Mathias Sandorf [1] _ Een verijdelde samenzwering_ Dokter Antekirrt (Dutch) Jules Verne 25487 downloads.pdf

353 pages · Make another flipbook

Page 1

Page 2

Page 3

The Project Gutenberg eBook of Mathias Sandorf [1]

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will
have to check the laws of the country where you are located before using
this eBook.

Title: Mathias Sandorf [1]
Een verijdelde samenzwering; Dokter Antekirrt

Author: Jules Verne

Release date: June 12, 2025 [eBook #76280]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: Uitgevers-Maatschappy "Elsevier",
1916

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/76280

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading
Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MATHIAS
SANDORF [1] ***

Page 4

[Inhoud]

[Inhoud]

MATHIAS SANDORF

EEN VERIJDELDE SAMENZWERING
DOKTER ANTEKIRRT

[Inhoud]

Page 5

Page 6

WONDERREIZEN

JULES VERNE

Mathias Sandorf

EEN VERIJDELDE
SAMENZWERING
DOKTER ANTEKIRRT

Page 7

AMSTERDAM
UITGEVERS-MAATSCHAPPY „ELSEVIER”
1916

[1]

Page 8

[Inhoud]

Page 9

I.

Page 10

DE REISDUIF.
Triëst, de hoofdplaats van Illyrië, wordt verdeeld in twee gedeelten, die zeer
weinig gelijkenis met elkander hebben; het eene is nieuw en rijk, Theresienstadt
genaamd, keurig netjes en regelmatig gebouwd langs de boorden van die fraaie
baai, waarvoor een deel door den mensch aan de golven ontwoekerd werd; het
andere gedeelte is eene oude en arme stad, die geheel onregelmatig opgetrokken
werd en besloten ligt tusschen het Corso, waardoor zij van de Theresienstadt
afgescheiden wordt, en de hellingen van den Karstberg, welks top bekroond is
met eene citadel, die een schilderachtig uiterlijk heeft.

De haven van Triëst wordt gedekt door den kaaidam San Carlo, in welks
nabijheid de koopvaardijschepen bij voorkeur ankeren. Daar vormen zich
gemakkelijk en soms in onrustbarend aantal, groepen van die straatslijpers, van
die bohemers, zooals zij wel genoemd worden, van die kerels zonder dak, welker
jassen, broeken en vesten waarachtig geen zakken noodig hebben, omdat hunne
eigenaren nooit iets gehad hebben en nooit iets zullen hebben, om er in te bergen.

Evenwel op den dag, waarop dit verhaal begint—den 18den Mei 1867—zou men
te midden van die landloopers twee personen opgemerkt hebben, die een weinig
beter gekleed waren dan hunne omgeving. Of ze ooit veel last hadden of hebben
zouden van de guldens of kreutzers, die zij bezaten, was weinig waarschijnlijk,
tenzij de kansrekening ten hunnen gunste uitviel. Het is waar dat het een paar
kerels waren, die in staat geacht moesten worden, alles te doen om de fortuin de
hand te reiken en haar gunstig te stemmen.

De een heette Sarcany, die beweerde dat hij van Tripoli afkomstig was. De andere
was op Sicilië geboren en heette Zirone. Beiden, na den havendam voor den
tienden keer op en neer gedrenteld te hebben, waren op zijn uiteinde blijven
stilstaan. Van dat punt onderzochten zij den gezichteinder op zee ten westen van
de baai van [2]Triëst, alsof daar aan de kim een schip moest opduiken, hetwelk
hun een vermogen zou aanbrengen!

Page 11

„Hoe laat is het?” vroeg Zirone in het Italiaansch, dat zijn makker even vlug en
vloeiend sprak als al de andere tongvallen, die rondom de Middellandsche Zee
gesproken worden.

Sarcany antwoordde niet.

„Och, ben ik niet dom, met zoo’n vraag te doen!” riep de Siciliaan uit. „Men weet
altijd hoe laat het is, wanneer men den honger gevoelt, als men niets te ontbijten
heeft gehad!”

De Oostenrijksche, Italiaansche en Slavonische bestanddeelen der maatschappij
zijn in dit gedeelte van het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk zoodanig
vermengd, dat de aanwezigheid van die twee personen, hoewel zij blijkbaar
vreemdelingen in de stad waren, volstrekt niet de aandacht trok. En al hadden zij
ook al leege zakken en al waren zij ook arm als Job, zoo kon dat niemand raden,
daar zij onder den bruinen mantel, die hen tot op de hielen viel, een hooge borst
zetten, alsof zij wonder veel in de melk te brokken hadden.

Sarcany, de jongste dier beide mannen, was van middelbare gestalte, maar
evenredig gebouwd. Hij bezat aangename manieren en een bevalligen gang en
was vijf en twintig jaren oud. Hij heette Sarcany, zonder meer. Geen voornaam,
geen doopnaam. En inderdaad, hij was niet gedoopt, omdat hij zeer waarschijnlijk
van Afrikaansche herkomst was, van Tripoli of Tunis. Maar hoewel zijne huid
gebruind was, deden zijne regelmatige trekken hem eerder voor een blanke dan
voor een neger doorgaan.

Wanneer ooit het uiterlijk bedriegelijk was, dan was het wel dat van Sarcany.
Men moest wel een ervaren opmerker zijn om uit dat regelmatige gelaat, met die
schoone zwarte oogen, met dien fijngevormden neus, met dien keurig
geteekenden mond, die door een fijn kneveltje beschaduwd werd, de diepe
sluwheid van dien jongen man op te maken. Geen nog zoo scherpziend oog zou
op dat strakke, ijskoude gelaat die kenmerken van diepe verachting en van
peilloozen afkeer hebben kunnen ontdekken, die uit een voortdurenden opstand
en strijd tegen de maatschappij geboren worden. Wanneer de gelaatkundigen, en
in zeer vele gevallen terecht, beweren, dat ieder bedrieger in weerwil van zijne
behendigheid tegen zich zelven getuigt, zoo zou Sarcany die bewering volkomen

Page 12

gelogenstraft hebben. Niemand zou op het eerste gezicht van dien man hebben
kunnen gissen, wie hij was of wat hij geweest was. Hij ontlokte dien
onweerstaanbaren afkeer niet, die door schurken en bedriegers opgewekt wordt.
Hij was er des te gevaarlijker door.

Hoe of wat was de kindsheid van Sarcany geweest? Dat wist niemand te
vertellen. Ongetwijfeld die van een verlaten, verstooten [3]wezen. Hoe was hij
opgevoed geworden? En door wien? In welk Tripolitaansch gat bracht hij zijne
eerste kinderjaren door? Door welke zorgen ontsnapte hij aan de zoovele
oorzaken van verdelging en vernietiging onder die noodlottige
klimaatsinvloeden? Waarlijk niemand—hij zelf waarschijnlijk ook niet—zou op
die vragen antwoord hebben kunnen geven. Het toeval had hem het aanzijn
geschonken, het toeval sleepte hem voort en hij was bestemd afhankelijk van het
toeval te leven! Toch had hij in zijne jeugd eenig practisch onderricht genoten,
hetwelk hij daaraan waarschijnlijk verschuldigd was, dat hij door de wereld had
moeten rondzwerven, dat hij met allerhande slag van menschen had moeten
omgaan, en dat hij er steeds op bedacht had moeten zijn om kunstmiddel op
kunstmiddel uit te denken, al ware het maar om zijn dagelijksch onderhoud
machtig te worden. Daardoor en door nog verschillende andere omstandigheden
was hij sedert eenige jaren in aanraking gekomen met een der rijkste huizen van
Triëst, met het bankiershuis van Silas Toronthal, wiens naam innig
samengeweven zal zijn met den draad dezer geschiedenis.

Wat den makker van Sarcany, den Italiaan Zirone, betreft, och, men heeft in hem
slechts te zien een dier mannen zonder god of gebod, een avonturier, in staat om
alles te doen, om alles ter hand te nemen, iemand die ter beschikking is van den
eerste den beste die goed betaalt, om dien te verraden ter wille van een ander, die
nog beter afschuift. Hij was, zooals reeds gezegd is, op Sicilië geboren en
ongeveer dertig jaar oud. Hij was er de man naar, om zoowel slechten raad te
geven als dien te ontvangen. Vooral evenwel zorgde hij voor de uitvoering
daarvan. In welke plaats was hij geboren? Misschien zou hij die vraag
beantwoord hebben als hij het geweten had. Maar in ieder geval bekende hij
ongaarne waar hij woonde, als hij wel te verstaan ergens woonde. Het was op
Sicilië dat het toeval van zijn zwervend leven hem in aanraking met Sarcany
gebracht had. En zoo gingen zij de wereld door en trachtten door alle geoorloofde
en ongeoorloofde middelen uit hun beider slecht gesternte munt te slaan en de

Page 13

fortuin te beproeven. Zirone evenwel, een groote, gebaarde kerel, met zeer bruine
huid en zeer zwart haar, zou eenige moeite hebben om zijne aangeborene
schelmachtigheid te bemantelen, die uit zijne steeds half gesloten oogen straalde
en door zijn voortdurend hoofdschudden aangeduid werd.

Alleen hij poogde zijne sluwheid achter eene luidruchtige babbelachtigheid te
verbergen. Hij was daarenboven eerder vroolijk dan droevig van aard en veel
meer mededeelzaam dan zijn makker.

Dien dag sprak Zirone evenwel met eene soort van omzichtigheid. Klaarblijkelijk
verontrustte hem zijne hongerigheid. Den vorigen dag had hij een laatste partij
gespeeld in een speelhol van [4]zeer laag allooi, waarbij de fortuin hem
onbarmhartig stiefmoederlijk behandeld had, en hij de laatste hulpmiddelen van
Sarcany verspeeld had. Geen hunner wist dan ook hoe aan eten te komen. Ze
konden en mochten slechts op het toeval rekenen, en daar die bedelaars-
voorzienigheid zich niet haastte om hun de hand te reiken daar op dien havendam
van San Carlo, zoo besloten zij haar een eindje tegemoet te treden, door de
nieuwe stad in te stappen.

Daar op de pleinen, op de kaden, op de wandelwegen, zoowel aan deze als aan
gene zijde van de haven, langs het groote kanaal, dat geheel Triëst doorsnijdt,
daar gaat, komt en verdringt zich, in den ijver om zaken te doen, eene bevolking
van zeventig duizend zielen van Italiaanschen oorsprong, welker taaldialect,
hetwelk dat van Venetië is, zich oplost in de kosmopolitische spraakverwarring
van al die zeelieden, handelaren, geëmployeerden, beambten, die een
mengelmoes doen hooren, dat uit Duitsch, Fransch, Engelsch en Slavonisch
bestaat.

Hoewel beweerd kan worden, dat die nieuwe stad rijk is, zoo moet daaruit de
gevolgtrekking niet gemaakt worden dat allen, die daar op de straten
ronddrentelen, gelukkige stervelingen genoemd kunnen worden. Neen,
waarachtig niet. De meest-vermogenden zouden onmogelijk hebben kunnen
wedijveren met die Engelsche, Armenische, Grieksche en Joodsche handelaren,
die te Triëst den baas spelen en welker weelderige huishouding de hoofdstad van
het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk overwaardig zou zijn. Maar die buiten
rekening gelaten, hoeveel arme drommels, die van ’s morgens tot ’s avonds

Page 14

zwerven door die handelslanen, welke door hooge gebouwen omgeven zijn, die
gesloten worden als geldkisten en waarin allerhande koopwaren, welke naar die
vrijhaven, die zoo gunstig in dien uithoek van de Adriatische Zee gelegen is,
gebracht worden, opgestapeld liggen. Hoeveel lieden drentelen daar niet, die niet
ontbeten hebben, die misschien niet zullen middagmalen, opgehouden als zij
zullen worden op de havenkaden, waar de schepen van de machtigste maritieme
maatschappij van Europa, de Oostenrijksche Lloyd, zooveel rijkdom, van al de
streken der aarde bijeengebracht, ontladen. Hoeveel rampzaligen eindelijk, zooals
er bij honderden in Londen, Liverpool, Amsterdam, Rotterdam, Marseille, Havre,
Antwerpen, Livorno, in één woord in alle handelssteden, tusschen rijke reeders en
cargadoors rondkrioelen in de nabijheid dier pakhuizen, welker ingang voor hen
gesloten is, op de beurspleinen dier steden, gebouwen aan Mercurius gewijd, die
zich nimmer voor hen zullen ontsluiten, bewegen zich niet ook hier te Triëst
beneden aan die trappen van dat Tergesteum, waar de Lloyd hare kantoren
gevestigd heeft, hare leeszalen bezit, en in volmaakte overeenkomst met de
Kamer van Koophandel leeft. [5]

Page 15

Page 16

De haven van Triëst wordt gedekt door den kaaidam San Carlo, in welks nabijheid
de koopvaardijschepen bij voorkeur ankeren. (Bladz. I.)

[6]

Het is onbetwistbaar dat in al de groote zeesteden van de oude en nieuwe wereld,
een klasse van ongelukkigen rondkrioelt, die aan die groote handelscentra eigen
zijn. Vanwaar zij komen, weet niemand. Hoe dat lot hun beschoren werd,
evenmin. Waar zij het hoofd neerleggen zullen, weten zij zelven niet. Onder hen
worden aangetroffen die van hooger standpunt weggedrongen werden. Het zijn
meestal vreemdelingen bovendien. De spoortreinen en de koopvaardijschepen
brachten hen aan en wierpen hen op het perron of op de kaden als colli’s
vrachtgoederen zonder waarde, en zij vormen een ware belemmering op den
openbaren weg, vanwaar de politie hen te vergeefs zoekt te verdrijven.

Sarcany en Zirone, na nog een blik over de baai tot aan den vuurtoren, die op de
uiterste punt van Sint Theresia opgericht is, geworpen te hebben, verlieten alzoo
den havendam en namen hun weg tusschen het Teatro Comunale en de kade door
en bereikten zoo de Piazza Grande, waar zij gedurende een kwartieruur
slenterden in de nabijheid van de fontein, die opgetrokken werd van steenen,
welke uit den naburigen Karstberg gehaald waren, en in de nabijheid van het
standbeeld van Karel VI.

Beiden sloegen toen links af. Intusschen bekeek Zirone de voorbijgangers met
onderzoekenden blik, alsof hij van het onweerstaanbare plan zwanger ging te
willen zakkenrollen. Daarna slenterden zij rondom het groote vierkant van
Tergesteum, juist op het oogenblik dat de beurstijd eindigde.

„De beurs is nu leeg.… zooals de onze!” meende de Siciliaan met een glimlach te
moeten opmerken, hoewel hij volstrekt geen trek in lachen had.

Maar de onverschillige Sarcany scheen zelfs het geestige woordenspel van zijn
makker niet gehoord te hebben. Deze evenwel rekte zich de ledematen uit en
geeuwde van honger.

Daarna stapten zij het driehoekige plein over, waarop zich het bronzen standbeeld
van keizer Leopold I verheft. Een scherp gefluit van Zirone, die dat als een echte

Page 17

straatjongen kon, deed een vlucht blauwe duiven opvliegen, die onder de
boogvormige afdaken van de oude Beurs koekeloeren, zooals de grijsachtige
duiven doen tusschen de Procuraties van het Sint-Markusplein te Venetië. Niet
ver van daar ontwikkelde zich het Corso, dat het nieuwe Triëst van het oude
scheidt.

Dat Corso is een breede straat, die evenwel zonder bevalligheid is, waarin
goedbeklante magazijnen aangetroffen worden, die evenwel smakeloos genoemd
moeten worden. Die straat doet eerder denken aan de Regentstreet van Londen of
de Broadway van New-York, dan aan de Boulevards des Italiens te Parijs. Een
groot aantal voorbijgangers wordt er steeds aangetroffen. Ook het aantal
[7]rijtuigen is er aanmerkelijk, die van de Piazza Grande naar de Piazza della
Legna rijden.—Die namen duiden aan dat de stad haren Italiaanschen oorsprong
nog niet vergeten is.

Wanneer Sarcany den schijn aannam ongevoelig te zijn voor iedere verzoeking,
zoo ging Zirone toch die rijke winkels niet voorbij zonder er dien bijzonderen
afgunstigen blik in te werpen, die van hen uitgaat, die de middelen missen naar
binnen te kunnen gaan. Daar waren toch zaken in overvloed aanwezig, die zij wel
zouden hebben kunnen gebruiken, vooral bij de kooplieden in eetwaren en in de
„bièreries” waar het bier meer overvloedig stroomt dan in eenige andere stad van
het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk.

„Ik gevoel nog meer honger dan dorst op dit Corso,” merkte de Siciliaan op,
terwijl hij met de tong tusschen zijn verdroogde lippen smakte, alsof hij een
kleppermansratel liet hooren.

Die opmerking werd door Sarcany met een eenvoudig schouderophalen
beantwoord.

Beiden sloegen toen de eerste straat links in, en toen zij op de oevers van het
kanaal waren aangekomen, op het punt waar de Ponto Rosso—eene fraaie
draaibrug—overgang verleende, stapten zij die kaden langs, waar zelfs schepen
van grooten diepgang kunnen vastmeeren. Daar werden zij veel minder verlokt en
gepijnigd door de uitstalling van allerlei lekkernijen. Ter hoogte van de kerk Sant-
Antonio gekomen, sloeg Sarcany plotseling rechtsom. Zijn makker volgde hem

Page 18

zonder eenige bemerking te maken. Daarna staken zij weer het Corso over en
drentelden thans door de oude stad, welker straten zeer smal en onbruikbaar voor
rijtuigen zijn, wanneer zij althans die eerste hellingen van den Karstberg bereiken
en daartegen als het ware willen opklimmen. Die straten nemen in den regel zulke
richting, dat zij niet door den schrikkelijken Borawind—zoo wordt een stevige
noordoostelijke bries genoemd—bestreken kunnen worden. Hier in dat oude
Triëst zouden Zirone en Sarcany als ware platzakken, zich meer te huis gevoelen
dan in de rijke en prachtige kwartieren van de nieuwe stad.

Zij logeerden dan ook inderdaad achter in een zeer bescheiden passantenhuis, niet
ver van de kerk van Santa Maria Magiore, en hadden daar reeds hun intrek
genomen bij hunne aankomst in de hoofdplaats van Illyrië. Maar daar de
logementhouder nog nooit eenig geldstuk van hen te zien had gekregen en steeds
dringender werd om zijne rekening, die iederen dag al grooter en grooter werd,
betaald te krijgen, vermeden zij die gevaarlijke kaap, staken het plein over en
flaneerden gedurende eenigen tijd rondom de Arco di Riccardo.

Maar op den keper beschouwd, de studie van die overblijfselen van vermeende
bouwkunst kon hen niet bevredigen. Daar dus het [8]toeval dezen keer blijkbaar
zich niet haastte om hen te midden van die slecht befaamde straten te hulp te
komen, begonnen zij, de een gevolgd door den ander, de steile stegen te
beklimmen, die bijna tot op den top van den Karstberg, naar het plein der
kathedraal voerden.

„Een zonderling denkbeeld om daar naar boven te klimmen,” mompelde Zirone,
terwijl hij onderwijl zijn mantel om zijn middel vaster aantrok.

Maar al pruttelde hij ook, hij verliet zijn makker niet, en van beneden gezien, had
men kunnen waarnemen, hoe zij zich langs die trappen, die oneigenaardig straten
genoemd worden en langs de hellingen van den Karstberg aangelegd zijn,
opheschen. Tien minuten later hadden zij, hongeriger en dorstiger dan te voren,
het plein daarboven bereikt.

Dat van dit hooge standpunt het vergezicht zich prachtig uitstrekte over de baai
van Triëst tot aan de volle zee, over de zoo levendige haven door het heen en
weer varen der visschersvaartuigen, door het in- en uitstevenen der oorlogs-

Page 19

stoomers en der koopvaardijschepen; dat de blik kon waren over de geheele stad,
over hare voorsteden, over de laatste huizen, die op de hellingen gelegen waren,
over de villa’s, die verspreid op de hoogten verrezen, neen, dat alles kon onze
twee avonturiers volstrekt niet meer boeien. Zij hadden in hun leven wel wat
anders gezien en bovendien, hoe dikwijls hadden zij niet op die hoogte met hunne
ellende en met hunne verveling rondgewandeld? Zirone vooral had veel liever
langs de rijke winkels van het Corso gedrenteld. Maar wat er aan te doen! Nu zij
toch het toeval en zijne onvoorziene weldadigheden daar boven waren komen
zoeken, moesten zij die zonder al te veel ongeduld afwachten.

Er stond daar bij het uiteinde van de trap, die toegang tot het terras, dicht bij de
Byzantijnsche Kathedraal van Sint Justus verleende, eene omheinde ruimte, die
vroeger een kerkhof was, maar thans als museum van oudheden te bezichtigen
was. Het waren geen graven meer, die er aangetroffen werden, maar brokstukken
van grafsteenen, die onder de lage takken van zeer fraaie boomen verscholen
lagen, Romeinsche obeliskvormige monolithen, voetstukken uit de
middeleeuwen, stukken van Dorische friezen en anderen, afkomstig uit den
Renaissance-stijl, verglaasde cubussen, waarop nog steeds de sporen van vuur en
asch te bespeuren waren. Dat alles lag daar door elkander in het gras.

De deur van die omheinde ruimte was niet gesloten. Sarcany had slechts de
moeite te nemen haar open te duwen. Hij trad, gevolgd door Zirone, binnen, die
evenwel deze meewarige opmerking niet kon onderdrukken: [9]

Page 20

Page 21

En gingen zitten op een grooten steen, die in den vorm van eene Romaansche roos
uitgebeiteld was. (Bladz. 10.)

[10]

„Wanneer wij het denkbeeld koesterden om een einde aan ons leven te maken,
dan zou waarachtig de plek uitstekend gekozen zijn.”

„En als men u voorsloeg dat te doen?” vroeg Sarcany met spottende stem.

„Wel, daar zou ik hartelijk voor danken, kameraad! Als men mij slechts één
gelukkigen dag op de tien verschaft, och, dan ben ik tevreden, ik vraag niet
meer.”

„Dien gelukkigen dag zal men je verschaffen—en wellicht beter dan dat.”

„Dat je alle heiligen, die door de Italianen vereerd worden, verhooren. En toch
weet God alleen dat die gelukzaligen bij honderden geteld worden.”

„Kom steeds voort!” hernam Sarcany.

„Waarheen?”

„Kom maar.”

Beiden volgden nu eene halfcirkelvormige laan, welke tusschen grafsteenen en
eene dubbele rij urnen doorliep, en gingen zitten op een grooten steen, die in den
vorm van een Romaansche roos uitgebeiteld en met den vloer gelijk was.

Eerst namen zij een diep stilzwijgen in acht, dat Sarcany scheen te bevallen, maar
zijnen makker volstrekt niet beviel. Zirone sprak dan ook weldra, terwijl hij een
paar krampachtige spiertrekkingen der kaakbeenderen niet kon onderdrukken:

„Hel en duivel, het toeval, waarop wij als echte dwazen rekenen, haast zich niet
om ons te hulp te komen!”

Sarcany antwoordde niet.

Page 22

„Maar welk denkbeeld dan ook,” ging Zirone voort, „om tot hier te midden van
die bouwvallen te komen! Ik geloof, kameraad, dat wij een verkeerd pad
ingeslagen hebben. Wie, duivel, zou hier het toeval de hand willen komen reiken,
hier op dit oud kerkhof iemand komen verplichten? De zielen der overledenen
kunnen het toeval best missen, die hebben niets meer noodig, sedert zij hun
aardsch omhulsel verlieten. En wanneer ik zoover gekomen zal zijn, och, dan zal
mij een vertraagd diner of een souper dat niet komt, bitter weinig kunnen schelen!
Kom, laat ons heengaan!”

Sarcany was nog in zijne overdenkingen verdiept en had den blik als het ware in
de ruimte verloren. Hij bewoog dan ook geen vin.

Zirone bleef nog een poos zonder verder te spreken. Daarop hernam zijne gewone
babbelzucht weer hare rechten.

„Sarcany,” zei hij, „wilt gij weten onder welke gedaante ik thans dat toeval,
hetwelk ons, zijn beste klanten, zoo liederlijk in den steek laat, zou willen zien
verschijnen? In de gedaante van een der kassiersloopers van het huis Toronthal,
die hier zou aankomen met [11]eene portefeuille opgepropt met bankbiljetten en
die ons die portefeuille uit naam van den genoemden bankier zou toevertrouwen,
onder bijvoeging van duizend verontschuldigingen, dat hij ons zoo lang heeft
laten wachten.”

„Luister, Zirone,” sprak Sarcany, wiens wenkbrauwen geweldig fronsten. „Ik zeg
je voor de laatste maal, dat wij niets meer van Silas Toronthal te hopen of te
verwachten hebben.”

„Zijt gij er zeker van?”

„Ja, het geheele krediet dat ik bij hem hebben kon, is thans uitgeput en op mijne
laatste aanvragen heeft hij met een formeele en afdoende weigering geantwoord.”

„Te drommmel, dat ’s gek!”

„Zeer gek, maar het is niet anders!”

Page 23

„Maar.… als uw krediet uitgeput is,” hernam Zirone, „dan is dat toch het bewijs
dat ge krediet gehad hebt. Wat was er de grondslag van? Waarop berustte het?
Daarop, nietwaar, dat ge herhaaldelijk uwe verstandelijke vermogens en uw ijver
ten dienste van het bankiershuis bij het behandelen van sommige teergevoelige
zaken gesteld hebt.… Daarom is Toronthal gedurende de eerste maanden van ons
verblijf te Triëst niet al te weerstrevend geweest op het gebied van
geldverstrekken! Maar ik acht het voor onmogelijk dat ge hem niet meer op de
een of andere wijze in uwe macht zoudt hebben, en door hem te bedreigen.…”

„Geloof mij, als dat mogelijk ware, zou het reeds geschied zijn,” antwoordde
Sarcany, terwijl hij de schouders optrok, „en zoudt ge thans niet verplicht zijn
rond te loopen om een diner te zoeken. Neen, bij God! ik heb dien Toronthal niet
in mijne macht! Maar wat niet is, kan nog wel gebeuren, en dien dag dan zal hij
mij èn kapitaal, èn interessen èn interessen van interessen van al hetgeen hij mij
nu weigert, uitbetalen! Ik verbeeld mij, en misschien niet zonder reden, dat de
zaken van zijn kantoor voor het tegenwoordige eenigszins in de war zijn en dat
hij fondsen in wankelende zaken gestoken heeft, die erg gevaar loopen. De
weeromstuit van verscheidene faillissementen in Duitschland, te Berlijn en te
Munchen, heeft zich tot hier in Triëst doen gevoelen, en wat hij ook heeft mogen
beweren, zoo scheen mij Silas Toronthal zeer onrustig, toen ik hem den laatsten
keer bezocht! Kom, laten wij het water troebel laten worden.… en als dat gebeurd
zal zijn.…”

„Welnu, ja,” riep Zirone uit, „dat ’s goed! Maar intusschen hebben wij nog slechts
water om te drinken. Ziet ge, Sarcany, ik ben van meening dat gij nog een poging
bij Toronthal moest wagen. Gij moest nog een keer bij zijne kas aankloppen om
te trachten, al was het maar zooveel te verkrijgen, ten einde naar Sicilië via Malta
terug te kunnen keeren.…” [12]

„Maar wat wilt ge in Sicilië uitvoeren?”

„Dat is mijn zaak. Dat land ken ik en ik zou een troepje Maltezers, flinke kerels,
zonder vooroordeelen, waar wat van te maken zoude zijn, er heen kunnen voeren.
Welnu, voor den drommel! als hier niets meer te beproeven valt, laten wij dan
heengaan, maar laten wij alvorens dien verwenschten bankier noodzaken ons
reisgeld te verschaffen. Hoe weinig gij ook van hem schijnt te weten, zal dat toch

Page 24

wel voldoende zijn om hem te doen inzien, dat het voor hem veiliger zal wezen,
dat gij u overal elders dan te Triëst zult bevinden!”

Sarcany schudde het hoofd.

„Kom, vooruit! Het kan onmogelijk lang meer duren,” hernam Zirone. „Wij zijn
geheel blut!”

Hij was opgestaan, en stampte met den voet op den grond, zooals hij eene
stiefmoeder zou gedaan hebben die hem stiefmoederlijk zoude behandeld hebben.

In dit oogenblik werd zijn blik geboeid door een vogel, die buiten de omheinde
ruimte slechts met moeite scheen te kunnen vliegen. Het was eene duif, wier
vermoeide vleugelen ternauwernood nog klapwieken konden en die naar den
grond streek.

Zirone had, zonder zich af te vragen, tot welke der honderd zeven en zeventig
soorten van duiven, thans in de ornithologische naamlijst opgenomen, die vogel
behoorde, slechts ééne zaak voor oogen, namelijk dat hij tot de eetbare soorten
behoorde. Hij wees hem dan ook met den vinger aan zijn makker en verslond
hem met den blik.

De vogel was klaarblijkelijk uitgeput en het einde zijner krachten nabij. Hij
poogde zich vast te klemmen aan de uitstekende gedeelten van de kathedraal,
welker voorgevel geflankeerd is door een vierkanten toren, die van oude
dagteekening is. Toen hij zich niet meer kon houden en op het punt was naar
beneden te vallen, kwam hij zich eerst neerzetten op het dakwerk van eene kleine
nis, waaronder het beeld van den heiligen Justus prijkte; maar de vermoeide
pootjes van de duif weigerden hun dienst; zij kon zich niet vastklemmen en liet
zich glijden tot op het kapiteelwerk van eene oude zuil, die in den hoek stond,
welke door dien toren en dien voorgevel gevormd werd.

Al volgde Sarcany, die steeds onbeweeglijk en stilzwijgend daar neer zat, de duif
in hare vlucht niet, zoo verloor haar Zirone daarentegen niet uit het oog. Zij was
uit noordelijke richting gekomen. Een lange tocht had haar geheel en al uitgeput.
Klaarblijkelijk zette haar instinct haar aan om een nog verder gelegen doel te
bereiken. Zij hernam dan ook bijna dadelijk hare vlucht en volgde eene gebogen

Page 25

richtingslijn, die haar noodzaakte tot eene [14]nieuwe halt, juist op de
benedentakken van een der boomen van het oude kerkhof. [13]

Page 26

Page 27

Met een sprong vooruitsnellen, de armen uitstrekken, den vogel met de hand grijpen.
(Bladz. 14.)

[14]

Toen besloot Zirone de duif te bemachtigen. Hij sloop dan ook zachtkens en langs
den grond kruipende naar den boom. Weldra had hij den geknoesten stam bereikt,
die gelegenheid te over aanbood om de vorkvormige vertakking van de kruin te
kunnen bereiken. Daar bleef hij onbewegelijk en stom in de houding van een
speurhond, die eenig wild bespiedt, dat boven zijn hoofd gezeten is.

De duif, die hem niet bemerkt had, wilde toen hare vlucht hervatten, maar hare
krachten verlieten haar andermaal, zoodat zij op weinige passen verder op den
grond viel.

Met een sprong vooruitsnellen, de armen uitstrekken, den vogel met de hand
grijpen, dat was voor den Siciliaan het werk van een ondeelbaar oogenblik. En hij
was heel natuurlijk op het punt om de arme duif te verworgen, toen hij zich
plotseling weerhield, een kreet van verwondering uitstiet en in allerijl bij Sarcany
terugkwam.

„Eene reisduif!” zei hij.

„Waarlijk, dat is dan een reiziger, die zijn laatste reis afgelegd heeft!” antwoordde
Sarcany.

„Ongetwijfeld” hernam Zirone, „en des te erger voor hen, aan wie het briefje is
gericht, dat onder den vleugel der duif vastgemaakt zit.”

„Een briefje!” riep Sarcany uit. „Wacht Zirone, wacht! Zoo iets dwingt tot uitstel
van executie!”

Hij weerhield de hand van zijn makker, die reeds den hals van de arme duif
omkneld hield. Daarna nam hij het zakje dat Zirone reeds losgemaakt had,
opende het en haalde er een briefje uit dat een raadselschrift vertoonde:

ghfhna dalant ltenka
aohhzk aenzse lsnivi

Page 28

rnryoo tnpees seyehe
lxosde soelnl sglpte
veknni ilarna lotasa
yareah uezmtl rradae

Omtrent de plaats van vertrek en omtrent de bestemmingsplaats van het briefje
geen enkel woord. Wat die achttien woorden betreft, die ieder uit een gelijk aantal
letters samengesteld waren, zoude het mogelijk zijn, de beteekenis daarvan te
weten te komen zonder den sleutel te kennen? Dat was al zeer onwaarschijnlijk,
tenzij een hunner een behendig oplosser van raadsels mocht heeten en dan moest
nog het geval bestaan dat het schrift ontraadselbaar was. [15]

Tegenover dat geheimschrift, dat voor hen niets beteekende, bleef Sarcany eerst
teleurgesteld, daarna zeer beteuterd in gedachten verzonken staan. Zou dat briefje
een belangrijk, maar vooral een compromitteerend bericht behelzen? Dat kon, dat
moest aangenomen worden. Dat duidden de voorzorgen genoegzaam aan, die
genomen waren, dat het, wanneer het bij ongeluk in verkeerde handen viel, door
niemand anders kon gelezen worden dan door hen, voor wie het bestemd was.
Ook gaf het vervoermiddel achterdocht. Door toch noch van den postdienst, noch
van de telegraaf gebruik te maken, maar integendeel het wonderlijke instinct van
de reisduif te bezigen, was het duidelijk, dat het eene zaak gold, die zeer
geheimzinnig behandeld moest worden.

„Wellicht,” zei Sarcany, „schuilt er in die regels een geheim, dat ons een
vermogen zou kunnen bezorgen!”

„Dan zou die duif,” hernam Zirone, „de vertegenwoordigster van het toeval zijn,
dat wij sedert heden ochtend zoo opgespoord hebben. Duivels! ik die het arme
dier wilde worgen!.… Maar alles goed en wel beschouwd, is het briefje toch het
meest belangwekkende, zoodat er zich niets tegen verzet om den briefbesteller te
braden.”

„Haast je maar niet, Zirone,” antwoordde Sarcany, die dezen keer andermaal het
leven der duif redde. „Misschien kunnen wij door middel dier duif te weten
komen, aan wien dat briefje gericht is, wel te verstaan, wanneer die te Triëst
woont.”

Page 29

„En daarna? Dat zal je toch het middel niet aan de hand doen om te kunnen lezen
wat in dat briefje staat, Sarcany!”

„Neen, Zirone.”

„Ook niet om te weten, van waar dat briefje komt!”

„Ook dat niet! Maar als het mij lukt van twee correspondenten een te leeren
kennen, dan verbeeld ik mij, dat dat wel eene vingerwijzing zou kunnen wezen
om ook achter den ander te komen, nietwaar?”

„Ja.… zoo beschouwd.…”

„In plaats dan van die duif te dooden en te braden, moeten wij er ons integendeel
op toeleggen haar hare krachten terug te bezorgen, opdat zij hare bestemming
bereiken kunne!”

„Met het briefje?” vroeg Zirone.

„Met het briefje, waarvan ik evenwel alvorens een nauwkeurig afschrift zal
maken, dat ik bewaren zal, tot het oogenblik zal gekomen zijn om er gebruik van
te maken!”

Sarcany haalde vervolgens een aanteekeningsboekje uit zijn zak te voorschijn en
nam met het daarin aanwezige potlood een afschrift van het briefje. Daar hij wist
dat bij de meeste raadselschriften niets verwaarloosd mag worden omtrent hunne
daadwerkelijke rangschikking, zoo zorgde hij dat de stand der woorden onderling
[16]onaangetast bleef. Toen hij daarmee klaar was, borg hij dit afschrift in zijn
notitieboekje op, herplaatste het briefje in het zakje en het zakje onder den
vleugel der duif.

Zirone keek aandachtig toe, zonder evenwel bijster veel hoop te koesteren
omtrent een vermogen, dat door dit toeval verworven zou moeten worden.

„En thans?” vroeg hij.

„Thans,” antwoordde Sarcany, „is het zaak om den brievenbesteller goed te
verzorgen.”

Page 30

En dat was inderdaad noodig; want de duif was meer uitgeput door den honger
dan door de vermoeienis. Hare vleugels waren ongeschonden, zonder een enkele
beleediging of breuk, en bewezen dan ook ten volle, dat de kortstondige flauwte,
die het dier overvallen had, noch aan eenige hagelkorrels van den een of anderen
jager, noch aan een steenworp van den een of anderen boosaardigen straatjongen
te wijten was. De vogel had honger, maar vooral dorst.

Zirone zocht dus en vond op den grond eenige zaadkorrels, die de duif met
gretigheid oppikte. Eindelijk leschte hij haren dorst bij een plasje water, dat van
den laatst gevallen regen in een scherf van een antieke vaas van gebakken steen
achtergebleven was, zoodat een half uur, nadat de duif gevangen was geworden,
zij, zoo gekoesterd, geheel hersteld, in staat was haar onderbroken reis te
hervatten.

„Als zij nog ver moet vliegen, als zij verder dan Triëst moet zijn, dan kan het ons
minder schelen of die duif onderweg omkomt,” zei Sarcany, „daar wij haar alsdan
uit het oog zullen verliezen en wij haar onmogelijk zullen kunnen volgen.
Wanneer zij evenwel in een der huizen van Triëst verwacht wordt en daar de
eindpaal harer reis is, dan zullen haar de krachten niet ontbreken om dat te
bereiken, want zij heeft dan nog maar een paar minuten te vliegen.”

„Ge hebt volkomen gelijk,” antwoordde de Siciliaan, „maar zullen wij haar met
onzen blik kunnen volgen tot de plek waar haar duivenslag staat, al zou het ook
zijn, dat die te Triëst aangetroffen werd?”

„Wij zullen in ieder geval ons best daarvoor doen en onze maatregelen daartoe
nemen,” antwoordde Sarcany leuk. [17]

Page 31

Page 32

Sarcany en zijn makker namen den bode met de meest nauwkeurige oplettendheid
waar. (Bladz. 19.)

[16]

En ziehier wat hij deed:

De kathedraal, welke uit twee oude Romaansche kerken bestond, die de eene aan
de H. Maagd en de andere aan Sint Justus, den beschermheilige van Triëst,
gewijd waren, wordt gesteund door een hoogen toren, die zich op den vleugel
verhief van dien frontgevel, waarin eene groote, roosvormige versiering prijkte,
welke boven de hoofddeur van het gebouw aangebracht was. Die toren
beheerschte [18]de geheele topvlakte van den Karstberg, en de stad ontwikkelt
zich daar beneden als een uitermate fraaie reliëfkaart. Van dit verheven punt
ontwaart men al de vierkante vlakken, gevormd door de daken der huizen van de
stad, van de heuvelhellingen af tot aan den oever der baai toe. Het zou dus niet
onmogelijk zijn de duif in hare vlucht te volgen, wanneer men haar op den top
van den toren losliet. Ongetwijfeld zou dan het huis te herkennen zijn, waarop zij
zou neerstrijken, wanneer zij namelijk Triëst en geen andere stad of dorp van
Illyrië tot bestemming had.

Die poging kon slagen en zij was wel waard om beproefd te worden. Men had
slechts de duif in vrijheid te stellen.

Sarcany en Zirone verlieten dan ook dit oude kerkhof, staken het kleine plein,
vóór de kerk gelegen, over en stapten op den toren toe. Een der ogiefvormige
deuren, juist dezelfde, die onder het voetstuk van de nis van den Heiligen Justus
aangebracht was, stond open. Beiden traden binnen en begonnen met de ruwe
treden van de wenteltrap, die naar boven leidde, te bestijgen.

Zij hadden vier of vijf minuten noodig om den top des torens, die in een spits dak
eindigt en dus geen plat heeft, te bereiken. Maar daar aangekomen, bemerkten zij
twee vensters op ieder front van het hooge gebouw, die veroorloofden den blik
langs den geheelen gezichteinder, zoowel langs de heuvelen als langs de zee, te
laten waren.

Page 33

Sarcany en Zirone namen plaats aan dat venster, hetwelk direct uitzicht op Triëst
in noordwestelijke richting verleende.

Het sloeg toen vier uren op de torenklok van het kasteel, dat in de zestiende eeuw
gebouwd werd op het hoogste punt van den Karstberg, vlak achter de kathedraal.
Het was nog volle dag. De zon daalde langzaam te midden van een uiterst
zuiveren dampkring naar de wateren van de Adriatische Zee, en het meerendeel
der huizen ontving hare stralen op de voorgevels, die naar den kant van den toren
gekeerd waren.

De omstandigheden waren dus zeer gunstig.

Sarcany nam de duif tusschen zijne beide handen, streelde haar nog een poos en
gaf haar toen de vrijheid.

De vogel klapwiekte, daalde eerst snel genoeg om te doen vreezen, dat hij met
een ongelukkigen val zijne loopbaan als luchtbrievenbesteller zou eindigen.

Vandaar dan ook dat de Siciliaan een waren kreet van teleurstelling uitstiet. Hij
was zeer opgewonden en stond te trappelen van ongeduld.

„Zij valt, zij valt!” riep hij uit.

„Neen, zij hervat zich,” antwoordde Sarcany.

En inderdaad, de duif had haar evenwicht in de lagere luchtlagen [19]hernomen;
daarna maakte zij een scherpen hoek en wendde zich in schuinsche richting naar
het noordwestelijke gedeelte der stad.

Sarcany en Zirone volgden haar met de oogen.

Er werd bij de vlucht van den vogel, die door een bewonderenswaardig instinct
geleid werd, geene enkele aarzeling waargenomen. Men gevoelde dat hij recht
afvloog op het doel waar hij wezen moest, op het doel waar hij reeds sedert een
uur had moeten aangekomen zijn, zonder dat ongewenschte oponthoud onder de
boomen van het oude kerkhof.

Page 34

Sarcany en zijn makker namen den bode met de meest nauwkeurige
oplettendheid waar. Zij vroegen zich af of de duif de muren der stad niet zou
overschrijden, hetgeen hunne vooruitzichten verijdelen zou.

Neen, dat gebeurde niet.

„Ik zie haar nog!.… Ik zie haar steeds!” riep Zirone, wiens gezichtsvermogen
buitengewoon sterk was.

„Waar?.… Waar?.… vroeg Sarcany, die haar scheen uit het oog verloren te
hebben.

„Daar!.… daar!” antwoordde Zirone, de richting met den vinger aanwijzend.
„Daar!.…”

„O ja, ik zie haar weer,” hernam Sarcany met voldoening. „Wat vooral goed
opgemerkt moet worden, is de plek waar de duif gaat neerstrijken. Wij moeten er
de juiste ligging goed van opnemen.”

Eenige minuten na haar vertrek streek de duif op een huis neer, welks scherpe
nok al de anderen beheerschte en zich te midden van een groep boomen verhief.
Dat huis was in het stadsgedeelte gelegen, hetwelk aan den kant van het gasthuis
en van den openbaren tuin aangetroffen wordt. Daar verdween zij door een
dakvenster, hetwelk toen uitermate zichtbaar was, daar het door een ijzeren
windwijzer, die kunstig à jour bewerkt was, aangeduid werd. Dat ijzeren
kunstwerk was zoo sierlijk vervaardigd, dat het aan Quentijn Matsys had kunnen
toegeschreven worden, wanneer Triëst eene Vlaamsche stad ware geweest.

De algemeene richting van dat huis vastgesteld zijnde, moest het niet zeer
moeilijk zijn, wanneer men dien windwijzer als baken in het oog hield, om de
nok weer te vinden, waaronder het bedoelde dakvenster was aangebracht en
derhalve ook het huis, door den persoon bewoond, voor wien het briefje bestemd
was.

Sarcany en Zirone daalden dadelijk de trappen des torens af en na ook de
hellingen van den Karstberg verlaten te hebben, volgden zij eene
aaneenschakeling van kleine nauwe straten, die hen eindelijk toegang tot de

Page 35

Piazza della Legna verleenden. Daar waren zij verplicht zich te oriënteeren, om
de huizengroep te verkennen, die het oosterkwartier van de stad uitmaakte. [20]

Toen zij aan de samenvloeiing van de twee groote gemeenschapsaderen, de Corso
Stadion, die naar den openbaren wandeltuin voert, en de Acquedotto, een fraaie
laan van geboomte, die naar de groote brouwerij van Boschetto leidt,
aangekomen waren, ondervonden de beide avonturiers eenige aarzeling omtrent
de verder te volgen richting. Moest men rechts of links inslaan? Instinctmatig
kozen zij rechts, met het doel om al de huizen der laan nauwkeurig gade te slaan,
waarboven zij den windwijzer, dien zij opgemerkt hadden, zouden kunnen
bespeuren.

Zij schreden dus voort en namen de verscheidene daknokken van de Acquedotto
in oogenschouw, zonder evenwel die te ontdekken, welke zij zochten. Eindelijk
waren zij aan het einde van de laan aangekomen.

„Daar is hij!” riep eindelijk Zirone uit.

En hij wees op een windwijzer, dien de zeewind op zijne ijzeren as deed knarsen,
die boven een dakvenster geplaatst was, waar rondom juist eenige duiven vlogen.

Er was dus geene vergissing mogelijk. Daar was wel degelijk de duif
neergestreken.

Het huis had een bescheiden uiterlijk, onderscheidde zich in niets van de overige
die tot hetzelfde blok behoorden, en was even als die langs de Acquedotto
gelegen.

Sarcany verschafte zich inlichtingen in een paar naburige winkels en wist al
spoedig hetgeen hij voorshands wenschte te weten.

Dat huis behoorde sinds lange jaren aan den graaf Ladislas Zathmar en strekte
hem tot woning.

„Wie is graaf Zathmar?” vroeg Zirone, wien die naam geheel vreemd was.

„Wel, dat is graaf Zathmar,” antwoordde Sarcany kortweg.

Page 36

„Ja, maar zouden wij geen inlichtingen omtrent hem kunnen vragen?.…”

„Later, Zirone, laten wij niet overijld handelen. Laten wij kalmte betrachten en de
zaak overdenken. Kom, wij keeren thans naar onze herberg terug.”

„Ja wel!.… Het is etenstijd en de table d’hôte staat gedekt voor hen, die het recht
koopen kunnen er plaats aan te nemen,” merkte Zirone schamper op.

„Als wij heden niet dineeren,” antwoordde Sarcany, „dan is het toch mogelijk dat
wij morgen zullen smullen.”

„Bij wien?”

„Bij wien, vraagt gij?” zei Sarcany schier gedachteloos.

„Ja, dat vraag ik.”

„Wel, waarschijnlijk bij graaf Zathmar.” [21]

Page 37

Page 38

Eindelijk waren zij aan het einde der laan aangekomen. (Bladz. 20.)

[20]

Beiden drentelden langzaam voort. Waarom zich ook te haasten? [22]Toch hadden
zij al te spoedig hun bescheiden hôtel bereikt, dat helaas! nog te weelderig voor
hen was, daar zij hun verblijf onmogelijk konden betalen.

Maar welke verrassing was hun daar bereid?.… Een brief, die aan Sarcany
gericht was, was aangekomen.

Die brief bevatte een bankbiljet van twee honderd gulden, met de woorden, die
kort maar beteekenisvol waren:

„Hierbij ingesloten het laatste geld, dat gij van mij ontvangen zult. Het zal voldoende zijn om naar
Sicilië weer te keeren. Vertrek en dat ik nimmermeer iets van u hoore.”

„Silas Toronthal.”

„Duivels!” riep Zirone uit, „de bankier komt juist van pas op zijn besluit terug.
Waarachtig, men moet de finantie-luidjes in waarde houden en nimmer omtrent
hen wanhopen.”

„Dat ’s ook mijne meening,” betuigde Sarcany.

„En dat geld zal ons dienen om Triëst te verlaten?.…”

„God beware! Het zal ons integendeel dienen om er te blijven!”

Page 39

[Inhoud]

Page 40

II.

Page 41

GRAAF MATHIAS SANDORF.
De Hongaren, dat zijn de Magyaren, die het land kwamen bevolken zoo ongeveer
in de negende eeuw van de Christelijke tijdrekening. Zij maken tegenwoordig het
derde gedeelte van de geheele bevolking van Hongarije uit en tellen ongeveer iets
meer dan vijf millioen zielen. Of zij van Spaanschen, of Egyptischen, of
Tartaarschen oorsprong zijn, of zij van de Hunnen van Attala of van de Finnen uit
het noorden afstammen, dat zijn alle twistvragen, die ons weinig kunnen schelen.
Wat evenwel opgemerkt moet worden, is, dat het geene Slavoniërs, dat het geene
Duitschers zijn, en dat het hun waarschijnlijk niet zou smaken, het te worden.

Die Hongaren hebben dan ook hun godsdienst ongeschonden behouden en zijn
vurige Katholieken gebleven van de elfde eeuw af, het tijdstip waarop zij tot de
nieuwe geloofsbelijdenis overgingen. Daarenboven spreken zij nog hunne taal
van weleer, eene stamtaal, die zachtvloeiend en harmonisch klinkt, die zich
geheel en al tot de bekoorlijkheid der dichterlijke wendingen leent, die minder
rijk aan woorden dan het Duitsch, evenwel scherper begrensd van uitdrukking en
krachtvoller is, eene taal, die van af de vijftiende [23]tot de zestiende eeuw bij het
geven van wetten en het slaan van ordonnantiën het latijn verving, in afwachting
dat zij tot de nationale taal verheven zoude worden.

Het was op den 21sten Januari 1699 dat het verdrag van Carlowitz het bezit van
Hongarije en Transsylvanië aan de kroon van Oostenrijk verzekerde.

Twintig jaren later werd bij de pragmatieke sanctie solemneel vastgesteld, dat de
staten, die het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk vormden, steeds
onafscheidelijk aan elkander verbonden zouden zijn. Bij gebrek aan zonen, zou
de dochter volgens rangschikking van het eerstgeboorterecht op den troon
kunnen opvolgen. En dank zij die nieuwe bepalingen, erfde Maria Theresia de
kroon van haren vader, Karel de Zesde, laatste mannelijke spruit uit het huis van
Oostenrijk.

De Hongaren moesten voor de overmacht bukken, maar honderdvijftig jaar later
werden nog mannen uit alle standen en van alle rangen aangetroffen, die noch

Page 42

van de pragmatieke sanctie, noch van het verdrag van Carlowitz iets wilden
weten.

Op het tijdstip, waarop dit verhaal begint, leefde een Hongaar van hooge
geboorte, wiens geheele leven zich in deze twee gevoelens oploste, namelijk: in
den haat voor alles wat van Germaansche afkomst was en in de hoop nog
eenmaal aan zijn land de zelfstandige regeering van vroeger weer te geven. In
zijne jeugd had hij Kossuth gekend en hoewel door zijne geboorte en door zijne
opvoeding een scheidsmuur tusschen hen opgetrokken moest zijn, zoo koesterde
hij toch eene zekere bewondering voor het groote hart van dien vaderlander.

Graaf Mathias Sandorf bewoonde in een der comitaten van Transsylvanië in het
district Fagaras, een oud kasteel van feodalen oorsprong. Het was gebouwd op de
hellingen van de noordelijke uitloopers van het oostelijk Karpatisch gebergte, die
de grens uitmaken tusschen Transsylvanië en Walachyë, en verhief dit kasteel
zich in al zijne woeste fierheid op dien steilen bergketen, als een van die
schuilplaatsen in den laatsten stond, waar samenzweerders tot hun laatsten snik
aan hunne vijanden weerstand kunnen bieden.

Naburige mijnen, rijk aan ijzer- en kopererts, die zorgvuldig ontgind werden,
verschaften aan den eigenaar van het kasteel Artenick een zeer aanzienlijk
vermogen. Dat domein besloeg een groot gedeelte van het district Fagaras,
hetwelk door eene bevolking bewoond werd, die niet minder dan honderd twee-
en zestigduizend inwoners telde. Deze, hetzij zij stedelingen of landlieden waren,
maakten er geen geheim van dat zij voor graaf Sandorf eene toewijding
koesterden, die iedere proef doorstaan kon; dat zij hem eene onbegrensde
erkentelijkheid toedroegen, voor al het goede dat hij in [24]het land teweeg bracht.
Dat kasteel was dan ook het voorwerp van een bijzonder toezicht, dat door de
kanselarij van Hongarije te Weenen, welke geheel en al van de overige
administratiën van het Keizerrijk onafhankelijk bleef, in het leven geroepen was.
Men kende in de hoogste kringen de denkbeelden van den gebieder van Artenick,
en die denkbeelden baarden onrust, al gaf men ook voor omtrent den persoon van
den graaf gerust te zijn.

Mathias Sandorf was toen vijf en dertig jaren oud. Het was een man van eene iets
meer dan middelmatige gestalte, die eene groote spierkracht verried. Op zijne

Page 43

schouders rustte een edel en fier gedragen hoofd. Zijn gelaat, dat warm getint en
een weinig vierkant van vorm was, vertoonde het Magyaarsche type in zijne
volkomene zuiverheid. De levendigheid zijner bewegingen, de juist gekozen
uitdrukkingen van zijn woord, de blik van zijn kalm en onverschrokken oog, de
werkdadige bloedsomloop, die aan zijne neusvleugels en aan zijne mondhoeken
eene lichte trilling verleende, de glimlach die gewoonlijk op zijne lippen zetelde
en als onloochenbaar teeken zijner goedhartigheid kon gelden, een zekere losheid
in zijne taal en gebaren, dat alles duidde op eene vrijmoedige natuur. Men meent
opgemerkt te hebben, dat er eene groote overeenkomst bestaat tusschen het
Fransche karakter en het Magyaarsche. Graaf Sandorf was daar het levende
bewijs van.

Een van de meest te voorschijn tredende karaktertrekken van graaf Sandorf was,
dat hij, hoewel vrij onverschillig voor al hetgeen hem zelf betrof en hij dus als de
gelegenheid zich voordeed er licht over dacht, wanneer een of ander ongelijk
hem alleen trof, nimmer eene beleediging zoude vergeven hebben, die zijne
vrienden aangedaan was. Hij bezat in de hoogste mate den rechtvaardigheidszin
en koesterde een innigen haat voor alles wat trouweloos kon heeten. Vandaar dat
hij behebt was met eene impersoneele onverzoenlijkheid. Hij behoorde niet tot
hen, die aan God alleen de zorg overlaten om op deze aarde te straffen.

Er moet hier bijgevoegd worden, dat graaf Mathias Sandorf eene zeer ernstige
opvoeding had genoten. In plaats van het werkelooze leven te genieten, dat hem
door zijn groot vermogen gewaarborgd was, had hij er behagen in gevonden, de
physische wetenschappen en de geneeskundige studiën te beoefenen. Hij zou een
beroemd geneesheer zijn geworden, een geneesheer van groot talent, wanneer de
eischen des levens hem gedwongen hadden zich met de verzorging van lijders te
belasten. Hij vergenoegde zich een scheikundige te zijn, die door de geleerde
wereld zeer gezien was en gewaardeerd werd. De universiteit te Pest, de
wetenschappelijke Academie te Presburg, de Koninklijke Mijnschool te
Schemnitz, de normaalschool te Temeswar, hadden hem ieder op hare beurt onder
[26]de meest vlijtige leerlingen geteld. Dat leerrijke bestaan vormde en
bestendigde als het ware zijne natuurlijke eigenschappen. Het deed hem man
worden in de volle beteekenis des woords. Hij werd dan ook voor zoodanig
gehouden door allen, die hem kenden, maar voornamelijk door zijne professoren

Page 44

dier verschillende scholen en universiteiten van het koninkrijk, die zijne vrienden
gebleven waren. [25]

Page 45

Page 46

En wachtten daar de terugkomst van graaf Mathias Sandorf af. (Bladz. 30.)

[26]

Vroeger heerschte er in het kasteel Artenick vroolijkheid, levendigheid,
beweging. Op die ruwe nokken van de Karpathen, kwamen de Transsylvaansche
jagers gaarne te zamen. Zij volvoerden dan groote en gevaarlijke klopjachten,
waarin graaf Sandorf als het ware afleiding zocht voor zijne strijdlustige
geaardheid, die hij op het staatkundig schaakbord niet kon botvieren. Want hij
hield zich ter zijde en sloeg den gang van zaken van nabij gade. Hij scheen
slechts te leven voor zijne studiën en voor de jacht, twee hartstochten, waaraan
hij zich met zijn vermogen onbekrompen kon overgeven. Op dat tijdstip leefde de
gravin Rena Sandorf nog. Zij was de ziel der bijeenkomsten in het kasteel
Artenick. Vijftien maanden vóór het begin van deze geschiedenis had de dood
weggerukt haar die gevierd was om hare jeugdige schoonheid, terwijl zij slechts
een klein meisje achterliet, dat thans twee jaar oud was.

Graaf Sandorf was door dien slag wreed getroffen en helaas! hij zou steeds
ontroostbaar blijven. Het kasteel werd stil en eenzaam. Sedert dien dag leefde de
eigenaar, onder den invloed van eene diepgevoelde smart, in dat prachtige
gebouw als in een klooster. Zijn geheele leven drong zich op één punt samen,
namelijk op zijn kind, dat aan de zorgen van Rosena Lendeck, de echtgenoote
van des graven intendant, toevertrouwd werd. Die edelaardige vrouw, welke nog
jong was, wijdde zich geheel en al aan de eenige erfdochter der Sandorfs en
verzorgde haar alsof het haar eigen kind ware. De eigen moeder van de gravin
had niet teerder kunnen wezen.

Graaf Sandorf verliet gedurende de eerste maanden van zijn weduwnaarschap het
kasteel van Artenick niet. Hij leefde afgetrokken en als in zijne herinneringen aan
het verleden verzonken. Daarna namen de denkbeelden omtrent zijn vaderland,
dat in een soort van vernederenden toestand te midden van de Europeesche staten
geplaatst was, weer de overhand.

En daar waren wel redenen voor! De Fransch-Italiaansche oorlog van 1859 had
toch een schrikkelijken slag toegebracht aan de Oostenrijksche macht.

Page 47

Die slag was zeven jaren later, in 1866, door een nog schrikkelijker gevolgd
geworden, namelijk door dien van Sadowa. Het was niet alleen meer aan het
Oostenrijk, dat van zijne Italiaansche bezittingen beroofd was geworden, dat
Hongarije zich vastgekluisterd gevoelde, maar ook aan het Oostenrijk, dat aan
twee kanten overwonnen [27]en aan Duitschland ondergeschikt gemaakt werd. De
Hongaren gevoelden zich in hunnen trots vernederd, en dat gevoel laat zich niet
wegredeneeren, wanneer het in het bloed zit. In hun oog konden de
overwinningen te Custozza en te Lissa geene vergoeding voor de nederlaag te
Sadowa bieden.

Graaf Sandorf had gedurende het geheele jaar, dat op die krijgsgebeurtenis
gevolgd was, uiterst nauwgezet het staatkundig terrein bestudeerd en was tot de
erkenning gekomen, dat eene beweging tot afscheiding van zijn vaderland goede
kansen van slagen had.

Het oogenblik van handelen was dus volgens hem gekomen.

Den 3en Mei van het jaar 1867 vertrok graaf Sandorf, na zijn dochtertje, hetwelk
hij onder de hoede van Rosena Lendeck goed verzorgd achterliet, van het kasteel
Artenick naar Pest, waar hij zich in betrekking stelde met zijne vrienden en
partijgenooten, en daar eenige voorloopige beschikkingen nam. Vervolgens
reisde hij eenige dagen later af naar Triëst, om daar den loop der gebeurtenissen
af te wachten.

Daar moest het voorname middelpunt van de samenzwering zijn. Vandaar zouden
alle draden, die in de hand van graaf Sandorf te zamen kwamen, uitstralen. In die
stad zouden de samenzweerders, aan minder achterdocht blootgesteld, met meer
vrijheid en veiligheid kunnen handelen om hunne vaderlandslievende poging tot
een goed einde te brengen.

Twee der meest innige vrienden van Mathias Sandorf woonden te Triëst. Zij
waren bezield met denzelfden geest als hij, en vast besloten om hem bij die
onderneming trouw te volgen. Graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus
Bathory waren Magyaren en van adellijke geboorte. Beiden waren ongeveer een
tiental jaren ouder dan Mathias Sandorf, maar bezaten hoegenaamd geen
vermogen. De een genoot een gering inkomen van een klein landgoed, in het

Page 48

consulaat Lipte, aan de overzijde van den Donau gelegen. De andere gaf
onderwijs in de natuurkundige wetenschappen te Triëst en kon met de opbrengst
zijner lessen ter nauwernood rondkomen.

Ladislas Zathmar bewoonde het huis, hetwelk kort geleden door onze twee
bekenden, Sarcany en Zirone, in de Acquedotto verkend was geworden. Dat huis,
eene bescheiden woning, was door graaf Sandorf ter zijner beschikking gesteld,
gedurende al den tijd dat deze buiten zijn kasteel Artenick zou verblijven, dat wil
zeggen totdat de geprojecteerde beweging tot uitvoering gebracht zoude zijn,
welke dan ook de uitslag er van zoude wezen. Een Hongaar, Borik genaamd, die
ongeveer vijf en vijftig jaren oud was, vertegenwoordigde het geheele
bediendenpersoneel van het huis. Het was een man, die zijn meester evenveel
toewijding toedroeg als de intendant Lendeck voor graaf Sandorf koesterde. [28]

Stephanus Bathory betrok een niet minder bescheidene woning in de Corsia
Stadionstraat, nagenoeg in hetzelfde stadskwartier gelegen als die van graaf
Zathmar. Daar sleet hij zijn leven tusschen zijne vrouw en zijn zoon Piet, die toen
ongeveer acht jaren oud was.

Stephanus Bathory behoorde onbetwistbaar en onloochenbaar, hoewel in verren
graad, tot de nakomelingschap van die Magyaarsche vorsten, die in de zestiende
eeuw den troon van Transsylvanië bestegen. De verwantschap had zich sedert dat
tijdstip gesplitst en was in talrijke vertakkingen verloren gegaan; men zou
ongetwijfeld verwonderd gestaan hebben, wanneer men vernomen had, dat een
der nakomelingen dier machtige familie van weleer, in dien eenvoudigen
professor bij de Rijks-Academie te Presburg weer te vinden was. Maar dat
daargelaten, Stephanus Bathory was een geleerde van den eersten rang, een van
diegenen, die teruggetrokken leven, maar die door hunne werken beroemd zijn.
In clusum labor illustrat. „Zijn verborgen arbeid maakt hem beroemd”, dit devies
van den zijdeworm zou het zijne kunnen genoemd worden. Op zekeren dag werd
hij door zijn staatkundige gevoelens, die hij niet onder stoelen of banken verborg,
genoodzaakt om zijn ontslag te nemen. Toen kwam hij als onafhankelijk leeraar
te Triëst wonen met zijne gade, die hem moedig bij alle beproevingen ter zijde
gestaan en geschraagd had.

Page 49

Het was in de woning van graaf Ladislas Zathmar, dat de drie vrienden sedert de
aankomst van graaf Mathias Sandorf te zamen kwamen; hoewel deze laatste er in
het oog loopend op gestaan had een vertrek in het Palazzo Modello—thans het
hôtel Delòrme—op de Piazza Grande te betrekken.

De politie was er dan ook ver van verwijderd eenige achterdocht te koesteren, dat
dit huis op de Acquedotto het middelpunt was van eene samenzwering, die
talrijke deelgenooten telde in de voornaamste steden des rijks.

Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory waren zonder eenige aarzeling de
vurigste aanhangers van Mathias Sandorf geworden. Evenals hij hadden zij
erkend, dat de tijdsomstandigheden zich er toe leenden om eene beweging
mogelijk te maken, die Hongarije den rang onder de Europeesche staten kon
doen hernemen, welke door dat rijk begeerd werd. Daarvoor brachten zij hun
leven in gevaar, dat wisten zij, maar dat kon hen niet weerhouden.

Het huis op de Acquedotto werd dus de vergaderplaats van de voornaamste
hoofden der samenzwering. Vele der deelgenooten, van de verschillende punten
van het Koninkrijk opgeroepen, kwamen er maatregelen beramen en bespreken,
of kwamen er bevelen ontvangen. Een postdienst van reisduiven, die briefjes
overbrachten, stelde een snel en veilig verkeersmiddel daar tusschen Triëst en de
[30]voornaamste steden van het Hongaarsche land en van Transsylvanië, wanneer
het instructiën gold, die noch aan de posterijen, noch aan den telegraafdienst
toevertrouwd konden worden. [29]

Page 50

Page 51

„Ja, Stephanus,” antwoordde Mathias Sandorf, „ja, zij zijn gewaarschuwd”. (Bladz.
32.)

[30]

Om kort te gaan, alle voorzorgsmaatregelen waren zoo goed getroffen, dat de
samenzweerders tot heden toe iedere achterdocht, hoe gering ook, ontgaan
waren.

Men zag het: de briefwisseling daarenboven had slechts in geheimschrift plaats,
dat door zijne moeilijke oplossing de geheimzinnigheid bevorderde en derhalve
de veiligheid der samenzweerders zeer in de hand werkte.

Drie dagen na de aankomst van de reisduif, wier briefje door Sarcany en Zirone
onderschept was, dus op den 21sten Mei, bevonden zich graaf Ladislas Zathmar
en Stephanus Bathory tegen acht uur des avonds bij elkander in het werkvertrek
en wachtten daar de terugkomst van graaf Mathias Sandorf af. De eigen zaken
van laatstgenoemde hadden hem genoodzaakt naar zijn kasteel Artenick in
Transsylvanië weer te keeren; maar hij had die reis kunnen dienstbaar maken, om
met zijne vrienden te Klausenburg, hoofdplaats der rijksprovincie, te
beraadslagen en hij moest dienzelfden dag terugkomen, na aan de deelgenooten
den inhoud van die dépêche, waarvan Sarcany afschrift genomen had,
medegedeeld te hebben.

Sedert het vertrek van Mathias Sandorf, waren andere correspondentiën
gewisseld geworden tusschen Triëst en Buda-Pest en verscheidene briefjes in
geheimschrift waren door duiven aangebracht. In hetzelfde oogenblik zelfs hield
graaf Ladislas Zathmar zich onledig om het raadselachtig schrift daarvan in
verstaanbaren tekst door middel van een toestel, onder den naam van „rooster”
bekend, over te brengen.

Die dépêches waren inderdaad volgens een zeer eenvoudig stelsel, namelijk dat
der verplaatsing van de letters, samengesteld. In dat stelsel behoudt iedere letter
hare eigene alphabetische waarde, dat wil zeggen dat bijvoorbeeld een b een b,
een o een o blijft beteekenen enz. Maar de letters worden achtereenvolgens
verplaatst volgens de open of de gesloten vakken van een rooster, die op de

Page 52

dépêche gelegd, slechts die letters laat ontwaren, welke gelezen moeten worden,
terwijl anderen bedekt en dus onzichtbaar blijven.

Dat roostersysteem, vroeger veel in zwang, was zeer gebrekkig, maar is sedert
veel verbeterd door den kolonel Fleissner. Het is nu nog de allerbeste manier en
de veiligste ook, wanneer het geldt een onoplosbaar geheimschrift te erlangen.
Bij alle andere stelsels, hetzij met een onveranderlijken grondslag of met enkelen
sleutel, waarbij iedere letter van het alphabet steeds door een en hetzelfde
[31]teeken voorgesteld wordt,—hetzij met veranderlijken grondslag of met
dubbelen sleutel, waarbij men bij iedere letter als het ware van alphabet
verandert, is de veiligheid niet volkomen. Verscheidene lieden toch, die zich op
het ontraadselen van geheimschrift toeleggen, zijn in staat wonderen bij die soort
van nasporingen te verrichten, hetzij door eene berekening van
waarschijnlijkheden, hetzij door een ijverigen arbeid van tasten en beproeven.
Slechts door zich te gronden op de letters, die het meest voorkomen in zulk een
geheimschrift—als de e in de Fransche, Engelsche, Duitsche en Nederlandsche,
de o in de Spaansche, de a in de Russische, de e en i in de Italiaansche talen—
geraken zij er toe de letters van den tekst uit het geheimschrift hare ware
beteekenis in den verklaarden tekst weer te geven. Er bestaan dan ook weinig
dépêches, volgens die stelsels vervaardigd, die aan de scherpzinnige
gevolgtrekkingen van die naspoorders ontsnappen.

Het schijnt dus dat de roosters of de sleutelwoordenboeken—dat wil zeggen
diegene, waarin zekere vaak gebruikelijke woorden, geheele volzinnen
beteekenende, door getallen aangegeven zijn—de meest volkomen waarborgen
moeten geven van onoplosbaarheid. Maar die beide stelsels hebben eene ernstige
schaduwzijde: zij vereischen eene volkomene geheimhouding, of beter, zij
vorderen de noodzakelijkheid van nimmer de toestellen of boeken, die dienen om
hen te vormen, in handen van oningewijden te laten vallen. Want inderdaad, is
het zonder dien rooster of zonder dat woordenboek onmogelijk die dépêches te
lezen, zoo is dat daarentegen gemakkelijk voor hen in wier handen die rooster of
dat woordenboek zich bevindt.

Het was dus door middel van een rooster, dat wil zeggen een vierkant van
bordpapier, schaakvormig in ruiten verdeeld, waarvan sommige vakken
weggeknipt waren, dat de brieven, tusschen graaf Sandorf en zijne partijgangers

Page 53

gewisseld, opgelost werden. Maar uit overmaat van voorzorg werden alle
stukken, na gelezen te zijn, van weerszijden verbrand en vernietigd. Gebeurde het
dus dat die rooster, dien hij en zijn vrienden gebruikten, verloren geraakte of
gestolen werd, dan kon daaruit geen nadeel voortvloeien. Er zou dan nimmer
eenig spoor van dat komplot overblijven, waarin de edelste heeren, de
aanzienlijkste magnaten van Hongarije, gemeenschappelijk verbonden met de
voornaamste vertegenwoordigers der burgerij en van het volk, betrokken waren
en hun hoofd waagden.

Juist had Ladislas Zathmar de laatst ontvangen berichten verbrand, toen iemand
bescheiden op de deur van het vertrek klopte.

Het was Borik, die graaf Mathias Sandorf aanmeldde, welk zoo even te voet van
het naburige station aangekomen was.

Ladislas Zathmar trad dadelijk op hem toe. [32]

„Uwe reis, Mathias?.…” vroeg hij met de haast van iemand die vóór alles gerust
gesteld wil zijn.

„Is volkomen geslaagd, Zathmar,” antwoordde graaf Sandorf. „Ik kan niet
twijfelen aan de gevoelens onzer vrienden in Transsylvanië en hunne
medewerking is ons thans verzekerd.”

„Hebt gij hen dat bericht, hetwelk ons drie dagen geleden van Pest toegezonden
werd, medegedeeld?” vroeg Stephanus Bathory, voor wien Sandorf groote
vriendschap koesterde.

„Ja, Stephanus,” antwoordde Mathias Sandorf, „ja, zij zijn gewaarschuwd. Ook
zijn zij gereed! Zij zullen op het eerste sein opstaan. In twee uren zullen wij
meester van Buda en van Pest zijn, in een halven dag van de voornaamste
comitaten aan deze en gene zijde van de Theiss, en in een geheelen dag van
Transsylvanië en van het gouvernement der Militaire Grenzen. En dan zullen acht
millioen Hongaren hunne onafhankelijkheid herwonnen hebben!”

„En de rijksraad?”

Page 54

„Onze partijgenooten hebben er de meerderheid in,” antwoordde Mathias
Sandorf. „Zij zullen dadelijk het nieuwe gouvernement samenstellen, hetwelk de
teugels van het bestuur in handen moet nemen. Alles zal regelmatig en
gemakkelijk gaan, daar de comitaten, wat hunne administratie betreft, nauwelijks
van de Kroon van Oostenrijk afhankelijk zijn en dat hunne hoofden hunne eigene
politie hebben.”

„Maar de raad van het Vice-Koningschap van het rijk, die door den prins palatijn
te Buda voorgezeten wordt?.…” vroeg Ladislas Zathmar.

„De palatijn en de raad zullen onmiddellijk bij het uitbreken der beweging in de
onmogelijkheid gesteld worden om te handelen.…”

„En ook in de onmogelijkheid om met de kanselarij van Hongarije te Weenen te
correspondeeren?”

„Ja, alle onze maatregelen zijn zoodanig getroffen, dat de eenparigheid hunner
uitvoering den goeden uitslag waarborgt.”

„Den goeden uitslag?” zei Stephanus Bathory.

„Ja, den goeden uitslag!” antwoordde graaf Sandorf. „In het leger behooren allen
ons, wien ons bloed, dat wil zeggen het Hongaarsche bloed door de aderen vloeit.
Waar is de nakomeling der oude Magyaren, wiens hart niet klopt bij het zien van
de vlag der Rodolphen en der Corvijnen!”

En Mathias sprak die woorden met al de geestdrift van een vurig vaderlander uit.

„Maar in afwachting dat dit uur komen zal,” ging hij voort, „laat ons geen
enkelen maatregel verzuimen om iedere achterdocht te ontgaan. Laat ons
voorzichtig zijn, wij zullen er slechts te sterker door zijn!—Hebt gij niets
verdachts te Triëst vernomen?” [33]

Page 55

Page 56

Om te Pola uitgestrekte arsenalen en eene oorlogshaven te stichten. (Bladz. 34.)

[34]

„Neen,” antwoordde Ladislas Zathmar. „Men heeft hier slechts ooren en oogen
voor de werken, die de Staat te Pola doet uitvoeren en waarvoor het grootste
gedeelte der werklieden aangenomen zijn.”

En werkelijk, sedert een vijftiental jaren had het Oostenrijksch gouvernement, in
het vooruitzicht van Venetië mogelijk te moeten verliezen—hetgeen inderdaad
gebeurd is—het plan opgevat om te Pola, aan het uiteinde van het Istrische
schiereiland, uitgestrekte arsenalen en eene oorlogshaven te stichten, om dat punt
van de Adriatische zee te kunnen beheerschen. In weerwil van het protest van
Triëst, wier maritieme belangrijkheid daardoor verminderd werd, waren de
werken met koortsachtigen ijver vervolgd geworden. Mathias Sandorf en zijne
vrienden konden dus denken, dat de bewoners van Triëst geneigd zouden zijn hen
te volgen, in geval de afscheidingsbeweging zich tot daar zoude uitbreiden.

Wat er ook van aan zij, het geheim van die samenzwering ten voordeele van de
Hongaarsche onafhankelijkheid was goed bewaard geworden. Niets had
aanleiding gegeven, dat de politie zou hebben kunnen gissen dat de voornaamste
samenzweerders toen in dat bescheiden huis van de Acquedottolaan vereenigd
waren.

Zoo scheen tot het welslagen van die onderneming alles voorzien te zijn en had
men niets anders te doen dan het juiste oogenblik af te wachten om handelend te
kunnen optreden.

De correspondentie in geheimschrift, tusschen Triëst en de voornaamste steden
van Hongarije en van Transsylvanië, werd al meer zeldzaam en zou zelfs geheel
ophouden, tenzij gewichtige gebeurtenissen voorvielen. De reisduiven hadden
voortaan geene dépêches meer over te brengen, daar de laatste maatregelen
vastgesteld waren. Uit overmaat van voorzichtigheid dus had men de voorzorg
genomen, hun toevluchtsoord op het huis van Ladislas Zathmar te sluiten.

Er moet hier bijgevoegd worden, dat wanneer het geld de zenuw des oorlogs is,
het dat ook is voor de samenzweringen. Het is van zeer groot belang, dat het den

Page 57

komplotmakers niet ontbreekt. En bij deze gelegenheid zou het inderdaad niet
ontbreken.

Men weet het, dat al konden graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus
Bathory hun leven voor de onafhankelijkheid van hun vaderland opofferen, zij
evenwel geen vermogen hadden om ten offer te brengen; want het is den lezer
bekend: zij bezaten slechts zeer beperkte middelen. Maar graaf Mathias Sandorf
was rijk, zelfs onmetelijk rijk, en met zijn leven was hij gereed ook geheel zijn
vermogen op het spel te zetten voor die zaak. Sedert verscheidene maanden dan
ook had hij, door tusschenkomst van zijn intendant Lendeck, groote sommen op
zijne landerijen opgenomen, meer dan twee en een half millioen gulden. [35]

Maar het was noodig dat die som steeds ter zijner beschikking gehouden werd en
dat hij haar ieder oogenblik kon ontvangen. Te dien einde was zij gedeponeerd
geworden bij een bankiershuis te Triëst, waarvan de goede naam onbesproken, en
de soliditeit tegen iedere gebeurlijkheid bestand was. Dat was het huis Toronthal,
waarover Sarcany en Zirone juist gesproken hadden, terwijl zij op het kerkhof
der bovenstad vertoefden.

Welnu, die buiten alle berekening vallende gebeurtenis, zou de gewichtigste
gevolgen na zich slepen, zooals men zien zal uit den loop van deze geschiedenis.

Bij de vermelding van dat geld, waarvan een oogenblik sprake was geweest
gedurende hun laatste gesprek, zei graaf Sandorf tot graaf Zathmar en tot
Stephanus Bathory, dat het zijn voornemen was om eerstdaags een bezoek aan
den bankier Silas Toronthal te brengen, om hem te verwittigen, dat hij het geld
binnen den kortst mogelijken tijd te zijner beschikking te stellen had.

En waarlijk, de gebeurtenissen zouden weldra graaf Sandorf er toe aanzetten om
het van Triëst verwachte signaal te geven, te meer nog nu hij dien eigen avond
meende bespeurd te hebben, dat het huis van graaf Ladislas Zathmar meer dan
gewoonlijk gadegeslagen werd. En dat verontrustte hem.

Toen graaf Sandorf en Stephanus Bathory tegen tien uur naar buiten traden, de
een om zich naar zijne woning in de Corsia Stadionstraat te begeven, de andere
om naar het hôtel Delòrme weer te keeren, meenden zij twee mannen te

Page 58

ontwaren, die hen in het donker bespiedden, hen op eenigen afstand volgden en
alle moeite deden om niet gezien te worden.

Mathias Sandorf en zijn metgezel, vast besloten om te weten te komen wat er
gaande was, aarzelden geen oogenblik om op die zoo verdachte personen toe te
treden. Maar toen dezen hen bespeurden, verdwenen zij bij den hoek van de Sint
Antonius-kerk, bij het uiteinde van het groote kanaal, vóór dat het mogelijk
geweest was hen in te halen. [36]

Page 59

[Inhoud]

Page 60

III.

Page 61

HET BANKIERSHUIS TORONTHAL.
Te Triëst bestaat eigenlijk geen gezelschapsband. Tusschen verschillende rassen
bestaat geene gezelligheid, evenmin als tusschen verschillende kusten. De
Oostenrijksche beambten koesteren de verwaandheid om te meenen, dat zij de
hoogste sport op de maatschappelijke ladder innemen, welke ook de plaats zij,
welke zij in het administratieve werktuig bekleeden. Over het algemeen zijn dat
voorname lieden, die goed onderwezen en zeer welwillend zijn. Hunne
bezoldiging is evenwel mager en schraal en ver beneden hun maatschappelijk
standpunt, zoodat zij niet wedijveren kunnen met de handels- of met de finantie-
mannen. Deze laatsten zijn genoodzaakt, daar de bijeenkomsten bij de rijke
familiën zeldzaam zijn, maar zeldzamer nog de officieele vereenigingen, hun
toevlucht te nemen tot weelderigheid buitenshuis—oogenweelderigheid zou men
het kunnen noemen—zooals bij het verschijnen op de straten door de pracht
hunner equipages, of in den schouwburg door den rijkdom der toiletten, door den
overvloed van diamanten, welke hunne dames in de loges van het Teatro
Comunale of van de Armonia tentoonstellen.

Onder al die rijke familiën werd voornamelijk die van den bankier Silas
Toronthal opgemerkt.

Het hoofd van dat bankiershuis, waarvan het crediet zich verre over de grenzen
van het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk uitstrekte, was toen zeven-en-
dertig jaren oud. Hij bewoonde met mevrouw Toronthal, die eenige jaren jonger
was dan hij, een prachtig huis in de Acquedottolaan.

Silas Toronthal ging door voor zeer rijk te zijn, en dat moest hij ook wezen.
Stoutmoedige en zeer gelukkige beursspeculatiën, een breede grondslag van
zaken met de maatschappij van de Oostenrijksche Lloyd en met andere groote
huizen, belangrijke leeningen, waarvan de uitgifte hem toevertrouwd was, dat
alles kon slechts veel geld in zijne kas gebracht hebben. Vandaar dat hij groote
sier gemaakt had, hetgeen wel het oog op hem deed vallen. [37]

Page 62

Page 63

Dat het huis van graaf Ladislas Zathmar meer dan gewoonlijk gadegeslagen werd.
(Bladz. 35.)

[36]

Evenwel was het toch mogelijk, zooals Sarcany tot Zirone gezegd had, dat de
zaken van Silas Toronthal toentertijd eenigermate belemmering ondervonden, ten
minste voor het oogenblik. Dat hij zeven jaren vroeger den weerslag
ondervonden had van de verwarring bij de Bank en op de beurs teweeg gebracht
door den oorlog [38]van Frankrijk en Italië tegen Oostenrijk, daarna en nog
slechts kort geleden, door den veldtocht, die met de ramp van Sadowa beëindigd
werd, dat hij op dat tijdstip zware verliezen geleden had door de daling der
fondsen op de voornaamste plaatsen van Europa, maar vooral op die van het
Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk, zooals Weenen, Pest en Triëst, dat kon niet
anders. Toen zou hij, wanneer hij verplicht ware geworden, de kapitalen, die bij
hem in rekening-courant waren gedeponeerd, terug te betalen, in ernstige
ongelegenheid zijn geraakt. Maar dat was niet geschied en hij had zich voorzeker
weer na die crisis hersteld. Maar wanneer het waar was, wat Sarancy beweerde,
had hij gewaagde speculatiën moeten ondernemen, waardoor de soliditeit van
zijn huis op losse schroeven gesteld zoude zijn.

En inderdaad sedert eenige maanden was Silas Toronthal—zedelijk althans—veel
veranderd. Hoezeer hij de uitingen zijner gevoelens ook in bedwang had, zoo was
zijn uiterlijk toch zijns ondanks gewijzigd. Kenteekenen begonnen hem te
verraden. Hij was niet meer zooals vroeger. Opmerkers zouden bespeurd hebben,
dat hij de menschen niet meer openlijk in het gelaat durfde aanschouwen, zooals
hij vroeger gewoon was te doen; maar hen van ter zijde aankeek, met half
gesloten oogen. Die beginnende kenmerken waren zelfs aan mevrouw Toronthal
niet ontsnapt, die eene ziekelijke vrouw was zonder eenige geestkracht,
daarenboven zeer onderworpen aan den wil van haren echtgenoot en die slechts
weinig en dan nog zeer oppervlakkig met zijne zaken bekend was.

Nu kon er op gerekend worden, en het moet wel bekend worden, dat wanneer een
ramp zijne bankierszaken bedreigde, Silas Toronthal geen medelijden van de
openbare meening te verwachten had. Dat hij vele klanten zoowel in de stad als
in het rijk had, was waar; maar hij had weinig vrienden. Het hooge gevoel, dat hij

Page 64

van zijne maatschappelijke positie koesterde, zijne aangeboren ijdelheid, het
voorkomen van meerderheid, hetwelk hij jegens iedereen en bij alles aannam, dat
alles was niet geschikt om de menschen buiten den kring zijner zaken aan te
trekken. Daarenboven de Triëstenaren hielden hem voor een vreemdeling, daar
hij afkomstig van Ragusa, dus een Dalmaat van geboorte was. Geen
familiebanden bonden hem derhalve aan die stad, waarin hij een vijftiental jaren
geleden gekomen was om er de grondslagen van zijn vermogen te vestigen.

Zoo was toen de toestand van het huis Toronthal. Hoewel Sarcany te dien
opzichte eenige achterdocht koesterde, zoo bestond er nog niets, hetgeen
veroorloofde het gerucht te beamen, dat de zaken van den rijken bankier ernstig
bedreigd werden. Zijn crediet was evenwel volstrekt niet aangetast, openlijk
althans. [39]Graaf Mathias Sandorf had dan ook geen oogenblik geaarzeld, na
zijne fondsen te gelde gemaakt te hebben, hem eene zeer aanzienlijke som toe te
vertrouwen, eene som die steeds ter zijner beschikking moest gehouden worden,
op voorwaarde, dat vier en twintig uren te voren gewaarschuwd moest worden,
wanneer uitbetaling verlangd werd.

Misschien zal de lezer zich verwonderen, dat punten van aanraking, ja dat
betrekkingen hadden kunnen ontstaan tusschen dat bankiershuis, hetwelk onder
de meest geachte aangeteekend stond, en een persoon als Sarcany was. Toch was
het zoo, en die betrekking dagteekende reeds van twee of drie jaren geleden.

Op dat tijdstip had Silas Toronthal zeer belangrijke zaken te verhandelen gehad
met het regentschap Tripoli. Sarcany, die een soort makelaar in allerhande zaken
en zeer ervaren in de kunst van cijferen was, slaagde er in om als
tusschenpersoon in die zaken op te treden, die—het moet er bij gezegd worden—
van zeer verdachten aard waren. Er waren daarbij transactiën gesloten, die het
daglicht niet mochten zien, omtrent omkoopingen, omtrent twijfelachtige
commissieloonen, omtrent weinig eerlijke heffingen, waarin de Triëster bankier
niet in persoon had willen optreden. In die omstandigheden was Sarcany op den
voorgrond getreden. Hij werd agent bij die knoeierige combinatiën en bewees
daarbij en ook bij andere zaken van denzelfden aard, goede diensten aan Silas
Toronthal. Daaruit werd heel natuurlijk de gelegenheid geboren om toegang tot
het bankiershuis te hebben. Hij had er voet, werd gezegd, hij had er de hand:
ware beter uitgedrukt. En inderdaad, nadat die smerige zaken afgeloopen waren

Page 65

en hij Tripoli verlaten had, hield Sarcany niet op eene soort geldafpersing op den
Triëster bankier toe te passen. Niet dat Silas Toronthal geheel en al aan de genade
van dien schoft overgeleverd was. Van die compromitteerende operatiën bestond
geen enkel feitelijk bewijs. Maar de toestand van een bankier is van teederen
aard. Eén enkel woord kan hem benadeelen. En nu wist Sarcany genoeg, om het
geraden te achten, rekening met hem te houden.

En dat deed Silas Toronthal ook. Het kostte hem zelfs belangrijke sommen, die
zoo bijzonder vlug opgemaakt en voornamelijk in kroegen verspild werden, als
dat slechts door een gelukzoeker geschieden kan, die omtrent de toekomst geene
zorgen hoegenaamd koestert. Sarcany werd eindelijk, nadat hij den bankier tot in
Triëst opgezocht had, zoo lastig, zoo veeleischend, dat het den bankier begon te
vervelen en deze hem eindelijk ieder crediet weigerde. Sarcany dreigde. Silas
Toronthal hield vol. En daarin had hij gelijk, daar die volleerde geldafperser
eindelijk bij zichzelven tot de bekentenis moest komen, dat hij bij gebrek aan
deugdelijke [40]bewijzen, tamelijk ongewapend tegenover den bankier stond.

Ziedaar de redenen waarom Sarcany en zijn eerlijke makker Zirone zich sedert
eenigen tijd zonder middelen bevonden, en zoodanig zonder geld waren, dat zij
in de onmogelijkheid waren de stad te verlaten om elders hun geluk te beproeven.
Maar men weet ook, dat Silas Toronthal, met het doel om zich geheel en al van
hen te ontdoen, hen eene som gelds als laatste hulp had toegezonden. Die som
zou hen in staat stellen om Triëst te verlaten en naar Sicilië weer te keeren, waar
Zirone geaffiliëerd was aan een schrikwekkend gezelschap, dat de oostelijke en
de middenprovinciën van dat eiland exploiteerde. De bankier mocht dus hopen
zijn makelaar in Tripolitaansche zaken nimmer weer te zien, en dat hij
nimmermeer van hem zou hooren spreken. Daarbij vergiste hij zich, wat hem bij
andere zaken ook wel eens overkwam.

Het was in den avond van den 18den Mei dat de tweehonderd gulden, vergezeld
van het bekende korte briefje door Silas Toronthal verzonden en door de twee
gelukzoekers in hun logement, alwaar zij verblijf hielden, ontvangen waren.

Zes dagen later, dus den 24sten van dezelfde maand, belde Sarcany bij het
bankiershuis aan en verzocht om Silas Toronthal te spreken; zijn aandringen was
van zoodanigen aard, dat deze inwilligde hem te ontvangen.

Page 66

De bankier was op zijn kantoor, waarvan Sarcany de deur zorgvuldig sloot,
zoodra hij binnengekomen was.

„Gij alweer! En nog hier!” riep Silas Toronthal eerst uit. „Wat komt gij hier
doen? Ik heb u voor de laatste maal eene som geld toegezonden, die toereikend
moet zijn om Triëst te kunnen verlaten. Gij zult nimmermeer iets van mij krijgen,
wat gij mij ook zult willen vertellen of wat gij ook uitvoeren wilt! Waarom zijt
gij niet vertrokken? Ik waarschuw u, dat ik mijne maatregelen zal nemen om uwe
lastige bezoeken voortaan tegen te gaan!—Wat wilt ge thans van mij?”

Sarcany had dien woordenvloed, waarop hij voorbereid was, koelbloedig
aangehoord. Zijne houding was dezelfde niet meer, welke hij gewoonlijk
aannam, namelijk brutaal en uitdagend, zooals hij bij zijne laatste bezoeken aan
het bankiershuis geweest was.

Hij bleef zichzelven niet alleen geheel en al meester, maar hij bleef ook ernstig.
Hij greep een stoel, zonder dat hij de uitnoodiging ontvangen had om te gaan
zitten; nam plaats en wachtte daarna dat de booze luim van den bankier zich in
luidruchtige verwijtingen lucht gegeven en uitgeput zoude hebben om hem te
antwoorden.

„Welnu, zult ge spreken?” hernam Silas Toronthal, die, na zijn kabinet eenige
malen op en neer geloopen te hebben, op zijn beurt [42]was gaan zitten, evenwel
zonder er in geslaagd te zijn meer bedaard te worden. [41]

Page 67

Page 68

De bankier bekeek het niet zonder nieuwsgierigheid. (Bladz. 46.)

[42]

„Ik wacht tot gij kalmer zult zijn,” antwoordde Sarcany vreedzaam, „en ik zal al
den tijd wachten, die daartoe noodig zal zijn.”

„Of ik kalm ben of niet, wat kan dat schelen? Voor de laatste maal, wat wilt gij
van mij?”

„Silas Toronthal, ik heb u eene zaak voor te stellen.”

„Eene zaak?”

„Ja.”

„Ik wil over geen zaken spreken met u, ik wil geen zaken met u doen of daarover
onderhandelen!” riep de bankier uit. „Wij hebben niets gemeens meer met
elkander en ik wil dat gij Triëst terstond, heden nog verlaat, om er nooit terug te
komen.”

„Ik denk te vertrekken en Triëst te verlaten,” antwoordde Sarcany, „maar ik wil
niet vertrekken zonder mijne schuld aan uw huis aangezuiverd te hebben.”

„Uwe schuld?.… Aanzuiveren!.… Gij?.… mij betalen?”

„Ja, u betalen interest, kapitaal, alles, ongerekend een deel in de winsten van.…”

Silas Toronthal trok verachtelijk de schouders op bij dat onverwachte voorstel,
komende van Sarcany.

„De sommen, die ik u voorgeschoten heb, heb ik op mijne verliesrekening
gebracht,” zeide hij. „Ik scheld u die kwijt en heb dus niets van u te vorderen.”

Sarcany glimlachte.

„Ik ben boven die nietigheden verheven,” ging de bankier voort.

„Maar als het mij belieft uw schuldenaar te blijven?”

Page 69

„Dat kan slechts gelden, als het mij belieft uw schuldeischer te zijn!”

Bij die woorden keken Silas Toronthal en Sarcany elkander in het gelaat. Daarop
trok deze laatste op zijne beurt de schouders op.

„Volzinnen slechts, niets anders dan volzinnen! Woorden, anders niets,” hernam
Sarcany. „Ik herhaal, dat ik u eene zeer ernstige zaak kom voorstellen.”

„Even smerig als ernstig, ongetwijfeld?”

„Hé, hé, het zou voor de eerste maal niet zijn, dat gij u tot mij wendet, om.…”

„Sarcany!” riep de bankier uit.

„Neen, niet de eerste maal, dat gij mijne.…”

„Woorden, niets dan woorden,” herhaalde Silas Toronthal op zijne beurt. Hij wist
niets anders te zeggen om de brutale uiting, die den anderen op de lippen lag, te
stuiten.

„Hoor naar mij,” zei Sarcany, „ik zal kort zijn.”

„En daar zult ge goed aan doen.” [43]

„Indien hetgeen ik u ga voorstellen, niet van uwe gading zal zijn, zullen wij er
niet meer over spreken en zal ik van hier vertrekken.”

„Van hier of van Triëst?”

„Van hier en van Triëst!”

„Morgen reeds?”

„Heden avond reeds!”

„Spreek dan.”

„Ziehier wat het geldt.” zei Sarcany. „Maar.…” voegde hij er bij, terwijl hij
overal rondkeek, „zijt gij er zeker van dat niemand ons hooren kan?”

Page 70

„Gij staat er dus op, dat ons onderhoud geheim zal blijven?” antwoordde de
bankier met ietwat spotachtigs in zijne stem.

„Ja, Silas Toronthal, want wij beiden, gij en ik, zullen het leven van hooge
personen in de hand hebben!”

„Gij misschien! Ik, neen!”

„Oordeel er over! Ik ben op het spoor van eene samenzwering. Wat haar doel is?
Dat weet ik nog niet. Maar sedert de partij, die te midden van de vlakte van
Sadowa afgespeeld werd, sedert den slag van Sadowa heeft ieder niet-
Oostenrijker fraai spel tegen Oostenrijk. Nu heb ik wel redenen om te meenen,
dat eene beweging voorbereid wordt, eene beweging ten voordeele van
Hongarije, waaruit wij munt kunnen slaan.”

Silas Toronthal vergenoegde zich deze enkele woorden op spottenden toon tot
antwoord te geven:

„Er valt niets te halen van eene samenzwering.”

„Waarachtig wel! Meer dan waarschijnlijk.”

„Hoe dan?”

„Door haar te verraden.”

„Komaan, laat hooren. Verklaar u nader.”

„Luister dan,” zei Sarcany.

Daarop verhaalde hij, wat er op het oude kerkhof van Triëst gebeurd was, hoe hij
eene reisduif bemachtigd had, de wijze waarop het briefje in geheimschrift—
waarvan hij een afschrift gehouden had—in zijne handen gevallen was en hoe hij
met de woning van hem, voor wien het briefje bestemd was, bekend was
geworden. Hij voegde er bij dat hij en Zirone de laatste vijf dagen doorgebracht
hadden met alles te bespieden, zoo niet wat binnen dat huis omging, dan toch het
uiterlijke en den omtrek daarvan. Eenige personen, die altijd dezelfde waren,
kwamen er steeds des avonds bijeen en traden niet zonder groote voorzorgen

Page 71

binnen. Andere duiven waren van daar vertrokken, andere waren weer
aangekomen. De eerste vlogen noordwaarts, de overigen kwamen daar vandaan.
De deur dezer woning werd door een ouden dienstbode bewaakt, [44]die haar
ongaarne ontsloot en steeds de naderenden nauwgezet gadesloeg. Sarcany en zijn
makker hadden zelfs met eene zekere omzichtigheid moeten te werk gaan, om de
aandacht van dien man niet te trekken. En nog vreesden zij, zijne achterdocht
sedert eenige dagen te hebben opgewekt.

Silas Toronthal begon meer aandacht aan het verhaal te wijden, dat Sarcany hem
deed. Hij vroeg zich af, wat er waars kon zijn in dat alles. Zijn oude makelaar
was niet zoo geheel te vertrouwen. Hij vroeg zich ook af op welke wijze deze
meende dat hij zich in de zaak zou mengen, om er eenig voordeel uit te behalen.

Toen het verhaal uit was en toen Sarcany nogmaals en voor den laatsten keer
verzekerd had, dat het eene samenzwering tegen den Staat betrof en dat het zeker
gewin moest opleveren, wanneer men de geheimen van dat komplot zoude weten
te benuttigen, vergenoegde zich de bankier hem de navolgende vragen te stellen:

„Waar is dat huis gelegen?”

„In de Acquedottolaan.”

„Nummer?”

„Nummer 89.”

„Aan wien behoort die woning?”

„Aan een Hongaarsch edelman.”

„Een Hongaar?”

„Ja.”

„En die heet?”

„Graaf Ladislas Zathmar.”

Page 72

„En welke personen bezoeken hem?”

„Het zijn voornamelijk twee.”

„Slechts twee?”

„Ja. Beiden zijn van Hongaarsche afkomst.”

„En de eene heet?”

„De eene is een professor hier ter stede en heet Stephanus Bathory.”

„En de andere?”

„Graaf Mathias Sandorf.”

„Weet gij dat zeker?”

„Ja, zeer zeker.”

Bij dien laatstgenoemden naam was een licht gebaar van verwondering aan Silas
Toronthal ontsnapt, hetgeen Sarcany niet ontging. Wat die drie namen betreft, die
deze laatste genoemd had, het was hem gemakkelijk gevallen die te weten te
komen. Hij was beiden gevolgd, professor Stephanus Bathory zoowel als graaf
Sandorf, den eersten, toen hij naar zijne woning in de Corsia Stadionstraat
wederkeerde, den andere toen hij zich naar het hôtel Delòrme begaf. [45]

Page 73

Page 74

En ging heen, terwijl de bankier hem tot aan de deur van het vertrek begeleidde.
(Bladz. 51.)

[44]

„Gij ziet het, Silas Toronthal,” hernam Sarcany, „dat zijn namen, [46]die ik geen
oogenblik geaarzeld heb u te openbaren. Gij zult daaruit wel willen ontwaren, dat
ik u niet wil bedriegen, of ook maar tegenover u wil veinzen.”

„Dat alles is wel nevelachtig en onbestemd,” antwoordde de bankier, die
klaarblijkelijk meer van de zaak wenschte te weten, alvorens er op in te gaan.

„Nevelachtig en onbestemd?” vroeg Sarcany.

„Zeker! Gij hebt eigenlijk niets wat op een daadwerkelijk bewijs gelijkt.”

„En dit dan?”

„Wat?”

„Dat briefje?”

Daarbij reikte Sarcany het afschrift van het geheimschrift aan Silas Toronthal
over.

„Dat vod?”

De bankier bekeek en onderzocht het niet zonder nieuwsgierigheid, hoe
onverschillig hij de woorden „dat vod” ook had uitgesproken; maar die
geheimzinnige woorden konden geen zin voor hem hebben en er was geen enkele
aanwijzing, dat zij de belangrijkheid bezaten, die Sarcany hen toeschreef.
Wanneer die zaak van zoodanigen aard was om zijne belangstelling op te
wekken, dan was het dat zij graaf Mathias Sandorf betrof, die een goede klant
van zijn huis was en wiens toestand van schuldeischer jegens hem, hem
verontrustte, wanneer deze een dadelijke uitkeering der fondsen, bij het
bankiershuis gestort, vergde.

„Welnu?” vroeg Sarcany, nadat Silas Toronthal het papier had ingekeken.

Page 75

„Welnu,” antwoordde deze, „mijne meening is, dat de zaak nevelachtig en
onbestemd is en door dat biljet dat al meer en meer wordt.”

„Mij dunkt integendeel, dat zij duidelijk en helder is,” was het wederantwoord
van Sarcany, die zich door de aangenomen houding van den bankier niet liet uit
het veld slaan.

„Hebt gij dat geheimschrift kunnen ontraadselen?”

„Neen, Silas Toronthal, maar.…”

„Maar wat?”

„Ik zal het weten te lezen als de tijd daar zal zijn.”

„En hoe?”

„Ik heb mij wel meer met dergelijke evenals ook met andere zaken
beziggehouden,” antwoordde Sarcany, „en ik heb nog al brieven en stukken, in
geheimschrift gesteld, in handen gehad, dat verzeker ik u. Nu heeft een
nauwgezet onderzoek van dit briefje mij helder en klaar overtuigd, dat de sleutel
er van noch op een getal, noch op een vooraf overeengekomen alphabet berust,
die [47]aan ieder der letters eene andere beduidenis dan hare ware verleent. Ja, in
dit biljet is een s een s, een p een p en een r een r; maar deze letters zijn in eene
volgorde gesteld die niet kan hersteld worden dan door middel van een rooster.”

De lezer weet reeds dat Sarcany zich niet vergiste. Dat was inderdaad het stelsel
hetwelk bij die briefwisseling gebruikt was. Hij weet ook, dat het daardoor des te
moeilijker was, dat geheimschrift te ontraadselen.

„Ik wil aannemen,” sprak de bankier, „en niet loochenen, dat gij gelijk hebt; maar
zonder dien rooster is het toch onmogelijk dat briefje te lezen.”

„Inderdaad.”

„En hoe zult gij u dien rooster verschaffen?”

Page 76

„Dat weet ik nog niet,” antwoordde Sarcany; „maar wees gerust, ik zal hem mij
wel verschaffen.”

„Waarlijk?” vroeg de bankier spottend.

„Ongetwijfeld,” antwoordde de andere ernstig.

„Welnu, Sarcany, als ik in uwe plaats was, dan zou ik mij zoo veel moeite niet
geven.”

„Ik zal er de moeite toe nemen, die noodig is.”

„Waartoe zou dat dienen? Ik zou mij eenvoudig vergenoegen met aan de politie
uwe meeningen en achterdocht mede te deelen en haar dat briefje overhandigen.”

„Op zijn tijd zal ik dat doen, Silas Toronthal, maar niet op eenvoudige
vooronderstellingen,” antwoordde Sarcany koeltjes. „Wat ik wil trachten te
erlangen, alvorens te spreken, dat zijn daadwerkelijke en derhalve onbetwistbare
bewijzen. Ik heb mij in het hoofd gezet, mij meester van die samenzwering te
maken, ja, meester! meester in de volle beteekenis van het woord, om er al de
voordeelen uit te trekken, die ik u aanbied samen te deelen. En.… wie weet of het
nog niet het voordeeligst zoude zijn ééne lijn met de samenzweerders te trekken,
in plaats van ons tegen hen te stellen!”

Een zoodanige taal kon Silas Toronthal niet verwonderen. Hij wist, waartoe
Sarcany met zijn schranderen kop, maar met zijn slecht hart, in staat was. Maar
als die man niet aarzelde zich zoo tegenover den Triëster bankier uit te laten, dan
was dat met de wetenschap van zijn kant, dat men alles aan Silas Toronthal kon
voorstellen, daar diens rekbaar geweten op iedere zaak, hoe schurkachtig ook,
inging, wanneer zij maar grove winsten beloofde. Daarenboven, het kon niet
genoeg herhaald worden, Sarcany kende hem al sedert lang, en hij had buitendien
redenen om te gelooven, dat de toestand van het bankiershuis sedert eenigen tijd
verward en wankelend was. Zou nu de onthulling van die samenzwering,
behendig gebezigd, hem niet kunnen veroorloven zijne zaken te [48]herstellen?
Het was op dergelijke beschouwingen, dat Sarcany eenigermate rekende.

Page 77

Van zijn kant poogde Silas Toronthal in dit oogenblik gesloten spel met zijn
vroegeren makelaar in Tripolitaansche zaken te spelen. Dat er eene kiem van
samenzwering tegen het Oostenrijksche gouvernement bestond en dat Sarcany
die op het spoor was, kon hij wel aannemen. Dat huis van graaf Ladislas
Zathmar, waarin de geheime samenkomsten plaats hadden, die briefwisseling in
geheimschrift, de buitensporig groote som geld bij hem door graaf Sandorf
gestort, met aanbeveling haar steeds ter zijner beschikking te houden, dat alles
begon hem zeer verdacht voor te komen. Sarcany had zeer waarschijnlijk bij die
omstandigheden de zaken juist ingezien. Maar de bankier, er nog meer van
wenschende te vernemen en meer inzicht in het spel van den gelukzoeker
wenschende te hebben, wilde nog niet dadelijk toetreden. Hij vergenoegde zich
dan ook zoo onverschillig mogelijk te antwoorden:

„En daarna, aangenomen dat gij er in slaagt dat geheimschrift te ontraadselen,
waaraan ik twijfel, dan zult gij zien, dat het eenvoudig particuliere zaken, zaken
zonder eenig belang betreft, en waaruit dan noch voor u noch voor mij eenig
voordeel zal zijn te halen.”

„Neen!” riep Sarcany met al het vuur eener vast gevestigde overtuiging uit.
„Neen! Ik ben op het spoor van eene zeer ernstige en zeer gewichtige
samenzwering, die door mannen van hoogen rang en hooge maatschappelijke
positie aangevoerd wordt en ik voeg er bij, Silas Toronthal, dat gij er evenmin
aan twijfelt als ik.”

„Maar wat wilt gij dan eindelijk van mij?” vroeg de bankier, ditmaal recht op den
man af.

Sarcany stond op en antwoordde met zacht fluisterende stem, terwijl hij den
bankier strak in de oogen keek:

„Wat ik van u wil,” en hij legde bijzonderen nadruk op dit laatste woord.
„Ziehier: Ik wil zoo spoedig mogelijk toegang tot het huis van den graaf Ladislas
Zathmar hebben, onverschillig onder welk voorwendsel, om daarna zijn
vertrouwen te winnen. Eenmaal in de plaats genesteld, waarin mij niemand kent,
zal ik dien rooster wel weten machtig te worden en dat raadselschrift ontcijferen,

Page 78

om er dat gebruik van te maken, hetwelk het meest met onze belangen zal
overeenkomen.”

„Met onze belangen?” herhaalde Silas Toronthal.

„Ja, onze belangen.”

„Waarom zijt gij er zoo op gesteld mij in die zaak te mengen?”

„Omdat zij der moeite waard is, en.…”

„Oho!” riep de bankier uit.

„En gij er groote voordeden bij behalen zult!” [49]

Page 79

Page 80

Eenige spionnen, die in de Acquedottolaan rondslopen. (Bladz. 56.)

[50]

„Waarom onderneemt gij die zaak niet alleen?”

„Waarom?”

„Ja, waarom?”

„Wel, omdat ik uwe medewerking noodig heb.”

„Mijne medewerking?”

„Inderdaad.”

„Kom dan toch tot verklaring.”

„Luister. Om mijn doel te bereiken, heb ik tijd noodig; en om te kunnen wachten,
moet ik in de gelegenheid zijn te kunnen leven. Ik heb dus geld noodig. En dat
bezit ik niet meer!”

„Uw crediet bij mij is uitgeput, dat weet ge.”

„Ja; maar.…”

„Maar wat? Maak toch voort.”

„Gij kunt mij een ander crediet openen!”

„Wat zal ik daarmee kunnen winnen?”

„Dit: Van die drie mannen, die ik u straks noemde, zijn twee zonder vermogen,
dat zijn graaf Zathmar en professor Bathory; maar de derde is rijk, buitengewoon
rijk zelfs. De goederen, die hij in Transsylvanië bezit, zijn zeer aanzienlijk. Nu
weet gij zeer goed, dat wanneer hij als samenzweerder gevat en veroordeeld
wordt, zijne verbeurd verklaarde goederen voor het grootste gedeelte hun
toegewezen worden, die de samenzwering ontdekt en aangebracht hebben!.… En

Page 81

dat zullen wij zijn, ik en gij, Silas Toronthal. Geloof mij, wij zullen eerlijk
deelen.”

Sarcany zweeg. De bankier antwoordde niet. Hij overpeinsde hetgeen men van
hem als inzet van die partij eischte. Hij was daarenboven de man niet, om zich
persoonlijk in eene zaak van dien aard bloot te geven. Maar hij gevoelde dat
Sarcany als zijn agent wel mans genoeg was om de taak van hun beiden op zich
te nemen. Wanneer hij mocht besluiten aan die kuiperij deel te nemen, dan zou
hij dezen wel zoodanig door een contract weten te verbinden, dat hem geheel en
al aan zijne genade zou overleveren, dat hij, hoewel op den achtergrond
blijvende, het grootste deel der winsten zou opstrijken.… Toch aarzelde hij. Maar
alles wel beschouwd, wat waagde hij toch? Hij zou in die verachtelijke daad niet
optreden, hij zou er alleen de winst van genieten, groote winst, die den toestand
van zijn huis geheel zou kunnen herstellen.

„Welnu?.…” vroeg Sarcany.

„Gij vraagt mijne beslissing?”

„Ja.”

„Welnu, neen,” antwoordde Silas Toronthal, vooral afgeschrikt door het
denkbeeld zulk een deelgenoot te hebben, of om een beter woord te bezigen:
zoo’n medeplichtige.

„Gij weigert?” [51]

„Ja, ik weiger.… Ik geloof bovendien niet aan den goeden uitslag van uwe
combinatiën!”

„Pas op, Silas Toronthal!” riep Sarcany, zonder zich ditmaal te bedwingen, op
dreigenden toon uit.

„Oppassen, voor wat, alsjeblieft?”

„Ik weet zekere zaken.…”

„De deur uit, Sarcany!” antwoordde de bankier.

Page 82

„Ik zal weten u te noodzaken.…”

„De deur uit!”

In dit oogenblik werd licht op de deur van het kantoor getikt. Terwijl Sarcany zijn
gelaat vlug naar den kant van het venster gewend had, was de deur opengegaan
op het „binnen” van den bankier. Een bediende verscheen en sprak met luider
stem:

„Graaf Sandorf verzoekt den heer Silas Toronthal een oogenblik gehoor!”

Daarna ging hij heen.

„Graaf Sandorf?” riep Sarcany uit.

Van den eenen kant kon de bankier niet anders dan zeer verstoord zijn, dat
Sarcany van dat bezoek onderricht werd, en van den anderen kant begreep hij dat
groote moeilijkheden gingen voortvloeien uit die onverwachte komst van den
graaf.

„He! he! wat komt graaf Sandorf hier doen?” vroeg Sarcany op scherp
spotachtigen toon. „Staat gij dus in betrekking met de samenzweerders van het
huis Zathmar. Inderdaad, ik geloof dat ik mij tot een hunner gewend heb.”

„Zult gij eindelijk heengaan?”

„Neen, Silas Toronthal, ik zal niet heengaan. Ik wil weten wat graaf Sandorf hier
komt doen!”

Toen hij die woorden uitgesproken had, wierp hij zich ijlings in een kabinet, dat
aan het kantoor grensde en welks voorhang achter hem neerviel.

Silas Toronthal was op het punt om iemand te roepen, teneinde den indringer te
doen wegjagen, toen hij plotseling van gedachte veranderde.

„Neen,” zei hij, „het is, alles wel beschouwd, waarschijnlijk beter, dat Sarcany
hoore wat hier gesproken zal worden.”

Page 83

De bankier schelde den bediende en beval hem graaf Sandorf onmiddellijk
binnen te geleiden.

Mathias Sandorf trad het kantoor binnen en beantwoordde geheel
overeenkomstig zijn karakter, de beleefde buigingen van Silas Toronthal koel.
Daarna nam hij in een leuningstoel plaats, dien de bediende bijgeschoven had.

„Heer graaf,” zei de bankier, „ik mocht op de eer van uw bezoek niet hopen, daar
ik meende dat gij niet te Triëst waart. Maar gij [52]weet het, in het huis Toronthal
zijt gij steeds welkom en uwe tegenwoordigheid wordt hier hoogst gewaardeerd.”

„Mijnheer,” antwoordde Mathias Sandorf, „ik ben slechts een der meest
bescheidene uwer klanten, daar ik, zooals gij weet, geene zaken drijf. Toch ben ik
u dank schuldig dat gij wel de fondsen, die ik disponibel had, in deposito hebt
willen nemen.”

„Heer graaf, vergeef mij wanneer ik u herinner,” hernam Silas Toronthal, „dat die
fondsen in rekening courant door mij opgenomen zijn, zoodat gij niet vergeten
moogt, dat zij u renten opbrengen.”

„Ik weet het, mijnheer.…” antwoordde graaf Mathias Sandorf, „maar ik herhaal
wat ik u destijds zeide, dat ik geene geldbelegging bij uw huis beoogde, slechts
een eenvoudig deposito.”

„Het zij zoo, heer graaf,” hernam Silas Toronthal. „Maar het geld is in deze tijden
duur en het zou niet billijk wezen, wanneer het uwe improductief bleef liggen.
Een finantieele crisis dreigt over het geheele land zich uit te strekken. De
toestanden zijn in het binnenland zeer moeilijk. De zaken zijn als het ware geheel
verlamd. Eenige bankbreuken van belangrijke huizen hebben het openbaar
crediet geschokt, terwijl er nog andere verwacht worden.…”

„Maar uw huis is solied, nietwaar, mijnheer?” vroeg Mathias Sandorf en
vervolgde zonder antwoord daarop af te wachten: „Ik weet uit goede bron, dat het
slechts zeer weinig geleden heeft door de reactie van die bankbreuken.”

„O, zeer weinig,” antwoordde Silas Toronthal met de grootste kalmte. „De handel
op de Adriatische zee verzekert ons bovendien een stroom van maritieme zaken,

Page 84

die der huizen van Pest of van Weenen ontvalt, zoodat de crisis ons slechts
weinig gedeerd heeft. Wij zijn dus niet te beklagen, heer graaf en beklagen ons
ook niet.”

„Ik kan niet anders dan u geluk wenschen, mijnheer,” betuigde Mathias Sandorf.
„Ik meen u evenwel te moeten vragen, of tengevolge van die crisis zich
binnenslands geene verwikkelingen voorgedaan hebben?”

Hoewel graaf Sandorf die vraag gesteld had op een toon, alsof hij er geen het
minste belang in stelde, zoo wekte zij toch de aandacht van Silas Toronthal op,
die den graaf dan ook meer nauwkeurig gadesloeg. Die vraag kon toch inderdaad
betrekking hebben op hetgeen hij van Sarcany vernam.

„Ik weet niets dienaangaande,” antwoordde Silas Toronthal, „en ik heb niet
vernomen dat het Oostenrijksche gouvernement te dien opzichte eenige vrees
koesterde. Zoudt gij, heer graaf, redenen meenen te hebben om te denken dat
aanstaande gebeurtenissen.…” [53]

Page 85

Page 86

Het gebouw der Oostenrijksche Lloyd te Triëst.

[52]

„Volstrekt niet!” viel Mathias Sandorf in; „maar in hooge sferen [54]van het
bankwezen is men soms met zaken bekend, die het publiek eerst later verneemt.
Ziedaar de reden, waarom ik u die vraag stelde, maar uwe vrijheid onaangetast
liet om haar, al naar dat u geraden voorkwam, met ja of met neen te
beantwoorden.”

„Ik heb in dien zin niets vernomen,” hernam Silas Toronthal. „Wees intusschen
verzekerd, heer graaf, dat ik mij niet het recht zou mogen aanmatigen om met een
klant als gij zijt, geheimzinnig of stilzwijgend te zijn, daar uwe belangen
daardoor zouden kunnen lijden!”

„Ik dank u, mijnheer,” antwoordde graaf Sandorf, „en ik meen uwe gevoelens te
kunnen deelen, dat er noch van het binnenland, noch van het buitenland iets te
vreezen is. Ik ga dan ook Triëst weldra verlaten om in Transsylvanië weer te
keeren, waarheen mij dringende zaken roepen.”

„Zoo, gaat gij heen, heer graaf?” vroeg Silas Toronthal met levendigheid.

„Ja.… zoo omstreeks over veertien dagen, op zijn laatst.”

„Maar gij komt toch naar Triëst terug?”

„Dat geloof ik niet, mijnheer,” antwoordde graaf Sandorf. „Maar vóórdat ik
vertrek, wenschte ik de geheele comptabiliteit van het kasteel Artenick, die
eenigszins in de war is, in orde te brengen. Ik heb van mijn intendant tal van
nota’s, pachtcedulen, boschcontracten ontvangen, die ik haast geen tijd heb om
na te gaan. Kent gij geen comptabel, of zoudt gij niet een uwer geëmployeerden
kunnen missen, die mij dien dienst zou willen bewijzen?”

„Niets zal gemakkelijker gaan, heer graaf.”

„Inderdaad?”

„Ja, zeker.”

Page 87

„Ik zal u wel verplicht wezen.”

„O, de verplichting is aan mijn kant. Wanneer hebt gij dien comptabel noodig?”

„Zoo gauw mogelijk.”

„En waar moet hij zich aanmelden?”

„Zich aanmelden?”

„Ja, bij wien?”

„Bij mijn vriend graaf Zathmar, wiens huis in de Acquedottolaan nummer 89
gelegen is.”

„Hoe zegt ge.… nummer.…?”

„Nummer 89 van de Acquedottolaan.”

„Dat ’s afgesproken.”

„Het zal een werk van een tiental dagen wezen, en ik zal, wanneer die zaken
behoorlijk geregeld zijn, daarna naar het kasteel Artenick kunnen vertrekken. Ik
verzoek u dus om de fondsen, die ik bij u heb staan, ter mijner beschikking te
houden.” [55]

Silas Toronthal kon bij die woorden een gebaar van schrik niet weerhouden.
Gelukkig zag de graaf het niet.

„Op welken dag verlangt gij, dat u die fondsen zullen worden ter hand gesteld,
heer graaf?” vroeg de bankier.

„Op den 8en van de volgende maand.”

„Dan zult gij ze hebben.”

Daarop stond graaf Sandorf op en ging heen terwijl de bankier hem tot aan de
deur van het vertrek begeleidde.

Page 88

Toen Silas Toronthal in zijn kantoor terugkeerde, vond hij er Sarcany, die slechts
deze woorden sprak:

„Ik moet binnen twee dagen in het huis van graaf Zathmar werkzaam zijn.”

„Ja, dat moet inderdaad!” antwoordde Silas Toronthal.

Page 89

[Inhoud]

Page 90

IV.

Page 91

HET GEHEIMSCHRIFT.
Sarcany was inderdaad twee dagen later in het huis van graaf Ladislas Zathmar geïnstalleerd.
Hij was door Silas Toronthal aanbevolen geworden bij graaf Sandorf, die met de plaatsing van
dien man onmiddellijk genoegen had genomen.

Zoo was de medeplichtigheid van den bankier met zijn agent bij de kuiperijen, door hem op ’t
getouw gezet, behoorlijk tot stand gekomen. Hun doel was: de ontdekking van een geheim,
die het leven van de hoofden van de samenzwering kon kosten. Het resultaat dat verwacht
werd, zou zijn: dat als prijs hunner aanbrenging een vermogen hun ten deel viel, voor de helft
aan een gelukzoeker, die tot alles in staat was om zijn zak gevuld te krijgen; voor de andere
helft aan een bankier, die zoover gekomen was, dat hij niet meer aan zijne verbintenissen kon
voldoen.

Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat een verdrag tusschen Silas Toronthal en
Sarcany gesloten was, waarbij de waarschijnlijk geachte winsten in twee gelijke portiën
verdeeld werden. Bovendien zou Sarcany al het geld ontvangen, benoodigd om met zijn
makker Zirone fatsoenlijk te Triëst te kunnen leven en om zijne onkosten te kunnen betalen,
die zijne bemoeiingen in die zaak vereischen zouden. Daartegenover had hij als waarborg de
copie van het briefje, dat het geheim der samenzwering bevatte, waaraan hij niet twijfelde, aan
den bankier moeten overgeven. [56]

Men zal misschien geneigd zijn graaf Mathias Sandorf van onvoorzichtigheid te beschuldigen.
En inderdaad, in zulke omstandigheden een vreemdeling binnen te leiden in dat huis, waarin
zulke gewichtige belangen behandeld werden, in den vooravond van den dag waarop het sein
tot uitbarsting van een komplot ieder oogenblik kon gegeven worden, kon niet anders dan
onvoorzichtig genoemd worden. Maar het was slechts door de ijzeren noodzakelijkheid, dat de
graaf zoo gehandeld had.

Vooreerst toch had hij er een dringend belang bij, dat zijne personeele zaken in orde gebracht
werden, op een oogenblik dat hij zich in die gevaarlijke zaak stortte, waarin hij zijn leven, op
zijn allerminst zijne verbanning waagde, wanneer hij bij nietslagen gevangen genomen of tot
de vlucht genoodzaakt zou worden. Van een anderen kant meende hij door het opnemen van
een vreemdeling in het huis van graaf Zathmar, juist de achterdocht, die mocht gerezen zijn, af
te wenden. Hij had sedert eenige dagen meenen te zien—en de lezer weet dat het juist is—dat
eenige spionnen in de Acquedottolaan rondslopen. Die spionnen waren niemand anders dan
Sarcany en Zirone geweest. Maar de graaf vroeg zich af, of de politie hem en zijne vrienden
gadesloeg en hunne handelingen nauwgezet naging? Mathias Sandorf moest het gelooven, ja
vreezen. Wanneer de vergaderplaats der samenzweerders, die tot dien dag voor alle

Page 92

oningewijden hermetisch gesloten was gebleven, achterdocht opwekte, dan was er geen beter
middel om de verdenking op een valsch spoor te brengen, dan door die afsluiting op te heffen,
en het huis voor een commies te openen, die er zich inderdaad slechts met comptabiliteits-
zaken onledig zou houden. Zou de tegenwoordigheid van dien commies een gevaar voor graaf
Ladislas Zathmar en voor zijne makkers kunnen daarstellen? Neen, in geen geval. Er werden
geene brieven in geheimschrift tusschen Triëst en de andere steden van het Hongaarsche
koninkrijk gewisseld. Al de papieren, die op de ophanden zijnde beweging betrekking hadden,
waren vernietigd. Er bleef geen enkel geschreven spoor van de samenzwering over. De
maatregelen waren genomen, daaraan was niets meer te veranderen. Er behoefden geen
nieuwe genomen te worden. Graaf Sandorf had slechts het sein te geven, wanneer het gunstige
oogenblik daar zou zijn. Dus de aanneming van een nieuwen geëmployeerde in dat huis zou,
wanneer het gouvernement achterdocht koesterde, iedere verdenking verwijderen.

Ja, de redeneering was juist en de voorzorg zou goed genomen moeten genoemd worden,
wanneer die commies niet Sarcany en zijn borg niet Silas Toronthal geweest waren! [57]

Page 93

Page 94

In de vierde lade, die Sarcany doorzocht, vond hij onder een pak papieren. (Bladz.
60.)

[56]

Sarcany, die een meester in dubbelhartigheid was, genoot evenwel [58]de voordeelen van zijn
uiterlijk. Hij had toch een openhartig en vrijmoedig gelaat, terwijl zijn geheele persoon
eenvoudigheid en trouwhartigheid scheen te kenmerken. Graaf Sandorf en zijne vrienden
werden er door bedrogen en beetgenomen. De jeugdige comptabel betoonde zich ijverig,
dienstvaardig, vriendelijk en uiterst behendig bij het nazien van die rekeningen en nota’s, die
hij moest in het reine brengen. Niets bovendien zou hem hebben kunnen doen gissen, wanneer
hij het niet geweten had, dat hij zich in tegenwoordigheid van de hoofden eener samenzwering
bevond, die gereed was het Hongaarsche ras tegen het Duitsche op te zweepen. Mathias
Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar schenen zich slechts bij hunne
bijeenkomsten met wetenschappelijke vraagstukken of met kunstkwestiën bezig te houden.
Geen geheime briefwisselingen meer, geen geheimzinnig heen en weer loopen rondom het
huis. Dat alles was uit. Maar Sarcany wist waaraan zich te houden. De gelegenheid, die hij
zocht, moest zich voordoen en hij wachtte diensvolgens geduldig.

Toen Sarcany het huis van Ladislas Zathmar betrad, had hij slechts ééne gedachte, namelijk
den rooster machtig te worden, die diende om het geheimschrift te ontcijferen. Nu er evenwel
geen dergelijke stukken meer te Triëst aankwamen, vroeg hij zich af of die rooster niet uit
overmaat van voorzichtigheid kon vernietigd zijn. Dat denkbeeld verontrustte hem, want het
geheele gebouw zijner kuiperijen berustte daarop, dat hij het briefje door de reisduif
aangebracht, en waarvan hij afschrift genomen had, zou kunnen lezen.

Dus terwijl hij zich onledig hield met de zaken van Mathias Sandorf te regelen, keek hij rond,
nam hij waar, bespiedde hij alles. De toegang tot het kantoorvertrek, waarin Ladislas Zathmar
en zijne makkers te zamen kwamen, was voor hem niet afgesloten. Hij werkte er zelfs
somtijds geheel alleen in. En dan waren zijne oogen en zijne handen met geheel iets anders
bezig, dan met het onder elkander stellen van cijfers of met rekeningen uit te pluizen. Hij
snuffelde dan in de papieren, hij opende de laden met een soort haak, dien Zirone hem als
zaakkundige bij dergelijke bedrijven, ter hand had gesteld na dien zelf gemaakt te hebben. Hij
nam toch intusschen zeer goed in acht, dat hij bij dien arbeid niet door Borik zoude bespeurd
worden; want hij ontveinsde het zich niet, dat hij dezen niet de geringste sympathie
inboezemde.

Gedurende de vijf eerste dagen waren Sarcany’s nasporingen volkomen vruchteloos. Hij trad
iederen morgen dat huis binnen bezield met de hoop van te zullen slagen; en iederen avond
keerde hij naar zijn hôtel terug met het bewustzijn, een vergeefschen dag doorgebracht te
hebben. Hij begon aan het welslagen zijner onderneming [59]te wanhopen. En inderdaad, de
omwenteling, wanneer het eene samenzwering gold,—en daaraan twijfelde hij geen oogenblik

Page 95

—kon iederen dag uitbreken, dat wil zeggen: alvorens hij haar ontdekt en bij gevolg
aangebracht had.

„Eerder dan het voordeel van die aanbrenging te verliezen,” zeide Zirone, „zal het verkieselijk
zijn, al is het zonder bewijzen, de politie te waarschuwen en haar daarbij het afschrift in
handen te spelen.”

„Ja,” antwoordde Sarcany, „dat zal ik doen, als het noodig wordt.”

Het zal wel overbodig zijn te vertellen, dat hij Silas Toronthal op de hoogte van zijne
nasporingen hield, dat hij waarlijk veel moeite had om diens ongeduld te temperen.

Maar het toeval zou hem te hulp komen. Dat had hem een eerste maal gediend door hem het
geheimzinnig briefje in handen te spelen; het zou hem andermaal dienen door hem in staat te
stellen dat raadselschrift te ontcijferen.

Men was op het einde van de maand Mei gekomen, en het was ongeveer vier uren in den
namiddag. Sarcany zou volgens gewoonte, tegen vijf uren het huis van graaf Ladislas Zathmar
verlaten. Hij was te meer kregelig, daar hij niet verder gevorderd was dan op den eersten dag
dat hij in dienst van graaf Sandorf trad, om diens comptabiliteit in orde te brengen, een arbeid
dien hij bijna geëindigd had. Wanneer hij daaraan de laatste hand zou gelegd hebben, dan zou
hij ongetwijfeld betaald en bedankt worden; waardoor hem de gelegenheid ontvallen zou om
zich voortaan in dat huis te kunnen vertoonen.

In dat gegeven oogenblik bevonden zich Ladislas Zathmar en zijne beide vrienden
buitenshuis. Er was niemand in de woning aanwezig dan Borik, die toen in een zaal op de
eerste verdieping bezig was. Sarcany had volledige vrijheid tot handelen en besloot dan ook
om de slaapkamer van graaf Zathmar binnen te dringen,—waarin hij nog nimmer geweest was
—om daar zijne nasporingen op het nauwkeurigst voort te zetten.

De deur was gesloten, maar met zijn haak slaagde Sarcany haar te openen, waarna hij
binnentrad.

Tusschen de beide vensters, die op de straat uitzagen, stond een secretair-bureau, waarvan de
verjaarde vorm een liefhebber van oude meubelen verrukt zoude hebben. Het schuifblad van
den cilinder was neergeslagen, zoodat van de innerlijke inrichting niets kon bespeurd worden.

Dat was wel de eerste maal, dat het Sarcany vergund was om dit meubelstuk te onderzoeken
en hij was er de man niet naar, om die gelegenheid te laten ontsnappen, om de verschillende
laden er van te kunnen doorsnuffelen, hetgeen hij met zijn haak ten uitvoer bracht, zonder dat
daarvan eenig spoor op het slot zichtbaar was. [60]

Page 96

In de vierde lade, die Sarcany doorzocht, vond hij onder een pak papieren, die voor hem
waardeloos waren, een soort kaart, die onregelmatig van vierkante gaten voorzien was. Die
kaart boeide dadelijk zijne aandacht.

„De rooster!” zei hij tot zichzelven.

Hij vergiste zich waarlijk niet.

De eerste gedachte, die hem inviel, was om die kaart mede te nemen. Maar na eenig beraad
zei hij tot zichzelven, dat het verdwijnen van dien rooster achterdocht kon opwekken, wanneer
graaf Ladislas Zathmar dit bespeurde.

„Kom,” sprak hij, „ik heb wel afschrift van het briefje genomen, waarom zou ik dien rooster
niet kunnen namaken? Dan kunnen Toronthal en ik de dépêche geheel op ons gemak lezen.”

Die rooster was eenvoudig een vierkant van bordpapier van zes centimeters lang en even zoo
breed, die in zes en dertig gelijke ruiten verdeeld was, welke ieder een vierkante centimeter
groot waren. Van die zes en dertig ruiten of vakken, die op zes horizontale en zes verticale
rijen geplaatst waren, evenals die van een tafel van Pythagoras, welke voor zes cijfers
ingericht zoude zijn, waren zeven en twintig vol en negen leeg—dat wil zeggen, dat ter
plaatse van die negen vakken de kaart op negen plaatsen uitgeknipt was.

Waarvan Sarcany zich het eerst moest vergewissen, dat was eerstens: van de nauwkeurige
oppervlakte van dat blad bordpapier of rooster en tweedens van de juiste plaatsing daarop van
de negen ledige vakken.

De oppervlakte bracht hij over, door met een potlood den omtrek op een vel wit papier na te
trekken, waarbij hij zorg droeg op de plaat de plek te merken, waar een kruisje met inkt
gemaakt was, hetgeen den bovenkant van den rooster scheen aan te duiden.

De plaats der negen vakken bracht hij over door het papier, waarop hij den omtrek
nageteekend had, op de gewilde plekken, die zichtbaar waren, door te prikken. Dat waren op
de eerste rij drie ledige plekken, die de vakken 2, 4 en 6 lieten ontwaren; op de tweede rij een
ledige plek, die vak 5 innam; op de derde rij een ledige plek die vak 3 innam; op de vierde rij
twee ledige plekken, die de vakken 2 en 5 innamen; op de vijfde rij een ledige plek, die vak 6
innam; en eindelijk op de zesde of laatste rij een ledige plek, die vak 4 liet zien.

Ziehier bovendien dien rooster, in natuurlijke grootte, waarvan Sarcany en zijn medeplichtige,
de bankier Silas Toronthal, een zoo misdadig gebruik zouden maken. In dezen afdruk stellen
de witte vakken de uitgeknipte en de zwarte de gevulde vakken voor. Dat is duidelijk,
nietwaar? [61]

Page 97

Page 98

Overrompelde de politie het huis van graaf Ladislas Zathmar. Tegenstand bieden
was onmogelijk. (Bladz. 74.)

[62]

Eenige minuten waren voor Sarcany voldoende om het volgende figuur te verkrijgen.

Hij twijfelde er niet aan, dat met behulp van dien rooster, dien hij gemakkelijk uit een stuk
bordpapier, dat hij uitknippen zou, vervaardigen kon, het hem zou gelukken nu het afschrift
van het briefje, dat hij in handen van Silas Toronthal achtergelaten had, te ontraadselen. Hij
plaatste dus den rooster weer in de lade onder de papieren, die hem bedekt hadden, en verliet
daarna de slaapkamer van Ladislas Zathmar en vervolgens het huis. Hij had haast om in zijn
hôtel weer te keeren.

Page 99

Zirone zag hem een kwartieruur later hunne gemeenschappelijke kamer met zulk een
zegevierend uiterlijk binnenstappen, dat hij niet nalaten kon luidkeels uit te roepen:

„Wat is er toch aan de hand, kameraad? Neem je in acht! Gij weet meer behendig een verdriet
dan wel een vreugde te bemantelen, en men verraadt zich zelven even zoo goed door zich over
te geven aan.…”

„Schei uit met je gezeur, Zirone,” antwoordde Sarcany, „en aan het werk zonder eene minuut
verloren te laten gaan.”

„Vóór ons avondmaal nog?”

„Ja!”

Zirone zuchtte, maar Sarcany stoorde zich daaraan niet. Deze [63]nam een stuk bordpapier van
geringe dikte. Hij sneed dat volgens zijne calque, zoodanig dat hij een vierkant verkreeg, die
zuiver de afmeting had van den rooster en vergat daarbij niet het kruisje bij den bovenrand te
plaatsen. Daarna nam hij eene liniaal en verdeelde zijn vierkant in zes en dertig vakken allen
van gelijke grootte.

Toen werden van die zes en dertig vakken negen gemerkt ter plaatse, welke zij op de calque
innamen. Daarna werden die met de punt van een pennemes zoodanig uitgesneden, dat zij in
hunne ontstane ledige plekken de letters of teekens lieten bespeuren van het een of andere
briefje of stuk, waarop de zoo verkregen rooster neergelegd werd.

Zirone stond voor Sarcany en keek met groote verwonderde oogen toe, terwijl hij van
nieuwsgierigheid trilde. Hij stelde te meer belang in dien arbeid, daar hij zeer goed het stelsel
van geheimschrift begrepen had, waarop de onderhavige briefwisseling berustte. Alleen hij
bezat den sleutel niet.

„Het is vernuftig,” zei hij, „uiterst vernuftig en zoo iets kan mij dienen! Als ik bedenk, dat de
waarde van ieder van die vakken een millioen kan bedragen.…”

„En meer!” antwoordde Sarcany.

Toen het werk beëindigd was, stond Sarcany op, na het uitgesneden stuk bordpapier in zijn
brieventasch opgeborgen te hebben.

„Morgen ochtend zal ik zoo vroeg mogelijk bij Toronthal zijn,” zei hij.

„Hij moge oppassen voor zijn kas!”

„Als hij het briefje heeft, dan heb ik den rooster!”

Page 100

„Dat is waar, maar.…”

„Geen maren; dat is ontegenzeggelijk!”

„En ditmaal zal hij wel moeten afschuiven!”

„Ja, dat zal hij moeten!”

„Kunnen wij dus thans avondmalen?”

„Ja, dat kunnen wij.”

„Welnu, aan den gang!”

En Zirone, die steeds eetlust had, deed het heerlijke maal, dat hij met zorg besteld had, alle eer
aan.

Den volgenden morgen, den 1sten Juni, vertoonde Sarcany zich reeds te acht uren aan het
bankiershuis. Hoe vroeg het ook nog was, toch gaf Silas Toronthal bevel om hem dadelijk bij
zich in zijn kabinet toe te laten.

„Daar is de rooster,” vergenoegde zich Sarcany slechts te zeggen, terwijl hij het stuk
bordpapier overreikte, dat hij te voren uitgesneden had.

De bankier nam het aan, draaide en keerde het, terwijl hij het hoofd schudde, hetgeen te
kennen moest geven, dat hij het vertrouwen van zijn deelgenoot niet erg deelde. [64]

„Laten wij maar probeeren!” zei Sarcany.

„Dat kunnen wij altijd doen.”

Silas Toronthal nam het afschrift van het briefje, dat in een der laden van zijn schrijftafel
opgesloten lag, en plaatste het op de tafel.

Dat briefje—de lezer zal zich nog wel herinneren—bevatte achttien woorden, ieder bestaande
uit zes letters, woorden die evenwel volmaakt onverstaanbaar waren. Het was boven alles
waarschijnlijk, dat iedere letter van de woorden overeen moest komen met de zes ledige of
gevulde vakken, die iedere rij van den rooster vormden. Men kon bijgevolg vooreerst al vast
aannemen, dat de zes eerste woorden van het briefje, samengesteld uit zes en dertig letters,
achtereenvolgens verkregen waren door middel van die zes en dertig vakken.

Het was inderdaad gemakkelijk in te zien, dat de schikking der ledige vakken zoo vernuftig bij
de vervaardiging van dien rooster uitgedacht was, dat wanneer men hem vier malen een kwart

Page 101

toer liet keeren, die ledige vakken opvolgend de plaats der volle innamen zonder ooit
tweemalen dezelfde letter te laten ontwaren.

Men ziet dadelijk in, dat het zoo zijn moet. Bij voorbeeld, wanneer men bij eene eerste
toepassing van den rooster op een stuk wit papier de cijfers van 1 tot 9 in ieder leeg vak invult,
vervolgens den rooster een kwart omwenteling laat maken en op gelijke wijze handelt en de
getallen van af 10 tot en met 18 invult; daarna een tweede kwart omwenteling volbrengt en de
getallen van af 19 tot en met 27 inschrijft; vervolgens den rooster een derde kwart
omwenteling doet maken en de getallen van af 28 tot en met 36 ter neer te schrijven, zoodat
men eindelijk op het papier de getallen van 1 tot 36 zal bevinden, in de zes en dertig vakken
geplaatst die den rooster vormen.

Sarcany werd dus natuurlijk er toegebracht om de eerste zes woorden van het briefje te
behandelen met de vier opvolgende toepassingen van den rooster. Hij had daarbij het
voornemen om diezelfde bewerking te herhalen met de twee volgende zes woorden en
eindelijk een derde maal met de laatste zes woorden, hetgeen in het geheel de achttien
woorden zou bedragen, waaruit het geheimschrift bestond.

Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat de hierboven vermelde redeneeringen door
Sarcany tegenover den bankier Silas Toronthal gehouden werden en dat deze hare volmaakte
nauwkeurigheid erkend en zeer gewaardeerd had.

Zou nu de praktijk de geuite theorie bevestigen? Daarin bestond toch de geheele
belangrijkheid van de bewerking. [65]

Page 102

Page 103

Eene bedekking van twaalf maréchaussées te paard reed voor, achter en bij de
portieren van het rijtuig. (Bladz. 74.)

[64]

Ziehier welke de achttien woorden van het briefje waren. Het [66]zal voorzeker noodig zijn ze
andermaal onder de oogen van den lezer te brengen:

ghfhna dalant ltenka
aohhzk aenzse tsnivi
znrijoo tnpees seijehe
lxosde soelnl sglpte
veknni ilarna lotasa
ijareah nezmtl rradae

Het kwam er vooreerst op aan, de eerste zes woorden te ontraadselen. Om daartoe te geraken,
schreef Sarcany ze op een vel papier, daarbij zorg dragende de letters zoodanig van elkander
te schrijven, dat ieder hunner overeenkwam met een der vakken van den rooster.

Dat gaf de volgende uitkomst:

ghf hna
aohhz k
z n r ij o o
l xos de
v eknni
ij a r e a h

Daarna werd de rooster zoodanig op dat samenstel geplaatst, dat de zijde met het kruisje
gemerkt bovenaan stond. Toen lieten de leege vakken de volgende negen letters zien, terwijl
de zeven en twintig anderen door de volle vakken van het bordpapier bedekt bleven. Zoo [67]

Page 104

Sarcany liet daarna den rooster een kwart omwenteling volbrengen van de linker- naar de
rechterzijde, zoodanig dat de bovenkant ditmaal de rechterkant werd. Bij die tweede
toepassing waren het de navolgende letters, die in de ledige vakken te voorschijn traden:

Page 105

[68]

Bij de derde toepassing werden de navolgende letters zichtbaar, die evenals de vorigen net
zorg opgeteekend werden:

Page 106

Wat Silas Toronthal en ook Sarcany al dadelijk uitermate verbaasd had, was dat de woorden,
zooals zij zich achtereenvolgens vormden, geen zin hadden. Zij hadden verwacht hen vloeiend
te hebben kunnen lezen, dewijl zij door de opeenvolgende toepassingen van den rooster
verkregen waren, en toch waren die woorden even raadselachtig als die van het geheimzinnige
briefje. Zou dat lorrige vod onoplosbaar blijven?

De vierde toepassing van den rooster leverde het navolgende resultaat op:

Page 107

[69]

Ook dat was even duister, even raadselachtig.

En waarlijk, de vier woorden, die verkregen waren door de vier verschillende toepassingen
van den rooster, waren de navolgende:

hhazrxdie,
hkijleknah,
fanoseijra,
gnohroovn,

waaruit volstrekt niets te maken was.

Page 108

Sarcany kon zijn toorn niet verbergen, door die teleurstelling teweeggebracht. De bankier
vergenoegde zich met het hoofd te schudden en niet zonder spotternij te zeggen:

„Misschien is het die rooster niet, welken de samenzweerders bij hunne briefwisseling
gebruikt hebben!”

Die bemerking deed Sarcany opspringen.

„Laat mij voortgaan!” riep hij uit.

„Ga voort!” antwoordde Silas Toronthal.

Toen het Sarcany gelukt was de zenuwachtige beweging, die hem bevangen had, te boven te
komen en te bedwingen, hervatte hij de bewerking met de volgende zes woorden, die de
tweede kolom van het briefje vormden. Vier malen paste hij den rooster op de woorden toe,
door hem telkenmale een kwart omwenteling te laten maken, en verkreeg daardoor die
verzameling van letters, die ook volstrekt geen zin hadden:

aatsponam,
neeslanel,
lanelluzt,
dneztseir.

Sarcany wierp ditmaal den rooster verwoed op tafel en vloekte als een koopvaardijmatroos.

Als zonderlinge tegenstelling had Silas Toronthal zijne koelbloedigheid geheel en al bewaard.
Hij bestudeerde die zoo verkregen woorden sedert het begin der roosterbewerking en bleef stil
peinzend zitten.

„Naar den drommel dien rooster en zij die er gebruik van maken!” riep Sarcany uit, terwijl hij
van zijn stoel opvloog.

„Hoe dwaas!” zei Silas Toronthal.

„Dwaas?” vroeg Sarcany verwoed.

„Ga weer zitten,” zei de bankier kalm.

„Gaan zitten?.…”

„Ja, ga zitten en ga voort!”

Page 109

Sarcany keek Silas Toronthal aan. Daarna hernam hij plaats en greep weer den rooster, om
hem op de zes laatste woorden van het briefje toe te passen. Maar hij deed dat geheel
werktuigelijk als iemand, die geen bewustzijn heeft van hetgeen hij verricht. [70]

Ziehier de woorden, die door die vier laatste toepassingen van den rooster verkregen werden:

tnavijgtad,
niesetsre,
etehporaa,
lksisella.

Maar die vier laatste woorden beteekenden evenmin iets als de vorige acht.

Sarcany was uitermate verwoed. Hij greep het vel papier, waarop die zotklinkende woorden
geschreven stonden en die door den rooster achtereenvolgens te voorschijn waren gebracht,
om het te verscheuren.

Silas Toronthal weerhield hem.

„Kalmte,” zei hij.

„Och,” riep Sarcany uit, „wat is er uit te voeren met dat prul?”

„Schrijf eens al die woorden aan elkander gehecht ter neer,” antwoordde de bankier bedaard.

„Waarom?”

„Om te zien.”

Sarcany gehoorzaamde en hij kreeg de aaneenschakeling van de navolgende letters:

h h a z r x d i e h k ij l e k n a h f a n o s e ij r a g n o h r o o v n a a t s p o n a m n e e s l a n e
l l a n e l l u z t d n e z t s e i r t n a v ij g t a d n i e s e t s r e e t e h p o r a a l k s i s e l l a.

Nauwelijks waren die letters ter neer geschreven, of Silas Toronthal rukte het papier onder de
handen van Sarcany weg. Hij bekeek het en stiet een kreet uit. Hij was het thans, die op zijne
beurt de kalmte verloor.

Sarcany vroeg zich waarachtig af of de bankier niet plotseling krankzinnig was geworden.

„Man, lees dan toch!” riep Silas Toronthal uit, terwijl hij het papier aan Sarcany overreikte.
„Lees dan toch!”

„Lezen?”

Page 110

„Ja, lezen!”

„Maar wat dan?”

„Wel, ziet gij dan niet, dat de correspondenten van graaf Mathias Sandorf, alvorens hunne
woorden met behulp van den rooster saam te stellen, den volzin het achterste voor geschreven
hebben.”

Sarcany greep ijlings het papier en ziehier wat hij las, toen hij die letters, met de laatste te
beginnen, ontraadselde.

„Alles is klaar. Op het eerste sein dat gij van Triëst zendt, zullen allen als een man opstaan
voor Hongarijes onafhankelijkheid. X r z a h h.”

„En die laatste zes letters?” riep hij uit. [71]

Page 111

Page 112

Welke zij slechts konden bereiken, na een vijftigtal treden van een groote trap
opgeklommen te zijn. (Bladz. 78.)

[72]

„Dat is eene vooraf overeengekomen onderteekening,” antwoordde Silas Toronthal.

„Nu hebben wij hen te pakken!.…”

„Maar dat kan de politie nog niet zeggen.”

„Dat’s mijne zaak.”

„Zoo?”

„Ja!”

„Maar gij zult zoo geheimzinnig mogelijk te werk gaan?”

„Dat’s mijne zaak,” herhaalde Sarcany voor den tweeden keer. „De gouverneur van Triëst
alleen zal de namen der twee eerlijke vaderlandslievende mannen vernemen, die eene
samenzwering tegen Oostenrijk in hare geboorte gesmoord zullen hebben!”

Terwijl hij zoo sprak, liet die ellendeling door toon en gebaar genoegzaam de bijtende scherts
ontwaren, die hem bij het uitbrengen dier woorden bezielde.

„Dan zal ik mij dus met niets te bemoeien hebben?” vroeg de bankier koel.

„Met niets anders,” antwoordde Sarcany, „dan met het opstrijken van de helft der winsten in
die zaak.”

„Wanneer?”

„Hoe, wanneer?”

„Wanneer die verdeeling van winsten?”

„Wel wanneer onder de bijl drie hoofden gevallen zullen zijn, die ons ieder meer dan een
millioen zullen opbrengen.”

Silas Toronthal en Sarcany scheidden. Als zij voordeel wilden trekken uit het geheim, hetwelk
het toeval hen in handen gespeeld had, door de samenzweerders te verraden vóórdat de
omwenteling uitgebarsten was, dan moesten zij zich haasten.

Page 113

Sarcany evenwel ging, zooals hij gewoon was te doen, naar de woning van Ladislas Zathmar
terug. Hij had zijn comptabiliteits-arbeid hervat en was daarmede bijna ten einde. Graaf
Sandorf zelf zeide hem, terwijl hij hem voor zijne betoonde vlijt bedankte, dat hij over acht
dagen zijne diensten niet meer noodig had.

Volgens Sarcany’s opvatting beduidde dat klaarblijkelijk, dat het sein, hetwelk van Triëst
verwacht werd, op dat tijdstip aan de voornaamste steden van Hongarije zou gegeven worden.

Sarcany ging dus voort om alles, wat in het huis van graaf Ladislas Zathmar voorviel, ten
nauwkeurigste waar te nemen, zonder evenwel de geringste achterdocht op te wekken. Hij
was daarenboven gebleken zoo vernuftig, zoo met de vrijzinnige denkbeelden ingenomen te
zijn, hij had een zoo onbewimpelden afkeer aan den dag gelegd, dien hij voor het Duitsche ras
koesterde, in één woord: hij had zijne komedie zoo goed gespeeld, dat graaf Sandorf het
voornemen had opgevat hem later, wanneer de omwenteling [73]Hongarije vrij zou hebben
gemaakt, aan zich te verbinden. Tot zelfs Borik was door hem gewonnen en had de
vooringenomenheid afgelegd, die hij eerst voor dien jongman gekoesterd had.

Sarcany was dus zijn doel nabij.

Graaf Sandorf was met zijne twee vrienden overeengekomen, dat het sein tot den opstand op
den 8sten Juni zou gegeven worden, en die dag was daar.

Maar toen was ook het aanbrengingsplan volbracht.

Dien avond overrompelde de politie van Triëst plotseling het huis van graaf Ladislas Zathmar.
Tegenstand bieden was onmogelijk. Graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en
professor Bathory, Sarcany zelfs, die geen enkel woord van protest liet hooren, en Borik
werden gevangen genomen, zonder dat iemand iets van het bevel tot inhechtenisneming
vernomen had.

Page 114

[Inhoud]

Page 115

V.

Page 116

VOOR, GEDURENDE EN NA DE
TERECHTZITTING.
Istrië, dat door de tractaten van 1815 aan het Oostenrijksch-Hongaarsche
koninkrijk toegevoegd is geworden, is een driehoekig schiereiland, welks
landengte het grondvlak over de grootste breedte van dien driehoek vormt. Dat
schiereiland strekt zich van de golf van Triëst af tot de golf van Quarnero uit, en
worden langs die kust vrij talrijke havenplaatsen aangetroffen. Onder deze kan
als de voornaamste opgesomd worden, de haven van Pola, die aan de Zuiderpunt
van bedoeld schiereiland gelegen is.

Die provincie Istrië, vooral wat hare westelijke kusten betreft, is zeer Italiaansch,
zelfs Venetiaansch gebleven, zoowel door hare gebruiken en gewoonten, als door
hare taal. Het is waar, dat er het Slavonisch element een soort tegenwicht vormt;
maar wat zeker is, dat is dat het Duitsche element zich er met moeite tusschen die
twee rassen kan handhaven.

Verscheidene belangrijke steden langs de kust of in het binnenland gelegen,
schenken leven aan die streek, die door de wateren der Adriatische Zee bespoeld
wordt. Zoo als daar zijn Capo d’Istria en Pirano, welker bevolking bijna
uitsluitend de groote zoutaanmaakbeddingen bewerkt, die aan de monding der
Risano en der Corna [74]Lunga gelegen zijn; verder Parenzo, de residentieplaats
van de vertegenwoordiging van Istrië en van den bisschop; nog verder Rovigno,
hetwelk zijne rijkdommen uit zijne olijfaanplantingen trekt; eindelijk Pola, waar
de toeristen de prachtige monumenten van Romeinschen oorsprong gaan zien en
die bestemd is de meest belangrijke oorlogshavenplaats van geheel de
Adriatische zee te worden.

Maar geen dezer steden heeft het recht de hoofdplaats van Istrië genoemd te
worden. Het is eigenlijk Pisino, dat in het midden van den bedoelden driehoek
gelegen is, dat dien naam draagt, en het was daarheen dat de gevangenen na
hunne geheime inhechtenisneming gebracht werden zonder dat zij er iets van
wisten.

Page 117

Voor de deur van het huis van graaf Ladislas Zathmar stond een postrijtuig te
wachten. Alle vier stegen in en twee Oostenrijksche maréchaussées—van die
lieden welke behoorlijk voor de veiligheid in de Istrische velden zorgen—namen
bij hen plaats. Het was hun dus niet geraden om gedurende de geheele reis een
enkel woord te wisselen, dat gevaarlijk kon zijn; of eenige overeenkomst van
gemeenschappelijk handelen te bespreken, betreffende hun verschijnen voor den
rechter.

Eene bedekking van twaalf maréchaussées te paard, die onder de bevelen van een
luitenant stonden, reed voor, achter en bij de portieren van het rijtuig, dat tien
minuten later de stad verlaten had. Wat Borik betreft, die was dadelijk naar de
gevangenis van Triëst gebracht geworden en daar in eene cel, afgezonderd van
een ieder opgesloten.

Waar bracht men de gevangenen heen? In welke vesting zou het Oostenrijksche
gouvernement hen opsluiten, daar het kasteel van Triëst daartoe niet genoegzaam
scheen? Dat was wel belangrijk voor graaf Sandorf en zijne vrienden; maar dat
kregen zij niet te weten, welke moeite zij daartoe ook aanwendden.

De nacht was donker. Ternauwernood konden de lantaarns van het rijtuig den
weg verlichten tot bij de eerste rij der ruiters van de bedekking. Men reed snel
vooruit. Mathias Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar hielden zich
stil en zwijgend in hunne hoeken. Ook Sarcany poogde dat stilzwijgen niet te
verbreken, noch om tegen zijne inhechtenisneming te protesteeren, noch om te
vragen, waarom deze geschied was.

Na Triëst verlaten te hebben, veranderde het postrijtuig zoodanig van richting,
dat het in schuinsche strekking naar de zeekust teruggevoerd werd. Graaf Sandorf
kon toch te midden van het leven, door de hoeven der paarden, door de wielen
van het rijtuig, door het geklikklak der sabels veroorzaakt, in de verte het
gedruisch van de branding op de rotsen van het strand vernemen. [75]Eenige
lichten schitterden gedurende enkele oogenblikken in den nacht, maar verdwenen
weer dadelijk. Het was een klein vlek, Muggia genaamd, hetwelk het postrijtuig
doorgereden had zonder halt te houden. Daarna meende graaf Sandorf dat hun
weg weer landwaarts in voerde.

Page 118

Te elf uur in den avond, stond het rijtuig stil om te verspannen. Er was niets
anders te zien dan eene soort hoeve, waar de paarden wachtten, geheel en al
gereed om aangespannen te worden. Het was de gewone pleisterplaats voor de
postrijtuigen niet. Men had vermeden, die van Capo d’Istria aan te doen.

De bedekking reed weer vooruit. Het rijtuig volgde thans een weg, die tusschen
wijngaarden door liep, wiens slingerloten zich aan de takken der
moerbeziënboomen als festoenen vasthechtten. Men bleef steeds in de vlakte,
hetgeen veroorloofde zeer snel te rijden. De duisternis was des te zwarter, daar
verscheidene dikke wolken, door een stevigen zuidwesten wind voortgejaagd, het
geheele uitspansel innamen en bedekten. Hoewel de glasramen der portieren van
tijd tot tijd neergelaten werden om de lucht in het rijtuig eenigszins te
ververschen,—want de zomernachten zijn zoel in Istrië—zoo was het toch
onmogelijk iets te kunnen onderscheiden, zelfs binnen zeer beperkten straal.

Welke aandacht graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en Stephanus
Bathory ook inspanden om zich de geringste aanwijzingen, die zich onderweg
voordeden op te teekenen, zooals de richting van den wind, den verloopen tijd
sedert hun vertrek, zoo gelukte het hun toch niet te weten in welke richting het
postrijtuig reed. Men wilde ongetwijfeld dat het gerechtelijk onderzoek in deze
zaak in het grootste geheim en op eene plaats die onbekend voor het volk moest
blijven, zou geschieden.

Tegen twee uren in den morgen verspande men voor den tweeden keer. Evenals
bij de eerste verspanning duurde zij ternauwernood vijf minuten.

Graaf Sandorf meende in het donker eenige huizen te bespeuren, die een groepje
aan het uiteinde van een weg vormden en bijgevolg de uiterste huizen van een
voorstad konden zijn.

Dat was Baja, de hoofdplaats van het district van dien naam, welke op ongeveer
een twintigtal mijlen van Muggia gelegen is.

Zoodra de versche paarden aangespannen waren, fluisterde de luitenant der
maréchaussées den postiljon iets in het oor, waarop het postrijtuig in galop
vertrok.

Page 119

Tegen half vier zou de dag aanbreken. De gevangenen zouden een uur later, door
de opkomende zon, zich eenigermate rekenschap hebben kunnen geven van de
hoofdrichting, die zij tot nu toe gevolgd hadden. Zij zouden ten minste kunnen
bepalen of zij [76]noord- of zuid-, oost- of westwaarts gereden hadden. Maar toen
sloten de maréchaussées de raamkleppen dicht, zoodat het innerlijke van het
rijtuig in diepe duisternis gedompeld was.

Noch graaf Sandorf, noch zijne beide vrienden lieten zich eene enkele opmerking
ontvallen. Er zou toch niet naar geluisterd zijn, dat was maar al te zeker. Beter
was het dus maar volkomen te berusten en te wachten.

Een of een paar uur later—het zou moeilijk geweest zijn den tijd te schatten,—
hield het rijtuig voor de laatste maal stil en verspande bij het vlek Visinada.

Alles wat men van dat punt af kon waarnemen, was dat de weg zeer moeilijk
werd. Het geschreeuw van den postiljon, het klappen der zweep, moedigde de
paarden aan, wier hoefijzers op den ongelijken steenachtigen bodem van die
bergachtige landstreek weerklonken. Eenige heuvels, met kleine bosschen
overdekt, die een grijsachtig voorkomen vertoonden, hadden den gezichtseinder
zeer begrensd. De gevangenen hadden twee of drie maal de tonen eener fluit
kunnen vernemen. Dat waren jeugdige herders, die hunne vreemdsoortige
melodieën bliezen, terwijl zij hunne kudden zwarte geiten hoedden. Maar dat was
wel eene onvoldoende aanduiding van de landstreek, die men doorreed, en men
moest zich tevreden stellen met niets te zien.

Het kon zoo ongeveer negen uur in den morgen geweest zijn, toen het postrijtuig
een geheel anderen gang aannam. Men kon zich daarin niet vergissen, het rolde
toen snel langs eene helling naar beneden, na eerst het hoogste punt van den weg
bereikt te hebben. Die snelheid was zeer groot, zoodat zelfs de wielen
herhaaldelijk geremd moesten worden.

En inderdaad, na eerst in dat geaccidenteerde terrein, hetwelk door den berg
Major beheerscht wordt, gestegen te zijn, daalde de weg schuins naar beneden,
toen hij Pisino naderde. Hoewel die stad nog vrij hoog boven de oppervlakte der
zee verheven is, zoo schijnt zij toch in een dal begraven te liggen, wanneer men
omliggende hoogten in aanmerking neemt. Lang alvorens haar te bereiken, kan

Page 120

men reeds het torentje bespeuren, dat boven de groep harer huizen, welke
schilderachtig amphitheatersgewijs gebouwd zijn, uitsteekt.

Pisino is de districtshoofdplaats en telt eene bevolking van ongeveer vijf en
twintig duizend zielen. Zij is nagenoeg in het midden van dat driehoekig
schiereiland gelegen, en de Morlakken, de Slavoniërs van verschillende
stammen, zelfs de Tsiganen wemelen in die stad, vooral tegen het tijdstip der
jaarmarkten, wanneer een aanzienlijke handel gedreven wordt. [77]

Page 121

Page 122

Voor een krijgsraad te brengen, die de militaire rechtspleging zou toepassen. (Bladz.
79.)

[76]

Als oude stad heeft de hoofdplaats van Istrië haar feodaal [78]karakter behouden.
Dat komt vooral in haar versterkt kasteel uit, hetwelk eenige nieuwere militaire
etablissementen, waarin de administratieve bureaux van het Oostenrijksche
Gouvernement gevestigd zijn, beheerscht.

Het was op de binnenplaats van dat kasteel, dat het postrijtuig op den 9den Juni
des voormiddags te tien uren ongeveer, na eene reis van ruim vijftien uren,
stilstond. Graaf Sandorf met zijne beide makkers, alsook Sarcany moesten toen
uitstijgen. Eenige oogenblikken later waren zij ieder afzonderlijk gekerkerd in de
gewelfde vertrekken van dat gebouw, welke zij slechts konden bereiken, na een
vijftigtal treden van een groote trap opgeklommen te zijn.

Het was de geheime opsluiting in hare volle gestrengheid.

Hoewel zij hoegenaamd geene gemeenschap met elkander hadden en zij derhalve
niet van gedachten wisselen konden, zoo hadden Mathias Sandorf, Ladislas
Zathmar en Stephanus Bathory slechts één denkbeeld, hetwelk hun brein
martelde: Hoe was het geheim der samenzwering ontdekt geworden?

Was ’t het toeval, dat de politie op het spoor gebracht had?

Maar niets had naar buiten kunnen uitlekken! Geen briefwisseling had meer
plaats tusschen Triëst en de voornaamste steden van Hongarije en Transsylvanië.

Was er dus verraad in het spel?

Maar wie was dan de verrader?

Nooit was eene vertrouwelijke mededeeling aan wien ook gedaan geworden!

Onmogelijk had eenig papier in de handen van een spion kunnen vallen!

Page 123

Alle documenten waren steeds vernietigd. En al had men ook het huis in de
Acquedottolaan in alle hoeken en gaten doorzocht, al had men het ook het
onderste boven gekeerd, dan zou men niets verdachts gevonden hebben!

En dat was zelfs gebeurd. De politieagenten hadden gezocht, gezocht, maar niets
anders gevonden dan den rooster, die door graaf Zathmar niet vernietigd was,
want het kon toch mogelijk zijn, dat hij nog zou moeten dienen. Ongelukkiglijk
zou die rooster als overtuigingsbewijs opgenomen worden, waarvan het gebruik
onmogelijk anders verklaard kon worden, dan dat hij gebezigd werd voor eene
geheime briefwisseling.

De lezer weet, wat de gevangenen nog niet wisten, dat alleen op het afschrift van
het briefje, hetwelk Sarcany in medeplichtigheid met Silas Toronthal aan den
gouverneur van Triëst ter hand gesteld had, na er eerst de duidelijke beteekenis
bijgevoegd te hebben, de inhechtenisneming geschied was. Dat was evenwel
voldoende om daarop eene beschuldiging van complot tegen de veiligheid [79]van
den Staat te grondvesten. Meer was dus niet noodig om graaf Sandorf en zijne
vrienden voor eene afzonderlijke rechtbank, voor een krijgsraad te brengen, die
de militaire rechtspleging zou toepassen.

Er bestond evenwel een verrader en die was niet verre. Door zich, zonder een
woord te zeggen, in hechtenis te laten nemen, door zich zelfs te laten
veroordeelen, natuurlijk met de nevengedachte om later wel gratie te verwerven,
ontkwam die verrader aan iedere achterdocht. Dat was Sarcany’s spel en hij
speelde die komedie met al den ernst en de koelbloedigheid die hij bij alles aan
den dag legde.

Daarenboven graaf Sandorf, die door dien schurk bedrogen was—en wie ter
wereld zou het niet geweest zijn in zijne plaats?—was besloten om alles aan te
wenden, om hem buiten het geding te houden. Het zou hem niet moeilijk vallen,
zoo dacht hij, te bewijzen, dat Sarcany geen deel aan de samenzwering genomen
had, dat hij slechts een eenvoudig comptabel was, die eerst kort geleden toegang
tot het huis van Ladislas Zathmar verkregen had en slechts belast was geweest
met de personeele zaken van den graaf, die in geen verband hoegenaamd met de
samenzwering stonden. Als het noodig zou zijn, zou hij Silas Toronthal als
getuige oproepen, om de onschuld van den jongen man te bewijzen. Hij twijfelde

Page 124

er dan ook niet aan, of Sarcany zou wel worden vrijgesproken, zoowel wat
aangaat de hoofdbeschuldiging als van die der medeplichtigheid, in het geval dat
men er toe geraken mocht eene ernstige beschuldiging in te stellen, hetgeen hem
nog niet geloofbaar voorkwam.

Alles wel beschouwd, kon het Oostenrijksche gouvernement, behalve de
complotmakers van Triëst, onmogelijk iets van de samenzwering weten. Hunne
deelgenooten in Hongarije en Transsylvanië waren geheel onbekend. Er bestond
geen enkel spoor van hunne medeplichtigheid. Mathias Sandorf, Stephanus
Bathory en Ladislas Zathmar hadden dus dienaangaande geene zorgen te
koesteren.

Wat hen betreft, zij waren vast besloten alles te loochenen, zoolang hun geen
daadwerkelijk bewijs werd voorgehouden. In dat geval zouden zij weten hun
leven op te offeren. Anderen zouden den een of anderen dag de mislukte
beweging hervatten. De onafhankelijkheidszaak zou later wel weer nieuwe
aanvoerders vinden. Zij zouden, wanneer zij overtuigd werden, hunne gevoelens
en hun hoop belijden. Zij zouden het doel aanwijzen, hetwelk zij beoogden, een
doel dat den een of anderen dag bereikt zou worden. Zij zouden zelfs de moeite
niet nemen zich te verdedigen, zij zouden slechts de partij, die zij verloren
hadden, ridderlijk en edelaardig betalen.

Het was niet zonder reden, dat graaf Sandorf en zijne vrienden [80]vermeenden,
dat de werkkring der politie in deze zaak zeer beperkt was. Te Buda, te Pest, te
Klausenburg, in één woord: in al de steden waarin de beweging zou hebben
kunnen losbarsten, wanneer het signaal daartoe van Triëst gegeven ware, hadden
agenten de sporen van het complot opgezocht, maar te vergeefs. Daarom had het
gouvernement de inhechtenisstelling der drie Triëster opperhoofden zoo
geheimzinnig doen ten uitvoer leggen. Dat zij in de kasematten van het versterkt
kasteel te Pisino gekerkerd waren, dat men niet wilde dat iets van die zaak
ruchtbaar werd, vóórdat zij een eindbeslag had, had zijn grond daarin, dat men
hoopte dat de een of andere omstandigheid de stellers van het briefje in
geheimschrift, hetwelk naar de hoofdplaats van Istrië verzonden was, maar
waarvan men de herkomst niet kende, aan het licht zoude brengen.

Page 125

Die hoop werd niet verwezenlijkt. Het verwachte sein kwam niet, het zou niet
komen. De beweging was geremd, voorshands althans. Het Oostenrijksch
gouvernement moest zich vergenoegen met graaf Sandorf en zijne
medeplichtigen onder de beschuldiging van hoogverraad jegens den Staat te doen
terechtstaan.

Die nasporingen hadden evenwel verscheidene dagen gevorderd. Het was dan
ook eerst tegen den 20en Juni, dat de instructie der zaak begon, door de
beschuldigden te verhooren. Zij werden zelfs niet met elkander geconfronteerd
en zij zouden elkander slechts voor hunne rechters weerzien.

Het gouvernement had aan een krijgsraad de opdracht gedaan, om de
opperhoofden der Triëster samenzwering te berechten. Men weet hoe beknopt en
oppervlakkig de instructie eener zaak gevoerd wordt, wanneer zij aan de
beslissing van zulk een buitengewoon rechtslichaam onderworpen wordt; hoe
snel de debatten geleid worden, met hoeveel overhaasting het vonnis
uitgesproken en ten uitvoer gelegd wordt.

Zoo geschiedde het ook bij deze gelegenheid.

Den 25en Juni vergaderde de krijgsraad in een der lage zalen van het versterkt
kasteel te Pisino en dienzelfden dag verschenen de beschuldigden voor die
militaire rechtbank.

De debatten zouden noch lang, noch belangrijk wezen, want geen enkel voorval
zou hen kenmerken.

De krijgsraad nam zitting tegen negen uur des morgens. Graaf Sandorf, graaf
Zathmar, professor Bathory en Sarcany zagen elkander toen voor de eerste maal
sedert hunne inhechtenisneming weer. De handdruk dien graaf Sandorf met zijne
vrienden op de bank der beschuldigden wisselde, was als eene nieuwe betuiging,
een nieuwe overeenkomst betreffende de gevoelens, die hen verbond. Een gebaar
van graaf Ladislas Zathmar en van Stephanus [82]Bathory deed graaf Sandorf
begrijpen, dat zij hem de taak overlieten om voor den raad het woord te voeren.
Noch hij, noch de anderen hadden den dienst van een verdediger willen

Page 126

aannemen. Wat graaf Sandorf tot heden gedaan had, was wèl gedaan. Wat hij
noodig oordeelde tot de rechters te zeggen, zou wèl gezegd zijn. [81]

Page 127

Page 128

Pisino en de afgrond der Foïba. (Bladz. 92.)

[82]

De zitting was publiek, in dien zin opgenomen, dat de deuren van de raadkamer
openstonden. Weinige personen evenwel waren tegenwoordig; want de zaak was
niet naar buiten uitgelekt. Hoogstens waren een twintigtal personen aanwezig, die
nog tot den dienst van het kasteel behoorden.

De identiteit der beschuldigden werd vooraf geconstateerd. Graaf Sandorf vroeg
daarop aan den voorzitter van den krijgsraad den naam van de plaats, waarheen
hij en zijne makkers gevoerd waren om terecht te staan; maar op die vraag kreeg
hij geen antwoord.

De identiteit van Sarcany werd ook gesteld, maar deze sprak geen woord,
waardoor hij te kennen kon geven, dat hij zijne zaak van die der andere
beschuldigden wenschte af te scheiden.

Alsnu werd mededeeling van het afschrift van het briefje, dat zoo verraderlijk
aan de politie overgeleverd werd, aan de beschuldigden gedaan.

Toen de auditeur militair hen deed afvragen of zij bekenden het origineele van
dat briefje, waarvan het afschrift hun vertoond werd, ontvangen te hebben,
antwoordden zij dat het de plicht der beschuldigers was daarvan het bewijs te
leveren.

Na dat antwoord vertoonde men hen den rooster, die in de kamer van graaf
Ladislas Zathmar gevonden was.

Noch graaf Sandorf noch zijne metgezellen konden ontkennen dat die rooster in
hun bezit geweest was. Zij poogden dat zelfs niet. Er viel tegenover dat feitelijk
bewijs niets te antwoorden. Daar de toepassing van dien rooster het lezen van dat
briefje in geheimschrift mogelijk maakte, werd daaruit de gevolgtrekking
gemaakt, dat dit briefje door de beschuldigden behoorlijk ontvangen was.

Toen vernamen dezen eerst hoe de samenzwering ontdekt was en op welken
grondslag de beschuldiging rustte.

Page 129

Van dit oogenblik af werden de vragen en antwoorden uiterst helder en duidelijk
van weerskanten gedaan en gegeven.

Graaf Sandorf kon niet meer ontkennen. Hij sprak dus in naam van zichzelven en
van zijne beide vrienden. Eene beweging was door hen voorbereid, waardoor de
scheiding tusschen Hongarije en Oostenrijk teweeg zou gebracht worden, waarna
de zelfregeering van het koninkrijk der oude Magyaren hersteld zoude geworden
zijn. Zonder hunne terechtstelling zou de beweging reeds uitgebroken zijn en
Hongarije zou zijne onafhankelijkheid reeds herwonnen hebben. Mathias Sandorf
maakte zich als opperhoofd der [83]samenzwering bekend en wees zijnen
medebeschuldigden slechts eene ondergeschikte rol toe. Maar deze protesteerden
tegen de woorden van den graaf en eischten met de eer ook het gevaar op èn van
de medeplichtigheid in de samenzwering èn van het samengaan naar het schavot.

Het debat kon nu niet lang meer zijn. Toen daarenboven de voorzitter van den
krijgsraad de beschuldigden over hunne medeplichtigen buiten Triëst ondervroeg,
weigerden zij te antwoorden.

Geen naam werd genoemd en zou dat ook niet worden.

„Gij hebt onze drie hoofden in uw macht,” antwoordde graaf Mathias Sandorf op
kalmen en eenvoudigen toon, „weest daarmede tevreden.”

Drie hoofden slechts.… want graaf Sandorf stelde zich toen tot taak om de
onschuld van Sarcany aan het daglicht te doen treden. Hij verhaalde hoe hij den
jongen man als comptabel op aanbeveling van den bankier Silas Toronthal ten
huize van graaf Ladislas Zathmar had in dienst gesteld.

Sarcany kon dat beweren van graaf Sandorf slechts bevestigen. Hij wist niets van
de samenzwering. Hij was wel het meeste verbaasd geweest, toen hij vernam dat
daar in dat stille huis in de Acquedottolaan een complot tegen de veiligheid van
den Staat gesmeed werd. Dat hij niet bij zijne inhechtenisneming geprotesteerd
had, kwam alleen daarvandaan, dat hij niet begrepen had, wat er gaande was.

Noch graaf Sandorf, noch hij ondervonden moeilijkheden bij het vaststellen van
dien staat van zaken, en het mag wel waarschijnlijk geacht worden, dat de
krijgsraad dienaangaande reeds een vooraf gevestigde meening bezat. Op het

Page 130

advies van den auditeur militair werd dan ook de beschuldiging, tegen Sarcany
ingebracht, ingetrokken en van verdere vervolging afgezien.

Tegen twee uren in den namiddag waren de debatten afgeloopen en werd in
dezelfde zitting het vonnis geslagen.

Graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus Bathory
werden, als overtuigd van hoogverraad jegens den Staat, ter dood veroordeeld.

De veroordeelden zouden op de binnenplaats van de vesting zelve doodgeschoten
worden.

Het vonnis zou binnen twee maal vier en twintig uur voltrokken worden.

Sarcany werd vrijgesproken, maar hij zou naar de gevangenis teruggevoerd
worden, tot de bekrachtiging van zijn vonnis van vrijlating, hetgeen denzelfden
dag van de terechtstelling der drie schuldigen zou geschieden.

Hetzelfde vonnis sprak ook de verbeurdverklaring der goederen van de drie
veroordeelden uit. [84]

Daarop werd bevel gegeven om graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar
en professor Stephanus Bathory naar hunnen kerker terug te voeren.

Sarcany werd in de cel teruggebracht, die hij betrokken had aan het uiteinde van
een elliptische gang, die op de tweede verdieping van den vestingtoren gelegen
was.

Graaf Sandorf en zijne beide vrienden werden gedurende de laatste uren, die zij
nog te leven hadden, ingekerkerd in eene vrij ruime cel, die op dezelfde
verdieping aan het uiteinde van de groote as van bedoelde ellips, welke door de
gang beschreven werd, gelegen was. Ditmaal was het bevel tot afzondering
opgeheven. De veroordeelden zouden bij elkander blijven totdat het oogenblik
van sterven gekomen zou zijn.

Toen zij eindelijk alleen gelaten waren, was dat een troost, ja, zelfs een vreugde
voor hen. Toen konden zij zich vrijelijk overgeven aan hunne

Page 131

gemoedsaandoeningen; toen konden zij hunne gevoelens vrij den teugel laten
vieren. In tegenwoordigheid hunner rechters hadden zij zich weten te bedwingen;
de terugwerking deed zich thans evenwel gelden en daar zonder getuigen
openden zij de armen voor elkander en klemden elkander aan hunne mannelijke
borst.

„Vrienden,” sprak graaf Sandorf, „ik zal de schuld van uwen dood zijn! Maar ik
onthoud mij er u vergiffenis voor te vragen! Het gold Hongarije’s
onafhankelijkheid! Onze zaak was eene rechtvaardige zaak! Het was onze plicht
voor hare verdediging op te treden! Het zal eene eer zijn het leven voor haar te
laten!”

„Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory, „wij bedanken u integendeel, dat ge
ons deel hebt laten nemen aan dat vaderlandslievende werk, dat de kroon op
geheel ons leven zal stellen …”

„Wij zullen elkanders deelgenooten tot in den dood zijn!” antwoordde graaf
Zathmar koelbloedig.

Daarna bekeken de drie vrienden, na een poos van stilzwijgen, de akelig sombere
cel, waarin zij hunne laatste levensuren zouden doorbrengen. Een smal venster,
dat in de dikke muren van den vestingtoren op eene hoogte van vier of vijf
voeten ingesneden was, verschafte ternauwernood genoegzaam daglicht. Zij
bevatte drie ijzeren ledikanten, eenige stoelen, eene tafel en eenige muurtafeltjes,
die aan de wanden vastgeklonken waren en waarop allerlei voorwerpen stonden.

Terwijl Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory zich natuurlijk genoeg aan hunne
sombere overpeinzingen overgaven, wandelde graaf Mathias Sandorf de cel op
en neer.

Ladislas Zathmar, die zich alleen ter wereld bevond, had niet veel te beweenen.
Slechts één persoon op deze aarde zou om hem treuren en dat was zijn knecht
Borik. [85]

Zoo was het niet met Stephanus Bathory gesteld. Zijn dood trof niet hem slechts.
Hij had eene vrouw en een zoon, die door dien slag ook getroffen zouden
worden. Die dierbare wezens zouden er door geschokt worden, konden er van

Page 132

sterven! En … wanneer zij hem overleefden, welk bestaan wachtte hen dan!
Welke toekomst voor die onbemiddelde vrouw met een kind van ternauwernood
acht jaren oud! Wanneer bovendien Stephanus Bathory eenig vermogen bezeten
had, wat zou daarvan dan nog aan haar, na een vonnis, hetwelk de
verbeurdverklaring van al de goederen der drie ter dood veroordeelden uitsprak,
verbleven zijn?

Wat graaf Sandorf betrof, het was zijn geheel verleden, hetwelk hem voor den
geest trad! Het was zijne vrouw, wier beeld hij steeds in zijn hart omdroeg! Het
was zijn dochtertje, een kind van twee jaren, hetwelk aan de goede zorgen van
den intendant achtergelaten was, en wien thans de taak toeviel om haar op te
voeden! Het waren zijne vrienden, die hij in het ongeluk gesleept had! Hij vroeg
zich af, of hij wel goed gehandeld had, of hij niet verder gegaan was dan de
plicht jegens het vaderland gebood, nu de straf verder reikte, nu zij onschuldigen
trof!

„Neen!… neen!… ik heb mijn plicht slechts gedaan!” herhaalde hij voortdurend
bij zich zelven. „Neen!… het vaderland voor alles, boven alles!”

Een gevangenbewaarder trad tegen vijf uren de cel binnen, zette het eten voor de
drie veroordeelden op de tafel neer en ging weer heen zonder een enkel woord
gesproken te hebben. Mathias Sandorf evenwel had wel willen weten, waar hij
zich bevond, hoe de vesting heette, waarin hij opgesloten was. Maar op de vraag,
die hij daaromtrent aan den voorzitter van den krijgsraad gedaan had, had deze
gemeend niet te moeten antwoorden en voorzeker zou de gevangenbewaarder,
daartoe door een bevel genoodzaakt, wel evenmin geantwoord hebben.

De drie veroordeelden raakten het eten, dat hun voorgediend was, ternauwernood
aan. Zij brachten den dag door met over allerhande zaken te praten, over de hoop
dat de verijdelde omwenteling den een of anderen tijd hervat zoude worden. Toen
kwamen zij herhaaldelijk op de bijzonderheden der zaak terug.

„Wij weten thans,” zei graaf Ladislas Zathmar, „waarom wij gevangen genomen
zijn en hoe de politie alles door dat briefje, hetwelk haar in handen is gevallen, te
weten is gekomen”.

Page 133

„Ongetwijfeld, Ladislas,” antwoordde graaf Sandorf, „maar in wiens handen is
dat briefje, een der laatsten, die wij ontvangen hebben, toch gevallen en door
wien is er afschrift van genomen?”

„En hoe is, nadat het briefje bemachtigd was, de rooster gevonden, [86]om dat
briefje te kunnen ontraadselen?” sprak Stephanus Bathory op zijne beurt.

„Die rooster moet ons dus, al was het maar voor een oogenblik, ontstolen zijn,”
zei graaf Sandorf.

„Ontstolen!… Door wien?” vroeg Ladislas Zathmar. „Op den dag onzer
gevangenneming lag hij nog in de lade van de schrijflessenaar op mijne
slaapkamer. Daar hebben hem toch de politieagenten gevonden, niet waar?”

Het was inderdaad onverklaarbaar. Dat het briefje aan den hals van de reisduif,
die het overbracht, gevonden was, dat er nauwkeurig afschrift van was gemaakt,
alvorens naar zijne bestemming doorgezonden te zijn, dat het huis van
bestemming ontdekt was, dat alles kon en moest aangenomen worden. Maar dat
de letters van het geheimschrift op hunne ware plaats hadden kunnen hersteld
worden, zonder het instrumentje waarmede het tot stand gebracht was, dat was
onverklaarbaar, dat was onbegrijpelijk.

„En toch is dat briefje ontraadseld en gelezen geworden,” hernam graaf Sandorf,
„daaromtrent zijn wij zeker, niet waar? En het is niet zonder den rooster kunnen
ontcijferd worden! Het is dat briefje, hetwelk de politie op het spoor van het
complot gebracht heeft en het is op dat briefje alleen, dat de geheele
beschuldiging gegrondvest is!”

„Och, wat kan het ons toch schelen!” antwoordde Stephanus Bathory.

„O! het kan ons integendeel veel schelen!” riep graaf Sandorf uit. „Wij zijn
misschien verraden geworden! En als er een verrader in het spel is, dan.… is het
zaak.… te.…”

Graaf Sandorf stokte. Sarcany’s naam kwam hem voor den geest. Maar hij
verbande die gedachte ver, zeer ver, zonder haar zelfs aan zijne vrienden mede te
deelen.

Page 134

Mathias Sandorf en zijne twee vrienden gingen zoo voort met praten over dat
onverklaarbare in die zaak en zoo werd het langzamerhand laat in den nacht.

Zij werden den volgenden morgen uit een vrij diepen slaap gewekt, door het
binnenkomen van den gevangenbewaarder. Het was de morgen van hun
voorlaatsten dag. De terechtstelling was op vier en twintig uren later bepaald.

Stephanus Bathory vroeg aan den gevangenbewaarder of het hem geoorloofd
zoude zijn, zijn gezin te zien.

De gevangenbewaarder antwoordde, dat hij dienaangaande geene bevelen had.
Het was evenwel niet waarschijnlijk, dat het Oostenrijksch gouvernement den
veroordeelden die laatste vertroosting zou toestaan. De geheele zaak was toch tot
op den dag van het vonnis zoo geheim mogelijk gehouden geworden. Zelfs de
naam van de [87]vesting, die den veroordeelden tot gevangenis diende, was
geheim gebleven.

„Kunnen wij ten minste schrijven, en zullen onze brieven hunne bestemming
bereiken?” vroeg graaf Sandorf.

„Ik zal u papier, pen en inkt geven,” antwoordde de gevangenbewaarder, „en ik
beloof u, uwe brieven aan den gouverneur ter hand te zullen stellen.”

„Wij danken u, vriend,” antwoordde graaf Sandorf, „voor hetgeen gij doen wilt
en wat gij alleen doen kunt! Wij kunnen u niet voor uwe moeite beloonen;
maar.…”

„Uw dank is voor mij genoeg, heeren,” hernam de gevangenbewaarder, die zijne
ontroering niet kon verbergen.

Die brave man bracht dadelijk het noodige schrijfgereedschap. De veroordeelden
brachten een gedeelte van den dag door met het nemen hunner laatste
beschikkingen. Van den kant van graaf Sandorf waren het de meest gemoedelijke
raadgevingen voor zijn dochtertje, dat als wees zou achterblijven, welke uit het
hart eens vaders konden opwellen. Van den kant van Stephanus Bathory waren
het de vurigste liefdesbetuigingen, die deze in zijn laatst vaarwel aan zijne
echtgenoote en aan zijn zoon deed vernemen. Van den kant van Ladislas Zathmar

Page 135

waren het innige aanhankelijkheidsbewijzen, die een heer voor zijn ouden
knecht, voor zijn laatsten vriend kon koesteren.

Maar hoe afgetrokken waren zij niet dien dag, hoe herhaaldelijk hadden de
gevangenen de ooren niet gespitst! Hoe menigmaal poogden zij niet te ontwaren,
of er geen ver gedruisch door de lange gangen van den vestingtoren tot hen
doordrong. Hoe menigmaal scheen het hun niet, dat de deur van die cel zou
opengaan en dat het hun veroorloofd zou zijn voor de laatste maal eene gade,
eene dochter, een zoon te omarmen! Dat zou eene vertroosting geweest zijn.
Maar, in waarheid, was het niet beter dat een wreed onvermurwbaar verbod, dat
laatste vaarwel, hetgeen zoo hartverscheurend zoude zijn, belette?

De deur ging niet open. Ongetwijfeld wisten noch mevrouw Bathory, noch haar
zoon, noch de intendant Lendek, aan wien het dochtertje van graaf Mathias
Sandorf toevertrouwd was, waarheen de gevangenen na hunne
inhechtenisneming overgebracht waren, evenmin als Borik, die nog steeds in de
gevangenis te Triëst opgesloten zat. Allen wisten ongetwijfeld ook niet, welk
vonnis over de hoofden der samenzwering uitgesproken was. De veroordeelden,
zoo was bepaald, zouden hunne dierbaren vóór de ten uitvoerlegging van het
vonnis niet wederzien.

De eerste uren van dien dag snelden zoo voorbij. Soms praatten Mathias Sandorf
en zijne beide vrienden te zamen. Soms ook vervielen [88]zij in een langdurig
stilzwijgen en waren zij in zichzelven gekeerd. In die oogenblikken gleed alles
met eene schrikkelijke, bovennatuurlijke nauwkeurigheid in het geheugen
voorbij. Het was alsdan niet in het verledene dat zij terugtraden. Alles wat de
herinnering in het brein terugriep, ontplooide zich in den vorm van het
tegenwoordige. Was dat als een voorgevoel van de eeuwigheid, die zich opende
van dien onbegrijpelijken en onmetelijken toestand, dien men het oneindige
noemt?

Intusschen, terwijl Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar zich zoo zonder
stoornis aan hunne overpeinzingen overgaven, werd het brein van Mathias
Sandorf onweerstaanbaar beheerscht door eene gedachte, die er als het ware post
in had gevat. Hij twijfelde er niet aan, of in die geheimzinnige zaak had het
verraad zijne treurige rol vervuld. Nu was voor een man van zijn karakter,

Page 136

sterven zonder den verrader, wie hij ook zijn mocht, gestraft te hebben, zonder
zelfs te weten wie de verrader was, als het ware tweemaal sterven. Wie had dat
briefje, waaraan de politie de ontdekking van de samenzwering en de
inhechtenisneming der hoofdschuldigen te danken had, bemachtigd? Wie had de
middelen ontdekt om het te kunnen lezen? Wie had het aan de politie
overgeleverd, verkocht wellicht?.… Tegenover dat onoplosbaar vraagstuk waren
de opgewonden hersenen van graaf Sandorf ten prooi aan eene soort koorts.

Terwijl zijne vrienden dan ook schreven of daar stilzwijgend ter neer zaten en
zich onbeweeglijk hielden, liep hij onrustig langs de muren der cel als een wild
dier in zijne kooi op en neer.

Een zonderling maar volkomen door de wetten der geluidsleer verklaarbaar
natuurverschijnsel, zou hem het geheim mededeelen, juist toen hij wanhopen
moest het ooit te vernemen.

Verscheidene malen had graaf Sandorf stilgestaan bij den hoek van het vertrek,
die door den binnenmuur gevormd werd met den buitenmuur van de gang,
waarop de verschillende cellen van deze verdieping van den vestingtoren
uitkwamen. In dien hoek, in welks nabijheid de deur aangebracht was, meende
hij een gemurmel gehoord te hebben als van verwijderde stemmen, dat nog niet
verstaanbaar was. Eerst sloeg hij er geen acht op, maar.… plotseling hoorde hij
een naam uitspreken.… den zijnen.… en dat deed hem het oor spitsen. [89]

Page 137

Page 138

Graaf Sandorf onderzocht dus of het venster ruimte genoeg aanbood, om hen
doortocht te verleenen. (Bladz. 94.)

[88]

Klaarblijkelijk werd daar hetzelfde natuurverschijnsel te voorschijn geroepen,
gelijk aan dat, hetwelk onder boogvormige gangen of onder gewelven met
ellipsvormige constructie waargenomen wordt. De stem, die van een der zijden
van de ellips uitgaat, doet zich na den omtrek der muren gevolgd te hebben in het
andere brandpunt vernemen, zonder op hare baan ergens waarneembaar [90]te zijn
geweest. Zulk een natuurverschijnsel wordt in de onderaardsche gewelven van
het Panthéon te Parijs, in de binnenruimte van den koepel van de Sint Pieterskerk
te Rome, in de „whispering gallery” de weerklinkende galerij van de Sint
Paulskerk te Londen waargenomen. Onder dergelijke omstandigheden wordt het
geringste woord, zelfs wanneer het fluisterend uitgesproken wordt, duidelijk
verstaan in het tegenovergestelde brandpunt.

Er viel hier niet aan te twijfelen. Twee of meer personen praatten, hetzij in de
gang, hetzij in een der cellen aan het einde van zijn doorsnede gelegen, en het
brandpunt bevond zich bij de deur van de cel, waarin Mathias Sandorf opgesloten
was.

Met een enkel gebaar riep hij zijne makkers tot zich. En daar stonden zij alle drie
met gespitste ooren te luisteren.

Brokstukken van volzinnen bereikten hun oor zeer duidelijk. De volzinnen
werden afgebroken, wanneer de sprekers zich, al was het ook nog maar zoo
weinig, van het brandpunt verwijderden, dat wil zeggen van dat punt, waarvan de
ligging het natuurverschijnsel deed geboren worden.

En ziehier de woorden, die zij met herhaalde tusschenpoozen opvingen:

.….….….….….….….….….….….….…

„Morgen na de terechtstelling zult ge vrij zijn.……

.….….….….….….….….….….….….…

Page 139

„En dan zullen de goederen van graaf Sandorf, eerlijk verdeeld.

.….….….….….….….….….….….….…

„Zonder mij zoudt ge dat briefje niet hebben kunnen ontraadselen.

.….….….….….….….….….….….….…

„En zonder mij, die het aan den hals van de postduif gevonden heb, zoudt gij het
nooit in handen gekregen hebben.…..

.….….….….….….….….….….….….…

„Hoe het ook zij, niemand kan eenige verdenking koesteren, dat wij de
politie.….….….……

.….….….….….….….….….….….….…

„En als de veroordeelden nu ook al eenige achterdocht.…

.….….….….….….….….….….….….…

„Noch bloedverwanten, noch vrienden kunnen meer tot hen
doordringen.….….….……

.….….….….….….….….….….….….…

„Tot morgen, Sarcany”.….….…..

„Tot morgen, Silas Toronthal!”.….……

.….….….….….….….….….….….….…

Daarna zwegen de stemmen en het geluid eener deur die toesloeg, werd
vernomen. [91]

„Sarcany!.… Silas Toronthal!.…” riep graaf Sandorf uit. „Zij!.… Zij zijn het!”

Page 140

Hij werd doodsbleek en keek zijne vrienden met een van verbijstering glinsterend
oog aan. Zijn hart had een oogenblik opgehouden met kloppen. Zijne oogleden
stonden wijd opengespalkt, zijn hals was stijf en zijn hoofd was tusschen zijne
schouders teruggedrongen. Alles duidde er op, dat die geestkrachtvolle natuur
door een schrikkelijken toorn beroerd werd.

„Zij!.… De ellendelingen!.…” herhaalde hij woest brullende.

Hij richtte eindelijk zijne gebogen gestalte op en keek rond, terwijl hij de cel met
groote passen op en neer liep.

„Vluchten!.… Vluchten!” riep hij uit. „Wij moeten vluchten!”

En die man, die enkele minuten vroeger gereed was om weinige uren later den
dood manmoedig tegemoet te treden, die man, die er zelfs niet aan gedacht had
om den beul zijn hoofd te betwisten, die man had thans slechts ééne gedachte:
leven, om die twee verraders Silas Toronthal en Sarcany te straffen!

„Ja, ons wreken!” riepen Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar uit.

„Ons wreken? Neen!.… Gerechtigheid uitoefenen!”

Het geheele karakter van graaf Sandorf lag in die woorden opgesloten.

Page 141

[Inhoud]

Page 142

VI.

Page 143

DE VESTINGTOREN VAN PISINO.
De vesting Pisino is een van de meest merkwaardige van die stevige gebouwen,
welke in de middeleeuwen verrezen. Zij ziet er zeer goed uit met haar feodaal
uiterlijk. Er ontbreken slechts ridders in die gewelfde zalen, slechts edelvrouwen,
met bonte japonnen gekleed en getooid met puntmutsen, aan de ogiefvormige
vensterramen, slechts boogschutters op de transen van de gecreneleerde muren,
in de schietgaten van de vooruitspringende gedeelten, bij de Spaansche ruiters,
die de ophaalbruggen moeten verdedigen. Het kunstwerk van steen is nog
onaangetast; maar de vestinggouverneur met zijn Oostenrijksch uniform, de
soldaten met hunne moderne tenue, de gevangenbewaarders en de sleuteldragers,
die niets meer vertoonen van dat costuum uit den ouden tijd, half [92]geel, half
rood, die allen geven een valschen toon aan te midden van die prachtige
overblijfselen van een ander tijdvak.

Het was uit den toren van die vesting, dat graaf Sandorf zich vermeette te willen
ontvluchten en dat nog wel gedurende de laatste uren, die de terechtstelling
voorafgingen. Dwaze poging voorzeker, daar de gevangenen niet eens wisten,
welke vesting hen tot kerker diende, daar zij niets van het omgelegen land
kenden, waardoor zij toch na hunne ontvluchting heen moesten trekken.

O, wellicht kon het voor een geluk gelden, dat zij niets van die omgeving wisten.
Beter onderricht, zouden zij misschien voor de moeilijkheden, om niet te spreken
van de onmogelijkheid van zulk eene onderneming teruggedeinsd zijn.

Niet dat deze Istrische provincie geene voordeelige kansen voor eene
ontsnapping zou aanbieden, dewijl iedere richting, door de vluchtelingen
genomen, naar een punt van hare kuststreek zou voeren en dat binnen weinige
uren. Ook niet dat de straten van de stad Pisino zoo streng zouden bewaakt zijn,
dat men bij de eerste stappen gevaar zou loopen gevat te worden. Neen; maar
ontsnappen uit die vesting, voornamelijk uit den toren, door de gevangenen
bewoond, dat was tot heden als volstrekt onmogelijk beschouwd geworden. Het
denkbeeld daarvan kon zelfs niet opkomen.

Page 144

Ziehier inderdaad de toestand en het uiterlijk voorkomen van dien toren in de
vesting Pisino.

Die toren beslaat eene zijde van een bergplat, alwaar de stad plotseling als het
ware eindigt. Wanneer men op den ringmuur van dat plat leunt, dan boort de blik
in een breede en diepe kolk, waarvan de steile wanden niet eens bedekt zijn met
lange afhangende lianen. Niets steekt van dien loodrechten rotsmuur uit. Geen
enkele trede om naar boven te klimmen of om naar beneden te dalen. Geen
portaal om er even halt te houden. Geen enkel standpunt, waar ook. Niets dan
grillige uitschuringen, niets dan gladde onzekere streepen, die de schuinsche
ligging der rotslagen aangeven. In één woord is het een afgrond, die aantrekt, die
meesleept en niets teruggeeft van hetgeen er in mocht vallen.

Het was boven dezen afgrond dat een der zijmuren zich verhief. In dien muur
waren eenige vensters ingesneden, die de cellen op de verschillende verdiepingen
moesten verlichten. Wanneer een gevangene zich door een van die openingen
voorover gebogen had, dan zou hij vol afgrijzen achteruit gedeinsd zijn, tenzij
duizelingen hem in de diepte zouden hebben doen storten! En wanneer hij viel,
wat dan? Of het lichaam zou op de rotsen van den bodem te pletter storten, òf het
zou door den bergvloed medegevoerd worden, wiens stroom onweerstaanbaar is
in het tijdperk van hoog water.

Die afgrond, dat is de Buco, zoo als hij in dat land genoemd [93]wordt. Hij dient
tot afleiding van het overtollige water van eene rivier, die Foïba heet. Die rivier
erlangt slechts toegang door eene onderaardsche spelonk, die zij zich zelve
langzamerhand door de rotsmassa’s uitgehold heeft, en waarin zij zich met de
kracht van een waterval stort. Waar stroomt zij dan heen, terwijl zij onder de stad
doorgaat? Dat weet men niet. Waar verschijnt zij weer? Dat weet men evenmin.
Niemand kent de lengte noch de hoogte van die spelonk, die in de krijtsteen- en
leisteenlagen uitgeschuurd is. Wie kan zeggen of de stroom daaronder zich niet
met geweld breekt op scherpe kanten, op puntige hoeken, of hij niet gestuit wordt
door een woud van pilaren, die het kolossale gevaarte der vesting en ook de
geheele stad schragen? Koene onderzoekers hadden beproefd de Foïba af te
zakken in een tijdperk, dat de middelbare waterstand gedoogde een licht vaartuig
te gebruiken, maar de laagte van het rotsgewelf had hen een onoverkomelijke
hinderpaal in den weg gesteld. In werkelijkheid wist men niets omtrent den

Page 145

toestand van die onderaardsche rivier. Misschien verloor zij zich wel in eene
aardspleet, die onder de oppervlakte van de Adriatische zee uitkwam.

Dat was de Buco, welks bestaan graaf Sandorf zelfs niet giste. Daar nu eene
ontsnapping niet anders kon geschieden dan door het eenige raam zijner cel,
hetwelk boven de Buco openging, zoo was het voor hem even zeker den dood
tegemoet te gaan, als wanneer hij zich was komen plaatsen voor het peloton
soldaten, dat hem moest doodschieten.

Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory wachtten slechts het gunstige oogenblik
af om te handelen. Zij waren bereid te blijven, wanneer het noodig was; zij waren
bereid zich op te offeren om graaf Sandorf te hulp te komen; zij waren bereid
hem te volgen, wanneer hunne vlucht de zijne niet kon benadeelen.

„Alle drie zullen wij vluchten,” zei graaf Mathias Sandorf, „hoewel het wellicht
noodig zal worden om ons te scheiden, wanneer wij eenmaal buiten gekomen
zullen zijn.”

Het was reeds avond en op den kerktoren sloeg het reeds acht uur. De
veroordeelden hadden nog slechts twaalf uren te leven.

De nacht viel in en zooals men opmerken kon, zou hij zeer donker zijn. Dikke
wolken, die bijna onbewegelijk bleven, bedekten het uitspansel. De lucht was
zwaar, zij maakte de ademhaling moeilijk en was met electriciteit bezwangerd.
Een hevig onweder was in aantocht. Wel schoten de bliksemstralen nog niet door
de ruimte, nog niet door die dikke dampen, die daar als zoovele accumulatoren
aanwezig waren; maar het gerommel van den donder liet zich reeds heel in de
verte vernemen en werd langs de bergtoppen van de hoogten, die Pisino
omgeven, overgebracht.

Eene ontsnapping, onder die omstandigheden ondernomen, zou [94]dus eenige
kansen van welslagen hebben kunnen aanbieden, wanneer niet een bedriegelijke
afgrond onder de voeten der vluchtelingen geweest ware. De nacht zou zwart
zijn, men zou derhalve niet gezien worden. Bij het geraas van den donder zou
men niet gehoord worden.

Page 146

Zooals graaf Sandorf reeds dadelijk erkend had, zou de vlucht mogelijk zijn door
het venster van de cel. De deur open te breken, of die stevige bladen van
eikenhout, die daarenboven geheel met ijzer beslagen waren, aan te tasten,
daaraan kon zelfs niet gedacht worden. Buitendien, de stap van een schildwacht
weerklonk op de vloersteenen van de gang. En gesteld dat men buiten de celdeur
geraakte, hoe zou men den weg vinden in de doolgangen van de vesting? Hoe
zou men de poort uit, de valbrug over komen? Die zouden toch wel door posten
soldaten bewaakt zijn! Aan den kant van den Buco was ten minste geen
schildwacht te bespeuren. Maar de Buco bewaakte die zijde van den vestingtoren
beter dan een geheele keten schildwachten.

Graaf Sandorf onderzocht dus in de eerste plaats, of het venster ruimte genoeg
aanbood, om hen doortocht te verleenen.

Dat raam meette ongeveer drie en een halve voet hoogte op twee voet breedte.
Het verliep trechtersgewijze door den muur, welks dikte op dit punt op vier voet
geschat kon worden. Een stevig kruis van ijzer verdedigde den toegang. Dat was
in den steen dicht bij de binnenopening geklonken. Er waren geen houten
schuttingen of koekoeken aangebracht, die het licht slechts van boven laten
binnenvallen. Die zouden onnoodig geweest zijn, daar de schikking van de
opening den blik belette in den afgrond van de Buco te dringen. Wanneer men er
dus in slaagde dat ijzeren kruis uit te rukken of van zijne plaats te wringen, dan
zou het gemakkelijk zijn zich door dat raam te laten glijden, dat veel geleek op
een schietgat van de vesting.

Maar, als men eenmaal uit dat raam geklommen was, hoe zou men dan buiten
naar omlaag dalen langs den loodrechten muur? Eene ladder? Ja, die bezaten de
gevangenen niet; ook konden zij die niet vervaardigen. Hunne beddelakens
gebruiken? Zij hadden niets dan dikke wollen dekens, die hunne matrassen op de
ijzeren kribben dekten, welke laatsten daarenboven in de wanden van de cel
vastgeklonken waren. Het zou dus bepaald onmogelijk zijn door het venster te
ontsnappen, wanneer graaf Sandorf niet eene ketting of beter een ijzeren kabel
opgemerkt had, die buiten hing en de ontsnapping kon vergemakkelijken.

Die kabel was de bliksemafleider, die op den daknok bevestigd was boven de
zijflank van den vestingtoren, maar die zich boven den Buco loodrecht verhief.

Page 147

„Gij ziet dien kabel,” zei graaf Sandorf tot zijne vrienden. [95]„Daarvan zullen wij
ons bedienen om te ontsnappen. Maar daartoe behoort moed!”

„O, moed bezitten wij,” antwoordde graaf Ladislas Zathmar. „Maar zullen wij de
kracht hebben?”

„Om het even!” sprak Stephanus Bathory. „Als de krachten te kort schieten,
zullen wij slechts eenige uren vroeger sterven. Dat is alles!”

„Wij moeten niet sterven, Stephanus,” antwoordde graaf Sandorf. „Luister goed
en gij ook, Ladislas, laat geen enkel mijner woorden u ontgaan. Wanneer wij een
touw bezaten, dan zouden wij geen oogenblik aarzelen om het buiten het venster
te hangen om ons daarlangs tot op den bodem te laten afglijden. Nu is die ijzeren
kabel beter dan een touw; door zijne onbuigzaamheid zal hij de afdaling zeer
vergemakkelijken. Evenals alle bliksemafleiders zal hij met ijzeren haken aan
den gevelmuur bevestigd zijn. Die haken zullen steunpunten vormen, waarop
onze voeten zullen kunnen rusten. Wij zullen geene slingeringen te vreezen
hebben, daar de kabel aan den muur bevestigd is. Wij zullen geen duizelingen
kunnen ondervinden, daar het nacht is en wij dus niets zullen kunnen zien.
Derhalve, wanneer wij slechts buiten dat venster geraken, dan met
koelbloedigheid en met moed kunnen wij de vrijheid herwinnen. Dat wij ons
leven wagen, is zeer goed mogelijk. Maar al bestonden slechts tien kansen op
honderd, dan nog … daar wij honderd kansen op honderd zullen hebben om te
sterven, wanneer de gevangenbewaarders ons morgen ochtend in deze cel
terugvinden.”

„Dat is zoo,” antwoordde Ladislas Zathmar.

„Waar komt die ketting terecht?” vroeg Stephanus Bathory.

„In den een of anderen put waarschijnlijk; maar zeker buiten den vestingtoren,”
antwoordde graaf Sandorf. „En meer hebben wij niet noodig. Ik wil niets anders
weten of begrijpen, dan dat daar aan het uiteinde van dien ketting de vrijheid
voor ons waarschijnlijk te vinden is.”

Graaf Sandorf vergiste zich niet, toen hij beweerde, dat die bliksemafleider van
afstand tot afstand met ijzeren haken aan den muur bevestigd was. Dat

Page 148

veroorzaakte eene groote gemakkelijkheid om af te dalen, daar de vluchtelingen
die haken als de treden eener ladder konden bezigen, die hen tegen te snel
afglijden behoeden moesten. Maar, wat zij niet wisten en ook niet weten konden,
dat was dat die kabel, na den rand van het bergplat bereikt te hebben, langs den
muur van den vestingtoren vrij en onbedwongen in de ruimte afdaalde en zijn
uiteinde de wateren der Foïba beroerden, die toen door de laatste regens zeer
gezwollen waren. Daar waar zij onder in dien afgrond rekenen konden den vasten
bodem te bereiken, daar was slechts een bergstroom, die zich onstuimig [96]in de
spelonk van den Buco stortte. Maar al hadden zij dat ook geweten, zouden zij
dan nog wel teruggedeinsd hebben voor hunne poging tot ontsnapping?

Voorzeker neen!

„Hier sterven of straks daar ginds!” sprak graaf Mathias Sandorf. „Als wij
sterven moeten, dan zullen wij ten minste alles gedaan hebben om het leven te
redden!”

Maar eerst moest men dat ijzeren kruis in de doorgang van het venster opruimen.
Dat moest uitgebroken worden. Zou dit mogelijk zijn zonder breekijzer, zonder
koevoet, zonder eenig gereedschap? De gevangenen bezaten zelfs geen mes.

„Het overige zal slechts moeilijk zijn,” zei graaf Mathias Sandorf, „maar dit is
wellicht het onmogelijke! Kom, mede aan den arbeid!”

Toen hij dat gezegd had, heesch graaf Sandorf zich tot aan het venster, greep den
ijzeren kruisrooster met de hand en voelde dat wellicht geen al te groote
krachtsinspanning noodig zou zijn, om hem uit te rukken.

De ijzeren stangen, waaruit hij bestond, bewogen zich inderdaad eenigermate in
hare sponningen. De steen was bij de hoeken gebarsten en kon dus slechts een
middelmatigen tegenstand bieden. Zeer waarschijnlijk was de geleiding van den
bliksemafleider, voordat hij zekere herstellingen ondergaan had, niet zeer
volmaakt geweest. Mogelijk was het geweest dat vonken van het electrische
vuur, door dien ijzeren rooster aangetrokken, den muur zelven aangetast hadden
en men weet dat de kracht van dat vuur om zoo te zeggen onbegrensd is. Vandaar
die barsten en breuken bij de sponningen, waarin het uiteinde der ijzeren staven

Page 149

rustte. De steen was daar verteerd, vergaan en in sponsachtigen staat, alsof hij
door de electriciteit met millioenen gaatjes doorboord ware.

Professor Stephanus Bathory gaf in weinige woorden den uitleg van dat
verschijnsel, onmiddellijk nadat hij het waargenomen had.

Maar het gold thans niet te oreeren, te doceeren of te leeraren; men moest zonder
aarzelen aan het werk. Geen oogenblik mocht verloren worden. Wanneer men, na
de hoeken van de sponningen te hebben uitgebroken, de uiteinden van die staven
kon losmaken, dan zou het waarschijnlijk gemakkelijk zijn den rooster tot aan de
buitenoppervlakte van den muur te dringen, dewijl de vensteropening van binnen
naar buiten waaiersgewijze verliep. Men zou hem dan naar buiten in den afgrond
kunnen laten vallen. Het geluid van dien val zou door het hevige geratel van den
donder overstemd en bijgevolg niet gehoord worden. De onweerswolk was nader
gekomen en reeds rolden de donderslagen en plantten zich onverpoosd en zonder
ophouden in de lagere luchtlagen voort. [97]

Page 150

Page 151

Eene schitterende bliksemstraal omgaf hen in dit oogenblik alle twee. (Bladz. 102.)

[98]

„Wij kunnen dien steen toch niet met onze handen verbrijzelen,” zei graaf
Ladislas Zathmar.

„Neen!” antwoordde graaf Sandorf. „Wij zouden een stuk ijzer, een lem of zoo
iets moeten hebben …”

Dat was inderdaad noodig. Hoe vergaan de steen in de nabijheid der sponningen
ook was, de nagels zouden toch daarbij te kort geschoten zijn, de vingers zouden,
bij de poging om hem tot stof te wrijven, zich te vergeefs bloedig verwond
hebben. Men zou niet slagen zonder werktuig, al ware het ook maar een spijker.

Graaf Sandorf keek rondom zich bij het zwakke schijnsel, hetwelk van uit de
gang, die zelf spaarzaam verlicht was, in de cel door eene kleine opening, boven
de deur aangebracht, drong. Hij betastte de muren met beide handen. Het kon
toch zijn, dat men ergens een spijker ingeklopt had. Hij vond echter niets.

Toen kreeg hij een inval. Hij bedacht dat het wellicht niet onmogelijk was een
der pooten van de ijzeren kribben, die in den wand vastgeklonken waren, los te
wringen. Alle drie gingen aan het werk en weldra brak Stephanus Bathory den
arbeid af en riep zijne makkers met zachte stem tot zich.

Een klinknagel van een der ijzeren strooken, die, onderling behoorlijk gekruist en
verbonden, de kriblagen vormden, was losgemaakt. Het was nu voldoende die
strook bij het uiteinde, dat thans vrij was, te grijpen en haar herhaalde malen
heen en weer te buigen om den anderen klinknagel te doen losspringen.

Dat was in een ommezien geschied. Graaf Sandorf bezat toen een ijzeren band
van vijf duim lang en een duim breed, dien hij bij het uiteinde met zijn halsdas
omwikkelde. Daarna kwam hij bij het venster terug en begon den steen bij de
sponningen los te breken.

Dat kon niet geheel en al zonder gedruisch geschieden. Gelukkig werd dat
overstemd door het geratel van den donder. Hield dat soms bij tusschenpoozen

Page 152

op, dan staakte graaf Sandorf zijn arbeid om hem daarna dadelijk weer te
hervatten. Het werk vorderde flink. Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar
hadden bij de deur post gevat, teneinde graaf Sandorf te waarschuwen om den
arbeid te staken, wanneer de schildwacht de deur der cel naderbij trad.

Plotseling ontsnapte een zacht „chut”… aan de lippen van Ladislas Zathmar,
waarop de arbeid dadelijk ophield.

„Wat is er?” vroeg Stephanus Bathory.

„Luister,” antwoordde Ladislas.

Hij had juist het oor bij den rand van de ellipsoïdale helling gehouden en
andermaal werd het acoustieke verschijnsel vernomen, dat den gevangenen
bekend had gemaakt met het geheime verraad, ten hunnen opzichte gepleegd. [99]

Ziehier de afgebroken volzinnen, die bij korte tusschenpoozen nog opgevangen
konden worden:

„Morgen … in vrijheid … gesteld …”

.….….….….….….….….….….….….…

„Ja … wanneer het bevel tot invrijheidstelling zal ontvangen zijn …”

.….….….….….….….….….….….….…

„… Na de terechtstelling … Daarna … ga ik mijn makker Zirone opzoeken, die
mij op Sicilië wacht …”

.….….….….….….….….….….….….…

„Gij zult niet lang gezeten hebben in den vestingtoren van …”

.….….….….….….….….….….….….…

Het was klaarblijkelijk Sarcany, die met een gevangenbewaarder praatte. Eene
bijzonderheid: Sarcany had den naam van een zekeren Zirone genoemd, die in

Page 153

deze geheele zaak gemengd moest zijn. Graaf Mathias Sandorf onthield dien
naam.

Ongelukkig bereikte het laatste woord, waarvan de kennisname voor de
gevangenen zoo nuttig ware geweest, hun oor niet. Bij het einde van den volzin,
kraakte een geweldige donderslag en terwijl de electrische stroom de geleiding
van den bliksemafleider volgde ontsnapten vuurstralen en vuurpluimen uit den
ijzeren band, die graaf Sandorf in de hand hield. Zonder den zijden halsdas, die
het metaal omwikkelde, zou de graaf door den stroom getroffen zijn.

Het laatste woord alzoo, de naam van die vesting, was door het ontzaglijk geraas
van den donder verloren gegaan. De gevangenen hadden dien naam niet kunnen
vernemen. En toch, wat zou de kennis in welke vesting zij opgesloten zaten, door
welke streek zij vluchten moesten, de kansen hunner ontsnapping, die onder zoo
moeilijke omstandigheden ondernomen moest worden, niet hebben vermeerderd!

Graaf Sandorf had den arbeid ijverig hervat. Van de vier sponningen waren er
reeds drie zoodanig uitgebroken, dat de uiteinden der ijzeren staven uitgelicht
konden worden. De vierde werd door het vuur der bliksemstralen, die het
hemelruim onophoudelijk verlichtten aangetast.

De arbeid was tegen half elf uur geëindigd.

De ijzeren vensterrooster was geheel en al uit de sponningen losgemaakt en kon
door de vensterruimte in den muur naar buiten geschoven worden. Men had thans
slechts te duwen, om hem te doen vallen. Dit werd verricht, toen Ladislas
Zathmar waargenomen had, dat de schildwacht zich bij zijn heen en weer
wandelen naar het uiteinde van de gang begeven had.

Door een forschen stoot bewogen, buitelde de rooster en verdween.

Dit geschiedde in een oogenblik, toen de donder en het windgehuil [100]zwegen.
Graaf Sandorf luisterde om het geluid te vernemen, dat dit zware lichaam bij zijn
val en zijn neerkomen op den grond zou maken.

Maar hij hoorde niets.

Page 154

„De vestingtoren zal waarschijnlijk op een hooge rots gebouwd zijn, die het dal
beheerscht,” merkte Stephanus Bathory op.

„Och, wat kan ons de hoogte schelen!” antwoordde graaf Sandorf. „Ongetwijfeld
reikt de ketting van den bliksemafleider tot aan den grond. Langs dien zullen wij
den bodem wel bereiken, zonder gevaar te loopen van te vallen.”

Dat was in het algemeen gesproken eene volkomen juiste redeneering, die
evenwel in het gegeven geval valsch was; want het uiteinde van den
bliksemafleider bereikte niet den bodem, maar de wateren van de Foïba.

Toen men met het venster klaar was, was het oogenblik om te vluchten daar.

„Vrienden,” zei Mathias Sandorf. „Ziehier hoe wij het moeten aanleggen. Ik ben
de jongste en ik geloof de krachtigste. Ik moet dus het eerst pogen langs dien
kabel naar beneden te komen. Voor het geval dat zich een of andere hinderpaal
voordoet, dan zal ik wellicht de kracht hebben om mij weer naar boven tot bij het
venster te hijschen. Twee minuten later laat gij, Stephanus, u naar beneden
glijden om u bij mij te voegen. Weer twee minuten later moet gij, Ladislas,
denzelfden weg volgen. Als wij alle drie aan den voet van den vestingtoren
vereenigd zijn, zullen wij naar omstandigheden moeten handelen.”

„Wij gehoorzamen u, Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory. „Wij zullen
uitvoeren wat gij bevelen zult; wij zullen gaan waarheen gij ons zeggen zult onze
schreden te wenden. Maar wij willen niet dat uw deel van het gevaar groot er zal
zijn dan het onze.…”

„Ons leven is het uwe niet waard!” vulde graaf Ladislas Zathmar aan.

„Voor de rechtspleging, die wij te voltrekken hebben, heeft ons leven gelijke
waarde!” antwoordde graaf Sandorf. „Wanneer een onzer ontsnapt, dan moet die
de uitvoerder van de gerechtigheid zijn. Kom vrienden, vrienden, laten wij
elkander omhelzen.”

De drie mannen omarmden elkander innig en het scheen dat zij eene groote
geestkracht uit die omhelzing geput hadden.

Page 155

Toen kroop graaf Sandorf, terwijl Ladislas Zathmar bij de deur der cel op post
stond om tegen onraad te waarschuwen, door de vensteropening die in den muur
uitgesneden was. Een oogenblik later was hij buiten en hing hij in het ijle. Toen
liet hij zich zakken, terwijl hij met de knieën den ketting van den bliksemafleider
omklemde. Hij verplaatste daarbij beurtelings de eene hand onder de [101]andere,
terwijl hij met de voeten de haken zocht, waarmede de geleider vastgemaakt was,
om daarop te steunen.

Het onweder woedde toen in zijn volle kracht. Het regende niet, maar de wind
stormde met ongehoord geweld. De eene bliksemstraal wachtte niet totdat de
voorgaande in het hemelruim verdwenen was. Hare zigzaggen kruisten elkander
boven den vestingtoren, die haar door zijne eenzame ligging op die hoogte
aantrok. De punt van den bliksemafleider schitterde met een witachtig licht, dat
er door den electrischen stroom als eene pluim opgehoopt werd, terwijl de stang
schudde onder het geweld van den wind.

Men begrijpt welk gevaar er in gelegen was, aan dien geleidketting te hangen,
waarlangs de electrische stroom voortdurend afvloeide om zich in de wateren van
den Buco te verliezen. Wanneer het toestel in goeden staat geweest ware, dan
was er geen gevaar om getroffen te worden; want de volmaakte geleidbaarheid
van het metaal vergeleken met die van het menschelijk lichaam, die veel minder
is, zou den koenen waaghals, die aan den kabel hing, beveiligen; maar was de
punt van den bliksemafleider hoe gering ook afgestompt, was er eene breuk hoe
klein ook in den kabel, waardoor de stroom verbroken werd, dan was een
ongeluk mogelijk, dan kwamen de twee stroomingen, de negatieve en de
positieve te zamen, zelfs zonder dat de bliksem op den geleider insloeg, alleen
door de spanning van den stroom, die in het gebrekkige toestel opgehoopt werd.

Zoo werd in 1793 Richeman door eene electrische vonk van de dikte eener vuist
gedood, hoewel hij zich op eenigen afstand van den bliksemafleider bevond,
waarvan hij het geleidvermogen verbroken had.

Graaf Sandorf was zeer goed bekend met het gevaar, waaraan hij zich
blootstelde, maar een gevoel krachtiger dan dat van zelfbehoud deed hem alles
trotseeren. Hij daalde langzaam en voorzichtig te midden van de electrische
afstrooming, die hem geheel en al omgaf. Zijn voet zocht langs den muur iederen

Page 156

haak en rustte daarop een poos. Dan poogde hij, wanneer een bliksemstraal den
afgrond, die onder hem gaapte, verlichtte, er de diepte van te peilen. Maar steeds
te vergeefs.

Toen Mathias Sandorf zoo een zestig voeten, sedert hij het venster der cel
verlaten had, gedaald was, voelde hij een veiliger steunpunt onder den voet. Dat
was een soort banket, slechts weinige duimen breed, hetwelk buiten den voet van
den muur uitstak. De bliksemafleider eindigde daar ter plaatse niet, hij daalde
lager, en in waarheid,—wat de vluchteling nog niet weten kon,—van dat punt af
golfde de ketting in de lucht, nu eens langs den loodrechten rotswand, dan weer
slingerde hij in het ijle en klotste daarbij [102]tegen eenige der uitstekende deelen,
die boven den afgrond hingen.

Graaf Sandorf hield halt om even adem te scheppen. Zijne beide voeten steunden
op het smalle boord van het banket; met zijne handen hield hij steeds den ijzeren
kabel vast. Hij begreep dat hij de bovenlaag van het fondament van den
vestingtoren bereikt had. Maar van welke hoogte beheerschte dit het beneden-
dal? Dat was door hem niet te schatten.

„Dat moet diep zijn,” dacht hij.

Inderdaad, groote vogels, verschrikt en verblind door de schelheid der
bliksemstralen, vlogen met angstigen wiekslag rondom hem en doken in de
diepte, in stede van hare vlucht opwaarts te richten. De gevolgtrekking daarvan
was duidelijk. Er was daar een afgrond onder zijne voeten.

In dit oogenblik vernam hij eenig gerucht aan het boveneinde van den ijzeren
kabel. Bij de vluchtige verlichting door eene bliksemstraal, zag graaf Sandorf
eene onduidelijke massa, die zich van den muur afscheidde.

Het was Stephanus Bathory, die het venster der cel uitschoof en zich langzaam
liet afglijden, om zich bij Mathias Sandorf te voegen. Deze wachtte hem af,
terwijl hij de voeten stevig op het steenen uitsteeksel gesteund hield. Daar moest
Stephanus Bathory op zijn beurt halt houden, terwijl zijn makker de reis naar
beneden verder zou vervolgen.

Page 157

Binnen weinige oogenblikken waren zij bij elkander, waarbij zij op het banket
rustten.

Zoodra het gerommel van den donder een poos ophield, konden zij spreken en
elkander verstaan.

„En Ladislas?” vroeg graaf Sandorf.

„Die zal over eene minuut hier zijn.”

„Is er geen onraad boven?”

„Neen.”

„Goed. Ik ga plaats voor Ladislas maken. En gij, Stephanus, gij zult hier wachten
tot dat hij u bereikt heeft.”

„Dat ’s afgesproken.”

Eene schitterende bliksemstraal omgaf hen beiden in dit oogenblik. Zij gevoelden
zich alsof de electrische stroom, langs het ijzer vloeiende, tot in hunne spieren
gedrongen was en meenden door den bliksem getroffen te zijn.

„Mathias!.… Mathias!.…” riep Stephanus onder den indruk van een
onnoemelijken en onoverwinnelijken angst uit.

„Kalmte en koelbloedigheid!” antwoordde graaf Sandorf.… „Ik ga verder
afdalen.… en gij moet mij volgen!”

Reeds had hij den kabel gegrepen, om zich tot aan den eersten [103]haak naar
onderen te laten afglijden. Daar wilde hij wachten tot dat zijn makker ook de reis
aanvaard had.

Plotseling werden kreten boven in den vestingtoren vernomen. Zij schenen van
den kant van het venster der cel te komen. Duidelijk weerklonken de woorden:

„Vlucht! Redt u!”

Page 158

Het was de stem van Ladislas Zathmar.

Terstond daarop spoot als het ware een helder licht uit den muur en werd gevolgd
door eene kort afgebroken losbranding zonder echo. Het was ditmaal niet de
gehakkelde lijn van eene bliksemschicht, die zich op het zwart kleed van den
nacht voordeed. Het was geen electrische vonk, die geknetterd had. Het was een
geweerschot, dat ongetwijfeld op goed geluk af door het eene of andere schietgat
van den vestingtoren gelost was. Of het een signaal voor de gevangenbewaarders
of wel een kogel, bestemd voor de vluchtelingen was, om het even, de vlucht was
thans ontdekt.

Een schildwacht, die eenig gerucht meende te hooren, had inderdaad om hulp
geroepen, waarop vijf of zes gevangenbewaarders de cel binnengestormd waren.
Het ontbreken van twee gevangenen was natuurlijk dadelijk ontdekt. De toestand
van het venster duidde genoegzaam aan, dat zij slechts langs dien weg hadden
kunnen ontsnappen. Het was toen dat Ladislas Zathmar vóórdat men dit had
kunnen beletten, zich buiten de vensteropening voorover gebogen en den
alarmkreet uitgestooten had.

„De ongelukkige!” riep Stephanus Bathory uit. „Moeten wij hem achterlaten?.…
Mathias!.… Zeg.… achterlaten?”

Een tweede geweerschot werd gelost en ditmaal vermengde zich de losbranding
met het rollen van den donder.

„God zij hem genadig!” antwoordde graaf Sandorf. „Wij moeten vluchten.… al
ware het maar om hem te wreken!.… Kom Stephanus, kom!”

Het was meer dan tijd. Ook andere vensters van de benedenverdieping van den
vestingtoren werden geopend. Nieuwe losbrandingen verlichtten hen. Ook
hoorde men luidruchtige stemmen. Het waren misschien gevangenbewaarders,
die langs het banket, hetwelk den voet van den vestingtoren omgaf,
voortschrijdende, den weg voor de vluchtelingen konden afsnijden! Zij konden
ook waarschijnlijk getroffen worden door geweerschoten, die uit andere
gedeelten der vesting gelost werden!

„Kom!” riep graaf Sandorf voor de laatste maal.

Page 159

En hij liet zich afglijden langs den kabel, die daarop dadelijk door Stephanus
Bathory gegrepen werd.

Toen eerst bemerkten beiden, dat die kabel onder het banket in het ledige, in het
ijle slingerde. Er bestonden geen rustpunten, geen [104]haken meer, die den kabel
vasthechtten. Beiden slingerden met dien ketting mede, die hun de handen
verwondde. Zij daalden, zij omklemden den kabel met de knieën, maar waren
onmachtig hunne snelheid te temperen, terwijl in dat vreeselijke oogenblik hun
de geweerkogels langs de ooren floten.

Zoo daalden, neen stortten zij binnen een minuut ruim tachtig voeten naar
beneden. Zij vroegen zich af, of die afgrond, waarin zij als het ware vielen,
bodemloos was. Het geloei van stormachtig opgezweepte wateren bereikte hun
gehoor. Toen begrepen zij dat de geleidketting van den bliksemafleider in den
een of anderen bergstroom eindigde. Maar.… om het even.… de dood daar
boven, de dood hier beneden.… dan was de laatste voor de rampzaligen het
meest verkieselijk.

Een vreeselijke bliksemstraal verscheurde in dit oogenblik te midden van eene
machtige electrische verlichting de wolken. Hoewel de stang boven op den
vestingtoren niet middellijk door den electrischen stroom getroffen was, zoo was
de spanning van dien stroom, die zich voortdurend langs den ketting ontlastte,
zoodanig, dat zij de schalmen bij haren overgang wit gloeiend maakte, zooals
met een platina draad geschiedt onder de ontlading van eene electrische batterij.

Stephanus Bathory stiet een kreet van smart uit en liet de handen los.

Mathias Sandorf zag hem voorbij zich vallen, waarbij zij elkander schier
aanraakten. De ongelukkige had de armen uitgestrekt.

Op zijn beurt moest ook hij den kabel, die hem de handen verschroeide, loslaten.
Hij viel van eene hoogte van ruim veertig voeten in den bergstroom van Foïba, in
dien onbekenden afgrond van den Buco.

Page 160

[Inhoud]

Page 161

VII.

Page 162

DE BERGSTROOM VAN FOÏBA.
Het was ongeveer elf uren in den nacht. De onweerswolken begonnen zich in
hevige stortregens op te lossen. De regen werd vermengd met dikke
hagelsteenen, die de oppervlakte der Foïba mitrailleerden en op de naburige
rotsen kletterden. [105]

Page 163

Page 164

Het gelukte hem een oogenblik later den arm van Stephanus Bathory te grijpen.
(Bladz. 108.)

[106]

De geweerschoten, die uit de schietgaten gelost werden, waren gestaakt. Waarom
zooveel kogels, zooveel lood jegens de vluchtelingen te verspillen? De Foïba zou
slechts lijken weergeven, wanneer zij althans iets weergaf!

Nauwelijks was graaf Mathias Sandorf in den bergstroom gestort en onder de
oppervlakte geschoten, toen hij zich plotseling meegesleept gevoelde. Van uit het
schitterende licht, waarmede de electrische losbarsting den afgrond vervuld had,
was hij overgegaan in den zwartsten nacht. Het geloei der wateren had het geratel
van den donder vervangen. De ondoordringbare spelonk liet van buiten, noch
geluid, noch licht, noch iets bespeuren.

„Help.…”

Opeens werd die kreet vernomen! Het was Stephanus Bathory, die hem geslaakt
had. De kilheid van het water had hem tot het leven teruggeroepen; maar hij kon
zich niet aan de oppervlakte handhaven. Hij zou zeker verdronken zijn, wanneer
hem niet een stevige hand gegrepen had op het oogenblik, dat hij ging
verdwijnen.

„Ik ben hier.… Stephanus!.… Houd moed!”

Graaf Sandorf ondersteunde zijn makker met de eene hand, terwijl hij met de
andere zwom.

De toestand was zeer kritiek. Stephanus Bathory kon ter nauwernood zijne
ledematen bewegen, verlamd als zij waren door den doorgang van den
electrischen stroom. Voelde hij ook al de brandwonden aan zijne handen in de
koude wateren niet, toch kon hij door die verlamming er zich niet van bedienen.
Als graaf Sandorf hem slechts een oogenblik losgelaten had, zou hij onmiddellijk
gezonken zijn. En toch had de graaf genoeg met zich zelven te stellen.

Page 165

Dan nog verkeerde men in volslagen onzekerheid omtrent de richting, die deze
bergstroom volgde. In welke streek kwam hij uit? In welke rivier, of in welke zee
zou hij uitmonden? Wanneer Mathias Sandorf ook al geweten had, dat die
bergstroom de Foïba was, dan nog was zijn toestand even wanhopig geweest,
dewijl niemand weet waar zijne wateren blijven, waarin hij zich uitstort. Men
had gesloten flesschen bij den ingang van de spelonk in de Foïba geworpen, en
nimmer waren zij ergens in een der wateren van het Istrische schiereiland te
voorschijn getreden. Het kon zijn, dat zij onderweg gebroken waren bij dien
onderaardschen doorgang, maar het kon ook zijn, dat die watermassa hen
medegesleept had in de een of andere spleet van de aardkorst.

De vluchtelingen werden intusschen met groote snelheid medegevoerd. Dit was
eene omstandigheid, die het hun gemakkelijk maakte om aan de oppervlakte te
blijven. Stephanus Bathory had [107]zijn bewustzijn verloren. Hij was als een
machteloos lichaam in de handen van graaf Sandorf. Deze kampte voor twee,
maar hij gevoelde dat hij weldra uitgeput geraakte. Bij de gevaren om tegen de
een of andere vooruitstekende rotspunt, hetzij van de wanden, hetzij hangende
van het verwulf te stooten, kwam nog een ander, dat veel grooter genoemd moest
worden. Dat was van in een dier draaikolken te geraken, die veroorzaakt werden
door de veelvuldige tegenstroomingen, welke daar gevormd worden, waar een
wand plotseling afbrak of een vooruitstekend stuk de regelmatige strooming
verstoorde. Twintig malen voelde Mathias zich met zijn makker in een van die
vloeibare zuigers opgenomen, die hem door hunne ronddraaiende beweging
evenals een maalstroom tot zich trokken. Zij werden dan door een rondgaande
beweging vervoerd en eindelijk naar den buitenrand van de kolk geworpen, zoo
als met een steen uit een slinger zou geschieden, en konden er niet uitkomen dan
door een tegenstroom geholpen.

Zoo verliep onder die omstandigheden een half uur, waarin de dood hen iedere
minuut, iedere seconde aangrijnsde. Mathias Sandorf, met eene
bovenmenschelijke geestkracht begaafd, had nog geen oogenblik van zwakte
ondervonden. Het was, alles goed beschouwd, gelukkig, dat zijn makker
nagenoeg bewusteloos was. Als het gevoel van zelfbehoud wakker ware geweest,
dan zou hij gesparteld hebben. Dan zou er gestreden moeten worden om hem te
bedwingen, om hem tot onmacht te noodzaken. En dan zou graaf Sandorf

Page 166

waarschijnlijk genoodzaakt zijn geweest, om hem aan zijn lot over te laten, om
niet beiden te verdrinken.

Die toestand kon evenwel niet lang blijven duren. De krachten van Mathias
Sandorf begonnen merkbaar af te nemen. In sommige oogenblikken dook zijn
hoofd onder, wanneer hij dat van Stephanus Bathory boven de watervlakte
ophief. Dan was de ademhaling plotseling verbroken. Dan hijgde hij, dan hoestte,
dan kuchte hij, dan werd hij benauwd; want dan had hij te doen met een begin
van verstikking.

Hij moest zelfs verscheidene malen zijn makker loslaten, wiens hoofd dan
dadelijk onder water dook, maar steeds slaagde hij er in hem weer te vatten en
dat te midden van dien zwaren stroom, die door de gezwollen wateren nog
sterker dan gewoonlijk was en met afgrijselijk geluid rondom hem loeide.

Graaf Sandorf voelde dan ook weldra, dat hij verloren was. Het lichaam van
Stephanus Bathory ontsnapte hem eindelijk geheel … Wel trachtte hij het, als
laatste uiting van zijn wilskracht, nog te grijpen; maar hij vond het niet meer en
zelf werd hij onder den waterspiegel medegesleept.

Een hevige schok kneusde hem pijnlijk den schouder. Hij stak [108]instinctmatig
de hand uit. Zijne vingeren grepen en omsloten een bundel wortels, die in het
water hingen.

Die wortels behoorden tot een boomstronk, die door den bergstroom
medegevoerd werd. Mathias Sandorf klemde zich stevig aan dat wrakstuk vast en
kwam toen aan de oppervlakte der Foïba terug. Hij hield zich vast met de eene
hand, maar zocht zijn makker met de andere.

Het gelukte hem een oogenblik later den arm van Stephanus Bathory te grijpen
en werkte hem met veel inspanning op den boomstronk, waarna hij naast hem
plaats nam. Beiden waren nu buiten dadelijk gevaar van te verdrinken, maar zij
waren nu aan het lot van dat wrakstuk verbonden en aan de grillen van de
stroomingen en versnellingen van den Buco overgeleverd.

Graaf Sandorf was gedurende een oogenblik buiten kennis geraakt. Zijn eerste
zorg was, toen hij weer bijkwam, om maatregelen te nemen dat Stephanus

Page 167

Bathory niet van den boomstam kon glijden. Uit overmaat van voorzorg plaatste
hij zich achter hem, zoodanig dat hij hem kon ondersteunen. Toen dat geschied
was, keek hij rondom zich, om waar te nemen of niet eenig daglicht in de grot
drong. Hij zou dan den toestand bij het verlaten van die spelonk kunnen overzien.
Maar niets duidde aan, dat de uitgang van dat eindeloos kanaal nabij was.

Toch was de toestand der vluchtelingen eenigermate verbeterd. Die boomstronk
was ongeveer tien voet lang en zijn wortels, die op de watervlakte rustten,
moesten verhinderen dat hij zich onverwacht omkeerde. Wanneer zich geene
geweldige schokken zouden voordoen, dan scheen zijne stabiliteit verzekerd,
hoewel de watermassa met kracht als langs een hellend vlak schoot. Zijne
snelheid kon dan ook gerekend worden op tien mijlen in het uur, en was gelijk
aan die van den bergstroom, die hen meesleepte.

Mathias Sandorf had inmiddels zijne geheele koelbloedigheid teruggekregen. Hij
poogde toen zijn makker, wiens hoofd op zijne knieën rustte, tot bewustzijn terug
te brengen. Hij vergewiste zich dat zijn hart nog klopte, maar hij merkte daarbij
op, dat hij ter nauwernood nog maar adem haalde. Hij bukte zich over hem heen,
sloot zijne lippen op die van zijn vriend en blies zoo meerdere lucht in zijne
longen. Misschien zou de eerste inwerking van de ondergane verstikking nog
geen onherstelbare verwoestingen op de edele deelen aangericht hebben.

En inderdaad, Stephanus Bathory begon zich te bewegen. Diepere en langere
ademhalingen verhieven zijne borstkas en openden zijne lippen. Eindelijk
ontsnapten enkele woorden aan zijn mond.

„Mijne vrouw!.… Mijn zoon!.… Mathias!” [109]

Geheel zijn bestaan lag in die woorden opgesloten.

„Stephanus, hoort ge me?.… hoort ge me?” vroeg graaf Sandorf, die te midden
van het geloei van den bergstroom, hetwelk de gewelven van den Buco vervulde,
schreeuwen moest.

„Ja!.… Ja.…!”

Page 168

„Stephanus!.… Stephanus!.… hoort ge mij?” herhaalde graaf Sandorf, die
wellicht de twee woorden van zijn vriend niet verstaan had.

„Ja!.… Ja!.…” herhaalde deze. „Ik hoor u!.… Spreek!.… Mijne hand in de
uwe!.…”

Nu had Mathias verstaan; want hij had zich voorovergebogen en zijn oor bij den
mond van zijn vriend gebracht.

„Stephanus,” vervolgde hij, „wij zijn niet meer in onmiddellijk gevaar. Wij
hebben een wrakstuk dat ons torscht.… Waarheen?… Dat kan ik niet zeggen.
Maar dat stuk hout zal ons niet ontbreken!”

„Mathias.… en de vestingtoren?.…”

„Daar zijn wij reeds ver van daan! Men zal in de vesting gelooven, dat wij den
dood in de wateren van deze kolk gevonden hebben en men zal er voorzeker niet
aan denken om ons te achtervolgen! Waar die bergstroom ook zijne monding
heeft, in zee of in eene rivier, zal hij ons toch eene uitkomst leveren en wij zullen
dan levend aanlanden. Laat den moed dus niet zinken, Stephanus! Ik waak over
je! Rust nog maar en herneem krachten, want die zult ge weldra noodig hebben.
Binnen weinige uren zijn we gered!.…”

„Gered?.…”

„Ja gered!.… en vrij!”

„Gered en vrij?”

„Ja, voorzeker!”

„En Ladislas?”

Graaf Mathias Sandorf beantwoordde die vraag niet.

Wat zou hij er in Gods naam op hebben kunnen antwoorden?

Page 169

Ladislas Zathmar had slechts tijd gehad om zijne makkers den alarmkreet, dien
hij door het venster der cel geslaakt had, te doen hooren. Onmiddellijk daarop
was hem de vlucht onmogelijk gemaakt. Hij was gegrepen geworden en werd
van toen af streng bewaakt. Als zijne makkers voor hunnen persoon ook in de
mogelijkheid daartoe geweest waren, zouden zij toch niets hebben kunnen
uitrichten.

Stephanus Bathory had zijn hoofd achterover laten vallen. De physieke kracht
ontbrak hem om de loomheid, die hem bevangen had, te overwinnen. Maar
Mathias Sandorf waakte over hem en was op alles voorbereid, zelfs om het
wrakhout te verlaten, wanneer [110]dat tegen een der hinderpalen, die te midden
van de dikke duisternis, welke alom heerschte, niet te voorzien en niet te
vermijden waren, mocht verbrijzeld worden.

Het kon ongeveer twee uur in den morgen zijn, toen de snelheid van den stroom
en dus ook die van den boomstronk aanmerkelijk scheen te minderen.
Ongetwijfeld werd dat onderaardsche kanaal gaandeweg breeder, waardoor de
wateren een meer vrijen doortocht tusschen die rotswanden vonden. Hun gang
was dan ook meer regelmatig. Men mocht daaruit wellicht de gevolgtrekking
maken, dat het uiteinde van dat onderaardsche hol niet ver meer verwijderd kon
zijn.

Maar weken de wanden terzijde uit, dan toonde het gewelf ter zelfder tijd eene
neiging om te dalen. Wanneer graaf Mathias Sandorf de hand ophief, dan raakte
die de onregelmatige krijtlagen en leisteenen, die boven zijn hoofd welfden.
Soms hoorde hij een gedruisch als van eene wrijving … dat was de een of andere
worteltak van den boom, die, loodrecht omhoog staande, met het uiteinde het
gewelf aanraakte. Dan ontstonden hevige schokken, die aan den stam
medegedeeld werden, waardoor deze schommelde en zwaaide en waardoor hij
telkens van richting veranderde. Nu eens lag hij dwars in den stroom, dan weer
draaide hij om zijn lengte-as, dan weer om zijne breedte-as, zoodat de vrees om
er afgesleurd te worden niet ongegrond was.

Toen dat gevaar, hetwelk zich herhaaldelijk voorgedaan had, voorbij was, bleef
er een ander over, waarvan graaf Sandorf alle de gevolgen koelbloedig
berekende. Dat was de waarschijnlijkheid, dat het gewelf der grot van den Buco

Page 170

bleef dalen. De drenkeling had reeds de aanraking met dat rotsgewelf niet anders
kunnen ontwijken, dan door zich plotseling achterover uit te strekken, wanneer
zijne hand eene uitstekende rots ontmoette. Zou men dus weer in den stroom
moeten dompelen? Wat hem betrof, dat zou nog gaan, maar zou hij er in slagen
om ook zijn makker boven water of hem zelfs onder de wateroppervlakte bij zich
te houden? En als dat onderaardsche kanaal zonder bovenruimte zich over een
langen afstand uitstrekte? Zou er dan mogelijkheid bestaan er levend uit te
komen? Neen!… neen!… dat zou onherroepelijk het einde zijn, na zooveel
doodstrijd reeds doorworsteld te hebben.

Hoe geestkrachtvol Mathias Sandorf ook was, hij voelde de doodsangst hem de
keel dichtsnoeren. Hij begreep dat het kritiekste oogenblik, het uiteinde naderde.
De wortels van den boomstam wreven krachtiger tegen de rotssteenen van het
gewelf en soms werd hij met het vooreinde zoodanig onder water geduwd, dat
zijne geheele oppervlakte overstroomd werd. [111]

„Toch kan de uitgang van die spelonk thans niet ver meer zijn!” mompelde graaf
Sandorf in zich zelf.

En dan trachtte hij uit te kijken, of geene lichtstraal daar voor hem uit de dikke
duisternis doorbrak. De nacht zou nu wel reeds zoo ver gevorderd zijn, dat de
duisternis daarbuiten zoo sterk niet meer was. Misschien verlichtten de
bliksemstralen nog het ruim daarbuiten den Buco. In dat geval zou wel een
weinig licht in dit kanaal kunnen indringen, dat de afgevoerd wordende wateren
der Foïba niet meer scheen te kunnen bevatten.

Maar niets! Steeds niets!

Steeds volkomen duisternis.

Steeds het geloei van den bergstroom, welks schuim nog altijd zwart bleef.

Plotseling werd een vreeselijke schok ondervonden. De boomstronk had met zijn
vooreinde tegen een grooten steen, die van het gewelf afhing, gestooten. Onder
dien stoot keerde de boom geheel en al om, maar graaf Sandorf liet hem niet los.
Met de eene hand klemde hij zich wanhopig aan de wortels vast, met de andere
hand had hij zijn makker gegrepen juist op het oogenblik, dat deze op het punt

Page 171

was om medegesleept te worden. Daarna liet hij zich in het water glijden, dat
thans tegen het gewelf brak.

Zoo ging eene minuut voorbij. Mathias Sandorf had een gevoel alsof hij verloren
was. Instinctmatig weerhield hij zijn adem, om het weinigje lucht, dat in zijne
longen nog besloten was, zooveel mogelijk te sparen.

Plotseling ondervond hij te midden van de watermassa, hoewel hij de oogen
gesloten hield, een gevoel, alsof een schel licht op zijne oogleden inwerkte. Een
bliksemstraal had geschitterd en werd onmiddellijk daarop gevolgd door het
geratel van den donder.

Eindelijk!.… daar was licht!

De Foïba had inderdaad dat sombere onderaardsche kanaal verlaten en stroomde
thans onder den blooten hemel. Maar naar welk punt der kust stroomde zij? In
welke zee zou hare monding uitkomen?

Dat was steeds het onoplosbare vraagstuk.

En toch was ’t het vraagstuk van leven en dood.

De boomstam was ook op de wateroppervlakte teruggekomen. Stephanus
Bathory werd steeds stevig vastgehouden door Mathias Sandorf, die er eindelijk
door eene buitengewone krachtsinspanning in slaagde om hem weer op het
wrakstuk uit te strekken en achter hem plaats te nemen.

Daarna keek hij vooruit, rondom zich, boven zich.

Achter hem begon eene zwarte massa in de nevelen te verdwijnen, alsof zij
uitgewischt werd. Dat was de kolossale rotsklomp, die den [112]Buco vormt en
waardoor het onderaardsche hol liep, hetwelk doorgang aan de wateren der Foïba
verleende. De dag werd reeds door een zwak licht aangekondigd, dat in het
zenith waargenomen werd, en nog ijl was als die sterren-nevelvlekken, welke het
oog ter nauwernood gedurende de helderste winternachten kan bespeuren. Van
tijd tot tijd werden de achtergelegen vakken van den gezichteinder door
bliksemstralen verlicht, terwijl de donder statig maar dof rolde. Het onweer

Page 172

verwijderde zich of was uitgeraasd, nadat het al de electrische stof, in het ruim
voorhanden, verbruikt had.

Mathias Sandorf liet zijne blikken niet zonder angst rechts en links rondwaren.
Hij kon toen bemerken, dat de rivier steeds met groote snelheid tusschen steile
rotswanden voortstroomde.

Het was dus eene stroomversnelling, die de vluchtelingen te midden van
stroomingen, tegenstroomingen en kolken medevoerde. Maar het uitspansel, het
oneindige strekte zich boven hun hoofd uit en niet meer dat lage gewelf, hetwelk
hen ieder oogenblik dreigde den schedel te verbrijzelen. Er was evenwel geen
oever, geen strand, waarop zij vasten voet zouden kunnen verkrijgen, zelfs geen
talud, geene helling, waarop zij aan land hadden kunnen gaan. De Foïba was als
het ware tusschen twee steile muren ingekist. Het was een smal kanaal met
loodrechte wanden, die door de wateren glad geschuurd waren.

De laatste indompeling had tot gevolg gehad, om Stephanus Bathory tot
bewustzijn te doen terugkeeren. Zijne hand had die van Mathias Sandorf gezocht
en natuurlijk gevonden.

Deze boog zich over zijn vriend en sprak hem toe:

„Gered!”

Maar.… had hij wel het recht dat woord uit te spreken?

Gered?.… Hij wist niet eens waarheen die bergstroom hen voerde!

Gered?.… Hij wist niet eens door welke landstreek zij dreven!

Gered?.… Hij kon niet weten, wanneer hij dat wrakhout zou kunnen verlaten!

En toch, de graaf was zoodanig door geestkracht bezield, dat hij, terwijl hij zich
overeind op den boomstronk oprichtte, drie malen met krachtige stem dat woord
herhaalde:

„Gered! Gered! Gered!” [113]

Page 173

Page 174

Hij kon toen ontwaren, dat de rivier steeds met groote snelheid tusschen de steile
rotswanden voortstroomde. (Bladz. 112.)

[112]

Ja, die woorden klonken luid. Maar om het even, wie zou ze hier hooren?
Niemand was op de naakte rotsen te ontdekken, waarop zelfs ietwat humus,
ietwat teelaarde ontbrak, en waarop slechts rotssteenen, keien en leisteenen
aangetroffen werden, waar zelfs niet zooveel grond aanwezig was, om eenige
struikjes te voeden. De landstreek, die zich achter die hooge oevernokken
uitstrekte, kon geen enkel menschelijk wezen lokken. Het was eene rampzalige
[114]streek, waardoor de Foïba stroomde, die ingekerkerd was, zooals slechts een
afwateringskanaal tusschen zijne granietmuren kan zijn. Geen enkel beekje
kwam onderweg den stroom voeden. Geen vogel schoor over de watervlakte,
zelfs geen enkele visch waagde zich in die te snelvlietende wateren. Hier en daar
staken boven de oppervlakte groote rotsen uit, welker volkomen droge brokken
genoegzaam aanduidden, dat het heerschende geweld van dien waterstroom
slechts aan eene kortstondige rijzing te danken was, welke door de laatstgevallen
regens veroorzaakt werd.

In gewone tijden kon de bedding der Foïba niets meer dan een diep ingesneden
ravijn zijn.

Het was daarenboven niet te vreezen, dat de boomstronk op de rotstoppen
geworpen werd. Hij vermeed ze uit zichzelven, door den stroomdraad te volgen,
die er omheen voerde. Het zou ook onmogelijk geweest zijn het vervoermiddel
der vluchtelingen uit dien stroomdraad te brengen, ook om zijne snelheid te
remmen, om bijvoorbeeld eenig punt des oevers aan te doen, voor het geval dat
de mogelijkheid bestond om aan wal te gaan.

Zoo ging in die omstandigheden nog een uur voorbij, zonder dat men zich om
een onmiddellijk gevaar had te bekommeren. De laatste bliksemschichten waren
van den hemel verdwenen. In de verte werd van het onweder niets anders
vernomen, dan een dof gerommel, dat door de hoogere wolken, die boven aan het
uitspansel lange vederachtige strepen vormden, afgestompt werd.

Page 175

Het daagde reeds bij de kim en een wit licht bleekte het donkere azuur van de
lucht, die door de nachtelijke buien geheel gezuiverd was.

Stephanus Bathory zat half overeind en rustte in de armen van graaf Sandorf, die
voor hem waakte.

In dit oogenblik werd eene verwijderde losbranding in zuidwestelijke richting
vernomen.

„Wat kan dat zijn?” vroeg Mathias Sandorf zich af. „Is het een kanonschot, dat de
dageraad en de opening van de een of andere haven aankondigt?”

In dat geval zouden zij niet ver van de kust verwijderd zijn. Dat moest hij
erkennen.

Welke haven kon dat wezen? Triëst?

Neen! want daar is het oosten, daar aan dien kant, waar de zon op het punt is te
verschijnen.

Zou het Pola zijn, de haven, die op het zuidelijke uiteinde van Istrië gelegen is?

Maar … dan is …

Een tweede losbarsting weerklonk en werd dadelijk daarop door eene derde
gevolgd. [115]

„Drie kanonschoten?” vroeg graaf Sandorf zich zelven af. „Zou dat het sein niet
eerder zijn van een embargo voor de schepen, die uit zeilen willen?”

En na eenig nadenken, mompelde hij:

„Zou dat in verband staan met onze ontvluchting?”

Dat was inderdaad te vreezen.

De autoriteiten hadden voorzeker geen enkele voorzorg verwaarloosd om de
vluchtelingen het verdere ontsnappen te beletten, wanneer het hun gelukken

Page 176

mocht een vaartuig te bereiken.

„Dat God ons thans te hulp kome!” mompelde graaf Sandorf. „Hij alleen kan ons
helpen!”

De hooge rotswanden, die de Foïba omgaven, begonnen langzamerhand lager te
worden, terwijl zij zich verder van elkander verwijderden. Toch was er nog niets
van het omliggende land te verkennen. Plotselinge buigingen, scherpe hoeken
maskeerden den horizon en begrensden den gezichtskring tot eenige honderden
voeten. Onder die omstandigheden was het oriënteeren totaal onmogelijk.

Het bed der rivier, dat thans zeer verbreed was, bleef steeds stil en eenzaam en
veroorloofde de wateren met minder snelheid voort te stuwen. Eenige
boomstammen, die bovenstrooms ontworteld waren, volgden den stroomdraad
statig en bijna langzaam. Die Juni-ochtend was vrij frisch. De vluchtelingen
klappertandden en bibberden onder hunne doornatte kleeding. Het werd hoog tijd
dat zij eene schuilplaats vonden, waar de zon hunne vodden kon drogen.

Tegen vijf uur werden de laatste uitloopers van het gebergte vervangen door lage
oevers, die zich in eene effen en kale landstreek ontwikkelden. De Foïba liep
toen langs eene bedding, die zeker eene halve mijl breed was en ging weldra in
eene groote uitgestrektheid water over, die den naam van meer of ten minste van
meertje verdiend zou nebben. Geheel aan het uiteinde in het westen werden
eenige visschersvaartuigen ontwaard, sommige nog voor anker liggende, andere
bezig met zeil te zetten om van de lichte morgenbries gebruik te maken; zij
schenen er op te wijzen dat dit meertje een havenkom was, die breed uitgesneden
in de kust voorkwam.

De zee kon dus niet ver meer af zijn, het was dus onze vluchtelingen als
aangewezen om haar op te zoeken. Het zou evenwel niet voorzichtig genoemd
kunnen worden eene schuilplaats aan die visschers te gaan verzoeken. Zich aan
hun toevertrouwen, zou, voor het geval zij van de ontvluchting kennis droegen,
groot gevaar opleveren, om aan de Oostenrijksche maréchaussées, die toch de
landstreek doorzoeken moesten, uitgeleverd te worden.

Page 177

Graaf Mathias Sandorf wist waarachtig niet waartoe te besluiten, toen de
boomstronk tegen een anderen stiet, die ternauwernood [116]met de
wateroppervlakte gelijk bij den linkeroever van het meertje in de modder
vastgeklonken lag en bewegingloos bleef liggen, alsof hij voor anker gekomen
was. Zijne wortels verwarden zich zoo stevig in een boschje struikgewas, dat zij
daarin vast bleven zitten en de boomstronk langs den oever gleed als eene sloep,
die het touw, waarmede zij vastgelegd is, strak loopt.

Graaf Sandorf stapte op den oever over, evenwel niet zonder eenige
voorzorgsmaatregelen genomen te hebben. Hij verzekerde zich, dat niemand hem
kon bespeuren.

Zoo ver zijn blik ook droeg, zag hij geen enkel menschelijk wezen, visscher of
iemand anders op of langs dit gedeelte van het meertje.

En toch lag er een man op het zand op minder dan tweehonderd passen
uitgestrekt, die vandaar de beide vluchtelingen zeer goed kon waarnemen.

Toen graaf Sandorf vermeende, dat hij veilig was, stapte hij weer op den
boomstronk, tilde zijn makker in zijne armen op en lei hem zacht op den oever
neer, steeds zonder iets te weten van de streek, waarin hij zich bevond, noch van
de richting die men zou moeten inslaan.

De uitgestrektheid water, die de Foïba tot monding strekte, was noch een meertje,
noch een meer, maar een haft. Men noemt haar daar ter plaatse het kanaal van
Léma. Het heeft gemeenschap met de Adriatische zee door eene smalle
insnijding, welke tusschen Orsera en Rovigno op de westkust van het Istrische
schiereiland gelegen was. Maar men wist toen niet dat het de wateren der Foïba
waren, die, na de spelonk van den Buco doorstroomd te hebben, dat haft kwamen
voeden.

Op weinige passen van den oever stond eene jagershut. Graaf Sandorf en
Stephanus Bathory traden er in, om eenige rust te genieten en om hunne krachten
te herstellen. Daar ontdeden zij zich van hunne kleederen, die in de stralen van de
warme Juni-zon spoedig zouden gedroogd zijn. Daarna wachtten zij.

Page 178

De visschersvaartuigen hadden het kanaal van Léma verlaten en, zoover het oog
peilen kon, was de kust eenzaam en stil.

In dit oogenblik stond de man, die dat schouwspel gadegeslagen had, op, naderde
de hut, alsof hij er de ligging goed van wilde opnemen; daarna verdween hij in
zuidelijke richting, terwijl hij een ietwat verheven kusthoek omsloeg.

Drie uren later hadden graaf Sandorf en zijn makker hunne kleederen weer
kunnen aantrekken, die evenwel nog vochtig waren. Maar het werd tijd om te
vertrekken.

„Wij kunnen niet langer in die hut blijven,” zei Stephanus Bathory.

„Voelt ge u sterk genoeg om de reis te aanvaarden?” vroeg Mathias Sandorf. [117]

„Ik ben flauw en uitgeput door den honger.”

„Laten wij de kuststrook volgen. Wellicht dat wij er in slagen ons eenig voedsel
te verschaffen, ook om ons in te schepen! Kom, Stephanus!”

Beiden verlieten de hut, maar gevoelden zich klaarblijkelijk meer verzwakt door
de ontbering dan door de vermoeienis.

Het plan van graaf Sandorf was, om den zuidelijken oever van het kanaal van
Léma te volgen, teneinde de zeekust te bereiken.

Maar was ook al de landstreek eenzaam en verlaten, zoo krioelde zij toch van
beken, die allen naar het haft stroomden. Onder den invloed van dat vochtige net,
was dit gedeelte van den oever slechts een vast moeras, waarvan de papachtige
bodem geen enkel steunpunt aanbood. Men moest dat dus omtrekken door
zuidwaarts af te houden. Die richting was gemakkelijk waar te nemen bij de
klimmende baan der zon. De vluchtelingen schreden zoo gedurende twee uren
voort, zonder een enkel menschelijk wezen te ontmoeten, maar ook zonder den
honger, die hen teisterde, te kunnen stillen.

Later werd het land langzamerhand minder schraal. Een weg vertoonde zich, die
van het oosten naar het westen liep. De vluchtelingen bespeurden een mijlsteen,

Page 179

die niets omtrent de landstreek, waarin zich graaf Sandorf en Stephanus Bathory
blindelings waagden, te kennen gaf. Evenwel eenige moerbeziënheggen en
verder een sorgho-veld veroorloofde hen zoo niet hunnen honger te stillen, dan
toch de behoefte van hun maag bedriegelijk tevreden te stellen. De rauwe sorgho,
die zoo maar uit de vuist verorberd werd, de frissche moerbeien waren evenwel
voldoende om te beletten van honger neer te vallen, vóórdat zij de kust bereikt
hadden.

Maar nu die landstreek meer bewoonbaar werd, nu eenige akkers bewezen dat
een menschenhand aan het werk geweest was, nu moest men ook verwachten
bewoners te ontmoeten.

Dat gebeurde inderdaad zoo tegen het middaguur.

Vijf of zes voetgangers verschenen op den weg. Voorzichtigheidshalve wilde
graaf Mathias Sandorf zich niet laten bemerken. Gelukkig ontwaarde hij eene
heining om den bouwval van eene pachthoeve, die op ongeveer vijftig passen ter
linkerzij van den weg gelegen was. Daar vonden hij en zijn makker, nog vóórdat
zij ontdekt waren, eene schuilplaats in een donker vertrek. Er bestond veel kans,
dat zij niet ontdekt werden wanneer de een of andere voorbijganger bij die
pachthoeve stil hield, en zij konden er desnoods, tot de nacht ingevallen was,
blijven.

Die voetgangers waren boeren en zoutvervaardigers. De meesten hunner dreven
troepen ganzen naar de markt van eene stad of van een dorp, dat niet ver
verwijderd van het kanaal van Léma lag. [118]Mannen en vrouwen waren volgens
de Istrische mode gekleed met de juweelen, medailles, oorbellen, borstkruizen,
horlogekettingen met aanhangselen, die de kleederdrachten der beide geslachten
versierden. Wat de zoutvervaardigers betrof, zij waren eenvoudig gekleed; zij
droegen een randsel op den rug, een knuppel in de hand, en begaven zich naar de
naburige zoutpannen, wellicht naar de meer belangrijke te Stagnon of te Pirano,
in het westen van de provincie gelegen.

Sommigen stonden, bij de pachthoeve aangekomen, een oogenblik stil, anderen
zetten zich op den drempel neder en praatten niet zonder levendigheid met
elkander, evenwel slechts over zaken, die op hunnen handel betrekking hadden.

Page 180

De beide vluchtelingen, in hun hoek verscholen, luisterden.

Misschien droegen die lieden reeds kennis van hunne ontvluchting en zouden zij
er over praten.

Misschien zouden zij zich ook woorden laten ontvallen, waaruit graaf Sandorf
kon opmaken in welke landstreek van Istrië zijn makker en hij zich bevonden.

Geen enkel woord evenwel werd over dat onderwerp gewisseld en men moest
zich dus steeds met gissingen tevreden stellen.

„Daar de lieden over onze ontvluchting niet spreken,” zei graaf Sandorf, „valt
daaruit op te maken, dat zij nog niet ter hunner kennis gekomen is.”

„Dat zou als bewijs kunnen opgenomen worden, dat wij reeds ver van de vesting
verwijderd zijn.”

„Ja, zeker!”

„Rekent men de snelheid van den bergstroom, die ons door zijn onderaardsche
gang gedurende zes volle uren meesleurde, dan kunnen wij er niet verbaasd over
zijn.”

„Neen zeker niet!” antwoordde graaf Sandorf.

„En het moet zoo zijn,” sprak Bathory.

Evenwel twee uren later hoorden zij eenige zoutvervaardigers, die de pachthoeve
voorbij stapten, zonder zich op te houden, praten over eene brigade
maréchaussées, die zij bij de poort van de stad ontmoet hadden.

Welke stad?.…

Die werd niet genoemd.

Dat bericht was volstrekt niet geschikt, om onze vluchtelingen gerust te stellen.

Page 181

Wanneer maréchaussées de streek doorkruisten, dan was dat waarschijnlijk met
het doel om hen op te sporen.

„En toch,” zei Stephanus Bathory, „naar de omstandigheden, waaronder wij
ontsnapt zijn, moet men meenen dat wij dood zijn en van eene opsporing
afzien.…” [119]

„Men zal slechts aan onzen dood gelooven, wanneer men onze lijken gevonden
zal hebben,” antwoordde Mathias Sandorf.

Hoe het ook zij, dat was buiten kijf, dat de politie op de been was en de
vluchtelingen zocht. Zij besloten dan ook om in de pachthoeve verscholen te
blijven, totdat de nacht ingevallen zou zijn. De honger kwelde hen; maar zij
durfden hunne schuilplaats niet verlaten en daar deden zij goed aan.

Dien avond tegen vijf uren, naderde inderdaad een kleine ruiterbende. Men kon
den hoefslag op den weg hooren weerklinken.

Graaf Sandorf, die, over den grond kruipende, de deur van de omheining
genaderd was, keerde haastig naar zijn makker weder en trok hem met zich voort
tot in den donkersten hoek van het vertrek.

Daar schuilden beiden onder een hoop struiken weg en hielden zich zoo
onbewegelijk mogelijk.

Een zestal maréchaussées, aangevoerd door een brigadier, reden langs den weg
en richtten zich oostwaarts. „Zouden zij bij de pachthoeve stil houden?” vroeg
graaf Sandorf zich niet zonder angst af. Wanneer de maréchaussées dien bouwval
doorzochten, dan kon het niet missen, of zij moesten de verscholenen ontdekken.

Zij hielden bij die plaats stil. De brigadier commandeerde halt. Twee
maréchaussées en hij stegen van het paard, terwijl de anderen in het zadel bleven.

Deze kregen bevel om de streek in de nabijheid van het kanaal van Léma te
doorzoeken en daarna op de pachthoeve terug te trekken, waar men hen tot des
avonds zeven uren wachten zou.

Page 182

De vier maréchaussées verwijderden zich en reden den weg op. De brigadier en
de twee anderen bonden hunne paarden aan de spijlen van een half vergane
omheining vast, die de pachthoeve omgaf. Daarna gingen zij buiten het gebouw
zitten en begonnen te praten. De vluchtelingen konden van uit het vertrek, waar
zij verscholen waren, alles hooren.

„Ja, hedenavond moeten wij naar de stad terugkeeren,” antwoordde de brigadier
op eene vraag, die door een zijner maréchaussées gedaan was. „Daar zullen wij
instructies voor den nachtdienst erlangen. De telegraaf zal waarschijnlijk wel
nieuws van Triëst aangebracht hebben.”

De besproken stad was dus Triëst niet. Dat was eene bijzonderheid, die graaf
Sandorf niet ontging.

„Is het niet te vreezen, dat de vluchtelingen, terwijl wij hen hier zoeken, het
kanaal van Quernaro bereikt hebben?” vroeg een der maréchaussées.

„Dat’s zeer goed mogelijk,” antwoordde de andere.

„Waarom?” vroeg de brigadier. [120]

„Omdat zij daar beter in veiligheid zijn dan hier.”

„Als zij daarheen getrokken zijn, loopen zij hetzelfde gevaar om ontdekt te
worden als hier.”

„Meent ge, brigadier?”

„Voorzeker; want de geheele kust van het eene einde van de provincie tot het
andere wordt bewaakt.”

Een tweede bijzonderheid, die niet vergeten mocht worden. Graaf Sandorf en zijn
makker bevonden zich dus wel degelijk op de westkust van Istrië, dat wil zeggen
bij den oever van de Adriatische zee en niet op den oever van het
tegenovergelegen kanaal, dat tot Fiuma en waarschijnlijk verder reikt.

„Ik denk dat men ook wel nasporingen in de zoutpannen van Pirano en van Capo
d’Istria zal verrichten,” hernam de brigadier. „Men kan zich daar gemakkelijker

Page 183

schuil houden, en een vaartuig bemachtigen om de Adriatische zee over te
steken.”

„Ho, ho! brigadier!” riep een der maréchaussées uit.

„Rimini of Venetië zijn niet ver.”

„Zij hadden beter gedaan, stil den dood in hunne cel af te wachten,” antwoordde
de andere maréchaussée wijsgeerig.

„Ja”, meende de andere, „vroeg of laat zal men hen toch wel snappen, als men
hunne lijken niet uit den Buco opvischt! Dan was het uit. En dan hadden wij bij
die hitte het land niet af te loopen, wat geen baantje is.”

„En wie zegt je dat het niet uit is?” hernam de brigadier. „De Foïba heeft zich
waarschijnlijk belast met de terechtstelling, en de veroordeelden konden geen
slechteren weg dan dien kiezen om uit den vestingtoren van de citatel van Pisino
te geraken, dan toen de wateren zoo gezwollen waren!”

De Foïba, dat was dus de naam der rivier, die graaf Sandorf en zijn lotgenoot
meêgesleurd had.

De citadel van Pisino, dat was de vesting waarin zij, na hunne gevangenneming,
gekerkerd, verhoord en veroordeeld waren!

Daar was het, dat zij zouden zijn doodgeschoten.

Het was uit den vestingtoren van die citadel, dat zij ontsnapt waren!

Graaf Sandorf kende de stad Pisino goed. Hij was dus omtrent dit voor hen zoo
belangrijke punt ingelicht en het zou alzoo aan het toeval overgelaten moeten
worden, hoe en waarheen zij het Istrische schiereiland doortrekken zouden,
wanneer namelijk de vlucht nog mogelijk geoordeeld werd.

Het gesprek der maréchaussées ging niet verder; maar door die weinige woorden
hadden de vluchtelingen alles vernomen wat belangrijk voor hen was te weten.
Alleen hadden zij nog niet [122]vernomen, welke stad het meest nabij het kanaal
van Léma op de kust van de Adriatische zee gelegen was. [121]

Page 184

Page 185

Nu ik weet wat er van aan is, zou het mij niet verwonderen, wanneer dat de
vluchtelingen waren. (Bladz. 123.)

[122]

De brigadier was intusschen opgestaan. Hij stapte langs de omheining van de
pachthoeve op en neer en keek of de uitgezonden manschappen nog niet
terugkwamen. Hij trad twee of drie malen in de bouwvallige woning en bezocht
er al de kamers van, eer uit gewoonte aan zijn vak eigen, dan uit achterdocht. Hij
kwam zelfs tot bij de deur van het vertrek, waarin de vluchtelingen zaten, en zij
zouden zeker ontdekt zijn, wanneer er geen dikke duisternis geheerscht had. De
brigadier trad zelfs binnen en raakte met het benedeneinde van zijn sabelschede
lichtelijk den hoop struiken aan, waaronder zij verscholen waren. In dit
oogenblik ondervonden graaf Mathias Sandorf en Stephanus Bathory eene
afwisselende reeks van angstige gevoelens, die onmogelijk te beschrijven zijn.

Zij waren evenwel vast besloten om hun leven zoo nadrukkelijk mogelijk te
verdedigen, wanneer zij zouden ontdekt worden. O, in dat geval zouden zij voor
niets terugdeinzen. Zij zouden zich dan op den brigadier werpen, zij zouden dan
van zijne verrassing en schrik gebruik maken om hem zijne wapens te ontrukken,
zij zouden hem en zijne manschappen aanvallen, hen dooden of zelf vallen. Dat
alles dwarrelde door hun brein.

De brigadier werd evenwel een oogenblik later naar buiten geroepen, zoodat hij
het vertrek verliet, zonder er iets verdachts bespeurd te hebben. De vier
maréchaussées, die op verkenning uitgezonden werden, waren op de pachthoeve
teruggekeerd. In weerwil van hunnen ijver, hadden zij van de vluchtelingen geen
spoor ontdekt in die geheele streek, besloten tusschen de kust en het kanaal van
Léma. Zij kwamen evenwel niet alleen terug. Een man vergezelde hen.

Dat was een Spanjool, die dagelijks in de zoutpannen in den omtrek arbeidde. Hij
was op weg om naar de stad terug te keeren, toen de maréchaussées hem ontmoet
hadden. Daar hij hen vertelde dat hij de landstreek tusschen de stad en de
zoutpannen doorgetrokken was, besloten zij hem bij hunnen brigadier te brengen,
opdat deze hem zou kunnen ondervragen.

Die man weigerde volstrekt niet om hen te volgen.

Page 186

Toen hij in de tegenwoordigheid van den brigadier gekomen was, vroeg deze
hem of hij of andere zoutmakers de aanwezigheid van twee vreemde personen
opgemerkt hadden.

„Neen, brigadier,” antwoordde de man, „maar heden ochtend, een uur nadat ik de
stad verlaten had, heb ik twee mannen waargenomen, die bij de punt van het
kanaal van Léma aan wal kwamen.

„Twee mannen, zegt ge?” vroeg de brigadier. [123]

„Ja; maar daar men in den omtrek meende dat de terechtstelling hedenochtend in
de vesting van Pisino had plaats gehad en daar men van de ontsnapping nog niets
wist, heb ik geene aandacht aan die mannen gewijd. Nu ik weet wat er van aan is,
zou het mij niet verwonderen, wanneer dat de vluchtelingen waren.”

Graaf Sandorf en Stephanus, steeds in hun donker vertrek verscholen, hoorden
woord voor woord dat gesprek, hetwelk zoo belangrijk voor hen was. Dus op het
oogenblik, dat zij op den oever van het kanaal Léma voet aan wal zetten, waren
zij bespeurd geworden.

„Hoe heet ge?” vroeg de brigadier.

„Ik?”

„Ja, gij.”

„Wat hebt ge met mijn naam te maken? Ik ben niet ontvlucht.”

„Om het even. Ik moet dien weten.”

„Welnu, ik heet Carpena.”

„En uw beroep?”

„Mijn beroep?” vroeg Carpena aarzelend.

„Ja, uw beroep. Kom, maak voort.”

Page 187

„Ik ben arbeider in de zoutpannen van dit land.”

„Uw geboorteland?”

„Wat hebt ge daar toch mee te maken?”

„Antwoord slechts, het waarom gaat u niet aan.”

„Welnu, ik ben Spanjaard.”

„Waar geboren?”

„Te Catana, eene plaats aan de Middellandsche Zee.”

De brigadier, die schrijfgereedschap voor den dag gehaald had, teekende dat alles
op.

„Zoudt gij die mannen herkennen?” ging hij voort met vragen.

„Welke mannen?”

„Houd je nu niet dom. Die mannen, die ge hedenochtend op den oever van het
kanaal van Léma gezien hebt?”

„Herkennen?.… Dat is maar zoo wat.”

„Herinner je goed.”

„Ik heb hen zoo niet gadegeslagen.”

„Kom, met wat goeden wil.”

„Nu, ik meen ja.”

„Ja, wat?”

„Dat ik ze herkennen zou.”

Page 188

„Welnu, dan moet ge naar de stad gaan en daar uwe verklaring bij de politie
afleggen en u ter harer beschikking stellen.

„Maar.…”

„Doe wat ik je beveel.”

„Ik zal het doen.” [124]

„Weet ge dat er vijfduizend gulden belooning uitgeloofd zijn …”

„Vijfduizend guldens,” vroeg Carpena verbaasd.

„Ja, vijfduizend gulden, voor hem die de vluchtelingen opspoort”.

„Het is een mooie som,” sprak de Spanjaard met hebzuchtige stem.

„En de galeien voor hem, die hen eene schuilplaats verleent.”

„Drommels, dat is geen gekheid.”

„Neen, zeker niet.”

„Het is goed dat ik het weet.”

„Ga nu,” zei de brigadier.

„Maar die vijfduizend guldens.…”

„Kom, geen praatjes,” zei de vertegenwoordiger der openbare macht, „ga nu
dadelijk naar de stad.”

De mededeeling door den Spanjaard gedaan, had tot dadelijk gevolg dat de
maréchaussées zich verwijderden.

De brigadier gelastte zijne manschappen om op te stijgen. Daarna vertrok hij, in
weerwil dat de nacht reeds ingevallen was, om de boorden van het kanaal van
Léma meer nauwgezet te gaan doorzoeken.

Page 189

Wat Carpena betrof, deze ging dadelijk den weg naar de stad op, terwijl hij in
zichzelven mompelde, dat met een beetje geluk, de gevangenneming van de
vluchtelingen hem een aardige som geld kon opbrengen, die wel op den inboedel
van graaf Sandorf gevonden zou worden.

Mathias Sandorf en Stephanus Bathory bleven evenwel nog een geruimen tijd
verscholen en verlieten het donkere vertrek niet, dat hun tot schuilplaats gestrekt
had.

Zij dachten na. En daarvoor bestonden waarlijk alle redenen. De maréchaussées
zaten hen achterna, zij waren gezien geworden en konden herkend worden. De
Istrische provinciën boden hun dus geene veiligheid aan. Zij moesten derhalve
dit land binnen den kortst mogelijken tijd verlaten, hetzij door de Adriatische zee
over te steken om zich naar Italië te begeven, hetzij door Dalmatië en de militaire
grenzen door te trekken, om zoo buiten de landpalen van Oostenrijk te geraken.

Het eerste plan bood veel meer kansen van welslagen aan, wanneer namelijk de
vluchtelingen zich van een vaartuig konden meester maken, of dat zij den een of
anderen visscher konden overreden om hen naar de Italiaansche kust over te
zetten.

Dat plan werd dan ook aangenomen en tot die poging besloten.

Om dat ten uitvoer te brengen, richtten graaf Mathias Sandorf en Stephanus
Bathory zich, nadat zij tegen half acht ongeveer, toen de duisternis dik genoeg
was, den bouwval van de pachthoeve verlaten hadden, westwaarts, met het doel
om de kust van de [125]Adriatische zee te bereiken. Zij waren reeds dadelijk
verplicht om den weg te volgen, ten einde niet in de moerassen van de Léma te
geraken.

Wanneer zij evenwel die hun onbekende baan volgden, zouden zij dan niet in de
stad terecht komen, die natuurlijk in verbinding stond met het binnenland van
Istrië?

Gingen zij daardoor niet het grootste gevaar tegemoet?

Zeker, was het dat. Maar hoe konden zij anders handelen?

Page 190

Het was omstreeks negen uur, toen de zwarte omtrekken eener stad zich
ongeveer op een kwartmijl afstand in het donker voordeden. Het zou moeilijk
geweest zijn dat niet te ontwaren.

Het was eene opeenhooping van huizen, die zich lomp verhieven op eene
rotsmassa, die de zee beheerschte als ook een havenkom, die diep in de kust
ingesneden was. Het geheel werd beheerscht door een soort vlot, dat zich, in
somberen stijl gebouwd, vertoonde en waaraan de duisternis onmogelijke
afmetingen verleende.

Mathias Sandorf was vast besloten om die stad niet binnen te treden, waar de
aankomst van beide vreemdelingen dadelijk bekend zoude worden.

Het kwam er dus op aan om haar om te trekken, om zoo mogelijk een der
kustpunten te bereiken.

Maar dat kon niet uitgevoerd worden, zonder dat de beide vluchtelingen buiten
hun medeweten gevolgd werden door dienzelfden man, die hen reeds op den
oever van het kanaal van Léma bespied had, toen zij voet aan wal zetten. Dat was
dezelfde Carpena, wiens verklaring aan den brigadier van de maréchaussées zij
hadden hooren afleggen. Inderdaad had de Spanjaard, verlekkerd door de
uitgeloofde premie, zich ter zijde opgesteld, toen hij naar huis wilde terugkeeren,
om zoo den weg beter waar te nemen. Het toeval was hem gunstig, voor de arme
vluchtelingen echter ongunstig geweest; want het lot had hem op het spoor der
rampzaligen gebracht.

In hetzelfde oogenblik bijna dreigde een bende politie-agenten, die door een der
stadspoorten naar buiten stapten, de vluchtelingen den weg af te snijden. Zij
hadden ternauwernood den tijd om zich ter zijde te werpen. Daarna richtten zij
zich ijlings naar het strand, daarbij den buitenmuur der buitenhaven volgende.

Daar stond eene bescheiden visschershut met hare kleine vensters, waardoor het
licht scheen. De deur stond op een kier open.

Wanneer Mathias Sandorf en Stephanus Bathory daar geene schuilplaats vonden,
wanneer men weigerde hen op te nemen, dan waren zij reddeloos verloren.

Page 191

Daarin eene toevlucht zoeken, was waarlijk alles op één worp wagen! [126]

Maar konden zij, mochten zij in de omstandigheden, waarin zij zich bevonden,
aarzelen?

Graaf Sandorf en zijn lotgenoot liepen naar de deur toe en bleven op den drempel
stil staan.

In het binnenvertrek hield een man zich onledig bij het scherpe licht eener
lantaarn, met het herstellen van netten. Hij scheen bij zijn werk te mijmeren;
want hij schrikte als het ware op toen eene stem zich liet hooren:

„Vriend.…” sprak graaf Sandorf.

„Wat.… wat is er?”

„Vriend, hoe heet deze stad?”

„Deze stad?”

„Ja.”

„Dat is Rovigno.”

„In wiens huis zijn wij hier?”

„Waarom wilt gij dat weten?”

„Zeg het ons maar.”

„Als ik u daarmede genoegen kan doen?.…”

„Voorzeker, doet ge dat.”

„Wel, ik heet Andreas Ferrato.”

„Wat is uw beroep?”

„Ik ben visscher en dit huis is het mijne.”

Page 192

Dat werd met eene onnavolgbare kalmte en fierheid gezegd. Een vorst zou met
niet meer waardigheid het: ik ben koning hebben kunnen uitspreken. Toch
geschiedde het met den meesten eenvoud en natuurlijkheid.

„Zou de visscher Andreas Ferrato ons voor dezen nacht een onderdak willen
verleenen?”

Andreas Ferrato keek hen met een doordringenden blik aan. Daarna stond hij op,
stapte, naar de deur en keek naar buiten. In dat ondeelbare oogenblik bespeurde
hij de bende politie-agenten, die den hoek van den havenmuur omsloegen. Toen
raadde, toen begreep hij ongetwijfeld alles. Hij zag in wie zij waren, die hem
gastvrijheid afsmeekten. Hij zag met een oogopslag, dat wanneer hij eene
seconde draalde met hun te antwoorden, die mannen verloren waren.

„Komt binnen,” sprak hij.

De twee vluchtelingen haastten zich intusschen niet om dien deurdrempel te
overschrijden.

„Vriend,” zei graaf Sandorf.…

„Wat is er? Ik zeg u om binnen te komen.”

„Vriend, er zijn vijfduizend gulden belooning uitgeloofd aan hem, die de
gevangenen, welke den vestingtoren van Pisino ontvlucht zijn, uitlevert.” [127]

„Ik weet dit.”

„De galeien staan er op, voor hem die hun eene toevlucht verleent.”

„De galeien?”

„Ja, vriend, de galeien!”

„Ik weet dit.”

„Gij kunt ons overleveren.…”

Page 193

„Ik?.…”

„De som is niet gering.…”

„Ik!.… een verrader!.…”

„En het gevaar is groot!.…”

„Ik heb u gezegd: komt binnen, ik herhaal die uitnoodiging!” antwoordde de
visscher.

Beiden traden binnen.

Andreas Ferrato sloot juist zijne deur dicht, toen de bende politiedienaren zijn
huis voorbijtrokken.

Page 194

[Inhoud]

Page 195

VIII.

Page 196

DE HUT VAN DEN VISSCHER FERRATO.
Andreas Ferrato was Corsicaan van oorsprong en geboren te Santa Manza, eene
kleine havenplaats in het arrondissement Sartène, die achter eene ombuiging van
de zuidelijke punt van het eiland gelegen was.

De havenplaats met die van Bastia en die van Porto Vecchio waren de eenigen,
die ettelijke duizenden jaren geleden toegang tot de oostkust van het eiland
gaven, welks kustlijn daar toen zoo grillig en fantastisch ingesneden was, maar
die nu meer effen geworden is door het voortdurend afknabbelen èn door de
bergstroomen èn door de zeegolven, die allengs de voorgebergten en kapen
hebben doen instorten en hen verzwolgen, waardoor zijne baaien en kreeken
uitgewischt werden.

Het was daar te Santa Manza dat Andreas Ferrato, op dat gedeelte der
Middellandsche zee, hetwelk zich tusschen Corsica en het Italiaansche vasteland
uitstrekt, zijn visschersbedrijf uitoefende. Hij waagde zich soms te midden van
de rotsen van de Straat van Bonifacio op de kusten van Sardinië.

Het visschersbedrijf is een ruw, moeitevol leven, vooral wanneer de
koraalvisscherij aan de vischvangst gepaard gaat. De koralen [128]toch moeten op
de onderzeesche banken op de slechtste plaatsen van de Straat of van de
zeeëngten gezocht worden.

Maar Andreas Ferrato was een moedige kerel, die bovendien stevig gebouwd en
onvermoeibaar was. Hij wist zich even behendig van zijne vischnetten te
bedienen, als van zijne dreg. Zijne zaken bloeiden dan ook. En geen wonder!
Zijne vrouw was arbeidzaam en schrander, en stond als eene ware heldin aan het
hoofd van het kleine gezin van Santa Manza. Beiden konden lezen, schrijven en
rekenen en waren bijgevolg betrekkelijk goed onderwezen, althans wanneer men
hen vergeleek met de honderd vijftig duizend ongeletterden, die nog steeds door
de statistiek opgegeven worden onder de twee honderd zestig duizend bewoners
van het eiland.

Page 197

Bovendien was Andreas Ferrato—misschien wel tengevolge van die meerdere
kennis—in zijne denkbeelden en in zijn hart zeer Franschgezind, hoewel hij,
zooals zijn naam reeds aanduidt en zooals trouwens alle Corsicanen zijn, van
Italiaanschen oorsprong was. Die Franschgezindheid had hem op dat tijdstip
menige vijandschap in het kanton op den hals gehaald.

Dat kanton, dat op het zuidelijk uiteinde van het eiland, ver van Bastia, ver van
Ajaccio, ver van de administratieve en rechterlijke middelpunten gelegen is, moet
inderdaad als zeer weerstrevend wegens ieder die niet Italiaansch of Sardinisch
gezind is, beschouwd worden. Dit is eene betreurenswaardige staat van zaken,
die niet eindigen zal dan tengevolge van eene betere opvoeding der latere
geslachten.

Zooals gezegd is, bestond er steeds eene verborgen vijandschap jegens het gezin
Ferrato. Nu is op Corsica de afstand tusschen vijandschap en haat niet groot en
van haat tot gewelddadigheden is hij nog minder. Eenige omstandigheden
verergerden dien toestand nog.

Op een dag dat Andreas Ferrato zijn geduld uitgeput gevoelde, had hij in eene
opwelling van drift en toorn, eene „huid gesneden,” een „knoopsgat gemaakt.”
Hij doodde een schavuit uit die streek, maar … was toen verplicht te vluchten.

Andreas Ferrato was er evenwel de man niet naar om zich in de bergen te
verschuilen, om daar in dagelijkschen strijd te leven zoowel tegen de politie als
tegen de verwanten, makkers en vrienden van den gedoodde, en daardoor de
reeks wraaknemingen, die ook de zijnen zouden treffen, te vergrooten. Hij
besloot dadelijk om zijn vaderland te verlaten. Hij vertrok heimelijk van Corsica,
om eene schuilplaats op de Sardinische kust te zoeken. Toen zijne vrouw hunne
geringe bezittingen had te gelde gemaakt, het huis overgedaan en de meubels, het
vaartuig en vischnetten verkocht had, vertrok zij ook derwaarts met hare dochter.
[129]

Page 198

Page 199

„Voor alles moet gij thans eten, nietwaar?” vroeg Andreas Ferrato. (Bladz. 132.)

[130]

Andreas Ferrato had het besluit genomen, om nooit meer in zijn vaderland terug
te keeren.

Daarenboven drukte die moord, hoewel hij uit zelfverdediging geschied was, het
geweten van Andreas Ferrato. Met zijn eenigszins bijgeloovig karakter, zijnen
landaard zoo eigen, stelde hij zich tot taak die daad te vergoeden. Hij meende dat
de moord van dien man hem niet zou vergeven worden, dan wanneer hij het
leven van een ander mensch met gevaar van zijn eigen bestaan zou gered hebben.
En hij was vast besloten dat te doen, wanneer de gelegenheid zich daartoe zou
aanbieden.

Andreas Ferrato was evenwel, nadat hij Corsica verlaten had, slechts korten tijd
in Sardinië gebleven, waar hij gemakkelijk ontdekt en herkend kon worden. Hij
was een moedig en geestkrachtvol man. Hij beefde dan niet voor zijn persoon,
maar wel voor de zijnen, die door de weerwraak van de verwanten van den
verslagene getroffen konden worden.

Hij wachtte het oogenblik af, dat hij zich verwijderen kon, zonder achterdocht op
te wekken, en trok toen Italië door. Toen hij te Ancona aangekomen was, deed
zich eene gelegenheid voor om de Adriatische zee over te steken en de Istrische
kust te bereiken. Hij nam haar gretig waar.

Ziedaar de redenen waarom en de omstandigheden waarin die Corsicaan zich bij
de kleine havenplaats Rovigno gevestigd had. Hij woonde daar sedert zeventien
jaren, en had er het visschersbedrijf hervat. Dat had tengevolge dat hij de vroeger
genoten gegoedheid terug verdiende. Negen jaren na zijne aankomst was hem
een zoon geboren, die Luigi genoemd werd, en wiens geboorte zijne moeder het
leven kostte.

Sedert hij weduwnaar was, leefde Andreas Ferrato slechts voor zijne dochter en
zijn zoon. Maria was toen achttien jaren oud en strekte den jongeren broeder, die
toen zijn achtste jaar bereikte, tot moeder. En ware het de droefheid niet geweest,
van zijne wakkere levensgezellin verloren te hebben, die zich steeds nijpend deed

Page 200

gevoelen, dan zou die visscher van Rovigno zoo gelukkig geweest zijn als
iemand het kan zijn, die door zijn arbeid zijn brood verdient en die de
genoegdoening gevoelt zijnen plicht gedaan te hebben.

De lezer weet dat hij ten rechte geroemd werd als zeer behendig in het uitoefenen
van zijn handwerk. Te midden van die lange rijen rotsen, die de stranden van
Istrië dekken, had hij zijne vischvangst in de baai Santa Manza of in de Straat
van Bonifacio niet te betreuren. Daarenboven was hij goed bekend geworden in
die streek, waar dezelfde taal als in Corsica gesproken werd. [131]

De voordeelen, welke hij behaalde door schepen te loodsen op de kust van Pola
af tot Triëst, werden nog vermeerderd met de verdiensten van het visschersbedrijf
in die vischrijke wateren. In zijn huis vonden de arme lieden dan ook altijd een
onderkomen of een goede aalmoes, en in die liefdadigheidswerken werd hij
zooveel slechts mogelijk was geholpen door zijne dochter Maria.

Maar de visscher van Santa Manza vergat daardoor de gelofte niet, die hij weleer
afgelegd had: leven om leven! Hij had het leven aan een wezen ontnomen; hij
zou het leven van anderen redden. Ziedaar de reden waarom hij zonder de minste
aarzeling tot de vreemdelingen zei: „Komt binnen,” toen zij zich aan zijne deur
vertoonden, hoewel hij raadde wie zij waren en hoewel hij wist aan welke straf
hij zich blootstelde.

Ja, dat „komt binnen” had hij flinkweg uitgesproken; maar in zijn binnenste had
hij er bijgevoegd:

„En dat God ons onder Zijne hoede neme!”

Intusschen was de bende politie-agenten de deur van het huis van Andreas
Ferrato voorbijgestapt, zonder er op te houden. Graaf Mathias Sandorf en
Stephanus Bathory konden dus meenen dat zij voor ettelijke nachtelijke uren in
het huis van den Corsicaanschen visscher in betrekkelijke veiligheid waren.

Dat huis was niet in de stad gebouwd, maar op een afstand van ongeveer
vijfhonderd passen van de stadsmuren en buiten de haven, op eene rotsbedding,
die het strand beheerschte. Daar buiten die strook, waar, op minder dan eene
kabellengte, de golven tegen de klippen van het kustland braken, strekte zich de

Page 201

onmetelijke gezichteinder der zee uit. Naar den kant van het zuidwesten werd het
voorgebergte ontwaard, dat in een afgeronde en omgebogen punt eindigde en
door welker kromming de kleine reede van Rovigno op de Adriatische Zee
omsloten wordt.

Het geheele huis van Andreas Ferrato bevatte slechts eene gelijkvloers
verdieping, die bestond uit vier kamers, twee aan de voorgevelzijde en twee aan
den achterkant, en een getralied houten bijgebouwtje, waarin men de
gereedschappen tot de vischvangst opborg.

Zijn visschersboot was een soort logger, slechts voorzien van één mast. Dat
vaartuig was dertig voet lang, maar had een breeden bijna vierkanten voorsteven,
hetgeen voor de koraalvisscherij met de dreg zeer gemakkelijk was. Wanneer het
vaartuig niet gebezigd werd, lag het binnen en volkomen vrij van de rotsen
geankerd, en werd de gemeenschap met den wal onderhouden door eene kleine
jol, die thans aan het strand op het droge getrokken was.

Achter dat huis strekte zich een omheinde tuin van een halven bunder uit, waarin
eenige groenten te midden van moerbeziënboomen, olijfboomen en van
wijnstokken geteeld werden. Eene [132]dichte heg scheidde dien tuin van eene
beek, die vijf of zes voeten breed was en de grens aan den kant van het veld
vormde.

Ziedaar de nederige gastvrije woning, waarin de Voorzienigheid de vluchtelingen
gevoerd had.

Ziedaar de gastheer, die zijne vrijheid waagde, om hun een toevluchtsoord te
verschaffen.

Zoodra de deur achter hen dicht gesloten was, keken graaf Sandorf en Stephanus
Bathory rond in de kamer, waarin de visscher hen ontvangen had.

Dat was wel het voornaamste vertrek van de geheele woning. Het was slechts
spaarzaam gemeubeld; maar wat er in stond, was zindelijk onderhouden en
duidde de hand en den smaak aan van eene degelijke en zorgzame huisvrouw.

„Vóór alles moet gij thans eten, niet waar?” vroeg Andreas Ferrato.

Page 202

„Ja, wij sterven van honger,” antwoordde graaf Sandorf. „Wij hebben
hoegenaamd geen voedsel in de laatste vier en twintig uren gehad.”

„Ge hoort het, Maria?” hernam de visscher.

„Ja, vader,” sprak het meisje.

En een oogenblik later had zij een stuk gezouten varkensvleesch, een schotel
gekookte visch, eene flinke portie brood, een flesch landwijn met twee glazen,
een schoteltje rozijnen, een helder wit tafellaken en twee borden met de noodige
vorken en messen op de tafel geplaatst.

Een „reglione,” eene soort olielamp met drie pitten, verlichtte het vertrek.

Graaf Sandorf en Stephanus Bathory namen dadelijk aan tafel plaats. Zij waren
waarlijk op het punt van in onmacht te vallen.

„En gij?” vroegen zij aan den visscher.

„Ik?”

„Ja, gij. Doet gij niet mede?”

„Wij hebben reeds geavondmaald,” antwoordde Andreas Ferrato.

Die twee uitgehongerden verslonden—ja, dat is het woord,—de spijzen, die hun
met zooveel eenvoud en zoo goedhartig voorgezet waren.

Maar terwijl zij aten, sloegen zij voortdurend den visscher, zijne dochter en zijn
zoon gade, welke laatste in een hoek gezeten was. Allen keken de vreemdelingen
aan, zonder evenwel een woord te spreken.

Andreas Ferrato kon toen twee en veertig jaar oud zijn. Het was een man met een
ernstig, ja zelfs eenigszins droevig gelaat. Hoewel zijn gezicht door de zon
gebruind was, had hij gelaatstrekken vol uitdrukking, waarbij zwarte oogen met
levendigen blik. Hij [133]droeg de kleeding der visschers van de Adriatische zee,
waaronder een edele borst klopte, terwijl zich daarin eene flink ontwikkelde
gestalte liet ontwaren.

Page 203

Maria—welker gestalte en gelaat aan die harer moeder herinnerde—was groot
van stuk, welgemaakt en zeer schoon. Zij had vurige zwarte oogen, bruine haren
en eene huid, die door het Corsicaansche bloed, dat door hare aderen vloeide,
warm getint was. Zij had een ernstig karakter, als gevolg van de verplichtingen,
die zij van hare prilste jeugd op zich had voelen rusten. In hare houding, in hare
bewegingen spreidde zij die kalmte ten toon, die eene bedachtzame geaardheid
eigen is. Alles duidde bij dit jonge meisje op eene geestkracht, die haar nimmer
in den steek zou laten, welke ook de omstandigheden zouden zijn, waarin zij zich
zou kunnen bevinden.

Zij was herhaaldelijk door jeugdige visschers uit den omtrek ten huwelijk
gevraagd, maar zij had daaraan nimmer het oor geleend. Behoorde haar leven
niet aan haren vader toe, en aan dat kind, dat zij zoo innig, innig liefhad?

Wat Luigi betrof, dat was een flinke vastberaden jongen, een moedig en degelijk
visscher. Hij was reeds volkomen met den werkkring van zeeman bekend. Hij
vergezelde Andreas Ferrato, zijn vader, bij zijne visscherijen en bij zijne
loodsdiensten en was daarbij steeds blootshoofds, onverschillig of het waaide en
of het regende. Hij beloofde een stevige, gezonde kerel te zullen worden, die
meer dan stoutmoedig, die koen ja roekeloos zou zijn. Hij was tegen alle
guurheden van het weder gehard en had hoegenaamd geen oog voor eenig
gevaar. Hij had zijn vader lief en aanbad zijne zuster.

Graaf Mathias Sandorf had die drie wezens, die door zoo innige banden aan
elkander verbonden waren, nauwkeurig gadeslagen. Hij koesterde dan ook geen
twijfel, dat hij zich bij eerlijke, brave lieden bevond, die hij volkomen
vertrouwen kon.

Toen het maal afgeloopen en de honger verzadigd was, stond Andreas Ferrato op
en naderde graaf Mathias Sandorf.

„Gaat nu slapen, heeren,” zei hij op eenvoudigen toon.

„Slapen?” vroegen de vluchtelingen.

„Ja, slapen, rusten,” hernam de visscher.

Page 204

„Dat kunnen wij niet.”

„Niemand weet dat gij hier zijt.”

„Dat ’s waar; maar.…”

„Morgen zullen wij zien, wat ons verder te doen staat.”

„Neen, Andreas Ferrato, neen!” antwoordde graaf Sandorf.

„Dat kan niet.”

„Wat kan niet?”

„Dat wij heden nacht hier blijven.” [134]

„Ah bah!”

„Onze honger is gestild. Onze krachten zijn weergekeerd. Wij moeten nu dadelijk
dit huis verlaten!”

„Daar valt niet aan te denken!”

„Onze tegenwoordigheid veroorzaakt voor u en de uwen te groot gevaar!” zei
Mathias Sandorf.

„Ja, wij moeten vertrekken,” beaamde Stephanus Bathory. „En dat God u beloone
voor hetgeen gij voor ons gedaan hebt.”

„Gaat slapen! Dat is voorshands het noodzakelijkste,” hernam de visscher.

„Wij kunnen niet,” antwoordde graaf Sandorf.

„De kust wordt heden avond bewaakt.”

„O, God!”

„Men heeft een embargo op alle schepen van al de havens van deze streek
gelegd.”

Page 205

„Onmogelijk!”

„Heden nacht is niets te beproeven, dat verzeker ik u.”

„Maar.…”

„Gaat slapen,” herhaalde Andreas Ferrato.

„Als gij het dan wilt. Het zij zoo,” antwoordde graaf Mathias Sandorf.

„Ja, ik wil het!”

„Een woord evenwel nog!”

„En dat is?”

„Wanneer is onze ontsnapping bekend geworden?.…”

„Sedert dezen morgen,” antwoordde Andreas Ferrato. „Maar …”

„Maar, wat?” vroeg graaf Sandorf, toen hij de aarzeling van den visscher
bemerkte.

„Gij waart met uw vieren gevangen in den vestingtoren van Pisino?”

„Ja.”

„Gij zijt slechts met u beiden hier?”

„Helaas!”

„Men zegt,” ging Andreas Ferrato voort, „dat de derde in vrijheid gesteld zal
worden.”

„Sarcany!” riep Mathias Sandorf toornig uit, vóórdat hij dat gevoel van woede,
alleen door de gedachte aan dien verafschuwden man opgewekt, had kunnen
bedwingen.

Page 206

„En de vierde?”.… vroeg Stephanus Bathory aarzelend, zonder zijn volzin te
durven eindigen.

„De vierde is nog in leven,” antwoordde Andreas Ferrato.

„In leven?” riep Stephanus Bathory uit.

„Ja, de terechtstelling is verdaagd,” zei de visscher.

„Nog in leven?” herhaalde Stephanus Bathory.

„Ja, ik herhaal.…” wilde Andreas Ferrato zeggen. [135]

Page 207

Page 208

Eenige visschers drentelden op het strand heen en weer. (Bladz. 139.)

[136]

„Is het mogelijk?” riep Bathory steeds ontzet uit.

„Wel zeker,” hernam graaf Sandorf spottend. „Men wil wachten tot dat men ons
opgespoord en gesnapt zal hebben, om ons de vreugde te bereiden te zamen te
sterven.”

„Mathias!” kreet Stephanus Bathory.

„Maria,” zei Andreas Ferrato bedaard, „wijs onze gasten hunne kamer. Ge weet
wel die aan de achterzijde, die op het bijgebouwtje uitgang verleent.”

„Ja, vader,” antwoordde het jonge meisje.

„Maar geen licht opsteken, hoor,” ging hij voort.

„Goed, vader.”

„Heden avond moet dat raam niet verlicht wezen.”

„Ja, vader.”

„Dat zou achterdocht kunnen opwekken.”

„Kom, heeren,” sprak het jonge meisje.

Een oogenblik later wisselden graaf Sandorf en zijn makker een hartelijken
handdruk met den visscher. Daarna traden zij hunne kamer binnen, waar hun
twee goede matrassen of beter stroozakken met maïsbladeren gevuld, wachtten,
waarop zij van hunne vermoeienissen, die zij zoo ruimschoots verduurd hadden,
konden uitrusten.

Maar Andreas Ferrato en zijn zoon Luigi hadden reeds het huis verlaten. Zij
wilden zich overtuigen dat niemand in den omtrek rondzwierf, noch op het

Page 209

strand, noch in het veld aan de overzijde van de beek. De vluchtelingen konden
dus gerust tot het aanbreken van den dag slapen.

De nacht ging zonder bijzondere voorvallen voorbij. De visscher was
herhaaldelijk naar buiten getreden. Hij had evenwel niets verdachts bespeurd.

Den volgenden morgen, den 18en Juni, ging Andreas Ferrato, terwijl zijne gasten
nog sliepen, op kondschap uit tot in het midden der stad, als ook op de kaden van
de haven. Op verscheidene punten trof hij samenscholingen aan van
nieuwsgierigen en leegloopers. Een aanplakbiljet, sedert den vorigen dag reeds
op de daarvoor bestemde plaatsen bevestigd, gaf kennis van de ontsnapping, van
de straffen, die op het verleenen van hulp aan de vluchtelingen stond, van de
premie die uitgeloofd was. Dat maakte natuurlijk het onderwerp uit van alle
gesprekken. Men babbelde, men vertelde nieuwtjes, men herhaalde het gehoorde
niet altijd nauwkeurig, soms zeer onjuist en men wist het juiste evenmin als
tevoren.

Niets duidde aan dat graaf Sandorf en zijn lotgenoot in den omtrek gezien waren,
of dat men zelfs hunne aanwezigheid in de provincie vermoedde. Toch
verspreidde zich tegen tien uren in den morgen, toen de brigadier der
maréchaussées met zijne manschappen na hunne nachtelijke ronde te Rovigno
waren teruggekeerd, het [137]gerucht, dat twee vreemdelingen vier en twintig uren
te voren gezien waren op de oevers van het kanaal van Léma. Men had de
geheele landstreek tot aan de zee doorzocht, om hun spoor terug te vinden, maar
zonder gevolg. Er was niets op te merken van hunnen doortocht.

Hadden zij dus de kuststreek kunnen bereiken en een vaartuig bemachtigd?

Of hadden zij zich naar een ander punt van Istrië begeven?

Of wel, hadden zij de Oostenrijksche grens overschreden?

Alles was mogelijk.

„Mooi!” werd gezegd. „Dat zullen al vast vijf duizend gulden zijn, die voor de
schatkist bewaard blijven.”

Page 210

„Een geld dat beter besteed kan worden dan om hatelijke verklikkerijen te
beloonen!”

„Ja zeker!

„God geve dat de arme vluchtelingen mogen ontsnappen!”

„Ontsnappen!.…”

„Ik hoop het!”

„Och, dat zal wel reeds geschied zijn!”

„Zij zullen wel reeds in veiligheid aan de andere zijde van de Adriatische zee
zijn!”

Afgaande op dat gepraat, dat in het meerendeel der groepen van boeren, burgers
en arbeiders, die voor de aanplakbiljetten stilstonden, gehouden werd, was de
openbare meening, zooals men ziet, zeer ten gunste van de veroordeelden, ten
minste onder de bewoners van Istrië, schier allen Slavoniërs en Italianen van
geboorte. De Oostenrijksche beambten konden dus niet op eene verklikking van
dien kant rekenen. Niets werd dan ook nagelaten of verzuimd om de
vluchtelingen weer te vinden. Al de benden politie-agenten, al de brigades
maréchaussées waren sedert den vorigen dag op de been en er werden
onophoudelijk telegrammen tusschen Rovigno, Pisino en Triëst gewisseld.

Toen Andreas Ferrato tegen elf uur tehuis kwam, deelde hij die berichten, die
eerder goed dan slecht waren, mede.

Graaf Sandorf en Stephanus Bathory, die door Maria in de kamer, waarin zij
overnacht hadden, bediend werden, hadden juist in dat oogenblik hun ontbijt
verorberd.

Die eenige uren rust, dat heerlijke maal, die goede verpleging had hen geheel en
al van hunne uitputting hersteld.

„Welnu, vriend?” vroeg graaf Sandorf, zoodra de deur achter Andreas Ferrato
gesloten was.

Page 211

„Ik geloof niet, heeren,” antwoordde de visscher, „dat gij voor het oogenblik iets
te vreezen hebt.”

„Maar wat wordt er in de stad verteld?” vroeg Stephanus Bathory. [138]

„Ja, wat wordt er verteld? Zeg ons dat,” herhaalde ook graaf Sandorf.

„Men spreekt wel van twee vreemdelingen, die gisterenochtend gezien zijn, op
het oogenblik, dat.…”

„Ga voort, wat ik u bidden mag,” zei graaf Sandorf bij de aarzeling van den
visscher.

„Op het oogenblik,” vervolgde deze, „dat zij op den oever van het kanaal van
Léma voet aan wal zetten.… En.…”

„En wat?” vroeg Stephanus Bathory ongeduldig.

„En als gij het zijt.… heeren.…”

„Ga voort. Wij zijn het inderdaad,” zei Stephanus Bathory. „Een man, een
zoutarbeider van den omtrek, heeft ons gezien en aangebracht.”

Toen werd Andreas Ferrato op de hoogte gebracht van hetgeen in den bouwval
der pachthoeve voorgevallen was, terwijl de vluchtelingen er verscholen waren.

„En weet gij niet, wie die verklikker is?” vroeg de visscher met aandrang.

„Neen,” antwoordde Bathory.

„Wij hebben hem niet kunnen zien,” vulde graaf Sandorf verder aan; „wij hebben
slechts zijne stem kunnen vernemen.”

„Dat is een betreurenswaardige omstandigheid,” hernam Andreas Ferrato. „Het
voornaamste en gewichtigste evenwel is, dat men uw spoor verloren heeft.
Bovendien al ware het dat men omtrent uwe aanwezigheid in mijne woning
achterdocht had, dan geloof ik niet dat er eene verklikking te vreezen is.”

Page 212

„Zoo?” vroeg Stephanus Bathory verbaasd. „Waarom niet?”

„Omdat alle menschen hier in Rovigno ten uwen voordeele zijn!”

„Ja, daarover verwonder ik mij niet,” hernam graaf Sandorf. „Het is eene
moedige en eerlijke bevolking in deze provinciën! Toch moet het oog op de
Oostenrijksche autoriteiten gehouden worden. Zij zullen voor niets terugdeinzen
om ons weer in hunne macht te krijgen.”

„Wat u geruststellen moet, heeren,” sprak de visscher, „dat is dat de meening,
waarin men verkeert, luidt, dat gij reeds de overzijde van de Adriatische zee hebt
kunnen bereiken.”

„Och, God gave dat het zoo ware!” zuchtte Maria, die de handen gevouwen en de
oogen ten hemel geslagen had, alsof zij een gebed slaakte.

„Het zal zoo worden, lief kind,” antwoordde graaf Sandorf op den toon der
vurigste overtuiging. „Ja, met Gods hulp zullen wij ontsnappen.…”

„En met de mijne, heer graaf!” hernam Andreas Ferrato. „Ik ga nu aan mijne
bezigheden. Men is gewoon ons, Luigi en mij, [139]bezig te zien met het herstel
onzer netten op het strand, of met het schoonmaken van ons vaartuig. Wij moeten
niets aan den gewonen gang van zaken veranderen.”

„Voorzeker niet,” zei Stephanus Bathory.

„Ik heb bovendien noodig om mij omtrent den toestand van het weer te
vergewissen, alvorens een besluit te nemen. Blijft dus in deze kamer. Verlaat haar
onder geen voorwendsel. Doet, om alle achterdocht te vermijden, het venster
open, dat op onzen tuin uitzicht verleent, maar blijft in het achterste gedeelte van
het vertrek en vooral vertoont u niet.”

„Neen, neen, wees gerust!”

„Ik ben over een paar uren terug.”

Daarop verliet Andreas Ferrato met zijn zoon Luigi het huis, terwijl Maria zich
voor de deur met hare gewone bezigheden onledig hield.

Page 213

Eenige visschers drentelden op het strand heen en weer. Andreas Ferrato trachtte
bij wijze van voorzorg een praatje met hen te maken, alvorens hij zijne netten op
het zandige strand uitstrekte.

„De westewind is goed doorgekomen,” zei een hunner.

„Ja, antwoordde Andreas Ferrato, „het onweder van eergisteren heeft de lucht
flink gezuiverd.”

„Ongetwijfeld,” hernam een ander. „Toch zou het kunnen gebeuren dat de wind
meer en meer opstak bij het vallen van den avond, en tot buien overging,
wanneer de „bora” zich er bij voegt.”

„Och, het zal steeds een landwind zijn en de zee kan dan niet onstuimig tusschen
de rotsen wezen.”

„Dat staat te bezien.”

„Gaat gij dezen nacht visschen, Andreas?”

„Ongetwijfeld.”

„Als het weer het toelaat, niet waar?”

„Dat spreekt van zelf.”

„Maar het embargo.”.…

„Het embargo?”.…

„Ja.”

„Dat is slechts op de groote schepen gelegd en niet op de visschersvaartuigen, die
zich niet van de kust verwijderen.”

„Zijt gij daar zeker van?”

„Ja, zeer zeker.”

Page 214

„Welnu, des te beter; want men heeft scholen tonijnen geseind, die uit het zuiden
komen. Wij mogen niet dralen om onze fuiken te stellen.”

„Mooi!” zei Andreas Ferrato. „Maar er is nog geen tijd verloren.”

„Misschien. Wie weet?”

„Neen, geloof mij. Als ik heden nacht uitzeil, dan ga ik de tonijnen opwachten bij
Orsera of naar de kust van Parenzo.” [140]

„Dat moet gij weten; maar wij zullen onze fuiken aan den voet der rotsen stellen

„Dat is uwe zaak!”

Toen gingen Andreas Ferrato en Luigi hunne netten uit het bijgebouwtje halen,
spreidden ze op het mulle zand uit, om ze in de zon te laten drogen. Twee uren
later keerde de visscher naar zijne woning terug, na zijn zoon aanbevolen te
hebben, de haken klaar te houden, die dienen om de visschen te dooden.

Nadat hij gedurende ongeveer tien minuten zijne pijp op den drempel zijner deur
gerookt had, begaf zij zich naar de kamer zijner gasten, terwijl Maria met haar
werk voor de deur voortging.

„Heer graaf,” sprak de visscher, „de wind waait van de landzijde, zoodat volgens
mijne meening de zee dezen nacht niet hol zal staan. Nu zal het ’t meest
eenvoudige middel zijn om te vluchten, zonder eenig spoor na te laten, om u met
mij in te schepen. Wanneer gij daartoe besluit, dan zal het ’t beste zijn, heden
avond tegen tien uren te vertrekken. Alsdan zult gij tusschen de rotsen tot aan den
rand der branding moeten voortsluipen. Niemand zal u zien. Mijne jol zal u tot
bij mijn vaartuig brengen, waarna wij dadelijk zee zullen kiezen zonder de
opmerkzaamheid op te wekken, daar men weet, dat ik dezen nacht zal uitzeilen.
Als de wind te zeer mocht opsteken, dan zal ik langs de kust houden en u aan de
andere zijde van de Oostenrijksche grens buiten de mondingen van den Cattaro
ontschepen.”

„Maar als de wind niet opsteekt, wat zijt gij dan voornemens te doen?” vroeg
graaf Sandorf.

Page 215

„Dan zullen wij volle zee halen,” antwoordde de visscher. „Dan zullen wij de
Adriatische zee oversteken en dan zal ik u hetzij te Rimini, hetzij bij de
uitwatering van de Po aan land zetten.”

„Is uw vaartuig bestand voor zulk een overtocht,” vroeg Stephanus Bathory.

„Ja, zeker. Het is een flinke boot, die een half dek heeft en waarmede mijn zoon
en ik zeer slecht weder getrotseerd hebben. Daarenboven, wij moeten wel wat
wagen, nietwaar?”

„Dat wij gevaar loopen,” antwoordde graaf Sandorf, „wij wier leven op het spel
staat, dat is niet meer dan natuurlijk. Maar dat gij, gij, mijn vriend, uw leven
waagt.…”

„Dat is mijn zaak, heer graaf,” hernam Andreas Ferrato. „Ik doe slechts mijn
plicht door u te redden.”

„Uw plicht?.…”

„Ja!”

Andreas Ferrato verhaalde daarop dat gedeelte van zijne levensgeschiedenis,
tengevolge waarvan hij Santa Manza en zelfs Corsica had moeten verlaten, en
hoe het goede, hetwelk hij op het punt [142]stond te doen, slechts de vergelding
was van het kwaad, dat hij bedreven had. [141]

Page 216

Page 217

Nauwelijks had Carpena eene schrede in het vertrek gedaan, of Andreas Ferrato
hield hem tegen. (Bladz. 144.)

[142]

„Edel hart!” riep graaf Sandorf uit, die door dat verhaal bewogen was.

Daarop hernam hij:

„Maar, hetzij wij naar de mondingen van den Cattaro stevenen, hetzij wij naar de
Italiaansche kust gaan, zoo zal toch zulk eene reis eene vrij langdurige
afwezigheid van uwe zijde veroorzaken, die de bewoners van Rovigno
verwonderen moet. Het mag niet gebeuren, dat gij, na ons in veiligheid gebracht
te hebben, bij uwen terugkeer gevangen genomen wordt.…”

„Vrees niets, heer graaf,” antwoordde Andreas Ferrato. „Ik blijf somtijds tegen
het tijdstip der groote visscherijen vijf of zes dagen op zee. Ik herhaal het
bovendien: dat zijn mijne zaken. Zoo moet gehandeld worden en zoo zullen wij
handelen.”

Er viel na die beslissing van den visscher niet meer te twisten. Het plan van
Andreas Ferrato was klaarblijkelijk het beste en daarenboven het meest
gemakkelijke om uitgevoerd te worden, daar het visschersvaartuig—zooals ten
minste gehoopt werd—niets van de stormachtigheid der zee zou te vreezen
hebben. Er waren geene voorzorgsmaatregelen te treffen dan op het oogenblik
van inscheping. De nacht zou evenwel somber en zonder maan zijn. Zeer
waarschijnlijk zou bij het vallen van den avond daarenboven een van die dikke
nevels opstijgen, die de kust bedekken, maar in volle zee niet waargenomen
worden. Op dat uur zou het strand eenzaam en verlaten zijn. Behalve een paar
grensbeambten, die hun kustgebied afliepen, zou men niemand ontmoeten. Wat
de overige visschers, de buren van Andreas Ferrato betreft, zij zouden, zooals zij
zelf verteld hadden, zich onledig houden om hunne fuiken op de piketten te
spannen, buiten de rotsengroep, dat wil zeggen op twee of drie mijlen ten zuiden
van Rovigno. Wanneer die het visschersvaartuig van Andreas Ferrato zouden
ontwaren, gesteld dat dit gebeurde, dan zou het reeds te ver in zee zijn om
iemand aan boord te kunnen herkennen. Daarenboven zouden de vluchtelingen
zich onder het halfdek verscholen houden.

Page 218

„Op hoeveel afstand rekent gij de haven van Rovigno van het naastbijgelegen
punt van de Italiaansche kust?” vroeg toen Stephanus Bathory.

„Op vijftig mijlen ongeveer.”

„Hoeveel tijd is er benoodigd om dien afstand af te leggen?”

„Dat ’s moeilijk te zeggen,” antwoordde de visscher voorzichtig.

„Maar er is toch wel eene gissing, een raming te maken, niet waar?”

„Ja, als deze wind blijft doorstaan, dan kunnen wij in een twaalftal uren
overkomen. Maar.…” [143]

„Gij aarzelt, vriend?” vroeg graaf Sandorf.

„Gij zijt zonder geld, niet waar?”

„Ja, helaas!” antwoordde Stephanus Bathory met een zucht.

„En toch is dat onmisbaar!”

„Dat valt niet te ontkennen.”

„Welnu,” vervolgde Andreas Ferrato, „neemt dezen gordel, daarin zitten drie
honderd gulden. Doet hem zoo.… kijk zoo, om het lijf.”

„Vriend!.…” zei Mathias Sandorf.

„Gij zult mij dat later teruggeven,” hernam de visscher.

„Teruggeven? Later? Wanneer?” vroeg graaf Sandorf met aarzeling in zijne stem.

„Wanneer gij in veiligheid zijt. Zoodra het u schikt. Kom, dat is afgesproken, niet
waar? Wacht mij nu slechts.”

Toen dat alles afdoende geregeld was, ging Andreas Ferrato heen en hernam zijne
gewone bezigheden met nu eens op het strand te arbeiden en zich dan weer eens
in huis onledig te houden. Het gelukte Luigi om, zonder dat dit opgemerkt werd,

Page 219

eenige levensmiddelen, genoeg voor verscheidene dagen, aan boord van het
visschersvaartuig te brengen. Hij had ze eenvoudig in een reserve-zeil gewikkeld
en zoo overgevoerd. Geen enkele achterdochtige gedachte kon de plannen van
Andreas Ferrato komen dwarsboomen. Hij dreef de voorzorgsmaatregelen zoo
ver, dat hij zijne gasten gedurende het overige gedeelte van den dag niet meer
wilde terugzien. Graaf Mathias Sandorf en professor Stephanus Bathory bleven
in de kleine kamer verscholen, waarvan het venster evenwel geopend bleef.
Wanneer het tijd zou zijn om die gastvrije woning te verlaten, zou de visscher
hen waarschuwen.

In den namiddag kwamen ettelijke buren met hem over visscherijzaken praten,
voornamelijk over de verschijning der tonijnen langs de kusten van Istrië.
Andreas Ferrato ontving hen in zijne huishoudkamer en bood hen volgens
gewoonte een ververschingsdronk aan.

Zoo ging het grootste gedeelte van den dag met heen en weer te drentelen en in
verschillende gesprekken voorbij. Soms liep het gesprek over de vluchtelingen.
Het gerucht was toch verspreid, dat zij in de nabijheid van het kanaal van
Quarnero op de tegenovergestelde kust van Istrië gevat waren geworden. Dat
gerucht werd evenwel kort daarop weersproken.

Alles scheen dus zoo goed mogelijk te gaan. Dat de kuststrook met meer
nauwkeurigheid dan vroeger, hetzij door de ambtenaren der in- en uitgaande
rechten, hetzij door de politie-agenten, hetzij door de maréchaussées, zou
gadegeslagen worden, kon als zeker aangenomen worden. Maar het zou zoo
moeilijk niet zijn die waakzaamheid te verschalken, wanneer het nacht geworden
zou zijn. [144]

Het embargo was, zooals de lezer zich herinneren zal, slechts op de groote
schepen of op de kustvaarders van de Adriatische en Middellandsche zeeën
gelegd, niet op de visschersschuiten die bij den oever blijven. Het uitzeilen van
het vaartuig van Andreas Ferrato kon dus geschieden zonder achterdocht op te
wekken.

Andreas Ferrato had evenwel op het bezoek niet gerekend, dat hem zoo tegen zes
uren des avonds gebracht werd. Dat bezoek verwonderde hem, hoewel het hem

Page 220

nog niet verontrustte. Hij zou er de dreigende beteekenis eerst van begrijpen, toen
de bezoeker weer vertrokken was.

Acht uren waren geslagen. Maria hield zich onledig met het gereed maken van
het avondmaal en de tafels waren reeds gedekt in de huishoudkamer, toen
tweemalen op de huisdeur geklopt werd. Andreas Ferrato aarzelde geen
oogenblik om te openen. Hij was zeer verbaasd toen hij zich tegenover den
Spanjaard Carpena bevond.

Die Carpena was geboren te Almavate, eene kleine stad in de provincie Malaga.
Hij had waarschijnlijk Spanje om eene zelfde reden verlaten, waarom Andreas
Ferrato Corsica vaarwel had gezegd, en had zich in Istrië gevestigd. Daar had hij
het zoutwerkers-ambacht ter hand genomen en hield zich voornamelijk onledig
met de opbrengst der zoutpannen op de westkust naar het binnenland te
vervoeren. Dat was een ondankbare arbeid, waarmede hij ter nauwernood
zooveel verdienen kon om zijn ellendig bestaan te rekken.

Carpena was een stevige kerel en nog jong, daar hij nog niet ten volle vijf en
twintig jaren telde. Hij was klein van gestalte, maar breed van schouders, had een
dik hoofd, met gekroesd grof zwart haar bedekt, en een gelaat als een bulhond,
dat volstrekt niets geruststellends had. Hij was niet gezellig van aard, doch
haatdragend, wraakzuchtig en daarenboven nog lafhartig. Met zulke
hoedanigheden begaafd, kon het niet vreemd heeten, dat hij in de buurt geenszins
bemind was. Niemand wist, waarom hij zijn vaderland verlaten had. Hij had
meermalen twist met zijne makkers, zoutarbeiders, gehad, waarbij bedreigingen
geuit waren, waarbij zelfs vechtpartijen voorgevallen waren, en dat alles had hem
volstrekt geen goeden naam bezorgd. Men liet hem volgaarne ter zijde.

Toch koesterde Carpena geen ongunstige meening over zijn eigen persoon. Verre
van daar. Dat kan voldoende verklaring geven en men zal vernemen waarom hij
gepoogd had met Andreas Ferrato in aanraking te komen. Het is waar, reeds bij
het begin van die relatiën had hij vanwege den visscher geen aanlokkend onthaal
ondervonden. Dat zal genoegzaam begrepen worden, wanneer de pretentiën van
dien man in het volgende gesprek ontsluierd zullen zijn.

Page 221

Nauwelijks had Carpena eene schrede in het vertrek gedaan, of Andreas Ferrato
hield hem tegen, terwijl hij vroeg: [145]

Page 222

Page 223

„Neen, Stephanus, neen! Wij zullen te zamen sterven”, antwoordde graaf Sandorf.
(Bladz. 150.)

[146]

„Wat komt gij hier doen?”

„Ik drentelde voorbij. Daar ik licht zag, heb ik aangeklopt.”

„Waarom?”

„Wel, om u als buurman een bezoek te brengen.”

„Uwe bezoeken mishagen mij, dat weet ge wel.”

„Gewoonlijk,” antwoordde de Spanjaard, „is dat zoo; maar heden.… Dat zal wel
anders zijn.”

Andreas Ferrato begreep dat niet en kon ook de beteekenis van die raadselachtige
woorden niet gissen. In den mond van Carpena waren zij evenwel
onrustwekkend. Een vluchtige trilling kon de huisheer dan ook niet bemantelen
en die ontging den bezoeker niet. Deze had de deur gesloten.

„Ik moet u spreken,” zei hij.

„Neen!”

„Jawel!”

„Gij hebt mij niets te zeggen.”

„Jawel.… Ik moet u afzonderlijk spreken,” vervolgde de Spanjaard, terwijl hij
fluisterend sprak.

„Och kom!”

„Geloof me.”

Page 224

„Nu, kom dan,” antwoordde de visscher, die dien dag goede redenen had om
niemand den toegang tot zijn huis te weigeren. Op een teeken van Andreas
Ferrato stapte Carpena de huishoudkamer door en volgde hem in zijne
slaapkamer.

Die kamer was slechts door een zeer dun beschot van het vertrek gescheiden,
waarin graaf Sandorf en zijn lotgenoot Stephanus Bathory verscholen waren. De
eene kamer had uitzicht op de straat, de andere op het omheinde erf achter de
woning. Toen zij alleen waren, vroeg de visscher:

„Wat wilt ge van mij?”

„Buurman,” antwoordde Carpena, „ik kom nog een beroep op uw goede
vriendschap doen.”

„Vriendschap?.….” vroeg Andreas Ferrato smalend.

„Ja, vriendschap!”

„En ter zake van wat?”

„Ter zake van uwe dochter.”

„Daarover geen woord meer!”

„Maar hoor dan toch!.…”

„Geen woord! geen enkel woord!”

„Gij weet dat ik Maria bemin, en.…”

„Zwijg!”

„En dat het mijn vurigste wensch is, dat zij mijne vrouw wordt.”

Ja, dat was het droombeeld van Carpena.

Sedert verscheidene maanden vervolgde hij het jonge meisje met [147]zijne
oplettendheden. Zooals de lezer wel begrijpen zal, werd hij daarbij eerder door

Page 225

baatzucht dan door liefde gedreven. Andreas Ferrato kon welgesteld heeten en
was dat ook in den kring der visschers, waarin hij verkeerde. Hij mocht rijk
genoemd worden in vergelijking met den Spanjaard, die niets ter wereld bezat.

Niets was dus natuurlijker dan dat Carpena de gedachte gekoesterd had, om de
schoonzoon te worden van dien bemiddelde; maar niets was daartegenover ook
natuurlijker, dan dat de visscher hem steeds en onveranderlijk afgescheept had.
Een zoodanig sujet kon hem niet behagen.

„Carpena,” antwoordde Andreas Ferrato koeltjes, „gij hebt u eerst tot mijne
dochter gewend en die heeft „neen” gezegd. Daarop zijt gij tot mij gekomen en ik
heb eveneens „neen” geantwoord. Gij komt heden andermaal op uw verzoek
terug; ik antwoord u „neen!” voor de laatste maal.”

Het gelaat van den Spanjaard verwrong vreeselijk. Zijn lippen krulden om en
lieten zijne tanden zien. Zijne oogen rolden woest en schoten vuurstralen. Maar
de kamer, waarin de beide mannen zich bevonden, was slecht verlicht, zoodat
Andreas Ferrato dat onheilspellend gelaat niet kon zien.

„Is dat uw laatste woord?” vroeg Carpena.

„Ja!”

„Onherroepelijk?

„Ja, onherroepelijk mijn laatste woord, wanneer het de laatste maal zal zijn, dat
gij uw aanzoek herhaalt,” antwoordde de visscher. „Komt gij er evenwel op
terug, dan zult gij steeds hetzelfde antwoord ontvangen.”

„Ik zal er op terugkomen!.…”

„Dat is volmaakt noodeloos!”

„Ja, ik zal er op terugkomen, wanneer Maria mij zeggen zal om het te doen.”

„Zij?.…”

„Ja, zij!”

Page 226

„Zij!.…” riep Andreas Ferrato uit. „Zij! Gij weet wel dat mijne dochter noch
vriendschap, noch achting voor u koestert!”

„Hare gevoelens kunnen veranderen, wanneer.…”

„Kom, loop heen.”

„Wanneer ik een onderhoud met haar gehad zal hebben.”

„Een onderhoud?”

„Ja, Ferrato, ik wensch haar te spreken.”

„Wanneer?”

„Dadelijk!.… Hoort ge?.… Ik moet haar dadelijk spreken …”

„Moet?” vroeg de visscher toornig.

„Ja, ik moet. En dat nog wel heden avond.” [148]

„Ik weiger voor haar!”

„Pas op!”

„Geen bedreigingen!”

„Pas op!” herhaalde Carpena, die thans luider sprak. „Pas op!”

„Waarop?”

„Ik zal mij wreken!”

„Ha, ha, ha!”

„Ja, ik zal mij wreken!”

„Welnu, wreek je, als ge kunt en als ge durft, Carpena,” antwoordde Andreas
Ferrato, die nog meer toornig werd.

Page 227

„Sar me niet!”

„Wreek je; je bedreigingen jagen mij geen angst aan, dat weet je wel!”

De Spanjaard knarsetandde.

„En nu de deur uit!” ging Andreas Ferrato voort. „Of ik smijt je naar buiten!”

Het bloed steeg Carpena naar het hoofd. Hij was op het punt om geweld tegen
den visscher te begaan; maar het gelukte hem zich te bedwingen, en na de deur
met kracht opengesmeten te hebben, vloog hij de huiskamer door en het huis uit
zonder een woord gesproken te hebben.

Nauwelijks was hij buiten, toen de deur der naburige kamer, waarin de
vluchtelingen verborgen waren, openging. Graaf Sandorf, wien niets van dat
onderhoud ontgaan was, verscheen op den drempel, en op Andreas Ferrato
toetredende, zei hij op fluisterenden toon:

„Dat is de man, die ons aan den brigadier der maréchaussées verraden heeft. Hij
kent ons. Hij heeft ons gezien, toen wij op den oever van het kanaal van Léma
voet aan wal zetten. Hij heeft ons tot Rovigno gevolgd. Hij weet blijkbaar, dat gij
ons eene schuilplaats in uw huis verleend hebt. Laat ons dan dadelijk vluchten,
anders zijn wij verloren, en.… gij met ons!”

Page 228

[Inhoud]

Page 229

IX.

Page 230

LAATSTE POGINGEN IN EEN LAATSTEN STRIJD.
Andreas Ferrato hoorde dat stilzwijgend aan.

Hij had niets in zijn brein gevonden om graaf Sandorf te antwoorden. Zijn
Corsicaansch bloed kookte in hem. Hij had de beide vluchtelingen vergeten,
voor welker redding hij zooveel op het spel gezet had. Hij dacht slechts aan den
Spanjaard; hij zag slechts Carpena! [149]

„Die ellendeling! O, die ellendeling!” mompelde hij eindelijk. „Ja! hij weet
alles! Wij hangen geheel en al van zijne genade af! ik had het moeten
begrijpen!”

Mathias Sandorf en Stephanus Bathory keken den visscher met een beklemd
gevoel aan. Zij wachtten reikhalzend wat hij zeggen, wat hij doen zou. Er mocht
geen enkel oogenblik verloren gaan. Er moest gehandeld, dadelijk gehandeld
worden. Het verraad, dat werk des duivels, was waarschijnlijk reeds geschied.

„Heer graaf,” sprak eindelijk Andreas Ferrato, „de politie kan ieder oogenblik
mijne woning overvallen en binnenstormen. Ja! die ellendige bedelaar moet alles
weten of ten minste moet hij onderstellen dat gijlieden hier zijt! Het is een koop,
dien hij mij heeft komen voorstellen! Mijne dochter tot prijs voor zijne
stilzwijgendheid. Hij zal u ten val brengen om zich op mij te wreken! Helaas,
wanneer de politie-agenten komen, zal het onmogelijk zijn te ontsnappen en dan
zult gij andermaal gevangen genomen worden. Ja, inderdaad, gij moet dadelijk
vluchten!”

„Gij hebt gelijk, Andreas Ferrato,” antwoordde graaf Mathias Sandorf, „maar
vóórdat wij scheiden, laat mij u bedanken voor al hetgeen gij voor ons gedaan
hebt, en voor hetgeen gij voor ons doen wildet.…”

„Wat ik doen wilde, wil ik nog doen,” sprak Andreas Ferrato hoogst ernstig.

„Dat weigeren wij!” antwoordde Stephanus Bathory.

Page 231

„Ja, dat weigeren wij,” vulde graaf Sandorf aan. „Gij hebt u reeds te veel
blootgegeven en in gevaar gesteld! Wanneer men ons bij u ontdekt, dan
veroordeelt men u tot de galeien!”

„Om het even!” riep de visscher uit.

„Kom Stephanus, laten wij deze woning verlaten om te vermijden dat wij er den
ondergang en het ongeluk brengen!”

„Maar, heer graaf.…”

„Laten wij vluchten, dat ’s goed; maar alleen vluchten!”

Andreas Ferrato greep den graaf bij de hand.

„Waar zoudt gij heen gaan? Al de autoriteiten des lands zijn op de been en
waakzaam. De politieagenten en de maréchaussées doorkruisen nacht en dag het
veld in den omtrek. Er is geen enkel veilig punt op de kust, waar gij u zoudt
kunnen inschepen, er bestaat geen enkel voetpad, waarlangs gij de grens veilig
zoudt kunnen bereiken! Zonder mij vertrekken, is zeker den dood tegemoet
snellen!”

„Volgt mijn vader, heeren,” voegde Maria er bij. „Wat er ook geschiede, hij doet
zijn plicht door te pogen u te redden!”

„Goed zoo, mijne dochter,” antwoordde Andreas Ferrato. „Ja waarlijk, het is
slechts mijn plicht, dierbaar kind! Uw broeder wacht ons reeds bij de jol. De
nacht is zeer donker. Vóórdat wij [150]ontdekt zullen wezen, zullen wij in volle
zee zijn. Omhels mij, Maria, omhels mij, kindlief, en heeren, laten wij
vertrekken!”

Toch wilden graaf Sandorf en zijn lotgenoot niet toegeven. Zij weigerden een
dergelijk offer aan te nemen. Zij wilden dat huis wel dadelijk verlaten, om den
visscher niet verder in gevaar te brengen. Ja zeker. Maar vertrekken onder zijne
leiding, wanneer er de galeien op stonden! Neen! dat wilden zij niet!

Page 232

„Kom dan toch!” zei Mathias Sandorf tot Stephanus Bathory, terwijl hij hem
meetrok. „Als wij eenmaal buiten zijn, dan valt er alleen voor ons zelven te
vreezen!”

En beiden waren op het punt om door het geopende venster te ontwijken, om
over het kleine erf hetzij de kust te bereiken, hetzij zich naar het inwendige der
provincie te begeven toen Luigi binnen stormde.

„De politieagenten!” zei hij.

„Vaarwel!” riep graaf Sandorf uit.

En gevolgd door zijn lotgenoot sprong hij het venster uit.

Juist in dat oogenblik drong een bende politiedienaren de huiskamer van den
visscher binnen.

Carpena geleidde hen.

„Ellendeling!” zeide Andreas Ferrato.

„Dat ’s mijn antwoord op uwe weigering!”

De visscher werd gegrepen en in een ondeelbaar oogenblik gebonden. Terzelfder
tijd hadden de agenten de woning bezet en al de kamers daarvan onderzocht. Het
open raam wees hen den weg aan, dien de vluchtelingen genomen hadden. Zij
ijlden dadelijk ter hunner vervolging naar buiten.

De beide rampzaligen bereikten toen juist de heg, die het erf omheinde en van de
kleine beek afscheidde. Graaf Sandorf was er in één sprong over, daarna hielp
hij Stephanus Bathory, die minder vlug was, om er over te klauteren. Een
geweerschot weerklonk op nog geen vijftig passen van hen.

Stephanus was door een geweerkogel aan den schouder getroffen, hoewel niet
levensgevaarlijk. Maar zijn arm was verlamd en hij was onmachtig de pogingen
van zijn makker te ondersteunen.

„Vlucht,” riep hij hem toe. „Vlucht Mathias.”

Page 233

„Neen, Stephanus, neen! Wij zullen te zamen sterven,” antwoordde graaf
Sandorf, na andermaal beproefd te hebben zijn gewonden makker in zijne armen
op te tillen.

„Vlucht, Mathias!” herhaalde Stephanus Bathory.

„Neen! neen!”

„Vlucht en leef om de verraders te straffen!”

Die laatste woorden klonken als een bevel in de ooren van graaf Sandorf. [151]

De magnaat van Transsylvanië, de samenzweerder van Triëst, de makker en
deelgenoot van Stephanus Bathory en van Ladislas Zathmar moest plaats maken
voor den straffenden rechter!

De politieagenten, die op hunne beurt het uiteinde van het kleine erf bereikt
hadden, wierpen zich in dit oogenblik op den gekwetste. Wanneer graaf Sandorf
nog eene enkele seconde aarzelde, dan moest ook hij in hunne handen vallen!

„Vaarwel, Stephanus, vaarwel!” riep hij uit.

En met een vervaarlijken sprong wipte hij over de beek, die langs de heg vloot
en verdween hij in de duisternis.

Vijf of zes geweerschoten werden in die richting afgeschoten; maar de kogels
troffen den vluchteling niet. Hij sprong terzijde en liep ijlings naar den kant der
zee.

De politieagenten zaten hem evenwel op de hielen. Daar zij hem in het donker
niet ontwaren konden, was het onmogelijk om hem voor te komen. Zij
verspreidden zich, om hem den pas af te snijden, zoowel naar het innerlijke des
lands, als naar den kant van de stad en van het voorgebergte, hetwelk de baai ten
noorden van Rovigno omgeeft.

Een brigade maréchaussées schoot hen te hulp en bewoog zich zoo, dat graaf
Sandorf geen andere weg open bleef, dan naar de kust. Maar daar, bij den rand

Page 234

der klippen aangekomen, wat zou hij daar doen?

Zou hij er in slagen eene sloep te bemachtigen, om zich daarmede op de
Adriatische zee te wagen?

Daartoe zou hij den tijd niet hebben; want vóórdat hij het touw, waarmede ze
aan den oever vast lag, losgemaakt zou hebben, zou hij onder de geweerkogels,
die op hem afgezonden zouden worden, vallen.

Hij begreep evenwel al heel spoedig, dat de vlucht naar het oosten hem
afgesneden zou zijn. Het geweervuur, de kreten door de politieagenten en door
de maréchaussées uitgestooten, terwijl zij naderden, duidden hem genoegzaam
aan, dat hij van achteren, naar den kant van het strand, omsingeld was.

Hij kon slechts naar de zee heenijlen en daarlangs ontvluchten.

Dat was ongetwijfeld een zekeren dood tegemoet loopen; maar was het niet
beter die in de golven te vinden, dan ze af te wachten voor het executie-peloton
op het binnenplein van de vesting te Pisino.

Graaf Sandorf spoedde zich dus naar het strand. In weinige sprongen had hij de
eerste kabbelingen bereikt, die de branding tegen het strand opjoeg. Hij voelde
als ’t ware de politieagenten achter zich. De geweerkogels, die in den blinde op
hem afgevuurd werden, gingen rakelings zijn hoofd voorbij. [152]

Op een kleinen afstand van het strand staken hier op de kust van Istrië eene
menigte rotstoppen uit zee op. Dat waren afzonderlijke klippen, die den oever
dekten. Tusschen die klippen werden talrijke waterpoelen aangetroffen, die de
uithollingen van den oever vulden. De meeste dier poelen waren diep, maar er
waren er ook, waarin het water ternauwernood tot aan den enkel reikte.

Dat was de laatste uitweg, die nog voor graaf Mathias Sandorf openstond.
Hoewel hij er niet aan twijfelen kon, dat hij den dood aan het uiteinde daarvan
zou vinden, aarzelde hij geen oogenblik dien in te slaan.

Hij doorwaadde dan die poelen en sprong van rots tot rots. Maar daarbij werd
zijn omtrek meer zichtbaar op den minder donkeren achtergrond van den

Page 235

gezichteinder. Dadelijk weerklonken kreten om hem aan te duiden, waarna de
politieagenten hem achterna snelden.

Graaf Sandorf was vast besloten niet levend in hunne handen te vallen. Als de
zee hem zou aanspoelen, dan zou het slechts zijn lijk zijn.

Die moeilijke jacht op die onvaste en gladde steenen, bedekt met glibberige
zeegewassen, door die waterpoelen, waarin iedere pas eene struikeling of een val
kon ten gevolge hebben, duurde meer dan een half uur. Het was den vluchteling
gelukt een voorsprong te behouden, maar de vaste grond zou hem weldra
ontbreken.

En inderdaad, hij kwam op een der laatste rotsen van de klippen-bank aan. Twee
of drie politie-agenten waren nog slechts op tien passen van hem. De anderen
volgden op ongeveer twintig schreden.

Graaf Sandorf verhief zijne gestalte toen. Een laatste kreet ontsnapte hem, een
laatste kreet als vaarwel tot den hemel gericht. En op het oogenblik dat een
aantal geweerschoten op hem gelost werden, sprong hij in zee.

Toen de politie-agenten bij het uiteinde der rotsbank gekomen waren,
ontwaarden zij niets meer dan het hoofd van den vluchteling, dat slechts als een
zwart punt verscheen en naar volle zee gekeerd was.

Eene nieuwe losbranding deed het water rondom het hoofd van Mathias Sandorf
opspatten. En ongetwijfeld moesten een of meer kogels hem getroffen hebben,
want hij dook onder de golven om niet meer te voorschijn te komen.

Neen, niets, niets was meer te ontwaren!

De maréchaussées en de politie-agenten bleven, totdat de dag aangebroken was,
de rotsbank, de klippen en het strand van het voorgebergte af ten noorden van de
baai gelegen, tot voorbij het fort van Rovigno nauwkeurig bewaken. [153]

Page 236

Page 237

Eene nieuwe losbranding deed het water rondom het hoofd van Mathias Sandorf
opspatten. (Bladz. 152.)

[154]

Het was te vergeefs.

Niets duidde er op, dat graaf Sandorf ergens op die kust voet aan wal gezet had.

Iedereen was dan ook overtuigd, dat zoo hij niet door een kogel getroffen werd,
hij verdronken was; dat hij in ieder geval dood was.

Intusschen met welke nauwgezetheid de nasporingen ook geleid en uitgevoerd
werden, geen lijk werd in de branding ontwaard, noch op de kust gevonden. En
toch strekten die nasporingen zich over eene kuststrook uit van meer dan twee
uren gaans. Maar daar de wind van den kant van het land woei en de stroom naar
het zuidwesten voerde, zoo bestond er geen twijfel of het lijk van den
vluchteling was naar volle zee gedreven.

Graaf Sandorf, de Hongaarsche magnaat, had dus zijn graf in de golven van de
Adriatische zee gevonden!

Dat was de meening, die na een zeer nauwkeurig onderzoek, als de meest
natuurlijke door het Oostenrijksche gouvernement aangenomen werd.

Het recht moest dan ook zijn loop hebben.

Stephanus was, de lezer weet onder welke omstandigheden, gevat geworden. Hij
werd gedurende den nacht, en vergezeld van een sterk bewakings-detachement,
naar den vestingtoren van Pisino teruggevoerd. Daar werd hij, helaas! voor
slechts weinige uren, in gezelschap van graaf Ladislas Zathmar opgesloten.

De terechtstelling werd toen vastgesteld op den volgenden dag, den 30sten Juni.

Stephanus Bathory had voorzeker gedurende die noodlottige uren zijne vrouw en
zijn kind voor de laatste maal hebben kunnen weerzien. Ladislas Zathmar zou
een laatsten handdruk van zijn getrouwen dienaar hebben kunnen ontvangen;

Page 238

want het bevel om hen in den vestingtoren te Pisino toe te laten, was behoorlijk
gegeven.

Maar èn mevrouw Bathory met haren zoon, èn Borik, die uit de gevangenis
losgelaten was, hadden Triëst verlaten. Niet wetende waarheen de gevangenen
gevoerd waren, daar de inhechtenisneming zeer geheim was gehouden, waren zij
in Hongarije en zelfs tot in Oostenrijk gaan zoeken; en toen het vonnis
uitgesproken was, kon men hen natuurlijk niet bijtijds weêrvinden.

Stephanus Bathory moest dus die laatste vertroosting ontberen om zijn gade en
zijn kind weer te zien. Hij kon hen den naam der verraders, die zijn leven
verkocht hadden, niet mededeelen.

Alleen de gerechtigheid van graaf Mathias Sandorf zou die kunnen treffen.

Professor Stephanus Bathory en graaf Ladislas Zathmar werden te vijf uren op
het binnenplein der vesting doodgeschoten. Zij stierven als mannen, die hun
leven voor hun vaderland ten offer brachten. [155]

Silas Toronthal en Sarcany konden de hoop koesteren, dat zij tegen iedere
weerwraak beveiligd waren. En inderdaad, het geheim van hun verraad was
slechts bekend bij hen alleen en bij den gouverneur van Triëst.

Dat verraad, die snoode daad werd hen betaald met de helft der bezittingen van
graaf Mathias Sandorf.

De andere helft werd als buitengewone gunst opgespaard en bewaard voor de
erfgenamen van den graaf, wanneer zij hun achttiende jaar bereikt zouden
hebben.

Noch Silas Toronthal noch Sarcany ondervonden eenige wroeging over hunne
schandelijke daad. Zij konden dan ook in rust en vrede genieten van de
rijkdommen, door dat afschuwelijk verraad verkregen.

Eene ander verrader scheen ook niets te vreezen te hebben. Dat was de
Spanjaard Carpena, wien de bloedprijs, de premie van vijf duizend gulden, die
aan den verklikker uitgeloofd werd, uitgereikt was.

Page 239

Maar konden de bankier Silas Toronthal en zijn medeplichtige Sarcany in Triëst
met opgeheven hoofde rondwandelen, daar hun geheim bewaard was gebleven,
Carpena moest onder het gewicht der algemeene afkeuring en verontwaardiging
de wijk nemen en Rovigno verlaten. Maar wat kon hem dat schelen! Hij had
niets meer te vreezen, zelfs niet de wraak van Andreas Ferrato.

De visscher was inderdaad gevangen genomen, terechtgesteld en tot levenslange
galeistraf veroordeeld geworden, omdat hij eene schuilplaats aan de
vluchtelingen verleend had. Maria was thans met haren jongeren broeder Luigi
alleen. Helaas, armoede en ellende wachtten hen in dat huis, waaruit de vader
gesleurd was, zonder er weer te keeren!

Zoodat drie ellendelingen, alleen uit een hebzuchtig gevoel, zonder dat een
zweem van haat hen tegen hunne slachtoffers in het harnas joeg,—Carpena
hiervan misschien uitgezonderd—de een om zijn wankelende bankierszaken te
herstellen, de twee anderen om rijkdommen te verwerven, niet waren
teruggedeinsd om zulk een gruwel te beramen en te bedrijven.

Zou zulk een schandelijke daad op aarde ongestraft blijven?

Helaas! Gods rechtvaardigheid wordt niet altijd bespeurd.

Zouden graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus
Bathory, die drie vaderlandslievende mannen, zoude Andreas Ferrato, de
nederige visscher, het edele hart, ongewroken blijven?

Het antwoord daarop blijft aan de toekomst over.

EINDE VAN HET VOORSPEL.

[157]

Page 240

DOKTER ANTEKIRRT
[159]

[Inhoud]

Page 241

I.

Page 242

PESCADOSPUNT EN KAAP MATIFOU.
Vijftien jaren zijn verloopen sedert de laatste gebeurtenissen, bij het einde van het
voorspel dezer geschiedenis verhaald, voorgevallen waren.

Het was den 24en Mei 1882 een feestdag te Ragusa, een der voornaamste steden
van de Dalmatische provinciën.

Dalmatië is slechts een smalle landtong, welke tusschen het noorder gedeelte der
Dinarische Alpen, tusschen Herzegowina en de Adriatische zee gelegen is. Er is
daar juist plaats voor eene bevolking van vier of vijf maal honderd zielen, die
evenwel wat opeengehoopt moeten leven.

De Dalmaten vormen een fraai ras, dat zeer sober in die dorre schrale landstreek,
waar de teelgrond zeldzaam aangetroffen wordt, leeft. Zij zijn fier gebleven te
midden der staatkundige beroeringen, welke zij ondergaan hebben; zij zijn uiterst
trotsch tegenover Oostenrijk, waaraan zij vastgeklonken werden door het verdrag
van Campo Formio, hetwelk op dat punt bij den vrede van Parijs in 1815
bevestigd werd. Zij zijn eerlijk als goud, en hebben ten volle verdiend dat hun
land, volgens eene vleiende uitdrukking van den heer Yriartes, „het land der
deuren zonder sloten” genoemd werd!

Dalmatië wordt in vier kringen verdeeld, die op hunne beurt in districten
onderverdeeld zijn. Dat zijn: de kringen van Zara, van Spolato, van Cattaro en
van Ragusa. De gouverneur-generaal heeft zijne residentie te Zara, welke stad
dientengevolge de hoofdplaats van de provincie is. Te Zara komt de Landdag
bijeen, waarvan enkele leden deel uitmaken van de Kamer van
vertegenwoordiging te Weenen.

De tijden zijn wel veranderd sedert de XVIde eeuw, toen de Uskoken, die niets
anders dan gevluchte Turken waren, in open oorlog zoowel met de Muzelmannen
als met de Christenen verkeerden, zoowel met den Sultan van Constantinopel als
met den Doge van Venetië. Zij waren de schrik der Adriatische zee. Maar de
Uskoken [160]zijn verdwenen en men vindt van dien volksstam nergens anders

Page 243

een spoor terug dan in de Carniòla. De Adriatische zee is dus heden ten dage even
veilig als eenig ander gedeelte van die prachtige en dichterlijke Middellandsche
zee.

Ragusa of beter gezegd: de kleine staat Ragusa, is langen tijd
republikeinschgezind geweest en was dat voor Venetië, dat wil zeggen, reeds
sedert de IXde eeuw. Het was eerst bij decreet van Napoleon I dat Ragusa in
1809 bij het koninkrijk Illyrië gevoegd werd, om het als hertogdom aan den
maarschalk Marmont te schenken.

Reeds in de IXde eeuw vertoonden zich de schepen van Ragusa in alle de
Levantsche zeeën en hadden den alleenhandel met de ongeloovigen tot zich
getrokken. De Heilige Stoel had dien alleenhandel goedgekeurd, waardoor aan
Ragusa een groote voorrang geschonken werd te midden van die kleine
republieken van Zuid-Europa. Maar Ragusa onderscheidde zich nog door andere
meer edele hoedanigheden. De goede naam harer geleerden, de roem van hare
letterkundigen, de goede smaak van hare kunstbeoefenaars, hadden haar den
naam van Slavonisch Athene verschaft.

Evenwel voor den handel ter zee is een goede haven met diepen ankergrond
noodig, die schepen van groote tonnenmaat kan opnemen. Maar die haven
ontbreekt aan Ragusa. Hare haven is smal en gevaarlijk van wege de rotsen, die
nagenoeg met de waterlijn gelijk liggen, zoodat niets anders dan kustvaarders en
visschersschuiten eene veilige ligplaats vinden.

Gelukkig heeft de natuur als altijd, op een half uur afstands ten noorden, in een
van die inkeepingen van de baai van Ombla Fiumera, grillig een van die
overheerlijke havenkommen gevormd, die de meest mogelijke hulpmiddelen en
gemakken aan de meest ontwikkelde scheepvaart aanbieden. Die havenplaats ligt
te Gravosa, de beste wellicht van de geheele Dalmatische kust. Daar is water
genoeg voor de meest diepgaande bodems, zelfs voor oorlogsschepen; daar
ontbreekt de ruimte niet voor het krengen en voor het dokken der schepen, ook
niet voor de scheepstimmerwerven. Daar eindelijk kunnen die groote
pakketbooten aanleggen, die der wereld in het tweede gedeelte dezer eeuw
deelachtig zijn geworden.

Page 244

Daaruit volgt dus dat op het tijdstip van dit verhaal, de weg van Ragusa naar
Gravosa een ware boulevard was geworden, die ter weerszijden met fraaie
boomen beplant en omzoomd was met heerlijke villa’s, terwijl de geheele
bevolking der stad, die toen op zestien- of zeventienduizend inwoners kon
gerekend worden, zich langs dien weg verdrong.

Nu kon men dien dag tegen vier uren in den namiddag bespeuren, dat de
bewoners van Ragusa, na een heerlijken lente-ochtend genoten te hebben, zich
naar Gravosa begaven. [161]

Page 245

Page 246

Ragusa. (Bladz. 160.)

[162]

In die voorstad—en zoo kon Gravosa, bij de poorten der stad gelegen, toch
inderdaad genoemd worden, niet waar?—was er toen feest. Verscheidene tenten
en kermiskramen waren daar aanwezig, muziek en danspartijen in de open lucht
hadden daar plaats, terwijl kwakzalvers, kunstenmakers, koorddansers,
steltloopers, wier geschreeuw en gekakel, wier muziekinstrumenten en liederen
groot spektakel in de straten, ja tot op de haven maakten, allerwege aangetroffen
werden.

Voor een vreemdeling zou die dag een buitenkansje geweest zijn, om de
verschillende typen van het Slavonische ras, dat zich daar vermengd met
Bohemers van allerlei gehalte verdrong, te bestudeeren. Niet alleen waren de
Nomadische bevolkingen toegestroomd, om er de nieuwsgierigheid van de
ingezetenen te ontginnen, maar ook de boerenlui en de bergbewoners waren
komen opdagen, om hun deel van de openbare vermakelijkheden te genieten.

Het vrouwelijk geslacht was er in groot getal vertegenwoordigd: dames uit de
stad, boerinnen uit den omtrek, visschersvrouwen van de kust, die allen
wemelden door elkander. Bij de eerstbedoelden was de poging merkbaar, om hare
kleeding met de laatste mode van Westelijk Europa te doen overeenstemmen. Wat
de anderen betreft, hare tooi verschilde minstens in eene bijzonderheid, naarmate
van het district, vanwaar de draagsters afkomstig waren. Hier zag men witte
hemdjes met geborduurde mouwen en borstrokken, elders jakken met
veelkleurige figuren versierd, dan weer fraaie gordels met honderden ja
duizenden zilveren spijkerkopjes bezaaid. Het alles geleek op een mozaïekwerk,
waarin de kleuren in elkander vloeiden als op een fraai Perzisch tapijt. Hier werd
een wit mutsje op dichte haarvlechten ontwaard, dat met veelkleurige linten
getooid was; daar eene „okronga,” een soort sluier, die naar achteren afvalt,
zooals de „puskul” van den Oosterschen tulband; en overal beenbekleeders en
schoeisel, aan het been en aan den voet met bandwerk van stroo gevlochten
vastgemaakt. En om al dien tooi en opschik te volmaken, blonken juweelen, in
den vorm van armbanden, halssnoeren, of diademen van geldstukjes, op de meest
kunstige wijze vervaardigd, om hals, armen, borst en midden te versieren. Die

Page 247

juweelen werden zelfs bij de kleeding van de landlieden aangetroffen, die ook
den glinsterenden zoom van borduursels niet versmaden, waarmede de onderkant
hunner japonnen versierd was.

Maar onder die verscheidene kleederdrachten der Ragusasche bevolking, welke
door allen, zelfs door de zeelieden van de haven en de kust met smaak gedragen
werden, was toch die der commissionnairs of boodschaploopers—een
bevoorrecht gild—wel het meest geschikt om de aandacht te boeien. Die
pakjesdragers zijn inderdaad als ware Oosterlingen uitgedost met tulband, vest,
bovenkleed, [163]gordel, breede Turksche pantalon en babouchen of sloffen. Zij
zouden op de kaden van Galata of op het plein Top’hané te Constantinopel
volstrekt niet misplaatst zijn.

De feestvreugde was toen tot haar toppunt geklommen en de luidruchtigheid het
hoogst. De kramen zoowel in de straten als op de kaden waren overvuld. Er
bestond bovendien nog eene bijzondere aantrekkingskracht, die wel geschikt was
om een zeker aantal nieuwsgierigen, leegloopers en lanterfanten te verleiden en
meê te slepen, en dat was het te water laten van eene „trabucolo,” een soort
vaartuig, dat alleen in de Adriatische zee aangetroffen wordt en twee masten ieder
met twee zeilen voert, welke op schuin oploopende ra’s aangeslagen zijn.

Het te water laten zou tegen zes uren in den avond plaats hebben, en de romp der
trabucolo was reeds bevrijd van de steunpalen en wachtte slechts op het
wegnemen van de sleutelwiggen, om te water te loopen.

Maar tot op dat uur wedijverden de kunsten- en potsenmakers met de
rondreizende muzikanten en met de koorddansers in talent of behendigheid, tot
groot genoegen van de menigte.

Het waren toen de muzikanten, die het meest de toeschouwers tot zich trokken.
Onder hen bevonden zich guzlars of bespelers van de guzla en die haalden het
meeste geld op. Terwijl zij zich met hunne zonderlinge speeltuigen begeleidden,
zongen zij met eene keelgeluidachtige stem hunne nationale gezangen en
liederen, en die waren inderdaad wel waard, dat men een oogenblik stilstond om
ze te hooren.

Page 248

De guzla, waarvan die straatkunstenaars zich bedienen, is een instrument met een
langen hals, waarover verscheidene snaren gespannen zijn en waarop zij
eenvoudig met een enkelen kattendarm zagen. Wat de stem der zangers betreft,
deze laatsten loopen geen gevaar, dat hun de noten ontbreken zullen, want zij
gaan ze zoowel boven in hun hoofd als beneden in de borstholte zoeken.

Een van die zangers,—een groote lummel, met gele huid en bruin haar,—hield
zijn instrument tusschen zijne knieën evenals een oude violoncel, die uitgeteerd
zoude zijn. Hij zong en mimeerde door houding en gebaren eene canzonetta,
waarvan hieronder de vertaling volgt:

Wanneer weerklinkt het lied,
Het lied der Singare;
U ontsnappe dan niet,
Hoe zij zingt dat haar lied
Want: Beware!
Pas op voor de Singare![164]
Blijft ge echter ver van haar
Van haar verteerende blikken
Dan is er weinig gevaar
Dan kunt ge het nog ontglippen!

Na dat eerste couplet trad de zanger met het traditioneele bakje in de hand op de
menigte toe, om hun de gift van een paar kleine koperen muntstukken af te
bedelen. Maar hetgeen hij opgehaald had, bedroeg, scheen het, niet veel, want hij
keerde naar zijne plaats terug en poogde zijn gehoor te verteederen met een
tweede couplet van de canzonetta.

Een man, ongeveer vijftig jaren oud, hoorde dat gezang dier Bohemers rustig aan.
Maar hij scheen weinig gevoelig voor zooveel dichterlijke verleidingen; want
zijne beurs bleef tot nu toe opgeborgen en gesloten. Het is waar, dat de Singare
zelve, waarvan de canzonetta sprak, met hare verteerende blikken niet gezongen
had, maar wel de lange lummel, die zich tot haren tolk gemaakt had. Hij was dan
ook op het punt om heen te gaan, zonder iets betaald te hebben, toen een jong
meisje, die den toehoorder begeleidde, hem weerhield met de woorden:

Page 249

„Vader, ik heb geen geld bij mij. Ik bid u, geef toch iets aan dien braven man.”

Dat was de reden, waarom de guzlar vier of vijf kreutzer meer ontving dan wel
geschied zou zijn zonder de tusschenkomst van het jonge meisje. Niet dat haar
vader, die zeer rijk was, zulk een gierigaard genoemd kon worden, dat hij een
aalmoes zou weigeren aan een kermismuzikant. Neen, maar waarschijnlijk
behoorde hij niet tot hen, die door de menschelijke ellende bewogen kunnen
worden.

Beiden drongen door de menigte heen en gingen naar de andere kramen, waar het
niet minder luidruchtig toeging, terwijl de guzla-bespelers zich in de nabij
gelegen herbergen en kroegen verspreidden, om het ontvangen geld in vocht voor
de keel om te zetten. Zij gingen dan ook niet zuinig om met de „slivo-vitza”, een
soort zeer sterke brandewijn, die door de distillatie van pruimen verkregen wordt
en die in weerwil van zijne alcoholische kracht, als stroop door die Bohemer
kelen vloot.

Die kunstbeoefenaars in de open lucht, hetzij het zangers, hetzij het koorddansers
of grappenmakers waren, erlangden niet allen even gelijkelijk de gunsten van het
publiek. Onder de minstbegunstigden kon men twee acrobaten ontwaren, die te
vergeefs hunne kunsten op eene verhevenheid van planken aan den man poogden
te brengen. Zij hadden evenwel geen toeschouwers.

Boven die verhevenheid prijkten afbeeldingen met schreeuwende [165]kleuren
besmeerd en in vrij slechten staat verkeerende, waarop verscheurende dieren, in
waterverf gekleurd en bedeeld met de meest grillige omtrekken, voorgesteld
waren. Men zag daar leeuwen, jakhalzen, hyena’s, tijgers, boa’s enz. enz., die te
midden van een onwaarschijnlijk, ja onmogelijk landschap sprongen of zich
ontrolden.

Achter die verhevenheid stond eene kleine ronde tent, van oud zeildoek
vervaardigd, die met zooveel gaten doorboord was, dat de nieuwsgierigen en
onbescheidenen de verleiding niet konden weerstaan om er het oog bij te brengen
en er door te gluren, hetgeen nadeelig voor de ontvangst moest zijn.

Vóór de verhevenheid stond een slecht bevestigde paal, waaraan eene oude
leelijke plank vastgespijkerd was, die als het ware de kinderjaren van de

Page 250

uithangborden vertegenwoordigde en waarop deze vijf woorden grof en lomp met
houtskool geschreven waren:

PESCADOS EN MATIFOU.

Fransche acrobaten.

Uit een lichamelijk oogpunt beschouwd,—en ongetwijfeld ook uit een zedelijk
oogpunt,—verschilden die twee mannen zoo sterk van elkander als dat twee
menschelijke wezens doen kunnen. Alleen had hun gemeenschappelijke
oorsprong het kunnen bij elkander brengen om de wereld rond te trekken en den
strijd des levens te zamen te aanvaarden. Beiden waren in de Provence geboren.

Hoe kwamen zij aan die zonderlinge namen, die waarschijnlijk daar ginds in hun
ver verwijderd geboorteland eenige vermaardheid hadden?

Hadden zij die ontleend aan die twee geographische punten, waartusschen de baai
van Algiers ingesneden is, namelijk tusschen kaap Matifou en kaap Pescados? Ja,
zeker, en die namen pasten hen inderdaad volkomen, evenals die van Atlas aan
een kermisreus of aan een straat-Hercules.

Kaap Matifou is een groote, stevige onwrikbare heuvel, die op het
noordwestelijke uiteinde van de uitgestrekte reede van Algiers verrijst, alsof hij
de ontketende elementen tartte en daardoor het gezegde der dichters verdiend
heeft:

„Zijn onvernietigbare massa heeft den tijd vermoeid.”

Zoodanig was de athleet Matifou, een Alcides, een Porthos, een gelukkige
mededinger van een Ompdrailles, van een Nikolaas Crestes en van andere
beroemde worstelaars, die tot sieraad strekten van de zuidelijke worstelperken.

Die reus, zooals men hem noemde, en men moest hem gezien [166]hebben om het
te gelooven, was meer dan zes voet hoog, had een omvangrijk hoofd en daaraan
geëvenredigde schouders, eene borstkas als een smids-blaasbalg, beenen als
boomstammen van twaalf jaren oud, armen als drijfstangen van een
stoomwerktuig, en handen als nijptangen. In dien man zag men de menschelijke

Page 251

spierkracht in hare geheele heerlijkheid, en wanneer men naar zijn ouderdom
vernomen had,—dien hij, tusschen twee haakjes gezegd, zelf niet wist,—dan zou
men met verbazing gehoord hebben, dat hij ternauwernood zijn twee en
twintigste jaar ingetreden was.

Dat kolossale wezen was stomp van begrip, maar had daarentegen ongetwijfeld
een goed hart en een eenvoudig en zacht karakter. Hij kende noch haat noch
gramschap. Hij zou nimmer iemand kwaad doen. Hij durfde ter nauwernood de
hand te drukken, die hem gereikt werd, uit vrees van ze in de zijne te
vermorselen. In den grond van zijne natuur, die zoo machtig was, bestond niets
van den aard eens tijgers, waarvan hij toch de kracht bezat.

Hij gehoorzaamde dan ook op een woord of een wenk van zijnen makker, alsof
een gril van den Schepper hem tot kolossalen zoon van dien mageren sprinkhaan
geschapen had.

Als tegenstelling lag aan het westelijk uiteinde van de Algerijnsche baai, kaap
Pescados, vlak tegenover kaap Matifou. Die landtong is smal, uitgerafeld, en
bestaat slechts uit eene dunne rotsbank, die zich ver in zee uitstrekt. Vandaar de
naam van Pescados, welke gegeven was aan dien jongen van twintig jaren, die
klein, mager en tenger was en niet eens het vierde gedeelte in oude ponden woog,
van hetgeen de andere kilogrammen op de weegschaal haalde. Maar hij was
lenig, uitermate vlug in zijne bewegingen en had een schranderen geest en een
onaantastbaar gelijkmatig humeur, zoowel in voor- als tegenspoed. Hij was een
wijsgeer op zijn manier, daarbij vindingrijk en in de hoogste mate practisch. Hij
kon het best vergeleken worden bij een aap, zonder diens boosaardigheid
evenwel. Hij was door het toeval met onverbreekbare banden aan zijn makker,
aan dien goeden, grooten, vetten dikhuid verbonden, dien hij door al de
wisselvalligheden van een straatkunstenaarsleven geleidde.

Beiden waren acrobaten van beroep en liepen de kermissen af.

Matifou, of beter Kaap Matifou,—zooals hij gewoonlijk genoemd werd,—
worstelde in de strijdperken, verrichtte allerhande daden van krachtsbetoon, boog
ijzeren staven op zijn elleboogsbeen, tilde met stijf uitgestrekte armen de
zwaarste personen van het gezelschap toeschouwers op en maakte kunsttoeren

Page 252

met zijn jeugdigen makker, alsof dat een eenvoudige biljardbal ware geweest.
[167]

Page 253

Page 254

En maakte kunsttoeren met zijn jeugdigen makker. (Bladz. 168.)

[166]

Pescados of Pescados-punt,—zooals de andere in de wandeling genoemd werd,—
paradeerde, zong, speelde voor hansworst, vermaakte het publiek als pailjas door
zijne geestige gezegden. Nimmer [168]bleef hij steken of het antwoord schuldig en
hij verbaasde de menigte door zijne evenwichtstoeren, die hij uiterst behendig ten
uitvoer bracht. Als hij dat niet deed, dan lokte hij aller goedkeuring uit, door
goochelstukjes met kaarten, waarin hij inderdaad aan den meest behendigen
prestidigitateur een lesje had kunnen geven. Zoo nam hij zonder aarzelen op zich,
om het even welk spel het betrof,—hetzij een berekenings- of een hazardspel—
steeds te zullen winnen.

„Ik heb mijn „candidaats-examen” afgelegd!” zeide hij en herhaalde hij gaarne.

Maar, waarom, zult ge mij zeggen,—in navolging van eene gemeenzame
uitdrukking van vriend Pescadospunt—waarom zagen die twee arme drommels
zich dien dag door de toeschouwers verlaten, terwijl deze zich rondom andere
tenten en kramen verdrongen? Waarom, zult ge me zeggen, dreigde die geringe
inkomst, die zij toch zoo noodig hadden, hen te ontvallen? Dat was inderdaad
onverklaarbaar.

De taal, welke zij bezigden, een mengelmoes van het Provençaalsche en het
Italiaansche dialect—was meer dan voldoende om zich door het Dalmatisch
publiek te doen verstaan en begrijpen. Sedert zij den Provençaalschen
geboortegrond verlaten hadden, waren zij, ouderloos als zij waren, en hunne
ouders zelfs nimmer gekend hebbende en als ware producten eener spontane
generatie, er in geslaagd rond te komen. Zij zochten de jaarmarkten en de
kermissen op, leefden eer armoedig dan weelderig. Zij ontbeten niet iederen dag
en hadden meestal slechts een schraal stuk brood tot avondmaal. Dat was genoeg;
want, beweerde en herhaalde de opgeruimde Pescadospunt:

„Men moet nimmer het onmogelijke vergen!”

En toch, al vergde dien dag die goedige lummel het onmogelijke niet, zoo poogde
hij toch een paar dozijn toeschouwers, die voor zijn kraam stonden te gapen, tot

Page 255

zich te lokken, in de hoop dat zij besluiten zouden zijne ellendige tent te
bezoeken. Maar noch zijne geestige gezegden, die door zijn vreemden tongval al
zeer koddig klonken, noch zijne kwinkslagen, die een blijspel-schrijver beroemd
en rijk gemaakt zouden hebben, noch de potsierlijke gezichten, die hij trok en die
een heilige van steen of brons, in eene nis der domkerk staande, aan het lachen
zouden gebracht hebben, noch zijne ledematenbewegingen en
heupontwrichtingen, ware kunststukken van lenigheid; noch het grappige spel
zijner pruik, die van hondsgras vervaardigd was en welker staarteinde op de
roode stof van zijne buis bengelde, noch zijne komieke uitvallen, die den
beroemden Pulcinello van Rome overwaardig zouden geweest zijn, konden het
publiek bekoren. [169]

En toch werd dat Slavonisch publiek door hem en zijn makker sedert
verscheidene maanden geëxploiteerd.

Na de Provence verlaten te hebben, waren de twee vrienden de landstreek der
Maritieme Alpen, het Milaansche, het Lombardijsche en daarna het
Venetiaansche grondgebied doorgetrokken, waarbij als het ware de een de
volmaking van den anderen was. Beiden waren beroemd: Kaap Matifou door
zijne kracht, Pescadospunt door zijne vlugheid. Hunne vermaardheid had hun tot
Triëst, in Illyrië gelegen, gelokt. Van Triëst waren zij door Istrië langs de kust van
Dalmatië naar Zara, naar Salona, naar Ragusa afgezakt, terwijl zij meer profijt er
in vonden om steeds voorwaarts te schrijden dan om achterwaarts terug te keeren.

Achterwaarts waren zij genoten, ja versleten. Voor zich uit brachten zij steeds een
geheel nieuw programma voor het publiek, waaruit dan zoo goed en zoo kwaad
als het ging munt geslagen werd.

Thans helaas, zij zagen het maar al te goed in, dreigde de tocht, dien zij maakten
en die toch nimmer schitterend geweest was, zeer slecht te worden. Die arme
drommels koesterden dan ook maar één wensch, dien zij waarachtig niet wisten
hoe te verwezenlijken, namelijk om naar hun vaderland terug te keeren, om de
Provence weer te zien, en deden daarbij de gelofte: zich nimmer meer zoo ver
van den geboortegrond te verwijderen. Maar zij voelden den kogel aan hun voet
geklonken, den kogel der armoede en der ellende, en met zoo’n kogel aan het
been is het afleggen van honderden uren gaans een lastig en moeilijk werk.

Page 256

Evenwel, alvorens aan de toekomst te kunnen denken, moest aan het heden
gedacht worden, dat wil zeggen: aan het maal, dat zij hedenavond zouden
genieten. En wat daartoe in uitzicht zich vertoonde, was jammerlijk schraal. Zij
hadden geen kreutzer in kas, wanneer men aan den slip van den zakdoek, waarin
Pescadospunt gewoonlijk het gezamenlijke vermogen der beide vennooten
opborg, den weidschen naam van kas mag geven. Te vergeefs bewoog hij zich en
liep hij op zijne verhevenheid heen en weder. Te vergeefs liet hij wanhopige
uitroepingen en aanmoedigingen door de lucht weerklinken. Te vergeefs stelde
Kaap Matifou zijn reuzenarmen ten toon, waarvan de aderen en spieren zich
slingerden en uitkwamen als de vertakkingen van eene klimopplant rondom een
knoestigen stam! Maar geen enkel toeschouwer liet iets bespeuren van eenige
neiging om die linnen tent binnen te treden.

„Drommels, zij zijn hard in den bek, die duivelsche Dalmatiërs,” zei
Pescadospunt.

„Als keisteenen zoo hard,” vulde Kaap Matifou aan.

„Waarlijk, ik geloof dat wij moeite zullen hebben om heden ons [170]eerste geld te
verdienen! Zie je, Kaap Matifou, wij zullen moeten opbreken!”

„Om waar heen te gaan?”

„Je bent wel nieuwsgierig!” antwoordde Pescadospunt.

„Spreek maar op.”

„Welnu, wat zou je denken van een land, waar men verzekerd is om eens per dag
te kunnen eten?”

„Waar ligt dat land, Pescadospunt?”

„O ver, heel ver, zeer ver.… zelfs verder dan zeer ver, Kaap Matifou!”

„Aan het uiteinde der aarde?”

„De aarde heeft geen uiteinde,” antwoordde Pescadospunt machtspreukig.
„Wanneer zij een uiteinde had, dan zou zij niet rond zijn; wanneer zij niet rond

Page 257

was, dan zou zij niet kunnen draaien. Wanneer zij niet draaide, zou zij
onbewegelijk zijn, en wanneer zij zij onbewegelijk was.…”

„Welnu?”.… vroeg Kaap Matifou.

„Welnu.… dan zou ze op de zon vallen in minder tijd dan ik noodig heb om een
konijn weg te goochelen!”

„En dan?.…”

„En dan zou gebeuren wat iederen onhandigen kunstenmaker overkomt, wanneer
twee zijner ballen zich in de lucht ontmoeten en klotsten! Krak! Alles breekt,
alles valt en het publiek fluit hem uit en vraagt zijn geld terug. Hij geeft het terug,
maar dan.… dan heeft hij dien avond niets te eten!”

„Zoodat,” vroeg de reus, „wanneer de aarde op de zon viel, dan kregen wij niet te
eten?”

„Neen, voorwaar!”

Kaap Matifou verloor zich na dat antwoord in zeer wijdloopige overpeinzingen.
Hij zat in een hoek der verhevenheid, met zijne armen gekruist over zijne borst,
die met een vleeschkleurig geweven hemd bedekt was. Hij bewoog het hoofd
heen en weer als een porceleinen Chineesch beeldje; hij zei niets meer, hij zag
niets meer, hij hoorde niets meer. Hij werd bestormd door de meest onmogelijke
vermenging van denkbeelden. Alles hoste en klotste in die groote hersenkas en
daarbij voelde hij in het binnenste van zijn wezen iets, alsof daar een afgrond
geboord werd. Toen scheen het hem toe, alsof hij hoog, heel hoog, zeer hoog.…
hooger dan zeer hoog steeg. Die uitdrukking, door Pescadospunt gebezigd voor
de verwijdering der voorwerpen, had hem getroffen. Maar toen had hij een
gevoel alsof men hem gedurende die stijging plotseling losliet, waarbij hij viel.…
viel in zijn eigen maag, dat wil zeggen in de ledige ruimte.

Dat was eene ware nachtmerrie. Het rampzalige wezen sprong [171]met
uitgestrekte armen en als verblind van zijn stoeltje op. Nog ééne seconde, dan
zou hij van boven zijn verhevenheid neergevallen zijn.

Page 258

„Hé! Kaap Matifou, wat scheelt je toch?” riep Pescadospunt uit, terwijl hij zijn
makker bij de hand greep en er in slaagde, evenwel niet zonder moeite, om hem
achteruit te trekken.

„Wat? Mij?.…” antwoordde de reus geheel beteuterd. „Wat mij scheelt?.…”

„Ja, u!”

„Mij scheelt.…” zeide Kaap Matifou, terwijl hij zijn denkvermogen bijeen
raapte, een moeilijk werk, hoewel zijne denkbeelden niet zeer talrijk waren. „Mij
scheelt.… anders niets dan dat ik je spreken moet, Pescadospunt!”

„Spreek dan, Kaap van mijn hart! en vrees niet dat ge beluisterd zoudt kunnen
worden; want het publiek is weg! Weg! Verstoven!”

De reus liet zich op zijn stoeltje neervallen en trok met zijn machtigen arm, maar
toch zacht, zeer zacht, alsof hij bang was hem te breken, zijnen braven makker tot
zich.

[Inhoud]

Page 259

II.

Page 260

HET TE WATER LATEN VAN DE TRABUCOLO.
„Dus het gaat niet?” begon Kaap Matifou.

„Wat gaat niet?”

„De zaken!”

„Zij konden beter gaan, dat valt niet te betwisten; maar zij konden ook nog
slechter gaan!”

„Pescadospunt?”

„Kaap Matifou!”

„Neem mij niet kwalijk, hetgeen ik je zeggen ga!”

„Ik zal het je integendeel wel kwalijk nemen, wanneer het dat verdienen zal!”

„Welnu.… ge moest mij verlaten,” zei de reus.

„Wat bedoel je met dat: mij verlaten.… Je in den steek laten?” vroeg
Pescadospunt. [172]

„Ja!”

„Ga voort, o Hercules mijner droomen! Ga voort. Waarachtig, je boezemt me
belang in.”

„Zie,” antwoordde de reus, „ik ben er zeker van, dat wanneer ge alleen waart, ge
er wel komen zoudt.… Ik hinder je, en zonder mij zou je.…”

„Zeg eens, Kaap Matifou,” antwoordde Pescadospunt ernstig. „Je bent dik, niet
waar?”

„Ja.”

Page 261

„Welnu, hoe dik en hoe lang en hoe groot ge ook wezen moogt, begrijp ik niet,
dat je machtige omvang de domheid heeft kunnen bevatten, die je daar
uitgekraamd hebt.”

„Waarom dan toch, Pescadospunt?”

„Omdat die domheid nog dikker, nog grooter is dan jij bent, Kaap Matifou! Ik
zou je verlaten! Jij mijn schoothondje, mijn dierbaar lief beestje! Maar zeg eens,
als ik weg was, met wien zou je je toeren uitvoeren?”

„Met wien?.…”

„Wie zou er zijn, die den gevaarlijken sprong op je achterhoofd kon uitvoeren?”

„Ja, maar.…”

„Wie zou den toer met „de beenen uit elkander” tusschen je armen kunnen
volbrengen?”

„Drommels!.…” antwoordde de reus, die door die dringende vragen in de war
raakte.

„Ja.… de beenen uit elkander.… voor een stormachtig opgewonden publiek.…
wanneer er bij toeval publiek aanwezig is!”

„Een publiek?” mompelde Kaap Matifou.

„Dus,” hernam Pescadospunt, „houd je mond en laten wij slechts daaraan denken,
dat wij zooveel geld verdienen moeten om heden avond te kunnen eten!”

„Ik heb geen honger!”

„Jij, je hebt altijd honger, Kaap Matifou; dus.… nu heb je ook honger,”
antwoordde Pescadospunt, terwijl hij met zijne beide handen de kolossale
kakebeenen opende van zijn makker, die de verstandskies niet afgewacht had om
zijne twee en dertig tanden voltallig te hebben. „Ik zie dat aan je oogtanden, die
de lengte bezitten van de haken van een buldog! Je hebt honger, zeg ik je, en als

Page 262

wij nu maar zoo gelukkig zijn om slechts een halven gulden, kom, slechts een
kwartje te verdienen, dan zal je eten!”

„Maar jij, kleine Pescadospunt?”

„Ik, voor mij is een graankorrel genoeg! Ik behoef niet sterk te zijn, terwijl jij
zoonlief.… Volg nu wel mijne redeneering. Hoe meer je eet, te vetter zal je
worden. Hoe vetter je wordt, te meer [174]zal je een wonderverschijnsel zijn!.…
Een wonderverschijnsel, ja.…” [173]

Page 263

Page 264

Noch het grappige spel zijner pruik, die van hondsgras vervaardigd was. (Bladz.
169.)

[174]

„Ik integendeel, hoe minder ik eet, te meer ik vermager. En hoe meer ik
vermager, te meer word ik ook een wonderverschijnsel op mijne beurt. Is dat
waar of niet?”

„Dat is waar,” antwoordde Kaap Matifou zoo kinderlijk eenvoudig mogelijk.
„Dus, Pescadospunt, in mijn belang moet ik eten?”

„Het is zooals gij zegt, mijn dikke vent! In uw belang, terwijl ik in mijn belang
niet moet eten!”

„Zoodat, wanneer er slechts voor één te eten was.…”

„Dat voor jou zou zijn!”

„Maar wanneer voorraad voor twee was?”

„Dan zou die ook voor jou zijn! Wat duivel, Kaap Matifou, je staat wel twee
mannen?”

„Vier.… zes.… tien!.…” riep de reus uit, die inderdaad door tien mannen niet zou
te bedwingen zijn.

Wanneer wij de overdrijving, zoo eigen aan de Herculessen van den ouden en van
den nieuweren tijd ter zijde laten, dan valt toch als onomstootelijke waarheid
mede te deelen, dat Kaap Matifou het van alle de worstelaars, die met hem in het
strijdperk getreden waren, gewonnen had.

Men verhaalde van hem twee stukken, die inderdaad zijn buitensporige kracht
bewezen.

Op een avond bevond hij zich te Nîmes in een circus, die in hout opgetrokken
was. Een der steunbalken, die de kap van het dak torschten, bezweek. Een hevig
gekraak verschrikte de toeschouwers, die gevaar liepen onder het vallende dak

Page 265

verpletterd te worden, of zich zelven dood te dringen, door de poging om langs
de smalle uitgangen te ontsnappen. Maar Kaap Matifou was er! Met één sprong
was hij bij den steunbalk, die reeds uit de loodlijn geweken was, en schraagde
hem met zijne krachtige schouders juist op het oogenblik, dat de dakstoel zou
neerkomen, en dat gedurende den geheelen tijd, die noodig was om de zaal te
ontruimen. Daarna volvoerde hij een vervaarlijken sprong en stormde naar
buiten, juist toen het dak achter hem instortte.

Dat, dat was eene krachtsontwikkeling der schouders geweest; ziet hier nu eene
van de armen.

Eens ontsnapte in de vlakte van Camargue een woedende stier uit de omheining,
waarin hij opgesloten was; hij vervolgde en verwondde verscheidene personen.
Zonder de tusschenkomst van Kaap Matifou, zou hij de grootste ongelukken
veroorzaakt hebben. De reus liep op het dier toe, wachtte het, toen het op hem
aankwam, met gestrekte knieën af, greep het, toen het met voorover gebogen
[175]kop op hem losstormde, bij de hoorns, wierp het met een krachtige
armbeweging omver en weerhield het in dien stand, terwijl het met de vier
hoeven in de lucht spartelde, totdat het overmeesterd, gebonden en buiten staat
gesteld was om verder nadeel te kunnen aanrichten.

Van die bovenmenschelijke lichaamskracht zouden nog meer bewijzen bij te
brengen zijn. De medegedeelde zijn evenwel voldoende om niet alleen de
spierkracht van Kaap Matifou begrijpelijk te maken, maar ook om een denkbeeld
te geven, van zijn moed en zijne toewijding en zelfopoffering, daar hij nooit
vreesde zijn leven te wagen, wanneer het gold zijn evenmensch te hulp te komen.
Hij was dus een even goedhartig wezen als hij sterk was. Evenwel om niets van
zijne spierkracht te verliezen, moest de reus, zooals Pescadospunt herhaaldelijk
verzekerde, eten, en zijn makker noodzaakte hem daartoe en leed zelf gebrek,
wanneer er slechts voor één zelfs voor twee voorraad was. Dien avond evenwel
verscheen het avondmaal—voor een zelfs—niet aan den gezichteinder.

„Er zijn nevelen aan de kim,” zeide Pescadospunt herhaaldelijk.

En om die nevelen te verdrijven, hervatte die edele kerel zijne geestigheden en
zette potsierlijke gezichten. Hij liep zijne verhevenheid op en neer, hij draaide

Page 266

rechts en links, hij ontwrichtte zijne heupen, hij liep op zijne handen als hij dat
niet op zijne voeten deed. Volgens eene zijner wijsgeerige opmerkingen, had men
minder honger, wanneer men met het hoofd omlaag heen en weer wandelde. Hij
herhaalde in zijn eigenaardig bargoens, dat half uit Provençaalsche, half uit
Slavonische uitdrukkingen bestond, die eeuwige grappen, die net zoo lang
gebruikelijk zullen zijn als een pailjas zal bestaan, om ze aan de menigte van
leegloopers en maangapers toe te schreeuwen en zoo lang als die leegloopers
zullen samenstroomen om ze aan te hooren.

„Treedt binnen, heeren, treedt binnen!” riep Pescadospunt. „Men betaalt slechts,
wanneer men de tent verlaat, en.… dan nog maar de kleinigheid van een
kreutzer!”

Maar om de tent te kunnen verlaten, moest men haar eerst binnentreden, en geene
der vijf of zes personen, die voor de geschilderde zeilen stonden te lanterfanten,
scheen tot het besluit te kunnen komen om binnen te treden.

Toen wees Pescadospunt met trillenden stok op de merkwaardigheden, die op dat
zeildoek geschilderd stonden. Niet dat hij eene diergaarde aan het publiek te
vertoonen had! Neen! Die schrikwekkende beesten leefden ergens in den
achterhoek van Afrika of van Indië. Maar.… wanneer Kaap Matifou hen ooit
mocht ontmoeten, dan zou hij er slechts een hap van maken.

En daarop volgden de gewone kluchten, die door den reus met [176]zware slagen
op de groote trom, die als kanonschoten weerklonken, afgebroken werden.

„De hyena, heeren! Ziet hier de hyena! Hij is afkomstig van de Kaap de Goede
Hoop. Het is een vlug en bloeddorstig dier. Hij springt de ringmuren der
kerkhoven over en zoekt daar zijn prooi!”

En naar eene andere zijde van het geschilderde doek wijzende, waarop een
geelachtig water te midden van blauwe en groene grassoorten afgebeeld was.

„Ziet hier! Een jeugdige en belangwekkende neushoorn, die slechts vijftien
maanden oud is! Dat dier werd op Sumatra geboren en opgevoed, waar het met
zijn schrikkelijken hoorn het vaartuig gedurende den overtocht in gevaar bracht
van te stranden!”

Page 267

Daarna op een groenachtigen hoop beenderen van rampzalige slachtoffers op den
voorgrond wijzende:

„Ziet, heeren, ziet! De schrikkelijke leeuw van den Atlas. Hij bewoont het
innerlijke van de Sahara! In het brandende zand van de woestijn! Op het
oogenblik van de tropische hitte, kruipt hij in rotsholen! Als hij eenige druppels
water vindt, dan stort hij er zich in en komt er druipstaartend uit!”

Maar al dat aanmoedigende redenaarstalent liep gevaar geheel nutteloos te
worden uitgekraamd. Pescadospunt schreeuwde als een bezetene, maar te
vergeefs. En te vergeefs sloeg Kaap Matifou op de groote trom, alsof hij het vel
wilde stuk slaan!

Het was wanhopig!

Eindelijk bleven toch verscheidene Dalmatiërs, stevige bergbewoners, stilstaan,
om, zooals het scheen, den athleet Kaap Matifou met bewondering te
aanschouwen.

Dadelijk meende Pescadospunt een middel gevonden te hebben. Hij wilde die
brave lieden tot een worstelstrijd uitdagen.

„Treedt binnen, heeren! Treedt binnen! Het oogenblik is gekomen! Groote
worstelstrijd van man tegen man! De strijd zal met geopende hand plaats vinden!
De schouders moeten elkander raken! Kaap Matifou neemt op zich om al de
liefhebbers te overwinnen, die hem de eer willen aandoen zich met hem te meten!
Een katoenen zwembroekje zal de eereprijs zijn voor zijn overwinnaar! Zult gij
dat zijn, heeren?”

Die vraag werd gedaan aan drie kolossale boeren, die hem met domme verbaasde
oogen aankeken.

Maar die kolossale boeren hadden geen lust om zich aan dien worstelstrijd, die
toch zeer eervol voor de beide tegenstanders zou geweest zijn, te onderwerpen.
Pescadospunt ging toen tot de aankondiging over, dat bij gebrek aan liefhebbers
de strijd toch zou plaats hebben, maar nu tusschen Kaap Matifou en hem. Ja,
waarlijk! De behendigheid zou zich meten met de kracht! [177]

Page 268

Page 269

Hij spande alle krachten in, de spieren zijner armen en beenen zwollen als koorden
op. (Bladz. 183.)

[178]

„Treedt binnen, heeren. Treedt dan toch binnen! Volgt elkaar maar!” riep de arme
Pescadospunt met eene kracht, alsof hij zijne longen verscheuren wilde. „Gij zult
hier zien, wat gij nog nimmer gezien hebt! Een gevecht van Pescadospunt met
Kaap Matifou! Een strijd tusschen de twee Provençaalsche tweelingen!.… Ja.…
tweelingen!.… natuurlijk niet even oud.… ook niet uit dezelfde moeder
geboren.… Maar wij zijn tweelingen!.… Kijk maar, hoe wij elkander gelijken!.…
Wij zijn even dik!.… Ik vooral!”

Een jongmensch was voor de tent blijven stilstaan en hoorde alle die oudbakken
aardigheden met den grootsten ernst aan.

Die jongeling was hoogstens twee en twintig jaren oud en had eene gestalte, die
weinig meer dan eene middelmatige was. Zijne fraaie gelaatstrekken schenen
vermoeid door den arbeid, zijn geheel uiterlijk ademde ernst en duidde op eene
nadenkende geaardheid. Het kon wel zijn, dat die man veel ondervinding in de
lijdensschool had opgedaan. Zijne groote zwarte oogen, zijn baard, dien hij vol
maar kort afgeknipt droeg, zijn mond, die de plooi van een glimlach niet had,
maar die fijntjes onder een nog fijner geteekenden knevel uitkwam. Dat alles
duidde op eene Hongaarsche afkomst, op eene afkomst, waarin het Magyaarsche
bloed voortheerschte. Hij was zeer eenvoudig gekleed in een modern kostuum,
zonder evenwel den schijn op zich te laden een modegek te wezen. Zijn uiterlijk
liet geen twijfel over: in dien jongeling was de man reeds aanwezig!

Hij luisterde, zooals reeds gezegd is, naar de nuttelooze geestigheden van
Pescadospunt. Hij zag niet zonder weemoed zijne bewegingen op die
verhevenheid. Hij had zelf veel geleden en ongetwijfeld was hij niet ongevoelig
voor het lijden van anderen.

„Het zijn twee Franschen!” mompelde hij. „Arme drommels! Zij beuren heden
niets.”

Page 270

Toen kwam de gedachte bij hem op om geheel alleen een publiek toeschouwers
daar te stellen, alleen een betalend publiek te willen zijn. Dat zou niets anders dan
eene aalmoes, maar toch eene bedekte, eene verborgen aalmoes zijn; en het was
zeer waarschijnlijk dat die van pas zou komen. Hij trad dus op de deur toe, dat
wil zeggen op de opening der tent, die door het ophouden van een hoek van het
zeildoek gevormd werd.

„Treed binnen, mijnheer! Treed binnen! Men begint dadelijk!”

„Maar.… ik ben alleen.…” merkte het jongmensch met de meest mogelijke
welwillendheid in zijne stem op.

„Mijnheer!” antwoordde Pescadospunt met koddige fierheid op, „ware
kunstenaars letten meer op de qualiteit dan op de quantiteit der toeschouwers!”

„Gij zult mij middelerwijl veroorloven?” zei de jongeling, terwijl hij zijne beurs
uithaalde. [179]

Hij nam twee gulden daar uit, die hij in den tinnen schotel neerlei, die in een hoek
der verhevenheid stond.

„Een edel hart!” mompelde Pescadospunt.

En zich tot zijn makker wendende:

„Kom, vooruit, Kaap Matifou! Vooruit! Wij zullen hem voor zijn geld bedienen!”

Maar ziet, juist op het oogenblik van binnen te zullen treden, ontwaarde de
eenige bezoeker van de Fransche en Provençaalsche tent een jong meisje, dat in
gezelschap van haren vader een kwartier vroeger was blijven stilstaan voor de
groep guzlas-zangers. Die jongeling en dat jeugdige meisje waren, zonder dat zij
het wisten, door een en dezelfde gedachte bewogen om een liefdewerk te
volvoeren. De eene had eene aalmoes gewijd aan die straatzangers, de andere aan
deze acrobaten.

Maar ongetwijfeld was deze ontmoeting den jongman niet voldoende; want hij
vergat, zoodra hij het lieve kind bespeurde, zijne rol van toeschouwer, alsook den

Page 271

prijs, dien hij betaald had, en stoof den kant uit, waar de liefelijke verschijning
zich in de menigte verloor.

„Hé, mijnheer!.… mijnheer!.…” riep Pescadospunt. „En uw geld dan?.… Wat
drommel, dat hebben wij niet verdiend!.… Maar waar is hij?.… Verdwenen!.…
Hé, mijnheer!.…”

Maar hij poogde te vergeefs „zijn publiek”, dat weggeloopen was, te ontwaren.
Daar nu bekeek hij Kaap Matifou, die niet minder verbouwereerd was dan hij, en
met open mond stond te kijken.

„Juist op het oogenblik, dat wij zouden beginnen,” zei eindelijk de reus.
„Waarachtig, wij hebben geen geluk.”

„Laten wij toch maar beginnen,” zei Pescadospunt, terwijl hij het trapje afklom,
dat naar de verhevenheid voerde.

Zoo zouden zij, door slechts voor de ledige banken—die er trouwens ook niet
waren—te spelen, ten minste het ontvangen geld verdienen.

Maar in dat oogenblik ontstond een hevig rumoer op de kaden der haven. De
menigte scheen eene beslist aangeduide beweging te volgen, die haar naar den
kant van de zee voerde, en de woorden, die door honderd, door duizend monden
herhaald werden, weerklonken:

„De Trabucolo!.… de Trabucolo!”

Het oogenblik was inderdaad gekomen, dat het kleine vaartuig te water zou
gelaten worden. Dat schouwspel is altijd aantrekkelijk en steeds van dien aard om
de publieke nieuwsgierigheid op te wekken. Het plein en de kaden, waarop de
menigte zich een oogenblik te voren verdrong, waren weldra verlaten en alles
stroomde naar de scheepstimmerwerf, waar de handeling zou plaats hebben.

Pescadospunt en Kaap Matifou begrepen dat er ten minste in [180]het eerste
halfuur niet meer op publiek te rekenen viel. Zij waren daarenboven uiterst
begeerig om den eenigen toeschouwer die op het punt was geweest om hunne
tent binnen te treden, terug te vinden. Zij verlieten hun hok dan ook, zonder het te

Page 272

sluiten,—waarom ook te sluiten, er was niets weg te nemen?—en gingen naar
den kant van de werf.

Die scheepstimmerwerf was aan het uiteinde van eene landspits buiten de
havenkom van Gravosa, op een hellend terrein gelegen, dat door de branding als
met eene zilveren franje van verblindend wit schuim omgeven werd.

Pescadospunt en Kaap Matifou baanden zich een weg met hunne ellebogen en
slaagden er in een plaatsje in de eerste rijen der toeschouwers te veroveren. Zoo
had zich nimmer, zelfs bij benefietvoorstellingen de menigte voor hunne tent
verdrongen! Ja, de kunst ontaardde! zoo verklaarden zij.

De Trabucolo was reeds van de zijstelten bevrijd, die hare flanken steunden, en
was gereed om de helling af te loopen. Het anker hing ter gewenschter plaats; het
zou voldoende zijn om het te laten vallen, wanneer de romp te water zoude zijn,
ten einde de vaart te temperen, die het scheepje te ver in het havenkanaal zou
kunnen voeren. Hoewel de Trabucolo slechts een vijftig tonnen meette, was het
toch een zoo aanzienlijk gevaarte, dat alle mogelijke voorzorgsmaatregelen
moesten genomen worden. Twee werklieden der helling stonden op het dek van
het achterschip bij den stok, waaraan de Dalmatische vlag woei, terwijl twee
anderen op het voorschip klaar bij het anker stonden.

Het was achteruit, zooals gewoonlijk bij dergelijke operatiën geschiedde, dat de
Trabucolo te water zoude glijden. Haar kiel rustte op de met zeep besmeerde
helling en werd nog slechts tegengehouden door het sluitstuk. Het was voldoende
dat dit weggenomen werd, om de afglijding te doen plaats hebben; daarna zou de
snelheid door de in beweging gebrachte massa aangroeien en het kleine vaartuig
zou van zelf naar zijn natuurlijk element toeijlen.

Reeds waren een half dozijn timmerlieden, met ijzeren knodsen gewapend, bezig
met het inslaan van wiggen, die onder de kiel van het voorschip aangebracht
werden, om het een weinig op te tillen om zoo nog meer helling te verkrijgen, ten
einde het afglijden naar de zee te vergemakkelijken.

Een ieder volgde dien arbeid, te midden eener algemeene en diepe stilte, met de
levendigste belangstelling. [181]

Page 273

Page 274

„Heb dank, vriend, voor hetgeen gij zooeven gedaan hebt!” (Bladz. 184.)

[180]

Juist in dat oogenblik verscheen bij de ombuiging van de landspits, die in het
zuiden de havengang van Gravosa dekte, een pleizierjacht. Het was een goelet,
die ongeveer drie honderd vijftig tonnen inhoud kon meten. Dat vaartuig poogde,
door te laveeren, den [182]kant, waarop de scheepstimmerwerf lag, te boven te
komen, om zoo den haveningang open te krijgen. Daar de bries uit het
noordwesten woei, liep het jacht scherp bij den wind, bakboord overhellende, en
stuurde zoodanig, dat het slechts af te houden had, om op de gewilde ankerplaats
te komen. Binnen tien minuten zou dat vaartuig in de onmiddellijke nabijheid
gekomen zijn. Het werd al grooter en grooter voor het oog, alsof men het door
een verrekijker bekeek, waarvan de buis door eene langzame maar gestadige
beweging uitgeschoven werd.

Nu moest de goelet, om de haven binnen te kunnen loopen, voorbij de
scheepshelling stevenen, alwaar het te water laten van de Trabucolo voorbereid
werd. Zoodra zij dan ook geseind werd, werd het raadzaam geacht, om ieder
ongeval te voorkomen, de handeling uit te stellen. Men zou haar voortzetten,
wanneer het vaartuig voorbij gestevend zoude zijn. Eene aanvaring tusschen die
beide vaartuigen, waarvan het een dwars voor het andere, dat met alle snelheid
vooruitschoof, gekomen zou zijn, zou voorzeker noodlottig voor het jacht moeten
uitvallen.

De werklieden hielden dus op met tegen de wiggen te slaan, en de man, die bij
het sluitstuk stond, kreeg bevel om nog te wachten. Dat was dus een uitstel van
slechts weinige minuten.

De goelet naderde intusschen snel. Men kon reeds met het bloote oog de
voorbereidselen van het ten anker gaan waarnemen. De beide kluivers werden
ingenomen en men had den schoot van het grootzeil opgegeid, terwijl het
fokkezeil weggenomen werd. Maar de snelheid, waarmede het vaartuig
voortdreef, was nog vrij groot.

Ieders blik was op dat bevallig scheepje gevestigd, waarvan de nog bijstaande
zeilen door de schuine stralen der zon als verguld werden. De matrozen

Page 275

verrichtten hun werk aan boord in hun Levantijnsch pak, met de roode muts op
het hoofd; terwijl de kapitein op het achterschip bij den man aan het roer stond,
en vandaar kalm en waardig zijne bevelen gaf.

Weldra bevond zich het jacht, waaraan niet meer plaats overbleef dan noodig was
om den slag te maken, die het tot voorbij de landspits, welke de haven dekte,
moest brengen, dwars van de sleephelling.

Plotseling weerklonk een schrikkelijke kreet. De Trabucolo was in beweging
geraakt. Door de een of andere oorzaak was het sluitstuk uit zijne sponning
gesprongen en bewoog het schip zich juist op het oogenblik, dat het jacht zijne
stuurboordzijde aanbood.

De botsing tusschen de beide vaartuigen scheen dus onvermijdelijk. Tijd en
middelen, om haar te beletten, ontbraken. Er viel niets te doen. Op het
geschreeuw van de toeschouwers antwoordde een kreet van schrik, door de
bemanning van de goelet geslaakt. [183]

De kapitein, die zijne koelbloedigheid niet verloor, deed het roer te boord leggen,
maar het was onmogelijk dat het vaartuig vlug genoeg zou kunnen wenden of
voorbijschieten, om den schok te vermijden.

Want inderdaad, de Trabucolo gleed van de helling. Een witte rook, door de
sterke wrijving veroorzaakt, werd bij den voorsteven waargenomen, terwijl de
achtersteven reeds in het water der baai dook.

Plotseling sprong een man vooruit. Hij greep een eind touw, dat aan het
voorschip afhing. Maar te vergeefs poogde hij het vaartuig te weerhouden door
zich, op gevaar af van meegesleept te worden, tegen den grond te stutten.

Er stond een ijzeren kanonstuk, dat als meerpaal gebruikt werd, in den grond
geplant. In een oogwenk is het om dat kanon geslagen en viert langzaam af,
terwijl de man het touw weerhoudt op gevaar van gegrepen en verpletterd te
worden. Hij spande alle krachten in; de spieren zijner armen en beenen zwollen
als koorden op. Hij weerstond den aandrang met bovenmenschelijke kracht. Dit
duurde tien seconden.

Page 276

Maar toen brak, toen knapte de tros. Maar die tien seconden waren voldoende. De
Trabucolo had de wateren der baai bereikt, dook onder, maar richtte zich weer op
met eene beweging alsof zij stampte. Zij snelde naar den ingang der haven en
stoof rakelings—op geen voet afstand—den achterspiegel der goelet voorbij,
stevende voort totdat het anker in den grond viel, deed haren ketting strak loopen
en stuitte zoo de vaart.

De goelet was gered!

Die man, wien niemand, door gebrek aan tijd—zoo bliksemsnel en onverwacht
was alles in zijn werk gegaan—te hulp had kunnen komen, was de heldhaftige
Kaap Matifou.

„Mooi!.… zeer mooi zoo!” riep Pescadospunt uit, terwijl hij op den reus toetrad.

Deze nam hem op, niet om met hem toeren te verrichten, maar om hem te
omhelzen, zooals hij dat slechts doen kon, namelijk tot stikkens toe.

Toen barstten van alle kanten toejuichingen en handgeklap los. De geheele
menigte verdrong zich om dien Hercules, die niet minder bescheiden was dan de
befaamde uitvoerder van de twaalf kunststukken uit de fabelleer en niets omtrent
die geestdrift van het publiek begreep.

Vijf minuten later was de goelet op hare ankerplaats te midden van de havenkom
aangekomen. Daarna zette een sierlijke sloep, door zes roeiriemen bewogen, den
eigenaar van dat jacht op de kade aan wal. [184]

Dat was een man van hooge gestalte, ongeveer vijftig jaren oud, met schier witte
haren en grijzenden baard, welke laatste op Oostersche wijze geknipt was en
gedragen werd. Groote zwarte vragende oogen, die eene bewegelijke ziel
aanduidden, verlevendigden zijn gelaat, dat wel ietwat door de zon gebruind was,
maar regelmatige en schoone trekken vertoonde. Wat vooral dadelijk trof, dat was
dat adellijk uiterlijk, hetwelk zelfs van grootheid getuigde, die zijn geheele
persoon uitstraalde. Zijne scheepskleeding, een donkerblauwe pantalon, een
pijjakker van dezelfde kleur maar met blinkende knoopen versierd, een zwarte
ceintuurband, die hem het middel onder den pijjakker omsloot, zijn lichte hoed
van bruin linnen vervaardigd, dat alles stond hem goed en liet een krachtig

Page 277

lichaam uitkomen, dat, uitmuntend gevormd, nog niet door den ouderdom
aangetast was.

Zoodra die persoon, waarin men voelde dat een geestkrachtvolle en machtige
geest huisde, voet aan wal gezet had, stapte hij op de beide acrobaten toe, die nog
steeds door de menigte omringd en toegejuicht werden.

Men drong op zijde om voor hem plaats te maken.

Toen hij nabij Kaap Matifou gekomen was, was zijn eerste gebaar niet om zijne
beurs te voorschijn te halen en daaruit eene rijke aalmoes te nemen! Neen! hij
reikte den reus de hand en sprak tot hem in het Italiaansch:

„Heb dank, vriend, voor hetgeen gij zooeven gedaan hebt!”

Kaap Matifou was waarachtig geheel onthutst over zooveel eer voor zulk eene
geringe daad.

„Ja!.… het was mooi!.… het was prachtig, Kaap Matifou,” vulde Pescadospunt
met de helder klinkende stembuiging van zijn Provençaalsch dialect aan.

„Zijt gijlieden Franschen?” vroeg de vreemdeling.

„Zoo Fransch mogelijk!” antwoordde Pescadospunt niet zonder trots. „Franschen
uit het zuiden van Frankrijk!”

De vreemdeling bekeek hen met waarachtige ingenomenheid, die met eenige
aandoening vermengd was. Hunne ellende was te klaarblijkelijk om zich te
kunnen vergissen. Hij zag daar wel degelijk twee arme kunstenaars voor zich
staan, waarvan een hem met groot gevaar van zijn leven, een belangrijken dienst
bewezen had, want eene botsing tusschen de Trabucolo en de goelet, zou rampvol
geweest zijn en vele slachtoffers gemaakt hebben.

„Komt mij aan boord opzoeken,” zei hij hen.

„Wanneer het u schikt, Prins!” antwoordde Pescadospunt, terwijl de
beminnelijkste glimlach, dien hij te voorschijn tooveren kon, zijne lippen krulde.

Page 278

„Morgen ochtend, zoo vroeg mogelijk.” [185]

Page 279

Page 280

Pescadospunt vooral, die als kenner dat wonder van scheepsbouwkunst betrachtte,
was verrukt. (Bladz. 191.)

[186]

„Zoo vroeg mogelijk! Wij zullen er zijn!” antwoordde Pescadospunt, terwijl
Kaap Matifou zijn kolossaal hoofd slechts op en neer bewoog ten teeken dat ook
hij instemde.

Intusschen bleef de menigte den held van dit avontuur steeds omringen. Zij zou
hem ongetwijfeld in triomf rondgedragen hebben, waren de meest vastberadenen
en de stevigsten niet afgeschrikt geweest door zijn gewicht. Maar Pescadospunt,
die steeds bij de pinken was, meende dat het juiste oogenblik gekomen was, om
de gunstige stemming van zoo’n publiek te benuttigen. Zoodra dan ook de
vreemdeling, na hun nogmaals de hand toegestoken en met een vriendelijk gebaar
toegewuifd te hebben, naar de kade gestapt was, riep hij met zijne guitige en
aantrekkelijke stem:

„De worsteling, heeren! De worsteling tusschen Kaap Matifou en Pescadospunt.
Treedt binnen, heeren, treedt binnen!… Men betaalt slechts bij het heengaan of
bij het binnenkomen, naar ieders verkiezing!”

Dien dag was de tent veel te klein! Men moest menschen afwijzen! Men moest
die hun geld teruggeven!

Wat den vreemdeling betrof, nauwelijks had deze eenige schreden in de richting
van de kade gedaan, toen hij zich plotseling voor het jonge meisje en haren vader
bevond, die dat geheele tooneel bijgewoond hadden.

De jongeman, die hen op eenigen afstand gevolgd was en wiens groet door den
vader slechts uit de hoogte beantwoord was, hield zich op een zekeren afstand.
De vreemdeling had gelegenheid dat op te merken.

Toen deze zich in de tegenwoordigheid van dien man bevond, ondervond hij een
gevoel, waarvan hij de uiting ter nauwernood kon bedwingen. Het was een
gevoel van afkeer voor dien persoon, hetwelk hem beheerschte, en onwillekeurig
schitterde een dreigende bliksemstraal in zijn oog.

Page 281

Die man, de vader van het jonge meisje, naderde hem en zeide zeer beleefd:

„Gij zijt, dank zij den moed van dien acrobaat, aan een groot gevaar ontkomen,
mijnheer!”

„Inderdaad, mijnheer!” antwoordde de vreemdeling, wiens stem, willens of
onwillens, eene onbedwingbare ontroering te kennen gaf.

En zich tot den vader wendende, vroeg hij:

„Met wien heb ik de eer te spreken, mijnheer?”

„Ik ben Silas Toronthal van Ragusa,” antwoordde de gewezen bankier van Triëst.
„Mag ik op mijne beurt weten, wie de eigenaar is van dat fraaie
pleiziervaartuig?”

„Ik ben dokter Antekirrt,” antwoordde de vreemdeling.

Beiden wisselden een groet en gingen in verschillende richtingen [187]huns
weegs, terwijl het gejuich en het handgeklap in de tent der Fransche acrobaten
bleef aanhouden.

Dien avond at Kaap Matifou niet alleen naar volle genoegen, dat wil zeggen dat
hij voor vier personen verslond, maar er bleef ook nog een portie over. En die
was voldoende voor het avondmaal van zijnen braven kleinen makker, voor
Pescadospunt.

[Inhoud]

Page 282

III.

Page 283

DOKTER ANTEKIRRT.
Er zijn menschen, die de Faam wel de handen vol te doen geven. Toch is zij eene
ware orchest-vrouw met honderd monden, die den gewilden naam door haar
trompetten aan de vier hoeken der aarde verkondigen.

Een zoodanige was dokter Antekirrt, die zoo even in de haven van Gravosa
aangekomen was. Er was omtrent hem in dat legendarische Oosterland een zeker
geheimzinnig verhaal ontstaan. In Azië, van de Dardanellen af tot aan het
Suezkanaal; in Afrika van Suez af tot aan de uiterste grenzen van Tunis; in de
Roode zee, langs de geheele Arabische kuststrook, werd zijn naam genoemd en
herhaald als die van een buitengewoon man, zeer ervaren in de natuurkundige
wetenschappen, als van een soort alweter, een „taleb”, die in de uiterste geheimen
van al het geschapene gedrongen was. In den bijbelschen tijd, of beter in den tijd
van de Tale Canaäns, zou hij Epiphanes geheeten hebben. In de omstreken van
den Euphrates zou men hem voor een afstammeling van de oude Perzische
wijzen gehouden hebben.

Welke overdrijving heerschte er bij die beroemdheid? Al de overdrijving, die van
een Perzischen wijze een toovenaar wil maken; al de overdrijving, die een
geleerd man tot een bovenmenschelijk wezen wil verheffen. Ja, de waarheid is,
dat dokter Antekirrt slechts een mensch, niets anders dan een mensch was, die
wel is waar, gezonde en degelijke geestvermogens en een helder doorzicht bezat,
die zeer oordeelkundig en met een bewonderenswaardig scherpen blik begaafd
was, maar die ook door de omstandigheden buitengewoon voortgeholpen was.
Zoo was het hem in een der binnenprovinciën van Klein-Azië gelukt de geheele
bevolking tegen een schrikkelijke ziekte, die voor zeer besmettelijk gehouden
werd en waarvoor hij het geneesmiddel gevonden had, te beveiligen. Vandaar
zijne onvergelijkelijke beroemdheid.

Wat er vooral toe bijdroeg om hem die beroemdheid te verleenen, [188]was het
ondoordringbare geheimzinnige, waarin zijn persoon gehuld was. Vanwaar kwam
hij? Dat wist niemand. Wat wist men omtrent zijn verleden? Niets. Waar en onder

Page 284

welke omstandigheden had hij geleefd? Niemand kon daar antwoord op geven.
Men bevestigde slechts, dat die dokter Antekirrt om zoo te zeggen aangebeden
was door de bevolkingen van Klein-Azië en van Oost-Afrika, dat hij doorging
voor een knappen geneesheer, wiens buitengewone genezingen indruk hadden
gemaakt tot bij de beroemdste wetenschappelijke vereenigingen van Europa; dat
hij zijne zorgen zoowel aan de armste lieden als aan de rijken en machtigen der
aarde wijdde. Men had hem evenwel nimmer in de landstreken van het Westen
gezien en zelfs was men sedert eenige jaren geheel en al onbekend met de plaats
van zijn verblijf. Vandaar de neiging om hem van den een of anderen
geheimzinnigen „avatar” te doen afstammen, om hem als het product van den een
of anderen Hindoeschen god te beschouwen, om er een bovenaardsch wezen van
te maken, die door bovennatuurlijke middelen kon genezen.

Maar al had dokter Antekirrt zijne kunst nog niet in de voornaamste staten van
Europa uitgeoefend, zoo was zijn roem hem daar toch vooruitgesneld. Hoewel hij
te Ragusa slechts als gewoon reiziger aangekomen was, als vermogende toerist,
die met zijn jacht rondreisde om de voornaamste plaatsen, aan de Middellandsche
zee gelegen, te bezoeken, zoo had zich zijn naam toch dadelijk door de stad
verbreid. In afwachting dan ook, dat men den dokter, zelf zou kunnen
aanschouwen, had de goelet middelerwijl veel bekijks. Het gevaar, dat door den
moed van Kaap Matifou afgewend was, zou trouwens voldoende geweest zijn om
de algemeene aandacht op te wekken.

Inderdaad, dat jacht zou zelfs den meest rijken, den meest prachtlievenden
gentleman van de zeilvereenigingen van Amerika, van Engeland en Frankrijk eer
aangedaan hebben! Zijne beide masten stonden rechtop en dicht bij het midden
van het vaartuig geplaatst, hetgeen veroorloofde eene groote ontwikkeling aan
het grootzeil en aan het fokkezeil te geven. De lengte van zijn boegspriet, die
twee kleine kluivers voerde, de afmeting der vierkante zeilen, die aan den
fokkemast aangeslagen waren, de hoogte der stengen en de geheele inrichting van
het want moesten hem eene bewonderenswaardige snelheid bij iedere
weersgesteldheid verleenen. Die goelet meette drie honderd vijftig tonnen. Zij
was lang en rank, had eene gunstige ronding en verhief zich bevallig boven de
waterlijn. Zij had diepgang genoeg om rustig op het watervlak te liggen. Het was
wat men noemde een zeewaardig vaartuig, dat nauwkeurig naar den wil van den
stuurman luisterde, en tot vier streken scherp bij den wind kon zeilen. Hetzij de

Page 285

goelet met volle zeilen, hetzij zij in [190]den wind opliep, zij was niets verlegen,
om, wanneer er een hevige bries woei, hare dertien en een halve mijl in de wacht
af te leggen. [189]

Page 286

Page 287

De sloep schoot achter den spiegel om en legde bij de stuurboords valreep aan.
(Bladz. 195.)

[190]

De Boadice, de Gaëtana, of de Mordon, die beroemde Engelsche
pleiziervaartuigen, zouden het onderwerpelijke jacht niet de loef afgestoken
hebben bij eene internationale match.

Wat de uiterlijke en innerlijke fraaiheid van het jacht betrof, de meest-eischende
sportsman zou niets beter hebben kunnen uitdenken. Zijn hagelwit dek was van
Canadeesche pijnboomenbalkjes zonder kwasten vervaardigd; het innerlijke van
het vaartuig was met ware schrijnwerkersvaardigheid afgewerkt. De kappen, de
trappen en de paneelen waren van djattihout en met gepolijst koperen banden
versierd, die als goud blonken; het beeldhouwwerk van het stuurrad was keurig,
terwijl de blokken van mahoniehout scherp afstaken bij de masten, welker
onderdeel in wit geverfde omhulsels geborgen was, en bij het touwwerk van het
want, dat van gegalvaniseerd ijzerdraad vervaardigd was, en bij de helderwitte
sloepen, die rank en bevallig in de davids hingen. Dat alles deed een
ontwikkelden smaak en eene volmaakte sierlijkheid uitkomen.

Het is noodig, dat wij het innerlijke van dat jacht zoowel als het uiterlijke leeren
kennen, daar het toch het drijvende verblijf was van den geheimzinnigen persoon,
die de held van het verhaal zal uitmaken. Het was evenwel niet toegankelijk voor
bezoekers. Maar de romanschrijver is als het ware met een soort helderziendheid
behebt, die hem veroorlooft zelfs datgene te beschrijven, wat hij nooit gezien
heeft.

In het innerlijke van die goelet dong de weelde met de gemakzucht om den
voorrang. De vertrekken en de hutten, de salons, de eetzaal, die allen waren
kostbaar en zeer fraai geschilderd. De kleeden, de draperiën, in een woord alles
wat tot het ameublement behoorde, was uiterst kunstvaardig tot die
pleizierscheepvaart aangewend. De welbegrepen inrichting werd niet alleen in de
vertrekken van den kapitein en der scheepsofficieren aangetroffen, maar ook in
de bergplaats van het komaliewant, waarin het zilverwerk en het porceleinen
tafelgoed tegen het slingeren en stampen van het vaartuig beveiligd lagen; ook in
de keuken of kombuis, waarin eene Hollandsche reinheid heerschte, en in het

Page 288

vooruit, waar de hangmatten der bemanning ruimte genoeg hadden om
ongehinderd heen en weer te wiegelen. De bemanning telde een twintigtal
matrozen, die het bevallige kostuum van de Maltheser zeelieden droegen, korte
broek met zeelaarzen, gestreept hemd, bruine gordel, roode muts en blauwe
pijjakker, waarop de beginletters van den naam van de goelet en van haar
eigenaar in het wit gekarteld waren.

Maar tot welke haven behoorde dat jacht? Waar was de monsterrol afgeteekend?
In welke plaats van de Middellandsche zee werden [191]de winterkwartieren
betrokken? Tot welke nationaliteit behoorde dat vaartuig ten slotte? Men wist
daaromtrent evenmin iets als omtrent de nationaliteit van den dokter. Een groene
vlag met rood kruis in den bovenhoek wapperde aan de gaffel. Men zou die vlag
te vergeefs gezocht hebben onder de zoo talrijke vlaggen, die langs de zeeën van
den geheelen aardbol zwerven.

In ieder geval, vóórdat dokter Antekirrt voet aan wal gezet had, waren de
scheepspapieren aan den havenmeester overhandigd en door dezen ongetwijfeld
in orde bevonden, daar de reiziger verlof gekregen had om, nadat de
geneeskundige zeedienst zijn bezoek aan boord gebracht had, vrijelijk naar den
wal te gaan.

Wat den naam van de goelet betrof, die prijkte in gulden letters op een schild aan
den spiegel aangebracht. Die naam, die niets omtrent de haven van herkomst
meldde, was Savarena.

Dat was het bewonderenswaardige pleiziervaartuig, dat men thans in de haven
van Gravosa bewonderen kon. Pescadospunt en Kaap Matifou, die den volgenden
morgen door dokter Antekirrt aan boord ontvangen zouden worden, bekeken het
met de meeste nieuwsgierigheid, maar zelfs met meer ontroering dan de overige
zeelieden van de havenplaats. In hunne hoedanigheid van inboorlingen van de
Provence, waren zij uiterst gevoelig voor alles wat zeeaangelegenheden betrof.
Pescadospunt vooral, die als kenner dat wonder van scheepsbouwkunst
betrachtte, was verrukt. De beide vrienden brachten den geheelen avond na hunne
voorstelling daarmede door.

„Ah,” zei Kaap Matifou.

Page 289

„Ho!” antwoordde Pescadospunt.

„Hè! Wat zeg je er van, Pescadospunt?”

„Ik zeg er niets van, Kaap Matifou!”

„Maar je denkt er het jouwe van, niet waar?”

En dat gesprek, hetwelk meer op bewondering uitdrukkende tusschenwerpsels in
den mond van die twee armoedige acrobaten geleek, had grooter beduidenis dan
menige lange redevoering.

Alle de manoeuvres, die het ten anker gaan opvolgen, waren aan boord van de
Savarena geëindigd: de zeilen waren geborgen en op de ra’s bevestigd, het tuig
en touwwerk was op zijne plaats en met zorg strak gezet, de zonnetent was over
het achterdek uitgestrekt enz. De goelet was in een hoek van de havenkom ten
anker gebracht, hetgeen aanduidde, dat zij er op rekende het verblijf van eenigen
duur te doen zijn.

Overigens vergenoegde dokter Antekirrt zich met het maken van eene
eenvoudige wandeling in den omtrek van Gravosa. Terwijl Silas Toronthal met
zijne dochter in hun rijtuig, dat hen op de kade gewacht had, naar Ragusa
terugkeerde, en terwijl de jonkman, [192]waarvan hierboven sprake was, door de
groote laan derwaarts wandelde, bezocht de dokter de haven. Dat is een der
besten van de kust en op dat tijdstip bevond zich daarin een vrij groot aantal
vaartuigen van verschillende nationaliteiten.

Na de stad verlaten te hebben, volgde hij de oevers van de baai van Ombla
Fiumera, die een bocht vormt van twaalf mijlen uitgestrektheid, tot aan de
monding van de kleine Ombla rivier, die diep genoeg is om vaartuigen zelfs van
grooten diepgang te veroorlooven haar op te varen tot bij den voet van het
Vlastizagebergte. Hij kwam tegen negen uren op den havendam terug en woonde
de aankomst van een groote pakketboot van den Oostenrijkschen Lloyd bij, die
van de Indische zee aankwam. Eindelijk keerde hij naar boord terug, begaf zich
naar zijn vertrek, hetwelk door twee lampen verlicht was en bleef tot den
volgenden ochtend alleen.

Page 290

Dat was zoo zijne gewoonte en de kapitein van de Savarena—een zeeman van
ongeveer veertig jaren oud, die Narsos heette—had order om den dokter nimmer
in die uren van eenzaamheid te storen.

Hier moet bij verteld worden, dat noch de officieren noch de bemanning iets
afwisten van het verleden van dien persoon. Toch waren zij hem met ziel en
lichaam toegewijd. Al gedoogde dokter Antekirrt geen enkele inbreuk op den
tucht aan boord, zoo was hij toch goed voor allen en verleende zijne hulp en gaf
zijn geld uit zonder tellen. Ieder matroos trachtte dan ook in de rol van de
Savarena opgenomen te worden. Nimmer viel er eene berisping uit te deelen,
nimmer eene bestraffing op te leggen, nimmer eene verwijdering uit te voeren.
Zij die deel uitmaakten van de bemanning der goelet, vormden als het ware één
gezin.

Nadat de dokter aan boord teruggekeerd was, werden alle beschikkingen voor
den nacht getroffen. De seinlichten werden voor en achter ontstoken, de
manschappen der wacht betrokken hunne posten en weldra heerschte de diepste
stilte.

Dokter Antekirrt had op een breeden divan plaats genomen, die in den hoek van
het vertrek aangebracht was. Op eene tafel waren eenige dagbladen neergelegd,
die zijn knecht te Gravosa was gaan koopen. De dokter doorliep ze met een
verstrooiden blik en las eerder de gemengde berichten dan wel de hoofdartikelen.
Vooral keek hij naar de aankomst en het vertrek der vaartuigen, naar het vertrek
van de notabiliteiten der provincie tot het maken van een buitenlandsch reisje.
Tegen elf uur ging hij, zonder de hulp van zijn kamerknecht ingeroepen te
hebben, te bed; maar het duurde lang alvorens hij kon inslapen.

Indien iemand de gedachte had kunnen lezen, die hem het meest vervolgde, zou
hij wellicht verwonderd zijn geweest te ontwaren, dat die de navolgende vraag
inhield: [193]

Page 291

Page 292

„Vrienden”, zei hij, „gij hebt gisteren mij en mijne bemanning voor een groot
gevaar beveiligd.” (Bladz. 195.)

[194]

„Wie was die jonge man, die Silas Toronthal op de kade van Gravosa groette?”

Den volgenden morgen kwam dokter Antekirrt tegen acht uren op het dek. Het
weder liet zich heerlijk aanzien. De zon verguldde reeds de bergen, die den
achtergrond van de baai vormden. Het nachtelijke duister verdween van de
haven, alsof het over het watervlak heengleed. De Savarena bevond zich weldra
in het volle licht.

Kapitein Narsos naderde den dokter, om zijne bevelen te vernemen, welke deze
laatste in korte woorden gaf, evenwel niet dan na hem eerst goeden morgen
gewenscht te hebben.

Een oogenblik later stak eene sloep, bemand met zes roeiers en een bootsman,
van boord af, en voer naar de kade, waar Pescadospunt en Kaap Matifou, zooals
overeengekomen was, zouden wachten.

Het was een groote dag, een gewichtig oogenblik in het zwervend bestaan van die
twee eerlijke kerels, die zoo ver van hun vaderland gelokt waren en zich op
eenige honderd mijlen van de Provence verwijderd bevonden, die zij zoo zeer
wenschten terug te zien!

Beiden stonden op de kade te wachten. Zij hadden hun kunstenmakerskostuum
uitgetrokken en waren nu in een armoedig en versleten maar toch proper pak
gestoken. Zij bekeken het jacht, terwijl zij het evenals daags te voren
bewonderden. Beiden bevonden zich in eene aangename stemming. Niet alleen
hadden Kaap Matifou en Pescadospunt den vorigen dag heerlijk geavondmaald,
maar zij hadden ook dienzelfden ochtend ontbeten. Eene overdaad, eene ware
dwaasheid, die hare oorzaak vond in de omstandigheid, dat zij daags te voren
eene buitengewoon groote ontvangst gehad hadden. Denk eens: twee en veertig
gulden! Maar men moet niet gelooven, dat zij al dat geld verbrast hadden! Neen,
Pescadospunt was voorzichtig, geregeld van levenswijs en zorgende voor den dag
van morgen. Daardoor was hun bestaan voor minstens tien dagen verzekerd.

Page 293

„En dat zijn wij u verschuldigd, Kaap Matifou!”

„Oh, Pescadospunt!”

„Ja, aan u, groot man!”

„Welnu, ja.… aan mij.… als je dat pleizier kan doen!” antwoordde Kaap Matifou.

In dat oogenblik landde de sloep bij de kade. Toen stond de bootsman op en
berichtte hen met de muts in de hand, dat hij zich ter beschikking van „de heeren”
stelde.

„Van de heeren!” riep Pescadospunt uit. „Van welke heeren?”

„Van uzelven,” antwoordde de bootsman. „Dokter Antekirrt wacht u bij hem aan
boord.”

„Mooi! Wij zijn reeds heeren!” zei Pescadospunt. „Je zult zien, dat we nog
graven en baronnen zullen worden!” [195]

Kaap Matifou zette vreeselijk groote oogen en verkreukte in zijne verlegenheid
zijn hoed ergerlijk.

„Wanneer de heeren gelieven in te stappen!” zei de bootsman.

„Zeker, zeker, het gelieft ons!” zei Pescadospunt met een vriendelijk gebaar.

Een oogenblik later zaten onze beide vrienden zoo gemakkelijk mogelijk op het
donkere tapijt met rood geboord, dat de bank der sloep bedekte, terwijl de
bootsman achter hen plaats nam.

Het behoeft, dunkt ons, niet vermeld te worden, dat het vaartuigje onder het
gewicht van den Hercules, die aan boord stapte, twee of drie duimen onder hare
waterlijn zonk. Men moest zelfs de hoeken van het tapijt opnemen, opdat zij niet
in het water sleurden.

Op een schellen fluitstoot van den bootsman, vielen zes riemen tegelijkertijd te
water en schoot de sloep vooruit in de richting van de Savarena.

Page 294

Het mag erkend worden, daar het de waarheid is, dat die twee arme drommels
zich eenigermate aangedaan, om niet te zeggen verlegen of beschaamd
gevoelden. Zoo veel eer voor kunstenmakers! Kaap Matifou durfde zich niet
bewegen. Pescadospunt kon, in weerwil van zijne verlegenheid, een goedhartigen
glimlach, die zijn fijn en schrander gelaat verhelderde, niet verbergen.

De sloep schoot achter den spiegel om en legde bij de stuurboordsvalreep aan.
Dat was de eerezijde!

De beide vrienden stegen de bewegelijke trap, wiens krammen onder het gewicht
van Kaap Matifou doorbogen, omhoog en waren weldra op het dek aangekomen.
Daar werden zij dadelijk naar den dokter gebracht, die hen op het achterschip
wachtte.

Na een hartelijken groet waren er nog wel eenige plichtplegingen noodig,
alvorens Pescadospunt en Kaap Matifou besluiten konden te gaan zitten. Maar
eindelijk geschiedde dat toch.

De dokter keek hen een oogenblik aan zonder te spreken. Zijn koel maar schoon
gelaat maakte indruk op hen. Maar, en daarin kon men zich niet vergissen, was er
ook al geen glimlach op zijne lippen, die glimlach zetelde toch in zijn hart.

„Vrienden,” zei hij, „gij hebt gisteren mij en mijne bemanning voor een groot
gevaar beveiligd. Ik heb u daarvoor nogmaals willen bedanken en daarom heb ik
u verzocht om aan boord te komen.”

„Heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, die een weinig van zijne
vrijmoedigheid terugkreeg, „gij zijt zeer goed; maar het gebeurde is de moeite
niet waard. Mijn makker heeft niets anders gedaan dan ieder ander in zijne plaats
en met zijne kracht verricht zoude hebben. Niet waar, Kaap Matifou?”

Deze knikte bevestigend, door zijn dik hoofd op en neer te bewegen.

„Dat moge zoo zijn,” antwoordde de dokter, „maar uw makker [196]en niet ieder
ander heeft zijn leven gewaagd en ik ben hem daarvoor veel verplicht!”

Page 295

„O heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „gij zult mijn ouden Kaap doen
blozen en volbloedig als hij reeds is, is het nadeelig voor hem, wanneer hem het
bloed naar het hoofd stijgt.…”

„Alles wel, vrienden,” hernam de dokter. „Ik zie dat gijlieden niet van
complimenten houdt. Ik zal dus ook niet verder aandringen. Maar, daar iedere
dienst beloond.…”

„Heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „vergeef mij dat ik u in de rede val.
Maar, iedere goede daad draagt hare belooning in zichzelve, ten minste zooals de
zedeboeken leeren; en.… reeds zijn wij beloond!”

„Reeds! Hoe?” vroeg de dokter, die vreesde, dat iemand hem voor was.

„Zeker!” hernam Pescadospunt. „Na dit buitengewone bewijs van spierkracht van
mijn Hercules, heeft het publiek hem verder in andere kunstvaardige oefeningen
willen beoordeelen. In groote menigte is men naar ons Provençaalsche
worstelperk gedrongen. Kaap Matifou heeft een half dozijn van de sterkste
bergbewoners en van de stevigste pakkendragers van Gravosa van de been gelicht
en wij hebben eene overgroote ontvangst gemaakt.”

„Overgroote?”

„Ja, zonder voorbeeld gedurende onze acrobatische omzwervingen!”

„En hoeveel hebt gij wel ontvangen?”

„Twee en veertig gulden!”

„Ah! Waarlijk!.… Maar ik wist niet”.… antwoordde dokter Antekirrt met goedige
stem. „Als ik geweten had, dat gij voorstellingen gaaft, dan zou ik het mij niet
alleen tot plicht gesteld hebben, maar het zou mij ook een waar genoegen
geweest zijn een daarvan bij te wonen. Gij zult mij dus veroorloven mijne plaats
te betalen.…”

„Hedenavond, heer dokter, hedenavond,” antwoordde Pescadospunt, „wanneer
gij onze voorstelling met uwe tegenwoordigheid zult willen vereeren.”

Page 296

Kaap Matifou boog beleefd en deed daarbij zijne breede schouders zwaaien, die,
zooals Pescadospunt steeds luide verkondigde, nimmer den grond aangeraakt
hadden.

Dokter Antekirrt zag wel in, dat hij de beide acrobaten er niet toe zou kunnen
brengen om eene belooning, ten minste eene geldelijke, aan te nemen. Hij besloot
dus anders te werk te gaan. Daarenboven had hij sedert den vorigen dag een
vastgesteld plan met betrekking tot die twee mannen in het hoofd. Inlichtingen,
die hij den vorigen avond had doen inwinnen, hadden tot uitslag [198]gehad, dat
de twee kunstenmakers eerlijke menschen waren, die ten volle vertrouwen
verdienden. [197]

Page 297

Page 298

Toch stond Pescadospunt er op om zijne pistoncornet, en Kaap Matifou zijne
schuiftrompet te bewaren. (Bladz. 203.)

[198]

„Hoe heet gij?” vroeg hij.

„De eenige naam, dien ik ken, heer dokter, is Pescadospunt.”

„En gij?”

„Ik heet Matifou,” antwoordde de Hercules.

„Dat wil zeggen Kaap Matifou,” vulde Pescadospunt aan, niet weinig
hoogmoedig dien naam, die zoo beroemd in al de worstelperken van Zuidelijk
Frankrijk was, te kunnen noemen.

„Maar dat zijn bijnamen,”.… merkte de dokter op.

„Wij hebben geen anderen,” antwoordde Pescadospunt, „of, hebben wij er ooit
een gehad, dan hebben wij hem onderweg verloren, wat niet te verwonderen is:
onze zakken zijn slecht en versleten.”

„En.… uwe bloedverwanten?”

„Bloedverwanten, heer dokter?.… Onze middelen hebben ons nooit dat weelde-
artikel veroorloofd! Maar mochten wij ooit rijk worden, dan zullen er wel
gevonden worden, die erven willen.”

„Gij zijt Franschen? Van welk gedeelte van Frankrijk zijt gij afkomstig?”

„Wij zijn Provençalen!” antwoordde Pescadospunt fier. „Dat wil zeggen, dat wij
tweemalen Franschen zijn!”

„Gij hebt een opgeruimd humeur, mijnheer Pescadospunt.”

„Het ambacht brengt dat mede. Stelt u voor, heer dokter, een paljas, een
roodstaart, een kermisgrappenmaker, die een droefgeestig humeur had! Hij zou
meer gebakken appelen in een uur om de ooren krijgen, dan hij zijn geheele leven

Page 299

zou kunnen verorberen! Ja, ik ben opgeruimd, vroolijk zelfs, zeer vroolijk, dat
beken ik!”

„En Kaap Matifou?”

„O, die is meer ernstig, meer nadenkend, meer in zich zelf gekeerd!” antwoordde
Pescadospunt, terwijl hij zijn makker een hartelijken vriendschappelijken klap op
den schouder gaf, zooals een ander den hals van een paard zou streelen. „Dat ’s
ook het ambacht hetwelk dat medebrengt. Wanneer men toeren maakt met
gewichten van vijftig, dan moet men zeer ernstig wezen. Wanneer men worstelt,
dan doet men dat niet alleen met de armen, maar ook en vooral met het hoofd! En
Kaap Matifou heeft steeds geworsteld.… zelfs tegen de ellende! En die heeft hem
nog niet van de been kunnen brengen!”

Dokter Antekirrt hoorde met belangstelling dat braaf klein wezen, waarvoor het
noodlot tot heden zoo hard was geweest, en dat toch niet verbitterd was. Hij
gevoelde dat in dat teedere omhulsel evenveel hart als geest schuilde, en dacht er
over na wat van hem had kunnen worden, wanneer aan de materieele eischen van
het leven niet dadelijk na zijn geboorte was te kort geschoten. [199]

„En waarheen trekt gij thans?”

„Waarheen? Recht voor ons uit! Op goed geluk af,” antwoordde Pescadospunt.
„Het toeval is niet altijd een slechte gids en over het algemeen kent het den weg.
Alleen, ik vrees dat wij ditmaal te ver van ons land af gedwaald zijn! Maar.…
alles wel beschouwd, is dat onze schuld! Wij hadden het toeval moeten vragen
waarheen het ons leiden wilde.”

Dokter Antekirrt sloeg hen beiden gedurende een poos gade. Toen hernam hij met
aandrang:

„Wat zou ik voor ulieden kunnen doen?”

„Maar niets, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „niets.… dat verzeker ik
u.…”

„Koestert gij het verlangen niet om in uwe Provence weer te keeren?”

Page 300

De oogen der beide acrobaten glinsterden tegelijkertijd.

„Ik zou er u kunnen brengen,” hernam de dokter.

„Dat, dat zou merkwaardig wezen!” zei Pescadospunt.

En zich tot zijn makker wendende:

„Kaap Matifou, zou je naar ginds willen terugkeeren?”

„Ja.… als ge meegaat, Pescadospunt.”

„Maar, wat zullen wij er uitvoeren? Waarvan zullen wij leven?”

Kaap Matifou krabde zich achter het oor. Dat deed hij bij ieder lastig geval.

„Wij zullen.… wij zullen.…” mompelde hij.

„Je weet er niets van.… en ik ook niet!.… Maar, het is ons vaderland! Is het niet
zonderling, heer dokter, dat arme drommels, zooals wij zijn, een vaderland
hebben; dat arme ellendigen, die geen ouders hebben, ergens geboren zijn! Ziet,
dat is voor mij steeds onverklaarbaar geweest.”

„Zoudt gij beiden kunnen besluiten steeds bij mij te blijven?” vroeg dokter
Antekirrt.

Op dat onverwachte voorstel was Pescadospunt vlug opgesprongen, terwijl de
Hercules hem verbaasd aankeek, niet wetende of hij ook zou moeten opstaan.

„Bij u blijven, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt eindelijk. „Maar waartoe
zouden wij te gebruiken zijn? Kunststukken uitvoeren, toeren van kracht en
behendigheid.… dat alles is, wat wij in ons leven gedaan hebben. En tenzij het
was om u gedurende uwe zeetochten of in uw land te verstrooien.…”

„Luistert naar mij,” hernam dokter Antekirrt. „Ik heb moedige, behendige en
schrandere mannen noodig, mannen vol toewijding, die genegen zijn het bereiken
van mijne plannen te bevorderen. Er is niets, wat u hier terughoudt, niets wat u
daar ginder roept. Wilt gij tot die mannen behooren?” [200]

Page 301

„Maar wanneer uwe plannen bereikt zijn?”.… vroeg Pescadospunt.

„Als het u bij mij bevalt, zult gij mij niet meer verlaten”, antwoordde de dokter
glimlachend, „dan kunt gij bij mij aan boord blijven. En kijk, gij zult aan mijne
bemanning les op het slappe koord kunnen geven! En wanneer het u integendeel
zou lijken naar uw vaderland weer te keeren, dan zal ik er u brengen en zorgen
dat u een zekere gegoedheid voor uw geheele leven verzekerd is.”

„Oh! heer dokter!” riep Pescadospunt uit. „Maar het is toch uwe meening niet,
ons niets te laten uitvoeren. Tot niets goed te zijn, zou ons niemendal lijken!”

„Ik beloof u arbeid, en van dusdanigen aard, dat hij u tevreden zal stellen.”

„Waarlijk,” zei Pescadospunt, „dan is het aanbod zeer verleidelijk.”

„Hebt gij nog tegenwerpingen te maken?”.

„Nog eene enkele. Gij ziet ons beiden, Kaap Matifou en mij! Wij zijn afkomstig
van hetzelfde vaderland en wij zouden ongetwijfeld tot dezelfde familie
behooren, wanneer wij eene familie bezaten. Wij zijn broeders volgens het hart!
Kaap Matifou zou niet zonder Pescadospunt en Pescadospunt niet zonder Kaap
Matifou kunnen leven! Verbeeld u de Siameesche tweelingen! Men heeft hen
nimmer kunnen scheiden, niet waar, omdat eene scheiding hun het leven zou
gekost hebben. Welnu, wij zijn als die Siameezen. Wij hebben elkander lief, heer
dokter.”

Pescadospunt had, terwijl hij zoo sprak, de hand aan Kaap Matifou toegestoken,
die hem naar zich toetrok en hem aan zijne borst drukte, zooals hij met een kind
gedaan zou hebben.

„Vrienden,” zei dokter Antekirrt, „er is geen quaestie van ulieden te scheiden en
het zal steeds mijn wensch zijn, dat gij mij niet zult verlaten!”

„Dan zou het kunnen gaan, heer dokter, als.…”

„Als?”

„Als Kaap Matifou zijne toestemming geeft.”

Page 302

„Zeg ja, Pescadospunt,” mompelde de Hercules, „dan hebt gij voor ons beiden
geantwoord!”

„Welnu,” zei de dokter, „dat is dan afgesproken en gij zult geen berouw over uw
besluit ondervinden. Bekommert u van heden af om niets meer!”

„O, heer dokter, pas op!” hernam Pescadospunt. „Gij verbindt u daar tot meer dan
gij wel denkt!”

„Hoezoo?”

„Ziet, wij zullen dure gasten zijn, vooral Kaap Matifou. Dat is een groote eter en
gij zoudt hem in uwen dienst zijne spierkracht niet willen laten verliezen, al was
dat nog zoo weinig maar.” [201]

Page 303

Page 304

De poort was open en verleende dwars door dien drievoudigen band toegang tot
het binnenste der stad. (Bladz. 211.)

[202]

„Ik beoog integendeel, dat hij die krachten verdubbelen zal.”

„Dan zal hij u te gronde richten!”

„Men richt mij niet te grande, Pescadospunt.”

„Evenwel.… twee.… drie maaltijden per dag.…”

„Vijf, zes, tien, als hij zulks verkiezen zal,” antwoordde dokter Antekirrt
glimlachend. „Er zal steeds open tafel voor hem zijn!”

„Hè, Kaap, wat zeg je er van?” riep Pescadospunt guitig uit. „Ge zult dan steeds
volop kunnen eten!”

„En gij ook, Pescadospunt!”

„O, ik! Een vogel!—Maar zou ik u mogen vragen, of wij ter zee zullen varen?”

„Dikwijls, vriend. Ik zal thans aan de vier hoeken van de Middellandsche zee te
doen krijgen. Mijn praktijk zal zoo wat overal langs de kusten bestaan. Ik hoop
de geneeskunde te kunnen uitoefenen op eene internationale wijze. Wanneer een
zieke mij naar Tanger, of naar de Balearische eilanden roept, wanneer ik mij te
Suez of te Smyrna bevind, zal ik hem dan niet moeten gaan bezoeken? Wat een
geneesheer in eene groote stad van het eene kwartier tot het andere uitvoert, zal
ik van de Straat van Gibraltar naar den Griekschen Archipel, van de Adriatische
zee naar de Leeuwengolf, van de Jonische zee naar de baai van Gabés verrichten!
Ik bezit nog andere vaartuigen, tien malen vlugger dan die goelet en.… bij die
tochten zult gijlieden mij meestal vergezellen.”

„Dat lijkt ons, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij zich in de
handen wreef.

„Zijt gijlieden niet bang voor de zee?”

Page 305

„Neen!” riep Pescadospunt uit. „Wij bang? Wij kinderen van de Provence! Als
straatjongens speelden en rolden wij in de sloepen op het strand! Neen, wij zijn
niet bang voor de zee, ook niet voor de zoogenaamde zeeziekte! Door de
gewoonte, die wij hebben, om met het hoofd omlaag en de beenen omhoog te
loopen, zijn wij tegen die ongesteldheid gevrijwaard. Wanneer de heeren en
dames, alvorens zich in te schepen, slechts eenige maanden lang die
lichaamsoefening betrachtten, dan zouden zij nimmer noodig hebben hunnen
neus gedurende den overtocht boven hunne lampetkom te houden! Komt binnen,
heeren en dames! Komt binnen! Volgt slechts de menigte!”

Men ziet het, de goedhartige Pescadospunt verviel weer bij zijne blijdschap in
zijne gewone kwinkslagen, net alsof hij zich nog op de verhevenheid zijner
kermistent bevond.

„Goed zoo, Pescadospunt!” zei de dokter. „Wij zullen elkander uitmuntend
verstaan. Bovenal beveel ik u aan, niets van uwe opgeruimdheid te verliezen.
Lacht, mijn jongen, lacht en zingt, zooveel ge verkiest. De toekomst zal wellicht
genoeg droefgeestige gebeurtenissen [203]opleveren, om uwe vroolijkheid
onderweg te doen waardeeren.”

Terwijl hij die laatste woorden sprak, was dokter Antekirrt zeer ernstig geworden.
Pescadospunt, die hem gadesloeg, had als een voorgevoel, dat die man in
vroegere dagen veel geleden had en dat zij de oorzaak daarvan wel eens zouden
vernemen.

„Heer dokter,” zei hij toen, „van heden af behooren wij u met ziel en lichaam
toe.”

„En van heden af,” antwoordde de dokter, „kunt gij u in uwe hutten inrichten.
Waarschijnlijk zal ik eenige dagen te Gravosa en te Ragusa blijven; maar het zal
goed zijn, dat gij de gewoonte aanneemt om aan boord van de Savarena te
leven.”

„Tot het oogenblik, dat gij ons in uw vaderland zult gevoerd hebben!” liet
Pescadospunt volgen.

Page 306

„Ik heb geen vaderland,” antwoordde de dokter, „of beter, ik heb, als gij wilt, een
vaderland van eigen maaksel, dat ook het uwe zal worden!”

„Kom, Kaap Matifou,” riep Pescadospunt uit. „Kom laten wij ons handelshuis
gaan liquideeren. Wees gerust, wij zijn niemand iets schuldig en zullen niet
failliet gaan!”

Daarop daalden de twee vrienden, na afscheid van dokter Antekirrt genomen te
hebben, in de sloep af, die hen wachtte en waarmede zij naar de kade van
Gravosa teruggevoerd werden.

Daar hadden zij in nog geen twee volle uren, hunnen inventaris opgemaakt en
hunne kermistent, hunne geschilderde kunststukken, hunne groote en kleine trom,
die hunne geheele bezitting daarstelden, aan een confrater overgedaan. Dat
duurde niet lang en leverde ook geene moeilijkheid op. Ook zouden hunne
zakken niet overmatig bezwaard worden door de weinige guldens, die zij daarin
opbergden.

Toch stond Pescadospunt er op om zijn kunstenmakerspak en zijne pistoncornet,
en Kaap Matifou zijne schuiftrompet en zijn worstelaarspak te bewaren. Zij
zouden anders te veel verdriet gehad hebben, door het scheiden van die
werktuigen en die vodden, die hen aan zoovele uren van succes en zegepraal
herinnerden. Die kleedingstukken werden op den bodem van eene kist geborgen,
welke hun ameublement, hunne garderobe en geheel hun materieel bevatte.

Tegen een uur in den namiddag waren Pescadospunt en Kaap Matifou aan boord
van de Savarena terug.

Een groote hut in het vooronder werd ter hunner beschikking gesteld. Het was
eene gemakkelijke en ruime hut die van alles voorzien was, „ook om te kunnen
schrijven,” zei de snaak.

De bemanning ontving de nieuwe kameraden, wien zij te danken hadden, aan een
groot ongeluk ontsnapt te zijn, recht hartelijk.

Reeds bij hunne aankomst konden Pescadospunt en Kaap Matifou [204]proeven,
dat de kombuisproducten aan boord hen de keukens der Provençaalsche

Page 307

kermistenten niet zouden doen betreuren.

„Zie je, Kaap Matifou,” zei en herhaalde Pescadospunt, terwijl hij een glas
heerlijken Asti-wijn slurpte, „zie je, met goed gedrag komt men tot alles! Maar,
dat moet er zijn!”

Kaap Matifou, wiens mond toen met een flink stuk ham gevuld was, dat met twee
gebakken eieren in de onpeilbare diepte van zijne maagholte verdween,
antwoordde slechts met een hoofdknik.

„Welke ontvangst wel te maken zou zijn, wanneer het publiek je kon zien eten,
Kaap Matifou!”

[Inhoud]

Page 308

IV.

Page 309

DE WEDUWE VAN STEPHANUS BATHORY.
De tijding der aankomst van dokter Antekirrt had zich spoedig, niet alleen te
Ragusa, maar ook in de geheele Dalmatische provincie verbreid. De dagbladen
wierpen zich als het ware op die prooi, die hen eene serie van pikante berichten in
het vooruitzicht stelde, en begonnen met de aankomst van de goelet in de haven
van Gravosa aan te kondigen. De eigenaar van de Savarena kon dus niet
ontsnappen aan het eerbetoon, maar ook niet aan de bezwaren, aan dergelijke
beroemdheid onvermijdelijk verbonden. Zijne persoonlijkheid lag als het ware op
ieders lippen. De legende maakte zich van hem meester. Men wist niet wie hij
was, vanwaar hij kwam en waarheen hij ging. Dat kon slechts de publieke
nieuwsgierigheid te meer prikkelen. En, natuurlijk, wanneer men niets weet, dan
is het veld der onderstellingen des te uitgebreider, de verbeelding benuttigt dat en
dan.… dan schijnt het een wedren te zijn voor allen, die het best ingelicht meenen
te zijn.

De reporters, bij hun streven om hunne lezers ter wille te zijn, waren met spoed
naar Gravosa getrokken. Sommigen hunner begaven zich zelfs aan boord van de
goelet. Zij kregen evenwel den persoon, die in de openbare meening zooveel
opgang maakte, niet te zien. De bevelen daaromtrent waren stellig. De dokter
ontving niemand. De antwoorden, die kapitein Narsos aan de bezoekers gaf,
waren dan ook onveranderlijk dezelfde:

„Maar, vanwaar komt die dokter?”

„Vanwaar het hem gelieft.”

„En waarheen gaat hij?”

„Waarheen hem dat aanstaat.”

„Maar, wie is hij?” [205]

Page 310

Page 311

Zoo moest hij meer dan zestig treden opklimmen, alvorens nummer 17 te kunnen
bereiken. (Bladz. 212.)

[206]

„Dat weet niemand en hij wellicht nog minder dan zij, die het vragen.”

Hoe nu in Godsnaam een reporterartikel met dergelijke gegevens te schrijven?

Het gevolg daarvan was, dat de verbeelding vrij spel had en zich dan ook geen
banden liet aanleggen om in volle fantasie op te gaan. Van dokter Antekirrt
maakte men alles wat men maar verlangde. Hij was alles geweest wat die
kroniekschrijvers maar geliefden te verzinnen. Voor den eenen was hij een
zeeschuimers-hoofdman. Voor den anderen was hij de koning van een uitgestrekt
Afrikaansch rijk, die incognito reisde met het doel om te leeren. Verder beweerde
men, dat het een staatkundige banneling was; elders weer dat het een vorst was,
die door eene omwenteling uit zijne staten verjaagd werd en nu als wijsgeerig
toerist de wereld rondreisde. Men ziet, er was volledige keus. Wat den titel van
dokter betrof, waarmede hij zich tooide, daaromtrent waren de meeningen van
hen, die den titel voor echt aannamen, ook verdeeld. Volgens de meening van
sommigen was hij een groot geneeskundige, die bewonderenswaardige
genezingen in de meest wanhopige gevallen verricht had; en volgens die van
anderen was hij de koning der kwakzalvers, die in moeilijkheid geraken zou,
wanneer men zijn diploma opvorderde.

Maar in ieder geval, de geneeskundigen van Gravosa en van Ragusa konden
geene vervolging tegen hem doen instellen wegens onwettige uitoefening van de
geneeskunde. Dokter Antekirrt hield zich bescheiden buiten schot en was niet te
spreken, wanneer men hem als geneesheer wilde raadplegen.

Daarenboven, de eigenaar van de Savarena nam zijn intrek niet aan den wal. Hij
stapte zelfs niet in een der hôtels van de stad af. Ternauwernood begaf hij zich
gedurende de twee dagen, welke hij te Gravosa doorbracht, tot dicht bij Ragusa.
Hij bepaalde zijne uitstappen tot eenige wandelingen in den omtrek, waarbij hij
twee of drie malen Pescadospunt meenam, wiens aangeboren schranderheid hij
waardeerde.

Page 312

Maar ging hijzelf niet naar Ragusa, dan ging Pescadospunt toch eens voor hem er
heen. De brave jongen, wien een opdracht van vertrouwen gedaan was—wie
weet, wellicht eene inlichting in te winnen!—beantwoordde de vragen, die hem
bij zijn terugkeer gedaan werden, als volgt:

„Dus die woont in de Stradonalaan?”

„Ja, heer dokter. Dat wil zeggen in de fraaiste straat der stad. Hij bewoont een
hôtel, niet ver van de plaats, waar men de reizigers het paleis van den ouden doge
aanwijst. Het is een prachtig hôtel met een talrijk bediendenpersoneel, met
rijtuigen enz. In één woord: hij volgt de levenswijze van een millionnair!” [207]

„En de andere?”

„De andere of liever de anderen?” antwoordde Pescadospunt. „Die bewonen
hetzelfde stadskwartier, maar hunne woning is moeilijk te vinden in een van die
klimmende, smalle en slingerende stegen—ware ladders—die meer bescheiden
woningen bevatten.”

„En hunne woning?”

„Hunne woning is nederig, klein, droefgeestig van uiterlijk aan de buitenzijde,
hoewel ik mij verbeeld dat zij binnenshuis netjes gehouden moet zijn, heer
dokter. Men gevoelt, dat zij bewoond is door arme maar hooghartige lieden.”

„Die dame?.…”

„Ik heb haar niet gezien. Men zeide, dat zij bijna nimmer de Marinella-straat
verliet.”

„En haar zoon?.…”

„Dien heb ik gezien, heer dokter, op het oogenblik dat hij bij zijne moeder
binnentrad.”

„Hoe zag hij er uit?.…”

Page 313

„Hij scheen afgetrokken, onrustig zelfs. Men zou zeggen, dat die jeugdige man
reeds veel geleden heeft!.… Dat kenmerkt zich trouwens genoegzaam!”

„Maar, ook gij Pescadospunt, hebt geleden, en dat kenmerkt zich niet.”

„Lichamelijk lijden is geen zedelijk lijden, heer dokter! Daarom kon ik het
verhelen en er zelfs om lachen.”

Zooals men ziet, sprak dokter Antekirrt reeds gemeenzaam met Pescadospunt.
Met Kaap Matifou ging dat nog niet; want inderdaad, die Hercules was van te
indrukwekkend uiterlijk, om zich zoo gauw eenige gemeenzaamheid te mogen
veroorloven.

Toen de dokter die vragen gedaan en die antwoorden bekomen had, staakte hij
zijne wandelingen in de omstreken van Gravosa. Hij scheen iemand te
verwachten, wiens ontmoeting hij door zijn gaan naar Ragusa niet had willen
uitlokken, daar de tijding van de aankomst der Savarena genoegzaam bekend
moest zijn. Hij bleef dus aan boord en hetgeen hij verwachtte, gebeurde.

Den 29en Mei gaf de dokter, na de kade van Gravosa met het gewapend oog
geruimen tijd gadegeslagen te hebben, tegen elf uren in den voormiddag bevel
om de sloepen klaar te maken; toen steeg hij er in en liet zich naar den havendam
overbrengen, waar een man stond, die hem scheen te bespieden.

„Dat is hij,” mompelde de dokter binnensmonds.… „Hij is het wel degelijk!.… Ik
herken hem, al is hij nog zoo veranderd.”

Die man was een grijsaard, door den ouderdom gebogen, hoewel hij slechts
zeventig jaren telde. Zijne witte haren dekten spaarzaam het hoofd, dat ter aarde
gebogen was. Zijn gelaat was ernstig, [208]droefgeestig en ternauwernood
verlevendigd door een matten blik, die dikwijls door tranen geheel verduisterd
moet geweest zijn. Hij stond onbewegelijk op de kade en verloor de sloep niet uit
het oog, van het oogenblik dat van boord was afgestoken.

De dokter wilde den schijn niet geven dien grijsaard te bespeuren, nog minder
hem te herkennen. Hij deed dus, alsof hij zijne tegenwoordigheid niet

Page 314

ontwaardde. Maar nauwelijks had hij eenige passen op den havendam afgelegd,
toen de grijsaard op hem toetrad, nederig zijn hoed afnam en vroeg:

„Zijt gij dokter Antekirrt?”

„Ja, die ben ik,” antwoordde de dokter, die dien man aankeek, wiens oogleden
zelfs niet trilden, toen hij den blik op hem wierp. Daarna vervolgde hij:

„Wie zijt gij vriend, en wat wilt gij van mij?”

„Ik heet Borik en ik ben in dienst van mevrouw Bathory. Ik kom u uit haar naam
eene samenkomst verzoeken.…”

„Mevrouw Bathory?” herhaalde de dokter vragend. „Is dat de weduwe van dien
Hongaar, die zijne vaderlandsliefde met zijn leven betaalde?”

„Dezelfde,” antwoordde de grijsaard. „En hoewel gij haar nimmer zaagt, is het
toch onmogelijk, dat gij haar niet kent, juist omdat gij dokter Antekirrt zijt.”

Deze hoorde den ouden dienaar, wiens oogen steeds neergeslagen bleven,
aandachtig aan. Hij vroeg zich af of onder deze woorden niet eene nevengedachte
verscholen was. Daarop hernam hij:

„Wat kan mevrouw Bathory van mij willen?”

„Om redenen, die gij wel begrijpen zult, wenschte zij een onderhoud met u, heer
dokter.”

„Ik zal haar een bezoek brengen.”

„Zij wenschte liever bij u aan boord te komen.”

„Waarom?”

„Het is noodzakelijk, dat haar onderhoud met u geheim blijft.”

„Geheim?.… Voor wien?”

Page 315

„Voor haren zoon! Mijnheer Piet mag niet weten, dat mevrouw Bathory u bezocht
heeft.”

Dit antwoord scheen den dokter te verrassen; hij liet er evenwel niets van aan
Borik blijken.

„Ik geef de voorkeur aan een bezoek ten huize van mevrouw Bathory,” hernam
hij. „Zou dat niet kunnen geschieden bij afwezigheid van haren zoon?”

„Dat kan, heer dokter, wanneer gij morgen wilt komen. Piet Bathory moet heden
avond naar Zara afreizen en zal niet binnen vier en twintig uur terug zijn.”

„Wat voert Piet Bathory uit?” [209]

Page 316

Page 317

„Mijnheer,” zeide zij, „neem dat geld terug, want het behoort u.…” (Bladz. 217.)

[210]

„Hij is tot ingenieur gepromoveerd; maar tot heden heeft hij nog geene plaatsing
kunnen vinden. O, het leven is zoo moeitevol voor hem en voor zijne moeder!”

„Moeitevol!.…” viel dokter Antekirrt in. „Bezit mevrouw Bathory dan geen
middelen?”.…

Hij hield op. De grijsaard had het hoofd gebogen, terwijl zijn borst bewoog onder
de snikken, die hij niet kon bedwingen.

„Heer dokter,” zei hij eindelijk, „ik kan en mag u niets meer zeggen. In het
onderhoud, dat mevrouw Bathory van u verzoekt, zal zij u alles mededeelen, wat
gij recht hebt te weten.”

De dokter moest wel meester over zijn gemoed zijn, om zijne aandoening te
kunnen bedwingen.

„Waar woont mevrouw Bathory?” vroeg hij.

„Te Ragusa, in het Stradona-kwartier, op nummer 17 van de Marinella-straat.”

„Zal ik mevrouw Bathory morgen in den namiddag tusschen een en twee uur
kunnen ontmoeten?”

„Voorzeker, heer dokter, en ik zal het zijn, die u zal aandienen.”

„Zeg dan aan mevrouw Bathory, dat zij op mijne nauwgezetheid kan rekenen.”

„Ik dank u in haren naam.”

En na eenige aarzeling:

„Gij zoudt kunnen meenen, dat het een dienst betreft, die mevrouw u vragen
wil.…”

„En wanneer dat zoo was?” vroeg de dokter levendig.

Page 318

„Toch is het niet zoo,” antwoordde Borik.

En na nederig gebogen te hebben, ging hij den weg op, die van Gravosa naar
Ragusa voert.

Klaarblijkelijk hadden de laatste woorden van den ouden dienaar dokter Antekirrt
eenigermate verwonderd. Hij bleef onbeweeglijk op de kade staan en tuurde
Borik na. Toen hij aan boord teruggekomen was, schonk hij aan Pescadospunt en
aan Kaap Matifou verlof om aan den wal te gaan. Daarna sloot hij zich in zijne
kamer op. Hij wilde er de laatste uren van dien dag geheel alleen doorbrengen.

Pescadospunt en Kaap Matifou maakten zich dus als echte renteniers, die zij ook
waren, dat verlof ten nutte. Zij veroorloofden zich zelfs het genoegen, op het
kermisterrein eenige kramen binnen te treden. Wanneer wij beweren zouden, dat
de lenige clown geen aanvechtingen gevoelde om den een of anderen onhandigen
kunstenmaker terecht te zetten; dat de machtige voorvechter de zucht niet voelde
opkomen om aan die athleetworstelingen deel te nemen, dan zouden wij der
waarheid te kort doen. Maar beiden herinnerden zich ter rechter tijd, dat zij de eer
hadden tot de bemanning van [211]de Savarena te behooren. Zij vergaten hun rol
van toeschouwers niet en waren niet karig met hunne toejuichingen, wanneer die
verdiend waren.

Den volgenden ochtend liet de dokter zich even vóór het middaguur aan wal
zetten. Na zijne sloep naar boord teruggezonden te hebben, ging hij den weg op,
die het verbindingsmiddel daarstelt tusschen de haven van Gravosa en de stad
Ragusa. Dat is eene fraaie laan, die kornisvormig aangelegd, met twee rijen
villa’s omzoomd en over eene lengte van twee kilometers heerlijk beschaduwd
was.

Die laan was nog niet levendig, zooals zij het weinige uren later zou zijn, door
het heen en weer rijden der equipages, door de menigte wandelaars, zoowel te
paard als te voet.

De dokter volgde, terwijl hij aan die samenkomst met mevrouw Bathory dacht,
eene nevenlaan en was weldra bij Borgo Pillo, een soort steenen uitwas, die zich
buiten de drievoudige omwalling der versterkingen van Ragusa uitstrekt. De

Page 319

poort was open en verleende dwars door dien drievoudigen band toegang tot het
binnenste der stad.

De Stradona is eene prachtige flink bestrate hartader der stad, die zich van Borgo
Pillo af tot de voorstad Plocca uitstrekt en de geheele stad doorsnijdt. Zij
ontwikkelt zich aan den voet van een heuvel, die met een geheel gevaarte van
huizen, amphitheatersgewijze gebouwd, overdekt is. Aan het einde verheft zich
het paleis der oude doges, een fraai monument uit de XVde eeuw, met eene ruime
binnenplaats, met een portiek in renaissance-stijl, met boogvensters, welker
slanke zuiltjes aan het beste tijdperk herinneren van Toskaansche bouwkunst.

De dokter behoefde niet tot bij dat paleis voort te gaan. De Marinella-straat, die
Borik hem daags te voren opgegeven had, komt zoowat op de helft van de
Stradonalaan uit. Hij vertraagde evenwel zijn gang een weinig op het oogenblik,
dat hij een vluchtigen blik op eene groote woning wierp, die in graniet
opgetrokken was en welker rijke voorgevel met de daaraan rechthoekig
aansluitende bijgebouwen zich statig verhief. De poort van de binnenplaats stond
open en liet een uiterst fraai eigen rijtuig ontwaren met een paar prachtige
paarden bespannen. De koetsier zat deftig op den bok en de lakkei wachtte voor
het perron, dat door eene bevallige veranda overkapt was.

Juist in dit oogenblik steeg een man in dat rijtuig. De paarden vlogen de plaats
over en de poort door, waarna de deuren dichtsloegen.

Die persoon was dezelfde, die drie dagen te voren dokter Antekirrt op de kade
van Gravosa aangesproken had. Het was de vroegere bankier Silas Toronthal.
[212]

De dokter, eene ontmoeting wenschende te vermijden, was ijlings
achteruitgetreden en schreed eerst voort, toen het vlugge rijtuig bij het uiteinde
der Stradonalaan uit het oog verdwenen was.

„Beiden in dezelfde stad!” mompelde hij. „O, dat is zuiver het toeval! Daaraan
heb ik geen part of deel.”

De stegen, ter linkerzijde op de Stradonalaan uitkomende, die hij door te gaan
had, waren smal, stil en slecht bestraat.

Page 320

Dat de lezer zich een breeden stroom verbeelde, die aan eenen kant slechts
bergstroomen als schatplichtige rivieren zou hebben. Om een weinig lucht te
kunnen bemachtigen, kruipen de huizen als het ware rakelings de eene op de
anderen. Zij kijken inderdaad elkaar in de oogen, als men zoo mag spreken van
de vensters en tochtgaten, die in hunne voorgevels aangebracht zijn. Zij stijgen
zoo op den nok van een der twee heuvelen, welker toppen door de forten van
Mincetto en San Lorenzo bekroond zijn. Onmogelijk zou er een rijtuig kunnen
doorkomen. Al ontbreekt, behalve bij gelegenheid van zware regens, de
bergstroom, zoo moet zoo’n steeg toch een ravijn genoemd worden, en alle die
hellingen en al die terrassen heeft men moeten stutten met keerdammen en
bokken, en moet men door middel van trappen bestijgen. Een scherp contrast
bestaat tusschen die minder dan bescheiden woningen en de prachtige huizen en
paleizen op de Stradonalaan.

De dokter bereikte den ingang van de Marinella-steeg en begon de oneindige
trap, die tot straat dient, te bestijgen. Zoo moest hij meer dan zestig treden
opklimmen, alvorens nummer 17 te kunnen bereiken.

Daar werd dadelijk eene deur geopend. De oude Borik wachtte den dokter. Hij
geleidde hem naar binnen zonder een woord te spreken en bracht hem in een
vertrek, dat uiterst zindelijk maar armoedig gemeubeld was.

De dokter nam plaats. Niets kon de meening doen ontstaan, dat hij eenige
aandoening in dat huis ondervond—zelfs niet toen mevrouw Bathory binnentrad
en tot hem zeide:

„Heer dokter Antekirrt.”

„Die ben ik, mevrouw,” antwoordde de dokter, terwijl hij opstond.

„Ik had u de moeite willen sparen,” hernam mevrouw Bathory, „om zoover te
komen en zoo hoog te stijgen!”

„Ik stond er op om u een bezoek te brengen, mevrouw; en ik bid u mij als geheel
ter uwer beschikking te beschouwen.”

Page 321

„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „gisteren eerst vernam ik uwe
aankomst te Gravosa en ik heb dadelijk Borik gezonden, ten einde u tot een
onderhoud uit te noodigen.”

„Mevrouw, ik stel mij ter uwer beschikking.” [213]

„Ik zal heengaan,” zei de grijsaard.

„Neen, Borik, blijf!” antwoordde mevrouw Bathory. „Gij zijt de eenige vriend
der familie. Gij weet alles, wat ik dokter Antekirrt te zeggen heb.”

Mevrouw Bathory ging zitten, de dokter nam vlak voor haar plaats, terwijl Borik
bij het venster staan bleef.

De weduwe van professor Stephanus Bathory was toen zestig jaren oud. Maar
richtte zich ook al hare gestalte, in weerwil van den last der jaren, recht op, zoo
verraadde toch haar sneeuwwit hoofd, haar met rimpels gegroeid gelaat
genoegzaam den strijd, dien zij tegen het verdriet en tegen de ellende gevoerd
had. Maar men gevoelde het, zij was nog even geestkrachtvol als vroeger. O, in
haar school nog immer de moedige levensgezellin, de innige vertrouwelinge van
dien man, die alles opgeofferd had aan hetgeen hij zijnen plicht meende te zijn; in
haar school nog immer zijn medeplichtige, toen hij tot de samenzwering met
Mathias Sandorf en Ladislas Zathmar toetrad.

„Mijnheer,” zeide zij met eene stem, waarvan zij de aandoening te vergeefs zou
hebben pogen te bemantelen, „daar gij dokter Antekirrt zijt, ben ik u veel
verplicht, en ben ik u het verhaal verschuldigd van hetgeen vijftien jaren geleden
te Triëst voorgevallen is.…”

„Mevrouw, juist omdat ik dokter Antekirrt ben, verzoek ik u, om u en mij een
verhaal te besparen, dat voor u te treurig moet zijn! Dat verhaal ken ik en ik voeg
er bij—juist alweer omdat ik dokter Antekirrt ben—dat ik uw geheel bestaan ken
sedert dien onvergeetbaren datum van den 30en Juni 1867.”

„Mag ik u dan vragen, mijnheer,” hernam mevrouw Bathory, „aan welke
motieven gij de belangstelling ontleent, die gij in mijn levensloop gesteld hebt?”

Page 322

„Die belangstelling, mevrouw, is die, welke ieder gevoelig en rechtschapen
mensch verschuldigd is aan de weduwe van den vaderlandslievenden Magyaar,
die niet geaarzeld heeft alles voor de onafhankelijkheid van zijn vaderland ten
offer te brengen!”

„Hebt gij professor Stephanus Bathory gekend?” vroeg de weduwe met ietwat
bevende stem.

„Ja, mevrouw, ik heb hem gekend en ik vereer allen welke dien naam dragen!”

„Behoort gij ook tot dat vaderland, waarvoor hij zijn bloed gestort heeft?”

„Ik, ik heb geen vaderland, mevrouw!”

„Maar wie zijt gij dan?”

„Een overledene, die nog geen graf heeft kunnen vinden!” antwoordde dokter
Antekirrt koel. [214]

Mevrouw Bathory en Borik ijsden bij dat zoo onverwachte antwoord; maar de
dokter haastte zich te vervolgen:

„Evenwel, mevrouw, dat verhaal, hetwelk ik u verzocht niet uit te spreken, moet
ik leveren, want al weet gij ook sommige bijzonderheden, zoo zijn er toch
anderen, die u onbekend zijn, en die onkunde mag niet langer blijven bestaan.”

„Ik luister, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory.

„Mevrouw,” hernam de dokter, „het is nu vijftien jaren geleden, dat drie edele
harten, zich aan het hoofd stelden van eene samenzwering, die tot doel had aan
Hongarije zijne onafhankelijkheid weer te geven. Dat waren graaf Mathias
Sandorf, professor Stephanus Bathory en graaf Ladislas Zathmar, drie vrienden,
die sedert lang dezelfde hoop koesterden, drie verschillende wezens met slechts
één hart.

„Den 8en Juni 1867, daags vóórdat het sein zou gegeven worden voor den
opstand, die zich over geheel Hongarije en tot in Transsylvanië zou uitstrekken,
werd het huis van graaf Zathmar te Triëst, waarin de hoofden der samenzwering

Page 323

vergaderd waren, door de Oostenrijksche politie overvallen. Graaf Sandorf werd
met zijne beide makkers gevat en dienzelfden nacht nog in den vestingtoren van
Pisino gekerkerd. Weinige weken later waren zij ter dood veroordeeld.

„Een jeugdig boekhouder, Sarcany genaamd, die terzelfder tijd in het huis van
graaf Zathmar gevangen genomen werd, maar geheel vreemd aan de
samenzwering was, werd weldra buiten alle vervolging en na de beëindiging der
zaak, op vrije voeten gesteld.

„Daags vóórdat het vonnis zou voltrokken worden, poogden de gevangenen, die
in dezelfde cel opgesloten waren, te ontsnappen. Graaf Sandorf en Stephanus
Bathory slaagden er in, langs de staven van een bliksemafleider uit den
vestingtoren van Pisino te ontvluchten en vielen in den Foïba-bergstroom, op
hetzelfde oogenblik dat Ladislas Zathmar, door den gevangenbewaarder
gegrepen, in de onmogelijkheid gesteld werd om zijne makkers te volgen.

„Hoewel er weinig kansen bestonden, dat de vluchtelingen aan den dood
ontsnappen zouden, daar een onderaardsche stroom hen medesleepte, te midden
van eene landstreek, die hen geheel onbekend was, zoo slaagden zij er toch in,
den oever van het kanaal van Léma en daarna de stad Rovigno te bereiken, waar
zij eene toevlucht vonden in het huis van den visscher Andreas Ferrato.

„Die visscher—een braaf en eerlijk hart—had alles klaargemaakt om hen aan de
overzijde van de Adriatische zee te brengen, toen een Spanjaard, Carpena
genaamd, die de schuilplaats der vluchtelingen ontdekt had, uit persoonlijke
wraakzucht de arme [215]ellendigen bij de politie van Rovigno aangaf. Andermaal
poogden zij te ontsnappen; maar Stephanus Bathory viel in handen der agenten.
Wat Mathias Sandorf betreft, hij werd tot aan den zeeoever vervolgd en viel
onder een kogelregen. De Adriatische zee heeft zijn lijk niet weergegeven.

„Twee dagen later werden Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar in de citadel
van Pisino doodgeschoten. De visscher Andreas Ferrato werd, ter zake van
huisvesting aan de vluchtelingen verleend te hebben, tot levenslange galeistraf
veroordeeld en naar het bagno van Stein gezonden.”

Mevrouw Bathory zat daar met diepgebogen hoofd. Zij had het verhaal van den
dokter met een beklemd hart, maar zonder hem een enkele maal in de rede te

Page 324

vallen, aangehoord.

„Hadt gij die bijzonderheden vernomen, mevrouw?” vroeg hij.

„Ja, mijnheer, door de dagbladen, zooals gij ze waarschijnlijk ook vernomen
hebt.”

„Ja, mevrouw, door de dagbladen,” antwoordde de dokter, „maar wat de
dagbladen niet konden mededeelen, daar de instructie dier zaak in het grootste
geheim geschiedde, heb ik, dank zij de babbelzucht van een gevangenbewaarder
van de citadel, vernomen en dat zal ik u mededeelen.”

„Spreek, mijnheer,” zei mevrouw Bathory.

„Dat graaf Sandorf en Bathory ontdekt en gevat werden in de woning van den
visscher Ferrato, werd veroorzaakt door het verraad van den Spanjaard Carpena.
Maar dat zij drie weken te voren te Triëst in de woning van graaf Zathmar gevat
werden, was het werk van verraders, die hen aan de agenten der Oostenrijksche
politie verklikt hadden.”

„Verraders!” mompelde mevrouw Bathory.

„Ja, mevrouw, en het bewijs van het verraad bleek uit de debatten van het proces.
Eerst hadden die snoodaards een briefje in geheimschrift, aan den hals eener
postduif gebonden, ontdekt, dat aan graaf Sandorf gezonden was en waarvan zij
een afschrift namen. Een andere maal slaagden zij er in, in het huis van graaf
Zathmar zelve een afdruk van den rooster te verkrijgen, die diende om dat
geheimschrift te ontraadselen. Daarna, toen zij kennis van den inhoud van het
briefje genomen hadden, hebben zij het geheim aan den gouverneur van Triëst
bekend gemaakt. Ongetwijfeld zou een gedeelte der verbeurdverklaarde goederen
van graaf Sandorf dienen om hun verraad te beloonen.”

„En kent men die ellendelingen?” vroeg mevrouw Bathory, wier stem van
aandoening beefde.

„Neen, mevrouw,” antwoordde de dokter; „maar wellicht kenden hen de drie
veroordeelden, en zouden zij hunne namen [216]bekend gemaakt hebben, wanneer

Page 325

zij hun gezin voor de laatste maal alvorens te sterven hadden kunnen weerzien.”

Inderdaad, noch mevrouw Bathory, die toen met haren zoon afwezig was, noch
Borik, die in de gevangenis van Triëst opgesloten zat, hadden de veroordeelden in
hunne laatste oogenblikken kunnen bijstaan.

„Zal men nooit de namen van die ellendelingen te weten komen?” vroeg
mevrouw Bathory.

„Mevrouw,” antwoordde dokter Antekirrt, „de verraders eindigen steeds met
zichzelven te verraden! Ziehier wat ik ten slotte nog bij dat verhaal te voegen
heb: Gij bleeft als weduwe met een kindje van acht jaren nagenoeg zonder
middelen achter. Borik, de bediende van graaf Zathmar, wilde u na den dood van
zijn meester niet verlaten; maar hij was arm en bezat niets anders dan zijne
toewijding.

„Toen, mevrouw, hebt gij Triëst verlaten, om deze nederige woning te Ragusa te
betrekken. Gij hebt handenarbeid verricht om zoowel in de behoeften van het
materieele als van het zieleleven te voorzien. Gij verlangdet toch dat uw zoon het
pad der wetenschap, dat zoo roemrijk door zijn vader betreden was, zoude
volgen. Maar, welken strijd hebt gij daarbij te voeren gehad! Welke ellende moest
daarbij moedig het hoofd geboden worden! O, ik buig met eerbied het hoofd voor
de edelaardige vrouw, die zooveel geestkracht getoond heeft, voor de moeder,
door wiens zorgen haar zoon een man geworden is!”

Terwijl de dokter die woorden sprak, was hij van zijn stoel opgestaan en werd
zijne ontroering, in weerwil van zijne gewone koelheid, duidelijk merkbaar.

Mevrouw Bathory antwoordde niet. Zij wachtte in het onzekere of de dokter zijn
verhaal geëindigd had of het zou voortzetten. Het kon toch zijn, dat hij feiten, die
hem persoonlijk betroffen, wilde mededeelen en dat dit de beweegreden was,
waarom hij een onderhoud verlangd had.

„Intusschen, mevrouw,” hernam de dokter, die hare gedachten raadde, „hebben de
menschelijke krachten hare grenzen, en, hoewel ziek en uitgeput door zooveel
beproevingen, zoudt gij bij uwe taak bezweken zijn, wanneer een onbekende,
neen, een vriend van professor Bathory, u niet ter hulp gesneld ware. Nimmer zou

Page 326

ik u daarover gesproken hebben, wanneer uw oude dienaar mij uwen wensch niet
had geopenbaard om mij te willen ontmoeten.”

„Inderdaad, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „ben ik dan dokter
Antekirrt niet veel dank schuldig?”

„Waarom, mevrouw? Omdat dokter Antekirrt vijf of zes jaren geleden, bij de
herinnering aan de vriendschap, die hem aan graaf [217]Sandorf en aan zijne beide
makkers verbond, en, om u bij uwe taak behulpzaam te zijn, u eene som van
honderd duizend gulden heeft doen toekomen? Gevoelde hij zich niet zeer
gelukkig, dat geld ter uwer beschikking te kunnen stellen?

„Neen, mevrouw, ik ben het integendeel, die u dank schuldig ben, omdat gij dat
geld wel hebt willen aannemen, omdat gij mij veroorloofd hebt de weduwe en
den zoon van Stephanus Bathory ter hulp te komen.”

De weduwe had het hoofd gebogen en antwoordde:

„Hoe het ook zij, mijnheer, ik voelde behoefte om u mijne dankbaarheid te
betuigen. Dat was de eerste beweegreden van dat bezoek, hetwelk ik u brengen
wilde. Maar er was eene tweede.…”

„En die is, mevrouw?”

„Ik wilde.… u die som teruggeven.…”

„Hoe mevrouw?” zei de dokter, „gij hebt die som niet willen aannemen?”

„Mijnheer, ik meende het recht niet te hebben over die som te beschikken. Ik
kende dokter Antekirrt niet. Ik had nimmer zijn naam hooren noemen. Die som
kon een soort aalmoes zijn, komende van hen, die mijn man bestreden hadden en
wier erbarmen mij hatelijk toescheen! Ik heb die som dus niet gebezigd, zelfs
voor het doel niet, waarvoor dokter Antekirrt haar bestemd had.”

„Dus.… dat geld.…?”

„Is onaangeroerd.”

Page 327

„En uw zoon?”

„Zal aan niemand anders verplichting hebben dan aan zichzelven.…”

„En aan zijne moeder!” vulde de dokter aan, die door zooveel grootheid van ziel,
door zooveel karakter, zooveel geestkracht niet anders dan tot bewondering
gestemd kon worden en dan ook vol eerbied voor de waardige vrouw stond.

Ook mevrouw Bathory was opgestaan en op een kistje toegetreden, dat gesloten
was. Zij nam er een bundel bankbiljetten uit, die zij den dokter overreikte.

„Mijnheer,” zeide zij, „neem dat geld terug, want het behoort u, en ontvang den
dank eener moeder, die verplichting aan u heeft, alsof zij er gebruik van gemaakt
had, om haar zoon op te voeden!”

„Dat geld behoort mij niet meer toe, mevrouw!” antwoordde dokter Antekirrt,
terwijl hij de bankbiljetten met een gebaar afwees.

„Ik herhaal, dat het mij nimmer had moeten toebehooren!”

„Maar als Piet Bathory het zou willen gebruiken.…”

„Mijn zoon zal eindigen met de betrekking te vinden, die hij waardig zal zijn. Ik
zal dan op hem kunnen rekenen, zooals hij op mij heeft kunnen vertrouwen!” [218]

„Hij zal niet weigeren, hetgeen een vriend van zijn vader aandringt dat hij zal
aannemen!

„Jawel, hij zal weigeren!”

„Laat mij dan ten minste beproeven, mevrouw.…”

„Ik bid u die proef niet te nemen, heer dokter,” antwoordde mevrouw Bathory,
„mijn zoon weet zelfs niet dat ik dat geld ontvangen heb, en ik verlang, dat hij
daaromtrent steeds onkundig blijve!”

„Het zij zoo, mevrouw!.… Ik begrijp de gevoelens, die u zoo doen handelen, daar
ik slechts een onbekende voor u was en ben!.… Ja, ik begrijp en bewonder ze!.…

Page 328

Maar ik herhaal het, als dat geld uw eigendom niet is, dan is het het mijne ook
niet!”

Dokter Antekirrt was op het punt om heen te gaan. De weigering van mevrouw
Bathory kon hem niet kwetsen. Hare kieschheid wekte slechts een gevoel van
diepen eerbied bij hem op. Hij groette de weduwe en wilde heengaan, toen eene
laatste vraag hem weerhield.

„Mijnheer,” zei mevrouw Bathory, „gij hebt gesproken over onwaardige
handelingen, die den dood van Ladislas Zathmar, van Stephanus Bathory en van
den graaf Sandorf veroorzaakt hebben?”

„Ik heb verhaald, wat er gebeurd is, mevrouw.”

„Maar kent niemand die onmenschen?”

„Ja, mevrouw!”

„Wie dan?”

„God!”

Na dat woord boog dokter Antekirrt voor den laatsten keer voor de weduwe en
verliet hare woning.

Mevrouw Bathory bleef in gedachten verzonken. Zij voelde zich door eene
geheime sympathie, waarvan zij zich geen rekenschap wist te geven tot dien
geheimzinnigen persoon, die zoo ingewijd was in de meest verborgen
gebeurtenissen van haar leven, aangetrokken. Zou zij hem ooit terugzien? En
wanneer hij met de Savarena te Ragusa aangekomen was alleen met het doel om
haar dat bezoek te brengen, zou hij dan niet zeewaarts gaan om niet meer terug te
keeren?

Den volgenden morgen deelden de dagbladen mede, dat een onbekende eene gift
van honderd duizend gulden aan de gasthuizen van de stad vermaakt had.

Dat was de gift van dokter Antekirrt. Maar was het ook niet de aalmoes der
weduwe, die zij zoowel voor haar als voor haren zoon van de hand gewezen had?

Page 329

EINDE VAN DOKTER ANTEKIRRT.

[219]

Page 330

[Inhoud]

Page 331

INHOUD.
EENE VERIJDELDE SAMENZWERING.
BLADZ.

I. De reisduif 1
II. Graaf Mathias Sandorf 22
III. Het bankiershuis Toronthal 36
IV. Het geheimschrift 55
V. Voor, gedurende en na de terechtzitting 73
VI. De vestingtoren van Pisino 91
VII. De bergstroom van Foïba 104
VIII. De hut van den visscher Ferrato 127
IX. Laatste pogingen in een laatsten strijd 148

DOKTER ANTEKIRRT.

I. Pescadospunt en Kaap Matifou 159
II. Het te water laten van de Trabucolo 171
III. Dokter Antekirrt 187
IV. De weduwe van Stephanus Bathory 204

[Inhoud]

JULES VERNE’S

GEÏLLUSTREERDE WONDERREIZEN.

Prijs per deel: 95 cts. ingen., ƒ 1.35 geb.

Page 332

DE REIS1 OM DE WERELD IN 80 DAGEN .
DE REIS2 NAAR DE MAAN IN 28 DAGEN .
DE KINDEREN
3 VAN KAPITEIN GRANT. Zuid-
Amerika.
DE KINDEREN
4 VAN KAPITEIN GRANT. Australië.
DE KINDEREN
5 VAN KAPITEIN GRANT. Stille
Zuidzee.
20.0006MIJLEN ONDER ZEE . Oostelijk Halfrond.
20.0007MIJLEN ONDER ZEE . Westelijk Halfrond.
VIJF WEKEN
8 IN EEN LUCHTBALLON .
Ontdekkingsreis in de Binnenlanden van Afrika.
HET GEHEIMZINNIGE
9 EILAND . De
Luchtschipbreukelingen.
HET 10GEHEIMZINNIGE EILAND . De Verlatene.
NAAR 11 HET MIDDELPUNT DER AARDE .
MICHAEL
12 STROGOFF, DE KOERIER VAN DEN
CZAAR.
HET 13ZWARTE GOUD.
HECTOR
14 SERVADAC. De Vulkaanbewoners.
HECTOR
15 SERVADAC. De Terugtocht naar de Aarde.
AVONTUREN
16 VAN DRIE RUSSEN EN DRIE
ENGELSCHEN . Gevolgd door »De
Blokkadebrekers”.
EEN 17KAPITEIN VAN 15 JAAR . De
Walvischjagers.
EEN 18KAPITEIN VAN 15 JAAR. In Slavernij.
DE SCHIPBREUK
19 VAN DE CHANCELLOR.
WONDERLIJKE
20 AVONTUREN VAN EEN
CHINEES .
ELDORADO
21 EN HET MONSTERKANON VAN
STAALSTAD. Gevolgd door »Meester Zacharias”.
HET 22LAND DER BUITENSTE DUISTERNIS. De
Pelterijhandel.
HET 23LAND DER BUITENSTE DUISTERNIS. Het
drijvende Eiland.

Page 333

HET 24
STOOMHUIS . De IJzeren Reus.
HET 25
STOOMHUIS . De Waanzinnige der Nerbudda.
REIZEN
26 EN LOTGEVALLEN VAN KAPITEIN
HATTERAS. De Engelschen aan de Noordpool.
REIZEN
27 EN LOTGEVALLEN VAN KAPITEIN
HATTERAS. De IJswoestijn.
EENE 28VLOTREIS. 800 Mijlen op de Amazone.
EENE 29VLOTREIS. Het Raadselschrift.
EEN 30
LEERSCHOOL VOOR ROBINSONS.
DE WONDERSTRAAL
31 .
KERABAN
32 DE STIJFHOOFDIGE. Een Hollander in
de Klem.
KERABAN
33 DE STIJFHOOFDIGE. Schipbreuk en
Redding.
DE ZUIDSTER
34 . Het Land der Diamanten.
DE ARCHIPEL
35 IN VUUR EN VLAM.
DE VONDELING
36 VAN HET FREGAT CYNTHIA.
MATHIAS
37 SANDORF. Een verijdelde Samenzwering.
MATHIAS
38 SANDORF . De Middellandsche Zee.
MATHIAS
39 SANDORF . Een Model-Volksplanting.
HET 40
LOTERIJBRIEFJE.
ROBUR41 DE VEROVERAAR .
DE STRIJD
42 TUSSCHEN NOORD EN ZUID .
Overrompeling eener Plantage.
DE STRIJD
43 TUSSCHEN NOORD EN ZUID . De
Zwarte Kreek van Texas.
1792.44
OP WEG NAAR FRANKRIJK.
TWEE 45JAAR VACANTIE. De mislukte Pleiziertocht.
TWEE 46JAAR VACANTIE. Een Knapenkolonie.
DE FAMILIE
47 ZONDER NAAM. Het Verraad van
Simon Morgaz.
DE FAMILIE
48 ZONDER NAAM. De Opstand van
1837.
EEN 49
SCHOT IN DE LUCHT.
CESAR50 CASCABEL . De schoone Zwerfster.

Page 334

CESAR
51 CASCABEL . Over het IJs en door de
Steppen.

[Inhoud]

Page 335

Page 336

Page 337

Page 338

Page 339

Colofon

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan
het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het
origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het
einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

2025-06-06 Begonnen.

Verbeteringen

De volgende 171 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
1 verdeeldin verdeeld in 1
3 hij hij hij 4
3 steed steeds 1
4 ’smorgens ’s morgens 1
6 Theatro Communale Teatro Comunale 2
14 lsnivï lsnivi 1/0
15, 139,
n.v.t. [Niet in bron] . 1
18 reliefkaart reliëfkaart 1/0
18, 87 . , 1
19, 70 [Niet in bron] .” 2
19, 52,
76, 76,
79, 93,
96, 125,
142, 169,
171, 207 moeielijk moeilijk 1
19, 115 orienteeren oriënteeren 1/0
20 d’hote d’hôte 1/0

Page 340

22 diê die 1/0
23, 23,
23, 28,
30, 30,
32, 32,
34, 50,
54, 78,
79, 151,
214 Transylvanië Transsylvanië 1
24 ontrust onrust 1
24 impersonneele impersoneele 1
24, 27,
52 Pesth Pest 1
26 Transylvaansche Transsylvaansche 1
27 Ladyslas Ladislas 1
27 Stefanus Stephanus 2
27 Artenah Artenick 3
28 hotel De Corme hôtel Delòrme 4/2
30, 152 moeielijke moeilijke 1
30, 31 alphabeth alphabet 1
31, 32,
72, 73,
79, 82,
82 Hongarijë Hongarije 1/0
32, 43,
62, 64,
72, 72,
138, 172,
207, 212 ’ ” 1
32 „ ” 2
34 schierleiand schiereiland 2
34, 36 Acquedotto-laan Acquedottolaan 1
35, 38,
55, 155 Thoronthal Toronthal 1
35, 44 hotel Delorme hôtel Delòrme 2/0
36 Communale Comunale 1
36 beursspeculatién beursspeculatiën 1/0
42, 50,
62, 69,
170, 170 [Niet in bron] ” 1
44 Silias Silas 1

Page 341

44, 172,
193, 210 ”. .” 2
45, 49 ). .) 2
46, 140 ” [Verwijderd] 1
47 moeielijker moeilijker 1
48 Zatmar Zathmar 1
50 vraagde waagde 2
51, 92 moeielijkheden moeilijkheden 1
52 Hoe Heer 2
54, 54 Artenak Artenick 2
59 geeindigd geëindigd 1/0
63 lineaal liniaal 1
64 2 9 1
69 ” ” 2
70 tnayijgtad tnavijgtad 1
70, 128,
203 [Niet in bron] , 1
76 amphitheaters-gewijs amphitheatersgewijs 1
78 Onmogeijk Onmogelijk 1
83, 143 Matthias Mathias 1
84 verdiepimg verdieping 1
84 vaderlandschlievende vaderlandslievende 2
85 Her Het 1
85, 85,
85, 192 , , 2
85, 98,
115, 126,
149, 150 [Niet in bron] „ 1
86 . . 2
88 ontrustig onrustig 1
88 geluidleer geluidsleer 1
90 galerij gallery 3
95 Foiba Foïba 1/0
95 bergstrooom bergstroom 1
99 ,. . 1
100 Zathmaar Zathmar 1
117 moerbeiën moerbeien 1/0
134 inden in den 1
139 ontstuimig onstuimig 1

Page 342

149 „ [Verwijderd] 1
150 klouteren klauteren 1
151 uitenide uiteinde 2
151, 217 , [Verwijderd] 1
160 volkstam volksstam 1
160 Fumera Fiumera 1
160 oorlogschepen oorlogsschepen 1
160 [Niet in bron] - 1
169 Ilyrië Illyrië 1
170 Chineesche Chineesch 1
172 , . 1
174 Nimes Nîmes 1/0
184 adelijk adellijk 1
187 , ; 1
192, 192 Ombra Ombla 1
193, 193 » „ 1
195 vier zes 3
203 kunsstukken kunststukken 1
203 moeielijkheid moeilijkheid 1
213 ‘ ” 1
214 Lèma Léma 1/0

Page 343

*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK MATHIAS
SANDORF [1] ***

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright royalties.
Special rules, set forth in the General Terms of Use part of this license,
apply to copying and distributing Project Gutenberg™ electronic
works to protect the PROJECT GUTENBERG™ concept and
trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, and may not
be used if you charge for an eBook, except by following the terms of
the trademark license, including paying royalties for use of the Project
Gutenberg trademark. If you do not charge anything for copies of this
eBook, complying with the trademark license is very easy. You may
use this eBook for nearly any purpose such as creation of derivative
works, reports, performances and research. Project Gutenberg eBooks
may be modified and printed and given away—you may do practically
ANYTHING in the United States with eBooks not protected by U.S.
copyright law. Redistribution is subject to the trademark license,
especially commercial redistribution.

START: FULL LICENSE

Page 344

THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work (or
any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full Project
Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing
Project Gutenberg electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg electronic
work, you indicate that you have read, understand, agree to and accept
all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
all copies of Project Gutenberg electronic works in your possession. If
you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project Gutenberg
electronic work and you do not agree to be bound by the terms of this
agreement, you may obtain a refund from the person or entity to whom
you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people
who agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this agreement

Page 345

and help preserve free future access to Project Gutenberg electronic
works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the
collection of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the
individual works in the collection are in the public domain in the
United States. If an individual work is unprotected by copyright law in
the United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting free
access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg works
in compliance with the terms of this agreement for keeping the Project
Gutenberg name associated with the work. You can easily comply with
the terms of this agreement by keeping this work in the same format
with its attached full Project Gutenberg License when you share it
without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
access to, the full Project Gutenberg License must appear prominently

Page 346

whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work on which
the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase
“Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed,
viewed, copied or distributed:

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other
parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may
copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg™ License
included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
United States, you will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.

1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is derived
from texts not protected by U.S. copyright law (does not contain a
notice indicating that it is posted with permission of the copyright
holder), the work can be copied and distributed to anyone in the United
States without paying any fees or charges. If you are redistributing or
providing access to a work with the phrase “Project Gutenberg”
associated with or appearing on the work, you must comply either with
the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or obtain
permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works posted
with the permission of the copyright holder found at the beginning of
this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.

Page 347

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide
access to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means of
obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works provided
that:

• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the
use of Project Gutenberg works calculated using the method you
already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the
owner of the Project Gutenberg trademark, but he has agreed to donate
royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days
following each date on which you prepare (or are legally required to
prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly
marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive

Page 348

Foundation at the address specified in Section 4, “Information about
donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.”

• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does
not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You
must require such a user to return or destroy all copies of the works
possessed in a physical medium and discontinue all use of and all
access to other copies of Project Gutenberg™ works.

• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.

• You comply with all other terms of this agreement for free distribution
of Project Gutenberg™ works.

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg™
electronic work or group of works on different terms than are set forth
in this agreement, you must obtain permission in writing from the
Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of the
Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set forth in
Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend
considerable effort to identify, do copyright research on, transcribe and
proofread works not protected by U.S. copyright law in creating the
Project Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project
Gutenberg™ electronic works, and the medium on which they may be
stored, may contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete,
inaccurate or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or

Page 349

other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES -
Except for the “Right of Replacement or Refund” described in
paragraph 1.F.3, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation,
the owner of the Project Gutenberg™ trademark, and any other party
distributing a Project Gutenberg™ electronic work under this
agreement, disclaim all liability to you for damages, costs and
expenses, including legal fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO
REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT LIABILITY, BREACH
OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE
FOUNDATION, THE TRADEMARK OWNER, AND ANY
DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT,
CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL DAMAGES
EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you
discover a defect in this electronic work within 90 days of receiving it,
you can receive a refund of the money (if any) you paid for it by
sending a written explanation to the person you received the work
from. If you received the work on a physical medium, you must return
the medium with your written explanation. The person or entity that
provided you with the defective work may elect to provide a
replacement copy in lieu of a refund. If you received the work
electronically, the person or entity providing it to you may choose to
give you a second opportunity to receive the work electronically in lieu
of a refund. If the second copy is also defective, you may demand a
refund in writing without further opportunities to fix the problem.

Page 350

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth in
paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED,
INCLUDING BUT NOT LIMITED TO WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. If
any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the law
of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
provision of this agreement shall not void the remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the
Foundation, the trademark owner, any agent or employee of the
Foundation, anyone providing copies of Project Gutenberg™
electronic works in accordance with this agreement, and any
volunteers associated with the production, promotion and distribution
of Project Gutenberg™ electronic works, harmless from all liability,
costs and expenses, including legal fees, that arise directly or indirectly
from any of the following which you do or cause to occur: (a)
distribution of this or any Project Gutenberg work, (b) alteration,
modification, or additions or deletions to any Project Gutenberg work,
and (c) any Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project
Gutenberg

Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It

Page 351

exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s goals
and ensuring that the Project Gutenberg collection will remain freely
available for generations to come. In 2001, the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation was created to provide a secure and
permanent future for Project Gutenberg and future generations. To
learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 and
the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the state
of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal Revenue
Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification number is
64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation are tax deductible to the full extent permitted by U.S.
federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza
#516, Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact
links and up to date contact information can be found at the
Foundation’s website and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without
widespread public support and donations to carry out its mission of

Page 352

increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small
donations ($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax
exempt status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United States.
Compliance requirements are not uniform and it takes a considerable
effort, much paperwork and many fees to meet and keep up with these
requirements. We do not solicit donations in locations where we have
not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
state visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg
electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg
concept of a library of electronic works that could be freely shared

Page 353

with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
Gutenberg eBooks with only a loose network of volunteer support.

Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search facility:
www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg, including
how to make donations to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.

Page 354

PDF language

简体中文 https://pdftoflip.com/view.php?t=7d3c3b3942dee300f952f6e2984429cf&bl=zh Translating…
Español https://pdftoflip.com/view.php?t=7d3c3b3942dee300f952f6e2984429cf&bl=es Translating…
Français https://pdftoflip.com/view.php?t=7d3c3b3942dee300f952f6e2984429cf&bl=fr Translating…
Deutsch https://pdftoflip.com/view.php?t=7d3c3b3942dee300f952f6e2984429cf&bl=de Translating…
日本語 https://pdftoflip.com/view.php?t=7d3c3b3942dee300f952f6e2984429cf&bl=ja Translating…
한국어 https://pdftoflip.com/view.php?t=7d3c3b3942dee300f952f6e2984429cf&bl=ko Translating…
Português https://pdftoflip.com/view.php?t=7d3c3b3942dee300f952f6e2984429cf&bl=pt Translating…
Русский https://pdftoflip.com/view.php?t=7d3c3b3942dee300f952f6e2984429cf&bl=ru Translating…
العربية https://pdftoflip.com/view.php?t=7d3c3b3942dee300f952f6e2984429cf&bl=ar Translating…