeden geuit, dat de formatie, waarin die vuursteenen
gevonden zijn, tot de eocene formatie behoort. Is dit het geval, dan is het zeker,
dat zij niet geslepen zijn, immers in die periode vond men zelfs nog geene ware
herkauwende dieren, geene éénhoevige dieren, snuitdieren of apen.
De vuursteenen te Otta, bij Lissabon, en die te Aurillac gevonden, maken evenmin
het vraagstuk uit: zij zijn ongetwijfeld uit de miocene periode afkomstig, doch het
is lang niet zeker of zij geslepen zijn.
Bovendien is het bijna onmogelijk, dat de mensch reeds in die periode zou bestaan
hebben. Op welk standpunt men zich ook plaatse, de mensch kan alleen optreden
aan de spits der organische wereld, nadat het planten- en dierenrijk tot volle
ontwikkeling is gekomen. In de miocene periode was die ontwikkeling nog lang
niet volledig genoeg, om de verschijning van den mensch in dien tijd niet als een
anachronisme te beschouwen; dit is op zichzelf voldoende, om de meening te
verwerpen, als zoude de mensch in de miocene periode verschenen zijn.
Dat de mensch reeds bestaan heeft in het begin der quaternaire periode, en zelfs op
het einde der tertiaire periode, is echter niet twijfelachtig. De verandering van den
aap, waaraan wij ons bestaan te danken hebben, dagteekent hoogstwaarschijnlijk
van de pliocene periode. Het zou ons te ver voeren, indien wij alle ontdekkingen
vermeldden, zoowel van fossiele overblijfselen van menschen als van geslepen
vuursteenen of van voorwerpen, door den oorspronkelijken mensch vervaardigd.
In het museüm te Brussel zijn niet minder dan 80000 door menschenhanden
geslepen vuursteenen en 40000 beenderen van dieren voorhanden, die gelijktijdig
1878 gestorven, heeft in de miocene formatie van Loir-et-Cher vuursteenen
gevonden, die zouden moeten geslepen zijn door een wezen, dat in verstand
hooger ontwikkeld was dan de tegenwoordige dieren.
Volgens die laatste getuigenissen, die nog met een aantal andere zouden kunnen
worden vermeerderd, zoude men dus zelfs mogen besluiten tot het bestaan van den
tertiairen, miocenen mensch. Toch meenen wij, dat de bewijzen voor die stelling
nog niet voldoende zijn. Quatrefages en Hamy meenen, dat de gevonden
vuursteenen door menschen geslepen zijn. Gaudry en anderen zijn van oordeel, dat
het niet onmogelijk is, dat dit door apen zoude geschied zijn. Is dat waar, dan moet
de dryopitheke of een andere anthropomorphe aap de voorganger van den mensch
geweest zijn. Doch wij moeten hier bijvoegen, dat er zelfs deskundigen zijn, die
beweren, dat de vuursteenen in het geheel niet geslepen zijn. Anderen zelfs hebben
niet zonder grond het vermoeden geuit, dat de formatie, waarin die vuursteenen
gevonden zijn, tot de eocene formatie behoort. Is dit het geval, dan is het zeker,
dat zij niet geslepen zijn, immers in die periode vond men zelfs nog geene ware
herkauwende dieren, geene éénhoevige dieren, snuitdieren of apen.
De vuursteenen te Otta, bij Lissabon, en die te Aurillac gevonden, maken evenmin
het vraagstuk uit: zij zijn ongetwijfeld uit de miocene periode afkomstig, doch het
is lang niet zeker of zij geslepen zijn.
Bovendien is het bijna onmogelijk, dat de mensch reeds in die periode zou bestaan
hebben. Op welk standpunt men zich ook plaatse, de mensch kan alleen optreden
aan de spits der organische wereld, nadat het planten- en dierenrijk tot volle
ontwikkeling is gekomen. In de miocene periode was die ontwikkeling nog lang
niet volledig genoeg, om de verschijning van den mensch in dien tijd niet als een
anachronisme te beschouwen; dit is op zichzelf voldoende, om de meening te
verwerpen, als zoude de mensch in de miocene periode verschenen zijn.
Dat de mensch reeds bestaan heeft in het begin der quaternaire periode, en zelfs op
het einde der tertiaire periode, is echter niet twijfelachtig. De verandering van den
aap, waaraan wij ons bestaan te danken hebben, dagteekent hoogstwaarschijnlijk
van de pliocene periode. Het zou ons te ver voeren, indien wij alle ontdekkingen
vermeldden, zoowel van fossiele overblijfselen van menschen als van geslepen
vuursteenen of van voorwerpen, door den oorspronkelijken mensch vervaardigd.
In het museüm te Brussel zijn niet minder dan 80000 door menschenhanden
geslepen vuursteenen en 40000 beenderen van dieren voorhanden, die gelijktijdig
Page 613
met den oorspronkelijken mensch geleefd hebben. Men heeft reeds de opvolging
dier verdwenen menschenrassen kunnen bepalen; enkele waren tijdgenooten van
den holenbeer, andere van den mammouth, nog andere van het rendier, weer
andere van den aueros. De merkwaardige fossiele mensch, in 1872 te Mentone
gevonden, schijnt uit den tijd van het rendier te dagteekenen. Nog in het jaar 1884
zijn op diezelfde plaats belangrijke opgravingen gedaan.
Fig. 327. De fossiele mensch, in 1872 in een hol te Mentone gevonden, thans aanwezig in het
museüm te Parijs.
Toch is dit alles nog niet voldoende, om ons een zuiver beeld te vormen van den
oorspronkelijken mensch. Trouwens Quatrefages merkt zeer terecht op, dat het
oorspronkelijke type van den mensch verdwenen is. Dit moet reeds het geval zijn
door verhuizing en wijzigingen der omgeving. De mensch heeft den geheelen
afstand tusschen de tertiaire en de quaternaire periode doorloopen; misschien
bestaat zelfs de plaats niet meer, waar hij is opgetreden; zeker is het, dat de
dier verdwenen menschenrassen kunnen bepalen; enkele waren tijdgenooten van
den holenbeer, andere van den mammouth, nog andere van het rendier, weer
andere van den aueros. De merkwaardige fossiele mensch, in 1872 te Mentone
gevonden, schijnt uit den tijd van het rendier te dagteekenen. Nog in het jaar 1884
zijn op diezelfde plaats belangrijke opgravingen gedaan.
Fig. 327. De fossiele mensch, in 1872 in een hol te Mentone gevonden, thans aanwezig in het
museüm te Parijs.
Toch is dit alles nog niet voldoende, om ons een zuiver beeld te vormen van den
oorspronkelijken mensch. Trouwens Quatrefages merkt zeer terecht op, dat het
oorspronkelijke type van den mensch verdwenen is. Dit moet reeds het geval zijn
door verhuizing en wijzigingen der omgeving. De mensch heeft den geheelen
afstand tusschen de tertiaire en de quaternaire periode doorloopen; misschien
bestaat zelfs de plaats niet meer, waar hij is opgetreden; zeker is het, dat de
Page 614
levensvoorwaarden daar geheel anders moeten zijn dan bij zijn eerste optreden.
Toen alles rondom hem veranderde, kon hij alleen niet dezelfde gebleven zijn.
Wij kennen den oorspronkelijken mensch niet; als wij hem ontmoetten, zouden wij
hem zelfs niet herkennen. Het eenige wat wij kunnen zeggen, is dat hij
waarschijnlijk de kleur had van de gele rassen, en dat zijn haar waarschijnlijk
rossig was. Zijne taal was waarschijnlijk éénlettergrepig en klanknabootsend.
Vóórdat zij den ploeg, de spade, den molen, den oven, de kuip, het vat, de kom,
den lepel, de vork, het mes hadden uitgevonden, leefden die wezens, die
langzamerhand menschen geworden zijn, maar die toen slechts redelooze dieren
waren, in bosschen en holen, en moesten zij zelf hun voedsel zoeken, evenals
hunne tijdgenooten, de apen, wolven, tijgers, wilde paarden, olifanten, beren,
hyena’s, jakhalzen, bevers enz. Komt hun reeds de naam van mensch toe? Naar
ons oordeel niet. Dat zij zich met de voeten, de handen en het hoofd verdedigen
als zij aangevallen zijn, bewijst niets, immers dat doen ook de apen. Dat zij eene
vrucht nemen en die naar het hoofd van hunnen tegenstander werpen, bewijst
evenmin iets, dat doet de aap eveneens. Ook de aap grijpt eenen tak, dien hij
doorbreekt en waarmede hij bij den aanval om zich heen slaat. Bijna alle dieren
zorgen voor hun kroost.
De eerste handeling, waaruit hunne hoogere ontwikkeling bleek, moet met hunne
levenswijze hebben samengehangen. Een scherpe, puntige steen, kon beter dienst
doen, om een dierenhuid te snijden, dan de nagels. De meest ontwikkelde wezens
van hunnen tijd moeten opgemerkt hebben, dat scherpe en puntige steenen beter
geschikt waren, om iets te kloven, dan ronde steenen, en zij zullen daarmede hun
voordeel gedaan hebben. Daarna zullen wezens, even wild, maar iets verstandiger
dan de vorige, hebben opgemerkt, dat een steen kon verbrijzeld worden, door hem
tegen eenen anderen steen te stooten, en dat de stukken scherp of puntig waren.
Zoo is de periode der gehouwen steenen begonnen, waarvan men heden overal de
sporen vindt. De ontdekking van het vuur door de wrijving van droog hout, was op
zich zelf reeds een belangrijke vooruitgang.
Evenals het lichaam van den mensch langzamerhand volmaakter is geworden, zoo
is het ook met den geest het geval geweest. Is het menschelijke lichaam de vrucht
van de opklimming der natuur langs alle trappen van het dierenrijk, de
menschelijke geest is de bloem, uit die ontwikkeling voortgekomen. De hoogere
dieren hebben eene verstandelijke ontwikkeling, die waardig is met die van den
mensch vergeleken te worden, zij hebben geheugen, eenen wil, verbeelding,
Toen alles rondom hem veranderde, kon hij alleen niet dezelfde gebleven zijn.
Wij kennen den oorspronkelijken mensch niet; als wij hem ontmoetten, zouden wij
hem zelfs niet herkennen. Het eenige wat wij kunnen zeggen, is dat hij
waarschijnlijk de kleur had van de gele rassen, en dat zijn haar waarschijnlijk
rossig was. Zijne taal was waarschijnlijk éénlettergrepig en klanknabootsend.
Vóórdat zij den ploeg, de spade, den molen, den oven, de kuip, het vat, de kom,
den lepel, de vork, het mes hadden uitgevonden, leefden die wezens, die
langzamerhand menschen geworden zijn, maar die toen slechts redelooze dieren
waren, in bosschen en holen, en moesten zij zelf hun voedsel zoeken, evenals
hunne tijdgenooten, de apen, wolven, tijgers, wilde paarden, olifanten, beren,
hyena’s, jakhalzen, bevers enz. Komt hun reeds de naam van mensch toe? Naar
ons oordeel niet. Dat zij zich met de voeten, de handen en het hoofd verdedigen
als zij aangevallen zijn, bewijst niets, immers dat doen ook de apen. Dat zij eene
vrucht nemen en die naar het hoofd van hunnen tegenstander werpen, bewijst
evenmin iets, dat doet de aap eveneens. Ook de aap grijpt eenen tak, dien hij
doorbreekt en waarmede hij bij den aanval om zich heen slaat. Bijna alle dieren
zorgen voor hun kroost.
De eerste handeling, waaruit hunne hoogere ontwikkeling bleek, moet met hunne
levenswijze hebben samengehangen. Een scherpe, puntige steen, kon beter dienst
doen, om een dierenhuid te snijden, dan de nagels. De meest ontwikkelde wezens
van hunnen tijd moeten opgemerkt hebben, dat scherpe en puntige steenen beter
geschikt waren, om iets te kloven, dan ronde steenen, en zij zullen daarmede hun
voordeel gedaan hebben. Daarna zullen wezens, even wild, maar iets verstandiger
dan de vorige, hebben opgemerkt, dat een steen kon verbrijzeld worden, door hem
tegen eenen anderen steen te stooten, en dat de stukken scherp of puntig waren.
Zoo is de periode der gehouwen steenen begonnen, waarvan men heden overal de
sporen vindt. De ontdekking van het vuur door de wrijving van droog hout, was op
zich zelf reeds een belangrijke vooruitgang.
Evenals het lichaam van den mensch langzamerhand volmaakter is geworden, zoo
is het ook met den geest het geval geweest. Is het menschelijke lichaam de vrucht
van de opklimming der natuur langs alle trappen van het dierenrijk, de
menschelijke geest is de bloem, uit die ontwikkeling voortgekomen. De hoogere
dieren hebben eene verstandelijke ontwikkeling, die waardig is met die van den
mensch vergeleken te worden, zij hebben geheugen, eenen wil, verbeelding,
Page 615
overleg en andere verstandelijke vermogens. Het is slechts eene vraag van meer of
minder. De geheele natuur is naar eenzelfde plan gebouwd en is de uitdrukking
eener zelfde idee.
Er zijn boeken volgeschreven over het verstand der dieren, en wij mogen daarover
hier niet verder uitweiden. Het kwam er alleen op aan, onze lezers te doen
begrijpen, dat ook de dieren met verstand begaafd zijn, en dat de menschelijke ziel
evenmin als het lichaam iets anders is als die der overige dieren; ook zij heeft zich
geleidelijk in den loop der eeuwen ontwikkeld.
Nog andere niet minder merkwaardige bewijzen zouden bij de vorige gevoegd
kunnen worden, om de reeds volle maat der bewijzen tot den rand toe te vullen.
Doch het is onmogelijk te onderstellen, dat de onpartijdige lezer niet reeds lang
door het voorgaande overtuigd is geworden. Wij kunnen echter niet nalaten, al was
het slechts om de merkwaardigheid, even te wijzen op de somtijds zoo bijzondere
gelijkenis tusschen sommige menschenkoppen en enkele typen van dieren. Is het
niet als het ware de echo van vroegere tijden, als eene soort van terugslag naar
vroegere vormen? De gelijkenis van den mensch met de apen, vooral onder de
lagere menschenrassen, valt te zeer in het oog, dan dat wij daarbij zouden
stilstaan. Doch ook bij ons blanke ras, dat zoo beschaafd is, vindt men niet zelden
in het gelaat en zelfs in het karakter van enkele personen ontegenzeggelijk
gelijkenis met sommige dieren, zooals den leeuw, de kat, den vogel, den bunzing,
de slang en zelfs den visch. Voor de merkwaardigheid geven wij op blzz. 652 en
653 enkele teekeningen weer, die de bekende schilder Charles Lebrun ten tijde van
Lodewijk XIV vervaardigd heeft, waarin hij duidelijk de gelijkenis van enkele
menschenkoppen met dieren doet uitkomen. En letten wij op de karaktertrekken
van den mensch, reinheid van gemoed—slimheid—onverstand—drift—
slaafschheid—kwaadaardigheid—zelfopoffering—gierigheid—wellust enz. enz.,
zooals zij door het gelaat worden uitgedrukt, men behoeft ze niet in de werken van
Lavater te bestudeeren, om ze dagelijks om zich heen te zien.
De mensch heeft slechts langzamerhand en ongemerkt zijne oorspronkelijke
ruwheid afgelegd. De grootste schrede op den weg van verstandelijken en
zedelijken vooruitgang kon eerst worden gedaan, nadat de strijd om het bestaan en
de zorg voor hunne dagelijksche behoeften niet meer hunnen geheelen tijd in
beslag nam.
Ten gevolge van gelukkige omstandigheden, van een zachter klimaat, te midden
der nieuwe vruchten van eene vruchtbaarder aarde in eene periode van voorspoed
minder. De geheele natuur is naar eenzelfde plan gebouwd en is de uitdrukking
eener zelfde idee.
Er zijn boeken volgeschreven over het verstand der dieren, en wij mogen daarover
hier niet verder uitweiden. Het kwam er alleen op aan, onze lezers te doen
begrijpen, dat ook de dieren met verstand begaafd zijn, en dat de menschelijke ziel
evenmin als het lichaam iets anders is als die der overige dieren; ook zij heeft zich
geleidelijk in den loop der eeuwen ontwikkeld.
Nog andere niet minder merkwaardige bewijzen zouden bij de vorige gevoegd
kunnen worden, om de reeds volle maat der bewijzen tot den rand toe te vullen.
Doch het is onmogelijk te onderstellen, dat de onpartijdige lezer niet reeds lang
door het voorgaande overtuigd is geworden. Wij kunnen echter niet nalaten, al was
het slechts om de merkwaardigheid, even te wijzen op de somtijds zoo bijzondere
gelijkenis tusschen sommige menschenkoppen en enkele typen van dieren. Is het
niet als het ware de echo van vroegere tijden, als eene soort van terugslag naar
vroegere vormen? De gelijkenis van den mensch met de apen, vooral onder de
lagere menschenrassen, valt te zeer in het oog, dan dat wij daarbij zouden
stilstaan. Doch ook bij ons blanke ras, dat zoo beschaafd is, vindt men niet zelden
in het gelaat en zelfs in het karakter van enkele personen ontegenzeggelijk
gelijkenis met sommige dieren, zooals den leeuw, de kat, den vogel, den bunzing,
de slang en zelfs den visch. Voor de merkwaardigheid geven wij op blzz. 652 en
653 enkele teekeningen weer, die de bekende schilder Charles Lebrun ten tijde van
Lodewijk XIV vervaardigd heeft, waarin hij duidelijk de gelijkenis van enkele
menschenkoppen met dieren doet uitkomen. En letten wij op de karaktertrekken
van den mensch, reinheid van gemoed—slimheid—onverstand—drift—
slaafschheid—kwaadaardigheid—zelfopoffering—gierigheid—wellust enz. enz.,
zooals zij door het gelaat worden uitgedrukt, men behoeft ze niet in de werken van
Lavater te bestudeeren, om ze dagelijks om zich heen te zien.
De mensch heeft slechts langzamerhand en ongemerkt zijne oorspronkelijke
ruwheid afgelegd. De grootste schrede op den weg van verstandelijken en
zedelijken vooruitgang kon eerst worden gedaan, nadat de strijd om het bestaan en
de zorg voor hunne dagelijksche behoeften niet meer hunnen geheelen tijd in
beslag nam.
Ten gevolge van gelukkige omstandigheden, van een zachter klimaat, te midden
der nieuwe vruchten van eene vruchtbaarder aarde in eene periode van voorspoed
Page 616
en rust, is de stof eindelijk voor den geest geweken. De mensch, die voor het eerst
den kop van eenen mammouth of een hert geteekend heeft op eenen gepolijsten
horen, de mensch, die het eerst eenen ruiker van wilde bloemen voor zijne
beminde heeft bijeengebracht, die voor het eerst een lied gezongen heeft of het
eerst de snaren tokkelde, de eerste kunstenaar, de eerste denker voelde op dat
oogenblik noch honger, noch koude. De denkende menschheid kon alleen
ontwaken onder de zachte temperatuur van eene vruchtbare streek, die evenzeer
afgelegen was van het poolijs als van de verscheurende dieren der tropen. Alleen
de zóó bevoorrechte mensch kon het tijdperk van den vooruitgang openen. De
overige menschen, die niet zoozeer begunstigd waren wat hunne woonplaats
betrof, en die onophoudelijk moesten strijden om te leven en zich te verdedigen,
konden slechts weinig vooruitgaan. Doch eerst onder het tooverachtige licht eener
getemperde zon, te midden der bosschen, waarin de vogels hun lied kweelden, en
bij de welriekende bloemen, waarop de insecten fladderden, kon het gevoel zijne
plaats veroveren en de ruwe stof overmeesteren.
Misschien wel is het niet aan den man, maar aan de vrouw toe te schrijven, dat de
mensch zich heeft afgescheiden van de apen, dat zijne schoonheid is toegenomen,
dat zijn smaak zich heeft ontwikkeld, dat hij den drang naar verbetering gevoelde.
De man, door zijne kracht de meerdere, en, die voor het welzijn der zijnen moet
zorgen, de beschermer en verdediger, moet daaraan al zijne krachten wijden. Van
den morgen tot den avond, dag en nacht, moet hij waken en zorgen voor
plantaardig of dierlijk voedsel; hij is het, die den tocht leidt, als het geldt vruchten
te plukken, of die de prooi bespringt; als het noodig is, dieren te bemachtigen. Bij
de apen, evenals bij alle hoogere dieren, behoeft de vrouw zich hiermede niet
bezig te houden. Haar eenige taak is, den man en de kinderen te verzorgen. Zij
heeft dus al den tijd, om na te denken. Zij blijft te huis, en hoe weinig ontwikkeld
hare hersenen ook zijn, zij zijn werkzaam. Waaraan denkt zij?
Haar gevoel is ontwikkelder dan dat van den man. Zij is moeder. Reeds van hunne
geboorte af doen de jongen haar lijden. Zij voedt ze met hare melk. Zij bemint ze.
Dat is hare roeping. In die richting hebben zich steeds hare hersenen ontwikkeld.
Zij is voor het gevoel geschapen, het gevoel doet haar leven. Dat is hare
voornaamste eigenschap.
den kop van eenen mammouth of een hert geteekend heeft op eenen gepolijsten
horen, de mensch, die het eerst eenen ruiker van wilde bloemen voor zijne
beminde heeft bijeengebracht, die voor het eerst een lied gezongen heeft of het
eerst de snaren tokkelde, de eerste kunstenaar, de eerste denker voelde op dat
oogenblik noch honger, noch koude. De denkende menschheid kon alleen
ontwaken onder de zachte temperatuur van eene vruchtbare streek, die evenzeer
afgelegen was van het poolijs als van de verscheurende dieren der tropen. Alleen
de zóó bevoorrechte mensch kon het tijdperk van den vooruitgang openen. De
overige menschen, die niet zoozeer begunstigd waren wat hunne woonplaats
betrof, en die onophoudelijk moesten strijden om te leven en zich te verdedigen,
konden slechts weinig vooruitgaan. Doch eerst onder het tooverachtige licht eener
getemperde zon, te midden der bosschen, waarin de vogels hun lied kweelden, en
bij de welriekende bloemen, waarop de insecten fladderden, kon het gevoel zijne
plaats veroveren en de ruwe stof overmeesteren.
Misschien wel is het niet aan den man, maar aan de vrouw toe te schrijven, dat de
mensch zich heeft afgescheiden van de apen, dat zijne schoonheid is toegenomen,
dat zijn smaak zich heeft ontwikkeld, dat hij den drang naar verbetering gevoelde.
De man, door zijne kracht de meerdere, en, die voor het welzijn der zijnen moet
zorgen, de beschermer en verdediger, moet daaraan al zijne krachten wijden. Van
den morgen tot den avond, dag en nacht, moet hij waken en zorgen voor
plantaardig of dierlijk voedsel; hij is het, die den tocht leidt, als het geldt vruchten
te plukken, of die de prooi bespringt; als het noodig is, dieren te bemachtigen. Bij
de apen, evenals bij alle hoogere dieren, behoeft de vrouw zich hiermede niet
bezig te houden. Haar eenige taak is, den man en de kinderen te verzorgen. Zij
heeft dus al den tijd, om na te denken. Zij blijft te huis, en hoe weinig ontwikkeld
hare hersenen ook zijn, zij zijn werkzaam. Waaraan denkt zij?
Haar gevoel is ontwikkelder dan dat van den man. Zij is moeder. Reeds van hunne
geboorte af doen de jongen haar lijden. Zij voedt ze met hare melk. Zij bemint ze.
Dat is hare roeping. In die richting hebben zich steeds hare hersenen ontwikkeld.
Zij is voor het gevoel geschapen, het gevoel doet haar leven. Dat is hare
voornaamste eigenschap.
Page 617
Gelijkenis tusschen mensch en dier door Charles Lebrun.
UIL.
UIL.
Page 618
Gelijkenis tusschen mensch en dier door Charles Lebrun.
BOK.
Bemint de moeder hare kinderen, zij verlangt ook liefde van hen, zij beschermt ze
teeder, en bij het minste gevaar vluchten zij in hare armen. Van haar ontvangen zij
de eerste lessen, en aan haar geven zij hunne eerste kussen. Indien de vrouw haren
man bemint, zij verlangt ook wederliefde, want het komt haar onmogelijk voor te
beminnen, zonder bemind te worden. Wij vroegen zooeven, waaraan zij denkt. Het
antwoord is: te behagen en te bekoren.
BOK.
Bemint de moeder hare kinderen, zij verlangt ook liefde van hen, zij beschermt ze
teeder, en bij het minste gevaar vluchten zij in hare armen. Van haar ontvangen zij
de eerste lessen, en aan haar geven zij hunne eerste kussen. Indien de vrouw haren
man bemint, zij verlangt ook wederliefde, want het komt haar onmogelijk voor te
beminnen, zonder bemind te worden. Wij vroegen zooeven, waaraan zij denkt. Het
antwoord is: te behagen en te bekoren.
Page 619
Gelijkenis tusschen mensch en dier door Charles Lebrun.
PAPEGAAI.
PAPEGAAI.
Page 620
Gelijkenis tusschen mensch en dier door Charles Lebrun.
KAT.
De man daarentegen kan aan een aantal andere zaken denken; hij kan eerzuchtig
zijn, rijkdommen najagen, zich in den oorlog of op de jacht begeven, zich aan spel
of wijn overgeven, zich bezighouden met ernstige studies enz. Zijne hersenen zijn
eveneens in eene bepaalde richting ontwikkeld. Evenals in den tijd zijner
aapachtige voorouders is het zijn eerste plicht, te zorgen voor de behoeften van
zijn gezin, en hij gevoelt, zoo dikwijls hij daarin te kort schiet, dat hij de wetten
der natuur overtreedt. Ook hij heeft behoefte aan liefde. Maar zijn geheele leven is
niet uitsluitend daaraan gewijd.
Geschapen om te beminnen en om bemind te worden, moet de vrouw behagen,
schoon zijn en bekoren. Dit is van oudsher hare roeping geweest en haar
voortdurend streven. Zoodra hare hersenen voldoende ontwikkeld waren, om dat
denkbeeld te bevatten, hebben zich hare hersencellen in die richting ontwikkeld.
Van nu af aan begint hare heerschappij; want inderdaad heerscht zij over den man,
KAT.
De man daarentegen kan aan een aantal andere zaken denken; hij kan eerzuchtig
zijn, rijkdommen najagen, zich in den oorlog of op de jacht begeven, zich aan spel
of wijn overgeven, zich bezighouden met ernstige studies enz. Zijne hersenen zijn
eveneens in eene bepaalde richting ontwikkeld. Evenals in den tijd zijner
aapachtige voorouders is het zijn eerste plicht, te zorgen voor de behoeften van
zijn gezin, en hij gevoelt, zoo dikwijls hij daarin te kort schiet, dat hij de wetten
der natuur overtreedt. Ook hij heeft behoefte aan liefde. Maar zijn geheele leven is
niet uitsluitend daaraan gewijd.
Geschapen om te beminnen en om bemind te worden, moet de vrouw behagen,
schoon zijn en bekoren. Dit is van oudsher hare roeping geweest en haar
voortdurend streven. Zoodra hare hersenen voldoende ontwikkeld waren, om dat
denkbeeld te bevatten, hebben zich hare hersencellen in die richting ontwikkeld.
Van nu af aan begint hare heerschappij; want inderdaad heerscht zij over den man,
Page 621
en sedert minstens honderdduizend jaren arbeidt zij in die richting. De man heeft
zijne krachten verdeeld; hij heeft de wetenschappen, de staatkunde en de
krijgskunde, de wetten, de scholen, de kunsten, de industrie uitgevonden; de
vrouw heeft slechts éénen, alles overheerschenden hartstocht; bemind te worden
en door de liefde te heerschen. Dit is haar gelukt. De man is aan hare voeten. De
vrouw heeft den gang der natuur veranderd; immers bij de dieren is de man het
schoonst, het meest getooid, en diegene, die door zijne uiterlijke gaven het meest
schittert. Vergelijk den haan met de hen, den pauw of den fazant, de mannelijke
vogels, insecten, viervoetige dieren, zoogdieren, met hunne wijfjes, vergelijk den
leeuw met de leeuwin, den tijger met de tijgerin, overal is de man schooner dan de
vrouw. Dit was evenzoo het geval tijdens den oorsprong der menschheid (bij de
wilden zijn de mannen met de meeste zorg getatouëerd, zij hebben de meeste
sieraden in de ooren, den neus, de armen, de enkels.)
De oogen der vrouw zijn zachter en bekoorlijker geworden, hare armen hebben
bevalliger ronding gekregen, hare huid is zachter, haar gelaat edeler, haar
hoofdhaar zachter en langer, hare handen en voeten kleiner geworden, haar
lichaam heeft sierlijker vormen aangenomen. De man, bekoord door die nieuwe
schoonheden, heeft steeds de schoonste en verleidelijkste vrouwen gekozen, van
deze zijn een grooter aantal moeder geworden dan van de minder door de natuur
begunstigde vrouwen, zoodat langzamerhand het vrouwelijk schoon is
toegenomen. Bij den mensch is het de man, die kiest, en daarin is de voornaamste
oorzaak gelegen van den vooruitgang in de schoonheid der vrouw, en als gevolg
daarvan in de schoonheid van het menschdom. Bij de dieren zijn het de mannen,
die zich beijveren, om de vrouwen te bekoren, daar zijn het de krachtigste en de
schoonste mannelijke wezens, die de soort instandhouden. Bij de apen en bij de
wilde volksstammen is hetzelfde het geval. Bij den hooger ontwikkelden mensch
is het de vrouw, die steeds voor hare schoonheid gezorgd heeft.
Die taak der vrouw brengt als gevolg eenen alles overheerschenden hartstocht
mede, den minnenijd. De begeerte, de behoefte, om te heerschen en te schitteren is
een factor, die gunstig werkt op den vooruitgang en de veredeling der soort. De
vrouw wil schoon zijn, wil eenen schoonen echtgenoot bezitten, wil schoone
kinderen hebben. Zij moge zich daarvan al of niet rekenschap geven, dit is hare
geheime begeerte. Indien zij fortuin wenscht, of verlangt dat haar echtgenoot
eenen hoogen rang in de maatschappij inneemt, dan is het voornamelijk om te
schitteren. De man is op zijne beurt gedwongen haar in hare sierlijkheid te volgen,
de scherpe hoeken af te ronden, voor zijn uiterlijk zorg te dragen, zijnen geest te
beschaven, en te zorgen, dat hij zonder het hooge standpunt te verlaten, dat hij
zijne krachten verdeeld; hij heeft de wetenschappen, de staatkunde en de
krijgskunde, de wetten, de scholen, de kunsten, de industrie uitgevonden; de
vrouw heeft slechts éénen, alles overheerschenden hartstocht; bemind te worden
en door de liefde te heerschen. Dit is haar gelukt. De man is aan hare voeten. De
vrouw heeft den gang der natuur veranderd; immers bij de dieren is de man het
schoonst, het meest getooid, en diegene, die door zijne uiterlijke gaven het meest
schittert. Vergelijk den haan met de hen, den pauw of den fazant, de mannelijke
vogels, insecten, viervoetige dieren, zoogdieren, met hunne wijfjes, vergelijk den
leeuw met de leeuwin, den tijger met de tijgerin, overal is de man schooner dan de
vrouw. Dit was evenzoo het geval tijdens den oorsprong der menschheid (bij de
wilden zijn de mannen met de meeste zorg getatouëerd, zij hebben de meeste
sieraden in de ooren, den neus, de armen, de enkels.)
De oogen der vrouw zijn zachter en bekoorlijker geworden, hare armen hebben
bevalliger ronding gekregen, hare huid is zachter, haar gelaat edeler, haar
hoofdhaar zachter en langer, hare handen en voeten kleiner geworden, haar
lichaam heeft sierlijker vormen aangenomen. De man, bekoord door die nieuwe
schoonheden, heeft steeds de schoonste en verleidelijkste vrouwen gekozen, van
deze zijn een grooter aantal moeder geworden dan van de minder door de natuur
begunstigde vrouwen, zoodat langzamerhand het vrouwelijk schoon is
toegenomen. Bij den mensch is het de man, die kiest, en daarin is de voornaamste
oorzaak gelegen van den vooruitgang in de schoonheid der vrouw, en als gevolg
daarvan in de schoonheid van het menschdom. Bij de dieren zijn het de mannen,
die zich beijveren, om de vrouwen te bekoren, daar zijn het de krachtigste en de
schoonste mannelijke wezens, die de soort instandhouden. Bij de apen en bij de
wilde volksstammen is hetzelfde het geval. Bij den hooger ontwikkelden mensch
is het de vrouw, die steeds voor hare schoonheid gezorgd heeft.
Die taak der vrouw brengt als gevolg eenen alles overheerschenden hartstocht
mede, den minnenijd. De begeerte, de behoefte, om te heerschen en te schitteren is
een factor, die gunstig werkt op den vooruitgang en de veredeling der soort. De
vrouw wil schoon zijn, wil eenen schoonen echtgenoot bezitten, wil schoone
kinderen hebben. Zij moge zich daarvan al of niet rekenschap geven, dit is hare
geheime begeerte. Indien zij fortuin wenscht, of verlangt dat haar echtgenoot
eenen hoogen rang in de maatschappij inneemt, dan is het voornamelijk om te
schitteren. De man is op zijne beurt gedwongen haar in hare sierlijkheid te volgen,
de scherpe hoeken af te ronden, voor zijn uiterlijk zorg te dragen, zijnen geest te
beschaven, en te zorgen, dat hij zonder het hooge standpunt te verlaten, dat hij
Page 622
door zijne kracht en het gebruik zijner rede inneemt, het uiterlijk schoon niet te
veel uit het oog verliest. Vandaar verzachting der zeden, de verbetering van de
taal, het ontstaan der schoone kunsten. Zonder den invloed der vrouw zouden
muziek, schilderkunst, beeldhouwkunst en bouwkunde, en bovenal de dichtkunst,
in één woord alle menschelijke werken, die op gevoel en smaak berusten, niet tot
ontwikkeling gekomen zijn. Een voortdurende wedijver heeft den man voorwaarts
gedreven, en zijne geestesgaven zijn daardoor op heerlijke wijze en vooral
harmonisch ontwikkeld.
Bij die uitwendige gaven, die de vrouw langzamerhand verworven heeft, hebben
zich tevens uit het gevoel van liefde een aantal inwendige gaven ontwikkeld. De
vrouw is teeder geworden, vol toewijding voor alles wat lijdt, en hare behoefte om
lief te hebben stelt haar in staat zich geheel te wijden aan het welzijn der
menschheid. Zij dorst naar het hoogere, en indien zij niet in de liefde of in het
moederschap voldoening vindt voor hare aspiraties, dan weet zij zich die
voldoening op andere wijze te verschaffen.
Wij moeten dus erkennen, dat de vrouw eene groote rol gespeeld heeft bij de
moreele en lichamelijke ontwikkeling van den mensch. Indien wij geene apen
meer zijn, dan hebben wij dat grootendeels aan de vrouw te danken.
De scheiding der geslachten heeft dus eenen gelukkigen invloed uitgeoefend op
den vooruitgang. Indien de voortplanting der wezens had blijven plaats vinden
door knopvorming of deeling, zooals dat millioenen jaren het geval geweest is bij
de lagere wezens, dan zouden er geene geslachten op de aarde zijn en zouden de
wezens geheel verschillend zijn, van wat zij thans zijn. Zij zouden zeker niet zoo
vooruitgegaan zijn als thans het geval is. Er zou geen liefde geweest zijn, en de
liefde heeft immers alles verfraaid, verheven, veredeld.
Terwijl de kunstzin der vrouw werkzaam was ten voordeele der schoonheid, der
sierlijkheid, van den goeden smaak, de opvoeding der kinderen, en den moreelen
vooruitgang in het gezin, maakte de man zijne gaven dienstbaar aan de
maatschappij; hij verbeterde de werktuigen, die noodig waren voor het
levensonderhoud; hij vond de steenen werktuigen uit, die eerst grof gehouwen
waren, zooals hamers, bijlen, messen, lans- of pijlspitsen, schrappers, om de
gevilde huiden te bewerken, naalden van beenderen of horen, daarna werden die
werktuigen verbeterd in het tijdperk van den gepolijsten steen, men had het middel
gevonden, om vuur te maken door droog hout te wrijven in een gat in een’ steen
geboord; later maakte men bronzen en ijzeren werktuigen. De eerste werktuigen
veel uit het oog verliest. Vandaar verzachting der zeden, de verbetering van de
taal, het ontstaan der schoone kunsten. Zonder den invloed der vrouw zouden
muziek, schilderkunst, beeldhouwkunst en bouwkunde, en bovenal de dichtkunst,
in één woord alle menschelijke werken, die op gevoel en smaak berusten, niet tot
ontwikkeling gekomen zijn. Een voortdurende wedijver heeft den man voorwaarts
gedreven, en zijne geestesgaven zijn daardoor op heerlijke wijze en vooral
harmonisch ontwikkeld.
Bij die uitwendige gaven, die de vrouw langzamerhand verworven heeft, hebben
zich tevens uit het gevoel van liefde een aantal inwendige gaven ontwikkeld. De
vrouw is teeder geworden, vol toewijding voor alles wat lijdt, en hare behoefte om
lief te hebben stelt haar in staat zich geheel te wijden aan het welzijn der
menschheid. Zij dorst naar het hoogere, en indien zij niet in de liefde of in het
moederschap voldoening vindt voor hare aspiraties, dan weet zij zich die
voldoening op andere wijze te verschaffen.
Wij moeten dus erkennen, dat de vrouw eene groote rol gespeeld heeft bij de
moreele en lichamelijke ontwikkeling van den mensch. Indien wij geene apen
meer zijn, dan hebben wij dat grootendeels aan de vrouw te danken.
De scheiding der geslachten heeft dus eenen gelukkigen invloed uitgeoefend op
den vooruitgang. Indien de voortplanting der wezens had blijven plaats vinden
door knopvorming of deeling, zooals dat millioenen jaren het geval geweest is bij
de lagere wezens, dan zouden er geene geslachten op de aarde zijn en zouden de
wezens geheel verschillend zijn, van wat zij thans zijn. Zij zouden zeker niet zoo
vooruitgegaan zijn als thans het geval is. Er zou geen liefde geweest zijn, en de
liefde heeft immers alles verfraaid, verheven, veredeld.
Terwijl de kunstzin der vrouw werkzaam was ten voordeele der schoonheid, der
sierlijkheid, van den goeden smaak, de opvoeding der kinderen, en den moreelen
vooruitgang in het gezin, maakte de man zijne gaven dienstbaar aan de
maatschappij; hij verbeterde de werktuigen, die noodig waren voor het
levensonderhoud; hij vond de steenen werktuigen uit, die eerst grof gehouwen
waren, zooals hamers, bijlen, messen, lans- of pijlspitsen, schrappers, om de
gevilde huiden te bewerken, naalden van beenderen of horen, daarna werden die
werktuigen verbeterd in het tijdperk van den gepolijsten steen, men had het middel
gevonden, om vuur te maken door droog hout te wrijven in een gat in een’ steen
geboord; later maakte men bronzen en ijzeren werktuigen. De eerste werktuigen
Page 623
waren echter, zooals men bij een aantal van die gevonden voorwerpen zien kan,
bijzonder ruw. Doch geleidelijk ontwikkelde zich in de menschelijke hersenen het
vermogen om uitvindingen te doen. Toen men enkele nuttige planten had zien
ontkiemen, vond men den ploeg, het zaaien en het maaien uit; doch langen tijd
moest men zich tevreden stellen met wat men vond, vóórdat men voor de
toekomst kon zorgen. Een boomstronk was langen tijd de eerste tafel, en eeuwen
lang dronk men het water uit de hand, vóórdat men houten of aarden drinknappen
en lepels had uitgevonden. Langen tijd bestonden de woningen eenvoudig uit
doode bladeren, boomtakken en holen. De vischvangst begon met het vangen van
schelpen, vooral van oesters, waarvan men de schelpen terugvindt in de
oorspronkelijke verblijven van den mensch. De eerste schepen waren holle
boomstammen. Enkele dieren, de olifant, het rendier, het paard, het rund, waren
getemd en voor huiselijk gebruik dienstig gemaakt. Bij al die werkzaamheden, die
tot doel hadden het materieele leven minder moeilijk te maken, ziet men nog
slechts weinig afgetrokken begrippen. Het denkvermogen ontwikkelt zich uiterst
langzaam. Men telt misschien reeds op de vingers tot vijf of tot tien, maar verder
brengt men het nog niet. De mensch is nog wild en barbaarsch, men doodt
elkander om iedere kleinigheid (de wapenen zijn onder de oorspronkelijke
gereedschappen reeds zeer verschillend). Men spreekt nog alleen met
tuschenwerpsels en éénlettergrepige woorden. Men vindt de sporen daarvan nog
terug in de talen, door de oudste rassen gesproken. Daarop zijn de talen met
uitgangen, en daarna die met buigingsvormen ontstaan. De taal is wel de grootste
schrede van de anthropomorphe apen tot den mensch; maar men vergete niet, dat
de taal niet zoozeer in de stem gelegen is, als wel in het vermogen zijne
denkbeelden uit te drukken. De meeste dieren hebben dat vermogen; de honden
kunnen zich aan ons verstaanbaar maken; de taal der mieren door middel van hare
voelers, schijnt tamelijk rijk te zijn. Later heeft zich de taal ontwikkeld en verrijkt
naast de ontwikkeling der denkbeelden, en is zij ook zelf aan die ontwikkeling
dienstbaar geworden. De geschreven taal is veel jonger. Zij is evenals de
geschiedenis hoogstens zes- of zevenduizend jaren oud.
Zoo was de praehistorische mensch. Verdient hij reeds den naam van m e n s c h ?
Ongetwijfeld, en aan hem zijn wij verplicht, wat wij geworden zijn. Doch hoever
staat hij nog af van het wezen, dat voor ons het type der menschheid is, den
denkenden mensch! Hoever staat hij nog af van de Egyptenaren der eerste
dynastiën, van Mozes en de profeten, van de Grieken uit den tijd van Homerus,
Herodes, Thales en Archimedes! De historische mensch is niet ouder dan vijftig
eeuwen—Hoang-Ti in China, Abraham in Mesopotamië, de Hindoe’s van de
Zend-Avesta—misschien 60 of 65 eeuwen, het tijdperk der Egyptenaren van de
bijzonder ruw. Doch geleidelijk ontwikkelde zich in de menschelijke hersenen het
vermogen om uitvindingen te doen. Toen men enkele nuttige planten had zien
ontkiemen, vond men den ploeg, het zaaien en het maaien uit; doch langen tijd
moest men zich tevreden stellen met wat men vond, vóórdat men voor de
toekomst kon zorgen. Een boomstronk was langen tijd de eerste tafel, en eeuwen
lang dronk men het water uit de hand, vóórdat men houten of aarden drinknappen
en lepels had uitgevonden. Langen tijd bestonden de woningen eenvoudig uit
doode bladeren, boomtakken en holen. De vischvangst begon met het vangen van
schelpen, vooral van oesters, waarvan men de schelpen terugvindt in de
oorspronkelijke verblijven van den mensch. De eerste schepen waren holle
boomstammen. Enkele dieren, de olifant, het rendier, het paard, het rund, waren
getemd en voor huiselijk gebruik dienstig gemaakt. Bij al die werkzaamheden, die
tot doel hadden het materieele leven minder moeilijk te maken, ziet men nog
slechts weinig afgetrokken begrippen. Het denkvermogen ontwikkelt zich uiterst
langzaam. Men telt misschien reeds op de vingers tot vijf of tot tien, maar verder
brengt men het nog niet. De mensch is nog wild en barbaarsch, men doodt
elkander om iedere kleinigheid (de wapenen zijn onder de oorspronkelijke
gereedschappen reeds zeer verschillend). Men spreekt nog alleen met
tuschenwerpsels en éénlettergrepige woorden. Men vindt de sporen daarvan nog
terug in de talen, door de oudste rassen gesproken. Daarop zijn de talen met
uitgangen, en daarna die met buigingsvormen ontstaan. De taal is wel de grootste
schrede van de anthropomorphe apen tot den mensch; maar men vergete niet, dat
de taal niet zoozeer in de stem gelegen is, als wel in het vermogen zijne
denkbeelden uit te drukken. De meeste dieren hebben dat vermogen; de honden
kunnen zich aan ons verstaanbaar maken; de taal der mieren door middel van hare
voelers, schijnt tamelijk rijk te zijn. Later heeft zich de taal ontwikkeld en verrijkt
naast de ontwikkeling der denkbeelden, en is zij ook zelf aan die ontwikkeling
dienstbaar geworden. De geschreven taal is veel jonger. Zij is evenals de
geschiedenis hoogstens zes- of zevenduizend jaren oud.
Zoo was de praehistorische mensch. Verdient hij reeds den naam van m e n s c h ?
Ongetwijfeld, en aan hem zijn wij verplicht, wat wij geworden zijn. Doch hoever
staat hij nog af van het wezen, dat voor ons het type der menschheid is, den
denkenden mensch! Hoever staat hij nog af van de Egyptenaren der eerste
dynastiën, van Mozes en de profeten, van de Grieken uit den tijd van Homerus,
Herodes, Thales en Archimedes! De historische mensch is niet ouder dan vijftig
eeuwen—Hoang-Ti in China, Abraham in Mesopotamië, de Hindoe’s van de
Zend-Avesta—misschien 60 of 65 eeuwen, het tijdperk der Egyptenaren van de
Page 624
vijfde dynastie. Wat waren wij Europeanen, toen die oude beschaving reeds in de
Nijlvallei bloeide, toen een godsdienstig en denkend menschenras reeds eene
geschreven taal en geschiedenis bezaten! Onze voorouders leefden nog in de
steenperiode, en leefden in de bosschen, aan de oevers der groote stroomen, te
zamen met den holenbeer, den rhinoceros, den olifant, het nijlpaard, zonder zich
nog bezig te houden met de groote raadsels van het leven of de nietige
vraagstukken der diplomatie.
Men kan den tijd van het verschijnen van den mensch niet nauwkeurig bepalen,
daar dat verschijnen niet plotseling heeft plaats gegrepen en de mensch eerst
trapsgewijze ontstaan is. Evenmin kan men nauwkeurig de plaats bepalen, waar
hij voor het eerst is opgetreden. Toch heeft men reden te onderstellen, dat de
oorspronkelijke mensch, die reeds een spoor van eene taal bezat, die reeds in
groepen vereenigd leefde, en die reeds steenen gereedschappen kon vervaardigen,
en op horen teekenen kon, meer dan honderdduizend jaren oud is, en in Azië, in de
nabijheid der Perzische golf leefde, van waar hij zich over de aarde verspreid
heeft.
De geestelijke karaktertrek, die den mensch kenmerkt, is zijn vermogen om
afgetrokken begrippen te vormen. Neem dat vermogen weg, en de mensch valt
weder in den dierlijken toestand terug. Doch dat vermogen is nog betrekkelijk
jong, en wij kunnen de verschillende phrasen van de ontwikkeling van dat
vermogen volgen. De wiskunde wordt b.v. terecht beschouwd als de schoonste
openbaring van den menschelijken geest, vooral in hare toepassing op de
diepzinnigste vraagstukken der sterrenkunde; het is niet moeilijk hare
ontwikkeling na te gaan. Men is begonnen met het gewone tellen tot tien, op de
vingers der hand: dit is de oorsprong van het tientallig stelsel. Voor lengtematen
heeft men den voet, den elleboog, de schrede genomen, voor dieptemetingen den
vadem; al die afmetingen zijn aan het menschelijke lichaam ontleend. In het
wigvormig schrift der Chaldeën worden de getallen eenvoudig voorgesteld door
gaten. Bij de Grieken zijn de cijfers niets anders dan de letters van het alphabet
met een accent er boven: α′ = 1, β′ = 2, enz. tot 20; grootere getallen worden
voorgesteld door verbindingen van letters. De meetkunde is begonnen met
landmeetkunde en bouwkunde. De eigenlijke wiskunde dagteekent waarschijnlijk
eerst van Thales en Pythogoras, in de zesde eeuw vóór Christus, als uitbreiding der
rekenkunde en meetkunde van de Egyptenaren. De meetkunde, als wetenschap, als
verzameling van onwederlegbare stellingen, dagteekent eerst van Euclides en
Archimedes; de kennis der kegelsneden dagteekent eerst van Apollonius, de
algebra is begonnen met Diophantes, de sterrenkunde met Hipparchus en
Nijlvallei bloeide, toen een godsdienstig en denkend menschenras reeds eene
geschreven taal en geschiedenis bezaten! Onze voorouders leefden nog in de
steenperiode, en leefden in de bosschen, aan de oevers der groote stroomen, te
zamen met den holenbeer, den rhinoceros, den olifant, het nijlpaard, zonder zich
nog bezig te houden met de groote raadsels van het leven of de nietige
vraagstukken der diplomatie.
Men kan den tijd van het verschijnen van den mensch niet nauwkeurig bepalen,
daar dat verschijnen niet plotseling heeft plaats gegrepen en de mensch eerst
trapsgewijze ontstaan is. Evenmin kan men nauwkeurig de plaats bepalen, waar
hij voor het eerst is opgetreden. Toch heeft men reden te onderstellen, dat de
oorspronkelijke mensch, die reeds een spoor van eene taal bezat, die reeds in
groepen vereenigd leefde, en die reeds steenen gereedschappen kon vervaardigen,
en op horen teekenen kon, meer dan honderdduizend jaren oud is, en in Azië, in de
nabijheid der Perzische golf leefde, van waar hij zich over de aarde verspreid
heeft.
De geestelijke karaktertrek, die den mensch kenmerkt, is zijn vermogen om
afgetrokken begrippen te vormen. Neem dat vermogen weg, en de mensch valt
weder in den dierlijken toestand terug. Doch dat vermogen is nog betrekkelijk
jong, en wij kunnen de verschillende phrasen van de ontwikkeling van dat
vermogen volgen. De wiskunde wordt b.v. terecht beschouwd als de schoonste
openbaring van den menschelijken geest, vooral in hare toepassing op de
diepzinnigste vraagstukken der sterrenkunde; het is niet moeilijk hare
ontwikkeling na te gaan. Men is begonnen met het gewone tellen tot tien, op de
vingers der hand: dit is de oorsprong van het tientallig stelsel. Voor lengtematen
heeft men den voet, den elleboog, de schrede genomen, voor dieptemetingen den
vadem; al die afmetingen zijn aan het menschelijke lichaam ontleend. In het
wigvormig schrift der Chaldeën worden de getallen eenvoudig voorgesteld door
gaten. Bij de Grieken zijn de cijfers niets anders dan de letters van het alphabet
met een accent er boven: α′ = 1, β′ = 2, enz. tot 20; grootere getallen worden
voorgesteld door verbindingen van letters. De meetkunde is begonnen met
landmeetkunde en bouwkunde. De eigenlijke wiskunde dagteekent waarschijnlijk
eerst van Thales en Pythogoras, in de zesde eeuw vóór Christus, als uitbreiding der
rekenkunde en meetkunde van de Egyptenaren. De meetkunde, als wetenschap, als
verzameling van onwederlegbare stellingen, dagteekent eerst van Euclides en
Archimedes; de kennis der kegelsneden dagteekent eerst van Apollonius, de
algebra is begonnen met Diophantes, de sterrenkunde met Hipparchus en
Page 625
Ptolemaeus, de kennis van den bouw van het zonnestelsel met Copernicus, de
kennis van de beweging der hemellichamen met Kepler, en van de wetten dier
beweging met Newton; de natuurkundige sterrenkunde is door Galileï gegrondvest
door de uitvinding van den verrekijker, de toepassing van de algebra op de
meetkunde door Descartes, de logarithmen door Neper, de differentiaal-rekening
door Leibnitz, de integraal-rekening door Euler en Bernouilli; de toepassing dier
wetenschappen op de sterrenkunde is de vrucht van de studie van Lambert,
d’Alembert, Lagrange, Laplace, Gauss en anderen. Dat alles dagteekent eerst van
gisteren. Zoo ziet men, hoe men stap voor stap de ontwikkeling van den
menschelijken geest volgen kan. Wat wij zooeven gezegd hebben van de wis- en
sterrenkunde, geldt evenzeer voor de natuurkunde, de scheikunde, in één woord,
voor alle kunsten en wetenschappen, voor alle werken des geestes. Wel is niet
altijd de vooruitgang even duidelijk, wel is, zooals b.v. bij de beeldhouwkunst en
de schilderkunst, somtijds in tweeduizend jaren geene ontwikkeling te bespeuren;
doch men vergete niet, dat tweeduizend jaren slechts een dag zijn in de
geschiedenis der aarde. Voor hem, die tot den oorsprong weet op te klimmen, en
die zich niet door vooroordeelen laat leiden, is het duidelijk, hoe alles, wat thans
den mensen zijne groote waarde geeft, geleidelijk in den loop der eeuwen door
voortdurende inspanning verworven is. Zelfs in de nieuwste wetenschappen, in de
nieuwste ontdekkingen, in de scherpzinnigste toepassingen, schept de grootste
reuzengeest niets nieuws: hij maakt gebruik van de gegevens, hem door de
wetenschap verschaft, om haar een stap verder te brengen. Dat is steeds de gang
der ontwikkeling geweest.
kennis van de beweging der hemellichamen met Kepler, en van de wetten dier
beweging met Newton; de natuurkundige sterrenkunde is door Galileï gegrondvest
door de uitvinding van den verrekijker, de toepassing van de algebra op de
meetkunde door Descartes, de logarithmen door Neper, de differentiaal-rekening
door Leibnitz, de integraal-rekening door Euler en Bernouilli; de toepassing dier
wetenschappen op de sterrenkunde is de vrucht van de studie van Lambert,
d’Alembert, Lagrange, Laplace, Gauss en anderen. Dat alles dagteekent eerst van
gisteren. Zoo ziet men, hoe men stap voor stap de ontwikkeling van den
menschelijken geest volgen kan. Wat wij zooeven gezegd hebben van de wis- en
sterrenkunde, geldt evenzeer voor de natuurkunde, de scheikunde, in één woord,
voor alle kunsten en wetenschappen, voor alle werken des geestes. Wel is niet
altijd de vooruitgang even duidelijk, wel is, zooals b.v. bij de beeldhouwkunst en
de schilderkunst, somtijds in tweeduizend jaren geene ontwikkeling te bespeuren;
doch men vergete niet, dat tweeduizend jaren slechts een dag zijn in de
geschiedenis der aarde. Voor hem, die tot den oorsprong weet op te klimmen, en
die zich niet door vooroordeelen laat leiden, is het duidelijk, hoe alles, wat thans
den mensen zijne groote waarde geeft, geleidelijk in den loop der eeuwen door
voortdurende inspanning verworven is. Zelfs in de nieuwste wetenschappen, in de
nieuwste ontdekkingen, in de scherpzinnigste toepassingen, schept de grootste
reuzengeest niets nieuws: hij maakt gebruik van de gegevens, hem door de
wetenschap verschaft, om haar een stap verder te brengen. Dat is steeds de gang
der ontwikkeling geweest.
Page 626
De menschheid, bevrijd uit de knellende banden van haren dierlijken
oorsprong, beheerscht de wereld in haar streven naar voortdurende
ontwikkeling.
Wel is de tegenwoordige menschheid nog niet volmaakt. Nog is de eeuw der rede
niet aangebroken. Zoolang nog de kracht het recht beheerscht; zoolang nog
staande legers noodig schijnen te zijn; zoolang er nog armoede en onwetendheid,
diefstal en moord bestaat, zóólang kunnen wij ons nog niet beroemen op den naam
van een verstandig ras. Doch de geleidelijke vooruitgang in het verleden is een
oorsprong, beheerscht de wereld in haar streven naar voortdurende
ontwikkeling.
Wel is de tegenwoordige menschheid nog niet volmaakt. Nog is de eeuw der rede
niet aangebroken. Zoolang nog de kracht het recht beheerscht; zoolang nog
staande legers noodig schijnen te zijn; zoolang er nog armoede en onwetendheid,
diefstal en moord bestaat, zóólang kunnen wij ons nog niet beroemen op den naam
van een verstandig ras. Doch de geleidelijke vooruitgang in het verleden is een
Page 627
waarborg voor de toekomst; de wereld gaat vooruit. Kunsten en wetenschappen,
goede smaak, letterkunde en zedelijkheid, alles verheft zich. Het gevoel voor het
goede en ware ontwikkelt zich; deugd en kennis veredelen en reinigen den
mensen. Met vertrouwen mogen wij de toekomst tegemoet gaan. Want de
menschheid, bevrijd uit de knellende banden van haren dierlijken oorsprong,
beheerscht de wereld in haar streven naar voortdurende ontwikkeling.
Zoo zal dan een volgend menschengeslacht, steunende op de onderzoekingen van
voorgaande eeuwen, weer nieuwe feiten verzamelen, nieuwe ontdekkingen doen,
nieuwe gezichtspunten openen; totdat na verloop van honderden en honderden
eeuwen een hooger ontwikkeld, een beter en reiner menschengeslacht onze plaats
zal innemen.
Want vooruitgang is de wet der natuur; dit geheele werk legt daarvan de getuigenis
af; het zoeken naar de Waarheid is het streven van den menschelijken geest. Al het
andere is slechts ijdelheid. De bestemming van ieder onzer is het, om ons meer en
meer te ontwikkelen. Wel is de toekomst voor ons verborgen, doch uit de studie
van het verledene kunnen wij de richting leeren kennen, waarin zich de
menschheid beweegt. En die studie werkt juist daarom zoo veredelend op ons
gemoed, omdat zij ons aanspoort, om te leven in de goddelijke wereld des geestes
en omdat op hare banier in vlammend schrift geschreven staat: Waarheid, Licht,
Hoop.
1 Wij zagen vroeger, dat de embryologie leert, dat de mensch en de zoogdieren in den moederschoot alle
phasen doorloopen, die bij de ontwikkeling der soorten doorloopen zijn, en dat ieder onzer eenige dagen
kruipend dier, viervoetig dier enz. geweest is. Wij zagen tevens, dat de afgestorven organen nog in ons
lichaam voorkomen, als getuigen uit het verledene. Langen tijd heeft men er over getwist, of de menschelijke
vrucht eenigen tijd eenen staart bezit, met wervels als die der apen en viervoetige dieren. Die vraag is onlangs
voor goed opgelost. In de zitting der Académie des Sciences van 8 Juni 1885 heeft de Heer Fol bewezen, dat
de menschelijke vrucht van 5½ millimeter, d.i. van 25 dagen, 32 wervels bezit; die van 9 tot 10 millimeters,
d.i. van 35 tot 40 dagen, 38 wervels. Het menschelijke geraamte heeft er slechts 24. Die staartaanhangsels
blijven slechts kort. Bij vruchten van 12 millimeters, d.i. van zes weken, vergroeien de 38ste, 37ste en 36ste te
zamen, terwijl de 35ste niet meer scherp gescheiden is. Eene vrucht van 19 millimeters heeft nog slechts 34
wervels. Hieruit volgt, dat de normale vrucht in de 5de en 6de week harer ontwikkeling eenen staart heeft van
kegelvormige gedaante, uit wervels bestaande en van het lichaam gescheiden.
2 Wij herhalen nogmaals: van eenen aap, die de gemeenschappelijke stamvader van den mensch en de
tegenwoordige apen geweest is.
goede smaak, letterkunde en zedelijkheid, alles verheft zich. Het gevoel voor het
goede en ware ontwikkelt zich; deugd en kennis veredelen en reinigen den
mensen. Met vertrouwen mogen wij de toekomst tegemoet gaan. Want de
menschheid, bevrijd uit de knellende banden van haren dierlijken oorsprong,
beheerscht de wereld in haar streven naar voortdurende ontwikkeling.
Zoo zal dan een volgend menschengeslacht, steunende op de onderzoekingen van
voorgaande eeuwen, weer nieuwe feiten verzamelen, nieuwe ontdekkingen doen,
nieuwe gezichtspunten openen; totdat na verloop van honderden en honderden
eeuwen een hooger ontwikkeld, een beter en reiner menschengeslacht onze plaats
zal innemen.
Want vooruitgang is de wet der natuur; dit geheele werk legt daarvan de getuigenis
af; het zoeken naar de Waarheid is het streven van den menschelijken geest. Al het
andere is slechts ijdelheid. De bestemming van ieder onzer is het, om ons meer en
meer te ontwikkelen. Wel is de toekomst voor ons verborgen, doch uit de studie
van het verledene kunnen wij de richting leeren kennen, waarin zich de
menschheid beweegt. En die studie werkt juist daarom zoo veredelend op ons
gemoed, omdat zij ons aanspoort, om te leven in de goddelijke wereld des geestes
en omdat op hare banier in vlammend schrift geschreven staat: Waarheid, Licht,
Hoop.
1 Wij zagen vroeger, dat de embryologie leert, dat de mensch en de zoogdieren in den moederschoot alle
phasen doorloopen, die bij de ontwikkeling der soorten doorloopen zijn, en dat ieder onzer eenige dagen
kruipend dier, viervoetig dier enz. geweest is. Wij zagen tevens, dat de afgestorven organen nog in ons
lichaam voorkomen, als getuigen uit het verledene. Langen tijd heeft men er over getwist, of de menschelijke
vrucht eenigen tijd eenen staart bezit, met wervels als die der apen en viervoetige dieren. Die vraag is onlangs
voor goed opgelost. In de zitting der Académie des Sciences van 8 Juni 1885 heeft de Heer Fol bewezen, dat
de menschelijke vrucht van 5½ millimeter, d.i. van 25 dagen, 32 wervels bezit; die van 9 tot 10 millimeters,
d.i. van 35 tot 40 dagen, 38 wervels. Het menschelijke geraamte heeft er slechts 24. Die staartaanhangsels
blijven slechts kort. Bij vruchten van 12 millimeters, d.i. van zes weken, vergroeien de 38ste, 37ste en 36ste te
zamen, terwijl de 35ste niet meer scherp gescheiden is. Eene vrucht van 19 millimeters heeft nog slechts 34
wervels. Hieruit volgt, dat de normale vrucht in de 5de en 6de week harer ontwikkeling eenen staart heeft van
kegelvormige gedaante, uit wervels bestaande en van het lichaam gescheiden.
2 Wij herhalen nogmaals: van eenen aap, die de gemeenschappelijke stamvader van den mensch en de
tegenwoordige apen geweest is.
Page 628
Colofon
Codering
Dit bestand is in de oude spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te
moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn hersteld.
In een aantal gevallen waren de kopjes bij figuren voor meer dan een figuur
samengenomen. Dit is in deze editie ongedaan gemaakt.
Verbeteringen
De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
Bladzijde Bron Verbetering
V . [Verwijderd]
18 derge-gelijken dergelijken
21 archeopterix archeopteryx
51, 547 , .
51, 53, [Niet in bron] „
163, 163,
482, 568,
607, 607,
608, 608,
609, 609,
611, 611,
613, 613,
614, 614,
615, 615,
615, 616,
617, 617,
618, 618,
Codering
Dit bestand is in de oude spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te
moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn hersteld.
In een aantal gevallen waren de kopjes bij figuren voor meer dan een figuur
samengenomen. Dit is in deze editie ongedaan gemaakt.
Verbeteringen
De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
Bladzijde Bron Verbetering
V . [Verwijderd]
18 derge-gelijken dergelijken
21 archeopterix archeopteryx
51, 547 , .
51, 53, [Niet in bron] „
163, 163,
482, 568,
607, 607,
608, 608,
609, 609,
611, 611,
613, 613,
614, 614,
615, 615,
615, 616,
617, 617,
618, 618,
Page 629
618, 618,
619, 620,
620, 621,
623, 624,
624, 631
81 . ,
93 vertereLd verterend
95 entoderm endoderm
105, 155,
181, 246,
260, 377,
436, 446,
490, 501,
608, 642,
644 [Niet in bron] .
134 beslaat bestaat
165 71 81
190 [Niet in bron] —
240 we-en wegen
271 Flamarion Flammarion
272 , )
274 [Niet in bron] (
302 schubbooom schubboom
322 probriton protriton
324 toonen teenen
351 Alpalachen Apalachen
381 steenkool- steenkoolafzettignen
398 Iguanoden Iguanodon
401 visschen en planten. [Verwijderd]
Na eenen zwaren
arbeid van drie jaren
en uitgravingen op
eene diepte van 322
619, 620,
620, 621,
623, 624,
624, 631
81 . ,
93 vertereLd verterend
95 entoderm endoderm
105, 155,
181, 246,
260, 377,
436, 446,
490, 501,
608, 642,
644 [Niet in bron] .
134 beslaat bestaat
165 71 81
190 [Niet in bron] —
240 we-en wegen
271 Flamarion Flammarion
272 , )
274 [Niet in bron] (
302 schubbooom schubboom
322 probriton protriton
324 toonen teenen
351 Alpalachen Apalachen
381 steenkool- steenkoolafzettignen
398 Iguanoden Iguanodon
401 visschen en planten. [Verwijderd]
Na eenen zwaren
arbeid van drie jaren
en uitgravingen op
eene diepte van 322
Page 630
tot 356 meters, had
men 29 iguanodons,
waarvan een groot
gedeelte in
405 bl. blz.
415 vleugels vingers
425 archeoptheryx archeopteryx
430 „ [Verwijderd]
435 Musëum Museum
470 [Niet in bron] ,
560 , [Verwijderd]
568 „ ‘
568 [Niet in bron] ’
602 was wat
607, 631 [Niet in bron] ”
634 beteenis beteekenis
640 [Niet in bron] )
645 : .
men 29 iguanodons,
waarvan een groot
gedeelte in
405 bl. blz.
415 vleugels vingers
425 archeoptheryx archeopteryx
430 „ [Verwijderd]
435 Musëum Museum
470 [Niet in bron] ,
560 , [Verwijderd]
568 „ ‘
568 [Niet in bron] ’
602 was wat
607, 631 [Niet in bron] ”
634 beteenis beteekenis
640 [Niet in bron] )
645 : .
Page 631
*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE WERELD
VÓÓR DE SCHEPPING VAN DEN MENSCH ***
Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.
Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright royalties.
Special rules, set forth in the General Terms of Use part of this license,
apply to copying and distributing Project Gutenberg™ electronic
works to protect the PROJECT GUTENBERG™ concept and
trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, and may not
be used if you charge for an eBook, except by following the terms of
the trademark license, including paying royalties for use of the Project
Gutenberg trademark. If you do not charge anything for copies of this
eBook, complying with the trademark license is very easy. You may
use this eBook for nearly any purpose such as creation of derivative
works, reports, performances and research. Project Gutenberg eBooks
may be modified and printed and given away—you may do practically
ANYTHING in the United States with eBooks not protected by U.S.
copyright law. Redistribution is subject to the trademark license,
especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
VÓÓR DE SCHEPPING VAN DEN MENSCH ***
Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.
Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright royalties.
Special rules, set forth in the General Terms of Use part of this license,
apply to copying and distributing Project Gutenberg™ electronic
works to protect the PROJECT GUTENBERG™ concept and
trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, and may not
be used if you charge for an eBook, except by following the terms of
the trademark license, including paying royalties for use of the Project
Gutenberg trademark. If you do not charge anything for copies of this
eBook, complying with the trademark license is very easy. You may
use this eBook for nearly any purpose such as creation of derivative
works, reports, performances and research. Project Gutenberg eBooks
may be modified and printed and given away—you may do practically
ANYTHING in the United States with eBooks not protected by U.S.
copyright law. Redistribution is subject to the trademark license,
especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
Page 632
THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work (or
any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full Project
Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and Redistributing
Project Gutenberg electronic works
1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg electronic
work, you indicate that you have read, understand, agree to and accept
all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
all copies of Project Gutenberg electronic works in your possession. If
you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project Gutenberg
electronic work and you do not agree to be bound by the terms of this
agreement, you may obtain a refund from the person or entity to whom
you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people
who agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this agreement
and help preserve free future access to Project Gutenberg electronic
works. See paragraph 1.E below.
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work (or
any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full Project
Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and Redistributing
Project Gutenberg electronic works
1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg electronic
work, you indicate that you have read, understand, agree to and accept
all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
all copies of Project Gutenberg electronic works in your possession. If
you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project Gutenberg
electronic work and you do not agree to be bound by the terms of this
agreement, you may obtain a refund from the person or entity to whom
you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people
who agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this agreement
and help preserve free future access to Project Gutenberg electronic
works. See paragraph 1.E below.
Page 633
1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the
collection of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the
individual works in the collection are in the public domain in the
United States. If an individual work is unprotected by copyright law in
the United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting free
access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg works
in compliance with the terms of this agreement for keeping the Project
Gutenberg name associated with the work. You can easily comply with
the terms of this agreement by keeping this work in the same format
with its attached full Project Gutenberg License when you share it
without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.
1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
access to, the full Project Gutenberg License must appear prominently
whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work on which
the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase
“Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed,
viewed, copied or distributed:
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the
collection of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the
individual works in the collection are in the public domain in the
United States. If an individual work is unprotected by copyright law in
the United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting free
access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg works
in compliance with the terms of this agreement for keeping the Project
Gutenberg name associated with the work. You can easily comply with
the terms of this agreement by keeping this work in the same format
with its attached full Project Gutenberg License when you share it
without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.
1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
access to, the full Project Gutenberg License must appear prominently
whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work on which
the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase
“Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed,
viewed, copied or distributed:
Page 634
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States
and most other parts of the world at no cost and with almost no
restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
under the terms of the Project Gutenberg™ License included with
this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located
in the United States, you will have to check the laws of the
country where you are located before using this eBook.
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is derived
from texts not protected by U.S. copyright law (does not contain a
notice indicating that it is posted with permission of the copyright
holder), the work can be copied and distributed to anyone in the United
States without paying any fees or charges. If you are redistributing or
providing access to a work with the phrase “Project Gutenberg”
associated with or appearing on the work, you must comply either with
the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or obtain
permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works posted
with the permission of the copyright holder found at the beginning of
this work.
1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.
1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.
and most other parts of the world at no cost and with almost no
restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
under the terms of the Project Gutenberg™ License included with
this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located
in the United States, you will have to check the laws of the
country where you are located before using this eBook.
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is derived
from texts not protected by U.S. copyright law (does not contain a
notice indicating that it is posted with permission of the copyright
holder), the work can be copied and distributed to anyone in the United
States without paying any fees or charges. If you are redistributing or
providing access to a work with the phrase “Project Gutenberg”
associated with or appearing on the work, you must comply either with
the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or obtain
permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works posted
with the permission of the copyright holder found at the beginning of
this work.
1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.
1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.
Page 635
1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide
access to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means of
obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.
1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works provided
that:
• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the
use of Project Gutenberg works calculated using the method you
already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the
owner of the Project Gutenberg trademark, but he has agreed to donate
royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days
following each date on which you prepare (or are legally required to
prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly
marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation at the address specified in Section 4, “Information about
donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.”
• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does
not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You
must require such a user to return or destroy all copies of the works
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide
access to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means of
obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.
1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works provided
that:
• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the
use of Project Gutenberg works calculated using the method you
already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the
owner of the Project Gutenberg trademark, but he has agreed to donate
royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days
following each date on which you prepare (or are legally required to
prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly
marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation at the address specified in Section 4, “Information about
donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.”
• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does
not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You
must require such a user to return or destroy all copies of the works
Page 636
possessed in a physical medium and discontinue all use of and all
access to other copies of Project Gutenberg™ works.
• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.
• You comply with all other terms of this agreement for free distribution
of Project Gutenberg™ works.
1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg™
electronic work or group of works on different terms than are set forth
in this agreement, you must obtain permission in writing from the
Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of the
Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set forth in
Section 3 below.
1.F.
1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend
considerable effort to identify, do copyright research on, transcribe and
proofread works not protected by U.S. copyright law in creating the
Project Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project
Gutenberg™ electronic works, and the medium on which they may be
stored, may contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete,
inaccurate or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.
1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES -
Except for the “Right of Replacement or Refund” described in
paragraph 1.F.3, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation,
the owner of the Project Gutenberg™ trademark, and any other party
distributing a Project Gutenberg™ electronic work under this
agreement, disclaim all liability to you for damages, costs and
access to other copies of Project Gutenberg™ works.
• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.
• You comply with all other terms of this agreement for free distribution
of Project Gutenberg™ works.
1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg™
electronic work or group of works on different terms than are set forth
in this agreement, you must obtain permission in writing from the
Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of the
Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set forth in
Section 3 below.
1.F.
1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend
considerable effort to identify, do copyright research on, transcribe and
proofread works not protected by U.S. copyright law in creating the
Project Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project
Gutenberg™ electronic works, and the medium on which they may be
stored, may contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete,
inaccurate or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.
1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES -
Except for the “Right of Replacement or Refund” described in
paragraph 1.F.3, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation,
the owner of the Project Gutenberg™ trademark, and any other party
distributing a Project Gutenberg™ electronic work under this
agreement, disclaim all liability to you for damages, costs and
Page 637
expenses, including legal fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO
REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT LIABILITY, BREACH
OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE
FOUNDATION, THE TRADEMARK OWNER, AND ANY
DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT,
CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL DAMAGES
EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you
discover a defect in this electronic work within 90 days of receiving it,
you can receive a refund of the money (if any) you paid for it by
sending a written explanation to the person you received the work
from. If you received the work on a physical medium, you must return
the medium with your written explanation. The person or entity that
provided you with the defective work may elect to provide a
replacement copy in lieu of a refund. If you received the work
electronically, the person or entity providing it to you may choose to
give you a second opportunity to receive the work electronically in lieu
of a refund. If the second copy is also defective, you may demand a
refund in writing without further opportunities to fix the problem.
1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth in
paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED,
INCLUDING BUT NOT LIMITED TO WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. If
any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the law
of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT LIABILITY, BREACH
OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE
FOUNDATION, THE TRADEMARK OWNER, AND ANY
DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT,
CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL DAMAGES
EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you
discover a defect in this electronic work within 90 days of receiving it,
you can receive a refund of the money (if any) you paid for it by
sending a written explanation to the person you received the work
from. If you received the work on a physical medium, you must return
the medium with your written explanation. The person or entity that
provided you with the defective work may elect to provide a
replacement copy in lieu of a refund. If you received the work
electronically, the person or entity providing it to you may choose to
give you a second opportunity to receive the work electronically in lieu
of a refund. If the second copy is also defective, you may demand a
refund in writing without further opportunities to fix the problem.
1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth in
paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED,
INCLUDING BUT NOT LIMITED TO WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. If
any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the law
of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
Page 638
the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the
Foundation, the trademark owner, any agent or employee of the
Foundation, anyone providing copies of Project Gutenberg™
electronic works in accordance with this agreement, and any
volunteers associated with the production, promotion and distribution
of Project Gutenberg™ electronic works, harmless from all liability,
costs and expenses, including legal fees, that arise directly or indirectly
from any of the following which you do or cause to occur: (a)
distribution of this or any Project Gutenberg work, (b) alteration,
modification, or additions or deletions to any Project Gutenberg work,
and (c) any Defect you cause.
Section 2. Information about the Mission of Project
Gutenberg
Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.
Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s goals
and ensuring that the Project Gutenberg collection will remain freely
available for generations to come. In 2001, the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation was created to provide a secure and
permanent future for Project Gutenberg and future generations. To
learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 and
the Foundation information page at www.gutenberg.org.
Section 3. Information about the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation
provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the
Foundation, the trademark owner, any agent or employee of the
Foundation, anyone providing copies of Project Gutenberg™
electronic works in accordance with this agreement, and any
volunteers associated with the production, promotion and distribution
of Project Gutenberg™ electronic works, harmless from all liability,
costs and expenses, including legal fees, that arise directly or indirectly
from any of the following which you do or cause to occur: (a)
distribution of this or any Project Gutenberg work, (b) alteration,
modification, or additions or deletions to any Project Gutenberg work,
and (c) any Defect you cause.
Section 2. Information about the Mission of Project
Gutenberg
Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.
Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s goals
and ensuring that the Project Gutenberg collection will remain freely
available for generations to come. In 2001, the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation was created to provide a secure and
permanent future for Project Gutenberg and future generations. To
learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 and
the Foundation information page at www.gutenberg.org.
Section 3. Information about the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation
Page 639
The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the state
of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal Revenue
Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification number is
64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation are tax deductible to the full extent permitted by U.S.
federal laws and your state’s laws.
The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza
#516, Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact
links and up to date contact information can be found at the
Foundation’s website and official page at www.gutenberg.org/contact
Section 4. Information about Donations to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation
Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without
widespread public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small
donations ($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax
exempt status with the IRS.
The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United States.
Compliance requirements are not uniform and it takes a considerable
effort, much paperwork and many fees to meet and keep up with these
requirements. We do not solicit donations in locations where we have
not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
state visit www.gutenberg.org/donate.
While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the state
of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal Revenue
Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification number is
64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation are tax deductible to the full extent permitted by U.S.
federal laws and your state’s laws.
The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza
#516, Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact
links and up to date contact information can be found at the
Foundation’s website and official page at www.gutenberg.org/contact
Section 4. Information about Donations to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation
Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without
widespread public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small
donations ($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax
exempt status with the IRS.
The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United States.
Compliance requirements are not uniform and it takes a considerable
effort, much paperwork and many fees to meet and keep up with these
requirements. We do not solicit donations in locations where we have
not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
state visit www.gutenberg.org/donate.
While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
Page 640
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.
International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.
Section 5. General Information About Project Gutenberg
electronic works
Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg
concept of a library of electronic works that could be freely shared
with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
Gutenberg eBooks with only a loose network of volunteer support.
Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.
Most people start at our website which has the main PG search facility:
www.gutenberg.org.
This website includes information about Project Gutenberg, including
how to make donations to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
approach us with offers to donate.
International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.
Section 5. General Information About Project Gutenberg
electronic works
Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg
concept of a library of electronic works that could be freely shared
with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
Gutenberg eBooks with only a loose network of volunteer support.
Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.
Most people start at our website which has the main PG search facility:
www.gutenberg.org.
This website includes information about Project Gutenberg, including
how to make donations to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
Page 641
Page 642
back
Page 643
Page 644
back
Page 645
Page 646
back