Napoleon (Dutch) Herman Théodore Chappuis 1402 downloads.pdf

687 pages · Make another flipbook

Page 1

Page 2

Page 3

The Project Gutenberg eBook of Napoleon

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will
have to check the laws of the country where you are located before
using this eBook.

Title: Napoleon

Author: Herman Théodore Chappuis

Editor: August Hendrik Pieter Blaauw

Release date: January 25, 2009 [eBook #27883]
Most recently updated: January 4, 2021

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/27883

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NAPOLEON ***

Page 4

Napoleon.

Page 5

Page 6

Napoleon

Page 7

Geschetst door
H. TH. Chappuis,
Gepensionneerd luitenant-kolonel, Ridder der
Orde van de Eikenkroon, enz.
Tweede omgewerkte druk,
Door
H. TH. Chappuis
En
A. H. P. Blaauw,
Leeraar in de geschiedenis aan de Cadettenschool
te Alkmaar.

Page 8

Met 32 groote platen.
Alkmaar—Gebr. Kluitman.
1911.

Gebr. Kluitman’s Boek- en Kunstdrukkerij, Alkmaar.

Page 9

Voorbericht

Page 10

van den tweeden omgewerkten druk.

In de meening, dat niet alleen in Frankrijk, maar ook in ons land een streven
merkbaar was tot het verkrijgen van meerdere kennis van het Napoleontische
tijdperk, stelde de Luitenant-Kolonel H. Th. Chappuis een schets van den
“grooten Corsicaan” samen. Die verwachting werd niet teleurgesteld, want
spoedig bleek, dat na eenige jaren een tweede druk zou noodig zijn. Reeds
had de schrijver met de nieuwe bewerking een begin gemaakt, toen hij te
midden van dien arbeid overleed.

Het verzoek van de Uitgevers het werk voort te zetten, werd door mij gaarne
aanvaard, al ontveinsde ik mij de moeilijkheid niet een eenmaal begonnen
arbeid te voltooien. Van de opmerkingen bij den eersten druk heb ik een
dankbaar gebruik gemaakt.

Moge ook deze tweede druk, thans uitsluitend van groote platen naar de
meest bekende schilderijen voorzien, een even gunstig onthaal vinden als de
eerste uitgave.

Alkmaar, Februari 1911. A. H. P. Blaauw.

Page 11

Eenige geraadpleegde Bronnen.
M. Thiers. Histoire de la Révolution Française.

M. Thiers. Histoire du Consulat et de l’Empire.

York von Wartenburg. Napoleon als Feldherr.

Désiré Lacroix. Histoire de Napoléon.

De Bourrienne. Mémoires sur Napoléon I.

De Ségur. Napoléon et la Grande Armée en Russie.

Le général Gourgaud. Examen critique de l’ouvrage de Mr. de Ségur. —
Mémoires.

Le général de Marbot. Mémoires.

Le duc de Rovigo. Mémoires.

F. A. Mignet. Histoire de la Révolution Française.

A. Dayot. Napoléon raconté par l’image.

G. Bertin. La campagne de 1812, de 1813, de 1814.

Georges Barral. L’épopée de Waterloo.

W. A. E. Wüppermann. De vorming van het Nederl. Leger en de veldtocht
van 1815, enz.

Le Mémorial de Saint-Hélène.

Madame de Rémusat. Mémoires.

Page 12

Constant. Mémoires.

Le baron Larrey. Madame Mère.

Mémoires du prince de Talleyrand.

Langfrey, P. Histoire de Napoléon I.

Le Maréchal Marmont. Mémoires.

Chaptal. Mes souvenirs sur Napoléon.

A. Vandal. Napoléon et Alexandre I.

E. Guillon. Nos écrivains militaires.

Napoléon.—Oeuvres.

Lord Rosebery. Napoleon. The last phase.

Jomini. Précis politique et militaire, etc.

Jomini. Traité des grandes opérations militaires, etc.

Le baron Fain. Manuscrit de 1812, etc.

Le prince de Metternich. Mémoires.

Le vicomte lord Wolseley. Le déclin et la chute de Napoléon.

Lavisse et Rambaud. Histoire Générale. Deel VIII, IX en X.

Jean Jaurès. Geschiedenis Fransche Revolutie.

A. Levy. Napoléon intime.

A. Levy. Napoléon et la paix.

Oscar Klein Hattingen. Napoleon der Erste. 2 d.

Page 13

Frédéric Masson. Napoléon inconnu.

Frédéric Masson. Napoléon et sa famille, Deel I–IX.

Frédéric Masson. L’Impératrice Maria Louise 1809–1815.

Frédéric Masson. Napoléon et les femmes.

Frédéric Masson. Napoléon chez lui etc.

Frédéric Masson. Napoléon et son fils.

Frédéric Masson. Autour de Sainte-Hélène.

Frédéric Masson. Jadis.

Frédéric Masson. Jadis et Aujourd’hui.

Frédéric Masson. Le Sacre et le Couronnement de Napoléon.

Henry Houssaye. 1814.

Henry Houssaye. 1815. La première Restauration. Le retour de l’ile d’Elbe.
Les cents jours.

Henry Houssaye. 1815. Waterloo.

Henry Houssaye. 1815. La seconde Abdication. La Terreur blanche.

C. L. Schneider List. Herinneringen van den Luitenant-Generaal Frans Carel
List.

G. Clément. Campagne de 1813.

A. Grouard. La critique de la Campagne de 1815.

B. R. F. van Vlijmen. Vers la Bérésina.

Paul Gruyer. Napoléon Roi de l’ile d’Elbe.

Page 14

J. Silvestre. De Waterloo à Sainte-Hélène.

Viscount Wolseley. The Decline and Fall of Napoleon.

Henri Welschinger. Le Pape et L’empereur 1804–1815.

Alex L. Kielland. Ringsum Napoleon. 2 d.

Armand Bourgeois. Le général Bonaparte et la Presse de son époque.

Paul Frémeaux. Les derniers jours de l’Empereur.

Page 15

Inhoud.
Hoofdstuk Bladz.
I. Afkomst.—Geboorte.—Jeugd 1
II. Een blik op de Fransche Omwenteling 18
III. Bij Toulon en te Parijs 46
IV. 13 Vendémiaire.—Joséphine 55
V. De veldtocht in Italië.—1796 62
VI. Bij Rivoli, op Mombello. De vrede 76
VII. Naar Egypte 92
VIII. Bonaparte wordt Eerste Consul 110
IX. Vredesvoorstellen.—Marengo 125
X. Vrede met Oostenrijk 139
XI. Engeland en de vrede van Amiens 152
XII. Consul voor het leven 167
XIII. Oorlog met Engeland. Een nieuwe samenzwering 177
XIV. De Keizerskroon 191
XV. Oorlog in Duitschland 204
XVI. Austerlitz.—Vrede van Presburg 219
XVII. Jena.—Berlijn.—Eylau 235
XVIII. Friedland.—Tilsit.—Fontainebleau 255
XIX. Het drama in Spanje 267
XX. Naar Weenen.—Essling.—Wagram 276
XXI. Echtscheiding.—Tweede huwelijk 295
XXII. De Veldtocht tegen Rusland 316
XXIII. Bij Borodino.—In Moskou 332
XXIV. De Berezina 349
XXV. Lutzen.—Bautzen.—Leipzig 360
XXVI. Parijs valt.—De Keizer abdiceert 379
XXVII. Op Elba.—In Frankrijk terug 399
XXVIII. Waterloo 412
XXIX. De Keizer verbannen 429
XXX. St. Helena 438

Page 16

Page 17

Volgorde der Illustratiën.
1. Napoleon.
2. Bonaparte op de Militaire school te Brienne.
3. De eed in de Kaatsbaan. 20 Juni 1789.
4. Vertrek der Vrijwilligers. 1792.
5. Bonaparte voor Toulon.
6. Strijd om de brug bij Arcola. November 1796.
7. Slag bij Rivoli. Januari 1797.
8. De onderhandelingen over den vrede te Campo Formio. 1797.
9. Bonaparte in den Raad van Vijfhonderd. 1799.
10. Bonaparte als Consul.
11. Tocht over den St. Bernhard. Mei 1800.
12. Fontainebleau.
13. Malmaison.
14. Eerste uitreiking van het Legioen van Eer.
15. Napoleon I. Keizer der Franschen.
16. De avond vóór den slag van Austerlitz. 2 December 1805.
17. Jena.
18. Slag bij Eylau.
19. De avond van Friedland.
20. Louise van Pruisen brengt een bezoek aan Napoleon.
21. Een vroolijke episode uit den oorlog in Spanje.
22. De slag bij Wagram.
23. Napoleon en Maria Louise, te Compiègne. 1810.
24. Napoleon en de Paus.
25. Napoleon en zijn zoon.
26. Moskou. 1812.
27. De overtocht van de Berezina.
28. Napoleon te Fontainebleau. 31 Maart 1814.
29. Afscheid van de Garde vóór het vertrek naar Elba.
30. De prins van Oranje bij Waterloo gewond.
31. Napoleon op de Bellerophon.

Page 18

32. Napoleon op St. Helena.

Page 19

Page 20

Hoofdstuk I.

Page 21

Afkomst.—Geboorte.—Jeugd.

In de Middellandsche Zee, door de straat van Bonifacio
van Sardinië gescheiden, bevindt zich een groot
bergachtig eiland Corsica met slechts enkele kleine
kustplaatsen als Ajaccio en Bastia. Het was bedekt met
onafzienbare strooken bijna ondoordringbaar
struikgewas, maquis geheeten en bewoond door eene bevolking van
Italiaansche en Grieksche afkomst, die in hare zeden, gewoonten en
begrippen nog heden ten dage weinig verschilt van hetgeen ze eeuwen
geleden reeds was, waartoe de geïsoleerde ligging van het eiland in niet
geringe mate heeft meegewerkt.

Nog sterker dan op Sardinië is men daar van meening, dat de belangen van
de familie, van het geslacht, de clan, op maatschappelijk en financieel
gebied moeten gaan voor die van ieder ander en de tijd heeft dat beginsel
nog dieper doen wortel schieten. Daar heeft de vader nog de beschikking
over het leven van zijn zonen; het oppergezag berust nog bij het hoofd van
den stam, den vader, of na diens dood den oudsten zoon; ieder lid van een
familie is hoofdelijk verantwoordelijk voor het welzijn en den voorspoed
van al de anderen; elk begrip van recht, van algemeen belang is nog
ondergeschikt aan dat van de belangen van den clan.

De volksklasse, grootendeels bestaande uit visschers en geitenhoeders, sluit
zich aan bij die familie, welke de rijkste is, den meesten invloed bezit, of
haar het beste beschermt en zij blijft deze ook trouw, zoolang de eenmaal
aangegane verbintenissen behoorlijk worden nageleefd.

Kapitaal in klinkende munt wordt er weinig aangetroffen. Belasting, pacht,
landhuur, alles wordt in natura betaald en daarvoor dienen de kastanjes van
de bergen, de geiten uit de maquis, het vee uit de gemeenschappelijke weide,

Page 22

benevens graan, olijfolie, wijn en visch. Van geitenhaar wordt in de bergen
laken geweven. Zijn er dus levensbehoeften in overvloed, toch kent het volk
geen weelde en gemak, want daarvoor ontbreekt het noodige geld en wie dit
wil verdienen, moet het eiland verlaten en naar Italië of Frankrijk gaan.

In 1746 had Corsica zich vrij verklaard van de heerschappij der Genueezen;
een opstand was hiervan het gevolg geweest. In 1755 had Pascal Paoli, een
vrijheidlievend en schrander staatsman, zich aan het hoofd van de beweging
gesteld, daarin krachtig gesteund door de aanzienlijke geslachten, waardoor
de onafhankelijkheid van het eiland tien jaar lang was gehandhaafd. Toen
was in dezen toestand verandering gekomen, daar Engeland Paoli zijn hulp
had aangeboden, maar door het aannemen van dezen steun ontstond onder
Paoli’s partij verdeeldheid, daar velen de geheime bedoelingen van Engeland
begrepen. Ook Frankrijks minister de Choiseul doorzag die, en zond troepen
naar het eiland, zoogenaamd om de souvereiniteitsrechten van Genua te
helpen handhaven, maar inderdaad om een landing der Engelschen met
kracht van wapenen te beletten. Tevens deed Choiseul Genua ernstige
bedreigingen hooren, omdat deze republiek vele Jezuïeten, die uit Frankrijk
waren verbannen, op Corsica gastvrijheid had verleend. Zich niet krachtig
genoeg gevoelende om weerstand te bieden, opende Genua
onderhandelingen en stond in 1768 zijn rechten op Corsica aan Frankrijk af,
behoudens de vrijheid van latere terugname tegen vergoeding der gemaakte
onkosten.

Door deze oplossing van het vraagstuk verrast, wendde Paoli zich thans
tegen den nieuwen vijand, doch leed in Mei 1769 bij Ponte Novo een zoo
geduchte nederlaag, dat hij met ruim driehonderd volgelingen, die hem niet
wilden verlaten, op een paar Engelsche schepen zijn toevlucht zocht en zich
naar Engeland liet overbrengen.

Tijdens zijn verzet tegen Genua was de in 1746 te Ajaccio geboren advocaat
Carlo Maria Buonaparte of Bonaparte een zijner getrouwste aanhangers
geweest. Uit Italië afkomstig en van adellijken bloede, was hij reeds op
achttienjarigen leeftijd gehuwd met de toen veertienjarige Laetitia Ramolino,
eveneens van adellijke afkomst, verwant aan het grafelijke geslacht des Col’
Alto’s en reeds op dien jeugdigen leeftijd een vermaarde schoonheid. Toen

Page 23

Paoli de wapenen begon te keeren tegen Frankrijk, had Bonaparte aan dit
verzet geen deel willen nemen; hij had het eiland verlaten en was eerst naar
Ajaccio teruggekeerd, toen het Fransche gezag hier voor goed was
gevestigd. (1769).

Evenals het meerendeel zijner bloedverwanten, zooals de Benielli’s en de
Paravicini’s, was Carlo niet met aardsche goederen gezegend, maar hij was
schrander, sluw en op ’t kantje af van brutaal; hij had in één woord
zelfvertrouwen en durf. Zoodra Corsica Fransch was geworden, had hij
begrepen van hoeveel nut en voordeel zijn wetenschappelijke ontwikkeling
doch vooral zijn kennis van de Fransche taal hem kon zijn, aangezien zoo
goed als niemand op het eiland die taal machtig was. Het nieuwe
gouvernement zou hem dus noodig hebben.

Zoodra hij de kans schoon zag, was hij begonnen dit nieuwe arbeidsveld te
exploiteeren. Telkens kon men hem nu te Parijs vinden in het voorvertrek
van dezen of genen minister, beleefd en onderdanig, waar dit pas gaf,
doortastend en taai, zelfs brutaal, als ’t noodig was, maar altijd gewapend
met een request en den strijd niet opgevende, voordat hij de verlangde
handteekening had verkregen.

Op die manier wist hij o. a. te bewerken, dat het gouvernement hem
concessie verleende voor den aanleg van moerbeziënperken en kweekerijen,
voor het droogleggen van de zouthoudende moerassen, enz. Hij was hierdoor
veel op reis, altijd vervuld met nieuwe plannen tot vermeerdering van den
invloed en den welvaart van zijn familie, wier zaakwaarnemer en
pleitbezorger hij was. Veel tijd om zich met zijn gezin, dat steeds in sterkte
toenam, te bemoeien, had hij niet, maar het huishouden was bij Laetitia in
goede handen. Toen hij in 1785 overleed waren er van de twaalf kinderen
nog acht in leven.

Den 15en Augustus 1769 werd hem een zoon geboren, die den naam ontving
van Napoleon, terwijl een jaar te voren Jozef het levenslicht had
aanschouwd. Hoewel gezond, had Napoleon een delicaat gestel, niet te
verwonderen, als men weet, dat zijn moeder, tijdens haar zwangerschap,
door den opstand van Paoli hiertoe gedwongen, weken lang ver van haar

Page 24

woning in de bergen had rondgezworven en dus menigen bangen,
slapeloozen nacht had doorgebracht.

De eerste paar jaren rustig en stil, werd de kleine wereldburger met zijn
groot hoofd weldra een ondeugend, lastig en opvliegend baasje, koppig als
een ezel en daarbij zoo vechtlustig, dat ieder het met hem te kwaad kreeg en
vooral Jozef het vaak bij hem moest ontgelden. Wel wachtte hem dan thuis
de roede, want Laetitia spaarde deze niet, doch om een pak slag meer of
minder bekreunde hij zich bitter weinig. Onder de strafoefening gaf hij geen
kik en na afloop liep hij weer weg alsof er niets was gebeurd. Aan al die
ondeugende streken paarde hij echter een zekere ridderlijkheid, want eens
werd hij gestraft met een pak slaag en vier dagen huisarrest op water en
brood, omdat hij druiven zou gekaapt hebben, ’t geen een vriendinnetje had
gedaan, maar hij verried haar niet en zijn onschuld bleek pas, toen dit meisje
zich zelf kwam aangeven.

Hoorde hij, zooals zijn moeder later heeft gezegd, tot “le plus diable” van
hare kinderen, over zijn lust tot leeren had men echter geen reden tot klagen.
Van “de nonnen” had hij een weinig lezen en tellen geleerd en op zijn achtste
jaar op een jezuïetenschool geplaatst, maakte hij daar spoedig zulke
vorderingen, dat zijn vader voor hem in den tuin een hokje liet maken, waar
hij rustig kon werken, zonder dat hij door het spelen der kleintjes—Lucien
was in 1775, Elisa (Marianne) in 1777 geboren—werd gestoord.

Altijd vervuld met plannen voor de toekomst, handig gebruik makende van
een koninklijk besluit van 1770, waarbij alleen die Corsicanen in den
Franschen adelstand zouden worden opgenomen, wier adelbrieven van twee
eeuwen vroeger dagteekenden, steunende bovendien op zijne positie als
assessor, lid van den Raad der Twaalf Edelen en afgevaardigde van den
Corsicaanschen adel aan het hof van Versailles, wist Carlo steeds meer
gunsten te verwerven. Door zijn vriendschap met graaf de Marbeuf,
gouverneur van het eiland, werd hij o. a. geholpen aan twee studiebeurzen,
een voor Jozef en een voor Napoleon; voor rijks rekening zouden ze in
Frankrijk worden opgeleid, Jozef tot geestelijke en Napoleon tot militair. De
jongen was in de wolken van geluk; zijn liefste wensch zou worden
verwezenlijkt. Had hij reeds vroeger elk stuk papier, elke plank en schutting

Page 25

volgeteekend met soldaten, nu zou hij zelf soldaat worden, een heusche, een
echte.

Op het einde van 1778 vertrok Carlo met zijn twee zoons naar Frankrijk om
te Autun, waar de Marbeufs broeder bisschop was, eerst wat beter Fransch te
leeren spreken, want ze kenden nog weinig meer dan gebroken Italiaansch
en Corsicaansch patois. Het verdriet voor de eerste maal moeder te verlaten
was niet erg groot, bovendien had Napoleon zijn broer bij zich en nog wel
Jozef, aan wien hij zich nauw verbonden gevoelde. In April werden ze reeds
gescheiden, en ging Napoleon naar de Koninklijke Militaire School te
Brienne, een instelling, waar strenge tucht heerschte, de leiding van het
onderwijs zoo goed als geheel in handen was van een aantal, voor het
meerendeel onbeschaafde, weinig ontwikkelde geestelijken en waarop alleen
kinderen van adellijke afkomst werden toegelaten.

Jozef schreide bitter bij het afscheid van zijn broertje—och, de dreumesen
waren samen nauwelijks twintig jaar oud—doch de kleine Napoleon vergoot
geen traan; zijn gezichtje bleef strak en elke uiting van droefheid
onderdrukte hij. Toch was hij, de latere jaren hebben dit bewezen, Jozef toen
reeds meer genegen dan deze hem.

Te Brienne, waar hij ruim vijf jaar gebleven is, begon voor den leergierigen
jongen in den volsten zin des woords een nieuw leven. In het begin werd hij
gefolterd door heimwee naar zijn geboorteland, waarover hij met niemand
kon spreken, en hij voelde zich in een kring van jongens, die hem allen
vreemd en dus vijandig waren en wier taal hij ternauwernood verstond, zeer
eenzaam en ongelukkig. Hij bleef dan ook het liefst alleen en kreeg daardoor
den naam trotsch en eenzelvig te zijn; alleen aan Bourrienne legde hij zijn
hart wel eens open, dezelfde dien hij als consul tot eerste secretaris heeft
genomen en dien hij pas heeft ontslagen, toen hij de onloochenbare bewijzen
van ’s mans brutale schraapzucht en oneerlijke practijken tegenover de
leveranciers voor het leger in handen had.1

Weldra bleek met welk een reusachtigen werklust, met welk een taaie
werkkracht die magere, kleine knaap met zijn grijze, zonderling lichtende
oogen, was bezield. Niet alle studievakken waren hem intusschen even lief;
geschiedenis, aardrijkskunde en wiskunde waren zijn beste vakken en daarin

Page 26

maakte hij groote vorderingen, maar in de talen bleef hij een kruk en zijn
schrift was bijna onleesbaar.

In de verhouding tot zijn kameraden kwam langzamerhand ook eenige
verbetering; in den winter van 1783, terwijl de sneeuw zeer hoog lag, werd
hij door hen zelfs tot aanvoerder gekozen bij den aanval en de verdediging
van uit sneeuw gebouwde wallen en het is zijn eerste roem, als bewoners uit
Brienne naar zijn sneeuwvesting komen zien. Zijn vrije uren bracht hij het
liefst in de bibliotheek door, waar hij zich in de studie van Plutarchus of in
de lectuur van een wijsgeerig of letterkundig werk verdiepte; vooral de
daden van de Grieksche en Romeinsche helden boeiden hem, ze prikkelden
zijn eerzucht, terwijl hij bovenal voor Leonidas en zijn volk groote
bewondering had, zoodat zijn kameraden hem de Spartaan noemden.

Door de geringe mate van ontwikkeling en kennis der leeraren en door de
slechte verdeeling der leerstof bleef zijn wetenschappelijke opvoeding
niettemin gebrekkig, die hij dan ook in zijn luitenantstijd van meet af weer
onder handen heeft moeten nemen, doch leesbaar schrijven zonder taalfouten
heeft hij zich nooit meer kunnen eigen maken. Van het Duitsch verstond hij
later slechts enkele woorden, zelfs Italiaansch sprak hij gebrekkig en voor
het Spaansch had hij steeds een tolk noodig, terwijl hij de Grieksche en
Latijnsche klassieken alleen door eenige meestal slechte vertalingen heeft
leeren kennen. Lucien en Jozef, die een meer academische opleiding hadden
genoten, al legden ze nooit een examen af, taxeerden hem als
wetenschappelijk man dan ook volstrekt niet hoog. In hun oog was hij en is
hij gebleven een soldaat, die succes heeft gehad zonder meer.

Ongeletterd was hij dus, maar wat hij bezat van nature, wat geen leeraar ter
wereld bij machte was geweest hem aan te brengen en hetgeen zijn
neuswijze broers misten, was zijn stijl de imperatoria brevitas, zooals
Frédéric Masson dezen schrijftrant noemt; met zijn korte, krachtige
glasheldere volzinnen, die als met de etsnaald het beeld teekenden, dat hij
het leger wilde inscherpen. Dien stijl dankte hij aan zijn genie en hierin heeft
hij zelfs Caesar overtroffen.

Toen de Keralio, inspecteur-generaal van het militair onderwijs in 1784 zag
welke reusachtige vorderingen Napoleon vooral in het laatste jaar had

Page 27

gemaakt, was hij hierover zoo bijzonder tevreden, dat hij over het bezwaar
van zijn te jeugdigen leeftijd heenstapte en hem voordroeg voor de Militaire
School te Parijs. “Die knaap van vijftien jaar met zijn onderdanig karakter en
zeer geregeld gedrag, die zich door zijn kennis van de wiskunde zoo gunstig
onderscheidde, zou een uitmuntend zeeman worden,” schreef hij in zijn
rapport.

Zoodoende vertrok Napoleon in October 1784 met vier andere jongens onder
geleide van een pater naar Parijs. Van een plaatsing bij de marine kwam
evenwel niets; het toch reeds zeer beperkte aantal plaatsen was reeds door
eenige hoog-adellijke jongelui met protectie ingenomen. Napoleon zou
derhalve den cursus volgen voor de artillerie.

Korten tijd te voren had Jozef aan zijn vader te kennen gegeven liever niet
tot geestelijke, maar evenals zijn broer tot artillerieofficier te worden
opgeleid. Treffend is de brief, welke Napoleon naar aanleiding daarvan aan
zijn vader schreef. “Laat hij maar hier komen te Brienne Pater; Patrault, dien
u kent, heeft mij beloofd hem wiskunde te leeren. Wat zal ik blij zijn, als ik
hem in October hier zie. Dan is dat ook weer een zorg minder voor u en
Jozef zal wat in zijn schik wezen.”

Hoewel hij zijn moeder in al die jaren in ’t geheel niet, zijn vader slechts een
paar maal had gezien en er wegens de zeer hooge portkosten slechts weinig
brieven werden gewisseld, was de knaap met zijn gedachten dus nog steeds
bij huis en bij de zorgen, waaronder zijn ouders gebukt gingen, want zij
waren arm en het gezin was in de laatste jaren nog toegenomen; in 1778
werd Louis, in 1780 Pauline, in 1782 Caroline en in 1784 Jérome geboren.

Zijn wensch betreffende Jozef zou evenwel niet worden vervuld; in Februari
1785 stierf zijn vader, ver van huis, te Montpellier aan maagkanker en Jozef,
die toen alleen bij hem was, had beloofd naar Ajaccio terug te keeren om
daar zijn moeder tot steun te wezen. De brieven door Napoleon in die
kommervolle dagen aan zijn moeder gericht, getuigen van zijn kinderlijke
liefde en hartelijke belangstelling in al wat er ginds geschiedde. Aan zijn
oud-oom Lucien, aartsdiaken van Ajaccio, schrijft hij o. a. “Het zal onnoodig
zijn U te zeggen, hoe ik getroffen ben geweest door het ongeluk, dat over
ons is gekomen. Wij hebben in hem een vader verloren en God weet welk

Page 28

een vader hij in zijn medegevoel en gehechtheid voor ons was... Gods wil is
onveranderlijk en Hij alleen kan ons troosten...”

Intusschen werkte hij aan de Militaire School te Parijs even hard als te
Brienne. Uitgezonderd Bauer, zijn onderwijzer in ’t Duitsch, die hem een
domoor vond, waren al zijn andere leeraren zeer over hem tevreden. Vooral
Laplace, de beroemde wiskunstenaar, was met hem ingenomen; zijn leeraar
in de fraaie letteren noemde hem “een stuk graniet, in een vulkaan verhit,”
en de heer de l’Esquille, die hem les gaf in de geschiedenis, schreef in zijn
rapport over hem: “Corsicaan van geboorte en karakter, zal hij het ver
brengen, als de omstandigheden hem gunstig zijn.”

Den 10en October 1785, dus nauwelijks zestien jaar oud, werd hij als de 42e
op een ranglijst van 58 cadetten bevorderd tot tweede-luitenant,—zijn brevet
dagteekende echter van den 1en September—ingedeeld bij het artillerie
regiment la Fère en aangewezen om garnizoen te houden te Valence, een
stadje aan de Rhône in het zuiden van Frankrijk. Binnen een jaar had hij met
succes een examen afgelegd, waarvoor een ander meestal drie- of viermaal
zooveel tijd noodig had.

Reeds aan de Militaire school had hij een bewijs geleverd van zijn scherpen
blik op militaire aangelegenheden. Deze school was een koninklijke
instelling, telde jongelieden van den hoogsten adel onder haar leerlingen,
waarvoor jaarlijks twee duizend francs kostgeld werd betaald, zoodat er
groote weelde heerschte. In een hervormingsontwerp, dat hij aan den
directeur, markies de Timbrune, ter beoordeeling gaf, schreef hij o. a.: “Zou
het niet beter zijn, als de cadetten zich zelf leerden bedienen en
munitiebrood tot ontbijt kregen? Zou het geen aanbeveling verdienen, als zij
hun kleeding en schoeisel zelf leerden schoonmaken? De meesten zijn arm;
de dienst wacht hen. Aan een matigen leefregel onderworpen, zouden zij
hierdoor krachtiger worden, de weersveranderingen beter kunnen verdragen,
de vermoeienissen van den oorlog moedig doorstaan en aan hun soldaten
eerbied en blinde trouw inboezemen.”

Zelf heer en meester geworden, deed hij deze beginselen terstond in practijk
brengen. Aan de school te St. Cyr bewoonden de aanstaande officieren der

Page 29

infanterie b.v. gezamelijk één kamer en aten uit de militaire keuken. De
cadetten aan de cavalerieschool te St. Germain poetsten zelf hun paard en
leerden het zelf pakken, zadelen en beslaan.—“Voordat men over soldaten
bevel voert, moet men zelf eerst soldaat worden, en al de technische
onderdeelen van het vak nauwkeurig kennen; dan wordt hierdoor het
onschatbare voordeel verkregen, dat men zijn ondergeschikten in al hun
diensten nagaan en tot gehoorzaamheid kan dwingen.”

Op denzelfden grondslag van eenvoud en degelijkheid vestigde hij later ook
de meisjesscholen te St. Dénis, Ecouen en elders, bestemd om dochters van
leden van het Legioen van Eer, een orde in 1802 door hem ingesteld, een
behoorlijke opvoeding te geven. Al de op die scholen benoodigde
kleedingstukken moesten door de leerlingen zelven worden vervaardigd.
Stemmig, geheel in den trant der geestelijke zusterscholen, was het costuum.
Van het bezoeken van schouwburgen of andere publieke vermakelijkheden
was geen sprake. Hij verlangde, dat de meisjes “eerbare vrouwen en goede
huishoudsters zouden worden.”

Niet weinig trotsch op zijn luitenantsrang bij het wapen, spoedde hij zich in
zijn nieuwe uniform naar de familie Permon, die hij reeds te Ajaccio had
leeren kennen en die nu te Parijs woonde, maar de ontvangst viel niet mee,
want Cécile, de jongste dochter des huizes, zei lachend, dat hij met zijn
spillebeenen in die geweldig groote modellaarzen wel wat geleek op de
Gelaarsde Kat en Laure, de oudste, die later met Junot huwde en door
Napoleon tot hertogin van Abrantès werd verheven, stemde met haar in.
Toch werd hij niet boos, want een dag of wat later zond hij haar als
speelgoed een koets met een gelaarsde kat er voor en het sprookje van
Perroult ten geschenke.

Met zijn kameraad en vriend, den eveneens nieuw benoemden luitenant des
Mazis, kwam hij begin November 1785 te Valence, huurde bij juffrouw Bou,
een oude vrijster, in ’t Café du Cercle naast de biljardzaal voor acht francs
per maand een kamer, zoo armoedig gemeubeld dat “zelfs een blind paard er
geen schade kon aanrichten” en hij begon hier het leven van den
onbemiddelden officier in een klein garnizoen. Door den abt de Saint-Ruff,
een kennis van de Marbeufs, werd hem echter den toegang geopend tot de

Page 30

voornaamste salons en vooral mevrouw de Colombier was zeer vriendelijk
voor hem, terwijl, naar men zegt, Napoleon korten tijd een oogje had op haar
dochter Caroline. In weerwil van zijn armoede, want van een tractement van
ongeveer elfhonderd francs, vielen niet veel kromme sprongen te maken,
genoot hij in dien eersten tijd volop van hetgeen zijn nieuwe positie hem
aanbood. Hij at met zijn kameraden aan één tafel, leerde dansen, ging veel
uit, werd overal vriendelijk ontvangen, was voorkomend en beleefd,
babbelde mee over alles en nog wat en liet een jaar later bij zijn vertrek met
verlof naar Ajaccio niets dan aangename herinneringen achter; alleen had
men hem zeer beschroomd en nu en dan zwaarmoedig gevonden.

Hoe goed hij zich later, toen hij tot grootheid en macht was gekomen, de
personen herinnerde, die zich tegenover hem welwillend hadden betoond;
hoe erkentelijk hij zelfs nog was voor ieder blijk van genegenheid, hem in
zijn jeugd geschonken, valt op te maken uit de lange lijst van personen uit
dien tijd, aan welke hij een stoffelijk, tastbaar bewijs hiervan gaf. Noch zijn
leermeesters uit Brienne, noch die van de Militaire School te Parijs, heeft hij
vergeten; aan allen heeft hij een positie geschonken, die een aanmerkelijke
verbetering bracht in hun lot!

Page 31

Bonaparte op de Militaire School te Brienne.

De weduwe van zijn weldoener de Marbeuf verleende hij een jaargeld van
15000 francs; haar zoon benoemde hij tot baron van het Keizerrijk en
kolonel van een regiment lichte cavalerie; Caroline de Colombier schonk hij
de functie van hofdame bij zijn moeder, den heer Bressieux, met wien zij in
1792 huwde, die van administrateur bij het boschwezen. Camilla Hari, zijn
min, de vrouw van een Corsicaanschen schipper, gaf hij rijke geschenken en
deed haar tegenwoordig zijn bij zijn kroning en zelfs op zijn sterfbed beval
hij haar nog aan bij de uitvoerders van zijn laatsten wil, opdat zij en haar
kinderen toch nimmer gebrek zouden lijden.

Aanvankelijk door ziekte verplicht tot tweemaal toe verlenging van verlof
aan te vragen, bleef hij van half September 1786 tot Juni 1788 op Corsica en
keerde toen eerst naar zijn inmiddels naar Auxonne verlegd regiment terug;
alleen van October tot December 1787 was hij tijdelijk naar Frankrijk

Page 32

opgeroepen met het oog op de vrees van oorlog met Pruisen ten behoeve van
Nederland.

Toen hij na een afwezigheid van zeven jaar in zijn ouderlijk huis
terugkeerde, had hij zich eensklaps omringd gezien door een troepje
broertjes en zusjes, die hij vroeger slechts kort of in ’t geheel niet had
gekend. Alleen Marianne-Elisa was afwezig, door haar plaatsing als
leerlinge op de Koninklijke meisjesschool te St. Cyr; Lucien was dertien,
Louis tien, Pauline acht, Caroline zes en Jérome vier jaar. Met dat clubje
speelde en ravotte hij als een schooljongen, die met vacantie is; vooral
Paulette, zooals Pauline door hem altijd genoemd werd, was zijn lieveling en
deze kon met haar guitig, mooi gezichtje, haar aangeboren bevalligheid en
looze streken geen kwaad bij hem doen.

Terwijl hij te Ajaccio dus eenige vergoeding vond voor de volslagen
vreugdelooze jaren zijner jeugd, met volle teugen kon genieten van het
zoolang ontbeerde familieleven, terwijl hij zelf weder half Corsicaan werd,
ontdekte hij tevens, dat kommer en zorg zijn moeder met den dag meer
terneer drukten en dat de armoede haar aangrijnsde. Met den dood van zijn
vader was de steun, die de familie zoo lang van de Fransche gouverneurs en
ambtenaren had genoten, langzamerhand verdwenen; verleende voorrechten
waren ingetrokken, contracten niet meer nagekomen; bovendien zagen de
oude, Paoli trouw gebleven aanhangers in de Bonapartes en hun aanhang
thans geen echte patriotten meer, doch slechts francisés, zooals ze werden
genoemd. Hulp was voor hen, ook van die zijde dus niet te verwachten.

Na Carlo’s dood had oom Lucien, de aartsdiaken, het beheer der geldzaken
op zich genomen, maar sinds eenige maanden leed hij aan heftige
jichtaanvallen, zoodat hij het bed niet meer kon verlaten. Zuinig, bij het
gierige af, toonde hij zijn belangstelling in het lot zijner nicht thans nog
alleen door het bijeenschrapen en in zijn matras verstoppen van elken franc,
dien hij kon machtig worden. Wel zou Jozef de aangewezen persoon zijn
geweest, om als oudste zoon de leiding der zaken thans in handen te nemen,
maar Jozef studeerde te Pisa in de rechten en Napoleon bleef dus alleen over.

Met dezelfde ijver en toewijding, welke hij tot nu toe had aan den dag
gelegd bij al wat hij op zich nam, toog hij dus aan den arbeid, schreef

Page 33

brieven en verzoekschriften, diende zijn moeder als secretaris en was haar
tolk bij al haar onderhandelingen met de Fransche regeering. In het najaar
van 1787 in Frankrijk tijdelijk terug, trok hij naar Parijs om hier met
dezelfde onverzettelijke driestheid en taaiheid, welke zijn vader hadden
gekenmerkt, voor haar te solliciteeren en toen in Juni 1788 zijn verlof om
was, verliet hij zijn moeder slechts noode om zich te Auxonne weder aan
zijn beroep te wijden. Van den jeugdigen, overmoedigen luitenant, die de
pretjes najoeg en op iedere danspartij werd gezien, was intusschen weinig
meer overgebleven. ’t Geen hij in zijn ouderlijk huis had gezien, vervulde
hem met zorg; zooveel schulden, zooveel mondjes te vullen, wat moest
daarvan het einde wezen! Reeds vroeg had hij den ernst van het leven leeren
kennen; thans had hij begrepen, dat hij, de oudste zoon bijna, de eenige, die
een bezoldigde betrekking bekleedde, al zijn krachten moest inspannen om
zijn moeder te steunen. Werken, studeeren, kennis verzamelen waren hiertoe
de middelen en wel wetende, dat aan zijn wetenschappelijke opvoeding nog
zoo goed als alles ontbrak, begon hij van meet af aan te studeeren.

Eerst wilde hij zijn vak volkomen onder de knie hebben, want aan de school
te Parijs was hem hiervan weinig meer onderwezen dan het
infanteriereglement en de grondbeginselen van den dienst in vestingen, zelfs
het gebruik en de bediening van een kanon kende hij niet eens. Met grooten
ijver begon hij dus aan zijn verdere ontwikkeling en uit dien tijd is de stapel
geschriften afkomstig, die hem toen reeds stempelden tot een man van studie
en ernstig nadenken. De 38 cahiers met aanteekeningen en opmerkingen van
zijn land, zijn geschiedenis van Corsica, zijn studiën over de Sorbonne, over
de bul Unigenitas, zijn Memorie over het opstellen van kanonnen tot het
verkrijgen van worpvuur, zijn kort begrip der geschiedenis van Engeland,
zijn uittreksels uit Herodotus, Buffon, Plato en anderen, zijn aanteekeningen
op Neckers economische en wetgevende theorieën en over Rousseau’s
leerstellingen zijn bewijzen te over voor zijn leer- en werklust. Geen
meteoor, geen plotseling te voorschijn getreden wondermensch is hij
geweest, geen man, wien de mantel van het genie was om de schouders
geworpen zonder meer. Van ’t geen hij later als krijgs- en als staatsman, als
administrateur en als bewindvoerder, in één woord op elk gebied heeft
gewrocht, heeft hij zelf in die eerste jaren als officier den grondslag gelegd;
zijn aangeboren schranderheid, zijn genie hielpen hem verder.

Page 34

Te Auxonne trok hij weldra de aandacht van generaal du Teil, directeur der
artillerieschool en hieraan had hij te danken, dat hij, hoewel piepjong officier
door dezen werd aangenomen als lid eener commissie van proefneming, een
onderscheiding, die hem zoo verheugde, dat hij zijn oom Fesch, een
halfbroeder van zijn moeder, hierover een brief schreef (Augustus 1788),
maar hetgeen de jaloezie zijner kapiteins tegelijkertijd niet weinig opwekte.

Intusschen leefde hij zoo armoedig en voedde hij zich zoo slecht, dat de
regimentsdokter zich over hem ongerust begon te maken. Om zijn moeder te
doen gelooven, dat hij volmaakt gezond was, schreef hij deze intusschen:
“Werken en nogmaals werken is al wat ik hier tot ontspanning kan doen.
Slechts eenmaal in de acht dagen kleed ik mij om uit te gaan. ’t Is
ongeloofelijk zoo weinig ik sinds mijn ziekte slaap. Om tien uur naar kooi,
ben ik om vier weder op. Eens per dag eet ik, om drie uur. Hierbij bevind ik
mij zeer wel.”

Zijn gezondheidstoestand en zijn brandend verlangen naar huis deden hem in
1789 opnieuw zes maanden verlof vragen; de slechte verbindingswegen, de
groote afstanden en de zeereis in aanmerking genomen, was een zoo lang
verlof in die dagen niets vreemds. In September te Ajaccio gekomen, vond
hij al zijn broertjes en zusjes, Elisa, die zich nog te St. Cyr bevond,
uitgezonderd, bijeen en de bevolking in gisting door al hetgeen inmiddels te
Parijs was gebeurd en door de gedachte, dat een omwenteling, in naam der
vrijheid ondernomen, ook haar van de vreemde overheersching zou
bevrijden.

Van jongsaf volbloed-republikein, door ’t geen hij aan de School te Parijs
had verduurd nog in die begrippen versterkt, trouw aanhanger der stellingen
van Rousseau, wierp hij zich te Ajaccio terstond midden in den strijd, sprak
luid en levendig in de revolutionnaire clubs, en wist te bewerken, dat er alom
nationale gardes werden opgeroepen en dat de witte cocarde werd vervangen
door de driekleurige. Dit succes eenmaal verkregen, miste hij echter het
noodige kapitaal om stemmen te werven en zijn invloed te bevestigen; de
afgunst kwam in ’t spel. Men werd bevreesd, dat hij en zijn bloedverwanten
de families, die op het kussen zaten, zouden verdringen. Zijn vroegere
relaties met de Marbeuf en zijn jarenlang verblijf in Frankrijk werden hem

Page 35

thans tot een verwijt gemaakt; de Bonapartes heetten geen echte Corsicanen,
geen patriotten meer en van al de materieele voordeelen, welke de nieuwe
toestanden meebrachten, kwam het leeuwenaandeel aan de vrienden van
Paoli. Zoo kreeg Jozef slechts een ondergeschikt baantje van 900 francs bij
het directoire van het district Ajaccio en werd oom Fesch slechts groot-
vicaris; Lucien en hij zelf kregen niets.

Toch gaf hij de hoop niet op zijn familie vooruit te helpen. Na een
ballingschap van twintig jaar teruggekeerd, was Paoli overal met geestdrift
ontvangen en letterlijk oppermachtig geworden. Napoleon zond hem zijn te
Valence geschreven “Geschiedenis van Corsica” waarvan Mirabeau o. a. had
gezegd, dat die kleine historie een genie van den eersten rang scheen aan te
kondigen en tevens zijn “Open brief aan Matteo Buttafuoca” een gloeiend
smaadschrift op dezen adellijken landgenoot “die Paoli kort te voren in de
Nationale Vergadering had gebrandmerkt als een man, die aristocraat,
democraat, noch royalist, in staatszaken slecht was te vertrouwen en in alles
arglistig te werk ging.”

Zijn verloftijd was inmiddels half October verstreken, doch hierom
bekreunde hij zich niet, want de aanbevelingsbrieven, welke hij van het
districtsbestuur van Ajaccio had weten te verkrijgen en o. a. inhielden, dat
hij tot tweemaal getracht had naar Frankrijk terug te gaan, doch dat
tegenwind dit telkens had belet, waren zoo vleiend, dat zijn kolonel bij zijn
terugkeer (Januari 1791) hiermede volkomen tevreden was en hem aan den
minister zelfs voordroeg voor de uitbetaling van zijn traktement tot den dag
van terugkomst.

In Auxonne was hij thans niet meer alleen, want Louis, toen even dertien
jaar, had hij meegebracht. “Dan had zijn moeder een zorg minder,” had hij
gezegd en hij zou hem wiskunde en latijn leeren en later ook een
artillerieofficier van hem trachten te maken.2

Een hokje van een kamertje met een slecht bed zonder gordijnen, een tafel,
een koffer, een kast en twee stoelen vormden in de kazerne te Auxonne het
verblijf van den toekomstigen Keizer, daarnaast in een nog schameler
gemeubeld vertrekje sliep de latere koning van Holland. Zelf kookte
Napoleon zijn potje, droog brood was zijn ontbijt, maar hij had geen centime

Page 36

schuld; zelf overhoorde hij Louis zijn vragen voor de Heilige Communie;
trouw vergezelde hij hem naar de mis. Overigens vertoonde hij zich slechts
zelden in het openbaar. Zijn dienst, Louis’ lessen en zijn eigen studiën
namen te veel tijd in beslag om veel uit te gaan, maar wanneer hij zich een
enkele maal ten huize van kapitein de Gassendi of van de familie Chabert
vertoonde, kon hij zeker zijn van een hartelijke ontvangst, waartoe zijn
gedrag tegenover Louis in niet geringe mate bijdroeg. Wie zijn brieven uit
dien tijd over zijn broertje leest wordt getroffen door hun liefderijken, bijna
vaderlijken toon; hij prijst hem over zijn ijver, zijn werklust, zijn goede
vormen in gezelschap, waarin hij zich zoo gemakkelijk beweegt, hetgeen
juist Napoleon zelf niet bezat, ja, hij voorspelt wonderen van hem en schreef
aan Jozef. “Hij zal de beste worden van ons vieren.”

In diezelfde dagen stelde hij zijn Dialogue sur l’amour op schrift met den
voor een jong officier vrij zonderlingen uitval, dat de liefde meer kwaad doet
dan goed en schadelijk is voor de gemeenschap en het persoonlijk belang der
menschen; zelf zal hij daar later wel eens anders over denken dan als
luitenant van de artillerie.

Een kleine verbetering in zijn omstandigheden kwam door zijn benoeming
tot eerste-luitenant (Mei 1791); tevens werd hij naar Valence teruggeplaatst.
Hier betrok hij terstond zijn vroeger kwartier bij juffrouw Bou weder; hij
werd een ijverig bezoeker van de club der vrienden van de Constitutie en
zette zich aan de beantwoording eener prijsvraag, uitgeschreven door de
Academie te Lyon en tot onderwerp hebbende: “Het bepalen der waarheden
en gevoelens, den mensch in te prenten, ter bevordering van zijn eigen
geluk.”

Zijn arbeid werd niet bekroond; een der beoordeelaars noemde dien een in
krasse bewoordingen uitgedrukt droombeeld; een ander vond het geheel te
slecht gesteld en geschreven, om de aandacht te verdienen. Toch bevatte het
geschrift een reeks oorspronkelijke denkbeelden en verheven gevoelens, en
teekende het den vurigen aanhanger der republikeinsche beginselen.

Door bemiddeling van generaal du Teil, die zijn beschermer was gebleven in
weerwil van Napoleons sterk geavanceerde begrippen, kreeg hij in October
1791 weder eenige maanden verlof. De verkiezingen waren op handen en hij

Page 37

wilde zijn broeder Jozef met alle macht ter zijde staan om een goed
bezoldigde staatsbetrekking—het doelwit van elken rechtgeaarden Corsicaan
—te veroveren. Door den dood van oom Lucien, 16 October, was het kleine
kapitaal, dat de man door jarenlange spaarzaamheid had bijeengeschraapt,
aan de kinderen gekomen; er was dus geld om stemmen te koopen en helpers
te werven; in de woning van moeder Laetitia stroomde de wijn, de gansche
familie der Bonapartes kwam in ’t geweer en door een daad van geweld, die
in een goed geordenden staat als volkomen onwettig zou zijn beschouwd,
doch die op Corsica gold voor een wonder van handigheid en durf, wist
Bonaparte zich te doen verkiezen tot luitenant-kolonel van een der nieuw
opgerichte bataljons vrijwillige nationale garde, op een tractement
gelijkstaande aan dat van kapitein bij zijn wapen, honderd twee en zestig
francs in de maand.

Wat een overwinning op de tegenpartij, die Pozzo di Borgo gekozen had
willen zien, wat een blijdschap in de woning der weduwe! Dat Bonaparte die
betrekking aanvaardde, was geheel in overeenstemming met den inhoud
eener wet, waarbij de officieren van het staande leger hiertoe werden
gemachtigd.

Nu begon Paoli weder met de Bonapartes te rekenen. Wel had hij over
Napoleons open brief aan Matteo Buttofuoco zijn afkeuring te kennen
gegeven en hem bronnen geweigerd voor zijn geschiedenis van Corsica,
maar in dien toestand was verandering gekomen, want Paoli begreep voor
zijn plannen de Bonapartes noodig te hebben. Na jarenlang verblijf in
Engeland met zijn parlementaire staatsinrichting had Paoli een afkeer
gekregen van de in Frankrijk heerschende toestanden en, hoewel hij zijn
plannen nog verborgen hield, streefde hij naar Corsica’s onafhankelijkheid,
hetgeen Napoleon reeds had begrepen.

Onder deze omstandigheden was het verklaarbaar, dat Napoleon niet veel
lust had naar zijn standplaats terug te keeren, toen zijn verlof ten einde liep
en onder voorwendsel van zijn benoeming tot luitenant-kolonel, bleef hij te
Ajaccio. Toch begreep Napoleon, die wel wist, dat zijn onmiddellijke chef,
zijn kolonel, hem volstrekt niet genegen was, dat hij gevaarlijk spel speelde
en daarom zond hij een langen brief aan zijn vriend, den Commissaris van

Page 38

Oorlog te Valence en zette hem den stand van zaken uiteen. “Heiliger en
dierbaarder plichten dan die van den dienst strekken tot mijn rechtvaardiging
en maken, dat ik geen zelfverwijt gevoel,” schreef hij o. a. en later nog
weder: “Onder zulke bedenkelijke omstandigheden behoort een goed
Corsicaan zich op zijn eerepost, dus in zijn land te bevinden.”

Men leefde onder abnormale omstandigheden. De regeering te Parijs zag dat
stoutmoedig optreden van den Corsicaanschen artillerieofficier, die zijn
opleiding geheel aan Frankrijk had te danken, Fransch sprak en op zijn
eiland voor haar dus van groot nut kon wezen, waarschijnlijk niet ongaarne,
doch zijn kolonel dacht er anders over en deed hem schrappen van de lijst
der actief dienende officieren; Napoleon had zijn betrekking verloren.

Bovendien was in April te Ajaccio een oproer uitgebroken, waarbij niet
alleen bloed had gevloeid, doch waarbij Napoleon een zeer vreemdsoortige
rol had vervuld en dit verergerde zijn toestand nog; hij werd daarom naar
Parijs geroepen om zich te verantwoorden.

Inmiddels was hij tot kapitein benoemd en in dien rang bleef hij
gehandhaafd, terwijl het hem niet zooveel moeite kostte zijn houding bij het
oproer te rechtvaardigen; ook voor het eigendunkelijk wegblijven van zijn
regiment werd een oog dichtgeknepen. Al was hij in zijn rang gehandhaafd
toch gelukte het hem niet in de eerstvolgende maanden een plaats bij de
artillerie te herkrijgen en zien we hem van Mei tot September 1792 doelloos
en arm te Parijs. Wel woonde hier de familie Permon nog; wel vond hij zijn
vriend de Bourrienne, die intusschen gehuwd was, terug, maar zijn trots en
zijn neiging tot alleen zijn, beletten hem veel gebruik te maken van de
gastvrijheid, welke beiden hem aanboden. Eenige malen ging hij Elisa
bezoeken te St. Cyr; voorts leefde hij veel op straat, vervuld met de vraag
wat hij, op Corsica teruggekeerd, doen zou, een aanhanger worden van Paoli
en dan met de Engelschen heulen, of Frankrijk getrouw blijven. Dat
ijdelheid, eerzucht en gouddorst bij de meeste menschen ook te Parijs de
drijfveeren hunner daden waren, was hem niet lang verborgen gebleven;
doch te Parijs was het strijdperk ruimer; de kans van slagen dus grooter.
Bovendien bezat Frankrijk een leger, hier zou hij dus echte soldaten te

Page 39

commandeeren krijgen, terwijl op Corsica hoogstens eenige vrijwilligers
onder zijne bevelen zouden staan.

In de Juni- en Augustusdagen van 1792 woonde hij te Parijs tooneelen bij,
die hij nimmer zou vergeten en hem een grooten afschuw van de anarchie
deden krijgen; op de journée van den 20 Juni volgde hij de menigte en
verbaasde zich er over, dat men het volk de Tuilerieën had laten binnengaan;
hoe gaarne zou hij toen artillerie tot zijne beschikking hebben gehad. Op
gevaar af van zelf te worden gevangen genomen sprong hij den 8en Augustus
bij den heer Permon zelfs ridderlijk in de bres, toen een troep kerels, onder
leiding van een lid van het comité der sectie, waarin de woning van dezen
heer lag, zonder lastgeving een huiszoeking wilden doen.

Hoe hij over den toestand dacht, toonde hij in een brief aan Jozef. “Een ieder
zoekt zijn voordeel; laaghartiger dan ooit wordt er geïntrigeerd en lasteren is
een der middelen om op het kussen te komen. Die hier aan ’t hoofd staan
zijn povere kerels; wie dat gedoe van nabij bekijkt, moet bekennen, dat de
volkeren slechts half de moeite waard zijn, om hun gunst te verwerven. De
geschiedenis van Ajaccio ken je; die van Parijs is precies dezelfde; alleen
zijn de menschen hier misschien nog kleinzieliger en boosaardiger en zijn ze
nog grootere bedillers en vitters dan daar..”

Voorts schreef hij aan Lucien, die ook in de politiek was getreden en op zijn
zeventiende jaar reeds in de volksvergadering te Ajaccio stond te wauwelen
en een proclamatie tot de Corsicanen had gericht, “dat zijn stuk een prul was
met woorden te veel en ideeën te weinig en dat men met hoogdravenden
bombast bij het volk niet moest aankomen.”

Maar nadat hij den 10en Augustus heeft bijgewoond, die bergen lijken in de
straten, die stapels doode Zwitsers voor de Tuilerieën heeft gezien, als
trouwe soldaten gevallen bij de verdediging van het paleis van hun Koning;
nadat hij tot de ontdekking is gekomen hoe geweldig de dierlijkste
hartstochten bij het volk der hoofdstad zijn ontketend, bevangt hem bange
bezorgdheid voor het leven zijner familie, want ook op Corsica is het oproer.

Een paar dagen later komt het decreet, dat de school te St Cyr wordt
gesloten, dat de leerlingen zijn ontslagen en onder het genot van reiskosten

Page 40

—20 sou per uur—naar haar woonplaats kunnen terugkeeren. Geen
bruidschat dus van drieduizend francs, geen uitzet heeft Elisa meer te
wachten en zij is al vijftien jaar.

In de eerste dagen van September grijpen te Parijs moordtooneelen plaats,
die in afschuwelijkheid al het tot nu toe gebeurde overtreffen; en nog altoos
heeft Napoleon zijn aanstelling niet en laat het departement van oorlog
bedolven onder stapels gewichtiger werk, hem wachten. Waar moet hij met
het meisje heen! Bij zich houden kan hij haar niet.

Eindelijk wordt het lang verwachte brevet hem uitgereikt; nu vraagt hij
verlof zijn zuster naar Ajaccio terug te geleiden. Dit wordt hem toegestaan;
ook ontvangt hij de machtiging het bevel over zijn bataljon nationale
vrijwilligers weder op zich te nemen.

’t Werd een reis met hindernissen; van Lyon moest ze per schip, de Rhône af,
worden voortgezet. Te Marseille was geen scheepsgelegenheid en wachten
dus de boodschap; maar eindelijk (October) werd Ajaccio toch bereikt, en
voor de eerste maal in dertien jaar zag Laetitia al haar kinderen bijeen. Wel
heerschte er vreugde, doch de toekomst was donker. Jozef was niet verkozen
tot afgevaardigde naar Parijs. Liever lui dan moe, prat op zijn rechten als
hoofd der familie, aangenaam geprikkeld als de broertjes hem “graaf”
noemden, daarbij tamelijk onwetend, was hij blijkbaar niet in den smaak der
kiezers gevallen.

Wederom had Napoleon over Paoli’s ontvangst niet te klagen, doch hij zelf
was koel en geretireerd; reeds had hij een keuze gedaan. In hem zou de oude
demagoog geen partijgenoot vinden. In dit besluit werd hij nog versterkt na
terugkomst van een expeditie naar het eiland Sardinië, welks vorst, de
Koning van Savoije, met de Fransche Republiek in oorlog was (28 Februari
1793).

Overtuigender dan ooit was hem op dezen totaal mislukten tocht, waarbij hij
de artillerie gecommandeerd had, gebleken, dat Paoli heulde met de
Engelschen en verraad pleegde.

Page 41

Toch had deze bijna ongelooflijke toestand, waaraan Frankrijk alleen door
het zenden eener troepenmacht een einde had kunnen maken, nog lang
kunnen voortduren, wanneer Lucien door een dollen zet de bom niet had
doen barsten.

Vol eigenwaan, oordeelende over menschen en zaken, alsof hij een ervaren
man was, het hoofd vol stopwoorden en holle phrasen, die hij met veel
aplomb debiteerde en die zijn onwetende omgeving en vooral zijn
vrouwelijke familieleden in hem een ster van de eerste grootte, een genie,
deden zien, had deze mislukte leerling van Brienne en van het gymnasium te
Aix op zijn vijftiende jaar de studie er aan gegeven, omdat er voor hem geen
beurs meer beschikbaar was.

Hij was toen thuisgekomen en begonnen met het volkladden van stapels
papier en de politiek was alles voor hem, waarin hij dan ook spoedig een
heel heer meende te wezen. Bij Paoli was het hem mislukt diens secretaris te
worden, maar omdat hij vloeiend Italiaansch en Fransch sprak, goed zijn
woordje kon doen en een gunstigen indruk maakte, was hij door den
Franschen gezant de Sémonville bij diens komst te Ajaccio als tolk gekozen
en met dezen was hij later naar Toulon gereisd.

Nauwelijks hier, was hij naar zijn politieke club geloopen en had daar een
krachtige speech afgestoken tegen Paoli, hem beticht van landverraad en
tevens een adres opgesteld aan de Nationale Conventie. Deze ontving dat
juist in de dagen, toen het verraad van Dumouriez ook bekend werd. (April)

“Ik heb onze vijanden een beslissenden stoot toegebracht. Daarop hadt jelui
niet gerekend” schreef hij aan zijn broers. Maar op hetgeen thans volgde had
hij zeker niet gerekend.

Page 42

De eed in de Kaatsbaan. 20 Juni 1789.

Opgeroepen voor de rechtbank te verschijnen op last der Nationale
Conventie, wierp Paoli het masker af, beval de inhechtenisneming der
gansche familie Bonaparte en legde beslag op haar eigendommen. Terwijl
Lucien kalmpjes te Toulon zat, zag zijn moeder haar huis dus plunderen en
in vlammen opgaan, konden Jozef en Napoleon ternauwernood het leven er
afbrengen en achtten zich allen gelukkig, toen ze na dagen lang omzwerven
onder de hoede van eenige hun trouw gebleven herders en bergbewoners aan
boord konden komen van een Fransch schip, dat voor de bezetting van Calvi
te Toulon munitie zou gaan halen.

Geld, papieren, brieven, eigendomsbewijzen, alles was met één slag
verloren. Laetitia was straatarm geworden en ’t was wel zeer hard voor haar
na vier en twintig jaar in vrede geleefd te hebben nu alles verstrooid en
verwoest te weten, maar als echte Corsicaansche toonde ze haar rouw aan de

Page 43

buitenwereld niet, bleef kalm en bedaard en schonk haar achttienjarigen
zoon, die haar dit alles berokkend had, volkomen vergiffenis.

Eerst te Toulon, later als het ook hier niet meer veilig is, in een aangrenzend
gehucht, zocht ze een onderdak en leefde in de eerstvolgende drie maanden
met haar kroost uitsluitend van rations levensmiddelen, die haar als
vluchtelinge door de Nationale Conventie werden verstrekt en van hetgeen
Napoleon, die terstond naar Nizza was vertrokken, van zijn traktement als
kapitein der artillerie kon missen. Meer dan de helft stond de zoon haar af.

Napoleon was het meegeloopen, want door generaal du Teil, die te Nizza
commandeerde, was hij terstond belast geworden met de bewapening der
kustbatterijen aldaar, later met het transport van munitie daarheen. Zijn
achterstallig tractement, ongeveer drie duizend francs, zou hem worden
uitbetaald, terwijl hij door een vriend te Ajaccio weder in het bezit kwam
van eenig nog te vorderen geld en van een deel van zijn goed.

Bij dit alles was hij een heftig republikein gebleven, hetgeen o.a. bleek uit
zijn Souper de Beaucaire, een later voor rijks rekening in druk verschenen
vlugschrift, waarin hij o.a. de onmacht van den federalistischen opstand
aantoont en de Marseillanen aanraadt weder één te worden met de
Conventie.

Ook Jozef had intusschen niet stilgezeten; terstond was hij naar Parijs
vertrokken en had hier van de Conventie gedaan gekregen, dat een bedrag
van 600.000 francs ter beschikking werd gesteld van de uitgeweken
Corsicaansche families. Door den afgevaardigde Saliceti, uit Bastia
afkomstig en een vriend van den huize, waarschijnlijk hierin gesteund, had
hij tevens kunnen zorgen, dat het aandeel der Bonapartes hierin niet het
kleinste was.

1 Keizer geworden heeft hij de handen toch niet geheel van hem afgetrokken; hij gaf hem te
Hamburg een goed bezoldigde betrekking. In zijn gedenkschriften heeft Bourrienne zijn vriend
en weldoener echter niet gespaard.

2 Wij gelooven niet, dat er in deze dagen veel luitenants van een-en-twintig jaar bereid zouden zijn
bij een inkomen van drie francs en vijf centimes per dag nog een broertje voor hun rekening te

Page 44

nemen.

Page 45

Hoofdstuk II.

Page 46

Een blik op de Fransche omwenteling.

Reeds een paar maal spraken we van opstanden te Parijs,
waarbij de Tuilerieën door het volk werden bestormd;
mogelijk bewijzen wij den lezers een dienst met in ’t
kort na te gaan, wat er in de jaren 1789–1795 in
Frankrijk voorviel.

De oorzaken van de Fransche Omwenteling voeren ons terug naar den tijd
van Lodewijk XIV (1643–1715), onder wien Frankrijk tot een der
machtigste staten van Europa werd gemaakt. Getrouw aan zijn eenmaal
gesproken woorden “l’Etat, c’est moi”1 regeerde hij volkomen absoluut en
had den adel, die in den Frondeoorlog reeds veel geleden had, tot uitsluitend
hofadel teruggebracht. Colbert zorgde voor de uitbreiding van de
handelsvloot, een krachtige oorlogsmarine en het stichten van groote havens
als Duinkerken, Brest, Toulon enz.; Louvois, zijn minister van oorlog, wist
het leger tot een groote kracht te maken, waarmede ongeveer een kwart
eeuw de strijd werd aangebonden met de staten van Europa.

Wel waren uitbreiding van het land naar ’t Noorden en Oosten, het stichten
van koloniën in de verschillende werelddeelen hiervan o.a. het gevolg, maar
die voordeelen werden gekocht voor groote opofferingen, welke het land
uitputten, terwijl de wreede vervolgingen der protestanten Frankrijk nog
beroofden van 400.000 harer beste onderdanen, meenemende een schat op
het gebied van kapitaal en industrie, hetgeen aan Pruisen, Nederland en
Engeland, waar de emigranten zich vestigden, ten goede kwam. De
zonnekoning deed Europa verbaasd staan door zijn overwinningen in de
oorlogen, door de luxe aan zijn hof, door de prachtige werken, die in ’t land
werden aangelegd, maar Frankrijk droeg er de lasten van en Lodewijk XV
aanvaardde de regeering met een schuld van bijna een milliard. En deze
vorst?

Page 47

Toen hij nog jong was, opende zijn gouverneur eens de vensters van het
paleis en zei, het kind op de menigte wijzende, die zich voor het paleis had
verzameld: “Al dat volk is voor U.” Opgevoed in een omgeving, waar men
doordrongen was van het beginsel, eens door zijn voorganger uitgesproken,
kon men wèl hopen, niet veel verwachten.

De toestand werd er niet beter op; de financieele operaties van John Law
vernietigden het crediet van den staat en ruïneerden tal van kleine renteniers;
de zevenjarige oorlog kostte Frankrijk behalve veel menschenlevens en geld,
nog haar beste koloniën in Amerika en Azië; de zedeloosheid van het hof
werd het schandaal van dien tijd en het volk, dat den vorst eens den naam
van “Louis le Bien aimé” had gegeven, werd met haat en afkeer vervuld van
den koning, die niet minder tiranniek als zijn voorganger regeerde.

Groot was de blijdschap, toen zijn dood in Frankrijk bekend werd en de
teugels van het bewind in handen kwamen van zijn kleinzoon Lodewijk XVI
(1774–1792), van wien men in het begin nog al goede verwachtingen had.

Zou hij veranderingen aanbrengen? Wat viel er niet te verbeteren! De macht
van den vorst was onbeperkt, uitvoerende en wetgevende macht berustten bij
den koning; het volk had geen invloed op de regeering, kende evenmin
staatkundige rechten; de rechterlijke macht was niet onafhankelijk en
meermalen werd in de rechtspraak door den vorst ingegrepen, terwijl de
beruchte “lettres de cachet” zonder eenigen vorm van proces iemand in de
gevangenis brachten; ze werden wel in blanco verstrekt, zoodat men ze dan
zelf kon invullen! De belastingen waren drukkend, ongelijk verdeeld en
werden geïnd door middel van een pachtstelsel; soms moesten ze twee keer
in een jaar worden opgebracht, terwijl het grootste gedeelte van de opbrengst
niet in de schatkist vloeide, maar door hof en adel werd opgemaakt.

Het volk was verdeeld in standen met verschillende rechten en plichten;
allereerst kwamen adel en geestelijkheid, die, hoewel zij minstens twee
derden van het land bezaten, niet alleen geen belastingen opbrachten, maar
nog tal van privileges bezaten en tevens heerlijke rechtspraak uitoefenden;
zij waren eigenaars van de molens, de ovens en de wijnpers; ze mochten
tollen, marktrechten, belastingen in natura en corveeën eischen. Kortom zij
genoten wel al de voordeelen, maar het dragen van de lasten der

Page 48

maatschappij kenden ze niet. Kenmerkten ze zich door uiterlijke vormen en
beschaving, ook door zedelijk bederf; weelde, genotzucht en eerzucht waren
hun hoofdeigenschappen en aan hun roeping, voorgangers en leiders van het
volk te zijn, voldeden ze niet meer. Alleen de lage geestelijkheid maakte
hierop een uitzondering, maar deze was te arm en te weinig ontwikkeld om
grooten invloed uit te oefenen. Behalve deze bevoorrechten had men nog
den 3en stand, waartoe zoowel ambtenaren, groothandelaren en industrieelen,
als handwerkers, vrije boeren en loonarbeiders behoorden. Wel kon men
onder deze 25 millioen twee elementen onderscheiden, n.l. de bourgeoisie en
het lagere volk, maar zij waren bij het begin der omwenteling onverdeeld,
gingen samen strijden tegen de privileges en misbruiken van hof, adel en
geestelijkheid, bewust als zij zich waren van hun gemeenschappelijken
vijand.

De toestand onder het ancien régime was wel ellendig en werd vooral aan
het licht gebracht door den invloed van groote denkers en schrijvers als
Voltaire, Rousseau, Montesquieu en de Encyclopedisten Diderot en
d’Alembert, mannen, meest allen overleden, voordat de omwenteling begon,
maar die in hun geschriften de bestaande toestanden aanvielen en middelen
gaven ter verbetering.

Het was zoo waar, wat Lord Chesterfield reeds in 1754 zei:

“Kortom alle verschijnselen, die ik ooit in de geschiedenis als voorboden
van groote staatsveranderingen en omwentelingen aangetroffen heb, worden
thans in Frankrijk gevonden en nemen nog dagelijks toe.”

Was Lodewijk XVI nu een verlichte, krachtige figuur geweest, die den
toestand juist inzag, zich wist te omringen door kundige, doortastende
raadslieden, die de nooden des volks begrepen, hierin verbetering wilden
brengen en hierbij door hem werden gerugsteund, dan was de omwenteling
waarschijnlijk niet door stroomen bloeds onteerd. Aan deze voorwaarden
voldeed de koning echter niet.

Goedhartig en zwak, wel vervuld met de gedachte aan zijn verplichtingen,
doch onbeduidend en wankelmoedig, zullen we hem nooit flink zien
doortasten, wanneer dit noodig is. Hij, die wel een steuntje noodig had, werd

Page 49

ook niet door zijn omgeving geholpen. Zijn vrouw Marie Antoinette, een
dochter van Maria Theresia, als Oostenrijksche reeds weinig bemind, was
veel te onnadenkend en te hooghartig om hem in zijn moeilijke taak bij te
staan; zijn jongste broer de Graaf van Artois, een levenslustig edelman,
vormde steeds het hoofd der oppositie tegen alle hervormingen en ook de
Graaf van Provence, hoewel veel gematigder van karakter, werkte den
koninklijken broeder tegen.

Lodewijk XVI begon met de ministers van zijn voorganger te ontslaan,
benoemde wel tot controleur-generaal van de financiën Turgot, een
rechtschapen, eerlijk man, die zich reeds tevoren door zijn geschriften had
bekend gemaakt, doch droeg de leiding der buitenlandsche zaken op aan
Maurepas, “de Papegaai van het Regentschap,” een volbloed hoveling, uit
welke benoeming al dadelijk de besluiteloosheid van den koning bleek.

Een reeks van hervormingen volgde spoedig op elkaar, maar hoe kon Turgot
heerendiensten afschaffen, tolrechten opheffen enz., wanneer niet de
bevoorrechte standen inzagen, dat zij ten bate van het algemeen van vele
hunner privileges afstand moesten doen. Zij dachten er niet over en ofschoon
de koning eens had gezegd:

“Er zijn maar twee menschen, die het goed meenen met Frankrijk, dat zijn
Turgot en ik,” kreeg deze in 1776 zijn ontslag en werd vervangen door
Necker, een bankier uit Genève. Deze had met dezelfde bezwaren als zijn
voorganger te kampen, maar het gelukte hem eenige millioenen te leenen,
die in den Noord-Amerikaanschen Vrijheidsoorlog verdwenen, en toen hij in
zijn Compte Rendu au Roi den slechten financieelen toestand van Frankrijk
openbaar maakte, was het met zijn rijk uit en viel ook hij door het verzet der
hoogere standen. Inmiddels duurde de oorlog in Amerika voort en zagen vele

Page 50

Franschen als Lafayette e.a., hoe de nieuwe ideeën daar hun toepassing
vonden bij de stichting van de Republiek der Vereenigde Staten, doch
Frankrijks regeering trok er geen les uit.

Calonne, die Necker was opgevolgd, wist nog honderd millioen te leenen,
waarvan nauwelijks een vierde in de schatkist terecht kwam. “Wanneer ik
iedereen de hand zie ophouden om wat te krijgen, houd ik mijn hoed bij,” zei
de Graaf van Provence; in zijn hoed kwamen vijf en twintig, in dien van den
Graaf van Artois zes en vijftig millioen!

Een vergadering der notabelen, in ’t begin van 1787 bijeengeroepen om over
den toestand te beraadslagen, bracht geen verbetering. Samengesteld uit de
bevoorrechte klassen, was zij tot het brengen van offers aan de schatkist niet
te vinden. Zelfs vergrootte zij het gevaar, want door haar werd thans
wereldkundig, dat de staatsschuld meer dan anderhalf milliard bedroeg en
dat er op de begrooting een jaarlijksch tekort was van honderdveertig
millioen.

Het eenige middel om Frankrijk voor een staatsbankroet te vrijwaren scheen
nu te zijn de bijeenroeping der Etats-Généraux, waarop reeds meermalen
was aangedrongen. De koning had den adel verzocht te bezuinigen, de
parlementen belastingen in te schrijven, de kapitalisten leeningen te sluiten;
ten slotte had hij zich tot de notabelen gewend, om een deel der staatslasten
te dragen; allen hadden geweigerd. Nu was hij wel gedwongen zich tot
geheel Frankrijk te richten en riep daarom de Etats-Généraux tegen den 5en
Mei te Versailles bijeen, terwijl de koning na lang aarzelen, op voorstel van
Necker, die inmiddels was teruggeroepen, had bepaald, dat de derde stand
evenveel leden zou afvaardigen als de adel en de geestelijkheid te zamen.

Uit de vaststelling van dit aantal moest nu ook, wilde de verdubbeling van
den 3en stand eenige waarde hebben, de stemming per hoofd volgen, maar
deze quaestie was echter nog niet door Necker opgelost. Het gevaarlijke van
deze besluiteloosheid zag men pas later in.

Door deze regeling stond de omwenteling voor de deur.

Page 51

De verkiezingen, waarop van regeeringswege geen invloed werd
uitgeoefend, hadden plaats ongeveer op de wijze, zooals dat in 1614 was
geschied; directe keuze van adel en geestelijkheid, trapsgewijze voor den 3en
stand.

De afgevaardigden kregen lastbrieven, z.g. cahiers mee, waarin de wenschen
der kiezers waren uitgedrukt; in die van den 3en stand vroeg men stemming
per hoofd, waarborgen voor beter financieel beheer, opheffing of verplichte
afkoop der feodale rechten, gelijkheid op ’t gebied der belastingen,
afschaffing van de pijnbank en de doodstraf; in enkele van hun cahiers
eischte men de erkenning, dat de 3e stand het volk, de natie is, een idee
uitgedrukt in de bekende brochure van Siéyès. “Wat is de 3e stand? Niets.
Wat moet hij zijn? Alles.”

Opmerkelijk, alle cahiers erkenden, dat de koninklijke macht, erfelijk in
mannelijke lijn, moest worden behouden. De 3e stand was dus in 1789
volkomen royalistisch.

De cahiers van adel en geestelijkheid droegen sporen van verdeeldheid; wel
waren er, die ook belasting voor de hoogere standen inhielden, maar
stemming per stand, niet hoofdelijk stond op hun programma. De groote dag
brak aan. Een ontzettende menigte stroomde den 5en Mei naar Versailles, om
van het schouwspel getuige te zijn; alle tribunes in de vergaderzaal waren
stampvol. Daar traden ze binnen, de afgevaardigden, samen bijna 1200 in
getal. Reeds deed het verschil in costuum tusschen de drie standen pijnlijk
aan; de geestelijkheid in plechtgewaad, de adel in ’t zwart met goudlaken
vest en mouwopslagen en witte pluimen op den hoed; de derde stand
eenvoudig in ’t zwart zonder eenig versiersel. De koning had dit bevolen.
Gevolgd door het geheele hof en bij zijn komst geestdriftig toegejuicht,
opende de koning de vergadering met eenige nietszeggende woorden, hield
evenals Necker een redevoering, waarin over groote hervormingen niet werd
gesproken, de stemming per stand of per hoofd wel werd aangeroerd, doch
niet opgelost; tegen “gevaarlijke nieuwigheden” moest worden gewaakt;
alleen bleek, dat de Etats-Généraux vooral waren opgeroepen om in den
bestaanden geldnood te voorzien.

Page 52

Welk een teleurstelling! Waren ze daarvoor naar Versailles gekomen? Of zou
Mirabeau’s woord: “Het tekort is de schat der natie” in vervulling gaan en
de geldnood benuttigd worden om een Constitutie te krijgen?

Reeds den volgenden morgen begon de strijd over het onderzoek der
geloofsbrieven. De derde stand verlangde, dat dit zou plaats hebben in de
volle vergadering, dus samen met adel en geestelijkheid. Deze, in een
afzonderlijk lokaal vergaderd, verzette zich hiertegen. Pogingen om tot een
vergelijk te komen mislukten; intusschen wachtte de derde stand, op
aanraden van Mirabeau, geduldig maar vastberaden en dicht aaneengesloten
op een beslissing.

Vastbesloten zich te verklaren tot een vergadering, die het geheele volk
vertegenwoordigde, bezwoer de derde stand in de ochtendzitting van den
28en Mei de geestelijkheid, in naam van den God des vredes en van het
algemeen belang, mede te werken.

Het hof bevreesd geworden, dat de geestelijkheid aan dezen oproep zou
voldoen, deed weder onderhandelingen beginnen. Zoo verliepen eenige
weken. ’t Werd 10 Juni.

Op dezen datum begon de lawine der omwenteling haar val.

Begrijpende, dat de tijd tot handelen was gekomen, nam de derde stand toen
van den abt Siéyès, een zijner vertegenwoordigers, een motie aan, die aan de
zaak een einde maakte. Adel en geestelijkheid werden n.l. uitgenoodigd in de
zittingzaal te verschijnen, om tegenwoordig te zijn bij het onderzoek der
geloofsbrieven, “welk onderzoek in elk geval, mèt of zònder hun bijzijn,
thans zou plaats hebben.”

Dit stoute optreden werd den 17en Juni weder op voorstel van Siéyès, door
een krachtiger besluit gevolgd. De derde stand constitueerde zich tot een
Nationale Vergadering; geen statenvergadering was er meer, voor het
gansche volk trad hij op.

Weg waren de drie standen, verdwenen uit het staatsbestuur! Zoolang het
onderzoek der geloofsbrieven niet had plaats gehad in den door hen

Page 53

verlangden vorm, erkende de derde stand de beide andere niet meer.

Het eerste besluit, dat de Vergadering nam, was een daad van souvereiniteit,
want ze stelde de ondeelbaarheid vast van het wetgevende lichaam en
maakte de twee bevoorrechte standen hiermede van haar afhankelijk.

Hoe het hof voorloopig in bedwang moest worden gehouden, was nu de
vraag. De Vergadering verklaarde de uitgeschreven belastingen daarom voor
onwettig, maar—beval die te blijven innen, zoolang zij zitting hield. Tevens
garandeerde zij de nationale schuld en stelde de kapitalisten daardoor gerust,
eindelijk voorzag ze in den nood der volksklasse door het benoemen van een
comité voor levensbehoeften.

Nam de bevolking vol geestdrift kennis van dit bedachtzame, doch krachtige
optreden, het hof en de hoogere standen voelden zich voor de keuze gesteld:
onderwerpen of toevlucht nemen tot geweld en ze raadden den koning tot dit
laatste; wat dacht men nu wel, een koning bij de gratie Gods de wet te
kunnen stellen?

Na lang beraad besloot de vorst nogmaals een koninklijke zitting te houden
en vreezende, dat de meeste geestelijken, in den tijd, noodig om de zalen in
orde te brengen, gemeene zaak zouden maken met den derden stand, liet de
koning de vergaderzaal zoolang sluiten.

Den 20en Juni vond de derde stand de deuren gesloten, de gewapende macht
ervoor!

Niet hier, dan ergens anders, was terstond het wachtwoord. Met den
president Bailly voorop, toegejuicht door het volk, zelfs begeleid door
enkele soldaten, toog de derde stand reeds versterkt door tal van
geestelijken, naar een nabijgelegen kaatsbaan. Hier zwoeren alle
afgevaardigden, het hart vol van de heiligheid hunner zending, met
opgeheven hand, “niet uiteen te gaan, voordat ze aan Frankrijk een
Grondwet hadden geschonken.”

Den volgenden morgen was ook de kaatsbaan gesloten; de prinsen hadden
die afgehuurd. Thans richtte de stoet zich naar de kerk van St. Louis. Voor

Page 54

het hof was de bom verkeerd gesprongen.

Den 23en was ’t weer koninklijke zitting. Troepen omringden de
vergaderzaal! De gepriviligeerde standen traden het eerst binnen, daarna de
derde stand, na een uur in den regen gestaan te hebben; de tribunes waren
onbezet, de toegang was verboden. De geestelijkheid zat links, de adel
rechts, de derde stand in het midden der zaal, alles als op 5 Mei, maar toch
welk een verschil! Thans was de derde stand zich bewust van zijn roeping,
de vertegenwoordiging te wezen van geheel de natie. Met allen luister van
het ancien régime komt de koning de vergaderzaal binnen; een doodsche
stilte ontvangt den vorst. Op hoogen toon uit hij zijn ontevredenheid over de
ontstane breuk; verklaart alle op 17 Juni genomen besluiten nietig, gelast
standsgewijze te vergaderen, dreigt met ontbinding en in geval van
tegenstand, met ernstige maatregelen, beveelt ten slotte de afgevaardigden
uiteen te gaan.

De koning vertrekt met zijn gevolg; adel en geestelijkheid volgen zijn
voorbeeld; de derde stand blijft zwijgend, roerloos zitten.

De groot-ceremoniemeester de Brézé, bemerkende, dat niet door alle leden
aan den last van zijn vorst werd voldaan, kwam terug en zei aan den
president: “Mijnheer gij hebt het bevel van den koning gehoord?”

Toen stond Mirabeau, de afstammeling van een der oudste adellijke
geslachten van Frankrijk, maar een volbloed aanhanger der volkspartij, op,
en zei aan de Brézé, dat hij geen plaats in deze vergadering had, noch recht
van spreken en verder: “Ga aan uw meester zeggen, dat wij hier zijn door
den wil van de natie en dat wij alleen van hier gaan door de kracht der
bajonetten.”

“Wij zijn heden, wat we gisteren waren, laten wij voortgaan met
beraadslagen,” liet Siéyès hierop volgen.

Kalm en vastberaden toog men aan den arbeid; alle genomen besluiten
bleven gehandhaafd, terwijl op voorstel van Mirabeau de onschendbaarheid
van de leden der Vergadering werd afgekondigd.

Page 55

En de koning? Toen de Brézé hem overbracht, wat Mirabeau had gezegd, gaf
hij ten antwoord: “Als ze niet willen heengaan, moeten ze er maar blijven.”
Den 23en Juni 1789 ging het koninklijke gezag in Frankrijk verloren.

Dit krasse verzet had de koning niet verwacht, hij gaf toe; Necker, eerst
ontslagen—aan de zitting had hij geen deel willen nemen—werd nogmaals
teruggeroepen en de bevoorrechte standen ontvingen het verzoek, thans het
verzet te staken en zich met den derden stand te vereenigen.

Zoo had alles nog terecht kunnen komen. Met voorzichtigheid en eerlijkheid
had de goede verstandhouding tusschen de kroon en de Vergadering hersteld
kunnen worden, doch van den eersten schrik bekomen, ried het hof den
zwakken vorst thans met geweld te beproeven, wat met een vertoon van
gezag niet was gelukt.

Wederom gaf Lodewijk aan dezen slechten raad gehoor. Troepen werden
rondom Parijs samengetrokken. Al die vreemde regimenten, wier trouw aan
den koning spreekwoordelijk was geworden, begonnen in de hoofdstad
echter onrust en wantrouwen te wekken. De Vergadering gaf den koning dus
in eerbiedige, doch manmoedige taal in overweging, die troepen naar hun
garnizoenen te doen terugkeeren. Een weigering was hierop het antwoord.

In den tuin van het Palais Royal, door den Hertog van Orleans voor het
publiek opengesteld, hoorde men reeds heftige redevoeringen en
waarschuwde Camille Desmoulins in opruiende taal het volk voor de door
het hof genomen maatregelen. Den 12en Juli verspreidde zich te Parijs het
gerucht, ’t geen waarheid bleek te bevatten, dat Necker nogmaals was
ontslagen en in een nieuw ministerie o.a. was benoemd, de bij het volk zoo
beruchte Foulon.

Op een verzoek van het volk om brood, had hij eens geantwoord: “Als ze
honger hebben, moeten ze maar gras eten!”

Nu volgden daden van geweld te Parijs.

Daar eischte men reeds een burgerwacht en de kiezersvergadering, die sinds
eenigen tijd op het stadhuis zitting hield, bracht dit verzoek, aan de

Page 56

Vergadering over, die toegaf.

Parijs wapende zich; de smeden werkten dag en nacht; het Huis der
Invaliden werd geplunderd en de geweren, daar gevonden, verdeeld; de
klokken van het stadhuis en van de kerken riepen de bevolking te wapen.
Standjes tusschen de gardes françaises en de vreemde troepen hadden plaats.

In den morgen van den 14en Juli trokken gewapende benden uit de voorstad
St. Antoine onder den kreet “Naar de Bastille” in de richting van de
staatsgevangenis, die achter haar zware, sombere muren in vroeger tijden
zooveel ongerechtigheden had zien gebeuren, waar zooveel onschuldigen
door een “lettre de cachet” waren geherbergd geweest en van waaruit de
kanonnen op de stad gericht heetten.

Verzocht, de sterkte over te geven, weigerde de gouverneur De Launay
hieraan te voldoen. Toen werd storm geloopen, de bezetting voor een deel
over de kling gejaagd, De Launay onthoofd. Binnen enkele weken was de
Bastille met den grond gelijk gemaakt. Merkwaardige gebeurtenis! Het
materieele symbool van het ancien régime was gevallen, welk feit niet naliet
grooten indruk op de tijdgenooten te maken en daaraan vooral dankt het zijn
historische beteekenis.

Nog altijd is 14 Juli Frankrijks feestdag; dan wappert de in die dagen
ontstane tricolore, het rood en blauw, de kleuren van de stad Parijs met het
wit, die der Bourbons.

Van het gebeurde onderricht, ontstelde de koning geducht. Hij begaf zich
naar de zittingzaal der Vergadering, beloofde de troepen te doen vertrekken,
Necker terug te roepen en zelf van Versailles naar Parijs te gaan om hier rust
te brengen en de genegenheid der bevolking te herwinnen. Den 17en Juli
volvoerde hij dit plan. Voorafgegaan door een honderdtal leden van de
Vergadering, omgeven door gewapende nationale gardes, de pas opgerichte
burgerwacht, reed hij zonder escorte naar het stadhuis. Al de gezichten
stonden somber en strak.

Maar wat is het Parijsche volk? Hoe weinig is er vaak noodig, het van
stemming te doen veranderen! Toen het zag, dat hij de nieuwgekozen

Page 57

cocarde uit de handen van den pas benoemden burgemeester Bailly aannam
en op den hoed zette; toen het zag, dat hij zonder garde tot zijn bescherming,
tusschen de menigte door, de trappen van het stadhuis besteeg, barstte het uit
in vreugdekreten en daverde het: “Leve de koning!” weder als een zegekreet
door de lucht. De verzoening scheen volkomen.

Nadat hij de benoeming van Bailly tot burgemeester (maire) van Parijs en
van den generaal Lafayette, uit den Amerikaanschen vrijheidsoorlog
welbekend, tot commandant der nationale garde, goedgekeurd en op deze
keuze des volks zijn stempel gedrukt had, keerde hij naar Versailles en zijn
in doodelijke onrust verkeerende familie terug.

Het gebeurde te Parijs bleef niet zonder uitwerking op de overige steden van
Frankrijk. Overal werden bataljons nationale gardes opgericht,
gemeentebesturen, uit de kiezers-comité’s gekozen, ingesteld; op het platte
land werd het een ware stormloop tegen de kasteelen van den adel, die hier
uitgeplunderd, elders in vlammen opgingen, een uiting van den haat der
boeren tegen de feodale rechten, de drukkende corveeën enz. Behalve in de
Vendée, waar het landvolk zijn heeren getrouw bleef, was het een ware
anarchie, waartegen, dit zag de Vergadering wel in, krachtige maatregelen
noodig waren.

Ten einde verbetering te brengen op het platte land werd in den
gedenkwaardigen nacht van 4 op 5 Augustus door alle voorrechten van adel
en geestelijkheid een streep gehaald. De burggraaf de Noailles en de hertog
d’ Aiguillon gaven het voorbeeld en stelden de afschaffing voor van alle
heerendiensten en den afkoop van alle feodale rechten. Anderen volgden;
binnen enkele uren waren alle misbruiken verdwenen. Geen tienden, geen
pensioenen meer zonder geldige aanspraken, geen handel in vette baantjes
enz. Ook de provincies en steden deden afstand van hun privileges en
keuren. Het oude Frankrijk werd gesloopt.

In weinige weken had de omwenteling een reusachtige schrede voorwaarts
gedaan. De 17e Juni had de drie standen zien verdwijnen; toen waren de
Etats Généraux overgegaan in een Nationale Vergadering; de 23e Juni was de
sterfdag geweest van den zedelijken invloed der kroon, de 14e Juli die van

Page 58

haar stoffelijke macht. De eerste berustte thans bij de Vergadering, de laatste
bij het volk. De besluiten van den 4en op den 5en Augustus hadden de kroon
gezet op het werk.

Dat deze en later gevolgde, in het staatkundige en administratieve raderwerk
van den staat zoo diep ingrijpende besluiten lang niet altijd met groote
meerderheid van stemmen werden aangenomen, behoeft echter geen betoog.
De meerderheid van den adel en de hooge geestelijkheid, die bij den
nieuwen gang van zaken slechts kon verliezen, die in den waan verkeerde,
dat weldra alles tot den vorigen toestand zou zijn wedergekeerd, werkte
tegen, wat zij kon, woonde de zittingen niet bij of trachtte deze te storen.
Men werkte juist hierdoor het hardste mede tot den val van het koningschap
en tot hun eigen ondergang, want zij deden de verbittering der volksklasse
tegen hen ten top stijgen en gaven door hun wegblijven de
republikeinsgezinden in de vergadering de gelegenheid, besluiten te nemen,
die vaak wijdere strekking hadden dan de voorstemmers bedoelden.

Wat het hof betreft, de prinsen van Condé en Conti hadden het voorbeeld
van ’s konings broer, den Graaf van Artois, reeds gevolgd en waren het land
uitgeweken; de koning vernam met onverholen spijt de besluiten door de
Vergadering genomen en aarzelde zijn goedkeuring te hechten aan de
Verklaring van rechten van den mensch en den burger, waarin naar het
voorbeeld van de Amerikanen, verschillende politieke denkbeelden werden
ontwikkeld, die de grondslag van de constitutie moesten vormen.

Het scheen wel, dat allerlei omstandigheden moesten samenwerken om den
stand van zaken nog hachelijker te maken; misgewas, hagelslag, de slecht
geregelde aanvoer van graan waren oorzaak, dat er onder de lagere
volksklasse te Parijs bittere nood ontstond, er werd honger geleden. Tevens
werd bekend, dat den 1en October in het kasteel te Versailles door de
officieren van de lijfwacht aan die van het nieuw in garnizoen gekomen
regiment Vlaanderen een luisterrijk feestmaal was aangeboden. De koning
en de koningin waren in de zaal verschenen en met geestdrift ontvangen; bij
die gelegenheid zou de driekleurige cocarde afgerukt, vertrapt en door de
witte, die der Bourbons vervangen zijn. Geruchten hadden reeds de ronde
gedaan, dat het hof voornemens was den koning naar Metz te voeren en dat

Page 59

het nieuw gekomen regiment alleen diende om, als de kans gunstig was, de
Vergadering uiteen te jagen.

Was den 4en October de gisting reeds sterk, den 5en nam ze nog in hevigheid
toe. De bakkers hadden geen brood meer; groote troepen hongerige vrouwen
stroomden naar het stadhuis om hierover bij den gemeenteraad te klagen,
doch hier geen uitkomst vindende, zette de menigte zich onder leiding van
Maillard, een der hoofdpersonen van den 14en Juli, in beweging in de
richting van Versailles. Steeds geweldiger werd de volkshoop, die, van
allerlei wapens voorzien, zich op weg begaf naar de Vergadering en de
verblijfplaats van den vorst; zelfs kanonnen werden op karren meegesleept.

Te Versailles gekomen en, door een hoop vrouwen vergezeld, in de
Vergadering toegelaten, diende Maillard hier zijn beklag in over den
hongersnood in de hoofdstad. De koning ontving een deputatie uit de
vrouwen, die de belofte kreeg, dat in den nood zou worden voorzien. Op
aandrang van Mounier, president van de Vergadering, besloot de koning na
lang aarzelen de besluiten goed te keuren. Men hoopte hiermede de
gemoederen te bedaren. Doch tevergeefs. In den morgen van den 6en
October waren er schoten gewisseld en enkele gardes gedood, reeds had men
een aanval op het kasteel gedaan, waarbij zelfs de koningin een oogenblik in
levensgevaar verkeerde. De komst van Lafayette met de Nationale Garde
bracht uitkomst voor de koninklijke familie; de koning en zijn door het volk
zoo gehate gemalin moesten zich op het balkon vertoonen en het slot van het
drama was, dat aan den volkswil werd voldaan en de koninklijke familie,
begeleid door honderd afgevaardigden zich op weg naar de hoofdstad begaf
om daar, door Lafayette bewaakt en beschermd, haar intrek in het paleis der
Tuilerieën te nemen.

Men was komen vragen om brood en had ten slotte den koning (bakker)
meegenomen.

De Constituante, zooals de Vergadering in die dagen werd geheeten,
verlegde haar zetel nu ook derwaarts, en begon weldra haar zittingen te
houden in de Manége van het paleis, een groot houten gebouw, dat voor een
vergadering zoo goed als alle eigenschappen miste.

Page 60

Had men tot nu toe in Versailles het politieke centrum der revolutie gehad,
terwijl zich te Parijs de hoofdhaard der omwenteling bevond, thans was alles
in de hoofdstad geconcentreerd, hetgeen van grooten invloed is geweest op
het verdere verloop der omwenteling.

De emigratie nam na den 6en October reusachtige verhoudingen aan;
duizenden edelen vluchtten naar Turijn, waar de graaf van Artois zich
ophield; een nog grooter getal verzamelde zich te Coblentz en begon van
hier uit het buitenland tegen Frankrijk op te zetten; ook de hertog van
Orleans, een neef des konings, die aan het hof niet gezien was en zelfs
verdacht werd met het volk te heulen, verliet, door Lafayette overgehaald,
het land.

Onafgebroken zette de Constituante inmiddels haar arbeid voort. Zoo
decreteerde zij o.a. gelijkheid voor de wet voor alle staatsburgers zonder
onderscheid van rang of stand en de verplichting van allen tot het betalen
van belasting; de verbeurdverklaring van al de geestelijke goederen (zij
kwamen ter beschikking van den staat), de afschaffing van alle kloosters en
geestelijke orden en de afschaffing der parlementen. Dan werd voor alle
Franschen eenzelfde rechtspleging ingesteld, eindelijk het rijk gesplitst in 83
departementen, verdeeld in districten en gemeenten.

Den 4en Februari 1790 verscheen de koning vrijwel onverwacht, doch luide
toegejuicht in de zittingzaal. Hij verklaarde de nieuwgetroffen regeling met
alle macht te steunen, zijn zoon nu reeds tijdig op den nieuwen stand van
zaken voor te bereiden en hem tevens te gewennen zijn geluk in dat van zijn
volk te zoeken.

Parijs juichte over die woorden en was dien avond geïllumineerd; de goede
verhouding tusschen vorst en volk scheen wederom hersteld.

De tijd leerde anders. Tusschen het hof en de geestelijkheid, die in hun
verzet volhardden en de koningin, die naar de vertoogen van den
rechtschapen Lafayette niet wilde luisteren, stond de koning. Deze was veel
te zwak om zijn gezond verstand, dat hem ried met den toch niet te keeren
stroom mede te gaan, te laten heerschen over zijn hart, dat hem dreef naar de
emigrés en over zijn geloof, dat hem voerde naar de geestelijkheid. Juist de

Page 61

besluiten over de geestelijke goederen, die aan den staat waren gekomen en
waardoor een volkomen verandering in de verhouding van staat en kerk
ontstond, hadden den koning pijnlijk getroffen.2

In Juni vaardigde de Constituante een decreet uit tot afschaffing van alle
adellijke titels, waardoor de woede van den adel ten top steeg. Den 14en Juli,
op den verjaardag dus van den val der Bastille, was het Champ de Mars
getuige van een indrukwekkende plechtigheid. Toen legden de koning
benevens de deputaties uit alle departementen, in tegenwoordigheid van wel
een half millioen juichende toeschouwers, met wapperende banieren om een
reusachtig altaar geschaard, na een door Talleyrand, bisschop van Autun
bediende mis, den eed op de nieuwe grondwet af. Aan Maria Antoinette
werd een geestdriftige ovatie gebracht; ze hief den dauphin in de hoogte en
riep: “Ook ik en mijn zoon deelen in de gevoelens van de natie.”

De verbroedering scheen dus algemeen; vreedzaam en rustig bewoog een
reusachtige volksmenigte zich op den avond van dit federatiefeest bij ’t licht
van een illuminatie in de Champs Elysées, maar die kalmte en die rust waren
slechts schijnbaar.

Den volgenden morgen begon de strijd opnieuw; terwijl er reeds uit de
Constituante een voorstel werd ingediend om ook de geestelijkheid een
afzonderlijken eed op de constitutie te doen afleggen, werden tevens
maatregelen genomen ter verbetering van het leger, de laatste steunpilaar van
het koninklijk gezag. Ook hierin, vooral bij de infanterie heerschte sterke
gisting. De officieren met hun chef, generaal Bouillé aan de spits, waren
koningsgezind en met reden, want zij genoten al de gunstbewijzen;
verdienste telde niet mee, protectie deed alles; de minderen, in de hoop op
meer soldij en betere behandeling, hingen de volkspartij aan. Te Metz en
daarna te Nancy brak een oproer uit, dat door Bouillé slechts met moeite
werd onderdrukt. (31 Augustus.)

Necker zag, dat hij in den berooiden staat der schatkist geen verbetering kon
brengen; de roekelooze financieele politiek der Constituante, die met de
uitgifte van assignaten was voortgegaan, was tegen zijn zin; hij nam dus
ontslag. Het ministerie werd heengezonden, omdat het ’t vertrouwen van de

Page 62

Vergadering had verloren. Duportails, de nieuwe minister van oorlog,
ontnam Bouillé een groot deel van zijn gezag.

Van vluchten naar het leger of naar het buitenland had de koning tot nog toe
niet willen hooren, al deed zijn omgeving hiertoe het voorstel; terwijl hij
dien zomer verblijf hield te St. Cloud, was er wel gelegenheid, doch de vrees
voor den burgeroorlog, als gevolg hiervan, had hem weerhouden.

Thans ziende, dat de Constituante schier dagelijks machtiger werd en
vreezende, dat hem zelf weldra geen schaduw van gezag meer zou
overblijven, begon hij over zulk een vlucht te denken. Hij polste dus Bouillé.

Intusschen werd in December een wet afgekondigd, waarbij alle geestelijken
verplicht werden een specialen eed op de grondwet af te leggen. De paus,
door Lodewijk XVI hiervan terstond onderricht, stelde het geven van een
antwoord, op de vraag of hij met deze regeling genoegen nam, onder allerlei
voorwendsels uit; om deze reden onthield de koning zijn sanctie voorloopig
aan de wet, doch ten laatste zwichtte hij voor den op hem uitgeoefenden
drang.

Groot waren de gevolgen van deze wet. Er ontstond een scheuring onder de
katholieke bevolking; de band tusschen Rome en de Fransche geestelijkheid
was verbroken, deze voortaan gesplitst in beëedigde en onbeëedigde
priesters, welke laatsten in niet geringe mate meewerkten om de contra-
revolutie in ’t land aan te wakkeren.

Ook ’s konings houding tegenover de revolutie was thans beslist vijandig;
van een eerlijk aanvaarden geen sprake meer. Wel ontving het hof sinds
eenige maanden raad van Mirabeau, maar, evenmin als de vergadering dit
deed, vertrouwde het hof den grooten staatsman, die een der krachtigste
medewerkers was geweest bij de omverwerping van het ancien régime, maar
die ook, doch ’t hof zag dit niet in, aan het koninklijk gezag zijn grootsten
steun had verleend. Zijn ideaal “de verzoening van het koninklijk gezag met
de volkssouvereiniteit” zag hij niet verwezenlijkt.

Den 2en April 1791 overleed de geniale man. Den dag na zijn dood schreef
Camille Desmoulins: “Met hoe groote ontroering heb ik naar dien

Page 63

almachtigen kop staan kijken, dat prachtige magazijn van ideeën, thans door
den dood ontruimd.” Deputaties uit alle oorden des lands omstuwden de
baar, gansch Frankrijk droeg rouw. Een zijner grootste figuren was
heengegaan. Zijn lijk werd naast dat van Descartes in de tot een Pantheon
herschapen kerk van Genoveva bijgezet.3

In den nacht van 20 op 21 Juni kwam het plan van den koning om te
vluchten tot uitvoering; generaal Bouillé zou hem behulpzaam zijn, terwijl
ook de keizer Leopold van Oostenrijk steun had toegezegd. In alle stilte
vertrok de koninklijke familie uit het paleis, in de richting van Montmédy.
Waarschijnlijk zou het zijn geslaagd, als niet ’s konings eigen
onvoorzichtigheid alles had bedorven. Telkens stak hij het hoofd buiten het
met zes paarden bespannen en dus toch reeds zeer in het oog vallende rijtuig.

De gevolgen bleven niet uit. Te St. Menehould werd hij door den zoon van
den postmeester Drouet, een volbloed republikein, herkend en te Varennes
aangehouden. Als gevangene, onder bewaking van drie commissarissen van
de Constituante, begeleid door duizenden gewapende burgers, werd hij naar
Parijs teruggebracht, waar een dreigende bevolking hem den 25en Juni
ontving.

Eigenaardig, niet een kreet van verontwaardiging, doch van vrees uitte men
in Frankrijk, toen de vlucht bekend werd; men voelde zich verlaten, zoodat
de terugkeer met groote vreugde werd begroet, wel een bewijs hoe
royalistisch de Franschen nog waren. Was dit de stemming buiten Parijs, ze
was het niet van de hoofdstad. Daar veroorzaakte de vlucht de eerste
beweging ten gunste van de Republiek, waartoe de club der Cordeliers het
initiatief had genomen.

Vooral in deze dagen kwamen de clubs en politieke vereenigingen meer op
den voorgrond en deden hun invloed gelden. De invloedrijkste was de
Bretonsche Club, aanvankelijk te Versailles gevestigd, doch in October 1789
verplaatst naar Parijs en herdoopt in “Genootschap van de vrienden der
constitutie;” ze hield haar zittingen in het voormalige Jacobijnenklooster,
waardoor de naam “Jacobijnen” ontstond, die de aristocraten als spotnaam
aan hare leden gaf. IJveraars voor de constitutioneele monarchie, behoorden

Page 64

ze volstrekt niet in de eerste jaren tot de uiterste linkerzijde; pas na den val
van het koningschap veranderde het karakter van de club en nam zij den
naam aan van “Genootschap der Jacobijnen, vrienden van de vrijheid en
gelijkheid.”

Veel democratischer was de Club der Cordeliers, geleid door mannen als
Marat, Danton en Camille Desmoulins; waren zij meer republikeinsch
gezind, hun invloed beperkte zich alleen tot Parijs.

Onmiddellijk na het bekend worden van de vlucht had de Constituante den
koning in de uitoefening van zijn macht geschorst en deze onder haar
toezicht aan de ministers opgedragen, dit bleef ook na terugkeer
gehandhaafd, zoodat feitelijk een voorloopige republiek was ingesteld tot
den 14en September, den dag waarop door den koning een eed op de
constitutie werd afgelegd.

De Club der Cordeliers trachtte afschaffing van het koningschap te
verkrijgen, hiermede in de hand gewerkt door enkele Jacobijnen, die alleen
Lodewijk XVI wilden doen vervallen verklaren van den troon. De Nationale
Vergadering wist met kracht deze plannen te verijdelen, door het gepeupel
op het Champ de Mars met behulp van de troepen onder Lafayette uiteen te
jagen.

Was deze poging om de republiek te vestigen mislukt, zij was oorzaak tot
scheuring van de Jacobijnenclub en de oprichting van de Club der Feuillants
onder leiding van Bailly en Lafayette.

De Constituante had haar reuzentaak voltooid. Ze werd ontbonden en
vervangen door een Wetgevende Vergadering, waarin op voorstel van
Robespierre geen leden van de Constituante mochten zitting hebben. Deze
wel onbaatzuchtige, doch onpractische bepaling was, jammer genoeg,
oorzaak, dat Frankrijks beste krachten op het gebied van wetgeving en
staatsbestuur ongebruikt bleven.

De koning en de koningin hadden zich moeten schikken in den toestand,
door de grondwet geschapen. Met den titel van Koning der Franschen, het

Page 65

opperbevel over het leger, het recht van veto en een civiele lijst van vijf en
twintig millioen francs, liet de toekomst zich nog zoo slecht niet aanzien.

De geestelijkheid was van haar reusachtige bezittingen beroofd, de adel had
opgehouden een afzonderlijke orde te wezen.

In het Wetgevende Lichaam hadden mannen van groote bekwaamheid als
Vergniaud, Guadet, Brissot en anderen zitting gekregen. Zij en hun
geestverwanten, eerst Brissotins genoemd, kregen na 1792 den naam van
Girondijnen, omdat de meesten uit het Zuiden afkomstig waren. In de
vergadering vormden zij aanvankelijk de meerderheid, sloten zich eerst aan
bij de Feuillants, voorstanders van de constitutie van 1791, doch werden
later meer democratisch gezind; ze wanhoopten aan het voortbestaan van het
koningschap; denkers, plannenmakers en redenaars dachten zij zich een
republiek met al haar deugden, met gestrenge zeden en gelijke rechten voor
allen; mannen van de daad waren ze niet.

Page 66

Vertrek der Vrijwilligers. 1792.

Stuurden de Jacobijnen meer aan op de republiek en algemeen kiesrecht,
daarbij vooral steunende op de lagere volksklassen, de Girondijnen wilden
van dien steun niet weten; niet de hoofdstad, doch geheel Frankrijk moest de
revolutie besturen, meenden zij.

Reeds dadelijk deed de nieuwe vergadering van zich spreken.
Achtereenvolgens vaardigde zij een decreet uit tegen de emigrés, die niet
binnen zekeren tijd in het land zouden zijn teruggekeerd en een tegen de
priesters, die den van hen gevorderden eed nog niet hadden afgelegd.4 Dan
eischte zij van het Duitsche Rijk de ontwapening der aan de grenzen
opeengehoopte emigrés, bij wie een massa officieren zich inmiddels hadden
aangesloten; stelde ’s konings broeder, den graaf van Provence, die tegelijk
met de koninklijke familie Parijs had verlaten en een menigte andere edelen
den 1en Januari 1792 in staat van beschuldiging, wegens het eigendunkelijk
nederleggen hunner functiën en verklaarde ten slotte den 20en April den

Page 67

oorlog aan Oostenrijk, waar Keizer Leopold overleden en door Frans II
opgevolgd was. Lafayette, afgetreden als commandant der Nationale Garde,
was benoemd tot commandant van het leger in ’t centrum; de generaal
Dumouriez “een talentvol officier,” maar een intrigant tevens, werd met het
opperbevel belast.

Thans beweerden de Girondijnen, die sterk tot den oorlog hadden aangezet,
zou de koning kleur moeten bekennen, het bewijs moeten leveren, dat hij
volkomen ter goeder trouw was, toen hij de grondwet had bezworen. Ook
zou hij zijn vrienden, de emigrés, en zijn raadslieden, de geestelijken, thans
openlijk afvallig moeten worden. Wel had de koning zijn goedkeuring
gehecht aan de oorlogsverklaring, doch tegelijkertijd stond hij met de
buitenlandsche mogendheden in verbinding en leverde Marie Antoinette
zelfs kort voor de oorlogsverklaring het plan de campagne der Fransche
generaals aan de Oostenrijkers in handen! Zijn telkens gebleken onwil om de
andere decreten goed te keuren, had de verbittering tegen hem en zijn
omgeving bij het Parijsche volk niet weinig doen toenemen.

Alles scheen samen te moeten werken om deze ten top te voeren. Een
troepenmacht, de Oostenrijksche Nederlanden in ’t laatst van April
binnengerukt, doch slecht geoefend en door gebrek aan bekwame officieren
slecht aangevoerd, werd bij Bergen aangegrepen door een paniek, riep:
Verraad! en sloeg op de vlucht; een andere afdeeling onder generaal Dillon
trof bij Lille hetzelfde lot. Dillon werd zelfs door zijn eigen soldaten
vermoord. Dat woord verraad vond luiden weerklank te Parijs. Daar
ontstond onder de volksklasse een geprikkelde stemming, nog verhoogd
door de verbittering over de ellende en de opruiende taal van tal van
volksleiders.

Een reeks nieuwe figuren was op den voorgrond getreden, afkomstig uit de
reeds genoemde clubs, zooals Marat, een voormalig arts, gevaarlijk door den
reusachtigen invloed, welke hij door zijn blad l’Ami du peuple over het volk
wist te verkrijgen; Danton vol wilde hartstochten, met een herculische
gestalte en een stem als een bazuin, die, hoewel niet bloeddorstig van aard,
in oogenblikken van hartstochtelijke opgewondenheid niet bevreesd was uit
te voeren, hetgeen Marat in zijn moordzucht had bedacht.

Page 68

De derde was Maximilaan Robespierre, een uit Arras afkomstig advocaat,
die in de Nationale Vergadering door de zwaarwichtigheid zijner betoogen
en zijn onbeholpen redenaarstrant zich nog al eens belachelijk had gemaakt.
Langzamerhand meer meester geworden over het woord en den vorm, was
hij met zijn schelle hooge stem begonnen op de tribune bij de Jacobijnen
leerstellingen te verkondigen, die, hoofdzakelijk uit Rousseau geput, wel niet
uitmuntten door oorspronkelijkheid, maar door zijn meestal ongeletterde
toehoorders gaarne werden gehoord. De roep, die van hem uitging, dat hij,
hoewel zeer arm, toch volstrekt onomkoopbaar was en een hoogst zedelijk
leven leidde, in die dagen van partijstrijd reeds een aanbeveling bij de massa
en de slimheid, waarmede hij bij zijn betoogen in de club zijn eigen persoon
steeds aan het welzijn der natie wist te verbinden, hadden tengevolge, dat
zijn aanhang en invloed dagelijks aangroeiden. Camille Desmoulins vond
hem “een Aristides,” Marat echter “een manneke,” Condorcet “een wezen
zonder een enkele gedachte in ’t brein, zonder eenig gevoel in ’t hart.”
Napoleon heeft hem den zondebok der revolutie genoemd.

De demagogen, krachtig door het volk gesteund, kregen aanhoudend meer
invloed op de gemoederen. Het tijdperk, waarin de sansculottes Frankrijk het
ontzettende juk hunner tirannie zouden opleggen, naderde snel.

Den 20en Juni begon het voorspel. Toen trok een bende van meer dan acht
duizend gewapende mannen en vrouwen onder leiding van Santerre, een
rijken bierbrouwer uit den faubourg St. Anthoine, eerst naar de Wetgevende
Vergadering en vervolgens naar de Tuilerieën, drong daar tot de vertrekken
des konings door, riep hem toe: “Bekrachtig de besluiten,” “Jaag de
priesters weg,” “Kies tusschen Coblentz en Parijs,” bespotte den vorst op
allerlei wijze en was na eenige uren pas tot heengaan te bewegen op
dringend verzoek van Pétion, den nieuw gekozen maire. Al dien tijd had de
koning onmiskenbare bewijzen gegeven van kalmte en zedelijken moed.

In de volgende dagen namen de oproerige bewegingen in de voorsteden,
waar voortdurend groot gebrek bleef heerschen, een aanhoudend
gevaarlijker karakter aan. Lafayette, verontwaardigd over de gebeurtenissen
van den 20en, rekenende op zijn groote populariteit onder de bevolking en de
nationale garde, kwam naar Parijs om in de Wetgevende Vergadering tegen

Page 69

de grievende behandeling van den koning te protesteeren, doch zonder
succes. Ook het hof en in ’t bijzonder Marie Antoinette was van de door
Lafayette aangeboden hulp niet gediend, zoodat hij onverrichter zake naar
het leger terugkeerde. Geruchten, dat veertigduizend Pruisen en evenveel
Oostenrijkers, onder het opperbevel van den hertog van Brunswijk, de
grenzen naderden, dat de koningin met deze vijanden heulde en dat het hof
in stilte de maatregelen van de vergadering tot verdediging, tegenwerkte,
deden de ronde in de clubs. Het volk, dat de tribunes vulde, schreeuwde en
wilde maatregelen en toen het ministerie den 11en Juli een overzicht gaf van
Frankrijks hachelijke verhouding tegenover het buitenland, besloot de
president die mededeeling met een even plechtig, als indrukwekkend:
“Burgers, het vaderland is in gevaar!” Dienzelfden dag reeds deden vijftien
duizend vrijwilligers zich inschrijven als soldaat.

In die dagen ontstond de Marseillaise, het lied der revolutie, gedicht en op
muziek gezet door Rouget de l’Isle, een jong genieofficier, vooral populair
geworden door de 500 fédérés, die van Marseille naar de hoofdstad trokken,
het lied, dat later met de legers door Europa zou gaan en dat thans nog het
Fransche volkslied is.

Te midden van de groote geestdrift, die zich van allen had meester gemaakt,
werd het even hooghartige als laatdunkende manifest van den hertog van
Brunswijk in de hoofdstad bekend. Parijs werd daarin met verwoesting
bedreigd, wanneer de koninklijke familie nog eens zou worden beleedigd;
nationale gardes, met de wapens in de hand gevat, zouden als “oproerlingen
tegen hun koning” worden gestraft. ’t Was olie in het vuur! Den 3en
Augustus eischten de sectiën, waarin de hoofdstad was verdeeld, de
vervallen verklaring des konings; in den nacht van 9 op 10 Augustus
installeerde zich op het stadhuis een ultra-republikeinsche commune, alleen
uit Jacobijnen samengesteld en den 10en Augustus werden de Tuilerieën, die
slechts enkele honderden Zwitsers en nationale garden als verdedigers
hadden, door het grauw bestormd.

Bij de verdediging ontbrak alle leiding en eenheid, want Mandat, de
tijdelijke commandant der nationale garde, was reeds te voren afgemaakt op
de trappen van het raadhuis.

Page 70

Beducht voor het leven van vrouw en kroost, zocht de koning, zonder
bevelen achter te laten, zijn toevlucht in de vergadering, vond achter den
president, in de benauwde loge van den verslaggever der Feuillants, een
plaatsje en zond van hier aan de Zwitsers bevel, het kasteel niet te
verdedigen. Deze order kwam te laat. Reeds was het bloedbad op de pleinen,
in den tuin en in de kamers begonnen. Bij honderden vielen de brave
Zwitsers op hun post. Bonaparte, die na den storm de Tuilerieën bezocht,
verklaarde later zelf, dat hij in niet een zijner veldslagen, in zoo een kleine
ruimte zooveel lijken had gezien als daar op het voorplein bijeen lagen.

Onder den indruk van het gebeurde en onder drang der commune nam de
vergadering het besluit tot schorsing van het koningschap en tot de
bijeenroeping van een Nationale Conventie door algemeen kiesrecht
gekozen, terwijl een nieuw ministerie zou optreden, waarin Danton minister
van Justitie werd. Den 13en Augustus werd de geheele koninklijke familie
overgebracht naar het groote torengebouw van het voormalige klooster le
Temple en hier streng bewaakt. Alleen achter sterke muren beweerde de
steeds in macht en driestheid toenemende commune, kon zij instaan voor de
veiligheid der aan haar hoede toevertrouwde personen.

Het drama van de koninklijke familie begon haar ontknooping te naderen;
geen Franschen verdedigden den 10en Augustus de woning meer, maar
Zwitsers en de trouw van deze dapperen is te Lüzern, naar een ontwerp van
Thorwaldsen, vereeuwigd door een in de rotsen uitgehouwen leeuw, met een
speer doorboord, rustende op een veld van leliën.

Te Parijs waren thans slechts twee officieele machthebbende lichamen
overgebleven, de Wetgevende vergadering en de Commune, bij welke laatste
Robespierre reeds eenigen tijd te voren benoemd was tot openbaar
aanklager. De eerste zorg van dezen raad met haar ultra-revolutionnaire
neigingen was, thans meester te worden over de politie. Het Comité van
Algemeene veiligheid werd daarvoor ingesteld en te Parijs een Comité van
toezicht opgericht, met Marat als voorzitter, dat onmiddellijk aan het werk
toog door de arrestatie van honderden aristocraten, zoogenaamde
“verdachten.” De groote gemeenten volgden dit voorbeeld.

Page 71

Tevens werd door den drang der Jacobijnen een revolutionnaire rechtbank
opgericht. Van haar vonnissen was geen appèl.

Op voorstel van Danton begon einde Augustus de arrestatie van alle slechte
burgers, die zich sinds den 10en Augustus verscholen hielden.

Daar kwam den 2en September het bericht, dat Verdun was ingesloten;
Longwy “de ijzeren poort van Frankrijk” was reeds gevallen en mocht dat
met Verdun het geval worden, dan lag de weg naar Parijs voor den vijand
open.

Toen kwam de afschuwelijke raad van Marat, die voor geen wreedheid
terugdeinsde, dat het eenige middel om het vaderland te redden, zou wezen,
de ter doodbrenging van alle gevangenen!

Een der vreeselijkste tooneelen van de omwenteling speelde zich te Parijs af.
Van 2–6 September had in de gevangenissen de Abdy, la Force enz. een ware
slachting plaats onder “alle vijanden des vaderlands” hoofdzakelijk edelen
en geestelijken. Rede en menschelijkheid waren verdwenen; het lijk van
Prinses de Lamballe, een vriendin van Marie Antoinette, werd geschonden
en met haar hoofd op een piek liep men voor de Temple op en neer!

De Vergadering was met ontzetting geslagen, maar deed niets om aan het
bloedbad een einde te maken; ook Danton was lijdelijk toeschouwer. Alleen
Roland, minister van binnenlandsche zaken, had den moed alle autoriteiten
verantwoordelijk te stellen voor het gebeurde. Ten slotte beval de
Vergadering een onderzoek naar de raddraaiers, hetgeen tot niets leidde.
Eenige enragés droegen de schuld. Zij hadden gemeend “verraders” voor
zich te hebben!

Deze bloedige Septemberdagen brachten de revolutie meer in discrediet, dan
men toen vermoedde.

Den 21en September verdween de Wetgevende Vergadering. Een Nationale
Conventie, reeds dadelijk 749 leden tellende, trad in haar plaats, schafte den
volgenden dag de koninklijke waardigheid af en verklaarde bij monde van
haar president Pétion, Frankrijk tot een Republiek.

Page 72

Het succes van den hertog van Brunswijk in het noorden was niet van langen
duur. In Dumouriez, den voormaligen minister van oorlog, die Lafayette had
vervangen, vond hij een even talentvolle als dappere tegenpartij, die hem,
door het bezetten der passen van het Argonnerwoud, den toegang afsloot tot
het hart van het land. Den 20en September bij Valmy, liet de dappere
Kellerman aan den hertog zien, met welk een heldenmoed en
doodsverachting dat leger van schoen- en kleermakersjongens, zooals de
emigrés de soldaten der Republiek met minachting betiteld hadden, onder
een daverend: Allons enfants, de la patrie met gevelde bajonet op zijn oude
beproefde krijgers instormden en ze terugsloegen.

“Van deze plaats en van dit uur dateert een nieuw tijdvak in de
wereldgeschiedenis,” zei de bij het Pruisische leger aanwezige Goethe op
den avond van Valmy tot de aanwezigen bij het wachtvuur. Hij begreep de
beteekenis van dien dag; “het revolutionnaire Frankrijk kon en wilde Europa
weerstaan.”

Gebrek, groote ontberingen, ziekte en slecht weer waren ten slotte oorzaak,
dat de hertog terugtrok.

Van deze omstandigheid trok Dumouriez partij. Flink versterkt in aantal,
maar slecht gevoed, geschoeid en gekleed, rukte zijn leger in November
d.a.v. de Zuidelijke Nederlanden binnen, behaalde niettemin den 6en bij
Jemappes een glansrijke overwinning en bezette het gansche land tot aan de
boorden van de Maas.

Had de Nationale Conventie met algemeene stemmen de Republiek
ingesteld, van eensgezindheid onder de leden was geen sprake. De
Jacobijnen, naar de hoogere banken, welke ze in de Vergadering innamen,
ook wel montagnards genoemd, sloten zich nauw aan bij de revolutionnaire
Commune; de Girondijnen duchtten dien grooten invloed, wilden de leiding
aan de hoofdstad ontnemen, vreesden voor het optreden van een tiranniek
triumfiraat Robespiere, Danton en Marat en werden in hun strijd tegen de

Page 73

Jacobijnen gesteund door de middenpartij in de vergadering, de “plaine” of
“marais” genoemd.

Thans kwam de vraag, wat men met den koning doen zou, dezen strijd nog
geduchter maken. In December stelden Robespierre, Couthon en St. Just
dezen namens de Jacobijnen in staat van beschuldiging. Het vinden van een
ijzeren kistje in de Tuilerieën met brieven uit het buitenland, die verrieden,
dat de koning met Pruisen en de emigrés in ’t geheim betrekking had
aangehouden—een feit, dat door hem onverstandig genoeg werd ontkend—
verergerde zijn toestand.

Met bijna algemeene stemmen werd hij den 15en Januari 1793 schuldig
verklaard aan samenzwering tegen de vrijheid en de veiligheid van den Staat.
Een poging der Girondijnen, het uit te spreken vonnis aan het oordeel van
het volk te onderwerpen, waarin zij een middel zagen om den invloed van
Parijs te fnuiken, mislukte. Wel stelden de grijze Malesherbes en Desèze
alles in het werk om hem te verdedigen, wel trachtten Brissot en enkele
Girondijnen uit vrees voor een buitenlandschen oorlog het vonnis uit te
stellen, doch het een noch het ander had succes. Louis Capet, zooals hij
thans naar een zijner voorouders genoemd werd, onderging op den 21en
Januari 1793 zijn vonnis; hij werd geguillotineerd, hetgeen hij waardig en
gelaten onderging.

De laatste schakel met het ancien régime was verbroken!

De Jacobijnen hadden gezegevierd, de macht der Girondijnen volkomen te
breken, werd thans hun doelwit. Al de vorsten van Europa wierpen ze den
handschoen voor de voeten; zij zouden de vrijheid brengen aan de gansche
wereld. Alle dwingelanden wilden zij van den troon stooten; vrijheid,
gelijkheid en broederschap voor de tirannie van eeuwen in de plaats doen
treden.

Een macht van 300.000 werd onder de wapenen geroepen om de eer der
Republiek te handhaven zoowel in het buitenland, als in het binnenland; in
dit laatste met name in de Vendée en Bretagne was n.l. een opstand onder de
boeren uitgebroken, die weldra schrikwekkende afmetingen aannam.

Page 74

Bij het leger onder Dumouriez, die door de Jacobijnen niet ten onrechte sterk
verdacht werd van allesbehalve ultra-republikeinsche beginselen, gingen de
zaken inmiddels niet naar wensch. Een aanval op de Vereenigde
Nederlanden, in overleg met het ministerie van Oorlog door Dumouriez
beproefd, mislukte. De Oostenrijkers en de Pruisen rukten België weder
binnen en de slag bij Neerwinden (18 Maart 1793) was voor de Republiek
noodlottig.

Dumouriez, die in stilte het plan had gevormd den oudsten zoon van
Philippe Egalité, die als generaal onder hem diende, bij welslagen, door zijn
leger tot koning te doen uitroepen, dan naar Parijs te rukken, en aan den druk
der Jacobijnen met één slag een einde te maken, wachtte het oogenblik niet
af, waarop hij door de Conventie ter verantwoording zou worden geroepen.
Hij knoopte vredesonderhandelingen aan met den Oostenrijkschen Kolonel
Mack en toen hem bleek, dat zijn soldaten de Republiek getrouw bleven, liep
hij naar de Oostenrijkers over. De laatste dertig jaren zijns levens heeft deze
talentvolle, maar steeds intrigeerende man in ballingschap doorgebracht, hij
is in Engeland overleden.

Het verraad van Dumouriez, de ongunstige toestand der legers en de
gevaren, waaraan het land was blootgesteld, drongen de Conventie weldra
tot een nieuwen maatregel. Den 6en April 1793 werd het Comité de Salut
Public ingesteld. Het zou bestaan uit twaalf leden, die in ’t geheim moesten
beraadslagen, ook zouden zij op de handelingen van het uitvoerend bewind
toezicht houden en achter de zaken spoed zetten. Aanvankelijk gevormd
door de neutrale leden van de Conventie, geraakte het spoedig geheel in
handen van de Bergpartij, met Robespierre, St. Just, Couthon, Collot d’
Herbois en Billaud-Varennes als leiders. De werkzaamheden werden door
verschillende onder-comité’s verdeeld, terwijl het zich in de provincie door
afgevaardigden deed vertegenwoordigen. Aan dit lichaam ondergeschikt,
was het Comité van Algemeene Veiligheid, eveneens van twaalf leden, belast
met het opsporen en arresteeren van allen, die verdacht werden van contra-
revolutionnaire neigingen, terwijl ten slotte de Revolutionnaire Rechtbank,
met den beruchten Foucquier Tinville als openbaar aanklager, zich onledig
hield met het vonnissen der gevangenen.

Page 75

De Conventie met haar tal van kleurlooze leden werd in de handen van het
Comité de Salut Public een willoos werktuig. Door de afgevaardigden van
het Comité waren de legers aan dit laatste onderworpen; door de wet der
verdachten beschikte dit over de bijzondere personen; door de genoemde
rechtbank over het leven van allen. In de volksmassa, die in de clubs
beraadslaagde, vond het zijn steun.

Het antwoord van Europa op Frankrijks uitdaging had niet lang op zich laten
wachten. Over dien koningsmoord, “de verfoeilijkste daad, die in de historie
was opgeteekend,” zooals Pitt in het parlement zei, diep verontwaardigd,
beducht voor de ver strekkende gevolgen, welke de omwentelingen ook voor
hun onderdanen kon brengen, bang voor hun eigen troon, verklaarden tal van
vorsten met Oostenrijk en Pruisen aan de spits, den oorlog aan de Republiek.

Van deze coalitie was Engeland onder den alvermogenden minister Pitt de
ziel. Het had geweigerd de vervallenverklaring van den koning te erkennen
en zich hierom reeds den 1en Februari 1793 door de Conventie den oorlog
zien verklaren. Ditzelfde lot was ook aan de Republiek der Vereenigde
Nederlanden te beurt gevallen. Binnen zes maanden had Pitt zeven
verbonden gesloten en zes tractaten tot het verleenen van geldelijken steun.
Ook Spanje met zijn nieuwen minister Godoy, bijgenaamd de Vredevorst,
had zich op zijn raad, evenals het geheele Duitsche Rijk bij de coalitie
gevoegd.

Door het grauw gesteund, meester over den gemeenteraad, heerschten de
Jacobijnen met hun 800 clubs in de departementen, van nu af zoo goed als
onbeperkt. Wel werd Marat als president der club door de Conventie voor de
rechtbank gedaagd wegens opruiïng tegen de gematigden in dit
staatslichaam, maar hij werd vrijgesproken en in zegepraal rondgedragen (24
April).

Van dit oogenblik trad het grauw zelf vermeteler op, overstroomde de
publieke tribune in de zittingzaal en sprak mede in het debat. Een poging,
door de Girondijnen beproefd om de daden van den gemeenteraad door een
commissie te doen nagaan, waardoor heel wat gruwelen aan het licht zouden
zijn gebracht, werd door het grauw verijdeld, de commissie ontbonden.

Page 76

De verbittering tegen de gematigden, thans beschuldigd van het heulen met
den vijand en de emigrés en van het aansporen tot een contra-revolutie, werd
door de Jacobijnen aanhoudend meer opgezweept. Telkens deed de
Commune zich in de Conventie gelden. Henriot, de commandant der
nationale garde, geheel op de hand der Jacobijnen, deed ten slotte zelfs
vuurmonden in batterij komen voor de Tuilerieën om de zittingzaal in
elkander te schieten, als aan den wil des volks niet werd voldaan! Den 31en
Mei viel de partij der Girondijnen; hun aanvoerders werden gevangen
genomen; anderen namen de vlucht (2 Juni).

Van nu af had de Conventie haar vrijheid van beraadslagen totaal verloren.
Robespierre met zijn aanhang nam de teugels in handen. Het schrikbewind
begon!

Na den val der Girondijnen kwam het geheele zuiden met Lyon, Marseille en
Toulon aan de spits in verzet; zelfs vormden zich hier gewapende benden om
naar Parijs te marcheeren. Tegenover hen stonden de aanhangers der
Conventie. In het westen, aan de Loire, in de Vendée en in Bretagne was de
gansche bevolking als één man tegenover de afgevaardigden uit de
Conventie opgetreden. Hier stonden, door de emigrés en Engelsch goud
gesteund, Stofflet en Charette aan het hoofd der royalisten tegenover de
regeeringstroepen.

Ook bijzondere personen gaven bewijzen van hun afschuw over hetgeen in
Parijs gebeurde. Zoo toog Charlotte Corday, een vijf en twintig jarig mooi
meisje uit Caën, een volbloed aanhangster der omwenteling op deugdzamen
grondslag, naar de hoofdstad, zocht Marat op, die in de departementen den
meesten schrik had verspreid, en stootte hem een mes door het hart, om,
zooals zij voor de rechtbank verklaarde, “haar land vrede te schenken.”
Onwrikbaar kalm hoorde zij haar doodvonnis aan; even kalm betrad zij het
schavot. (15 Juli). Half Parijs volgde de begrafenis van Marats hart in den
tuin van de club der Cordeliers. Toen zijn inboedel werd ontzegeld, vond
men slechts een assignaat van vijf francs, zijn gansche bezitting.

De Conventie was dus van alle zijden door gevaren omringd; zoowel in het
binnen- als in het buitenland stond de vijand. Daarbij dreigde hongersnood,
door het blokkeeren van alle havens door Engeland.

Page 77

Het Comité de Salut Public trok alle macht aan zich en heerschte onbeperkt.

Door de levée en masse riep het Comité het gansche volk onder de wapenen
tegenover den buitenlandschen vijand; alle mannen tusschen 18 en 40 jaar
werden opgeroepen en voor het einde van het jaar beschikte men reeds over
een leger van 650.000 man; Carnot, lid van het Comité leidde de operaties.
Het gebrek aan geoefendheid moest vergoed worden door het aantal en de
geestdrift der troepen, terwijl steeds aanvallend moest worden opgetreden;
een hevig kanonvuur en dan onder het zingen van de Marseillaise, of het “Ça
ira” er met de bajonet op in. Commissarissen bij het leger zorgden voor
strenge tucht, zonden generaals, die nederlagen leden, op naar Parijs, waar
ze werden geguillotineerd (de Beauharnais en Custine o. a.) Er moest
overwonnen worden en er werd overwonnen, al was het ten koste van vele
slachtoffers.

Einde 1793 was Frankrijk bijna geheel van vijanden gezuiverd. Voor een
inval behoefde de Republiek niet meer te vreezen.

Tegenover den vijand in het binnenland trad de beruchte wet der suspects
met volle kracht in werking. De gevangenissen vulden zich met leden uit de
gegoede burgerij en den handelsstand; alle vreemdelingen, alle aanhangers
van een constitutioneel koningschap, of van een gematigde republiek,
werden—voorloopig heette het—in hechtenis genomen.

Over het geheele land werden afgevaardigden van het Centrale Comité
verspreid met uitgebreide macht. Over de steden in opstand werd de
banvloek uitgesproken, te Lyon de bevolking door de afgevaardigden Collot
d’Herbois en Couthon voor een gedeelte over de kling gejaagd; te Toulon
gebeurde ongeveer hetzelfde onder Fréron en Barras, “den roofvogel der
revolutie;” in Nantes maakte zich Carrier berucht.

In Parijs stond op de Place de la Concorde de guillotine bijna niet stil. Den
16en October viel het hoofd van Maria Antoinette, nadat haar reeds geruimen
tijd te voren haar kinderen waren ontnomen en na een verhoor, dat in
bijzonderheden afschuwwekkend is. Den 31en d. a. v. zag men een en twintig
der in Juni gevangen genomen Girondijnen, onder het zingen der
Marseillaise, het schavot beklimmen; den 6en December deelde hetzelfde lot

Page 78

de hertog van Orleans, een beginselloos man, veracht door de koningin, door
den koning verdacht te streven naar het oppergezag, door het volk niet
vertrouwd, al had hij ook zijn naam verwisseld voor dien van Philippe
Egalité.

In de jaartelling en in den godsdienst werd nu ook een volslagen omkeer
gebracht.

De gregoriaansche tijdrekening werd door de republikeinsche vervangen;
deze dagteekende van het jaar I der vrijheid. Het jaar begon dus op 22
September 1792 toen het koningschap was gevallen; iedere maand telde nu
dertig dagen verdeeld in drie decades; den laatsten van iedere decade was ’t
rustdag. De maanden werden genoemd naar het jaargetijde, waarin zij
vielen, zooals October nu Vendémiaire heette, daarop volgde Brumaire,
Frimaire enz. De vijf of zes overschietende dagen, jours complémentaires
genoemd, dienden voor feestelijkheden, gewijd aan het genie, den arbeid, de
schoone daden, de belooning, de meening en de omwenteling.

Een nieuwe godsdienst, die der Rede, werd afgekondigd en de hoofdkerk de
Nôtre Dame, op voorstel van Chaumette, lid der Commune herdoopt in een
republikeinsch gebouw, den Tempel der Rede. Ook buiten Parijs volgde men
dit voorbeeld, werden kerken “onchristelijkt” en feesten gegeven, waarbij
jonge vrouwen als godinnen der rede fungeerden. Welk een toestand!

Intusschen bleef de valbijl haar werk verrichten; den 11en November viel het
hoofd van den edelen Bailly; den 15en ontving de Conventie van Fouché en
Collot d’Herbois uit Lyon een brief, waarin zij pochten op de door hen
gehouden strafoefeningen en een uit Rouen, meldende, dat de oud-minister
Roland zelfmoord had gepleegd. Enkele dagen tevoren was diens jonge
vrouw te Parijs onthoofd, welk lot weldra ook prinses Elisabeth, zuster des
konings, onderging.

Al die onschuldig gevallen hoofden, die gruwelijke dwingelandij waren ten
slotte oorzaak, dat in den boezem der Conventie en zelfs onder de leiders
ontevredenheid ontstond. Had Robespierre zich al verzet tegen de
anarchistische neigingen van Hébert, die vooral in zijn blad “Le Père
Duchesne” door Camille Desmoulins “een der riolen van Parijs” genoemd,

Page 79

hun uiting vonden, hij werd hierin gesteund door Danton en Camille
Desmoulins, die steeds op meer gematigdheid aandrongen en aan het
schrikbewind een einde wilden zien. Van dit laatste was Robespierre
volstrekt niet gediend en nadat eerst Hébert ten val was gebracht, boetten
weldra Danton en Camille Desmoulins onder de valbijl voor hun “onzuivere
beginselen als republikein en hun gematigdheid.”

Thans stond Robespierre alleen, gesteund door zijn trawanten als St. Just en
Couthon. Doodsangst heerschte alom. Niemand zag uitkomst.

Toch was deze niet meer zoover af.

Robespierre had den eeredienst vervangen door dien van het Hoogste
Wezen; in Juni (20en Prairial) zou deze in geheel Frankrijk worden ingewijd.
Plechtige feesten moesten hiermede gepaard gaan en de volksmenner had
zich door de Conventie doen aanwijzen om daarbij als hoogepriester op te
treden. Op weg naar het feestterrein stapte de dictator met een glans van trots
en bevredigde ijdelheid op zijn gezicht een pas of vijftien voor zijn
medeleden uit. Dit wekte reeds den toorn op. Het woord “Tiran!” moest hij
hooren.—“Tiran, er zijn nog Brutussen!” beet Bourdon hem toe. Hij zon op
wraak.—Een paar dagen later diende hij in de Conventie een wet in, waarbij
de Revolutionnaire Rechtbank het recht verkreeg alleen op overtuiging van
de schuld vonnis te vellen, terwijl tegenover samenzweerders de wet geen
verdedigers toeliet. Wel kwam men tegen deze schandelijke wet in verzet,
doch het baatte niet; ze werd aangenomen.

Foucquier Tinville greep deze nieuwe wet terstond aan als een middel om in
de propvolle gevangenissen ruimte te krijgen. Van verhoor was bijna geen
sprake; als het begon, stonden de schavotkarretjes buiten reeds te wachten op
hun vracht, la fournee.

“Hier heb je de winners in de loterij van Sinte Guillotine!” schreeuwden de
kleine nieuwsventers onder de vensters der gevangenen. Het Avondblad
noemden de bewaarders de lijst der gevangenen, die den volgenden dag
zouden worden voorgebracht.

Page 80

Het aantal doodvonnissen nam op schrikbarende wijze toe, bedroeg in twee
maanden meer dan anders in een jaar. Veilig voelde zich niemand meer.

Het voortbestaan van het schrikbewind werd door velen overbodig geacht;
niet alleen was er geen vijand meer op de grenzen, maar Jourdan had bij
Fleurus in de Zuidelijke Nederlanden overwonnen; de opgestane steden
waren ten onder gebracht, het vaderland dus niet meer in gevaar. Waarvoor
dan dat bloedige werk van de Revolutionnaire Rechtbank?

De ellende duurde voort alleen ten genoegen van den machtigen dictator en
zijn aanhang; tot die overtuiging kwam men algemeen, toch duurde het lang
voor de moed er was hem aan te vallen en neer te werpen.

In het comité van algemeene veiligheid beraamde men het plan tot zijn val;
Billaud-Varennes en Collot d’ Herbois, leden van het Comité de Salut Public
namen er aan deel. Den 7en Thermidor (25 Juli) werd in de Nationale
Conventie een lang rapport voorgelezen, waarin men te velde trok tegen hen,
die in weerwil van de overwinningen, nieuwe plannen tot vervolging
beraamden. Het was de eerste openlijke pijl op Robespierre gericht. Deze
verscheen den volgenden dag in de Conventie, verdedigde de genomen
maatregelen, beschuldigde zijn tegenpartij, maar ’t succes was niet groot. In
zijn club, waar hij ’s avonds zijn redevoering herhaalde, werd hij enthousiast
toegejuicht, Billaud-Varennes en Collot d’ Herbois werden echter
uitgejouwd en zelfs buiten de vergadering gezet.

Den 9en Thermidor was de beslissende dag. Als Robespierre de zaal der
Conventie binnentreedt en St.-Just het woord neemt om zijn
verdachtmakingen tegen zijn tegenpartij te beginnen, wordt hij dadelijk in de
rede gevallen. Billaud-Varennes neemt het woord, waarschuwt de Conventie
voor het dreigende gevaar, klaagt Robespierre aan, noemt zijn
medeplichtigen in de Commune en brandmerkt zijn gedrag en zijn streven
naar het oppergezag met bittere vlijmende taal.

Als hij zwijgt zijn alle oogen op Robespierre gericht. Deze vliegt naar de
tribune, maar een dreunend: “Weg met de tiran!” weerklinkt. Aan het woord
laat men hem niet komen. “Het bloed van Danton verstikt je” bijt men hem

Page 81

toe. Met algemeene stemmen wordt tot gevangenneming van hem, Couthon
en St.-Just besloten. Onder gejuich voeren de gendarmes hen weg.

Thans werpt de commune het masker af. De gevangenen worden bevrijd en
naar het stadhuis gevoerd, terwijl Henriot het grauw opruit en zelfs
kanonnen tegen de Tuilerieën in batterij doet komen, maar de kanonniers
weigeren vuur te geven.

De Conventie stelt Henriot, Robespierre en de commune buiten de wet,
benoemt Barras tot commandant der nationale garde ter verdediging van het
gouvernement. Het verzet is gebroken en den 10en Thermidor worden
Robespierre, Couthon, St.-Just en een twintigtal aanhangers geguillotineerd,
eenige dagen later door een zeventigtal leden der commune en twaalf van de
de Revolutionnaire Rechtbank gevolgd.

Frankrijk herademde, nu het zich bevrijd voelde van den man, die vriend en
vijand had opgeofferd om zich tot dictator te doen verheffen; men
verpersoonlijkte in hem al het buitensporige van het schrikbewind en
geloofde de Republiek gered, tot rust gebracht door zijn val.

Al was dit overdreven, toch kregen de gematigden onder de Thermidoristen
de leiding in handen. Zij beperkten de groote macht van het Comité de Salut
Public, schaften de beruchte wet van Juni 1794 omtrent het vonnissen af; de
commune moest haar gezag aan de conventie afstaan; de club der Jacobijnen
met haar 800 afdeelingen in de departementen werd gesloten.

Carrier, Fouquier Tinville lieten het leven onder de valbijl, anderen werden
naar Cayenne verbannen. Een laatste poging in Mei 1795 om het door
honger gekwelde gepeupel in oproer te brengen, werd met kracht
onderdrukt.

De voorstad Saint-Anthoine, de bakermat van zooveel ongerechtigheden,
werd toen tevens ontwapend.

Page 82

Inmiddels hadden de legers der Republiek schitterende bewijzen gegeven
van hetgeen zij onder vaderlandsliefde verstonden. Slecht gekleed en
gevoed, vaak slecht bewapend, hadden ze in de Vendée onder Westerman en
Kléber den opstand in ’t begin van 1794 zoo goed als geheel onderdrukt,
Pichegru had na Jourdans overwinning bij Fleurus de Engelschen naar
Holland gedreven en den 20en Januari zelfs Amsterdam bezet. Ook in ’t
zuiden aan de Pyreneën en in Italië hadden die jonge, maar energieke
krijgers zich tegenover de Spanjaarden en Piëmonteezen ais helden
gedragen.

Met Pruisen en met Spanje werd eindelijk vrede gesloten (5 April en 22 Juli
1795). Ten slotte schafte de Conventie de democratische grondwet van 1793
af—tot uitvoering was zij nog niet gekomen—en droeg het uitvoerend
bewind op aan een Directoire van vijf leden, de wetgevende macht aan twee
raden, dien der Vijfhonderd, welke de wetten zou voordragen en dien der
Ouden, welke ze moest onderzoeken en er over beslissen. Ter voorkoming
van een royalistische meerderheid had de Conventie bepaald, dat twee
derden van haar leden in de nieuwe vertegenwoordiging zou overgaan. De in
groote getale teruggekeerde royalisten zagen hierdoor hun macht gefnuikt en
begonnen een opstand in de straten van Parijs.

Het was op den voor Bonaparte zoo gedenkwaardigen 13en Vendémiaire.

1 Het wordt wel ontkend, dat Lodewijk dit zou gezegd hebben, maar de woorden teekenen zuiver
het standpunt, dat de koning toen innam.

2 Op deze goederen werden assignaten afgegeven, welke als betaalmiddel dienst deden.
3 Later werd hij er op last der Nationale Conventie uit verwijderd en door ... Marat vervangen.

4 Woelingen in de Vendée en in Bretagne waren hiervan het eerste gevolg.

Page 83

Page 84

Hoofdstuk III.

Page 85

Bij Toulon en te Parijs.

Door zijn onbesuisden streek te Toulon wel geducht
gecompromitteerd, doch niet ontmoedigd, richtte
Lucien tal van adressen rechtstreeks aan de Conventie
en kreeg daardoor eindelijk een baantje van twaalf
honderd francs als magazijnbewaarder te Saint-
Maximin; hij begon hier de bevolking terstond recht te zetten en werd er
door de volksvergadering tot president van het revolutionnaire comité
gekozen in welke hoedanigheid hij een twintigtal eerwaardige burgers
zonder proces liet gevangen zetten. Ook nam hij den naam aan van Brutus en
herdoopte, door Barras hierin geholpen, Saint-Maximin in Marathon, terwijl
hij in Mei 1794 op al dit ultra-republikeinsche gedoe de kroon zette door een
huwelijk met Catharine Boyer, de zuster van den herbergier, bij wien hij
inwoonde, een meisje twee jaar ouder dan hij, dat lezen kon noch schrijven,
doch dat haar negentienjarigen man met haar fluweelzachte zwarte oogen en
haar ongemeen schrander kopje tot aan haar dood heeft weten te boeien.

Niemand van de familie was bij het huwelijk van Brutus Bonaparte
tegenwoordig en vanaf dit oogenblik zien we Lucien meer op zich zelf staan.

Louis had Paul en Virginie van Bernardin de Saint Pierre inmiddels onder
handen genomen en dezen beroemden natuurkundige daarop stoutweg de
vraag gesteld, wat er in dit boek waarheid, wat verdichtsel was. Wat
driestheid aangaat waren de broeders dus aan elkaar gewaagd.

Jozef liep het geluk mee. Aanvankelijk aangewezen om in het gevolg van
Saliceti mee te werken bij een krijgstocht tegen Corsica, die van Toulon zou
scheep gaan, doch door een opstand in deze stad hierin verhinderd, was
Jozef in de eerste dagen van September door de representanten der
Conventie dus door Saliceti benoemd tot commissaris van Oorlog 1e klasse

Page 86

op een tractement van zesduizend francs benevens rations, vrij logies en
bureaukosten.

Toen Laetitia in September besloot met haar jongste kinderen voor alle
zekerheid in Marseille, dat in handen der republikeinen was, een veiliger
verblijf te zoeken, waren de toestanden voor haar dus reeds aanmerkelijk
verbeterd. Haar drie oudste zoons hadden een betrekking en zij zelve werd
door de Conventie van het noodige voorzien.

Opnieuw was het Saliceti, de landgenoot en vriend, die op het lot der familie
invloed uitoefende. Dommartin, de commandant der artillerie van generaal
Carteaux, die van Marseille oprukte tegen het sterke Toulon was bij
Ollioules gekwetst en Saliceti wees Napoleon aan als zijn plaatsvervanger.
Op Corsica had hij zijn talenten reeds leeren kennen als inspecteur van de
artillerie; het vlugschrift Le Souper de Beaucaire had voldoende bewezen,
dat Napoleon een republikein was in merg en been en een ander knap
artillerieofficier was niet dadelijk bij de hand.

Den 12en September kwam Napoleon voor het door Engelschen,
Spanjaarden, Napolitanen en Piëmonteezen verdedigde Toulon. Hier viel
nog zoo goed als alles te doen. Terwijl de belegerden de batterijen, welke de
binnenreede moesten beschermen en het fort de l’ Eguilette, gelegen op een
kaap aan den ingang dezer reede, zoo geducht hadden versterkt, dat het
geheel Klein-Gibraltar werd geheeten, had Carteaux, een onbekwaam man,
letterlijk nog geen schop in den grond laten steken. Toen de representant
Gasparin hem vroeg naar zijn aanvalsplan, antwoordde hij: de
artilleriecommandant schiet de stad drie dagen lang plat; dan kom ik met
drie colonnes en neem haar met storm. Dit plan was echter meer grappig dan
uitvoerbaar en gelukkig werd hij weldra vervangen door Generaal
Dugommier, die tot opperbevelhebber werd benoemd, terwijl op verzoek van
Bonaparte tevens een artilleriechef werd aangewezen n.l. generaal du Teil,
waardoor de zeer onwetende officieren van den staf werden gedwongen hun
aanmatigenden toon tegenover Napoleon wat te temperen.

Toen du Teil kwam, was het voornaamste werk, dat der voorbereiding reeds
verricht en Bonaparte inmiddels op den 29en September voorloopig tot

Page 87

Bataljonschef bij de Artillerie benoemd, in welken rang hij den 19en October
werd bevestigd. Thans redelijk gesteund, toog hij met verdubbelde kracht
aan het werk; nu reeds bleek hoe het voeren van het bevel hem letterlijk was
aangeboren en hoe hij de kunst verstond zijn minderen door woord en daad
voor zich in te nemen. Hoewel hij den afgevaardigde Gasparin steeds heeft
voorgesteld als de man, die hem zijn loopbaan als artillerist geopend en hem
met zijn gezag gesteund heeft, bewees hij toen reeds welk een volbloed
soldaat er in hem stak. Steeds in het vuur, slapende bij zijn kanonnen, bij elk
gevecht vooraan, paarde hij aan het gezag zijner meerdere kennis de in den
krijg alles overweldigende macht van het voorbeeld.

Als op zekeren dag in een onder heftig vuur liggende batterij een artillerist
naast zijn stuk wordt doodgeschoten, grijpt hij zelf den aanzetter uit de hand
van den doode en helpt den vuurmond bedienen, tot hij wordt afgelost; als de
Engelsche generaal O’Hara, gouverneur van Toulon, een uitval beproeft is
hij het, die onopgemerkt aan de spits van een bataljon door de loopgraven
nadert en die uitval zoo krachtig helpt afweren. O’Hara zelf wordt letterlijk
tusschen zijn eigen soldaten gevangen genomen. Den naam van de Batterij
der Mannen zonder Vrees geeft hij aan een stelling, die onder zwaar vuur ligt
en haar verliezen dagelijks ziet stijgen, maar die nooit artilleristen te kort
komt, want daar willen al de artilleristen dienen, omdat hij zelf het vuur
leidt. Enkele paarden werden voor Toulon onder zijn lijf doodgeschoten en
voor de eerste maal werd hij gewond door een bajonet van een
Engelschman.

Hier had Napoleon de gelegenheid de kalmte en onverschrokkenheid van
Junot, toen sergeant bij een bataljon van de Côte d’Or op te merken bij het
springen van een granaat, waardoor het vel papier, dat Junot voor zich had,
met zand werd overdekt, maar hetgeen hem in het minst niet deed
opschrikken. Later werd Junot tot luitenant bevorderd en nam Napoleon hem
tot zijn adjudant.

Had Dugommier in zijn bulletin van den 1en December onder meer ook
Bonaparte genoemd, die hem vooral bij den uitval van O’Hara krachtig had
terzijde gestaan, meer lof oogstte hij in van den generaal du Teil, zijn
onmiddellijken chef; deze schreef aan den Minister van Oorlog: “Ik kan geen

Page 88

woorden genoeg vinden om U de verdiensten van Bonaparte te schetsen.
Evenveel zakenkennis als schranderheid bezit hij, doch hij is te vermetel.
Ziedaar een flauw beeld van dezen zeldzamen officier. Aan U, Minister, de
taak hem te verbinden aan den dienst der Republiek.”

Klein-Gibraltar eindelijk genomen en de verdere verdediging van Toulon
zoodoende onmogelijk geworden (18 December) stak de commandant der
Engelsche troepen de Fransche oorlogsvloot (ruim 50 vaartuigen) en het
arsenaal in brand, ging aan boord van zijn eigen schepen, zeilde weg en liet
de bevolking verder aan haar lot over. Toen de stad was genomen, maakte de
afgevaardigde Barras kort recht en werden vele verdedigers dood geschoten;
zoo wilde het de Conventie, want alle verraders moesten worden uitgeroeid.
Wel had de Republiek een zware slag getroffen, daar bijna de geheele vloot
in vlammen was opgegaan, maar toch was de vreugde groot, want Toulon
verlatende, hadden de Engelschen hun steunpunt in het Zuiden des lands
verloren.

Page 89

Bonaparte voor Toulon.

Reeds door de vertegenwoordigers voorloopig tot generaal
brigadecommandant benoemd, zag Napoleon zich in de eerste dagen van
Januari 1794 door het Comité de Salut Public in zijn nieuwen rang bevestigd
en werd hij tevens belast met het bevel over de artillerie bij het leger van

Page 90

Italië en met de bewapening van de kust. Twaalf duizend francs tractement
met vivres, vrij logies en emolumenten was een schat van belang. Hij zelf
dacht niet eens aan dat geld, Laetitia zooveel te meer, doch ook zij bleef
ondanks dezen onverwachten voorspoed uiterst zuinig en spoelde b.v. zelve
haar waschgoed in de beek voor haar huis nabij Antibes, waarheen haar zoon
in ’t voorjaar zijn hoofdkwartier verlegde en waar zij hem met de kleintjes
gevolgd was.

De zorg voor Louis had hij terstond weder op zich genomen, toen de knaap
uit angst voor ’t geen hij te Lyon gezien had niet had durven doorreizen naar
Châlons-sur-Saône om hier de lessen aan de artillerieschool te volgen; zelfs
had hij hem benoemd tot zijn adjudant en hem den luitenantsrang
geschonken bij een afdeeling vrijwillige artillerie, waarover hij had te
bevelen.

In die dagen maakte hij ook nader kennis met de jongste Robespierre, die
met Ricord als vertegenwoordiger der Conventie bij het leger van Italië was
geplaatst, Napoleon voor Toulon reeds aan het werk had gezien en thans een
door Bonaparte uitgewerkt en door den krijgsraad goedgekeurd
veldtochtsplan tegen de Oostenrijkers deed uitvoeren. Het succes was groot,
maar Bonaparte zelf had er niet veel eer van; in het rapport dienaangaande
kwam zijn naam zelfs niet voor. Was hij op Robespierre’s voorstel ingegaan,
dan had hij toen in de plaats van Henriot het commando kunnen krijgen over
de nationale garde te Parijs, doch het vooruitzicht chef te worden over een
bende halfgewapende, slecht gedisciplineerde burgers, trok hem, den
volbloed soldaat, niet aan; hij bedankte dus voor de eer, bleef in het Zuiden
en keerde tegen den zomer naar Nizza terug.

Jozef had inmiddels weder een bewijs gegeven van zijn “handigheid in
zaken” en had te Marseille kennis gemaakt met de oudste dochter van den in
Januari 1794 overleden koopman Clary. Mooi was ze niet, die Marie-Julie,
jong evenmin, maar vroom en milddadig, in den intiemen kring gevat,
geestig en—zeer rijk, want 150.000 francs, haar bruidschat, belegd in
nationale goederen, was bij den lagen koers der assignaten in die dagen een
groot fortuin. Op haar beurt zag de familie Clary een verbintenis met een
heer van adellijke afkomst, met goede manieren en een gunstig uiterlijk niet

Page 91

ongaarne; bovendien was Jozefs broer een generaal, die bij de Conventie
hoog stond aangeschreven en dit was vooral in dien tijd een niet gering te
schatten voordeel, want vele rijke kooplieden in Marseille waren reeds
gevallen, de gevangenissen met “verdachten” overvol en nog dagelijks
hadden arrestaties plaats, terwijl de opgelegde boetes vaak tienduizenden
francs beliepen.

Moeder Laetitia en haar dochters waren met het nieuwe familielid, dat zoo
rijk was en zoo bescheiden zeer ingenomen en den 1en Augustus 1794 werd
het huwelijk dus voltrokken en voelde Jozef zich nog meer dan vroeger als
oudste het hoofd der familie; wel gaven Louis en Pauline altijd aan
Napoleon de voorkeur, maar het was toch steeds Jozef, die ten slotte besliste,
terwijl Lucien en Marianne alleen van hem raad aannamen.

Niet zoo geheel ten onrechte vond de familie Bonaparte de
generaalsbetrekking van Napoleon in die dagen nog al precair en al stond hij
thans in hoog aanzien, de eigenaardige toestand in Frankrijk gaf niet zooveel
waarborgen, dat men van zijn hooge functie steeds zeker was.

Zonder dat hiervan in het zuiden toen nog iets bekend was, hadden te Parijs
inmiddels groote gebeurtenissen plaats gegrepen, die we vroeger beschreven.
Het Schrikbewind was den 9en Termidor gevallen, aan het rijk van
Robespierre was een einde gekomen. Nauwelijks was hiervan de tijding
doorgedrongen tot de representanten Albitte en Laporte, die zoowel over het
Alpenleger als over dat van Italië het toezicht uitoefenden en Bonaparte toch
reeds een kwaad hart toedroegen, of deze werd beschuldigd van landverraad
en op hun last gevangen genomen. Hij had op intiemen voet verkeerd met de
jonge Robespierre en Ricord; door hen was hij belast geworden met een
geheime zending naar Genua en hier zou hem door den vijand een millioen
francs zijn beloofd, bij elkander genomen, misdaden genoeg om een
generaal in die dagen naar het schavot te helpen. Laetitia had gelijk gehad
toen zij de positie van Jozef met het fortuin zijner vrouw achter zich, heel
wat meer soliede noemde dan die van haar tweeden zoon, al had deze nog
zooveel roem en eer behaald. Nu was hij gekerkerd.

Page 92

Het krachtige protest, waarmede Bonaparte tegen deze behandeling
opkwam, baatte hem niets. Hij had in zijn veldtochtsplannen met de
waardigheid der representanten niet de minste rekening gehouden; hij had
hun bevoegdheid tot oordeelen over militaire aangelegenheden niet erkend,
geen acht geslagen op hun persoonlijke belangen, bij veel van die volstrekt
niet onbaatzuchtige representanten een zaak van groot gewicht en hij was
dus in zekeren zin hun persoonlijke vijand geworden. Toen een ernstig
onderzoek zijner papieren tot niets leidde en hij zich omtrent die bevolen reis
naar Genua volkomen had kunnen verantwoorden, waren de representanten
wel verplicht den man voorloopig weder los te laten, “dien zij na de
terechtstelling van den samenzweerder Robespierre als maatregel van
algemeene veiligheid hadden doen gevangen nemen, maar die, zijn locale en
militaire kennis in aanmerking genomen, voor de Republiek van nut kon
wezen.”

Na dit bijna veertiendaagsch verblijf in den kerker had Bonaparte blijkbaar
spoedig het vertrouwen herwonnen, want half September reeds werd hij door
Saliceti, die bij zijn gevangenneming een vreemde rol had gespeeld, belast
met de voorbereiding eener nieuwe expeditie naar Corsica, dat nog altijd in
Engelsche handen was. Van deze gelegenheid maakte hij terstond gebruik
om Jozef te belasten met de goed betaalde functie van inspecteur over de
hospitalen te Toulon.

De expeditie zelve mislukte echter geheel, want tegen de Engelsche marine
waren de onervaren Fransche zeeofficieren met hun dappere, doch
tuchtelooze schepelingen niet opgewassen. Half Maart 1795 kwam het bevel
de landingstroepen weder te ontschepen en Napoleon had dus een half jaar
tevergeefs rusteloos gearbeid. Na een kortstondig verblijf te Marseille bij
zijn moeder, vertrok hij naar Parijs. Door een wijziging in de indeeling der
legers, die o.a. aan twintig divisie- en acht en vijftig brigade-generaals de
nonactiviteit had gebracht, was ook hij van zijn commando ontheven en
“zijn verdienste en zijn deugdelijke kennis in aanmerking genomen,” als
brigadegeneraal ingedeeld bij het leger in de Vendée, een regeling,
waartegen de toen zes en twintig jarige opperofficier in redelijkheid niets
kon aanvoeren, want hij bleef als chef gehandhaafd en werd niet gesteld
onder de bevelen van een ander.

Page 93

Veel haast om zijn bestemming te bereiken maakte hij intusschen niet; hij
nam Junot benevens den kapitein der artillerie Marmont als adjudanten
mede, bleef zelfs eenige dagen te Châtillon bij den vader van Marmont
logeeren, gaf Louis, dien hij weder tot zich had genomen, tegelijkertijd nog
dagelijks les in wiskunde met het plan hem op de militaire school van
Châlons te plaatsen, als hij geen brevet van luitenant der artillerie voor hem
machtig kon worden. Eindelijk te Parijs gekomen, vond hij de toestanden
hier geheel gewijzigd.

Enkele dagen te voren was een opstand uitgebroken in de hoofdstad onder de
uiterste Jacobijnen, de zittingzaal der Conventie was men binnengestormd,
bloed had gevloeid en een nieuwe periode van ellende en doodsangst had
gedreigd, maar ten slotte hadden de gematigden en het goedgezinde deel der
burgerij de zege behaald en de rust was hersteld. Het gevolg hiervan was
geweest, dat eene heftige vervolging was begonnen tegen al wat met
Robespierre en de Jacobijnen in betrekking had gestaan; generaal Menou
was benoemd tot commandant der gewapende macht te Parijs, terwijl het
beheer over de legerzaken o.a. aan een oud-girondijn, den kapitein der
artillerie Aubry was opgedragen; bovendien waren de invloedrijke kennissen
van Bonaparte als Saliceti, Barras, Ricord en Fréron òf verbannen òf onder
toezicht gesteld. Weldra zou hij nogmaals ondervinden hoe gevaarlijk zijn
vroegere vertrouwelijkheid met de Jacobijnsche partijhoofden was geweest;
reeds enkele dagen later ontving hij bericht, dat hij bij het leger in de Vendée
was ingedeeld, niet als generaal der artillerie, doch als commandant eener
brigade infanterie.

Wat was dat! Hij de volbloed-artillerist, met zijn vooroordeel tegen de
officieren van andere wapens, geplaatst bij de infanterie, gedegradeerd dus!
Dit was te veel! Hij liep naar Aubry, vorderde zijn vroeger commando terug,
doch ontving een weigerend antwoord. “Hij was nog veel te jong voor zulk
een positie,” zei Aubry, jaloersch op het succes van zijn wapenbroeder. “Op
het slagveld gaat die jeugd snel voorbij en van het slagveld kom ik, gaf
Bonaparte den ander, die nog nooit kruitdamp had geroken, ten antwoord;
zijn protest hielp hem niet, het besluit bleef gehandhaafd. Om den schijn te
redden zond Bonaparte zijn paarden en bagage vooruit naar Nantes, maar
meldde zich tevens ziek en bleef te Parijs. Ziek was hij werkelijk in den

Page 94

zomer van 1795, zielsziek, al was daarvan in zijn brieven aan Jozef “zijn
eenigen vriend,” zooals hij hem toen steeds betitelde, niet zooveel te
bespeuren. Met een ouden, diep in de oogen gedrukten hoed op, gedoken in
de later zoo vermaard geworden grijze jas, met scheef geloopen vuile laarzen
aan, met bloote slecht verzorgde handen en het lange haar in twee tressen
oreilles de chien langs de ooren afhangende, een echt beeld van armoede en
verwaarloozing, sloop hij langs de straten.

Zijn moedeloosheid vooral betreffende zijn toekomst als officier bleek
duidelijk uit een brief aan Jozef, aan wien hij schreef: “Aan het leven hecht
ik zeer weinig; zonder bezorgdheid sla ik het gade; ik verkeer voortdurend in
den zielstoestand van den soldaat aan den vooravond van een veldslag.
Innig overtuigd, dat wanneer de dood om ons heen waart om aan alles
eensklaps een einde te maken, bekommerd zijn een dwaasheid is, doet alles
mij het noodlot trotseeren. Houdt die toestand aan, dan zal het slot wezen,
dat ik voor een naderend rijtuig niet eens meer uit den weg ga.”

Een enkele maal vertoonde hij zich bij de familie Permon en bij zijn ouden
schoolmakker de Bourrienne, maar in zijn droefgeestigen toestand bracht
zulk een bezoek geen verbetering. In die dagen rees weder de gedachte bij
hem op, om dienst te gaan nemen in Turkije bij de artillerie van den Grooten
Heer, die zijn leger wilde organiseeren en om officieren had verzocht; dan
zou hij niet bij de toen nog zoo geminachte infanterie1 behoeven te dienen,
want hij zou er als generaal van de artillerie heengaan en wilde Jozef tevens
meenemen, die, geschrapt van de lijst voor oorlogscommissaris, naar
Marseille en daarop met vrouw en schoonzuster naar Genua was gegaan.

Ook liep hij met huwelijksplannen rond; als hij eens in het huwelijk trad met
Désirée Clary, de schoonzuster van Jozef, “dien gelukkigen schelm,” zooals
hij zijn broer had genoemd, toen hij van diens verbintenis met Julie had
vernomen.

Jozef en Julie hadden zulk een huwelijk niet ongaarne gezien, doch, hoewel
Désirée Napoleon wel genegen was, schreef zij hem naar zijn zin te weinig
en langzamerhand verflauwden zijn attenties voor haar.

Page 95

Niettegenstaande deze voor Napoleon zoo treurigen toestand verloor hij zijn
familie niet uit het oog en bleef niet minder werkzaam voor hen, wanneer dit
noodig was. Lucien had niet alleen zijn baantje weder verloren, maar was
door zijn vijanden uit wraakzucht, voor ’t geen hij indertijd te Saint-
Maximin had uitgericht, te Aix gevangen gezet en liep als zooveel anderen,
dus groot gevaar voor zijn leven.

Nauwelijks had Bonaparte hiervan bericht ontvangen, of hij rustte niet
voordat hij van het Comité van algemeene veiligheid een bevel tot zijn
invrijheidstelling had gekregen; hij zond hem zelfs geld, zocht een baantje
voor hem en liet hem ten slotte bij zich te Parijs komen. Ook voor Jozef was
hij werkzaam, en toen de kans op oorlogscommissaris was verkeken, poogde
Napoleon voor hem een consulaat te krijgen in een der havens van Italië,
maar broerlief was bijster kieskeurig. Van zulk een post op Chio b. v. was hij
niet gediend. Consul op een eiland! Wat was dat nu voor hem, zoo’n knap,
zoo’n groot man, die op Corsica reeds zooveel hooge betrekkingen had
bekleed. Iets beters moest Napoleon voor hem, het hoofd van het geslacht,
dus zien machtig te worden en nogmaals toog Bonaparte aan den arbeid.

Voor Louis, zijn troetelkind had hij op de militaire school inmiddels een
plaats gekregen en met schier vaderlijken trots volgde hij zijn vorderingen
en geraakte over, “dien besten, braven, vlijtigen, goedhartigen” jongen in
zijn brieven niet uitgepraat.

Dan was Jérôme er nog. Die knaap was nu bijna elf jaar en had door den
loop der omstandigheden maar zeer weinig onderwijs genoten, doch hij
verlangde naar Parijs! Broer “Napolione” moest daar een kostschool voor
hem zoeken, maar voorloopig kon hiervan echter niets komen, want de
kostscholen waren gesloten. Aldus aanhoudend vervuld met de zorg voor
zijn familie, doolde de zwaarmoedige jonge man in die zomerdagen door
Parijs, tot Aubry half Augustus werd vervangen door Doulcet de
Pontécoulant.

Door het lid der Conventie Boissy d’ Anglas op Bonaparte gewezen als op
“een generaal die van het leger van Italië kwam en blijkbaar met kennis van
zaken daarover sprak,” verzocht Pontécoulant “dien jonkman met zijn
doodsbleek, vervallen gelaat, gebogen rug en ziekelijk uiterlijk” bij hem te

Page 96

komen op het bureau van Oorlog en plaatste hem bij de afdeeling, belast met
het ontwerpen der veldtochtsplannen en met het toezicht op de operaties te
land en ter zee. Deze gelegenheid om weder aan het werk te komen, greep
Bonaparte gretig aan; in de volgende weken ontwierp hij het plan van aanval
op de Oostenrijkers, dat hij weinige maanden later geroepen zou worden zelf
uit te voeren en waardoor zijn naam in een goudglans zou schitteren voor de
oogen van gansch Europa, tevens verzocht hij de Pontécoulant hem weder te
plaatsen in het actieve leger bij de artillerie.

De officieren aan de bureaux van oorlog, jaloersch op hun jongen
krijgsmakker, die het reeds zoover had gebracht, staken echter een spaak in
’t wiel. Letourneur, de Pontécoulants opvolger, te voren chef van het
personeel bij oorlog, 45 jaar oud en eerst kapitein, was Bonaparte, die een
domoor en betweter zoo vinnig en ongezouten op zijn plaats kon zetten,
volstrekt niet genegen en weigerde aan zijn verzoek te voldoen. Daarop nam
Bonaparte zijn ontslag van het bureau en begon nogmaals werk te maken
van een detacheering bij het leger van den Sultan. Ook het Comité de Salut
Public had daar wel ooren naar; daarin zaten mannen, die zijn verdiensten
erkenden o. a. Jean Debry. “Eerst behoort het Comité dien opperofficier te
beloonen voor de door hem bewezen diensten en hem dus te bevorderen; dan
kan er later beslist worden als hij bij zijn verzoek mocht blijven,” zei hij o. a.
bij de beraadslaging over dit punt.2

Gesteund door Barras en Fréron begonnen Bonaparte’s kansen dus zeer mooi
te staan. Het geld voor de expeditie was reeds gevonden. Zelf schreef hij aan
Jozef “dat het besluit reeds zou zijn geteekend en de datum van het vertrek
vastgesteld als er te Parijs bij de partij der reactie niet zooveel gisting
heerschte.” Binnen enkele dagen zou echter alles wel zijn afgeloopen schreef
hij verder. Dat die partij de zege zou wegdragen duchtte hij niet. “De genius
der vrijheid verlaat haar verdedigers niet,” schreef hij.

Onbezorgd begon hij de toekomst weder in te zien; zijn gansche
wijsbegeerte, waaruit het fatalisme blijkt, dat hij zich toen tot levensleer en
levensregel had gekozen was vervat in zijn: “In ’t verschiet zie ik alleen
liefelijke beelden; zelfs al ware zulks het geval niet, is het toch zaak te leven
bij den dag. Een man van moed rekent niet met de toekomst.”

Page 97

Tien dagen later, op 5 October 1795, 13 Vendémiaire zou in die toekomst, in
zijn gansche bestaan, zijn denken en zijn handelen een volslagen omkeer
worden gebracht.

1 Later zou hij tot andere gedachten komen. Slechts één opperofficier der artillerie is door hem tot
maarschalk benoemd (Marmont) en dit geschiedde dan nog alleen uit oude relatie.

2 Hoewel Bonaparte’s positie bij het leger den 13en Fructidor volkomen in den vorm was geregeld,
nam het Comité zestien dagen later, op dienzelfden datum dus, dat zijn verzoek om detacheering daar
in behandeling kwam, een besluit, waarbij hij van de lijst der actief dienende generaals werd
geschrapt. Wat een janboel dus!

Page 98

Page 99

Hoofdstuk IV.

Page 100

13 Vendémiaire. Joséphine.

Nadat de constitutie van het jaar III met een Directoire
van vijf leden als uitvoerende macht den 22en Augustus
1795 was aangenomen, moesten de leden van het
wetgevend lichaam worden gekozen. Reeds vleiden
zich de royalisten en de emigrés, die in de laatste
maanden bij duizenden in het land teruggekeerd of uit hun schuilhoeken te
voorschijn gekomen waren, dat zij bij die verkiezingen verreweg de
meerderheid zouden hebben, waardoor hun kansen bij een
tegenomwenteling dus aanmerkelijk moesten vermeerderen, toen een decreet
der Conventie besliste, dat de Raad van Vijfhonderd voor twee derden zou
bestaan uit haar vroegere leden. Waren dit dezelfde mannen, die den 10en
Augustus 1792 tot den val van het koningschap hun steun hadden verleend
en later over Lodewijk XVI het doodvonnis hadden uitgesproken? Zeker het
waren deze volbloed republikeinen, maar tevens de mannen, die drie jaar
lang tegenover gansch Europa pal hadden gestaan en door bijna
ongeloofelijke bewijzen van volharding en energie Frankrijk van de vreemde
overheersching hadden gered.

De royalisten, de emigrés en de rijke burgerij te Parijs zagen in dit decreet
een terugkeer naar den tijd van la Terreur en de heerschappij der guillotine.
In de meeste verkiezingssectiën te Parijs werd het dus verworpen, in de
departementen echter met overgroote meerderheid aangenomen. Niettemin
besloten de royalisten, van ouds wetende, dat hetgeen in de hoofdstad
geschiedde, in de departementen meestal navolging vond, een poging te
doen om weder op het kussen te komen. Te Parijs lag slechts een bezetting
van enkele duizenden soldaten, zij hadden de sectiën en wel 40.000
aanhangers achter zich; de kansen stonden dus mooi. In de sectiën
Lepelletier, Luxembourg, le Temple enz., waar de rijken de meerderheid
vormden, werd den 12en Vendémiaire (4 October) openlijk verzet tegen de

Page 101

Conventie afgekondigd; wapens werden rondgedeeld en onder de burgerij
het gerucht verspreid, dat de regeering terug wilde naar de dagen van het
schrikbewind.

In dezen uitersten nood was voor de Conventie krachtig ingrijpen een eerste
vereischte; generaal Menou, commandant van de troepenmacht in Parijs, die
de opstand niet vermocht te dempen, ja het verzet der royalisten door zijn
slap optreden nog had versterkt, werd gevangen genomen; Barras kwam in
zijn plaats, maar als leider van soldaten volkomen ongeschikt, nam hij o.a.
op raad van Carnot, Bonaparte als tweede bevelhebber. “De degen eenmaal
getrokken, zou niet meer worden opgestoken voor de orde was hersteld,”
had Napoleon aan Barras gezegd, toen hij het commando aannam. En hij
hield woord.

Toen in den laten namiddag van den 13en Vendémiaire de opstandelingen
van verschillende zijden oprukten, werden ze zoo krachtig door de troepen
van de Conventie ontvangen, dat het verzet werd gebroken; aan het beleid
van Bonaparte dankte de Conventie haar behoud, want hij, niet Barras, was
de ziel der verdediging geweest.

De Conventie toonde zich niet ondankbaar, tien dagen later benoemde ze
hem tot divisiegeneraal bij de artillerie, nog tien dagen later tot
opperbevelhebber van het leger in het binnenland. Barras was lid geworden
van het Directoire.

Uit was het ineens met de plannen om naar Turkije te gaan. In drie weken
tijd had Bonaparte een standpunt bereikt, zoo hoog, dat de invloed der
bureaux van Oorlog hem niet meer kon schaden; weder “kon hij dienen en
nuttig zijn.” Een zee van werk wachtte hem, want alleen de reorganisatie der
nationale garde—honderd en vier bataljons—was een reuzentaak; hier tegen
zag hij niet op. De legermacht te Parijs bracht hij samen in één kamp. De
oud-militairen, die hem den 13en Vendémiaire vrijwillig hun hulp hadden
aangeboden vereenigde hij tot een korps; voor het Directoire en de beide
Raden schiep hij een lijfwacht en bracht aldus binnen enkele maanden in en
om de hoofdstad een macht bijeen, groot genoeg om het gepeupel in
bedwang te houden, dat honger leed, de waarde van het papieren geld met

Page 102

den dag zag verminderen en dus weinig aanmoediging noodig had om tot
oproer over te slaan. Die militaire macht diende tevens om de Jacobijnen
ontzag in te boezemen, die zich hadden vereenigd onder den naam van de
Club van ’t Panthéon en opnieuw den kop begonnen op te steken.

Ook op zijn moreele leven deed deze reusachtige omkeer in zijn lot terstond
zijn invloed gevoelen. Hij leefde letterlijk geheel op; het armoedige vertrekje
in een klein logement, dat hem zoolang tot woning had gediend, verwisselde
hij met een ruim hotel op den boulevard, hij schafte zich paard en rijtuig aan,
huurde een loge in de comedie en liet zich een nieuwe uniform maken,
stellig geen weelde, want de tegenwoordige was tot op den draad versleten.
Tevens begon hij voor zijn moeder te zorgen, zond haar eenige duizenden
baar geld en assignaten en herhaalde die zendingen geregeld iedere maand.
“Mama is van alles overvloedig voorzien; ik heb haar zestig duizend francs
doen toekomen” kon hij in Januari 1796 aan Jozef melden. Ondanks al zijn
werk bleef hij ook voortdurend vervuld met het lot en de belangen van zijn
broers. Louis heeft hij terstond een luitenantsbrevet doen geven en hem
opgenomen in zijn staf. Lucien, die armoede geleden en gevangen gezeten
had, bezorgde hij een betrekking als Commissaris van Oorlog bij het leger
van het Noorden.

Veel eer legde hij hiermee echter niet in, want Lucien vond het leven te
Parijs, waar hij nu op kosten van broer Napoleon mocht rondscharrelen, zoo
heerlijk, dat hij eerst in Februari 1796 afreisde naar Gorinchem. Reeds in die
dagen bleek, dat de man voor geregelden, gezetten arbeid alle lust en
geschiktheid ontbrak; op de tribune disputeeren met de Jacobijnen en
royalisten ging hem beter af, maar tucht en plichtsgevoel waren hem
onbekend.

Eindelijk werd de toekomst van Jozef, zijn boezemvriend, den broeder
“wiens afwezigheid hij dagelijks sterker gevoelde” een voorwerp van zijn
zorg. Jozef verveelde zich te Genua en wilde consul worden; ook wilde hij
deelnemen aan de uitrusting van twee kaperschepen. “Kom naar Parijs; hier
staan tafel en bed, paard en rijtuig tot je beschikking. Ik mis je bijzijn in zoo
hoog mate” schreef Napoleon hem. Ook Jérôme vergat hij niet, maar plaatste
hem te Parijs voor zijn rekening op een kostschool. Naar waarheid mocht hij

Page 103

dus aan Jozef schrijven, dat hij niet meer kon doen, dan hij voor allen deed,
want na zijn naaste familie kwamen de neefjes en verdere bloedverwanten
als oom Fesch, Ramolino en anderen aan de beurt.

Of de op deze wijze door hem bevoordeelden hem erkentelijk waren? Wel
neen! Volgens de Corsicaansche begrippen deed hij hiermede slechts zijn
plicht tegenover den clan. Het geluk had hem gediend; nu had hij ook te
zorgen, dat zijn gansche geslacht hierin deelde. Of de leden hiervan eenige
geschiktheid bezaten voor de betrekkingen, waartoe ze door dit begrip van
nepotisme werden geroepen, werd niet gevraagd. Had Bonaparte, keizer
geworden, aan het verlangen van den clan en in de eerste plaats van zijn
moeder voldaan, dan had hij niet alleen Corsica maar gansch Frankrijk aan
zijn bloedverwanten ten prooi gegeven om het naar hartelust te exploiteeren
en voor eigen voordeel te gebruiken, doch aan dezen drang heeft hij echter
niet toegegeven; hij heeft Frankrijk tegen dezen inval behoed en hierdoor
alleen reeds den dank der natie verdiend, maar de Corsicanen hebben hem
deze tekortkoming tegenover hen nooit vergeven.

Dit vooropgesteld, zal men zich eenig begrip kunnen vormen van de
toornige verbazing in den ganschen clan, toen de tijding kwam, dat
Napoleon den 9en Maart 1796, zonder eenig lid der familie hierin te kennen,
was gehuwd met een dame uit de Parijsche groote wereld, met de weduwe
van den in 1794 onthoofden burggraaf de Beauharnais, een vrouw, die reeds
twee groote kinderen had, die, al werd het tegendeel beweerd, geen fortuin
bezat en op wier zedelijk gedrag heel wat viel af te dingen. Moeder Laetitia
was verontwaardigd, dat haar toestemming niet was gevraagd; de zusters
werden terstond in hooge mate afgunstig op een schoonzuster, die
burggravin was, die heel andere manieren had dan zij en die haar met haar
mooie, rijke toiletten stellig zou overschaduwen; en de broers, doch vooral
Lucien, die haar te Parijs een paar maal had gezien en haar een “oude
vrouw” noemde, begonnen terstond tegenover haar voet te geven aan een
vijandige gezindheid, welke haar oorsprong vond in minachting en jaloezie,
die slechts zelden uitkwam door een daad, doch die Joséphine niettemin
bijna tot aan haar dood heeft vervolgd. Door het huwelijk met hun broer, had
zij hen volgens Corsicaansche begrippen, in hun rechten op diens fortuin te
kort gedaan; dit kon haar niet worden vergeven.

Page 104

Hoe Bonaparte tot zulk een vrijwel onberaden echtverbintenis was
gekomen?

Als zooveel andere mannen van zijn leeftijd had hij vroeger reeds
trouwplannen gekoesterd; we zagen, hoe hij Désirée Clary het hof had
gemaakt, maar tot een huwelijk was het niet gekomen. Zijn verblijf te Parijs
na Mei 1795 had in zijn denken en doen een geduchte verandering gebracht.
Een brief van 7 Juli van dat jaar aan Jozef, voor wien hij geen geheimen had,
getuigt van den diepen indruk door die oplevende, genotzoekende groote
stad teweeggebracht op hem, den grasgroenen provinciaal, die tot nog toe
meer bij een bivakvuur dan naast een salonhaard gezeten had en armoedig en
gestreng republikeinsch was opgevoed.

“Weelde, genotzucht en kunst herleven verbazend snel,” schreef hij. “Een
Louis d’or geldt hier 750 francs in papier. Gisteren werd Phèdre opgevoerd
ten bate eener voormalige actrice; driedubbele prijzen werden gevraagd, toch
was de zaal stampvol. Equipages, mooie toiletten bij de vleet, alsof ze nooit
waren weg geweest. Al wat afleiding en genot kan verschaffen is hier bijeen.
In de comedie, op de wandelingen, in de bibliotheken, overal ziet men
vrouwen. Dit is de eenige plaats ter wereld, waar deze verdienen het roer in
handen te hebben. De mannen zijn dan ook op haar verzot, denken alleen
aan haar, leven alleen voor en door haar. Zes maanden hier en een vrouw
weet precies wat men haar verschuldigd, hoe groot haar macht is.”

In September had hij de kleine, bescheiden Désirée nog niet vergeten en
verzocht hij Jozef zelfs, hem een beslissend antwoord te zenden op zijn
vraag of zij hem genegen was. Dit antwoord liet zich wachten. De 13en
Vendémiaire bracht den halfvergeten veroveraar van Toulon met één ruk op
den voorgrond. Al de salons stonden eensklaps wagenwijd voor hem open en
bij de beeldschoone mevrouw Tallien, de zeer intieme vriendin van Barras,
maakte hij voor de eerste maal wat nader kennis met Joséphine de
Beauharnais. Tot nu toe had hij haar slechts uit de verte gezien. Verblindend,
overweldigend was de indruk, door haar, de dame uit de groote wereld, op
zijn hart en zijn zinnen gemaakt en het duurde niet lang of hij verzocht haar
een bezoek te mogen brengen. De omvang zijner dagelijksche bezigheden

Page 105

schijnt hem echter belet te hebben die bezoeken dikwijls te herhalen, want
den 28en October schreef zij hem:

“Gij komt niet meer bij een vriendin, die u zeer genegen is; hebt gij haar
vergeten? Dit is niet lief van u, want zij bemint u.—Kom morgen bij mij
dejeuneeren; ik moet eens met u praten over uw belangen. Bonsoir mijn
vriend. Ik omhels u.

Weduwe Beauharnais.”

Bonaparte kwam; weldra bestond tusschen beiden een intieme verhouding,
in die dagen volstrekt niets vreemds in die kringen. Joséphine had toen reeds
een veel bewogen leven achter zich. Geboren op Martinique, creoolsche van
afkomst, was mejuffrouw Tascher de la Pagerie op zestienjarigen leeftijd
gehuwd met de Beauharnais.

In 1779 had deze haar meegenomen naar Parijs, haar bedrogen en verlaten,
al bestond daarvoor geen enkele reden en zich eerst in de dagen der revolutie
met haar verzoend. Aan het hof was zij nooit toegelaten. Een korte poos,
toen de generaal voorzitter was van de Constituante en daarna
opperbevelhebber van het Rijnleger, was zij te Parijs gelukkig geweest, had
ze een salon gehad en gasten ontvangen.

Het schrikbewind had aan al dit fraais met één slag een einde gemaakt; de
Beauharnais was gevangen genomen en onthoofd; zij zelve in den kerker
geworpen. Hier had zij kennis gemaakt met Thérèse de Fontenay, een dame,
die den afgevaardigde Tallien in haar netten had gevangen, die dezen
gewetenloozen republikein haar hand had beloofd, als hij haar de vrijheid
wist terug te bezorgen. Zij had Joséphine’s bevrijding eveneens bewerkt.

Dus als door een wonder ontkomen aan den dood op het schavot, zoo goed
als geruïneerd, zonder vooruitzichten, was Joséphine met haar twee
kinderen, gesteund door enkele vriendinnen en door enkele heeren, met wie
zij in de gevangenis had kennis gemaakt, een leven begonnen, dat haar
goeden naam schade deed. Door geld te leenen en rechts en links schulden te
maken, vond zij de middelen om tijdelijk een eigen staat te voeren, rijtuig te
houden en in de rue Chantereine, aan ’t einde der stad, een klein hotel te

Page 106

huren, dat weinig meer dan een drietal bruikbare kamers en een stal bevatte.
Met zijn sofa’s en in alle hoeken verspreide mahonie- en citroenhouten
tafeltjes met marmeren bladen en verguld koperen versiersels, maakte ’t
geheel voor een leek toch eenige vertooning. Een paar groote glazen kasten
met verzilverd eetservies,—van echt zilver waren slechts een dozijn lepels
en vorken voorhanden—werkten hiertoe mede.

Ook in Joséphine’s linnenkast heerschte geen weelde. Wel zestien japonnen
benevens eenige shawls, doch bijster weinig ondergoed—b.v. slechts zes
rokken—was er in te vinden. Aan het uiterlijk was blijkbaar alles
opgeofferd.

Van die vergulde armoede had Bonaparte, op dit gebied zelf volstrekt niet
verwend, bij zijn eerste bezoek echter niets bespeurd; hij had slechts oogen
gehad voor de dame, die hem ontving, die een stem had als muziek, de
mooiste kleine handjes en voetjes, welke hij nog ooit had gezien en wier
fluweelzachte oogen met lange, gebogen wimpers, guitig uitdagend
wipneusje en glimlachend lief mondje met een licht gepoederde blonde
pruik,—de mode dier dagen—een allervriendelijkst geheel vormden.

Dat haar tanden toen reeds veel hadden geleden, dat poeder en blanketsel
reeds te hulp waren geroepen om de eerste sporen van verval te verbergen,
zag hij niet; dat Hortense, het veertienjarige dochtertje, bij madame Campan
op kostschool, haar “engelachtig moedertje” de hoogst enkele maal, dat deze
haar kwam bezoeken, om die reden alleen onder de kin een zoentje mocht
geven, wist hij niet; hij zag slechts háár. Désirée Clary was vergeten; aan
mevrouw Permon, die weduwe geworden en daarop zonder succes door hem
ten huwelijk was gevraagd, dacht hij niet meer; dat Joséphine zes jaar ouder
was dan hij, wilde hij niet weten; dat Ségur, de Caulaincourt en andere
heeren van “het oude hof” bijzonder vertrouwelijk met haar omgingen, doch
zich nooit met hun vrouw bij haar vertoonden, zag hij niet en evenmin
deerde het den verliefden man, dat zij Tallien en Barras onder haar
allerintiemste kennissen telde. De liefde, die zoo dikwijls spot met vormen
en zedelijkheid, ja met alles, had zijn jong zuidelijk bloed aan ’t gisten
gebracht. Van nu af zou ondanks alles, jaren lang slechts één vrouw ter
wereld voor hem bestaan, zijn Joséphine.

Page 107

“Ze waren “doodelijk” van elkander,” schreef een tijdgenoot, die het weten
kòn. Doch wist hij het wel?—Op Bonaparte was dat “doodelijk” in den
ruimsten zin des woords toepasselijk; alleen in haar nabijheid voelde hij zich
gelukkig. Bij haar was het effect, door zijn onstuimigen blinden hartstocht
op haar creoolsche natuur aanvankelijk teweeggebracht, weldra sterk
verminderd en door verzadiging gevolgd. Toen hij haar in ’t begin van 1796
ten huwelijk vroeg, was zijn persoon haar zelfs tamelijk onverschillig
geworden. Toch nam zij zijn aanzoek aan, zoogenaamd omdat zij haar
kinderen, om wie zij zich echter nooit veel had bekreund, hierdoor een
tweeden vader schonk, maar feitelijk omdat haar geldmiddelen zoo goed als
uitgeput waren, haar jeugd haar verliet, de kans op beter dus zeer gering
voor haar werd en mevrouw Tallien en Barras haar verzekerden, dat hij
weldra in Italië opperbevelhebber zou worden en zij, mocht hij komen te
vallen, in elk geval pensioen kreeg, en eindelijk omdat zij, evenals bijna al
de vrouwen uit dien tijd, bijgeloovig was en haar indertijd op Martinique
door een oude negerin was voorspeld, dat zij nog eenmaal een kroon dragen
zou. Beviel het huwelijk haar niet, dan was echtscheiding bovendien altijd
een eenvoudig middel om een band te verbreken, waaraan de geestelijke
wijding toch ontbrak. Zij nam dus zijn aanzoek aan. Den 8en Maart 1796
werd een contract geteekend, waarbij o.a. alle gemeenschap van goederen
tusschen beiden was uitgesloten; Joséphine bleef voogdes over haar kinderen
en Bonaparte bracht, zooals de notaris Raguideau terecht opmerkte, niets
mede ten huwelijk dan “mantel en degen.”

Met Barras, Tallien, Lemarrois, een adjudant van Bonaparte en Calmelet,
Joséphine’s zaakwaarnemer als eenige getuigen, werd de echtverbintenis den
9en zonder eenig uiterlijk vertoon gesloten. Twee dagen later reeds was
Bonaparte als opperbevelhebber op weg naar het leger van Italië. Barras had
goed gezien; het Directoire had den jeugdigen generaal het veldtochtsplan
ter uitvoering gegeven, dat deze het jaar te voren bij het departement van
Oorlog zelf had ontworpen en dat Scherer als het werk van een gek had
verklaard en als te dolzinnig en te vermetel niet had aangedurfd. Joséphine
bleef achter in het hotel van de rue Chantereine, deed voorloopig geen
afstand van haar vroegeren naam en bleef dus “de weduwe Beauharnais”
bracht ook in haar levenswijze, haar pretjes en haar gewoonten geen
verandering en gunde zich vaak niet eens den tijd om de van liefde en

Page 108

hartstocht gloeiende epistels te lezen, die haar man, al had hij ’t nog zoo
druk, bijna dagelijks met iederen koerier toezond. Eén uit velen vinde hier
een plaats:

“Als ik op ’t punt sta mijn bestaan te verwenschen, breng ik de hand naar
mijn hart; daar rust je portret. Ik bekijk het en de liefde is voor mij het
volmaakte geluk; alles lacht mij toe behalve de tijd, dien ik doorbreng buiten
het bijzijn van mijn hartsvriendin.”

Met die beeltenis voor zich deed hij iederen avond zijn gebed; toen het glas
er van brak, was hij de wanhoop nabij.

Page 109

Hoofdstuk V.

Page 110

De Veldtocht in Italië. 1796.

Niet zonder grond hadden de hem vijandig gezinde
Parijsche blaadjes bij zijn vertrek den draak gestoken
met zijn nieuw commando, want het leger van nog geen
veertig duizend man, dat hij te Nizza gekomen, met het
front naar het Noorden tusschen de Var en de
Apennijnen vond staan, geleek meer op een bende in lompen gehulde
uitgehongerde landslieden met stukken boomschors tot schoeisel, dan op een
geregelden soldatentroep. De paarden waren tot geraamten afgevallen; soldij
was in maanden niet uitbetaald; vivres waren in even zooveel tijd niet
verstrekt. Van roof en plundering werd geleefd. Kort na zijn komst schreef
hij dus terecht aan het Directoire: “De soldaat zonder voedsel komt tot
uitbarstingen van woede, die iemand doen blozen mensch te heeten. De
inname van Ceva en Mondovi kan in de behoefte voorzien en ik zal
vreeswekkende voorbeelden stellen. Tot orde en krijgstucht zal ik die
struikroovers dwingen, of ik leg het bevel er over neder.”

Een leger van vijftigduizend man had hij gevraagd; geen enkelen soldaat had
men hem toegezonden; zoo schraal was zijn krijgskas voorzien, dat hij de
generaals bij zijn komst ieder slechts tachtig francs in goud kon ter hand
stellen in mindering op hun achterstallig tractement. Hij zelf door de
grenadiers vóór zijn komst spottend “Generaal Vendémiaire” genoemd,
genoot niet het minste vertrouwen; bijna niemand kende hem. Toch aarzelde
hij geen seconde.

Nog geen uur was hij in zijn hoofdkwartier of hij had de sterktestaten ter
hand genomen, den kolonel Berthier, een werkkracht bij uitnemendheid, tot
zijn chef van den staf benoemd en zich op de hoogte gesteld van den
toestand.

Page 111

Als divisie-generaals had hij Massena, een Italiaan, ongeletterd maar
schrander, vindingrijk in ’t gevaar en ongelooflijk taai en volhardend, den
reusachtigen Augereau, een Parijzenaar uit de voorsteden, vroeger
onderofficier-schermmeester, dapper als staal en zeer gezien bij den troep,
voorts Laharpe, een Zwitser van den goeden stempel en Serurier, een
voormalig majoor van het koninklijke leger, Steingel een Elzasser van
geboorte en volgens Napoleon een uitmuntende voorhoede-generaal. Het
vertrouwen te winnen zijner onderbevelhebbers en de liefde zijner krijgers
was voor hem thans een eerste vereischte; hij wist dat hem hiertoe slechts
één middel ten dienste stond, den vijand aan te grijpen en te verslaan.
Terstond gaf hij hiertoe bevelen. Te Albenga sprak hij de officieren toe, deed
een beroep op hun moed en plichtsgevoel en wees hun op het land aan de
overzijde van de Apennijnen, waar ze ruimschoots zouden beloond worden
voor hetgeen ze tot nu toe hadden ontbeerd.

Reeds kort na aankomst te Nizza had hij zijn soldaten gezegd; “Gij hebt
reeds genoeg ellende doorstaan; ik zal er een einde aan maken,” en
wijzende in de richting Piëmont, “daar zullen we brood, magazijnen,
kleederen, artillerie, paarden en geld voor belooning ontvangen. Weg met
alle hindernissen tusschen ons en den vijand; met de bajonet moet ge hem
altijd op ’t lijf vallen.”

Door deze kernachtige woorden won hij het vertrouwen zijner soldaten en
had hij bij hen het pleit reeds gewonnen. De uitbetaling van een deel der
achterstallige soldij deed de rest.

Reeds den 5en April stond hij bij Albenga, tachtig kilometer ten oosten van
Nizza; in dien zelfden tijd hadden de Sardiniërs, ongeveer vijf en twintig
duizend man sterk, onder Colli bij Ceva in ’t gebergte, een sterkte
ingenomen op den rechter vleugel van Beaulieu. Deze was met een circa
tweemaal zoo sterke macht door Lombardije gemarcheerd naar Genua om
hier gemeenschap te zoeken met de Engelsche vloot en op te treden tegen de
Franschen aan de Var. Een deel zijner macht stond bij Dego, ten noorden van
de Alpen, zijn centrum onder d’Argenteau hield bij Montenotte de hoogste
toppen bezet; zijn linkervleugel, evenals de andere afdeelingen front
makende naar het westen, was Genua gepasseerd en tusschen de bergen en

Page 112

de zee opgesteld. Viel Bonaparte, die oprukte in de richting van deze stad,
hem nu aan, dan kon d’Argenteau, rekende hij, uit het gebergte komende, de
Franschen bij Savona in de linkerflank vallen en in zee werpen.

Den 11en April stiet Beaulieu inderdaad op Laharpe, die de Fransche
voorhoede commandeerde, en wierp hem terug, doch in den daarop
volgenden nacht gaf Bonaparte, door het onverzettelijk standhouden van den
kolonel Rampon bij Montenotte hierin ridderlijk gesteund, uitvoering aan het
plan, dat hij had ontworpen. Terwijl hij zijn voorposten tegenover Beaulieu
liet staan, zond hij de divisie Laharpe, door Augereau als reserve gevolgd,
naar Montenotte, Massena langs een omweg door ’t gebergte in
d’Argenteau’s rug, greep hem aan, sloeg hem met zwaar verlies terug naar
Dego, en bereikte het dal van de Bormida nog denzelfden dag; hier stond hij
nu midden tusschen de bondgenooten in, links van hem de Sardiniërs, die de
bergpassen van Millesimo bezet hielden en Turijn dekten, rechts slechts
enkele in het gebergte verspreide, zwakke Oostenrijksche afdeelingen, en
vóór hem Dego. Zijn vermetel plan was met succes bekroond en het centrum
zijner tegenpartij doorgebroken.

De drie volgende dagen vochten Bonaparte’s bandieten als helden. “De zege
of de dood!” hebben zij in hun vanen geschreven; den 15en April volgt de
beslissing. Half vernietigd vlucht het Oostenrijksche leger naar Milaan; de
Sardiniërs hebben de passen van Millesimo verloren en gaan op Ceva en
Mondovi terug. Italië staat voor Bonaparte open. Zijn soldaten hebben het
volste vertrouwen in hem gekregen; één blik uit zijn adelaarsoog is
voldoende om hem blindelings te doen gehoorzamen; zijn generaals hebben
hem leeren kennen, vol aandacht en bewondering luisteren zij reeds naar zijn
korte, zaakkundige bevelen.

Eén rustdag slechts, eerlijk verdiend, dan vangt de marsch aan naar Ceva, de
Sardiniërs achterna. Als de toppen van de Monte Zemoto zijn bereikt kunnen
de krijgers de heerlijke vlakten van Piëmont en Lombardije aanschouwen; de
Tanaro, de Stura en de Po, hun wateren stuwende naar de Adriatische Zee,
liggen aan hun voet; de met sneeuw en ijs gepantserde Alpenreuzen vormen
den achtergrond.

Page 113

De grens van “Het beloofde land,” zooals hun chef het had geheeten, is
bereikt!

“Hannibal trok vóór eeuwen de Alpen over; wij trekken er om heen,” riep hij
zelf bewogen uit. Acht dagen later is Cherasco bereikt. Victor Amadeus, den
koning van Sardinië, sloeg de schrik om ’t hart; ondanks de vertoogen van
den Oostenrijkschen en den Britschen gezant sloot hij den 28en April een
wapenstilstand. Bonaparte kreeg hierdoor de beschikking over de rijke
magazijnen van Ceva, werd meester over de wegen door Piëmont, zag den
afstand tusschen Parijs en de oevers van de Po aanmerkelijk verkort en kreeg
de zekerheid, dat hij geen vijand in zijn rug achterliet. Als een handig
staatsman had hij hiertoe bij den koning de kans laten doorschemeren op
vergrooting van grondgebied in Lombardije, zoodra Oostenrijk zou zijn
bedwongen.

Reeds voelde hij zich zeer sterk. Aan het Directoire, dat een wapenstilstand
moest bekrachtigen, schreef hij: “In het stellen der vredesvoorwaarden zijt
gij geheel vrij; de voornaamste vestingen zijn in mijn handen.”

Ook aan Joséphine schreef hij weder. Junot, die een deel der veroverde
zegeteekenen naar Parijs brengen zou, had den brief bij zich. “Kom spoedig.
Talm je, dan vindt ge mij ziek. Al die vermoeienissen en je afwezigheid zijn
te veel op eens.”—’t Was waar; de koorts verteerde hem; een hardnekkige
hoest kwelde hem dag en nacht.—“Maar je komt, niet waar? Je zult hier bij
mij wezen, in mijn armen, aan mijn hart. Kom, o, kom!”

Maar Joséphine kwam niet. Zij vond het veel te prettig om aan den arm van
Junot gevierd te worden als de echtgenoote van den beroemden burger-
generaal en zoowel met dien knappen huzarenofficier als met den kolonel
Joachim Murat, die op last van Bonaparte eveneens tropeeën was komen
dragen naar het Directoire, te coquetteeren. Napoleons hartstochtelijke
brieven lieten haar koud; slechts nu en dan beantwoordde zij die met een
kattebelletje. Zelfs de beleefde vertoogen van Jozef, door Bonaparte met
vertrouwelijke dépêches uit Genua naar Parijs gezonden, baatten niet; eerst
wendde mevrouw ziekte voor, daarna een begin van zwangerschap.

Page 114

“Wat een grappige vent toch, die Bonaparte,” mompelde zij bij de ontvangst
van zijn hierop gevolgd schrijven met liefdevolle verontschuldigingen over
zijn grenzenloos verlangen naar haar.

Inmiddels zette de generaal, in stilte zielsongelukkig zijn zegetocht door
Lombardije voort, trok bij Piacenza in plaats van bij Valence, zooals de
vijand verwacht had, de Po over, dwong den hertog van Parma den 9en Mei
tot een wapenstilstand en het betalen van een paar millioen francs
oorlogsschatting en greep Beaulieu, die naar de Adda was geweken, den
daarop volgenden dag bij Lodi aan. Hier bestormde hij aan de spits zijner
grenadiers de eenige hierover de Adda voerende brug, verwierf zich door dit
bijna ongeëvenaarde heldenfeit bij zijn krijgers den eerenaam van le petit
Caporal en trok vijf dagen later door de juichende, opgewonden bevolking
omgeven, het te zijner eere versierde Milaan binnen. In zeventien dagen tijd
had hij Lombardije veroverd. Hij was letterlijk de afgod zijner soldaten
geworden en zelfs die enkele oudere generaals als Serurier en Kilmaine, die
in stilte tegen hem oppositie voerden, hadden eerbied gekregen voor de
overweldigende kracht der feiten, voor de macht van zijn wil. In weerwil van
dit succes had het weinig gescheeld, of het ministerie van oorlog had door
een onhandigen zet alles weer bedorven.

Den 14en Mei had Bonaparte te Lodi bericht ontvangen, dat, zoodra het
Alpenleger Italië was binnengerukt, hij het commando met Kellerman zou
moeten deelen. Deze zou dan ten noorden van de Po, hij zelf tegenover
Rome en Napels optreden.

“Dan leg ik het opperbevel neder,” antwoordde hij terstond. “Ik heb den
veldtocht gevoerd zonder iemand raad te vragen. Had ik mij naar de
inzichten van een ander moeten voegen, dan was er niets van terecht
gekomen... Ieder heeft zijn eigen wijze van oorlog voeren. Generaal
Kellerman heeft meer ervaring dan ik, en zal het beter doen dan ik. Samen
brengen wij niets goeds voor den dag. Trouwens acht ik één slechten
generaal beter dan twee goede. Evenals regeeren is oorlog voeren een
quaestie van tact. In afwachting van nadere bevelen ruk ik naar de Mincio.”

Page 115

Carnot liet zich dit gezegd zijn en trok de order in. Hierop had Bonaparte
inmiddels niet eens gewacht, want, zooals hij in zijn proclamatie van den
20en aan de troepen had gezegd: “Veel was er wel reeds gedaan doch nog
lang niet genoeg. Van Lombardije mocht geen Capua worden gemaakt.
Geforceerde marschen moesten nog afgelegd, nieuwe lauweren geplukt en
Rome gestraft worden, omdat het Fransche gezanten lafhartig had laten
vermoorden.”

De bevolking kon echter gerust zijn, had hij hierop doen volgen. Tegen haar
voerde de Republiek geen oorlog; integendeel. Maar het Romeinsche volk,
dat zooveel eeuwen lang in slavenketenen had gezucht, moest wakker
geschud.—Reeds den 19en waren de bevelen tot den afmarsch naar de
Mincio dus gegeven, achter welke rivier Beaulieu zijn macht tusschen
Peschiera en Mantua in verschillende detachementen had opgesteld. Eerst
werd nog te Milaan, daarna te Pavia een opstand onderdrukt, door het
landvolk onder leiding van eenige fanatieke geestelijken begonnen,—om een
voorbeeld te stellen gaf Bonaparte laatstgenoemde stad drie uur lang ter
plundering over aan zijn soldaten,—en den 30en Mei stonden de twee
partijen bij Borghetto weder tegenover elkander en hieuwen de
nieuwgevormde Fransche escadrons, door Murat zelf aangevoerd, zoo
krachtig in op de Oostenrijksche cavalerie, dat deze moest wijken.

Om de veiligheid van zijn eigen persoon had Bonaparte zich tot heden
weinig bekreund; dit veranderde echter, nu hij, bij het einde van dit gevecht
in een gehucht afgestegen, den vijand bijna in handen was gevallen en zich
alleen door een snelle vlucht had kunnen redden. Onder toezicht van zijn
vriend de Bessières, een even bedaard als onverschrokken cavalerie-officier,
werd een escadron Guides gevormd, de kern van de later opgerichte
Escadrons van Dienst. Van dezen uitgelezen ruitertroep, dien Napoleon
slechts zelden uit de hand gaf, telde iedere man minstens tien jaar dienst.

Beaulieu’s zwakke positie achter de Mincio bij Borghetto door midden
brekende, wendde Bonaparte zich daarop naar Peschiera, dat op
Venetiaansch grondgebied aan het Gardameer was gelegen, om hier met
Beaulieu’s achterhoede op haar terugtocht naar Tyrol af te rekenen en hem
zelf het ontkomen in die richting te beletten. De grijze, reeds ruim

Page 116

zeventigjarige generaal wachtte hem echter niet af, doch liet bezetting achter
in de sterke vesting Mantua, gelegen op een eiland in de Mincio, en zocht
door een nachtmarsch achter de Etsch een goed heenkomen. Den 1en Juni
kon Bonaparte dus uit zijn hoofdkwartier Peschiera schrijven “dat de vijand
geheel uit Boven-Italië was verdreven, en dat zijn eigen voorposten stonden
op de bergen van Duitschland.” Dank zij de marschvaardigheid zijner
infanterie, die enkele malen acht en veertig kilometers afstand achtereen had
afgelegd, had hij dit succes binnen acht dagen na zijn vertrek van de Adda
behaald.

Versterkt door detachementen van het leger der Alpen gaf hij zijn macht
thans een andere indeeling; Massena kreeg met 18000 man last de
noordelijke toegangen aan weerszijden van het Gardameer af te sluiten met
drie reserves, een in een kamp tusschen dit meer en de Etsch, een bij Verona
en een bij Peschiera. Dan konden de Oostenrijkers gerust nogmaals komen
opdagen. Serurier zou met 5000 man Mantua insluiten; een korps van ruim
het dubbele dezer sterkte, waaronder de divisie Augereau behield Bonaparte
zelf bij zich bij Roverbello, terwijl circa 9000 man in Lombardije’s
vestingen garnizoen hielden, o. a. te Milaan, welks citadel nog in ’s vijands
handen was.

Den 3en Juni had Massena Verona, dat aan Venetië behoorde, bezet en had
Bonaparte zijn hoofddoel, het bezetten van de Etschlinie bereikt. Achter deze
ondoorwaadbare rivier met haar veelal steile oevers en met Verona en
Legnano er voor, kon hij de loop der dingen afwachten; hier was hij meester
over Boven-Italië, kon over Venetië, dat een zeer dubbelzinnige rol begon te
spelen, een wakend oog houden en nu ook het zielsverlangen van het
Directoire bevredigen en Rome dus een les geven, die het zou heugen.

De koning van Napels, ook het dreigende gevaar inziende, haastte zich een
wapenstilstand te sluiten, die Bonaparte zeer van pas kwam, want het
Oostenrijksche leger werd hierdoor terstond met bijna 3000 Napolitaansche
ruiters verzwakt. De marsch van de divisie Augereau naar de legatiën werd
dus niet gestoord; den 19en Juni werd Bologna bezet. Ferrara door den
kardinaal-legaat verdedigd, werd door Bonaparte zelf genomen, en reeds den
23en Juni was alle verzet gebroken, en was paus Pius VI verheugd, dat hij

Page 117

een wapenstilstand mocht sluiten, mits hij een gezant naar Parijs zond om te
onderhandelen over een definitieven vrede. De voorwaarden, hem gesteld,
waren echter niet malsch.—Hij zou nu ondervinden, dat men over de
Fransche Republiek niet straffeloos den banvloek uitsprak, den kruistocht
tegen haar predikte en haar gezanten binnen Rome’s muren liet vermoorden.
De legatiën Bologna en Ferrara bleven in Fransche handen; Ancona kreeg
Fransch garnizoen; een en twintig millioen oorlogskosten moesten betaald,
eindelijk moest, evenals in Parma was geschied, een schat van kunstwerken
en kostbare schilderijen aan het museum van Parijs worden afgestaan.

Weinig had het gescheeld of te Livorno, waar de Engelschen zoo goed als
heer en meester waren en van hier hun leger op Corsica voordurend van alles
voorzagen, waren een groot aantal rijk beladen Engelsche koopvaarders
bijna tegelijkertijd in Bonaparte’s handen gevallen. Ook hier legde hij
garnizoen en zijn landgenoot Gentili, bijgestaan door duizenden Corsicanen,
verdreef in October d.a.v. al de roodrokken van het eiland. Te Florence bij
den groothertog van Toscane, die hem verzocht zijn gast te wezen, ontving
hij bericht, dat de citadel van Milaan zich op 29 Juni had overgegeven. Het
hier buitgemaakte belegeringsgeschut kon hem nu tegenover Mantua goede
diensten bewijzen.

Ondanks al zijn overwinningen, ondanks al de hulde hem gebracht, was
Bonaparte in die dagen als mensch diep ongelukkig. Hij miste zijn vrouw.
Wel had hij Jozef naar Parijs gezonden om haar afreis naar Milaan te
bespoedigen, maar Jozef had ook zijn eigen belangen en die van Corsica in
het oog te houden; voorts kende hij den toestand, was Joséphine niet
genegen en gevoelde weinig lust, ook al uit vrees voor oneenigheid, als
tusschenpersoon dienst te doen. De brieven van zijn broer liet hij dus
grootendeels onbeantwoord en vond het raadzamer op Joséphine onderhands
invloed te laten uitoefenen door het Directoire. In de brieven aan leden van
dit college had Bonaparte kortaf te kennen gegeven, dat hij ziek was en dat,
wanneer men hem zijn vrouw niet zond, hij zijn ontslag nam en terugkeerde
naar Parijs.

In gezelschap van Jozef, Junot, haar schoothondje, en zekeren luitenant
Charles, een zéér intiemen kennis van haar, begon Joséphine, tranen met

Page 118

tuiten schreiende en zoo diep bedroefd, alsof zij van de wereld moest
scheiden, ten slotte de lange reis naar Milaan, waar het prachtige hotel
Serbelloni den 9en Juli zijn gastvrije deuren voor haar opende. Haar man
vond ze hier echter niet, hij was te Verona druk bezig met het nemen van
maatregelen tegenover een nieuw leger van ongeveer 70.000 man, dat onder
den ouden doch energieken en vermetelen veldmaarschalk Würmser in Tyrol
werd samengetrokken.

Tevergeefs smeekte hij haar te Verona bij hem te komen.—“Ik heb je
noodig; ik ben dood af en voel me ziek,” schreef hij, doch zij bleef waar zij
was. Toen liet hij alles in den steek, rende naar Milaan, bleef hier twee dagen
met haar alleen, overstelpte haar met liefkoozingen, had haar koelheid
tegenover hem volslagen vergeten en vertrok weder even snel als hij was
gekomen.—Zwaar werk wachtte hem. Mantua was nog niet genomen, een
coup de main er tegen was mislukt.—“Zulke ondernemingen hangen louter
af van ’t toeval, van ’t blaffen van een hond, van ’t snateren van een gans,”
schreef hij den 12en Juli aan het Directoire.

Zes dagen later werden de loopgraven onder zijn persoonlijke leiding
geopend. Naar Verona teruggekeerd, hield hij Würmsers bewegingen scherp
in het oog. “Wee hem, die thans slecht rekent,” had hij gezegd.

Den 29en begon Würmsers plan van aanval zich te teekenen. Terwijl de
generaal Quosdanovich naderde langs den westelijken oever van het
Gardameer en Brescia bezette, terwijl een detachement van slechts 5000
man ter misleiding van Bonaparte door het dal van de Brenta zich naar het
zuiden bewoog, greep Würmser Massena’s voorhoede bij la Corona
omvattend aan en sloeg haar onder zware verliezen terug.

Bonaparte zag den toestand zeer donker in en was ongerust en zenuwachtig;
aan Augereau schreef hij, dat de gemeenschap met Milaan en Verona nu was
afgesneden en dat hij dus maatregelen moest nemen voor den terugtocht; aan
Serurier gaf hij order het beleg van Mantua op te breken, de affuiten te
verbranden, het buskruit in ’t water te werpen, alle staatseigendommen
ijlings naar Milaan te zenden en dan zijn rug te komen dekken; tevens deed
hij, wat hij tot heden nog nooit had gedaan, hij raadpleegde zijn

Page 119

onderbevelhebbers. Allen stemden voorzichtigheidshalve voor den
terugtocht; Augereau alleen niet. “Hij had nog een troep puike grenadiers;
zonder gevecht gingen die niet aan den haal,” zei de Parijzenaar, die alleen te
rade ging met zijn moed. Met die woorden was bij Bonaparte het oogenblik
van onzekerheid en aarzeling reeds weder voorbij. Augereau had gelijk, hij
zou niet teruggaan. In de eerste dagen van Augustus volgden nu een reeks
van bloedige gevechten bij Salo, Lonato enz. aan de zuidzijde van het
Gardameer. Würmser is intusschen Mantua gaan ontzetten, vindt daar de
sporen van Seruriers overhaasten aftocht, rukt daarna naar het noorden om
zijn bij Lonato geslagen divisiën te hulp te komen en grijpt den 5en Augustus
Bonaparte bij Castiglione aan. Nu doen Augereau’s grenadiers de woorden
van hun chef eer aan en krijgt Würmser van Augereau en Massena, die voor
zijn front staan en van Serurier, die hem in zijn rug aantast een zoo geduchte
klap, dat hij ijlings naar Tyrol aftrekt. Bonaparte kon zijn vroegere stellingen
weder innemen.

Dit was het slot van den zoogenaamden vijfdaagschen veldtocht; dank zij de
taaiheid en het volhardingsvermogen van zijn infanterie en het genie van zijn
chef had het kleine Fransche leger gezegepraald over een macht van bijna de
dubbele sterkte. Terstond werd Mantua weder ingesloten. Te Milaan en in de
legatiën Bologna en Ferrara ging over dit ongeloofelijke succes een
juichtoon op.

Te Venetië, te Rome en te Napels, waar men intusschen den verrader
gespeeld en Oostenrijk gesteund had, zat men daarentegen in zak en asch.
Bonaparte was voor dit maal echter nog genadig en nam op de verraders
geen wraak. Ernstiger zaken dan deze vorderden zijn aandacht. Zoodra de
generaal Moreau in Duitschland den Donau zou hebben overschreden, wilde
hij Würmser achterna. Dat deze nog bijna 40 000 man had overgehouden,
bevredigde hem niet; eerst wanneer hij voor goed met hem had afgerekend,
zou hij de handen vrij hebben tegenover Venetië en Rome.

September was ’t echter reeds geworden, voordat Moreau zijn tegenpartij,
aartshertog Karel, ver genoeg had teruggedrongen, den Donau overgegaan
en naar München op marsch was. Intusschen ontwierp Bonaparte een nieuw

Page 120

veldtochtsplan, schonk zijn soldaten rust en mocht zich eenige dagen
verheugen in ’t bijzijn van zijn vrouw.

Eindelijk, eindelijk was Joséphine gezwicht voor den hartstochtelijken toon
zijner brieven, waarin hij aandrong op haar komst in zijn hoofdkwartier, en
had zij het hotel Serbelloni, waar zij zich het leven zeer aangenaam maakte,
verlaten. Feitelijk verveelden haar de forsche bewijzen van liefde, die hij
haar telkens en telkens weder schonk, de jonge luitenants te Milaan en
vooral den reeds genoemden adjudant Charles vond zij veel aardiger dan
haar bleeken, broodmageren door koortsen gekwelden echtvriend, die haar
in zijn brieven vol ijverzucht nu eens met monster, tiran en wreedaard
betitelde en dan weder op de knieën vergiffenis vroeg, omdat hij een paar
voor haar bestemde epistels had geopend. “Nimmer, nimmer zou dit weder
gebeuren,” beloofde hij.

Dat bezoek was echter een korte vreugde, want vooral de Oostenrijksche
cavalerie begon weder zeer roerig te worden; Bonaparte zond zijn vrouw dus
terug naar Milaan, een reis die onder deze omstandigheden volstrekt niet van
gevaar was ontbloot, terwijl de hierbij doorgestane angst en ellende voor
haar slechts ten deele werden vergoed, door den schat van cadeaux in geld,
cameeën, parelen en andere kostbaarheden, haar op dezen tocht door
generaals, de gemeentebesturen en—niet te vergeten—de leveranciers van
het leger geschonken. Volbloed creoolsche, even bar verkwistend als
onnadenkend, begreep zij niet, dat zij door het aannemen van zulke rijke
voorwerpen en van geld vooral, den goeden naam van Bonaparte schade
deed. Hebzuchtig was zij volstrekt niet; het geld wierp zij weg met volle
handen; door al haar winkeliers, in de eerste plaats door de modewinkels,
werd zij schandelijk afgezet, ja, bestolen. Voortdurend zat zij diep in
schulden, en in de volgende jaren werd het niet beter, maar ze bezat graag
mooie dingen; wat men haar gaf nam zij dus aan, en toen Bonaparte
hierachter kwam en haar dwong eenige dier geschenken terug te geven,
zorgde zij wel, dat hij later nooit meer een stuk te zien kreeg of het heette
gekocht; en personen, die haar hierbij hielpen liegen, telde zij in haar
omgeving genoeg.

Page 121

Terwijl zij dus terugkeerde naar het hotel Serbelloni en in gezelschap van
“dien aartsgrappigen clown,” dien luitenant Charles, de handige
tusschenpersoon bij alle transacties met schuldeischers en leveranciers, de
verveling trachtte te verdrijven, was Bonaparte Italiaansch Tyrol
binnengedrongen om Würmser op te zoeken en te vernietigen, doch had,
rekening houdende met de mogelijkheid, dat deze middelerwijl een poging
zou doen om de Etsch van de oostzijde te naderen en Mantua te ontzetten,
Peschiera, Verona en Legnano bezet gehouden. In de eerste dagen van
September kwam het nu in de nauwe bergpassen en op de kale rotsen van
Roveredo tot een verwoed gevecht, dat met den aftocht der zwaar gehavende
Oostenrijkers eindigde.

Boven Italië.

Den 5en te Trente, de hoofdstad van Tyrol gekomen, vernam Bonaparte, dat
hij Würmser zelf niet tegenover zich had gehad, doch dat deze, meer
oostelijk uithalende, door het dal van de Brenta naar ’t zuiden was
gemarcheerd, met de Etsch of Mantua tot doel. Feitelijk stond Bonaparte nu
in den rug zijner tegenpartij en op diens hoofdverbindingslijn met Tyrol.

Page 122

Würmser volgen, afsnijden en aangrijpen is terstond zijn plan! Den 8en haalt
hij hem in bij Bassano en geeft hem een klap zoo geducht, dat Würmser nog
slechts zijn heil kan zoeken binnen dezelfde veste, die hij zou gaan
ontzetten. Hij mocht nog van geluk spreken, want was de positie aan de
Etsch bij Legnano en de brug aldaar door de Franschen bezet gebleven,1 dan
was hij door Massena en Augereau tegen deze rivier gedrongen en verplicht
geweest in het open veld te capituleeren. Wederom was het de bijna
ongeloofelijke marschsnelheid zijner infanterie geweest, die Bonaparte dit
geweldige resultaat had doen verwerven. In 1805 zeiden zijn soldaten, dat
hij een nieuwe manier van oorlogvoeren had uitgevonden, niet meer met de
bajonet doch met de beenen. Vooral op dit deel van den veldtocht in Italië
was dit geheel van toepassing.

Van zijn prachtige, talrijke cavalerie had Würmser bijna geen nut gehad;
thans kon hij de paarden er van doen slachten en inzouten om zijn soldaten
aan den kost te helpen.

Bonaparte keerde terug naar Milaan.—“Nooit nog hadden wij zulk een
aanhoudend en groot succes; Italië, Frioul en Tyrol zijn geheel voor de
Republiek gewonnen.—Binnen enkele dagen zien wij elkander weder. Voor
al mijn werk en al mijn zwoegen zal dit de liefelijkste belooning zijn.
Duizend vurige en dol verliefde zoentjes,”2 had hij Joséphine te voren
geschreven; doch zij antwoordde niet; in zijn brief van den 17en met zijn
teekenend: “Je bent even leelijk als lichtzinnig; dat je je armen man, die je
liefheeft, bedriegt, is laag van je,” verried duidelijk genoeg, dat hij aan haar
trouw begon te twijfelen. De maand November zou hem in dit opzicht nòg
smartelijker indrukken brengen.

Weder was het Directoire uitbundig in zijn lof. “Tegenover het vaderland
had het leger zich opnieuw verdienstelijk gemaakt!” schreef het; maar lof is
gemakkelijk geschonken, woorden zijn geen daden. Juist deze eischte
Bonaparte; hij had soldaten noodig, nogmaals soldaten; sinds Maart had hij
10,000 man versterking gekregen, maar het vuur des vijands en de
moeraskoortsen in Lombardije’s lage landen hadden er ook duizenden

Page 123

weggerukt; de hospitalen lagen vol zieken; geen 30,000 man kon hij meer
onder de wapenen brengen en zulks nog wel terwijl er in Tyrol een nieuw
onweder broeide. Pius VI, hierdoor stoutmoedig geworden, was reeds
begonnen geen schatting meer te betalen, Napels stak weder het hoofd op en
zelfs Genua deed van zich hooren. “Zoolang uw generaal niet de spil is,
waarom alles draait, marcheeren de zaken hier slecht. Van eerzuchtige
plannen kan men mij licht beschuldigen, maar ik ben beu van al die eer. Ik
ben ziek; nauwelijks kan ik mij in den zadel houden; moed alleen bezit ik
nog; voor den post, dien ik bekleed, is dit niet genoeg. Reeds telt men het
aantal hoofden bij ons. Ons prestige verdwijnt. Soldaten eisch ik dus, of
Italië is verloren,” schreef hij aan Carnot. Ook beklaagde hij zich, dat men
de onderhandelingen met Rome niet had opgedragen aan hem. Geen geld,
geen vrede, zou dan het parool zijn geweest. Thans kon hij opnieuw
beginnen. Ook met Napels, dat Rome steunde en met Genua moest worden
afgerekend. Had Frankrijk geen soldaten, dan moest met Sardinië een of- en
defensief verbond gesloten en hulp gevraagd worden van daar. Ontving hij
verlof Lombardije en Modena onafhankelijk te verklaren, dan had hij
terstond aanhangers genoeg en behoefde hij niet meer te zorgen voor zijn
rug.

Page 124

Strijd om de brug bij Arcola. November 1796.

Met deze wenken hield men te Parijs toch rekening. Hij kreeg de handen vrij
tegenover den paus, maar soldaten waren er nu eenmaal niet.

Toen de veldmaarschalk Alvinzi in de eerste dagen van November, een zijner
onderbevelhebbers oostelijk om het Gardameer zendende en zelf langs de
Piave marcheerende, als een onweerswolk uit Frioul en Tyrol kwam
opzetten, had Bonaparte dus slechts een geringe macht tot zijn beschikking,
voor een deel nog wel bestaande uit koortslijders, die hoe krachteloos en
anemisch ook, hun ontslag uit het hospitaal hadden gevraagd, zoodra ze
wisten, dat het er weder spannen zou.

Tot overmaat van ramp verlieten twee regimenten der divisie Vaubois, die de
passen naar Tyrol moesten bewaken, na een scherp gevecht hun post, zoodat
hij zich verplicht zag een voorbeeld te stellen. Het door hem zelf geleide
gevecht bij Caldiero (12 November) bleef onbeslist, uit het oosten zag hij
Alvinzi steeds meer op Verona aandringen. Zijn toestand werd hachelijk.

Page 125

Zelfs zijn krijgers begonnen dit in te zien. Zou Verona, zou de positie aan de
Etsch dus verlaten moeten worden? De bezetting meende, dat dit het geval
was, toen ze na een dag van volslagen werkeloosheid in den laten avond van
den 14en bevel ontving zich marschvaardig te maken, terwijl slechts 3000
man onder Kilmaine zouden achter blijven. Eerst gaat het aan op Verona
zelf; hier de brug over. Dus terug? Naar Bergamo, naar Milaan zelfs? Neen,
niet terug! Reeds heeft het genie van den veldheer een nieuw plan
ontworpen. Alvinzi slag leveren in de vlakte kan hij niet; hiervoor is zijn
leger te zwak, maar hem aangrijpen in zijn linkerflank langs twee dijken, die
geen frontuitbreiding gedoogen op een terrein dus, waar alleen heldenmoed
en doodsverachting de zege kunnen brengen, ja, dat kan hij wèl.
Stroomafwaarts marcheert hij dus naar Ronco, passeert hier een in stilte
geslagen pontonbrug en als de morgen van den 15en November aanbreekt,
staat hij in den driehoek tusschen de Etsch en haar linkerzijriviertje de
Alpon. Drie dijken voeren naar het noordoosten, verder is alles moeras.

Eensklaps begrijpen de grenadiers hun chef; hier is nog kans op de zege.
Langs den linkerdijk begint Massena voort te rukken; waagt Alvinzi het
Verona nog dichter te naderen dan wordt hij door hem in de flank gevallen.
Den middelsten dijk volgt Augereau.

Maar bij Arcola moet hij de door Croaten bezette brug over de Alpon
passeeren; een Oostenrijksche divisie, die op weg is naar de Etsch en de brug
reeds achter den rug heeft, grijpt hij aan en drijft hij ten deele in het moeras;
maar aan een gelijktijdige vermeestering van den overgang valt niet te
denken; daarvoor is het vuur van den anderen oever te hevig. De generaals
Lannes en Verdier worden gekwetst. Met een vaandel in de vuist rent
Augereau zelf de brug op en plant het dundoek in ’t dek, maar ook deze
heldendaad baat niet. In die hel waagt zich niemand meer. Het gevecht bij de
brug staat.

Uit de verte,—hij bevindt zich bij Ronco—ziet Bonaparte, dat zijn plan zal
mislukken; reeds begint Alvinzi, om niet te worden afgesneden, in de
richting van de Brenta terug te gaan. Zal hij hem tot staan brengen, dan moet
die brug genomen. Het lot van Italië staat op ’t spel.

Page 126

Hij galoppeert naar ’t hoofd der stormcolonne, springt uit den zadel en grijpt
een vaandel—“Ben jelui nog de overwinnaars van Lodi? Volgt je
generaal!”—Dan rent hij naar de brug. Allen hem na. Lannes ontvangt zijn
derde wonde dien dag. Muiron, Bonaparte’s adjudant, zijn chef met zijn
lichaam willende dekken, valt dood voor zijn voeten. Gansche rijen
grenadiers kleuren het brugdek met hun bloed. Bijna is de overzijde bereikt,
doch een nieuw salvo des vijands kraakt. De stormcolonne wankelt en snelt
terug.

Door zijn mannen medegesleurd, bereikt Bonaparte het uitgangspunt weder;
door een nastormende vijandelijke afdeeling wordt hij van den dijk af, ’t
moeras ingedrongen, slechts met moeite gered en op een paard gezet. Zoo
bereikt hij Ronco weder.

Maar zijn voorbeeld heeft aanstekelijk gewerkt en drie dagen lang wordt nu
bij Arcola en op de aangrenzende terreinen van weerszijden met
voorbeeldelooze hardnekkigheid gestreden, tot Alvinzi’s soldaten het moede
worden, den kamp opgeven en door een krijgslist van Bonaparte, die zijn
gardes onder luid trompetgeschal op hen afzendt, ten slotte in verwarring op
de vlucht slaan. Ook Alvinzi’s toeleg om Mantua te ontzetten is dus mislukt.

Toch gaf hij den moed niet op. Denzelfden dag (17 November) dat hij de
stelling bij Arcola had losgelaten, had zijn onderbevelhebber Davidovich de
Franschen onder Vaubois bij Rivoli teruggeworpen; hierdoor aangemoedigd,
besloot hij nogmaals op Verona los te gaan, maar Davidovichs traagheid van
beweging en onvoldoende krijgsmanskunst verhinderden een goede
samenwerking; een uitval, door Würmser uit Mantua ondernomen, mislukte,
en den 24en November besloot Alvinzi voor goed tot den aftocht naar het
oosten.

Terstond nam Bonaparte zijn vroegere stellingen weder in. Serurier kwam
weder voor Mantua; Rivoli, Verona, Legnano en Brescia kregen weder
Fransche bezetting. Er trad een rustpauze in. Het Directoire bepaalde, dat de
door Bonaparte en Augereau veroverde vaandels als belooning aan hen ten
geschenke zouden worden gegeven.

Page 127

1 Door een misslag was die stelling te vroeg losgelaten.

2 Brief van 10 September 1796.

Page 128

Hoofdstuk VI.

Page 129

Bij Rivoli, op Mombello. De Vrede.

“Ik hoop weldra in je armen te wezen. Ik heb je razend
lief. Alles gaat goed. Würmser is onder Mantua
verslagen. Aan ’t geluk van je echtgenoot ontbreekt
alleen Joséphine’s liefde,” had Bonaparte den 24en
November uit Verona aan zijn vrouw geschreven. Drie
dagen later te Milaan gekomen vond hij het paleis... verlaten. Mevrouw was
in stilte even naar Genua overgewipt. Zijn brief aan haar van dienzelfden
datum verried zijn harteleed.

“Als ik naar huis kom, ga jij heen; je Napoleon is je onverschillig geworden.
Aan het gevaar gewoon, ken ik het middel tegen het verdriet en de rampen
des levens. Mijn droefheid is nameloos groot. Tot den 29en blijf ik hier.
Derangeer je niet; maak maar volop pret; je man is diep ongelukkig.”

Van niet minder grievend zieleleed getuigde zijn volgend schrijven, toen de
koerier uit Genua taal noch teeken van haar medegebracht had.

“Jou alleen beminnen, je gelukkig maken, alles laten wat je hinderen kan, is
mijn lot, mijn levensdoel. Dat de natuur mij de middelen onthield om je te
boeien, is mijn schuld; maar van Joséphine’s zijde verdien ik toch eenige
achting, eenige egards, want ik heb je lief als een dwaas. Zoodra vaststaat,
dat zij mij niet meer beminnen kan, sluit ik mijn bitter leed op in mijzelf; dan
zal ik mij tevreden stellen met haar nuttig te wezen.”

Zijn geschrijf baatte niet. Mevrouw had het in die dagen veel te druk met
luitenant Charles, “die aardige jongen.” De gansche armee wist, dat zij met
dien snuiter zeer was ingenomen en dat, in het hotel Serbelloni dit kereltje
als heer en meester optrad, zoodra de ander dit had verlaten. Alleen
Bonaparte wist dit niet. Eenmaal hieromtrent ingelicht, zond hij dien “vrijer”

Page 130

weg uit het leger; hij zou geknoeid hebben met leveranciers, heette het.
Joséphine zorgde voor zijn toekomst. Volkomen bewust van haar macht,
kostte het haar bij terugkeer te Milaan weinig moeite haar echtgenoot van
haar onschuld te overtuigen en de echtgenoot, voor wien gansch Italië in ’t
stof lag, geloofde al wat zij hem op de mouw spelde, nam haar in zijn
grenzelooze liefde weder op in zijn hart en droeg zwijgend zijn leed.

Nog voordat hij door de gevechten bij Arcola een beslissing had verkregen,
was een zekere partij te Parijs er in geslaagd, hem bij het Directoire verdacht
te maken. Die jeugdige generaal had wel groote overwinningen behaald,
scheepsladingen vol kostbare zaken naar de musea te Parijs gezonden,
millioenen en nogmaals millioenen francs in de schatkist gestort, zich in één
woord zeer verdienstelijk gemaakt tegenover het vaderland, maar welk doel
beoogde hij hierbij voor zich zelf? Was hij niet eerzuchtig, streefde hij niet
naar hooger? Was hij met zijn absoluut energiek karakter niet een gevaar
voor den staat?—Toen men hem een veldtochtsplan had voorgelegd, dat niet
door hem zelf was ontworpen, had hij zijn ontslag verzocht; onder den naam
van een wapenstilstand had hij aan regeerende vorsten als oppermachtig
gebieder de keus gelaten tusschen oorlog en vrede; toen de
onderhandelingen met den paus niet waren overgelaten aan hem, had hij zich
hierover gekrenkt getoond; zonder voorkennis of machtiging van het
Directoire had hij aan Moreau in Duitschland een millioen francs gezonden,
zoogenaamd, omdat die generaal hem de Oostenrijkers in Tyrol dan zooveel
te krachtiger van het lijf zou kunnen houden; hij was om kort te gaan, een
man gebleken, die liefst zelf deed, wat hij meende zelf tot een goed einde te
kunnen brengen. Was hij wel te vertrouwen? Zou hij misschien hertog van
Milaan willen worden? Dit moest onderzocht. Generaal Clarke van het
departement van oorlog kreeg dus last om toegerust met een voorstel tot het
sluiten van een voor Oostenrijk zeer gunstigen wapenstilstand naar Weenen
te gaan, doch de reis te nemen over Italië, Bonaparte omtrent dit plan te
hooren en—op diens houding en gedragingen nauwkeurig acht te geven en
hierover te rapporteeren aan het Directoire. Toen Clarke Bonaparte
ontmoette, was het drama van Arcola reeds afgespeeld; van een verdrag met
Oostenrijk wilde de veldheer niets weten. Ook in het geheime gedeelte zijner

Page 131

opdracht slaagde Clarke niet, want door ’t geen hij dagelijks zag en hoorde,
was hij weldra zoo totaal ingepakt, dat hij letterlijk een volbloed Bonapartist
werd en het Directoire over Bonaparte’s optreden van hem niets dan lof te
lezen kreeg.

Kenschetsend is Clarke’s oordeel over hem: “Hier is niemand, die in hem
niet ziet een man van genie.—Groot is zijn macht over de figuren, die het
republikeinsche leger vormen.—Zijn blik is zeker; zijn besluiten zet hij door
met volle kracht. Zijn koelbloedigheid in de heftigste gevechten is even
opvallend als de buitengewone snelheid, waarmede hij zijn plannen
verandert, wanneer onvoorziene omstandigheden dit gebieden.”—Wel zag
hij, dat Bonaparte zijn mannen weinig spaarde en hard, ongeduldig,
heerschzuchtig was; doch houding, blik en wijze van spreken verrieden in
hem tevens den man, tot bevelen geboren; een ieder voelde dit; een ieder
onderwierp zich. Zijn krijgsmakkers uit die dagen roemden zijn luchtigen,
levendigen toon, waar het geen dienstzaken betrof, zijn scherts en zijn
goedmoedigheid, in één woord de eigenaardige toovermacht, welke van hem
uitging.

Inmiddels was de winter ingetreden; wegen en bergpassen lagen diep onder
de sneeuw; voor een korte poos was aan de vijandelijkheden dus een einde
gekomen. Van dit tijdperk van verademing maakte Bonaparte gebruik om
een flinke opruiming te houden onder “de dieven,” zooals hij in ’t algemeen
het personeel betitelde, dat met de zorg voor het onderhoud des legers was
belast. Door zijn onverpoosde zorgen was dit laatste thans goed gevoed,
goed gekleed en gewapend. ’t Was weer een lust soldaat te zijn; zeiden de
manschappen. De officieren deelden in die tijdelijke weelde; enkelen
begonnen reeds een spaarpot te maken; maar tusschen die mannen van het
zwaard, die den overvloed van het heden meestal met hun bloed hadden
betaald, bewogen zich tal van niet-strijders, de administrateurs en
leveranciers, door elkander genomen, een zoodje schelmen, die zich
verrijkten ten koste van den troep, brutaal hun rijkdom toonden en met het
gestolen goed de gunsten kochten der Italiaansche actrices. Tegenover dat
gespuis trad hij zonder genade op. Zelf leefde hij dood eenvoudig in zijn
hoofdkwartier, dat Joséphine om den schijn te bewaren, weder tijdelijk met
hem was komen deelen. Als bij intuïtie wetende, dat hem weinig tijd zou

Page 132

worden gelaten en dat Alvinzi weldra weder aanvallend zou optreden,
zorgde hij inmiddels dat de goede verstandhouding met Sardinië en Parma
niet werd verbroken; met Toskane sloot hij een verdrag, waarbij hij tegen
vergoeding van een paar millioen francs het garnizoen uit Florence
terugnam; hij legde troepen in Bergamo, quasi om die stad met haar
Venetiaansch garnizoen te beschermen tegen een coup de main der
Oostenrijkers en maakte toebereidselen om het verlangen der republikeinen
te bevredigen en den paus te tuchtigen voor zijn trouweloosheid en zijn
heulen met den vijand.

Reeds had hij hieraan een begin van uitvoering gegeven en bevond hij zich
hiertoe te Bologna, toen de tijding, dat Alvinzi zijn voorposten allerwegen
had aangegrepen (10 Januari 1797), hem spoorslags deed terugkeeren naar
Verona, waarom ook Joséphine weder naar Milaan vertrok.

Voor den aanval met zijn leger van circa 45.000 man had Alvinzi een nieuw
plan bedacht. Terwijl de generaal Provera, Legnano en Verona van uit het
oosten door een afzonderlijk detachement aangreep, wilde hij zelf met de
rest (28.000 man), in zes colonnes verdeeld, de stelling van Rivoli omvatten
en het Fransche leger vernietigen. Het ontzet van Mantua moest dan van zelf
volgen.

De even schrandere als vastberaden generaal Joubert, die de stelling van la
Corona tot nog toe had bezet gehouden, doorzag dit plan, week terug naar
Rivoli en had reeds bevelen gegeven om voor den steeds wassenden stroom
van vijanden zelfs dit hechte punt te ontruimen (13 Januari), toen hij
tegenbevel ontving. Door rapporten en verkenningen was Napoleon tot de
slotsom gekomen, dat zijn tegenpartij zoomin bij Verona als bij Legnano de
overmacht had. Toen hij in den nacht van den 14en staande op ’t plateau van
Rivoli, den reusachtigen boog van vijandelijke wachtvuren zag, die zijn
eigen leger half omspande, begreep hij, dat hier de hoofdaanval zou
geschieden. Alvinzi wilde hem blijkbaar omvatten.

Doch hij zou hem voor zijn; hij zou Alvinzi’s centrum doorbreken en dan
afrekenen met de vleugels, die in het zware bergterrein te ver vaneen waren
om elkander te kunnen steunen. Voor zijn eigen flanken koesterde hij geen
vrees, want Massena was reeds naar Jouberts linkervleugel op weg, Reij

Page 133

eveneens; al wat in de nevenstellingen gemist kon worden, was reeds
opgeroepen naar het rotsplateau, waar de beslissing zou vallen.

Nog is de dag niet aangebroken, als Joubert de voortroepen van het
Oostenrijksch centrum aangrijpt en terugwerpt; maar dan naderen de diepe
colonnes der hoofdmacht; van de terrasvormige hoogten komen de Croaten
in dichte drommen naar beneden; weldra wordt het gevecht algemeen. Tegen
het middaguur beginnen de kansen voor de Franschen zelfs hachelijk te
staan. Jouberts linkervleugel wordt dan een korte poos bedreigd met
omvatting, doch Massena’s komst wendt dit gevaar af.

Op het kleine bergvlak, midden in het slaggewoel blijft Bonaparte volkomen
kalm; zelfs als een deel zijner strijders door angst voor een omtrekking
wordt aangegrepen, vertrekt geen spier op zijn doodsbleek, mager gelaat.
“Die daar,” wijzende op de omtrekkende colonne, “krijgen we straks,” zegt
hij. Dit woord vol fier zelfvertrouwen bezielt allen weder met nieuwen
moed; en als de spits van Alvinzi’s vijfde colonne, zijn reserve, het plateau
begint te betreden, storten Lasalle’s cavalerie en Jouberts infanterie zich ais
een lawine op dezen nieuwen vijand, smakken hem terug, het steile,
kronkelende bergpad af, zoodat menschen, paarden en vuurmonden in den
afgrond tuimelen, en weldra verkondigt een daverend hoera, dat de zege is
behaald.

Alvinzi’s troepen gaan terug. Dan wordt ook met bovengenoemde
omtrekkende colonne afgerekend, en deze zoo goed als geheel gevangen
genomen. Hoewel de avond valt, wil Bonaparte de overwinning voltooien en
’s vijands reserve totaal vernietigen, als hij bericht krijgt, dat Provera den
13en ’s nachts de Etsch is gepasseerd en, door Augereau en Lannes scherp
nagezet, naar Mantua is gerukt om deze vesting te ontzetten. Slaagt Provera
hierin, komt Würmser met zijn leger dus vrij, dan zijn de gevolgen hiervan
niet te overzien, want Alvinzi is wel geslagen, doch (zooals den volgenden
dag reeds blijken zou) niet geheel; dan kan de toestand voor het Fransche
leger aan de Etsch zeer bedenkelijk worden.

Bonaparte bedenkt zich niet lang. Joubert beveelt hij den bij Rivoli geslagen
vijand te vervolgen; dan gaat hij na een korte rust zelf met de divisie
Massena, waarbij zich te Villafranca Victor aansluit, op weg naar Mantua,

Page 134

den braven Serurier te hulp; dan toonen Massena’s grenadiers nogmaals, wat
zij door marcheeren verstaan. Den 13en zijn zij bij Verona in het vuur
geweest, den nacht daarop naar het plateau van Rivoli gerukt, de kameraden
te hulp; nu ijlen zij bijna zes en dertig uur aan één stuk voort. Honger dorst,
vermoeienis, alles vergeten zij, één parool slechts kennen ze: Naar Mantua!
want ’t zal spannen voor Italië’s bolwerk. Acht maanden is de vesting
ingesloten; polenta en gezouten paardenvleesch vormen het dagelijksch
menu der bezetting en nu Würmser weet, dat Provera hem de hand komt
reiken, zal hij stellig het schier onmogelijke doen om vrij te komen.

Den 16en valt hij vol woede aan op Serurier, maar tornt op tegen diens sterke
positie bij La Favorite; niet beter gaat het met Provera. Door Victors 57e
halve brigade, sinds dien dag la Terrible genoemd, wordt hij zoo geducht
gehavend, dat hij 6000 gevangenen moet achterlaten; het slot is, dat
Würmser binnen de vesting wordt teruggedrongen. Hiermede is het pleit
beslist. Würmser begint te onderhandelen en Bonaparte, vol eerbied voor
zijn hoogen leeftijd1 en zijn gehouden gedrag, schenkt voorwaarden, zoo
gunstig, als hij bijna niet had durven verwachten, want hem wordt vrije
aftocht verleend met zijn geheelen staf, twee honderd ruiters, zes
vuurmonden en vijfhonderd personen naar zijn keuze. Door deze laatste
bepaling kreeg Würmser de gelegenheid eenige Fransche émigrés te redden,
die binnen de stad een toevluchtsoord hadden gezocht.

Page 135

Slag bij Rivoli. Januari 1797.

Nu Mantua gevallen was, kon men Italië als veroverd en dezen veldtocht als
geëindigd beschouwen. In den tijd van tien maanden had Bonaparte met een
leger, dat zelfs op zijn grootste sterkte nooit meer dan ruim vijftig duizend
man had geteld, twaalf veldslagen en meer dan zestig gevechten geleverd en
het hoofd geboden aan een macht, die de zijne meer dan viermaal in aantal
overtrof. Frankrijk kon trotsch wezen op haar zonen, die de beginselen der
vrijheid hadden gebracht in een land, waar de adel en de priesters eeuwen
achtereen onbeperkt hadden geheerscht; het was thans meester van de
Noordzee tot aan de Alpen, van de Pyreneën tot aan den Rijn. Hoche en
Moreau bewaakten deze grensrivier, Bonaparte had Oostenrijk doen
zwichten voor zijn ongeëvenaard veldheersgenie; thans was de vrede in ’t
verschiet. Eerst echter moest nog met den paus afgerekend worden. Gevolg
gevende aan den raad van eenige zijner kardinaals, had deze het tractaat van
Frankrijk geschonden, eerst in ’t geheim, later openlijk de partij van

Page 136

Oostenrijk gekozen, zijn troepen zelfs gesteld onder bevel van een
Oostenrijksch generaal en eindelijk, op de tijding, dat Bonaparte Rome
naderde, den godsdienstoorlog doen prediken onder het landvolk. Groot was
het gevaar, dat het Fransche leger door dezen laatsten maatregel dreigde,
snel en doortastend optreden het eenige middel er tegen.

Reeds den 4en Februari stonden èn Lannes èn Victor met hun grenadiers aan
de Senio tegenover een bende door priesters en monniken opgezweepte
boeren. Kardinaal Bucca commandeerde die zelf en deed de Franschen
weten, dat, als zij het waagden hen aan te vallen, hij op hen zou doen
schieten. Wat werd hij om die bedreiging hartelijk uitgelachen! In die dagen
maalden de soldaten der Republiek wat om den paus en de priesters. In den
nacht doorwaadde de voorhoede onder Lannes de Senio, sneed den kardinaal
zoodoende af van zijn terugtochtsweg naar Faenza, sloeg het pauselijk
legertje uiteen, schoot de poorten open van het stadje en bestormde dit. Had
Bonaparte niet vooraf iederen soldaat, die het waagde te plunderen, met den
kogel bedreigd, dan zou er van het plaatsje en zijn fanatieke bevolking niet
veel zijn overgebleven.

Nu deze laatste niet, zooals ze geducht had, over de kling gejaagd, doch met
verschooning behandeld werd, veranderde haar houding in een ommezien en
toen Bonaparte daarna aan een groot aantal krijgsgevangen officieren de
verzekering gaf, dat hij niet was gekomen om schade te doen aan den
katholieken godsdienst of om den Heiligen Stoel omver te werpen, doch
alleen om aan Italië de vrijheid te brengen en een einde te maken aan de
grove misbruiken der geestelijken, was hiervan het gevolg, dat verscheidene
steden de poorten vrijwillig voor hem openden, dat Ancona, door Colli
ontruimd en door Victor zonder slag of stoot bezet werd, dat Nôtre Dame de
Lorette reeds den 10en overging en dat de hoogten van Tolentino in de
onmiddellijke nabijheid van Rome, zes dagen later waren bereikt. Die
Franschen marcheeren niet, ze vliegen, zeide een der romeinsche prelaten,
vol angst voor ’t geen er nu zou volgen. Ernstig werd te Rome de vraag
overwogen, of ’t voor den paus en het Heilige College geen zaak was ijlings
te verhuizen naar Napels.

Page 137

Tot dit uiterste liet Bonaparte het niet komen. Hoewel hij volkomen het recht
had over het aan hem gepleegde verraad geduchte wraak te nemen, pleegde
hij geen geweld. Het was hem voldoende, als de paus afstand deed van zijn
wereldlijk gezag. Bij het verdrag van Tolentino werd dus beslist, dat Pius VI
afzag van zijn rechten op Avignon en le comtat Venaissin in Frankrijk en de
legatiën Bologna, Ferrara en de Romagna, terwijl hij Ancona met de citadel
aan Frankrijk moest overdragen. Voorts moesten alle staatsgevangenen in
vrijheid gesteld en dertig millioen francs betaald worden. Eindelijk vorderde
Bonaparte, dat hulp verleend werd aan de duizenden Fransche geestelijken,
die uit hun vaderland verbannen, aan diepe ellende ten prooi, in Italië een
toevluchtsoord gezocht en de meeste deuren voor zich gesloten gevonden
hadden.

Dat hij den paus zoo welwillend bejegende en dat zijn brieven aan dezen
getuigden van eerbied en hoogachting, werd door zijn generaals en het gros
zijner soldaten afgekeurd, doch hieraan stoorde hij zich niet. Zijn
geloofsbegrippen en zijn persoonlijk gevoelen waren met de door hem
gevolgde staatkunde in overeenstemming. De Republiek mocht een
godsdienst van het Hoogste Wezen ingesteld, de roomsche geestelijken
verbannen, de kerkelijke goederen verbeurd verklaard hebben en hij zelf een
kind dier omwenteling wezen, in zijn hart was hij een geloovige zoon der
kerk gebleven. Hiervoor stroomde te veel Italiaansch bloed door zijn aderen;
een godloochenaar is hij nooit geweest. Dat: “N’est pas athée qui veut,” in
later jaren door hem uitgesproken, is hiervoor het afdoende bewijs. De
kuiperijen en intriges der geestelijken waren hem echter een gruwel en het
bezit van stoffelijke goederen achtte hij voor den paus en zijn prelaten bij
hun geheel geestelijken arbeid volslagen overbodig.

In hooge mate politiek was zijn bezadigd optreden tegenover den kerkvorst,
want reeds pakte een nieuw onweder zich in het noorden samen; nogmaals
zou hij verplicht zijn tegenover Oostenrijk front te maken en dan kon een
fanatieke, door geweld, roof en moord tot het uiterste gebrachte bevolking,
die hij tijdelijk den rug moest toe keeren, een gevaar worden, geduchter nog
dan het eerstgenoemde.

Page 138

Geen Würmser, geen Alvinzi zou ditmaal zijn tegenpartij zijn; een prins van
den bloede zelf, aartshertog Karel, een jong bezadigd krijgsoverste, die
tegenover Moreau aan den Rijn, zijn sporen had verdiend.

Nog had deze zijn strijdkrachten op verre na niet bijeen, in de bergpassen
van Frioul en Tyrol stonden ze verspreid; nog miste hij zes volslagen
divisiën, die uit Duitschland zouden komen, toen Bonaparte, versterkt door
circa 25000 man van het Rijnleger onder Bernadotte, in Maart zijn tweeden
tocht begon naar de toppen der Alpen, den vermetelsten waarvan de
krijgsgeschiedenis tot heden gewaagde. Eenmaal die onder sneeuw en ijs
bedolven bergen door en de rivier de Drave gepasseerd, zou hij zich
bevinden in het dal van den Donau en op Weenen kunnen aanrukken. Voor
den afmarsch had hij pogingen aangewend om met Venetië een
bondgenootschap te sluiten, doch slechts ontwijkende antwoorden
ontvangen. Vastgeroest in eeuwenoude begrippen, valsch en trouweloos als
altijd, wars van al wat nieuw of Fransch was, wachtte de republiek slechts op
een nederlaag van Bonaparte om haar slag te kunnen slaan. Dat de fortuin
dezen generaal onveranderlijk getrouw zou blijven, achtte ze niet denkbaar.

De feiten leerden haar anders. Den 12en Maart de Piave overgetrokken, sloeg
Bonaparte den aartshertog vier dagen later bij de Tagliamento, vereenigde
zich kort daarop met Joubert, bleef op alle punten in ’t voordeel, bereikte
den laatsten Maart Klagenfurt, stelde hier den aartshertog voor,
onderhandelingen te openen, ontving door Engelschen invloed een
onvoldoend antwoord, greep dus opnieuw aan en bracht de tegenpartij in de
vier volgende dagen in de bergpassen van Neumarkt en Unzmarkt zulke
zware verliezen toe, dat er te Weenen een paniek ontstond en dat aartshertog
Karel, die van den aanvang af tot onderhandelen was bereid geweest, maar
wiens handen door het kabinet te Weenen waren gebonden, thans ijlings om
vrede verzocht. Bernadotte had Triëst en de rijke mijnen van Istrië inmiddels
bezet.

Te Leoben werden onderhandelingen geopend, die den 18en April tot een
voorloopig verdrag leidden; doch Massena had met de voorhoede de toppen
van den Semmering in dien tusschentijd bereikt, hij stond nog maar twee

Page 139

dagmarschen van Weenen verwijderd en kon de torens dezer stad in de verte
zien.

Ernstige overwegingen waren het, welke Bonaparte tot het doen van
voorstellen aan den aartshertog hadden geleid. In Italië, te Bergamo, Brescia
en Salo was oproer uitgebroken; Franschgezinde burgers waren vermoord;
Fransche soldaten waren er nog wel niet gevallen,—zij hadden strenge
bevelen zich niet met de door de geestelijken opgezweepte bevolking te
bemoeien,—doch de toestand was niettemin bedenkelijk. Dan droeg
Bonaparte kennis van de kuiperijen der koningsgezinden te Parijs tegen het
Directoire; eindelijk achtte hij de grens van zijn strategisch kunnen mogelijk
nu ook bereikt. Oostenrijk zou de Zuidelijke Nederlanden afstaan in ruil
voor Venetië, Illyrië en Istrië, met uitzondering van de eilanden en zou dus
meer ontvangen dan het ooit had durven hopen. Had Bonaparte geweten, dat
Hoche aan het hoofd van het Sambre- en Maasleger in diezelfde dagen (half
April) in Westfalen in drie veldslagen en vijf gevechten o. a. bij Neuwied, de
overwinning behaald, en dat Desaix in ’t Schwarzwald even groot succes
verworven had, dan had hij waarschijnlijk van onderhandelen even weinig
willen hooren als van de aanspraken, die de Oostenrijksche gezanten bij hem
in den aanvang gemaakt hadden op den voorrang bij de zittingen. “Ik wil van
voorrang niets weten,” zeide hij. “Wil Oostenrijk de Fransche Republiek niet
erkennen, dan is mij dit om ’t even. Die Republiek staat in Europa als de zon
boven den gezichtseinder. Wee de blinden, die haar niet kunnen zien of van
haar glans geen partij weten te trekken. Zie ik,”—doelende op een stoel, die
den zetel van den Duitschen keizer moest voorstellen;—“zie ik ergens een
stoel, die hooger staat dan de andere, dan bekruipt mij terstond de lust
daarop te gaan zitten.”

Terwijl hij te Leoben nog onderhandelde, had men in Venetië het gerucht
verspreid, dat hij door aartshertog Karel was geslagen en met zwaar verlies
teruggeworpen. Dit was koren op den molen der monniken en
reactionnairen; fel tegen alle nieuwerwetsche begrippen gekant, wisten deze
het zoover te brengen, dat op den tweeden Paaschdag (17 April) te Verona,
een der brandpunten van het fanatisme, een geweldig oproer uitbarstte,
waarbij verscheidene ongewapende Fransche soldaten op straat werden
vermoord, (de Veroneesche Paschen.) Bijna tegelijkertijd was een Fransche

Page 140

logger, die vluchtende voor een paar Oostenrijksche oorlogschepen, de
haven van Lido was binnen gezeild, eerst door de landbatterijen beschoten
en toen door een bende Slovenen afgeloopen. Dat de Groote Raad van
Venetië in dit alles de hand had gehad, is niet bewezen, doch de feiten bleven
dezelfde; op het platte land in Bonaparte’s rug had men mogelijk een
Italiaansch Vendée willen maken. De geestelijken dreven alles. De straf voor
deze daden, welke inderdaad Bonaparte met het oog op zijn plannen niet
onwelkom waren, liet zich niet lang wachten. Geen enkel voorstel tot een
vergelijk verkoos Bonaparte aan te hooren. “Al wilden jelui het strand met
goud bevloeren, neen, zeg ik. Zelfs de schatten van Peru wegen niet op tegen
het bloed van maar één mijner soldaten.”

Den 26en Mei trok een Fransch leger, door de bevolking met geestdrift
begroet, Venetië binnen, bezette de forten en vaste punten en plantte de
Fransche driekleur op het plein van San Marco. Het aristocratisch bestuur
viel; het Gouden boek, inhoudende al de voorrechten van adel en
geestelijkheid werd verbrand; een democratisch bewind trad op. De
beroemde Leeuw van San-Marco, het zinnebeeld van Venetië’s oppermacht,
werd overal omvergeworpen; de vloot, opnieuw uitgerust, stevende naar
Toulon. Vrijwel zonder bloed vergieten had deze omwenteling plaats
gegrepen; over het lot der Republiek was intusschen te Leoben reeds beslist.

De Senaat van Genua, die een even verraderlijke rol had gespeeld als
Venetië, onderging hetzelfde lot; de Ligurische republiek werd hier
afgekondigd. Eindelijk had de reeks van overwinningen in Italië en in
Duitschland door Frankrijk bevochten tengevolge, dat Pitt beangst werd en
zelf aanbood onderhandelingen aan te knoopen; te Rijssel zou worden
beraadslaagd.

Terwijl Hoche, Moreau en Bonaparte de eer en de onafhankelijkheid der
Republiek glansrijk handhaafden tegenover het buitenland en gansch Europa
vervulden met eerbied en ontzag, vormde de toestand in het binnenland hier
tegenover een schril contrast. De landmandaten, die het vorige jaar de
assignaten hadden vervangen, waren even sterk als deze, in waarde gedaald.

Page 141

Door de ambtenaren werd op de koersverschillen schandelijk gespeculeerd,
zelfs werd het gansche Directoire van zulke praktijken beticht, hoewel alleen
de steeds in overdaad levende Barras zich hieraan schuldig maakte.
Inwendig zwak, levende te midden eener bevolking, die de herinnering aan
de dagen van la Terreur in een zee van vermaken en zingenot scheen te
willen verdrinken, hiertoe elk middel aangreep en liefst van niets anders
wilde hooren dan van pret, gevoelde het Directoire zijn zetel onder zich
wankelen. Op het platte land wemelde het van rooverbenden, in het zuiden
moordden de Compagnons de Jésus, in het westen de Voetschroeiers op een
afgrijselijke manier en het gouvernement was te zwak om dat gespuis uit te
roeien. Van dezen jammerlijken toestand, die bijna met anarchie gelijk stond,
hoopten de koningsgezinden te kunnen partij trekken en het Directoire
omver te werpen. In den Raad van Vijfhonderd won hun partij voortdurend
in kracht. Bij duizenden begonnen de émigrés en de priesters terug te keeren
en de eigenaars van nationale goederen te verontrusten. Aaneengesloten tot
één reusachtigen bond, de club van Clichy, in ’t geheim gesteund door
Pichegru, die voor zijn hulp vorstelijk zou worden beloond, stuurde die partij
rechtstreeks aan op een tegenomwenteling. De graaf van Provence, oudste
broer van wijlen Lodewijk XVI begon zelfs reeds van zich te doen hooren en
achtte het oogenblik niet meer veraf, waarop hij als Lodewijk XVIII2 den
troon zijner vaderen zou bestijgen. Dit alles voorspelde weinig goeds voor
de toekomst; de vreedzame burgers zagen die donker genoeg in.

Na het sluiten van de vredespreliminairen te Leoben was Bonaparte
teruggekeerd naar Milaan, had het vorstelijk kasteel Mombello tot verblijf
gekozen en hier behalve Joséphine en oom Fesch, Paulette aangetroffen. De
zestienjarige ging nog gebukt onder een liefdeshistorie door haar met den
ruim veertigjarigen Fréron te Marseille aangeknoopt, doch door broer
Napolione afgebroken. Voor zijn mooi guitig zusje, dat zoo prettig
ondeugend zijn kon, had deze een waardiger echtvriend op het oog dan dien
leelijken ex-afgevaardigde der Conventie te Marseille met zijn bloedig
verleden. Paulette schijnt zijn keuze ten slotte blijkbaar nog niet zoo slecht te
hebben gevonden, want reeds half Juni schonk zij hart en hand aan den vier
en twintigjarigen brigade-generaal Victor Leclerc, een even ridderlijk als

Page 142

bekwaam officier, die haar reeds drie jaar in stilte beminde, met haar broer
bij Toulon had gediend en zijn snelle bevordering uitsluitend aan zijn
verdiensten dankte.

Dienzelfden dag (14 Juni) deed Bonaparte ook het kerkelijk huwelijk
inzegenen tusschen de twintigjarige Elisa en den kapitein Felix Bacciochi,
een Corsicaan van afkomst maar familie van Pozzi de Borgo. Buiten zijn
weten of goedvinden waren de jongelui reeds een week of zes te voren te
Marseille burgerlijk in den echt verbonden en zoodra moeder Laetitia wist,
dat haar zoon zich weder te Milaan bevond, had zij zich met de kleintjes ook
derwaarts begeven. Mama begreep wel, dat Napoleon over dit vrijwel
onberaden huwelijk van zijn oudste zuster met haar zooveel ouderen
oliedommen commensaal volstrekt niet gesticht zou wezen, maar van hem
moesten de bruidschat en een betere positie voor Felix komen. “Om alle
praatjes vóór te zijn” was zij dus op reis gegaan over Genua, hier begroet
door den adjudant Lavallette en den 1en Juni behouden te Milaan
gearriveerd. Te Genua gistte het nog wel, maar Lavallette had zij hoog en
trots te verstaan gegeven “dat zij niets had te duchten, want dat haar zoon, de
generaal opperbevelhebber, de notabelen der stad als gijzelaars had
medegevoerd.”

“Napolione,” dus geplaatst voor een voldongen feit, had hierin berust en
Bacciochi, als majoor het bevel opgedragen over de citadel van Ajaccio,
bovendien was de bruidschat in overleg met Louis en Jozef vastgesteld op
40.000 francs.

Jozef, in die dagen ook op Mombello en door het Directoire wegens zijn
groote bekwaamheden (?) benoemd tot gezant bij den Paus, zou Caroline
onder zijn hoede nemen en te Rome bij zich houden, terwijl de andere
familieleden in Juli naar Corsica terugkeerden.

Ook Louis, nog altijd Napoleons liefste broer, vertoefde een korte poos in
den familiekring; de levenslustige, onversaagde adjudant van voorheen was
echter verdwenen. In ’t begin van het jaar ziek geworden,—mogelijk had hij
van zijn lichaam in elk opzicht te veel gevorderd—werd hij spoedig een
zwaarmoedig, alleen over zijn ingebeelde of werkelijk bestaande kwalen

Page 143

mijmerende man, die weldra zijn heil zou zoeken bij allerlei wonderdokters
en kwakzalvers en zich zelf en velen met hem tot een last worden.

Op Mombello met zijn prachtige tuinen en zijn heerlijk natuurschoon had de
clan, uitgezonderd Lucien, die zich als intendant nog te Bastia bevond, wat
nader kunnen kennis maken met Joséphine, die in stilte zoo gehate, zoo
verfoeide, zoo benijde schoondochter en schoonzuster, die met onnavolgbare
gratie en tact tegenover de generaals, diplomaten, gezanten en vorstelijke
personen de rol van gastvrouw vervulde en hierdoor alleen reeds het hart van
haar met werk overstelpten man volkomen zou hebben teruggewonnen, als
de zinsbekoring, welke zij nog steeds op hem uitoefende, niet tevens had
medegesproken. “Moeder Laetitia” had haar ijskouden toon tegenover haar
echter geen seconde laten varen en was nog altoos vol minachting over de
vrouw, wier echt met haar zoon tot heden kinderloos bleef. Joséphine had
zich gedragen, alsof zij niet bemerkte, dat de clan haar op een afstand hield
en daarmee haar man genoegen gedaan.

Van haar eigen kinderen was alleen Eugène de adjudant tegenwoordig;
Hortense, die haar stiefvader volstrekt niet genegen was en hem zelfs
vreesde, was op kostschool bij madame Campan. Terwijl de Corsicanen en
hun aanhang om Napoleon heengonsden als wespen om een vat suiker en
vroegen, vleiden en kropen om een vetten brok, vroeg Joséphine voor háár
bloedverwanten niets; zij was gelukkig. Wel echter waren haar de oogen
opengegaan, bij het zien van den eerbied en het diepe ontzag, waarmede tal
van hooge personages haar man naderden, voor den reusachtigen prijs door
haar getrokken, toen zij dien doodsbleeken, kleinen generaal, die niets mede
bracht dan “mantel en degen” tot haar echtgenoot nam. Zij kende hem nog
niet; nimmer zelfs zou zij hem leeren kennen; wat hij worden, hoever hij ’t
brengen zou in de wereld, wist zij niet, maar dat hij bestemd was tot iets
groots, begreep zij uit al wat ze om zich heen zag gebeuren, uit dien stoet
van hooggeplaatste personen, die dagelijks zijn gunst kwamen vragen, dien
drom van generaals, die reeks van koeriers, renboden en adjudanten, die bij
dag en bij nacht aankwamen en met nieuwe bevelen weder vertrokken.

Niet zonder reden is Bonaparte’s omgeving het hof van Mombello genoemd,
want daar werden in de zomerdagen van 1797 groote staatsbelangen

Page 144

behandeld. Daar werd beslist over het lot van Sardinië, van Genua, Venetië
en Zwitserland, daar werd met Oostenrijk verder onderhandeld; daar werd de
grondslag gelegd voor een nieuwe republiek, die de Cis-alpijnsche zou
heeten en bestaan uit een samenvoeging van Lombardije, Modena, een deel
der Legatiën, Brescia en Mantua. Deze nieuwe staat moest voorzien worden
van een bestuur, een administratie, een rechtspleging, een financie-wezen,
kortom van tal van inrichtingen, zonder welke een goed geordend beheer
niet denkbaar is; en de bewijzen van helder en scherp doorzicht, welke
Bonaparte bij dit alles gaf, deden zijn omgeving en de vreemde diplomaten
verbazen. Bezwaren kende hij niet; verouderde begrippen vonden bij hem
geen genade; alle tegenkanting bezweek voor de macht van zijn wil.

Wel werd zijn eigenmachtig optreden tegenover Venetië en Genua door de
club van Clichy gestreng afgekeurd en riep de royalist-afgevaardigde
Dumoland den 23en Juni in den Raad van Vijfhonderd, zonder dat hij zijn
naam ook maar een enkelen keer uitsprak, Bonaparte in scherpe taal ter
verantwoording over het gebeurde met Venetië en Genua, maar schijnbaar
nam de veldheer hiervan geen notitie. Door Lavallette, dien hij naar Parijs
had gezonden, werd hij op de hoogte gehouden van ’t geen daar onder de
royalisten broeide; door een gevangen genomen agent van den prins van
Condé werd hij ingelicht omtrent Pichegru’s verraad en het komplot, tegen
het Directoire gesmeed. Overtuigd van den republikeinschen geest, die, veel
krachtiger dan bij Moreau’s troepen in Duitschland, heerschte onder het
leger van Italië, instinctmatig begrijpende, dat zijn eigen toekomst lag in het
voortbestaan der Republiek en dat hij na 13 Vendémiaire van het herstel van
het koningschap niets had te verwachten, volgde hij te Milaan den verderen
loop der gebeurtenissen, doch bracht het Directoire op de hoogte van
hetgeen hij omtrent het komplot te weten was gekomen.

Den 14en Juli daarop, den verjaardag van den val der Bastille, deed hij een
stouten zet; hij deelde zijn soldaten mede, wat er te Parijs broeide, wekte hun
haat tegen de royalisten en kuiperijen der pamfletschrijvers en hun liefde
voor de republikeinsche beginselen op in een proclamatie, deed adressen van
trouw aan de grondwet van het jaar III door hen teekenen en zond Augereau
hiermede naar het Directoire.

Page 145

Dewijl het leger aan de verkiezingen, die weder op handen waren, geen deel
nam, zaten de directeuren, die het onderling reeds lang oneens waren en
elkander, doch vooral den cynieken weerhaan Barras volstrekt niet
vertrouwden, met dien stapel adressen vrijwel verlegen; doch tevens vonden
zij hierin het bewijs, dat Bonaparte hen steunde in de kracht om zoo noodig
te handelen. Augereau, “dat prachtstuk van een bandiet,” zooals een hunner
hem betitelde, werd benoemd tot commandant van Parijs, troepen onder
Hoche werden onder een valsch voorgeven tot op twee dagmarschen van
hier bijeengetrokken en den 18en Fructidor (4 September) ging de
meerderheid van het Directoire over tot een staatsgreep. Verdacht van
medeplichtigheid aan ’t komplot werden Carnot en Barthélemy verbannen.
Pichegru, vijftig leden van de beide lichamen en tal van journalisten en
letterkundigen, die met hun heftig geschrijf tot verzet hadden opgehitst,
veroordeeld tot deportatie naar Cayenne, twee en veertig dagbladen
verboden en de gehouden verkiezingen in 48 departementen ongeldig
verklaard en onder meer de aanvankelijk in onbruik geraakte gestrenge
wetten tegen den adel en de geestelijkheid weder in volle werking gebracht,
de nationale garde als onbetrouwbaar ontbonden, François en Merlin
gekozen als nieuwe leden van het Directoire.3

Bloed werd niet vergoten; het volk was de valbijl moede, maar de “droge”
guillotine, zooals Cayenne werd genoemd, verrichtte beulenwerk, al
vorderde de executie meer tijd. Van de bannelingen hebben slechts enkelen
zooals Pichegru Europa wedergezien.

Toen Augereau naar Parijs gezonden was, had Bonaparte weinig meer van
zich laten hooren; de eerlijke oprechte Lavalette had hem doen inzien, dat hij
zijn roem zou doen tanen, als hij maatregelen van geweld steunde, die door
de positie van het gouvernement niet gewettigd werden, terwijl het bewijs
ontbrak, dat de te verbannen partij een terugkeer wenschte der Bourbons.
Aan ’t geen daar geschiedde, bleef hij wel zijn volle aandacht schenken. Zijn
vraag aan Milo de Melito “of deze dacht, dat hij alleen ter wille van de
grootheid van die advocaten uit het Directoire, van een Carnot en een Barras,
in Italië zoo vaak had gezegevierd” was welsprekend genoeg. Inmiddels had
hij den paus onderhands zijn medewerking verzocht bij een poging tot
verzoening tusschen de geestelijkheid en het Fransche gouvernement. “Dit

Page 146

laatste zou hierdoor versterkt, de meerderheid der natie tot het ware geloof
teruggevoerd worden,” betoogde hij (Augustus.) Voorts had hij het
Directoire met nadruk gewezen op het vermolmde Turkije en op het groote
belang van het bezit van Corfu, Zante, Cerigo en Céphalonia verbonden.
“Ons die vier eilanden, dan kan Oostenrijk desverkiezende Italië terug
krijgen,” schreef hij in diezelfde maand. “Daar eenmaal goed gevestigd,
schrijven wij den Grooten Heer zoo noodig de wet voor en pakken over dat
rijk heen Engeland aan. Binnenkort zullen wij wel gevoelen, dat, willen we
Engeland inderdaad vernietigen, het bezit van Egypte hiertoe voor ons een
eerste voorwaarde is.”

Zoover reikten de gedachten van den zeven en twintigjarigen veldheer toen
dus reeds. Na Lodi had hij begrepen, dat hij geroepen was om in Frankrijk,
waar een hoop “wauwelaars” en middelmatigheden den boventoon voerden,
een groote rol te spelen; dat overleg, sluwheid en geduld hiertoe factoren
waren en gemoedsbezwaren moesten worden op zijde gezet. Was Hoche, de
hoop der republikeinen, de jeugdige generaal, die de Vendée bedwongen, de
Oostenrijkers bij herhaling geslagen, een expeditie naar Ierland
gecommandeerd had en na Moreau’s ontslag4 met het commando over het
vereenigde Maas- en Rijnleger was belast geworden, niet half September,
waarschijnlijk door vergif, in zijn kamp te Wetzlar overleden, dan zou hij in
dezen eerlijken, oprechten lieveling der natie, stellig een geduchte
tegenpartij hebben getroffen. Thans vond hij in dien geheimzinnigen dood
een reden te meer tot achterdocht tegenover al wat royalist of Engelsch
heette. In de laatste dagen van Augustus had hij zijn hoofdkwartier verplaatst
naar Passeriano in Frioul om beter het oog te hebben op de
krijgstoerustingen, welke hij, ondanks den wapenstilstand, deed voortzetten,
want Oostenrijk, bekend met de plannen der royalisten te Parijs, maakte met
de vredesonderhandelingen bijna geen voortgang. Zegevierde die partij, dan
zouden zeker nòg gunstiger voorwaarden te bedingen zijn geweest dan nu
waren aangeboden.

In zijn eigen kring gaf hij onomwonden zijn afkeuring te kennen over de
daad van 18 Fructidor, alleen de nieuwbenoemde leden wenschte hij geluk,
dit lichaam zelf niet, wel schreef hij aan Talleyrand, dat zoodra de door
Engelsch goud gesteunde dagbladpers, die de natie bedierf, tot zwijgen

Page 147

gebracht, het Wetgevende Lichaam gezuiverd en de partij der Bourbons uit
alle staatsbetrekkingen gezet was, de Republiek kon vrede sluiten wanneer
en zooals zij verkoos. Aan het leger gaf hij de proclamatie van het Directoire
te lezen (22 September) betoonde zich in zijn eigen dagorder en in een
schrijven aan Augereau, wiens bezadigd gedrag op 4 September hij
goedkeurde, weder een volbloed Jacobijn, deed flink uitkomen, dat zijn taal
niet in overeenstemming was met zijn gemoed en wekte door zijn geheele
houding de achterdocht en de ontevredenheid van het Directoire op.

Dit strafte hem met het terugroepen van Clarke, die met hart en ziel aan hem
was gehecht; zijn antwoord was een hernieuwd verzoek om ontslag. “Het
gouvernement was bar ondankbaar. Hij was ziek naar lichaam en geest; had
naar plicht en geweten voor het vaderland gedaan wat hij kon. De rust was in
het binnenland teruggekeerd, hij kon thans best worden gemist.” (25
September.)

’t Was een meesterlijke zet; dat hij niet “gemist worden kon,” wist hij even
goed als het Directoire zelf. Dit boog deemoedig het hoofd, smeekte hem te
blijven, zinspeelde op den achterdocht en de walging, welke Hoche’s
plotselinge dood zeker bij hem had opgewekt, schonk hem op al zijn verdere
klachten voldoening maar—hoopte in stilte op een voortzetting van den
oorlog, want den man, die zijn wil zoo krachtig wist door te zetten, zag het
Directoire vooreerst liever niet naar Parijs terugkeeren.

Bonaparte had zijn verdere gedragslijn reeds vastgesteld. Augereau, die te
Parijs was komen vertellen, dat al de overwinningen in Italië hoofdzakelijk
waren behaald door hèm, was benoemd tot commandant van het Rijnleger en
met dezen snoever verkoos hij zijn roem niet te deelen; Bernadotte had hem
geschreven, dat Parijs hunkerde naar vrede, terwijl hem de portefeuille van
Oorlog was beloofd en Bernadotte was geen vriend van hem. Toen hij de
bergen in Frioul den 13en October met sneeuw zag overdekt, gaf hij zijn
secretaris, de Bourrienne, dus kortaf te kennen, dat hij de advocaten te Parijs
liet praten en vrede sloot. Venetië zou het gelag betalen, doch gaf zijn
korpsen tevens het bevel de hun reeds vroeger aangewezen punten in te
nemen, alsof hij voornemens was den oorlog met kracht voort te zetten. Von
Cobentzl, de Oostenrijksche diplomaat, aangewezen om met hem te

Page 148

onderhandelen, een sluw heerschap, meende, dat dit alles slechts een
schijnbeweging was, bleef onverzettelijk Venetië eischen tot aan de Adda en
maakte hem hierdoor zoo toornig, dat hij een aan dezen toebehoorend stuk
porcelein greep en aan scherven wierp.—“Zoo zal ik binnen een maand een
monarchie hebben vernietigd! De oorlog wordt voortgezet,” riep hij en liep
de deur uit om hiertoe bevelen te geven.

Toen kroop Cobentzl, die niets meer duchtte dan een nieuwen krijg, in zijn
schulp; den volgenden dag (17 October) werd te Campo Formio, een dorpje
tusschen de legers in, vrede gesloten—juist bijtijds, want geen halven dag
later kwam te Passeriano een koerier uit Parijs met het uitdrukkelijk verbod
de lijn van de Etsch aan Oostenrijk af te staan. “Bonaparte zelf zou
eerstdaags van de onderhandelingen worden ontheven.”

Waarschijnlijk had hij dezen zet verwacht en daarom zooveel spoed
gemaakt.

Het Directoire was verwoed, maar durfde aan het tractaat, dat Berthier
overbracht, zijn goedkeuring toch niet te onthouden, nu de gansche natie
juichte van blijdschap en Bonaparte’s lof luide verkondigde. Oostenrijk
stond België af aan Frankrijk, Lombardije aan de Cisalpijnsche Republiek en
ontving Istrië, Dalmatië en Venetië met al het grondgebied tot aan de Etsch.
Corfu en de Ionische eilanden bleven in Fransche handen. Bij geheim
tractaat verbond de keizer zich Frankrijks eisch te ondersteunen. Te Rastadt
zou op een congres over den vrede met Duitschland worden beraadslaagd.

Die afstand van Venetië aan Oostenrijk is Bonaparte vaak tot een bitter
verwijt gemaakt, en zijn behandeling van deze oude republiek is wel met de
Poolsche deelingen vergeleken. De belangen van Frankrijk echter en van
hem zelf wogen bij hem zwaarder dan die van een volk, “zoo laf, en zoo
bijgeloovig als de Italianen.” “Slechts vijftienhonderd van de straat
opgeraapte schelmen, die plunderden en stalen, waar zij konden, geen
enkelen Italiaan, heb ik onder de wapenen kunnen krijgen,” schreef hij aan
den minister van Buitenlandsche zaken, Talleyrand. “Een oorlog met
Engeland om aan deze natie de vrijheid te brengen zou wèl zoo schoon en
grootsch wezen, dan de voortzetting van den krijg ter wille van een volk, dat
niets voor de vrijheid gevoelt.”

Page 149

1 Bonaparte zond den betrekkelijk ouden generaal Serurier om de capitulatie in ontvangst te
nemen, teneinde de oude Würmser te besparen, zijn degen aan den 27-jarigen Bonaparte over te
geven.

2 Lodewijk XVII is de zoon van Louis Capet. Sommigen beweren, dat hij uit de gevangenis le
Temple ontvlucht en naar Duitschland geweken is en later onder den naam van Naundorff te Delft
overleed.
3 Een misrekening voor den schreeuwer Augereau, die op een zetel had gehoopt.

4 Hij wist van Pichegru’s verraad en had dit voor het Directoire verborgen gehouden tot na 4
September.

Page 150

Hoofdstuk VII.

Page 151

Naar Egypte.

Tegenover Bonaparte’s invloed had het Directoire het
dus nogmaals afgelegd; het schreef toen een brief vol
lof en dank, betitelde hem met “generaal-burger,”
onthief hem van zijn commando in Italië, benoemde
hem tot opperbevelhebber over een nieuw te vormen
krijgsmacht, het Leger tegen Engeland, verzocht hem met de afwikkeling
zijner zaken in Italië spoed te maken en zich daarna als gevolmachtigde der
Republiek te begeven naar het congres te Rastadt. Hier zouden de
vredestractaten dan tevens worden uitgewisseld.

De kunst van tusschen de regels door te lezen kende Bonaparte reeds lang.
Al die lof was bombast; het Directoire was bang voor hem en voor zijn
reusachtige populariteit, wilde hem liefst zoo lang mogelijk van Parijs
verwijderd houden en dacht mogelijk tevens, dat op een congres, waar zoo
groote en zoo veel belangen in behandeling zouden komen, allicht iets kon
voorvallen, waardoor zijn komst te Parijs voorloopig totaal onmogelijk werd
gemaakt. Hij antwoordde dus, dat er aan de organisatie der Cisalpijnsche
republiek en aan het beheer van Italië en van het leger nog zooveel was te
doen, dat hij niet voor midden November naar Rastadt kon vertrekken, dat
hij den brigade-generaal Murat dus had vooruitgezonden en tegen het einde
dier maand zijn bestemming hoopte te hebben bereikt; dat de vijf door
Venetië afgestane schepen ook nog zeilklaar moesten worden gemaakt, en
dat hij een zijner ambtenaren naar Malta had gezonden om met het oog op
zijn verdere plannen hier poolshoogte te nemen.

In echte, nobele soldatentaal nam hij daarop afscheid van zijn helden,
noemde hen de steunpilaren van de vrijheid en van Frankrijks glorie en
vertrok 17 November naar Rastadt. Die reis geleek een zegetocht, te
Lausanne wachtte hem een deputatie uit het kanton Wallis, dat slechts een

Page 152

aanleiding zocht om het juk van Berns tiranniek beheer af te schudden en
allerwege verrieden vlaggentooi, bloemen en luid gejuich de sympathie, die
de bevolking voor hem koesterde.

Slechts zes dagen bleef hij te Rastadt, schonk de heeren Treilhard en
Bonnier, zijn mede-afgevaardigden, die te midden van dien drom vreemde
diplomaten en kleine Duitsche vorsten tot nog toe een pover figuur hadden
gemaakt, terstond de plaats, welke hun als vertegenwoordigers eener groote
natie toekwam, weigerde den Zweedschen gezant von Fersen te ontvangen,
omdat deze voorheen tot de Bourbons in te nauwe betrekking had gestaan,
ruimde zonder veel omslag of gepraat1 alle bezwaren op, welke bij de
regeling der overgave van Venetië en van Maintz nog werden gemaakt en
was den 7en December terug in zijn klein hotel van de rue Chantereine,
weldra door den gemeenteraad herdoopt in rue de la Victoire.

Joséphine had hem niet vergezeld en dus niet gedeeld in de hem op zijn
doorreis in Frankrijk overal gebrachte hulde. Volgens haar brieven verlangde
zij wel hartelijk naar haar dochter en vond zij het in Italië doodelijk
vervelend. Toch kwam zij eerst in ’t begin van Januari 1798 thuis. Een
uitstapje naar Rome had tijd gevorderd; te Turijn had zij gedineerd bij den
Franschen gezant en hier groote bezorgdheid aan den dag gelegd voor een
zware cassette vol cameeën, medailles en andere kostbaarheden, daarna was
zij met bar weer over den Mont-Cenis naar Lyon gereisd en was hier met
pracht en praal ontvangen. Al dien tijd had haar man zich te Parijs niet meer
in ’t openbaar vertoond dan noodig was. Drie dagen na zijn terugkeer was hij
door het Directoire op het groote plein voor het Luxemburg in
tegenwoordigheid van tienduizenden juichende toeschouwers gehuldigd;
Talleyrand en Barras hadden de loftrompet over hem gestoken, zijn eenvoud,
bescheidenheid, groote burgerdeugden en lust voor de studie als om strijd
geprezen. Als een orkaan had de juichkreet “Leve de Republiek! Leve
Bonaparte” te Parijs weerklonken bij het zien van dien doodeenvoudig
gekleeden generaal met zijn bleekgeel zuidelijk gelaat en zonderling
lichtende oogen, van dien half beschroomden man met zijn vreemd
klinkenden naam, die plotseling van den achtergrond naar voren getreden na
een reeks van glansrijke overwinningen, thans den vrede was komen
brengen. Vrede na een jarenlangen bloedigen kamp op leven en dood met het

Page 153

buitenland. Beter nog dan de stedeling begreep de plattelandsbewoner, wat
dat woord beteekende. Van dien dag af was Bonaparte voor dezen geworden
l’Homme, de incarnatie van rustige kracht, die welvaart zou brengen en
voorspoed, en het ongestoorde bezit van het eenmaal rechtmatig verkregen
eigendom; jarenlang is hij dit gebleven.

Door Carnots verbanning was er in het Instituut een zetel opengekomen.
Deze werd hem thans aangeboden voor de afdeeling werktuigkunde en
erkentelijk door hem aanvaard. Vaak vertoonde hij zich na dien in het daarbij
behoorende costuum. Verder scheen hij zich bij voorkeur aan alle openbaar
huldebetoon te onttrekken; slechts een enkele maal vertoonde hij zich in de
comedie en dan nog in een loge grillée, was gansche dagen thuis en lag dan
met passer en potlood in de hand uren achtereen gebogen over zijn
reusachtige, op den grond uitgespreide kaarten van Engeland en Egypte.

Na Joséphine’s terugkomst, op een luisterrijke partij, door Talleyrand ter
harer eer gegeven, gaf hij de daar aanwezige gasten, eenige honderden,
weder gelegenheid hem wat meer van nabij te zien. “Mama, ’t is een man!”
riep een jonge dame, toen hij in burgerkleeding, met Joséphine, in Grieksch
gewaad en gekapt met cameeën, naast zich, de zalen van het hotel Gallifet
binnentrad. Hier ontmoette hij ook voor het eerst mevrouw de Stael-
Holstein, de echtgenoote van den Zweedschen gezant, een dochter van
Necker. Reeds herhaalde malen had zij hem schriftelijk haar sympathie
betoond en hem zelfs te verstaan gegeven, dat een vrouw zoo talentvol als
zij, beter naast hem had gevoegd dan die weinig ontwikkelde creoolsche;
thans liet zij zich door Arnault aan hem voorstellen. Veel genoegen beleefde
zij hiervan niet, want Bonaparte had een afkeer van intrigeerende dames en
bas-bleus, was van meening, dat een echte vrouw thuis behoort en niet op de
publieke tribune en was hard en bits tegenover haar, beantwoordde haar
vraag “welke vrouw in zijn oogen de eerste was” met een koel: “Zij die de
meeste kinderen heeft gehad” en keerde haar den rug toe.

Dat was de eerste schermutseling geweest tusschen de rijkbegaafde dame uit
de groote wereld, die uit haar salon wel over Frankrijk had willen heerschen
en van de rol eener Madame de Maintenon wellicht niet afkeerig zou zijn
geweest, en een man uit het volk, die in de politiek geen vrouwelijken

Page 154

invloed duldde, die dit beginsel heeft volgehouden tot het einde toe en die
later, toen hij haar intrigeeren met de royalisten moede werd, haar
onverbiddelijk uit Parijs verbande.

Evenals mevrouw de Rémusat, heeft deze dame, die zelve bals en partijen
gaf en haar man half armoede liet lijden, door haar geschrijf heel wat
toegebracht om Napoleon in een slecht daglicht te stellen2 en hem in de
publieke opinie te schaden. Hoe hij over die “helleveeg” dacht, blijkt o. a.
duidelijk uit den brief van 1807 uit Osterode aan Cambacérès.—“Die vrouw
zet haar vak van intrigante voort en is ondanks mijn bevelen Parijs weder
genaderd. Dat is een ware pest. Spreek er over met den minister van Politie,
want ze zal nog maken, dat ik haar door de gendarmerie laat oppakken.”

Telkens vervolgde zij hem met haar brieven,—somtijds zelfs van zes zijdjes,
—hij vond die vol pretensies maar zinledig en hol en verkoos haar niet te
Parijs toe te laten, waar zij het centrum vormde van allerlei intriges en waar
de Conventie reeds last van haar had gehad.

Dat hij, te Parijs teruggekeerd, zoo stil en afgezonderd leefde, slechts enkele
generaals, als Kléber en Desaix en eenige geleerden, letterkundigen, enz. als
Legouvé, Monge, David, Mehul en Bernardin de Saint-Pierre ontving en
zich bij niet één politieke partij aansloot, wekte niet minder verbazing dan
dat hij zich uitsluitend met zijn vrouw scheen te bemoeien; dit laatste werd
in de kringen van het Directoire zelfs bijna onbehoorlijk gevonden. “Zeer
verliefd en zeer jaloersch” heette hij al spoedig.

Joséphine vond deze stille afgezonderde levenswijze alles behalve
aangenaam, maar schikte zich in de omstandigheden, richtte zich met al het
uit Italië medegebrachte moois zeer kostbaar in, hield in stilte de relatie aan
met al de “schuine” vriendinnen en de vrienden van voorheen, doch bracht
ze zoo weinig mogelijk in aanraking met haar man, want deze had de
gewoonte die beursmannen, woekeraars, legerleveranciers, gescheiden
vrouwen en andere dames van verdachte zeden aan te kijken op een wijze,
die op een alleronpleizierigste manier zijn grenzenlooze verachting voor hen
verried. Zoo lang hij te Parijs vertoefde, vertoonde dat volkje zich dus niet,
doch nauwelijks was hij voor een dag of wat op reis of de bende kwam
weder opzetten.

Page 155

Zelfs met Barras werden de banden van voorheen weder vaster gesnoerd en
zeker geeft een briefje uit die dagen aan Bottot, Barras secretaris gericht,
veel te denken. “Bonaparte is van nacht thuisgekomen.3 Betuig Barras
derhalve mijn leedwezen, dat ik niet bij hem kan dineeren. Verzoek hem mij
niet te vergeten. Beter dan iemand anders kent gij mijn positie. Adieu,
oprechte vriendschap.

La Pagerie-Bonaparte.”

Dan onderhandelde zij over den aankoop van een landgoed ter waarde van
drie- of viermaal honderd duizend francs, waar zij met equipage en
bedienden haar kennissen zou kunnen ontvangen, wel een aanwijzing, dat
Bonaparte al was hij niet rijk, uit Italië meer geld had medegebracht, dan de
drie honderd duizend francs, die hij later noemde op St. Helena, want van
zijn traktement van veertig duizend francs ’s jaars als legercommandant kon
dit alles niet worden bekostigd.

Ook te Parijs, al leefde hij nog zoo afgezonderd, gunden de zaken hem geen
oogenblik rust. Telkens riep het Directoire zijn hulp in, vroeg hem om raad
of gaf hem opdrachten, o. a. toen in de laatste dagen van December ’97 te
Rome voor de Fransche ambassade een opstootje had plaats gegrepen,
waarbij o. a. de generaal Duphot was gedood, en waardoor Jozef zich
genoopt had gezien zijn standplaats onmiddellijk te verlaten en terug te
keeren naar Parijs. In dit voorval waartoe het in stilte misschien wel de hand
had geleend,—het overlaadde Jozef immers met tevredenheidsbetuigingen—
zag het Directoire thans een welkome aanleiding om zijn reeds lang
beraamde plannen ten opzichte van Rome ten uitvoer te leggen, te breken
met den paus, diens staten te bezetten en deze half Februari d. a. v. te
verklaren tot de Romeinsche republiek.

Deze nieuwe daad van geweld, keurde Bonaparte in stilte af. Door zijn
houding bij Tolentino, waar hij in strijd met de bevelen van het Directoire,
met den paus had vrede gesloten, door zijn eigenhandig geschreven brieven
aan dezen, door het kerkelijk huwelijk van Elisa en Pauline en door het
onderhouden van betrekkingen met verschillende Italiaansche prelaten had
hij meer dan voldoende bewezen, niet alleen dat hij een aanhanger was der
katholieke kerk, maar dat hij groote waarde hechtte aan haar invloed en haar

Page 156

zedelijke kracht. Tevens kende hij de Fransche natie reeds genoeg om te
weten, dat hij, die ook maar den schijn aannam van den Heiligen Stoel te
beschermen, daarbij terstond een aanhang moest vinden van millioenen
katholieken, die thans nog door een kleine partij, die der atheïsten en
philosofen werden onderdrukt.

Hoewel hij Berthier te Mantua dus bevelen zond om Rome te bezetten,
gelastte hij hem tevens “alle buitensporigheden te onderdrukken en iederen
Franschman of Italiaan, die onder het mom van vaderlandsliefde tot oproer
mocht willen aanzetten, zonder genade in de doos te stoppen.”

Had hij de handelingen van het Directoire tegenover den Paus afgekeurd,
ook tegen de hulp, door de Republiek aan de patriotten in Zwitserland
tegenover Bern verleend, was hij gekant, al werden de hiertoe noodige
bevelen door hemzelf aan generaal Brune gegeven. Dat het gouvernement
door al deze daden van geweld in de publieke opinie zijn eigen graf dolf,
begreep hij even goed als dat het zich zonder zijn hulp tegenover het
buitenland niet lang op zijn hoog standpunt zou kunnen handhaven, maar
dan moest die hulp zich tegenover de natie teekenen door daden, die de
verbeeldingskracht prikkelden, en die hem voortdurend op den voorgrond
deden blijven. “Blijf ik hier lang werkeloos dan ben ik weg; als ik mij
driemaal in de comedie heb vertoond, kijkt niemand meer naar mij om,”
zeide hij zelf tegen zijn intieme kennissen.

Page 157

De onderhandelingen over den vrede te Campo Formio. 1797.

Na die inspectiereis langs het Kanaal begon hij bij het gouvernement
derhalve krachtiger aan te dringen op een tocht naar het Oosten, naar Egypte.
Onuitvoerbaar was deze volstrekt niet, onder het koningschap was het
vraagstuk eener koloniseering van dat land bij herhaling ter sprake gebracht;
Leibnitz had die zelfs aan Lodewijk XIV aanbevolen en een paar jaar te
voren had de Fransche consul te Alexandrië hierover nog een omvangrijke
memorie ingediend. Goed geleid en met bezadigdheid ondernomen, was de
kans op welslagen vrij groot. Bonaparte bezat al de gegevens over dit
onderwerp maar koesterde in stilte veel grootscher plannen. Egypte
veroverd, de Turken uit Europa verdreven, al de Grieken en de
christenvolken in Klein-Azië in opstand gebracht, wilde hij Engeland ten
slotte aangrijpen in zijn hartader, de koloniën.

Geruimen tijd had het Directoire weinig ooren voor dit plan, dat Frankrijk
tijdelijk van een deel zijner beste strijdkrachten zou berooven, terwijl de

Page 158

vrede in Europa nog veraf was, maar toen het benoodigde kapitaal te Bern en
te Rome in de schatkist was gevonden en de geldelijke bezwaren dus waren
opgeheven, aarzelde het gouvernement niet langer doch teekende den 12en
April 1798 een besluit, dat strikt geheim bleef en een expeditie naar Egypte
betrof. Bonaparte werd daarbij zoo goed als geheel de vrije hand gelaten; hij
mocht zooveel troepen medevoeren als hij noodig achtte, over de te Genua,
Civita Vecchia en op Corfu garnizoen houdende divisiën beschikken, Malta
en Egypte bezetten, de landengte van Suez doen doorgraven en de
Engelschen verjagen uit al hun koloniën; het Directoire was in stilte
verheugd een man te zien heengaan, die door menigeen reeds als de
toekomstige heerscher over de Republiek werd aangewezen en die door zijn
reusachtige populariteit een dagelijks dreigend gevaar was voor hun eigen
bestaan.

Van de verleende vrijheid maakte Bonaparte ruimschoots gebruik. Een reeks
van geleerden, kunstenaars, letterkundigen en geneesheeren, als Monge
Berthollet, Larrey, Desgenettes zouden hem vergezellen. De kundigste
generaals als Desaix, Kléber, Davoust en Caffarelli voegde hij zich toe,
terwijl Junot, Lannes, Marmont, Berthier, Murat en andere krijgsmakkers uit
Italië, allen jonge, energieke, vermetele soldaten, niet werden vergeten.

Te Toulon zou het leger worden samengetrokken. Om Engeland zand in de
oogen te strooien, werd alom het praatje verspreid, dat al die
krijgstoerustingen waren bestemd voor den linkervleugel van het leger tegen
Engeland. Dit was uitgerust in de Middellandsche Zee en zou samenwerken
met de troepenmacht, in de havens aan den Oceaan en in ’t Kanaal bijeen te
brengen.

Wederom ging Bonaparte ijverig aan den arbeid. Alles regelde hij zelf; met
ongelooflijke snelheid zorgde hij voor alle toebereidselen. Te Toulon, Genua,
Ajaccio en Civita-Vecchia zouden de troepen scheep gaan. Hij vormde een
keurkorps van vijf en twintig honderd ruiters met zadel en tuig, maar
onbereden.—“De paarden zouden de Arabieren moeten leveren.”—Ook nam
hij een talrijke artillerie mede, doch in ’t geheel slechts 300 paarden om
ginds terstond enkele ruiters en vuurmonden tot zijn beschikking te hebben.

Page 159

Caffarelli zou de genie commandeeren. Berthier werd weder chef van den
staf; en den 19en Mei 1798 ging het eskader van Toulon onder zeil.

Tegelijkertijd zou Talleyrand naar Constantinopel vertrekken om den sultan
van den tocht naar Egypte kennis te geven en te vernemen, wat hij hiervan
dacht.

Intusschen was de bestemming der vloot voor Europa nog een raadsel. Waar
togen al die generaals, al die geleerden, al die soldaten toch heen? Naar de
Zwarte Zee, om de Krim terug te geven aan de Porte? Naar Indië om
Tippoo-Sahib te steunen tegen de Engelschen? Naar de landengte van Suez?
—De snuggerste bollen vertelden zelfs, dat alles slechts een krijgslist was.
Die scheepsmacht zou de straat van Gibraltar forceeren, het Engelsche
eskader aanvallen, dat Cadix reeds zoolang blokkeerde, de hier liggende
Fransche schepen zoodoende verlossen en met deze en de oceaan-eskaders,
koers zetten naar Engeland.

Te Londen heerschte groote ongerustheid. Een ieder dacht, dat een landing
het slot zou wezen. Op alle gebeurlijkheden voorbereid, deed minister Pitt
ijlings een nieuw eskader uitrusten, versterkte dat vóór Cadix met tien groote
schepen en zond Nelson met drie er van af om de bewegingen der Fransche
vloot te volgen.

Toen deze admiraal den 20en Juni voor Malta verscheen, kon hij echter
alleen te weten komen, dat dit verblijf der Maltezer ridders door den
grootmeester dezer orde reeds acht dagen te voren zonder slag of stoot aan
Bonaparte overgegeven en thans door Fransche troepen onder Vaubois bezet
was.—Heel wat oorlogsvaartuigen, 1200 vuurmonden, 40000 geweren,
eenige duizenden kilo’s buskruit en drie millioen francs, de Schat van den
Heiligen Johannes, waren hierbij buitgemaakt! Honderden Turksche en
Arabische slaven waren van hun boeien bevrijd; de dienstbaarheid was
afgeschaft, gelijkheid voor allen afgekondigd, overal de Fransche vlag
geheschen. Daarop was de vloot gestevend naar Egypte en had Bonaparte,
Lid van het Instituut, opperbevelhebber van het Leger in het Oosten, zooals
hij zich nu betitelde, door een proclamatie, geheel berekend om hun haat

Page 160

tegen Engeland bij zijn soldaten nog feller te maken, dit geheim zelf
geopenbaard.

“De mamelukken-beys, die in Egypte de baas waren en uitsluitend den
handel der Engelschen begunstigden, die de ongelukkige bewoners van de
Nijlstreek mishandelden en de Fransche kooplieden knevelden en bestalen,
moesten van den aardbodem verdelgd worden, de mahomedaansche
eeredienst en de ceremoniën, welke de Koran voorschreef, moesten
geëerbiedigd. Vrouwenschennis en plundering, onteerend voor een ieder, die
ze bedreef, zouden hun gerechte straf vinden; met deze volken, die voor de
soldaten vreemd waren, moest toegevend en welwillend worden omgegaan.”

Den 1en Juli met zonsopgang, dus na 41 dagen varen, kwam de vloot voor
Alexandrië.

Hoewel de woelige zee de ontscheping zeer belemmerde, en hierbij zelfs
manschappen verdronken, stond het grootste gedeelte van het leger, doch
zonder paarden of geschut, reeds den volgenden nacht om drie uur bij helder
maanlicht in drie colonnes op het strand geschaard. Om acht uur vielen deze
de stad van drie zijden tegelijk aan en maakten zich na een kortstondig
gevecht op de omwalling en in de straten er van meester.

Slechts enkele dagen bleef Bonaparte te Alexandrië. In dien tijd vestigde hij
er het gezag van Frankrijk, gaf aan zijn onderbevelhebbers een dagorder met
den uitdrukkelijken last personen en eigendommen te ontzien en den
mahomedaanschen godsdienst te eerbiedigen, regelde den verderen
opmarsch van het leger en verzocht admiraal Brueys voorloopig ten anker te
gaan op de reede van Aboukir.

In die dagen was Egypte zoo goed als geheel onderworpen aan de tirannie
van een reusachtige ruiterschaar, de mamelukken. Door sultan Selim
indertijd gevormd om zijn gezag in Egypte staande te houden tegenover de
pacha’s, die zich van hem onafhankelijk mochten willen maken, had die
cavalerie met haar vier en twintig bey’s zich ten slotte van den sultan vrij
verklaard. Ze was samengesteld uit slaven, die in hun prille jeugd in
Circassië waren aangekocht, zich door schoonheid onderscheidden en die,
onbekend met hun afkomst, naar Egypte overgebracht, fier waren op den

Page 161

hoogen prijs, welke voor hen was betaald. Uitsluitend geoefend in den
wapenhandel, waren uit die jongelingen de dapperste en behendigste
paardenmannen gegroeid, die men kon bedenken. Iedere bey bezat 600 van
die knapen, die ieder weder twee fellahs als bedienden hadden. Van deze
bey’s, die elkander herhaaldelijk beoorloogden, was tijdens de landing
Mourad-Bey, een even vurig als dapper en onversaagd krijgsman, een der
voornaamste.

Caïro, de Heilige Stad, was thans het groote doel der armee.

Dus op marsch door de woestijn! Reeds op den vierdaagschen tocht naar El-
Rahmanyeh, waar zij den Nijl eerst wederzagen, deden de ongelukkige
soldaten de bittere ondervinding op van wat het zeggen wil in een zware
uniform, onder een gloeienden Afrikaanschen hemel door mul woestijnzand
te marcheeren, zonder een enkele teug drinkwater, want het brakke vocht uit
de bronnen langs den weg mocht dezen naam niet dragen. Daarbij waren zij
voortdurend omstuwd door zwermen woestijnroovers, die elken achterblijver
zonder genade vermoordden en naakt uitschudden. Niet te verwonderen was
’t dus, dat de mannen, het water van den Nijl eindelijk weder voor zich
vindende, een jubelkreet deden hooren, en dat zich honderden zonder
onderscheid van rang met kleêren, wapens en al in den stroom wierpen om
zich eens naar hartelust te verfrisschen en—te drinken.

Daar aan den Nijl maakten de mamelukken, die gillend en krijschend in
dichte zwermen kwamen opzetten, voor de eerste maal kennis met een
infanterie, die, in een carré geschaard, met ijzeren koelbloedigheid eerst
geweersalvo’s afgaf en dan elken aanvaller, die te dichtbij dorst komen,
opving op de punt der bajonet.

Verwoed over deze nederlaag zijner onderbevelhebbers, besloot Mourad-Bey
“die ongeloovige honden” nu zelf aan te grijpen,—doch ook hij kwam van
een slechte reis thuis. Die infanterie was sterker dan hij had gedacht.—“Die
Fransche sultan is een toovenaar,” zeide hij, “die al zijn soldaten vasthoudt
aan één dik, wit koord en ze door een ruk hieraan, allen tegelijk heen en
weer beweegt. Hij is de “Vader van het Kruis.”

Page 162

Caïro lag inmiddels nog ver af. De soldaten begonnen te mopperen. Door
gebrek aan molens en ovens,—graan was er in overvloed,—kregen zij geen
enkelen dag brood; en linzen, duiven en nu en dan een watermeloen waren
wel smakelijk, doch voor een gezonde maag een te schrale kost. En waar
bleef Caïro nu, waarvan hun zooveel was verteld?—Wel zeker! ’t Bestond
niet. Die geleerde lui, die de generaal bij zich had, hadden dezen maar wat
wijs gemaakt, en die generaal met zijn houten been (Cafferelli) mocht niet
meepraten; die stond nog altoos met zijn ééne been in Frankrijk.

Eindelijk, den 21en Juli, ontwaarde de voorhoede links voor zich uit, aan
gene zijde van den Nijl de hooge minarets van de hoofdstad en aan haar
rechterhand de piramiden.

Die reusachtige gedenkteekenen ziende, hielden de mannen vol
nieuwsgierigheid en bewondering halt. Met een gelaat, dat gloeide van
geestdrift, reed Bonaparte in galop vóór langs hun front en strekte den arm
uit naar deze geweldige begraafplaatsen der oude Egyptische koningen.
—“Bedenkt, dat van den top dier piramiden veertig eeuwen op u neêrzien!”
riep hij.

Snel ging het daarop weder den vijand tegemoet; want ginds vooruit,
tusschen de piramiden en het dorp Embabeh aan den Nijl, wachtte Mourad-
Bey met tienduizend ruiters in de vlakte en met duizenden gewapende
fellahs in den dorpsrand. Vuurmonden zonder bespanning, dekten de
toegangen.

Bonaparte gaf bevel tot den aanval.

Iedere divisie,—hij had er vijf,—vormde één carré van zes gelederen diepte,
met de bagage en de generaals er binnen in, de grenadiers in
pelotonscolonne tegen een der flanken, om de aangevallen punten te
versterken; de vuurmonden op de hoeken. Van plaats veranderende
marcheerden de zijafdeelingen ervan uit de flank. Aangevallen, maakten die
levende bastions terstond naar vier zijden front. Moest een positie worden
aangegrepen, dan vormden de drie buitenste gelederen in een oogwenk
aanvalscolonnes, elke colonne op drie gelederen. De rest, nog altoos in een
carré geschaard, hield halt om die colonnes weder op te nemen. Gestrenge

Page 163

bevelen werden gegeven om vooral niet overijld te vuren, den vijand
bedaard te laten naderen en hem het salvo eerst toe te slingeren, als hij vlak
bij was, voor zulke vurige, strijdlustige soldaten als de Italiaansche cohorten
een zware proef.

Na een verkenning met den veldkijker besloot Bonaparte, buiten het bereik
van het kanon van Embabeh te blijven, de mamelukken van dit versterkte
dorp af te dringen, ze in den Nijl te drijven en het dorp eerst daarna aan te
vallen.

Mourad-Bey had dit plan evenwel terstond doorzien. Met acht duizend
ruiters wierp hij zich met bijna ongeloofelijke onstuimigheid op de voorste
divisie, (Desaix) die, tusschen de palmboomen marcheerende, haar formatie
in carré nog niet had volbracht, maar den aanval toch kalm afwachtte en
eerst op ’t laatste oogenblik vuur gaf.

Dus afgeslagen, joeg de ruiterdrom thans als een oceaan van steigerende
brieschende centauren om de zijden van ’t carré; enkele mannen wierpen
zich zelfs als bezetenen op de bajonetten, rukten hun paarden om, vielen er
mede tusschen de gelederen, en vormden op die wijze een bres, maar vonden
dan de grenadiers, die hen afmaakten. Ook de divisie Reynier, welke Desaix
volgde, werd op deze wijze aangegrepen.

De heldenmoed en de doodsverachting der ruiters zwichtten intusschen voor
koelbloedigheid, die de soldaten met salvovuur en bajonet er tegenover
stelden.—In Embabeh ontstond een paniek. Een laatste poging van Mourad-
Bey om de colonnes, die op dit dorp aanrukten, te omsingelen en te
vernietigen, mislukte door de snelheid, waarmede de infanterie wéér de
carréformatie aannam; thans ontstond een algemeene vlucht. Met het
overschot zijner ruiters zocht de Bey een goed heenkomen naar Opper-
Egypte; honderden fellahs verdronken in den Nijl bij hun pogingen om Caïro
te bereiken. Embabeh werd stormenderhand genomen. Een schat van goud
en kostbaarheden viel den soldaten in handen, want de mamelukken hadden
de gewoonte al wat zij bezaten in het gevecht mede te voeren.—Ten slotte
verschafte een overvloed van levensmiddelen van allerlei aard den
krijgslieden gelegenheid zich voor de doorgestane ontberingen eens terdege
schadeloos te stellen.

Page 164

Zoo eindigde de slag bij de Piramiden. Caïro met zijn driehonderd duizend
inwoners lag voor Bonaparte open.

Nauwelijks hier gezeteld begon deze ook weder de staatkundige gedragslijn
te volgen, welke hem te Alexandrië reeds zooveel succes had bezorgd en
waardoor de bevolking zich aan hem begon te hechten. Hij bracht een
bezoek aan de voornaamste sheiks, wist door zijn vleiende taal bij hen de
hoop op herstel van het gezag der Arabieren in de plaats van dat des sultans
te doen herleven, beloofde hun gebruiken en hun godsdienst te eerbiedigen
en slaagde er ten slotte in door de sheiks der hoofdmoskee een verklaring te
doen afgeven ten gunste der Franschen.

Toen was het pleit gewonnen. Een divan of gemeenteraad, samengesteld uit
de voornaamste sheiks en ingezetenen, zou hem inlichten betreffende al de
onderdeelen van het bestuur. De kadi’s zouden het recht blijven bedeelen.
Hij zelf nam van tijd tot tijd de oostersche kleederdracht aan, woonde in de
groote moskee zelfs enkele mahomedaansche godsdienstfeesten vol eerbied
bij, en deed hierdoor bij enkelen de meening geboren worden, dat hij tot den
Islam wilde overgaan, een daad, die hem bij zijn overheerschend
fatalistische denkbeelden waarschijnlijk niet eens moeilijk zou zijn gevallen,
als hij zijn staatkunde hiermede had kunnen dienen.

Zijn soldaten vergat hij hierbij niet. Hij deed ovens voor hen bouwen, gaf
hun de voormalige woningen der mamelukken in gebruik en rustte zijn
cavaleristen uit met hun prachtige paarden.

Wel beval hij hun ten strengste eerbied aan voor de vrouwen, maar overigens
liet hij hen genieten van dit nieuwe, vreemdsoortige land met zijn overvloed
van voedsel en zijn gezond, zuiver klimaat. Ook aan zijn geleerden dacht hij
o. a. door de instelling van het zoo beroemd geworden Egyptische Instituut.
Dit kreeg onder meer de opdracht een nauwkeurige beschrijving van het land
samen te stellen en een kaart te maken, die afdaalde tot in de kleinste
bijzonderheden; voorts moest het onderzoek doen naar de bouwvallen, om
voor de geschiedenis nieuwe gezichtspunten en gegevens bijeen te brengen.

Zelf gaf hij de vraagstukken op, welke het Instituut moest uitwerken, zooals
het bedenken der beste constructies voor water- en voor windmolens, het

Page 165

zoeken naar middelen om het Nijlwater te zuiveren en tot drinkwater
geschikt te maken, het opsporen van terreinen, waar met kans van slagen hop
kon verbouwd worden, en dergelijke meer.—“Mocht de fortuin ons
ongunstig worden en ons dit heerlijke land weder ontnemen, dan moeten de
overwinningen, hier door de wetenschap te behalen, ten minste van
blijvenden aard wezen,” was hierbij zijn grondgedachte.

Had de onderwerping van Beneden- en Midden-Egypte weinig moeite
gekost, ook die van Opper-Egypte werd na het hardnekkige gevecht bij
Salheyeh, waar Mourad-Bey nogmaals werd verslagen, een voldongen feit.
Op het kwetsbaarste punt, n.l. aan de zee, de operatiebasis, had de fortuin de
Fransche wapenen echter verlaten. Den 2en Augustus was de vloot, die vóór
Aboukir ten anker lag, door Nelson aangegrepen en zoo goed als vernietigd.
Admiraal Brueys was gedood; slechts een paar schepen waren aan de
algemeene vernietiging ontkomen en naar Malta gevlucht.

Met stoïcynsche bedaardheid ontving Bonaparte dit bericht. Geen spier op
zijn gelaat vertrok; strak en bleek bleef het als marmer.—“Welaan, dan
moeten wij hier ons einde afwachten of van hier terugkeeren, zoo groot als
de mannen der oudheid,” zeide hij toen.—“Hierdoor zullen wij verplicht zijn
nog grooter daden te verrichten dan in ons voornemen lag,” schreef hij aan
den edelen Kléber; deze gaf hem in denzelfden geest antwoord.

De slag was zwaar, doch de moed van die twee groote mannen schraagde het
leger en herstelde zijn zedelijke kracht. Zonder hulp van de zeezijde, zonder
gemeenschap met Frankrijk, zou het van nu af alleen op zich zelf moeten
rekenen en—op zijn generaal.—Aanvulling had het dringend noodig. Welnu,
een buitengewoon besluit schonk de mamelukken en de Arabieren het recht
onder de Fransche vanen te dienen. De ledige plaatsen werden dus weder
bezet; de inboorlingen begonnen zich te schikken naar hun Fransche
krijgsmakkers. Zelf voegde Bonaparte zich een escadron mamelukken toe
als lijfwacht.—Ingedeeld bij de later gevormde Escadrons van Dienst is dit
korps hem tot Waterloo trouw gebleven. Toen is het uiteengesprongen; de
ruiters zijn verstrooid. De weinigen, die het leven eraf hadden gebracht, en
trachtten over Marseille Egypte weder te bereiken, zijn onderweg door de
verwoede bevolking vermoord.

Page 166

Thans toog Bonaparte aan den arbeid om, eenmaal tot blijven gedwongen,
aan de nieuw te stichten volkplanting kracht en leven te schenken. De
beginselen der vrijheid en der Europeesche rechtsbegrippen moesten hiertoe
aan de bevolking worden ingeprent; dus deed hij de zeer onvoldoende
verzekerde eigendommen der fellahs inschrijven als hun persoonlijk bezit,
vestigde te Caïro, te Alexandrië en te Damiëtte een rechtbank van
koophandel, moedigde den bouw aan van fabrieken, molens en werkplaatsen
en wees de gemeenteraden op de weldaden van een goed, gestreng toezicht
op de oorzaken van ongezonde toestanden.

Ook naar buiten was hij voortdurend werkzaam ter bevestiging van zijn
gezag. Zoo sloot hij een verbond met den bey van Tripoli, met den cherif van
Mekka, den pacha van Damascus en dien van Aleppo. Zelfs belastte hij een
paar gezanten met brieven voor Tippoo-Sahib, den sultan van Mysore, om
hem in zijn verzet tegen de Engelschen te schragen.

Toch waren die buitengewone krachtsontwikkeling en die reusachtige
werkzaamheid niet bij machte in den loop der dingen verandering te
brengen. Wel had de zeeslag bij Aboukir den lichtglans niet kunnen dooven,
welke den tocht naar Egypte nog altijd omgaf, doch de hoop der vijanden
van Frankrijk was er door verlevendigd. Talleyrand was niet naar
Constantinopel gereisd, waarschijnlijk omdat er met het sluiten van
verdragen enz. te Parijs meer te verdienen viel dan met onderhandelingen te
Stamboul.

Engelands agenten hadden hier dus vrij spel bij den sultan en deze had de
mamelukken niet ongaarne zien verslaan doch wilde Egypte daarom nog niet
verliezen. De Fransche vloot vernietigd, dreigde er voor hem van deze zijde
geen gevaar meer; een tocht van Bonaparte naar de Dardanellen was niet
langer te duchten; het Engelsche goud met volle handen uitgestrooid deed
het overige. De sultan verklaarde Frankrijk, zijn ouden bondgenoot, den
oorlog.

Agenten van de Porte deden tevens allerwege in Egypte onder het volk een
geduchte gisting ontstaan. Den 21en September brak te Caïro een oproer uit,
dat aan 300 soldaten het leven kostte; en hoewel Bonaparte voor dezen
moord bloedig wraak nam, en vliegende colonnes het land doorkruisten om

Page 167

elk begin van verzet te smoren, kon dit alles niet beletten, dat de rust slechts
in schijn werd hersteld. Tegelijkertijd riep een firman des sultans alle
geloovigen onder de wapenen. In Syrië werden krijgstoerustingen gemaakt;
een expeditie van uit Turkije naar Egypte werd voorbereid; alles wees er in
één woord op, dat Bonaparte met zijn leger van nog geen dertig duizend
man, aan zijn lot overgelaten, zonder hulpbronnen, een zeer moeilijken tijd
te gemoet ging.

Ook als echtgenoot had hij een slag ontvangen, die voor een zoo
hartstochtelijk verliefd man als hij, niet zonder duldelooze zielepijn kon
worden gedragen. Reeds op zee waren de zinspelingen van Jozef op het
zedelijk gedrag van Joséphine in Italië hem weder voor den geest gekomen;
achterdocht had zich van hem meester gemaakt; hij had navraag gedaan bij
zijn vroegere intieme kameraden, die onbescheiden waren geweest en vooral
Junot had den laatsten twijfel bij hem weggenomen. Joséphine had hem
bedrogen. Toen hij haar huwde, had hij naar haar verleden niet gevraagd; dit
ging hem niet aan, redeneerde hij, doch sinds zij door een eed aan hem was
verbonden, behoorde zij hem, hem alleen met lichaam en ziel. Nu zij aan
dezen eed ontrouw was geworden, wilde hij ook niet langer met haar
verbonden blijven; hij zou zich van haar laten scheiden.

In dezen zin schreef hij 25 Juli aan Jozef. “De laatste sluiers zijn verscheurd;
ik heb veel huiselijk leed. Binnen een paar maanden kan ik te Parijs zijn.
Bezorg mij daar in den omtrek of in Bourgondië een buiten. Daarin denk ik
mij op te sluiten. Ik heb behoefte aan alleen zijn. De grootheid verveelt mij.
Op mijn negen en twintigste jaar ben ik hard op weg een egoïst te worden.
Jij alleen blijft mij over; verlies ik ook jou vriendschap, verraad jij me ook,
dan word ik een menschenhater,” enz...

Wel heeft Jozef dit schrijven nooit ontvangen—de Engelschen
onderschepten het—doch het teekende genoegzaam zijn gemoedstoestand in
die dagen.

Later begon hij dit alles kalmer in te zien, vooral na de kennismaking met de
zeventienjarige mevrouw Fourès, echtgenoote van een jong luitenant der

Page 168

jagers te paard, een voormalige modiste uit Carcassone. Toen Napoleon haar
man met brieven naar Frankrijk gezonden had (December) was zij spoedig
op zeer intiemen voet met Bonaparte, die zich overal met haar te paard en in
een open rijtuig vertoonde. Was de dame, die zich van haar man had laten
scheiden, in dien tijd zwanger geworden, dan had Bonaparte Joséphine
stellig verstooten en haar gehuwd, want reeds in die jaren was zijn behoefte
aan een huisgezin met kinderen groot; ook in dit opzicht was hij een echte
zoon van Corsica.

Uiterst kritiek was Bonaparte’s toestand dus in het begin van 1799, doch van
versagen was bij hem geen sprake. Voor een Turksche expeditie naar Egypte
was het jaargetijde te ongunstig; daar zou de vijand dus zoo spoedig niet
opdagen. Dan zou hij naar Syrië trekken, de krijgsmacht aanvallen, welke
zich daar vormde en den sultan toonen over welke geduchte krachten hij nog
beschikte.

Met 13000 man, in vier divisiën, aangevoerd door Kléber, Reynier, Bon en
Lannes, de cavalerie onder Murat, de guides onder Bessières, begon hij den
zwaren tocht door de woestijn, nam onderweg het fort El Arych en de stad
Gaza, sloeg het beleg voor Jaffa en hield hier den 7en Maart 1799 zijn
intocht. Wel scheen het ongeluk hem ook hier te vervolgen, want thans brak
onder zijn soldaten de pest uit. De mannen stierven als muizen. Dokter
Larrey, de chef van den geneeskundigen dienst, begon zich ongerust te
maken, want heel wat lijders bezweken binnen een etmaal, nadat de ziekte
hen had aangetast. In het klooster der paters van het Heilige Land alleen
telde men er zeven honderd. De soldaten sloeg de angst om ’t hart.

Onverschrokken begaf Bonaparte zich midden tusschen de zieken, sprak hun
moed in, raakte verscheidene hunner aan ten bewijze, dat de ziekte niet zoo
besmettelijk was, als zij dachten, bleef ruim anderhalf uur in een gebouw,
waar de lijders lagen opeengepakt, en de lucht dus was bedorven, en was
toen eerst door de artsen te bewegen heen te gaan.—“Het was mijn plicht. Ik
ben opperbevelhebber,” gaf hij, buiten gekomen, koeltjes ten antwoord aan
de officieren van zijn staf, die hem van de begane onvoorzichtigheid een
ernstig verwijt maakten. Ook de doktoren moesten van deze heel wat hooren
over hun zwakheid, dat zij hem toegang hadden verleend.—“Net alsof het

Page 169

zoo gemakkelijk gaat hem af te brengen van iets, dat hij zich heeft
voorgenomen, of hem af te schrikken door vrees voor gevaar,” was het
antwoord, dat zij gaven.

Vrees voor gevaar kende hij niet; die heeft hij ook nooit gekend. Juist deze
voor duizenden zoo onverklaarbare, geheimzinnige eigenschap, maakte hem
zoo sterk bij al wat hij deed. Verbleeken, sidderen zag men hem nooit. Dat
hij in zijn kabinet bij het plotseling vernemen van een zware ramp een kruis
sloeg, was uitsluitend een bewijs, dat hij die uit zijn kinderjaren afkomstige
gewoonte niet had afgeleerd. Dragomirof, de beroemde Russische
veldoverste, heeft Bonaparte zeer juist geschetst als hij zegt, dat deze “niet
alleen niet bang was voor zijn eigen dierbare “knoken,” doch zelfs geheel
moest hebben vergeten, dat de menschelijke natuur aan zulk een zwakheid
kon mank gaan.”—“Die sterksprekende trek van het volkomen ten offer
brengen van zijn eigen ik,” gaat Dragomirof voort, “geeft aan de ziel een
scherpte van blik, welke haar veroorlooft de uitvoering te wagen van zekere
besluiten, waarvan de gedachte alleen reeds voldoende is om de slaap van
een gewoon mensch totaal te verstoren, en die gelijkertijd op de massa een
onwederstaanbare tooverkracht uitoefent. Die karaktertrek, en die alleen
sleept de menigte mede achter elken geestdrijver aan; want wil men de
menigte ten verderve leiden, dan moet men vóór alles zelf niet beducht zijn
te gronde te gaan.”

Die maakte tevens, dat zijn gemoed gestaald werd en dat hij bij Arcola Louis
van een uiterst gevaarlijke zending ongedeerd ziende terugkeeren, hem
alleen met een kort verheugd lachje en een “Ik dacht dat je gevallen waart”
verwelkomde. Toch had hij Louis bijna zoo lief als een zoon.

Zulk een man, zegt Masson, heeft de hoogste sport beklommen voor een
mensch met intellect en gevoel bereikbaar en zoo iemand staat boven de
goden der verbeelding.

Begrijpende, dat een langer verblijf te Jaffa zijn mannen noodlottig kon
worden, en dat afleiding voor hen het beste geneesmiddel was tegen ziek
worden, voerde hij hen door de woestijn naar het sterk bezette Acca of Saint-
Jean-d’Acre en vernietigde binnen acht dagen de legermacht, welke de
sultan deze vesting te hulp had gezonden. Haar nemen vermocht hij niet,

Page 170

want Sidney Smith, de opvolger van Nelson in de Levant, had hem in volle
zee van zijn schepen met belegeringsartillerie beroofd; en met veldgeschut
was tegen de zware steenen wallen niets te beginnen.—“Die man heeft mij
mijn fortuin doen missen,” heeft Bonaparte, op dezen admiraal doelende,
gezegd. “Was Saint-Jean-d’Acre gevallen, dan had ik Damascus en Aleppo
genomen; in een oogwenk had ik aan den Euphraat gestaan. De christenen
van Syrië van Armenië, de Drusen hadden zich bij mij aangesloten. Ik zou
Constantinopel veroverd, Indië vermeesterd hebben en nu keizer zijn van
geheel het Oosten.”

Thans werd er van al die visioenen niet één verwezenlijkt. Na een beleg van
twee maanden, na een laatste vierdaagsch bombardement, tendeele
onderhouden met de volkogels, die Sidney Smith van uit zee naar de
Fransche liniën had geschoten en door de soldaten waren opgezocht, hief
Bonaparte het beleg op. Zieken, gewonden, alles moest terug naar Jaffa; den
21en Mei was er geen enkele Fransche soldaat meer voor Acre te vinden. Met
500 dooden, waaronder verscheiden officieren van naam, den
divisiegeneraal Bon en den generaal der genie Caffarelli, was dat
gedenkwaardige beleg betaald. Bonaparte zelf was licht gewond geworden;
een paard was onder hem doodgeschoten. Eens, in de loopgraven was hij
bijna in stukken gereten door een bom, die vlak naast hem sprong en hem
benevens twee soldaten met aarde overdekte.

Ook Jaffa werd verlaten. Al de zieken werden medegevoerd. Niet één bleef
in Syrië achter, al heeft de Engelsche kolonel Wilson later beweerd, dat op
Bonaparte’s bevel bijna zeshonderd onvervoerbare pestlijders met opium
zouden zijn omgebracht. De brave Larrey en Desgenettes, hoofden van den
geneeskundigen dienst, wier zelfopoffering nooit genoeg kan worden
gewaardeerd, waren er nog al de mannen naar, om, gesteld zelfs, dat het
bevel hiertoe gegeven was, dit ten uitvoer te brengen.—“Juist aan generaal
Bonaparte hebben die slachtoffers in hoofdzaak hun behoud te danken
gehad,” heeft de eerstgenoemde in later jaren in zijn gedenkschriften
geschreven.—Om de figuur van Napoleon heeft het spook van den
afschuwelijksten laster steeds onverpoosd rondgewaard.

Page 171

Groote vreugde heerschte er te Caïro, toen de Sultan Kebir den 14en Juni na
een marsch van twintig dagen door het gloeiende woestijnzand hier
wederkeerde. Zelfs de inlandsche bevolking scheen een wijle haar houding
van zwijgende deftigheid te hebben afgelegd, om hem met juichkreten te
ontvangen.—Alles scheen er op te wijzen, dat thans een tijdperk van rust
was ingetreden, want in Mei reeds was het aan Desaix gelukt Opper-Egypte
geheel te bezetten en Mourad-Bey bij herhaling de nederlaag toe te brengen.

De rust zou niet volgen.

Den 15en Juli toch ontving Bonaparte de tijding, dat een groot Turksch
eskader met landingstroepen aan boord, drie dagen te voren het anker had
laten vallen op de reede van Aboukir en reeds bezig was met ontschepen. De
tijding kwam van generaal Marmont, die te Alexandrië commandeerde; aan
de juistheid er van viel niet te twijfelen.—De Turksche macht telde ongeveer
18000 man infanterie, ditmaal geen uitgehongerde fellahs maar dappere
janitsaren, gewapend met een geweer zonder bajonet, waaruit ze eerst een
schot losten om daarna met pistool en sabel op den vijand in te gaan.
Engelsche officieren voerden hen aan. Paarden hadden ze bijna niet, slechts
driehonderd. De rest zou Mourad-Bey leveren, als hij, met twee- of drie
duizend mamelukken uit Boven-Egypte langs den zoom der woestijn
trekkende zich te Aboukir met hen had vereenigd.

Nauwelijks waren Bonaparte deze bijzonderheden bekend en wist hij dat de
bezetting van Aboukir over de kling was gejaagd, terwijl Marmont zich
zonder slag te leveren in Alexandrië had opgesloten, of hij begon met drie
divisiën een geforceerden marsch naar de kust. Tevens gaf hij Kléber en
Reynier, die in de Nijl delta stonden, last om onverwijld op Aboukir aan te
rukken. Zelf stond hij binnen enkele dagen tusschen deze plaats en
Alexandrië, gaf Marmont een geduchte schrobbeering, omdat hij de landing
niet had belet, en greep den 25en Juli den vijand aan. Deze had zich
verschanst op het schiereiland, waarop Aboukir ligt.

’t Was een heet gevecht, een van de merkwaardigste misschien, die er in de
krijgsgeschiedenis is opgeteekend, want het gansche Turksche leger, aan drie
zijden door de zee, aan de vierde door Bonaparte ingesloten, werd volslagen

Page 172

vernietigd. Wat niet viel door zwaard of kogel, vond den dood in de golven.
Mustapha-pacha, de commandeerende generaal, werd na een tweegevecht
met Murat gewond en door dezen gevangen genomen; en op den avond van
dien dag dreven 12000 Turksche lijken voor Aboukir in zee. De nederlaag
van het vorige jaar was glansrijk gewroken. Kléber, die te laat was gekomen
om nog aan den strijd te kunnen deelnemen, omarmde zijn genialen veldheer
en zei: “Generaal, groot zijt gij als de wereld!”

Een nieuwe aanval van Turksche zijde was nu vooreerst niet weder te
duchten. Het Fransche leger telde nog bijna 25000 man; zijn toestand was
bevredigend te noemen; in een jaar tijd had het in het veroverde land groote
dingen verricht. Met voldoening kon de opperbevelhebber op zijn werk
terugzien. Slechts één factor ontbrak hem. Sinds 25 Maart 1799, dus sinds
het beleg van Saint-Jean-d’Acre, was hij verstoken van elk bericht uit
Frankrijk; Louis in ’t laatste kwartaal van 1798 half ziek naar Europa
teruggegaan, was niet weder in Egypte verschenen; geen enkelen brief had
hij ontvangen, zelfs niet van zijn familie; de Engelsche kruisers hadden alles
aangehouden. Reeds maanden verkeerde hij in onzekerheid, hetgeen er
voorviel ginds.

Eindelijk vernam hij de waarheid door Sidney-Smith zelf. Deze had een
Franschen parlementair opgepikt, die met den Turkschen vlootvoogd quasi
zou onderhandelen, maar die feitelijk voor Bonaparte berichten moest
inwinnen omtrent den stand van zaken in Europa. Van dezen officier
vernomen hebbende, dat Bonaparte hier omtrent geheel onkundig was, zond
hij hem uit ijdelheid een pakje couranten, een relaas behelzende van de
rampen, die de Republiek den laatsten tijd hadden getroffen.

Met al dat nieuws bleef Bonaparte een ganschen nacht in zijn kamer alleen.
Hij las.—Oostenrijk had aan Frankrijk opnieuw den oorlog verklaard. In
Duitschland was Jourdan, in Italië Scherer geslagen; te Rastadt waren de
Fransche gevolmachtigden vermoord; alle partijen hadden samengespannen
tegen het Directoire; vier nieuwe leden, Siéyès, Roger Ducos, Gohier en de
generaal Moulins hadden hierin zitting genomen; alleen Barras was
gebleven; al de klassen der dienstplichtigen waren opgeroepen; een

Page 173

gedwongen leening van 30 millioen was uitgeschreven; nieuwe troebelen
tusschen de republikeinen en de royalisten waren ontstaan.

Tengevolge van de geldafpersingen der Fransche generaals hadden de
Napolitanen naar de wapenen gegrepen; uit verscheidene steden, zelfs uit
Rome was de bezetting verdreven. Om kort te gaan, terwijl de oorlog buiten
de grenzen tot nog toe ongelukkig was gevoerd, heerschte er in ’t land zelf
een jammerlijke verdeeldheid, die de Republiek aan den rand van den
afgrond kon voeren. Door de meerderheid der rustige burgers werd
reikhalzend uitgezien naar een man, die in dezen Augiasstal den
Herculesbezem zwaaien en aan Frankrijk zijn grootheid teruggeven zou.

In dien éénen nacht kwam Bonaparte dit alles en veel meer nog te weten; als
altijd nam hij terstond een besluit. Het Directoire had hem bij zijn vertrek de
vrijheid gegeven terug te keeren, als hij dit noodig en nuttig oordeelde.
Latere bevelen had hij niet ontvangen. De tijd van terugkeeren achtte hij
gekomen; terugkeeren zou hij, al doorploegden Engelsche kruisers de
Middellandsche Zee in alle richtingen, al ging dat plan dus met groote
gevaren gepaard en al liet hij zoodoende een leger in den steek, dat hem
overal trouw was gevolgd en alleen door zijn tegenwoordigheid, zijn
voorbeeld nog de veerkracht behouden had, noodig voor het verrichten van
grootsche daden.

Van een militair standpunt is Bonaparte’s heengaan niet goed te praten, doch
het belang van Frankrijk, dat ten ondergang dreigde, heeft bij hem stellig
zwaarder gewogen dan dat van een leger, dat door het Directoire reeds ten
doode was opgeschreven en voor welks redding alleen Louis ridderlijk een
lans had gebroken.

Met Berthier, Lannes, Duroc, Bessières, Eugène, Marmont, Monge, Denou
en anderen benevens 400 guides scheepte hij zich den 22en Augustus op een
afgelegen punt van de kust in op twee fregatten, kwam, na een kort
oponthoud door tegenwind in de haven van Ajaccio, den 9en October
onopgemerkt voor de Fransche kust, stapte te Fréjus aan wal, liet zich
persoonlijk niet ophouden door de quarantaine-maatregelen, hier genomen
wegens de pest in Egypte, doch reisde, overal doch te Lyon in de eerste

Page 174

plaats met klokgelui en schier uitbundige geestdrift verwelkomd, in eens
door naar Parijs. Hier kwam hij geheel onverwacht aan in zijn woning.—
Twee uur later begaf hij zich naar de Tuilerieën.—“Leve Bonaparte!” riep de
wacht, die hem terstond herkende.

Den volgenden morgen gaf hij in de volle vergadering een kort overzicht van
zijn verrichtingen ginds. Hij had Kléber met het opperbevel belast en was
zelf teruggekeerd om de Republiek, die hij verloren achtte, te hulp te komen.
Te Parijs had hij vernomen, dat zijn wapenbroeders deze intusschen reeds
hadden gered, en dat o. a. Massena bij Zürich roemrijk had gezegepraald op
de Russen. Hierover was hij zeer verheugd.

Het Directoire was niet verheugd. Het had niet verwacht hem ooit levend
terug te zien. Reeds herhaalde malen was het gerucht van zijn dood te Parijs
verspreid; alleen het kort te voren van hem ontvangen bulletin der
overwinning bij Aboukir had bewezen, dat al die berichten leugenachtig
waren geweest.

1 Te Passeriano en te Udine had hij ruimschoots van al het geleuter en de spitsvondige
breedsprakigheid der Oostenrijksche diplomaten volop zijn bekomst gekregen. Hij hield van
“afdoen.”

2 Dix années d’exil.
3 Van een inspectiereis langs de kust aan ’t Kanaal van Duinkerken tot Hâvre.

Page 175

Page 176

Hoofdstuk VIII.

Page 177

Bonaparte wordt Eerste Consul.

Zijn oudste broeders en Joséphine hadden eveneens
geruimen tijd in de meening verkeerd, dat hij in Egypte
zijn graf had gevonden. Jozef had aansluiting gezocht
bij Bernadotte en dezen zijn schoonzuster Désirée ten
huwelijk gegeven, mogelijk wel in de hoop, te eeniger
tijd met dezen tot minister benoemden generaal zijn slag te kunnen slaan en
het vermolmde gouvernement omver te werpen, want Bernadotte was bij het
leger zeer gezien en een intrigant van het eerste soort.

Na zijn verkiezing in den Raad van Vijfhonderd, al miste hij hiertoe den
wettelijk vastgestelden leeftijd, had Lucien zich op de tribune geducht
geweerd, was benoemd tot secretaris en had redevoeringen gehouden, die
herinnerden aan de schoonste dagen der Jacobijnsche redenaars. Deze
werden echter door hem bestreden, want hij was nu reactionnair, had telkens
herhaald, dat een ieder, die de veiligheid der Volksvertegenwoordiging dorst
aanranden buiten de wet moest worden gesteld; Lucien was zoodoende voor
de Jacobijnen in den Raad van Vijfhonderd en daarbuiten als hun heftigste
tegenstander een nachtmerrie geworden.

Steeds partij kiezende tegen het Directoire, had hij onder die bedrijven met
Siéyès in stilte betrekkingen aangeknoopt om de grondwet van het jaar III
door een geheel nieuwe te vervangen. Jong, onervaren, zoo goed als alle
rechtskennis missende, maar grenzenloos brutaal en vermetel, zich zelf een
even groot genie op politiek terrein achtende als zijn broer het was in
krijgszaken, had hij zich, door de omstandigheden gediend, in nog geen twee
jaar een positie veroverd, welke hem voeren kon naar het hoogste gezag.

Of er in de beide Raden dan geen mannen meer zetelden, die tegen hem
waren opgewassen? In wetenschap, kennis van zaken en ervaring zeker nog

Page 178

wel, maar tijdens de omwenteling had Frankrijk zijn schranderste redenaars,
zijn knapste koppen zien vallen en de overgeblevenen, door een langdurigen
worstelstrijd afgemat, misten thans den lust en de energie, veelal ook het
talent, om in een helder, zakelijk betoog het bewijs te leveren, dat Lucien
een wauwelaar was, die heden afbrak, wat hij gisteren verdedigde en die
grondige zakenkennis miste.

Aan “Napolione” van wien in maanden geen tijding was ontvangen en die
feitelijk toch de grondlegger was geweest van hun tegenwoordig fortuin,
dacht Jozef evenmin als Lucien; beiden werkten uitsluitend aan hun eigen
toekomst; alleen Louis was met zijn geest daarginds en eischte tevergeefs,
dat Lucien in den Raad een voorstel zou doen om de expeditie hulp te
brengen.

Ook Joséphine, die aanvankelijk van plan was geweest haar echtgenoot te
volgen naar Caïro, scheen niet langer aan hem te denken; zij was het leventje
van voorheen met den zoo “aardigen” Charles en de verdachte kennissen
incluis, weder begonnen; alleen had ze Barras, wiens invloed sterk begon te
verminderen, losgelaten en steun gezocht bij Gohier. Onder het
schrikbewind was Gohier minister van Justitie geweest, had later zijn zetel in
het Directoire te danken gehad aan de Jacobijnen, die hem afschilderden als
een republikein van de echte soort, vol burgerdeugden en gestrenge zedelijke
beginselen. Met haar zwagers had zij gebroken. Vooral met Jozef, die bij het
vertrek van haar man door dezen belast was met het beheer van zijn
vermogen, die haar zeer kort hield en van haar bij herhaling had moeten
hooren, dat hij mooi weer speelde met het geld van zijn broer, stond zij op
gespannen voet. Reeds dacht zij aan een scheiding om dan met Charles te
kunnen trouwen en was er sprake van een huwelijk tusschen haar dochter en
den zoon van Gohier, toen het bericht van Bonaparte’s landing bij Fréjus
haar aan een diner bij Gohier trof als een bliksemstraal.

Een korte poos zat zij als verpletterd, toen was zij zich zelve weder meester
en begreep, dat alleen een vermetele zet haar kon redden. Bonaparte kwam
naar Parijs; ontmoette hij zijn familie voor zij hem gesproken had, werd hij
dus ingelicht omtrent haar leven in de laatste anderhalf jaar, dan was zij

Page 179

reddeloos verloren, dan wachtte haar een echtscheiding. Die familie moest
zij dus vóór zijn.

“Vrees niet, dat Bonaparte met voor de vrijheid noodlottige bedoelingen naar
hier komt; maar wij moeten de handen ineenslaan om te beletten, dat een
troep ellendelingen zich van hem meester maakt,” voegde zij Gohier toe en
Joséphine was geen uur later zonder kamenier, bagage of geleide met
postpaarden op weg naar Lyon, haar man tegemoet.

Maar van Fontainebleau voeren twee wegen naar het zuiden; zij sloeg den
verkeerden in, kwam eerst te Lyon tot deze ontdekking, keerde spoorslags
naar Parijs, doch vond in haar hotel de kamerdeur op slot. De familie had
den tijd gehad den jammerlijk door haar bedrogen echtgenoot in te lichten
omtrent haar gedrag.

De wanhoop nabij, gebogen onder een schuldenlast, die liep in de millioenen
en onder het bewustzijn, dat de ouderdom snel naderde en dat armoede en
gebrek haar wachtten, als hij haar verstiet, viel zij voor die deur op de knieën
en smeekte en bad onder tranen om vergiffenis, doch de deur bleef dicht.
Uren verliepen. Hortense en Eugène kwamen haar helpen. Eindelijk,
eindelijk werd een sleutel omgedraaid in ’t slot, de deur geopend. Met een
gelaat, dat doodsbleek en verwrongen nog getuigde van zijn zielestrijd, stond
de echtgenoot op den drempel en breidde de armen uit; de herinneringen aan
’t verleden, de tranen van Hortense en Joséphine, zijn liefde voor haar,
hadden gezegevierd. Hij had vergiffenis geschonken, niet ten deele doch
volkomen, onvoorwaardelijk; naar de medeplichtigen vroeg hij niet. Als een
voor altijd gesloten boek schoof hij ’t gebeurde achter zich; hij zelf,
redeneerde hij, was de schuld van alles, want hij had zijn vrouw slecht
bewaakt. Voortaan zou hij beter oppassen. Toen Lucien hem den volgenden
morgen kwam opzoeken, werd hij ontvangen in Joséphine’s slaapkamer;
Napoleon lag nog te bed. In de twee volgende dagen betaalde hij al haar
schulden, meer dan twee millioen, waaronder 600.000 francs voor
toiletartikelen en 225.000 francs voor de buitenplaats Malmaison. De
Parijsche groote wereld, die in de laatste tien jaar van nog heel wat sterker
stukken was getuige geweest, vond deze verzoening volstrekt niet
belachelijk, ze juichte die zelfs toe; in haar oog werd Bonaparte opnieuw de

Page 180

goedhartige man, die hield van huiselijk, gezellig leven, weinig of geen
eerzucht kende en, terwijl geheel Parijs van hem was vervuld, ’s avonds met
zijn vrouw zat te triktakken, een spel waarin Joséphine uitmuntte.

En deze had een les ontvangen, die zij nimmer zou vergeten. Een licht was
haar opgegaan over het gewicht van haar positie naast een echtgenoot, die
terstond al haar schulden betaald, haar naast zich een plaats gegeven had en
wiens toekomst haar reusachtig toescheen, al begreep zij nog volstrekt niet,
waarheen die kon leiden. Slim als een echte vrouw, koos zij een nieuwe
gedragslijn, verzoende zich voor het oog met haar zwagers, bleef op goeden
voet met het echtpaar Gohier en werd voor haar man die meegaande,
zorgzame, lieftallige gade, die steeds op een wenk van hem gereed stond om
hem te dienen, hem op te beuren, met hem op reis te gaan, desnoods in ’t
holst van den nacht en hem in één woord te omringen met al die kleine
attenties, welke men een liefhebbende moeder kan zien schenken aan een
nukkig, bedorven kind. Met die onnavolgbare gratie, welke enkele vrouwen
is aangeboren en die meer boeit dan schoonheid, ontving zij in haar salon
zoowel de mannen der Conventie als Cambacérès, Réal en Monge als de
Ségur, de Caulaincourt en andere haar trouw gebleven vertegenwoordigers
van den ouden adel; zij bereidde aldus die fusie van standen voor, welke
Bonaparte op het oog had; vol tact nam zij bijna dagelijks de honneurs waar
van een tafel met meer dan twintig gasten en verving haar man, als deze
moede en nurksch, of met andere dingen vervuld, geen lust had in praten,
opstond van tafel en heenging. Nooit scheen haar iets te veel; steeds vond
Bonaparte haar in een frisch, smaakvol toilet, met een vriendelijk lachje op
de lippen, gereed voor al wat hij in zijn nukkige, vaak driftige buien geliefde
te bevelen.

Page 181

Bonaparte in den Raad van Vijfhonderd.

Haar thans dertigjarigen man, die nooit anders dan op kamers in een
logement had gewoond en die als een volbloed Corsicaan een huiselijken
haard toch zulk een kostelijk bezit achtte, schonk zij zoodoende een
intérieur, waarin hij zich behaaglijk gevoelde, waarin werd gedineerd als hij

Page 182

gereed was met zijn werk, al werd het ook tien uur, waarin alles werd
geschikt naar hem en waarin hij steeds een vrouw vond met wie hij
vertrouwelijk kon praten over de onderwerpen, die zijn geest vervulden of
over de verhoudingen en de toestanden in een wereld, die hij, de man van
bijna burgerlijke afkomst, nooit, zij, in zijn oog zooveel hooger staande
vrouw van adel, zooveel te beter had gekend en in welker toon, gebruiken en
levenswijze hij steeds een opmerkelijke belangstelling verried.

Vollediger en beter nog dan uit de couranten van Sidney Smith kon
Bonaparte thans zelf te Parijs nagaan in welk een toestand Frankrijk ondanks
de overwinningen van Massena en Brune verkeerde. Wel had het Directoire
de Manége club doen sluiten en hadden de Jacobijnen, die al zijn
handelingen in heftige taal bestreden, hun verzamelplaats dus verloren, wel
had het Directoire Bernadotte vervangen als minister van oorlog en was het
dus tegen deze fractie even ruw opgetreden als te voren tegenover de club
van Clichy, maar den toestand had het hiermee niet verbeterd. De anarchie
was blijven bestaan. Van het oude stelsel, het koningschap, had de natie haar
bekomst; 1793 lag haar nog zoo versch in ’t geheugen, dat ze hierom alleen
reeds de Jacobijnen terugstiet, doch republikeinsch verlangde ze te blijven,
terwille van de vrijheid en de gelijkheid, welke daarmede samenhingen. Dat
slappe, vijfhoofdige gouvernement, dat Directoire heette, doch niet
dirigeerde, nooit eensgezind was en telkens door kleine veten verried, hoe
bedroefd weinig zijn leden als bestuursmannen hadden te beteekenen en hoe
grof eigenbelang ook bij hen vaak ging boven dat van het land, moest dus
verdwijnen. Geredeneerd was er veel te veel, gehandeld veel te weinig; haar
veroveringen op sociaal gebied wenschte de natie te behouden; orde was
hiertoe een eerste vereischte; de vrijheid mocht dan later volgen, eerst moest
er orde heerschen en de eenige die deze brengen kon, was de man van
Arcola, van Rivoli, de man die een tijdlang alleen had gestaan tegenover half
Europa, die plotseling uit Egypte was teruggekeerd en op wien gansch
Frankrijk thans de oogen gevestigd had.

Bonaparte wist, voelde dit. Hoewel hij dagelijks tal van personen ontving,
die hem hulde kwamen bewijzen, over verschillende zaken zijn meening

Page 183

wilden weten of zijn hulp noodig hadden, hoewel zelfs de minister van
Oorlog hem kwam verzoeken om raad en inlichtingen, bewaarde hij het
zwijgen over zijn eigen zienswijze en voornemens. Alleen luisterde hij
scherp naar ’t geen om hem heen voorviel, vernam van Fouché, den minister
van politie, wat Parijs zeide en deed, doch begon met te bedanken voor een
nieuw legercommando, dat het Directoire hem terstond wilde opdragen.
—“Hij was nauwelijks terug, gevoelde zich ziek en wilde eerst uitrusten en
op zijn verhaal komen.”

Bij niet ééne partij sloot hij zich aan; dat de royalisten niet op hem
behoefden te rekenen, had hij hen op den 18en Fructidor reeds getoond, de
ultra’s der voormalige Conventie werden door hem geschuwd evenals de
zoogenaamde pourris, een partij van wel bekwame maar totaal in den grond
verdorven mannen, zooals Barras, die alleen op het kussen trachtten te
komen om hun eerzucht en hun gouddorst te bevredigen. Uit de keuze der
mannen, die hij om inlichtingen vroeg, als Cambacérès, Roederer, Réal en
anderen, bleek echter weldra, dat hij partij had gekozen voor de gematigden.
Hij polste Gohier en Moulins over zijn opname in het Directoire in de plaats
van Siéyès, die zich bij velen had verdacht gemaakt, steeds zwanger heette te
gaan van omwentelingsplannen en door hem kortaf werd genegeerd, doch
vond bij deze Directeurs geen gehoor. Volgens de grondwet van het jaar III
was hij te jong en in strijd met deze verkozen zij niet te handelen.

Deze poging om aan ’t bewind te komen mislukte, en nu wendde hij zich tot
Barras. Aan dezen had hij groote verplichtingen, door hem was hij reeds te
Toulon onderscheiden, op 13 Vendémiaire was hij door hem te paard
geholpen en al had Barras kort te voren in een zitting van het Directoire
gezegd, dat “de kleine korporaal in Italië aardig zaakjes had gemaakt,” al
was dit Bonaparte ter oore gekomen en de toch al niet te beste
verstandhouding hierdoor nog meer verkoeld, met Barras, die nog altijd een
zekere populariteit genoot en hoofd was van de politie dacht Bonaparte, zou
nog wel iets zijn te beginnen. Doch ook hier slaagde hij niet. Barras
onderhield reeds in ’t geheim betrekkingen met den pretendent, had van
dezen prachtige aanbiedingen ontvangen en stuurde Bonaparte met een
kluitje in ’t riet. “Ik ben oud en versleten; u moet terug naar het leger,
generaal Hédonville (een braaf en kundig maar weinig bekend officier, zijn

Page 184

beschermeling) moet president worden van de Republiek, anders gaat deze
te gronde,” beweerde hij.

Toen wendde Bonaparte zich naar Siéyès, zijn bête noire, zooals Joséphine
het uitdrukte en gaf hem kort en bondig te verstaan, dat hij op hem kon
rekenen. Reeds in de eerste dagen der omwenteling op den voorgrond
getreden, zelfs door Mirabeau gevleid, in het Directoire gebracht, omdat hij
als gezant te Berlijn tot de handhaving der neutraliteit van dit kabinet
tegenover de Republiek zeer veel zou hebben toegebracht, gematigd
republikein, door zijn kennis van menschen en zaken een hoofdlengte
uitstekend boven zijn mededirecteurs, was hij nog altijd verstoord, omdat in
de grondwet van het jaar III het door hem zelf ontworpen schema van zulk
een wet niet was opgenomen.

Niet alleen Roger Ducos maar de meerderheid in den Raad der Ouden, ook
veel leden van den Raad van Vijfhonderd, en verder al wat in Frankrijk
reikhalzend uitzag naar het herstel van orde en rust telde hij onder zijn
aanhang. Benjamin Constant, Talleyrand, die voorzichtigheidshalve reeds
zijn ontslag had genomen, zelfs Daunou, de hoofdontwerper der grondwet,
steunden hem. Ik heb noodig een man van de daad, een man van het zwaard,
dien ik leiden kan, had hij reeds vroeger gezegd; hij had het oog laten vallen
op den jeugdigen, talentvollen generaal Joubert, doch deze was bij Novi
gesneuveld. Toen had hij Moreau trachten te winnen, maar was afgestuit op
diens aangeboren rechtschapenheid en—besluiteloosheid.

Thans zag hij Bonaparte tot hem komen. Te voren hadden Jozef en Cabanis
tot een onderhoud den weg gebaand en hoewel hij een voorgevoel had, dat
de ander zijn medewerking slechts kwam vragen voor een zekeren tijd en
hem dan zou loslaten, gaf hij toe. In den avond van 30 October had het
onderhoud plaats. Acht of tien dagen later, werd afgesproken, zou de
staatsgreep worden uitgevoerd.

In de nu volgende dagen scheen Bonaparte zeer beducht voor zijn leven en
scheen de vrees voor een einde, als Hoche had gevonden, hem te kwellen.
Vooral Barras, die, door Réal en Fouché gewaarschuwd voor ’t geen er
broeide, nog een poging tot samengaan had gedaan doch was afgewezen,
scheen door hem te worden verdacht. Op een banket, hem den 6en November

Page 185

door de Raden aangeboden, gebruikte hij b. v. niets dan een broodje en een
halve flesch wijn, die hij door Duroc, zijn adjudant, voor zich had laten
halen en verliet daarop met Berthier de feestzaal, om met Siéyès de laatste
afspraak te maken. Het leger te Parijs had hij geheel op zijn hand; de
generaals eveneens; alleen Jourdan en Augereau aarzelden nog. Bernadotte,
de zwager van Jozef was door Désirée, zijn vrouw, tevergeefs aangezocht
om met Bonaparte gemeene zaak te maken. Hij haatte Siéyès, was ten
opzichte van Bonaparte met hartstochtelijke afgunst vervuld, kon en wilde
niet gelooven dat het Directoire zich zonder slag of stoot zou overgeven,
meende in geval van weerstand van deze zijde, zelf een groote rol te kunnen
spelen en hield zich dus als sluwe Gascogner, die hij was, buiten het spel,
om zijn diensten al naar de zaken liepen, zoo duur mogelijk te verkoopen.

Terwijl Berthier, Leclerc, Murat, Duroc, Lavalette, Marmont en Eugène,
ieder in zijn eigen kring en bij zijn eigen wapen druk in de weer waren om
steeds nog meer aanhangers te werven, had Lucien, sinds 22 October
president van den Raad van Vijfhonderd op zich genomen deze heeren tot
medewerking over te halen, en was hierin zoo goed geslaagd, dat de groote
meerderheid zich vóór den staatsgreep had verklaard.

Den 18en Brumaire (9 November) decreteerde de Raad der Ouden, dat de
beide Raden naar St. Cloud zouden worden verplaatst, droeg de uitvoering
van dit besluit op aan Bonaparte, en handelde in strijd met zijn bevoegdheid
door hem tegelijkertijd het bevel te geven over al de troepen en deed hem,
omringd door een schitterenden staf van generaals en hoofdofficieren, als
zoodanig den eed afleggen. Tegelijkertijd namen Siéyès en Roger hun
ontslag als directeurs en werden hierin op aandrang van Talleyrand door
Barras gevolgd. Gohier en Moulins, hiertoe ongenegen bevonden, werden
bewaakt door Moreau, opgesloten in hun vertrekken. Groote troepenmassa’s
rukten Parijs binnen. Tot zoover ging alles goed; de eerste zet was zonder
strijd gewonnen.

Aan het hoofd der garde van de beide Raden rukte Bonaparte den volgenden
morgen naar St. Cloud, trad hier den Raad der Ouden binnen om van dezen
een decreet te verkrijgen, tot wijziging in den regeeringsvorm nu de
meerderheid van het Directoire zijn ontslag had ingediend, leverde een

Page 186

weinig samenhangend betoog, waarbij hij telkens werd in de rede gevallen,
maakte, niet gewoon te spreken in dergelijke vergaderingen, hier een alles
behalve schitterend figuur, bereikte dan ook zijn doel niet en ging daarop
vergezeld van een paar grenadiers, die hij bij de deur achterliet naar de
vergaderzaal der Vijfhonderd.

Hier had Lucien het laatste half uur tevergeefs alle krachten ingespannen om
de gemoederen bedaard te doen blijven. Er heerschte gisting. Het niet op tijd
gereed zijn der zittingzalen had ten gevolge gehad, dat er twee uur lang
tusschen de leden der beide Raden druk was gepraat, dat achterdocht omtrent
Bonaparte’s plannen de gemoederen had aangegrepen. Dat hij in een nieuw
te vormen Directoire zou worden opgenomen, achtten de meesten reeds
meer dan voldoende, maar ’t geen den dag te voren was geschied en nu
weder dat groote troepenvertoon, scheen te wijzen op verdere plannen,
mogelijk op een greep naar de dictatuur, de onbeperkte heerschappij, en van
deze wilden de meesten niets weten.

Toen hij met zijn grenadiers aan den ingang verscheen, klonk hem al
dadelijk een verwoed: “Weg met den dictator! Weg met de bajonetten!”
tegen. Dreigend en tierend drong men op hem aan tot zijn grenadiers hem
ten slotte tusschen de menigte uit haalden en naar buiten voerden. Een
oogenblik trachtte Lucien het gedrag van zijn broeder te rechtvaardigen,
maar vond geen gehoor, want allen brulden en gilden: “Buiten de wet!
Stemmen, president! Buiten de wet de generaal!”—Toen gaf hij generaal
Frégeville een der invloedrijkste leden en een bondgenoot tevens, een wenk,
fluisterde hem iets in, zag hem de zaal verlaten, en begaf zich naar de
tribune, rukte zich toga en sjerp van ’t lijf en wierp ze naast zich neder.
—“De vrijheid is van hier verdwenen. Verstaanbaar maken kan ik mij niet
meer. Als bewijs van rouw legt de president de teekenen af der
volksmagistratuur!” dreunde het boven het rumoer uit van zijn lippen.

Langzaam daalde hij de trap af, ging, door zijn vrienden omringd, naar de
deur, ontwaarde het piket soldaten, dat Frégeville had ontboden, sprong op
een paard en deed den ban slaan.—“Soldaten, de Raad van Vijfhonderd is
ontbonden. Zijn president zegt u dit. Een bende moordenaars heeft de zaal

Page 187

overrompeld en tegenover de meerderheid geweld gepleegd. Jaagt die
uiteen!

Overdreven, hartstochtelijk klonk die sommatie, maar dat gillende: Buiten
de wet! had Robespierre den kop gekost. Lucien had gevoeld, dat het leven
van zijn broeder en der Bonaparte’s op het spel stond.

Een kort bevel van Bonaparte volgde; met Murat en Leclerc aan de spits
rukte een bataljon grenadiers naar de zaal der Oranjerie, een lange roffel
overstemde het gebrul der afgevaardigden. In een ommezien was de zaal
ontruimd.

Dienzelfden avond was de meerderheid der Vijfhonderd onder
voorzitterschap van Lucien hier weder bijeen, zij verklaarde dat Bonaparte
en zijn soldaten zich tegenover het vaderland verdienstelijk hadden gemaakt,
dat het Directoire had opgehouden te bestaan, en een en zestig personen
ophielden lid te wezen van de volksvertegenwoordiging, schiep een
voorloopige consulaire commissie, samengesteld uit Siéyès, Roger-Ducos en
Bonaparte, en droeg aan twee commissies ieder van vijf en twintig leden op,
de in de grondwet van het jaar III noodig geworden veranderingen voor te
bereiden.

De Raad der Ouden, die niet was ontbonden en bij den loop dien de zaken
hadden genomen, thans danig in de verlegenheid zat, had Luciens verklaring
van zijn gedrag nolens volens aangenomen, en keurde de genomen besluiten
goed. De nieuwe Consuls werden beëedigd, de noodige tijdelijke
commissies gekozen en de omwenteling van 18 Brumaire was een
voldongen feit. De rol door Bonaparte dezen dag gespeeld was vreemd, een
ander deed wat hij niet deed, niet kon en wist te doen; Lucien redde ten
slotte alles en toonde revolutionnair te zijn gebleven, want toen hij den
afgrond voor hem en de zijnen geopend zag, nam hij zijn toevlucht tot
geweld.

Parijs, neen gansch Frankrijk juichte. Uit was het met dat “gouvernement
van babbelaars en advocaten.” De zorg voor de eer, de grootheid, en de
onschendbaarheid van het vaderland was toevertrouwd aan den eenigen man,
die getoond had, waartoe hij bij machte was; slechts één naam, die van

Page 188

generaal Bonaparte had van nu af in Frankrijk klank. Door hem zouden rust
en orde terugkeeren. Dat hij een soldaat was vol eerzucht, dat hij
onverbiddelijke gehoorzaamheid zou eischen, verminderde niets aan het
bijna grenzenlooze vertrouwen in hem gesteld. Tien jaar lang had het land
gezucht onder de anarchie; op den rand van den ondergang was het geweest,
nog stond de buitenlandsche vijand nabij de grenzen. Hij, Bonaparte, zou het
terugvoeren naar zijn oude plaats in de eerste rij der groote mogendheden.—

Over deze omwenteling liepen de meeningen tamelijk ver uiteen. Enkele
tegenstanders er van noemden ze een brutalen aanslag, die de Republiek in
haar vlucht naar de vrijheid vleugellam maakte; anderen achtten ze een even
stoute als noodzakelijke daad, die een einde maakte aan onhoudbare
toestanden. Wij zien er slechts een der phasen in, welke Frankrijk moest
doorloopen, voordat het in de juiste beteekenis van het woord vrij worden
kòn, d. w. z. voordat het tot het rechte begrip was gekomen van ’t geen een
natie in de moderne samenleving aan zich zelf en aan de haar gestelde
wetten is verplicht. Juist die wetten werden den 18en Brumaire door
Bonaparte met voeten getreden. Dat er aan deze veel haperde, staat vast; dat
de bestaande toestanden onhoudbaar waren geworden, eveneens; doch elke
daad van geweld, tegen den hoeksteen van een goed geordenden staat is
afkeuringswaardig; en ondanks al het goede, later door hem gewrocht, heeft
Napoleon toen aan het nageslacht een verderfelijk voorbeeld gegeven.

Veel is er echter ook tot zijn verontschuldiging te zeggen. In naam der
vrijheid had Frankrijk den strijd aangebonden tegen al wat onderdrukking
was of dwingelandij, dus tegen toestanden, die in het overige Europa sinds
eeuwen heerschten, die ten nauwste waren verbonden met de souvereine
rechten der vorsten en door deze dus met de wapenen in de vuist tot het
uiterste werden verdedigd. Een bestuur zoo onverbiddelijk gestreng als het
Comité de Salut Public, had het tegen die vorsten en tegen de partijen in het
binnenland een tijdlang kunnen volhouden, een vijfhoofdig uitvoerend
bewind, zoo onsamenhangend, zoo slap en zoo onpractisch als het Directoire
niet. In zulke bange dagen, als Frankrijk toen doorleefde, was dit bestuur een
onding. Het móést vervangen door dat van één man, geen babbelaar of
geleerde met abstracte begrippen, in de studeercel prachtig, in de practijk
onbruikbaar, maar een man van de daad, toegerust met een ijzeren wil, een

Page 189

stalen werkkracht en een scherpen blik, een soldaat kortom, die aan grooten
persoonlijken moed een organiseerend talent van den eersten rang paarde en
van dit alles reeds de bewijzen had geleverd.

Zulk een man wàs Bonaparte. Niet alleen hij, ook Frankrijk wist dit; de
volgende vijftien jaren, zou het zich gedwee en gehoorzaam buigen onder
den ijzeren man, die slechts één wil kende, den zijnen, die alle gezag in zijn
persoon samenbracht, die Frankrijk weder één wilde maken met één
bevolking, Franschen en die hiertoe zou vrede sluiten met den paus, de
verbannen geestelijken en de émigrés de vrijheid verleenen terug te keeren,
die aan den opstand in de Vendée een vreedzaam einde zou maken en dien in
Bretagne met de wapenen bedwingen.

L’Homme noemde hem de plattelandsbevolking, wier rechten op hun door
wettigen aankoop verkregen nationale goederen, hij handhaafde tot het einde
toe; l’Homme zal hij blijven door de eeuwen heen, voor alle Franschen, wier
blik niet door partijzucht of kleinzielige nevengedachten is beneveld en die
in hem ondanks al zijn gebreken als mensch den genialen heerscher en
wetgever willen erkennen. Veel geschiedschrijvers rekenen zijn
opperheerschappij begonnen van af den dag zijner benoeming tot eersten
Consul; bescheiden sluiten wij ons bij hen aan.

De eerste maal, dat de Consuls vergaderden, moest een president worden
gekozen, doch Roger-Ducos voorkwam die keuze. Hij wees Bonaparte den
fauteuil aan. “Die komt van rechtswege toe aan u” zei hij, Siéyès keek op
zijn neus; hij had verwacht, dat hij dien zou bezetten, dat de regeling der
civiele zaken aan hem, die der militaire aan den generaal zou worden
overgelaten. Nog meer versteld stond hij, toen die generaal bij de verdere
bespreking bleek toegerust “met een logica, even klemmend als scherp,” en
dat hij over allerlei staatkundige vraagstukken, geldmiddelen en justitie, ja
zelfs over de rechtspraak een gevestigde overtuiging bezat, dat hij een even
vaardig administrateur als talentvol veldheer was.

Onder elkander hadden de voormalige directeurs een potje gemaakt om
hieruit een douceur te kunnen geven aan de leden, die, niet met fortuin
gezegend, hun post mochten neder leggen. Gevraagd wat er met dat geld,
eenige honderdduizenden francs, nu gedaan moest worden, antwoordde

Page 190

Bonaparte: “Dat moeten de heeren weten. Heden draag ik van het bestaan
van dit fonds officieel nog geen kennis, morgen wel. Dan gaat het in de
schatkist.”

Siéyès, in zijn ziel een duitendief, liet zich dit gezegd zijn en hield ijlings
met Ducos een verdeeling in verhouding van drie tot één. Dien avond
teruggekeerd in zijn salon te midden van een gezelschap afgevaardigden en
ministers kon hij den indruk door Bonaparte op hem gemaakt, niet langer
verbergen.—“Heeren, gij hebt een meester gekregen. Bonaparte wil, kent en
kan alles.”

Vooral dit laatste was waar. Tot dit kunnen werd hij in staat gesteld door het
grenzenlooze vertrouwen, dat de natie hem schonk en waaraan het uiting gaf
door de schier onbeperkte macht, waarmede ze hem weldra door de
grondwet van het jaar VIII zou bekleeden.—Deze macht had hij dringend
noodig, wilde hij Frankrijk waarlijk opbeuren uit zijn staat van diep verval,
waarvan hieronder enkele staaltjes.

Den 19en Brumaire was er in de schatkist niet eens voldoende geld aanwezig
om een koerier te betalen (een paar duizend francs). Een nauwkeurig
bijgehouden sterktestaat van de legers bestond niet. Zóóveel veranderingen
kwamen er dagelijks voor, dat zoo ’n staat niet bij te houden was, heette het.
Soldijstaten waren er evenmin; de soldij werd niet uitbetaald. Bij het leger
van Italië hadden enkele korpsen in tien maanden tijd geen sou gezien. Ook
de staten van levensmiddelen ontbraken. Gevoed werden de troepen niet;
hoe ze aan den kost kwamen, moesten ze maar zelf zien. Waar de soldaat
nog wèl vivres ontving, verdween vaak 40% van het verantwoorde bedrag in
de zakken der generaals en der korpsstaven. In de andere afdeelingen van
bestuur was de toestand niet beter. Gestolen en geroofd werd er overal. ’t
Was schelm om schurk in alle rangen. In lompen gehuld, met stukken
boomschors vaak tot schoeisel liepen de soldaten te bedelen langs de straat.

Hoewel het begrip, dat Bonaparte voor goed met de leiding der zaken zou
belast blijven, bij de natie reeds ontstond, was het toch de bedoeling, dat de
commissie van drie consuls slechts tijdelijk zou werkzaam zijn, tot zij een

Page 191

grondwet had samengesteld. Siéyès heette zulk een staatsstuk kant en klaar
in portefeuille te hebben en hij had Lucien er allerlei moois van verteld, doch
bij slot van rekening bleek nog geen regel er van op papier te staan. Ook was
de samenstelling veel te omslachtig; slechts gedeelten er van werden dus
gebezigd; met loven en bieden verliepen bijna zes weken en eerst den 15en
December was de nieuwe wet gereed, en werd negen dagen later in werking
gesteld.

De mode van romeinsche namen en vormen was behouden gebleven; er
werd gesproken van consuls, senatoren, tribunen en prefecten. Drie consuls
zouden er wezen, gekozen voor tien jaar en terstond herkiesbaar, doch alleen
de eerste zou al het gezag in zich vereenigen, de beide anderen slechts een
raadgevende stem hebben; die consuls waren Bonaparte, de rechtschapen,
kundige minister van Justitie de Cambacérès en Lebrun.

Siéyès had voor een benoeming tot tweeden consul bedankt. Het luie, zwaar
bezoldigde baantje1 van opperkeurvorst, uit zijn eigen ontwerp van wet was
hem ontgaan; Bonaparte had de pen er door gehaald; nu stelde hij zich
tevreden met een hoog jaargeld, het landgoed Crosne en een zetel als
senator, een aardige retraite voor dezen vadsigen, doch diepzinnigen denker,
die in de dagen van Brumaire nog wel had leeren paardrijden, zeker om
naast Bonaparte wat meer figuur te maken.

Was het uitvoerend bewind in de vroegere constituties ondergeschikt
geweest aan het wetgevende, in die van het jaar VIII, was het omgekeerde
bepaald. Een raad van State, verdeeld in vijf secties, waarvan de leden door
de consuls werden benoemd en ontslagen2 stelde de wetsontwerpen samen,
een Tribunaat van 100 leden, de schim van een volksvertegenwoordiging,
beoordeelde ze; aan een Wetgevend Lichaam van 300 leden was het recht
gegeven ze daarna aan te nemen of te verwerpen. Het gouvernement had de
vrijheid op de bezwaren of opmerkingen van het Tribunaat al dan niet acht te
slaan. Kwam een wetsontwerp na onderzoek der tribunen in het Wetgevend
Lichaam, dan werd het hier namens het gouvernement door drie staatsraden
verdedigd en kwamen evenveel redenaars uit het Tribunaat het ondersteunen
of bestrijden. Geen enkel lid van het Wetgevend Lichaam mocht zich

Page 192

mengen in dit debat. Als één groote nationale jury bepaalde het zich
uitsluitend tot stemmen.

Een Senaat van 80 leden, voor hun leven door de Consuls te benoemen, met
recht een “College van behoud” genoemd, waakte over de instandhouding
der grondwet, oordeelde over alle daden, die met deze in strijd waren, en
koos uit de nationale lijsten de leden van het Tribunaat en van het
Wetgevend Lichaam.

Kiezers waren alle Franschen, die den leeftijd van een en twintig jaar hadden
bereikt en wier namen op de openbare registers stonden ingeschreven.
Oogenschijnlijk fraai, was er in het geheele samenstel der
volksvertegenwoordiging feitelijk weinig meer dan een schaduw van
vrijheid overgebleven; toch werd de nieuwe grondwet met ruim drie millioen
stemmen tegen 1567 aangenomen.

Reusachtig was de macht, door haar aan Bonaparte verleend. Hij alleen
benoemde de leden der algemeene administratie, de leden der
departementale en gemeenteraden, de staatsraden, de gezanten, de rechters
voor civiele en voor strafzaken, benevens de officieren van land en
zeemacht. Hij voerde het bewind over leger en vloot, teekende, het
Wetgevend Lichaam gehoord, de tractaten en de wetten. Letterlijk deed hij
dus alles alleen.

Trad hij af, dan was hij verplicht zitting te nemen in den Senaat. Voor de
twee andere consuls bestond deze verplichting niet. Zijn traktement bedroeg
500.000, dat van de anderen 250.000 francs per jaar. Een som van 100.000
francs werd besteed om de Tuilerieën, het hun aangewezen verblijf, weder
bewoonbaar te maken en te meubelen. Lebrun en Cambacérès zochten echter
ieder een woning in de nabijheid.—“Die andere zou ginds toch weldra heer
en meester zijn,” dachten ze.

Toen Bonaparte met de Bourrienne voor het eerst na zijn verheffing de
ledige zalen van het paleis doorliep, zeide hij: “In de Tuilerieën zijn we. Nu
opgepast, dat we er blijven.”

Page 193

“Geen Jacobijnen, geen gematigden, geen royalisten, slechts Franschen
zullen er, hoop ik, van nu af zijn,” waren na den staatsgreep zijn woorden
geweest en de allereerste daden van het voorloopig bewind reeds hadden
getuigd van dezen niet hoog genoeg te schatten geest van verzoening. Nog
voordat het jaar 1800 was aangebroken waren de bannelingen van Fructidor
zooals Carnot en Portalis, Barrère, Vadier en tal van anderen teruggeroepen,
was de wet op de gijzelaars, welke de rampzalige bewoners der Vendée
verantwoordelijk stelde voor hun bloedverwanten, die de wapenen hadden
opgevat, evenals de gedwongen progressieve belasting en de requisities in
natura, ingetrokken. Dan had Bonaparte zelf de deuren der gevangenis
ontsloten voor de honderden geestelijken, die geweigerd hadden den eed af
te leggen en voor de duizenden particuliere personen, die zich wegens quasi
politieke redenen in hechtenis bevonden, de lijst der émigrés was gesloten,
ook de adel van voorheen kon voor openbare betrekkingen worden
aangewezen, maar hun vaste goederen, die staatseigendom waren geworden,
bleven in het bezit van de personen, die ze hadden gekocht.

In naam van de vrijheid van godsdienst waren de kerken heropend en was
last gegeven het lijk van paus Pius VI, sinds zes maanden te Valence, hulde
te bewijzen.

Reeds heel wat was hieraan vooraf gegaan. Terstond met ongeëvenaarde
werkkracht ingrijpende in al de takken van bestuur, deed hij het vertrouwen
binnen enkele dagen dermate wederkeeren, dat de 5% nationale schuld,
welke den 8en Brumaire nog 11¼ stond, den 30en reeds was gestegen tot 22
en dat de Parijsche bankiers geen bezwaar maakten het voorloopig bewind
voor de eerste behoeften een som te leenen van twaalf millioen. De
oprichting van de Fransche Bank zou het crediet en het vertrouwen weldra
nog krachtiger komen steunen. Thans kon hij de legers in hun ellende
eenigermate hulp bieden. Aan oproerige bewegingen in het zuiden maakte
hij een einde. Het westen, waar de royalisten, meenende, dat hij in stilte
werkzaam was voor den pretendent, de vaan van het oproer weder hadden
ontplooid, bracht hij door krachtige maatregelen tot rust. Een paar hoofden
boden hun onderwerping aan (17 Januari 1800), doch zonder genade trad hij
op tegen graaf de Frotté, die in Normandië nog altijd de vaan der Bourbons
hoog hield en getracht had hem in ’t publiek belachelijk te maken en hem

Page 194

aan te tasten in zijn eer; hij deed hem fusileeren. George Cadoudal week uit
naar Engeland.—Ook de rooverbenden op de groote wegen leerden de
zwaarte kennen van zijn vuist; ze werden letterlijk uitgeroeid met wortel en
tak.

Aangezien er tal van organieke wetten noodig waren om het werk der
constitutie te voleindigen, deed Bonaparte die aan het Tribunaat en aan het
Wetgevend Lichaam voorleggen. Een der belangrijkste was die, waarbij in
elk departement, dat geschoeid werd op de leest der Republiek, onder den
naam van prefect, een bestuurder aan het hoofd kreeg, die zijn bevelen
rechtstreeks ontving van den minister van Binnenlandsche Zaken en twee
raadslichamen naast zich kreeg. Op dezelfde wijze had elk arrondissement
een onderprefect, iedere gemeente een maire; terwijl het uitvoerend gezag
dus ook hier weder berustte bij één persoon, werden de beraadslagingen
gevoerd door meer dan één. Dat al de draden van het bestuur samenkwamen
in de hand van den Eersten Consul en deze hierdoor dus een bijna
dictatoriaal gezag uitoefende, werd door de republikeinen van 1793 sterk
afgekeurd doch mocht na zooveel jaren van anarchie een noodzakelijkheid
worden genoemd. Toen het Tribunaat het hem later wat lastig begon te
maken en tegen enkele wetten ernstige bedenkingen aanvoerde, vaak met
reden, want de persoonlijke vrijheid leed onder deze regeling, zond hij de
heeren kortweg naar huis. “Van dit oogenblik af bestaat er geen grondwet
meer,” zei hij tegen Chaptal, zijn toenmaligen minister van Binnenlandsche
Zaken.

Ieder arrondissement kreeg een rechtbank voor civiele zaken en voor de
financiën een afzonderlijken ontvanger. Zeven en twintig rechtbanken voor
zaken in appèl waren verdeeld over het geheele gebied, terwijl ieder
departement een crimineele rechtbank telde en een ontvanger-generaal. Een
hof van Cassatie zorgde voor de handhaving der gelijkvormigheid in de
rechtspraak. Dat deze regeling, ondanks al de later gevolgde omwentelingen,
met enkele wijzigingen tegenwoordig nog bestaat, is o. i. wel het beste
bewijs voor de bekwaamheid der mannen, die ze samenstelden. Dat haar
hoofdbeginselen veel oorspronkelijks bevatten, zal niemand beweren, en kan
ook niet gezegd worden van het later gevolgde complex van wetten, meer
algemeen bekend onder den naam van Code Napoleon, maar de eer van ze te

Page 195

hebben samengebracht, geordend en voor de nieuwe toestanden bruikbaar
gemaakt, komt onverdeeld toe aan Bonaparte en de schrandere, geleerde
mannen, die hij in zijn Raad van State had gekozen3 en met wie hij als
Consul schier dagelijks uren achtereen werkte, wier meening hij vroeg, met
wie hij in discussie trad en die hij vaak deed verbaasd staan door den
genialen blik, dien hij, de ongeletterde soldaat, telkens verried op een
gebied, dat hem zoo goed als volkomen vreemd was en waarop hij alle
wetenschappelijke opleiding geheel miste.

Den 1en Januari 1800 zouden de Wetgevende Lichamen voor de eerste maal
zitting nemen, de Senaat in het Luxembourg, het Wetgevend lichaam in het
Palais Bourbon, het Tribunaat in het Palais Royal.

Een groot aantal hooge, goed bezoldigde betrekkingen, door de nieuwe
grondwet geschapen, had de Eerste Consul te vergeven en zoo ergelijk en
ontmoedigend waren het gebedel en het gevlei om voor een van deze in
aanmerking te worden gebracht, dat de “Moniteur,” een van de dertien
groote dagbladen, die Bonaparte om hun inhoud en strekking niet terstond
had opgeheven en die weldra de officieele courant zou worden (28
December) deze laagheden brandmerkte:

“Wat een menschen in de weer sinds de grondwet tal van rijk bezoldigde
betrekkingen schiep! Wat een troep weinig bekende gezichten, die in allerijl
naar voren dringen! Wat een reeks van lang vergeten namen, die zich onder
het stof der omwenteling opnieuw beginnen te roeren. Wat een bende fiere
republikeinen van het jaar VII, die zich ook zoo klein maken om te kunnen
doordringen tot den man, die de macht in handen heeft.—Wat een bedelende
Brutussen! Wat een armzalige talentjes omhoog gestoken! Wat een
bloedvlekken bemanteld. En dat alles in een ommezien!—We hopen, dat de
held der vrijheid, de man, die zijn weg door de omwenteling tot heden
slechts teekende door weldaden, op al deze intriges zal nederblikken met de
walging, welke ze iederen verheven geest moeten inboezemen; dat hij niet
dulden zal, dat een reeks onbekende of geschandvlekte namen door den
glans van zijn glorie wordt bestraald.”

Page 196

Gelukkig voor Frankrijks grootheid was dit beeld niet toepasselijk op allen.
Heel wat mannen van rijke ervaring en groot talent als Volney, Monge er
Carnot wachtten waardig en kalm af, of het nieuwe gouvernement op hen
een beroep zou doen.

1 Zes millioen francs.

2 Men had ze wel ministerieele bureaux kunnen noemen.
3 Chaptal, Brune, Roederer, Boulay, Réal en anderen.

Page 197

Hoofdstuk IX.

Page 198

Vredesvoorstellen, Marengo.

Terwijl deze groote veranderingen in Frankrijk plaats
grepen en de natie opleefde en herademde, in het
bewustzijn, dat de orde, de rust, de vrede mogelijk zelfs
in ’t verschiet lagen, bevonden zich bijna alle leden van
de familie Bonaparte te Parijs. Sinds 1793, het jaar
waarin ze berooid en doodarm Corsica waren ontvlucht en naar Toulon
geweken, was er in hun levensomstandigheden een groote verbetering
ontstaan; ze bezaten thans hotels te Parijs, kasteelen in de omstreken; Jozef
en Lucien stonden met het gouvernement op vertrouwelijken voet, gaven
diners aan ministers en letterkundigen, heetten beschermers der schoone
kunsten, deden aan belletrie en leidden een lui, lekker leventje.

De gedachte, dat zij dit alles enkel en alleen hadden te danken aan den door
hen vrijwel geminachten soldaat, hun broeder, kwam niet bij hen op. Hun
eigen verdienste, meenden zij, had hen zoo ver vooruitgebracht. Elisa zat
met haar oliedommen Bacciochi nog te Ajaccio, Paulette was na haar
huwelijk met Leclerc en de geboorte van een zoon, een tijdlang op
kostschool geweest (1798) bij mevrouw Campan, want haar echtgenoot had
ontdekt, dat zij niet eens lezen en schrijven kende. Louis was in Juli 1799
escadronscommandant geworden; Caroline genoot eveneens van de lessen
van mevrouw Campan en moeder Laetitia, nog altoos even zuinig en
spaarzaam als voorheen, op het gierige af, had haar koetjes reeds vrijwel op
’t droog en logeerde in ’t laatst van 1799 bij Jozef, die het jaar te voren voor
het bagatel van ruim 250.000 francs het uitgestrekte, prachtige landgoed
Mortefontaine tot zijn eigendom had weten te maken.

De rol, den 18en Brumaire door Jozef gespeeld, was natuurlijk zeer
onbeduidend geweest. Door den Senaat gekozen tot lid van het Wetgevend
Lichaam werd hij door Napoleon, die nog altijd een man van talent in hem

Page 199

zag, in Maart 1800 met Roederer en Fleurieu aangewezen om met de
Vereenigde Staten van Noord-Amerika te onderhandelen over den vrede.

Lucien, die den staatsgreep door zijn koelbloedig, vermetel optreden had
doen slagen, hierbij de hoofdrol vervuld en een bijna verloren zaak gered
had, was door den Senaat gekozen in het Tribunaat maar op dienzelfden
datum (24 December) benoemd tot minister van Binnenlandsche Zaken, wel
een bewijs dat zijn broer hem ondanks zijn opposant karakter hartelijk
dankbaar was voor ’t geen hij als president van den Raad van Vijfhonderd
voor hem had verricht, al vond broerlief, dat hem minstens een plaats als
consul toekwam. In ’t begin van Januari ontving Louis een brevet als
brigadegeneraal. Geen jaar later werd Jérôme luitenant ter zee. Dat
Napoleon, bekleed met het hoogste gezag, toen reeds maatregelen trof om
aan het hoofd van de vier groote dienstvakken, buitenlandsche zaken,
binnenlandsche zaken, leger en vloot, een zijner naaste bloedverwanten te
stellen om onder zijn onmiddellijke leiding en bevelen werkzaam te wezen,
blijkt o.i. hieruit duidelijk.

Zijn zwagers deelden niet in die gunsten. Bacciochi bleef wat hij was; zelfs
Leclerc, die zijn zwager door zijn vele relaties in het leger bij den
staatsgreep onschatbare diensten had bewezen, werd als divisiegeneraal
ingedeeld bij het Rijnleger, waarschijnlijk om een wakend oog te houden op
Moreau, die tot belooning voor zijn houding op 18 Brumaire eerlang met het
commando over deze voortreffelijke legermacht van circa 100.000 man zou
worden belast en aan wien de Eerste Consul gaarne de hand zijner zuster
Caroline had geschonken.

Deze jonge dame met haar glinsterende oogen, prachtig teint, buigzame
gestalte en schitterende tanden had echter reeds zelve een keuze gedaan.
Terwijl zij met Hortense de Beauharnais nog bij mevrouw Campan op
kostschool was, had zij de op Mombello begonnen kennismaking vernieuwd
met den generaal Joachim Murat. Zoon van een welgestelden herbergier uit
de omstreken van Cahors, in 1767 geboren en aanvankelijk bestemd voor
den geestelijken stand, had deze knappe jonkman met zijn koolzwarte oogen
en ijzeren gestel op zijn twintigste jaar dienst genomen bij de jagers te paard,
daarop een zeer avontuurlijk en lang niet vlekkeloos leven geleid en zich

Page 200

zelfs een korte poos Marat laten noemen (1793) om vooral een bovenste,
beste republikein te schijnen; tevens had hij met de gevangenis kennis
gemaakt. Weder op vrije voeten en tot ritmeester opgeklommen, had hij in
den nacht van 12 op 13 Vendémiaire Barras in ’t bezit gesteld van de
noodige vuurmonden, ter verdediging der Tuilerieën en was in Mei 1796
bevorderd tot brigadegeneraal.

Bonaparte was hem niet genegen; hij vond hem een eigenwijze, koppige
ophakker, die vroeger met Barras op veel te intiemen voet had gestaan, die
tegenover zijn kameraden oneerlijk was en hen verried en die bij een
zending uit Italië naar Parijs, Joséphine erg het hof gemaakt en, volgens zijn
beweren succes had gehad. Tevergeefs had hij later in Italië, daarop in
Egypte bij Salahieh, eindelijk bij Aboukir getracht, de gunst en het
vertrouwen van Bonaparte te winnen. Deze erkende zijn verdiensten als
uitstekend cavalerie-generaal, maar die onopgehelderde historie met
Joséphine was de kwade factor gebleven. Eerst toen deze zelve voor hem de
hand vroeg van Caroline om zoodoende met één slag aan alle verdere
praatjes den kop in te drukken, liet Bonaparte zich na eenige aarzeling
bewegen, tot dit huwelijk zijn toestemming te geven. Den 18en Januari 1800
werd het contract geteekend; den 1en April werd Murat, sinds Brumaire
divisie-generaal, benoemd tot luitenant van den opperbevelhebber van het
Reserveleger en commandant van deze macht. Joséphine was met dit nieuwe
huwelijk oogenschijnlijk zoo ingenomen, dat zij “haar lief broertje” Murat
schriftelijk een compliment maakte over zijn keuze van “een zoo uitermate
aardig vrouwtje, dat zich zoo uitstekend wist voor te doen.”—

Slimme, sluwe Joséphine! Hoe juist en handig bestuurde zij haar
levensbootje bij den aanvang van de nieuwe eeuw. Haar invloed op
Bonaparte had zij voor een groot deel althans weten te herwinnen; in den
strijd tegen zijn familie had zij gezegevierd; door Caroline en Murat had zij
zelfs bondgenooten gekregen in ’t vijandelijk kamp en den toorn der familie
Gohier, die zij den 18en Brumaire leelijk had misleid, had zij reeds ten deele
doen bedaren. Reeds begon zij zelfs haar salons geleidelijk te zuiveren van
eenige verdachte en gecompromitteerde dames, die er te voren dagelijks
verschenen; den toegang tot den intiemen kring van Malmaison had zij voor
deze gesloten; voor de officieele partijen zond zij haar geen invitatiekaarten

Page 201

meer, nadat Bonaparte eenmaal op een receptie zijn afkeer van die
“halfnaakte dames” luid en duidelijk had te kennen gegeven. Met grooten
tact hield zij zich bij alle officieele plechtigheden op den achtergrond.
Gezeten voor een raam of op een balkon woonden zij en haar dochter die
slechts bij uit de verte. Door niets verried zij, dat zij invloed wenschte uit te
oefenen op de daden en de politiek van haar man; dien invloed zou deze
trouwens niet hebben geduld, dan zou de goede onderlinge verstandhouding
met één slag zijn verbroken. “Mij alleen het gezag” was zijn devies. Met
zichtbare voldoening liet hij haar echter begaan, toen zij, die eenmaal op
intiemen voet had verkeerd met Robespierre’s zuster, die zich een
onvervalschte sans-culotte had genoemd, en onder de bloeddorstigste leden
der Conventie had verkeerd, niet alleen royalistische neigingen begon te
toonen, doch aan haar omgeving zelfs influisterde, dat de herinnering aan
den koning en zijn hof haar telkens deed ontroeren en dat zij vurig hoopte,
dat haar man de Bourbons weder op den troon brengen zou.—Bonaparte zou
dan minstens hertog en pair, en maarschalk of connétable van Frankrijk
worden met een hooge positie aan het hof en zij hertogin en schatrijk. Dan
kon er van een echtscheiding voor haar nooit meer sprake zijn, meende zij.

Bonaparte liet haar voorloopig in den waan, dat hij de Bourbons nog wel
eens een kans zou geven. Zijn belang en zijn staatkunde brachten dit mede;
hij moest de onvervalschte royalisten in de Vendée en Bretagne ontzien; hij
wist, dat de émigrés, verarmd en vaak broodeloos, vol heimwee uitzagen
naar den dag, waarop Frankrijks grenzen voor hen zouden worden
opengesteld; thans trof hij in Joséphine een uitnemende bemiddelaarster
tusschen die edelen en de leden der Commissie voor de Uitgewekenen; zij
pleitte voor de eersten als een advocaat voor zijn cliënt, zij schreef dagelijks
smeekbrieven bij tientallen en gevoelde zich overgelukkig als zij tot loon
voor ai haar bemoeiingen eindelijk weder een kattebelletje kon verzenden
o.a. van den volgenden inhoud: “Mevrouw Bonaparte heeft de eer de heeren
Villeneuve met vele groeten te doen weten, dat zij zijn geschrapt.”1

Van heinde en ver, uit alle hoeken van Europa kwamen ze opdagen de
Matignons, de Clermont-Tonnerres, de Montmorencys. De hotels der leden
van het oude hof werden weder geopend; het quartier Saint-Germain
herleefde en Joséphine, de weldoenster, “die haar gunsten met zooveel tact

Page 202

en gratie verleende,” zag haar salons langzamerhand gevuld met de dragers
van namen, die Trianon voorheen niet zouden hebben ontsierd; zij vond het
een genot met haar dochter te verschijnen op tal van bals, die in de kringen
der royalisten werden gegeven.—’t Was het begin der fusie, waarop
Bonaparte aanstuurde en die weldra vruchten zou dragen.

Luciens houding en gedragingen als minister van Binnenlandsche zaken
maakten Joséphine’s positie in die dagen nog krachtiger. Dat hij ontevreden
over den gang van zaken, waardoor niet hij zelf, doch Napoleon op het
kussen was gekomen, een samenzwering op touw zette tegen zijn broeder, is
niet bewezen; dat hij in ’t begin van 1800 heulde met Bernadotte, diens
vijand, echter wel; en Fouché’s dreigend: “Als ik vernam, dat de Minister
van Binnenlandsche zaken samenzweerde, liet ik hem in hechtenis nemen,”
uitgesproken in tegenwoordigheid van Napoleon en Lucien (April 1800)
geeft te denken. Ook Jozef, door wiens invloed zijn zwager Bernadotte kort
te voren tot staatsraad was benoemd, onderhield relaties met zijn broeder
vijandig gezinde personen, als Benjamin Constant en mevrouw de Stael.
Was dit kwade trouw of onnoozelheid? Wie zal ’t zeggen? Aanvankelijk
deed hij het voorkomen, alsof hij zich om een openbare betrekking weinig
bekreunde en liefst niet in intriges werd betrokken; hij sprak dus weinig,
schreef nog minder en scheen de bescheidenheid zelve. Al spoedig kwam de
aap uit de mouw. Hij verlangde van zijn broer, dat deze hem aanwees tot zijn
opvolger. De macht hiertoe bezat de Eerste Consul echter niet, want deze
was slechts voor tien jaar benoemd, doch herkiesbaar. In een brief van 24
Mei begon Jozef dit verlangen reeds om te zetten in een eisch. Zijn eer was
er mede gemoeid, schreef hij. Geen andere keuze mocht worden gedaan.
Hoe kon het volgens Corsicaansche begrippen anders? Hij was immers het
hoofd van de clan!

Page 203

Bonaparte als Consul.

Jozef bracht het vraagstuk der erfopvolging dus het eerst ter sprake, deed
door zijn vriend, den staatsraad Miot de Melito hieromtrent eenige tribunen
en senatoren polsen en was zoodoende oorzaak, dat ook anderen zich
hiermede begonnen bezig te houden. Door deze werd nu ernstig overwogen,

Page 204

wat er gebeuren moest als Bonaparte, kort te voren naar het leger vertrokken
(Mei 1800), op het slagveld of door de hand van een sluipmoordenaar viel;
het slot was, dat door hen voor zulk een geval niet Jozef doch de kort te
voren uit de ballingschap teruggekeerde Carnot in stilte werd aangewezen.
Zoo hadden Fouché en Talleyrand, overigens geslagen vijanden van
elkander, in stilte reeds uitgemaakt, dat Bonaparte gevallen, zij met den
senator Clément de Ris een driemanschap zouden vormen en de teugels van
’t bewind in handen nemen (Mei 1800).

Terwijl de Eerste Consul dus al dadelijk na den staatsgreep was omringd
door een netwerk van intriges, waaraan zelfs zijn broers niet vreemd waren,
was hij zelf letterlijk dag en nacht in de weer om Frankrijk een soort van
voorloopige organisatie te schenken, het binnenlandsch bestuur een weinig
te ordenen, het vertrouwen en de veiligheid bij de natie te doen herleven en
eenig geld in de schatkist te brengen.

Voorloopig waren de omstandigheden hem alles behalve gunstig, want wilde
hij bij de reusachtige taak, die hij zich zelf op de schouders had gelegd,
slagen en de pacificatie en organisatie van het binnenland tot een goed einde
brengen, dan was vrede met het buitenland hiertoe de eerste voorwaarde.
Reeds in de laatste dagen van December 1799, had hij, brekende met de
gebruiken der diplomaten, daarom eigenhandig geschreven aan den koning
van Engeland en aan den keizer van het Duitsche Rijk met het dringende
verzoek om aan den oorlog een einde te maken; te voren reeds had hij zijn
adjudant Duroc, een beschaafd, innemend, schrander officier en een zijner
tochtgenooten in Egypte, afgevaardigd naar het hof van Berlijn om koning
Frederik Wilhelm te doen begrijpen, dat hij bij een mogelijken vrede als
tusschenpersoon zeer welkom zou wezen.

Duroc was zeer hoffelijk ontvangen; de koning een wankelmoedig, doch
vredelievend man, die zoo goed als geheel onder den invloed stond van zijn
jeugdige, bekoorlijke gemalin, was niet ongenegen bevonden de rol van
bemiddelaar te vervullen. Te Berlijn was dus oogenschijnlijk succes
verkregen. Bij het Engelsche en het Oostenrijksche kabinet was dit niet het
geval geweest. Dit laatste had Italië weder in zijn macht, wenschte het te

Page 205

behouden en wilde dus geen vrede; Engeland verkoos Malta en Egypte
onder geen enkel beding aan Frankrijk te laten.

De nieuwe Incometax (een belasting op het inkomen) had de schatkist
gevuld met bijna vijfhonderd millioen gulden; de vloot verkeerde in goeden
staat. Van een vrede wilde de eerste minister William Pitt, Frankrijks
doodsvijand, dus niet alleen niets hooren, doch Engelsch onbeschaamd was
zelfs zijn antwoord op Bonaparte’s voorstellen. “De eenige wijziging in
Frankrijk, welke Europa zou kunnen geruststellen, was de terugroeping der
Bourbons,” schreef hij.

Opnieuw zou de oorlog dus ontbranden. Een nieuwe coalitie ontstond. Door
Pruisens invloed bleven Zweden en Denemarken onzijdig. Rusland ging nog
verder. Nadat Bonaparte hem negen duizend krijgsgevangenen, voor
rekening der Republiek geheel in nieuwe uniformen gestoken, zonder
losgeld had teruggezonden, riep keizer Paul I zijn troepen terug uit
Duitschland en werd een warm vereerder van zijn voormaligen vijand. Toch
was de macht der coalitie nog ontzagwekkend.

Engeland, Oostenrijk, Beieren, de meeste Duitsche vorsten en Turkije bleven
over. Aan den Boven-Rijn, met den linkervleugel bij Schaffhausen stonden
onder van Kray 120.000 Oostenrijkers. Met 80.000 man was de
veldmaarschalk von Melas dwars door Boven-Italië en Piëmont op weg naar
de Var, Engeland blokkeerde Malta, trok op Minorca een krijgsmacht samen
om Toulon te hernemen, maakte de Middellandsche Zee met zijn schepen
onveilig en hield de golf van Genua bezet.

Tegenover Duitschland had Moreau in den Elzas en in Zwitserland circa
120.000 man. In Italië stond de van zijn commando in Zwitserland ontheven
generaal Massena met 30.000 krijgers in de lijn Genua—Savona—Col di
Tenda, een slecht gevoede en gekleede troep, het jammerlijke overschot van
het eenmaal zoo trotsche leger van Italië. De garnizoenstroepen in Toscane,
de Romagna en elders niet medegerekend, was dit alles wat Frankrijk in ’t
begin van 1800 in eerste linie kon brengen. Wel stonden er in Holland, de
Vendée en de vestingen nog enkele afdeelingen doch alleen een geniaal man
op ’t gebied van organisatie en legerbeheer zou bij machte zijn uit die ver
uiteenliggende elementen een derde bruikbare krijgsmacht te vormen.

Page 206

Die man was Bonaparte. Toornig over Engelands antwoord op zijn
vredesvoorstel, vol vertrouwen op zijn nieuwe staatshoofd, leverde Frankrijk
hem binnen enkele weken 100.000 jonge soldaten (conscrits) 40.000
paarden en een talrijke artillerie. Bij honderden keerden de oudgedienden,
officieren en manschappen, in de gelederen terug. Weldra zou de Republiek
ruim 200.000 goed geoefende krijgers aan haar oostelijke grenzen bijeen
hebben.

Reeds den 25en Januari had Berthier, de minister van Oorlog, bevel
ontvangen, in de lijn Lyon-Dijon-Châlons s. Marne in alle stilte een derde,
een reserve-leger van 60.000 man samen te brengen en het te vereenigen met
het leger van Moreau. Gedekt door den Rijn wilde Bonaparte zijn
krijgsmacht snel in den omtrek van Schaffhausen bijeentrekken, de rivier
hier onverhoeds overgaan, zoodoende reeds dadelijk bij het openen van den
veldtocht in von Kray’s rug en linkerflank verschijnen, dien generaal
afsnijden van zijn operatielijnen en depôts, hem tegen den Rijn dringen en
vernietigen.

Om Europa zand in de oogen te strooien en het doel te verbergen deed
Bonaparte in ’t begin van Maart officieel bevel geven tot de samenstelling
eener reserve-armee bij Dijon. Werkelijk togen eenige oude officieren,
veteranen en recruten derwaarts; ook begon men hier oefeningen te houden,
maar alles op zoo onbeduidende schaal en met zoo weinig personeel, dat de
Engelsche pers en haar caricatuurteekenaars, die eens waren gaan kijken,
zich over Boney (Bonaparte’s scheldnaam) en zijn reserve-armee begonnen
vroolijk te maken. “Wou hij met zoo’n zoodje trekbeenen en melkmuilen te
velde gaan. ’t Was te belachelijk.” Over de nieuwe Fransche macht maakte
Europa zich weldra dan ook volstrekt niet meer bezorgd.

Hiermede had Bonaparte zijn doel bereikt; de tegenpartij was misleid.
Intusschen togen uit alle garnizoenen van Frankrijk onafgebroken groote en
kleine afdeelingen oude beproefde soldaten onopgemerkt met kleine
dagmarschen steeds verder naar ’t zuidoosten, naar Zwitserland, want daar in
de bergen, niet bij Dijon doch bij Zürich zou zich de macht verzamelen,
bestemd om von Melas te verpletteren. Reeds den 18en Maart zette
Bonaparte voor haar een marschweg uit over den Splügen naar Bergamo dus

Page 207

naar Melas’ rug, in ’t begin van April gaf hij Massena den raad uitsluitend
defensief op te treden, tot de uit Zwitserland over den St. Gotthard of den
Simplon naderende armee in Italië was verschenen; dan moest hij zich over
Turijn met deze in verbinding stellen. Melas’ offensief optreden stuurde dit
plan echter in de war; hij dreef Massena terug en in weerwil van diens even
talentvol als stoutmoedig gedrag was deze half April verplicht zich in Genua
op te sluiten. Von Melas begon het beleg. Suchet, Massena’s
onderbevelhebber, was op Nizza en de Var teruggeworpen.

Den 24en April wist Bonaparte van dezen toestand weinig meer dan “dat het
leger met de Oostenrijkers handgemeen was,” zooals hij schreef aan Carnot
en “dat het reserveleger dus geen uur meer te verliezen had, wilde het
Massena hulp bieden.” Berthier ontving dus bevel zijn macht van Zürich te
verplaatsen naar Genève en van hier over den Simplon of over den grooten
St. Bernard Italië binnen te vallen, dan zou von Melas tegen hem moeten
front maken. Zoolang Moreau von Kray niet krachtig had aangegrepen en
teruggeworpen, viel aan een tocht over de Alpen echter niet te denken; hij
ontving dus nogmaals en nu uitdrukkelijk bevel op te rukken. “Door zijn
aarzelen bracht hij de veiligheid der Republiek in gevaar. Massena moest
geholpen.”

Moreau zag dit eveneens in. Ondanks zijn belangrijk tekort aan paarden en
materieel opende hij den 25en April den veldtocht, trok, zijn eigen plan
volgende, bij Straatsburg, Oud-Breisach en Bazel den Rijn over, misleidde
zoodoende von Kray omtrent zijn werkelijk aanvalspunt, deed generaal
Lecourbe, die met zijn macht reeds bij Schaffhausen stond, hier nu eveneens
de rivier passeeren, wierp hem op Stokach met zijn rijke magazijnen, greep
von Kray zelf aan bij Engen, dwong hem ten slotte na een reeks van groote
en kleine gevechten den 10en Mei tot den aftocht naar Ulm, doch kon dit
groote succes niet vervolgen, omdat Bonaparte hem uitdrukkelijk bevolen
had deze vesting niet te passeeren. Een decreet der Consuls van 5 Mei, hem
door Carnot zelf gebracht, beval hem tevens nogmaals circa een vierde zijner
sterkte af te geven aan Bonaparte. Onder de bevelen van Moncey ging die
afdeeling over den St. Gotthard op weg naar Italië.

Page 208

“Slaat duchtig los op den eersten den besten, die uit het gareel springt,”
schreef Bonaparte, die begin Mei Parijs had verlaten, drie dagen later uit
Genève aan de consuls en verried door die woorden alleen reeds hoe goed
hij van den toestand te Parijs op de hoogte was en hoe weinig betrouwbaar
hij dien toen nog achtte. De voorafgaande weken had hij aan de
samenstelling en uitrusting van het reserve-leger schier dag en nacht
gewerkt. Thans vond hij de toebereidselen tot den overtocht over de Alpen
bijna voltooid; een reusachtige voorraad levensmiddelen en krijgsbehoeften
was van uit Genève langs den marschweg bij Villeneuve, St. Moritz,
Martigny en St. Peter bijeengebracht; de artilleriemunitie zou door muilezels
worden vervoerd. De affuiten waren uit elkander genomen; de vuurmonden
geladen op sleden, die later in de passen op last van Marmont, den
commandant der artillerie, vervangen werden door in de lengte
doorgezaagde en uitgeholde boomstammen. Door generaal Marescot was de
bergweg verkend en eenigermate begaanbaar bevonden en in den nacht van
den 14en op den 15en Mei begon de tocht; de infanterie zwaar bepakt met
mond- en krijgsvoorraad, de cavalerie en de artillerie met de paarden aan de
hand, Lannes met de voorhoede aan de spits. Om het gevaar van lawines
onderweg te verminderen, werd hoofdzakelijk ’s nachts gemarcheerd. Toen
het klooster nabij den top van den pas bereikt was, vonden de soldaten hier
brood en wijn, door Bonaparte’s zorg daarheen gebracht en een ware lafenis
na een marsch van ruim acht uur bergopwaarts. In twee uur tijds werd daarna
het dorp St. Remy bereikt en de gebaande weg weder betreden.

In de vijf volgende dagen en nachten waren de bergpassen van den St.
Bernhard onafgebroken vol soldaten en materieel. Den 20en volgde
Bonaparte de beweging aan den staart der achterhoede. Tot zoolang was hij
te Martigny blijven toezien, dat geen stuk van ’t materieel werd
achtergelaten. Van Suchet aan de Var had hij bericht, dat von Melas zijn
stellingen bij Nizza nog niet had ontruimd. In zes dagen kon de maarschalk
Ivrea, dat Lannes reeds naderde, onmogelijk hebben bereikt. Gevaar voor
een aanval van die zijde dreigde voorloopig dus nog niet.—In een grijzen
overjas gehuld, gezeten op een muildier en alleen vergezeld door de
Bourrienne en Duroc, begon hij den overtocht. Aan het klooster hield hij
even halt, schonk den prior een vorstelijke gift voor zijn hulp, beloonde zijn
gids Dorsaz, een jongen man uit Wallis, die zijn muildier geleid en hem

Page 209

tegen een leelijken val behoed had, eveneens zoo rijkelijk, dat de man voor
zijn verder leven was geborgen. Dienzelfden avond nog bereikte hij
Etroubles, daarna Aosta in het dal van dien naam en stond aan den
zuidelijken voet der Alpen. Ongevallen waren bijna niet voorgekomen; het
was mooi weder gebleven; geen enkele maal had een sneeuwval den marsch
der troepen bemoeilijkt. In vijf dagen tijds was de tocht volbracht.

“Een wonderdaad, grooter dan die van Hannibal,” heeft Thiers deze
genoemd. Met dien lof stemmen wij niet geheel in. Geniaal was het plan, dat
den grondslag er van vormde, doch de te overwinnen materieele bezwaren
waren niet zóó groot, als men het heeft doen voorkomen. In de
Middeleeuwen en in de XVIe en XVIIe eeuw tijdens de oorlogen in Italië
zijn Fransche legermassa’s de Alpen bij herhaling onder veel ongunstiger
omstandigheden overgetrokken. Iets nieuws was het dus niet; ieder ander
energiek generaal, die over voldoende middelen beschikte, had hetzelfde
kunnen doen. En nu de tocht van Hannibal, den held van Carthago?
Vijfhonderd uren gaans van zijn land, zonder operatiebasis, zonder de minste
kans op hulp, zonder veel meer dan enkele vage gegevens omtrent den
geografischen toestand van het bergterrein, dwars door een woeste
onbekende streek, ondernam hij het vermetele waagstuk aan de spits eener
cavalerie, die wel aan het heete woestijnzand, niet aan de sneeuw in een
hooggebergte gewoon was, met een reeks olifanten, die met hun logge
lichaam in de breedte heel wat meer ruimte eischten dan een paard of een
muilezel en langs een pad, dat voet voor voet met de hand moest worden
verbreed om het te kunnen passeeren. Met dezen tocht kan die van Mei 1800
dus niet worden vergeleken, doch al ’t geen Bonaparte in die dagen
verrichtte moest tegenover de tijdgenooten ongemeen wonderbaarlijk heeten.
De tijden en de toestanden leidden er toe.

Om deze reden zeker achtte het Tribunaat het dus ook geen bezwaar, dat
Bonaparte zich aan het hoofd stelde van het reserveleger hoewel de
“grondbeginselen der Constitutie van het jaar VIII den Eersten Consul niet
veroorloofden het bevel hierover op zich te nemen.” In naam bleef Berthier
commandant. Wanneer de Eerste Consul slechts als overwinnaar en
vredebode terugkeerde waren de tribunen tevreden.

Page 210

Reeds te Martigny had hij bericht ontvangen, dat de voorhoede bij het dorpje
Bard was gestooten op een sterkte, die door de Oostenrijkers was bezet, de
hoofdstraat van genoemd dorpje met haar vuur in de lengte bestreek en zich
niet verkoos over te geven. Langs een smal geitenpad waren de infanterie en
de cavalerie der voorhoede om de sterkte heen getrokken, maar de artillerie
had niet kunnen volgen.

Te Etroubles gekomen, was Bonaparte wel zeer ontstemd, dat deze hem
aanvankelijk als zoo onbeduidend geschetste sterkte nog niet was genomen,
doch in zijn voornemens bracht die verhindering geen verandering. Marmont
deed de dorpstraat met mest bedekken, de raderen der voertuigen en hun
rammelende deelen met stroo omwinden en in enkele nachten sleepten de
soldaten zelve al de vuurmonden met toebehooren zonder verliezen van
beteekenis voorbij het kasteel, terwijl de troepen het geitenpad volgden.

Den 24en nam Lannes Ivrea met storm. Zijn artillerie deed hierbij flink haar
plicht. Ook het kasteel van Bard viel weldra (1 Juni.) “Wie had kunnen
vermoeden, dat de Franschen den St. Bernhard met vuurmonden passeeren
en deze tegen een kasteel richten zouden, dat eigenlijk alleen tegen
geweervuur bestand was,” schreven de Oostenrijkers.

Door het kabinet van Weenen en zijn eigen agenten en spionnen omtrent dat
schijnleger bij Dijon gerustgesteld, had Melas zijn troepen nog altijd voor
Genua, aan de Var in verschillende garnizoenen verspreid staan met Turijn
als centraalpunt. Dat Bonaparte de Alpen was gepasseerd en snel op hem
aanrukte, wilde hij in ’t eerst niet gelooven. Toen meende hij uit diens
bewegingen te moeten afleiden, dat hij naar Turijn wilde, generaal Turreau
bij den Mont Cenis te hulp. Eerst toen hij bericht ontving, dat Bonaparte
hem had misleid en den 2en Juni, onder luide geestdriftsbetuigingen der
bevolking, Milaan was binnengerukt, dat zijn eigen afdeelingen overal
waren teruggeslagen, dat Pavia met zijn schat van levensmiddelen, wapens
en pontonmaterieel den 3en door Lannes was bezet, begon hij het gevaarvolle
van zijn positie in te zien en besloot hij de linie van de Adda los te laten, zijn
troepen in allerijl bij Alessandria te verzamelen en door de vlakte van
Marengo en over Piacenza naar de Mincio en Mantua af te marcheeren,
voordat Bonaparte hem dit beletten kon. Voor dit alles was tijd noodig;

Page 211

hoewel het uitgehongerde Genua zich den 4en Juni aan hem had moeten
overgeven na een verdediging, die in de krijgsgeschiedenis altijd een
schitterende bladzijde zal blijven vullen; hoewel de insluitingsarmee onder
generaal Ott hierdoor terstond in beweging kon worden gezet, kwam deze
toch reeds te laat. Den 9en vond Ott bij Montebello den even onverschrokken
als talentvollen Lannes tegenover zich en ontving van hem een zoo geducht
pak, dat hij met verlies van bijna de helft zijner sterkte ijlings op Alessandria
moest teruggaan. Toen von Melas, na een stormachtige zitting van den
krijgsraad, in den vroegen morgen van den 14en Juni zelf ten aanval oprukte,
het riviertje de Bormida passeerde en zich met volle kracht wierp op de
divisiën van Victor en Lannes, die zich met de cavalerie van Murat, front
naar het westen, in de uitgestrekte vlakte van Marengo hadden ontwikkeld,
waren de wapenen hem aanvankelijk gunstig; reeds meende hij zich van de
overwinning verzekerd, toen om vier uur in den namiddag de kans eensklaps
keerde.

De generaal Desaix, enkele dagen te voren uit Egypte teruggekeerd, door
Bonaparte terstond met een divisie-commando belast, doch tengevolge eener
bijzondere opdracht in den voormiddag nog niet aanwezig, was kort te
voren, ver voor zijn troepen uit, op het slagveld gekomen. De Franschen,
overal teruggeworpen, waren in vollen aftocht; in de verte vormde generaal
von Zach, von Melas’ chef van den staf, zijn zegevierende krijgers reeds
voor den afmarsch tot een dichte massa. De ruim zeventigjarige
opperbevelhebber was naar Alessandria teruggereden om uit te rusten en aan
de kabinetten van Europa bulletins te zenden van zijn overwinning.

Op Bonaparte’s vraag hoe Desaix den toestand beoordeelde, haalde deze zijn
horloge uit. “Deze slag is verloren, maar ’t is eerst drie uur; dus is er nog
tijd genoeg om een tweeden te winnen.”

Dit woord is Bonaparte als uit het hart gegrepen. Terstond geeft hij bevelen.
Adjudanten rennen over het slagveld. De teruggaande afdeelingen staken
haar beweging, beginnen weder front te maken, in haar verband terug te
komen en vormen weldra een dunne lijn tusschen Castel-Ceriolo, den
rechtervleugel en San Giuliano, het midden. Hier, door een terreinplooi aan
het oog onttrokken, ontwikkelt Desaix intusschen zijn 6000 man, die reeds

Page 212

tien uur hebben gemarcheerd, tot het gevecht; Kellermans cavaleristen
komen schuin achter hen; twaalf vuurmonden onder Marmont, al wat er aan
artillerie is overgebleven, rijden op vóór het front.

Bonaparte rijdt vlug door de gelederen en electriseert zijn soldaten door zijn
taal.—Als het hoofd van von Zachs breede, logge colonne Desaix dicht
genoeg is genaderd, dreunt en dondert het eensklaps uit al die kanonnen
tegelijk; een dichte hagelbui van schroot giert en huilt over het veld en slaat
in de dichte drommen.

Nog zijn de schrik en de verwarring, door dit zware onverwachte vuur
teweeggebracht, niet half geweken, als Desaix aan de spits van de 9e halve-
brigade verschijnt op den rug van de terreinplooi, die hem en zijn mannen tot
nu toe voor den vijand verborgen hield. Een salvo op den kortsten afstand
kraakt uit honderden geweren; dan gaat het er op in met ’t blanke staal in de
vuist, en wat niet valt of vlucht voor dezen aanval der “Incomparable,”
zooals de 9e van dien dag af heeten zal, bezwijkt onder de geduchte
sabelhouwen der dragonders van Kellerman, die chargeeren als razenden. In
een oogwenk zijn 2000 gevangenen gemaakt. Zelfs von Zach moet zijn
degen overgeven.

Thans roffelen de trommen langs het Fransche front. Voorwaarts gaat het, op
die dichte massa’s Oostenrijkers in, die, op elkander gedrongen, door eigen
dragonders half onder den voet gereden, het hoofd verliezen en niet meer
luisteren naar hun officieren. Kaim en Haddick trachten nog, hen in
Marengo te doen stand houden. Hun cavalerie tracht te chargeeren, maar
moet wijken voor de garde grenadiers te paard onder Bessières en Eugène de
Beauharnais. Bij de ruiterij van Ott ontstaat een paniek.—“Naar de bruggen!
Naar de bruggen!” gilt alles. De storm naar deze zwakke overgangen begint.
Infanteristen, cavaleristen, artilleristen, één kluwen vlucht en stormt er heen,
de Franschen hen na, dronken van vreugde en geestdrift, de wapperende
vanen hoog in den wind!

Bij de bruggen neemt de verwarring schrikbarend toe. Velen trachten de
Bormida te doorwaden; vuurmonden geraken vast in het slijk van den
bodem. De paniek wordt algemeen. Menschen, paarden, kanonnen, bagage,

Page 213

alles valt in handen der Franschen. Half wanhopig moet von Melas, die naar
het slagveld is teruggekeerd, dit tooneel aanschouwen.

Die dag kostte hem meer dan 10.000 man aan dooden, gekwetsten en
gevangenen. De staven zijner korpsen waren zwaar gehavend, een massa
officieren gevallen. Bij het appèl ontbraken ook bij het Fransche leger ruim
4300 officieren en soldaten; ook hier waren de staven zeer gedund. Het
zwaarste verlies was echter de dood van Desaix; een der eerste vijandelijke
kogels had hem getroffen. Zijn adjudant Savary had zijn lijk gevonden en
het naar het hoofdkwartier overgebracht.

De Bourrienne kwam zijn chef gelukwenschen: “Wat een prachtige
dag!”—“Prachtig zou die geweest zijn, als ik Desaix hedenavond op het
slagveld had kunnen omhelzen,” zeide Bonaparte.

Reeds den volgenden morgen kwam de prins van Lichtenstein
onderhandelen; weldra werden de voorwaarden eener conventie te
Alessandria geteekend.

Twee rivieren, de Chiesa en de Mincio, gaven hierbij de grenzen aan voor
een strook onzijdig terrein tusschen de legers. Genua, al de sterkten in
Piëmont, Lombardije en de Legatiën gingen in Fransche handen over. Aan
von Melas met zijn troepen werd vrije aftocht verleend naar Mantua. Italië
was heroverd.

Page 214

Tocht over den St. Bernhard. Mei 1800.

Den 17en was Bonaparte, toegejuicht als een vorst, te Milaan terug. De
Cisalpijnsche republiek werd hersteld, de Ligurische gereorganiseerd en
weder onafhankelijk verklaard. Piëmont, waarvan de koning naar het eiland
Sardinië was geweken, ontving een voorloopig bewind. Generaal Jourdan,
de vurige republikein, werd als commissaris der Republiek belast met de
leiding der zaken en aan Massena, den heldenfiguur van Genua, werd het
oppercommando over het leger in Italië opgedragen.

Nog onder den indruk, dien Marengo’s met bloed bedekte vlakte op hem had
gemaakt, vurig naar vrede verlangende en begrijpende, dat, al had hij op zijn
eerste schrijven niet rechtstreeks antwoord ontvangen, zijn standpunt als
overwinnaar hem thans nòg meer recht van spreken gaf, had de Eerste
Consul terstond opnieuw aan den keizer van Oostenrijk geschreven:

“Op het slagveld, te midden eener massa gekwetsten, omringd door
duizenden lijken, smeek ik Uwe Majesteit gehoor te geven aan de stem der
menschelijkheid en niet te dulden, dat twee dappere natiën elkander om hals

Page 215

brengen voor belangen, welke hun vreemd zijn. Omdat ik dichter bij het
oorlogstooneel sta dan U, rust op mij de plicht bij Uwe Majesteit hierop aan
te dringen. Uw hart kan niet zoo diep zijn getroffen als het mijne, enz.”

’t Was een lange brief; tegelijk met het verdrag van Alessandria werd hij
verzonden. Bij later nadenken gevoelde Bonaparte spijt, dat hij zich daarin te
veel mensch, te weinig staatsman getoond had.

Te Milaan sprak hij kardinaal Martiniana, een vriend van den nieuwen paus
Pius VII2 en verklaarde hem, dat hij met den Heiligen Stoel in vrede leven
en dezen zelfs tegen zijn vijanden in bescherming nemen wilde, als de
kerkvorst zich voor redeneering vatbaar betoonde en den tegenwoordigen
toestand van Frankrijk en dien van de wereld begreep. Den volgenden dag
woonde hij een plechtig Te Deum bij in Milaans oude hoofdkerk.—“Wat de
godloochenaars te Parijs hiervan zeggen, laat mij koud; ik ga die
plechtigheid in volle staatsie bijwonen,” schreef hij aan zijn mede-consuls.
Zijn officieren en soldaten, volbloed republikeinen, die van geen kerk of
geestelijkheid meer wilden hooren, gaven hun ongenoegen over deze daad
wel te kennen, doch hieraan stoorde hij zich niet.

Te Milaan regelde hij ook het feest van den 14en Juli, den verjaardag der
omwenteling te Parijs.—“Geen naäpen van vroegere feesten wil ik, ook geen
wagenrennen. Deze waren op hun plaats bij de oude Grieken, want zij
streden op wagens; voor ons, Franschen, hebben ze geen beteekenis; ook
geen zegebogen verlang ik. Mijn zegeboog zie ik in de tevreden gezichten
van de bevolking,” schreef hij.

In het laatst van Juni was hij onderweg naar Parijs en passeerde hij den Mont
Cenis met het voornemen op dezen bergweg, een der kortste verbindingen
tusschen de hoofdstad en Italië, een klooster te doen bouwen in den trant van
dat op den St. Bernhard. Dat hij reeds in die dagen verteerd werd door dorst
naar grootheid en roem, verried hij aan zijn reisgenooten Duroc en
Bessières. “Binnen twee jaar heb ik Caïro, Milaan en Parijs veroverd. Kwam
ik morgen te vallen, dan zou mijn naam in een boek over de
wereldgeschiedenis nog geen halve pagina vullen,” zei hij onder anderen.

Page 216

Juichte gansch Frankrijk over een zegepraal, die vrede kon brengen, te Parijs
bij Talleyrand en Fouché, bij Carnot en Lafayette, bij Lucien, Jozef en
Bernadotte, bij de mannen dus, die over de huid reeds aan ’t onderhandelen
waren geweest, voor dat de beer was geschoten, was de vreugde matig.
Reeds had het gerucht geloopen, dat Bonaparte den slag en het leven
verloren had en er was geïntrigeerd van belang. Bonaparte wist dit echter.
Door de tijdige komst van Desaix had de fortuin hem bij Marengo zoo
wonderbaarlijk gediend, dat het geloof aan een groote rol op het
wereldtooneel, die de Voorzienigheid voor hem had weggelegd, had post
gevat in zijn ziel, een ziel die door zijn afstamming en door een langdurig
verblijf in Egypte toch reeds eenigermate tot fatalisme overhelde. Zijn uur
kon dus nog niet zijn gekomen, dacht hij. Hij wilde dus vergiffenis schenken
en vergeten, alleen deed hij Carnot het loodje leggen, ontnam hem de
portefeuille van Oorlog en schonk ze aan Clarke.

Door krijgskundigen is hem verweten, dat hij bij den opmarsch tegen von
Melas’ verbindingen met de Mincio zijn troepen te veel had versnipperd, dat
hij hierdoor bij Marengo verreweg in de minderheid was en dat alleen de
tijdige komst van Desaix hem ten slotte de zege had doen behalen. Al is het
waar, dat hij aan Desaix op dien dag de overwinning heeft te danken, toch is
het verwijt slechts ten deele gegrond, want aangenomen zelfs, dat hij bij
Marengo was verslagen, kon de terugtocht over de Po bij Piacenza hem niet
worden belet. Binnen vier en twintig uur had hij daar een voldoende macht
versche troepen kunnen bijeenbrengen om von Melas met alle kans op
succes opnieuw aan te grijpen.

Hulde aan een infanterie, voor ’t meerendeel conscrits, die door haar
taaiheid, haar marschvaardigheid en haar volkomen vertrouwen op haar chef
dezen in staat stelde, zijn op de kaart ontworpen plannen om te zetten in
energieke, snel uitgevoerde daden; alleen deze brengen de beslissing.

1 Van de lijst der bannelingen.

2 Pius VI was kort te voren te Valence gestorven.

Page 217

Page 218

Hoofdstuk X.

Page 219

Vrede met Oostenrijk.

In ’t costuum van lid van het Instituut had hij Parijs
verlaten, in de uniform van opperbevelhebber keerde
hij er terug (3 Juli) en sprak deze verandering in zijn
gewaad mogelijk nog niet duidelijk genoeg voor den
omkeer, die door Marengo in zijn geest was ontstaan,
zijn houding en zijn daden bewezen weldra, dat hij, door gansch Frankrijk
thans half vergood, zich van zijn macht was bewust geworden.

Uit was het op eens met de mogelijke plannen der Bourbons. Kort na elkaar
had hij van den pretendent twee brieven ontvangen, waarin hem duidelijk
was te verstaan gegeven, dat, wanneer hij dezen op den troon van Frankrijk
bracht, hij zelf maar moest aangeven, welke hooge positie hij verlangde voor
zich zelf en zijn vrienden.

Joséphine kende het bestaan dier brieven, trachtte hem te overtuigen, dat het
costuum van connétable hem veel beter zou kleeden dan de rok van consul,
doch klopte aan doovenmansdeur. “In ’t buitenland acht men mij dan
lichtzinnig en inconsequent, dat men mij verdenkt van geheime plannen ten
voordeele van een Bourbon? Dat ik in de beloften en verbintenissen niet het
minste vertrouwen stel, weet men dus niet. Werd die man baas, dan zou het
stellig niet lang duren of ik werd behandeld als een rebel,” gaf hij haar zoo
luide en zoo kortaf ten antwoord, dat Europa het kon hooren. Tegen
Bourrienne zei hij: “Jij kent dat volkje niet. Gaf ik het den troon, dan zou het
dien volgens hen niet aan mij, doch aan Gods gratie hebben te danken. De
émigrés zouden dadelijk den baas spelen en al het nieuwe omver werpen.
Wat zou er worden van de belangen sinds 1789 geboren? Wat van de
menschen, die nationale goederen kochten, van de generaals, kortom van
allen, die tijdens de omwenteling hun leven en hun toekomst op ’t spel
hebben gezet?”

Page 220

In ’t begin van September schreef hij zijn antwoord:

“Ik heb een brief ontvangen, mijnheer; ik zeg u dank voor uw beleefde
woorden. Uw terugkeer in Frankrijk moogt u niet wenschen. Gij zoudt uw
weg moeten nemen over vijfhonderd duizend lijken. Offer uw eigen belangen
op aan de rust en het geluk van Frankrijk; de historie zal er u naar
beoordeelen. Voor de rampen uwer familie ben ik niet ongevoelig; gaarne
zal ik bijdragen tot de rust en den vrede van uw bestaan.”

Met wien hij te doen had, hoeveel staat hij kon maken op de mooie beloften
van den pretendent, blijkt uit later gevonden brieven. Den 4en Juni 1800
verzocht de pretendent hem den troon zijner voorvaderen terug, twee dagen
later wenschte hij den struikroover George Cadoudal per brief hartelijk
geluk, “dat hij eindelijk aan de handen van den tiran was ontsnapt.” “Thans
zijt ge vrij; ge zijt bij mijn broeder; al mijn hoop herleeft. Een echt
Franschman zooals gij behoef ik niets meer te zeggen,” volgde er aan ’t slot
en na den aanslag van 24 December 1800 betuigden de bedrijvers er van
dienzelfden “braven” Cadoudal schriftelijk hun leedwezen, dat Bonaparte
was ontkomen.

“Met innig genoegen erkennen wij, dat het vaderland aan U zijn redding, de
Republiek aan U haar bevestiging heeft te danken en de natie een welvaart,
die gij in één dag tijd hebt doen volgen op tien jaar eener meer dan
stormachtige omwenteling,” had de president van den Senaat bij de eerste
officieele begroeting tegen hem gezegd en de denkwijze van zoo goed als
geheel Frankrijk met deze woorden weergegeven. Vol oprechte geestdrift
waren al de groote staatslichamen, de burger- en de militaire autoriteiten, de
directeur der Fransche Bank en tal van hooggeplaatste personen hem gaan
begroeten.—

Hoe kon het anders? Enkele maanden pas voerde hij het bewind en
veiligheid, vertrouwen en rust waren getreden in de plaats van een toestand
van grenzenlooze verwarring, van angst en onzekerheid. Een groote
overwinning had Frankrijk weder gevoerd aan de spits der volken. De vrede
was in ’t verschiet; de angst voor een Europeeschen oorlog verdwenen.
Allerwege zag men weder teekenen van welvaart. Dank zij de instelling der
Fransche Bank, waardoor vertrouwen en crediet weder waren teruggekeerd,

Page 221

kregen de renteniers hun coupon weder uitbetaald in klinkende munt. De
publieke fondsen waren van 12 tot 40 gestegen en toonden neiging tot rijzen
naar 50. Gansch Frankrijk was bezig een gedaanteverwisseling ten goede te
ondergaan, en dit alles niet door een mirakel of een bovennatuurlijke kracht,
welke volgens de “kleine luyden” Bonaparte zou bezitten, maar alleen door
een man, toegerust met een groote mate van gezond verstand, gerugsteund
door een ijzeren wil en een stalen werkkracht, een man, die wist wat hij
wilde, die daarbij over alle détails heenzag als ver beneden hem, en die
alleen het einddoel scherp in het oog hield. Geen stap op ’t oorlogsveld, geen
zet op ’t wereldschaakbord deed hij in die jaren zonder een voorafgaand
nauwgezet wikken en wegen van ’t geen hiervan het gevolg kon zijn. Aan
het toeval liet hij zoo weinig mogelijk over. Eerst als ’t vertrouwen op zijn
geluk hem roekeloos deed worden, en zijn dorst naar nòg meer roem hem
verblindde, was het hiermede gedaan. Die hoop naar vrede zou echter niet
zoo spoedig worden vervuld, want Marengo had wel een wapenstilstand,
geen beslissing gebracht. Rijkelijk door Engelsch goud gesteund onder
voorwaarde, dat het niet afzonderlijk zou vrede sluiten, schoof het kabinet
van Weenen de onderhandelingen op de lange baan, een tactiek die
Bonaparte met zijn voortvarenden geest en zijn afkeer voor al dat
diplomatieke getalm en gekonkel toornig maakte en verschillende kleine
staten van den Duitschen Bond, door Frans II aan hun lot overgelaten, tot
een afzonderlijk verdrag met Frankrijk bracht, voordat een congres, dat te
Lunéville zou bijeenkomen en waarheen ook Engeland een
vertegenwoordiger zou zenden, een beslissing had gebracht.

De herfst verliep, de winter trad in. Tot tweemaal toe was de wapenstilstand
verlengd; het congres te Lunéville vorderde niet, en de kans op een
spoedigen vrede scheen nog in de verre toekomst te liggen. Het wachten
moede, beval Bonaparte terstond na het einde van den tweeden
wapenstilstand weder aanvallend op te treden.

Den 25en November begon Moreau zijn operaties en leidde deze zoo goed en
gelukkig, dat hij in weerwil van zijn geringere getalsterkte aartshertog Johan,
die von Kray in het opperbevel had vervangen, den 3en December in de met
sneeuw bedekte passen en boschwegen van Hohenlinden met zwaar verlies
terugsloeg. Van deze overwinning ijlings partij trekkende, bezette hij daarop

Page 222

Salzburg, dreef de Oostenrijkers door een reeks van roemrijke gevechten
terug tot achter de Traun, maakte zich meester van Linz, stond hier slechts
tien uur van Weenen en was den 23en December voor het sluiten van een
wapenstilstand alleen te vinden onder het uitdrukkelijk beding, dat
Oostenrijk zijn belangen scheidde van die van Engeland.

Geducht in ’t nauw gedreven, bewilligde keizer Frans hierin. ’t Was hoog
tijd, want, terwijl Moreau de eer der Fransche wapenen zoo hoog hield aan
den Donau, was Augereau met een gallo-bataafsche divisie in Bohemen niet
minder gelukkig, toog Macdonald door Wallis en over de gletschers en de
passen van den Splügen naar de Mincio om daar de hand te reiken aan
Brune, die Massena in Italië was opgevolgd. Ook hier aan de Etsch, de
Brenta en de Piave leden de Oostenrijkers de nederlaag; Macdonald naderde
Trente; Murat was met een divisie op marsch naar de Po; Brune rukte
Treviso binnen.

Toen kwamen de Oostenrijksche gevolmachtigden ook hier onderhandelen.
De afstand van Mantua, Peschiera, Ferrara en Ancona was de prijs van een
wapenstilstand, die den 29en Januari 1801 te Lunéville werd gesloten.

Alleen Napels stond thans nog vijandig tegenover Frankrijk; Murat zou
koningin Caroline echter weldra tot vrede dwingen.

In Duitschland en Italië verslagen, door zijn vroegere bondgenooten
losgelaten, want Rusland en de paus hadden openlijk voor Frankrijk partij
gekozen en Engeland was niet in staat hem te steunen, zag Frans II in, dat
een vrede alleen hem kon redden. Den 9en Februari 1801 werd deze te
Lunéville geteekend, maar de voorwaarden waren niet malsch. De basis er
van vormde het tractaat van Campo Formio, waarbij de linker Rijnoever aan
Frankrijk was gekomen en Oostenrijk zich de Etsch als grensrivier had zien
aanwijzen. De keizer erkende de Bataafsche, de Helvetische, de Ligurische
en de Cisalpijnsche republiek en keurde goed, dat deze laatste het gansche
dal van de Po, de Sesia en de Tenaro tot de Adriatische Zee zou omvatten;
het aan zijn stamhuis ontnomen Toscane, waar zijn broeder groothertog was,
werd onder den naam van koninkrijk Etrurië toegewezen aan den hertog van
Parma, schoonzoon van Karel IV van Spanje.

Page 223

De Engelschen zagen de haven van Livorno, een hunner voornaamste
stapelplaatsen aan de Middellandsche Zee, voor zich gesloten; Otranto,
Tarente en Brindisi kregen Fransch garnizoen. Geheel Italië was weder in
Fransche handen; Spanje beloofde Portugal gewapenderhand te dwingen,
Engeland afvallig te worden. In vijftien maanden tijd was het Frankrijk dus
gelukt de tweede coalitie uiteen te breken en aan Europa’s vastland den
vrede voor te schrijven. Bonaparte had een bewonderaar gekregen in czaar
Paul I, die wel half gek van trots, doch tevens ingenomen was met den man,
die aan de omwenteling een einde gemaakt en den 18en Brumaire gebracht
had, die hem de negen duizend krijgsgevangen Russen had teruggezonden,
hem het zwaard van Lisle Adam, den grootmeester der Maltezer ridders had
geschonken en hem het reeds twee jaar door de Engelschen belegerde Malta
wilde afstaan.

Jammer dat de in Italië nieuwgevormde staten de innerlijke kracht misten,
voor hun zelfstandig voortbestaan zoo gebiedend noodig; dat Frankrijk ze
voortdurend met geld en troepen moest ondersteunen en dat de Eerste
Consul, tuk op eigen grootheid en macht, niet verkoos Italië die eenheid en
kracht te schenken, die het zou gehad hebben, wanneer het gansche land
onder het huis van Savoye was gebracht.

Engeland alleen met William Pitt zijn oppermachtigen eersten minister aan
de spits, volhardde nog in zijn haat tegen de Republiek doch had zijn
bondgenooten verloren. Het einde van den strijd tegen de coalitie had
Bonaparte niet afgewacht om een aanvang te maken met de radicale
verbetering van Frankrijks inwendigen toestand. Op de gevolgen der nieuwe
regeling van de geldmiddelen wezen wij reeds. Thans kwamen handel en
industrie dus in de eerste plaats de gemeenschapsmiddelen, de groote wegen,
de kanalen en de bruggen aan de beurt. De laatste tien jaren was hieraan zoo
goed als niets gedaan. Het servituut van kosteloozen arbeid aan de wegen
was onder de Republiek afgeschaft, geld tot onderhoud was bijna niet
toegestaan; de gevolgen waren niet uitgebleven. Goed begaanbare wegen
bezat het land bijna niet meer; die er nog waren, werden door de chouans in
Bretagne, door talrijke rooverbenden in ’t zuiden en in de Vendée onveilig
gemaakt.

Page 224

Op de begrooting voor 1801 bracht de Eerste Consul dus terstond twaalf
millioen francs uitsluitend voor het herstel der hoofdwegen; die naar de
grenzen zooals naar Lille, Straatsburg, Marseille, Bordeaux en Brest waren
het eerst aan de beurt. De weg over den Simplon, de korste verbinding met
Italië, werd onder handen genomen en tot een prachtigen weg gemaakt. Op
den Mont Cenis kwam een klooster in denzelfden geest als dat op den St.
Bernhard. Dan werd het werk aan het kanaal van Saint-Quentin, de
verbinding tusschen de Somme en de Oise, waaraan in langen tijd niets was
gedaan, evenals aan dat van de Ourcq met kracht hervat en Frankrijk dus
door een waterweg met België verbonden. Voorts ontving Chaptal last een
ontwerp samen te stellen tot hervorming van het openbare onderwijs met een
grondslag van zes duizend studiebeurzen tot vorming van onderwijzers en
werd bij decreet van 4 Maart 1801 de opening eener tentoonstelling van
voortbrengselen der nationale nijverheid bepaald.

Een niet minder gewichtige arbeid, het ontwerp van het Burgerlijk Wetboek,
samengesteld door een schaar rechtsgeleerden als Tronchet, Portalis en
anderen werd in diezelfde dagen getoetst aan het oordeel der rechtbanken
van appèl en van het hof van cassatie. Dat Bonaparte zelf aan dit ontwerp
heeft medegewerkt, dat hij de schrijver er van is, zooals zijn vleiers vaak
hebben beweerd, is onwaar; het geheel was een resumé van het werk der
Constituante en der Conventie, dat beoordeeld en gewijzigd door Frankrijks
schranderste juristen eerst daarna in den Raad van State werd gebracht om
hier den eindvorm te krijgen; wel komt hem ten volle de eer toe, dat hij niet
alleen dit wetboek, later naar hem Code Napoleon genoemd, maar nog tal
van andere hoofdwetten op het gebied van koophandel, publiek recht enz.
aan de natie geschonken en hierdoor aan de sinds eeuwen heerschende
wetteloosheid en willekeur voor goed een einde gemaakt heeft.

Een niet minder groote weldaad bewees hij aan het land door de afschaffing
van de wet op de émigrés, dat jammerlijke product van woede en
vertwijfeling uit de donkerste dagen der omwenteling, dat meer
onschuldigen dan schuldigen had getroffen, de afwezigen had gelijkgesteld
met iemand, die de wapenen had opgevat tegen de Conventie en door het
Directoire gehandhaafd en vaak genoeg gebezigd was tegen zijn
persoonlijke vijanden. Van de later gevolgde amnestie bleven alleen

Page 225

uitgesloten de personen, die tegen Frankrijk de wapenen hadden gedragen,
bij de uitgeweken prinsen een betrekking bekleed of titels en graden van
vreemde mogendheden aangenomen hadden zonder machtiging van het
gouvernement.

De tegenwoordige eigenaars van gronden, indertijd door den staat als
nationaal goed aan hen verkocht, werden tevens opnieuw in hun bezit
bevestigd; de kleine landbouwer, die voor zijn zuurverdiende
spaarpenningen voorheen een lapje grond had gekocht, behoefde dus niet
langer vrees te koesteren, dat dit hem bij de terugkomst zijner vroegere
meesters kon worden ontnomen. De gevolgen van dezen maatregel voor
Bonaparte zelf waren bijna onberekenbaar; niet de sympathie, de liefde van
één enkele partij, die van de gansche bevolking ten platten lande veroverde
hij hierdoor stormenderhand; voor al die eenvoudige lieden, bij wie het bezit
van hof en haard vaak gaat boven dat van vrouw en kind was hij, de soldaat,
eensklaps geworden de man uit het volk, l’Homme, de strijder voor het recht,
voor hun eigendom. Terecht kon hij, die nooit tot eenige partij had behoord
in die dagen zeggen, dat zijn partij thans was de gansche natie. Nog
krachtiger openbaarde zich de sympathie, toen hij stappen deed om de
geestelijken de vrije uitoefening hunner kerkplichten terug te bezorgen en
den eenvoudigen, doch zeer menschkundigen abt Bernier, die reeds in de
Vendée zooveel had bijgedragen tot de demping van het oproer aldaar,
opdroeg met kardinaal Spina, den afgezant van den Heiligen Stoel te Parijs,
te beraadslagen over de middelen, die tot een verzoening met den Paus
konden leiden. Uitgaande van het beginsel, dat een ieder vrij moest zijn om
“zondag” te houden, wanneer hij dit verkoos, verbood hij de plaatselijke
autoriteiten hiertegen op te treden; alleen voor rijksambtenaren bleef de
bepaling, dat de decade de officieele rustdag was voorloopig nog van kracht.

Bij de schending der koninklijke graven te Saint-Denis door het grauw, was
het stoffelijk overschot van Turenne teruggevonden en tijdelijk overgebracht
naar een vertrek in den Plantentuin. Thans deed Bonaparte het met
indrukwekkende plechtigheid bijzetten in de koepelkerk van het hôtel der
Invaliden; den dag daarop legde hij den eersten steen voor een
gedenkteeken, gewijd aan de nagedachtenis van zijn krijgsmakkers Desaix
en Kléber, beiden op één dag gevallen, de eerste bij Marengo, de laatste in

Page 226

Egypte onder den dolk van een sluipmoordenaar. Reeds vroeger had hij aan
Washington, den bevrijder van Noord-Amerika, openbare hulde doen
brengen.

Fontainebleau.

Hoewel Bonaparte’s tegenstanders in dit alles slechts een middel zagen, door
hem tot eigen grootheid aangewend, oefenden deze plechtigheden op de
Parijsche bevolking in ’t algemeen een weldadigen invloed uit. Een bewijs
uit vele. Den avond der Turenne-vereering werd er in de schouwburg een
gratis-voorstelling gegeven, waarbij hij tegenwoordig was. De zaal was
eivol, toch liep alles in de beste orde af; slechts nu en dan werd de stilte door
een daverend: “Leve de Republiek! Leve generaal Bonaparte” verbroken.

Bijna onbegrijpelijk is ’t, dat, terwijl hij dus alle middelen aanwendde om
Frankrijk de zoo lang en vurig verbeide rust, welvaart en vrede terug te
geven, terwijl hij niets onbeproefd liet om handel en nijverheid, landbouw en

Page 227

veeteelt aan te moedigen, terwijl hij kunsten en wetenschappen beschermde,
tot verbetering van het onderwijs ingrijpende maatregelen nam, aan het
geloofsleven van negen tiende der natie tegemoet kwam en eindelijk door
een uitgebreide amnestie voor misdrijven tegen den staat Frankrijk om zoo
te zeggen aan de uitgewekenen had teruggegeven, er toch telkens weder
personen werden gevonden, laaghartig genoeg om hem naar het leven te
staan.

De samenzwering van Arena, Ceracchi en eenige andere republikeinsche
heethoofden in October 1800 kunnen wij stilzwijgend voorbijgaan; ze kwam
niet tot uitvoering; anders was het met die van 24 December d. a. v.

In den schouwburg zou “die Schöpfung” van Haydn voor de eerste maal met
groot koor ten gehoore worden gebracht; hoewel hij door Fouché was
gewaarschuwd, dat er geruchten liepen van een nieuwen aanslag op zijn
leven, had Bonaparte zich door Hortense, die dweepte met muziek, laten
overhalen deze uitvoering bij te wonen.

Begeleid door zijn gewoon piket garde te paard reed hij met Bessières en
zijn adjudant van dienst, in één rijtuig dus, om acht uur naar de opera, toen
het rijtuig aan den ingang van de nauwe, bochtige rue St. Nicaise een oud,
met een hit bespannen karretje ontmoette, dat den weg half versperde; een
tevens uit de rue de Malte komende fiacre zou dezen weldra geheel hebben
verstopt. Een der grenadiers te paard, die vijf en twintig pas vooruit was, zag
dit, dreigde den koetsier van de fiacre als hij niet in galop doorreed, gooide
een man, die voor den hit stond tegen den muur, gaf den hit zelf een klap, dat
hij op zijde sprong en maakte dus in een oogwenk ruim baan, zoodat
Bonaparte’s koetsier, die de zweep over de paarden legde, in volle vaart kon
doorrijden. Deze snelheid redde Bonaparte het leven. Nog geen twintig pas
was het rijtuig in de rue de la Loi (thans rue Richelieu), toen een ontzettende
knal de lucht deed daveren. Een op genoemd karretje geladen helsche
machine was ontploft. Ruim honderd dooden en gekwetsten lagen in de rue
St. Nicaise onder het puin van eenige ingestorte huizen begraven; Bonaparte
en zijn escorte waren ongedeerd gebleven. Ook de dames, die thuis door het
zoeken naar een sjaal eenige minuten opgehouden en met Rapp een anderen
weg gevolgd waren, hadden geen letsel bekomen.

Page 228

“Die schelmen hebben mij in de lucht willen doen vliegen” zei Bonaparte
koeltjes, doch Joséphine, in de loge gekomen, was te diep ontroerd om haar
tranen te kunnen verbergen; ondanks het stormachtig huldebetoon, dat op de
bekendmaking van den aanslag volgde, was zij niet tot blijven te bewegen.
Bonaparte keerde met haar naar huis terug. Hier brak zijn toorn los.—“Dit
was niet het werk van de chouans, de priesters of de émigrés! In dit
schelmstuk hadden de Jacobijnen, de moordenaars van 1792, de
Septembriseurs de hand gehad. Die alleen waren tot zoo iets in staat”
bulderde hij.

Wel trachtte Fouché hem tot andere gedachten te brengen, doch hij kon niet
gelooven, dat de royalisten, dezelfde personen dus, die hij kort te voren met
gunsten overladen had, hem thans naar het leven hadden gestaan; Fouché
kon het bewijs niet leveren; dus—moesten de daders worden gezocht bij de
koningsmoorders, de Jacobijnen, die hij, Fouché, beweerde Bonaparte, uit
vroegere relatie had ontzien en gespaard.

Een gevolg van deze redeneering was, dat honderd en dertig personen, die
zich onder het schrikbewind door hun heftige taal en gedragingen hadden
doen kennen, zonder dat er van hun medeplichtigheid aan den aanslag iets
was gebleken, bijna zonder vorm van proces werden verbannen, “als
gevaarlijk voor de veiligheid van den staat,” dat het proces tegen Arena en
Ceracchi c. s. krachtig werd doorgezet om voor de vier hoofdschuldigen te
eindigen met een doodvonnis (31 Januari 1801) en dat Bonaparte zijn
vertrouwen op Fouché begon te verminderen. Dat de man talent bezat,
vooral in politiezaken zijn weerga zocht, hem den 18en Brumaire en daarna
tot demping van het oproer groote diensten had bewezen, erkende hij, maar
dat hij van den laatsten aanslag onkundig was gebleven kon hij niet
vergeten; hij dacht erover hem zijn ontslag te geven; dat Joséphine en de
Bourrienne partij voor hem trokken, wekte zijn wrevel zelfs in zoo hooge
mate op, dat hij in bijzijn van de eerste op zekeren avond tegen Laplace en
Girardin zei: “Een rijk waar de vrouwen de staatszaken regelen is verloren.
Frankrijk viel door de koningin. Let op Spanje; ook daar regeert de koningin.
Als mijn vrouw iets mocht willen, zou dit voor mij voldoende zijn om juist
het tegenovergestelde te doen.” Joséphine was dus gewaarschuwd.

Page 229

Had Jozef zich in die dagen te Parijs bevonden, dan was Fouché terstond
gevallen, want niet alleen Jozef, doch Elisa, Lucien en de gansche aanhang
van die drie, met Roederer en Fontanes aan het hoofd, waren zijn vijanden.
Zoo fel waren die op hem gebeten, dat het brieven en beschuldigingen
regende en dat Roederer aan Joséphine zelfs dorst toevoegen, dat zoolang zij
haar minister van Politie behield, niemand zijn leven meer zeker was en dat
allen gevaar liepen binnen een paar maanden te worden vermoord. Wel
diende Joséphine, onvoorzichtig genoeg, hem ter dege van repliek, doch het
woord was gesproken. De oorzaak van dien haat lag niet zoozeer in Fouché’s
verleden als in de houding na Brumaire door hem aangenomen tegenover
Lucien. Deze jonge minister, die, wars van elken gezetten arbeid, de
behandeling der zaken van zijn ministerie zoo goed als geheel overliet aan
zijn ondergeschikten en belangrijke stukken vaak niet eens zelf
onderteekende, maar evenals Jozef steeds uit was op het verkrijgen van
herediteitsrechten, was na den dood zijner lieftallige gade (14 Mei 1800) in
deze richting nog verder gegaan; hij had zich, door zijn omgeving slecht
geraden, opgeworpen tot leider van de publieke opinie en was begonnen
rechtstreeks aan te sturen op een groote anti-revolutionnaire, katholieke,
monarchale reactie; in September had hij als lofredenaar van Turenne zelfs
de nadering van “een Grootsche Eeuw” aangekondigd en besloten met de
woorden, dat het republikeinsche Frankrijk zijn grootsche bestemming
eerlang vervuld zou zien.

Had hij het hierbij gelaten, dan was, zijn jeugdigen leeftijd in aanmerking
genomen, dit gebazel hem nog wel te vergeven geweest, doch geen maand
later had hij aan alle prefecten en verdere onderhoorige ambtenaren onder
persoonlijk couvert, een vlugschrift van zijn hand doen toekomen, getiteld:
Parallel tusschen Cesar, Cromwell en Bonaparte. Het vraagstuk der
herediteit had hij daarin sterker dan ooit op den voorgrond gebracht, terwijl
het slot een scherpe insinuatie inhield aan het adres der Fransche
legerbevelhebbers.

Met deze brochure had Fouché, als republikein o. a. een vijand van alle
herediteit bij den regeerder, als zijnde monarchaal, zich naar Bonaparte
begeven, hem gewezen op den slechten indruk, dien ze op het publiek zou
maken, zoo kort na den aanslag van Arena, welke toch al voor een politieke

Page 230

manoeuvre van het gouvernement werd gehouden en hem overtuigd, dat hij
door een dergelijk geschrift wel verdacht gemaakt, niet gediend kon worden.

Lucien, zich moetende verantwoorden, had het geducht aan den stok
gekregen met Fouché, hem overladen met verwijten over zijn vroeger gedrag
als lid der Conventie en daarop allerlei liefelijkheden moeten slikken over
eigen braspartijen met actrices, zijn knevelarijen en zijn liederlijk gedrag.

Doodbedaard had Bonaparte de heeren die zaak laten uitvechten en toen
erkend, dat de brochure wel zijn eigen denkbeelden weergaf, maar dat het
slot ervan gekkenwerk was; toch zou hij zijn broeder ten slotte nog hebben
gehandhaafd, indien Moreau zich niet ernstig was komen beklagen over de
beleediging het leger door Lucien aangedaan en wanneer niet reeds lang tal
van feiten hadden bewezen, dat Lucien zijn vriendjes den baas liet spelen op
zijn ministerie om te stelen en te rooven naar hartelust. Ook Joséphine had
een handje helpen duwen; doodsbenauwd voor dat herediteitsbeginsel, zoo
zwanger van monarchale ideeën, terwijl ondanks alle badkuren en
kunstmiddelen van dokter Corvisart van een zwangerschap voor haar geen
sprake meer was en een echtscheiding haar dus stond te wachten, had zij
zich bij Bonaparte op schoot gezet en had hem haar en wangen gestreeld.
“Toe Bonaparte, maak je niet tot koning; die gemeene Lucien drijft je er toe,
doch laat hem praten.”

Na een zeer heftig en pijnlijk tooneel tusschen de twee broeders, had Lucien
daarop als minister zijn ontslag gekregen, was op een kolossaal tractement,
met de kans op een aantal millioenen in de toekomst, benoemd tot gezant te
Madrid. (7 November 1800.)

Fouché was Lucien dus vijandig. Het vraagstuk van een opvolger had
Bonaparte daarop zelf wat meer van nabij bezien. Dat hij het recht moest
hebben zijn opvolger te benoemen, stond dadelijk bij hem vast; hij schoof
Jozef als te achteloos en voor zaken ongeschikt op zijde, Lucien den
opposant en antimilitarist eveneens en vestigde de oogen op Louis. “Deze
bezat niet één der gebreken van zijn broers, doch wel al hun goede
hoedanigheden,” meende hij. Die zou hem dus opvolgen.

Page 231

Eerlijk, oprecht en vol plichtsgevoel was Louis zeker, maar overigens had
Bonaparte bezwaarlijk een slechter keuze kunnen doen, want diezelfde
steeds zwijgende, droefgeestige jonkman met zijn onbeduidend gezicht,
fletse oogen en sterke neiging tot afzondering, was niet alleen ziek, maar
verborg onder dit ziekelijke uiterlijk een groote mate van jaloersche
eigenliefde en een onstandvastigheid, die hem ongeschikt maakten voor
eenige regelmaat in zijn bestaan, terwijl lichte aanvallen van
vervolgingswaanzin hem nu en dan voerden tot daden, die verrassend valsch
en dubbelzinnig ook in de oogen van anderen, door hem zelf in vollen ernst
onberispelijk werden geacht.

Van dezen geestestoestand kende Bonaparte niets; meenende dat Louis’
melancholie en sentimenteele begrippen (een gevolg van zijn ziekte)
voortsproten uit invloeden van buiten, dat hij dus een tijdlang in een andere
omgeving verkeeren, reizen moest, in één woord “ontbolsterd” worden; hij
zond hem dus naar Duitschland.

Joséphine, die Louis evenmin begreep, wist nauwelijks wat haar man
voornemens was, of haar plan, dat Louis met haar dochter zou trouwen,
stond onherroepelijk bij haar vast. Dan kon er van echtscheiding geen sprake
meer zijn.

Hortense was ruim zestien en niet mooi maar zeer bevallig; zij danste
uitmuntend, teekende, zong, speelde piano en harp, deed aan belletrie en
was, zoolang ze niet ruw of norsch werd bejegend, zachtaardig en
meegaande; daarbij was zij nog altoos even doodelijk van haar moeder van
wie ze niet één harer gebreken zag. Om deze reden hield ze niet van haar
stiefvader. Iedereen zei, dat hij een groot veldheer was en een even talentvol
administrateur als geniaal bewindvoerder, dus moest zij dit wel gelooven;
misschien bewonderde zij hem hierin ook wel, doch in den dagelijkschen
omgang was hij vaak grof, somtijds ongemanierd en altijd despotisch; hij
bracht haar moeder aan ’t schreien, moest altijd op zijn wenken worden
bediend en liet iemand zelfs in zijn slaapkamer niet met rust; zoodoende
gevoelde zij voor hem niet de minste sympathie en was ze zelfs bang voor
haar stiefvader.

Page 232

Door haar huwelijk met hem had haar moeder in haar oog een mésalliance
begaan; voor haar, de dochter van een der aanzienlijkste edellieden van
Frankrijk, die het leven had gelaten voor zijn vorst, was slechts een wettige
regeering denkbaar, die der Bourbons; ook al door de bij madame Campan
ontvangen opvoeding gevoelde zij zich het beste thuis in de salons van den
ouden adel.

Een paar aanzoeken om haar hand had zij reeds afgewezen; een poging van
Duroc had evenmin succes gehad. Van ’t geen Joséphine over haar had
besloten, vernam zij voorloopig niets.

Terwijl Bonaparte de eerste dagen van 1801 o. a. bezigde met het zoeken
naar een plaatsvervanger voor Fouché, Joséphine haar plannen met Louis
begon uit te werken, Elisa, Jozef en Lucien met hun aanhang niets
onbeproefd lieten om Fouché ten val te brengen, was deze zelf onafgebroken
bezig met het zoeken naar het bewijs, dat niet de Jacobijnen, maar de
royalisten den aanslag van de rue St. Nicaise hadden gepleegd. Was eenmaal
dit bewijs geleverd, dan zou al het geïntrigeer van de familie en de royalisten
in den Raad van State tegen hem met één slag den nek zijn gebroken. Hij
vond het. Den laatsten Januari bracht hij het zelf naar Malmaison; niet alleen
Carbon en Saint-Rejan de hoofdschuldigen, had hij in handen, zelfs den
brief, waarin deze laatste aan Cadoudal zijn diep leedwezen betuigde, dat de
aanslag was mislukt.

Hij zegepraalde; zijn aanvallers zwegen. Door Bonaparte werd hij als
minister van Politie gehandhaafd. Wel ging hier en daar een stem op, dat hij
honderd dertig zijner makkers van voorheen, zonder verzet had laten
verbannen, doch de eigenaar van die stem vergat, dat Frankrijk in die dagen
nog een Augiasstal was, waarin een ferme zwaai met den bezem geen
weelde was. Juist dit zuiveringsproces heeft ten gevolge gehad, dat
Bonaparte zich twee jaar achtereen ongestoord heeft kunnen wijden aan zijn
taak, Frankrijk weder te maken tot een mogendheid van den eersten rang.
Een nieuwe stap in deze richting was het sluiten eener overeenkomst met
den paus tot herstel van de roomsch-katholieke kerk in Frankrijk. Het
overleg tusschen Bernier en kardinaal Spina had vruchten gedragen. Na
langdurig gehaspel was ’s pausen raadsman, de even sluwe als hebzuchtige,

Page 233

doch oogenschijnlijk zeer eenvoudige kardinaal Consalvi naar Parijs
gekomen om met Bonaparte persoonlijk te onderhandelen en kreeg van
dezen kort en bondig te verstaan, dat hij slechts enkele dagen tijd had om tot
een besluit te komen en dat, deze periode verstreken, de betrekkingen met
Rome onherroepelijk zouden worden afgebroken.

Dit hielp. Den 15en Juli 1801 kwam het verdrag tot stand, dat onder den
naam van Concordaat de verhouding regelde tusschen Kerk en Staat. De
Republiek werd hierbij verdeeld in tien aartsbisdommen en vijftig
bisdommen; een bezoldiging van staatswege trad in de plaats van het
voormalige grondbezit der geestelijkheid. Het gouvernement oefende
toezicht uit over den eeredienst en benoemde de aartsbisschoppen en
bisschoppen; uitsluitend van den paus ontvingen die dan de wijding.

Een staatskerk werd de roomsch-katholieke niet; hiermede zou aan de
aanspraken der andere eerediensten zijn te kort gedaan; dit zou in strijd
geweest zijn met de republikeinsche beginselen van gelijke rechten voor
allen. Ook van een schifting tusschen beëedigde of constitutioneele, niet
beëedigde of aan Rome trouw gebleven en gehuwde geestelijken had de
Eerste Consul niet willen hooren, hij had de vorming geëischt van een
volslagen nieuwe geestelijke instelling, die aan alle scheuring en
verdeeldheid een einde maakte en die de wijze en eerbiedwaardige priesters
van alle partijen zonder onderscheid samenbracht in één lichaam.
Persoonlijk had hij zich met zijn collega’s bereid verklaard de mis bij te
wonen; verder had hij zich tot niets willen verbinden.

Voor den inwendigen toestand van het land was de vrede van Lunéville een
zegen geweest; een deel der troepen kon nu gebezigd worden tot verdelging
der talrijke rooverbenden, die bijna alle wegen onveilig maakten en het vrije
verkeer en hiermede den binnenlandschen handel ernstig bedreigden;
fondsen waren vrij gevallen, die thans in werken des vredes o. a. voor het
afdoende herstel der wegen—alleen in 1802 acht en twintig millioen francs
—een bestemming vonden. Thans kon ook gezorgd worden voor het
blijvend voortbestaan van de prachtige bosschen, die de laatste tien jaren
verwaarloosd en slecht beheerd, van de bijl der houtdieven alom de sporen
droegen. Bij duizenden keerden de ontslagen soldaten naar hun haardsteden

Page 234

terug; de landbouw herleefde hierdoor geheel, vooral nu het wild, als herten
en wilde zwijnen grootendeels was uitgeroeid. In het zuiden begon het aantal
zijdeweverijen, tijdens de omwenteling tot twee duizend ingekrompen, reeds
te klimmen naar de zeven duizend. In één jaar steeg het cijfer van invoer van
325 op 417 millioen francs. Ongekend, reusachtig was het door den Eersten
Consul thans reeds bereikte resultaat; toch rustte hij niet. Wanneer rustte die
man ooit! Frankrijk had zoo goed als al zijn koloniën verloren; wilde het ook
als koloniale mogendheid zijn vroegere plaats hernemen, dan moest ook in
die richting met alle kracht gewerkt worden.

Reeds was de koning van Spanje bereid gevonden de provincie Louisiana,
eenmaal een Fransche kolonie, aan de golf van Mexico, aan de Republiek af
te staan; dan werden toebereidselen gemaakt om het zoo kostbare eiland Sint
Domingo terug te winnen, dat zich tijdens de Constituante onder den neger
generaal Toussaint-Louverture onafhankelijk verklaard had; voorts stelde
Bonaparte alles in het werk om het nu reeds zooveel maanden lang aan zich
zelf overgelaten leger in Egypte te hulp te komen. In de haven van Brest
werd hiertoe een eskader uitgerust; in Italië een legerkorps van 17000 man
bijeengebracht om te Otranto scheep te gaan, maar terwijl de groote man op
ieder ander gebied de zege weg droeg, op dat zijner koloniale politiek zag hij
de fortuin voortdurend tegen zich gekeerd.

Verschillende factoren werkten hiertoe samen. In de eerste plaats stond hij,
de heerscher over millioenen menschen volslagen machteloos tegenover de
elementen, n.l. den wind en de zee; dan verkeerde zijn marine nog in een
tijdperk van wording, had hij zijn vlagofficieren, eenmaal in volle zee, niet
meer onder zijn rechtstreeksche bevelen en waren verscheidene van die
heeren, hoe dapper overigens ook, niet berekend voor de taak, die hij hun
opdroeg; eindelijk voerde Engeland met zijn geweldige vloot bijna
onbeperkt heerschappij op den oceaan.

In de nu volgende twintig jaren heeft dit eilandenrijk op Napoleons leven,
denken en handelen zulk een reusachtigen invloed uitgeoefend, dat hierbij
eenige oogenblikken langer dient te worden stilgestaan.

Page 235

Page 236

Hoofdstuk XI.

Page 237

Engeland en de vrede van Amiens.

Onder leiding van den alvermogenden Pitt, voerde dit
land reeds acht jaar lang oorlog tegen Frankrijk op een
eigenaardige manier; soldaten bezigde het hiertoe niet,
alleen geld, krijgsvoorraad en mooie beloften; het
subsidieerde half Europa met Oostenrijk aan de spits
om de Republiek zoo mogelijk te verdelgen, haar in elk geval te verlagen tot
een mogendheid van den tweeden rang. Niet tegen de Republiek alleen trad
hij vijandig op, tegenover iedere mogendheid, welke een handelsvloot en
koloniën bezat. Den ganschen wereldhandel tot zich te trekken was hierbij
zijn doel. Het wilde beletten, dat Spanje de opbrengst zijner kostbare mijnen
in Mexico naar de Spaansche havens vervoerde met eigen schepen, dat
Frankrijk op dezelfde wijze zijn koloniale waren als koffie en suiker ontving,
dat Rusland, Zweden en Denemarken den voorraad hout en ijzer, voor hun
marine benoodigd, zelf aanvoerden. Het wilde als in 1793, een jaar van
misgewas, een geheel land kunnen uithongeren en zonder rechtstreeksche
blokkade een rijk kunnen houden buiten de gemeenschap met de zee; het
wilde om kort te gaan, den handel van geheel Europa te gronde richten ten
bate van zijn eigen kooplieden. Om met Albert Sorel te spreken “eischte het
voor zijn eigen koloniën het monopolie, doch den vrijen handel op die der
andere rijken, trachtte hier den sluikhandel, dien het op zijn eigen
grondgebied met alle macht te keer ging, door allerlei middelen te
organiseeren, onderdrukte minachtend de zwakkeren en voerde een heftigen
strijd met de sterkeren.”

“Het duldde niet, dat Frankrijk deelde in de heerschappij ter zee, koloniën
bezat en in den wereldhandel deelde, vandaar zijn onverbiddelijk verzet
tegen iedere combinatie, die Frankrijks kustgebied vergrootte en het dus
nieuwe wegen opende naar den oceaan; het duldde dus ook de bezetting van
Antwerpen door Frankrijk niet, want het verlangde den transitohandel naar

Page 238

Duitschland voor zich alleen. Reeds in 1777 had een agent uit Londen
geschreven, dat de Engelschen liever hun hemd van ’t lijf zouden verkoopen,
dan dat zij de Franschen de baas lieten worden in de Nederlanden.”

“Sinds 1714 had Engeland door koning George I in Europa zelf vasten voet
gekregen. George was keurvorst van Hannover; hoewel een zuiver
persoonlijk bezit, waarbij Engeland niet was betrokken, was dit
keurvorstendom toch een belemmering in de staatkunde geworden, want
ingeval van oorlog kon Frankrijk de hand er op leggen. Pruisen bovendien
haakte naar het bezit er van. Reeds in 1745 had de Fransche minister
d’Argenson aan Lodewijk XV geschreven, dat er alleen door middel van
Hannover iets van Engeland zou zijn te verkrijgen.”

“Bij het begin der Fransche Omwenteling had Engeland de Nederlanden
beschermd en er invloed op uitgeoefend. Hun vloten waren elkanders
mededingers; in hun handelsbelangen gingen zij niet, tegenover Europa wèl
samen. Ook Holland verkoos niet, dat de Schelde een Fransche of ook zelfs
maar een voor de schepen van alle natiën vrije rivier werd. Portugal was
weinig meer dan een Spanje bedreigende Engelsche kolonie in Europa. Italië
telde slechts mede als een zwakke broeder, wien men naar willekeur
bepalingen op handelsgebied kon voorschrijven. In de Middellandsche zee
betwistte Engeland den handel op de Levant aan Frankrijk; hier was zijn
macht even groot als die der Republiek en in de Oostzee trachtte het deze
den handel op Zweden en Denemarken te ontrukken. Met Rusland was zijn
vriendschap sinds den Noord-Amerikaanschen Vrijheidsoorlog zeer
verkoeld; de Czaar breidde zijn gebied uit aan de Zwarte Zee, begon Turkije
te bedreigen en zich een weg te banen naar de Middellandsche zee. Engeland
begon zijn invloed te doen gevoelen in Azië en hier koloniën te verwerven;
eerlang zou het dus daar optreden als Ruslands concurrent.”

“Ieder verbond, dat de Engelschen sloten, had dus twee doeleinden: hun
eigen heerschappij ter zee uit te breiden, die van Frankrijk te beperken, zoo
te mogelijk vernietigen.”

Zooals licht is te begrijpen, kwam de oorlogstoestand hun hierbij uitnemend
te stade. Dan onderzochten hun oorlogschepen elk vaartuig, dat zij onder
vreemde vlag ontmoetten en boorden het bij weigering in den grond; dan

Page 239

werd het door alle onzijdige natiën gehuldigde beginsel, dat behalve voor
oorlogscontrabande de vlag de lading dekte, voor hen een doode letter, dan
heerschten zij bijna onbeperkt op den oceaan.

Reeds langen tijd had hun optreden bij de neutrale mogendheden kwaad
bloed gezet. Zelfs Noord-Amerika was verbolgen, want de Engelschen
ontzagen zich niet de bemanning van Amerikaansche schepen
krijgsgevangen te maken onder voorwendsel, dat zij Engelsch onderdaan
waren. In December 1800 was een Ligue der Onzijdigen, gevormd door
Rusland, Zweden, Denemarken en Pruisen, begonnen, zich tegen dergelijke
onbeschaamdheden te wapenen. De havens van de Zwarte, de
Middellandsche en de Oostzee waren dientengevolge reeds voor de
Engelschen gesloten; toen Napels eveneens met de Republiek had vrede
gesloten (Maart 1801) werden ze alleen nog toegelaten in die van het
machtelooze Turkije en van Portugal.

Handig had de Eerste Consul van deze stemming partij getrokken. Pruisen
had hij gevleid en halve beloften gedaan om aldus in dit rijk een tegenwicht
te krijgen tegenover het openlijk door Engeland gesubsidieerde Oostenrijk.
Door de belofte van diens schoonzoon, den hertog van Parma, bij den vrede
van Lunéville te verheffen tot koning van Etrurië (Toscane) had hij Spanje’s
zwakken koning Karel IV overgehaald Portugals koning, zijn zwager,
desnoods door wapengeweld te dwingen zijn havens eveneens voor de
Engelschen te sluiten; door een reeks van beleefdheden en geschenken had
hij eindelijk den half waanzinnigen Paul I van Rusland van een vijand der
Republiek in een bewonderaar van zijn eigen persoon als staatsman en
veldheer weten te veranderen en zelfs de eerste grondslagen weten te leggen
tot een Fransch-Russisch verbond.

Om dit doel te bereiken had Napoleon zelfs den brief van Rostopchin, den
Russischen minister van buitenlandsche zaken zeer hoffelijk beantwoord en
er in toegestemd, tot herstel der goede verstandhouding, de integriteit van
het grondgebied van Napels, Beieren en Wurtemburg te waarborgen en den
koning van Sardinië op den troon te herstellen. Dat de brief meer op een
ukase dan op een dankbetuiging voor de teruggezonden krijgsgevangenen
geleek, was hij met stilzwijgen voorbijgegaan; Fouché had hij zelfs bevolen

Page 240

beslag te leggen op een brochure van een Pool, getiteld: “Geen hechte
duurzame vrede zonder Polens herstel.” Niets had hij onbeproefd gelaten om
Engeland te isoleeren.—“Eerst wanneer wij ook met Albion hebben
afgerekend, zal Frankrijk al de weldaden des vredes genieten,” had hij
gezegd tegen een deputatie uit het Wetgevend Lichaam, die hem met den
vrede van Lunéville kwam gelukwenschen. “Maar het gouvernement daar is
dol geworden en weet niet meer wat heilig is. Al de mogendheden van het
vaste land gezamenlijk zullen het tot rede moeten brengen.”

Dezen weg ging het reeds op; de Ligue der Onzijdigen en de geduchte
maritieme maatregelen door Napoleon zelf te Brest, te Rochefort, in Spanje
en in Holland genomen, schijnbaar Ierland, Indië en Brazilië geldende, doch
feitelijk alleen ten doel hebbende het leger in Egypte te hulp te komen,
deden in Engeland ernstige ongerustheid ontstaan. Misgewas was daar in
diezelfde dagen oorzaak van een gruwelijken hongersnood; dan had Pitt in ’t
begin van Februari zijn ontslag genomen, omdat de nu en dan half
waanzinnige George III halsstarrig had geweigerd aan diens grootsche
plannen met Ierland1 mede te werken.

De bevolking in Engeland snakte dus naar vrede; ze leed honger, en alleen
een vrede kon tengevolge hebben, dat de schepen met graan uit het
buitenland de Engelsche havens weder inliepen. De oorlogspartij in het
parlement versaagde echter niet en nam den haar door het Noorden
toegeworpen handschoen zelfs blijmoedig op. Nelson voer naar de Oostzee,
liet zijn chef, den ouden admiraal Parker, die “op de donkere nachten en de
ijsvelden” daar volstrekt niet was gesteld, praten, verscheen den 2en April
met een eskader van twaalf schepen voor Kopenhagen, vernielde de
Deensche vloot, bevocht daar, onder zware verliezen, in vier uur tijd een
volkomen overwinning en bewerkte een wapenstilstand van veertien weken.

Gaarne had hij zich daarna tegen de Russische vloot gekeerd, die in de haven
van Reval ingevroren had gelegen; doch hiervan kwam niets. In den nacht
van den 24en Maart was de dolleman Paul I door graaf Pahlen, generaal
Bennigsen en eenige anderen in zijn paleis vermoord, volgens Talleyrand
“de in Rusland meest gebruikelijke manier van onttroonen.” Zijn zoon
Alexander was hem opgevolgd en had op aandrang van den koopmansstand

Page 241

en van zijn omgeving en uit haat tegen Bonaparte en de Fransche Republiek
met Engeland onderhandelingen geopend, en toen Duroc, met een
vertrouwelijke zending naar St. Petersburg vertrokken, hier aankwam, werd
juist tusschen de beide rijken vrede gesloten.

Toen Talleyrand met het bericht van Pauls gewelddadigen dood op
Malmaison verscheen, werd Bonaparte woedend. “Den 3en Nivôse hebben
de Engelschen mij te Parijs gemist, maar te St. Petersburg thans niet.” riep
hij; brutaalweg schreef hij daarop in den Moniteur: “Paul is vermoord in den
nacht van 24 Maart, het Engelsche eskader is den 31en de Sont gepasseerd.
De geschiedenis zal leeren welk verband er tusschen deze twee
gebeurtenissen bestaan kan.” Kort te voren had hij zijn gezant te St.
Petersburg doen kennen, dat hij uit vriendschap voor Rusland niet
ongenegen was iets te doen voor den koning van Sardinië, thans annexeerde
hij Piëmont oogenblikkelijk, doch antidateerde het hierop betrekking
hebbende decreet met tien dagen en gaf aan het nieuw verworven
grondgebied, zoogenaamd voorloopig, de administratie van een Fransch
departement.

Met den dood van Paul I en het bombardement van Kopenhagen was de
Ligue der Onzijdigen zoo goed als uiteengevallen. Als een bewijs, dat
Engeland toenadering zocht, liet het al de in zijn haven opgesloten neutrale
schepen vrij. Aangezien de wensch naar vrede bij de bevolking dagelijks
sterker werd, waren er door het ministerie Addington zelfs tegenover den
heer Otto, Frankrijks zaakgelastigde te Londen, reeds eenige voorbereidende
stappen gedaan,—de overwinning bij Hohenlinden en de vrede van
Lunéville hadden hierbij zeker een rol gespeeld;—maar van beide partijen
waren de eischen nog te hoog; terwijl te Londen werd gepraat over den
vrede, werd de krijg dus onverpoosd voortgezet. Zoo trok b.v. Leclerc in Mei
met een leger van 30.000 man over Spaansch grondgebied naar Portugal.
Godoy, bijgenaamd de vredevorst, een voormalig soldaat van de garde, thans
de amant van Spanje’s koningin en Spanje’s schier oppermachtig gebieder,
zou zich met 40.000 man bij hem aansluiten; plannen tot verdeeling van
Portugal tusschen Frankrijk, Spanje en Godoy waren reeds gemaakt, toen de
koning van Portugal aan al dit gekonkel en geknoei van Godoy een einde

Page 242

maakte en te Badajoz vrede verzocht nog voordat Leclerc handelend had
kunnen optreden.

Portugals havens werden voor de Engelschen gesloten; Frankrijk kreeg
vermeerdering van grondgebied in Guyana. Intusschen speelde Lucien, de
gezant te Madrid, bij dit alles de beste kaart. Het fortuin aan geschenken,
schilderijen en ruwe diamanten door hem verdiend, werd geschat op meer
dan dertig millioen francs. Veel degelijk werk leverde hij wel niet, maar de
positie van gezant en broeder van den Eersten Consul was van een financieel
standpunt bekeken in die dagen lang niet te versmaden. Wel was hij een
tijdlang quasi uit zijn humeur, omdat zijn broeder te Parijs zoo weinig naar
hem luisterde en het verdrag van Badajoz niet verkoos te teekenen, wel
dreigde hij zelfs met ontslagname en onverwijld vertrek uit Madrid, als
“zijn” tractaat niet werd aangenomen, doch bij dreigen bleef het tot het
November werd; toen keerde hij naar Parijs terug. Hij verlangde naar rust. In
Januari had hij met Spanje een bondgenootschap gesloten tegenover
Portugal, in Februari een conventie betreffende den opmarsch der troepen,
bestemd om Engeland en zijn koloniën aan te vallen; in Maart had hij het
reeds vijf maanden te voren door Alquier afgewerkte tractaat betreffende
Parma, Toscane en Louisiana nogmaals geteekend; eindelijk had hij in Juni
“het in diplomatieken zin vorm noch stijl bezittende” vredesverdrag vol
“onbegrijpelijke artikelen” te Badajoz met Portugal aangegaan, doch het
eerst na een reeks van wijzigingen in ’t laatst van September door Napoleon
bekrachtigd kunnen krijgen; ’t was heel wat! Dat hij na zulk een harden
arbeid te Parijs het prachtige hôtel de Brienne, eenmaal het eigendom der
Marbeufs, de beschermers zijner familie, uitkoos, het geheel liet restaureeren
en hier zijn gemak nam, was dus begrijpelijk! Dat hij op zijn nieuw
buitengoed le Plessis, groote wijzigingen liet aanbrengen eveneens. Hij had
er nu immers het geld voor!

Op le Plessis vond hij zijn zuster Elisa terug. Een maagkwaal, die eenige
jaren later evenals bij haar vader zou ontaarden in kanker, was oorzaak, dat
zij zeer stil moest leven. Fontanes, die wel wist wat hij deed, hield haar “als
vriend” trouw gezelschap, las en politiseerde met haar, verwierf zich
hiermede een aardig fortuin en hielp tevens zijn vriendjes in den zadel.

Page 243

Terwijl Lucien dus in Spanje zijn eigen beurs spekte, doch geen voet
verzette om het ongelukkige leger in Egypte van Cadix uit van krijgs- en
mondvoorraad te voorzien, was het brein van zijn broer met het lot van dat
leger bijna onafgebroken vervuld. De verovering van Egypte was zijn werk.
Het blijvend bezit van dit land vormde den grondslag van zijn verdere
plannen tegen Engeland in het Oosten; voor het sluiten van den vrede was
het vraagstuk, wie het zou bezitten, het grootste struikelblok. Door een
laatste geweldige krachtsinspanning wilde hij Albion dus stellen voor een
voldongen feit.

De omstandigheden waren hem echter niet gunstig. Reeds in Maart was een
Engelsch leger bij Aboukir geland; generaal Menou, na Klébers dood
opperbevelhebber geworden, doch voor zijn taak niet berekend en door zijn
onderbevelhebbers telkens bevit en tegengewerkt, had verkeerde
maatregelen genomen en was bij Heliopolis geslagen; in Mei waren Rosette
en Ramanieh verloren gegaan; ten slotte bleven alleen Caïro en Alexandrië
in Fransche handen. Toen de admiraal Ganteaume, die reeds tweemaal een
echec had geleden, bevel ontving in de haven van Derne op de kust van
Afrika een landingsleger aan wal te zetten en terwijl de admiraals Bruyx,
Dumanoir en Linois zich te Cadix vereenigden en eveneens koers naar
Egypte zouden zetten, was, rekening houdende met de machtige Engelsche
vloot in de Middellandsche Zee, het resultaat van dit stoute ondernemen,
reeds te voorzien.

Behalve bij Algesiras tegenover Cadix, waar Linois eenig succes behaalde,
was de fortuin de Fransche zeemacht ongunstig; Ganteaume kon bij Derne
slechts een paar honderd man aan wal zetten en moest toen wijken voor een
vijandelijk eskader. Ook deze expeditie mislukte dus.

Toen greep de Eerste Consul het oude plan van het Directoire om Engeland
met een groot landingsleger rechtstreeks aan te vallen, weder op. Al de
havenplaatsen langs het Kanaal werden met Boulogne als middelpunt een
tooneel van ongekende bedrijvigheid. Dag en nacht werd gewerkt aan den
bouw van honderden schepen, licht en toch voldoende zeewaardig om met
troepen en zwaar geschut aan boord het Kanaal te kunnen oversteken. Van
Duinkerken naar Brest werd de geheele kuststrook één reusachtig

Page 244

legerkamp, waarin binnen enkele weken een krijgsmacht van bijna 100.000
krijgers werd samengebracht, om hier ook in zeilen, roeien en ander
zeemanswerk te worden geoefend. Wel noemde Nelson het gansche plan
dollemanswerk, maar beproefde niettemin tot tweemaal toe een landing om
die oorlogsbodems te vernielen. Tot tweemaal toe leed hij een echec en
moest zich verder bepalen tot een onverpoosde waarneming der Fransche
kust.

De onrust, door al die dreigende krijgstoerustingen onder de bevolking in
Engeland verwekt, de bij deze aanhoudend sterker wordende drang naar het
einde van een oorlog, die nu reeds tien jaar duurde en Engeland hoe langer
hoe meer van het vasteland isoleerde, de begeerte naar vrede, die in weerwil
van zijn snoevend en hooghartig optreden in die dagen toch werkelijk bij
Bonaparte aanwezig was, gevoegd bij tal van drijfveeren van moreelen aard
bij beide partijen, waren ten slotte oorzaak, dat er tusschen de twee
kabinetten meer overeenstemming ontstond en dat den 1en October 1801 tot
groote vreugde van beide natiën de vredespreliminairen te Londen werden
geteekend.

Hoogst belangrijk waren de voorwaarden. Met uitzondering van Trinidad en
de voorheen Hollandsche bezittingen op Ceylon gaf Engeland o. a. aan de
Fransche Republiek en haar bondgenooten al de in den loop des oorlogs
veroverde koloniën terug. Egypte zou weder aan Turkije, Malta aan de
Maltezer Ridders komen. Portugals grondgebied zou onschendbaar zijn, dat
van Rome en Napels door de Franschen, terwijl de eilanden en havens aan
de Middellandsche en Adriatische zee door de Engelschen ontruimd zouden
worden.

Over de rechten der Onzijdigen, over Piëmont, Genua en Toscane alsmede
over de moeilijkheden op handelsgebied, vraagstukken, die eenmaal onder
handen genomen, ieder voor zich reeds tot een nieuwen oorlog konden
leiden, werd wijselijk niet gerept. Men wilde vrede.

Bonaparte had Frankrijk tegenover het buitenland dus gevoerd naar een
standpunt, tot heden ongekend. Reusachtig, overweldigend waren zijn
invloed en zijn macht geworden. België en Savoye hadden zich bijna
vrijwillig aan hem onderworpen; de Rijnprovinciën, te voren reeds tamelijk

Page 245

los van Duitschland, hadden tegen hun inlijving weinig bezwaar gemaakt; de
Alpen en de Rijn vormden thans Frankrijks natuurlijke grenzen.

Alleen in ’t binnenland liet de toestand nog veel te wenschen over, doch
Bonaparte twijfelde niet of ook hier zou hij weldra zijn wat hij van half
Europa reeds was, de oppermachtige gebieder, die geen ander gezag naast
zich duldde. Hij sprak deze gedachte niet uit en liet zelfs zijn naaste
omgeving betreffende zijn bedoelingen in ’t onzekere, maar zijn tijdens de
vredesonderhandelingen bij herhaling gebezigde uitdrukking, als Engeland
een nieuwe coalitie begon: een tweede geschiedenis te zullen leveren van
Rome’s grootheid, verried wat er in hem omging. Lafayette had hem
doorzien. Toen hij hem voor zijn bevrijding uit de gevangenis te Olmütz
kwam bedanken, had hij o. a. gezegd: “Uw gansche streven is alleen het
fleschje met heilige olie (de zalving) boven uw kruin te laten breken.”

Men had mogen verwachten, dat Bonaparte na het reusachtige succes in de
twee laatste jaren verkregen, thans eenige rust nemen en van het
vredestijdperk gebruik maken zou om al de werken, die den welvaart van het
land moesten bevorderen doch nog in hun kindsheid waren, gelegenheid te
geven tot ontwikkeling te komen en dus de vruchten van zijn werk te zien
rijpen; van rust nemen was bij dien ijzeren man geen sprake.

Reeds was zijn brein vervuld met nieuwe plannen. Holland, Zwitserland,
Genua en de Cisalpijnsche republiek hadden de beginselen der omwenteling
omhelsd en in de hoop op hun toekomstige vrijheid de zwaarste lasten
geduldig gedragen; bij den vrede van Lunéville was hun onafhankelijkheid
benevens de vrijheid om den regeeringsvorm te kiezen, die hun de meest
gewenschte scheen, door beide partijen gewaarborgd, niettemin was hij
reeds begonnen zijn invloed op die keuze krachtig te doen gelden. Op
Fransche leest moesten die weerlooze staatjes worden geschoeid. Fransch
moesten ze worden. Of Oostenrijk, of Europa hiermede genoegen zou
nemen, of hieruit niet een nieuwe oorlog kon voortkomen, vroeg hij niet. De
omwentelingsgezinde partij, de partij der vrijheid werd in die staatjes

Page 246

onderdrukt, beweerde hij niet geheel ten onrechte. Voor zijn persoonlijke
inmenging vond hij dit ruim voldoende.

Dan moest Frankrijk weder een koloniale mogendheid van den eersten rang
worden. Egypte was verloren gegaan. Sint Domingo zou dit verlies goed
maken. Sinds den vrede van Rijswijk (1697) een Fransche kolonie, de parel
der Antillen, had dit eiland met zijn achthonderd suiker- en katoen-, drie
duizend indigo- en koffieplantages tot in het begin der omwenteling jaarlijks
gemiddeld 280 millioen francs naar Frankrijk doen stroomen. Aan een
opstand onder de zwarten, die hoofdzakelijk door wanbeheer en
mishandeling was ontstaan en aan een massa blanken het leven had gekost,
had de neger Toussaint-Louverture een einde gemaakt en als generaal de
teugels van het bewind in handen genomen en het eiland vrij verklaard onder
protectoraat van Frankrijk. Thans zou een expeditie onder Leclerc het eiland
weder onder Fransch gezag terugbrengen. Dat Joséphine en haar creoolsche
vrienden, de planters, die te Parijs hulp waren gaan vragen tegen de zwarten
en steen en been klaagden over het verlies hunner eigendommen, op dit
besluit invloed hadden uitgeoefend, is even aannemelijk als dat Bonaparte in
de herovering van het eiland een prachtige gelegenheid heeft gezien om zijn
zwager en zijn zuster Pauline een kolossaal fortuin en een schitterende
positie te bezorgen. Van de gunsten, waarmede de fortuin voor de andere
familieleden zoo kwistig was geweest, hadden die twee tot nog toe zeer
weinig genoten.

Met graagte aanvaardde Pauline het voorstel om haar man te vergezellen.
Ook bij het leger was met den vrede werkeloosheid in het verschiet en
daarom de zucht om aan de expeditie deel te nemen en ginds fortuin te
maken buitengewoon groot. Den 14en December stak de admiraal Villaret
met een landingsleger van ruim 20.000 man en tal van particuliere
belanghebbenden uit Brest in zee. Engeland opperde niet alleen geen
bezwaren van beteekenis, maar achtte dien tocht zelfs in zijn eigen belang,
omdat het daarin een krachtig middel zag tegen de uitbreiding van de
emancipatie der negers2 in zijn eigen koloniën.

Voor het slagen dezer expeditie hadden de maritieme toebereidselen echter te
veel tijd gevorderd. Toussaint-Louverture was gewaarschuwd, dus op zijn

Page 247

hoede en geen licht, zelfs zeer zwaar werk wachtte Leclerc. Wel werden de
zwarten op verschillende plaatsen verslagen en werd de negergeneraal ten
slotte verplicht den vrede te vragen en zich naar Frankrijk te laten vervoeren,
maar toch mislukte de tocht. De gele koorts brak uit onder de troepen en
raapte duizenden soldaten weg en behalve Leclerc zelf ook bijna alle
generaals. Opnieuw kwamen de negers in opstand. Ten slotte keerde het
overschot der expeditie, 3000 van de 34000 naar Frankrijk terug (Januari
1803). Met deze Pauline en haar zoontje.

Het lange haar ten teeken van rouw kort afgesneden en tengevolge van haar
bevalling nog altoos lijdende aan een ziekte, welke in die dagen ongeneeslijk
werd geacht, die haar het gaan en reizen tot een foltering maakte en haar
weldra dwingen zou bijna altijd te liggen, voerde de diepbedroefde, twee en
twintigjarige weduwe het gebalsemde lijk van haar echtgenoot mede naar
Toulon om het op het landgoed Montgobert te doen bijzetten. Op St.
Domingo fortuin gemaakt, had zij stellig niet. Zonder Napoleons jaarlijksche
toelage van 60.000 francs zou zij door al ’t geen er nu te betalen viel, moeite
hebben gehad rond te komen en al was zij zuinig op gierig af, rekenen had
zij nooit geleerd. Al haar illusiën van grootheid en rijkdom waren in rook
verdwenen.

Het echec in de Antillen geleden, mocht zwaar wezen, bijna zonk het in ’t
niet naast het reusachtige succes, dat Bonaparte intusschen op staatkundig
gebied behaalde, niet met horten en stooten doch zeer geleidelijk om Europa
geen aanstoot te geven of bezorgd te maken, voordat de vrede met Engeland
definitief was geteekend. Aan de Bataafsche republiek schonk hij een
grondwet. In Zwitserland trad hij op als bemiddelaar. In Januari 1802 werd
hij door vierhonderd en vijftig afgevaardigden der Cisalpijnsche republiek,
die hiertoe opzettelijk te Lyon waren bijeengekomen, plechtig uitgenoodigd
het presidentschap van deze te aanvaarden en haar te herdoopen in de
Italiaansche. De invloedrijke Italiaan Melzi verkoos hij tot vice-president.
Daar te Lyon, halverwege Parijs en Milaan hield hij ook een revue over de
uit Egypte teruggekeerde krijgers en werd met geestdrift door hen begroet.

Page 248

Malmaison.

Daar hij aan Jozef, die de vredesonderhandelingen met Engeland te Amiens
zou leiden, uitdrukkelijk had doen te kennen geven, dat daarbij zoo min over
den koning van Sardinië als over den stadhouder in Holland en de vier reeds
genoemde republieken mocht worden gerept en de stelselmatige uitsluiting
dezer netelige punten bij Engeland instemming had gevonden, was de lijst
der geschilpunten aanmerkelijk ingekrompen. Eindelijk den 25en Maart 1802
werd te Amiens de vrede geteekend, die aan een oorlog van tien jaar een
einde maakte en een der gewichtigste gebeurtenissen is uit het begin der
negentiende eeuw. De preliminairen van Londen vormden den grondslag er
van. Onder de garantie van den czaar zou de Maltezer ridderschap op Malta
hersteld en de Engelsche bezetting teruggezonden worden. Ook uit Egypte
zou Engeland zijn troepen terugroepen.

Werd de vredebode in Frankrijk met gejuich begroet, in Engeland voerde die
de bevolking letterlijk tot een soort van razernij. Een daverend Bonaparte for

Page 249

ever klonk in Londens straten uit boven de nationale liederen. Peace with
France prijkte met groote letters op alle voertuigen en toen de kolonel
Lauriston, adjudant van Bonaparte, de tractaten kwam uitwisselen, spande
het volk zijn paarden uit en trok zijn galakoets zelf verder naar zijn hotel,
want ’t was vrede. Nu werden de havens weder geopend, kon er graan
worden aangevoerd. De handel en het verkeer zouden herleven; de vrees
voor hongersnood was verdwenen. Duizenden Engelschen staken het Kanaal
over om een bezoek te brengen aan “dat land van barbaren en
koningsmoordenaars” doch in de eerste plaats om dien generaal, dien
Bonaparte te zien, dien ze ginds nog slechts kenden door spotprenten en
schotschriften en—door den geweldigen roep, die van hem uitging.

Niet om den hartstochtelijken wensch van de meerderheid der natie, wel om
hun eigen eerzucht en een kliek kooplui te bevredigen, die uitsluitend hun
handelsbelangen op ’t oog hadden en voordeel trokken uit den
oorlogstoestand, zullen de britsche ministers dien vrede reeds het volgende
jaar verbreken, Frankrijk opnieuw den oorlog aandoen en dezen niet
eindigen, voordat Napoleon is verpletterd.

Ook de staatsman Fox, het beroemde hoofd der oppositie in het Lagerhuis,
de mededinger van Pitt, kwam naar Parijs om met Bonaparte kennis te
maken en bouwstoffen te verzamelen voor een werk over de laatste twee
Stuarts. Bonaparte schoof alle etiquette voor hem ter zijde, ontving hem
herhaalde malen als een vriend in zijn huiselijken kring, gaf bevel al de
staatsarchieven voor hem open te leggen en deed hem, den bijna
zestigjarigen staatsman, die nog zooveel edele droombeelden koesterde,
vaak versteld staan over de stoutheid zijner plannen voor de toekomst, die
hij zeer weinig bemantelde. Gansch Parijs liet hij hem zien, ook een juist in
die dagen weder geopende tentoonstelling van nijverheid, de tweede na de
omwenteling; vaak gevoelde hij zich gestreeld door de onverholen teekenen
van verbazing door zijn gast gegeven, over zooveel vooruitgang in dat
bedrijf.

De mannen scheidden in vriendschap als twee groote figuren, die elkander
hadden leeren hoogachten.

Page 250

Waren de natiën dus verheugd over den vrede, Bonaparte zeker niet minder.
Met dagelijks klimmende onrust had hij den loop der onderhandelingen
gevolgd; bij herhaling had hij Jozef doen weten, dat hij toe moest geven op
alle ondergeschikte punten, die vertraging konden doen ontstaan; aan de
koeriers tusschen Parijs en Amiens had hij zelfs premiën beloofd, als zij
spoed maakten. Zoo handelde geen man, die zooals vaak nog heden wordt
beweerd den oorlog zocht tot elken prijs. Neen, niet naar oorlog, naar vrede,
naar een langdurigen algemeenen vrede verlangde hij in die dagen; dat hij dit
doel niet heeft bereikt, dat de vredestoestand reeds in 1803 weder werd
verbroken, mag niet aan hem worden geweten, maar Engeland is, herhalen
wij, in hoofdzaak de schuld er van, zooals de door geheel Europa
overgenomen legende van Napoleons ziekelijke behoefte aan oorlogsdaden
met al haar afgrijselijke gevolgen haar ontstaan heeft te danken gehad aan
Talleyrand.

Jaren lang (tot ver in 1807) had deze man, die Napoleon in stilte fel haatte,
zoo goed als diens geheele staatkunde geleid, hem zelf, zooals zijn brieven
getuigen, voortdurend gewaarschuwd tegen de zoogenaamde moordplannen
der vorsten van Europa en der Pruisische generaals en aan diezelfde vorsten
na iedere nederlaag de voor hun eigenliefde meest vernederende brieven
geschreven.

Hoe had deze man—en zooveel anderen met hem—zich na dit alles in 1815
met opgeheven hoofd op ’t congres van Weenen durven vertoonen, indien hij
zich hier niet had voorgedaan als de zwakke, weerlooze, gebrekkige man,
die gedwongen was geweest de bevelen op te volgen van een bloeddorstig
monster?

Doch hierover later. Dezen even talentvollen als sluwen en steeds naar goud
dorstenden staatsman zullen wij vaak genoeg aan ’t werk zien.

Dat Bonaparte geleidelijk aanstuurde op het herstel van het éénhoofdige
gezag was in Frankrijk dus voor niemand een geheim meer en de natie en
bloc had geen bezwaar haar held, die haar orde, rust en vrede had gebracht,
hierin de vrije hand te geven. Wel echter de oppositie. Deze werd
hoofdzakelijk gevonden bij de groote staatslichamen bij het leger en dan bij

Page 251

het Instituut met zijn plannenmakers en godloochenaars uit de dagen van het
Directoire, de zoogenaamde “denkende hoofden.”

Reeds had het Tribunaat onder meer verworpen de zoo noodzakelijke wet op
de Openbare Schuld en de staatsdomeinen, op de speciale rechtbanken, een
uitvloeisel van den moordaanslag in de rue Saint Nicaise, zich in schampere
taal geuit en zich gestooten aan het woord “onderdaan,” voorkomende in het
tractaat met Rusland. Bonaparte was driftig geworden, had de opposanten in
den Raad van State uitgemaakt voor “ongedierte,” hieraan toegevoegd, dat
hij zich niet als Lodewijk XVI zou laten aanvallen, terwijl hij van zijn
gemoedsstemming in officieuse dagbladen liet blijken. Toen het Wetgevend
Lichaam met zijn overgroote meerderheid van wijsgeeren en oud-priesters
denzelfden weg begon te bewandelen als de Tribunen, toen ook de Senaat bij
de stemming over candidaten voor drie in dit college vrijgekomen zetels,
duidelijk blijk had gegeven van onwil en Bonaparte’s candidaten, drie oude,
verdienstelijke generaals, waren gevallen, had hij den 2en Januari al de reeds
ter behandeling gereed liggende wetsontwerpen, die de natie met zoo vurige
belangstelling verbeidde, teruggenomen. Het tijdstip was blijkbaar nog niet
aangebroken, waarop deze belangrijke zaken met de noodige kalmte en
eensgezindheid konden worden behandeld. Hierdoor had Napoleon het
Tribunaat en het Wetgevend Lichaam tot volslagen werkeloosheid gedoemd
en de natie doen zien aan wie de schuld lag, dat niet meer arbeid werd
verricht.

Intusschen had hij langdurig beraadslaagd met Cambacérès, doch vooral met
Lucien, met wien hij zich had verzoend; daarna had hij den Senaat gewezen
op artikel 38 der grondwet, welke voor het loopende jaar (X) de vervanging
gebood van het eerste één vijfde der twee andere staatslichamen, de verdere
regeling overgelaten aan zijn ambtgenoot en was naar Milaan vertrokken om
zich hier te laten uitroepen tot president der Italiaansche republiek.

Toen hij den laatsten Januari terugkwam, was over de hoofden der oppositie
in Tribunaat en Wetgevend Lichaam het vonnis reeds geveld. Twintig leden
van het eerste, zestig van het tweede waren niet bij loting doch bij keuze
zooals men het noemde “geëlimineerd,” ze zouden worden vervangen door
even zooveel anderen, die meer den geest van het gouvernement waren

Page 252

toegedaan. Carnot en Lucien kregen zoodoende in Maart een zetel in het
Tribunaat; terstond wierp de laatste zich weder op tot leidsman der openbare
meening.

“Ik ben een soldaat, een zoon der revolutie en zal me niet als een koning
laten beleedigen” had de Eerste Consul reeds een tijdlang te voren in den
Raad van State gezegd, thans had hij de oppositie zijn klauw laten voelen.

Waardiger, grooter zou hij zich getoond hebben, als hij die minderheid die òf
hem persoonlijk haatte òf hem alleen bestreed uit zucht tot oppositie
desnoods met een minachtend schouderophalen was voorbijgegaan, maar hij
was driftig en lichtgeraakt, duldde bijna geen tegenspraak en had voor
Frankrijks eer en grootheid alleen reeds meer gedaan, dan al “die babbelaars
en idéologen,” zooals hij ze noemde, te zamen. Eindelijk kende hij zijn
tegenstanders in het Tribunaat mogelijk te goed om niet te zien, dat, was zijn
houding een lijdzame en geduldige, deze hen stoutmoediger zou maken en
dat ze voor hem en de natie bepaald gevaarlijk konden worden als de
meerderheid in Senaat en Wetgevend Lichaam, wat niet volslagen
onmogelijk was, met hen één lijn begon te trekken en als ook een deel van
het leger zich in den strijd mengde.

Want ook hierbij en vooral onder de generaals, die met Moreau in
Duitschland hadden gediend, telde hij heel wat vijanden. Lannes en
Augereau waren reeds zoo brutaal geworden, dat de eerste van zijn
commando ontheven en als gezant naar Portugal gezonden was; Massena
was verwoed, dat hem het commando over het leger in Italië ontnomen en
aan Brune opgedragen was; over een huis had hij bovendien standjes met
Joséphine gehad. Gouvion St. Cyr en Macdonald waren wel beiden niet in
Parijs, doch staken hun vijandige gezindheid tegenover hem niet onder
stoelen of banken.

Moreau, een dapper soldaat, doch een karakterloos man, had zelfs reeds
openlijk tegen hem partij gekozen en werd in zijn haat gesterkt door zijn
vrouw, die jaloersch was op Joséphine en door zijn schoonmoeder, mevrouw
Hulot, evenals deze een creoolsche en reeds jaren met haar op voet van
oorlog.—Voor de oppositie was deze volbloed republikein, die zoo
belangeloos heette maar niettemin een rijk en prachtig hotel te Parijs zijn

Page 253

eigendom noemde, de aangewezen man om Bonaparte op te volgen, “als
deze toevallig een ongeluk mocht overkomen.”

Al die generaals misten echter een groot troepencommando; zij waren dus
niet zoo gevaarlijk als Bernadotte, die er wel een bezat, namelijk dat van
Rennes over de korpsen van ’t Westen. Door Jozefs invloed lid geworden
van den Raad van State (1800) had hij toen reeds sterk geïntrigeerd om òf in
Italië òf in de Bataafsche republiek òf te Parijs een groot commando machtig
te worden. Daarop had hij zich door zijn heftige taal tegen Leclerc, toen deze
op marsch naar Brest eenige uren te Rennes bij hem was, bij Bonaparte zoo
verdacht gemaakt, dat deze hem zijn commando ontnomen en naar Parijs
geroepen had. Weder in genade aangenomen, had hij (Januari 1802) bedankt
voor het kapitein-generaalschap over Guadeloupe en toen voor dat over
Louisana zooveel voorwaarden gesteld, dat Bonaparte hem had laten gaan en
generaal Victor hiervoor had aangewezen. Thans zat hij weder te Rennes bij
een grootendeels van het Rijnleger afkomstigen troep, die in geen drie jaar
soldij had gezien, waarbij telkens gevallen van grof verzet plaats vonden en
de desertie sterk toenam, bij een troep dus, die weinig meer noodig had om,
door mooie beloften en goud verlokt, zoodra Bonaparte was gevallen, over
te gaan tot een pronunciamento.

Prachtig voor het oog, was diens positie volstrekt niet.

Wie zal het bevreemden, dat hij zich wapende, zijn garde vergrootte en toen
hij den eersten Paaschdag ter eere der sluiting van het Concordaat in de
Nôtre Dame de hoogmis ging bijwonen, ook vier bataljons dier garde met de
bajonet op in de kerk deed opstellen. Had men hem het lot van Romulus niet
toegedacht? Bestond er geen komplot om hem onder de mis te vermoorden?
—Dat Bernadotte hiervan wist, staat vast. Jozef ook? Zou zijn zwager hem
niet hebben gewaarschuwd? In elk geval bedankte de man, die bij de
gesloten verdragen als onderhandelaar was opgetreden, voor de eer, om in de
kerk te gaan naast zijn broeder; hij bleef liever bij zijn collega’s van den
Raad van State.

De vier bataljons garde in de kerk maakten effect. Er gebeurde niets.

Page 254

Te Rennes gebeurde echter wèl iets. In afwachting van den loop der zaken te
Parijs, had generaal Simon, Bernadotte’s chef van den staf, in stilte twee
oproerige proclamaties doen drukken en had die per post verzonden (26
Mei). De politie kwam de samenzwering op ’t spoor en Simon en eenige
subalterne officieren werden opgepakt, doch Bernadotte ontsprong den dans.
Hij was even te voren met zijn vrouw naar Plombières vertrokken en wist,
zoo heette het, van den prins geen kwaad. Maar Bonaparte wist wèl. “Praat
me niet van dien schoft, die had den kogel verdiend,” zei hij tegen Rapp,
toen deze Bernadotte’s naam noemde.

Toch deed hij hem niet vervolgen; de ander was immers een zwager van
Jozef en de echtgenoot van Désirée Clary, de eertijds door hem versmade
geliefde en Bonaparte was nu eenmaal Corsicaan met een aangeboren sterk
familiezwak en met een onfeilbaar geheugen voor personen, die door hem
vroeger te kort waren gedaan en onder deze bekleedde de kleine Désirée
volgens hem een eerste plaats. Schonk hij haar later (1808) niet een van de
drie kostbare pelzen, welke keizer Alexander hem te Erfurt had aangeboden;
regelde hij niet zelf al de bijzonderheden van haar vertrek, toen haar man als
kroonprins naar Zweden was geroepen?

Juist die bij hem zoo sterk sprekende karaktertrek, zijn vaak onverklaarbare
verblindheid en zwakheid voor zijn naaste familieleden, zijn jarenlang
onverzettelijk vasthouden aan het geloof, dat zijn broeders even geniaal en
even bekwaam, ja zelfs genialer en bekwamer waren dan hij zelf, dat Lucien,
doch vooral Jozef een superieur man was en dat vooral die twee hem bij zijn
grootsche plannen met al hun krachten zouden terzijde staan, dat waar zij te
kort schoten geen onwil of kwade trouw doch alleen hun jeugd en hun
onervarenheid hiervan de schuld droegen, heeft hem geleid tot daden,
waarvoor ieder ander in zijn plaats zich zou hebben gewacht; eerst in 1810
had hij ingezien, dat zijn stelsel van familieregeering verderfelijk was
geweest.

In deze dagen was er nog in de familie Bonaparte een belangrijke
verandering voorgevallen, want het was Joséphine ten slotte gelukt, het reeds

Page 255

vermelde huwelijk tot stand te brengen van Bonaparte’s broer Louis en haar
dochter Hortense. Al is het onjuist, zooals Louis zelf later heeft beweerd, dat
hij tot deze verbintenis was gedwongen, erg enthousiast waren de jongelui in
het eerst volstrekt niet over hun huwelijksplannen. Louis had er aanvankelijk
wel geen ooren naar gehad, met Hortense in het huwelijksbootje te stappen,
maar na zijn Duitsche reis had de melancolieke man, die met de personen
van zijn stand weinig omging en er alleen enkele obscure vrienden op na
hield, in het huwelijk toegestemd. Ook was zijn verhouding tot Hortense wel
wat veranderd, ja Masson zegt zelfs, dat Louis verliefd op haar was en zich
dan ook volstrekt niet stoorde aan het verzet, dat hij ondervond van de zijde
van Lucien en Jozef, die het huwelijk volstrekt niet goed konden keuren. En
Hortense? Zij had gedwee de zachte drang van haar moeder, die zij vereerde,
gevolgd en had ook haar toestemming gegeven, al kan men niet zeggen, dat
daardoor een van haar hartewenschen werd vervuld. In de laatste maanden
van 1801 was tot deze verbintenis besloten en in het begin van Januari 1802
werd het huwelijk voltrokken in tegenwoordigheid van tal van familieleden
en van deze plechtigheid maakten Murat en Caroline gebruik om ook hun
huwelijk nog kerkelijk te doen sluiten.

Een groote wensch van Joséphine was hiermede vervuld, want zij achtte
deze verbintenis voor haar eigen plaats in de familie van groot belang,
zoowel nu als later. En dan had ze hiermede nog wel Louis gewonnen;
iemand die een zoo groote plaats in Bonaparte’s hart innam en die zelfs in
zijn gedachten in aanmerking kwam voor zijn opvolger. Joséphine had de
kerkelijke wijding van haar eigen huwelijk tegelijk met die van Louis en
Murat niet durven vragen, maar dit verdriet verduisterde geenszins den
triomf, welken ze had behaald. Later, hoopte zij, zou ook dat nog wel
gelukken en van de geestelijkheid verwachtte ze daarbij steun. De tijd zou
leeren, dat ze gelijk had.

1 Hij wilde het Iersche parlement vereenigen met dat van Engeland en Schotland, ook de
katholieke Ieren toelaten tot de hooge staatsbetrekkingen en het ongelukkige eiland dus opheffen
uit zijn staat van halve slavernij.

2 In de Fransche koloniën in West-Indië werd de slavernij, tijdens de omwenteling afgeschaft,
weldra door Bonaparte hersteld.

Page 256

Page 257

Hoofdstuk XII.

Page 258

Consul voor het Leven.

Van de “zuivering” in het Tribunaat en in het Wetgevend
Lichaam, door allen een staatsgreep genoemd, welke
die van den 18en Brumaire in stoutheid overtrof,
maakte Bonaparte terstond gebruik om eenige reeds
lang gereedliggende ontwerpen van wet, op welker
aanneming hij bijzonder was gesteld, in behandeling te doen nemen. ’t
Waren die op het reeds zeven maanden te voren geteekende Concordaat, op
de amnestie der émigrés, op de reorganisatie van het openbaar onderwijs,
eindelijk op het vredestractaat van Amiens en op de instelling van het
Legioen van Eer.

Den 5en April werd de nieuwe zitting geopend; een regeling, door Lucien
voorgesteld, had het Tribunaat zoo goed als machteloos gemaakt; het
Wetgevend Lichaam was bevreesd geworden, en de vooral bij het leger zeer
onwelkome wet op het Concordaat, werd in twee dagen afgehandeld. Die op
de émigrés, welke laatsten al de goederen terug ontvingen, die nog niet
publiek verkocht en dus nog staatseigendommen waren, werd bij
senaatsbesluit aangenomen, maar de bosschen, waarover Bonaparte de vrije
beschikking aan zich behield, bleven uitgezonderd.

De wet op het onderwijs vond bestrijders genoeg. Roederer zeide o. a. dat ze
niet alleen een zedelijke doch ook een politieke strekking had, dat men de
ouders door de kinderen aan het gouvernement trachtte te verbinden, dat er
niets in bepaald was voor de meisjes en dat er van zorg voor het allereerste
onderwijs geheel niet werd gerept. “Voor dit laatste was de moeder
ruimschoots voldoende; daarmede had de staat zich niet te bemoeien,”
beweerde echter Challan, een der voorstanders van de wet. Eenige stemmen
gingen zelfs op om ’t volk kosteloos lager onderwijs te geven, doch al deze
voorstellen werden ter zijde geschoven. Het onderwijs werd een voorwerp

Page 259

van staatszorg, den reusachtigen invloed der geestelijkheid op de opleiding
der jeugd werd hiermede tegelijkertijd een stevige breidel aangelegd.

Als een bekroning op zijn wetgevenden arbeid deed de Eerste Consul
eindelijk in Mei zijn ontwerp van wet indienen tot instelling van een Legioen
van Eer. Tijdens de omwenteling was aan militairen, die zich in den krijg
hadden onderscheiden, van rijkswege een eeregeweer of een eeresabel
uitgereikt; de instelling van het Legioen van Eer had een veel ruimere
strekking; in de eerste plaats zou het voor het leger bovengenoemde
eereteekenen vervangen door een decoratie met het devies: Honneur et
Patrie; dan zou hierdoor een uit burgers en militairen samengesteld lichaam
ontstaan, dat den Eersten Consul tot hoofd had en door een eed, een jaargeld
en een reeks bijzondere verplichtingen aan hem was verbonden, tenslotte
zou hierdoor zooveel doenlijk die hiërarchie van notabelen vervangen
worden, welke haar ontstaan had te danken aan de grondwet van het jaar
VIII. “Die notabelen zou hij, het hoofd van den staat, voortaan zelf wel aan
de natie aanwijzen en ze stempelen met zijn eigen zegel.”

Feitelijk schiep Bonaparte hiermede een zuiver persoonlijken adelstand,
waarin men enkel en alleen kon worden opgenomen door verdiensten en die
ook slechts verleend werd aan landskinderen, want wie niet kon bewijzen,
dat hij in zijn woonplaats had gediend bij de nationale garde, werd er niet in
opgenomen, al had hij overigens nog zoo groote verdienste. Niet de Eerste
Consul benoemde, doch een Groote Raad van zeven leden, bestaande uit de
drie consuls en één afgevaardigde uit ieder groot staatslichaam, terwijl het
geheele Legioen zou tellen vijftien cohorten, ieder van zeven groot-
officieren, eenige commandeurs en officieren en 350 ridders, te zamen zes
duizend hoofden.

Wel weerde de oppositie, vooral de republikeinsche partij zich heftig tegen
een instelling, die naar de dagen der monarchie terugvoerde, doch Bonaparte
gaf niet toe. “Alles heeft men vernietigd, ’t is zaak weder op te bouwen,” zei
hij o. a.; de wet werd aangenomen en het Legioen van Eer bestaat nog.

Vooral Lucien had als tribuun voor de wet in heftige, bevelende taal tot zijn
collega’s gesproken. Van den Jacobijn van 1793 was niets meer
overgebleven. Van nu af was bij de republikeinen het verzet zoo goed als

Page 260

gebroken; zelfs de wet op het beheer der koloniën, welke de slavernij weder
in ’t leven riep, vond slechts weinig tegenstand.

Dat de omvangrijke arbeid, besteed aan de samenstelling van al die nieuwe
wetten, niet ten doel had Bonaparte als Eerste Consul slechts een beperkt
aantal bestuursjaren te schenken, maar veeleer om zijn gezag ten slotte
onbeperkt te maken, was voor niemand meer een geheim. Een ieder sprak er
over, alleen hij zelf zweeg. Dat een Consulaat van tien jaar hem niet langer
bevredigde hield hij zelfs geheim voor zijn broeders. Onbevangen sprak hij
met Cambacérès, die in hooge mate zijn vertrouwen bezat en met Talleyrand
en Fouché, wier invloed hij zelf gestadig deed aangroeien over alle publieke
belangen; zijn eigen persoon bracht hij echter nooit in ’t debat. Zooveel te
meer spraken zijn broeders en hun aanhang, de zoogenaamde monarchalen
over en met hem. Vooral Lucien, nog steeds vervuld met
erfelijkheidsbedoelingen, drong krachtig bij hem aan om de souvereine
macht te grondvesten op de puinhoopen der Republiek en met de hem eigen
autoriteit verkondigde Talleyrand telkens weder, dat er met Europa beter viel
te onderhandelen uit naam eener monarchie, dan uit naam eener republiek.

Doch Bonaparte zweeg. Toen Joséphine zich met de quaeste wilde bemoeien
en hem waarschuwde voor Lucien, die alleen zijn eigen belang op ’t oog
had, niet was te vertrouwen en steeds klaagde, dat hij niets kon worden,
zoolang Napoleon slechts consul voor tien jaar was, snauwde hij haar een
bits: “Blijf jij bij je spinnewiel” toe. Wel verlangde hij naar het oppergezag,
doch voor een monarchie vond hij zoo kort na de omwenteling den tijd nog
niet gekomen; voor zich zelf iets vragen wilde hij niet; wat hij wenschte
moest hem worden aangeboden. Het oogenblik, waarop dit zou geschieden,
verbeidde hij te Malmaison.

Den 6en Mei gaf hij in dezen een wenk. Bij monde van Cambacérès deed hij
het Tribunaat weten, dat het vredestractaat met Engeland op het bureau zou
worden nedergelegd om tot wet te worden verheven en dat het tijdstip
gunstig was “om een wensch te uiten, die den Eersten Consul aangenaam
kon zijn.” Terstond werd nu de Senaat uitgenoodigd den Eersten Consul een
schitterend bewijs te geven van de voldoening der natie.

Page 261

Hiermede in kennis gesteld, sprak hij zich nog niet uit over de wijze, waarop
dit kon geschieden; de man, die zijn meening anders altijd in zoo heldere,
duidelijke taal wist te kennen te geven, antwoordde slechts met een paar
ontwijkende woorden. “Anderen roem, dan dien, dat hij de hem opgedragen
taak ten einde gebracht had, verlangde hij niet” en dergelijke. Hij speelde de
Sfinx. Dit was gevaarlijk, want Fouché had hem doorzien en Fouché, die bij
Joséphine steeds steun had gevonden, doch al zijn pogingen om bij den
ouden adel en de aristocratie eenigermate in de gratie te komen, enkele
contant betaalde edelen uitgezonderd, had zien mislukken, die de vijand was
van Lucien en Talleyrand, Bonaparte’s stuwkrachten naar het Consulaat voor
het leven, besloot terstond een spaak in ’t wiel te steken. Hij bewerkte ijlings
den Senaat, betoogde, dat Bonaparte zelf geen hooge wenschen koesterde en
wist zoodoende te bewerken, dat het senaatsbesluit van den 8en Mei alleen
sprak van een verlenging van tien jaar.

Dit vernemende, werd Bonaparte geweldig boos, beraadslaagde met zijn
broers en Cambacérès en deed den Senaat toen weten dat: “De natie hem had
bekleed met het oppergezag en hij zich van haar vertrouwen niet zeker zou
achten, als zij thans ook niet haar stempel drukte op de acte, waarbij men
hem dat gezag voor langer tijd wilde verleenen” enz. De wenk was duidelijk
genoeg en den 11en Mei bevatte de Moniteur het Senaatsbesluit, dat de natie
zou worden geraadpleegd over de vraag: “Of Napoleon Bonaparte Consul
zou worden voor het leven.”

Van erfelijkheid of van het recht van aanwijzen eens opvolgers werd niet
gesproken. Denkende ook den Eersten Consul hiermede een dienst te
bewijzen, had Roederer een van Jozefs vrienden de woorden “en of hij de
bevoegdheid zal hebben zelf zijn opvolger aan te wijzen” wel bij het
oorspronkelijke ontwerp ingelascht, doch Bonaparte had ze geschrapt. Geen
Jozef, geen Lucien zou hem de baas zijn of dwang op hem uitoefenen. Aan
zijn hoofd behoefde Frankrijk geen babbelaar doch een soldaat en soldaat
waren die twee niet; nog in andere opzichten schoten zij in zijn oog te kort;
in geld en goed en vette baantjes was hij bereid hun een vergoeding te
geven, verder verkoos hij niet te gaan. Bovendien had hij aan zijn intiemen
reeds vaak genoeg ruiterlijk te verstaan gegeven, dat hij nog jong was, nog
niet het minste plan had op te stappen en dat al die speculaties op zijn dood

Page 262

hem hartelijk begonnen te vervelen. Jozef verried zijn teleurstelling alleen
aan zijn vertrouwelingen ; zijn broer, beweerde hij, was op zijn gezag zoo
ijverzuchtig, dat hij het met niemand wilde deelen; dat zijn bestaan voor
Frankrijk onmisbaar was, moest de natie diep beseffen; daarom wilde hij
geen opvolger zien benoemd.

Dat de aard der dingen, de omstandigheden waarin Bonaparte verkeerde, de
nieuwe wetten, welke in voorbereiding waren en die Jozef reeds kende, de
zijdelingsche invloed der émigrés en der geestelijkheid ten slotte toch in de
richting der erfelijkheid zouden wezen, was echter nu reeds te voorzien.

Nog voordat de uitslag van de stemming bekend was, die op Frankrijks lot
van zoo onberekenbaren invloed zou worden, werd de instelling van het
Legioen van Eer tot wet verheven, werden Jozef en Lucien, de eerste door
den Raad van State, de tweede door het Tribunaat verkozen in den Grooten
Raad en de Constitutie van het jaar VIII naar den nieuw te scheppen toestand
omgewerkt en aangevuld. In den vorm van een organiek Senaatsbesluit tot
wet verheven, bestemd “de vrijheid en de gelijkheid te beschutten tegen de
grillen van het toeval en de onzekerheid van de toekomst,” was deze
grondwet toch voor velen, in de eerste plaats voor Joséphine een verrassing,
zooals bleek, toen de Eerste Consul, die in alle staatsstukken voortaan
Napoleon Bonaparte zou worden geheeten, den 2en Augustus met ruim drie
en een half millioen stemmen tegen iets meer dan negen duizend, waaronder
die van Massena, tot Consul voor het leven was uitgeroepen. Van de
grondwet van het jaar VIII was weinig of niets overgebleven. Het Tribunaat
werd teruggebracht tot vijftig leden; zelfs voor de behandeling der wet op de
middelen behoefde het Wetgevend Lichaam geen verplichte zittingen meer
te houden en de Raad van State zag zijn invloed op de staatszaken
overgebracht naar een geheimen Raad, waarvan de samenstelling telkens
naar behoefte kon worden gewijzigd.

Alleen de Senaat had nòg meer macht gekregen dan hij reeds bezat, o. a. het
recht de grondwet aan te vullen en den tekst er van te verklaren, de
vonnissen der rechtbanken te vernietigen, het Tribunaat en het Wetgevend

Page 263

Lichaam te ontbinden enz. Zijn voorzitters waren de Consuls, die alle drie
voor het leven werden benoemd. De Eerste verkreeg bovendien het recht het
ledental van den Senaat te brengen op 120 (dus 54 nieuwe leden te kiezen en
de meerderheid naar willekeur te verplaatsen.) Ongeacht hun leeftijd—dit
sloeg op Jozef en Lucien, die nog te jong waren—werden de leden van den
Grooten Raad van rechtswege senatoren. Gratie verleenen, beslissen over
oorlog en vrede zou voortaan eveneens tot Bonaparte’s attributen behooren,
eindelijk zou hij zelf zijn opvolger reeds bij zijn leven of bij testament
kunnen aanwijzen.

Het recht, dat hij kort te voren had verworpen, had hij thans dus toch
aanvaard. Waarom? Natuurlijk dacht ieder, dat hij voor zijn opvolger een
zijner broeders op het oog had. Volstrekt niet; die twee had hij met zijn sluw
berekenend brein zelf senator gemaakt, hen dus opgenomen in een groot
lichaam, waarover hij zich meester achtte en hen met al hun geheime
plannen hierdoor tot machteloosheid gedoemd en in zijn diepste diep
waarschijnlijk toen reeds besloten, het kind dat Hortense, sinds 3 Januari de
vrouw van Louis, reeds enkele maanden onder het hart droeg, mocht het een
zoon wezen, tot zijn erfgenaam te bestemmen. Tegenover een zoo jeugdig
wezen was alle achterdocht van zelf uitgesloten; op hem invloed uitoefenen
kon het niet, hem weerstand bieden evenmin en tegen deze keuze konden
zijn broeders, die zelf nog geen mannelijke nakomelingen bezaten, niet in
opstand komen.

In Bonaparte’s positie was dus opnieuw een groote wijziging gekomen, het
oppergezag in den ruimsten zin des woords bezat hij reeds; van het
republikeinsche beginsel was nog maar een schaduw overgebleven; nog niet
in naam, wel feitelijk was hij reeds alleenheerscher. De eenige, die bij deze
wijziging schade leed was Fouché. Bonaparte zag in hem alleen nog den
man, die in den Senaat tegen hem had geïntrigeerd en hield geen rekening
met de groote diensten, hem door Fouché den 18en Brumaire en later
bewezen. Hij ontnam hem dus de portefeuille van Justitie, maar schonk hem
tevens een zetel in den Senaat. Algemeen liep het praatje, dat hij aldus
handelende, was gezwicht voor den invloed van Jozef en Lucien, met wie hij
in de laatste weken (Augustus) druk had beraadslaagd, dat hij het
gouvernement tusschen hen beiden en Talleyrand wilde verdeelen en Duroc

Page 264

in ’t paleisbeheer vervangen zou worden door Louis; in één woord dat hij
zijn broeders baas laten wilde.

Van kommer en angst voor de toekomst wist Joséphine niet, waar zij ’t
zoeken zou, tot Bonaparte haar met een enkel woord geruststelde: “Dien
zotteklap kan ik niet smoren, maar ik ben niet gek genoeg mij afhankelijk te
maken van mijn vijanden. Over Lucien krijg ik dagelijks klachten, onlangs
nog weer uit Madrid,” zei hij.—De nieuwe functionarissen, allen vrienden
van haar, als Regnier, die als opperrechter de portefeuille van Justitie in
naam overnam, doch deze terstond toevertrouwde aan den staatsraad Real,
ook een intimis; Chaptal, die minister van Binnenlandsche Zaken bleef, en
Fouvevoy, die den ook tot senator benoemden intrigant Roederer verving als
directeur-generaal van het openbaar onderwijs, verrieden haar, dat zij bij
deze omwenteling veeleer gewonnen dan verloren had. Bovendien bleek
duidelijk, dat Bonaparte geen plan had het oppergezag met wien ook te
deelen, dat hij zich van zijn broers had bediend om zich zelf te dekken en dat
hij door Fouché te ontslaan zoowel hen als de monarchale partij slechts in
schijn een offer had gebracht, want de nieuwgekozenen behoorden evenals
Fouché tot de republikeinsche fractie; alleen waren zij minder berucht,
minder verdacht en heel wat eerlijker dan de man, dien Bonaparte tijdelijk
had op zijde geschoven om hem terug te roepen, zoodra hij hem weder
noodig had.

Bij de nieuwe grondwet was het tractement van den Eersten Consul voor
representatie- en reiskosten en voor het onderhoud van de Tuilerieën en van
het paleis te St. Cloud1 vastgesteld op zes millioen francs, doch door
verschillende baten van allerlei aard was dit cijfer in het jaar X reeds
gestegen tot bijna dertien millioen; in ’t jaar XI klom het tot zestien millioen;
de kosten der huishouding waren echter eveneens geweldig vermeerderd.
Dat Bonaparte gehecht was aan uiterlijke pracht en praal, had hij reeds
bewezen, toen hij in October 1801 den minister van Binnenlandsche Zaken
de opdracht had gegeven voor hem een kort zwaard te doen vervaardigen om
te dragen bij plechtige gelegenheden en dit wapen o. a. te doen versieren met
den Regent en andere kostbare diamanten uit de schatkist. Voltooid
vertegenwoordigde dit wapen alleen aan edelgesteenten een waarde van
veertien millioen francs.

Page 265

Op Paaschdag 18 April bij gelegenheid van het herstel van den eeredienst,
was hij in een met acht paarden bespannen galarijtuig in een rood fluweelen
rok met gouden palmen, het hoofd gedekt door een gepluimden hoed naar de
Nôtre Dame gereden. De leden van den Raad van State, de gezanten, de
ministers en de twee andere consuls in koetsen met vier en met zes paarden
gingen voorop, omstuwd door een drom van lakeien in kostbare livrei.
Zestig kanonschoten hadden het vertrek van dien meer dan vorstelijken
stoet, te Parijs de eerste na de omwenteling, aangekondigd; met zes door
mamelukken aan de hand geleide paarden voor zijn rijtuig uit, en de te Parijs
bevelvoerende garde- en divisiegeneraals hier om hem, was hij het Te Deum
gaan hooren; het publiek had dien praal en vooral dien drom van lakeien
prachtig gevonden.

Nog vóór zijn benoeming tot Consul voor het leven had ook zijn omgeving
een groote wijziging ondergaan. Had hij aanvankelijk slechts een militair
huis gehad, gevormd door zijn adjudanten en had een voormalig minister de
functie van kamerheer en ceremoniemeester vervuld, de gezanten
binnengeleid en meer van die diensten van ceremonieel bewezen, zonder dat
er op het punt van etiquette en vormen eenige regels waren vastgesteld, zelfs
zonder dat er voor den Eersten Consul een officieele titulatuur bestond, dit
alles veranderde thans geheel. Een civiel huis met kamerheeren,
paleisprefecten en dergelijk personeel trad in functie; voor het costuum, het
ceremonieel en de recepties kwam een uitgebreid voorschrift; een gestrenge
etiquette, die o.a. zelfs het ten paleize gaan zitten en gedekt blijven verbood,
werd ingesteld en de garde uitgebreid. Dat men den monarchalen
regeeringsvorm snel tegemoet ging was voor niemand meer een geheim en
wie dit nog mocht hebben betwijfeld, zou wel tot andere gedachten zijn
gekomen bij het aanschouwen van den luister, waarmede de geboortedag van
den Eersten Consul den 15en Augustus in de geheele Republiek voor de
eerste maal werd gevierd.

Eenige dagen later aanvaardde Bonaparte het voorzitterschap van den
Senaat. Begeleid door de consulaire garde te paard, omstuwd door een
schitterenden staf, reed hij in een met acht paarden bespannen galarijtuig,
gevolgd door de andere consuls, de ministers en verdere
grootwaardigheidsbekleeders naar het paleis van het Luxemburg en zette

Page 266

zich op een soort van troon. Hier nam hij de nieuwgekozen senatoren Jozef
en Lucien den eed af, deed zich de senaatsbesluiten voorleggen, waarbij o. a.
het ceremonieel voor de hoogste staatsdienaren, de wijze van vernieuwing
en ontbinding van het Wetgevend Lichaam en het Tribunaat werden
vastgesteld en het eiland Elba met Frankrijk werd vereenigd en deed daarop
door Talleyrand lezing geven van een hoogst belangrijk rapport over de
schikkingen, onder zijn leiding in Duitschland in voorbereiding, om de
vorsten langs den linker Rijnoever uit de kerkelijke goederen schadeloos te
stellen voor het door hen bij de vredes van Campo Formio en Lunéville
geleden verlies.

Een enkel woord moge dienen om den toestand duidelijk te maken.

Bij die verdragen was bepaald, dat Frankrijks oostelijke grens onder anderen
zou worden gevormd door den Rijn, van Bazel tot een punt tusschen
Emmerik en Nijmegen.

Zoodoende had Beieren het hertogdom Zwei-Brücken, Rijn-Beieren en het
hertogdom Gülick, zoo hadden Wurtemberg en Baden het prinsdom
Montbehard en andere domeinen moeten afstaan. De geestelijke keurvorsten
van Maintz, Trier en Keulen hadden zoo goed als niets overgehouden. Ook
Hessen, de bisschop van Luik en die van Bazel waren aan den dijk gezet.
Pruisen had het hertogdom Gelre, een deel van dat van Kleef en het
prinsdom Meurs moeten afgeven. In Italië hadden twee aartshertogen uit het
Oostenrijksche huis respectievelijk Toscane en Modena verspeeld en in
Holland was het huis van Oranje-Nassau, de bondgenoot van Pruisen,
eveneens uit een aantal persoonlijke eigendommen ontzet.

Al deze vorsten nu, die van Nassau, van Toscane en Modena hieronder
begrepen, zouden uit de verbeurd verklaarde kerkelijke bezittingen in
Duitschland, gezamenlijk ongeveer één zesde van het geheele grondgebied,
worden schadeloos gesteld. Vrij van alle lasten, zooals kosten van belasting
heffen, van privileges en andere te betalen toelagen en tractementen, bedroeg
de opbrengst van die goederen te zamen wel vijftig millioen gulden.

Te Parijs hoorde Bonaparte nu de verschillende partijen. Bij Engelands
onbetrouwbare politiek was het voorkomen eener nieuwe coalitie voor hem

Page 267

van ’t meeste belang en een hecht bondgenootschap op het vasteland met
Pruisen bijvoorbeeld, hiertoe van onberekenbaar nut, al mocht deze staat
hierom toch ook weder niet zoo machtig gemaakt worden, dat hij Oostenrijk
overheerschte, anders kon die op zijn beurt van een nuttigen bondgenoot een
gevaarlijke mogendheid worden.

In het door hem ontworpen plan zouden Oostenrijk, Pruisen en Frankrijk
drie groote staten vormen met ver van elkander verwijderde grenzen.
Midden tusschen deze drie gelegen, zou de Duitsche Bond, tot één groot
lichaam vereenigd, dan de even eervolle als belangrijke rol vervullen van
scheidsmuur en van stootkussen tevens.

Het slot der onderhandelingen, door dit van grondige zaakkennis getuigende
plan noodzakelijk geworden, was, dat met Pruisen en met Beieren, na
Oostenrijk Duitschlands hoofdstaten, een overeenkomst werd getroffen,
waarbij ook de belangen van het huis van Oranje-Nassau niet waren
vergeten.

Het hoofd van dit huis zou de republiek erkennen; Pruisen zou ditzelfde
doen ten opzichte van de Italiaansche republiek en het koninkrijk Etrurië en
onvoorwaardelijk goedkeuren, dat Piëmont met Frankrijk werd vereenigd.

Wel kwam Oostenrijk een oogenblik tegen de uitvoering van het plan in
verzet, dreigde er weder een oorlog, en stonden de Beiersche troepen bij ’t
bezetten der hun toegewezen landstreken, bij Passau een korte poos
tegenover de Oostenrijksche, maar de energieke houding van Frankrijk,
Pruisen en Beieren had tengevolge, dat feitelijke vijandelijkheden uitbleven,
en dat de vrede in Duitschland niet werd verstoord. Den 25en Februari 1803
werd een beslissing verkregen. Beurtelings Pruisens eerzucht en Ruslands
trots als middel bezigende om Oostenrijk te weerstaan, de macht van dezen
staat verkleinende, zonder hem tot wanhoop te drijven, had Bonaparte voor
Duitschlands welzijn en voor Europa’s rust zijn wil in midden-Europa doen
zegevieren.

Page 268

Laten wij thans in ’t kort nagaan, wat sinds 18 Brumaire door Bonaparte was
verricht. Het Directoire eenmaal omver geworpen, had hij de teugels van het
bewind met forsche vuist aangegrepen, de door Siéyès ontworpen grondwet
ten deele gewijzigd, het staatsbeheer in allerijl geordend, het staatscrediet
opgebeurd, voor de geregelde heffing en storting der belastingen
maatregelen getroffen, de legers de eerste hulp doen toekomen, de Vendée
onverhoeds met troepen overstroomd en den opstand hier ten deele
bedwongen, uit diezelfde troepen daarna in stilte een reserveleger
bijeengebracht; dit, toen Europa nog van geen vrede wilde hooren zelf over
de Alpen naar Italië gevoerd, Oostenrijk hier bij Marengo verslagen en het
verbijsterde Europa een wapenstilstand van een half jaar afgedwongen.

Deze tijdruimte had hij gebezigd om in de politiek van het vaste land een
volkomen omkeer te brengen; de Ligue der Onzijdigen in ’t leven te roepen,
Pruisen tot vriend te krijgen, al de havens van Europa van Texel tot Otrante
voor Engeland te doen sluiten en reusachtige toerustingen te maken tot hulp
van Egypte. In ’t binnenland had hij tegelijkertijd het financiewezen en het
staatscrediet hersteld, de Fransche Bank in ’t leven geroepen, de wegen
vernieuwd, de rooverbenden uitgeroeid, over de bergen prachtige
verbindingen met Italië aangelegd, allerwege aan kanalen en bruggen een
ontstaan gegeven en de grondslagen gelegd voor een nieuw stelsel van
wetten. Dan had hij Oostenrijk, dat nog altijd aarzelde met vrede sluiten,
door Moreau’s schitterende overwinning bij Hohenlinden gedwongen de
door hem gestelde voorwaarden aan te nemen en het tractaat van Lunéville
te onderteekenen. Eindelijk hadden zijn onverzettelijke wilskracht en de
geduchte slagen, door zijn ijzeren vuist aan Engelands handel en industrie
toegebracht, ook dit rijk genoopt in zijn vijandige houding tijdelijk
verandering te brengen en had hij door het sluiten van den vrede van Amiens
de kroon gezet op zijn werk tegenover het buitenland. Een Concordaat,
waardoor Rome zich had verzoend met de Republiek, een amnestie voor de
bannelingen, een reeks heilzame staatswetten, een krachtig stelsel voor
openbaar onderwijs, een Legioen van Eer ter belooning van iederen
Franschen burger, die zich jegens den staat verdienstelijk had gemaakt,
hadden hem in drie jaar tijd in het hart der natie een plaats doen veroveren,
zoo hoog, zoo verheven als vóór hem zelfs een vorst nog nooit had
ingenomen. Voor Frankrijk was hij geworden l’Homme. Schooner eeretitel

Page 269

kon hem niet worden gegeven. Dat anderen dan hij, vrienden van hem als
Tronchet en Cambacérès, zijn buitengewone werk- en wilskracht, zijn ver
strekkende fantasie en grootsche bedoelingen opmerkende, beducht waren
voor de toekomst; dat de eerste, hem vergelijkende met Cesar, de vrees
uitsprak, dat hij ook als die Romeinsche Imperator eenmaal zou eindigen,
deed niets af aan de glorie, welke zijn naam thans omgaf. Dat hij van de
Republiek weinig meer dan een naam had overgelaten, zag ieder; dat hij
Frankrijk de vrijheid niet had gebracht, eveneens. Maar de Republiek had
Frankrijk aan den rand van den afgrond gevoerd, en de vrijheid waarvoor het
tien jaar lang goed en bloed had veil gehad, was een droombeeld gebleken.
Waarom den man, die rust, vrede en welvaart had doen wederkeeren, de
oppermacht niet geschonken, waarnaar hij de hand uitstrekte? Niemand had
die nog ooit zoo ten volle verdiend.

Zoo dacht de natie.

Page 270

Eerste uitreiking van het Legioen van Eer.

1 Uitsluitend de restauratie en meubileering van dit vorstelijk verblijf had zes millioen gekost.

Page 271

Hoofdstuk XIII.

Page 272

Oorlog met Engeland. Een nieuwe Samenzwering.

“Steeds heb ik, door alle met de waardigheid der Fransche
natie vereenigbare middelen, gestreefd naar vrede met
Engeland,” heeft Napoleon op St. Helena gezegd. “Ik
voedde haat noch naijver tegen dat land. Wat raakte het
mij of het toenam in rijkdom en voorspoed, mits dit
ook het geval was met Frankrijk. De heerschappij over den oceaan betwistte
ik het niet, alleen verlangde ik, dat het de vlag van Frankrijk eerbiedigde op
zee, zooals de keizer van Rusland en die van Oostenrijk dit deden te land.”

Maar Engeland verkoos Frankrijks vlag niet te eerbiedigen. Het tegendeel
was waar. Frankrijk moest, zoo beweerde o. a. lord Aukland, vernederd,
klein gemaakt, zijn politieke invloed vernietigd worden om de Engelschen
gelegenheid te geven hun zeemacht, hun handel en hun industrie zonder
concurrentie uit te breiden. Alleen onder deze voorwaarde wilde Albion
hooren van een wereldvrede.

Met al den hartstocht van zijn vurig temperament heeft Napoleon dit stelsel
bestreden. Een jarenlange oorlog is hiervan het gevolg geweest, maar de
verantwoordelijkheid voor dezen strijd draagt Engeland, want dit heeft al de
coalities tegen Frankrijk in ’t leven geroepen en ze met millioenen gesteund.
Dat de vrede van Amiens zoo spoedig is verbroken, is in hoofdzaak alleen te
wijten aan Engeland en zelfs een van Napoleons heftigste bestrijders1 der
laatste jaren, heeft dit in zijn biografie van Napoleon I erkend. “De
Engelschen,” schreef hij, “hadden gehoopt van den vrede te kunnen
profiteeren om hun handel op te heffen uit zijn verval, doch zagen zich reeds
enkele maanden later in hun plannen bedrogen. Napoleon had niet alleen niet
bewilligd in een vernieuwing van het handelstractaat van 1786, dat den
invoer van Engelsche koopwaren in Frankrijk begunstigde ten koste der
Fransche nijverheid, maar zelfs een nieuwe overeenkomst gevorderd, die de

Page 273

ontwikkeling van Frankrijks handel onbelemmerd liet. De onderhandelingen
werden slepende gehouden of leverden niets op; intusschen vaardigde
Napoleon een decreet uit, waarbij de Engelsche koopwaren door hooge
invoerrechten werden getroffen. Van stonde aan eischten fabrikanten en
kooplieden toen den oorlog; voor hun belangen was deze nog minder
nadeelig dan een vredestoestand, die hen ruïneerde.”

Engeland wilde Frankrijk verarmd, onderworpen, Napoleon wilde het groot,
machtig en geëerd zien. Van een botsing tusschen deze twee beginselen was
een oorlog op leven en dood het noodzakelijke gevolg. Reeds in September
1802 achtte Bonaparte het raadzaam Pruisen, waarmede hij den 5en dier
maand een militaire conventie had gesloten, te waarschuwen voor “de
Engelsche kuiperijen.” Redenen hiertoe waren voor ’t grijpen. De
voornaamste bepalingen van het tractaat o. a., het binnen drie maanden
ontruimd hebben van Malta en Egypte waren door de Engelschen nòg niet
nagekomen; de pretendent, de graaf van Artois, de Condé’s werden nog
geregeld uit de Engelsche schatkist ondersteund, droegen nog de vervallen
Fransche decoraties en vertoonden zich hiermede zelfs bij
wapenschouwingen, genoten vorstelijke eerbewijzen en spanden openlijk
samen tegen de bij den vrede officieel erkende Republiek. Dan stond George
Cadoudal, Napoleons belager, te Londen in hoog aanzien, leefde er op
staatskosten als een grand seigneur; eindelijk ging er geen dag voorbij,
waarin de Engelsche pers en die der émigrés geen variatie leverden op het
grondthema, dat tirannenmoord geen misdaad was en regende het
pamfletten, waarin Bonaparte en zijn familieleden op de gemeenste manier
in woord en beeld werden gehoond en belasterd.

Had Napoleon die aanvallen op zijn persoon met hooghartig zwijgen
beantwoord, dan zou hij hierdoor niet alleen Europa achting hebben
afgedwongen, maar zijn aanvallers tevens geen voldoening hebben
geschonken. Voor het volgen van zulk een gedragslijn was hij echter veel te
opvliegend en te lichtgeraakt. Dat in Engeland vrijheid van drukpers bestond
en zelfs de persoon des konings daar in schotschriften vaak belachelijk werd
gemaakt en over den hekel gehaald, telde hij niet, maar greep zelf naar de
pen, gaf in verschillende dagbladen lucht aan zijn verbolgenheid, stelde het
Engelsche gouvernement verantwoordelijk voor ’t geen tegen hem werd

Page 274

geschreven en vorderde op hoogen toon een verbod, dat aan dien schimp een
einde kwam.

Onder allerlei voorwendsels begon Engeland in November, dus in vollen
vrede, zich weder te wapenen. Dat Frankrijk Louisiana, waarop het zelf was
belust geweest, in ruil voor klinkende munt wilde afstaan aan Noord-
Amerika; dat het Piëmont in 1801 bij zijn grondgebied had ingelijfd; dat de
Eerste Consul in Zwitserland als bemiddelaar was opgetreden; dat de kolonel
Sebastiani, belast geweest met een zending naar het Oosten, over den
toestand van Egypte een omstandig rapport had uitgebracht, dat echter
volstrekt niet geheim gehouden doch in extenso in den Moniteur opgenomen
was, waren feiten, zoo beweerde de minister Hawkesbury, die ieder op zich
zelf wel geen casus belli vormden, maar te zamen genomen blijk gaven van
vijandige bedoelingen bij Frankrijk. Het bezit van Malta was des Pudels
Kern; dat Engeland dit eiland onder geen beding meer wilde loslaten, nu
Napels en Tarente door de Fransche troepen waren ontruimd en het den
sleutel der Middellandsche Zee hiermede had in handen gekregen, zei de
minister niet, maar was voor niemand een geheim. Wel bleef geheim, dat het
Engelsche gouvernement om een schikking mogelijk te maken, Bonaparte
door bemiddeling van Jozef verschillende persoonlijke voordeelen als zijn
erkenning tot consulaire Majesteit met de erfelijkheid van dezen titel in zijn
familie, deed aanbieden, mits hij niet langer aandrong op Malta’s
ontruiming.—

Wat kenden de Engelsche diplomaten nog weinig van dien eenvoudigen
soldaat, die op alle politiek gedraai antwoordde met heldere, onverbiddelijke
logica, die nooit doekjes wond om zijn voornemens, hen met hun
diplomatiek gebazel deed versteld staan en o. a. den gezant Whitworth de
uitdrukking ontlokte, “dat hij bij zijn onderhoud met hem (1803) veeleer
gedacht had een Franschen ritmeester tegenover zich te hebben dan het
hoofd van een der machtigste staten van Europa.” Oorlog met Engeland
wilde hij bepaald niet. Toen de ontruiming van Malta nog altoos niet volgde,
verzocht hij de bijeenroeping van een Europeesch congres om de uitvoering
van het tractaat van Amiens te waarborgen, noodigde keizer Alexander, in de
quaestie van Malta scheidsrechter te wezen, verpandde bij voorbaat zijn
eerewoord, dat hij zich aan diens beslissing zou onderwerpen, zelfs al zou

Page 275

Malta ten eeuwigen dage aan Engeland toebehooren, maar dat zijn eer en
plicht hem verboden het af te staan uit vrije beweging en dwong door deze
fiere en ridderlijke taal den Russischen gezant Markoff eerbied af.2

Van een congres, zooals hij dit voorstelde, wilde Europa niets weten; dan
had het hierdoor niet alleen het door Frankrijk gekozen gouvernement
erkend en bevestigd, maar ook de verheffing gesanctionneerd van dien
soldaat van onbekende afkomst, die de roem en de grootheid der schoonste
dagen van Lodewijk XIV aan Frankrijks horizon deed gloren. Dit wilde
Europa juist niet. Frankrijk moest liever klein en zwak dan groot en machtig
gemaakt worden.

En keizer Alexander? Deze stond te zeer onder den invloed van Engeland,
waaraan hij waarschijnlijk in hoofdzaak zijn vroegtijdige troonsbeklimming
had te danken, om in dezen scheidsrechter te willen wezen. Ook Pruisens
houding was niet bijster vriendschappelijk.

“Mijn hof wil zeker van zijn oogenblikkelijk zoo gunstige positie gebruik
maken om Frankrijk zeer gevoelige slagen toe te brengen zonder dat het zelf
er iets van heeft te duchten,” mocht Whitworth wel schrijven aan zijn
Russischen collega te Parijs en Bonaparte was zoo overtuigd van zijn
onmacht ter zee en wist daarbij zoo goed hoe de zaken loopen zouden, dat
hij den minister van financiën Marbois vroeg “of de Fransche reeders niet te
bewegen zouden zijn hun ladingen te verzekeren bij Engelsche
maatschappijen.”

In Maart 1803 werd het duidelijker dan ooit, dat Engeland den oorlog wilde.
In dezelfde maand had Bonaparte op een receptie den Engelschen gezant in
heftige bewoordingen te verstaan gegeven, wat hij van Engelands houding
dacht.—“Gijlieden zijt tot den oorlog besloten; gijlieden verlangt oorlog.
Reeds vijftien jaar hebben wij dien gevoerd; een tijdperk van nog vijftien
wilt gij er aan toevoegen en gij dwingt mij er toe!” had hij Lord Withworth
letterlijk toegesnauwd, zoodat al de aanwezigen over dien uitval versteld
stonden. Geen twee maanden later was het zwaard reeds weder uit de
scheede gerukt. Engeland dacht er niet aan Malta los te laten en voor
Bonaparte was de Middellandsche Zee dan gesloten; hij bleef dus bij zijn
eisch volharden het tractaat van Amiens na te komen en Malta te ontruimen.

Page 276

Ja, Engeland ging nog verder en eischte zelfs Lampedouze tusschen Malta
en Tunis gelegen, hoewel dit in het tractaat van 1802 niet eens genoemd was.
Deze laatste eisch kon als een soort ultimatum worden opgevat en nog voor
het midden van Mei vertrok de Engelsche gezant.

Wederom oorlog dus en met den erfvijand! Weg waren de gedachten aan
welvaart en voorspoed, aan dagen van vrede. Al zijn droomen van voorheen,
de visioenen van grootheid, van een reusachtig rijk in het Westen van
Europa’s vastland rezen weder bij Bonaparte op.—Engeland moest
overwonnen, vernederd, verlaagd en als het kon vernietigd worden, dit werd
van af dit oogenblik de hartstocht van zijn leven en in de eerstvolgende twee
jaren zien wij hem met al den ijver, met al het vuur van vroeger bezig om
van Den Helder tot Brest een transportvloot en een leger bijeen te brengen,
zoo geducht, zoo geweldig, dat geheel Europa er van versteld stond en
Albion de schrik om ’t hart sloeg.

Nog voor de gezant het Fransche territoir had verlaten, waren de
vijandelijkheden van Engelsche zijde reeds begonnen met het in bezit nemen
van tal van handelsschepen. Bij een decreet van den 22en Mei, den dag
waarop Frankrijk haar oorlogsverklaring deed, werd bepaald, dat al de
Engelschen, die zich op Fransch grondgebied bevonden, in hechtenis
moesten worden genomen.

Bovendien kreeg Mortier last van uit Nijmegen met een leger naar Hannover
te gaan en dit keurvorstendom, dat aan den koning van Engeland behoorde,
binnen te rukken en te bezetten. De pas 35jarige generaal kweet zich goed
van zijn taak, want reeds negen dagen na ontvangst van het bevel tot den
inval, had het Hannovraansche leger van bijna 40 000 man zich
overgegeven, een succes, dat Napoleons bewondering opwekte. Tevens
begon de generaal Saint-Cyr dwars door den Kerkelijken Staat naar de haven
van Otranto te marcheeren om deze te wapenen. Moest Mortier zorgen het
Pruisisch territoir ongeschonden te laten, Saint-Cyr kreeg in opdracht de
grootste gematigdheid tegenover de Italiaansche bevolking aan den dag te
leggen; bovendien moesten alle leveringen contant worden betaald, terwijl
alle oproerige bewegingen terstond onderdrukt dienden te worden.

Page 277

Vergezeld van Joséphine begon Bonaparte zelf in Juni een militaire en
politieke inspectiereis door het noorden der Republiek en België langs
Antwerpen en Vlissingen. Hier bezocht hij alle scheepstimmerwerven,
tuighuizen en magazijnen en vond te midden van alle feestelijkheden, welke
hem overal doch voornamelijk te Brussel wachtten en waarvan zijn vrouw
volop genoot, nog tijd om aanteekeningen te maken betreffende ’t geen hij
had gezien en verkeerd bevonden.

Ternauwernood te Parijs terug van dezen vermoeienden tocht door dat bij
uitstek roomsche land, waarheen hij uit staatkunde ook den stokouden,
pauselijken legaat Caprara had meegenomen, begon hij naar aanleiding van
die opmerkingen een reeks van bevelen te geven.—Hier had de schatkist
verzuimd, tijdig genoeg fondsen te zenden voor de aannemers; daar had het
departement van marine nagelaten de benoodigdheden voor de vloot te
bezorgen; verderop was de directie over de bosschen te laat met den aankoop
en de levering van hout; nog verder was ’t de artillerie geweest, die vergeten
had vuurmonden of munitie af te geven en zoo meer.

Voor dit alles zorgde hij thans zelf. Voor hem bestonden geen bezwaren. Ten
slotte begaf hij zich naar Boulogne, het middelpunt van de beweging tegen
Engeland, de plaats, waar de hoofdtoebereidselen nu werden gemaakt om
120 000 soldaten, 15 000 paarden en circa 400 bespannen vuurmonden met
hun voertuigen in te schepen en over het Kanaal, dat daar ongeveer tien
zeemijlen breed was, naar de Engelsche kust te voeren. Het plan was, dat
ook van Brest en van Texel tegelijkertijd een groot eskader, elk met 15 000
man aan boord, zou uitzeilen. De oorlogs- en de transportvloot, voor het
geheel benoodigd, zou ongeveer 2300 vaartuigen omvatten. Het was
inderdaad een reusachtige onderneming. Daar deze geweldige massa
schepen van allerlei soort en grootte niet in drie havens gebouwd en
bijeengebracht kon worden, werd in alle kustplaatsen van Bayonne tot Texel
met onverdroten ijver dag en nacht gearbeid.

Van dit reuzenwerk was Bonaparte de ziel. Omgeven door een staf van
ingenieurs en marineofficieren, de bekwaamsten van hun wapen, zag hij
persoonlijk alles. IJverig en trouw stonden de minister Decrès en de admiraal
Bruyes hem hierbij ter zijde.

Page 278

Het is te begrijpen, dat het kabinet van St.-James ongerust werd, toen ze die
geweldige toebereidselen tot een verpletterenden aanval op zijn grondgebied
dagelijks zag toenemen. De oud-minister Pitt nam weder zitting in het
Lagerhuis; een reserveleger werd bijeengebracht en een oproeping gedaan
tot het vormen van vrijwilligerskorpsen. Tegelijkertijd begon Albion Pitts
tactiek van vroeger weder te volgen door samenzweringen der émigrés
opnieuw te steunen. Te Londen werd alles voorbereid tot een aanslag; daar
vertoonde zich zelfs een Bourbon in een vergadering der chouans, die
gezworen hadden den Eersten Consul, hoe dan ook, uit den weg te ruimen.
Deze Bourbon, de Graaf van Artois, gaf dus openlijk zijn instemming met
het laaghartige plan en compromitteerde zich daardoor voor zijn geheele
leven.

Een hertog de Polignac, een markies de Rivière waren erbij betrokken.
George Cadoudal, de ons reeds bekende aanvoerder der chouans, stond
ditmaal aan het hoofd van de onderneming, die niets minder beoogde dan
Bonaparte op den weg tusschen Malmaison en Parijs met honderd
gewapenden aan te grijpen, zijn klein escorte van gewoonlijk twaalf guides
over de kling te jagen en hem zelf?—Och hem zelf in het hierbij ontstane
gevecht overhoop te steken. Dan was hij immers niet gevallen door de
handen van een troep moordenaars, maar in een eerlijk gevecht! Dan kon het
niet heeten dat de koningsgezinden hun tegenstander door een moord uit den
weg hadden geruimd, dan was de eer tegenover Europa gered!

Ook generaal Pichegru, de dappere veroveraar van de Republiek der
Vereenigde Nederlanden, eenmaal Bonaparte’s leermeester te Brienne, later
wegens verraad naar Cayenne verbannen, doch ontsnapt en nu te Parijs
verscholen, had zich laten vinden bij deze nieuwe poging om de Bourbons
weder op den troon te brengen. Zelfs Moreau, die zich op het oorlogstooneel
steeds dapper toonde, maar in het burgerlijke leven zwakheid verried en zich
geheel door zijn vrouw liet beheerschen, was niet onkundig aan de kwade
bedoelingen van Pichegru. Als altijd jaloersch op Bonaparte zou Moreau niet
ongenegen geweest zijn bij den val van den Eersten Consul een staatkundige
rol te spelen.

Page 279

Het nieuwe complot omvatte dus personen van verschillende richting,
agenten van de Bourbons, voormalige aanvoerders der chouans,
ontevredenen als Moreau; maar de ziel, de kern er van vormden de émigrés,
de royalisten, dezelfde mannen dus die Bonaparte uit de verdrukking
geholpen en met behulp van den grooten ijver van Joséphine uit de
ballingschap teruggeroepen had. Niet alleen hadden zij de hoedanigheid van
Franschman en staatsburger teruggekregen maar zooveel mogelijk waren
hun, de tijdens de omwenteling verloren bezittingen, teruggeschonken. Tot
dank voor dit alles hadden ze in 1800 getracht hem door middel van een vat
buskruit in de lucht te laten vliegen; thans wilden ze hem op den openbaren
weg door een bende struikroovers—want een andere benaming verdienen
Cadoudal en zijn aanhangers toch zeker niet—laten vermoorden. Dat zij
zelven hierbij geen werkdadige rol speelden, doet ter beoordeeling van hun
moreele schuld weinig af, want zij die de moordenaars van goud en wapens
voorzien, achten we even misdadig als den moordenaar zelf. Zij zijn
bovendien nog lafaards.

Reeds maanden lang wist Bonaparte, dat er in de Vendée iets tegen hem
broeide; enkele chouans waren reeds in hechtenis genomen en zijn
voormalige adjudant Savary, kolonel der gendarmerie geworden, had daar
zelfs duidelijk de sporen ontdekt van een geheime beweging; ook had hij
eenige verspreide benden deserteurs en kwaadwilligen uiteengedreven, die,
zooals later bleek, handelden op aanstoken van Cadoudal. Voorzien van een
massa Engelsch goud, hield deze zich met eenige makkers sinds maanden te
Parijs verborgen en stond in rechtstreeksche gemeenschap met Pichegru en
Moreau.

Van het bestaan van een complot tegen Bonaparte’s leven was echter nog
niets gebleken, toen achtereenvolgens door een samenloop van
omstandigheden, waarin Fouché en zijn agenten zeer waarschijnlijk een rol
hebben gespeeld, in ’t begin van Februari 1804 eerst Picot, een bediende van
Cadoudal, en daarop Bouvet de Lozier, diens voornaamste
onderbevelhebber, te Parijs met de wapens in de hand en beiden met een
zeer aanzienlijk bedrag aan goud op zak werden gearresteerd. De eerste
bekende, dat hij zich reeds sinds Augustus met Cadoudal in de hoofdstad
bevond. Bouvet zweeg doch poogde zich in zijn cel op te hangen.

Page 280

Nog juist bijtijds door den cipier gered, deed Bouvet den minister Real
daarop een omstandig verhaal van al ’t geen hij wist, n.l., dat Pichegru zich
te Parijs bevond en tegelijk met Cadoudal en diens bende aan de klip van
Biville bij Saint Leu in Bretagne was geland; dat een prins van den bloede
van het komplot wist en naar Frankrijk zou komen, zoodra hier alles voor
den aanslag was voorbereid; dat Pichegru, Cadoudal en Moreau op de
boulevard de la Madeleine een nachtelijke bijeenkomst hadden gehad, en dat
alleen Moreau’s besluiteloosheid de oorzaak was geweest, dat nog niet tot
handelen was overgegaan.

Uit al de hierna volgende verhooren bleek hoe langer hoe duidelijker, dat het
geheele komplot uitsluitend door de koningsgezinden en de émigrés in
Engeland was op touw gezet, terwijl de groote hoeveelheden Engelsch goud,
in ’t bezit der gearresteerden gevonden, genoegzaam aanwezen welk een
aandeel Engeland zelf er aan had. De émigrés waren arm; zij hadden door de
omwenteling alles verloren.

Was het te verwonderen, dat Bonaparte, die terwille van diezelfde
uitgewekenen zijn populariteit en, wat in die dagen van heel wat meer
beteekenis was, het vertrouwen van alle oprechte en eerlijke aanhangers der
omwenteling had op ’t spel gezet, ziende, wie hier achter de schermen zaten,
woedend werd, zoo woedend zelfs, dat hij dagen achtereen zijn plannen te
Boulogne, Brest en Texel vergat?

Een voorbeeld zou gesteld worden en den Bourbons moest worden duidelijk
gemaakt, dat men niet ongestraft zich in verbinding stelde met lieden als
Cadoudal en anderen. Bovendien, die voortdurende onrust nagejaagd te
worden en elk oogenblik misschien door een sluipmoordenaar zijn leven te
verliezen, daaraan diende voor goed een einde te komen; in drie jaar tijd
waren er reeds zeven samenzweringen geweest. Uitgebreide maatregelen
werden genomen en Savary lag weken achtereen, met een sterke brigade
gendarmes op de loer bij de klip van Briville, nabij Dieppe aan ’t Kanaal,
een bij de smokkelaars in die dagen welbekende landingsplaats. Volgens
getuigenis van Picot en van Bouvet de Lozier was daar de plek, waar een der
prinsen zou landen, zoodra te Parijs alles voor den aanslag gereed was. Op
diezelfde plaats waren maanden te voren Pichegru en Cadoudal ook op

Page 281

Fransch grondgebied gekomen en vandaar waren ze langs boschwegen en
afgelegen paden naar Parijs gegaan, waar zij zich hadden verscholen.—

Ofschoon uit de verhalen van eenige der gevangen genomen chouans
vernomen werd, dat Moreau aan de samenzwering niet wilde meedoen, werd
hij den 15en Februari toch gevangen genomen. Niet lang daarna vielen ook
Pichegru en tal van bij het komplot betrokken edelen en chouans in handen
der politie. Den 9en Maart werd ook Cadoudal na een woedend verzet op
straat gevangen genomen.—

Terwijl het proces tegen deze samenzweerders in vollen gang was en men
nog niet wist in hoever Fouché en zijn gewetenlooze agenten in deze zaak
een rol hadden gespeeld, werd Bonaparte, zoowel misleid door verkeerde
voorstellingen en door de inblazingen van zijn vleiers en enkele verdorven
of blindelings gehoorzamende personen uit zijn omgeving, tot een daad
gebracht, die ten eeuwige dage als een bloedvlek op zijn naam zal blijven
kleven.

Wij bedoelen de terechtstelling van den jeugdigen hertog van Enghien, den
kleinzoon van den prins van Condé.

In het Badensche plaatsje Ettenheim ten N. W. van Freiburg, niet ver van de
Fransche grenzen woonde deze Bourbon reeds sinds het voorjaar van 1801.
Had hij vroeger in de gelederen der émigrés als kolonel van een
Oostenrijksch regiment tegen Frankrijk gestreden, na den vrede van
Lunéville had hij zich in Ettenheim gevestigd uit genegenheid voor de aldaar
vertoevende prinses Charlotte de Rohan-Rochefort; tevens om in het Zwarte
Woud van de jacht te kunnen genieten. Nog steeds stond hij met Engeland in
betrekking en ontving zelfs van dit land een maandelijksche toelage van 150
pond sterling. In zijn omgeving bevonden zich o. a. de markies de Thumery
en eenige andere uitgewekenen van minder beteekenis.

In tegenwoordigheid van Talleyrand werd Napoleon door Fouché ingelicht
betreffende de aanwezigheid van dezen Bourbon zoo dicht bij de Fransche
grenzen.

Page 282

Bonaparte liet daarop in stilte door een sluwen wachtmeester der
gendarmerie, die Enghien van vroeger kende, een onderzoek ter plaatse
instellen en daardoor kwam hij onder meer te weten, dat de hertog, hoewel
zijn vader hem tegen dergelijke onvoorzichtigheden van uit Engeland ernstig
gewaarschuwd had, zich wel eens te Straatsburg vertoonde. Tevens werd
meegedeeld, dat ook de generaal Dumouriez (een naamsverandering met
Thumery) zich vaak te Ettenheim bevond.

Dit rapport van den gendarme, waarin de naam van den gedeserteerden
generaal Dumouriez voorkwam naast dien van Enghien, bracht Bonaparte in
verband met de verklaring van Cadoudal voor den rechter, dat een prins van
den bloede, wiens naam nog niet zeker bekend was, met Cadoudal te Parijs
zou samenwerken tot het volvoeren van den aanslag.—

Hij verweet den minister Real, het nieuwe hoofd der politie op heftigen toon
zijn onbekendheid met het feit, dat een Bourbon zich zóó dicht bij de
grenzen ophield en belegde daarop terstond tegen den 10en Maart een
buitengewone vergadering, waarin de twee andere consuls, de ministers en
ook Fouché tegenwoordig waren.

De minister van Justitie deed verslag van ’t geen het verhoor van Cadoudal
en diens medeplichtigen had aan ’t licht gebracht. Talleyrand volgde met een
lang rapport over de vertakkingen van het komplot, onder anderen in Baden
en besloot met het voorstel den hertog van Enghien op te lichten en aan de
zaak een einde te maken.

Cambacérès was de eenige, die zich ernstig tegen dit plan verzette, daar hij
ook vreesde, dat deze schending van Badens grondgebied op de kabinetten
van Europa een ongunstigen indruk zou maken. Maar Napoleon riep hem
toe: “Denkt gij dan mijnheer, dat ik mij zal laten vermoorden als een hond?
Dat ik niet anderen de verschrikkingen zal laten ondervinden, waarmee zij
mij mijn leven willen omringen? Neen, neen, ik zal een slag toebrengen, die
hen allen zal doen sidderen.”

Het voorstel van Talleyrand werd met algemeene stemmen, op die van
Cambacérès na, aangenomen.

Page 283

Onmiddellijk werden maatregelen genomen; aan den Badenschen minister
werd door Talleyrand bericht gezonden van den voorgenomen aanslag en uit
het decreet van den keurvorst van Baden, waarbij aan alle émigrés het
verdere verblijf in de staten werd ontzegd, uitgevaardigd een dag na de
arrestatie van den hertog, blijkt voldoende, dat er bij den keurvorst niet over
werd gedacht te protesteeren wegens de schending van grondgebied. Dat de
keurvorst zijn waardigheid aan Napoleon dankte en tevens dat zijn
grondgebied onder de kanonnen van Straatsburg lag, werkten zeker mede tot
deze zachte stemming.

In den morgen van 15en Maart werd Enghien te Ettenheim door den majoor
der gendarmerie Charlot zonder verzet gevangen genomen. Zijn papieren
werden in beslag genomen en hij zelf onder bewaking van Charlot eerst naar
Straatsburg, vervolgens naar Verdun gevoerd.

De bevelen werden stipt uitgevoerd en het bevelschrift van Charlot was even
kort als duidelijk:

“Op last van den Eersten Consul. 14 Maart 1804.

“Begeef u terstond bij nacht naar Ettenheim, neem den hertog van Enghien
gevangen en leg beslag op al zijn papieren. Met uw hoofd staat gij voor hem
in.

Moncey, generaal der gendarmerie.”

Van Verdun bracht men hem naar Parijs en hier kwam het bevel, dat de
hertog naar Vincennes moest worden overgebracht, waar hij den 20en Maart
aankwam. Alles ging met de grootste geheimzinnigheid, want aan niemand
mocht iets omtrent den gevangene worden meegedeeld en in Vincennes,
waar men niets wist van zijn komst, moest in allerijl een kamer voor hem in
gereedheid worden gebracht. Het bevel tot opsluiting was inmiddels
verschenen.

Dienzelfden nacht nog, want alles moest, volgens Bonaparte’s last aan
Savary, voor het aanbreken van den dag zijn afgeloopen, kwam onder
voorzitterschap van generaal Hulin op het kasteel een krijgsraad bijeen.

Page 284

Murat, gouverneur van Parijs, had dezen krijgsraad op de gebruikelijke wijze
samengesteld; over den beklaagde moest onverwijld een vonnis worden
geveld naar aanleiding van de punten van beschuldiging, welke in een
bijgevoegd besluit van het gouvernement waren vervat. Dit besluit luidde:

“Vrijheid.—Gelijkheid.

Parijs, 29 Ventôse, jaar XII der Één en ondeelbare Republiek.

“Het gouvernement der Republiek besluit als volgt:

“Artikel I.—De voormalige hertog van Enghien, verdacht van het dragen
van de wapenen tegen de Republiek, van ook nu nog in Engelsche soldij te
staan, van deel uit te maken van de komplotten, door deze mogendheid
gesmeed tegen de binnen- en de buitenlandsche veiligheid der Republiek, zal
worden gebracht voor een krijgsraad, samengesteld uit zeven leden, te
benoemen door den generaal-gouverneur van Parijs en zitting nemende te
Vincennes.

“Artikel II.—De groot-rechter, de minister van oorlog en de generaal-
gouverneur van Parijs zijn belast met de uitvoering van dit besluit.

De Eerste Consul
Bonaparte.”

Voor dezen krijgsraad erkende Enghien ruiterlijk, dat hij de wapenen tegen
de Republiek had gedragen, het laatst als bevelhebber der voorhoede van het
leger van zijn grootvader Condé; ook deelde hij mede maandelijks van
Engeland geld te ontvangen, maar nooit had hij in eenige betrekking gestaan
tot Pichegru of Dumouriez en gaf zelfs zijn afkeer te kennen van de
verachtelijke middelen, waarvan de eerste zich, naar hij gehoord had, wilde
bedienen. Dat hij bereid was wederom de wapens op te nemen ontkende hij
niet, integendeel, hij deelde zelfs mede, dat hij bij het uitbreken van den
oorlog aan Engeland had gevraagd dienst te mogen nemen in het Engelsche
leger; de Engelsche regeering had hem echter geantwoord hem daartoe niet
de gelegenheid te kunnen geven, maar dat hij aan den Rijn moest blijven,
waar hij een rol te vervullen zou hebben.

Page 285

Ten slotte vroeg hij om een onderhoud met den Eersten Consul, “mijn naam,
mijn rang, mijn wijze van denken en het gruwelijke van mijn toestand doen
mij hopen, dat hij mijn verzoek niet zal afwijzen,” voegde hij erbij.—

De nachtelijke beraadslaging had een paar uur geduurd en daarna ging de
krijgsraad tot beraadslaging over met het gevolg dat de krijgsraad hem met
algemeene stemmen schuldig verklaarde en hem ter dood veroordeelde. De
wetten op het dragen van wapenen tegen de Republiek waren zeer streng en
dat de jonge hertog er prijs op stelde de eerste te zijn, die de degen zou
trekken in den oorlog van Engeland tegen Frankrijk, dit laatste had vooral op
de leden van den krijgsraad, allen oude soldaten, o. a. de kolonels van de
Parijsche regimenten, een zeer ongunstigen indruk gemaakt.

Onmiddellijk moesten de maatregelen worden genomen om het vonnis te
voltrekken, want de last was zeer duidelijk geweest, dat alles voor het
aanbreken van den dag moest zijn afgeloopen. Wel had Enghien verzocht om
een onderhoud met den Eersten Consul te hebben, doch de krijgsraad had
zich niet gerechtigd geacht eigenmachtig op te treden en de executie van het
vonnis uit te stellen.

Nog voor het daglicht aanbrak, was de laatste telg der Condé’s in een der
grachten van het kasteel door Fransche soldaten gefusilleerd! Het drama was
afgespeeld en tegen zes uur had Savary van af de borstwering van het slot
zich overtuigd, dat aan het bevel van zijn meester was voldaan.

Nog denzelfden morgen deed Savary rapport over hetgeen was voorgevallen
aan Bonaparte, die zich echter ontstemd toonde over de groote haast, die
gemaakt was en over de mislukking van de opdracht aan Real gegeven om
Enghien te hooren omtrent punten, die in verband stonden met het proces
tegen Cadoudal en Pichegru.

Met betraande oogen kwam Joséphine daarna zijn kabinet binnen.—“Och,
och, wat heb je gedaan! Wat heb je gedaan!”

“Die ongelukkige kerels hebben te veel haast gemaakt,” gaf hij driftig ten
antwoord.—

Page 286

Bij het bekend worden van het vonnis ging er in Europa een kreet van
verontwaardiging op.

De Chateaubriand, de schrijver van Atala en van Génie du Christianisme was
door Bonaparte benoemd tot gevolmachtigd minister in Wallis (Zwitserland).
Toen hij kennis kreeg van hetgeen er in Vincennes had plaats gehad, vroeg
hij zijn ontslag alsof hij hiermee zeggen wilde: “Gij hebt een misdaad
gepleegd. Een gouvernement, dat zich bevlekt met het bloed van een
Bourbon, verkies ik, oud-uitgewekene, niet langer te dienen.”

“In Frankrijk,” zegt Talleyrand “verhief zich geen enkele stem tegen deze
daad van snood geweld. Dit is bedroevend doch waar; het kan alleen worden
verklaard door de angst van de natie voor het schokken van een
gouvernement, dat Frankrijk aan de anarchie had ontworsteld.” De
moordaanslag in de Rue Nicaise was blijkbaar nog niet vergeten.

Aan de hoven was men bewogen met het lot van den jongen hertog en
vertoornd op Bonaparte, maar van een krachtig protest was geen sprake.
Zagen we dat Baden een decreet uitvaardigde, waarbij aan de émigrés het
verder verblijf in het land werd ontzegd, ook Beieren en Hessen volgden dit
voorbeeld. Was men in de omgeving van de Pruisische koningin hevig
verontwaardigd op de gewelddaad van den Eersten Consul, de koning liet
door zijn minister aan de Fransche regeering zeggen, dat hij hoopte dat het
Bonaparte zou gelukken de samenzweringen tegen zijn persoon en het
gouvernement voor goed te vernietigen!

Rusland, juist met Engeland in onderhandeling over een verdrag om
geldelijke steun, verzette zich meer officieel. Een uitnoodiging aan
Oostenrijk om zich bij het protest aan te sluiten werd beantwoord met een
veelbeteekenend: “Nous sommes à la bouche du canon,” zoodat Rusland
alleen te Parijs om opheldering vroeg. Het kwam van een koude kermis
thuis, want Bonaparte gaf een vlijmend scherp antwoord terug, daarbij
doelende op den geheimzinnigen dood van Paul I. Terecht, want Rusland,
met zijn historie zoo vol van gewelddaden, had zeker het minste recht een
protest te doen hooren.

Page 287

Aan Zweden verschafte de zaak een mooie gelegenheid om zijn haat eens
flink te luchten en sinds dien werd er altijd gesproken van “Mijnheer
Napoleon Bonaparte.”

Meer dan een eeuw ligt er tusschen het heden en den dag waarop de hertog
van Enghien het leven liet. Veel van hetgeen toen nog in het duister lag, is
thans bekend. Intusschen hebben wij ook het tweede keizerrijk leeren
kennen met zijn heirleger van mouchards en agents provocateurs, een bende
uit de geheime middelen betaalde, gewetenlooze ellendelingen, die
menigmaal een onschuldig gezegde tot een misdaad tegen den staat wisten
op te blazen. Hoe dieper men doordringt in de bijzonderheden dier laatste
dagen van het Consulaat, hoe meer zich de overtuiging vestigt, dat de agent
provocateur en de betaalde spion onder de opperste leiding van den
gewetenloozen oud-Jacobijn, den gehaten en gevreesden minister van politie
Fouché, ook in het drama van Cadoudal en in de verdachtmaking van
Moreau en den hertog van Enghien een rol hebben gespeeld. Niets ontzag
Fouché om zijn persoonlijk belang te bevorderen en bij Bonaparte in het
gevlei te komen om weder tot minister van politie te worden benoemd,
hetgeen hem inderdaad ook gelukt is.

En niet alleen Fouché, maar ook Talleyrand heeft in deze zaak een
belangrijke rol vervuld en meegewerkt tot de afwikkeling van het drama. Hij
heeft er zich zelfs op beroemd, Napoleon tot een krachtig optreden te hebben
aangespoord. Was deze dan misleid? Naar onze meening, wat betreft
Enghiens aandeel in het komplot, wel, wat zouden anders zijne woorden:
“Mijn God, wat hebben de ellendelingen mij laten doen!” voor zin hebben,
toen hij later vernam, dat de hertog in die dagen nooit te Parijs was geweest
en dat hij ook nooit met Dumouriez in eenige relatie had gestaan.

Maar dit alles neemt niet weg, dat ook Bonaparte schuld treft, want de
schending van het neutrale grondgebied vindt geen verdediging met een
beroep op het meer voorkomen in de geschiedenis van dergelijke gevallen.
Deze schending was in hooge mate af te keuren.

Toch nam Bonaparte de verantwoordelijkheid ook van het vonnis geheel op
zich en dat standpunt heeft hij ook nog op St. Helena ingenomen, want in
zijn testament lezen wij: “Ik heb den hertog van Enghien doen gevangen

Page 288

nemen en vonnissen, omdat dit voor de veiligheid, het belang en de eer van
het Fransche volk noodzakelijk was, nadat was gebleken, dat de graaf van
Artois zestig moordenaars op mij had afgezonden. In een soortgelijk geval
zou ik wederom zoo handelen.”

Het echt Corsicaansche begrip van de vendetta kwam ook bij deze
terdoodbrenging terstond aan het licht, de Bourbons tegen de Bonaparte’s;
het leven van Bonaparte was op het spel gezet, men schoot op hem, welnu
hij eveneens op hen. De samenzweringen moesten eindigen, men hoort er de
eerste jaren ook niet meer van; het voorbeeld had geholpen; “het is
misschien een misdaad,” zegt Masson, “het is niet een fout.”

Al is het overtuigend gebleken, dat de hertog van Enghien, noch met
Dumouriez, noch met Pichegru in verbinding stond, al wist hij van het
komplot niets dan toen het iedereen bekend was, dit alles wist Bonaparte
niet, hij was door al wat hij had gehoord overtuigd, dat Enghien wel degelijk
daarbij was betrokken.

Dat Cadoudal en zijn chouans het op Napoleons leven hadden toegelegd
staat vast; dat Engeland dezen struikroover met goud steunde, valt niet te
loochenen en dat Drake, de Engelsche gezant aan het hof van Beieren, een
diplomaat van hoogen rang dus nog wel, eveneens tegen Bonaparte
samenspande is bewezen.

Persoonlijk heeft hij meegewerkt om dezen schavuit in een geborduurden
rok te ontmaskeren.

Vernemende, dat ook nog anderen den Eersten Consul naar het leven
stonden, had Drake o. a. durven zeggen, “dat het onverschillig was door
wien het beest werd neergeveld, als allen slechts terstond gereed waren om
aan de jacht deel te nemen.”

Bemerkende, welken indruk de moord van Enghien alom in het buitenland
teweegbracht, zond Bonaparte aan al de hoven van Europa een afschrift van
de correspondentie, tusschen dezen Drake en diens agenten gevoerd, om
hierdoor het bewijs te leveren, welke ellendige rol Engeland tegenover hem
speelde.

Page 289

1 Dr. A. Fournier, professor aan de universiteit te Praag.

2 Russische staatsarchieven.

Page 290

Hoofdstuk XIV.

Page 291

De Keizerskroon.

Het is zeker, dat Bonaparte nooit zoo’n hoog standpunt
heeft ingenomen in de oogen van de natie dan na den
vrede van Amiens. Zoowel de boer op het land als de
bezitter van goederen, zoowel de niet-beroepssoldaat
als de middenklasse in stad en provincie, ja allen,
alleen enkele onverzadelijken en ontevredenen uitgezonderd, wenschten den
vrede. Bonaparte had hem gebracht en hij verscheen daardoor in de oogen
van de natie als de overwinnaar en de vredestichter! Geschikter oogenblik
was er dus niet om zijn gezag voor goed te vestigen en Bonaparte was er de
man niet naar, dit juiste moment te laten voorbijgaan. Het Consulaat voor het
leven werd gevestigd en aan de inrichting van het staatsbestuur, maar ook
aan tal van andere maatregelen, als de instelling van het Legioen van Eer en
den terugkeer van vele emigranten, was het duidelijk zichtbaar, dat dit alles
slechts een overgang was tot nog hoogere macht en titel. De instelling van
een hof werd aangekondigd en al wat er geschiedde, duidde op de
uitwerking van het monarchale idee.

Dat echter het aanbieden van de keizerlijke waardigheid aan den Eersten
Consul een uiting is geweest van de dankbaarheid van het Fransche volk
tegenover den man, die na den val van het Schrikbewind en het Directoire
welvaart, voorspoed en rust had gebracht, kan niet worden gezegd. Alles
werkte er toe mede en reeds maanden waren de gemoederen in Frankrijk op
een verandering van den staatsvorm voorbereid.

De ontdekking van de samenzwering van Cadoudal veroorzaakte een
bijzonder gunstige stemming van de natie ten opzichte van Bonaparte en
hiervan werd door hem gebruik gemaakt om thans de vervulling van een
zijner liefste wenschen te verkrijgen. Fouché, de man, dien hij verachtte,
doch dien hij noodig had, al wilde hij dit niet erkennen, dreef hem uit

Page 292

eigenbelang letterlijk de trappen van den troon op, zijn omgeving zag er een
middel in tot vermeerdering van haar inkomsten en aan de meeste
familieleden was het niet onwelkom in de grootheid en de eer van Bonaparte
te deelen.

Het voorstel van het Tribunaat om hem als hoofd van de Republiek de
keizerskroon te schenken, deze erfelijk te verklaren en het goedkeurend
adres in denzelfden zin van het Wetgevend Lichaam, werden gevolgd door
de opdracht van den Senaat. (Mei 1804.)

Dat de natie, die eenige jaren te voren het hoofd van haar koning had
geëischt, thans eenstemmig dacht met den Senaat, bewees de uitslag van het
plebisciet van 1 December 1804. De vraag op Napoleons uitdrukkelijk
verlangen daarbij aan haar voorgelegd, was: “of ze de erfelijkheid der
keizerlijke waardigheid verlangde in de rechte, natuurlijke, wettige en
adoptieve lijn van Napoleon Bonaparte en van Louis Bonaparte, zooals die
was geregeld bij besluit van den Senaat van 29 Floréal van het jaar XI.”

Van de ruim drie en een half millioen thans uitgebrachte stemmen waren er
nog geen 2600 “tegen.”

Nauwelijks had Napoleon zijn nieuwe waardigheid aanvaard (18 Mei) of hij
begon met zijn gewone voortvarendheid te werken aan de inrichting van het
bestuur en aan het vaststellen der met deze verbonden waardigheden.

Het eerst dacht hij aan zijn vroegere ambtgenooten. Cambacérès werd
aartskanselier, Lebrun aartsthesaurier. Zijn broeder Jozef benoemde hij tot
groot-keurvorst, Louis tot connétable. Achttien zijner oude krijgsmakkers,
zooals Augereau, Lannes, Massena, Davoust, Murat, Berthier, Bernadotte,
Soult, Ney en Bessières werden maarschalk en ontvingen voor ’t meerendeel
tevens den titel van prins, hertog of graaf naar de plaatsen, waar zij hadden
gezegevierd.

Tot groot-officieren der kroon werden voorts benoemd: tot groot-
aalmoezenier zijn oom, de kardinaal Fesch, tot opperkamerheer Talleyrand,
tot hofmaarschalk Duroc, tot opperjagermeester Berthier, enz. De titels van
Hoogheid, Excellentie, Majesteit en Keizerlijke Hoogheid kwamen weder in

Page 293

gebruik. Het geheele arsenaal van betrekkingen, vormen en ceremoniën van
den vroegeren tijd werd tegelijkertijd met den geborduurden rok, den
staatsiedegen en den gegalonneerden steek weder te voorschijn gehaald. Het
is te begrijpen, dat al die nieuwe baantjes tevens goed werden betaald, zelfs
kreeg Talleyrand later jaarlijks 495.000 francs, ja de dotaties gedurende het
keizerrijk gegeven aan chefs van korpsen en ministers overtroffen voor
enkelen zelfs het bedrag van 1.000.000 francs!

Page 294

Napoleon I. Keizer der Franschen.

De eenige, die protest indiende tegen den nieuwen toestand, was de broeder
van den onthoofden koning, Lodewijk XVI, maar Napoleon nam van dit
protest geen notitie en duchtte het zoo weinig, dat hij het in zijn geheel in
den Moniteur liet opnemen.

Page 295

Den 10en Juni 1804 wees het crimineele gerechtshof van de Seine vonnis in
de zaak van George Cadoudal. Het veroordeelde hem en negentien van zijn
medeplichtigen ter dood; de overigen tot gevangenisstraf, Moreau tot twee
jaar detentie. Pichegru had zijn vonnis niet afgewacht maar, heette het,
zelfmoord gepleegd en zich in het begin van April in zijn cel opgehangen,
hetgeen niet best te verklaren is, want het was hem bekend, dat Bonaparte
plannen met hem had in Guyana en hij kon dus begrijpen, dat er voor hem
geen doodvonnis was te wachten. Napoleon, zooals hij van nu af aan zou
heeten, begon zijn regeering als zoodanig met een daad van
grootmoedigheid en genade. Acht van de twintig ter dood veroordeelden,
waaronder Lozier, generaal Lajolais, de markies de Rivière en Armand de
Polignac kregen gratie. De hechtenis van Moreau werd veranderd in
verbanning naar Noord-Amerika. Zijn goederen werden verbeurd verklaard.

Met elf man van zijn bende liet Cadoudal het leven op het schavot. Zijn
familie werd na den val van Napoleon door Lodewijk XVIII in den adelstand
verheven!!

Wel mag de laatste helft van het jaar 1804 een tijdperk heeten van groote
plechtigheden en schitterende feesten. Den 14en Juli, den gedenkdag van
Frankrijks vrijmaking, werd de instelling van het Legioen van Eer in de kerk
van het hotel der Invaliden plechtig ingewijd. Vier dagen later vertrok de
Keizer, vergezeld van een reusachtigen stoet grootwaardigheidsbekleeders
en groot-officieren der kroon, waaronder Jozef en Louis, naar het kamp van
Boulogne, om de versierselen der Orde daar zelf aan het leger uit te reiken.
Meer dan een maand bleef hij aan den oever der zee, voortdurend te midden
van zijn soldaten, vervuld met trots over de snelheid, waarmede de
toebereidselen tot een overtocht naar Engeland vorderden, terwijl hij door
zijn tegenwoordigheid allen tot nog meer inspannning opwekte, en niet
schroomde zich als de geringste matroos bloot te stellen aan al de gevaren,
die de vaak woelige zee en de nabijheid der Engelsche oorlogsschepen
opleverden.

Page 296

Eenmaal nam hij zelfs deel aan een aanval, door een flottille van
kanonneerbooten gewaagd op eenige vijandelijke fregatten, die de Fransche
kust te dicht waren genaderd en thans de ondervinding konden opdoen, dat
die kleine, vlugge schepen hun reusachtigen romp heel wat schade konden
toebrengen, doch zelf door hun laag boord zoo goed als ongedeerd bleven.

Tevens werden toebereidselen gemaakt voor de plechtigheid der
ordeverleening zelve, die den 15en Augustus, den verjaardag des Keizers,
zou plaats grijpen.—Met den rug naar de zee, op een heuvel, die het
omliggende terrein geheel beheerschte, werd een ijzeren zetel geplaatst, die
afkomstig heette van koning Dagobert. Achter dezen zetel verhief zich een
reusachtige tropee van wapenen en op den vijand veroverde vaandels. Een
geweldige kroon van gouden lauwerbladeren, waarboven paardenstaarten en
veldteekens der mamelukken golfden, bedekte het geheel. Op het schild en
in een helm van Bayard en Duguesclin, de helden uit Frankrijks roemrijk
verleden, gedragen door adjudanten-generaal, lagen de uit te reiken
eereteekenen.

Voor dezen troon schaarden zich in een halven cirkel al de regimenten, te
zamen meer dan tachtigduizend man, die onder maarschalk Soult in het
kamp van Boulogne en in dat van Montreuil waren bijeengebracht; de
nieuwbenoemde ridders, in pelotons geformeerd, stonden het dichtste bij den
Keizer.

Om den indruk te verhoogen was als verzamelpunt gekozen de plek, waar
eeuwen te voren Cesars legioenen het strand zouden hebben bereikt, en waar
de bouwvallen van een toren, naar hem genoemd, nog zichtbaar waren. Die
omgeving, die praal, die pracht, dat grootsche militaire vertoon werkten
electriseerend op het licht ontvlambare gemoed der soldaten. De
verschijning eener vloot van zeven en veertig oorlogsschepen, die, van
Havre komende, bij hooge zee, onder het dreunen van ’t kanon naar de
haven van Boulogne zeilde, werkte mede om de plechtigheid nog
aangrijpender te maken. Toen de Keizer, na het afnemen van den eed aan de
gedecoreerden, zich tot de troepen wendde en met luide, boven alles uit
klinkende stem vroeg: “En gij, soldaten, zweert gij de eer van Frankrijks
naam, uw vaderland, uw Keizer zelfs met gevaar van uw leven te zullen

Page 297

verdedigen?” klonk uit tachtigduizend kelen een allesoverweldigend: “Dit
zweren wij!” boven het loeien van de verbolgen zee uit, terstond gevolgd
door een even indrukwekkend: “Leve de Keizer!”

Dit oogenblik moet ook voor den imperator te midden van zijn trouwe
krijgers, waarvan velen reeds jaren onder hem dienden, even onvergetelijk
zijn geweest als voor allen, die er van getuige waren. Zijn gelaat glansde van
voldoening. Zijn oog straalde van trots.

Nog enkele dagen bleef hij in het kamp, inspecteerde de batterijen langs de
kust, opgeworpen om de transportvaartuigen te beveiligen tegen een coup de
main der vijandelijke vloot, bracht toen een bezoek aan België en de nieuwe
departementen langs den linker Rijnoever, vond te Maintz de keizerin, die
zich baadde in het genot van schitterende feestelijkheden en openbare
huldebetuigingen, bereidde hier de vorming voor van een Duitschen
Statenbond en de ontbinding van het eeuwenoude Roomsche Keizerrijk en
keerde in het midden van October naar de hoofdstad terug.

Ondanks het vele werk, dat dit alles hem gaf, had hij toch nog tijd gevonden
aan Frankrijks wetenschappelijke instellingen te denken en de organisatie
van de Polytechnische school, die der school voor burger-ingenieurs en die
voor de Studie van het Recht ter hand te nemen en te voltooien.

Nog wachtte den pas benoemden keizer een zeer belangrijke gebeurtenis
welke de bevestiging van het keizerrijk moest zijn: de kroning.

Ten einde het indrukwekkende van de plechtigheid te verhoogen en wel
wetende dat dergelijke ceremoniën de verbeelding van de natie treffen, wilde
Napoleon den paus doen tegenwoordig zijn bij die groote gebeurtenis.

De correspondentie met den paus was begonnen door eene briefwisseling
van Joséphine met hem; de onderhandelingen, welke hierop volgden met den
Heiligen Stoel, werden gevoerd door den reeds genoemden kardinaal Fesch.
Deze “oom Fesch,” evenals meer andere leden zijner naaste familie, in het
geheim geen groot vriend van zijn neef Bonaparte, was een ijdel en
bekrompen, maar stoutmoedig man. Hij had een eigenaardig leven achter
den rug. Tijdens de Republiek had hij den priesterrok uitgetrokken en was

Page 298

zelfs onder la Terreur commissaris van oorlog in Italië geworden. Zijn
gedragingen in dien tijd deden niet erg aan den oud-priester denken, want
groote rijkdommen wist hij zich toen te verwerven door aankoop van
meesterstukken uit de oude Italiaansche school, door de Fransche generaals
uit de musea gestolen en vaak voor een appel en een ei aan den sluwen
Corsicaan, die een goed kunstkenner was, overgedaan. Na den 18en van
Brumaire was hij, die door zijn afzondering en vrome houding vergiffenis
van zonden had verworven, weder geestelijke geworden en op voorspraak
van zijn neef door den paus tot kardinaal benoemd.—

Met zijn plaatsing in Rome, nog wel ter vervanging van den gematigden en
zeer voorzichtigen Cacault was de paus wel niet bijzonder ingenomen, maar,
hoewel op diplomatiek gebied een volslagen leek, kon Fesch in handen van
Napoleon een zeer bruikbaar werktuig worden voor de taak, welke Napoleon
in Rome voor hem bestemd had. De Chateaubriand, die in alles ver boven
hem stond, werd hem daar als secretaris toegevoegd.

Na de onderhandelingen had Napoleon in September van uit Keulen
schriftelijk den wensch te kennen gegeven van de overkomst. “Die daad zou
den zegen des Heeren, die in zijn raadsbesluiten over het lot der volkeren en
der huisgezinnen beschikt, op hem en op zijn volk doen nederdalen.”

Met eenige verbazing had men in Rome eerst dit verzoek ontvangen en al
was Pius VII een der eersten, die Napoleon met zijn keizerskroon had
gelukgewenscht, hij had er wel wat op tegen voor een dergelijk menschelijk
motief Rome zoo lang te verlaten. Ook bij het Heilige College vond
Napoleons uitnoodiging ernstige tegenkanting. Daar was men de
hoofdartikelen van het Concordaat en die inmenging van het wereldlijk
gezag in “zoogenaamd” geestelijke belangen nog volstrekt niet vergeten en
was de achterdocht tegen den nieuwen monarch zeer levendig.

Zelfs de gezant Cacault, die zooals we zagen te Rome voor Fesch had
moeten plaats maken, schudde over al die grootsche plannen het hoofd.
—“Zie nu eens aan!” zei hij, “de Keizer acht zich zelf een Karel de Groote.
Een zoon van hem zou zoo’n figuur kunnen worden, ja, doch hij zelf zal ten
allen tijde een Pepijn de Korte blijven. Met Albion zoo dicht bij de poorten
van Parijs is geen Karel de Groote denkbaar. Caprara (de kardinaal) heeft

Page 299

hem het hoofd op hol gebracht. Wat hebben ze mij mijn generaal en mijn
Eersten Consul bedorven! Hij luistert niet meer naar mij. Hij heeft mij
senator gemaakt—mij dus met stomheid geslagen.”

Toch zwichtte de paus ten slotte voor de bijna brutale betooggronden van
Fesch en voor de wel niet eerbiedige, doch tevens bevelende brieven van den
Keizer, die zich in een der laatste dezer o, zoo sluw en voorzichtig gestelde
epistels “zijn vrome zoon” had genoemd. Noch de lange reis, noch het
protest van Lodewijk XVIII of van de te Londen aanwezige, uit Frankrijk
gevluchte bisschoppen, weerhield den paus om aan het verzoek te voldoen.
Wat den paus er toe bewoog? Zeker niet eigen belang maar alleen het belang
van de kerk en de vrees, bij weigering haar bloot te stellen aan onherstelbare
slagen. Ook de angst voor bezetting van Rome door Fransche troepen had
hem zeker tot toegeven genoopt. In een college van kardinalen werd onder
zekere voorwaarden bij groote meerderheid van stemmen het plan
goedgekeurd, maar we kunnen ons voorstellen, dat velen onbewimpeld hun
afkeuring er over te kennen gaven.

Vooral de vermaarde pamfletschrijver de Maistre viel ’s pausen zwakheid
heftig aan en stelde deze nog beneden de misdaden van een Alexander
Borgia. Zelfs hoopte hij dat “die goedzak” het onderweg zou afleggen en
zijn “afschuwelijke geloofsverzaking” met den dood zou bekoopen.

Doch aan het besluit viel niets meer te veranderen. Alle bijkomende
bezwaren waren door Napoleon uit den weg geruimd.

De kosten van de reis zouden door Frankrijk worden gedragen; aan al de
eischen van etiquette, voor den Heiligen Stoel altijd een zaak van het
allerhoogste gewicht, zou worden voldaan. Ook was door Napoleon
uitdrukkelijk bedongen, dat de kroning door hem zelf verricht zou worden.

Vol angst voor allerlei denkbeeldige gevaren, die hem in dat “goddelooze”
Frankrijk wachtten, maar tevens innig overtuigd, dat hij dit offer moest
brengen ter verhooging van de glorie der kerk, aanvaardde Pius VII,
vergezeld van een aantal kardinalen, in de eerste dagen van November 1804
den langen tocht over de bergen. Een massa paternosters voor de dames der
hofhouding, een paar antieke vazen voor Joséphine en voor Napoleon twee

Page 300

antieke cameeën, eenig van bewerking en teekening, voorstellende Achilles
en Scipio’s zelfbeheersching, bracht hij als geschenken mede. Was zijn angst
op de reis over Piacenza, Parma en Turijn reeds eenigermate begonnen te
wijken bij het zien van den eerbied, waarmede hij overal werd begroet, te
Lyon verdween die volkomen om plaats te maken voor een nameloos gevoel
van verrukking.—Zijn oude raadsman Caprara had dus de waarheid
gesproken, toen hij beweerde, dat deze reis de kerk tot heil strekken en hem
zelf overgroote voldoening schenken zou!—

Te Lyon was de gansche bevolking van Provence, van Dauphiné en
Bourgogne samengestroomd om hem, den kerkvorst te zien, te eeren en
geknield zijn zegen te ontvangen.

Was dàt nu het volk, dat steeds in opstand heette tegen God en zijn gebod,
dat tronen omvergeworpen en een vorigen paus gevangen gezet had!

Den 25en November had in het bosch van Fontainebleau de eerste
ontmoeting met Napoleon plaats en hier werd de paus door de keizerin en de
leden der keizerlijke familie enz. opgewacht. Drie dagen later zegende de
kerkvorst van het balkon der Tuilerieën in ’t bijzijn van Napoleon de buiten
geknielde menigte. Welk een schouwspel in de Tuilerieën, waar twaalf jaar
geleden de meest gruwelijke tooneelen hadden plaats gehad. Dat alles voor
den paus was ingericht op de wijze als in het Vaticaan, een attentie van
Napoleon, trof den kerkvorst bijzonder. Welk een ontvangst te Parijs! Het
scheen half een droom voor den vromen man, die zelfs te midden van de
groote weelde, waarmede Napoleon hem deed omringen, in levenswijze en
voeding aan allen, die hem zagen, tot voorbeeld had kunnen strekken. Een
paar schoteltjes met in olie toebereide groenten vormden o. a. zijn
middagmaal.

Het is te begrijpen, dat de a. s. plechtigheid van de kroning voor tal van
familieleden, die daarbij zouden tegenwoordig zijn, reeds weken lang een
onderwerp van bespreking vormde en het vooral een zeer gewichtige zaak
was, welke rol ieder daarbij zou moeten vervullen. Bij het verdeelen van die
rollen tusschen de schoonbroeders en de zusters was in de eerste plaats de
vraag besproken, of Joséphine ook zou worden gekroond. Napoleon had met
zijn antwoord geaarzeld. De hartstochtelijke drift harer schoonzusters vooral

Page 301

van Murats vrouw Caroline, om bij de plechtigheid een hoofdrol te
vervullen, had de jaloezie van Joséphine in zoo hooge mate opgewekt, dat
zij, zich niet langer meester, op deze schoonzuster een toespeling maakte, in
haar wezen gelijkstaande met de afschuwelijke verdachtmakingen waarvan
niet de koningsgezinden alleen zich in dien tijd tegenover Napoleon
bezondigden, en die ook later door allerlei letterkundig gespuis zijn gebezigd
om den Keizer in de oogen der nakomelingschap te verlagen tot een monster,
voor wie zelfs de banden des bloeds niet heilig waren. Lodewijk XVIII vond
een beetje cronique-scandaleuse, waarvan zijn gevallen vijand het
onderwerp was, zelfs wàt aardig.

Verwoed was Napoleon opgestoven; zijn drift had over zijn liefde
gezegevierd; dreigend had hij haar het woord “echtscheiding” toegeslingerd.
Hortense en Eugène hadden ridderlijk de partij hunner moeder gekozen,
doch de Bonapartes hadden gejuicht over deze nederlaag der gehate
Creoolsche, “die haar man geen nakomelingen schonk.” Hierdoor was
Napoleon tot bezinning gekomen; hij had de kracht gemist de gezellin zijner
jeugdige jaren en haar twee kinderen, die hij zoo bijzonder genegen was, in
ballingschap te zenden; een omhelzing was gevolgd en daarbij de belofte,
dat Joséphine tegelijk met hem zou gekroond worden.

Schier kinderlijk blij was zij nu terstond voor haar toilet gaan zorgen.

IJdel en wuft, spilziek en lichtzinnig, een echt kind der tropen, doch
medelijdend en zielsgoedhartig tevens, werd zij volkomen terecht door de
Parijzenaars “de goede keizerin” geheeten en door hen letterlijk op de
handen gedragen. Vaak bedrogen, vaak misleid, bleef ze niettemin in haar
goeddoen volharden. Zij kon geen tranen zien en vergoot er zelve zooveel!
Ook haar hebben de jaloezie en de haat aan al wat met het huis Bonaparte
verwant was, niet gespaard. Niet geheel ten onrechte is haar verweten, dat zij
als de weduwe de Beauharnais onvoorzichtig is geweest en met den
verwaanden cynieken Barras op al te intiemen voet verkeerd heeft, niet ten
onrechte ook, dat haar gedrag in de eerste maanden van haar huwelijk
tegenover Bonaparte verkeerd was. De tijd echter, waarin die behaagzieke

Page 302

jonge vrouw, de vriendin van mevrouw Tallien, later bijgenaamd Nôtre
Dame de Thermidor, leefde, was een tijd van algemeene verdorvenheid van
zeden en zeker waar is het, dat uit diezelfde vrouw door haar innige liefde
voor Napoleon, een levensgezellin is geboren even vlekkeloos van
levenswandel als eenmaal de vrouw van Cesar Augustus. Zelfs de
boosaardige steken door Barras in zijn gedenkschriften op haar gericht, zijn
niet bij machte geweest dit feit te ontzenuwen. Voor den Keizer is zij een
brave, trouwe echtgenoote geweest, die hem aanhing met hart en ziel, die
hem daarbij dermate vereerde, dat zij hem nooit anders dan met “U” en
“Sire” toesprak.

Dat zij later om staatkundige redenen is verstooten, zij, die zooveel leed
gelenigd, zooveel smart verzacht had, hebben velen Napoleon nooit kunnen
vergeven.

Men houde ons deze kleine uitweiding ten goede, zij was hier, dachten wij,
niet misplaatst.

Joséphine had dus gezegevierd, ze zou worden gekroond, maar voor dit
geschiedde, behaalde ze een tweede overwinning. We zagen vroeger, hoe ze
bij het huwelijk van Louis en Hortense het verzoek achterwege liet om
evenals Murat en Caroline de kerkelijke wijding van haar huwelijk te
ontvangen. Thans echter wist ze het zoover te brengen. Nog altijd vreezende
voor een scheiding, bang voor de intriges aan het hof en die van Napoleons
broers, ook om godsdienstige redenen, vroeg zij een dag voor de kroning een
audientie bij den paus. Dezen vertelde ze, dat ze nooit voor een priester
gehuwd was en de paus gaf haar daarop ten antwoord, hetgeen zij wel had
voorzien, dat hij dan noch den Keizer, noch haar kon zalven overeenkomstig
de wetten en hoewel vertoornd op zijn vrouw, was Napoleon wel
genoodzaakt toe te geven. Zoo werd het huwelijk den 1en December in het
diepste geheim en zonder getuigen door “oom” Fesch nog kerkelijk gewijd.
Joséphine zorgde er wel voor van Fesch een certificaat te ontvangen en
eenmaal kerkelijk ingezegend, duchtte ze geen echtscheiding meer, want een

Page 303

kerkelijk gesloten huwelijk kon immers niet meer worden ontbonden! We
weten, hoe de tijd haar anders leerde.—

2 December 1804 was de groote dag!

Onder klokkengelui stroomde het volk door de met vlaggen getooide stad
naar de plaats der plechtigheid, de Nôtre-Dame. Voorafgegaan door den paus
kwam Napoleon, gevolgd door de keizerin, de prinsen en prinsessen de kerk
binnen, daarop volgden de maarschalken, dragende de kroon, de schepter,
degen enz. Met plechtige toespraken werden de verschillende initialen door
den paus aan den Keizer overhandigd, daarna zette hij zich zelf de kroon op
het hoofd en ontving daarop den pauselijken zegen.

Vervolgens nam Napoleon de kroon en plaatste deze op het hoofd van
Joséphine, die met tranen in de vriendelijke oogen voor het altaar geknield
lag; het was het meest aangrijpende oogenblik, alleen verstoord door den
perfiden glimlach van Talleyrand. Wat moet dit moment voor haar wel
geweest zijn, maar ook welk een gebeurtenis in het leven van den Corsicaan,
die zoo echt eenvoudig maar begrijpelijk tijdens de ceremonie zijn broer
Jozef aanstootende, zeide: “Jozef, als vader ons nu eens zag.”

De mooie rede van den kerkvorst, zijn waardige verschijning, verhoogde nog
de plechtigheid en toen Napoleon ten slotte den eed had afgelegd, daverde
een “Leve de Keizer” door de kathedraal.

De kroning maakte zoowel in als buiten Frankrijk grooten indruk en in
zoover had Napoleon dus volkomen zijn doel bereikt.

Pius VII vertrok niet direct na de kroning, maar bleef nog enkele maanden in
Frankrijks hoofdstad, het scheen den kerkvorst goed te bevallen en ten
onrechte heeft men wel beweerd, dat er niet de noodige egards voor hem
werden in acht genomen. Na in April van ’t volgende jaar nog het kind van
Louis en Hortense te hebben gedoopt, vertrok hij weder naar Rome, waar hij
in Mei aankwam, zoo al niet verheugd over den afloop der onderhandelingen
met Napoleon dan toch uiterst voldaan over de hartelijke ontvangst hem

Page 304

allerwege bereid en de groote piëteit, die de Franschen voor hem als hoofd
der kerk hadden aan den dag gelegd.

Het kind, dat de paus had gedoopt en welke plechtigheid met groot
ceremonieel was gevierd en waarvan aan alle hoven bericht was gezonden,
bracht, evenals het eerste kind, in het droevige huwelijksleven van Hortense
en Louis een lichtstraaltje; reeds van het begin af was de verhouding slecht
geweest. Louis, in den regel afwezig, had reeds in de eerste dagen van hun
huwelijk de weinige kieschheid gehad, Hortense in te lichten over het
vroegere leven van haar moeder en men zal erkennen, dat deze volstrekt
onnoodige mededeelingen niet bevorderlijk waren voor een goede
verhouding. Zijn hard en dikwijls onbillijk optreden tegen Hortense hadden
bovendien de uitwerking, dat zij in stilte leed en in de afwezigheid van haar
man, zonder haar hart uit te storten, in de omgeving van Napoleon en
Joséphine eenige vergoeding trachtte te vinden, voor ’t geen ze met Louis
samenwonende, volkomen miste. Wel scheen de komst van het eerste kind
eenige verandering ten goede te brengen, maar het was van korten duur en
de melancolieke man van vroeger, die het nergens kon vinden, telkens voor
ziekte naar het Zuiden moest en zich ook op politiek gebied niet bewoog,
zooals zijn broers, maakte het leven van Hortense inderdaad ongelukkig.
Wel nam hij ten slotte zijn betrekking van divisiegeneraal en lid van den
Staatsraad aan, maar noch het een, noch het ander had zijn belangstelling.

Geheel anders Jozef! We weten, hoe deze altijd in oppositie was tegen zijn
jongeren broer; wat had het Napoleon een hoofdbreken gekost bij de
regeling van het erfrecht, Jozef te voldoen. Nauwelijks was het hem bekend,
dat Napoleon het kind van Louis als zijn opvolger wilde aanwijzen of Jozef
ging direct aan het werk om voor zijn rechten op te komen en hierin vond hij
zoowel bij Lucien als Louis steun, zoodat deze zelfs door hem werd
overgehaald de aanwijzing van zijn kind als opvolger te weigeren. Napoleon
was geëindigd met Jozef naar Boulogne te zenden, waardoor hij niet in
Parijs kon komen en Napoleon de gelegenheid kreeg het erfrecht te regelen
op de wijze, zooals hij dat wilde, zonder dat Jozef hem hierin kon
weerstreven en tevens aanhangers kon winnen om zich tegen de plannen van
zijn broer te verzetten.

Page 305

Ten slotte was Jozef gezwicht. ’t Was dan ook al te verleidelijk; de
waardigheid van Prins met een tractement van één millioen, die van Groot-
Keurvorst met 333.333 francs en dan nog als woning een paleis, wie zou er
niet wat voor laten loopen, vooral als men dan nog binnen 6 weken twee
gratificaties ontvangt uit de “grande-cassette” van 300 en 50.000 francs! ’t
Was de moeite waard, doch ’t verzet van Jozef tegen zijn broer eindigde er
toch niet mee. Dat zat nu eenmaal in ’t bloed.

Dat Jozef zoo intiem was met Bernadotte, die ook al door zijn toedoen o.a.
maarschalk was geworden, hinderde den Keizer geweldig; dat hij zijn huis
inrichtte op zoodanige wijze dat daaraan lieden werden verbonden, die
Napoleon niet gezind waren, eveneens en toen Napoleon in October 1804
o.a. met Jozef overleg pleegde over de regeling der kroning, kwam het tot
een hevige uitbarsting tusschen de broers. Napoleon wist wel waar hem de
schoen wrong. Jaloezie tegenover Eugenius de Beauharnais en Hortense
speelde een hoofdrol en in het bijzijn van anderen kwam het soms tot heftige
scènes, waaruit Napoleons groote genegenheid voor zijn stiefkinderen ten
duidelijkste bleek. Ten slotte stelde Napoleon zijn broer voor de keuze òf
zich geheel uit het publieke leven terug te trekken, òf te blijven voortgaan
hem tegen te werken, òf zich openlijk met hem te verbinden. Napoleon zegt
hem openhartig, dat hij het laatste hoopt, maar geeft hem ook duidelijk te
verstaan, dat hij het tweede niet zal dulden en dat hij hem dan ook openlijk
als vijand zal beschouwen. Jozef onderwerpt zich en kiest het laatste; we
zullen zien, dat het meer schijn dan werkelijkheid was.

Van de zijde van Jozef dus verzet, met Lucien was de band reeds geheel
verbroken! Zagen we vroeger hoe deze broer in Portugal goede zaken had
gemaakt en van het aldaar verkregen geld goede sier maakte in Parijs en zich
grandioos inrichtte, een tweede huwelijk van Lucien met Madame
Jouberthon was de oorzaak van de verwijdering tusschen hem en Napoleon.
Juist in den tijd, dat Napoleon het plan had hem te doen huwen met een
Spaansche Infante, weduwe van den vorst van Etrurië, kwam Napoleon tot
de ontdekking, dat hij in alle stilte gehuwd was met Mme Jouberthon, een
toch al niet te gunstig bekend staande dame en dat niet alleen, maar zelfs
was er voor de sluiting van het huwelijk reeds een kind geboren. Het is te
begrijpen, dat de huwelijksvoorstellen van Napoleon bij Lucien weinig

Page 306

ingang vonden, maar eveneens, dat zijn broer, alles van het tweede huwelijk
hoorende, in woede ontstak. Aanvankelijk van plan ernstige maatregelen te
nemen, begreep Napoleon, dat deze toch weinig zouden uitwerken en het
wijzer was niets meer te doen, daar noch hij, noch ook zijn moeder eenigen
invloed op Lucien zou hebben. Eenmaal voor dit fait-accompli geplaatst,
eischte hij echter, dat Luciens vrouw niet den naam van Bonaparte zou
dragen. De jongere broer dacht er niet over naar den anderen te luisteren,
eischte wel degelijk dien naam voor zijn vrouw op en dat niet alleen, hij
wilde ook voor haar een plaats in de familie.

Het slot was, dat Napoleon hem gaf te verstaan, dat dit zoo niet kon gaan en
Lucien zich had te onderwerpen. Deze wilde dit niet en op het einde van
December 1803 vertrok hij uit Parijs naar Italië, zooals hij aan Jozef schreef
“met haat in het hart.” Wel kwam hij het volgend jaar in Parijs terug, wel gaf
hij te kennen geen afstand te doen van zijn aanspraken wat het erfrecht
betreft, wel deed Napoleon een uiterste concessie door hem te beloven in het
erfrecht ook hem een plaats te geven, onder beding dat zijn kinderen uit het
tweede huwelijk voor altijd bleven uitgesloten, het baatte alles niets; Lucien
eischte opname in de familie en in het erfrecht, Napoleon weigerde beslist.
Met Lucien werd gebroken; deze vestigde zich te Rome en de poging van
mama om Lucien weder in Napoleons gunst te doen opnemen, nog eenige
weken voor de kroning aangewend, had geen resultaat.

Was Lucien dus niet bij de plechtigheid op 2 December tegenwoordig, ook
Napoleons jongste broer Jérome ontbrak. Met het oog op het groote verschil
in leeftijd, Napoleon was 15 jaar ouder, kunnen we ons begrijpen, dat
Napoleon de zorg voor zijn opvoeding geheel op zich moest nemen en
tijdens het Consulaat zien we Jérome dan ook in de omgeving van Napoleon
en Joséphine; deze vond hem blijkbaar een aardigen jongen, maar verwende
hem in den grond en Jérome maakte daar flink gebruik van en leidde een
gemakkelijk en lui leventje. Uitgaan en pret maken waren zijn
hoofdbezigheden, terwijl het koopen van een reisnecessaire voor de som van
15000(!) francs wel voldoende bewees, dat hem de waarde van het geld niet
erg bekend was.

Page 307

Reeds waren er klachten van de broers ingekomen bij Napoleon over de
verkeerde wijze, waarop hij door Joséphine werd opgevoed en zoo werd
besloten hem eene opleiding voor zeeofficier te geven. Hij werd naar de
vloot gezonden om onder leiding van den admiraal Gautheaume, die zeer
strenge instructies van Napoleon kreeg, aan orde en tucht te gewennen.
Misschien, dacht Napoleon, zou hij een groote rol ter zee kunnen vervullen
evenals zijn broers in het leger en in de politiek! Aanvankelijk ging het goed
en kon Gautheaume gunstige rapporten over zijn discipel aan Napoleon
zenden. Jérome viel het niet moeilijk aan de nieuwe omgeving te wennen en
voelde zich ook ter zee geheel op zijn plaats. Dat hij de ernst van het leven
nog niet goed begreep, was met het oog op zijn jeugdigen leeftijd te
verklaren en dat hij na zijn aanstelling tot luitenant ter zee, in Parijs
teruggekeerd, deze bevordering duchtig vierde, eveneens. Toch schijnt hij
het wat al te bont te hebben gemaakt, want Napoleon zond hem spoedig
weer naar Nantes met bevel op een der schepen, de Epervier, te
embarkeeren. Wel duurde het nog eenigen tijd, voor hij aan den last voldeed
en zette hij in Nantes de festijnen van Parijs voort, maar eindelijk zien we
hem weer zee kiezen.

Zoo treffen we Jérome op zijn brik de Epervier in het begin van 1803 in de
West-Indische wateren aan; zelfs werd hij bij ontstentenis van zijn kapitein
door den vlootvoogd tijdelijk met het commando over een der schepen
belast, voorwaar voor Jérome, die het schip meer als een plezierjacht, dan als
een oorlogsschip beschouwde en op zijn schip nu en dan als huzarenkapitein
gekleed ging, een te verantwoordelijke betrekking. De gevolgen bleven dan
ook niet uit. Niettegenstaande de admiraal Villaret hem beval, ook met het
oog op den uitgebroken oorlog met Engeland, te vertrekken, haastte Jérome
zich niet, bleef lang op Martinique, zond ten slotte de Epervier naar
Frankrijk terug, maar ging zelf met enkele vrienden naar... de Vereenigde
Staten van Noord-Amerika, zoodat we hem in Juli van het jaar 1803 in
Washington aantreffen. Dit uitstapje kostte geld, maar Jérome wist raad. Hij
nam den vertegenwoordiger van Frankrijk aldaar, zekeren Pichon, in den
arm en deze moest hem geld geven, wat ook geschiedde. Zoo leefde hij er te
Washington en Baltimore lustig op los en dacht niet aan vertrekken, ook niet
toen een Fransch schip zich in de haven bevond en de gelegenheid voor
vertrek hem dus werd geboden.

Page 308

In Baltimore had hij kennis gemaakt met de nog jeugdige en mooie Miss
Elisabeth Patterson. De jongen, hij was pas negentien jaar, was spoedig
doodelijk verliefd en wilde huwen met de schoone Amerikaansche. De
consul trachtte hem er van af te brengen en waarschuwde Jérome, dat hij de
toestemming van zijn moeder moest hebben en dat dit huwelijk volgens de
Fransche wetten ongeldig zou wezen, maar het gelukte noch Pichon, noch
anderen hem te bewegen van het huwelijk af te zien. En Miss Patterson zelf?
Geen raadgevingen baatten, ook haar tot andere gedachten te brengen. “’t
Was beter één uur de vrouw van Jérome Bonaparte te zijn, dan van een ander
gedurende het geheele leven,” gaf ze als bescheid. Zoo werd de verbintenis
gesloten en zorgde vader Patterson wel, dat het huwelijkscontract de
duidelijke bepaling inhield, dat bij scheiding, hetzij door Jérome, hetzij
veroorzaakt door de verwanten, de dochter het recht had op het eigendom en
het volle genot van een derde der goederen van Jérome en tevens, dat bij
afwezigheid van Elisabeth dit aan de erfgenamen kwam!

Napoleon, dit alles vernemende, was ten hoogste ontstemd en wilde
natuurlijk het huwelijk niet erkennen. Ook eischte hij onmiddellijken
terugkeer naar Frankrijk, doch wel schrijft Jérome een zeer onderworpen
brief aan Talleyrand met belofte van terug te komen, maar in een brief aan
zijn moeder, waarin hij haar het huwelijk mededeelde, vermeldt hij niets
over den terugtocht, noch roert hij daarin het ernstige feit aan, dat hij vrijwel
desertie heeft gepleegd. Jérome neemt nu eenmaal alles nog al licht op; hij
blijft, viert feest, maakt pret en... schuld.

We kunnen dus niet zeggen, dat de verhouding tusschen Napoleon en zijn
broers tijdens de kroningsdagen zoo bijster goed was, aan de eene zijde stil
verzet met schijnbare onderwerping, aan den anderen kant volkomen
opstand en verwijdering.

Drie dagen later vierde Parijs wederom een luisterrijk feest, doch thans een
van zuiver militairen aard. Aan al de regimenten in de hoofdstad in
garnizoen en aan al de korpsen daar buiten, door den kolonel en een
keurbende zijner soldaten vertegenwoordigd, reikte Napoleon de nieuwe

Page 309

adelaars uit, die kostbare veldteekens, zwaar van zijde, borduursels en goud,
de zinnebeelden van eer en trouw, welke binnen weinige jaren zegevierend
door Europa zouden gaan om ten slotte in den reuzenslag van Waterloo weg
te zinken in een zee van bloed.

Page 310

Hoofdstuk XV.

Page 311

Oorlog in Duitschland.

Napoleons geduchte krijgstoerustingen aan ’t Kanaal
hadden de onrust in Engeland sterk doen toenemen,
doch Pitt was weder in het kabinet getreden. De partij
van den vrede had het onderspit gedolven.

Den 5en October had een Engelsch eskader weder het
bewijs geleverd, dat zeeroof nog altoos een zijner geliefkoosde middelen
was tot vermeerdering van zijn gezag op den oceaan. Vier Spaansche
fregatten met een lading van circa zeven millioen gulden aan boord waren
zonder oorlogsverklaring buit gemaakt en prijs verklaard, omdat Spanje
geweigerd had aan de Fransche schepen den toegang tot zijn havens te
verbieden. Uit niets was dus af te leiden, dat Engeland naar vrede verlangde.

Voor de grondvesting zijner dynastie dezen vrede vóór alles wenschende,
deed Napoleon in de eerste dagen van Januari 1805 toch nog een poging om
tot dezen te geraken. Voor de tweede maal schreef hij een brief aan
Engelands koning en bezwoer hem hierin “zelf aan de wereld vrede te
schenken en deze zoete voldoening niet over te laten aan een volgend
geslacht.” Bovendien wees Napoleon op het hooge punt van welvaart en
voorspoed, waarop Engeland stond; een oorlog was zonder nut en “de
wereld is toch groot genoeg, dat onze beide volken er kunnen leven.” Het
antwoord was koel en ontwijkend. Verschillende teekenen wezen zelfs er op,
dat het Pitt was gelukt den Frankrijk vijandigen geest op Europa’s vastland
weder tot oorlogswoede te prikkelen. Inmiddels verliep de gunstige periode
voor een landing; alles werkte tegen en machteloos tegenover de elementen,
die hij niet voor zijn wil kon doen bukken, moest Napoleon toezien, dat het
leger aan ’t Kanaal wederom een tijd tot werkeloosheid was gedoemd. Een
oogenblik rees in zijn machtig brein het plan op, een legermacht van
dertigduizend man om de Kaap de Goede Hoop heen naar Britsch-Indië te

Page 312

voeren, met de Mahratten tot bondgenoot dit land te veroveren en Albion op
die wijze te treffen, doch de hierbij te overwinnen bezwaren waren te groot.
Ten slotte bedacht hij een middel, dat wel uitvoerbaar was en waar hij
terstond een begin mee deed maken.

Bij zijn plan voor een landing op de Engelsche kust hing alles af van
tweemaal vier en twintig uur goed weer en van de aanwezigheid eener
Fransche vloot in ’t Kanaal, sterk genoeg om het daar onafgebroken
kruisende Engelsche eskader van vijftien schepen in toom te houden. Dus
ontving de admiraal de Villeneuve, opperbevelhebber over de circa zestig
Fransche en andere schepen, in de havens van Brest, van Rochefort, van Le
Ferrol en van Cadix verspreid, den last met die vloot in zee te steken en den
steven te wenden naar Martinique in West Indië.

Natuurlijk zouden de Engelsche eskaders in den Atlantischen Oceaan hem
dan derwaarts volgen.—Hun komst aldaar moest hij echter niet afwachten
doch, Martinique verlatende, naar Europa terugkeeren, noordwaarts om
Schotland heen naar het Nauw van Calais stevenen en het Kanaal-eskader
vernietigen. Dan kon de landing geschieden. Voordat de Engelsche vloot,
van Martinique terugkeerende, zijn spoor had gevonden, zou het pleit zijn
beslist.—

Aanvankelijk liep alles naar wensch. Alleen had Villeneuve slechts ruim
dertig schepen kunnen bijeen brengen; de Spaansche waren niet gereed.
Martinique werd bereikt, ook vroegtijdig genoeg weder verlaten, maar nu
richtte de admiraal den steven niet naar ’t noorden, naar Schotland, doch
naar ’t zuiden, naar Cadix, om hier de bij de uitreis nog niet slagvaardige
bodems af te halen. Een kort gevecht voor Ferrol volgde. De vloot leed
schade en nu bleef de admiraal te Cadix liggen “timmeren,” zoodat de vijand
al den tijd had om eveneens naar Europa terug te keeren. Toen kwam het
slechte weder, dat uitzeilen belette en ten slotte werd de vloot in de haven
van Cadix geblokkeerd.

Voorloopig zag Napoleon van verdere landingsplannen af.

Page 313

Opnieuw wijdde hij zijn aandacht aan de stoffelijke en zedelijke belangen
van zijn volk. Het Burgerlijk Wetboek kwam gereed, terwijl ook voor het
onderwijs maatregelen werden genomen om dit te verbeteren. In zijn jeugd
had hij de ondervinding opgedaan van hoe luttele waarde het onderwijs van
pastoors en geestelijken op de scholen was; ook had hij de
onverdraagzaamheid dier mannen tegenover andersdenkenden leeren
kennen. Hierin moest een radicale verandering komen en de eerste schreden
hiertoe had hij al gedaan. Het Concordaat had de positie geregeld van de
Fransche geestelijken tegenover den staat; zij waren door het land
bezoldigde, doch door den paus in hun geestelijk ambt bevestigde dienaren
geworden. Staatskerk was die van Rome niet geworden. Aan Pius gaf hij
onomwonden te kennen, dat hij van de Roomsch-Katholieke kerk als
staatskerk niet wilde weten; ieder geestelijke zou bij schending van de
wetten van den staat evenals ieder Fransch burger aan de bestaande
rechtbank worden overgegeven; bovendien deelde hij den paus mede, dat er
in de rijksscholen wel geestelijken zouden worden toegelaten tot het geven
van godsdienstonderricht, maar dat alleen de staat op de scholen gezag
moest uitoefenen, terwijl het onderwijs alleen door mannen van het vak
mocht gegeven worden. Als een balsem op deze wond beloofde hij den
kerkvorst op diens vraag of hij niets zou terugkrijgen van ’t geen hij in
grondgebied, o.a. de legatiën en inkomsten had verloren, dat hij in den
materieelen toestand van den Heiligen Stoel langzamerhand verbetering zou
brengen; ook wilde Napoleon zelfs terstond geldelijke steun verleenen, maar
hij gaf daarbij te kennen, dat hij geen verraad kon plegen tegenover een
staat, die hem gekozen had tot hoofd.

Dit laatste doelde op het nieuwe koninkrijk, dat uit de Italiaansche republiek
was voortgekomen en waarvan hem de kroon in het midden van Maart 1805
was aangeboden. Napoleon had pogingen aangewend om deze kroon aan
Jozef te geven, dit zou dan een soort compensatie zijn geweest voor zijn
afstand van het erfrecht in Frankrijk, waarvan Napoleon dan hoopte een
bepaalde afstandsacte in handen te krijgen; na eerst zoo goed als
aangenomen te hebben, had Jozef ten slotte toch bedankt tot groote
ontstemming van zijn broeder, die daarna nog een vergeefsche poging had
aangewend om de Italiaansche kroon voor een kind van Louis te bestemmen,

Page 314

terwijl het regentschap gedurende de minderjarigheid aan Napoleons
beslissing zou zijn gebleven.

Dat de geheele intrige van de aanbieding van dit koningschap over Italië
door Napoleon en Talleyrand was op touw gezet en uitgewerkt, vordert zeker
geen nader betoog. Europa had deze gedaantewisseling van Noord-Italië
verwacht; daar was men hem met plannen maken zelfs reeds voor. Zoo
heette het in die dagen reeds, dat hij aan Louis in Holland, aan Jozef in
Napels een kroon wilde geven, dat hij zijn oom Fesch tot Paus zou verheffen
en Zwitserland en Genua met Frankrijk wilde vereenigen; Spanje heette al
bestemd voor een derden broer. Zoo werd de publieke opinie vaak reeds
voor hem bewerkt, zonder dat hij hiertoe aanleiding gaf.

Toen alle toebereidselen gemaakt waren en de ijzeren kroon der
Lombardische koningen uit de schatkamer van Monza te voorschijn was
gebracht, ging Napoleon, vergezeld van Joséphine en een groot deel der
hofhouding, den laatsten April op reis naar Italië en gaf ook nu weder een
bewijs van zijn belangstelling in al wat de bevolking zelve of het algemeen
belang ten goede kon komen. Zoo liet hij o.a. te Lyon den last achter een
bewaarplaats te bouwen voor niet verboden handelsartikelen van vreemden
oorsprong, een brug over de Saône te hernieuwen, een graanhal te stichten
benevens een teekenschool. Acht dagen later hield hij zijn plechtigen intocht
in Milaan.

“God geeft ze mij. Wee hem die ze aanraakt!” werd het devies der orde van
de IJzeren Kroon. ’t Waren de woorden, door hem met luider stem
gesproken, terwijl hij zich in de hoofdkerk te Milaan de kroon der
Longobarden op de slapen drukte en zich tooide met den koninklijken ring,
den mantel en het zwaard. (26 Mei 1805.) Italië werd geschoeid op de leest
van het keizerrijk. Beslist was echter nog niet, wat met Italië zou geschieden,
wie n.l. Napoleon aldaar zou vervangen.

Terwijl hij zich te Milaan bevond werd er een geregelde correspondentie met
Pesaro gevoerd, waar Lucien vertoefde. Reeds vroeger had deze broer een
soort poging gewaagd met Napoleon op beteren voet te komen en de
gansche familie was in de weer om Lucien weder in genade te doen
aannemen, maar Napoleon bleef bij zijn vroegeren eisch, dat Mme

Page 315

Jouberthon niet den naam van Bonaparte mocht dragen, terwijl Lucien wel
wilde beloven, dat zijn vrouw niet aan ’t hof zou komen en het ook
goedkeurde, dat zij geen titel zou ontvangen, maar de twee dochters uit het
eerste huwelijk moesten deel uitmaken van de keizerlijke familie. Hierover
loopt in die dagen de briefwisseling van de broers, welke echter het
gewenschte resultaat niet heeft.

Vlijmend scherp is Napoleons antwoord aan de familieleden, waarin hij in
krasse bewoordingen Luciens gedrag afkeurt en hem verwijt de eer van zijn
naam en van zijn familie op te offeren aan een “oneervolle” vrouw. Toch valt
de beslissing over Italië nog niet. Nog hoopt hij op onderwerping en dan,
zoo had Napoleon beloofd, wachten hem schitterende vooruitzichten. Lucien
volhardt en den 7en Juni valt de beslissing over Italië, waar Eugenius de
Beauharnais tot onderkoning wordt aangewezen. Ofschoon pas vier en
twintig jaar oud, in administratief werk niet thuis en van de politiek nog niet
op de hoogte, benoemt Napoleon zijn stiefzoon tot dit belangrijk ambt, maar
waar broers renonceeren blijft hem niet veel anders over en Eugenius, die
het volkomen vertrouwen van zijn stiefvader genoot en bekend stond als een
ridderlijk, trouw soldaat, een der nobelste figuren uit die dagen van intrige
en onbetrouwbaarheid, zou onder leiding van Napoleon spoedig de bewijzen
geven, dat de keuze van zijn stiefvader niet zoo verkeerd was geweest.

De republiek Genua verzocht nog vóór Napoleons vertrek uit Milaan bij het
koninkrijk Italië te worden gevoegd.

De regeling der Italiaansche zaken had tusschen Napoleon en Jozef een
groote verkoeling doen ontstaan, terwijl de breuk met Lucien nu volkomen
was geworden. Tevergeefs had Jozef bij zijn plannen op zijn zuster Caroline
gerekend, deze had zich geheel van de broers afgescheiden, daar er met hen
niets was te verkrijgen en zij beter alleen, gesteund door haar man, Murat,
die als gouverneur van Parijs in de nabijheid van Napoleon vertoefde, van de
goede gelegenheid kon gebruik maken om van broerlief een en ander gedaan
te krijgen. Het gevolg was dan ook, dat aan Murat steeds meer waardigheden
werden opgedragen en hij o. a. tot prins van het keizerrijk benoemd werd.
Ook Caroline ondervond in stoffelijke dingen de groote voordeelen met
Napoleon op goeden voet te wezen, zooals bleek uit de groote toelagen, die

Page 316

haar en Murat ten deel vielen en het kostbare geschenk van bijna een
millioen francs na de geboorte van een kind aan Caroline bij haar eersten
kerkgang gegeven.

Had Elisa reeds vroeger Piombino, in Toskane, van Napoleon gekregen,
thans werd haar de kleine republiek Lucca als een prinsdom nog
toegewezen, terwijl haar gemaal Bacciochi den titel van prins van Lucca en
Piombino ontving. Dat Napoleon zijn zuster, die zich ook aan de politiek
begon te geven daardoor uit Parijs verwijderde was zeker ook een
hoofdmotief van deze benoeming. Elisa kon nu in haar gebied met de
130.000 inwoners naar hartelust aan de politiek doen en ze liet zich ook niet
onbetuigd, terwijl ze wel zorgde, dat haar onbeduidende man tevreden bleef
met den titel te voeren, zonder ook maar iets in het bestuur te zeggen te
hebben.

Dat de verhouding van Napoleon weer hersteld was en aan Borghese het
Fransch burgerrecht was verleend, had Pauline in hoofdzaak te danken aan
haar moeder, die nooit ophield in de bres te springen voor die kinderen,
welke in ongenade waren gevallen of die naar haar meening door Napoleon
niet werden behandeld zooals dat behoorde.

In de eerste maanden na de kroning vinden we de moeder in Parijs, eigenlijk
in afwachting van hetgeen Napoleon aan haar zou geven, want zij had noch
een titel, noch een of andere bezitting ontvangen en hierover had ze
meermalen haar ongenoegen te kennen gegeven en oom Fesch had er
vroeger reeds met Napoleon over gecorrespondeerd. Niet alleen kostte het
dezen nog al hoofdbreken welken titel aan haar te geven, maar het wekte
Napoleons ontstemming ook op, dat zij voor Lucien telkens opnieuw
opkwam in plaats van er voor te zorgen, dat Lucien zich onderwierp en het
huwelijk verbrak. Ook tegenover Jérome moest zij voor Napoleon partij
kiezen. Aan haar wensch werd echter voldaan en behalve den titel van
Madame-Mère werd haar een groot jaargeld toegewezen, terwijl ze een mooi
kasteel aan de Seine ter bewoning ontving, en haar zoon nog een aardige
som voor de meubileering verstrekte. Toch was het er verre van af dat mama
zich bijzonder dankbaar toonde; haar wenschen en begeeren reikten veel
verder. Ze was te veel Corsicaansche om niet te pogen, dat de Corsicanen in

Page 317

Frankrijk in betrekkingen werden geplaatst, maar zooals we vroeger reeds
zeiden, Napoleon dacht er niet over Frankrijk aan de clan over te leveren;
zorgvuldig waakte hij ervoor dat de verspreiding der Corsicanen over
Frankrijk werd voorkomen en bij de inrichting van de hofhouding van het
huis zijner moeder werden wel tal van personen van het oude en nieuwe
regime daaraan verbonden, maar aan de enkele Corsicanen in de omgeving
van zijn moeder, werden zelfs geen officieele functies gegeven. Het was,
vond Napoleon, al mooi genoeg, dat hij zijn broers en zusters zoo bedacht;
nog verder te gaan, daar dacht hij niet over en de tijd zou hem leeren, dat hij
zelfs met dit te doen, al veel te ver was gegaan en het woord van Stendhal:
“Het was gelukkiger voor Napoleon geweest geen familie te hebben gehad”
waarheid zou bevatten.

Intusschen meende Oostenrijk, dat zich bij den vrede van Lunéville zooveel
van zijn invloed op het lot van Europa had zien ontnemen, in Frankrijks
krijgstoerustingen tegen Engeland een geschikte gelegenheid te vinden om
weder de tanden te laten zien.

Reeds in Januari was de verhouding tusschen Napoleon en Frans II een korte
poos zeer gespannen geweest. Nu de eerste voor het kroningsfeest te Milaan
Fransche afdeelingen hierheen had samengetrokken, achtte de laatste dit een
aanleiding om zijn leger in Carinthië en Venetië op 40.000 man te brengen.
In Juli d. a. v. sloot Frans met Alexander van Rusland een bondgenootschap.
Deze zou twee legers, samen 100.000 man, vormen; het eene zou den 20en
October bij Braunau aan de Inn staan het andere naar Bohemen marcheeren.
Voorts zouden twee sterke landingskorpsen worden gevormd, bestemd
zoowel voor Napels als voor Pommeren om hier samen te werken met de
Zweden. Ook Engeland en Rusland waren vroeger reeds tot een
overeenkomst gekomen om Frankrijk tot zijn oude grenzen terug te brengen.
Napoleon was van dit alles wel op de hoogte en schreef o.a. aan Cambacérès
in Augustus, dat als Oostenrijk met de ontwapening geen begin maakte
Napoleon haar met 200.000 man een duchtig bezoek zou brengen, dat haar
lang zou heugen; door Talleyrands bemiddeling werden aan den
Oostenrijkschen gezant alle brieven ter inzage gegeven over de geheime
bewapening en Napoleon gaf duidelijk te verstaan alles terug te brengen tot
op den voet van drie maanden te voren, anders binnen een maand oorlog.

Page 318

“Indien uw meester den oorlog wil, mij best, maar zeg hem dat hij Kerstmis
niet te Weenen zal vieren,” zei Napoleon aan den Oostenrijkschen gezant.

Door Engelands millioenen gesteund, stonden in het najaar van 1805 met
uitzondering van Turkije weer dezelfde mogendheden tegenover Napoleon
als vroeger; hun doel was aan de steeds toenemende veroveringszucht van
den Franschen Keizer, getuige Italië en Genua, paal en perk te stellen. Dit
verbond, de 3e coalitie genoemd, was de kroon op het werk van Engelands
regeering, die niets onbeproefd had gelaten de mogendheden voor het
verbond te winnen. Alleen Pruisen, waar de koning binnen twee dagen na
mededeeling omtrent het instellen van het keizerrijk reeds antwoord had
gezonden aan zijn, “bon frère et ami” bleef voorloopig nog onzijdig. Geheel
alleen stond Frankrijk ditmaal niet; in Beieren, Wurtemberg en Baden vond
het steun.

Het plan van aartshertog Karel, den opperbevelhebber der Oostenrijkers, was
eenvoudig. Terwijl een leger van circa 60.000 man in naam onder
aartshertog Ferdinand, feitelijk onder den veldmaarschalk Mack, in
Duitschland de komst der Russen afwachtte, wilde hij met een macht van de
dubbele sterkte in Tyrol, doch hoofdzakelijk in Italië, aanvallend te werk
gaan en hier een beslissende overwinning trachten te behalen.

Napoleon bevond zich sedert den 3en Augustus weder in het kamp van
Boulogne, toen hij de tijding ontving, dat de Oostenrijkers, de Inn, de grens
van Beieren, den 16en waren overgetrokken. Een korte poos hoopte hij nog,
dat het eskader van Villeneuve het Kanaal zou binnenstevenen, de Engelsche
vloot vernietigen en hem zoodoende gelegenheid geven zou zijn grootsche
landingsplannen toch nog te verwezenlijken.—In de voornemens der
bondgenooten zou dit dan natuurlijk een geduchte verandering hebben
teweeg gebracht.—Eenmaal echter de zekerheid verkregen hebbende, dat de
Villeneuve niet naar ’t noorden maar naar Cadix was gezeild om te
“repareeren,” was zijn besluit genomen.

“Ik hef mijn kamp op, laat mijn veldbataljons door mijn derde bataljons
vervangen, houd aldus bij Boulogne nog een sterke macht over, sta den 23en
September met 200.000 man in Duitschland, met 25000 in Napels, marcheer

Page 319

naar Weenen en steek het zwaard niet op, voordat ik Napels en Venetië in
mijn macht en Beierens grondgebied zoodanig vergroot heb, dat er van
Oostenrijk niets meer is te vreezen,” zeide hij.

Murat, Bertrand en Savary kregen in opdracht een verkenningsreis te maken
langs den Neckar en den linkeroever van den Donau, de dwarswegen
tusschen de rivieren onderling en den Rijn hieronder begrepen. In enkele
uren dicteerde Napoleon aan Daru het gansche marschbevel van de
geweldige macht, die onder den naam van het “Groote Leger” nog verspreid
stond langs de kust over een frontlijn van tweehonderd uren gaans en welke
den 23en September moest staan in het vak Mannheim—Straatsburg.

De verschillende korpsen wel eens “de zeven stroomen” genoemd, onder
bekwame aanvoerders als Davoust, Soult, Lannes, Ney e. a. begaven zich op
marsch om het tot in onderdeelen vastgestelde plan van den Keizer na te
komen met als einddoel Weenen, waar men den Oostenrijkschen keizer het
beloofde bezoek zou brengen.

Zoolang Napoleon niet zelf het commando op zich had genomen zou Murat
hem vervangen.

Ten einde de aandacht van het buitenland uitsluitend op Boulogne gevestigd
te houden, bleef hij hier nog vertoeven en veranderde oogenschijnlijk niets
aan den toestand, doch verbood de dagbladen langs den linker Rijnoever
over de troepenbewegingen aldaar te spreken.

Het geheele leger met inbegrip van de hulpkorpsen der bondgenooten (te
zamen nog geen 30.000 man) telde ongeveer 219.000 krijgers. “Zeker
bestaat er in gansch Europa geen mooiere armee dan die, welke ik thans
bezit,” zei Napoleon en hij had gelijk. Een keur van oudgediende soldaten
vormde de minderheid ervan; het meerendeel behoorde tot de conscriptie
van 1804. Anderhalf jaar lang waren die mannen dus reeds onder de
wapenen, uitstekend geoefend, goed georganiseerd en nog niet door de
ontberingen, de gevaren en de uitputtende diensten van den oorlog verzwakt.

Jonge uitmuntende generaals voerden hen aan. Van de zeven
korpscommandanten waren alleen Augereau en Bernadotte de veertig

Page 320

gepasseerd.

Drie er van, Lannes, Soult en Ney waren zoo oud als de Keizer zelf. Davoust
was nog één, Marmont zelfs nog vijf jaar jonger. Van de divisiegeneraals had
de helft den veertigjarigen leeftijd nog niet bereikt. Al die mannen, in de
volle kracht van het leven, zagen een toekomst vol grootheid en roem
tegemoet, waren vol energie en krijgsvuur, kenden den oorlog en Napoleons
wijze van aanvoering en waren gewoon zijn bevelen onvoorwaardelijk te
gehoorzamen.

Een enkel woord over het ontstaan dezer bevelen, ontleend aan Jomini, den
grooten strateeg, die langen tijd Ney’s chef van den staf was, vinde hier zijn
plaats.—De eigenlijke chef van zijn generalen staf was Napoleon zelf.
Gebogen of liggende over een kaart, waarop de standplaatsen zijner korpsen
en de vermoedelijke stellingen der tegenpartij door spelden met koppen van
verschillende kleur,—rood en zwart—waren aangegeven, gewapend met een
passer, die steeds openstond voor een afstand van zeven of acht uur gaans in
rechte lijn, dus, rekening houdende met de krommingen der wegen, voor een
marschdag van negen of tien uur, beoordeelde hij in een oogwenk het aantal
dagen, voor ieder korps vereischt om op een bepaald tijdstip een zeker punt
te bereiken. Terwijl hij spelden in die nieuwe punten stak en de voor elke
colonne gevorderde snelheid in verband bracht met het hiervoor zoo
mogelijk te stellen uur van afmarsch, dicteerde hij zijn “aanwijzingen.”

Een algemeen legerbevel vaardigde hij zelden uit, want het kon den vijand in
handen vallen.—Zijn onderbevelhebbers lichtte hij betreffende zijn
operatieplannen meestal niet in, uit vrees, dat het geheim er van in het leger
niet zou bewaard blijven.—“Den vijand verrassen in ruimte en tijd” was zijn
stelregel.—Iedere korpscommandant kreeg dus meestal alleen kennis van ’t
geen hij zelf in verband met den algemeenen toestand had te verrichten en
van ’t geen zijn nevenkorpsen zouden doen.

Ongeëvenaard zijn de kracht en de oorspronkelijkheid, door hem hierbij in
zijn woorden gelegd. Men voelt als ’t ware de onmogelijkheid om aan zulk
een bevel niet te gehoorzamen.—“Niet naar bed, voordat u mij al die détails
hebt gemeld,” schrijft hij aan Bernadotte.—“Ik wensch u geluk met uw
succes. Maar geen rust nemen nu; den vijand achterna met het staal in de

Page 321

ribben en hem van al zijn verbindingen afgesneden,” krijgt Murat van hem
in last.—“Is de vijand niet te Memmingen, dan als de bl... terug tot op onze
hoogte,” kan Soult in zijn order lezen, daarna in een tweede: “Ik geef u in
overweging uw adjudanten en ordonnansen hun paarden desnoods te laten
doodrijden. Verdeel ze in relaisposten langs den weg naar Weissenhorn,
maar bericht moet ik zoo snel mogelijk van u krijgen.”

De uitwerking van de bevelen, het regelen van de bijzonderheden en de zorg,
dat de orders aan de armee werden bekend gemaakt, dit alles was het werk
van den Chef van den Generalen Staf Berthier. Gedurende tal van jaren heeft
deze werkzame man onschatbare diensten in deze functie aan Napoleon
verleend, daarbij altijd zorgende nooit in de plaats van zijn meester te treden,
maar stipt zijn bevelen uit te voeren. Niets was den Chef van den Generalen
Staf ooit te veel, geen werk was hem te zwaar en toen Napoleon eens tegen
Daru zei, dat hij een werkezel was, gaf deze ten antwoord, dat hij in negen
dagen en nachten niet had geslapen, maar dat Berthier hem ver overtrof,
want deze had in dertien dagen en nachten geen oog dicht gedaan.

Den 21en September vernam de Senaat door Talleyrand in tegenwoordigheid
des Keizers de grieven, welke deze tegen het Kabinet van Weenen had. De
Senaat beantwoordde deze mededeeling met het beschikbaar stellen van
30.000 conscrits der lichting van 1806 en met een plan tot reorganisatie der
nationale garde. Zoolang het leger zich op vreemd grondgebied bevond, zou
deze zorgen voor de handhaving der orde en voor de verdediging van de
grenzen en de versterkte plaatsen.

Vergezeld van Joséphine, die hem tot Straatsburg uitgeleide zou doen,
vertrok Napoleon den volgenden dag naar den Rijn, terwijl Jozef, die ook
naar het leger moest vertrekken, ten slotte, geheel naar zijn zin in Parijs
bleef, om tijdens Napoleons afwezigheid in zijn plaats te treden, meer echter
in naam, dan in werkelijkheid.

In den loop van September had Mack de rivier de Iller en de positie van Ulm
verkend en besloten de komst der Russen niet af te wachten, doch achter die

Page 322

rivier en bij Ulm een verdedigende stelling in te nemen, terwijl hij zijn
onderbevelhebbers order had gegeven in die lijn bij hem aan te sluiten.

Deze order zou nimmer tot uitvoering komen. Den 5en October stond zijn
leger nog verspreid langs de Iller in Vorarlberg, in Tyrol en bij het meer van
Constanz. Van het plan zijner tegenpartij had hij nog geen flauw begrip.

Uit het bevel tot samentrekken tusschen Mannheim en Straatsburg viel reeds
af te leiden, wat het plan des Keizers was. Terwijl zijn cavalerie Mack in den
waan bracht, dat hij, den Rijn gepasseerd, door de passen van het
Schwarzwald vooruitrukte, moest de hoofdmacht de passen van dat zware
bergterrein rechts laten liggen, in oostelijke richting marcheeren en daar een
rechtsche zwenking verrichten, front naar den Boven-Donau. Bleef Mack
dan achter de Iller staan, trok hij niet terug naar Tyrol dan moest die
hoofdmacht hem insluiten en tot capitulatie dwingen.

“Wee den Oostenrijkers, als ze mij eenige dagmarschen op hen laten
winnen! Dan kom ik met mijn geheele leger tusschen de Lech en de Isar,”
zei de Keizer een der laatste dagen van September, toen zijn cavalerie reeds
lang op marsch was. En de volgens Napoleon, “zeer middelmatige” Mack
liet zijn tegenpartij, onbewust van het dreigende gevaar, dien voorsprong
krijgen; steeds nauwer werd de kring, waarin Ney, Lannes en Soult hem
sloten; den 15en October vermeesterde Ney de Michelberg ten noorden van
Ulm en vijf dagen later capituleerde Mack met het overschot van zijn leger.
Zoo had Napoleon in vijftien dagen met een verlies van nog geen 2000 man
een leger van bijna 100,000 strijders uiteengeslagen of gevangen genomen.

Onmenschelijk zwaar was de taak van de infanterie geweest. Van den 8en af
had het onophoudelijk zoo geweldig geregend, dat de wegen grondeloos
waren geworden, de paarden stervende neervielen voor de voertuigen en
alleen maraude op groote schaal en een gestadige jacht op het in die streken
zeer talrijke wild de soldaten in ’t leven deden blijven.

Napoleon had zich door dit hondenweer niet laten weerhouden en was zelf
overal in het dichtste gedrang geweest. Den 15en bij de brug van Elchingen
een zwaar gewonden artillerist ziende, die hem niettemin nog salueerde,

Page 323

schonk hij hem zijn eigen kruis van het Legioen van Eer. Een grenadier uit
Egypte, die met doorschoten lichaam en naar boven gewend gelaat in den
slagregen lag en toch nog: En avant! riep, dekte hij toe met zijn eigen
overjas: “Breng mij die terug en het kruis en pensioen zijn je deel,” voegde
hij er bij. Een kleine gewonde tamboer, die half bewusteloos in een
boerenwoning naast den brandenden kachel lag en begon te mopperen, toen
men hem wilde wegjagen, omdat men daar voor den Keizer een onderkomen
had gemaakt moest op zijn last met rust worden gelaten. Dus sliepen
Napoleon en een tamboer bij één vuur, terwijl een drom van generaals over
dien slaap waakten.

Zoo leefde de veldheer met zijn krijgers. Wie zou hem niet hebben gevolgd,
overal waar hij voorging?

Dat de Keizer voldaan was over dit begin van den veldtocht laat zich
begrijpen. Aan Joséphine schrijft hij den 19en: “Ik heb mijn doel bereikt, ik
heb het Oostenrijksche leger vernietigd eenvoudig door marschen. Ik heb
60,000 gevangenen gemaakt, waaronder 30 generaals, 120 kanonnen
genomen, terwijl 90 vaandels in onze handen zijn gevallen. Ik ga mij nu op
de Russen werpen, ze zijn verloren. Ik ben tevreden over mijn leger...” Dat
mocht hij zijn en wat zijn infanterie vermocht zou weldra nog krachtiger
blijken, want de veldtocht was niet ten einde; deze begon nu eerst.—“De
Russische armee, die door Engelsch goud van de uiterste grenzen der wereld
herwaarts is gevoerd, moet hetzelfde lot ondergaan,” had Napoleon in zijn
proclamatie aan de troepen gezegd. Een gedeelte van die armee onder
Kutusof stond reeds bij Braunau aan de Inn.

Terwijl Massena met zijn kleine macht in Italië den strijd aanbindt met
aartshertog Karel, dezen, nu Mack geslagen is, op zijn terugtocht over de
Etsch, de Brenta en de Tagliamento nazet en hem eindelijk bij Castel Franco
het zwaarste verlies toebrengt, terwijl Marmont eerlang door het bezitten van
Leoben het leger van den aartshertog belet iets van belang tegen Napoleons
rechterflank te ondernemen, breekt deze van Ulm op. Van de Lech wordt een
tijdelijke nieuwe operatiebasis gemaakt en nu begint hij in een zoo breed
mogelijk front,—om aan den kost te komen, want magazijnen had hij niet—
den zwaren tocht naar het Oosten, dwars door Beieren en Oostenrijk heen,

Page 324

niet langs goede, harde wegen, maar langs zandwegen, mul en slecht, of,
zooals de rechtervleugel onder Ney en Marmont langs bergpaden, steil en
ongelijk. Het doel is Weenen.

Ging de veldtocht voor de Franschen zeer voorspoedig, ter zee was op den
dag na de capitulatie van Ulm een nederlaag geleden zóó groot, dat daarmee
voorloopig over de heerschappij ter zee ten voordeele van de Engelschen
was beslist. Den 21en October was het admiraal Nelson gelukt de vereenigde
Fransche en Spaansche vloot onder de Villeneuve bij Kaap Trafalgar, niet
ver van de haven van Cadix, een nederlaag toe te brengen, zoo geducht, dat
Frankrijk de gevolgen ervan in jaren niet zou te boven komen. Een zware
storm had het overschot der ontredderde schepen ten slotte overvallen. De
Villeneuve had zich moeten gevangen geven. Alleen de wetenschap, dat
Engelands grootste vlootvoogd te midden van de zegepraal was gesneuveld,
kon den Keizer eenigen troost schenken. Aan zijn grootsche plannen tegen
Engeland was nu met één slag een einde gemaakt; zijn reusachtige
toebereidselen te Boulogne en langs de kust waren vergeefsch geweest.

Page 325

Zuid-Duitschland.

Dat de Keizer ontstemd was over den geleden nederlaag laat zich begrijpen,
maar hij ging in zijn verbittering over dit verlies veel te ver. Aan de
couranten liet hij verbieden over Trafalgar te schrijven. Niet aan het beleid
van Nelson, aan den storm na den slag was de ondergang van zooveel
schepen te wijten, beweerde hij. Tegen de scheepskapiteins, die het gevecht
ontweken of door hun verkeerde manoeuvres tot de ramp hadden
bijgedragen, deed hij geen vervolging instellen, maar ook weigerde hij
halsstarrig eenige belooning toe te kennen aan die honderden andere
officieren en schepelingen, die zich als helden hadden gedragen, die de eer
der vlag hoog gehouden en hun totaal ontredderde schepen ten slotte nog in
een der Spaansche havens gebracht hadden. Een pijnlijk contrast maakte hij
zoodoende met de manier, waarop de koning van Spanje aan zijn zeemacht
niettemin bewijzen van achting en erkentelijkheid schonk.

Page 326

Den 13en November wordt Oostenrijks hoofdstad bereikt. Nergens heeft
Kutusofs achterhoede ernstigen wederstand geboden; zelfs Braunau met zijn
magazijnen vol buskruit en schietvoorraad is zonder slag of stoot door hem
ontruimd; alleen zijn de bruggen overal vernield. “De menschen hier hebben
geen aanvoerders meer. Een panische schrik heeft zich van hen meester
gemaakt,” zei Napoleon terecht. De Russische generaal was in vollen aftocht
naar het noorden de Donaubrug bij Krems over, naar Brünn en Olmütz, naar
het tweede Russische leger in Moravië.

Den 1en November hadden Lannes en Soult de boorden van de Inn verlaten;
in dertien dagen had hun infanterie 32 Duitsche mijlen, in rechte lijn
gemeten, afgelegd en Davoust in zestien dagen, dwars door het gebergte, 40
mijlen.

Slechts één verlies was onderweg geleden. Door een minder juist inzicht in
den toestand had Napoleon aan Mortier bevel gegeven van af Passau den
linker Donauoever te volgen. Den 11en door Kutusof bij Dürrenstein
aangegrepen, had dat korps, dat van den rechteroever niet kon worden
ondersteund, zwaar geleden; een der divisiën was zoo goed als vernietigd.

Maar Weenen was bereikt!

Dit succes was Napoleon echter niet voldoende. Het Russische leger moest
worden verslagen!—Hiertoe moesten de bruggen ten oosten van Weenen
over den Donau, die door de Oostenrijkers bezet en wel tot vernieling
voorbereid doch niet vernield waren, in zijn bezit komen. Aan Murat, die de
voorhoede commandeerde, en aan Lannes had hij hiertoe bevel gegeven. Een
zooal niet bloedig, in elk geval langdurig gevecht om ’t bezit er van was dus
te verwachten, toen een krijgslist van deze maarschalken—een
ongeoorloofde zet—hun dien overgang zonder slag of stoot in handen
speelde.

Een paar dagen te voren had keizer Frans, die het overschot van zijn leger
onder Kienmayer aan Kutusof had toegevoegd, een adjudant naar Napoleon
gezonden om te onderhandelen. Wel was er van deze onderhandelingen niets
gekomen, doch het praatje van een wapenstilstand had bij beide partijen toch
reeds de ronde gedaan.

Page 327

Van dit losse gerucht maken Murat en Lannes thans gebruik.

Door slechts enkele Duitsch sprekende officieren vergezeld, hun infanterie
een weinig achter zich latende, wandelen zij de voorste Donaubrug op. Wel
vallen er enkele schoten, maar op hun roepen, dat er wapenstilstand is,
wordt dit vuur gestaakt. Bedaard blijven zij voortgaan, praten met den
sergeant, die tijdelijk aan ’t begin van de langste brug het bevel voert en niet
durft handelen, bereiken de overzijde, rukken een onderofficier, die de zaak
toch niet vertrouwt en de brug in brand wil steken, de lont uit de handen,
gaan op een der vuurmonden zitten, welke den overgang in de lengte
bestrijken, en maken ten slotte generaal Auersperg, die daar commandeert en
in allerijl is gewaarschuwd, zelfs wijs, dat de bruggen aan hen moeten
worden overgegeven.

Intusschen zijn Oudinots grenadiers vooruitgegaan; zij beginnen de
kanonnen in te sluiten; en als Auersperg ten slotte aan al die mooie praatjes
van Murat geloof slaat, zijn troepen verzamelt en afmarcheert, is Napoleon
meester van ’t terrein.

Cassatie met eerloosverklaring, gevolgd door sleuren op een horde naar ’t
schavot om hier te worden onthoofd, was de straf die de krijgsraad over
Auersperg uitsprak. Keizer Frans veranderde ze in levenslange
gevangenisstraf.

Een paar dagen later liet Murat zich op zijn beurt door den sluwen Kutusof
verschalken. Deze zond n. l. prins Bagration als parlementair naar
Hollabrünn deed Murat hier de stellige verzekering geven, dat er te Weenen
tusschen de twee keizers een wapenstilstand was gesloten, en deed hem
voorstellen het zwaard voorloopig nu ook in de scheede te steken.

Murat stemde toe en onder achterlating eener sterke achterhoede tegenover
Hollabrünn trok Kutusof, van ’t terrein gebruik makende, nu met zijn
uitgeputte mannen zoover weg in de richting van Znaim, dat van inhalen
geen sprake meer was, en hij zich vereenigen kon met het tweede Russische
leger, dat hem was te gemoet getrokken en Olmütz reeds naderde.

Page 328

Toen Napoleon hoorde hoe leelijk zijn zwager zich had laten beetnemen,
werd hij boos.—“Hij doet mij de vruchten van den ganschen veldtocht
verliezen,” zeide hij. Oogenblikkelijk moest Kutusof met alle kracht worden
nagezet.

Thans begon die bij Hollabrünn staan gebleven Russische achterhoede
echter een woord mede te spreken. Verwoed werd daar den ganschen dag
gevochten; in het geheele stadje bleef geen enkel huis overeind; alles
verbrandde, ook honderden zwaar gekwetsten, die dezen helschen oven niet
hadden kunnen ontvlieden.

Eenmaal Brünn met geforceerde marschen bereikt, altoos Kutusof achterna,
deed Napoleon zijn uitgeputte soldaten halt houden. Door die onafgebroken
zware marschen was het aantal achterblijvers en maraudeurs bij de
verschillende korpsen reusachtig toegenomen. Van het regiment gardejagers
te paard alleen mankeerden niet minder dan vierhonderd ruiters, ruim een
derde van de sterkte. Wel sloten die achterblijvers zich in de eerstvolgende
dagen grootendeels weder bij hun regimenten aan, doch in de sterktestaten,
welke Napoleon ontving, was het cijfer “present onder de wapens” veel te
hoog, dus onbetrouwbaar. De regimentscommandanten wisten dit; alleen de
omstandigheden, waarin zij verkeerden, vergoelijkten dit misbruik
eenigermate. Door de snelle marschen zonder magazijnen of voertuigen kon
lang niet altijd in het onderhoud van man en paard worden voorzien; dan
moest vaak ver van den marschweg gefourageerd worden op een manier, die
vrijwel met stroopen gelijk stond. Oogluikend werd zelfs toegelaten, dat
geheele detachementen, in strijd met ’s Keizers bevelen, in den omtrek
gingen maraudeeren.—De menschen en paarden moesten toch eten, werd
gezegd; maar de krijgstucht leed er onder.—Dit euvel heeft Napoleon nooit
kunnen meester worden. Zijn wijze van oorlogvoeren zonder magazijnen of
nasleep had les défauts de ses qualités.

Page 329

Page 330

Hoofdstuk XVI.

Page 331

Austerlitz. Vrede van Presburg.

Elf dagen verliepen, voordat de wapenen opnieuw
beslisten, een betrekkelijk lange tijd, welken Napoleon
gebruikte om alle korpsen bij zich aan te trekken, die
niet ten zuiden van den Donau noodig waren om
aartshertog Karel in het oog te houden en voor de
veiligheid der verbinding met Weenen te zorgen.

Toen hij zijn hoofdkwartier te Brünn vestigde, stond zijn leger, front naar het
noordoosten, over een breedte van circa 50 Duitsche mijlen verspreid. In
vier dagen kon hij echter ongeveer 85.000 man bij Brünn bijeenbrengen.
Ongeveer dezelfde sterkte had het Oostenrijksch-Russisch leger onder keizer
Alexander bij Olmütz.

Den 28en zond hij Savary met een onbeduidend schrijven naar dezen om te
weten te komen, wat er ginds voorviel. Ditzelfde wilde de Russische keizer
op zijn beurt ook doen; terwijl Savary werd ontvangen in ’t midden van het
leger, dus een indruk ontving van ’t geheel en zien kon, dat de opmarsch in
de richting van Brünn was begonnen, ging Napoleon den adjudant zijner
tegenpartij tegemoet tot aan de uiterste lijn der voorposten en trachtte hem
zelfs een ongunstigen indruk te doen krijgen van de tenue, de uitrusting en
de houding zijner soldaten.

De bondgenooten rukten dus voorwaarts. Zij wilden blijkbaar aanvallen op
hèm en niet—wat in hun geval veel verstandiger zou zijn geweest—in hun
sterke stelling bij Olmütz afwachten, tot hij afkwam op hèn.

Onder die omstandigheden besloot Napoleon om niet een “gewonen”
veldslag te leveren maar een, die, bracht hij de overwinning, voor de
tegenpartij met vernietiging zou gelijk staan. De prachtige stelling, die de
hoogten van Pratzen ten westen van het dorp Austerlitz hem aanboden,

Page 332

bezette hij dus niet, wel het meer westelijk en lager gelegen terrein hiervan
achter de Goldbach, een beek, die van het noorden naar het zuiden tusschen
tamelijk steile oevers doorloopt, in het meer van Menitz valt en o.a. bij
Sokolnitz en bij Telnitz nabij dit meer verscheiden overgangen heeft. Het
terrein was daar wel zeer moerassig, het meer van Satschan, dicht bij dat van
Menitz gelegen, vrij diep, maar ’t was winter; de laatste dagen had het hard
gevroren, en het ijs was sterk genoeg om menschen en paarden, zelfs
voertuigen te dragen.

Napoleons rechtervleugel bij Telnitz en Sokolnitz nu vertoonde den vijand
slechts de divisie Legrand, maar kreeg het korps van Davoust, opgesteld
achter heuvels en houtgewas, op grooten afstand rechts achter zich. Soult,
Oudinot, Murat en de garde zouden ’t centrum recht tegenover de hoogten
van Pratzen vormen. Suchet zou op den linkervleugel komen en ten noorden
van den straatweg Brünn—Olmütz een hoogte bezetten, die de soldaten,
denkende aan een dergelijke positie, indertijd in Egypte door hen
ingenomen, met den naam van Santon betitelden. Hier was het steunpunt van
den linkervleugel.

Had Napoleon bij den marsch naar Brünn front gemaakt naar het noorden,
thans was dit gericht naar het oosten. Zijn rechtervleugel had hij ver
achteruitgebracht en schijnbaar zwak bezet met slechts één divisie; dit
hadden de Russen kunnen waarnemen.

In den krijgsraad der verbondenen, waar eenige jonge, onervaren generaals
den boventoon voerden tegenover Kutusof en allerlei onzinnige praatjes
verkochten over het Fransche leger, zijn gebrek aan voedsel, kleeding en
discipline, was dagen tevoren besloten het hooge terrein van Pratzen te
bezetten, den Franschen rechtervleugel van daar uit met overmacht aan te
grijpen, en Napoleon aldus van Weenen af te snijden.

Slecht was dit plan in geenen deele, maar het moest worden uitgevoerd en
Napoleon, de tegenpartij, was geen gewoon veldheer.—Hij had eveneens een
plan, grootsch en vermetel als hij zelf, alleen door hem uitvoerbaar. Het
luidde: “Terwijl de Rus naar Telnitz marcheert en mij daar tracht te omvatten
biedt hij mij zijn rechterflank; op dezen val ik.”

Page 333

Met onuitsprekelijke vreugde ziet hij dus, dat zijn tegenpartij in den loop van
den 1en December in bovenbedoelden zin zijn maatregelen treft. Zóó innig
overtuigd is hij nu reeds van het succes, dat hij zijn soldaten de “manoeuvre”
voor den volgenden dag vooraf mededeelt en hen allen zoodoende bezielt
met hetzelfde vertrouwen, dat hem vervult. Den dag besteedt hij aan de zorg
voor de te verwachten gekwetsten. Ambulances, verbandmiddelen, alles ziet
hij zelf na, vult aan, verbetert nog wat te verbeteren is en toont ook nu weder
hoe hij als altijd met zijn troepen medeleeft.

’t Wordt avond, een donkere, koude avond zonder maan of sneeuw.

Aan tafel in een kleine boerenwoning met Murat, Caulaincourt, Rapp, Junot,
de Ségur en nog eenige andere officieren, op houten banken gezeten om zich
heen, begon hij met Junot een gesprek over dramatische poëzie en over
Egypte; daarna sliep hij een paar uur en begaf zich door een adjudant
gewekt, in ’t holst van den nacht op weg naar de hoogten van Pratzen, omdat
hij uit de richting van Telnitz heftig hoorde vuren.

Weinig had het gescheeld of hij was door een kozakkenpost, waarop hij in ’t
donker stiet, gevangen genomen of gedood. IJlings langs de wachtvuren
terug loopende naar zijn eigen bivak, struikelde hij over een boomwortel,
waarop een grenadier een bos stroo greep, die ineendraaide en er een fakkel
van maakte om hem voor te lichten.

’t Is 2 December, de verjaardag zijner kroning.

“Lang leve de Keizer!” roept eensklaps een stem, terstond door
tienduizenden kelen herhaald. De regimentsmuziek begint te spelen.
Duizenden fakkels van het ligstroo gemaakt, verlichten plotseling den
omtrek. De grenadiers zijner garde dringen om hun afgod heen. “U zelf
behoeft morgen niets te doen, Majesteit,” roepen zij hem toe. “De vaandels
en de gevangenen zullen wij u wel hier komen brengen.”

Wat moeten de Russen, die juichtoonen hoorende, toen hebben gedacht?

Nog is het den volgenden morgen half duister; nog onttrekt een dichte nevel
de troepen in de laagte aan de Goldbach aan het oog, als Napoleon reeds te

Page 334

paard zit op een heuvel achter ’t midden der slaglinie, Oudinots grenadiers
vóór, de garde achter hem. De aanval op Telnitz en Sokolnitz in den nacht
begonnen, wordt doorgezet. Voortdurend schuift Kutusof zijn macht verder
naar links, naar de overgangen bij de meren en ontbloot hij de hoogten van
Pratzen van troepen. Alleen de Russische afdeelingen van den rechtervleugel
met haar talrijke cavalerie blijven voorloopig nog bij den straatweg naar
Brünn om, eenmaal de overwinning op den linkervleugel behaald, daar
eveneens in ’t gevecht te treden, de Franschen bij en op den Santon te
omvatten en de zegepraal te voltooien.

Napoleon zag Kutusofs bewegingen. ’t Was alles volkomen naar zijn zin; de
vijand wil de overgangen van Telnitz en Sokolnitz vermeesteren en dan de
Franschen overvleugelen, terwijl Napoleon juist zooals hij wenscht dan de
hoogten van Pratzen, het centrum van de gecombineerde legers, wil nemen.
“Zij loopen in de val!” roept hij van vreugde uit.

’t Was half acht, in de dalen hangt nog een nevel.

“Hoeveel tijd heb je noodig om met je divisiën de hoogten van Pratzen te
bereiken?” vraagt hij aan Soult.

“Geen twintig minuten,” antwoordt hij.

“Dan wachten we nog een kwartier.”

Omstreeks acht uur hebben de Russen Telnitz en Sokolnitz vermeesterd. De
Franschen onder Legrand zijn teruggeworpen. Maar thans nadert Davoust
met zijn divisiën, deze hebben den vorigen dag een geforceerden marsch van
achttien uur afgelegd en tellen dus nog veel achterblijvers, die echter
langzamerhand aansluiten als zij ’t kanon in de verte hooren dreunen.

Van de zijde der Russen dringen de afdeelingen voortdurend verder de laagte
in, naar de defilé’s tusschen de meren en Telnitz. Om 9 uur staat hier het
halve leger der bondgenooten in dichte drommen in ’t gevecht, maar
Davoust wijkt niet.

Page 335

Om 8 uur is Soult den marsch naar de hoogten begonnen. Ook aan den
straatweg is beweging gekomen. Daar grijpt Lannes reeds aan. Als een
levende muur beweegt zich zijn macht: gedeploieerde bataljons voorop, in
de intervallen er achter gesloten massa’s. Op het golvende terrein ten zuiden
er van stooten de ruiterdrommen van Murat op die van Lichtenstein.—Thans
breekt de zon door de wolken, de zon van Austerlitz! Kutusof, bij zijn
centrum gebleven, ziet het gevaar, dat hem bedreigt, indien het Soult gelukt
de hoogten van Pratzen te nemen. Daar komen ze al met hun lichten,
vluggen pas, de Fransche tirailleurs!—IJlings werpt hij twee bataljons
infanterie in Pratzen zelf, maar reeds is het te laat. De bajonet drijft ze
uiteen. Ook de Russische garde, die in ’t centrum bij Austerlitz in reserve
stond en nu oprukt, kan den onwederstaanbaren aanval der grenadiers niet
afweren. Tegen het middaguur is hier het lot der Russen beslist. Hun
centrum is doorgebroken; ook de afdeelingen onder Bagration en
Lichtenstein hebben het reeds afgelegd tegen Lannes en Murat; hier vlucht
reeds alles in wanorde naar het oosten. De beide keizers worden
medegesleurd. De troepen in de laagten bij Telnitz en Sokolnitz zien zich
afgesneden van hun terugtochtsweg, want op de hoogten van Pratzen staat
thans Napoleon en grijpt hen in den rug!

Om twee uur is de slag gevallen, ook in de lage terreinen, die door de
zonnestralen van een ijsvloer is veranderd in een dikke, taaie pap, waarin
man en paard blijven steken. Zich bijna omsingeld ziende, trachten de
Russen zich in massa te redden over de meren, over het ijs. Dit kan dezen
zwaren last niet torsen; het breekt. De volkogels der Fransche garde
vernielen het; geheele colonnes met paarden, voertuigen en bagage zinken
onder een hartverscheurend gegil in de diepte weg. Slechts enkelen
ontkomen.

Keizer Frans verzoekt een wapenstilstand, maar Napoleon wil er niet van
hooren.—Over twee dagen zal hij den vorst ontvangen aan de voorposten;
tot zoolang zal hij den vijand met het staal in de ribben doen vervolgen. Niet
hij heeft den oorlog gezocht; hij is er toe gedwongen.—Aan Soult schrijft hij
van het kasteel Austerlitz, zijn hoofdkwartier: “Zooals de zaken thans staan,
heb ik slechts één algemeene order: Breng den vijand zooveel mogelijk
nadeel toe en trek partij van de zege.”—Hij zelf wijdt het overige deel van

Page 336

den dag aan de gewonden; hij zoekt ze op, spreekt ze toe, beurt ze op en doet
ze naar de ambulances vervoeren. Reeds dienzelfden nacht zijn allen
verbonden.

Inmiddels zocht de cavalerie de richting, waarin de hoofdmacht der
bondgenooten was teruggegaan en die door Murat met zijn gewone
onbesuisdheid aanvankelijk verkeerd—naar Olmütz was aangegeven. Ten
slotte bleek, dat men den weg naar Hongarije was ingeslagen.

Den 4en had bij de voorposten de ontmoeting plaats tusschen Napoleon en
Frans II.

“Ik hoop dat u dezen stap van mij om den vrede te bespoedigen zult op prijs
stellen,” zei deze en vervolgde toen met een gedwongen lachje: “U heeft
toch, hoop ik, geen plan mij van mijn staten te berooven?”

Het onderhoud duurde een uur en werd staande gevoerd. Alleen de prins van
Lichtenstein was er bij tegenwoordig.

“Dus heb ik uw woord, dat u den oorlog niet opnieuw begint?” vroeg
Napoleon ten slotte. “Dit zweer ik en mijn woord zal ik houden.”

Toen omarmden de monarchen elkaar en scheidden. Bij zijn staf
teruggekeerd zei Napoleon: “De vrede is gesloten. We zullen Parijs
weerzien.” In een kernachtige proclamatie had hij zijn leger dank gezegd
voor ’t geen het had gedaan: “Soldaten! ik ben tevreden over U!” luidde de
aanhef en aan het slot: “Mijn volk zal U met vreugde terugzien en wanneer
een van u zal zeggen: “Ik ben bij Austerlitz geweest,” zal hij direct ten
antwoord krijgen: “Dat is een dappere kerel.””

Met den slag bij Austerlitz kwam aan den veldtocht een einde. Een
wapenstilstand werd gesloten, waarbij Napoleons eerste voorwaarde was, dat
de Russen naar hun land zouden terugkeeren. Hieraan voldeed Alexander
terstond; voorloopig had hij genoeg van den oorlog. Binnen weinige dagen
volgde de vrede van Presburg. Het tractaat behelsde o. a. dat Oostenrijk
veertig millioen oorlogskosten zou betalen, Venetië afstaan aan Italië, Tyrol
aan Beieren en een groote strook grondgebied aan Baden en Wurtemburg,

Page 337

voorts zou aan den voormaligen keurvorst van dit laatste land en aan dien
van Beieren de koningstitel worden verleend. Baden werd een
groothertogdom. Guastalla kwam aan Pauline Borghèse; Kleef en Berg aan
Murat; Berthier werd prins van Neufchâtel. Van een poging om ten gunste
van het trouwelooze Napels iets van Napoleon gedaan te krijgen, hadden de
Oostenrijksche onderhandelaars moeten afzien. Over het lot van dit land had
hij reeds beslist.

Voor de vierde maal had de koningin daar verraad gepleegd; voortdurend
had zij met den vijand geheuld; een Engelsch-Russisch leger was er geland
en volkomen welkom geheeten, ofschoon men zich bij verdrag verbonden
had neutraal te blijven en de havens voor Engeland te sluiten. Het huis der
Bourbons hield in Napels op te regeeren, zoo luidde het decreet, reeds den
dag na den vrede door Napoleon geteekend. Was Jozef daartoe genegen, dan
zou hij daar gaan regeeren en einde Maart 1806 zien we Jozef Napels
binnenrukken.

Terwijl Napoleon zich nog op Schönbrunn buiten Weenen bevond, het
prachtige kasteel, waar hij na Austerlitz zijn hoofdkwartier gevestigd had en
zijn leger zich in de omstreken verzamelde, kwam Napoleon ook tot een
verklaring met Pruisen.

Dat Frederik Willem III in den laatsten tijd een zeer dubbelzinnige rol had
gespeeld was hem niet onbekend; dat de koning en keizer Alexander in
tegenwoordigheid der koningin bij de graftombe van Frederik den Groote
een eed van trouw en vriendschap hadden gezworen, evenmin; ook wist
Napoleon wel, dat Pruisen zich in het geheim bij de coalitie had aangesloten
en het leger gemobiliseerd was, maar dat het land een maand tijd had
gevraagd om te beslissen of het aan den oorlog zou deelnemen of niet. Vier
dagen voor den slag bij Austerlitz was de Pruisische minister graaf von
Haugwitz in het hoofdkwartier te Brünn aangekomen tot groote verbazing
van Napoleon. Deze had hem ijskoud ontvangen en hem niet onduidelijk te
kennen gegeven, dat deze aanbieding tot bemiddeling van de zijde van een
land, dat nog wel een tractaat had geteekend tot levering van 80.000 man, al
zeer vreemd was. Von Haugwitz vertrok naar Weenen, liep hier met het

Page 338

groote lint van ’t Legioen van Eer rond, totdat het oogenblik zou zijn
gekomen om het masker af te werpen.

Toen kwam 2 December, “de dag der drie keizers” maar die men, zegt Levy,
wel “de dag der vier souvereinen” kon noemen, want ook Pruisen was door
Austerlitz verslagen en Haugwitz, die Napoleon zijn gelukwenschen kwam
aanbieden, kreeg het bijtende antwoord: “Dat is een compliment, waarvan de
fortuin het adres heeft veranderd.” Napoleon wist nu van het gunstige
oogenblik gebruik te maken en stelde von Haugwitz eenvoudig de keuze:
oorlog en dan terstond of—vrede en een verbond met Frankrijk. In het
laatste geval zou het keurvorstendom Hannover aan Pruisen worden
afgestaan in ruil voor het hertogdom Kleef.

Wel wist de gezant, dat Pruisen Hannover altijd had geweigerd tegen een
verbond met Frankrijk, maar hij had den tijd gehad Napoleon met zijn leger
aan het werk te zien, hij had kunnen opmerken hoe gedrukt de stemming te
Weenen was, zoodat het resultaat was, dat hij den vrede verkoos boven den
oorlog, een politiek, die hij zijn koning tot nog toe telkens had aanbevolen;
het gevaarlijke geschenk werd aanvaard voorloopig en von Haugwitz keerde
naar Berlijn terug, zijn vorst nog de keus latende tusschen de bekrachtiging
van het verdrag of den oorlog.

Page 339

De avond vóór den slag van Austerlitz. (2 Dec. 1805).

Steeds bedacht op middelen om zijn relatiën met de Duitsche hoven een
vasteren vorm te geven, had Napoleon tegelijk met den vrede de
toestemming verkregen tot een huwelijk tusschen zijn stiefzoon Eugène en
een dochter van den nieuwen koning van Beieren.

Reeds vóór Austerlitz had hij zijn verlangen naar deze echtvereeniging te
kennen gegeven; toen had men te München weinig ooren hier naar gehad,
ook omdat prinses Augusta reeds was verloofd met den zoon van den
keurvorst van Baden. Thans werden er geen bezwaren gemaakt en kreeg
Beauharnais een gemalin, die hij alleen kende van een portret op een
porseleinen theekopje! maar Napoleon wilde en dat was genoeg, terwijl
Augusta op de smeekbede van haar vader toestemming verleende mits de
vrede was gesloten en Eugène koning van Italië zou worden. Het onderhoud
van den Keizer met de aanstaande bruid had tot uitwerking, dat Napoleon
aan zijn stiefzoon kon melden, dat alles in orde was.

Page 340

Den 14en Januari 1806 op zijn doorreis naar Parijs woonde de Keizer de
huwelijksplechtigheid te München bij en kon hij zich verheugen, dat hij door
dit huwelijk zich verbonden had met een der oudste geslachten uit Europa.
Deze verbintenis met de bevallige, schrandere Augusta-Emilie is voor
Eugène een geluk geweest; toen geheel Europa in woede was ontstoken
tegen al wat Bonaparte heette of met het geslacht was verwant, heeft hij aan
het hof van zijn schoonvader een ontvangst gevonden, zijn edele
hoedanigheden als mensch en echtgenoot waardig.

Den 26en Januari was Napoleon in Parijs terug. Drie dagen te voren was zijn
doodsvijand William Pitt, slechts zeven en veertig jaar oud, op zijn landgoed
bij Londen overleden. Een familiekwaal, verergerd door de miskenning en
de verguizing, in de laatste jaren zijns levens van de zijde der Engelsche
natie bij herhaling ondervonden, had zijn gestel ondermijnd. Een tijdlang
was hij, schoon niet in naam, feitelijk koning van Engeland geweest. Fox, de
leider der vredespartij in Engeland, volgde hem op.

De hoofdstad huldigde haar Keizer ook nu weder op de glansrijkste wijze.
Het Groote Leger, dat met kleine dagmarschen naar het vaderland op weg
was en inmiddels leefde op kosten van de landstreken, die het passeerde, een
voor Frankrijk zeer goedkoope manier van voeden, stond de veroverde
vuurmonden af—eenige honderden—om daarvan op de place Vendôme een
zuil te doen verrijzen met in brons gegoten voorstellingen uit de laatste
oorlogen versierd en met het standbeeld van den Keizer op den top.

Waren de gevolgen van den vrede van Presburg vooral voor Oostenrijk van
belang, Napoleon meende nu ook het oogenblik gekomen om zich te
omringen met een gordel van rijken met zijn naaste familieleden, zijn broers
op den troon en achter hen een heele reeks van prinsen, hertogen, graven,
allen voortgekomen uit zijn leger of uit de diplomatie. Bovendien wilde de
Keizer in de staatkundige verhoudingen van het Duitsche Rijk groote
verandering brengen en het groote aantal kleine staten tot een geringer getal
terug brengen. Zijn plannen gingen ver, hij droomde van de vorming van één
groot rijk in het Westen met Frankrijk als middelpunt, een rijk waarover eens

Page 341

een Karel de Groote en een Karel V hun schepter hadden gevoerd. Zoo ooit,
dan deed zich thans het geschikte oogenblik voor tot het vestigen van een
dergelijk gebied, maar de tijd zou leeren, dat ook dit groote plan zou
mislukken en het duidelijk zou blijken, dat de Galliër en de Germaan te veel
in karakter zouden verschillen om samen te gaan. Zeker, de omstandigheden
waren den man, die alles meende te kunnen, gunstig en dit blijkt reeds uit
een opsomming van de voornaamste gekroonde hoofden, zijn tijdgenooten,
wier tegenstand hij had te overwinnen. In Zweden was Gustaaf IV Adolf
reeds jarenlang door zinsverbijstering niet bij machte zelf te regeeren;
Christiaan VII van Denemarken was “zwak van geest”; de koning van
Pruisen Frederik Willem III besluiteloos en toegevend. In Napels regeerde
Ferdinand IV, die geheel onder de heerschappij van zijn vrouw stond; zijn
neef Karel IV van Spanje maakte het nog erger; slaaf van de luimen zijner
gemalin duldde hij zelfs Godoy, haar amant, een voormalig soldaat van de
garde, als eersten minister. Eindelijk was Maria van Portugal niet
toerekenbaar.

De eenige, die op al deze erfelijk of niet erfelijk belasten een gunstige
uitzondering maakte was de Duitsche keizer Frans II, maar de laatste
veldtocht had hem dermate verzwakt, dat verzet van zijn kant voorloopig
althans niet was te duchten. Bijna overal zag Napoleon dus zwakheid,
halfheid of volslagen onbekwaamheid bij de hoofden, overal verdrukking,
knevelarij en misbruik van gezag aan de zijde der ambtenaren. Hier verkocht
een Hessisch vorst zijn onderdanen voor klinkende munt aan de Engelschen,
daar ontzag zich een ander gekroond hoofd niet de vette baantjes aan den
meestbiedende te verpachten; ginds in Pruisen speelden de ronselaar en de
werfsergeant op de dorpen de afschuwelijkste comedies en maakten
honderden gezinnen ongelukkig.

Voor een man als Napoleon, zoo wars van al wat geleek op knevelarij, dus
een reusachtig arbeidsveld; wat had hij een afkeer van elke poging om zich
door ongeoorloofde middelen te verrijken; nog altijd was hij bedacht op het
welzijn van zijn onderdanen, nog werd hij niet geheel beheerscht door dien
machtigen drang, dien toomeloozen hartstocht naar veroveringen, die ten
slotte zijn ongeluk werd en die zijn naaste omgeving, zijn trouwste

Page 342

aanhangers half wanhopig deed uitroepen, dat hij niet alleen zich zelf maar
ook hen en met hen geheel Frankrijk in ’t verderf zou storten.

Toen hij aan eenige zijner oude krijgsmakkers den titel schonk van prins of
hertog was zijn doel hierbij niet alleen hen te beloonen voor hun aandeel aan
zijn verheffing, maar ook om hen de handen te doen houden uit de zakken
der overwonnenen. Van de gestrenge, eerlijke gedragslijn van de eerste
generaals der republiek als Pichegru, Hoche, Dumouriez en anderen was bij
hun opvolgers als o.a. Massena, Augereau en Solignac, die in Italië
overwinningen hadden behaald, niets te bespeuren geweest. Die hadden hun
hebzucht den vrijen teugel gevierd en vaak “genomen,” wat niet terstond
goedschiks werd “gegeven.” Vooral in Venetië was gruwelijk door hen
gestolen. Met ongeloofelijke wakkerheid had Napoleon het geheim dier
knevelarijen nagegaan en ontdekt en te beginnen met den opperbevelhebber
de onverwijlde teruggave van al de geroofde millioenen geëischt.

Thans onder Eugène en Jozef, bevonden veel van die heeren zich daar
wederom bij het leger.

“Zegt hun, dat ik hun allen veel meer zal geven dan zij ooit zouden kunnen
nemen,” schreef hij aan die beiden; “voegt er bij, dat ’t geen zij “nemen” hun
tot schande, dat ’t geen ik hun “geef” hun tot eer strekt en de onsterfelijke
getuigenis van hun roem zal wezen. Steken zij zelven de handen uit, dan treft
Frankrijk de vloek der overwonnenen; geef ik hun rijkdommen en
vermeerder ik die zelfs, dan knevel ik niemand.”

Geen titels alleen toch waren ’t, die hij schonk; ook de daaraan verbonden
rijke inkomsten, niet echter het grondgebied. Zoo werd Soult hertog van
Dalmatië, Bessières van Istrië, Duroc van Frioul, Victor van Belluno,
Moncey van Colegniano, de Caulaincourt van Vicensa, Savary van Rovigo,
alle onderdeelen van het grondgebied van Venetië. Het prachtige prinsdom
Benevento, vroeger een deel van den Kerkelijken Staat, kwam aan
Talleyrand, die nog altoos gevoelig was, omdat zijn heer hem geen plaats
onder de grootwaardigheidsbekleeders had gegeven. Eindelijk zag zich
verheven tot prins van Ponte-Corvo de generaal Bernadotte. Hoe was ’t
mogelijk! Bernadotte, die den 18en Brumaire geweigerd had zich aan zijn
zijde te scharen, die als opperbevelhebber van het leger in het Westen een

Page 343

complot tegen hem had gesmeed en die letterlijk voortdurend zijn vijand was
geweest. Maar die man was de zwager van Jozef en gehuwd met dezelfde
Désirée Clary, naar wier hand Napoleon indertijd had gedongen, die kort
daarna te Parijs door hem was losgelaten, die hem bij zijn huwelijk met
Joséphine een brief had geschreven, waaruit haar blijvende genegenheid
voor hem duidelijk bleek. Désirée was voor hem een vrouw om nimmer te
vergeten en telkens werd zij door Napoleon met gunstbewijzen overladen.

Aan het hof kwam zij bijna nooit, want ze had een afschuw van de
Beauharnais, maar de Keizer schreef haar en zond haar allerlei kostbare
geschenken o.a. een van de drie kostbare pelzen, die keizer Alexander hem
na Erfurt ten geschenke gaf en toen zij kroonprinses van Zweden werd
regelde hij zelf in bijzonderheden haar voorstelling aan ’t hof, schonk
Bernadotte een millioen uit zijn eigen kas, kocht hem zijn prinsdom af,
terwijl Napoleon hem reeds vroeger een hotel ter waarde van 400.000 francs
had gegeven.

De middelen voor het doen van al deze schenkingen, die in de volgende
jaren ook aan de laagste rangen zijner legers werden verleend, vond hij o.a.
in Venetië uit de inkomsten van 30 millioen waarde aan nationaal domein, in
Parma en Piacensa eveneens, benevens 1.2 millioen francs rente van een
inschrijving op ’t grootboek van Italië enz. gezamenlijk makende een bedrag
van 34 millioen rente van rijksdomeinen, 2.4 millioen rente van kapitalen en
eindelijk de opbrengst van de krijgskas, die na de eerste oorlogsschatting
reeds 70 millioen francs groot was en voortdurend grooter werd.

De persoonlijke schatkist van den Keizer de z.g. groote cassette, die op
enkele tijdstippen meer dan 250 millioen, voor ’t grootste gedeelte in goud
bevatte, vormde bovendien een kapitaal, door hem zelf in den loop der jaren
samengebracht, hoofdzakelijk door bezuinigingen op zijn civiele lijst van 40
à 50 millioen francs. Reusachtig is het cijfer der millioenen door hem in die
jaren besteed aan werken van openbaar nut. Hij vond dit uit de
oorlogsbelastingen aan de veroverde landen opgelegd. Nooit werd voor zijn
oorlogen een leening door hem uitgeschreven.

Bij dit alles was hij in zijn eigen huishouden een zuinig, bijna krenterig
huisvader, die zelf van alles boek hield, die geen verkwisting kon dulden, die

Page 344

op zijn jaarlijksch budget zelf het postje bracht van 1200 francs, zijn
tractement als lid van ’t Instituut.

Als in zooveel andere zaken was hij hierin volslagen een burgerman.
Verkwisting in welken vorm ook kon hij niet uitstaan; die eigenschap was
hem als ’t ware ingeschapen evenals gevoelloosheid voor alle uiterlijk
vertoon. Evenals rangen en titels behoorde dit laatste volgens hem bij het
stelsel zooals Sire en Majesteit. Geen vorst heeft de holheid en de leegte
dezer vormen zoo diep gevoeld als hij en dat nog wel, terwijl beroemde
mannen als Monge, Chaptal, La Place, Séguier om van tientallen anderen als
Fontanes en aanzienlijke prelaten niet eens te spreken, zijn lof op allerlei
wijzen hebben bezongen.

“Ik ben geen operaheld. De toejuichingen der Parijzenaars heb ik nooit
gezocht,” heeft hij (1814) gerust mogen schrijven. “Ik heb een leven als een
galeislaaf. Liever tien veldtochten dan mijn bestaan in de laatste vier
weken,” kreeg de Caulaincourt tijdens zijn reis door België en Holland in
1811 van hem te lezen. Als men hem in 1807 de teekening van de nieuwe
munt voor Italië met het devies “Napoleon bescherme Italië” laat zien,
schrijft hij er zelf naast: “Dit devies in plaats van het vroegere “God
bescherme” is onbetamelijk.”

“Keizer der Franschen” is mijn titel, geen bijvoeging van Augustus,
Germanicus of zelfs van Cesar verkies ik,” geeft hij het Instituut te verstaan,
als de inschriften voor den triomfboog aan de orde zijn (1809).

Doch genoeg om aan te toonen, dat, al tooide hij het “stelsel” tegenover de
wereld en het buitenland met luister en pracht, hij ook in deze zaken een
eenvoudig en burgerman bleef, die het liefste was op Malmaison of later te
Compiègne om daar vrij van alle banden zichzelf te wezen en als een
schooljongen met stuivertje verwisselen, blindemannetje en dergelijke
spelen pret te hebben als een groot kind.

Zijn intieme leven had ook volstrekt niets van dat eens keizers. Etiquette, ho
maar! Geen hoofsch leven met hovelingen, kamerdienaars en statige
deftigheid. Niets van dit alles. Tegen zeven uur kwam Constant, zijn
kamerdienaar, jaren achtereen als een oppasser bij zijn luitenant op de

Page 345

slaapkamer, raapte kleeren bijeen, die de Keizer zich den vorigen avond van
’t lijf getrokken en links en rechts van zich afgegooid had, hier zijn
grootkruis, daar een schoen, verder op een das of een zijden kous. Terwijl
zijn heer dan een warm bad nam, moest Constant hem de laatste nieuwtjes
uit de stad vertellen, waar hij zelf den vorigen dag had gegeten enz.

Kwam Corvisart, de eerste lijfarts dan binnen, dan kreeg deze vaak een
lachend: “Zoo aartskwakzalver, ben je daar? Heb je er vandaag al veel
doodgemaakt?”

Dan schoor de Keizer zich zelf, een bijzonderheid voor die dagen,
besprenkelde zich flink met eau de cologne, kleedde zich aan, nam zijn
snuifdoos, ging naar zijn kabinet, waar de secretarissen reeds wachtten en
zette zich aan den reusachtigen stapel werk, die hem bijna dagelijks wachtte.

Zagen we zooeven, dat hij al zijn helpers en groote mannen bedacht en ze
door allerlei middelen aan zijn persoon trachtte te binden, op de lange lijst
van beloonden zoeken we tevergeefs den naam van de Cambacérès. Zelf had
de oud-consul voor elke onderscheiding van dien aard bedankt.

Hij was aartskanselier, bleef in deze positie gehandhaafd en verlangde niet
meer. Bij het aanvaarden van de keizerskroon had Napoleon tegen hem
gezegd, dat hij nu nog meer dan ooit door intriges en valsche of baatzuchtige
raadgevers zou worden omgeven, dus had hij hem nog dichter in zijn
omgeving gebracht, dewijl hij, Cambacérès, het doorzicht en de oprechtheid
bezat om hem de waarheid te doen hooren en tevens zijn volle vertrouwen
genoot.

Aangenaam kon diens ambt echter niet worden genoemd; bij afwezigheid
des Keizers was hij de raads- en leidsman van Joséphine en tevens degene,
die de overige leden der keizerlijke familie dan “binnen de perken der
betamelijkheid” houden moest, een taak welke niet altijd even gemakkelijk
was te vervullen.

Bijna ongeloofelijk waren de eischen van Napoleons naaste bloedverwanten,
maar ook valt het moeilijk te begrijpen, dat de Keizer hen telkens weer
tevreden stelt en aan hun eischen tegemoet komt.

Page 346

Jozef is naar Napels gezonden in Januari 1806 en voor het einde van de
volgende maand is hij te Rome en kan hij zijn broer melden, dat zijn bevelen
vervuld zijn en de Bourbons naar Sicilië de wijk hebben genomen. In Napels
wordt hij goed ontvangen, maar hij handelt geheel in strijd met Napoleons
inzichten, die niet kan dulden, dat het leger op kosten van Frankrijk wordt
gevoed, evenmin, dat Jozef zich omringt door Napolitanen, uit hen een leger
wil vormen en zich door allerlei middelen van Frankrijk los wil maken en
een eigen dynastie wil vestigen. Toch geeft Napoleon toe en wordt aan Jozef
bij decreet van Maart het koninkrijk Napels door recht van verovering
gegeven. Wel wordt daarbij bepaald, dat deze kroon niet met die van
Frankrijk kan worden verbonden, maar Jozef doet geen afstand van het recht
van opvolging in Frankrijk, een voorwaarde, waarop vroeger de Italiaansche
zaak had schipbreuk geleden. Jozef treedt zeer vreemd op in zijn nieuwe
koninkrijk, neemt voor zijn leger Bourbonsche officieren, neemt leegloopers
in soldij en stelt de in 1799 gevangen genomen bendehoofden in vrijheid.
Hij is slechts met één gedachte bezield n.l. dat het volk het een geluk zal
vinden door hem te worden bestuurd! Aan zijn broer zendt hij de meest
overdreven berichten en aan de waarschuwingen van den Keizer stoort hij
zich volstrekt niet, maar als in ’t midden van 1806 de Engelschen in Calabrië
landen en een algemeene opstand ontstaat, ja dan ziet Jozef zijn fouten in
en.... broerlief moet helpen met een leger van 50.000 man en subsidie van 3
millioen per maand.

Is Jozef veeleischend, zijn zuster Caroline houdt nooit op met vragen, zelfs
wanneer aan Murat in Maart 1806 de hertogdommen Kleef en Berg worden
gegeven met een zuiver inkomen van vier ton ’s jaars is Caroline nog niet
tevreden. Had dan Eugène de Beauharnais niet het onderkoningschap van
Italië en deze was niet eens van de familie. Dat Murat niet naar Napoleons
wensch optreedt in de nieuwe hertogdommen, dat hij Wezel niet van
proviand en wapens voorziet, zooals de Keizer hem beveelt, dat hij onhandig
optreedt in een geschil met de Pruisen over de bezetting van grondgebied,
het hindert Murat niet en met steun van Talleyrand zien we Murat straks bij
de vorming van de Rijnconfederatie zijn zin krijgen.

Niet alleen ontvangt hij den titel van Groot-Hertog, onmiddellijk in rang
volgende op den Groot-Hertog van Baden, maar uitbreiding van grondgebied

Page 347

is ook zijn deel, terwijl nog tal van kleine voorrechten en gunsten door
Napoleon worden verleend. Maar trots dit alles geen verbetering ook met
Murat. Dezelfde quaestie over Wezel komt weer op den voorgrond;
eigenaardig treedt Murat ook nu op, heeft twist met tal van hertogen, graven
en prinsen, die niet aan zijn hof willen komen. Zijn gedrag is allervreemdst
en Napoleon slaakt in een brief aan zijn broer Louis de verzuchting, dat
Murat niets dan dwaasheden doet. Napoleon laat hem maar begaan, want als
cavalerieaanvoerder heeft hij hem spoedig noodig.

Louis blijft trots alle rangen en titels ontevreden; hoeveel geld Napoleon
hem ook geeft er is niets met hem te beginnen. Dat vindt ook Hortense, die
veel in de Tuilerieën verschijnt, feestjes organiseert en zich verder onledig
houdt met teekenen, schilderen en muziek. De kinderen blijven de eenige
band tusschen de echtgenooten; verbetering in hun verhouding blijkt niet
mogelijk, het ligt in Louis’ natuur; hij is ziek, althans zoo gelooft hij nu
eenmaal.

Nu kwam de quaestie van Holland op den voorgrond. De Bataafsche
republiek had van haar nadere kennismaking met de Fransche begrippen niet
veel genoegen beleefd. Frankrijk was een zeer dure vriendin gebleken.
Engeland had een geweldigen hap uit de koloniën gebeten; de handel had
geduchte schade geleden en tengevolge van dit alles was het ijveren van de
patriotten voor Frankrijk aanmerkelijk bekoeld.

Tevergeefs had graaf Schimmelpenninck, die het jaar te voren op
uitdrukkelijk verlangen van den Keizer als Raadpensionaris de teugels van
het bewind in handen had genomen, getracht, in den toestand verbetering te
brengen. Thans moest ook deze verdienstelijke man heengaan; hij begon
zwak van gezicht te worden, werd beweerd. Hoewel admiraal Verhuell, die
bij den Keizer zeer in de gratie stond, ter elfder ure nog had beproefd, dezen
tot andere gedachten te brengen, had het niet mogen baten. Het pleit was
toen reeds beslist. De republiek werd een koninkrijk Holland en kreeg....
Louis Napoleon als hoofd. Alsof de vernedering nog niet voldoende was,
werd de natie gedwongen den Keizer die benoeming van zijn broeder, als
een hooge gunst, door een commissie te Parijs te gaan vragen. Willem Six

Page 348

was een der leden van genoemde commissie, zoodat spotters beweerden, dat
Willem VI er zelf om gevraagd had.

Was deze schande verdiend?—Stellig! Zoodra het volk ontrouw wordt aan
zijn traditiën, moedwillig de banden verscheurt, welke het eeuwenlang, in
voor- en tegenspoed innig hebben samengehouden met een vorstenhuis,
waaraan het eenmaal zijn opkomst, zijn grootheid, zijn macht had te danken
gehad, een vorstenhuis, dat nooit had geaarzeld het bloed van zijn edelste
telgen er voor ten offer te brengen; zoodra, om kort te gaan, een volk
ontrouw wordt aan de groote beginselen, die het vroeger huldigde, en
lamlendigheid, kleinzieligheid en eigenbelang hiervoor in de plaats treden,
geeft het zijn recht van bestaan als zelfstandige natie prijs.

Louis had er niet veel zin in en wilde liever gebied in Italië, maar hij
begreep, dat hij zich niet kon verzetten; dat Hortense zich weinig verheugde,
haar omgeving te Parijs vaarwel te zeggen en alleen met haar man naar
Holland te vertrekken laat zich gemakkelijk begrijpen.

Met een geheele hofhouding waaronder zes doctoren en drie chirurgen
begeeft Louis zich naar het nieuwe koninkrijk en daar aangekomen doet hij
direct voorkomen of hij zijn kroon aan Holland heeft te danken en door de
Hollanders tot koning is gekozen. Hij is er juist 8 dagen of hij meldt zijn
broeder, dat hij voor zijn gezondheid naar Wiesbaden vertrekt; of Pruisen
zich tot den oorlog gereed maakt, Rusland troepen verzamelt en de hoop op
vrede met Engeland verdwijnt, wat maalt Louis erom; hij voelt zich niet
lekker en reist af. Ook deze broer zal niet anders doen dan de oudste en
Napoleon weerstreven, al zal Holland niet in opstand komen zooals Napels
doet en al zullen de Hollanders van dezen weerstand tegen den Keizer
tegelijk de voordeelen genieten.

Terwijl de Keizer zijn familieleden en getrouwen dus zoo goed bedacht en
aan Holland en Napels koningen schonk uit zijn eigen geslacht, ging hij in
Duitschland nog een stap verder. Hier bracht hij het Rijnverbond tot stand en
benoemde zichzelf tot beschermheer er van. Dit verbond omvatte al het
grondgebied tusschen de Sieg, de Lahn, de Main, den Neckar, den Boven-
Donau, de Isar en de Inn, dus Nassau, Baden, Frankenland, Zwaben, en
Boven-Paltz en Beieren. Elke vorst, wiens naam niet in de acte van

Page 349

oprichting voorkwam, had opgehouden regeerend vorst te wezen en werd
zoogenaamd “gemediatiseerd.”—Ook de prinses van Thurn en Taxis, de
zuster der koningin van Pruisen, behoorde onder deze. Den 12en Juli werd
het bestaan van dit verbond plechtig afgekondigd.

Alleen de vorsten van Baden, Wurtemburg en Beieren waren bij de
samenstelling geraadpleegd. Het verbond was of- en defensief met Frankrijk
één, leverde bij een mogelijken oorlog 63.000 man hulptroepen, besliste
over alle zaken op den Rijksdag, die te Frankfort zou vergaderen, en
verklaarde zich voor altoos gescheiden van den Duitschen Bond.—Terstond
gaf Napoleon hiervan kennis aan den Rijksdag te Regensburg.

Keizer Frans II, die zag, dat het Duitsche keizerrijk hierdoor werd
uiteengescheurd, legde de kroon hiervan neder en deed zich voortaan alleen
Frans I van Oostenrijk noemen.

Door de stichting van dit Rijnverbond was Napoleons invloed natuurlijk
sterk toegenomen en door een eed van trouw, welke alle onderdanen
moesten afleggen, werd de afhankelijkheid van Frankrijks Keizer bevestigd.
Natuurlijk waren de bloedverwanten door hun keizerlijke waardigheden ook
aan hem verbonden, maar om ze allen goed onder zich te houden, al zou dat
blijken slechts schijn te zijn, waren zij verplicht zich te onderwerpen aan het
Bonapartistische familiestatuut.

Napoleon werd hierin als het hoofd van de familie aangewezen, terwijl
nauwkeurig was omschreven, wie tot het keizerlijk huis behoorde. Ze
mochten geen huwelijk zonder zijn toestemming sluiten, terwijl de kinderen
gedurende hun minderjarigheid, wat hun opvoeding betreft, aan den Keizer
werden toevertrouwd. Niemand mocht zonder zijn toestemming buiten ’t
land of de residentie vertoeven, terwijl Napoleon zelfs het recht had, hen
hoogstens één jaar te verbannen en ze met advies der familie zelfs twee jaar
in een staatsgevangenis kon doen opsluiten. Trots alle vroegere twisten
meende de Keizer nog altijd, dat geen politiek verbond hecht was, wanneer
het niet gesteund werd door het familieverbond.

Te midden van al den arbeid, dien zijn betrekkingen tot het buitenland
medebrachten, verloor Napoleon de belangen van het binnenland niet uit het

Page 350

oog. In de kerk van St. Denis, tijdens de omwenteling door het grauw
geschonden, deed hij de graven herstellen en er vier nieuwe grafkapellen bij
bouwen, één bestemd voor de vorsten van zijn eigen dynastie. Met den bouw
van den triomfboog aan het einde der Champs-Elysées deed hij een begin
maken, het aantal openbare fonteinen, die voortaan ook des nachts water
zouden geven, aanzienlijk uitbreiden en een nieuwe brug over de Seine
bouwen. Het kanaal van de Rhône en van de Schelde naar den Rijn kreeg
een begin van uitvoering; de arbeid aan dat van l’Ourcq, van St. Quentin en
van Bourgogne werd voortgezet, terwijl met den weg van Roanne naar Lyon
en met dien langs la Corniche, tusschen Nizza en Genua werd begonnen.
Eindelijk kregen Antwerpens tuighuizen een nieuwe uitbreiding en naderden
de werkzaamheden aan de wegen langs de boorden van den Rijn, over den
Simplon en over den Mont-Cenis hun voltooiing.

Onder leiding van de Cambacérès kwam een nieuw deel van het wetboek,
dat van de Burgerlijke Rechtspleging gereed. Aan den Raad van State werd
met het oog op den toenemenden administratieven arbeid een
langgewenschte uitbreiding gegeven en dus een kern van bekwame
administrateurs in ’t leven geroepen. Een bijzondere rechtspraak werd
ingesteld voor de rijks-leveranciers en voor de aannemers van openbare
werken, doch de kroon op zijn werk zette de Keizer door de stichting van de
universiteit.

Reeds vroeger had hij 29 rijks middelbare scholen, lycea of gymnasia, al
naar men ze noemen wil, opgericht, waar de jongelieden van rijkswege
werden gevoed en gehuisvest en in de wiskunde en in de letteren werden
onderwezen. Dit aantal werd op honderd gebracht en bij deze inrichtingen
sloten 310 middelbare gemeente- en evenveel dergelijke particuliere scholen
aan.

Tegen dezen nieuwen vorm van onderwijs, voerde de geestelijkheid, aan wie
de leiding vrijwel uit handen werd genomen, heel wat oppositie. Zoo
beweerde zij, dat thans alleen onderwijs werd gegeven in wiskunde, omdat
men van de leerlingen uitsluitend soldaten wilde vormen, dat de zeden op de
nieuwe scholen werden bedorven, en de godsdienst verwaarloosd.—Niets
was minder waar en het meer ontwikkelde gedeelte der natie, dat bij

Page 351

ondervinding wist wat povere onderwijzers de paters in den regel waren,
aanvaardde dit nieuwe geschenk van den Keizer met groote dankbaarheid.

Doch waar nu de noodige leeraren te vinden, zonder dat men bij de
geestelijkheid ter markt behoefde te komen?—De Keizer begreep, dat hij
hiertoe voornamelijk moest zoeken in de breede schaar van jongelieden
zonder fortuin, die den mannelijken leeftijd intraden, lust hadden in studie
en, zonder zich te willen schikken naar de gestrenge regelen eener
kloosterorde, toch niet ongenegen waren in ordelijke samenleving met
anderen, onder een wet met vrijzinnige bepalingen gezamenlijk tot
onderwijzer te worden opgeleid.

In stilte deed de geestelijkheid alles om dit grootsche plan te doen
mislukken. Doch het vertrouwen, door de natie in hem gesteld, sterkte den
Keizer en ondanks dit verzet verwezenlijkte hij zijn plan en schonk Frankrijk
zijn Keizerlijke Universiteit, een instelling, die als een glansrijke ster van de
eerste grootte door alle tijden heen zal stralen boven zijn naam als heerscher
over een groot volk.

Page 352

Hoofdstuk XVII.

Page 353

Jena. Berlijn. Eylau.

Zooals we vroeger zagen, zou Haugwitz, de Pruisische
gezant aan zijn koning de keuze laten tusschen de
bekrachtiging van het met Napoleon gesloten verdrag
of oorlog, maar de gezant werd naar Parijs gezonden
om nogmaals de onderhandelingen met Napoleon te
openen, ten einde gunstiger bepalingen te bedingen. Dit gelukte en op het
einde van Februari 1806 werd een tractaat gesloten, waarbij werkelijk
minder drukkende voorwaarden werden gesteld, hoewel het hof te Berlijn, in
’t bijzonder de omgeving van de koningin, het volstrekt niet met dezen
“bepleisterden vrede,” zooals het tractaat door de diplomaten werd genoemd,
eens was.

Dat Napoleon milder was gestemd, vond vooral zijn oorzaak in de hoop, die
hij koesterde om een algemeenen vrede te verkrijgen, vooral na het optreden
van den nieuwen minister van Buitenlandsche Zaken in Engeland n.l. Fox.
Dat deze Napoleon had gewaarschuwd voor den aanslag van een
sluipmoordenaar, die zich bij den minister had vervoegd, maar door hem
direct was gevangen gezet, maakte natuurlijk op den Keizer een bijzonder
goeden indruk. De onderhandelingen waren door den Keizer geopend en
niets liet hij onbeproefd om tot den vrede te geraken, al gaf Engeland te
kennen, zonder Rusland niets te willen doen. “Ik bied Engeland Hannover
aan voor de eer van de kroon, Malta voor de eer der marine en de Kaap de
Goede Hoop voor de eer van den handel” liet Napoleon zelfs door
Talleyrand aan Engeland zeggen.

Met Rusland was de vrede reeds voorloopig gesloten; alleen de
handteekening van Alexander moest nog onder het verdrag worden geplaatst.
Alles scheen dus op vrede te wijzen en Napoleon had reeds bevelen gegeven
om het Groote Leger terug te voeren naar een reusachtig kamp, dat bij

Page 354

Meudon in gereedheid werd gebracht, toen in begin September de politieke
horizon in Europa eensklaps weer werd verduisterd.

Fox, reeds weken ziek, was door de geneesheeren opgegeven; de
oorlogspartij in Engeland, onderricht van Ruslands vredesplannen, had dit
rijk nadrukkelijk in herinnering gebracht, dat, indien er sprake was van vrede
met Frankrijk, deze volgens de bestaande verdragen door de beide
mogendheden tegelijk moest worden gesloten; Engeland had bij de loopende
onderhandelingen met Napoleon ditzelfde beginsel vastgehouden en dit
verlangde zij nu ook van zijn bondgenoot.

Het voorloopige tractaat met Rusland kwam dus ongeteekend terug.
Engeland begon de onderhandelingen op de lange baan te schuiven; allerlei
geruchten van groote krijgstoerustingen in Pruisen deden tegelijkertijd de
ronde; een bevel tot mobilisatie werd gegeven en alles was reeds in volle
werking om zich tot den oorlog voor te bereiden. Toch reeds achterdochtig
van aard, begon Napoleon aan verraad te denken, gaf dus contra-order en liet
zijn leger blijven, waar het was.

Aan den Pruisischen gezant gaf hij op diens vragen onomwonden te kennen,
dat er van al de praatjes, die de dagbladen betreffende zijn plannen
uitstrooiden, slechts één waar was. Hannover had hij terwille van den vrede
inderdaad aan Engeland aangeboden met het plan Pruisen voor dit verlies
schadeloos te stellen. Ook was hij bereid zijn leger over den Rijn te doen
teruggaan, mits ook Pruisen zich ontwapende, niet vroeger.

Pruisen dacht er niet over. Reeds ontstemd over de tot standbrenging van het
Rijnverbond, waarbij Napoleon nooit de meening van Pruisen had gevraagd
en over het mislukken van een Noord-Duitsch Verbond, waarvan de Keizer
niet veel meer wilde weten, nadat de Rijnconfederatie was gevormd, wilde
dit land nu eenmaal den oorlog. Schotschriften bij duizenden werden
verspreid, in de dagbladen in Pruisen werd de haat tegen de Franschen
aangewakkerd, in ’t bijzonder door de artikelen van von Gentz. Het was een
ware oorlogskoorts, zelfs de kazernes waren politieke clubs, waar de
officieren zich met groote heftigheid uitlieten over Napoleon, “die niet
waardig was korporaal te wezen in ’t Pruisische leger!” Inmiddels was Fox
den 13en September overleden. “Was hij blijven leven, de vrede zou tot stand

Page 355

zijn gekomen,” zei Napoleon; thans waren alle kansen daarop verdwenen en
de oorlog was aanstaande. De verantwoordelijkheid van het uitbreken van
dezen oorlog droeg de keizer van Frankrijk niet; nog was hij niet ontrouw
aan hetgeen hij na den vrede van Presburg Europa had toegeroepen: “De
militaire glorie heb ik uitgeput.” Europa kon nu eenmaal Frankrijks
grootheid en Napoleons invloed niet dulden en het vasteland had den vrede
leeren beschouwen als een tijdelijk bestand, waarvan Albion den duur
regelde. Thans was het Pruisen, dat den strijd begon en welk land dan ook
volgens de meeste historieschrijvers, ook de Duitsche, de
verantwoordelijkheid droeg.

Dagelijks trokken nieuwe regimenten onder het zingen van vrijheidsliederen
door Berlijn naar de grenzen. Enkele officieren van de garde gingen in hun
overmoed zoo ver, dat zij hun sabel scherpten op de trappen van het
gezantschapshotel. De koningin kon men telkens in de uniform van haar
lijfregiment te paard bij de troepen zien; prins Ludwig zette openlijk tot den
oorlog aan. Geheel Berlijn blaakte ten slotte van krijgsvuur en
vaderlandsliefde en eischte met het leger samen met luider stem den oorlog.

Wel had de koning getracht den naderenden storm te bezweren en zijn
omgeving tot kalmte te stemmen, maar ten slotte was hij bezweken voor den
drang van alle zijden op hem uitgeoefend.

Den 18en September vertrokken de koning en de koningin uit Berlijn,
zooveel personen met zich meevoerende, dat een ooggetuige het “een ware
diplomatieke colonne noemde.” Behalve de troepen waren ongeveer 2000
personen aan het hoofdkwartier verbonden; het was alsof men een
“galamanoeuvre” ging bijwonen. Overal werden feesten gegeven en men
brandde van verlangen de tegenpartij te vernietigen. Dat de koningin met
groot gevolg ook mee ging was natuurlijk tot schade voor de bewegingen,
maar het had niet geholpen, haar daarvan te weerhouden.

Weldra volgde Napoleon het voorbeeld van den koning van Pruisen en
vertrok, door Joséphine, Jérome en Talleyrand vergezeld, den 25en
September uit Parijs naar Maintz, waar hij van zijn vrouw afscheid nam en
naar het tooneel van den oorlog vertrok. Alleen de keizerlijke prinsessen met

Page 356

de Cambacérès bleven achter, terwijl aan Junot het bevel over de
krijgsmacht in Parijs was opgedragen.

Jérome had toch eindelijk ingezien, dat er met Napoleon niet viel te spelen
en het noodzakelijk was, wilde hij niet geheel uit de gratie komen, naar
Frankrijk terug te gaan. Het was hem reeds ter oore gekomen, dat hij van het
erfrecht was uitgesloten en hierover had hij zich bij Talleyrand beklaagd.
Mocht hij nog zonder Miss Patterson in Frankrijk terugkomen, had
Napoleon laten weten, dan zou alles vergeven en vergeten zijn. Jérome
kwam bovendien in een moeilijke positie, want in alle couranten was het
publiek gemaakt, dat het huwelijk niet werd erkend en waardeloos was.
Door onverwachte overkomst hoopte Jérome nog, dat Napoleon eenmaal
voor ’t feit geplaatst, wel zijn goedkeuring zou verleenen, maar daar was
geen sprake van, want alle maatregelen waren genomen om te beletten, dat
zijn vrouw in Frankrijk kwam. Zoo zien we Jérome in Parijs terug, terwijl
zijn vrouw zich nabij Londen vestigt, waar zij Juli 1805 het leven schenkt
aan Jérome Napoleon Bonaparte. Terwijl de Keizer zijn broer weer in
genade aanneemt en hem royaal uit de “grande cassette” bedenkt, gaat zijn
vrouw naar Amerika terug, onder het genot van een jaargeld, dat de Keizer
haar schenkt en dat ook tot 1814 aan haar is uitbetaald.

Hopende, dat Jérome zijn Amerikaansche Miss maar spoedig zal vergeten,
zendt Napoleon zijn broer weder naar zee, met de bestemming in de
toekomst vloten te dirigeeren. Jérome is echter nog niet veel verbeterd en
hangt de groote heer uit, gebruik makende van zijn naam en van de
wetenschap, dat hij bij Napoleon goed staat aangeschreven. Eerst belast met
het afhalen van vrijgemaakte slaven uit Algiers, zien we hem daarna
ingedeeld bij een eskader onder bevel van den vice-admiraal Willaumez, dat
gedurende eenige maanden zee moet kiezen om den handel van den vijand
afbreuk te doen. Jérome heeft eerst niet veel zin en leidt in Parijs en daarna
te Brest een leventje van den vroolijken Frans, totdat Napoleon hem
eindelijk dreigt voor schulden te laten gevangen zetten als zijn toelage niet
toereikend is, waarop hij als kapitein van een der schepen met het eskader
zee kiest. (December 1805). Wel zijn de orders voor de behandeling van

Page 357

Jérome zeer streng, maar Willaumez kan het ook niet best met hem vinden
en ondervindt al spoedig, dat Jérome toch niet naar hem luistert.

Reeds in Augustus keert Jérome naar Frankrijk terug en wordt door
Napoleon, die het al erg prachtig van hem vindt, dat hij eenige schepen van
een Engelsch convooi heeft genomen, uitstekend ontvangen. Intusschen is
Napoleon druk bezig geweest om zijn huwelijk met Miss Patterson door den
paus nietig te doen verklaren, maar deze vindt tot groote ontstemming van
den Keizer, geen termen aan het verlangen van hem te voldoen. Toch moet
het geschieden, want een huwelijk met de dochter van den koning van
Wurtemburg is in voorbereiding en in afwachting van de nietigverklaring,
hetgeen den 6en October 1806 door een doctor in het canonieke recht
geschiedt, vergezelt Jérome zijn broer naar Maintz en maakt hij een gedeelte
van den a. s. veldtocht mede als commandant van een der legerkorpsen.

Bewonderenswaardig zijn de maatregelen thans in enkele weken door
Napoleon getroffen, om zelfs voor een oorlog tegen een nieuwe coalitie
gereed te wezen.—De garde infanterie transporteert hij in zes dagen van
Parijs naar den Rijn op duizenden karretjes, die ieder tien man kunnen
vervoeren. Ieder man is voorzien van drie paar schoenen. De meegevoerde
bagage is gering. Twee voertuigen per bataljon, één per escadron
transporteeren brood, voldoende voor verscheidene dagen. De voorraad
wordt telkens aangevuld.—Overigens leven man en paard van ’t geen het
land oplevert, zoogenaamd “van den waard.” Massa’s graan, bergen beschuit
werden langs den Rijn bijeengebracht, naar Maintz en van hier, de Main op,
naar Würtzburg verscheept en in magazijnen opgeslagen.

Aan Eugène schreef Napoleon uitvoerig wat hij had te doen, als Oostenrijk
hem mocht aanvallen. Louis moest tegenover een inval der Engelschen bij
Utrecht een leger van ± 20.000 man, Hollanders en Franschen,
bijeenbrengen, dan te Wezel een divisie van 10.000 man bijeenbrengen en
met deze en de Hollanders te zamen een aanval op Westphalen voorwenden.
Eindelijk zou Mortier bij Maintz met Louis bij Wezel verbinding

Page 358

onderhouden en door zijn tegenwoordigheid aldaar de vorsten van het
Rijnverbond geruststellen.

Ook de verdediging der kust werd niet vergeten. Hiertoe dienden o. a. Brune
met 18000 man bij Boulogne en een afdeeling van circa 6000 nationale
gardes bij St. Omer.

Ten slotte hield de Keizer nog de beschikking over bijna 200.000 soldaten,
die uit de lijn Bamberg-Bayreuth door de passen van het Thüringerwoud
Saksen zouden binnenrukken.—De keurvorst, een verstandig, eerlijk man,
was door het hof van Berlijn vrijwel gedwongen geworden voor Pruisen
partij te kiezen.

Te Würtzburg hield Napoleon inspectie over zijn korpsen. Nog nooit had hij
tegenover de Pruisen in ’t veld gestaan; hun leger had een goeden naam,
vooral de ruiterij moest uitstekend wezen, veel beter dan de Fransche; de
officieren heetten dapper en volkomen berekend voor hun taak. Deze
zwetsten er op los, dat het kraakte.—“Gevormd in de school van den grooten
Frits zouden zij aan die Fransche benden, die tot nog toe alleen Oostenrijkers
en Russen, dus ongeoefende, laffe soldaten tegenover zich gevonden en
daarom bij Ulm en Austerlitz overwonnen hadden, nu eens laten kijken wat
de Pruisen waren!”

Napoleon geloofde wel iets van al die geruchten, en niet wetende of hij tegen
Pruisen alleen of tegen dit land, vereenigd met Oostenrijk en Rusland zou
moeten strijden, maakte hij zijn macht dus zoo sterk mogelijk en marcheerde
in een driehoek met de top gericht op den onzekeren vijand, Oostenrijk en
met de basis naar den zekeren tegenstander Pruisen. Op deze wijze kon hij in
zeer korten tijd het eene onderdeel steun laten verleenen aan het andere, al
naarmate dit noodig zou blijken.

Telkens als hij zijn eigen troepen zag, wekte hij ze met enkele hartelijke
woorden op om ook hen te wijzen op den gewichtigen strijd, die aanstaande
was.

“Ha, mijn oud 44e!” klonk het o.a. tegen dit brave regiment van Augereau.
“In jelui gelederen zie ik de meeste chevrons (voor dienstjaren en

Page 359

veldtochten). Jelui drie bataljons tellen bij mij dan ook voor zes.”

“Dit zullen we u voor den vijand bewijzen!” was het antwoord. Tegen het 7e,
bijna alle mannen uit Languedoc en de Pyreneën zei hij: “Dit zijn nu de
beste loopers van mijn armee; achterblijvers hebben ze nooit, vooral niet als
’t op den vijand in gaat. Maar grooter schreeuwers en brutaler stroopers dan
jelui ken ik óók niet!”—“Dat is waar! Dat is waar!” riepen de soldaten in
koor, want allen hadden een kip, een gans of een eend op den ransel,
gestroopt bij de boeren onderweg.—’t Was een ernstig misbruik, doch
magazijnen voerde de Keizer op zijn snelle tochten niet mede, en de soldaat
moest toch eten!

Die massa krijgers samen te trekken op één punt, den aanvoer van
levensmiddelen, fourage, paarden enz. te regelen vorderde veel arbeid. Een
blik op de machine, die dezen verrichtte, op Napoleons generalen staf, mag
hier dus een plaats vinden.

Duroc, de hofmaarschalk, was chef van het personeel van het hoofdkwartier
en vergezelde evenals de opperstalmeester de Caulaincourt, die voorzien was
van de kaarten van het terrein, den Keizer overal. In het rijtuig van dezen
kon men liggen. Berthier of Murat zat meestal bij hem; naast het portier reed
de Caulaincourt. In lederen tasschen voerden twee garde-jagers te paard
kaarten en papieren mede. Een piket jagers vormde de bedekking; daarachter
kwamen de stalmeesters met de rijknechts en de bedienden. Voor zijn
persoonlijken dienst had de Keizer meestal 9 paarden bij zich. Maakte hij
een langen tocht in den zadel, dan stonden om de twee uur afstand versche
paarden gereed.

De eigenlijke generale staf stond onder Berthier. Deze had 13 adjudanten en
voorts, onder drie afdeelingchefs met vijf adjuncten, 31 officieren van den
staf en 30 ingenieurs-geographen. De chef der artillerie, der genie en der
intendance hadden eveneens een aantal beambten tot hun dienst. Door zulk
een talrijk personeel was Napoleon bij machte officieren met bijzondere
opdrachten te belasten en het verband met de onderdeelen zijner armee
geheel te verzekeren.

Page 360

Eenmaal ter plaatse, waar nachtkwartier zou worden gehouden, was de
inrichting van het arbeidslokaal de eerste zorg. In ’t midden kwam een tafel
met de beste terreinkaart, die er te krijgen was geweest, georiënteerd, de
stand der korpsen met de gekleurde spelden er op aangegeven. In de hoeken
kwamen de tafels voor de vier secretarissen, de eigenlijke organen voor de
bevelgeving. Uit ’t geen de Keizer, heen- en weergaande, hun zeer snel in de
pen gaf, moest Berthier de legerbevelen samenstellen.—Dan kwam het
slaapvertrek aan de beurt; de mameluk Rustan sliep hier altoos voor de deur;
vervolgens de kamer voor de officieren van dienst. De rest van het gevolg
moest maar zien, hoe het onder dak kwam. Alleen voor Berthier moest
steeds in dezelfde woning als de Keizer een slaapgelegenheid en een bureau
gevonden worden. Werd er gebivakkeerd, dan werden vijf tenten
opgeslagen, een werk- en een woontent voor den chef, één voor Berthier,
twee voor het gevolg.

Jena.

Page 361

Ging de Keizer in vredestijd zelden na elf uur ter ruste om tegen zeven uur
op te staan, te velde veranderde hij dezen regel. Na het middagmaal, dat
nooit langer duurde dan een kwartier, want hij at weinig doch schielijk en
was zeer matig, ging hij liggen, stond tegen één uur op en begon dan zijn
bevelen te geven. Op dit uur waren de rapporten zijner generaals ingekomen;
hij kon den toestand van het geheel dus overzien; den volgenden morgen
kwamen de nieuwe bevelen dan meestal zoo tijdig bij de bivakkeerende
troepen, dat deze terstond in beweging konden worden gezet.

“Terwijl de vijand beraadslaagt, marcheert de Fransche armee,” schreef de
Keizer den 13en October, den dag, voordat bij Jena èn bij Auerstadt tegelijk
de voor Pruisen noodlottige beslissing zou vallen. Te Erfurt, waar zich de
koning bevond met zijn hof en zijn leger, in totaal ongeveer even sterk als
het Fransche onder bevel van den hertog van Brunswijk, een ouden man,
werd in de eerste dagen van October weinig anders gedaan dan
beraadslaagd. Zou men door de passen van het Thüringerwoud oprukken
tegen den vijand of een positie innemen op den linkeroever van de Saale,
tusschen Jena en het defilé van Kösen bij Naumburg, om den vijand daar af
te wachten, als hij over Weimar naar Dresden mocht willen marcheeren? Of
zou men,—en dit was de vraag des konings, die het bloedvergieten tot het
laatste oogenblik wilde voorkomen;—of zou men Napoleon, die scheen te
aarzelen en niet aanviel, een voorstel doen om tot een overeenkomst te
geraken?

De koningin en prins Ludwig, die met een ongeveer zelfstandig gebleven
afdeeling bij Saalfeld stond, pleitten met de geheele oorlogspartij, veelal
jonge edelen, voor den aanval; de wil des konings werd ten slotte toch
gevolgd. Den 4en October verneemt Napoleon, dat Pruisen niet gesteund
wordt en nu richt hij zijn legers alleen tegen Pruisen, terwijl hij zijn
hoofdkwartier naar Bamberg verlegt. Hier ontvangt hij den 7en een nota,
waarin hem als ultimatum verzocht wordt “tot Duitschlands geruststelling
met zijn armee terug te gaan tot achter den Rijn en deze beweging den 8en te
doen aanvangen.”—De Keizer werd boos.—“Prins, men daagt ons uit. We
zullen zorgen bijtijds present te zijn. Den 8en gaan we niet naar Frankrijk
maar naar Saksen,” zeide hij tegen Berthier.

Page 362

Bevelen tot den opmarsch werden gegeven.

Nu het Pruisisch-Saksische leger zich in de lijn Jena—Weimar—Erfurt—
Gotha scheen te bevinden, front naar het Thüringerwoud, besloot hij, met
Murat en zijn escadrons aan de spits der middelste colonne, tot een aanval in
den rug en op de flanken der tegenpartij.—“Daar lagen de aanvoerlijnen, dus
de spieren des legers; deze eenmaal doorgesneden, was dit leger verlamd.”

Hij rukte met zijn hoofdmacht naar Gera, om den vijandelijken linkervleugel
heen. Wel stond bij Maagdenburg een Pruisisch reserve-leger van 18000
man, doch hulp verleenen kon dit niet; daarvoor stond het te ver af. Bleef het
waar het stond, dan liep het gevaar afzonderlijk te worden verslagen, wat
den 17en October bij Halle dan ook is geschied.

Tegenstand ontmoette men voorloopig bijna nergens. Den 9en viel Hof met
zijn groote magazijnen zonder slag of stoot in Fransche handen. Den 10en
stiet Lannes met de linkervleugelcolonne bij Saalfeld op prins Ludwig en
wierp hem uit zijn slecht gekozen stelling krachtig terug. Voor een gewonen
generaal aangezien en tevergeefs gesommeerd zich over te geven, werd de
prins, wien het aan persoonlijken moed niet ontbrak, zelf hierbij
doodgestoken.

Den 13en bereikte Lannes het kort te voren door de Pruisen verlaten Jena,
vernam hier, dat de linkeroever van de Saale en de smalle bergpas naar
Weimar sterk waren bezet en rapporteerde dit ijlings aan Napoleon. Deze
had reeds bevelen gegeven, dat zijn geheele macht den 14en de Saale zou
passeeren en aanrukken op Erfurt.—Davoust had Naumburg bereikt.

“Eindelijk is de sluier weggescheurd. De vijand gaat terug op
Maagdenburg!” zeide de Keizer bij de ontvangst van Lannes’ eerste, zoo
belangrijke rapport.—Naar alle richtingen jagen thans zijn
ordonnansofficieren,—“al rijden zij hun paarden dood,” zegt hij;—met het
bevel onverwijld op te rukken naar Jena. Davoust en Bernadotte, die reeds
naar het noorden zijn doorgemarcheerd, ontvangen order, als zij den 13en
kanonvuur hooren, eveneens de Saale te overschrijden, want Lannes meldt
thans in een tweede rapport, dat hij ieder oogenblik kan worden

Page 363

aangegrepen, en dat hij wel 50.000 man tegenover zich heeft.—Dan
galoppeert Napoleon zelf naar Jena.—De vijand heeft het gewicht dezer
plaats zeker ingezien, wil ze heroveren en hem dienzelfden dag dus nog
aanvallen, denkt hij.

Prins van Hohenlohe, die den Pruisischen linkervleugel aan de Saale
commandeert, heeft dit gewicht echter niet ingezien en is met zijn armee, die
de laatste dagen weinig te eten doch voor een vredesleger veel te marcheeren
heeft gehad, zelfs teruggegaan in de richting van Weimar. Alleen
detachementen voortroepen houden den westelijken uitgang bezet van den
langen, nauwen pas langs den voet van den steilen Landgrafenberg, welke
den eenigen toegang vormt van Jena naar Weimar.

Moet Lannes den volgenden morgen door deze engte aanvallen, dan zal dit
veel bloed vorderen. Maar het geluk dient den Keizer.—Verbitterd dat
Pruisen zijn vaderland in dezen oorlog heeft betrokken en dat Jena
dientengevolge half in brand staat, nadert hem een Saksisch priester; die wil
hem een pad wijzen, steil en zwaar doch beklimbaar en die naar den top van
den ontoegankelijk geheeten Landgrafenberg voert.

Terstond wordt verkend en om vier uur staan de Keizer, Lannes en de
priester op den top.

Een leger, wel 50.000 man, zooals Lannes heeft geschat, ligt, slechts door
een terreinplooi van hen gescheiden, in de vlakte gebivakkeerd. De Keizer
meent, dat dit de vijandelijke hoofdmacht is en geeft bevelen. Terstond
wordt het steile bergpad bij fakkellicht onder zijn persoonlijk toezicht met
bijl en houweel zoover verbreed en verbeterd, dat zelfs de paarden en
voertuigen er langs kunnen, en lang vóór het aanbreken van den volgenden
dag staan op een klein plateau, dat afdaalt naar de vlakte, de korpsen van
Lannes en Soult, de infanterie der garde en de voorste divisie van Augereau,
zoo dicht opeen, dat de ransels elkander bijna raken, zoo beperkt is de
ruimte. De veldheer zelf bivakkeert midden in een carré zijner garde.

Nog heden wordt dit plateau Napoleonsberg genoemd. Een hoop rotsblokken
wijst de plaats aan, waar de Keizer sliep.

Page 364

Nog lag een dichte nevel over alles, toen zijn leger zich begon te
ontwikkelen, om voor de eerstvolgende divisie ruimte te maken; weldra brak
de zon door en kon Hohenlohe zien, dat de Keizer, dien hij alleen door den
bergpas van ’t Mühlthal had verwacht, met een dichte zwerm tirailleurs
voorop, een vechtwijze, bij de Pruisen toen zoo goed als onbekend, snel op
hem aanrukte.

Weldra was het gevecht algemeen. In weerwil van het voorbeeld hunner
officieren vocht de Pruisische infanterie slecht; de cavalerie maakte het niet
veel beter. Bij herhaling bracht een chargeerend regiment, onder luid
geschreeuw aangezet, het niet verder dan tot op vijftig pas van de Fransche
carré’s. Dan hield het halt. Die Fransche infanterie, onwrikbaar als een
levende muur den storm afwachtend, oefende een overweldigenden indruk
op de ruiters; ze maakten “keert.” Dit oogenblik verbeidden de carré’s—
Aan! Vuur!—Het doodende salvo kraakte, een hoonend gelach volgde en de
escadrons spatten uiteen.

De Saksers maakten het heel wat beter; doch toen Ney naderde, toen Murat
met zijn cavalerie ten slotte eveneens in het gevecht trad, en de reserves
oprukten, was het pleit ook hier weldra beslist. Een wilde aftocht naar
Weimar begon. Wel trachtte de dappere generaal Ruchel met zijn korps de
krijgskans nog te keeren, maar een kogel velde hem neder.

Om vier was alles afgeloopen. In onbeschrijfelijke wanorde vloden de
Pruisen. Geheele batterijen gaven zich over. De weg naar Weimar, het
nieuwe Athene met zijn bevolking van geleerden en kunstenaars, was bedekt
met vluchtelingen van alle wapens; daar tusschen in Murats kurassiers, met
den zwaren pallas alles neerstekende wat hun in den weg kwam.—Het leger
van Hohenlohe was vernietigd. Honderden officieren waren, strijdende als
helden, aan het hoofd hunner mannen gevallen.—Van het Fransche leger, op
het gevechtsveld aanwezig, had weinig meer dan de helft aan den strijd
deelgenomen; de garde in ’t geheel niet.

Te Jena ontving Napoleon de tijding van een tweede nog luisterrijker
overwinning, dienzelfden dag door Davoust bevochten.—Niet de Pruisische
hoofdmacht had hij verslagen, slechts een sterke achterhoede, bij Jena
achtergelaten om den aftocht te dekken van het gros. Dit was den 13en van

Page 365

Weimar naar Freiburg op marsch getogen en had dien avond pas Auerstadt
bereikt.

Het défilé van Kösen in de rechterflank aan de Saale zou men den volgenden
dag wel nemen, dacht men; dit was door de Franschen slechts zwak bezet.

Maar bij Naumburg stond Davoust; ook Bernadotte naderde hier eveneens
met zijn korps.—Wel ontving Davoust dienzelfden nacht nog een order uit
het bivak bij Jena om naar Apolda te rukken en, bevond Bernadotte zich bij
hem, met dezen gezamenlijk, maar aan deze order stoorde de prins van
Ponte-Corvo zich niet. Zijn order luidde: naar Naumburg, en als een
bekrompen soldaat, niet als een denkend maarschalk van Frankrijk, ging hij
derwaarts op weg en liet zijn krijgsmakker den volgenden morgen alleen
staan tegenover de overmacht.

In dichten nevel gehuld, begint Davoust den 14en om zes uur door het defilé
van Kösen naar Apolda te marcheeren, stuit bij Hassenhausen op de
cavalerie van Blücher, die ongeveer op hetzelfde uur is opgebroken en nu
ontspint zich daar een gevecht, zoo verwoed en zoo verliesrijk, als nog bijna
niet is voorgekomen. Ook hier leggen de logge Pruisische liniën en diepe
colonnes het af tegen de zooveel beweeglijker Fransche infanterie, tegen de
zwermen vlugge tirailleurs, welke deze legerdrommen met hun vuur van alle
zijden verliezen toebrengen. Zij bieden zelf een zeer weinig kwetsbaar doel
aan en terwijl zij overal dekking vinden, verdedigen zij Hassenhausen
urenlang als helden. Ook hier rennen de Pruisische ruiters, al tellen ze
duizenden, al voert Blücher, een tweede Murat, ze zelf aan, zich te pletter
tegen die als uit graniet gehouwen carré’s, die de charge bedaard en
zwijgend afwachten, hun doodende salvo’s dan op den kortsten afstand
afgeven, zich zoodoende vaak door een dam van doode mannen en paarden
omsluiten, maar die niet zijn neer te sabelen, omdat ze niet uiteengaan, en
die eerst ineenzinken, als het kanon ze te pletter schiet.

In weerwil van Blüchers voorstel om met zijn gansche cavalerie nog één
beslissenden aanval te doen en de, door het ongelijke, urenlange gevecht,
zwaar geschokte tegenpartij, onder den voet te rijden, geeft de koning, die
zich met zijn hof in de nabijheid ophoudt, bevel tot den aftocht naar Weimar,
onbewust dat Murat op datzelfde uur alles neersabelt wat de Pruisische

Page 366

uniform draagt en dus zelfs de Hessen niet spaart, die toch strijden aan
Frankrijks zijde, maar in kleeding niet van de Pruisen verschillen.—

Als de overblijfselen der twee bij Jena en bij Auerstadt geslagen legers op
den weg naar Erfurt op elkander stuiten, ontaardt de terugtocht in een
teugelooze vlucht. Moed, gehoorzaamheid, discipline, alles verdwijnt; het
komt tot tooneelen, waarvan de later zoo beroemd geworden Pruisische
generaal von Gneisenau zeide: “Liever duizendmaal sterven dan nog één
zoo’n nacht doorleven.”

Saksen.

De Pruisische generaals, kort te voren nog zoo prat op hun eigen
onoverwinnelijkheid schenen eensklaps alle vertrouwen, alle
weerstandsvermogen te hebben verloren. Binnen een maand tijd vielen al de
groote vestingen van Pruisen tot aan de Oder bijna zonder slag of stoot in de
handen der Franschen. Den 7en werd de vrije stad Lübeck, waarheen Blücher
geweken was, door Bernadotte met storm genomen en geplunderd, den 8en
gaf Maagdenburg zich over. ’t Kwam in één woord tot een reeks van die
smadelijke capitulaties, welke den Keizer terecht deden zeggen:

Page 367

“Belegeringsartillerie hebben wij niet noodig; huzaren veroveren hier de
vestingen.”

Alle historieschrijvers zijn het erover eens, dat verraad, lafhartigheid en
gebrek aan plichtsgevoel de oorzaken waren van de overgave van steden en
legerkorpsen.

Tevergeefs vroeg de koning om vrede. Diep terneergeslagen zocht hij met
zijn half wanhopig geworden gemalin eindelijk een toevlucht binnen de
citadel van Graudentz aan de Weichsel.

Den 25en kwam Napoleon te Potsdam, bezocht het grafgewelf, waar in een
eenvoudigen, houten kist zonder eenig versiersel het stoffelijk overschot van
den Grooten Frederik rustte, en legde beslag op den koppel met degen, door
dien vorst in den Zevenjarigen Oorlog gedragen, alsmede op het groote lint
zijner decoraties, op de kist aanwezig.—“Die voorwerpen geef ik aan ’t
Hôtel der Invaliden,” zeide hij. “Ik heb ze liever dan twintig millioen francs;
en de oude soldaten uit den oorlog in Hannover zullen met vromen eerbied
de eereteekenen aanvaarden, die toebehoord hebben aan een der eerste
veldheeren, van wie de geschiedenis de herinnering zal bewaren.”

Door Davoust als voorhoedecommandant voorafgegaan, gevolgd door zijn
maarschalken in hun rijk met goud bestikten rok, hij zelf in de eenvoudige
uniform van kolonel der jagers te paard, trok hij twee dagen later Berlijn
binnen. De adel was gevlucht; maar het volk stond van af de
Charlottenburgerpoort tot aan het koninklijk paleis in breede rijen, de
vensters der huizen waren dicht bezet met dames en heeren uit den rijken
burgerstand, begeerig den man te zien, die de vorsten van Europa deed
sidderen op hun troon, en zijn soldaten, zijn grenadiers der garde, de
reusachtige kurassiers van Hautpoul vooral, die, tot aan den gordel in ’t
staal, op hun forsche paarden aan riddergestalten uit de oudheid deden
denken.

Geen vleiend gejuich maar ook geen enkele kreet van haat ging op uit dien
menschendrom bij ’t zien van al die vreemde soldaten met hun gebronsde
gezichten, en kloeken, fieren stap, de half aan flarden geschoten vanen
boven hen wapperende in den wind. Doch toen de gevangenen

Page 368

voorbijtrokken, de adellijke garde des konings, enkele dagen te voren nog
zoo vol trots en overmoed, te paard de sabel zwaaiende en zwetsende tegen
de Franschen, thans met neergeslagen oogen, te voet en ontwapend den
overwinnaar volgende op zijn zegetocht, schoten menigeen de tranen in de
oogen. Hoe grenzenloos diep was ’t vaderland vernederd!—Doch één
gebleven was de natie, één met zijn vorst! Dit schonk nog hoop op een
betere toekomst.

Napoleon was edelmoedig te Berlijn. Onverbiddelijk gestreng moest
Davoust optreden tegenover iederen aanslag op het eigendom der burgerij.
Weldra waren de winkels dus weder geopend en hernam alles ongeveer zijn
gewonen loop. Maar de adel moest boeten.—“Deze alleen is de schuld van
Duitschlands rampen, die heeft het gewaagd mij uit te dagen tot den strijd en
zal ik tuchtigen, tot hij zijn brood moet bedelen in Engeland,” zeide hij.—“U
ziet nu eens wat de oorlog beteekent, mevrouw,” had de groot-hertogin van
Saksen reeds te Weimar van hem moeten hooren, toen zij, verdacht van
aanzetten tot den krijg, haar onderdanen in zijn genade aanbeval. Even
ijskoud was zijn antwoord geweest aan den gezant van den bij Auerstadt
zwaargekwetsten hertog van Brunswijk, die iets dergelijks kwam verzoeken.
—“Zeg uw heer, dat ik hem zal behandelen met al de onderscheiding,
waarop hij als een terecht beroemd doch door het ongeluk getroffen
legerbevelhebber kan aanspraak maken, maar in een Pruisisch generaal zie
ik geen regeerend vorst.”

Weldra ontbood hij Talleyrand bij zich; weder trad de staatsman voor den
veldheer in de plaats.—Terwijl een deel van het leger na een korte rust
opbrak maar Silezië, een ander naar Posen om front te maken tegen
Bennigsen, die met zijn Russen op Warschau aanrukte, vaardigde hij den
21en November te Berlijn een decreet uit tot blokkade van Engeland, het
zoogenaamde Continentale Stelsel. Alle briefwisseling, alle gemeenschap,
alle handel met dit rijk werd hierbij in zijn staten verboden; iedere
Engelschman, aangetroffen in een door Fransche soldaten bezette streek,
werd krijgsgevangen gemaakt, alle koloniale waren van Engelschen
oorsprong werden verbeurd verklaard.

Page 369

Deze maatregel, die geheel Europa deed ontstellen en aan den handel voor
millioenen schade toebracht, was zijn antwoord op Albions voortdurend
streven om, al miste het hiertoe de noodige schepen, de andere
mogendheden den handel op Frankrijks havens en de vrije vaart ter zee te
beletten.—Op alle gebeurlijkheden voorbereid, vroeg hij Oostenrijk, dat zich
in Bohemen op verdachte wijze begon te wapenen, tevens hiervan
rekenschap, beduidde het, dat een strijd tusschen hem en Rusland,
Oostenrijks belangen niet kon schaden, zette sultan Selim aan tot een oorlog
met Rusland, schiep hierdoor tevens een bedreiging voor Oostenrijks
belangen in het Oosten, gaf Eugène order het leger in Italië te mobiliseeren
en riep een nieuwe lichting,—die van 1807—onder de wapenen. ’t Was een
half jaar te vroeg, doch “dan leerden de jongens al vast iets.”—Daarop
begon hij Rusland onder handen te nemen.

Reeds was een groot deel zijner armee op weg naar de Weichsel.
Versterkingen aan troepen en reusachtige voorraden schoeisel, kapotjassen
en ondergoed volgden denzelfden weg.

Eindelijk vertrok hij zelf naar Posen, hier hoopte hij den Rus slag te leveren.

Te Berlijn liet Napoleon een goeden indruk achter. De prins von Hatzfeld,
hoofd van ’t civiele bestuur aldaar en door hem in zijn functie gehandhaafd,
had den eed van trouw aan hem verbroken, verraad gepleegd en den prins
van Hohenlohe per brief ingelicht omtrent de opstelling der Franschen in den
omtrek der stad.

Hij had dezen brief in handen gekregen en Berthier bevolen den prins te
laten arresteeren en te doen vonnissen, “als een les voor andere adellijke
burgemeesters,” die zijn voorbeeld mochten willen volgen. Voor Berthiers
vergoelijkende woorden was hij volkomen doof geworden.

Toen hadden Rapp, Caulaincourt en Savary een middel bedacht den prins,
met wiens vrouw zij medelijden hadden, te redden. Reeds was de krijgsraad
bijeengeroepen en wachtte die nog alleen op den bewusten brief om te
handelen, toen mevrouw Hatzfeld, onderricht van het gevaar, dat haar man
dreigde, door Duroc geleid, in de vestibule van het paleis voor Napoleon
verscheen, op een oogenblik, dat deze terugkeerde van een rit om de stad.

Page 370

Verrast en thans gedwongen haar te ontvangen, verleende hij haar gehoor in
zijn kabinet.

Hier bezwoer de prinses hem, dat haar man onschuldig was. Napoleon kreeg
medelijden met haar en gaf haar den geduchten brief.—“Onschuldig,
mevrouw? Herkent u het schrift van uw man?” Toen de arme alleen met
tranen wist te antwoorden vervolgde hij: “Werp dat stuk in ’t vuur, dan heeft
de krijgsraad geen bewijzen meer.”

Berlijn had dit vernomen; het was den als zoo bloeddorstig en zoo wreed
geschetsten man erkentelijk.

Tegenover den keurvorst van Hessen-Kassel, dien vorstelijken, maar
verradelijken handelaar in soldaten, was hij niet zoo genadig geweest.

“Dit keurvorstendom heeft opgehouden te bestaan!” was al wat de generaal
Mortier bij ’t binnenrukken van Kassel op zijn last aan den prins had te
verstaan mogen geven; Mortier had Kassel bezet en het leger ontbonden.
“Dit was een verrader minder in zijn rug” zei Napoleon.

Thans zou het dus gaan tegen de Russen, een winterveldtocht weder.

De indruk, dien de soldaten van Pruisisch-Polen ontvingen, was alles
behalve gunstig. Ten oosten van de Oder vonden ze geen straatwegen meer,
voortdurend moest door los, mul zand gemarcheerd worden of, als het weder
omsloeg door taaien modder. Een groot deel van het land lag braak;
reusachtige wouden wisselden af met lage, moerassige terreinen, waarin man
en paard vaak reddeloos wegzonken. De weinige bewoners, die zij er
aantroffen, waren zoo in-morsig en in-smerig, dat er bijna geen woorden
voor waren te vinden. Midden November werd het weer, aanvankelijk zeer
mooi, plotseling afschuwelijk; het regende of sneeuwde voortdurend. Bij
enkele korpsen begonnen de levensmiddelen schaars te worden. Van een
slok wijn was reeds lang geen sprake meer; het bier was ondrinkbaar; de
kwartieren waren nauwelijks goed genoeg voor een varken; daarbij werd er
geen brood meer verstrekt, en het drinkwater was half slijk. Toch verloren de

Page 371

soldaten hun opgewektheid, hun humor nog niet.—“Wat blief? Noemen de
Polen dit een vaderland? Je moet maar durven!” zeiden ze lachend.

Slag bij Eylau.

Na het gevecht bij Golymin (26 December) en bij Pultusk veranderde de
stemming echter. Geen scherts was het toen meer, als Napoleon onder het
voorbijrijden hoorde zeggen: “Dat ’t in zijn bovenkamers zeker niet pluis
was, om hen zonder brood langs zulke wegen te laten marcheeren.”—
Aardappelen en sneeuwwater waren reeds het gewone voedsel; het gansche
land was letterlijk één reusachtig, ondoorwaadbaar moeras geworden. Wel
werd er gevochten doch tot een beslissing kwam het niet; de schier
grondelooze wegen beletten elke beweging. Tijdens het gevecht bij Golymin
had Napoleon zelf ondervonden wat “dat Poolsche slijk” beteekende; met
zijn garde was hij over een afstand van nog geen twee uur gaans in rechte
lijn toen een ganschen nacht onderweg geweest. De vuurmonden waren
bijna niet meer te bewegen; de troepen hadden bijna niet meer te eten; ook
aan schoeisel was groot gebrek en de mannen waren uitgeput van

Page 372

vermoeienis en ellende.—Dit kon zoo niet langer. Van de poorten van
Warschau tot bij Dantzig, waar de oude, onversaagde veldmaarschalk von
Kalkreuth de vaan van zijn ongelukkigen koning nog altijd hoog hield,
werden dus kantonnementen betrokken. Napoleon keerde terug naar
Warschau, waar hij vroeger reeds een tijdlang zijn hoofdkwartier had
gevestigd.

In zijn verwachtingen was hij teleurgesteld; hij had gemeend, dat zijn komst
in Polen de bevolking tot geestdrift opwekken en een reusachtigen opstand
tegen Pruisen en Rusland ten gevolge hebben zou. Zelfs had hij den ouden
patriot, Kosciusco schriftelijk verzocht zich aan het hoofd der beweging te
komen stellen; en nu was er van een opstand zelfs geen sprake geweest!
Alleen was een talrijke commissie uit den adel hem te Posen komen
smeeken hen te verlossen van het juk der Pruisen en het land zijn
onafhankelijkheid terug te geven, hierbij was het gebleven.

Met het voornemen den troon van Sobieski te herstellen en Polen zijn plaats
in de rij der staten van Europa terug te geven, had hij Berlijn verlaten; doch
in stilte had hij hieraan de voorwaarde verbonden, dat de bevolking eerst
zelve het gehate juk zou afschudden. Nu hiervan niets was geschied, nu
Kosciusco, die zijn wufte, ijdele en onstandvastige landgenooten van ouds
kende, niet aan zijn uitnoodiging had voldaan, beloofde hij zelf ook niets,
doch gaf alleen den wensch te kennen, dat Polen weder uit zijn asch mocht
verrijzen.—Voor die terughoudendheid had hij gegronde reden. Hij diende
rekening te houden met Oostenrijk, dat bij de 3e verdeeling van Polen ook
een fermen brok had mede gekregen, en nu het hem in zijn plannen tegen
Rusland geen belemmeringen in den weg legde, mocht dit land niet
opzettelijk tot openlijke vijandschap worden geprikkeld.

Met zijn prachtige figuur en bonte uniform had Murat, de Franconi der
ruiterij, zooals hij wel eens genoemd werd, te Warschau grooten indruk
gemaakt. Zelfs was hij hier reeds genoemd als de aanstaande koning van
Polen. Wat zou Caroline dan hebben gejuicht, als dit visioen was
verwezenlijkt! Zoo ver kwam het dus nog niet. Toch had Napoleon door zijn
woorden alle hoop op een dergelijke oplossing echter niet den bodem
ingeslagen. Nu nog niet, dan later, werd geredeneerd en in afwachting van

Page 373

dien gulden tijd stroomden nu reeds dichte drommen jonge mannen naar
Napoleon om bij hem dienst te nemen tegen den vijand. Generaal
Dombrowski, die reeds jaren lang onder zijn vanen streed, vormde ze tot die
prachtige onverschrokken Poolsche ruiterregimenten, welke later in Spanje
en in Rusland de belangrijkste diensten bewezen hebben en die den Keizer
tot zelfs na den slag bij Leipzig getrouw zijn gebleven.

Nog in een anderen zin vond Napoleon zich teleurgesteld. Zijn voorwaarden
tot een wapenstilstand had de koning van Pruisen als te bezwarend
afgeslagen, dus moest ook in Silezië de strijd worden voortgezet; eindelijk
bleef Dantzig met zijn rijken voorraad wijn en graan, evenals verscheidene
andere steden langs de Oostzee, voorloopig voor hem een niet bereikbare
prooi.

Eenige vergoeding vond hij in het tractaat, dat hij den 11en December sloot
met den keurvorst van Saksen. Hij kreeg hierdoor een vijand minder in den
rug. Vrede, een koningskroon, een plaats onder de vorsten van het
Rijnverbond en een unie met Frankrijk, waren het loon voor den keurvorst,
die de huzaren van Murat reeds als overwinnaars in zijn hoofdstad had
gezien. Ook de hertog van Saksen-Weimar verzocht thans vrede.

Napoleon deed de troepen de kantonnementen betrekken.

Opmerkelijk is ’t dat, terwijl de Egyptenaren en de Italianen zooals de
opperofficieren veelal werden genoemd, die met hem aan de oorlogen in het
zuiden hadden deel genomen, en vele anderen ginds allen ziek werden, hij
zelf in die dagen (Januari 1807) een uitstekende gezondheid genoot. Zijn
ijzeren gestel werd in dezen zwaren veldtocht letterlijk gestaald. Vaak
genoeg legde hij te paard in de sneeuw op een dag dertig uur afstand af.
Moest Murat met zware koortsen te bed blijven, werd Augereau door
rheumatiek gekweld en was Lannes zelfs verplicht tijdelijk het commando
over zijn korps over te geven, Napoleon kon Jozef schrijven, “dat zijn
gezondheid nog nooit zoo goed was geweest, dat hij zich krachtiger
gevoelde dan ooit, voorts dat hij dikker was geworden en ook galanter dan
vroeger.” Dat hij de liefde eener vrouw slechts zelden had versmaad, was

Page 374

reeds bekend in Egypte, toen hij daar het hof maakte aan de vrouw van den
luitenant Fourès. “Wat wilt ge? Zij was zeventien jaar, ik opperbevelhebber,”
zei hij later op St. Helena, toen die minnarij ter sprake kwam. Thans te
Warschau had hij door Talleyrands bemiddeling kennis gemaakt met de
Poolsche gravin Walewska.

Welken indruk de Poolsche blondine met haar blauwe oogen en
melancolieke trekken op den Keizer had gemaakt, blijkt wel uit zijn verzoek
aan haar, bij hem te komen. “U alleen heb ik gezien, U alleen bewonderd, U
alleen begeer ik” meldt hij o.a. Doen deze woorden ons niet denken aan de
brieven uit Italië aan Joséphine geschreven? De rollen waren thans
omgekeerd, nu is de jaloezie aan de zijde van haar, die telkens aandringt om
de goedkeuring voor haar reis naar Polen; ze wil naar Napoleon gaan, bij
hem zijn, ze vertrouwt de zaak niet goed; de gedachten aan een mogelijke
scheiding worden weer levendig. Maar Napoleon vindt de afstanden zoo
groot, het jaargetijde zoo slecht, de wegen zoo onbegaanbaar en hij weet
haar ten slotte te overreden in Parijs te blijven!

Volgens vele schrijvers ondervond Napoleon van Mme Walewska die echte
gedeelde liefde, die werkelijke gehechtheid, die hij noch bij Joséphine noch
later bij Maria Louise heeft gevonden.

We vinden haar met Napoleon op het slot Finckenstein, altijd in ’t wit, zwart
of grijs gekleed. “Zoodra mijn land herboren is zal ik immer rose dragen”
geeft zij te kennen en hoewel die hartewensch van haar en haar landgenooten
niet wordt vervuld, blijft ze Napoleon trouw; later gaat ze niet mee naar
Parijs, al vinden we er haar in ’t begin van 1808. Nooit zal ze den Keizer
lastig vallen, ook niet als haar later in 1810 een zoon wordt geboren,
waarvan Napoleon de vader is. Als allen den Keizer verlaten, op Elba, zullen
we Mme Walewska nogmaals ontmoeten.

Tijdens deze idylle met de mooie Polin te Warschau, vergat hij zijn door slijk
en sneeuw ingesloten armee echter niet, al liepen er in Parijs allerlei
geruchten over de ellende, welke de soldaten leden. Vooral door het natte

Page 375

weer waren de eerste dagen voor allen natuurlijk zeer taai geweest. Tegen
flinke vorst zou het brandhout uit de bosschen op de bivaks als een probaat
middel hebben gediend; maar koud was ’t juist niet. ’t Regende bijna alle
dagen en juist die nattigheid, die den bodem doorweekte, de wegen
grondeloos maakte, het transport belemmerde, in één woord op alles storend
werkte, was de oorzaak van ziekten, vooral van dysenterie. Tijdelijk gebrek
aan brood en het eten van te veel varkensvleesch werkten ook hiertoe mede.
Juist door de zorg voor zijn zieke soldaten heeft de Keizer in dien langen
winterveldtocht uitgemunt. Te Warschau, te Thorn en te Posen alleen reeds
deed hij zes duizend bedden in gereedheid brengen; in de plaatsen tusschen
de Weichsel en de Oder eveneens. Matrassen leverde Berlijn uit wol van ’t
kroondomein en het door zijn broeder Jérome bezette Silezië gaf
ruimschoots linnen voor hemden. Daru werd chef over de ziekenverpleging
en werd hierin bijgestaan door een drom van geneesheeren, ziekenvaders en
speciaal voor dit doel bezoldigde roomsche geestelijken. Te Warschau kwam
een bakkerij voor 100.000 rations beschuit per dag, te Thorn en andere
plaatsen eveneens; en levend vee was er genoeg te vinden. Langs de Oder,
de Warthe, de Netze, ja, zelfs langs de Weichsel deed de Keizer wijn
aanvoeren, een artikel, zoo noodig om bij de mannen den geest er in te
houden en—de gezondheid. Dat de troepen langs de niet toegevroren
rivieren het beter hadden dan b.v. die van Davoust en Soult, die meer in ’t
binnenland stonden, is te begrijpen; doch honger werd nergens geleden.

De troepen van den onvermoeiden Ney leefden zelfs in een soort van
overvloed. Vlak bij het rijke Duitsche land gekantonneerd, gingen die op
sleden “den boer op” tot Koningsbergen toe; ’t was liefhebberij te zien hoe
goed een echte Duitsche pompernikkel (grof brood) van een pond of wat met
een gebraden ganzebout er bij aan zoo’n hongerige Fransche maag bekwam.

Bij een dier tochten in de laatste dagen van Januari 1807 stiet Ney op
Bennigsen. Deze had beweerd bij Pultusk overwinnaar te zijn gebleven en
had in ’t begin dezer maand het plan gevormd, met zijn macht langs de
Oostzeekust marcheerende, den linkervleugel van het Fransche
kantonnement, waar Bernadotte stond, aan te vallen, dien vleugel op te
rollen en het leger zoodoende van Thorn en van Posen af te dringen.—’t

Page 376

Plan was werkelijk goed, maar ’t moest worden uitgevoerd, en—Bennigsen
was nu eenmaal geen groot veldheer.

Door Ney uitvoerig ingelicht, heeft Napoleon het plan weldra doorzien. Den
27en geeft hij Bernadotte dus last, “als hij ’t niet langer kan houden, terug te
gaan op Thorn” en zich hieraan vast te bijten. Aan Savary geeft hij het
commando van Lannes, die nog altoos ziek is. In de voeding voor enkele
dagen wordt voorzien; en den 1en Februari worden de kantonnementen
overal verlaten. Bij helder vriezend weder rukt Napoleon naar het noorden,
in de richting der Oostzee, “om ’s vijands centrum te doorbreken en de
afdeelingen, die niet snel genoeg teruggaan, naar links en naar rechts uiteen
te slaan.”—Bennigsen heeft het geluk een Franschen ordonnans-officier met
orders in handen te krijgen, ziet hierdoor het dreigende gevaar en maakt
rechtsomkeert. Napoleon zet hem na. Kleine achterhoedegevechten zijn
hiervan het gevolg, tot Bennigsen bij Eylau ingehaald en den 8en Februari
gedwongen wordt front te maken.

Wel heeft Napoleon in den avond voor den slag nauwelijks 49.000 man met
200 vuurmonden te stellen tegenover een groote overmacht, die over 500
kanonnen beschikt, doch in geoefendheid zijn de artilleristen de tegenpartij
verreweg de baas; alle kans bestaat tevens, dat Ney en Davoust het slagveld
vroegtijdig genoeg bereiken, om de kansen minder ongelijk te maken.

Nauwelijks is de schemering voorbij, of reeds dreunt het kanon. Om 9 uur
doet Bennigsen den Franschen rechtervleugel aangrijpen; deze gaat
langzaam terug op Eylau. Tegelijkertijd ongeveer begint Augereau zijn
beweging; maar de heftige sneeuwstorm, die zijn krijgers in ’t gezicht slaat
en hen bijna blind maakt, is oorzaak, dat hij uit de juiste richting geraakt en
niet op den linkervleugel maar op ’t centrum der Russen stoot. Half
vernietigd door ’t vuur, worden zijn bataljons daarop door de Russische
cavalerie vervolgd juist in de richting van ’s Keizers standplaats.

Hier begint onrust te heerschen. Berthier laat de paarden reeds voorbrengen.
Bessières, nog meer ontsteld, schreeuwt: “Redt den Keizer!” en roept het
escorte garde-jagers naar voren. Alleen Napoleon zelf blijft bedaard.
Wrevelig wenkt hij al die toebereidselen terug en laat alleen een bataljon van

Page 377

zijn garde vooruitgaan.—“Wat een moed! Wat een moed!” zegt hij met een
blik op de naar zijn standplaats stormende escadrons. Dat zij hem zullen
bereiken, ducht hij niet; zijn nooit falende blik heeft hem reeds gezegd, dat
de paarden den adem en de geslotenheid zullen missen, noodig om nog tegen
den heuvel op te rennen.

Door de langdurige vervolging vermoeid, houden de ruiters bij ’t zien van de
infanterie der garde werkelijk hun dieren in en rijden terug.

Eerst de duisternis maakte aan de worsteling te midden van sneeuw en ijs
een einde. Bennigsen trok terug; zijn verliezen waren ontzettend. Ook het
Fransche leger had zwaar geleden en was zoo uitgeput, dat Murat eerst den
10en tot de vervolging kon overgaan. Het bivakkeerde, waar de duisternis het
vond, op het reusachtige lijkenveld, zonder voedsel, zonder dekking, met
gesmolten sneeuw tot drank. Toch waren de moed en de opgewektheid bij de
mannen nog niet verdwenen.

Ook Napoleon bleef op ’t slagveld. Geheel zonder zorg was hij niet.
—“Gisteren is er bij Pruisisch Eylau zeer bloedig gevochten,” schreef hij
den volgenden dag aan Duroc. “Wij hebben het veld behouden; aan beide
zijden is het verlies aanzienlijk. De groote afstand, die mij van Frankrijk
scheidt, maakt dit voor ons toch gevoeliger.—Om gedekt te zijn tegen de
kozakken en de Russische lichte troepen en om rustiger winterkwartieren te
krijgen, is ’t dus mogelijk, dat ik overga naar den linkeroever van de
Weichsel.”

Van dit voornemen kwam hij terug. De armee betrok kantonnementen achter
de Passarge, een riviertje, dat uitloopt in ’t Friesche Haff.

In een brief aan Jozef, gaf Napoleon den toestand op het einde van Februari
weder.

“Veertien dagen lang ben ik niet uit de laarzen geweest. Mijn stafofficieren
hebben in geen twee maanden van kleeren kunnen verwisselen. Wij zitten
midden in de sneeuw en het slijk, zonder wijn, zonder brandewijn, zonder
brood. Vleesch en aardappelen vormen ons maal; dagelijks marcheeren wij;
dagelijks zijn wij in ’t vuur en bezitten niets om ons te verkwikken. De

Page 378

gekwetsten moeten vijftig uur ver in open sleden worden vervoerd (na
Eylau). Klaag jij dus maar niet, want dit komt niet te pas. In Italië heb je
brood en wijn, zelfs beddelakens. Wij voeren den oorlog met alle kracht doch
ook met al zijn verschrikkingen en vechten zelfs tegen kalmukken en
kozakken, gewapend met pijl en boog.”

Vooral de officieren leden veel; zij hadden het slechter dan de soldaten. Hun
eenige troost was, dat het bij de tegenpartij nòg veel ellendiger was gesteld,
want voor de Russische soldaten zorgde niemand; zij stierven letterlijk van
honger. Menige rampzalige kozak kwam, aan wanhoop ten prooi, bij de
Fransche voorposten een stuk brood bedelen. Welnu, aardappelen hadden de
Fransche schildwachten genoeg; vaak deelden zij hun portie met den vijand.

In die dagen nam het maraudeeren reusachtige afmetingen aan. Onder
voorgeven van ziekte verdwenen tijdelijk duizenden soldaten uit de
gelederen, staken de Weichsel over, leefden daar in de nabijheid der groote
wegen op kosten van “den boer” en keerden onder de wapenen terug, als ’t
weder er op los zou gaan. Enkele van die benden fricateurs hadden zich hier
en daar in de dorpen zelfs verschanst en waren de schrik van de bevolking.
Met de gendarmerie zijner garde zelfs kon Napoleon dien kanker in zijn
leger niet de baas worden. De groote afstanden, het klimaat, het jaargetijde,
de vele gevechten, kortom alles werkte mede om het kwaad te bevorderen.

Page 379

Hoofdstuk XVIII.

Page 380

Friedland. Tilsit. Fontainebleau.

Had de Keizer voldaan aan den wensch van Berthier, dan
had hij de Weichsel tusschen zich en den vijand
gebracht. Zijn positie tegenover Europa had hem echter
eerst Osterode, later (in Mei) het houten kasteel
Finckenstein tot hoofdkwartier doen kiezen. Hier dekte
hij tegelijkertijd het beleg van Dantzig, dat de maarschalk Lefebvre sinds
half Maart had ingesloten en zich eerst in het laatst van Mei overgaf en
Lefebvre den titel van hertog van Dantzig deed verwerven.

Het land was toen overal droog en begaanbaar geworden; reeds had de
Keizer besloten den 10en Juni opnieuw aanvallend op te treden, toen
Bennigsen hem hierin voorkwam. Den 5en Juni begon hij Ney, die ver
vooruitgeschoven bij Gutstadt een barakkenkamp had betrokken, te
overvleugelen en te dwingen op de bruggenhoofden der Passarge terug te
gaan. Tot de ontdekking komende, dat hij hier zoo goed als het geheele
Fransche leger tegenover zich had en dat hij dit lang niet in getalsterkte
nabijkwam, besloot hij in de richting van Wehlau aan de Pregel te retireeren
en hiertoe den loop van de Alle stroomafwaarts te volgen. Terstond scherp
nagezet, bereikte hij den 10en Juni een bij Heilsberg aan de Alle in
gereedheid gebrachte stelling, sloeg Soult en Murat, die hem het dichtste op
de hielen waren, met zwaar verlies terug, doch begon in den nacht van den
12en den afmarsch opnieuw, omdat zijn rechtervleugel daar omgetrokken en
zijn positie dus onhoudbaar werd.

In de meening, dat Bennigsen op weg was naar Koningsbergen, bezield met
het voornemen hem in een grooten slag te wikkelen, om aldus aan dezen
langdurigen veldtocht met één slag een einde te maken, gaf de Keizer
nieuwe bevelen, hoofdzakelijk ten doel hebbende zijn hoofdmacht bij
Pruisisch-Eylau bijeen te brengen. Tegelijkertijd begon Murat den

Page 381

Pruisischen generaal Lestocq, die aanvankelijk op Bennigsens rechtervleugel
had gestaan en dezen ook reeds in Februari bij Eylau had ondersteund, terug
te dringen naar bovengenoemde stad en bleef Lannes met zijn schier
onvermoeide grenadiers, de divisie Oudinot voorop, Bennigsen dicht op de
hielen. Reeds den 13en ’s avonds kon hij zijn Keizer melden, dat de
tegenpartij bij Friedland scheen stand te houden.

Omtrent diens bedoelingen verkeerde Napoleon echter nog in onzekerheid;
dat die met zijn hoofdmacht stond bij Friedland, geloofde hij dus niet
dadelijk; hij zond Lannes daarom aanvankelijk alleen de cavalerie-divisie
van Grouchy tot steun, en beval hem Friedland te bezetten.

In den vroegen morgen van den 14en Juni verscheen de spits van Oudinots
grenadiers dus bij den Molenvliet, een beekje, dat ten westen van de stad
uitloopt in de Alle. Deze maakt op die plaats een scherpe bocht naar het
oosten, wendt zich dan weder naar het noorden en doet aldus een driehoek
ontstaan, met de stad ongeveer in den top. Op deze ruimte werd Bennigsen
thans zelf de oorzaak van zijn ongeluk.

Niet kunnende aannemen, dat de Fransche infanterie in slechts twaalf uur
tijd een afstand had afgelegd, die van zijn mannen een etmaal had
gevorderd; niet wetende, dat de Keizer met zijn hoofdmacht hem reeds zóó
dicht was genaderd, meende hij, dat het korps van Lannes alleen stond.
Greep hij dezen aan dan dacht hij, hier een klein succes te kunnen behalen.

Hij begon zijn leger dus over de rivier en door Friedlands straten heen naar
de basis van den bovengenoemden driehoek te brengen. Reeds dadelijk
stieten zijn voortroepen echter op die van Lannes en op die van Mortier, die
intusschen eveneens was genaderd. Zij gingen dus terug.—Uren liet hij
onder een staand vuurgevecht nu voorbijgaan, zonder iets van belang te
ondernemen.

Tegen den middag bereikte de Keizer het slagveld; om drie uur had hij zijn
korpsen verzameld en gaf hij weder een gevechtsbevel uit, duidelijk, zakelijk
en als altoos kort, de uitvoering geheel overlatende aan zijn
korpscommandanten, in één woord een model van die soort van bevelen.—

Page 382

Om vijf uur zou een salvo uit al zijn vuurmonden het teeken geven voor den
aanval.

Reeds heeft Bennigsen, die zijn gevaarlijken toestand inziet, bevel gegeven
tot den terugtocht over de Alle, en is met dezen een aanvang gemaakt, als
Ney, dicht langs den linkeroever van de Alle marcheerende, op Friedland
afkomt en hem dwingt weer front te maken. Wel brengt het kanonvuur, van
de overzijde van het water op Ney’s troepen afgegeven, deze in massa tot
wijken, doch de artillerie van Victor dooft dit vuur weldra. Diens voorste
divisie (Dupont) breekt zich midden door Ney’s wijkende afdeeling baan en
werpt de Russen door het brandende Friedland terug op de bruggen. Deze
geraken ten deele in brand.

De avond van Friedland.

Bij den rechtervleugel der Russen, die dit ontwaren, ontstaat een paniek; en
als ’t dien avond half elf slaat, is Bennigsen, ziek naar lichaam en ziel, met
het overschot van zijn leger in vollen aftocht naar den Niemen. Tachtig

Page 383

vuurmonden heeft hij verloren; meer dan twintig duizend zijner soldaten zijn
gekwetst, gesneuveld of in de Alle verdronken.

Had de Keizer al zijn cavalerie bij de hand gehad, dan zou er van het leger
weinig zijn terecht gekomen; doch Murat stond bij Koningsbergen; en van
de escadrons, die aan den slag hadden deelgenomen, was dat zware werk
niet meer te eischen. Na een langen nachtmarsch om Friedland te bereiken,
waren ze circa zestien uur in gevecht geweest. Een krachtige vervolging
bleef dus achterwege. Bennigsen kreeg hierdoor een voorsprong van ruim
twaalf uur, die niet meer was in te halen.

De tijding der nederlaag bij Friedland was oorzaak, dat Koningsbergen met
zijn ontzaglijken voorraad graan en wijn, met 100.000 even te voren uit
Engeland ontvangen geweren en honderden zieken en gewonden, afkomstig
uit den slag bij Eylau, zich overgaf.

Het Pruisische hof was reeds vroeger naar Memel gevlucht. De koning had
zijn gemalin hier achtergelaten en was alleen doorgereisd naar zijn
bondgenoot, die, misleid door Bennigsens beloften, zijn leger naar den
Niemen was tegemoet gegaan, in de stellige verwachting het als overwinnaar
te begroeten. Thans kon Alexander het den 18en Juni de grensrivier zien
overschrijden, verslagen, ontmoedigd, luidkeels om vrede roepende en
vragende “waarom het moest vechten voor de Engelschen, die altoos hulp
beloofden maar deze niet zonden en die alleen dachten aan ’t inpalmen van
koloniën.”

Hij was diep terneergeslagen; en Frederik Wilhelm, die in stilte op zijn hulp
had gehoopt om te overwinnen en die daarom Napoleons voorstellen had
afgewezen, begreep thans, dat hij het gelag zou moeten betalen. Beide
vorsten zagen tevens in, dat breken met Engeland en vrede sluiten met den
Keizer voor hen een gebiedende eisch was geworden. Van een en ander was
het gevolg dat Napoleon, die Tilsit aan den Niemen den 19en had bereikt,
hier reeds zeer spoedig van hen een voorstel ontving tot het sluiten van een
wapenstilstand, die weldra door een vrede zou worden gevolgd.

Met groote ingenomenheid, doch voor ’t oog zeer koel, begroette Napoleon
dit voorstel. De afgezanten ontving hij zeer hoffelijk; vooral veldmaarschalk

Page 384

von Kalkreuth viel een bijzondere onderscheiding ten deel. Zooals de Keizer
het uitdrukte, was hij de eenige vijandelijke officier, die de Fransche
gevangenen goed had bejegend. De voorwaarden van de wapenstilstand
werden geteekend.

Dit belette niet, dat Napoleon, immer waakzaam, zijn troepen aan den
Niemen samentrok, alsof hij den oorlog weldra zou moeten voortzetten; dat
hij de reeds naar de Weichsel op marsch zijnde reserve-afdeelingen niet
terugzond en aan al zijn korpsen ruimschoots levensmiddelen en
krijgsvoorraad deed uitdeelen. Alleen gaf hij order, dat de reeds opgeroepen
tweede helft der lichting van 1808 naar heur haardsteden kon terugkeeren.—
Dit bevel zou Frankrijk verheugen, meende hij. Eindelijk verzocht hij
Talleyrand te Tilsit bij hem te komen.

Deze diplomaat, die in Polen de slijkcampagne had medegemaakt, en bij
deze gelegenheid door het omslaan van zijn rijtuig, een boerenkar zonder
veeren, met dit slijk eenmaal zelfs in de nauwste aanraking was geweest, en
die als een echt edelman van den ouden stempel dergelijke koopjes
“ontzettend” vond, was te Dantzig tijdelijk meer veiligheid en rust gaan
zoeken.

Het verheugde Napoleon zeer, dat het einde van den veldtocht was genaderd;
hij verlangde terug naar Parijs; bijna een jaar was hij nu afwezig. In al dien
tijd was het Wetgevend Lichaam niet bijeengekomen. Dagelijks gevoelde hij
meer, dat hij te ver weg was van ’t centrum van zijn gezag. In Holland
gingen de zaken volstrekt niet naar wensch; Louis dacht meer aan de
belangen van zijn eigen land dan aan die van hem; ook over Jozef en den
toestand in Napels was hij maar half tevreden. Vol ongeduld verbeidde hij
dus den dag, waarop zijn eerste ontmoeting met Alexander zou plaats
hebben. Hij wilde een vorst leeren kennen, wiens geest, vormen en
begaafdheden hij herhaaldelijk had hooren prijzen en—door wiens hulp het
hem misschien doenlijk zou wezen de Engelschen te vernietigen. Bij het
begin van dezen veldtocht had hij zich tot taak gesteld hen te beoorlogen op
het vaste land. De helft dezer taak had hij thans volbracht, want hij had het
vaste land ontwapend en Rusland teruggedrongen tot achter den Niemen.
Wilde Alexander nu zijn bondgenoot worden, dan zou hij de Engelschen

Page 385

verslaan door het vasteland, dat dan geheel onder zijn banieren zou
geschaard wezen. Eenmaal zoover had hij de wereldheerschappij voor ’t
grijpen, dacht hij. Die eerste ontmoeting met zijn jeugdigen tegenstander zou
dus beslissend kunnen zijn.

Verlangde Napoleon dus naar de kennismaking, Alexander eveneens; voor
het militaire genie van zijn tegenpartij had hij een onbegrensde hoogachting
leeren krijgen.

Midden op de grensrivier, den Niemen, op een opzettelijk voor deze
gelegenheid vervaardigd en vorstelijk gedecoreerd vlot, in het bijzijn van
duizenden belangstellenden had de ontmoeting plaats; ze was van
weerszijden allerhartelijkst. Alexanders: “Ik haat de Engelschen even innig
als u zelf,” had het ijs terstond gebroken. “Dan is de vrede ook gesloten,”
was Napoleons antwoord op deze ruiterlijke verklaring geweest.

In de volgende dagen waren de keizers urenlang samen alleen. Napoleon
was steeds gastheer; hij overstelpte Alexander letterlijk met beleefdheden,
hield hem geregeld bij zich aan tafel, maakte verre tochten te paard met hem,
was in één woord de voorkomendheid en hoffelijkheid zelf. Bij die lange
gesprekken onder vier oogen opende hij den eerzuchtigen opvolger van Peter
den Eersten vooral ten opzichte van diens verhouding tot Turkije een
verschiet, zoo glansrijk, dat deze er schier van duizelde, en dat hij zich in
zijn sterk geprikkelde fantasie mogelijk nog meer illusies schiep, dan
Napoleon onder de gunstigste omstandigheden ooit plan heeft gehad te
verwezenlijken, aangenomen, dat hij hiertoe is bereid geweest. De grootheid
van anderen bevorderde hij immers dan alleen, als zijn eigen bedoelingen
hierdoor werden gebaat.

Niet licht zal men een grooter contrast tusschen twee alleenheerschers
vinden dan tusschen Alexander en Napoleon. De eerste, toen acht en twintig
jaar, lang en slank, was met zijn open vriendelijk gelaat en uiterst
beschaafde, hoffelijke vormen het type van den edelman uit het einde der
achttiende eeuw, een thans verdwenen menschensoort. Aan een groote mate
van natuurlijkheid paarde hij de achtelooze bevalligheid en de schier
vrouwelijke vormen van het slavische ras. De ander, tien jaar ouder en zwaar
gebouwd, bijna 1.7 M. lang, met een gelaat dat telkens veranderde van

Page 386

uitdrukking, was het type van een weergaloos soldaat-veldheer, bruusk en
driftig en dit telkens door een woord of gebaar verradende, een man, die
nooit verborg welk een minachting hij koesterde voor het menschdom in ’t
algemeen.

Lanfrey zegt o.i. volkomen terecht van hem: “Uit het tijdperk vol verfijnd
beschaafde vormen en verwarde wijsgeerige begrippen, dat hij had
doorgeworsteld, had hij de denkbeelden, de vormen en de taal met
verbazingwekkend gemak zich eigen gemaakt, maar de oorspronkelijke
mensch had bij hem weinig verandering ondergaan. Goedhartig kon hij
wezen, katachtig lief in zijn manieren zelfs, maar de onoverwinnelijke
achterdocht van den eilander, die tegenover zijn vijanden onafgebroken op
zijn hoede is, lag daarachter verscholen. Kenmerkend voor zijn afkomst, was
hij op enkele punten evenals zijn landgenooten nog bijgeloovig; vaak kon
zijn naaste omgeving hem bij ’t vernemen van een ernstige tijding of van een
groote ramp werktuigelijk een kruis zien slaan.”

Bang was hij inmiddels voor niets en voor niemand; wat de wereld zou
denken van ’t geen hij verrichtte, liet hem koud, alleen de militaire of
staatkundige eischen van het oogenblik gaven bij hem den doorslag.

Eerlijk en bescheiden doch in zichzelf gekeerd, linksch en vaak onhandig,
speelde Frederik Wilhelm, die den tweeden ontmoetingsdag reeds door
Alexander aan Napoleon voorgesteld en door dezen beleefd doch koel
ontvangen was, bij al die gelegenheden een vrijwel treurige rol. Dit werd er
niet beter op, toen Napoleon op zijn bewering, dat hij zich te zijnen opzichte
niets te verwijten had, hem antwoordde, dat al het gebeurde zijn eigen schuld
was, want dat hij hem vaak genoeg vriendschappelijk voor Engelands
kuiperijen had gewaarschuwd.

Bij de vredesonderhandelingen bleef de koning beweren, dat Napoleon door
het schenden van Anspachs grondgebied van dezen oorlog de schuld droeg
en hierdoor was de Keizer nog minder bereid aan zijn wenschen, waarbij het
bezit van Maagdenburg voorop stond, tegemoet te komen. Op raad van zijn
neef en bondgenoot besloot hij dus eindelijk zijn gemalin te ontbieden, in de

Page 387

hoop, dat haar bevalligheid en haar geest het succes zouden verkrijgen, dat
hij met zijn stijfhoofdigheid tevergeefs had gezocht.

Hartstochtelijk verlangend haar doel te bereiken, streefde de koningin met
haar krachtig karakter dit echter voorbij. Bij het eerste bezoek, dat Napoleon
na haar komst te Tilsit haar bracht, verried zij zich zelve in haar lof over
hem, en in haar betuigingen van leedwezen, dat zij hem had miskend, was zij
te overdreven, te gekunsteld, in één woord te weinig vrouw om hem te
treffen; haar woorden maakten hem zelfs half verlegen met zijn figuur.

Dit deed hem nog meer op zijn hoede zijn dan gewoonlijk. In elk opzicht
beleefd en hoffelijk, zorgde hij dus zich geen woord te laten ontvallen, dat
hem later tegenover haar binden kon. Hij verzocht haar bij zich aan tafel,
ging haar bij haar komst tot aan de deur zijner tijdelijke woning tegemoet,
betoonde zich in elk opzicht een hoffelijk gastheer maar ontweek ook aan
tafel elk gesprek over de voorwaarden des vredes. Zelfs toen zij, verbitterd
over deze houding, hem na een complimentje over een roos, die zij in de
ceintuur droeg, deze stoutweg aanbood in ruil voor Maagdenburg, prees hij
wel de hand, die hem de roos voorhield, doch liet het hierbij blijven.

Met betraande oogen keerde de vorstin terug naar haar tijdelijke woning.

Den 7en Juli sloot Napoleon vrede met Rusland, den 9en met Pruisen. Dit rijk
zou, uit beleefdheid voor den keizer van Rusland, heette het, Oud-Pruisen,
Pommeren, Brandenburg en Opper- en Beneden-Silezië blijven omvatten.
Posen en Warschau, tot een groothertogdom vereenigd, kwamen aan den
koning van Saksen; al de Pruisische provinciën ten westen van de Elbe
werden met Hessen-Kassel herschapen in een koninkrijk Westphalen,
waarover Jérome zou regeeren. Jozef, Louis en Jérome werden in hun
vorstelijke waardigheid door Pruisen en Rusland erkend. Mecklenburg en
Oldenburg, aan hun vorsten teruggeschonken, zouden Fransche bezetting
houden tot uitvoering van het Continentale Stelsel; eindelijk zou Rusland
zijn invloed aanwenden om Frankrijk met Engeland te verzoenen.

Een geheim verdrag behelsde voorts, dat Alexander en Napoleon met elkaar
in alles gemeene zaak maken en tegen Engeland de wapens opvatten zouden,
als het de bovenstaande voorwaarden niet aannam. Voorts zouden beide

Page 388

monarchen Zweden, Denemarken, Portugal en Oostenrijk gezamenlijk
aanmanen om hun havens voor Engeland te sluiten en dit rijk den oorlog te
verklaren.—Alexander kreeg het uitzicht op het bezit van Finland, dat aan
het Frankrijk vijandige Zweden behoorde, en op een deel der Donau-
vorstendommen van Turkije. Frederik Wilhelm betaalde het gelag.

Alleen door zijn hartstocht had Napoleon zich laten leiden, toen hij den
Pruisischen staat in stukken scheurde en de helft er van schonk aan zijn
genotzuchtigen, zinnelijken broeder, die niet eens de taal verstond van het
land, dat hij ging regeeren. Geen staatsmanswijsheid, alleen zijn
onbuigzame, koppige wil had zijn hand bestuurd, toen hij met één
pennestreek een vorst met onvergankelijke tradities als hoofd eener groote,
gezaghebbende mogendheid, van zijn zetel wierp en hem verlaagde tot een
vorst van den tweeden rang.

De Pruisische natie had deze verdeeling van grondgebied, deze scheiding
van haar vorst niet verlangd. Niet zooals in Italië en in Holland had zij
gevraagd om bevrijding van een gehaat slavenjuk, al was de toestand in
Pruisen geenszins rooskleurig. Eén gebleven was ze met haar vorst, één met
haar schoone vorstin, die tevergeefs getracht had den overwinnaar te
vermurwen. Als staatsman beging Napoleon een misslag, toen hij den
eenigen vorst, dien hij in gansch Duitschland in geographischen,
staatkundigen en militairen zin tot zijn waarachtigen bondgenoot had kunnen
maken, vernederde en moreel mishandelde.

Bloedig heeft die misslag zich gewroken. Terstond is die haat der bevolking
tegen hem geboren, welke den hertog van Brunswijk Oels zijn huzaren deed
kleeden in ’t zwart met den doodskop voor den kolbak, die het aanzijn
schonk aan het geduchte geheime genootschap van den Tugendbund, die een
krijgsman als Yorck in 1812 voerde tot verraad en die na den veldtocht in
Rusland de gansche natie als één man deed opspringen, het geweer grijpen
en tot binnen de muren van Parijs vergelding en wraak zoeken voor den
hoon, te Tilsit haar aangedaan.

Welk een grootschen, overweldigenden indruk had Napoleon op gansch
Europa moeten maken, als hij na Friedland niet Alexander alleen maar ook
Frederik Wilhelm grootmoedig de hand toegestoken, dezen niet van de helft

Page 389

van zijn koninkrijk beroofd maar ook zijn vriendschap gezocht had!
Mogelijk zouden dan geen Regensburg, geen Aspern, geen Wagram hun
bloedige vore door de geschiedbladen dier dagen hebben getrokken.

Hij was reeds bevangen door dien onleschbaren dorst naar veroveringen,
naar nòg meer grootheid, nòg meer macht, die de Cambacérès terstond bij
hem opmerkte, toen hij den 27en Juli te St. Cloud was teruggekeerd.—“De
Keizer is zoo tevreden en gelukkig, dat hij wel erg zal brommen,” had
Joséphine vóór zijn komst tegen haar omgeving gezegd;—tot “brommen” op
die omgeving had hij trouwens reeds vaak genoeg reden gehad.—Doch de
Cambacérès vond méér in hem; die vond hem veranderd, minder openhartig,
minder vertrouwelijk met hem dan voorheen. ’t Was alsof hij iets voor hem
had te verbergen.

Nauwelijks te Parijs terug, wijdde hij zich weder met onvermoeiden ijver
aan het inwendige beheer van zijn rijk. Hij begon met de afschaffing van het
Tribunaat, vereenigde het met het Wetgevend Lichaam en bracht hierdoor
een ernstige wijziging in de consulaire grondwet van het jaar VIII. Tevens
betoonde hij zich hierdoor vrijwel ondankbaar, want aan het Tribunaat toch
had hij zijn benoeming tot consul voor het leven te danken gehad. De
republikeinen ontvingen de kennisgeving er van volstrekt niet met
ingenomenheid, vooral omdat de definitieve instelling van een erfelijken
adel slechts enkele dagen aan deze wijziging was voorafgegaan, en zij met
het Tribunaat het gansche republikeinsche beginsel zagen wegvallen, om
plaats te maken voor het monarchale met al zijn dure en noodelooze
eerebaantjes.

Hartelijke toejuiching bij de geheele natie vond daarentegen de
onbekrompen wijze, waarop hij de toekomst van zijn oude, trouwe soldaten
verzekerde. Millioenen en nog eens millioenen francs schonk hij hun in
jaarlijksche toelagen of in giften in eens. Hij bezigde hiervoor een deel van
den schat, dien hij uit de oorlogskosten en verbeurdverklaringen van
geestelijke en andere goederen in de doode hand in den loop der jaren had
samengebracht.

Het Wetboek van Koophandel en dat van de Crimineele Rechtspleging
werden afgekondigd, een Rekenkamer ingesteld, en zoowel in Frankrijk zelf

Page 390

als in Italië, Napels, enz. een krachtigen stoot gegeven aan de voortzetting
van werken tot openbaar nut. Ook de inrichting van de musea en van het
Louvre werd met nieuwen ijver ter hand genomen. De porceleinfabrieken
van Sèvres, onder het Directoire haar ondergang nabij, herleefden door zijn
toedoen geheel. Den heer Oberkampf, directeur der prachtige fabriek van
gedrukt linnen te Jouy, ging hij persoonlijk decoreeren met het ridderkruis
van het Legioen van Eer. Het paleis van Versailles werd gerestaureerd.
Millioenen besteedde hij aan de leniging van de ellende, door den oorlog in
de Vendée ontstaan, millioenen aan den bouw van weeshuizen en
toevluchtsoorden voor behoeftigen. Door krachtige, ingrijpende maatregelen
trad hij op tegen de bedelarij, in die dagen letterlijk een kanker in geheel
Frankrijk. Er was in één woord geen enkel onderdeel van bestuur te noemen,
waaraan hij niet in meerdere of mindere mate zijn aandacht wijdde, en het
beste bewijs hoezeer het vertrouwen van het publiek in Juli 1807 was
toegenomen, was de noteering van de Fransche rente aan de beurs. Deze
steeg tot 94%, een voorheen ongekende prijs.

In dat jaar van grootheid en voorspoed, eigenlijk het schoonste van zijn
geheele regeering als Keizer, bevond hij zich vaak op het kasteel van
Fontainebleau; ook hier deed hij al het vorstelijke bedrijf van vroeger
eeuwen met jachtpartijen in costuum, groote feesten en statige recepties
herleven. Des avonds kwamen de voornaamste tooneelspelers van Parijs
voorstellingen geven; dan waren Corneille, Racine en Molière aan ’t woord.
Het laatste republikeinsche tintje was uit zijn omgeving verdwenen.

In den aanvang klein, nam het getal oude, adellijke namen aan het hof
weldra sterk toe. Joséphine gevoelde zich gelukkig in dien kring van
menschen, die eenmaal de salons van Lodewijk XVI hadden gevuld en over
wier houding, gedragingen en manieren een waas van voornaamheid lag, dat
veel republikeinen zich trachtten eigen te maken, Napoleon zelf heeft zich
hieraan nooit bezondigd. Die bleef wat hij altoos geweest was, vandaag ruw,
grof, lomp tot beleedigens toe en niet vragende wie hem hoorde bulderen,
morgen zoo beschaafd, beleefd en hoffelijk, dat een ieder hunkerde naar een
vriendelijk woord van hem.

Page 391

“Wat jammer, dat een zoo groot man een zoo slechte opvoeding heeft
gekregen,” zei Talleyrand dan ook van hem; doch die had goed praten! Waar
had Napoleon, die het ouderlijk huis reeds op zijn negende jaar had verlaten
en daarna voor ’t meerendeel slechts lompe, onwetende geestelijken als
leidslieden gekregen had, die fijnbeschaafde vormen moeten leeren?

Reeds enkele weken na ’t sluiten van den vrede had Talleyrand zijn ontslag
verzocht als minister van Buitenlandsche zaken. Hij hield van zijn gemak;
hij was niet zoo heel jong meer en liep mank; al deze factoren, vereenigd
met de souvenirs aan logeeren op stroo in een boerenwoning, een slechte
tafel en tochten door slijk en sneeuw met de kozakken in de buurt, hadden
hem tot dit besluit gebracht.

Aanvankelijk boos, had Napoleon, toen hij volhield, zijn verzoek
ingewilligd, hem tot belooning voor zijn diensten benoemd tot vice-
grootkeurvorst; tevens had hij den heer de Champigny met zijn portefeuille
belast.

Talleyrand stelde zijn ambtenaren aan dezen aldus voor: “U zult over de
heeren tevreden zijn. Zij zijn trouw, handig, attent, maar evenals ik zelf niet
bijzonder ijverig. Uitgezonderd een paar expéditeurs, die de brieven wel
eens wat te vlug sluiten, blijven ze altoos kalm en haasten zich nooit. Zoodra
u een tijdlang met den Keizer gewerkt hebt, zal het u duidelijk zijn
geworden, dat het vlug sluiten en verzenden der brieven in verband met de
groote belangen van Europa niet gewenscht is.”

Tegelijkertijd ontving Berthier zijn benoeming tot vice-connétable; hij legde
de portefeuille van Oorlog thans neder; Clarke nam ze over.

In ’t laatst van Augustus eindelijk werd te Parijs het huwelijk ingezegend
tusschen Jérome en de dochter van den koning van Wurtemberg, een even
bevallig als schrander persoontje, dat aanvankelijk wel eenigszins had
opgezien tegen haar eerste reis naar een hof, “waar het nogal ruw scheen toe
te gaan” en werwaarts niet één van haar vrienden of familieleden haar
vergezelde, doch waar zij door Napoleon terstond zoo allerhartelijkst was
ontvangen, dat alle schroom weldra bij haar verdween.—Jérome, die, zooals
we zagen, in Napoleon van jongsaf altoos veel meer een vader dan een broer

Page 392

had gezien, heeft reden gehad hem voor die keuze erkentelijk te wezen.
Catharine heeft hem later in zijn ongeluk een schitterend bewijs van trouw
en aanhankelijkheid gegeven.

De pogingen, door keizer Alexander in het werk gesteld om Engeland met
Frankrijk te verzoenen, bleken weldra volslagen nutteloos. Het Continentale
Stelsel had de Engelsche natie, die hierdoor groot nadeel leed in haar handel,
tot woede geprikkeld. Voor de volvoering zijner krijgszuchtige plannen
ontving het nieuwe ministerie Canning dus groote credieten; de zeemacht
werd versterkt om al de havens van het vasteland te kunnen blokkeeren; en
als eerste nieuwe daad van openbare vijandschap stevende een eskader in ’t
begin van September naar de Sont, bombardeerde Kopenhagen drie volle
dagen lang en beging hiermede een schanddaad, welke onder geen vorm was
te verdedigen en indruischte tegen het volkenrecht, want Denemarken,
hoewel een trouw bondgenoot van Frankrijk, was een neutrale mogendheid
en had zich tot dusverre buiten alle politieke verwikkelingen weten te
houden.

Tegenover het parlement verantwoordde Canning zich met de verzekering,
dat er tusschen Denemarken en Frankrijk kort te voren een geheim verdrag
was gesloten waarbij de Deensche vloot tot Napoleons beschikking werd
gesteld. Uit de allerhoogste kringen te St. Petersburg zou hiervan
mededeeling zijn gedaan.

Denemarken, Pruisen en Rusland braken terstond alle betrekkingen met
Engeland af en sloten hun havens voor zijn schepen.

Thans was Portugal het eenige rijk, dat nog openlijk met Albion handel
dreef. Kon het anders? In den loop der jaren was het zoo goed als een
Engelsche kolonie geworden; het leefde schier alleen van ’t geen van die
zijde werd ingevoerd. Koningin Marie was nog altoos krankzinnig, de prins-
regent, een man, die, laks en vadsig van aard, in zijn verhouding tot
Napoleon uit Londen werd geïnspireerd en die het gemakkelijk vond, als
men de staatszaken voor hem daar in ’t geheim behandelde.

Page 393

Door het krachtige optreden van het Noorden tegenover Londen
gerugsteund, besloot Napoleon Portugal de tanden te laten zien. Terwijl hij
Jozef het vasthouden en approviandeeren der Jonische eilanden, hem bij
geheim tractaat te Tilsit afgestaan, en het hernemen van Reggio, waar de
Engelschen nog altoos vasten voet hadden, in bijna hartstochtelijke woorden
aanbeval, terwijl hij dringende bevelen gaf om in al de havenplaatsen van
zijn gebied met kracht te doen doorwerken aan ’t uitrusten van schepen,
stelde hij den prins-regent van Portugal kortweg voor het ultimatum: Oorlog
met hem of de toepassing van het Continentale Stelsel op al zijn havens.

Page 394

Louise van Pruisen brengt een bezoek aan Napoleon.

De prins-regent zocht uitvluchten, raadpleegde ter sluiks Londen weder,
beweerde, dat hij liefst zijn onzijdigheid wilde handhaven, en zocht in één
woord tijd te winnen.—Toen hij ten slotte weigerde aan het gestelde
ultimatum te voldoen ging den 17en October een leger van ruim twintig

Page 395

duizend man, dat reeds weken te voren bij Bayonne onder bevel van Junot
was samengetrokken, op marsch naar Lissabon. Tusschen Napoleon en
Godoy, den Vredevorst, was het overschrijden van het Spaansche
grondgebied vooraf geregeld. In ’t laatst van October sloten ze zelfs een
geheime overeenkomst, waarbij Portugal tusschen Spanje, Frankrijk en
Godoy zou worden verdeeld.

Dit tractaat met den in zijn vaderland zoo gehaten en verachten Godoy, die
vóór Jena eveneens tegen Napoleon had willen partij kiezen, is voor dezen
de bron geweest eener reeks van groote en kleine rampen, die stellig tot zijn
val hebben bijgedragen. Zijn keuze van Junot tot opperbevelhebber was
tevens ongelukkig. Hij was wel een dapper soldaat maar bekrompen van
geest; en dat Junot te Lissabon een tijdlang gezant was geweest, is als een
oorzaak te beschouwen van deze minder gewenschte benoeming.

Junot voerde zijn bijna geheel uit jonge conscrits bestaande korpsen onder
gestadige verliezen tengevolge van gebrek, ziekte en vermoeienis en van den
dolk der Spanjaarden, wier eigendom zij roofden, naar de grenzen van
Portugal, kwam hier tot de ontdekking, dat Godoy, die hulp aan troepen en
levensmiddelen in overvloed beloofd had, hem jammerlijk bedroog en den
verrader speelde, bereikte met nog geen vierde zijner macht niettemin
Lissabon en nam deze stad in zijn bezit. Even te voren was de prins-regent
met zijn familie en zijn schatten benevens duizenden rijke Portugeezen
scheep gegaan naar Brazilië. In November 1807 verklaarde Napoleon het
huis van Braganza kortaf vervallen van den troon en legde Portugal daarna
een belasting op van honderd millioen francs.

Altoos bezig, zich nooit meer rust gunnende dan hij strikt noodig had, een
voorwerp van de verbazing zijner omgeving, die hem aan den arbeid zag,
zich nooit verdiepende in détails, die door anderen konden worden
uitgewerkt, het hoofd vol duistere plannen, welke hij nog aan niemand
mededeelde, maar waarin Londen en de Spaansche troon de hoofdrol
speelden, begaf de Keizer zich half November weder op reis. Thans waren
Italië en de militaire werken bij Allessandria, Mantua en Venetië het doel.

Bij deze gelegenheid nam hij Eugène met zekere plechtigheid aan tot zijn
zoon en opvolger in Italië, schonk hem den titel van prins van Venetië en had

Page 396

te Mantua voor het eerst na jaren weder een ontmoeting met Lucien. Gaarne
had hij gezien, dat deze zich met hem verzoend had, want hoewel Lucien
zich te Rome onverzoenlijk had getoond, kon hij dezen broeder, die hem
feitelijk den 18en Brumaire door zijn manmoedig optreden den weg naar het
oppergezag had gebaand, niet vergeten.

Hij vorderde echter te veel. In ruil voor de kroon van Portugal zou Lucien
zijn tweede vrouw Alexandrina de Bleschamps, weduwe Jouberthon, moeten
verstooten en hij wilde zijn huiselijk geluk niet opofferen aan het bezit eener
kroon onder de heerschappij van zijn broer.

Met bitterheid in ’t hart scheidden de twee broers.

Wel werden er daarna nog pogingen aangewend tot verzoening, wel zou de
breuk tusschen hen nog ernstiger worden, maar ze zouden elkaar niet
weerzien, voordat de oudste neergeveld door het noodlot bijna door allen
verlaten was en de ander hem zijn hulp kwam aanbieden.

Page 397

Hoofdstuk XIX.

Page 398

Het drama in Spanje.

“Een opstand van monniken” heeft de Keizer in zijn
verholen gramschap het verzet op het Iberische
schiereiland in den beginne smalend genoemd; toch is
deze uitdrukking onjuist. Aanvankelijk was de
geestelijkheid hem zelfs niet ongenegen, omdat ze in
hem een bestrijder meende te zien van den zoo gehaten Godoy. Eerst later,
toen zij zijn ware bedoelingen, de onderwerping van Spanje, had leeren
kennen is ze van houding veranderd en heeft ze door het opzweepen van den
geloofshaat der bevolking den strijd tegen de Fransche overheersching
ontzettende vormen doen aannemen.

Napoleon leefde nu eenmaal in de waan, dat het godsbestuur hem op deze
wereld een grootsche taak had te vervullen gegeven en reeds lang liep hij
met plannen rond ook Spanje in zijn systeem op te nemen; dat hij een groote
fout beging zich in de familieaangelegenheden der Spaansche Bourbons te
mengen is even waar als zijn met Tilsit begane fout, Pruisen zoo diep te
vernederen. Wel was het waar, dat Napoleon reeds tijdens den veldtocht in
Pruisen voldoende bewijzen van verraad van zijn ouden bondgenoot had
ontvangen; de nachtelijke bijeenkomsten van Godoy met de Pruisische en
Russische gezanten waren den Keizer niet onbekend gebleven, maar dit
verontschuldigt evenmin zijn inmenging in de familiequaesties der
Spaansche Bourbons als het verzoek zoowel van Karel IV en diens zoon
Ferdinand, den Prins van Asturië, om zich met hun particuliere
aangelegenheden te bemoeien en hun scheidsrechter te zijn.

Ferdinand ging hierin zelfs nog verder; die riep zijn bescherming in “tegen
een bende doodvijanden” en verzocht zijn aangenomen zoon te mogen
worden door een huwelijk met een prinses uit zijn huis.—Deze had dan een
dochter van Lucien kunnen wezen.

Page 399

Dat Talleyrand, wel niet meer in naam doch steeds nog in de daad Napoleons
rechterhand in diens aangelegenheden met het buitenland, dezen uit
aangeboren zucht tot intrige aanhoudend prikkelde om in Spanje krachtig op
te treden, mag hierbij evenmin worden vergeten.

Wetende dat Godoy in stilte tegen hem samenspande en Junots troepen bij
hun opmarsch in den steek had gelaten, voor hun verpleging en voeding niet
de minste zorg gedragen had, gaf Napoleon aan twee korpsen bevel de
Spaansche grenzen te overschrijden, het land ten noorden van de Ebro te
bezetten en in Barcelona, Sint-Sebastiaan en Pampeluna garnizoen te leggen.
Een derde korps dirigeerde hij naar Cadix en eischte toen (Februari 1808)
afstand van het bezette grondgebied in ruil voor Portugal.—Karel IV durfde
dezen eisch, toch een aanslag op zijn gebied, niet met klem van de hand te
wijzen.

Verontwaardigd over het ellendige bestuur van Godoy, gerugsteund door de
bevolking, beducht voor de gevolgen, als Spanje nog verder door Fransche
troepen werd bezet, wisten eenige aanzienlijken Ferdinand, ook al een zwak
en besluiteloos wezen, te bewegen bij zijn vader aan te dringen op Godoy’s
ontslag. Karel weigerde aan dit verzoek te voldoen. Toen een nieuw Fransch
leger onder Murat de grenzen overtrok en langzaam Madrid begon te
naderen; toen het bericht kwam dat de koning wilde vluchten naar Cadix en
dus Aranjuez verlaten had, geraakte de bevolking te Madrid in opstand. Het
paleis van Godoy werd bestormd. Terwijl diens rampzalige gemalin, een
prinses van Bourbon nog wel, door het grauw werd geëerbiedigd, werd hij
zelf, nadat hij zes en dertig uur onder eenige rollen stroomatten op een
zolder verscholen had gezeten doch door honger en dorst verplicht was
geworden te voorschijn te komen, gepakt en had hij aan een paar gardes te
danken dat hij, met wonden overdekt, eindelijk in een kazerne terecht kwam.

Om zijn “dierbaren vriend en gunsteling” het leven te redden, deed Karel IV
den 19en Maart afstand van den troon ten behoeve van zijn zoon. Murat
stond toen nog maar één dagmarsch van Madrid.

De tijding van dezen troonsafstand was hem maar half aangenaam, want hij
had zelf wel koning van Spanje willen worden. Hierover dacht Napoleon
echter niet en had reeds lang Louis, Jérome en Jozef gepolst. Had de eerste

Page 400

met het oog op zijn gezondheid altijd aangedrongen om in meer zuidelijke
streken geplaatst te worden, nu het er op aankwam bedankte hij voor de eer.
Ook Jérome meende niet te moeten aannemen, daar zijn huwelijk met
Catherine van Wurtemburg, een protestante, een beletsel zou zijn en hij haar
niet wilde opofferen. Dan Jozef! Deze was reeds vóór de andere broers
gepolst, maar had bedankt, want slechts een gedeelte van Spanje was
aangeboden; nu herhaalde de Keizer het verzoek doch Spanje in haar geheel
en Jozef aanvaardde thans de kroon, die eens een Karel V had bezeten!

Den 23en trok Murat de hoofdstad binnen en werd hier door Ferdinand, dien
hij niet als koning erkende en dien hij prins van Asturië bleef noemen,
zoowel als door de bevolking, die in de Franschen thans de bevrijders zag
van Godoy’s tirannie, voorkomend ontvangen. Godoy, die reeds met ketenen
beladen per kar van Aranjuez op weg was naar een gevangenis te Madrid,
zond hij naar Bayonne.

Intusschen had Karel IV zijn daad herroepen en Napoleon verzocht
scheidsrechter tusschen hem en zijn zoon te zijn. Ferdinand verliet Madrid,
begaf zich naar Bayonne, waar Napoleon zich reeds bevond, en vond hier
zijn ouders, die hem reeds den 20en April hierheen waren voorafgegaan,
waar ze door Napoleon met vorstelijken praal werden ontvangen.

Te Madrid waren de broeder van Karel IV, zijn dochter de ex-koningin van
Etrurië en zijn jongste zoon Francisco de Paolo, een kind van dertien jaar,
achtergebleven.—Misschien hadden de gebeurtenissen een bevredigenden
loop genomen, als Murat niet den last had ontvangen ook deze leden der
koninklijke familie naar Bayonne te doen geleiden en als de kleine Francisco
het paleis had willen verlaten. Den 9en Mei brak er nogmaals een ontzettend
oproer uit. Uit alle huizen vielen schoten. Een dragonder van Murats garde,
wiens paard door een kogel was neergeveld, zou zelfs voor de oogen zijner
kameraden zijn vermoord, als deze niet met de blanke sabel op de menigte
waren ingestormd en hem hadden ontzet.

Murat deed geducht wraak nemen. Vooral het escadron Mamelukken der
garde hield met kromsabel en donderbus een gruwelijke opruiming.

Page 401

Toen Karel IV van Napoleon vernam wat er in zijn hoofdstad was geschied,
werd hij woedend, ontzag zich niet in ’t bijzijn van Joséphine en de geheele
keizerlijke hofhouding zijn zoon toe te roepen: “Ellendeling, je kunt
tevreden zijn. Jouw misdadig verzet tegen je vader is oorzaak geweest, dat
Madrid thans baadt in bloed. Dit bloed kome over jou hoofd!”—De koningin
hief zelfs de hand tegen haar zoon op en overlaadde hem met
scheldwoorden.

Denzelfden avond nog,—6 Mei—stond Ferdinand, die op dit alles geen
syllabe antwoord had gegeven, de kroon weder af aan zijn vader; nog twee
dagen later deed deze met al zijn mannelijke nakomelingen ten gunste van
Napoleon afstand van den troon, “om daarover in het belang van Spanje naar
goedvinden te beschikken,” en begaf zich met zijn vrouw, zijn dochter en
den “vriend” naar Rome. Aan Ferdinand en zijn broertjes werd het kasteel
van Valencay, een bezitting van Talleyrand, als verblijf aangewezen.

In ’t midden van Mei riep Napoleon nu een Junta van 150 Spaansche
afgevaardigden bijeen om een nieuwe grondwet samen te stellen en den 9en
Juli verliet Jozef Bayonne op weg naar Madrid. In ’t begin ging het goed,
maar al spoedig hield het enthousiasme van de bevolking op, ja werd hem
zelfs de weg versperd door een leger van 40.000 man, meest geregelde
troepen, onder den generaal Guesta. Wel werden de troepen teruggedreven
en deed Jozef den 20en Juli zijn intocht in Madrid, maar ’t was er alles
behalve veilig voor den nieuwen koning, die dan ook elf dagen later
voorzichtigheidshalve de stad weder verliet en te Vittoria achter de Ebro een
veiliger verblijf zocht.

Was Murat misschien wat teleurgesteld Spanje niet te krijgen, Napoleon
wilde toch zijn zwager beloonen voor de uitstekende diensten op militair
gebied aan hem verleend en daarom had de Keizer hem de keuze gelaten
tusschen Portugal en Napels; Murat koos het laatste en in September zien wij
hem zijn intrede in Napels doen, waar hij de schatkist leeg vond en het leger
vertrokken.

Jozef had er duchtig huis gehouden en deze, die altijd geld en troepen noodig
had in zijn eerste koninkrijk zou nu nog veel erger dingen ondervinden.

Page 402

Geheel Spanje was in vollen opstand. In de nog niet door de Fransche
troepen bezette provinciën als Asturië en Arragon, te Sevilla en te Badajoz
had de bevolking naar de wapenen gegrepen; overal hadden zich junta’s
gevormd. De reden was, dat den 19en Juli generaal Dupont verplicht geweest
was bij Baylen in Andalusië tusschen de Sierra Morena en de Guadalquivir
te capituleeren. Al de Spaansche grandes hadden Jozef daarop zelfs zonder
afscheid verlaten; Mexico en het geheele vasteland van Zuid-Amerika van
Peru tot aan de monden van de Rio de la Plata, de koloniën dus, waarop
Napoleon zoo tuk was geweest, hadden hun havens voor Engeland geopend
en zich bij de partij van het gevallen koningshuis aangesloten.

Hoe Jozef zelf over zijn toestand dacht, kan blijken uit een fragment van zijn
brief van 9 Augustus aan zijn broeder:

“De gansche wereld zonder uitzondering heb ik hier tegen mij. Zelfs de
hoogere standen zijn na eenige aarzeling de beweging der volksklasse
gevolgd.—Als generaal zou mijn taak draaglijk, zelfs gemakkelijk zijn, want
met een korps van uw oude soldaten zou ik de Spanjaarden overwinnen; als
koning is mijn rol echter niet vol te houden. Om over mijn onderdanen de
baas te worden, zou ik een deel er van moeten verdelgen. Ik verkies dus niet
langer te heerschen over een natie, die niet van mij is gediend. Als
overwonneling heengaan, wensch ik echter ook niet. Zend mij dus een van
uw legers: aan de spits er van keer ik dan terug naar Madrid, en
onderhandel hier met de bevolking.—Wenscht gij dit, dan schenk ik haar in
uw naam Ferdinand VII als koning; maar ik zelf wensch terug naar Napels,
naar een volk, dat door mijn zorgen gelukkig wil wezen. Ik ben uw broeder,
uw eigen bloed; en Murat heeft van zijn nieuw rijk nog geen bezit genomen.”

De nederlaag bij Baylen was niet de eenige slag, die de Fransche wapenen in
diezelfde dagen trof. Aan de Mondego was een Engelsch leger van 16.000
man onder generaal Arthur Wellesley de Portugeezen te hulp gekomen en
door Junot tevergeefs aangevallen. In het daarop gevolgde gevecht bij
Vimeira waren de Engelschen overwinnaar gebleven. Van het bij Baylen
gebeurde onderricht, beducht voor zijn leger, dat op de positie van Torres
Vedras ten noorden van Lissabon was teruggegaan, trof Junot den 30en
Augustus bij Cintra met Wellesley een overeenkomst, waarbij werd bepaald,

Page 403

dat zijn troepen met Engelsche schepen naar een Fransche haven zouden
worden overgebracht.

De tijding van Duponts nederlaag ontving de Keizer, die Bayonne had
verlaten, op den terugweg naar Parijs. Terstond begreep hij dat de terugtocht
van zijn macht tot achter de Ebro hiervan het gevolg zou moeten wezen; dat
het leger aan gene zijde van de Pyreneën thans te zwak was geworden voor
het beoogde doel, de vermeestering van het land, en dat zijn
tegenwoordigheid ginds op het gevechtsveld dringend werd vereischt, want
het zou gaan om de eer van het groote keizerrijk. Een gedeelte van zijn
troepen uit Duitschland zou hij naar Spanje moeten verplaatsen en aan
Ruslands wensch ten opzichte van Pruisen, n.l. om de aan deze mogendheid
opgelegde oorlogsschatting te verminderen en een deel zijner in Duitschland
staande regimenten terug te nemen, leende hij dus thans een meer gewillig
oor dan vroeger. Den 8en October sloot hij met Frederik Wilhelm een tractaat
o.a. behelzende, dat deze de eerstvolgende tien jaar niet meer dan ruim
veertigduizend man onder de wapenen zou houden en geen
onderhandelingen met Engeland openen, voordat hij zelf met dit rijk had
vrede gesloten. Door dit tractaat kreeg hij (8 October) de vrije beschikking
over ruim 150.000 geoefende soldaten, die dwars door Duitschland naar den
Rijn zouden terugkeeren. Alleen in Silezië zou hij drie vestingen bezet
houden tot de oorlogskosten geheel waren afbetaald.

Met dien dreigenden toestand in Spanje voor oogen trok hij naar Erfurt om
keizer Alexander op diens verzoek nogmaals te ontmoeten. De vorsten van
het Rijnverbond en een drom andere gekroonde hoofden, vooral uit
Duitschland, zouden hier tevens bijeenkomen.

Niet voor zijn genoegen ging de Keizer derwaarts, al omgaven luister en
pracht zijn komst, en al schonk het hem voldoening, toen hij, bij een
galavoorstelling in den schouwburg met zijn keizerlijken vriend de hofloge
binnentredende, al die groote en kleine potentaten van hun zetels zag rijzen
en staan blijven, tot hij was gezeten. Geen feestelijkheden en vermaken, de
groote politieke vraagstukken van het oogenblik waren het, welke hem naar
’t stille stadje hadden geroepen. Met Alexander wilde hij nogmaals
overleggen en—dezen tot geduld aanmanen, nu de Donau-vorstendommen

Page 404

Wallachije en Moldavië hem niet zoo gemakkelijk in den schoot waren
gevallen, als zijn weelderige fantasie hem dit te Tilsit had voorgetooverd, en
nu ook de zaken in Finland nog niet naar wensch vlotten.

Dagen achtereen beraadslaagden die twee onder vier oogen; het slot er van
was, dat, terwijl Alexander zijn vriend de vrije hand liet in het westen van
Europa hij zelf naar willekeur in Finland en op het Scandinavische
schiereiland zou kunnen handelen. Op het vasteland zou geen mogendheid
zonder hun beider toestemming zich mogen wapenen; als bemiddelaars in
alle zaken zouden zij zich gezamenlijk tegenover Engeland voordoen, en in
geval van oorlog elkander steunen. Den 12en October werd een door beiden
onderteekend schrijven gericht aan George III om mede te werken tot herstel
van de rust in Europa.

Binnen acht dagen kwam het antwoord. Engelands gedragslijn stond
onherroepelijk vast. In geen geval kon het de partij van den koning van
Napels, Ferdinand IV, die Sicilië nog altoos bezet hield, of die van het huis
van Braganza loslaten.—Deze verklaring maakte iederen verderen stap tot
verzoening overbodig.

Den 13en October nam Alexander afscheid van zijn bondgenoot en keerde
Napoleon terug naar Parijs.—Het Congres van Erfurt behoorde tot het
verledene. Niet alleen was er met Alexander over de politiek gesproken,
want in deze dagen leed Napoleon een groot échec met het oog op zijn
persoonlijke plannen omtrent een tweede huwelijk, waarop we later
terugkomen.

Te St. Cloud terug, ontving hij de bevestiging van het gerucht, dat
aartshertog Karel op uitgebreide schaal krijgstoerustingen deed maken.
Duizenden artillerie- en treinpaarden werden daar aangekocht, groote
militaire magazijnen aangelegd en groote troepenbewegingen verricht.

Om dit alles bekreunde Napoleon zich voorloopig echter niet. Aan de
overzijde van den Rijn had Napoleon nog altijd een machtig leger staan, dat
telkens versterking ontving, op kosten van de bewoners der bezette streken
leefde, en snel was bijeen te trekken. Al zijn aandacht was gevestigd op
Spanje. Den 5en November reeds bevond hij zich te Vittoria, nam hier het

Page 405

bevel op zich over een korps, dat rechtstreeks naar Madrid zou marcheeren
en den 6en November klonk het Voorwaarts! voor de geheele armee, die,
ingedeeld in acht groote korpsen, de Ebro in waaiervorm begon te passeeren.

Enkele dagen later waren de onder Castanos en Palafox verzamelde
afdeelingen uiteengeslagen en verstrooid, en was de stad Burgos genomen.
Den 30en November werd de nauwe pas van de Somo Sierra onder de oogen
des Keizers bestormd en genomen. Den 3en December, dus nog geen maand
nadat hij Vittoria had verlaten, was het paleis van Buen-Retiro te Madrid
onder zware verliezen vermeesterd en de hoofdstad weder in Fransche
handen; Jozef werd in zijn waardigheid hersteld.

Een vroolijke episode uit den oorlog in Spanje.

Plechtig deed deze zijn intocht in Madrid en hield daarbij in een der kerken
een rede waarin hij deed uitkomen, dat hij de kroon uit handen van de Cortes
te Bayonne had ontvangen. Nu zou alles wel goed gaan als Napoleon hem nu

Page 406

maar de vrije hand liet, zoo dacht de nog altijd eigenzinnige oudste, die zich
nu eenmaal boven zijn keizerlijken broeder stelde.

Een beslissing was nochtans nergens verkregen. Waar de troepen in de
provinciën binnentrokken, legde de bevolking het hoofd in den schoot;
daarbuiten was alles in vollen opstand. Deze was plaatselijk geworden en
ontaard in een partijgangers-, een guerillakrijg met al zijn sombere, bloedige
gevolgen. Koeriers, alleen reizende militairen, achterblijvers, gekwetsten
werden onderweg overvallen en op afschuwelijke wijze afgemaakt; bronnen
werden vergiftigd, in één woord al de gruwelen gepleegd, waartoe fanatisme
en priesterdwang een domme, onbeschaafde doch hartstochtelijk aan zijn
vorstenhuis en zijn land gehechte natie kunnen opzweepen.

De cathechismus, welke aan iederen oprechten Spanjaard in die dagen
onderwezen werd, teekent den toestand.

“Wat zijt ge, mijn kind?—Spanjaard bij de genade Gods.—Wie is de vijand
van ons geluk?—De keizer der Franschen.—Hoeveel naturen zijn er?—
Twee; de menschelijke en de duivelsche.—Hoeveel keizers der Franschen
zijn er?—Één echte in drie gedaanten.—Hoe heeten deze?—Napoleon,
Murat en Godoy.—Wie is de slechtste?—Ze zijn alle drie even slecht.—Van
wie stamt Napoleon af?—Van de zonde.—Murat?—Van Napoleon.—En
Godoy?—Van beiden.—Wat is het karakter van den eerste?—Hoogmoed en
heerschzucht.—Van den tweede?—Roofzucht en wreedheid.—En van den
derde?—Hebzucht, verraad en onwetendheid.—Wat zijn de Franschen?—
Voormalige christenen, ketters geworden.—Is het dooden van een
Franschman zonde?—Neen, padre; als men één dier honden doodt, verwerft
men den hemel.—Welke straf verdient een Spanjaard, die te kort schiet in
zijn plicht?—Den dood en de eerloosheid des verraders.—Wie zal ons
bevrijden van onze vijanden?—Ons onderling vertrouwen en de wapenen.”

Terwijl zijn onderbevelhebbers streden op zijn flanken, en Saragossa werd
ingesloten, wendde Napoleon zich naar het westen, naar Valladolid om het
Engelsche leger, dat uit Portugal, onder generaal Moore namelijk, naar
Madrid op marsch was, aan te grijpen.

Page 407

De Sierra de Guaderama moest hierbij gepasseerd; het vroor, dat het kraakte;
de wegen waren spiegelglad; vooral de cavalerie kon bijna niet
vooruitkomen. In ’t gebergte werden de troepen bovendien overvallen door
een sneeuwstorm, die menschen en paarden half blind maakte. Maar de
Engelschen, bevreesd te worden afgesneden, waren thans in vollen aftocht
naar de haven van La Corunna; hen wilde Napoleon volstrekt inhalen.
Hoewel het reeds liep tegen Januari, de dagen kort, en de wegen zeer slecht
waren, maakten de soldaten dagelijks nog marschen van tien uren en meer,
waarbij de infanterie, want alle bruggen waren door de Engelschen
afgebroken, zich vaak vier of vijf keer per dag naakt moest uitkleeden, om
met de uniform en de wapens boven het hoofd door het ijskoude water der
gezwollen beken te waden.

Op die wijze werd op oudejaarsavond van het jaar 1808 Astorga, in Leon,
bereikt, maar in welk een toestand! Alleen de spits der regimenten en een
paar honderd ruiters hadden Napoleon tot zoover kunnen volgen. De rest lag
langs den weg, uitgeput, doodaf. Drie grenadiers der garde hadden onderweg
zelfmoord gepleegd, omdat zij niet verder kònden en niet in ’s vijands
handen wilden vallen.

Te Astorga nam de Keizer eensklaps afscheid van zijn getrouwen;
onrustbarende berichten over Oostenrijks voortgezette wapening maakten
zijn tegenwoordigheid te Parijs noodig; doch eerst verrichtte hij nog een
daad van barmhartigheid tegenover ruim duizend Engelsche vrouwen en
kinderen, die generaal Moore bij zijn overhaasten aftocht in een schuur
buiten de stad met niets dan droge gerst tot voedsel, had achtergelaten. Hij
liet ze in de stad onder dak brengen en van voedsel voorzien en deed Moore
door een parlementair verwittigen, dat deze huisgezinnen zijner soldaten
hem, zoodra het weder dit toeliet, zouden worden teruggegeven. Tevens gaf
hij Soult last de vervolging voort te zetten en keerde met zijn garde terug
naar Valladolid.

In de bergen van Leon haalde Soult de Engelschen in, dwong hun
achterhoede tot wijken en bracht Moore, die door zwaar stormweder belet
werd zich in te schepen, bij La Corunna ten slotte een geduchte nederlaag
toe, waarbij deze generaal zelf het leven liet.

Page 408

Terwijl de Engelschen aan de noordwestkust van het schiereiland dus een les
ontvingen, die hun lang zou heugen, voldeed Lannes aan den last, hem te
Astorga gegeven, om het bevel over de troepen vóór Saragossa op zich te
nemen.—Versterkt door het overschot der troepen van Castanos, die bij
Tudela de nederlaag hadden geleden, had de geheele krijgszuchtige
bevolking van Arragon, in ’t geheel circa 80.000 man, zich binnen de muren
dezer goed versterkte stad opgesloten met het vaste voornemen zich te
verdedigen tot het uiterste.—Vooral de boeren waren verwoed. Met hun
vrouwen, hun kinderen en hun vee stadwaarts getogen, hadden zij in een der
stadswijken een huis of onderkomen gekregen onder voorwaarde zich in
geen geval over te geven. Hier leefde dat volk in een poel van drek en vuil
met het vee samen als beesten in één hok. In deze wijken brak weldra een
epidemie uit, waarbij de lijken der gestorvenen onbegraven in de straten en
stegen bleven liggen.

Een stad met een bevolking, die in haar fatalisme nog veel van de Arabieren
had overgehouden, was met storm niet te nemen. Zoodra de buitenste
versterkingen gevallen waren, moesten de huizen dus voet voor voet door
mijnen en buskruit worden opgeruimd. Toch verlieten de bewoners ze niet.
Terwijl de bijlslagen der sappeurs buiten weergalmden, kon men hen binnen
litaniën hooren zingen. Vloog ten slotte een huis in de lucht, dan schaarden
de niet gevallen bewoners zich op de puinhoopen om die weder te
verdedigen en uit hun met allerlei ontuig geladen donderbussen op de
aanvallers te vuren.

Middelerwijl gierden dagelijks honderden granaten over de hoofden der
verdedigers.

Vooral de kloosters met hun geweldig dikke muren leverden een ernstig
beletsel op; die waren niet te ondermijnen. Men paste dit middel dus alleen
toe op een deel van den buitenmuur en maakte hierin een bres; dan moest
een gereedstaande stormcolonne de rest doen.

Toch hield de bevolking vol. Geen honger, geen ziekte, geen ijzer of vuur
was bij machte die door de monniken met het kruisbeeld in de vuist
aangevuurde mannen en vrouwen te bewegen tot de overgave. De
edelmoedigheid van Lannes behaalde ten slotte de zege.—Den 20en Maart

Page 409

werd een nonnenklooster genomen; in de kerk werden niet alleen de
“zusters” maar meer dan driehonderd vrouwen van allerlei rang en stand
gevonden. Half verhongerd, door uitputting den dood nabij, reeds dagen lang
van alle zijden ingesloten, hadden zij geen voedsel kunnen machtig worden.

Voor Lannes geleid, zorgde deze terstond, dat de marketentsters haar voor
zijn rekening van al het noodige voorzagen; ten slotte liet hij haar zelfs naar
de stad terugbrengen. Van de daken, van de torens had de bevolking dit alles
met gloeiende blikken gevolgd. Allen stormden thans de vrouwen tegemoet
om te vernemen wat er met haar was geschied; en deze—hadden slechts lof
voor dien Franschen maarschalk en zijn soldaten. Opgewondenheid en
fanatisme verdwenen als met een tooverslag. Dienzelfden avond nog
capituleerde Saragossa.

Lannes vertrok toen naar Parijs, waar de Keizer hem had ontboden, vond
hem hier niet meer en reisde door naar Augsburg. Soult was intusschen met
zijn sterk gedund korps Portugal binnengerukt. Met onverminderde
heftigheid duurde de oorlog op het schiereiland voort.

Page 410

Page 411

Hoofdstuk XX.

Page 412

Naar Weenen.—Essling.—Wagram.

Gewichtige tijdingen waren ’t geweest die den Keizer te
Valladolid hadden doen besluiten, alleen door een
postillon vergezeld, spoorslags naar Parijs terug te
keeren en hier letterlijk als een bom uit de lucht te
komen vallen.—In de hoofdstad, in de hofkringen, zelfs
onder zijn voornaamste dienaren was een geest van onrust, van onzekerheid
en twijfel, bijna van onwil ontstaan. Te Valladolid was Napoleon dit te weten
gekomen; het had hem met wrevel en verbittering vervuld. Vooral de heer de
Fiévée, een van zijn geheime agenten, had hem in drieste taal van den stand
van zaken te Parijs een beeld gegeven, dat een groot fond van waarheid
bevatte.

Zijn herhaalde te vroegtijdige oproepingen van conscrits, zijn aanval op de
Spaansche Bourbons, dan de geweldige verplaatsingen van troepen uit
Duitschland, waar ze nog steeds noodig waren, naar een land als Spanje,
waar ze bij wat minder zucht naar veroveringen van zijn zijde onnoodig
zouden zijn geweest, in één woord al die maatregelen, welke de kans op
vrede steeds kleiner deden worden, hadden tijdens zijn afwezigheid het
onderwerp uitgemaakt van veler gesprekken. De geestelijkheid, toch reeds
ontevreden over de ruwe manier, waarop hij met den paus had
omgesprongen en over zijn maatregelen in zake het onderwijs, was zelfs
reeds verder gegaan en had hier en daar van den kansel stellingen
verkondigd, die deden denken aan de vroegere dagen van felle
geloofsverdrukking. De fondsen, de thermometer van de openbare meening,
waren teruggeloopen tot beneden 80.

Zelfs in het Wetgevend Lichaam was ’t niet rustig; de Cambacérès had het
dus raadzaam geacht den Keizer voor te stellen de behandeling van het
Wetboek van Strafrecht te verschuiven tot een volgend jaar. Deze had

Page 413

hiernaar geen ooren gehad; de toen gevolgde discussiën over het ontwerp
van wet hadden meer strijd gewekt dan ooit te voren. Eindelijk hadden
Fouché en Talleyrand, elkander na een vijandschap van tien jaar tot
verbazing van ’t publiek openlijk de hand van verzoening gereikt en samen
nagegaan wat hun te doen stond, wat er van hen worden zou, als de dolk van
een Spanjaard of de kogel van een Oostenrijker eensklaps den levensdraad
doorsneed van den man, die geen nakomelingen had.—De buitenwereld had
dit onderhoud reeds uitgesponnen tot een volledigen roman en zelfs reeds
uitgemaakt, dat Murat dan den troon zou bestijgen.

Denkende Napoleon hiermede genoegen te doen, had Fouché zelfs de
onbeschaamdheid gehad Joséphine een echtscheiding aan te raden, nu de
kans op moeder worden voor haar was verdwenen. En Talleyrand was
begonnen alle deelgenootschap aan dien staatsgreep in Spanje van zich af te
schuiven en alle medewerking aan den dood van Enghien te ontkennen.

Dit en waarschijnlijk nog veel meer, uit de brieven zijner geheime agenten te
Valladolid aan Napoleon bekend geworden, had dezen geprikkeld tot woede.
Bij de revue, die hij vóór zijn vertrek over de garde hield, was het zelfs tot
een uitbarsting gekomen.

Dat de garde mopperde, omdat hij ze niet terstond medenam naar Frankrijk,
had hij gehoord. Te voet een dier mopperaars passeerende, die met
gepresenteerd geweer voor hem in ’t gelid stonden, rukte hij den man het
wapen uit de handen en trok hem zelf naar zich toe.—“Ongelukkige, ik
moest je laten doodschieten! Wat let me of ’t gebeurt nog!”—Toen stiet hij
hem weder terug naar zijn plaats.—“En jelui! Ik weet het wel. Jelui wilt
terug naar Parijs, naar de pret en de meiden! Maar past op, of ik houd je
onder de wapens tot je tachtigste jaar toe.”—Van generaal Legendre, die de
capitulatie van Baylen mede had onderteekend, greep hij de hand vast: “Die
hand, generaal, die hand! Waarom is ze niet verdord, toen ze dat stuk
onderteekende!”

Vraagt dus niet hoe het donderde en weerlichtte bij zijn terugkomst te St.
Cloud! Tevergeefs trachtte Cambacérès hem tot bedaren te brengen. Fouché
ontving schriftelijk een gestrenge berisping, en Talleyrand kreeg het volle
gewicht van zijn toorn op ’t lijf in den ministerraad, in het bijzijn van

Page 414

verscheiden grootwaardigheidsbekleeders, toen juist te Parijs aanwezig.
—“En die meneer Talleyrand durft beweren, dat hij vreemd is aan den dood
van Enghien!—En dat hij vreemd is aan den oorlog in Spanje!—Vreemd aan
den dood van Enghien? Ben je dan vergeten, man, dat je mij die zelf
schriftelijk hebt aangeraden? Vreemd aan dezen oorlog? Ben je dan
vergeten, dat je mij zelf schriftelijk in overweging hebt gegeven de politiek
weder te volgen van Lodewijk XIV?” Een regen van hatelijkheden besloot
deze begroeting.

Thuis gekomen, was Talleyrand, die onder dezen aanval roerloos tegen een
schoorsteenmantel was blijven leunen, zóó geducht ontdaan, dat hij een
flauwte kreeg. Dat hij in ongenade was gevallen, bleek hem den volgenden
dag nog duidelijker, toen Napoleon hem zijn sleutel van opperkamerheer
deed terugvragen en dezen schonk aan den heer de Montesquiou. Toch begaf
hij zich een paar dagen later in een schitterend costuum naar een groot
hoffeest op de Tuilerieën, maakte voor zijn heer een zeer lange, diepe
buiging en werd bijna weder in genade aangenomen.

Zoo waren de fouten, door den Keizer zelf begaan, thans reeds oorzaak van
een begin van omkeer in de publieke opinie. Dit werkte nadeelig naar buiten.
De vreemdeling maakte hieruit de gevolgtrekking, dat zijn gezag was
verzwakt; dat de natie van zijn staatkunde afkeerig was geworden, en dat
voor Oostenrijk het oogenblik was aangebroken om hem den oorlog te
verklaren.—Engeland zorgde wel, dat deze indruk vooral in Duitschland niet
verdween.

Niet Oostenrijks krijgstoerustingen alleen waren dus de onmiddellijke
aanleiding geweest tot zijn plotseling vertrek naar de hoofdstad; veel te goed
wist hij, dat die nog lang niet voltooid konden wezen; ook was het
jaargetijde voor een oorlog nog veel te ongunstig. ’t Zou, rekende hij, wel
April worden, voordat de vijandelijkheden begonnen.

Niet tegen den Oostenrijkschen gezant von Metternich,—dezen had hij in
Augustus reeds tevergeefs gewaarschuwd; hem behandelde hij zeer beleefd
doch koel;—maar tegen de overige diplomaten sprak hij nu zijn meening
over den toestand ruiterlijk uit.—“’t Schijnt, dat men te Weenen de lessen
der ervaring heeft vergeten,” zeide hij onder anderen. “Ik verlang geen

Page 415

oorlog; ik heb er geen belang bij; geheel Europa kan zien, dat mijn geheele
aandacht op Spanje is gevestigd, op het nieuwe slagveld, dat Engeland thans
heeft gekozen. Oostenrijk heeft dit land gered, toen ik in 1805 het Kanaal
wilde oversteken; thans heeft het Moore gered, dien ik achtervolgde naar la
Corunna. Hiervoor zal het boeten. Het ontwapene zich oogenblikkelijk, of
het gaat een verdelgingsoorlog tegemoet.”

Romanzoff, de Russische gezant, moest eveneens een opmerking hooren.
—“Had uw keizer mijn te Erfurt gegeven raad opgevolgd, dan was het
zoover niet gekomen. In plaats van vermaningen hadden wij ernstige
bedreigingen moeten doen hooren; dan zou Oostenrijk zich wel hebben
ontwapend; maar ginds is veel gepraat en weinig gedaan. Als uw keizer nu
een flink leger aan de Boven-Weichsel bijeentrekt om Oostenrijk te doen
zien, dat wij het ernstig meenen, komt alles terecht. En ik breng aan den
Donau en aan de Po 300.000 Franschen en 100.000 Duitschers bijeen; dan
zullen wij zien of die machtsontwikkeling voldoende is.”

Dat zijn optreden in Spanje van dit alles de oorzaak was, vond iedereen,
maar ook dat Oostenrijk een groote onvoorzichtigheid beging.

Tot behoud van den vrede ging de Keizer nòg verder. Ook namens Rusland
deed hij Oostenrijk den waarborg geven, dat zijn tegenwoordig grondgebied
ongeschonden zou blijven. Na het voorgevallene te Bayonne beweerde men
daar voor het tegendeel beducht te zijn.

Doch in Oostenrijk, die gestreng katholieke staat, waren door Napoleons
optreden tegenover den paus, door het doen bezetten van Rome, het voegen
van de Romeinsche provinciën Ancona, Macerata en Fermo bij het
koninkrijk Italië en het in één woord ontnemen van alle wereldlijk gezag aan
den paus, de gemoederen reeds te zeer tegen hem ingenomen. De vrees, dat
weldra ook Oostenrijk aan zijn veroveringszucht ten prooi zou vallen, had
het geheele hof, zelfs den anders zoo bezadigden aartshertog Karel
aangegrepen. In Tyrol heerschte reeds levendig verzet tegen de Beieren, de
nieuwe heeren. De afmarsch der Franschen uit Pruisen, een natuurlijk gevolg
van het tractaat van den 8en October 1808, werd te Weenen uitgelegd als een
gevolg van de “ontzettende” nederlagen, in Spanje geleden.—Op hun
doormarsch naar Maagdenburg waren die troepen zelfs hier en daar met slijk

Page 416

gesmeten.—In geheel Duitschland, zelfs in de Bondsstaten, waar de zoo
gehate conscriptie was ingevoerd, was in één woord een geest van onwil en
wrevel tegenover Napoleon merkbaar. Al die factoren te zamen, te Weenen
door een reusachtig vergrootglas bekeken, hadden hier de overtuiging doen
ontstaan, dat het oogenblik der verlossing nabij was; dat Napoleon in
Duitschland geen leger meer had, groot genoeg om weerstand te bieden; dat
al zijn bondgenooten hem op ’t eerste teeken zouden verlaten en dat Pruisen,
waarvan de koning, na ’t verlies van de helft zijner staten, te Koningsbergen
troonde, als één man zou opstaan.

Daar werd dus de oorlog voorbereid.—Alleen aartshertog Karel bood nog
tegenstand. Hij zou het opperbevel voeren, en hij had Napoleon op het
slagveld leeren kennen. Zelf een veldheer, wiens persoonlijke dapperheid
boven alle verdenking was verheven, begreep hij, dat ’t lot van zijn
vaderland op ’t spel stond; over de smalende schreeuwers, die thuis bleven,
haalde hij dus minachtend de schouders op.

In de laatste dagen van Maart 1809 kwamen in Bohemen vijf, in Boven-
Oostenrijk en in Carinthië ieder twee legerkorpsen gereed; in Galicië was
een korps op marsch om prins Poniatowsky, die aan ’t hoofd zijner Polen
Napoleon had trouw gezworen, bij Warschau aan te grijpen. Zelfs keizer
Alexanders rondborstige verklaring aan den Oostenrijkschen gezant prins
von Schwartzenberg, dat zijn belangen samengingen met die van Frankrijk,
was niet meer bij machte den drang naar oorlog te weerstaan.

Zooals dit bij den Oostenrijkschen generalen staf reeds meer was vertoond,
ontstond ook nu weder verschil over het veldtochtsplan, en aartshertog Karel
miste de energie om hierin te beslissen.—Eindelijk werd het eerste plan n.l.
om uit Bohemen over Bayreuth en Würtzburg rechtstreeks naar Maintz te
rukken, als te stout en te gevaarlijk opgegeven. Zes korpsen zouden nu over
de grensrivier de Inn, Beieren binnen vallen. Geweldige
troepenverplaatsingen werden door deze wijziging noodzakelijk.

Den 10en April werd de Inn overschreden, zonder rechtstreeksche
oorlogsverklaring. Waar de Franschen stonden, wist men nog niet precies;
hun troepen waren gezien bij Ulm, bij Augsburg en vooral bij Regensburg.
Hier zou Davoust staan.—Die zwakke, zoo ver van elkander verwijderde

Page 417

afdeelingen te verslaan en dan door Zwaben te rukken naar Wurtemberg, dat
zou de eerste zet wezen op het militaire schaakbord.—Maar, al boden de
Beieren aan de grenzen bijna geen weerstand, toch ging het slechts langzaam
voorwaarts. De wegen waren slecht; de medegevoerde treinen reusachtig; en
de Oostenrijksche soldaten, toegerust met een goede maag, die graag was
gevuld, waren nu eenmaal geen soldaten van Napoleon, die, al waren ze
jong, met een marsch van twaalf uur door ’t slijk en een maag, zoo hol als
een ledig vat, nog vochten als duivels een ganschen dag lang.—Zoo snel als
voor het doel noodig was geweest, werd de Isar dus niet bereikt. Eerst den
16en kwam aartshertog Karel bij Landshut.—Nu moest hij op den Donau
aan, naar Regensburg, midden door een chaos van bosschen, riviertjes,
moerassen en heuvels. In twee hoofdgroepen ging hij op weg. Van den
vijand, vooral van diens linkervleugel, was nog altoos weinig bekend. De
aartshertog wist alleen, dat een groot korps stond bij Augsburg en een ander
bij Regensburg; doch waar de hoofdmacht bleef en wat ze deed was een
geheim.

Den 17en kwam Napoleon te Landshut, overzag den toestand, herstelde een
grove fout van Berthier, die tijdelijk het commando had gevoerd en de legers
niet samengetrokken had en werd toen van verdediger, aanvaller. Hij sloeg
aartshertog Ludwig, die den Oostenrijkschen linkervleugel aanvoerde, drie
dagen later bij Abensberg met zware verliezen terug naar de Inn, ijlde daarop
Davoust te hulp, die het reeds even zooveel dagen bij Tengen zwaar had te
verantwoorden gehad. Den 22en viel hij aartshertog Karel bij Eckmühl op ’t
lijf, drong hem bij Regensburg tegen den Donau aan en werd alleen door
uitputting zijner cavalerie belet zijn tegenpartij te vervolgen.

Toen Napoleon den 23en tot vervolging wilde overgaan vond hij Regensburg
bezet en kon Lannes na een langdurig en bloedig gevecht, waarbij deze als
een gewoon grenadier aan de bestorming deelnam, zich pas van de stad en
de brug meester maken.

Bij deze gelegenheid kreeg Napoleon zelf aan den rechterenkel een
schampschot.—“Ik heb ’t beet,” zeide hij doodbedaard, gunde zich
ternauwernood den tijd om zich te laten verbinden, maar zat terstond weder

Page 418

te paard om zich aan zijn juichende troepen te vertoonen. Dienzelfden avond
trok hij het zwaar gehavende Regensburg binnen.

Het eerste bedrijf van den veldtocht was afgespeeld. In vijf dagen was het
gros van het Oostenrijksche leger uit elkander geslagen, en aartshertog Karel
naar Bohemen teruggeworpen. Ook op aartshertog Ludwig was de
overwinning behaald; de weg naar Weenen stond open.

Reusachtig was de werkkracht van den Keizer geweest; zich nauwelijks den
tijd gunnende iets te eten of een paar uur te slapen op een stoel, steeds
tegenwoordig op de gewichtigste punten, geen oogenblik uit de kleeren, had
hij wederom het bewijs geleverd hoe een ijzeren wil de stof kan
beheerschen. “De arbeid is mijn element; voor den arbeid ben ik geschapen,”
zeide hij van zich zelf. “De grenzen van mijn beenen en van mijn oogen heb
ik leeren kennen, die van mijn werkkracht nooit.”—“De Keizer is welvarend
en verdraagt als naar gewoonte den geestesarbeid en de lichamelijke
vermoeienissen,” schreef Berthier aan Eugène.

“Had ik vervolgd, zooals de Pruisen mij dit deden na Waterloo, dan zou de
vijandelijke armee, tegen den Donau gedrongen, in de grootste verlegenheid
zijn geraakt,” zei hij later.

Nu hij dit had nagelaten, zou hij aartshertog Karel weldra opnieuw tegenover
zich vinden.

Bij Regensburg regende het letterlijk belooningen aan hoog en aan laag.
Gewone grenadiers ontvingen het Legioen van Eer met een dotatie van
duizend francs en meer; de dappere Davoust, in 1807 reeds benoemd tot
hertog van Auerstadt, werd prins van Eckmühl.

Met de snelle, geen bezwaren kennende marschwijze der Fransche infanterie
uit die dagen, gaat Napoleon nu over Landshut rechtstreeks op Weenen aan.

Den 13en Mei, juist een maand, nadat Napoleon den veldtocht heeft geopend,
capituleerde Weenen na een heftige beschieting van zes en dertig uur.
Pogingen om te onderhandelen waren mislukt.

Page 419

Door den majoor Marbot, die het gewaagd had met een lichte sloep bij nacht
de breede, daar zeer gevaarlijke rivier over te steken om gevangenen te
maken, had de Keizer reeds in ’t klooster van Mölk bericht ontvangen, dat
Hiller boven Weenen op den linkeroever stond en dat aartshertog Karel uit
Bohemen in opmarsch was. Hoe kon hij dien linkeroever zoo spoedig
doenlijk eveneens bereiken was nu de vraag, want de tijd drong. Dagelijks
ontving het Oostenrijksche leger versterking van militie uit Bohemen en
Hongarije. In Tyrol was de bevolking, trouw aan het huis van Habsburg, in
vollen opstand; onder de aanvoering van den herbergier Andreas Hofer, een
energieke heldenfiguur, had ze het gehate Beieren den oorlog aangedaan. Te
Berlijn had de Pruisische majoor Schill aan het hoofd van al zijn cavalerie
op klaarlichten dag de gehoorzaamheid aan den koning opgezegd en een
partijgangerskorps gevormd. Om den dood zijns vaders en het verlies van
zijn land te wreken, was ook de hertog van Brunswijk-Oels door een klein
Oostenrijksch hulpkorps gesteund, in Saksen bezig den opstand te prediken.
Alleen de schrik, dien Napoleons naam nog inboezemde, was oorzaak, dat
de bevolking hem nog niet ondersteunde.

Dit alles teekende gevaar; en de weg van Parijs naar Weenen was lang. Wel
deed Napoleon bij Passau, bij Lintz en op de verdere voorname overgangen
over den Donau evenals langs de Enns, de Traun en de Inn, dus overal in zijn
rug en flanken kleine en groote versterkingswerken aanleggen, hospitalen en
depotplaatsen vestigen voor ’t geval de oorlogskans keerde, maar zijn
toestand bleef ernstig.

Eén lichtpunt was er. De zegepraal bij Regensburg had in Italië, waar
Eugène commandeerde, een grooten ommekeer in den toestand daar ten
gevolge gehad. Aanvankelijk door aartshertog Johann teruggeslagen, had de
onderkoning de kans zien keeren, zoodra generaal Macdonald, die door zijn
vroegere verhouding tot Moreau een tijdlang was achteruitgesteld, als
onderbevelhebber naast hem was geplaatst, en toen aartshertog Johann, door
Napoleons oprukken naar Weenen, gedwongen was zijn positie achter de
Piave los te laten.

Macdonalds oorlogservaring en krijgsmansgeest hadden aan Eugène het
vertrouwen teruggegeven; bij diens ontmoedigde troepen was het bewustzijn

Page 420

wedergekeerd, dat zij, mits goed geleid en aangevoerd, nog altoos iedere
legermacht in Europa konden weerstaan.

In een reeks van gevechten, waarvan dat op den 8en Mei aan de Piave
beslissend was, drongen Eugène en Macdonald steeds verder naar Carinthië
en Stiermarken. Het gevecht bij Raab in Hongarije, den 14en Juni, bekroonde
dezen veldtocht. Eugène vereenigde zijn leger met dat van zijn stiefvader.

In al die weken van spanning en gevaar had deze hem steeds vriendelijk en
bemoedigend als een vader raad gegeven en voorgelicht.—Die ijzeren man
met zijn hard, gestreng en strak gelaat, was innig aan hem gehecht; al zijn
daden en zijn brieven bewijzen dit. Als de troepen van Napoleon en Eugène
elkaar ontmoeten zegt de Keizer: “’t Is niet alleen Eugène’s moed, die hem
hierheen voert, ook zijn hart.”

Eugène had dus succes gehad, doch ginds voor Napoleon lag nog altijd de
Donau. Op den noordelijken oever verzamelden zich de Oostenrijkers aan
den Bisamberg, een uur boven Weenen; om hen te bereiken moesten
overgangen gemaakt, doch het benoodigde voor bruggenbouw als ankers,
kettingen en vaartuigen ontbrak. Toch moest de rivier gepasseerd worden.

Gebruik makende van drie eilanden, die circa twee uur beneden de stad den
vloed in vieren splitsten en van welke Lobau het grootste was, gelukte het
eindelijk tegenover Ebersdorf drie pontonbruggen te doen slaan; kisten met
kogels en oude vuurmonden deden hierbij dienst als ankers. In den nacht van
den 20/21 Mei werd de overtocht begonnen, den 21en onverpoosd
voortgezet, en het dorp Essling evenals Groot-Aspern terstond versterkt.

Al dien tijd had de vijand zich rustig gehouden, en zich zelfs niet vertoond.
In den krijgsraad was namelijk besloten eerst een deel van het Fransche leger
ongehinderd op den linkeroever te laten overgaan, de zwakke bruggen, die
door den sterken stroom en het snel wassende water toch reeds veel hadden
te lijden, dan door drijvende boomstammen en andere zware voorwerpen te
vernielen en de aldus van hun terugtochtsweg afgesneden korpsen ten slotte
te vernietigen.

Page 421

Den 21en komt aartshertog Karel tegen vier uur in den middag werkelijk uit
het noordwesten opdagen; maar slaagt er niet in Massena uit Aspern of
Lannes uit Essling te verdrijven. De nacht maakt een einde aan den strijd. De
troepen bivakkeeren in hun stellingen.—In den loop van den nacht komen de
oude garde en een divisie kurassiers de macht van Massena versterken.

Nu keert Napoleon de rollen om en grijpt zelf aan. Reeds overschrijdt
Davoust de zuidelijke brug en heeft de Keizer bevel gegeven tot het
aangrijpen van ’s vijands centrum, reeds wordt hieraan voldaan en doet
heftig artillerievuur dit centrum wijken als aan die zegepralende beweging
eensklaps een einde komt. Een groote drijvende molen is door een troep
jagers in brand gestoken en door den fellen stroom medegesleurd met volle
kracht tegen de hoofdbrug geslingerd en heeft deze middendoor gebroken.

Uit is het in eens met den aanvoer van munitie en van reserves van den
rechteroever! Bij Essling wordt Napoleons toestand allergevaarlijkst. De
munitie raakt uitgeput. Terstond geeft hij bevelen de vervolging te staken;
het vuur verflauwt. Nu komen de Oostenrijkers weer opzetten. Lannes wordt
doodelijk gewond; de Keizer zelf begeeft zich in ’t heetste van het gevecht;
zijn paard wordt onder hem doodgeschoten. Doch Massena, die Aspern niet
loslaat en alle aanvallen hierop afslaat, redt de eer van den dag, want aan
hem is het te danken, dat de garde, de cavalerie en de overige troepen, door
de invallende duisternis beschermd, de brug weder kunnen passeeren, die
den linkeroever van den Donau met het eiland Lobau verbindt.

Dan gaat ook Massena terug en de brug wordt vernield, maar niet voordat al
de gekwetsten, de vuurmonden, in één woord elk bruikbaar wapen van het
slagveld is weggevoerd.

Doch de zege is verloren gegaan. De elementen hebben gezegevierd over het
beleid van den veldheer.

De eerste uren van den nacht is deze met een deel van zijn leger, zonder
vivres, bijna zonder geneeskundige hulp op het hier en daar zeer lage
moerassige Lobau opgesloten.

Page 422

Maar dan is Davoust van den rechteroever ook reeds met hulp bij de hand.
Sloepen, schuiten, aken, alles heeft hij bijeengebracht tot transport. Op
Lobau blijft alleen Massena achter met zijn korps van circa 30.000 man. De
rest der armee komt weder op den rechter-Donauoever.

Veel had Napoleon dien dag te danken gehad aan den buitengewonen moed
en het beleid van generaal Mouton. Hij benoemde hem tot graaf van Lobau.

Bijna vijf en veertig dagen verloopen nu, voordat hij alle maatregelen heeft
getroffen, om aartshertog Karel den slag te kunnen toebrengen, die
Oostenrijk aan zijn genade zal overleveren.—Een zware, breede paalbrug,
bovenstrooms door een staketsel gedekt, wordt over den hoofdarm der rivier
geslagen; dwars door Lobau worden naar de overgangen wegen aangelegd;
in de verschillende zijkanalen wordt een massa materieel bijeengebracht om
binnen enkele uren zes, zeven bruggen tegelijk te kunnen slaan over den
nauwsten arm tusschen het eiland en den linkeroever; alle troepen uit den
omtrek ook die van Eugène en van Marmont, die uit Dalmatië is gekomen,
worden bij Ebersdorf bijeengetrokken, terwijl langs den noordelijken rand
van Lobau batterijen worden opgeworpen, met zwaar geschut uit Weenens
goedgevulde arsenalen bewapend.—Zoo nadert de 4e Juli.

Na een schijnaanval ergens tusschen Aspern en Essling, ondernomen om
zeker te zijn, dat de tegenpartij zich niet naar Presburg verplaatst doch zijn
stellingen op het Marchfeld nog altoos bezet had, deed Napoleon in den
nacht van den 5en Juli onder een heftig kanonvuur en onder een ontzettend
onweder met regen en wind langs verscheiden bruggen tegelijk, tegenover
Mühlleiten den overtocht beginnen.

Al die weken had het Oostenrijksche leger, den linkeroever der rivier met
zijn voorposten in een grooten boog omspannende, in een huttenkamp
tusschen Wagram en Neusiedel, met de modderige Rüssbach voor zich,
hoofdzakelijk met exerceeren doorgebracht. Hoewel het in die streken
wemelde van paarden was de cavalerie niet aangevuld; bij de Rüssbach
waren geen veldwerken opgeworpen, zelfs voor de levensbehoeften der
troepen was onvoldoende gezorgd; drinkwater alsmede fourage voor de
paarden ontbraken meer dan eens. Geen enkel korps, dat steun had kunnen

Page 423

verleenen, was uit Bohemen of van den Donauoever naar Wagram in
beweging gesteld; alleen ontving aartshertog Johann den 5en te Presburg last
den linkervleugel der stelling bij Wagram te komen versterken.—Hij kwam
echter te laat en bereikte den 6en het slagveld eerst, toen hier alles reeds was
afgeloopen. Een slecht gegeven order was nòg slechter uitgevoerd.

Toen aartshertog Karel met den keizer naast zich Napoleon, die bij den
rivierovergang weinig tegenstand had ondervonden, in den morgen van den
5en Juli bezig zag zijn macht tusschen Enzendorf en Glinzendorf te
ontwikkelen, kwam hij tot de ontdekking, dat hij door Napoleon was
misleid. Niet tusschen Aspern en Essling, waar hij hem verwacht had, was
Napoleon den Donau gepasseerd; het gevolg hiervan was dat de aartshertog
geen 200.000 doch slechts 150.000 man tot zijn beschikking had; hij was dus
ongeveer even sterk als zijn tegenpartij.

Zijn korpsen opgesteld in een haakvorm, met Wagram als centrum, den
linkervleugel bij Neusiedel, den rechter- zich in de vlakte uitbreidende over
Gerardsdorf naar Stamersdorf, met Aspern en Essling zwak bezet, nam de
aartshertog een zeer gunstige positie in, n.l. op het hooge terrein en de
heuvels. Van hier kon hij de ontwikkeling van Napoleons leger in de vlakte
op het met hoog, rijp graan bedekte Marchfeld vrij goed overzien. Zijn beide
vleugels had hij sterk, zijn centrum zwak bezit, dit werd hoofdzakelijk
gevormd door cavalerie.

Tegenover deze haakvormige frontlijn rukte de Fransche armee nu op, de
richting nemende naar Wagram, de rechtervleugel onder Davoust en Oudinot
op Neusiedel aan, de linker- onder Massena over Essling, Aspern en
Breitenlee met Süssenbrunn als eerste doel. Het centrum dat over Raschdorf
naar Aderklaa werd gedirigeerd, bestond uit de troepen van Marmont, het
leger van Italië onder Eugène, Bernadotte met de Saksers, de Beieren, de
garde en de zware cavalerie en was dus zéér sterk.

Door zijn stafofficieren onvoldoende ingelicht, op die reusachtige vlakte niet
in staat zulk een geweldige troepenmacht persoonlijk te leiden, alleen
wetende, dat van aartshertog Johann nog geen spoor was te ontdekken,
meende de Keizer het centrum der tegenpartij reeds dien dag door een

Page 424

krachtigen aanval op Wagram te kunnen doorbreken, om de beide vleugels
daarna afzonderlijk te verslaan. Dan mocht Johann komen!

Om 7 uur in den avond waren hiertoe de bevelen gegeven, doch de aanval
van Bernadotte op Wagram was slap; een paar colonnes van Eugène kwamen
terecht in het Oostenrijksche huttenkamp op de hoogten van Baumersdorf en
kregen hier, door een vergissing, ontstaan door de overeenkomst in uniform
met die van den vijand, in ’t schemerdonker vuur in den rug van Macdonalds
infanterie. Twee Saksische bataljons gaven zich over; er ontstond een
paniek; slechts met moeite gelukte het aan de lichte cavalerie de vluchtende
drommen tot staan te brengen.

Hoewel Davoust de Rüssbach reeds was gepasseerd en Neusiedel had
genomen, deed de Keizer het gevecht dus afbreken en het bivak opslaan.—
Een zeer koud bivak was ’t zonder hout, met een stuk beschuit en een slok
brandewijn tot voeding. Zelfs voor Napoleon was geen andere brandstof
aanwezig dan eenige bossen stroo.

Nog in den nacht verzamelde hij zijn korpscommandanten. Aan Davoust en
aan Massena, die op Lobau een val had gedaan, niet te paard kon zitten, en
dus in een licht, open rijtuig zijn troepen commandeerde, gaf hij last om
meer aan te sluiten bij het centrum. Daarop sliep hij een paar uur, en steeg
toen weder in den zadel.

’t Is vijf uur in den morgen van den 6en Juli. Reeds zijn de Oostenrijksche
vleugelkorpsen op marsch.—Bij Glinzendorf eerst wordt Davoust
teruggeworpen, doch weldra kan hij weder over de Rüssbach vooruit en
dringt hij zijn tegenpartij steeds verder naar Neusiedel terug; terwijl op den
rechtervleugel de cavalerie de stelling des vijands reeds begint te omvatten,
wordt Massena op zijn marsch naar het centrum bij Aderklaa door drie
korpsen tegelijk in front en linkerflank aangegrepen. Om 10 uur is deze
vleugel in weerwil van Bernadotte’s ondersteuning omvat, half vernietigd en
in vollen aftocht. Over de geheele linie, van Aspern tot Wagram zegevieren
de Oostenrijkers.

Daar verschijnt Napoleon! Hij komt van Eugène; ook hem heeft hij Wagram
aangewezen als den sleutel der stelling. Hij ziet dat Bessières met de garde-

Page 425

cavalerie en Nansouty tevergeefs trachten den aanval der Oostenrijkers te
stuiten, dat Massena terug moet naar Aspern en de bruggen!

Maar dan dreunt de grond en davert de lucht opeens onder den galop-slag
van honderden paarden en het rollen van honderden voertuigen. ’t Is de
gansche garde-artillerie, zestig vuurmonden sterk, door nog veertig andere
gevolgd. Vóór die linie uit galoppeert Drouot, de commandant. Ginds blijft
hij staan en wenkt met den degen. Daar is de vuurlijn.—“In batterij!”
schettert de trompet.—Keert! vliegen de stukken. De artilleristen van ’t
paard. Even gericht.—Vuur!—Een hagel van granaten en kartetsen slaat in
de dichte drommen der aanvallers; deze beginnen te wankelen. Nu infanterie
vóór! Hier moet de bajonet de beslissing geven.—Nog in zijn uniform van
generaal der republiek, zijn korps geschaard in linie, een sterke gesloten
colonne op iederen vleugel, de 24 escadrons van Nansouty op de achterflank
van dit reuzencarré, gaat Macdonald er op in.—Drommen kurassiers vallen
hem aan; geweervuur wijst ze af. Zoo gaat het in één adem door naar
Süssenbrunn. Garde-bataljons er achter tot steun.

Tegen zulk een geweldigen voor niets wijkenden aanval zijn de
Oostenrijkers niet bestand; ze deinzen af. Dan zingen de zware batterijen van
’t eiland Lobau eensklaps de baspartij bij het daverend Vive l’Empereur!
waarmede Macdonalds Italiaansche regimenten stormloopen.

Vol belangstelling volgt Napoleon diens aanval met de oogen.

“Wat een dappere kerel!” hoort zijn omgeving hem zeggen. Opeens ziet hij
den rook der vuurmonden van Davoust nu ook opstijgen ten westen van
Neusiedels hoogen, plompen toren. Davoust, zijn trouwe Davoust, heeft ’t
pleit dus ook daar beslist en gaat op Wagram af! Dan is de slag gewonnen.

Page 426

Aspern Wagram.

Naar alle richtingen rennen de adjudanten.—Voorwaarts! Er op in met al wat
nog adem en beenen heeft, is het parool over de gansche slaglinie. Zelfs
Massena’s weder verzamelde bataljons dringen mede naar voren. Om vier
uur is het leger van den aartshertog geslagen en in vollen aftocht naar
Bohemen en Moravië, doch niet vernietigd, niet geheel opgelost. Zelfs had

Page 427

het nog voldoenden samenhang om de volgende dagen bij Hollabrunn en bij
Znaim weerstand te bieden.

Hier kwam den 11en de prins van Lichtenstein Napoleon, namens keizer
Frans, niettemin een wapenstilstand verzoeken.

Napoleon nam dezen aan.—“Er is genoeg bloed vergoten. Wij sluiten
vrede,” zeide hij en keerde terug naar Schönbrunn, vestigde hier met de oude
garde om zich heen weder zijn hoofdkwartier, tot de vrede zou zijn gesloten,
maar verzuimde intusschen niets om zijn positie letterlijk onneembaar te
maken, voor ’t geval de oorlog toch mocht worden voortgezet.

Weder vielen een reeks van belooningen zijn getrouwen ten deel. Berthier
werd prins van Wagram, Massena prins van Essling. Oudinot, Marmont en
Macdonald werden bevorderd tot maarschalk; de laatste weldra bovendien
tot hertog van Tarente. Spotters zeiden, dat Napoleon “zijn goudstuk,” den
edelen Lannes, die aan zijn wonden was overleden, had ingewisseld voor
“klein geld.” Zeker is ’t, dat de laatstbenoemden in kennis en talent bij dien
schranderen, bekwamen opperofficier ver achter stonden en hierdoor later
niet weinig tot ’s Keizers val hebben bijgedragen.

De dood van Lannes was een groote slag voor Napoleon, die op zeer
vriendschappelijken voet met hem omging. Als hij hoort, dat Lannes gewond
is, bezoekt hij met Berthier zijn maarschalk trots alle bezigheden èn ’s
morgens èn ’s avonds; zoodra hij zijn dood verneemt vertoeft hij meer dan
een uur bij het lijk van zijn krijgsmakker, zich niet storende aan de
ondragelijke lucht, die er heerscht. “Quelle perte pour la France et pour
moi,” hoort men hem zeggen en van uit Ebersdorf had hij den 31en Mei aan
Joséphine geschreven: ... “La perte du duc de Montebello qui est mort frappé
ce matin, m’ a fort affligé. Ainsi tout finit!.... si tu peux contribuer à consoler
la pauvre maréchale, fais le.”

Nog op ’t slagveld had Napoleon aan Bernadotte het commando over de
Saksers ontnomen. Hij had diens houding bij Auerstadt, later ook bij Eylau
niet vergeten. In weerwil van zijn grooten persoonlijken moed, had de
maarschalk het wederom slecht gemaakt en zelfs ’s Keizers bevelen voor
den rivierovergang openlijk durven laken; ook had hij tot groote woede van

Page 428

den Keizer in een proclamatie de eer van Wagram aan hem en zijn Saksers
toegeschreven!

De slag bij Wagram.

Behalve Lannes had Napoleon ook den onverschrokken cavalerie-generaal
Lasalle verloren. Een prachtstuk van een officier die evenals Junot, Duroc en
Rapp, een van de weinigen was, die Napoleon ongestraft iets mochten
zeggen. Een bewijs uit vele.—Hij zou gaan trouwen; de Keizer schonk hem
200.000 francs en vroeg een week of wat later, wanneer er bruiloft zou
wezen. Bruiloft, Sire? Zoodra ik geld genoeg heb om een uitzet en meubels
te koopen.—En die 200.000 francs dan?—Met de eene helft heb ik mijn
schulden betaald; de andere heb ik verdobbeld.—De Keizer begon te
glimlachen, trok hem eens flink aan zijn lange knevels en gaf Duroc last hem
datzelfde bedrag nogmaals ter hand te stellen.

Page 429

Ook na Wagram had hij den vijand niet terstond tot het uiterste doen
vervolgen om hem totaal te vernietigen.—Er was reden voor. Zijn troepen
waren na den tweedaagschen strijd doodaf; de verliezen waren groot, de hitte
ontzettend; aartshertog Johann kon ieder oogenblik opdagen, en het leger
van Wagram was niet meer dat van Jena.—De paniek in den avond van den
5en en een tweede in den namiddag van den 6en, toen de slag reeds was
gewonnen, hadden dit bewezen. Toen was bij Neusiedel alles eensklaps aan
den haal gegaan op het losse gerucht, dat aartshertog Johann uit het noorden
naderde. Met zulke troepen, bovendien van verschillenden landaard, voor ’t
meerendeel conscrits en zeer jonge mannen, moest men voorzichtig zijn. De
beestachtige dronkemans tooneelen na ’t gevecht in de veroverde dorpen,
waar wijn was in overvloed, zullen den veldheer, al zweeg hij, tevens wel tot
nadenken hebben gestemd.

Terwijl op Lobau alles nog voor den rivierovergang werd voorbereid, had
Napoleon den 1en Juni den paus volgens het decreet van 17 Mei t. v. de rest
van zijn wereldlijk gezag ontnomen. “Die comedie daar moet nu maar uit
zijn,” had hij gezegd, en generaal Miollis, militair gouverneur van Rome,
had deze order stipt uitgevoerd.—Van den man van het Concordaat was deze
handelwijze bevreemdend; onverwacht kwam ze echter niet. Voor een groot
deel had Pius VII ze aan zichzelf te wijten of, liever gezegd, aan de drieste
kuiperijen van zijn omgeving, met name van zijn secretaris, kardinaal Pacca.

Al jaren was de verhouding met den paus minder goed geweest; reeds de
weigering van den Heiligen Stoel om het huwelijk van Jérome met Miss
Patterson ongeldig te verklaren had de goede verhouding tusschen paus en
Keizer verstoord; erger werd het nog toen Napoleon tijdens den oorlog in
1805 Ancona bezette onder voorwendsel van voorzichtigheid, daar deze
plaats in de nabijheid van Corfoe lag, dat door de Engelschen bezet was.
Vertoogen van de zijde van den paus baatten niet veel en de gevoerde
correspondentie tusschen hen toonde duidelijk de bitterheid van Napoleon
over het verzet van den kerkvorst, die er niet over dacht, zooals Napoleon
wenschte, den Kerkelijken Staat te sluiten voor de vijanden van Frankrijk.

“Uw heiligheid is souverein van Rome, maar ik ben er Keizer van” schrijft
Napoleon aan den paus in 1806 en deze antwoordt in een zijner brieven: “Gij

Page 430

zijt ontzaggelijk groot, maar gij zijt gekozen, gezalfd, gekroond tot Keizer
der Franschen en niet van Rome. Er bestaat geen Keizer van Rome... Wel is
er een Romeinsch Keizer, maar dit is een titel alleen, door geheel Europa en
door Uwe Majesteit zelf erkend in den Keizer van Duitschland. Aan twee
souvereinen kan deze titel niet behooren en bovendien doet deze eeretitel in
niets te kort aan de werkelijke onafhankelijkheid van den Heiligen Stoel.”

Men zal erkennen, dat dergelijke brieven niet geschikt waren om de
verhouding te verbeteren, integendeel de gedachten van Napoleon werden er
niet door veranderd, de weerstand van den paus werd niet minder.

Ook in de volgende jaren wordt de strijd steeds heftiger en het resultaat
daarvan is ten slotte, dat Napoleon tijdens den oorlog in 1809
bovengenoemd decreet uitgeeft.

Voor het beheer der goederen werd een raad benoemd; de inquisitie, de
kloosters en de geestelijke rechtspraak over burgerlijke zaken werden
afgeschaft; in één woord werd aan het geheele priesterlijke gezag in publiek-
rechterlijke aangelegenheden met één pennestreek een einde gemaakt; al de
grondbeginselen van 1789 werden op den Kerkelijken Staat toegepast.

De paus behield zijn paleis te Rome, kreeg een civiele lijst van twee millioen
francs en bleef het geestelijke opperhoofd der roomsche kerk. Voor deze
geestelijke zending had hij geen wereldlijk gezag noodig, beweerde
Napoleon. Hij liet den kerkvorst als geestelijk hoofd dus met zijn kerk, zijn
vormen, dogma’s enz. in zijn volle waarde, maar als opvolger van Karel den
Groote ontnam hij hem het wereldlijke goed, dat deze indertijd aan den
Heiligen Stoel had geschonken.

De paus dacht er niet over zich te onderwerpen aan deze regeling en op de
excommunicatie van den Keizer, aangeplakt op de muren van Rome, werd
geantwoord met het in bezit nemen van het Quirinaal en de gevangenneming
van den paus. Kolonel Radet was er mede belast en op denzelfden dag, dat
de Keizer te Wagram overwon, voerde Radet het bevel uit en bracht den
paus naar Florence. Elisa Borghèse in haar rustig Toscane volstrekt niet
gesteld op de aanwezigheid des pausen aldaar, wist echter bij haar broer te

Page 431

bewerken, dat Savona voorloopig als verblijf aan het kerkhoofd werd
aangewezen.

De hardhandige manier, waarop door Napoleon met den ouden man werd
omgesprongen, werd niet door de geestelijkheid alleen, doch ook door de
roomsche bevolking van Frankrijk scherp afgekeurd. Zelfs ontstond hierdoor
tegen hem een geest van wrevel en zwijgenden haat, die koren op den molen
der geestelijkheid was en die door deze in stilte werd aangemoedigd.

Op het kasteel van Schönbrunn, waar gravin Walewska hem was komen
opzoeken, bracht de Keizer intusschen niet veel zorgelooze dagen door. Na
den slag bij Essling, die in Duitschland algemeen als een glansrijke
overwinning was voorgesteld, was Andreas Hofer in Tyrol krachtiger dan
ooit opgetreden; eerst zijn gevangenneming en zijn executie te Mantua
(1810) zouden aan zijn verzet een einde maken.

Wat de Keizer van Spanje hoorde, was ook al niet erg naar zijn zin en de
berichten, die hij over de gevechten ontving, vertrouwde hij niet bijzonder,
want elke overwinning was nu eenmaal voor Jozef een Austerlitz of een
Marengo. Deze waande zich een eerste legeraanvoerder en meende de
operaties te kunnen leiden, maar zijn broer liet dat niet aan hem over en
belastte Jourdan met de leiding. Door het groot aantal troepen, niet altijd van
de beste soort, dat de Keizer verplicht was tot steun van zijn broeder te
zenden, kwam de handhaving van Jozef op den troon in Madrid hem op
groote offers te staan. Meer dan 300.000 man waren er voor noodig en nog
had dit niet het gewenschte resultaat.

En toen Jourdan, die in ongenade bij den Keizer was gevallen, door Soult
werd vervangen ging het niet veel beter. Jozef wist wel waaraan de schuld
lag, aan den Keizer, die hem niet totaal de vrije hand liet. Mocht hij maar
eens alles alleen doen zonder bevelen van den Keizer te ontvangen, dan zou
het wel gaan, want Spanje had nog nooit zoo’n uitstekend koning gehad en
alle Spanjaarden zouden zich om hem scharen, wanneer zijn broer hem de
handen niet bond. Zoo dacht Jozef! en hij ging zelfs zoover, Napoleon te
dreigen naar Frankrijk terug te keeren. Aan zijn vrouw, die liever in
Frankrijk bleef, schreef hij bittere brieven vol klachten over den toestand.

Page 432

Het was in één woord een ware anarchie, terwijl het leger in desolaten
toestand verkeerde. Napoleon was van plan na terugkeer uit Oostenrijk zelf
het commando in Spanje op zich te nemen en Berthier werd belast
voorloopig alles in gereedheid te brengen.

En het rijk van den benjamin uit het geslacht Bonaparte?

Voor een uitstekende constitutie voor het nieuwe koninkrijk te Westfalen
heeft Napoleon gezorgd, alleen uitgezocht personeel zou den nieuwen vorst
omringen en de Keizer had de hoop gekoesterd, dat daar in het midden van
Duitschland een staat zou gesticht worden, die door haar uitstekende
inrichting een voorbeeld aan de volken zou geven en waardoor de beginselen
der revolutie zouden gepropagandeerd worden. Welk een illusie! Jérome,
door spotters wel “Koning pret” genoemd, vormt een huis met zeer
middelmatige personen, waarvan hem later niet één trouw blijft en zijn
hofhouding wordt zoo weelderig ingericht, dat Napoleon hem al spoedig
ernstig moet onderhouden over de vele schulden, die gemaakt worden. Wel
worden vorstelijke sommen besteed om zijn vrienden te ondersteunen, wel
wordt aan broeder Lucien 200.000 francs en aan Miss Patterson een
jaarlijksch inkomen van dezelfde som aangeboden, maar schuld aan
Napoleon en Frankrijk afdoen, daar denkt hij niet over. Bij het uitbreken van
den oorlog met Oostenrijk heeft Napoleon hem belast met het commando
over de reserve, dat zal bestaan uit het Westfaalsche contingent troepen uit
Maagdenburg en de Hollanders, die zich in Hamburg bevinden, maar niet
alleen ontvangt de Keizer niet de minste steun van Jérome, maar ook in en
om Westfalen doen zich de gevolgen reeds gevoelen van het slechte bestuur.
Een plan van den Kolonel Dörnberg om in den nacht, geholpen door de
garde, het paleis binnen te dringen en Jérome op te lichten, heeft wel geen
gevolg, maar ’t is teekenend voor den toestand en Catharine vlucht voor alle
veiligheid naar Frankfort. En als de majoor Schill met zijn vrijkorps door
Noord-Duitschland trekt en zelfs het Westfaalsche koninkrijk betreedt, wordt
er door Jérome niets tegen hem ondernomen. Majoor Schill, die Stralsund bij
verrassing had genomen vindt daar later den dood onder de sabel van een
Hollandschen huzaar van koning Louis.

Page 433

Toen de hertog van Brunswijk-Oels met zijn benden Westfalen binnen trok,
smeekte Jérome Napoleon om hulp, maar zelf deed hij niets.

Hoe begrijpelijk, dat de Keizer te Schönbrunn aan zijn broer het actieve
commando ontnam over de troepen, al laat hij voor den vorm het bevel aan
Jérome. En deze doet nog of hij er verdriet van heeft!

Alzoo raakt Napoleon vrijwel op voet van oorlog met Jérome, die door zijn
wijze van regeeren de schuld is, dat daar in Duitschland een centrum van
opstand tegen het keizerrijk wordt gevormd.

In Frankrijk zelf waren de gemoederen door de overdreven voorstellingen
eener verovering van Dresden en Bayreuth door Brunswijk-Oels, zoo
terneergeslagen, dat de Keizer het noodig vond zoowel Fouché als Clarke,
den minister van Oorlog, een “hartelijk” woordje te doen toekomen. “Als een
paar onbeduidende strooptochten de heeren nu reeds zoo geducht van streek
brengen, hoe zullen ze ’t dan maken, als ’t werkelijk ernst wordt? Dat
mannen in mijn dienst zoo weinig karakter toonen en voor zoo belachelijke
uitingen van vrees zelf het sein geven, bevalt mij volstrekt niet. Alleen daar,
waar ik handelend optreed, kunnen ernstige gebeurtenissen plaats grijpen;
en daar ben ik zelf om alles te beheerschen.”

Over de aangelegenheden te Rome schreef hij half Juli aan Fouché, dat die
gevangenneming van den paus een groote dwaasheid was geweest, maar dat
gedane zaken geen keer namen; dat er een oog moest worden gehouden op
de brieven van den ouden man, en dat kardinaal Pacca gevangen gezet
diende te worden met de kennisgeving, dat de eerste Franschman, die door
zijn opruiïngen vermoord werd, hem zelf den kop zou kosten.

Intusschen werkten de diplomaten, die de vredesvoorwaarden zouden
vaststellen, zoo langzaam voort en kibbelden zoo kinderachtig met elkander
over allerlei kleinigheden, dat de wapenstilstand, die aanvankelijk slechts
voor een maand was gesloten, moest worden verlengd.—Een landing, op 29
Juli door de Engelschen met een sterk leger tegen Walcheren ondernomen en
hoofdzakelijk ten doel hebbende de havenwerken van Vlissingen, die van
Antwerpen zoomede de Fransche vloot op de Schelde te vernielen, was

Page 434

hiervan bij de Oostenrijksche heeren de geheime reden. Men kon nooit
weten hoe een stuivertje rolde, dachten zij zeker.

In het rijk van Louis dus een inval! Wel had deze bij den aanvang van den
oorlog met Oostenrijk er zijn broer met nadruk op gewezen, dat Holland te
veel van troepen ontbloot was, ook had hij te kennen gegeven noch Den
Helder, noch Vlissingen tegen een mogelijken aanslag te kunnen bewaken,
maar Napoleon geeft van deze landing alleen aan Louis de schuld. De
regeering van zijn broer heeft den Keizer al lang geprikkeld en al spoedig na
zijn troonsbestijging had de Keizer er spijt van gehad, Holland aan Louis te
hebben gegeven. Wat Louis ook tot verdediging aanvoert, het helpt niets, hij
blijft van alles de schuld dragen en de Keizer hoopt, dat zijn broer maar
spoedig afstand van den troon zal doen. In afwachting daarvan, want hem
afzetten wil Napoleon niet, komen de Fransche troepen in ons land en
worden hier Fransche bevelhebbers aangewezen. Door de Engelsche
expeditie is zijn troon vernietigd, beweert Napoleon en deze gaat niet in op
het voorstel van zijn broer om afstand te doen ten behoeve van zijn zoon.
Holland dient ingelijfd te worden en de Keizer is misschien wel blij geweest
nu een gunstig oogenblik daarvoor te hebben.

Toen die landing half September echter totaal was mislukt, het Engelsche
leger door zware koortsen en door het bombardement van Vlissingen ruim
10.000 man aan dooden en gekwetsten had verloren, de expeditie
ontmoedigd naar Engeland terugstevende, en de onderhandelingen nu nog
niet vorderden, begon hij er zich persoonlijk mede te bemoeien. Zijn leger
was weder op sterkte en de macht, in Vlaanderen onder Bernadotte
samengebracht, reeds zoo groot, dat hij weder als oppermachtige kon
spreken. De ambassadeurs von Bubna en prins von Lichtenstein, die hij zeer
beleefd ontving, kregen dus kort en bondig te verstaan, dat hij vrede
verlangde. Keizer Jozef kon kiezen: Op redelijke voorwaarden aan de zaak
een einde maken of—opnieuw oorlog.—Toen was ’t uit met talmen, en
kwam er tusschen Champigny en Bubna meer overeenstemming. Den 14en
October teekende hij het voorloopig verdrag. Kanonschoten verkondigden
het heuglijke feit aan de bevolking van Weenen; den volgenden dag reeds
was hij op weg naar Parijs. Zijn tegenstander had hij zoodoende voor een
voldongen feit gesteld; deze zou nu het tractaat wel ratificeeren.

Page 435

Twee dagen voor zijn vertrek uit Schönbrunn, ter gelegenheid van een
schitterende wapenschouwing was Napoleon, juist toen hij uit het paleis
wilde komen, bijna het slachtoffer van sluipmoord geworden. Dicht in zijn
nabijheid drong zich een jongmensch naar voren, die hem een smeekschrift
wilde aanbieden. Hij zag er bleek en tenger uit en wekte den argwaan op van
Berthier, die hem liet gevangen nemen. Hij bleek gewapend te zijn met een
lang slagersmes, en heette Staps, de zoon van een predikant uit een
Thüringsch stadje. Napoleon deed hem voor zich verschijnen.

“Wat wildet ge met dat mes?” vroeg Napoleon hem.

“U dooden,” antwoordde Staps.

“Gij zijt een dwaas of een illuminaat!” sprak de Keizer.

“Neen ik ben geen dwaas en wat een illuminaat is, weet ik niet.”

“Maar dan zijt gij ziek.”

“Neen ik ben volkomen gezond.”

“Waarom wilt gij mij dooden?”

“Omdat gij de vloek zijt van mijn vaderland.”

“Gij zijt een fanaticus; ik wil u vergiffenis schenken en uw leven sparen.”

“Ik wensch geen vergiffenis te ontvangen.”

“Zoudt gij mij dankbaar zijn, als ik u genade schonk?”

“Dan zou ik nogmaals trachten u te dooden.”

Natuurlijk werd Staps toen weggeleid en deed Napoleon hem door een
krijgsraad terechtstellen; deze veroordeelde den geestdrijver, die volmaakt
gezond van hersenen was bevonden, tot den dood met den kogel.

Page 436

Dat deze wonderlijke geschiedenis een ongemeenen indruk op Napoleon
maakte, vooral na de gebeurtenissen in Duitschland, welke we zooeven
meedeelden, laat zich licht begrijpen. Het werd hem duidelijk, dat hij deze
wonderlijke Duitschers wel overwinnen, niet overtuigen kon. Zeer
waarschijnlijk heeft het bewustzijn, dat het niet meer zoozeer de Fransche
omwenteling was, die het volk in Duitschland haatte, als wel thans zijn eigen
persoon, den Keizer op zijn terugreis vervuld. In elk geval verbood hij van
den aanslag van Staps in de Fransche couranten melding te maken.

Page 437

Hoofdstuk XXI.

Page 438

Echtscheiding. Tweede huwelijk.1

Alleen de Cambacérès wist van zijn komst, toen hij den
26en October eensklaps te Fontainebleau verscheen.
Met nadruk verlangde hij thans van dezen te vernemen
hoe de toestand in Frankrijk was.

Half aarzelend, want “de toon des Keizers was anders
dan vóór zijn vertrek, gestrenger en meer uit de hoogte,” voldeed de ander
aan dit bevel. Ja, in de publieke opinie was wijziging ontstaan; voor den
paus werd gebeden; de geestelijkheid roerde zich druk; zijn daden werden
aan een lang niet welwillende critiek onderworpen. Een talrijke groep
ontevredenen was begonnen zich om Fouché, Bernadotte en Talleyrand te
scharen, en—hoewel men medelijden had met Joséphine, werd door velen
reeds openlijk den wensch uitgesproken, dat de Keizer een ander huwelijk
mocht sluiten, waardoor de kans ontstond op nakomelingschap.

Hier had Napoleon zijn raadsman juist, waar hij hem hebben wilde. Uit
Schönbrunn teruggekeerd, kon hij zeker voldaan zijn over den gelukkigen
afloop van dezen veldtocht, die aan Oostenrijk zulke diep vernederende
vredesbepalingen had opgelegd, toch was er bij al het geluk, dat de roem kan
geven een gedachte in Napoleons hart, die hem met onvoldaanheid vervulde.
Hij had geen kinderen, geen zoon, en hij had het kwellende gevoel, dat men
reden had zijn oppermacht voor iets tijdelijks aan te zien, voor iets dat met
zijn persoon was opgebloeid, maar dan ook met hem weer vergaan zou. Het
oogenblik kon onverwachts komen, dat hij er niet meer wezen zou. Dwazen
als die dweper te Schönbrunn zouden kunnen slagen in hun opzet om hem te
dooden en dan zou hij geen wettigen erfgenaam nalaten voor den
keizerstroon! Reeds lang had hem deze gedachte vervuld; in den veldtocht
van 1807, toen hij bericht ontving van den dood van Napoleon Charles, door
hem tot opvolger bestemd, een sterfgeval dat hem zoo diep trof en toen hij

Page 439

tevens de zekerheid had, dat het kinderloos blijven van zijn echt niet aan
hem kon geweten worden, had hij reeds beslist zich van Joséphine te laten
scheiden. Thans, meende hij, moest hij aan die plannen uitvoering geven.
Nog was het niet te laat. Den 15en Augustus was hij 40 jaar geworden en
indien hem in een nieuw huwelijk een zoon werd geschonken, kon deze naar
menschelijke berekening nog meerderjarig zijn vóór hij een oude man wezen
zou. In korte woorden deelde de Keizer aan de Cambacérès nu zijn plannen
mede. Deze ontstelde, hij hield zeer veel van Joséphine; reeds den overgang
van het consulaat naar het keizerschap had hij afgekeurd en nu deze stap, die
Napoleon nog verder van de republikeinsche beginselen zou wegvoeren!
Bedeesd waagde hij een opmerking, maar ze baatte niet. Het besluit was
genomen.

Eerst dien middag verscheen Joséphine te Fontainebleau, ontroerd, gegriefd,
dat zij niet de eerste was geweest om hem te verwelkomen. Napoleon was
vriendelijk tegen haar, doch koel, zij voelde wel, dat hij iets voor haar
verborg en werd bedroefd. Tevergeefs trachtte Hortense haar te troosten.

De groote moeilijkheid voor Napoleon was natuurlijk om een geschikte
gelegenheid te vinden, teneinde Joséphine deze voor haar zoo pijnlijke
beslissing mede te deelen. Reeds eenmaal na zijn terugkeer uit Egypte had
Napoleon het plan gehad zich van haar te laten scheiden, maar zooals we
zagen, was Joséphine, op voorspraak van haar kinderen, weder in genade
aangenomen. Joséphine’s gedrag tegenover haar echtgenoot was sedert dien
tijd veel veranderd en verbeterd. Toch was het altijd een groote droefheid
voor haar geweest, dat ze Napoleon geen kinderen schonk, iets wat haar
gemaal “de ramp des levens” noemde. Naarmate hij zich hooger verhief en
ouder werd, liep zij meer gevaar uitgeschakeld te worden. Was het niet in
1804 kort voor de kroning, dat hij in zijn heftigheid haar het gevreesde
woord “scheiding” voor de voeten had geworpen? Toen had ze nog macht
over hem en de tranen, welke Napoleon bijna altijd vermurwden, hadden
toen ook het hunne gedaan. Zou het zoo blijven? Ze vreesde van niet, en was
bedacht op voorzorgsmaatregelen. We zagen hoe de slimme vrouw den
avond voor de kroning van den paus wist te verkrijgen, dat het huwelijk nog
kerkelijk werd gesloten vóór de kroning plaats had en van deze plechtigheid
wist ze een door den Keizer geteekende acte in bezit te krijgen. Al deze

Page 440

voorzorgsmaatregelen hadden de geruchten over scheiding echter niet doen
verstommen en ook Fouché had in zijn overdreven ijver mededeelingen van
dien aard gedaan.

Wat bleef haar over, indien Napoleon het zou willen doorzetten? Art. 277
van den Code civil verbood wel een scheiding, wanneer de vrouw den
leeftijd van 45 jaar reeds overschreden had, maar dat zou haar niet helpen.
Waarom was ze ook zoo dom geweest op den trouwdag met Napoleon haar
leeftijd vier jaar jonger op te geven. De huwelijksacte van 1804, door Fesch
geteekend, zou haar eenige hulpmiddel zijn het te voorkomen, maar dat was
thans al vijf jaar geleden en in dien tijd was er al zooveel voorgevallen.

Napoleon zwijgt, hij heeft nog niet den moed het haar te zeggen; doch ’t zijn
moeilijke dagen voor beiden, want de verhouding is niet zooals die vroeger
was. Einde November valt het harde woord.

Napoleons galante houding tegenover een paar hofdames was ten slotte
oorzaak, dat Joséphine, die hem hierover in een vlaag van bittere jaloezie
verwijten deed, eensklaps hooren moest, wat zij reeds lang in stilte gedacht
had. Hij wilde scheiden! Zij werd door een zenuwtoeval getroffen. Geholpen
door den heer de Bausset, prefect van ’t paleis, droeg Napoleon haar zelf
langs een achtertrap naar haar vertrekken en ontbood Hortense om haar te
troosten.

Eugène kwam in ’t begin van December te Parijs op verzoek van Napoleon.
Van zijn zuster vernam hij wat was voorgevallen. Een langdurig onderhoud
had hij met zijn stiefvader en toen begaf hij zich met dezen en Hortense naar
zijn moeder.

“Mama moet van hier weg; wij beiden gaan mede; gezamenlijk zullen wij in
de eenzaamheid boete doen voor een snel voorbijgaand tijdperk van
grootheid, dat in ons bestaan meer stoornis dan vreugde heeft gebracht,” zei
hij beslist doch vol weemoed. Hij was met zooveel illusiën naar Parijs
gekomen en nu op eens dit!

Een droevig tooneel volgde op die woorden, want de Keizer wilde noch van
Eugène noch van Hortense scheiden. Napoleon smeekt hen niet van hem

Page 441

weg te gaan, maar met hem mee te werken om hun moeder te troosten in het
lot, dat haar opgelegd is. Hij blijft van haar houden en zal haar grootste
vriendin zijn; hoogere belangen eischen de scheiding, en er zal voor hun
moeder gezorgd worden, zoo goed als maar eenigszins kan. Eindelijk kwam
er wat meer kalmte in de gemoederen, maar welken diepen indruk dit alles
op den grooten man had gemaakt, konden zij getuigen, die hem doodsbleek
en diep ontroerd met de sporen van tranen in de oogen het vertrek zagen
verlaten, waar het kleine drama was afgespeeld.

Nu het eenmaal beslist is, wil Napoleon de familie raadplegen; hij
beschouwt dit als een soort toewijding voor Joséphine en tevens om
Hortense en Eugène in de achting van de natie te doen stijgen en hun rechten
te bevestigen.

Terwijl de verschillende leden van de familie in Parijs komen, volgen voor
Joséphine zeer smartelijke dagen, want ter eere van eenige naar
Fontainebleau gekomen vorsten van het Rijnverbond hebben er tal van
prachtige feesten en jachtpartijen plaats en Joséphine is verplicht daarbij,
alsof er niets was voorgevallen, haar rol als gastvrouw te vervullen.

Zoo verschenen einde November en begin December tal van familieleden in
Parijs, en den 15en December had de bekende familieraad plaats, waar de
scheiding officieel werd uitgesproken. Had indertijd Eugène een fier woord
gesproken, edelmoedig was zijn verstooten moeder in de verklaring, die ze
thans trachtte af te leggen, doch die de tranen haar beletten te voleindigen:
“Aan den toestand mijns harten verandert de ontbinding van het huwelijk
niets. De Keizer zal in mij steeds zijn beste vriendin vinden.” ’t Was een
flauwe afschaduwing slechts van het ontzaggelijke offer, dat de vrouw aan
Frankrijks grootheid en daarmede aan die van haar echtgenoot bracht.

Reeds den volgenden dag verklaarde een Senaatsbesluit het huwelijk van
den Keizer en de Keizerin “met wederzijdsch goedvinden” voor ontbonden.

Joséphine behield den titel van Keizerin, ontving een jaarlijksch inkomen
van drie millioen francs, een schat van juweelen en kostbaarheden en een
kasteel in Navarre. Ook Malmaison, waar zij zich vestigde, werd in vollen
eigendom aan haar afgestaan.

Page 442

Onmiddellijk begonnen de onderhandelingen voor een nieuwe keizerin, voor
een prinses, van wie een erfgenaam verwacht kon worden en die het
Napoleontische huis tot de gelijke zou maken der voorname Europeesche
vorstenfamiliën.

Het eerst richtte de Keizer zijn blikken naar Rusland, want reeds te Erfurt
hadden Napoleon en keizer Alexander over nog nadere dan
vriendschapsbanden gesproken, al hadden “de vrienden” zich in niets
gebonden. Maar nu was de Keizer van Frankrijk weer een vrij man en kon
het anders worden.

Reeds was de Fransche gezant Caulincourt te St. Petersburg aangekomen
teneinde den Tsaar om de hand zijner jongere zuster te vragen en te
verklaren, dat het verschil in godsdienst der bruid voor Napoleon geen
bezwaar opleverde. Wel was er haast bij de zaak. “Wij tellen hier de
minuten” heet het in de depêche en binnen twee dagen wenschte de Keizer
een antwoord. Maar Alexander was in verlegenheid door dien spoed. Zijn
moeder Maria Feodorowna, die den Franschen indringer haatte, had dadelijk,
toen ze van nieuwe huwelijksplannen hoorde, haar oudste dochter Catharina
aan den Hertog van Oldenburg verloofd en wilde ook haar jongere dochter
Anna aan geen Bonaparte afstaan. Daarom stelde Alexander zijn antwoord
aan Caulincourt telkens uit. Toen het eindelijk den 4en Februari 1810
gegeven werd, luidde het, dat de teere leeftijd van de prinses, een kind van
nog maar vijftien jaar, vooralsnog een onoverkomelijk bezwaar opleverde.

Het valt te betwijfelen of dit ontwijkende antwoord Napoleon zoo bijzonder
onwelkom was, want nog voor het hem bereikte, had hij reeds door meer dan
één tusschenpersoon voeling gezocht met het Oostenrijksche hof om tot een
huwelijk met de aartshertogin Maria Louise te geraken.

Reeds in November 1809 is er groote toenadering merkbaar, als de Fransche
minister van Buitenlandsche Zaken belangstellend naar Maria Louise’s
gezondheid laat vragen. En ter gelegenheid der Nieuwjaarsplichtplegingen
kwamen de Beauharnais, moeder en dochter, bij gravin Metternich op
bezoek en waren zeer gul in haar mededeelingen. Hortense zei, dat haar
broer Eugène zijn stiefvader had aangeraden Maria Louise te huwen en
Joséphine voegde erbij, dat Napoleon nog geen keuze had gedaan maar

Page 443

zeker tot het Oostenrijksche hof zou komen, indien hij mocht vertrouwen er
welkom te zijn. Gravin Metternich van haar zijde was even toeschietelijk als
haar bezoeksters. Zij zal wel geweten hebben, dat de nieuw aangekomen
gezant, prins Schwarzenburg, in opdracht had, een huwelijksaanvraag van
Napoleon, zoo die mocht gedaan worden, welwillend te ontvangen en een
huwelijk met Maria Louise in uitzicht te stellen. Het is n.l. een feit, dat men
in Oostenrijk de mogelijke echtverbintenis van de prinses even gaarne zag
als in Frankrijk. En wat Napoleon betreft, die had de heele onderhandeling in
Rusland in den laatsten tijd alleen maar gebruikt om het Oostenrijksche Hof
in spanning te houden. Wie het eerste woord heeft gesproken valt niet met
zekerheid te zeggen, maar het stond spoedig vast, dat het huwelijk zou
gesloten worden.

Nog diende vast te staan, dat Napoleons huwelijk met Joséphine geen
beletsel vormde om den tweeden echt te sluiten. Voor Oostenrijks keizer was
naar Roomsche opvatting de ontbinding van een wettig huwelijk onmogelijk
en het door den Senaat uitgesproken scheidingsbesluit had voor den
Oostenrijkschen keizer geen waarde. Het huwelijk moest onwettig verklaard
worden en Napoleons advocaat wist voor de geestelijke diocesane rechtbank
te Parijs aannemelijk te maken, dat het huwelijk werkelijk onwettig was,
want Napoleon had alleen toegegeven aan den dwang van Joséphine om zijn
echt kerkelijk te wijden en ’t was dus niet met zijn vrijen wil geschied.
Bovendien waren de getuigen afwezig geweest, waarvoor Napoleon, zooals
we zagen, zorgvuldig had gezorgd. De keizer van Oostenrijk was met de
uitspraak van de geestelijke rechtbank tevreden en in dat opzicht waren de
bezwaren dus overwonnen. Juist in deze dagen, 6 Febr. 1810 kwam ook
Caulincourts antwoord uit Rusland in. “Uitstel is afstel,” zei Napoleon toen
“en bovendien wil ik in mijn paleis geen vreemden priester tusschen mij en
mijn vrouw hebben.”

Dienovereenkomstig ging er een boodschap naar keizer Alexander en alzoo
was van een Russisch huwelijk geen sprake meer.

Twee dagen daarna ging Eugène de Beauharnais naar prins Schwarzenberg
met de opdracht van Napoleon om dezen het huwelijkscontract tusschen den
Keizer en aartshertogin Maria Louise ter dadelijke onderteekening voor te

Page 444

leggen. En nu reisde Berthier als buitengewoon gezant van den Keizer naar
Weenen om in alle plechtigheid om de hand van aartshertogin Maria Louise
te verzoeken en het huwelijk te bespoedigen.

Hoe de aanstaande bruid over het huwelijk dacht laat zich het best verklaren
uit hetgeen zij den 23 Januari 1810 zelf uit Ofen schreef: “Sedert de
scheiding van Napoleon van zijn gemalin sla ik de Frankfurter Zeitung altijd
op in de gedachte den naam zijner nieuwe echtgenoote te zullen vinden en ik
erken, dat de vertraging der zaak mij onrustig maakt.”

“Ik stel mijn lot in handen der Voorzienigheid, want die alleen weet, wat het
beste voor ons is. Indien echter het ongeluk ’t zoo zou willen dan ben ik
bereid mijn persoonlijk belang aan den Staat ten offer te brengen, overtuigd,
dat men ’t ware geluk slechts in de vervulling zijner plichten vindt” en voegt
ze er aan toe: “Bid voor mij, dat het niet gebeure.”

Dat Maria Louise er zoo over dacht is begrijpelijk, wanneer we bedenken,
dat zij een kind was uit een Huis, dat in de laatste jaren zoo door Napoleon
was vernederd en verslagen, dat Napoleon een Corsicaan, suspect van
geboorte en onzeker van adel, toch eigenlijk de vijand van Oostenrijk was.
Metternich, die er het eerst met haar over sprak, wees Maria Louise op het
belang van een dergelijke verbintenis voor het welzijn van het land van haar
Vader en de groote liefde voor dezen was voor de dochter voldoende om het
offer te brengen. Hoewel opgevoed in haat tegen Napoleon, dien men in den
hofkring te Weenen wel den “antichrist” schold, stemde ze toe in het
huwelijk en het beroep van keizer Frans op haar kinderlijke gehoorzaamheid
was niet vergeefsch. “Nos princesses sont peu habitueés à choisir leurs
epoux d’après les affections du coeur” zei Metternich, en
dienovereenkomstig ging het Maria Louise.

Reeds den 8en Maart had de plechtige ontvangst van Berthier ten hove plaats
en werd de dag met een schitterend bal gesloten.—“De Aartshertogin,”
schreef graaf Laborde, Napoleons vertrouwde, “was dezen avond bekoorlijk.
Haar overvloedig mooi blond haar was omhoog gekapt en liet haar hals en
haar schouders onbedekt. Haar ongemeene frischheid, haar lach, de
uitdrukking van het gelaat, de bijzondere gratie en bescheidenheid in haar
optreden, dit alles doet ons vertrouwen, dat ze een der bekoorlijkste dames in

Page 445

den hofkring zijn zal. Behalve, dat ze schoon is, is ze de gezondheid zelve;
en ik ben overtuigd, dat haar kinderen het ook zullen zijn.”

Drie dagen later, 11 Maart 1810, te half zes in den middag, geschiedde de
plechtige huwelijksvoltrekking in de Augustijner Kerk waarbij niemand
minder dan aartshertog Karel zijn geduchten tegenstander als bruidegom
vertegenwoordigde. De gansche stad was in feestvreugde; heel Weenen
illumineerde.

Nu naderde ook het afscheid voor Maria Louise. Was het voor haar
stiefmoeder een moeilijk uur, daar ze zielsveel van haar aangehuwde dochter
hield, ook haar vader toonde uit een brief van hem aan Napoleon om dezen
geluk te wenschen, zijn ingehouden droefheid.

Dadelijk als ze vertrokken is, reizen de keizer en de keizerin haar na om haar
nogmaals te omhelzen. Te St. Pölten heeft de ontmoeting plaats en dan
begeleidt keizer Frans haar nog tot Enns om daar voor goed afscheid te
nemen. Den 16en Maart is Maria Louise te Braunau. Hier wordt ze met
kanonschoten begroet en in het daarvoor bestemde paviljoen heeft de
plechtige ontvangst plaats van de jonge Keizerin door den
vertegenwoordiger van Frankrijk den Prins van Neuchatel, terwijl Caroline,
de vrouw van Murat, de hooge eer te beurt valt, waarvoor ze bijzonder
gevoelig is, om Maria Louise vandaar te vergezellen.

Nooit werd een koninklijke echtgenoote zoo met ongeduld verwacht als
Maria Louise door Napoleon; zijn verlangen naar de aankomst van haar kon
hij ternauwernood bedwingen. Hij had alles gedaan om een goeden indruk
op haar te maken; reeds Berthier had een schat van kostbaarheden voor
Maria Louise mee naar Weenen genomen; verder had Napoleon zich laten
onderrichten omtrent haar liefhebberijen en vernemende, dat ze veel van
mooie vogels en honden hield, droeg hij zorg, dat ze die te Parijs zou vinden.
Zelfs had hij zich de Weensche dansen laten leeren en aan zijn uiterlijk
groote zorg besteed om zijn Maria Louise te behagen. En nu reisde de
Keizer, door zwager Murat vergezeld, naar Compiègne; de ontmoeting was
tot in kleinigheden geregeld, maar van al het ceremonieel kwam niets, want
de ongeduldige man ging onder stortbuien, alleen door Murat vergezeld,
haar van Compiègne uit naar Courcelles tegemoet; hier wachtte hij onder

Page 446

een poort de stoet op en toen deze stilhield om van paarden te verwisselen,
werd het rijtuig van de keizerin geopend: “L’ empereur” klonk het en
Napoleon wipte naar binnen, zeker tot niet geringe verbazing van zijn jonge
vrouw. Spotters hebben dit: “la surprise de Courcelles” genoemd.

In Compiègne werd kennis gemaakt met de familie; hier bleef hij drie dagen,
stuurde zoodoende een reeks van deftige ontvangsten en begroetingen in de
war en den 1en April werd het burgerlijk huwelijk te St. Cloud gesloten; den
volgenden dag had in de kapel van het Louvre een kerkelijke plechtigheid
plaats, waarbij het ceremonieel volkomen hetzelfde was als dat ter bruiloft
van Lodewijk XVI en Marie Antoinette.

Van de twee en dertig gereed gezette zetels voor de kardinalen waren er bij
de kerkelijke plechtigheid slechts elf bezet; dit wekte in hooge mate de
ontstemming van den Keizer op en toen hij nu ook nog vernam dat ze nog
het praatje hadden rondgestrooid, dat zijn tweede huwelijk voor de kerk
ongeldig was en dat een kind uit dit huwelijk een bastaard zou wezen, gaf de
Keizer den minister van politie last de kardinalen te arresteeren. Tevens
werden ze van hun purperen opperkleed beroofd en over de verschillende
provinciën verspreid, terwijl op hun inkomen als prelaat en op hun
particulier inkomen beslag werd gelegd.

Oom Fesch wilde zich met de zaak bemoeien; hij begon den martelaar te
spelen en beweerde, dat hij zulk een tirannie niet zou dulden.

De pogingen tot verzoening met den paus waren mislukt. Pius wilde niet
naar Napoleon luisteren en bleef zich te Savona als een gevangene
beschouwen, hij was zelfs in zijn boosheid zoo ver gegaan, dat hij
geestelijken, zoogenaamd in buitengewone missie, door Frankrijk zond om
voor de geloovigen te prediken. Toen nu Napoleon die missies verbood, had
ook al Fesch tusschenbeiden willen komen, maar van den Keizer moeten
hooren, dat hij in de eerste plaats had te gehoorzamen.

Nu Fesch zich wederom wilde verzetten zou hem dit slecht bekomen.

Page 447

Kort te voren was hij, hoewel reeds aartsbisschop van Lyon, door den Keizer
ook te Parijs met deze functie belast en had daardoor dubbel tractement
genoten, in weerwil zijner vroomheid ook voor hem een zaak van niet
geringe beteekenis. Hieraan kwam nu eensklaps een einde en toen hij zijn
theologische kennis tegenover zijn neef begon uit te kramen, werd deze
boos, vroeg of hij die geleerdheid had opgedaan, “terwijl hij nog speculeerde
in leveranties van brood voor het leger” en liet hem tenslotte de keus
tusschen Parijs en Lyon. Toen “oom” aan Lyon de voorkeur gaf, omdat hij
hier ook door den paus was bevestigd, wees “neef” voor den zetel te Parijs
den kundigen, dapperen en eerlijken kardinaal Maury aan en deed “oom”
zoodoende koken van jaloezie.

De paus erkende Maury echter niet. Zoodoende werd de kloof tusschen den
kerkvorst en den imperator steeds grooter. Bij senaatsbesluit voegde deze nu
ook de provincie Rome bij zijn rijk en bepaalde, dat deze stad voortaan de
tweede van Frankrijk zou wezen; dat zijn troonopvolger—want de illusie
gold bij hem toen reeds voor het feit zelf—den titel voeren zou van koning
van Rome en ook in den St. Pieter zou worden gezalfd. De paus moest
beurtelings ginds verblijven en te Parijs. In Parma, Piacensa en Toscane
werden alle geestelijke orden afgeschaft, alle kloosters op enkele na
gesloten, en alle geestelijke goederen,—te Rome alleen geschat op een
waarde van tweehonderd vijftig millioen;—vervallen verklaard aan den
staat. Tevens werd aan generaal Miollis een versterking van circa 10.000
man toegezonden voor ’t geval “de monniken de bevolking te veel mochten
ophitsen.”—“En dan gaat u maar te werk als in Spanje,” luidde ’s Keizers
bevel.

De aanstokers van het vuurtje, dat tusschen den Heiligen Stoel en
Fontainebleau zoo geducht begon te branden, met name de koningsgezinden
en de ontevredenen, juichten in stilte over de drift, die de Keizer hierbij
verried; en de lagere geestelijkheid bleef niet in gebreke zijn aanzien in de
publieke opinie te verzwakken.

Mogelijk zag de wereld nog niet in, dat al ’t geen hij tegenover den paus
ondernam, alleen diende om zijn gezag als Keizer van het Westen te
grondvesten. De paus eenmaal te Parijs bij hem en onder zijn machtigen

Page 448

invloed, de hooge geestelijkheid gevleid en begunstigd en dus op zijn hand,
kon het tijdstip der verwezenlijking van dit droombeeld zijns levens, dacht
hij, niet meer veraf wezen.

Reeds in de eerste weken van het huwelijk was het Maria Louise duidelijk
geworden, dat al de verhalen over “dien afschuwelijken Keizer Napoleon”
sterk overdreven waren geweest. Wat was dat een andere man, dan zij zich
had voorgesteld; ja het werd zelfs zoo, dat haar vrees voor dien geweldigen
“antichrist” in aanbidding verkeerde. Napoleon was vol zorg en attenties
voor zijn jonge vrouw en reeds einde Maart kon Metternich schrijven: “De
Keizer is onafgebroken met haar bezig en doet alles om de keizerin plezier te
doen” en Napoleon verheelde ook voor niemand, dat hij gelukkig met haar
was. Wel was de verhouding van de familieleden van den Keizer niet zoo
intiem met Maria Louise, maar Napoleon begeerde dat zelf ook niet. Reeds
Carolina had door haar eigenaardig optreden geen prettigen indruk op de
keizerin gemaakt en toen de Keizer besloot met zijn vrouw een reis te maken
door de Noordelijke departementen werd ook niet deze zuster, maar
Catharina, de vrouw van Jérome aangewezen om Maria Louise te
vergezellen. ’t Was een ware triomftocht en de keizerin voelde zich overal
gelukkig, zooals blijkt uit een brief aan haar vader:

“Ik kan u niet genoeg herhalen, hoe gelukkig en tevreden ik ben en altijd zal
wezen, als ik maar bij hem ben. Hij is zoo goed en beminnelijk in zijn
familie en hij heeft zoo’n edel hart, dat gij hem ook beminnen zult.”

Al kan men moeilijk uit deze brieven een juiste gevolgtrekking maken, waar
Maria Louise veel van den buitenkant zag, toch geeft de toon, welke er in
doorstraalt duidelijk te kennen, hoe uitstekend de verhouding van keizer en
keizerin was en met welk een zorg Napoleon Maria Louise omringde.

Op die reis naar het Noorden, wel wat al te vermoeiend voor Napoleons
vrouw, werden achtereenvolgens Saint-Quentin, Kamerijk en Antwerpen
bezocht; hier woonde de Keizer het van stapel loopen van een groot fregat
bij en gaf hij bevelen voor den aanleg van nieuwe versterkingswerken. Te
Breda maakte hij den apostolischen vicaris en de roomsche geestelijken, die,

Page 449

in tegenstelling met de protestantsche predikanten, niet in plechtgewaad
doch in gewoon costuum voor hem waren verschenen, hierover in ’t
openbaar een geducht standje, en bedreigde die heeren zelfs met verbanning,
als zij in die houding van verzet volhardden en zich niet onderwierpen aan
de bepalingen van het concordaat.—Zijn daarop gevolgd bezoek aan
Zeeland, waar hij Vlissingens vernielde werken ging zien, noopte hem, met
het oog op de heerschende koortsen, de militaire bezetting daar aanzienlijk te
verminderen en hiervoor alleen veteranen en koloniale troepen, als zooveel
ouder en dus minder vatbaar, te bestemmen. Brussel, Ostende, het kamp van
Boulogne en Rijssel zagen hem daarna. Den 1en Juni 1810 vond men hem
weer te St. Cloud.

Den volgenden dag reeds hield hij ministerraad. ’t Lichtte en bliksemde er
weder geducht, want onderweg had hij bij toeval ontdekt, dat Fouché zich in
den laatsten tijd door de tusschenkomst van den bankier Ouvrard en van den
heer Labouchère te Amsterdam achter zijn rug had beziggehouden met
onderhandelingen met Engeland, waaraan ook Louis niet geheel vreemd was
gebleven. Uit de papieren van dezen Ouvrard, die door Savary, sinds korten
tijd hertog van Rovigo, was gevangen genomen, was de toeleg geheel
gebleken.

Op staanden voet ontsloeg hij Fouché en benoemde Savary tot zijn opvolger.
Om de straf echter niet te zwaar te maken, bevorderde hij den in ongenade
gevallen hertog van Otranto,—want deze verheffing had de oud-republikein
zich indertijd toch laten welgevallen—tot gouverneur der Romeinsche
staten. Toen hem weldra bleek, dat Fouché nog meer op zijn kerfstok had,
ontnam hij hem echter ook deze betrekking.

Uit al deze kuiperijen was ’t Napoleon opnieuw gebleken, dat Engeland niet
voor vredesvoorstellen was te vinden, zoolang Spanje niet door hem was
ontruimd. Aangezien hij hiertoe echter niet was te bewegen en ook zijn plan
om zelf naar Spanje te gaan had opgegeven, bleef er voor hem slechts één
middel over om Albion op den langen duur tot toegeven te dwingen n. l.
door het verscherpen der blokkade. Dat Engeland hieronder reeds geduchte
schade leed, stond vast. De waarde van een pond sterling, anders 25 francs,
was reeds gedaald tot 17.

Page 450

Op zijn laatste reis had hij tevens waargenomen, dat de bepalingen van het
Continentale Stelsel op veel plaatsen zeer slapjes werden gehandhaafd. De
geheime en openbare depots van koloniale waren langs de kust der Noordzee
waren legio. De Amerikanen hadden zelfs een tegenstelsel uitgevonden. Op
hun schepen, onder hun vlag, kwamen tegenwoordig voor millioenen
guldens Engelsche koopmansgoederen de havens van het vasteland
ongemoeid binnen. Hier en daar lieten de Fransche soldaten, met de
bewaking dier havens belast, zich zelfs de handen vullen om één oog dicht te
knijpen.

Napoleon en Maria Louise, te Compiègne. 1810.

Het toezicht op de geheele kust diende dus verscherpt. Rapp trok als
gouverneur naar Dantzig. De zeeplaatsen tusschen de Oder en de Weichsel
werden bewaakt door Davoust en zijn soldaten. Hamburg, Bremen en
Emden kregen Fransche bezetting en de geheele streek van Brest tot
Vlissingen zag weder tallooze Fransche uniformen; om de kroon op het werk
te zetten teekende Napoleon den 9en Juli een besluit, waarbij Louis van den
troon vervallen verklaard, Holland bij Frankrijk ingelijfd, en de oud-consul

Page 451

Lebrun als luitenant-generaal met het bestuur aldaar belast werd. Wel had de
admiraal Verhuell, gezant te Parijs, zijn best gedaan om dezen slag te
voorkomen, doch Napoleon was voor geen redeneeringen vatbaar geweest.

Deze vernedering had Louis grootendeels aan zich zelf te wijten. Hij was
een creatie van zijn broeder, aan wien hij letterlijk alles had te danken.
“Zorg, dat je een vloot en een goed gevulde schatkist krijgt; houd de
Engelsche kooplui uit je land en vergeet nooit, dat Frankrijk gaat vóór alles,”
waren in korte woorden de voorwaarden geweest, waarop Napoleon hem de
regeering had doen aanvaarden. In weerwil van diens herhaalde vertoogen
had Louis te Texel echter geen vloot, was zijn schatkist niet gevuld, doch gaf
hij aan paleizen en dergelijk fraais schatten uit. Dan voerden zijn onderdanen
een brutalen sluikhandel met de Engelschen, en hadden de kooplieden hun
pakhuizen tot den nok toe vol zitten met artikelen van Engelschen
oorsprong. “La Hollande est entièrement une colonie anglaise et plus
ennemie de la France que l’ Angleterre elle même...” had de Keizer hem
reeds bij zijn bezoek te Parijs toegevoegd en daarop had hij toen reeds laten
volgen: “Je veux manger la Hollande.” Louis stoorde zich echter niet aan
den Keizer, dacht niet over Napoleons aanbod vrijwillig te abdiceeren en bij
zijn terugkeer uit Parijs bleef hij trouw aan zijn devies: alles voor Holland in
plaats van alles voor Frankrijk, zooals Napoleon wilde.

Op zichzelf beschouwd, verdiende deze handelwijze van hem als vorst
tegenover zijn onderdanen allen lof; ook had hij zich hiermede onder de
kooplui heel wat vrienden gemaakt, maar deze wijze van regeeren strookte
nu eenmaal volstrekt niet met de bedoelingen van zijn broeder.

Deze had, rekening houdende met Louis’ somberen, wantrouwenden aard,
waardoor hij het leven van Hortense tot een hel maakte, geruimen tijd
geduld met hem gehad en hem telkens weer zijn verkeerdheden onder de
oogen gebracht. Het had niet gebaat.

Bij de komst van generaal Molitor, die op de gestrenge toepassing van het
Continentale Stelsel in Holland met zijn soldaten moest toezien, had Louis
tegen de verschijning dier troepen op zijn grondgebied openlijk verzet
gepredikt en te Haarlem de poorten doen sluiten. Toen nu de koning zelfs,
geheel buiten weten van Napoleon, ten behoeve van zijn zoon afstand had

Page 452

gedaan van den troon, had de Keizer kort en bondig ook aan “die comedie”
een einde gemaakt. Toch griefde het Napoleon diep, dat zijn broer op deze
wijze zijn koninkrijk verliet en gedurende een veertien dagen den Keizer en
zijn verwanten in onrust liet, waarheen hij vertrokken was. Wat een indruk
moest dit op de mogendheden maken! In officieele stukken liet de Keizer
dan ook voorkomen alsof alles tengevolge van de ziekte van Louis was.

Nog verergerde deze den toestand, toen hij tegen zijn afzetting protesteerde,
zijn broer in heftige bewoordingen aanviel en zijn protest aan den keizer van
Rusland en dien van Oostenrijk wilde zenden om als rechters uitspraak te
doen en zijn broer daardoor dus tot beschuldigde verlaagde.

Onder den naam van graaf van Saint-Leu vertrok hij naar Töplitz in
Bohemen. In 1814 heeft zijn handelwijze heel wat egoisten, die Napoleon
afvallig werden, tot dekmantel en verontschuldiging gediend.

De Keizer nam de zorg over Hortense en de kinderen ter hand, en stond, wat
hij bij ’t bezoek van Louis te Parijs nog geweigerd had, de scheiding
tusschen hen beiden toe. Al was Hortense nooit lang bij haar echtgenoot, ze
had de laatste maanden in Holland nog ellendige dagen met hem
doorgebracht en voor haar zal de scheiding een ware uitkomst zijn geweest.

Juist in de dagen, dat Louis den Keizer in onrust liet over de plaats waar hij
heen was gegaan, maakte ook een andere broer aanstalten om te vertrekken.
Het was Lucien. Men zou gedacht hebben, dat met het onderhoud te Mantua
alle betrekkingen tusschen Napoleon en dezen broer voor goed waren
afgebroken, maar de broers en zusters, gesteund door hun moeder, hadden de
onderhandelingen voortgezet in de hoop, dat Lucien nog in het systeem zou
worden opgenomen. De onderhandelingen vorderden echter langzaam, want
Napoleon week niet van zijn eenmaal ingenomen standpunt, dat Lucien van
zijn vrouw behoorde te scheiden en de Keizer dan pas de kinderen zou
erkennen. Tevergeefs liet Napoleon door Campi, Luciens vertegenwoordiger,
er zijn broer op wijzen, dat hij zelf om de politiek een ander huwelijk had
gesloten, tevergeefs wees hij op Jérome, voor wiens eerste vrouw toch ook
door Napoleon was gezorgd. Dit baatte al evenmin als de pogingen van de
moeder om Lucien en vrouw te bewegen voor Napoleons wil te buigen.
Maar erger nog geschiedde.

Page 453

Lucien met familie vertrok uit Italië en vestigde zich in... Engeland. Een
broer van den Franschen Keizer, die zijn toevlucht zocht op het grondgebied
van zijn grootsten tegenstander! De Engelsche bladen waren natuurlijk vol
over de wreedheden van Napoleon tegenover zijn familie, in het bijzonder
tegenover Lucien.

Het echec, dat Lucien zijn broer door deze vlucht bezorgde, was terecht
onherstelbaar, maar als Napoleon in zijn eerste opwelling besluit bij decreet
bekend te maken, dat Lucien geschrapt is van de lijst van senatoren en hij,
noch zijn familie ooit weer op Fransch grondgebied mag verschijnen, dan
komt de Keizer er al spoedig op terug, dit zoo openlijk te doen. Luciens
gedrag ergert hem in hooge mate, maar evenmin kan hij vergeten, wat hij
vroeger aan dezen broer te danken heeft gehad!

Terwijl Louis in stilte verdwijnt en Lucien zelfs gastvrijheid in Engeland
komt vragen, is Napoleon ook over Murat in die dagen niet te spreken, want
het komt hem ter oore, dat hij er zich toe geleend heeft om Lucien het
vertrek naar Engeland gemakkelijk te maken. Ook Napels wordt niet
geregeerd, zooals Napoleon dat wenscht. Voor alles wil Murat zorgen voor
een flink leger om hem, indien het noodig mocht blijken, te steunen. Dat
strenge toezicht van den Keizer wil ook zijn zwager niet en de maatregelen,
die Napoleon neemt om Engelands handel nog meer te treffen, onderwerpt
Murat aan strenge critiek. In Europa werd algemeen gedacht, dat de
annexatie van Napels spoedig zou volgen en ook Murat verkeerde in die
meening. Toch is Napoleon niet van plan dit te doen, want al kan hij Murat
als bestuurder van Napels niet voldoende vertrouwen, hij apprecieert hem te
erg als cavalerie-aanvoerder en heeft hem vooral na den dood van Lasalle te
hard noodig voor zijn oorlogen. De veldtocht naar Oostenrijk had het nog
pas bewezen. Het werd den Keizer maar al te duidelijk, welk een fout hij
begaan had toen hij zijn rijk omringd had met landen, waar hij zijn
verwanten op den troon had geplaatst, want ook Jérome kostte schatten gelds
aan het leger, dat hij noodig had, waardoor de schuld onrustbarend toenam
en met Jozef, zullen we zien, ging het in Spanje ook niet goed.

In plaats van steun, verzet; hier openlijk, daar meer in stilte, maar overal een
weerstreven van Napoleons plannen en bedoelingen. Het bleek in 1810 reeds

Page 454

duidelijk, dat het familiesysteem had uitgediend; toch zou het nog erger
worden; verraad en kwade trouw, nu nog niet zichtbaar bijna, zullen straks
openlijk blijken.

Holland was dus ingelijfd en hierdoor zag Engeland nu nog alleen de havens
van Portugal voor zich open, want ook Zweden had zich reeds eenige
maanden te voren bij het Continentale Stelsel aangesloten en tot belooning
Pommeren ontvangen. Mecklenburg had zich reeds vroeger naar ’s Keizers
wenschen gevoegd.

Van al de staatkundige moeilijkheden, welke het midden van 1810 voor
Napoleon opleverde, bespeurde de jeugdige gemalin zoo goed als niets. Het
Hof had bij de komst van Maria Louise groote veranderingen ondergaan. De
meeste personen uit den tijd der revolutie waren verwijderd en vervangen
door vertegenwoordigers van oude adellijke geslachten. Velen uit de
vroegere omgeving van Joséphine, die zoo meesterlijk de kunst had verstaan
het oude en nieuwe te vereenigen, zag men niet meer. Van eenige
vertrouwelijkheid aan het Hof was geen sprake, de strengste etiquette werd
in acht genomen en de afstand van de keizerin was grooter dan ooit te voren.
Ook op haar reizen had Maria Louise den indruk op de bevolking gemaakt,
dat, mocht de Keizer een goede ruil hebben gedaan, de natie erbij had
verloren.

Het volk kende haar niet en zag alleen de Oostenrijksche in haar, terwijl de
door Napoleon zelf begeerde strengheid in haar omgeving ook niet
bevorderlijk was om de nieuwe keizerin populair te doen worden. Ook was
de keuze van de hertogin de Montebello, die als dame d’ honneur aan Maria
Louise werd toegevoegd, niet bijzonder gelukkig. Behalve dat deze het met
niemand aan het Hof kon vinden werd de keizerin op recepties en andere
plechtige gelegenheden slecht door haar gediend. Maria Louisa kende de
menschen niet, vroeg verkeerd en hoewel de hertogin de Montebello daarvan
de schuld droeg, werd het natuurlijk verweten aan de keizerin. Op het punt
van weldadigheid had Joséphine zich een eerenaam verworven; Maria

Page 455

Louise daarentegen was volstrekt niet op de hoogte, miste er ook de noodige
hulp voor en het volk won ze daardoor volstrekt niet.

De eerste maanden kon Maria Louise genieten van de vele feesten, die te
harer eere werden gegeven, eerst door Parijs—een nachtfeest—daarna door
de Garde op het Champ de Mars en in de Militaire School.

De ontzettende ramp, van welke het hotel van den Oostenrijkschen gezant,
prins von Schwartzenberg, den 1en Juli het tooneel was, kwam echter over
haar stemming een donkere schaduw werpen. Bij het nachtfeest, door dezen
diplomaat eveneens ter eere van het keizerlijke paar gegeven, geraakte een
van de raamgordijnen der balzaal in brand. Met schrikwekkende snelheid
verbreidde zich het vuur. Onder de honderden gasten ontstond een paniek.
Napoleon redde zelf zijn gemalin, droeg haar naar een rijtuig, bracht haar
naar de Tuilerieën en spoedde zich toen terug om bevelen te geven tot
redding. Doch reeds was het gansche hotel één vuurzee en telde men de
gekwetsten bij tientallen. De echtgenoote van den gezant, die in de meening
verkeerde, dat een harer dochters zich nog in gevaar bevond en daarom
heldhaftig weder naar binnen snelde, kwam hierbij zelf om het leven.

Velen vonden deze ramp een slecht voorteeken; ze dachten aan een dergelijk
ongeval, bij het huwelijk van Lodewijk XVI voorgekomen. Vooral het volk,
dat Joséphine, “de goede Keizerin,” nog altoos niet kon vergeten en van den
dwang, die de staatkunde somtijds uitoefent, geen begrip had, zeide, dat ook
deze Autrichienne voor Frankrijk een ongeluk zou blijken te zijn.

Bijna onafgebroken zoekende naar een middel om Albion eindelijk toch eens
afdoende te treffen en het een doodelijke wonde toe te brengen, vaardigde
Napoleon in ’t begin van Augustus een decreet uit, dat tevens zijn schatkist
vulde. In hoofdzaak behelsde het, dat van nu af koloniale waren door niet-
Engelsche schepen konden worden ingevoerd tegen betaling van een recht
van 50 %. Door deze maatregel bleven de Engelsche kooplui op al deze
artikelen hetzelfde bedrag verliezen, als tot nog toe het geval was geweest,
want die 50 % ongeveer hadden ze geregeld moeten betalen aan de
smokkelaars. Thans waren de gouden dagen van hen uit, want door dien

Page 456

sluwen zet kwamen die bedragen nu in de Fransche schatkist. Voorts zou een
even hoog recht in natura, in wissels of in geld geheven worden van alle
reeds in entrepôt of magazijn opgeslagen waren; de waren in natura, ter
betaling afgestaan, zouden daarna voor rijksrekening in ’t openbaar worden
verkocht. Alle later gevonden en niet door een belasting-quitantie gedekte
goederen zouden tevens worden verbeurd verklaard.

Napoleon ging zelfs nog een stap verder; hij deed voor ’t meerendeel door
militairen beslag leggen op al de koloniale waren, die gevonden werden
binnen vier dagreizen van de Fransche grenzen. “Die suiker en die koffie,
enz., waren,” zeide hij, “daar toch bijeengebracht om ze Frankrijk binnen te
smokkelen en het land dus te benadeelen; dit eischte straf.”

Wat een verslagen gezichten onder de kooplui, die met de smokkelaars al
zoo aardig wisten samen te werken! Maar ook wat een haat en een
wraakzucht opgehoopt in de harten der zoo zwaar getroffenen!

Slechts één vorst teekende tegen dit decreet verzet aan, keizer Alexander.
“De toestanden in zijn rijk veroorloofden hem niet de bepalingen er van na
te leven,” gaf hij koeltjes aan den Franschen gezant te St. Petersburg te
verstaan.

Na de samenkomst te Erfurt was de goede verstandhouding tusschen de twee
potentaten begonnen te verzwakken. Alexander had in de Donau-
vorstendommen weinig succes gehad. Finland, ja, was hem toegevallen,
maar voorloopig was dit alles. Nu kwam dit decreet.

Eindelijk vernam hij in ’t laatst van Augustus, dat Karel XIII, de oude
koning van Zweden, Bernadotte tot zijn opvolger had bestemd en dat
Napoleon met deze keuze had genoegen genomen.—Door Frankrijk
gesteund zou Zweden nu wel een aanleiding weten te vinden om Finland te
heroveren, meende Alexander.

Natuurlijk zorgde Engeland, dat Alexander in onrust en onzekerheid bleef
verkeeren en in de plannen met Bernadotte de hand van Napoleon zag.

Page 457

Alexanders ontstemming steeg ten top, toen Napoleon, het hertogdom
Oldenburg, waar Alexanders zwager regeerde, evenals de tot nog toe vrij
gebleven Hanzesteden, zoogenaamd ter wille van het Continentale Stelsel,
met één pennestreek met Frankrijk vereenigde.

Doch ook Napoleon had een grief.

Tijdens den laatsten oorlog had het Russische leger in Polen als bondgenoot
weinig uitgevoerd en zelfs herhaaldelijk getoond liever gemeene zaak te
willen maken met de Oostenrijkers onder aartshertog Ferdinand dan met de
gehate Polen onder Poniatowski. Alexanders weigering om aan het decreet
van 5 Augustus uitvoering te geven, diende niet om Napoleons stemming te
verbeteren.

Aan Bernadotte’s verkiezing tot kroonprins van Zweden was hij geheel
vreemd gebleven; alleen aan het toeval en aan zijn tact had de maarschalk
deze te danken gehad. Na den slag bij Friedland, te Hamburg belast met het
bevel over de troepen aldaar, had hij een aantal gevangen Zweedsche
officieren zeer hupsch en voorkomend bejegend, hun geld en kleeding
verschaft en ook aan eenige Zweedsche kooplieden gewichtige diensten
bewezen. Hierdoor was zijn naam te Stockholm gunstig bekend geworden en
in zijn verkiezing hadden de Zweedsche generale staten dus nu een
machtigen waarborg gezien tegenover Ruslands plannen.

Bernadotte had den Keizer verlof gevraagd deze keuze te mogen aannemen,
en deze had dit verlof niet eens met blijdschap, veeleer met eenigen spijt
verleend, omdat hij het karakter van den ander kende en van ouds wist, dat
hij in stilte een vijand aan hem had.

Toch had hij hem, den echtgenoot van Désirée, een millioen francs als
reisgeld geschonken, doch hem tevens verzocht nooit te vergeten, dat hij
Franschman was en dat hij de kroon van Zweden had te danken aan den
roem der Fransche legerkorpsen, die hij had aangevoerd. Bernadotte had dit
beloofd.—“Niets zou hij vergeten. Steeds zou hij er trotsch op wezen een
zoon van Frankrijk te zijn.”

Page 458

Hoe langer hoe meer begon bij Napoleon in die dagen het denkbeeld vasten
vorm te krijgen, dat de Voorzienigheid hem met een bepaalde roeping hier
op aarde had doen verschijnen; dat niets hem meer onmogelijk was en dat hij
slechts zijn wil behoefde te kennen te geven om dezen terstond uitgevoerd te
zien. Van dien tijd af begon deze gedachte hem in zoo hooge mate te
vervullen, dat hij zich bij het ontwerpen van zijn geweldige plannen nog
meer dan ooit te voren bepaalde tot het geven van algemeene bevelen, en dat
hij de zorg voor de uitvoering en voor de vaak groote kunde en
schranderheid eischende détails zoo goed als geheel overliet aan personen,
die voor de hun opgedragen taak vaak òf niet òf slechts ten deele geschikt
waren. Het gevolg hiervan was, dat het bij veel zaken van ingrijpenden aard
thans meermalen bij de uitvaardiging dier bevelen bleef, en er heel wat niet
werd uitgevoerd, dat toch uitdrukkelijk door hem was bevolen. Kwam hij
dan later tot de ontdekking, dat aan zijn last geen gevolg was gegeven, dan
lichtte het wel een korte poos in zijn donkere oogen, en viel er ook wel eens
een ernstige vermaning, doch gewoonlijk bleef het tegenwoordig hierbij en
liep het voor den schuldige vrij goed af.

Tegelijkertijd maakten enkele personen uit zijn naaste omgeving de
opmerking, dat hij nòg ongenaakbaarder, nòg stroever in zijn toon, nòg
geslotener in zijn woorden en uitlatingen werd, nòg minder vatbaar voor
goeden raad dan voorheen ooit het geval was geweest.

Het is zeker, dat zijn brein in de laatste maanden van 1810 vervuld was van
allerlei groote plannen, want sinds de zwangerschap zijner gemalin opende
zich voor den man een geheel nieuwe toekomst. Een eigen dynastie stond op
het punt van gesticht te worden. Reeds sedert zijn huwelijk was er in de
levenswijze van den Keizer groote verandering ontstaan.

Hij leeft geheel voor zijn Maria Louise, ontbijt lang met haar, gaat met zijn
vrouw wandelen, leert haar zelfs paardrijden, stoeit en speelt met haar, alsof
hij een schooljongen is. Niets is hem te veel, maar sinds hem de heugelijke
gebeurtenis bekend is geworden, kan men hem zijn paleis haast niet meer uit
krijgen. De havenwerken in Cherbourg moesten ingewijd worden,
Cherbourg zal wachten, de Keizerin is zwanger; het is steeds hetzelfde
parool. Hij wil niet weg en is nu alleen vervuld van die eene gedachte, die

Page 459

hem meer nog dan vroeger aan zijn echtgenoote bindt. De verhouding
tusschen den Keizer en zijn vrouw is zoo, dat Corvisart vond dat hij te veel
op haar was gesteld!

Van dien tijd dagteekent ook de reorganisatie van de “Société Maternel,”
welke vereeniging zich ten doel stelde steun bij bevallingen te verleenen en
zich met de zorg van de kinderen te belasten. Voor de opvoeding van weezen
van hen, die in dienst van den staat zijn gestorven, wordt een regeling
getroffen, een gesticht voor de “Enfants-Trouvés” komt tot stand en begin
November heeft de plechtigheid plaats van de benoeming van een aantal
kinderen door Napoleon, waarbij elke moeder vereerd wordt met een
medaillon, voorzien van de portretten van Keizer en Keizerin. ’t Zijn alle
bewijzen voor de gevoelens van Napoleon, toen hij zelf hoopte een kind te
krijgen.

In Maart had de geboorte plaats. Maria Louise, over het geheel gezond en
wel, had een moeilijke ure. Napoleon bleef bij haar, zoolang hij het zelf kon
uithouden maar dezen keer werden de zenuwen hem de baas en hij moest in
een aangrenzend vertrek gaan. Dokter Dubois, de medicus, kwam tot hem
om te zeggen, dat er levensgevaar was voor moeder en kind.

“Wat zoudt gij doen, als gij in ons geval waart bij een vrouw uit de
burgerklasse?” vroeg Napoleon.

“Dan zou ik van mijne instrumenten gebruik maken,” antwoordde dokter
Dubois.

“Welnu,” hernam de Keizer, “handel alsof gij in ’t huis geroepen waart van
een straatventer van Saint-Denis; draag zorg voor moeder en kind en als gij
ze niet beiden redden kunt behoud me dan de moeder.”

Toen hield Napoleon nogmaals zijne Maria Louise bij de hand vast; maar
haar lijden werd hem te machtig; hij werd lijkbleek en moest weer
weggaan....

Den 20en Maart 1811 des morgens om tien uur telden de Parijzenaars de
kanonschoten, want den Keizer was een kind geboren. Twee en twintig

Page 460

schoten, wèl geteld: het was een zoon... “de koning van Rome” was geboren.
Napoleon had geschreid van blijdschap; zijne dynastie zou blijvend zijn en
de wereld overheerschen.

Maria Louise herstelde spoedig en was wonder gelukkig met haar kind.
Napoleon Frans Jozef Karel werd hij gedoopt. “De geboorte van mijn zoon,”
schreef ze, “vermeerdert zoo mogelijk nog de gelukzaligheid, waarin ik mij
sedert mijne vereeniging met den Keizer verheug. Ik koester den wensch, dat
hij eenmaal zijn vader mag gelijken en als deze het geluk worden van allen,
die hem omgeven!”

Napoleon ook vergoodde zijn zoon. Iederen ochtend na ’t ontbijt moest de
gouvernante, mevrouw de Montesquiou, hem in de kamer des Keizers
brengen, en het was een genot hem met den kleine te zien stoeien.

“Ik ben overtuigd,” schreef de keizerin aan haar vader, “dat gij u er zeer in
verheugen zult, ooggetuige van ons huiselijk geluk te zijn!”

Bij al de feesten ter eere van de geboorte gegeven, bij de groote bevordering
in ’t Legioen van Eer ter gelegenheid van de doopplechtigheid was echter
merkbaar, dat er zich zooals Masson zegt, een muur optrok tusschen
Napoleon en het volk. Men hield rekening met het hof, met de bourgeoisie in
’t geheel niet en niemand, die niet tot de officieele personen behoorde, was
op de feesten vertegenwoordigd. De emigrés vulden het hof en de Keizer
was in den waan ze te vereenigen.

“Thans na den doop van het kind acht hij zijn fortuin voltooid. Het is het
oogenblik, waarop hij van de toekomst bezit neemt, waarop zijn macht geen
hindernis meer kent, waarop ontdaan van eens zoo nauwe familiebanden, die
hij op ’t punt staat te breken, hij alleen op zich zelf rekent en ’t continent te
klein voor zijn glorie vindt. En ’t is het oogenblik, waarop de ontzaglijke
uitbreiding van het Keizerrijk het onbestuurbaar maakt, waar de argwanende
alleenheerschappij van Napoleon het initiatief en de goede wil onderdrukt en
overal de passieve gehoorzaamheid de eerste en eenige deugd van zijn
dienaren veroorzaakt. De zoo uitgebreide krachten zullen zich breken en
hem overwinnen ten slotte. De verspreide familie kan geen steun meer zijn.
Gedurende tien jaar heeft Napoleon op dit systeem gesteund, een systeem

Page 461

dat hij trots het gecoaliseerd Europa door zijn overwinningen heeft
georganiseerd, en waarop hij tot heden zijn vertrouwen heeft gesteld. Op de
eenige punten, waar hij het nog laat bestaan moet men desasters
verwachten.”

Zoo is daarvan al direct Spanje een bewijs.

Page 462

Napoleon en de Paus.

Vol fanatisme en bloeddorst duurde het verzet tegen zijn legerdrommen daar
nog onafgebroken voort. Reeds kort na zijn huwelijk was de generaal Foy
hem van het oorlogstooneel zeer onrustbarende mededeelingen komen doen.
Onder zijn generaals bestond niet de minste overeenstemming. Ieder voerde

Page 463

in de hem aangewezen provincie den krijg op eigen hand. Aan Jozefs
bevelen werd niet gehoorzaamd; de troepen leden gebrek; alles verried, dat
ginds een krachtige leiding ontbrak.

Dat zijn plaats was dáár, niet op Saint-Cloud, had hij toen zeer goed
begrepen; maar, eerst kort te voren hertrouwd, wilde hij zijn jonge vrouw,
die zeer in zijn smaak viel, niet dadelijk weder alleen laten. Ook oefende het
weelderige paleisleven met al zijn kleine en groote genietingen van allerlei
aard mogelijk toen reeds meer invloed op hem uit dan hij aan zich zelf wilde
bekennen. Het een met het ander was oorzaak, dat hij het commando in
Spanje niet zelf ging nemen, doch te Parijs bleef en orders begon te geven
van uit zijn kabinet.

Men behoeft geen militair te wezen om te begrijpen, dat, waar de lastgever
circa 500 uur gaans van het terrein der behandeling is verwijderd, terwijl de
wegen in Spanje in die dagen zoo slecht en gevaarlijk waren, als met
mogelijkheid was te bedenken, zijn bevelen vaak in ’t geheel niet, in elk
geval altoos te laat hun bestemming bereikten om doel te treffen. Van de
nederlagen daarginds heeft de Keizer zelf grootendeels de schuld gedragen.

Een der gevaarlijkste factoren in Spanje was de wanverhouding tusschen de
generaals en de maarschalken onderling. Massena, in 1810 belast met het
bevel over een sterk leger, dat in Portugal tegenover generaal Wellesley,
thans hertog van Wellington, en Beresford met de Portugeezen zou optreden,
had als voorwaarde gesteld, dat zijn maîtres hem hierbij zou vergezellen.—
Napoleon had dit toegestaan. Maar toen de maarschalk, die op zijn ouden
dag verstandiger had moeten zijn, nu van Ney, Montbrun en anderen
verlangde, dat zij die dame aan tafel geleiden en haar honneurs bewijzen
zouden, bedankten die voor dit koopje, en ontstond ook hierdoor een breuk,
die op den goeden gang van zaken allerverderfelijkst werkte, en die eindelijk
ten gevolge had, dat Ney Massena formeel de gehoorzaamheid weigerde.
Wel ontsloeg deze hem uit zijn commando, maar Ney nam dit ontslag niet
aan.

Napoleon maakte ten slotte aan deze ellendige verhouding een einde, riep
Massena terug en droeg het bevel over de troepen in Portugal op aan den
maarschalk Marmont.

Page 464

Wat koning Jozef betreft, deze was veel te zachtaardig en veel te weinig
soldaat voor de functie van luitenant van Napoleon. De maarschalken namen
een loopje met hem en beschouwden zijn tegenwoordigheid bij ’t leger als
een last.

In zijn optreden geleek hij op zijn broeder Louis. Tegen zijn onderdanen
vechten vond hij afschuwelijk. De krijgsgevangenen, die hij maakte, zond
hij niet, zooals Napoleon verlangd had, naar Frankrijk op maar gaf hij
gelegenheid over te gaan in zijn eigen dienst. Dan stak hij ze van onder tot
boven in een nieuwe uniform, voedde ze goed en betaalde ze nog beter, tot
de krijgskans keerde, en dit leventje die zoogenaamde Josephinos begon te
vervelen. Dan kon men ze bij honderden tegelijk in hun nieuw pak zien
drossen naar hun vrienden in ’t gebergte.

Was ’t te verwonderen, dat Jozef door de vijandelijke aanvoerders, zooals
Mina, Marquesito en den beruchten Empecinado spottend werd betiteld met
den bijnaam van groot-kapitein van kleeding?

Stippen wij nu nog aan, dat Napoleon, die zijn leger van Fransche soldaten
in Duitschland niet wilde verzwakken, voortdurend meer Italianen, Saksers,
Hessen en Beieren als aanvullingstroepen naar Spanje zond en het militaire
gehalte van zijn macht aldaar door dezen maatregel sterk deed dalen; dat de
desertie er onrustbarend toenam, eindelijk, dat Wellington onder zijn bevelen
een infanterie had, die in ’t schieten haar gelijke niet vond, dan achten wij
den toestand ginds hiermede voldoende geschetst. In Spanje bleef ’t gevaar
dreigend en Suchets overwinningen waren te plaatselijk om groote gevolgen
te hebben.

Een tweede oorzaak van ergernis voor Napoleon was de hardnekkigheid,
waarmede de paus zich tegen zijn wenschen bleef verzetten. Zelfs de
pogingen van een viertal aartsbisschoppen, die hiervoor opzettelijk een reis
deden naar Savona, leden schipbreuk. Oom Fesch had zich aan zijn zijde
geschaard.

Om aan dezen toestand een einde te maken, riep Napoleon in den zomer van
1811 te Parijs een Concilie bijeen, waarop ook een groot aantal Italiaansche
prelaten verscheen.

Page 465

Hier werden velen niet ongenegen bevonden de belangen van de wereldsche
zaken der Kerk te scheiden van die der geestelijke, maar de paus, al noemde
hij zich te Savona een verlaten gevangene, had naar buiten blijkbaar nog
invloed genoeg om de weegschaal naar zijn kant te doen overslaan.
Ingrijpende besluiten werden dus niet genomen.—Toen Napoleon ten
overvloede te weten kwam, dat er door enkele leden van het Concilie in ’t
geheim zelfs instructies werden gezonden naar buiten, deed hij een viertal
hunner te Vincennes gevangen zetten en sloot hij de zitting nadat hij van
iederen prelaat de schriftelijke verklaring had geëischt, dat de voorstellen en
wijzigingen, door het Concilie vastgesteld, overeenkomstig de wetten der
gallische kerk waren.

Een deputatie van prelaten bracht het eindbesluit van dit Concilie naar
Savona, om het Pius ter goedkeuring voor te leggen. Gevleid door dit bewijs,
dat hij in zijn waardigheid dus toch werd erkend, bekrachtigde deze het met
zijn handteekening. Binnen zes maanden zou hij de door Napoleon
benoemde 17 bisschoppen de canonieke wijding dus moeten geven.—De
quaestie van het bezit van Rome en van den toekomstigen staat van het
pausdom zou, verzekerde men hem, later worden geregeld.

Toen de tijding van deze overwinning Napoleon bereikte, bevond hij zich in
Holland. Hij kon tevreden zijn, doch de brève, die de paus bij zijn
goedkeuring had gevoegd, een stuk, waarin hij de redenen dezer
goedkeuring uiteenzette, beviel hem volstrekt niet. Van de daarin vervatte
ultramontaansche begrippen was hij in ’t minst niet gediend, als zijnde die
strijdig met de leer van Bossuet. In dat pauselijke voorbehoud zag hij, de
roomsche curie kennende, een gevaar. Voordat hij den veldtocht tegen
Rusland begon, deed hij Pius dus voor alle voorzichtigheid overbrengen naar
Fontainebleau. Hier beter dan te Savona kon Savary op zijn omgeving en
zijn daden dan het oog houden. Een coup de main der Engelschen op
eerstgenoemde stad of een opstand der Italianen rekende Napoleon volstrekt
niet tot de onmogelijkheden.

1 Enkele gedeelten zijn genomen met toestemming van den schrijver, den Heer A. W. Stellwagen,
uit de Historische Feuilletons in de N. Rott. Cour.

Page 466

Page 467

Hoofdstuk XXII.

Page 468

De veldtocht tegen Rusland.

Reeds maakten wij melding van een verkoeling, die de
laatste jaren tusschen Napoleon en Alexander van
Rusland was ontstaan, en van haar oorzaken, die
dreigden tot een oorlog te leiden. Dat de eerste het
tooneel van de toekomstige worsteling toen reeds
zorgvuldig bestudeerde, had zijn brief van 4 Augustus 1810 aan den koning
van Saksen genoegzaam aangeduid. Den 10en December was zijn beruchte
boodschap aan den Senaat gevolgd, waarbij hij Frankrijks grenzen met één
pennestreek tot Lübeck had uitgezet. Een brief van 28 Februari 1811 aan
keizer Alexander had bij dezen ten slotte allen twijfel opgeheven betreffende
de plannen, die men tegenover hem koesterde.

In verband met deze plannen en met de hem nooit verlatende gedachte
Engeland toch eenmaal den nekslag toe te brengen, begon hij in het laatst
van September, ondanks het ongunstige jaargetijde, een reis langs de kust
van de Noordzee. Hij bezocht Antwerpen en de werken langs de Schelde
aldaar, toog naar Vlissingen, nam hier maatregelen om de uit verschillende
natiën samengebrachte bemanning der oorlogschepen in bedwang te houden,
vaardigde orders uit om de werven over Hamburg voortdurend van
timmerhout te voorzien, sloot den uitvoer van graan,—een doodsteek voor
den handel doch een buitenkansje voor den landbouw; de prijzen liepen op
tot 35 gulden per hectoliter—deed op de scheepstimmerwerven tot Texel toe
den arbeid verdubbelen, verschafte hierdoor aan duizenden menschen brood
en begaf zich ten slotte met “zijn vrouw,” die de reis over Utrecht had
gemaakt, naar Amsterdam.

Dat men in Holland weinig sympathie voor hem gevoelde, is te begrijpen.
Wel had hij Amsterdam verheven tot de derde hoofdstad van Frankrijk, maar
het leger en de garde waren bij zijn korpsen ingelijfd. De heeren de Celles en

Page 469

de Stassart, zijn prefecten, respectievelijk te Amsterdam en te ’s Hage,
hadden een harde hand;—de andere prefectsplaatsen waren bezet door
volbloed-Hollanders, die voor deze hooge, goedbezoldigde betrekking
zonder eenige moeite te vinden waren geweest;—de jaarlijksche rentelast
was gestegen van dertig tot veertig millioen; de nationale schuld was om
deze reden getiërceerd, waardoor heel wat renteniertjes tot armoede
vervallen en veel liefdadige instellingen in haar inkomsten benadeeld waren.
In 1808 en 1809, onder Louis, was het nog erger; op de schuldbrieven werd
toen in ’t geheel niets betaald. Thans zouden de schuldeischers van den
Staat, waarvan velen die effecten ver beneden pari hadden gekocht, in elk
geval eenige rente ontvangen. De Fransche taal moest op alle scholen
worden onderwezen; in October 1810 was de zoo gehate conscriptie
ingevoerd. De Code Napoleon moest worden gevolgd; de haringvisscherij
was met het oog op het smokkelen verboden. Java was verloren gegaan. Op
een begrooting van 155 millioen kwamen jaarlijks 45 millioen te kort;
eindelijk had Holland zijn zelfstandig bestaan verloren.

Reden tot juichen en feestvieren bestond er voor de menschen dus niet. Toch
werd er bij zijn komst te Utrecht en te Amsterdam gejuicht, dat de
vensterruiten er van schudden; toch werd daar feest gevierd, toch verdrong
de bevolking zich overal om hem te zien, te begroeten en hem zelfs de hand
te kussen. Amsterdam sloofde zich letterlijk uit om hem hulde te betuigen en
oogstte hierbij zelfs lang niet altoos dank in, want van tijd tot tijd was hij
tegenover “die goede, brave” Hollanders, zooals hij ze noemde, ruw en grof
genoeg.

Toch waren deze hoera’s, deze spontane uitingen der volksmenigte, te
begrijpen, want die kleine, vrij zware man met zijn bleek en strak gelaat in
zijn eenvoudige uniform met dien nu eens gestrengen dan weder zachten
blik, was Napoleon, de imperator op het toppunt van zijn macht, wiens rijk
zich uitstrekte van de Elbe tot aan de Pyreneën; en dergelijke grootsche
figuren zullen door alle eeuwen heen uitbarstingen van hulde en vereering
op hun weg ontmoeten, omdat de mensch nu eenmaal niet laten kàn zich
diep te buigen voor grootheid en faam.

Page 470

Onmenschkundig, kleinzielig zou het dus wezen de bevolking in Holland
van die huldebetuigingen een verwijt te maken of onloochenbare feiten te
willen verbloemen, alsof ze een schande waren. Toch is dit ten opzichte van
Napoleons bezoek zelfs door schrijvers van naam in Nederland vaak genoeg
geschied.

Na Texel en de havenwerken aan den Helder te hebben bezocht, overal
bevelen gevende, alles zelf willende zien, door zijn juisten blik en zijn
afdoend ingrijpen, waar hij fouten ontdekte als altoos en overal weder een
raadsel voor allen, die hem vergezelden, ging hij ook Zaandam en het huisje
van Czaar Peter bezichtigen.

“Die man had wel wat beters kunnen doen dan hier zijn handen te komen
vuil maken met timmeren,” vond hij. Zaandams zindelijk voorkomen trok
hem meer aan dan die bouwvallige keet.—Over Wezel, dat hij tot een
tweede Straatsburg wilde maken, en Keulen keerde hij naar Frankrijk terug.

In de gewesten, waar Fransche troepen stonden, doch vooral langs de oevers
van de Oostzee tusschen Hamburg en de Weichsel, zoomede te Dantzig,
heerschte inmiddels reeds maanden lang een rustelooze bedrijvigheid.
Derwaarts togen te voet en per scheepsgelegenheid duizenden jonge mannen
van verschillende natiën, die vroeger gedeserteerd of aan de conscriptie
ontloopen waren, om onder Davousts gestrenge vuist gekleed, gewapend en
gedrild te worden. Derwaarts werden honderdduizenden hectoliters graan,
reusachtige voorraden wijn, kleedingstukken, munitie en andere
krijgsbehoeften gezonden, voldoende om een macht van circa 500.000
krijgers voor geruimen tijd van al het benoodigde te voorzien. Derwaarts
togen langzamerhand gansche korpsen, in onderafdeelingen gesplitst, uit
Frankrijk, uit Spanje, uit Italië en Duitschland, met kleine dagmarschen, om
eerst langs de Oder en later langs oevers van de Weichsel te worden
opgesteld. Duizenden paarden werden aangekocht, honderden lichte
voertuigen aangemaakt, pontontreinen samengesteld, in één woord al de
voorbereidingsmaatregelen getroffen om een leger, zoo groot als zich nog
nooit te voren op één oorlogsterrein had bewogen, zonder te groote
vermoeienis en zonder veel opzien te baren, over een breed front, van
Warschau tot Koningsbergen, geleidelijk naar Ruslands grenzen te voeren.

Page 471

Het plan om Rusland te beoorlogen stond reeds lang bij Napoleon vast. In
Augustus 1811, op zijn geboortedag, was dit uit een gesprek met den
Russischen gezant te Parijs voor een ieder, die hem kende en die bij dat
gesprek tegenwoordig was geweest, duidelijk gebleken. Alleen was de tijd
voor de uitvoering nog niet gekomen, omdat het jaar 1811 misgewas had
gebracht. Deze omstandigheid, de voeding en verpleging van duizenden
menschen en paarden op een betrekkelijk kleine ruimte en de hiertoe
vereischte maatregelen maakten het dus een gebiedenden eisch, den
veldtocht niet te openen vóór den zomer van 1812, dus als het koren op het
veld stond en de moerassige terreinen, ten oosten van de Weichsel in Polen
en Volhynië opgedroogd en begaanbaar geworden waren. Tot zoolang moest
de tegenpartij dus misleid en aan de praat gehouden worden.

Aan ernstige pogingen om den Keizer op zijn voornemen te doen
terugkeeren ontbrak het in die dagen volstrekt niet. Zijn halsstarrig
vasthouden aan het idee, dat eenmaal Rusland gedwongen het continentaal
stelsel krachtig ten uitvoer te leggen, hij hiermede Engeland den doodsteek
zou hebben toegebracht en gepaard aan zijn hartstochtelijke begeerte
Alexander te doen bukken voor zijn wil was oorzaak, dat al deze pogingen
schipbreuk leden.

Doof bleef hij voor de vertoogen van de Cambacérès en voor die van
Talleyrand, al was deze geen minister meer, doof voor de woorden van de
Caulaincourt, dien hij reeds in Mei 1811 uit Petersburg had teruggeroepen en
vervangen door den eerlijken generaal Lauriston. Tevergeefs schreef deze
hem, dat keizer Alexander geen oorlog wilde en zich alleen wapende, omdat
zijn eigen geweldige krijgstoerustingen in Polen en Pruisen hem hiertoe
dwongen. Letterlijk door een boozen geest gedreven, daarbij beheerscht door
een soort van grootheidswaanzin, bleef hij onverzettelijk. In 1805 en in 1807
had hij Rusland geslagen doch niet onderworpen; thans zou hij het genade
doen vragen.

Van al de ellende en de tranen, die het jaar 1812 brengen zou, droeg het
verderfelijke, alle welvaart, allen voorspoed doodende Continentale Stelsel
dus ten slotte grootendeels de schuld. Napoleon verkoos dit stelsel te doen

Page 472

zegevieren. Alexander verkoos niet voor hem te bukken. Oorlog moest
hiervan het gevolg zijn.

Napoleon had zijn militaire maatregelen voor den veldtocht genomen; om
zijn topografisch bureau de gegevens voor een goede kaart van het
oorlogsterrein te bezorgen, had hij zelfs de koperen platen weten machtig te
worden, waarop die voor de Russische staven waren gegraveerd; wel een
bewijs hoe in Rusland ook toen reeds letterlijk alles voor geld te koop was.

Eindelijk had hij zich reeds in het begin van 1812 door een verbond met
Oostenrijk en met Pruisen zoo sterk mogelijk gemaakt. Bevreemding mag
het wekken, dat hij niet tegelijkertijd een of- en defensief verbond sloot met
Turkije. Reeds geruimen tijd was de Groote Heer met Rusland in oorlog en
eerst kort te voren had een wapenstilstand aan het bloedvergieten tijdelijk
een einde gemaakt; doch mogelijk achtte hij zich reeds sterk genoeg. Een
poging door hem nog in Mei gedaan om met de Porte tot een verbond te
geraken bleef zonder resultaat.

Voor de groote bezwaren, aan een veldtocht tegen Rusland verbonden, was
de Keizer inmiddels volstrekt niet blind; voortdurend trachtte hij zijn kennis
betreffende dit land, zijn ligging, hulpbronnen, grondgesteldheid en
bewoners te vermeerderen. Vooral hechtte hij groote waarde aan de
inlichtingen, hem verstrekt door den luitenant-kolonel de Pouthon, een even
bekwaam als bescheiden man, die na den vrede van Tilsit op uitnoodiging
van keizer Alexander zelf eenige jaren bij het Russische leger had gediend.

Onomwonden wees deze hoofdofficier hem op de gevaren, welke een leger
ginds dreigden door de daar heerschende schaarste aan levensmiddelen en
fourage, de onafzienbare, zoo goed als onbewoonde landstreken, die
moesten gepasseerd, den staat van doffe onverschilligheid waarin de
bevolking van Litthauen onder het juk der Russen was verzonken, het
gloeiende fanatisme der Moskovieten zelven en op de volslagen
onmogelijkheid om zoodra de winter inviel, met een leger het veld te
houden. Zooveel ernstige moeilijkheden, zooveel te overwinnen
hinderpalen!—Verscheiden dagen lang bleef de Keizer in gepeins
verzonken. Enkelen uit zijn omgeving meenden reeds, dat de Caulincourt het

Page 473

pleit had gewonnen; dat de veldtocht in elk geval zou worden uitgesteld.
IJdele hoop!

De vleitaal van mannen als Maret behaalde ten slotte de zege over de stem
van het gezonde verstand.

Den 9en Mei vertrok de Keizer met zijn gemalin en kwam den 17en te
Dresden. Hier had hij al de vorsten van het Rijnverbond en ook den keizer
van Oostenrijk, die zijn dochter sinds haar huwelijk niet wedergezien had,
tot een bijeenkomst samengeroepen. Zelfs Frederik Wilhelm had voor deze
uitnoodiging niet durven bedanken.

Napoleon had daar zijn Salon van Koningen, misschien wel met de geheime
gedachte, dat de berichten over zulk een reusachtig bondgenootschap
Alexander ten slotte tot nadenken en toegeven zouden stemmen.

Hiervan was echter geen sprake. Alexander was herhaaldelijk diep gegriefd
en—Rus van geboorte.

Wanneer wij hierbij voegen, dat de Russische adel toch reeds in hooge mate
ontstemd was door zijn vroegere vriendschappelijke houding tegenover
Napoleon en door zijn aanvankelijk medegaan met de beginselen van het
Continentale stelsel, waardoor hun de gelegenheid werd afgesneden de
producten hunner landgoederen af te zetten in den vreemde; wanneer wij
tevens in aanmerking nemen, dat hij hierdoor kans liep te eeniger tijd het lot
van zijn vader Paul I te deelen, eindelijk, dat de invloed van Engeland zich te
St. Petersburg weder deed gelden, dan is zijn houding zeer goed begrijpelijk.

“Den oorlog wensch ik niet; word ik niettemin er toe gedwongen, dan zal ik
hem voeren tot het uiterste,” had hij vroeger reeds bij herhaling eerst aan de
Caulaincourt, daarop aan Lauriston te verstaan gegeven. Zijn ukase van 15
Januari 1811 betreffende den invoer van Fransche en Duitsche goederen en
de toelating van schepen onder Amerikaansche vlag in zijn havens, had reeds
bewezen, dat óók hij een wil had.—Tegenover Frankrijks krijgstoerustingen
had hij evenmin stilgezeten.

Page 474

Dat hij het van Napoleon winnen en den Niemen overtrekken zou, voordat
de eerste met zijn krijgstoerustingen gereed was, behoefde echter niemand te
vreezen. Hoewel enkele personen uit zijn omgeving hem hiertoe trachtten te
bewegen, bleef hij onverzettelijk bij zijn eenmaal uitgesproken voornemen
om zelf geen enkele vijandelijke daad te plegen maar achter de grensrivier,
den Niemen, te blijven en hier af te wachten wat zijn tegenpartij zou doen.

Napoleon en zijn zoon.

Omtrent de voornemens van Napoleon maakte Alexander zich, reeds sinds
de maand Maart was ingetreden, weinig of geen illusies meer. Toen had deze
namelijk den kolonel van Czernicheff, een Russisch edelman, die reeds
herhaalde malen met kiesche zendingen tusschen Parijs en St. Petersburg
was belast geweest, bij zich zien verschijnen met een brief van Napoleon
zelf.

Dit schrijven was vredelievend genoeg gesteld, maar ’t geen de kolonel in
Frankrijk zelf en op zijn reis door Duitschland met eigen oogen had gezien,

Page 475

n.l. die reusachtige troepenverplaatsingen naar het oosten, was met den
inhoud van den brief in tegenspraak. Bovendien had Czernicheff zich voor
grof geld uit de Fransche bureaux van oorlog de sterktestaten der reeds op
marsch zijnde troepenafdeelingen weten te verschaffen; deze hieven allen
twijfel op.

Nu het niet langer een geheim voor hem was, wat er ten westen van den
Niemen broeide, had Alexander in ’t begin van April onderhandelingen met
Engeland over een of- en defensief verbond geopend. Met Bernadotte
eveneens. Aan Turkije had hij voorstellen gedaan om vrede te sluiten, en den
21en April was hij ten slotte naar zijn leger vertrokken, dat onder Barclay de
Tolly om en bij Wilna was samengetrokken, alleen om den wensch van het
volk te bevredigen en te voorkomen dat zijn onderbevelhebbers overgingen
tot daden, die het uitbreken der vijandelijkheden terstond tengevolge zouden
hebben gehad. Nog altoos hoopte hij op een bevredigende oplossing.

Lauriston had hij naar Wilna niet medegenomen, doch hem te St. Petersburg
achtergelaten. Aan den heer de Narbonne, die in 1809 gouverneur was
geweest van Raab, en die hem in de laatste dagen van April door Napoleon
was toegezonden om hem betreffende zijn plannen te polsen, gaf hij in zijn
hoofdkwartier te Wilna te verstaan, dat hij vrede wilde, doch dat Napoleon
Pruisen dan moest ontruimen en niet langer aandringen op de gestrenge
handhaving van het Continentale Stelsel.—In elk geval zouden de
vijandelijkheden niet door hem worden begonnen.

Juist om deze laatste verzekering was het Napoleon voornamelijk te doen
geweest. Hij had tijd gewonnen, rustig kon hij nu met zijn toebereidselen
voortgaan en zijn macht langzaam verder naar den Niemen vooruitschuiven,
tot de 22e Juni was bereikt.

Den 29en Mei begaf hij zich eveneens naar zijn leger en nam zijn reis daarbij
over Mariënburg, Thorn en Dantzig, niet over Warschau, zooals de Polen
hadden gehoopt.

Maria Louise bleef haar vader, die met haar stiefmoeder naar de baden te
Töplitz zou gaan, nog eenige dagen gezelschap houden, schonk aan beiden
de overtuiging, dat zij zich in haar nieuwen toestand gelukkig gevoelde, dat

Page 476

zij veel van haar man hield en dat deze zeer lief voor haar was, en keerde
over Praag terug naar Parijs.

Te Mariënburg vond Napoleon Davoust. Onderweg had hij kunnen zien hoe
geducht vooral de Wurtemburgers en de Pruisen in de door hen gepasseerde
landstreken hadden huis gehouden en geroofd.—Hij had Davoust in de
laatste twee jaar niet ontmoet en had tevreden kunnen zijn over de wijze,
waarop deze zijn reusachtige taak had volbracht. De weinig spraakzame,
doch eerlijke en zeer gestrenge maarschalk toch had niet alleen zijn eigen
legerkorps, het 1e uitmuntend uitgerust;—ieder man droeg b.v. drie paar
schoenen en levensmiddelen voor tien dagen bij zich—maar ook de
geweldige massa materieel bijeengebracht, noodig voor een leger van
500.000 man, benevens 1800 vuurmonden met hun geheele uitrusting voor
twee veldtochten, zes veldbruggentreinen, twee artilleriebelegeringsparken
en een groot geniepark. Dan had hij te Dantzig, te Elbing en te Braunsberg
kolossale magazijnen doen aanleggen en alle maatregelen getroffen om een
deel van den benoodigden voorraad, als meel en buskruit, per
scheepsgelegenheid over de Pregel en den Niemen naar Rusland te
vervoeren.

Toch was Napoleon niet tevreden; hij was zelfs koel en onvriendelijk. In de
breede strook grondgebied van Hamburg tot aan de Weichsel, waarover de
maarschalk maanden lang het beheer had gevoerd, had hij diens lof op
verschillende plaatsen hooren verkondigen. Daarbij liep het gerucht, dat de
Polen bij een mogelijk herstel hunner onafhankelijkheid aan hem hadden
gedacht als aan hun aanstaanden koning. Dit hinderde den Keizer en
Berthier, jaloersch op de groote krijgskundige bekwaamheden en het
organiseerende talent van zijn krijgsmakker, die niet vergeten was, wat er in
1809 bij Regensburg tusschen hen was voorgevallen en welken flater hij
toen zelf had gemaakt, wees daarbij op de eigenmachtige manier, waarop
Davoust enkele wijzigingen had gebracht in bevelen, die niet strookten met
den toestand ter plaatse.

Napoleon was dus ontstemd.—Wat dachten die maarschalken dat ze
allemaal koning konden worden? In Portugal had de bevolking aan Soult een
kroon willen geven. In Zweden was Bernadotte reeds kroonprins. Deze had

Page 477

het gewaagd hem zijn bemiddeling in de quaeste met Rusland aan te bieden,
en hem zelfs bij geheime nota aan Bassano voor te slaan zijn bondgenoot te
worden, als hij 20 millioen kronen en Noorwegen kreeg. Noorwegen nog
wel, dat toebehoorde aan Denemarken, Frankrijks getrouwsten bondgenoot!

Een eerlijk verdiende tevredenheidsbetuiging ontving Davoust dus niet;
maar geen vleier of salonheld, daarbij Napoleons lichtgeraaktheid van
oudsher kennende, trok hij zich dit zeer weinig aan. Hij ging op marsch naar
Koningsbergen naar zijn korps, het sterkste en stellig het best
gedisciplineerde van de geheele armee, circa 73.000 man.

Te Dantzig vond Napoleon zijn zwager Murat, dien hij uit Napels had
ontboden om de cavalerie te commandeeren. Murat was boos, omdat hij het
lot van Jérome gedeeld en evenals deze bevel ontvangen had niet te Dresden
te verschijnen.

In gezelschap van de Caulaincourt, Berthier, Duroc en Rapp bleef de Keizer
eenige dagen te Dantzig. Hier moest hij van Rapp onbewimpeld hooren, dat
zeer velen den aanstaanden veldtocht in hooge mate afkeurden; doch hij
stoorde er zich niet aan en antwoordde, “dat de heeren oud begonnen te
worden en dat zij tegenwoordig te veel op hun gemak waren gesteld.” Een
dag of wat later verklaarde hij Rusland onder een gezocht voorwendsel van
vormen en etiquette den oorlog en stond den 23en Juni met 325.000 soldaten,
in 10 korpsen verdeeld, in eerste linie, en 200.000 op afstanden daarachter
tusschen Tilsit en Warschau, op den linkeroever van den Niemen. De macht
onder zijn bevelen om en bij Kowno bedroeg circa 200.000 man. Zelf
verkende hij met generaal Haxo de plaats, die deze laatste voor den bouw
van drie bruggen het geschiktste had geoordeeld en liet daarna met dezen
arbeid aanvangen.

Dienzelfden avond nog bij heerlijk zomerweder begon o.a. bij Poniémon de
overtocht, het korps van Davoust aan het hoofd. Weerstand werd nergens
geboden; slechts enkele kozakken werden gezien. Drie dagen vorderde deze
rivierovergang. Toen stonden ruim 400.000 krijgers op Russisch
grondgebied.

Welke terreinen zouden deze nu hebben te doorschrijden?

Page 478

De onafzienbare vlakten tusschen de Oost- en de Zwarte Zee worden ten
oosten van de Weichsel doorsneden door de Pregel, den Niemen en de Duna
of Dwina, die naar het westen, en door den Dniester en den Dnieper, die naar
het oosten stroomen. Hoe meer men de bronnen der eerstgenoemde rivieren
nadert, hoe schraler en zandiger de bodem wordt. De bewoners zijn er dun
gezaaid en arm, wonen in meestal ver uiteengelegen dorpen, zijn ruw en
onbeschaafd, en worden door de talrijke daar verblijf houdende joden totaal
uitgezogen. Moerassige terreinen en dichte, zware bosschen wisselen
elkander af. Men bevindt zich daar in ’t hartje van het oude Polen en van
Litthauen. Lange reeksen breede zeer primitieve bruggen voeren door de
moerassen en over de rivieren. De wegen zijn gemaakt van fascines en
knuppelhout, ruw en ongelijk, hier smal, daar breed, al naar gelang de
bodem het toelaat, doch voor groote troepenmassa’s vooral bij slecht weder
moeilijk begaanbaar.

Tusschen de bronnen van de Duna en die van den Dnieper, een afstand van
circa 20 uur gaans tusschen Witebsk en Smolensk dus, heeft de natuur een
toegang, een soort van reusachtig defilé gevormd, dat men de Poort van het
Oosten zou kunnen noemen. Daar ligt de grens tusschen Oud-Polen en
Rusland. Daar kan het water ook beter afvloeien dan in de meer westelijk
gelegen slechts hier en daar flauw glooiende terreinen. De bosschen
verdwijnen De reusachtige, droge vlakten van Oud-Rusland met Moskou, de
Heilige Stad er middenin, nemen hier een aanvang.

Dat hij tusschen de bronnen van de Duna en van den Dnieper door moest
had Napoleon terstond ingezien. Van de vier wegen naar het oosten koos hij
voor zijn hoofdmacht een der twee middelste n. l. die, welke van Kowno
over Wilna naar Witebsk en verder over Wiasma en Borodino naar Moskou
leidde. De andere middenweg, die over Grodno, Minsk, Borissow en
Smolensk, was veel korter doch liep voor een groot deel vlak langs het
reusachtige moeras van Pinsk. Daarbij voerde de eerste recht op het
Russische hoofdkwartier, op Wilna aan.

Hij had zijn doel bereikt; hij stond thans aan de westelijke grens van een
vlak laag land, dat weinig drinkbaar water bevatte en slechts hier en daar,
o.a. ten Westen van Wilna en ten oosten van Smolensk aan de Wob,

Page 479

heuvelachtig was; en Alexander was hem niet vóór geweest.—Behalve het
leger, dat bij Kowno was overgegaan met Eugène’s macht bij Rastenburg
hierachter, had hij Macdonald met zijn Duitsche en Poolsche regimenten,
benevens een Pruisisch hulpkorps onder Yorck bij Tilsit verzameld, gereed
om op Riga en Koerland los te gaan. Bij Warschau had zijn broeder Jérome
drie korpsen, onder Poniatowski, Reynier, en van Damme, benevens een
cavaleriekorps onder zijn commando; nog verder zuidelijk en komende van
Lemberg rukte het Oostenrijksche hulpleger van Schwartzenberg, circa
33.000 man sterk, op in de richting van Lublin.

Van de tegenpartij was bekend, dat deze een macht van circa 130.000 man
onder Barclay de Tolly, met Wittgenstein als commandant van den
rechtervleugel, in een lange lijn in de omstreken van Wilna had
bijeengetrokken; dat generaal Bagration met circa 50.000 man zich ten
zuiden van Grodno, ongeveer bij Mir, bevond. Dat deze met Barclay’s
linkervleugel reeds voeling had gekregen, wist Napoleon echter evenmin, als
dat een reserve-leger van 43.000 man onder Tormassof Bagration daar in de
laatste dagen had vervangen, en dat deze reeds naar het noordoosten op
marsch was om zich met Barclay te vereenigen.—Napoleon zocht dezen nog
tusschen Brzesc of Brest Litewsky (ten oosten van Warschau) en Grodno en
meende, dat hij naar Wilna wilde rukken om hier bij de hoofdmacht aan te
sluiten.

Deze dunne lange linie wilde hij in ’t midden doorbreken. Met Davoust,
Oudinot, Ney en de garde, benevens twee cavaleriekorpsen onder Murat als
voorhoede, zou hij tegen Wilna oprukken. Eugène mocht met twee korpsen
en de cavalerie van Grouchy rechts achterwaarts van hem als tweede linie
volgen. Nog meer rechts achterwaarts zou Jérome van Warschau uit op
Grodno aanrukken. Zooals de Keizer het uitdrukte, “maakte hij dus een
beweging met den linkervleugel voor, terwijl hij zijn rechter voortdurend
terughield.”

Rukte Bagration op tegen Warschau, dan moest Jérome daar en achter de
Narew blijven staan en de Russen bezighouden, tot Eugène deze in de flank
en hij zelf uit Wilna hen in den rug kon grijpen, om hen totaal van den
terugtochtsweg af te snijden.

Page 480

Bagrations leger vernietigen was dus zijn eerste doel.

Een “prachtig plan” is het door deskundigen genoemd. De uitvoering is
echter zoo goed als achterwege gebleven. Barclay, veel te zwak om aan die
overmacht weerstand te bieden, liet Wilna los en ging zonder vechten terug
in de richting van de Duna en van een versterkt kamp aan die rivier bij
Drissa.—Bagration ontving order zich ongeveer in diezelfde richting te
bewegen.

Na een vierdaagschen marsch werd door de Franschen Wilna bereikt Wat de
tegenpartij uitvoerde was hun nog lang niet duidelijk geworden.

Terwijl Oudinot, die reeds van Kowno uit den weg naar het noordoosten,
naar Dunaburg was ingeslagen, nu onder kleine gevechten met Wittgenstein
verder naar de Duna trachtte door te dringen, ging Davoust van Wilna op
marsch in de richting van Smorgoni, en Murat eveneens in de richting van
Dunaburg en van Grubokoje om te verkennen.

Nu merkte Davoust, dat de troepen, die men aanvankelijk had aangezien
voor afdeelingen van Bagration, slechts linkervleugeltroepen waren van den
teruggaanden Barclay.—Stellig rekenende, dat Jérome, die door Napoleon
met geforceerde marschen naar Grodno was gezonden, Bagration achterna,
aan deze order had voldaan en de Russen dicht op de hielen zat, hield
Davoust den 3en Juli dus halt bij Ochmiana ten westen van Smorgoni, om
Bagration, als deze naderde, in de linkerflank te vallen. Maar in weerwil van
de booze brieven van zijn keizerlijken broeder, had Jérome Bagration niet
achterna gezet en was te Grodno gebleven. De Hessen en de troepen van
Westfalen, niet gewoon in een schier tropische hitte langs zware,
schaduwlooze zandwegen bijna zonder drinken dagen achtereen snel te
marcheeren, konden voorloopig niet verder. Jérome’s macht telde reeds
eenige duizenden achterblijvers; van de paarden lagen er honderden
uitgeput, van dorst gestorven langs den weg.

Wel rukte Davoust, versterkt door een divisie der garde, nu naar Minsk in de
hoop Bagration, die blijkbaar zuidwaarts uitweek, nog voor te komen aan
den Dnieper; wel ging Jérome na een paar dagen rust weder op marsch, doch
reeds was Bagration niet meer te vangen. Den 14en Juli marcheerde deze

Page 481

naar Bobruisk aan de Berezina, in de hoop van hier Smolensk te bereiken en
de hoofdmacht aan de Dwina langs dezen omweg te naderen.

Davoust doorzag dit plan geheel en trachtte het door een geforceerden
marsch naar Mohilew te doen mislukken. Werkelijk stiet Bagration den 23en
hier op hem, doch aangezien Davoust aanvankelijk slechts één divisie ter
plaatse had, kon hij den Rus niet beletten na een kort doch scherp gevecht
nogmaals uit te wijken naar het oosten, zich aan een vervolging te
onttrekken en ten slotte Smolensk toch te bereiken. Jérome had van
Napoleon terecht moeten hooren, dat hij door zijn werkloos staan blijven te
Grodno den vijand had gered, hij had het legerbevel moeten overdragen aan
Davoust, en was hierover zoo ontstemd, dat hij ook zijn eigen commando
neerlegde. Napoleon deed hem het leger verlaten en naar Kassel terugkeeren.
—Voor Jérome kwam Junot als korpscommandant in de plaats, geen
gelukkige ruil.—Aan den ongunstigen loop, dien de zaken bij zijn
rechtervleugel hadden genomen, had de Keizer o. i. echter zelf de meeste
schuld.—Hij had zijn jongen onervaren broeder op het oorlogsveld doen
gaan vóór een beproefden generaal als Davoust, en een dergelijke onhandige
zet straft zich bijna altoos zelf. Terwijl hij de zaken bij Jérome zag
misloopen, was hij zelf te Wilna gebleven, had den eenen boozen brief na
den anderen geschreven, maar had bij Grodno niet zelf de opperste leiding in
handen genomen, terwijl zijn tegenwoordigheid in die dagen te Wilna—hij
bleef er tot den 16en—niet dringend noodig was.—Thans was het eerste doel
van den veldtocht volkomen gemist. Bagration kon zijn troepen over den
Dnieper brengen. Tegelijkertijd kwam een nieuw gevaar opzetten n.l.
Tormassof met zijn reserveleger. Uit het zuiden rukte hij voorwaarts om den
terugtochtsweg van het Fransche leger te bedreigen, zoodat aan Reynier
moest worden opgedragen, (11 Juli), met Schwartzenberg tegen dezen
nieuwen vijand front te maken.

Reeds in 1812 was Napoleon niet meer de broodmagere generaal Bonaparte
van 1796 of de Keizer van 1805, de man, die altoos overal zelf kwam, waar
het spande. Hij begon dik en pafferig te worden; daarbij kwamen lichte
blaasaandoeningen, die hem hinderden bij ’t rijden; voorts leed ook hij te
Wilna geducht van de ontzettende hitte, die menschen en paarden amechtig

Page 482

deed neervallen, en die evenals vroeger in Egypte verscheiden soldaten tot
zelfmoord bracht.

Ook was hij te Wilna niet gelukkig in de keuze der personen, die hij hier met
het beheer der zaken belast had. Maret, de hertog van Bassano, tevens
minister van Buitenlandsche Zaken, voor de civiele zaken bestemd, was een
vleier en een hoveling doch geen man van groote bekwaamheid en
werkkracht; generaal van Hogendorp, aan wien de leiding der militaire
aangelegenheden was opgedragen, miste voldoende talen- en militaire
kennis voor zijn zware taak, en—in de hoofdplaats van Litthauen viel
reusachtig veel te doen. Magazijnen moesten aangelegd, broodbakkerijen en
ovens gebouwd, logies voor de doortrekkende aanvullingstroepen gezocht
worden; daar moest in één woord voorzien worden in tal van zaken, noodig
voor de aanvulling van het leger en zijn verplegingsmiddelen. Een man als
Davoust zou daar op zijn plaats zijn geweest. Een werkkring voor den
Keizer, die alleen hoofdzaken regelde, was daar niet.

Dan vond Napoleon weinig steun meer bij den Poolschen adel. Deze had
gewild, dat hij bij zijn komst gansch Polenland officieel vrij verklaard en
weder tot een koninkrijk verheven had; dan zouden al de provinciën in
opstand zijn gekomen, en zou een leger van 300.000 man terstond tot zijn
beschikking geweest zijn. Een oorlog met Pruisen en met Oostenrijk, die
deelen van Polen in bezit hadden, zou hiervan het gevolg zijn geweest; hij
had die driftige heeren dus een ontwijkend antwoord gegeven.

Wel hadden eenige heethoofden nu weten te bewerken, dat er te Warschau
een zoogenaamde Nationale Rijksdag bijeenkwam, die het herstel der
onafhankelijkheid van het voormalige koninkrijk Polen afkondigde; doch
zelfs deze zeer ondoordachte handeling bracht in zijn inzichten geen
verandering.

Terstond daarop verminderde de geestdrift voor hem. Onder den adel te
Wilna waren nauwelijks twintig jongelieden te vinden om als gardes
d’honneur bij hem dienst te doen; aan de Fransche troepen op hun doortocht
werden nu vaak zelfs de eenvoudigste levensbehoeften geweigerd.—Niema
panie (er is niets) werd zelfs een stopwoord bij de soldaten.

Page 483

Reeds in de eerste dagen deed Napoleon de ervaring op van ’t geen zijn
krijgers op dit oorlogstooneel te wachten stond. In het begin van Juli kon
Ney, naar de Duna op marsch, zijn artillerie niet meer vooruitkrijgen; de
paarden vielen dood voor de stukken. Men begon ossen voor de caissons te
spannen.—Vooral de cavalerie leed ontzettend. Een paar dagen slecht weder,
een paar bivaknachten op den doorweekten bodem, gepaard aan slecht
drinkwater, onvoldoend en meestal groen voeder zonder haver, deed het
verlies aan paarden weldra stijgen tot duizenden stuks. Voegt daarbij, dat
Murat zijn cavalerie op onverantwoordelijke wijze misbruikte; dat gansche
escadrons vaak een vol etmaal opgezadeld en opgestangd bleven staan; dat
de meeste dieren jong waren en reeds geduchte marschen door half Europa
achter den rug hadden, dan zal het niemand verbazen, dat het verlies van
paarden weldra steeg tot een angstwekkende hoogte, vooral toen de wegen
door het gebruik weldra zoo slecht werden, dat zelfs lichte voertuigen met
fourage niet meer konden volgen. Bij de troepen onder Jérome, die bij
Grodno reeds dagelijks horden kozakken van Platof voor zich hadden en
overal afschuwelijke wegen vonden, slonken de bespanningen toen reeds
letterlijk zienderoogen weg. En de soldaten zelf?—Vooral bij de Duitsche,
de Hollandsche en de Italiaansche regimenten was het aantal achterblijvers
en maraudeurs weldra zeer groot. De verzengende hitte, de overgroote
vermoeienis, het onvoldoende voedsel en het ellendige drinkwater waren de
oorzaak. Alleen bij de Fransche regimenten zag men minder achterblijvers;
bij de garde aanvankelijk in ’t geheel niet; maar deze volgde de hoofdwegen;
in haar onderhoud werd steeds in de eerste plaats voorzien. Zoodoende
hoorde Napoleon weinig of geen klachten.

De omsingeling van Bagration mislukt, besloot hij Barclay, die den 11en Juli
de Duna had bereikt, te lijf te gaan. Terwijl Oudinot en Murat hem in front
bezighielden, zou Eugène met zijn korpsen hem uit de richting van Witebsk
in de flank grijpen, naar ’t noorden dringen en den weg naar Moskou
zoodoende vrijmaken.—Barclay wachtte den stoot niet af. Hij wist, dat
Bagration naar Smolensk rukte. In denzelfden nacht, dat de Keizer bij
Witebsk zich gereed maakte hem aan te grijpen,—doch dit niet deed, omdat
hij nog niet al zijn korpsen bij zich had aangetrokken—verliet hij zijn
stellingen en toog over Poritsche naar Smolensk (27 Juli). Zelfs zijn spoor
was niet weder te vinden.—“De fortuin is een vrouw; mist ge heden een

Page 484

ontmoeting met haar, morgen is zij verdwenen,” had Napoleon vroeger vaak
tegen anderen gezegd. Deze waarheid scheen hij thans vergeten; bij Witebsk
had hij de zoo lang en zoo vurig gewenschte kans om eindelijk eens een
grooten, beslissenden slag te leveren laten voorbijgaan.—Alleen aan de
Duna werd nu gevochten.

Zoo werd Polotzk den 18en Augustus door generaal Saint-Cyr, die Oudinot
na zijn verwonding in ’t commando was opgevolgd, glansrijk genomen. De
Keizer schonk dezen zeer kundigen doch zonderlingen en onhandelbaren
man, die overal een viool met zich medevoerde, hiervoor den
maarschalkstaf, doch grooten invloed op den loop van den veldtocht had die
overwinning niet.—Ook Wittgenstein trok ten slotte terug, dieper Rusland
in.

Te Witebsk gaf de Keizer zijn afgematte troepen een week rust. Reeds was
zijn macht in eerste linie geslonken tot 129.000 man, verspreid over een lijn
van 27 Duitsche mijlen, n.l. van Polotzk over Witebsk naar Mohilew. Bij de
Beieren onder Wrede, ingedeeld bij het korps van Saint-Cyr, begon de
geestkracht reeds te verdwijnen. Weldra zag men velen, door heimwee
aangegrepen, naar de hospitalen te Polotzk wankelen om daar te vragen naar
de sterfkamer. Hier strekten ze zich dan uit op het stroo om niet meer op te
staan. Op die wijze smolten gansche bataljons weg, zoodat Wrede verplicht
was de vaandels er van in zijn bagagewagen te bergen. Saint-Cyr in kwartier
in het Jezuïetenklooster met een overdaad van wijn, bier, olie en meel in de
kelders, speelde intusschen viool, duldde geen enkelen gekwetsten of zieken
soldaat in het reusachtige gebouw,—hij wilde alleen zijn—deed niets om het
moreel zijner mannen op te heffen en was ternauwernood te bewegen een
paar flesschen wijn af te staan voor een gekwetsten hoofdofficier. Om zijn
soldaten bekreunde hij zich nooit.

In de laatste dagen van Juli stond de hoofdmacht in de lijn Mohilew-Orscha-
Witebsk-Polotzk.—Davoust was naar Orscha op marsch, waar Junot reeds
was. Tormassof in Volhynië, ten noordoosten van de lijn Brest-Kobryn, werd
nog door Schwartzenberg en Reynier in bedwang gehouden; voorloopig kon
hij met zijn door Napoleon veel te gering geschatte macht niet noordwaarts

Page 485

dringen. Eenig succes van beteekenis was nog nergens door de Franschen
verkregen.

Dat de Keizer een korten tijd zwanger zou hebben gegaan van het plan om in
bovengenoemden lijn te blijven staan, hier de winterkwartieren te betrekken
en den veldtocht in het volgende jaar voort te zetten, is door enkelen
beweerd doch door niets bewezen; ook is het niet aannemelijk, dat de
gedachte aan zulk een maatregel, hem meer dan enkele oogenblikken kan
hebben beziggehouden. Door zulk een weifelend optreden zou hij aan zijn
prestige tegenover Europa een geduchten knauw hebben gegeven.

Inmiddels werd door Schwartzenberg en Reynier in de omstreken van
Gorodetschna en Kobrin met Tormassofs troepen herhaaldelijk
geschermutseld, zonder dat ook hier een beslissing viel; Macdonald toog
naar Dunaburg, dat nu door de Russen werd verlaten, terwijl York Riga
berende.

Reeds had de Keizer alle toebereidselen doen maken om den 13en Augustus
den marsch naar Smolensk te hervatten—dat Bagration zich hier met
Barclay vereenigd had, was hem nu bekend—toen het rapport betreffende
een scherp gevecht bij Inkowo, in de omstreken van Poritschje, waarbij
Montbruns cavalerie was teruggeworpen, hem het bewijs kwam leveren, dat
de tegenpartij tot het offensief was overgegaan.

Wat was het geval?—In de meening, dat het hem weinig moeite kosten zou
de oogenschijnlijk dunne lijn van vijanden op een of ander punt te
doorbreken, dus een succes te behalen en hierdoor de bevrediging te geven
aan de oud-Russische partij, die hem, den buitenlander, zijn aanhoudend
retireeren verweet en zijn vervanging reeds luide eischte, had Barclay de
Tolly den 7en uit Smolensk een offensieve beweging ingeleid in
noordwestelijke richting.

Terstond besloot de Keizer weder tot een van die gedurfde strategische
zetten, welke wij bij Ulm, bij Jena, later nog bij Regensburg van hem zagen.
Davoust ontving bevel bij Rassasna vier bruggen over den Dnieper te doen
slaan; en terwijl Barclay letterlijk een luchtstoot deed en zoo goed als geen
vijand tegenover zich vond, trok de Keizer, gedekt door het woud van Bieski

Page 486

met zijn gansche hoofdmacht over den Dnieper, om Barclay’s linkervleugel
heen naar Smolensk en stond hier een vol etmaal, voordat de Russische
hoofdmacht deze door slechts één divisie van Bagration verdedigde, half in
puin liggende plaats, had kunnen bereiken.

Den 17en wordt Smolensk, de Heilige Stad, met haar eeuwenoude, meters
dikke muren met alle kracht aangegrepen. Geweldig is de worsteling; de
Russen, verreweg de minderheid en eerst later door een deel van Bagrations
overige divisiën versterkt, vechten als leeuwen om het behoud hunner stad.
—Dat ’s Keizers plan Barclay af te snijden van zijn terugtochtsweg en hem
naar het noorden terug te werpen niet is gelukt; dat er om Smolensk bijna
vier en twintig uur onafgebroken is gekampt; dat Barclay ten slotte in den
nacht ongedeerd in de richting van Moskou is kunnen aftrekken, is alleen het
gevolg geweest van de weergalooze taaiheid, waarmede Bagrations soldaten,
door rijkelijke uitdeelingen van brandewijn nog meer aangevuurd, de
verdediging hebben gevoerd o.a. van een circa zes meter dikken baksteenen
muur, met een droge gracht en een bedekten weg er voor, die dwars door
voorsteden heen de oude stad omsloot.

Eerst in den nacht van den 18en Augustus verliet de Russische achterhoede
haar stellingen, nadat ze de voorsteden in brand gestoken en de eenige brug
over den Dnieper vernield had. Ney, die onder gestadig vechten met de
wijkende troepen vooruitdrong, vond niets dan een gloeienden puinhoop,
benevens zeven duizend licht- en zwaargekwetsten, van welke laatsten
honderden in die vuurzee den dood vonden.

Het woedende achterhoedegevecht bij Valoutina, dat op den val van
Smolensk volgde en o. a. aan generaal Gudin het leven kostte, bewees
opnieuw de verbittering der Russen. Was dit gevecht merkwaardig door de
houding van Junot, die met zijn korps werkeloos bleef en, hoewel door Ney
gewaarschuwd, geen voet verzette om zijn ernstig bedreigde wapenbroeders
te ondersteunen, niet minder was dit door de omstandigheid, dat de noodige
verbandmiddelen ontbraken en dat stroo, alsmede papier uit Smolensks
archieven hiervoor moesten dienst doen.

Page 487

Weder was het dus niet gekomen tot een slag, zoo beslissend als b. v. die van
Friedland; weder was de vijand teruggegaan, gehavend, ja, doch niet
overwonnen; weder had de fortuin zich van de Fransche wapenen afgekeerd.
De Keizer was thans letterlijk wel gedwongen nog dieper het land binnen te
dringen, naar Moskou, in de hoop hier eindelijk een beslissing te doen
vallen.

Zwaar was de weg daarheen, geweldig de hitte, zeer onvoldoende de
verpleging in die zoo goed als waterlooze, onafzienbare vlakten. Ontzettend
was de ellende, geleden door mensch en dier. Soldaten zag men drinken uit
het karspoor, waarin even te voren een paard had “gestald.” En dan de
steden, die werden gepasseerd! Dorogobusch, Wiasma, Ghiat, ze waren allen
grootendeels door de inwoners verlaten, half verbrand en in puinhoopen
verkeerd.

Toch werd de marsch in breed front onafgebroken voortgezet, de
vuurmonden en voertuigen in verscheiden gelederen naast elkaar op den
breeden, met vier rijen boomen omzoomden weg; daarnaast in de vlakte de
infanterie in divisiecolonne, drie gelederen diep, de cavalerie met escadrons
in colonne op de vleugels er naast. Om den trein wat minder reusachtig te
maken, beval de Keizer alle particuliere rij- en voertuigen te verbranden,
maar dit bevel werd òf niet òf slecht opgevolgd.—Onder zulke
omstandigheden naderde de dagelijks zwakker wordende hoofdmacht tegen
den 5en September het dorp Borodino, aan den grooten weg naar Moskou.

De voorhoede had hier reeds een rij vooruitgeschoven veldwerken in de
nabijheid van het dorp Schiwardino moeten nemen. Alles wees er op, dat het
eindelijk zou komen tot een grooten slag.

Ongeveer in de lijn dezer werken begon de Fransche hoofdmacht zich in den
morgen van den 7en in slagorde te scharen tegenover de dichte drommen des
vijands, die achter de Kologha, een zijriviertje van de Moskowa, hadden
stelling genomen, blijkbaar met het voornemen die tot het uiterste te
verdedigen. Het legercommando was overgegaan in handen van den ouden,
half-blinden maar nog altoos sluwen en vaderlandslievenden volbloed Rus
Kutusof, ons van Austerlitz reeds bekend. Barclay de Tolly had moeten

Page 488

zwichten voor den drang der natie, die hem zijn aanhoudend retireeren doch
vooral zijn loslaten van Smolensk, de Heilige Stad, niet kon vergeven en die
hem bovendien zijn afkomst,—hij was een Koerlander—tot een verwijt
maakte, zoo luidde het verhaal; en Kutusof had gezworen, dat Napoleon
Moskou’s poorten alleen zou naderen over zijn lijk. Hiervoor was hij door
Alexander vorstelijk beloond.

Een reeks van open veldwerken, van welke die van Gorki met tal van
kanonnen bewapend de geweldigste was, bekroonde de rij heuvels, waarop
hij stelling had genomen. Weldra zou blijken, dat hij hier zoo goed als alleen
in front kon worden aangegrepen.

Page 489

Page 490

Hoofdstuk XXIII.

Page 491

Bij Borodino. In Moskou.

In weerwil van een zware verkoudheid, welke hem het
spreken bijna belette, zat Napoleon nog vóór half drie
in den zadel om de vijandelijke stelling te verkennen.
Den vorigen dag had hij het portret van zijn zoon
ontvangen en dit, om ook zijn soldaten in de vreugde
over dit geschenk van zijn vrouw te doen deelen, tegen den buitenwand
zijner tent doen ophangen zoodat allen het konden komen bezichtigen. De
geestdrift zijner mannen was hierdoor sterk toegenomen, het vooruitzicht
eindelijk eens te kunnen afrekenen met dien gehaten, naar wodka riekenden
vijand, die ze nog nooit hadden kunnen vastkrijgen en alleen door roof en
brandstichting van zijn tegenwoordigheid had doen blijken, deed het
overige!

Een salvo uit wel honderd stukken geschut zou het sein wezen tot den
aanval. Tegelijkertijd zou Poniatowski tegen den linkervleugel oprukken en
een deel van het korps Davoust tegen het centrum.

’t Is bijna zes uur. De dichte, natte nevel, die over het terrein ligt, begint op
te trekken. De zon breekt door. Zal ’t die van Austerlitz wezen?

Napoleon gaat zitten op het buitentalud van een der veroverde schansen,
eerst om drie uur in den namiddag zal hij die plaats verlaten.

Achter hem, gedekt door een veldwerk en een terreinplooi, staat de garde,
zooals altoos op dagen van gevecht, in groot tenue. Die grognards, die reeds
grijzende veteranen wachten uren lang, scherp lettende op al ’t geen op de
heuvels vóór hen plaats grijpt. Wanneer zal ’t hun beurt worden? Daar dreunt
het eerste salvo uit het kanon, doch voor hen geldt dit sein van den aanval
nog niet.—Op dezen bloedigen dag zal de garde de beslissing niet brengen.
Het commando “Voorwaarts!” zal voor haar niet weerklinken om met een

Page 492

“Vive l’ Empereur” te worden beantwoord. Meer nog dan vroeger zal zij
daar, bij Borodino weder den naam verdienen van de “Onsterfelijke,” door
de kameraden van de linieregimenten haar wel eens gekscherend gegeven,
omdat zij zelden meer in ’t vuur werd gebracht, en de Keizer haar alleen
bezigde in uiterste gevallen.—Trillende van krijgsvuur, het gelaat van
enkelen door zenuwachtig ongeduld hoogrood gekleurd, moeten die mannen
werkeloos toezien, terwijl de divisiën van Davoust en van Ney gindsche
schansen vóór hen eerst nemen, dan door een tegenstoot onder gruwelijke
verliezen worden teruggeworpen; zij moeten zien, dat ook de krijgers van
Eugène tevergeefs stormloopen op het reuzenbolwerk van Gorki, dat
geduchte telkens in vuur gehulde centrum des vijands. Een dreunend
“Hoera!” ontsnapt aan hun stijf opeengeperste lippen, als Montbruns ruiters
eindelijk, in razenden galop gansche afdeelingen infanterie onder den voet
rijdende, het ongehoord stoute stuk bedrijven, langs de keel die schans
binnenjagen en, eenmaal daar, onder een ontzettend handgemeen de
artilleristen op hun eigen stukken beginnen neer te houwen.

Wel sneuvelt hierbij Montbrun zelf; wel slaat een drom van Russische
escadrons zijn koene cavalerie onder zware verliezen de schans weder uit,
maar de soldaten van Eugène hebben van de hun geschonken kans dapper
partij getrokken en de groote schans omsingeld. Om drie uur valt ze in hun
handen. Een groot lijkenveld is ze; de dooden en stervenden liggen hier en
daar tot een halve manshoogte opgestapeld; daartusschen gewonde paarden,
in hun doodstrijd hun eigen meesters de hersenen uit het hoofd slaande.

Op den linkervleugel blijft het pleit lang onbeslist. Toch treedt de garde niet
op.—“Waarmede zou ik moeten kampen, als ik morgen werd aangevallen,”
moet Napoleon geantwoord hebben op een verzoek, om de beslissing door
de garde te doen geven. ’t Is bijna niet te gelooven.

Om vier uur steeg de Keizer te paard, reed naar het terrein, waarop Ney en
Murat nog altoos streden, en keerde eerst tegen zeven uur terug.—“Anders
dan gewoonlijk, was zijn gelaat hoogrood gekleurd, zijn haar in wanorde, hij
zelf blijkbaar vermoeid,” schreef de Bausset, die het portret uit Parijs had
overgebracht.

Page 493

Na drieën waren beide partijen zoo uitgeput, dat het tot groote aanvallen niet
meer kwam; de slag verliep in een gruwelijke, doellooze kanonnade, die wel
gansche rijen krijgers, op een beperkte ruimte opeengehoopt, met één schot
neervelde, en een der oorzaken is geweest van den ondergang der Fransche
cavalerie op dien dag,—noodeloos bleef ze, urenlang aan het vijandelijke
vuur blootgesteld;—en die eerst met het invallen van het duister een einde
nam, doch geen beslissing bracht. Meer dan 28.000 doode en gekwetste
Franschen, meer dan 40.000 Russische gevallenen bedekten toen het
slagveld.

Evenals bij Smolensk had de Keizer ook hier bijna alleen in front
aangevallen. Had hij ginds verzuimd een deel zijner macht den Dnieper te
doen doorwaden om Bagration af te snijden van Moskou, hier had hij voor
Poniatowski’s omvattende beweging een te zwakke macht gebezigd; een
defensieve flank van enkele Russische regimenten had aan deze beweging
van den Poolschen prins weldra paal en perk gesteld.

De strijd bleef dus onbeslist. Kutusof bivakkeerde op het slagveld en ging
den volgenden morgen, gedekt door een sterke achterhoede, terug op
Moshaisk. Murat volgde hem met het overschot der cavalerie.—De Keizer
bleef dien dag nog bij Schiwardino.—“Hij scheen doodaf van vermoeienis.
Van tijd tot tijd klemde hij de handen krampachtig om de knieën en hoorde
ik hem steunend: “Moskou! Moskou!” zeggen, verhaalt zijn kamerdienaar
Constant.

Langzaam bleef Kutusof teruggaan, trok den 14en ’s morgens door Moskou
en sloeg den weg in naar Kolomna. De hoofdstad zou niet verdedigd, maar
den vijand prijsgegeven worden!

Dit besluit had ten gevolge, dat duizenden inwoners haar in allerijl verlieten.
In de voorsteden begonnen reeds rookzuilen op te stijgen.

Langzaam volgde Napoleon zijn vijand, gaf Berthier bevel om al de nog ver
achterstaande infanterie en cavalerie naar Smolensk te dirigeeren o. a. ook
maarschalk Victor, die aanvankelijk te Berlijn was achtergebleven, doch
reeds den 4en September den Niemen eveneens gepasseerd was. Te

Page 494

Smolensk zou hij de kern eener legerreserve vormen en zoo naar Moskou
rukken.

Inmiddels had Rusland reeds weken te voren met Turkije vrede gesloten; de
hierdoor vrij gekomen troepen onder den admiraal Tschitchagow waren in de
richting van Brest op marsch; den 20en September stonden hier 64.000 man.
Voor het Fransche hoofdleger begon dus ernstig gevaar te dreigen in zijn
rug. Of Schwartzenburg en Reynier sterk genoeg zouden zijn hieraan het
hoofd te bieden?

In den avond van den 14en September verlieten de laatste Russische
afdeelingen Moskou. Om een doelloos gevecht te vermijden was haar
commandant met Sebastiani, die de Fransche voorhoede tijdelijk aanvoerde,
overeengekomen, dat de ontruiming ongestoord zou plaats hebben en dat de
Franschen eerst twee uur hierna van de stad bezit zouden nemen.

Vreugde en zelfvoldoening stonden op Napoleons gelaat te lezen, toen hij,
staande op een heuveltop, de reuzenstad aan zijn voeten zag liggen. Terwijl
zijn korpscommandanten in de omstreken een kantonnement of bivak
betrokken, Poniatowski b.v. ten zuiden, Davoust en Ney ten westen er van,
—Junot was te Moshaisk achtergebleven—zocht de garde haar weg naar het
Kremlin, het eeuwenoude paleis der Czaren, een vesting op zichzelve; de
Keizer koos zijn nachtkwartier in een der uiterste huizen van de voorstad
Dorogomilow.

Op verschillende plaatsen in de stad brandde het toen reeds. Den volgenden
morgen vroeg reed de Keizer naar het Kremlin. Geen plaatselijke autoriteiten
heetten hem welkom of kwamen hem in ootmoedige houding de sleutels der
stad aanbieden. De stad scheen uitgestorven; maar het aantal branden door
bandieten en dergelijk gespuis aangestoken, nam gestadig toe, en de
meerendeels houten huizen schonken het vuur rijkelijk voedsel. De in stilte
op verschillende punten, in magazijnen en winkels opgestapelde
lichtbrandbare stoffen en vaten met sterken drank deden het vuur weldra een
ontzettenden omvang krijgen, zelfs het Kremlin begon gevaar te loopen.
Reeds den 16en lag negen tiende der stad in asch. Napoleon was verplicht

Page 495

zijn verblijf te verlaten en buiten de stad op ’t kasteel Petrowski een nieuw
onderkomen te zoeken.

Eerst den 18en, toen het vuur grootendeels door gebrek aan voedsel was
uitgedoofd, honderden kerels en ontvluchte gevangenen, verdacht van
brandstichting, waren opgeknoopt of doodgeschoten en hier en daar vaak
nog slechts één enkel gespaard gebleven huis de richting aangaf, waarin
eenmaal een lange straat had geloopen, keerde hij naar ’t Kremlin terug.

Dat de brand opzettelijk was aangestoken, leed geen twijfel. Beter dan
Kutusof had graaf Rostopchin, Moskou’s gouverneur, zijn eed gehouden.
Geen Moskou, een vlammenzee zouden de Franschen vinden, had hij
gezworen; zelf had hij een fakkel geworpen in het slaapvertrek van ’t paleis,
dat hij met zijn huisgezin jaren lang had bewoond en ontslagen gevangenen
had hij tot zijn handlangers gemaakt. Zoover had zijn haat tegen Frankrijk
den oud-Russischen edelman vervoerd!—Voor deze gewelddaad heeft de
natie zich echter niet dankbaar betoond, integendeel. Door den Keizer
verbannen, door zijn landgenooten veracht en verfoeid, is hij jaren later te
Parijs in vergetelheid gestorven, nadat hij zijn goed recht tot die daad
tevergeefs had trachten te bewijzen.

In en om Moskou begon de Fransche hoofdmacht, die na den slag bij
Borodino,—door Napoleon slag aan de Moskowa geheeten—tot 95.000
krijgers in ’t gelid was weggesmolten, thans een weinig op haar verhaal te
komen. In bijna alle paleizen en groote huizen, die aan het vuur weerstand
hadden geboden, werden vaak zeer kunstig verborgen, voorraden meel, wijn,
en specerijen gevonden. Goed beheerd, waren de levensmiddelen zeker meer
dan voldoende geweest om zelfs een leger zoo groot als het Fransche voor
een half jaar en langer van alles te voorzien;—zoo rekenden Daru, de
kwartiermeester-generaal, en Larrey, de chef van den geneeskundigen dienst
ten minste. Doch de roekeloosheid, waarmede met alles werd
omgesprongen, was oorzaak, dat er voor millioenen waarde verloren ging.
Stelselmatig werden de huizen uitgeplunderd; enkele soldaten maakten zelfs
gemeene zaak met het gespuis, dat den brand had helpen verspreiden.
Gedost in prachtige pelzen zelfs in damesmantels van dons en hermelijn kon
men de mannen de eerste dagen langs de straten zien dolen. Een wacht van

Page 496

grenadiers der garde aan ’t Kremlin vond men in ’t bezit van een reusachtige
vaas met confituren en van een stapel flesschen wijn. De commandant, een
oude snorbaard, stond met een potlepel naast die vaas en noodigde ieder, die
zijn post passeerde, uit van zijn confituren te proeven en een flesch te
ledigen op het behaalde succes; zelfs officieren werden door de
opgewonden, door langdurige ellende half verstompte mannen niet
verschoond.

Hoe groot het bedrag is in die dagen aan goud, juweelen en kostbaarheden te
Moskou geroofd, is niet te bepalen, maar reusachtig. Toch is geen duizendste
deel ervan over de grenzen gekomen; bijna alles is in Rusland gebleven,
onder de sneeuw en het ijs der wegen, verzwolgen door de diepe rivieren,
die op den terugmarsch moesten worden gepasseerd, geroofd door de
kozakken, die op hun ruige paardjes voortdurend als een vlucht hongerige
gieren om de troepen zwierven en meedoogenloos iederen soldaat
afmaakten, die het waagde zijn troep te verlaten of door uitputting neerviel.

Aan dien staat van bandeloosheid en tuchteloosheid te Moskou werd echter
weldra een einde gemaakt. Orde en discipline keerden terug. Reusachtige
voorraden wijn en levensmiddelen van allerlei aard, meel en pekelvleesch
werden door de zorg der administratie en de korpscommandanten in ’t
Kremlin of in magazijnen bijeengebracht; ook in het onderhoud der troepen
werd ruimschoots voorzien. Om Europa den indruk te geven, dat in Rusland
alles naar wensch ging, schonk Napoleon aan een te Moskou achtergebleven
troep Fransche comedianten zelfs verlof voorstellingen te geven. De troep
maakte goede zaken; de comedie werd door de soldaten druk bezocht.

De Keizer zelf kwam er geen enkele maal. In zijn hoofdkwartier, het
Kremlin opgesloten, was zijn geest vervuld met andere dingen dan met
gedachten aan vermaak of ontspanning. Zelfs bij Eylau en bij Essling had
zijn vertrouwen op zijn gelukster hem niet begeven. Thans begon hij in te
zien, dat deze veldtocht mogelijk zou eindigen in een ramp.

Reeds wist hij, dat hij de kracht van zijn strategisch kunnen had uitgeput; dat
hij evenals in 1797 in de Alpen bij Leoben tegenover aartshertog Karel, en in
1805 vóór Austerlitz een grens had bereikt, die niet kon worden
overschreden zonder gevaar voor vernietiging; dat hij niet bij machte was

Page 497

verder in Rusland door te dringen of tegen St. Petersburg op te rukken,
omdat zijn leger hiertoe te veel had geleden. Toch ontwierp hij een plan in
dien zin, want hij was aanvankelijk nog te koppig om met zijn
onderbevelhebbers te beraadslagen, doch het werd door deze kort en bondig
afgekeurd.—Vrede sluiten, in elk geval teruggaan naar Smolensk, liefst naar
Wilna of Minsk, was in hun oog het eenige middel van behoud, want uit St.
Petersburg kwam taal nog teeken, dat wees op eenig streven naar
toenadering.

Moskou. 1812.

Dat de Keizer dus met beide handen een gelegenheid aangreep, om met den
Czaar, al was ’t maar zijdelings, in betrekking te komen is verklaarbaar.
Generaal Toutelmine, een eerwaardig grijsaard, gouverneur van het onder
bescherming der keizerin staande vondelingshuis bood zich hiertoe aan.
Verontwaardigd over Rostopchins schanddaad, erkentelijk voor de wijze,
waarop men hem en zijn pleegkinderen had bejegend, verzocht hij den

Page 498

Keizer aan zijn beschermvrouw kennis te mogen geven van den toestand,
waarin het gesticht verkeerde, en in zijn schrijven te mogen mededeelen hoe
innig ook Napoleon die daad verfoeide en hoe gaarne hij een oplossing
wenschte voor den tegenwoordigen toestand. Een zekere von Jakowleff, een
volbloed-Rus, die den brand van Moskou had bijgewoond en van de ellende,
door zijn landgenooten daar geleden, was getuige geweest, belastte zich met
een eigenhandig schrijven van Napoleon aan Alexander. Hoffelijk doch
hooghartig gesteld, was dit echter weinig geschikt om den diep gekrenkten
Czaar, die weder geheel onder den invloed der oud-Russische partij was
geraakt, welwillend te stemmen.

Inmiddels verdubbelde Napoleon de zorg voor zijn troepen, en deed ze,
zooveel doenlijk in Moskou zelf onder dak brengen. Zelfs over de duizenden
rampzaligen, Russen en vreemdelingen, die tijdens den brand in de stad
waren gebleven en letterlijk aan alles gebrek leden, ontfermde hij zich en
verschafte hun levensmiddelen en een verblijf, tot door Rusland in hun
onderhoud zou worden voorzien. Voorts deed hij uit de omstreken tegen
contante betaling, zooveel mogelijk slachtvee aanvoeren, en fourage voor de
paarden, een hoofdvoorwaarde voor de instandhouding der artillerie en haar
bespanningen; nog bezat hij 600 vuurmonden.

Sluw als altoos, wist Kutusof den commandant der voorhoede inmiddels te
misleiden, want hij boog af met zijn macht naar ’t zuiden in de richting van
Kaluga en het rijke achterland aldaar, had den 18en September Podolsk
bereikt; door vrijwilligers en recruten vermeerderde zijn macht dagelijks. (In
’t begin van October had hij weder ruim 110.000 man onder zijn bevelen.)

Lang bleef dit voor Napoleon niet verborgen. Reeds den 26en September
stonden Murat en Bessières, bij wie Poniatowski zich had aangesloten,
weder tegenover den vijand, om diens bewegingen waar te nemen en den
weg van Podolsk naar Moskou te dekken.

Dat een langer verblijf te Moskou onverbiddelijk moest leiden naar den
ondergang werd met den dag duidelijker.

Was de daar opgestapelde voorraad verbruikt, dan kon ze niet worden
vernieuwd. Over het leger legde zich een sluier van zorg en vrees voor de

Page 499

toekomst. Alexander liet niets van zich hooren; Caulaincourt had kortaf
bedankt voor de eer hem persoonlijk te gaan opzoeken. Sinds Tilsit waren de
toestanden te veel veranderd; het stond te bezien of de Czaar hem nu nog
zoo voorkomend zou ontvangen als voorheen. Ten einde raad en hiermede
een geducht offer brengende aan zijn eigenliefde, besloot Napoleon den 4en
October Lauriston naar Kutusofs hoofdkwartier te zenden en langs dezen
weg toenadering te zoeken, doch Kutusof bevreesd om evenals Barclay de
Tolly van verraad te worden beschuldigd,—reeds gingen er stemmen tegen
hem op, omdat hij niet aanviel—wilde hem aanvankelijk niet zelf ontvangen
doch zond hem zijn adjudant. Hierover gebelgd, keerde Lauriston naar
Murats hoofdkwartier terug.

Deze handelwijze van Kutusof deed bij een deel van zijn omgeving echter de
vrees ontstaan, dat de kans op vrede hierdoor voor goed was weggenomen.
Een ander deel, de oorlogspartij, begreep, dat het in haar belang was de
Franschen aan de praat te houden, omdat de toestand van hen hierdoor met
elken dag nog ongunstiger werd. Tusschen generaal Bennigsen, een even
sluwen als vermetelen Rus en Murat, kwam het nu tot een onderhoud. IJdel
en onvoorzichtig als altijd, praatte Murat hierbij zijn neus voorbij en schonk
den ander een veel dieperen blik op den feitelijken toestand der Fransche
armee dan voor deze gewenscht was. Dit gaf Kutusof aanleiding Lauriston
ten slotte toch te ontvangen en te hooren wat hij te zeggen had.

Veel baatte dit niet. Kutusof gaf onomwonden te kennen, dat hij den brand
van Moskou uitsluitend toeschreef aan de vaderlandsliefde der Moskovieten,
die hun stad liever in vlammen zagen opgaan, dan dat zij ze overgaven aan
den vijand. Of er kans op vrede bestond kon hij niet zeggen. Zelfs voor het
sluiten van een wapenstilstand miste hij de macht; alleen de Keizer had
hierover te beslissen. Hij bood Lauriston dus aan, prins Wolkonski met de
voorstellen van Napoleon naar St. Petersburg te zenden en het schermutselen
tusschen de voorposten te doen staken, tot er antwoord was gevolgd. Binnen
een dag of tien, twaalf kon dit worden te gemoet gezien.—De kozakken
zouden in hun bewegingen inmiddels vrij blijven; bij de Franschen konden
de fourageeringen worden voortgezet.

Page 500

Hoewel Napoleon reeds wist, dat de pogingen tot tusschenkomst van
generaal Toutelmine en van den heer von Jakowleff zonder resultaat waren
gebleven; hoewel hij wist met welk een gillenden wraakkreet het zien van
den brand van Moskou door Kutusofs soldaten was beantwoord; hoewel hij
zich ook van den stap van Wolkonski bij Alexander weinig succes
voorstelde, meende hij dit voorstel niet van de hand te mogen wijzen. Over
tien dagen was het eerst half October; volgens de verzekering van
verscheiden volkomen betrouwbare personen begon het nooit vóór half of
voor einde November te vriezen. Reeds lang vóór dien tijd kon hij dus op
Smolensk zijn teruggegaan.

van Kowno naar Moskou.

Na lang beraad had hij afgezien van een plan om, vereenigd met Victor, die
Smolensk had bereikt, en met Saint-Cyr, die nog bij Polotzk aan de Duna
stond, over Bjeloi en Welish naar St. Petersburg te rukken en Alexander hier
den vrede voor te schrijven. Zelf had hij gevoeld, dat deze vermetele zet niet
meer uitvoerbaar was. Zijn leger had te veel geleden.

De macht, waarover hij in ’t begin van October nog kon beschikken, was in
hoofdzaak opgesteld in een driehoek met Moskou, Riga en Brest Litewsky
als hoekpunten. Van Moskou naar den Niemen bedroeg de afstand 115
mijlen1. In deze ruimte stonden: bij Moskou 95.000, bij Moshaisk 5000, bij
Smolensk 37.000, op den linkervleugel in de lijn Dunaburg-Riga 25.000, bij

Page 501

Polotzk 17.000, op den rechtervleugel bij Brest 34.000, te zamen dus
213.000 man.

Met een leger, dat de helft van zijn sterkte en een groot deel van zijn
gevechtswaarde had verloren;—Borodino had meer dan vijftig opper- en
hoofdofficieren gekost—met een leger, waarin reeds ontmoediging,
droefgeestigheid en angst voor de toekomst heerschten, dat bijna geen
gelegenheid had gehad door voedsel en rust weder eenigermate op krachten
te komen; en, dat om en bij Moskou nog maar vier duizend ruiters in ’t gelid
telde, zou, werd er geen vrede gesloten, de terugtocht dus aanvaard moeten
worden. Het zou moeten marcheeren langs grootendeels vernielde wegen
door een landstreek, die reeds was kaal gegeten, door totaal verwoeste
dorpen en met een vijand naast en voor en achter zich, die over een massa
lichte cavalerie beschikte, dorstte naar wraak en in het klimaat weldra een
bondgenoot zou krijgen, even mededoogenloos als geducht.

Wederom dringt de Keizer ons ontzag af, want ondanks het folterende
bewustzijn, dat hij alleen, tegen den raad van alle weldenkenden in, zijn
krijgers in dezen toestand heeft gebracht, dat hij alleen van al ’t gebeurde en
van al ’t geen er nog volgen kon de oorzaak is, verraadt zijn wasbleek gelaat
geen spoor van de aandoeningen, die zijn ziel bestormen. Aan niemand
vraagt hij raad; aan niet een zijner getrouwen gunt hij een blik in zijn
binnenste; tegenover niet één hunner stort hij zijn gemoed uit of geeft hij
lucht aan zijn trotsch hart. Ook thans weder blijft hij in dit opzicht zich zelf.

Maar ook versaagt hij geen seconde. Alsof zijn hoofd en zijn lichaam geen
vermoeienis kennen, zet hij zich weder aan den arbeid om alles te regelen en
voor te bereiden voor den afmarsch en om den vijand tegelijkertijd te
misleiden omtrent zijn voornemens. Den 9en October deelt hij den hertog
van Bassano te Wilna de mogelijkheid mede, “dat hij tegen November
winterkwartieren betrekt tusschen den Dnieper en de Duna, om zoodoende
dichter bij zijn reserves te zijn, het leger rust te gunnen en zich
gemakkelijker met andere aangelegenheden te kunnen bezig houden.”—De
zaken des rijks handelt hij nog geregeld af. De koeriersdienst tusschen
Moskou en Parijs stelt nog dagelijks honderden personen en paarden in ’t
werk.

Page 502

Murat ontving nu order Kutusofs kamp bij Tarutino nauwlettend te bewaken,
zijn troepen rust te gunnen en ze zoo goed mogelijk te voeden. Uit de
kelders van Moskou werden hiertoe levensmiddelen en wijn afgezonden. De
vorming van een korps van 15.000 man te Smolensk werd bevolen hem in
zuid-oostelijke richting te gemoet te gaan, als hij den weg naar Kaluga, naar
de welvarende, rijke provinciën van ’t zuiden mocht inslaan, en dit zou dus
voor zijn rechtervleugel waken. Victor moest zich gereed houden tot
uitrukken. Naar Moskou moesten voorts al de van hun korps afgedwaalde
soldaten worden opgezonden, die zich te Wilna, Minsk, Witebsk of
Smolensk hadden aangemeld. Uit den wapenvoorraad van het Kremlin
zouden die dan van geweren worden voorzien en onder beveiliging van
detachementen van minstens 1500 goedgewapende infanteristen worden
overgebracht. Des nachts moest altoos in een carré worden gebivakkeerd,
want Platofs kozakken stroopten reeds tot onder de muren van Smolensk.

Dan bestemde hij Junot om voor het vervoer der gekwetsten te zorgen; van
den trein werden een paar honderd wagens en voertuigen,—te Moskou
waren er nog circa 1200—hiertoe tot diens beschikking gesteld. Voor ’t
geval hij besluiten mocht hier te overwinteren, want zelfs hierover dacht hij,
deed hij ten slotte het Kremlin in staat van verdediging brengen, de wallen
met vuurmonden bewapenen, patronen en kardoezen aanmaken, aan ieder
korps voor zes maanden vivres in de gedaante van meel, brood, zout en
pekelvleesch uitreiken en op uitgebreide schaal tot op grooten afstand van de
stad fourageeringen verrichten.—Toch gebeurde het nog vaak genoeg, dat
een paard dagen achtereen weinig meer tusschen de kiezen kreeg dan het
stroo van het dak eener boerenwoning.

Nog verder ging hij, want, om de boeren met hun groenten en hun vee naar
de stad te lokken, trachtte hij de geestelijkheid op zijn hand te krijgen; hij
noodigde deze uit de te Moskou gespaard gebleven kerkgebouwen weder in
gebruik te nemen en hier zelfs voor keizer Alexander gebeden ten hemel te
zenden.

Terwijl hij overdag dus alles deed om voor zijn leger een minder
ongunstigen toestand te scheppen en de achtergebleven inwoners der stad te
helpen, bezigde hij een deel van den nacht voor de administratieve zaken,

Page 503

doch werd hierbij meermalen gestoord door een fellen lichtgloed en door
zware rookwolken, die telkens nog uit de smeulende puinhoopen opstegen
en opnieuw schrik en ontsteltenis onder de bevolking teweeg brachten.

In dienzelfden tijd ongeveer wierp hij ook eenige denkbeelden op ’t papier
betreffende ’t geen zou moeten geschieden, wanneer er uit St. Petersburg
geen voldoend antwoord kwam. Een tocht naar ’t zuiden, in de richting van
Kaluga en Tula, dus naar een nog niet door den oorlog geteisterd gewest,
lachte hem het meeste toe. De zorg voor levensmiddelen en fourage zou
hierdoor heel wat verminderen. Later kon de weg naar Smolensk dan
niettemin ingeslagen en de tegenpartij misleid worden.

Nog voordat hij het omtrent dit punt met zich zelf eens was geworden,
dwong Kutusof hem reeds tot handelen. Den 18en greep deze Murats
linkervleugel onverhoeds met overmacht aan en wierp hem met zwaar
verlies in noordelijke richting. Juist was Napoleon bezig inspectie te houden
over het korps van Ney, dat hij eveneens naar de stad had doen komen, toen
die mare hem bereikte. Terstond nam hij een besluit. Het gansche leger
ontving bevel zich den volgenden morgen buiten Moskou aan den weg naar
Kaluga te verzamelen.

In den vroegen morgen van den 19en stonden Eugène, Ney, de garde en
Davoust tot den afmarsch gereed. Napoleon verliet Moskou; met een divisie
der jonge garde bleef Mortier in het Kremlin.

Een allerzonderlingste karavaan van duizenden militaire voertuigen,
karretjes, droschkis, kalessen en andere middelen van transport, volgepakt
met gestolen of buitgemaakt goed, voor het meerendeel bespannen met
kleine Russische paardjes, volgde het leger. Nog grilliger en bonter was de
schaar van duizenden menschen, mannen, vrouwen en kinderen, van allerlei
landaard en herkomst, die werktuigelijk hadden gehoorzaamd aan den
dwang der noodzakelijkheid en eveneens besloten hadden Moskou te
verlaten. Duizenden Franschen, ja, zelfs de Duitschers, die zich vóór de
komst der troepen daar bevonden, hadden uit vrees voor erger nog, als de
Russen terugkeerden, hun boeltje gepakt en togen nu mede met vrouw en
kind.

Page 504

Den 23en bereikte Napoleon het geheel verlaten stadje Borowsk. Vijf en
dertig dagen had hij te Moskou doorgebracht. Den 24en geraakte Eugène bij
Malo-Jaroslawetz slaags met een deel van Kutusofs armee en behaalde op
zijn halfverraste tegenpartij een bloedige overwinning, die Kutusof deed
besluiten in de richting van Kaluga te retireeren.

Met welk een vijand hij van nu af rekening zou moeten houden, bleek
Napoleon, toen hij, met Caulaincourt, Rapp en Berthier het slagveld wilde
gaan bezoeken, en zich eensklaps omsingeld zag door een horde kozakken,
die hij in de verte aanvankelijk voor Fransche cavalerie had gehouden; zijn
escadron van dienst werd uiteengeslagen en een artilleriepark tijdelijk
genomen. Eerst aan Bessières met de garde-grenadiers te paard gelukte het
dien onverhoedschen aanval, die den Keizer de vrijheid, ja, zelfs het leven
had kunnen kosten, het droombeeld van Platof, af te slaan.—Tegelijkertijd
had hij het gevaar kunnen zien van een langen marsch met een leger, dat
door zulk een reusachtigen sleep voertuigen en ongewapende vluchtelingen
werd gevolgd. Het vraagstuk: Waarheen? Wat nu? kwam weder op het tapijt.

Ditmaal hoorde hij zijn omgeving en enkele korpscommandanten. Na een
ganschen dag beraad—den 25en—werd besloten alle verdere plannen tot
vervolging des vijands naar het zuiden op te geven. De hoofdmacht zou over
Moshaisk en Wiasma naar Smolensk marcheeren.

Heeft het eenparige advies van zijn staf Napoleon tot dit besluit gebracht?
Stond dit reeds in beginsel bij hem vast? Wie zal ’t zeggen?—Mogelijk heeft
dat advies hem slechts in zijn besluit gesterkt.

In den nacht van 22 en 23 September had ook Mortier het Kremlin verlaten.
Zijn pogingen om dit in de lucht te doen vliegen, waren mislukt. Zelfs de
grootste vereerders van den Keizer zullen deze op zijn last verrichte daad
van geweld nimmer kunnen goedpraten.

Terug! Terug naar Smolensk! was van nu af het wachtwoord.—Het weder
werkte aanvankelijk mede; nog was het overdag meestal zonnig en zacht;
alleen ’s nachts was het merkbaar, dat het koude jaargetijde naderde. Al ’t
geen er over het vroegtijdig invallen van den winter in dat rampjaar als
oorzaak van den ondergang van het Groote Leger is geschreven, behoort dan

Page 505

ook thuis op ’t gebied der fantasie. Terwijl het te Moskou vaak reeds
sneeuwde tegen het einde van October, bleef het weder nu helder en mooi,
en vroor het eerst den 27en October. Den 1en November daalde de
thermometer echter tot 3° onder het vriespunt; den 4en viel de eerste sneeuw.
Tot dezen datum bleef het weder ook meestal helder en was het niet
bijzonder koud.—“Tot den 6en November is het weder uitmuntend geweest,”
heeft Napoleon zelf gezegd in zijn beruchte 29e bulletin.

Ook Kutusof was weder op marsch gegaan, doch niet naar Kaluga.

In den loop van den 27en vernam Napoleon van een gevangen genomen
Russisch officier, dat zijn tegenstander Smolensk tot doel had; hij besloot
dus met de garde spoed te maken en Kutusof ginds vóór te zijn. De
gekwetsten uit den slag bij Borodino, die in het uitgestrekte klooster van
Kolozkoje onder dak gebracht waren, moesten op voertuigen geladen en
medegenomen worden; hij zelf kwam dien avond nog te Gshask. Per rijtuig
of te voet maakte hij nu verder den terugtocht mede. Gewapend met een
stok, gehuld in een pels, met een bonten muts op het hoofd, stapte hij, zonder
een enkele maal om te zien, dagelijks uren lang voort aan het hoofd zijner
garde. Te paard kwam hij niet meer. Langs het slagveld van Borodino voerde
zijn weg. Een huivering ging allen door de leden.

Te Wiasma (1 November) ontving Napoleon berichten over den stand van
zaken op de vleugels zijner armee. Gunstig waren die niet.—Saint-Cyr had
Polotzk moeten verlaten, omdat Wittgenstein hem had aangegrepen. Uit
Smolensk was Victor hem te hulp gesneld. Schwartzenberg had moeten
wijken voor het opdringen van Tschitchagow; deze had Brest thans bezet.

Dewijl Napoleon vond, dat Davoust, die de achterhoede aanvoerde, niet snel
genoeg vooruitkwam, te veel schermutselde met de kozakken en hierdoor
ook de andere korpsen ophield, werd Ney met dat commando belast; hij zou
te Wiasma blijven, tot al de andere korpsen hem waren voorbijgemarcheerd.
Met het oog op de herhaalde aanvallen van de kozakkenhorden, die nacht en
dag om de troepen zwierven en van elke gelegenheid gebruik maakten om
hun slag te slaan, beval Napoleon, dat in gesloten carré’s zou worden
gemarcheerd met de bagage in het midden, de troep op zooveel gelederen,

Page 506

als de breedte van den weg toeliet. Een half bataljon vormde de achterflank;
gansche bataljons in gesloten gelederen vormden flanken, zoodat er bij ’t
halthouden terstond naar alle zijden vuur kon worden gegeven,—want o! die
kozakken met hun schor hoera, waren zulke geduchte vijanden, niet
tegenover een gesloten troep, voor deze weken ze spoedig genoeg uit, maar
voor de alleen of in groepen gaande mannen. Tegenover die bezigden zij de
lans; de lijken werden daarna geplunderd.

Met de garde en het korps van Junot, spoedde Napoleon zich op 2 en 3
November voort in de richting van Smolensk en kreeg zoodoende op
Kutusof een zoo grooten voorsprong, dat van afgesneden worden van die
stad, zelfs geen sprake meer kon wezen. Over de korpsen van Eugène, Ney
en Davoust maakte hij zich niet bezorgd; “als die maar doormarcheerden,
niet telkens met kozakken vochten, en zoodoende het mooie weder lieten
voorbijgaan zou alles wel goed gaan,” zeide hij.

Hoe verkeerd hij den toestand had ingezien en welk een misslag hij had
begaan met zijn leger in tweeën te scheiden, bleek weldra bij Wiasma.
Terwijl een zwerm kozakken de andere korpsen onverpoosd kwelde en
afmatte, viel Kutusofs voorhoede Ney in den namiddag van den 3en hier met
zijn cavalerie onverhoeds op ’t lijf, zoodat Eugène en Davoust front moesten
maken om hun krijgsmakker te ondersteunen. Generaal Miroladovitch, die
Kutusofs voorhoede aanvoerde en uit het zuiden, uit de richting van
Jucknow kwam opdagen, deed de lucht daarbij weldra trillen onder het
donderen van ruim honderd vuurmonden.

Tot laat in den avond duurde dit hardnekkige gevecht, dat op het verlies van
bijna 2000 oude, brave soldaten te staan kwam.—Door het juiste schot der
Fransche artillerie waren de verliezen der Russen veel aanzienlijker, maar
hun gekwetsten hadden kans op hulp, de Franschen moesten volslagen
onverzorgd worden achtergelaten. De ellende begon.

Te Wiasma werd gebivakkeerd, doch te eten was er niets. De uit Moskou
medegevoerde voorraad was verteerd; de levensmiddelen, in de stad
aanwezig geweest, waren door de garde verslonden. Zelfs vond men geen
onderdak, want bij den afmarsch had de garde, niet denkende aan de
duizenden achter hen volgende kameraden, de huizen in brand gestoken. In

Page 507

een nabijgelegen bosch sloegen Eugène en Davoust het bivak dus op, deden
groote vuren aanleggen en paardenvleesch uitreiken. Hier konden de brave,
ijzeren mannen van Davoust voor het eerst in drie etmalen met de voeten
naar de verkwikkende warmte van het wachtvuur gekeerd, eenige uren
slapen. Vijftien dagen achtereen hadden zij de achterhoede uitgemaakt.

Niet voor den volgenden dag ontving Napoleon de eerste berichten over dit
gevecht bij Wiasma. Toen hij kort daarna Davoust ontmoette, viel hij heftig
tegen dezen uit. Zijn korps zou, heette het, in een bandeloozen troep zijn
ontaard en zich hebben misdragen.—Hooghartig bitter beantwoordde de
prins van Eckmühl die onverdiende beschuldiging. Waar een drietal
divisiegeneraals als Gérard, Morand en Compans, hoewel gewond, nog
altoos te paard aan de spits hunner bataljons waren te vinden, kòn van
bandeloosheid geen sprake zijn, zeide hij. Zich zelf verdedigde hij niet;
hiertoe was hij te trotsch.—Uit wrevel en inwendige woede vervreemdde de
Keizer hier een zijner beste, kundigste onderbevelhebbers van zich. Aan het
laakbare van zijn eigen gedrag als opperbevelhebber scheen hij niet te
denken. Met den half versuften Murat en den half verbijsterden Berthier
naast zich schreed hij voort. Vaak sprak hij uren achtereen geen woord.

En thans naderde de winter snel! Het begon te sneeuwen; de wegen werden
spiegelglad; bij tientallen vielen de paarden der bespanningen, die niet van
winterbeslag waren voorzien, bij de minste stijging in den weg. Alleen de
garde telde nog eenige escadrons; van de andere cavalerieregimenten gingen
de mannen reeds bijna allen te voet. De warmste kleedingstukken waren bij
de opening van den veldtocht te Dantzig achtergelaten;—wie had in die
snikheete Junidagen aan een winterveldtocht gedacht?—Slechts enkelen
hadden uit Moskou een pels of een bonte jas medegenomen. Het voedsel
bestond reeds uit weinig meer dan uit een soort van dunne meelpap zonder
zout doch met een paar patronen zilt gemaakt, en een lap paardenvleesch, bij
het bivakvuur geroosterd. Op den blooten grond zonder tent of afdak werd
de nacht meestal doorgebracht.

Was het te verwonderen, dat zich reeds den 5en November bedenkelijke
teekenen van ontbinding en oplossing begonnen te vertoonen?—“Alleen de
Koninklijke Italiaansche garde,” schrijft de Fézensac in zijn Souvenirs

Page 508

militaires, “marcheerde nog in goede orde; de rest scheen ontmoedigd, door
uitputting overmand. Een ontzettende massa van hun korps afgedwaalde,
ongewapende menschen, meer dan vier duizend man van alle wapens,
bedekten de wegen en waren niet te overreden bijeen te blijven.”

Bij Dorogobusch, drie dagmarschen van Smolensk, was die massa met
inbegrip der vluchtelingen en der voerlieden reeds tot bijna 50.000
geklommen. Tien duizend soldaten lagen dood op en naast de wegen. Geen
vijftigduizend man waren nog onder de wapenen.

Maar ginds vooruit, in de verte lag Smolensk! Daar waren levensmiddelen,
kleederen en woningen! Daar wachtten versterkingen! Daar zouden die
vervloekte kozakken de vervolging wel staken!

Nog voordat hij deze stad bereikte, ontving de Keizer onrustbarende
berichten uit Parijs en van Victor.

Te Parijs had de voormalige generaal Malet, een vurig republikein en heftig
tegenstander van Napoleon, een man, die wegens geesteszwakte reeds
jarenlang verblijf hield in een gesticht, een poging gewaagd om de republiek
te herstellen. Geholpen door een priester, even fanatiek als hij, was hij op
den inval gekomen valsche bescheiden en bevelen samen te stellen en in de
stad het bericht te verspreiden, dat Napoleon dood was en dat de Senaat tot
het herstel der republiek was besloten. Met die valsche stukken was hij naar
een der kazernes gegaan, had met eenige soldaten verschillende zich in
hechtenis bevindende officieren, als de generaal Lahorie en den generaal
Guidal in vrijheid gesteld en zich uitgevende voor generaal Lamotte, den
hertog van Rovigo zelfs doen gevangen nemen. Weldra herkend en
ontmaskerd, had hij hier het einde van zijn komplot gezien. Hij zelf en de
voornaamste schuldigen waren doodgeschoten; hiermede was een einde
gemaakt aan een aanslag op de dynastie, die zoo weinig uitwerking naar
buiten had gehad, dat alles reeds was afgeloopen en de dooden reeds waren
begraven, toen Parijs meer in bijzonderheden kennis er van kreeg.

“Heeft dan niemand gedacht aan mijn zoon, aan Napoleon II?” riep de
Keizer onder het lezen van dit bericht bij herhaling uit.—Neen, niemand!
Mogelijk hadden velen te Parijs zelfs dat “Oef!” van verluchting geslaakt,

Page 509

waarmede de tijding van zijn dood volgens zijn eigen zeggen te eeniger tijd
zou worden begroet. Met hem stond en viel het gansche Napoleontische
wereldrijk; dit was een kolossus met leemen voeten; het miste den hechten
grondslag eener oude dynastie. Het vermetele komplot van een half
krankzinnigen man was voldoende geweest het te doen wankelen.

Wie weet of de gedachte, dat zijn tegenwoordigheid te Parijs thans noodiger
was dan ooit, niet van dezen dag af in zijn brein heeft post gevat? Aan de
redding van zijn leger viel niet meer te denken; het was ten doode
opgeschreven, zelfs al verliet hij het geen seconde. Dit wist hij. Zijn
ganschen toestand wel beschouwd, moest zijn verlaten van dit leger hem
voortdurend meer gerechtvaardigd voorkomen.

Ook de tijdingen van Victor waren angstwekkend. Het korps van Saint-Cyr
(6e) en dat van Oudinot (2e), beide geen 1800 man meer sterk, waren voor
den krachtigen drang van Wittgenstein gezwicht. Dus had Victor, die ze uit
Smolensk zou te hulp komen, halt gehouden achter een riviertje, bij Ssjenno,
geen zes Duitsche mijlen van ’s Keizers terugtochtsweg, ten zuidwesten van
Witebsk. Hier kon hij zich ten minste verdedigen, schreef hij.

Den 7en antwoordde Napoleon:

“Z. M. beveelt u den vijand met uw zes vereenigde divisiën onverwijld aan te
grijpen, hem over de Duna terug te werpen en Polotzk te heroveren. Deze
beweging is van het hoogste belang. Binnen enkele dagen kunnen uw
verbindingswegen naar achter door de kozakken worden overstroomd. De
Keizer en de armee komen morgen te Smolensk; door een onafgebroken
marsch van 120 uur gaans is alles zwaar vermoeid. Treedt weder aanvallend
op. Het heil der armee hangt hiervan af; iedere dag vertraging is een ramp.
De cavalerie is geheel gedemonteerd; de koude heeft al de paarden gedood.
Voorwaarts dus!—Dit beveelt de Keizer; dit beveelt de noodzakelijkheid.”

Dezen noodkreet buiten rekening gelaten, verried Napoleon door geen enkel
woord wat in zijn ziel omging. Tegen niemand uit zijn omgeving sprak hij
uit wat hij voelde. In tijden van voorspoed een prater van belang, tot
onvoorzichtig wordens toe, dan aan zijn fantasie den vrijen teugel vierende,
sloot hij zich thans geheel op in zich zelf.—“Hij was bleek, doch zijn gelaat

Page 510

was kalm,” schrijft Constant. “Door niets in zijn wezen verried hij hoe zwaar
hij inwendig leed.”

Thans beging hij een grooten militairen misslag. Hij maakte Schwartzenberg
en den flinken Macdonald, terwijl het hiertoe nog tijd was, niet bekend met
den ernst van zijn toestand. Tot een meer geconcentreerd samenwerken met
hem kwamen zij dus niet.

De verdere terugtocht naar Smolensk onder de dagelijks sterker wordende
winterkoude en het toenemende gebrek aan voedsel, gepaard aan de
onafgebroken vervolging der Russen, leidde weldra tot een nòg grooter
oplossing. De wegen waren overdekt met soldaten, die hun wapens hadden
weggeworpen en alleen of in kleine troepen voortsloften. Elk bivak vorderde
een aantal menschen, die door koude en gebrek waren bezweken. Zwijgend
togen de anderen die plaatsen voorbij. Ieder paard dat viel, werd terstond aan
stukken gesneden. Veel soldaten begonnen teekenen te geven van
zinneloosheid.

Te Smolensk reeds was het leger zijn volslagen ondergang nabij. Evenals
zijn staf te voet, trok de Keizer den 9en die stad binnen. Eugène, die met zijn
korps den grooten weg had verlaten, kwam dienzelfden dag voor de
halfbevroren Wop, een rechterzijrivier van den Dnieper, doch slaagde er niet
in over dat water een brug te slaan, die bestand was tegen de ijsschotsen; en
de kozakken drongen op!—Met het water tot aan de schouders trachtten
velen naar de overzijde te waden, doch honderden kwamen hierbij om
tusschen het ijs. De vuurmonden en bagagewagens moesten achtergelaten
worden, evenals die der marketentsters, die op deze plek al hun zuur
verdiende bezittingen in den steek moesten laten en den hemel mochten
danken, dat zij ten minste hun kinderen behouden aan de overzijde konden
brengen.

De overtocht over de Wop kostte zes duizend man benevens zestig
vuurmonden.

Door de zorg van den hertog van Bassano was te Smolensk, te Minsk, te
Borrissow aan de Beresina en te Orscha, kortom in de hoofddepotplaatsen
des legers, wel een aanzienlijke voorraad levensmiddelen bijeengebracht,

Page 511

doch niet voor langer dan tien dagen en ook niet voor al de duizenden, die
het leger van uit Moskou waren gevolgd. Voorts deden de talrijke troepen tot
alle wapens behoorende, doch van hun korps afgedwaalde soldaten en de
maraudeurs, op de magazijnen die alleen voor de geregelde troepen werden
geopend, een aanval, welke niet terstond met kracht werd afgewezen.

Vonden de garde en het korps van Junot dus nog levensmiddelen en
kleeding, voor de hen volgende afdeelingen, die de stad tusschen 9 en 15
November naderden, was letterlijk niets meer over, zelfs geen dak, want op
last van hooger hand waren de nog staan gebleven huizen in brand gestoken.

Ook de militaire toestand werd voortdurend gevaarlijker, want Kutusof had
zijn voorhoede doen afbuigen van den grooten weg en dezen nog alleen doen
volgen door ongeregelde cavalerie. Hij zelf marcheerde reeds dagen lang op
de linkerflank van Napoleon, circa vier Duitsche mijlen van hem verwijderd,
met zijn voorhoede in de tusschenruimte en telkens aangrijpende, wanneer
de gelegenheid hiertoe gunstig was. Groot gevaar bestond er dus, dat hij
vastberaden optredende, Krasnoi, Orscha of eenig ander gewichtig punt van
den terugtochtsweg bereikte vóór de Fransche armee en dat Kutusof deze
dan in flank en rug greep.

In weerwil van de vertoogen zijner omgeving en vooral van de aan zijn staf
toegevoegde Engelsche attaché’s, ging Kutusof tot zulk een stap echter niet
over. Nog altoos was de garde een geduchte, goed gewapende troep, met
Napoleon aan haar spits; tot welke vermetele zetten deze in staat was, had hij
indertijd bij Austerlitz ondervonden. Hij vreesde den gewonden leeuw nog
altijd en achtte het dus raadzamer niet meer menschenlevens op te offeren
dan noodig was, en geen grooten slag te wagen, maar het moreel van zijn
tegenpartij door onafgebroken alarmeeren te schokken en uit te putten. De
sneeuw, de vorst en de honger zouden dan wel het overige doen. Alle
teekenen van ontbinding waren reeds aanwezig. Zijn eigen soldaten hadden
bovendien reeds veel geleden. Bij hem ook vielen er eveneens duizenden,
niet zoozeer van de kozakkenhorden als wel van de geregelde troepen. De
zorg van hun onderhoud liet ook vaak alles te wenschen over; en de
gevolgen van dat aanhoudend bivakkeeren in de open lucht te midden van
sneeuw en ijs waren ook duidelijk zichtbaar. Waarom zou hij dus door een

Page 512

tegenover Napoleon altijd gewaagden zet voor één gewelddaad aan alles een
einde trachten te maken?

1 Een Duitsche mijl heeft een lengte van bijna 7407.5 meter of bijna 7.5 kilometer, dus circa 863
kilometer.

Page 513

Hoofdstuk XXIV.

Page 514

De Berezina.

Nadat de Keizer Victor nogmaals dringend had bevolen
Wittgenstein aan te grijpen, zonder den ernst van den
toestand ook voor dezen maarschalk bloot te leggen,
verliet hij den 14en Smolensk weder. Van
Schwartzenberg had hij ongunstige tijding ontvangen.
Tschitchagow had een deel zijner macht onder Sacken tegenover dezen laten
staan en was zelf in stilte afgemarcheerd naar Minsk. Het gevaar nam dus
ook toe van deze zijde.

Vóór zijn vertrek,—Junot was den 12en reeds weder op marsch gegaan—had
de Keizer bevolen, dat Eugène, Davoust en Ney, die de achterhoede zou
blijven uitmaken, voortaan niet langer vereenigd doch met één dagmarsch
onderlinge tusschenruimte zouden teruggaan en dat Ney de muren van
Smolensk bij den afmarsch in de lucht moest laten vliegen.

Steeds dichter begon Kutusofs voorhoede, die haar vuurmonden
grootendeels op sleden had geplaatst, den terugtochtsweg te bedreigen. Bij
Krasnoi overschreed zij dezen zelfs reeds. Nog gevaarlijker dan bij Wiasma
werd de toestand voor de Franschen, die geen cavalerie meer bezaten om op
grooten afstand te verkennen, te fourageeren en het stoutmoedig opdringen
der Russen te breidelen. Viel Kutusof met zijn overmacht thans aan, dan zou
het pleit spoedig zijn beslist.

Doch Kutusof viel niet aan. Toen besloot de Keizer, die zijn krijgsmakkers
over de ruimte tusschen Smolensk en Krasnoi verdeeld wist en hen niet aan
de vernietiging wilde ten prooi geven, die Kutusofs aarzeling begreep en fier
was op het ontzag, dat zijn naam als veldheer nog inboezemde, tot een van
die vermetele zetten, welke zijn wijze van krijgsvoeren steeds hebben
onderscheiden. Hij houdt bij Krasnoi halt, doet de Russische voorhoede bij

Page 515

nacht door een divisie zijner garde terugwerpen, maakt dan rechtsomkeert en
begint naar Smolensk terug te marcheeren, zijn makkers te hulp. De veldheer
in zijn groenfluweelen pels met gouden snoeren, de Poolsche muts van
marterbont op den machtigen schedel, een berkenhouten stok in de hand
voor zijn dapperen uit, alleen gedekt door de macht van zijn naam en van
zijn roem, met 15.000 man, waarbij Davoust zich weldra met 10.000 krijgers
aansluit, front makende, ja, ontzag inboezemende aan 80.000 vijanden. Wat
een schouwspel!

Kutusof wordt bang, hij trekt de voorhoede bij zijn hoofdmacht aan en geeft
bevel Napoleon den aftocht ongehinderd te laten voortzetten en alleen
Davoust aan te grijpen. Zoodoende bereikt de Keizer Orscha; Davoust slaat
zich door den vijand heen; Eugène, de Polen en Junot weten eveneens te
ontkomen.—Maar thans ziet Ney, die Smolensk eerst in den morgen van den
17en heeft kunnen verlaten, zich van alle zijden besprongen. Voortdurend
vechtende, gaat hij van de eene stelling naar de andere terug tot bij Krasnoi.
Hier heeft de vijand de heuvels bezet. De verliezen bij het nog geen 6000
gewapenden tellende korps van le plus brave des braves, zooals Napoleon
hem zelf heeft betiteld, nemen schrikbarend toe. Een poging door kolonel
Bouvier met een handvol sappeurs en een paar honderd vastberaden soldaten
gewaagd om zich door te slaan, mislukt. Bouvier sneuvelt.—Vastberaden als
altoos, een voorbeeld voor allen, die hem zien, besluit Ney thans het gevecht
voort te zetten tot het duister is gevallen en dan, dwars door het terrein een
weg zoekende naar den half toegevroren Dnieper, die hier en daar een
waadbare plaats heeft, deze te passeeren en langs den rechteroever zich een
weg naar Orscha te banen.

De rivier wordt bereikt, maar de vijand nadert en het voornemen om voor
dien zoo gevaarvollen overtocht den dag af te wachten, moet worden
opgegeven. Het waagstuk moet dus beproefd worden in ’t donker. Al de
vuurmonden en de voertuigen worden achtergelaten. Dan begint de
levensgevaarlijke tocht in één lange, dunne lijn over het broze ijs, dat bij
iederen voetstap kraakt.

Wat lager af waadt de cavalerie, een paar escadrons Polen, tusschen de
schotsen door, de ruiters tot over het middel, zelfs tot aan den hals in ’t

Page 516

water. Maar al te vaak verscheurt een ijzingwekkende gil de stilte. Weder is
dan een man met zijn paard in de diepte weggezonken om nooit weder
boven te komen.—De tegenover liggende oever is steil en glibberig. Zelf
steekt Ney aan een paar officieren de reddende hand toe om hun het
beklimmen er van mogelijk te maken.

Zoodra de orde eenigermate is hersteld, wordt onder gestadig vechten met
een vijand, die het spoor van den troep heeft teruggevonden, de aftocht
dwars door moerassig terrein of zwaar bosch drie dagen achtereen
voortgezet. De patronenvoorraad geraakt uitgeput, voedsel is er niet meer;
hoogstens vijftienhonderd man zijn nog in staat het geweer te dragen.
Herhaalde malen wordt Ney gesommeerd zich over te geven. Een salvo is
dan zijn antwoord. Weldra zelfs houdt hij de vijandelijke parlementairs
gevangen, “dan kunnen zij met eigen oogen zien hoe een maarschalk van
Frankrijk zich overgeeft.” Ten slotte waagt hij het in een duisteren nacht, de
troep zoo dicht mogelijk opgesloten, in alle stilte dwars door het Russische
bivak te marcheeren. Zoo bereikt hij Orscha.

Hier stond de Keizer nog. Hij omhelsde zijn heldhaftigen onderbevelhebber,
en was hartelijk verheugd hem levend en gezond weder te zien.—“Ik had
reeds niet meer op je gerekend.”

Een handvol meel en een mondvol schnaps was al het voedsel, dat aan Ney’s
doodelijk vermoeide mannen kon worden verstrekt. Niet één Fransche
soldaat koesterde nog de hoop zijn vaderland terug te zien.

Zoo hevig was thans de koude, dat het vel van de vingers, bij de aanraking
van de geweerloop hier aan bleef hangen. Bij honderden stierven de
menschen; elk bivak, dat verlaten werd, geleek op een slagveld. De weg
door de diepe sneeuw was alleen nog kenbaar door de lijken van menschen
en dieren, die er op lagen. Van tijd tot tijd kraakte het onheilspellend en
angstwekkend onder de raderen van de voertuigen, als zij over een plek
reden, waar de weg een kleine verhevenheid verried onder de sneeuw. De
wagenvoerders hoorden dit gekraak niet eens meer; het gebeente, dat daar
door hen tot gruis werd gereden, behoorde immers toch niet meer aan een
levende! En zelfs al ware dit wèl het geval geweest, wat maakte het uit? Den
Niemen zag toch niet één hunner terug. Een dag of wat vroeger of een dag of

Page 517

wat later, vallen moest men toch. De zweep dus over de afgebeulde, tot
schimmen uitgeteerde paarden en vooruit! Een kans op redding bleef er
altijd nog.

Geen pen zal ooit bij machte zijn zelfs maar een ruwe schets te geven van de
ontzettende ellende, op dien terugtocht geleden. Slechts bij hooge
uitzondering werd niet onder den blooten hemel gebivakkeerd. Van Borowsk
tot Smolensk stond zoo goed als geen enkel huis meer overeind; een dorp
passeerende, trok men vaak voort tusschen twee muren van vuur en
vlammen. Niets werd gespaard. Vriend en vijand wedijverden met elkander
in dit werk der vernieling.

Iedere nacht maakte nieuwe slachtoffers. Wie, opstaande van het bivakvuur,
hiertoe de kracht en energie nog in zich voelde, begon weder voort te
sloffen, vaak barrevoets, want geen schoen was bestand tegen de eischen, die
er aan werden gesteld. Wie het ongeluk had uit te glijden en te vallen was
een verloren man. Als hyena’s stortten zijn lotgenooten zich op hem,
scheurden hem de kleederen van ’t lijf, doorzochten zijn zakken naar voedsel
en lieten hem, vaak nog levend, moedernaakt liggen. De snerpende koude,—
somtijds teekende de thermometer van dokter Larrey zelfs 20° vorst—deed
dan het overige.

Eigenaardige verschijnselen kon men bij oogenschijnlijk nog gezonde
menschen de voorboden heeten van den dood. Hier trad er een zijn makkers
met stralende blikken en een verheugd gelaat te gemoet, drukte hen met
warmte de hand en was toch een verloren man. Daar keek een ander zijn
omgeving met sombere blikken aan, stotterde woorden vol verontwaardiging
en wanhoop en leefde eveneens geen uur meer. Het gelukkigste nog was hij,
die geraakte in een toestand van doffe onverschilligheid en die alleen nog
dacht aan de manier, waarop hij aan voedsel zou komen. Een generaal, van
wiens commando geen man meer was overgebleven, sleepte zich, gewapend
met een kookketel, voort van ’t eene bivak naar het andere en was hier altoos
welkom, omdat kookgereedschap meestal ontbrak, en hij in deze leemte
voorzag. Wie geen leeftocht meer bezat en zich niet door houthakken, water
dragen, vuur aanleggen of een dergelijke bezigheid wist nuttig te maken,
omdat zijn handen waren bevroren, werd meestal onverbiddelijk van het

Page 518

vuur weggedrongen. Dan was zijn laatste uur geslagen; hij viel op de knieën
achter zijn makkers, zakte ineen en was weldra een lijk. De sterksten en
schrandersten vereenigden zich tot groepjes van vijf of zes man, laadden hun
wapens en mondvoorraad op een paard, zochten in elkander steun en
trachtten op die wijze den Niemen te naderen. Een al te koude nacht was
echter vaak genoeg oorzaak, dat van zulk een clubje, officieren en soldaten,
niet één den volgenden dag zag aanbreken.

Met subalterne officieren als manschappen, generaals als pelotons-
commandanten had zich aanvankelijk een zoogenaamd “heilig escadron”
gevormd, speciaal ter bescherming des Keizers, weldra echter beval
Napoleon, dat vooral de generaals en kolonels, wier troepen waren
weggesmolten, zich naar het hoofd der armee begaven en daar blijven
zouden. Het verlies aan opper- en hoofdofficieren nam schrikwekkend toe;
wie zou de in Frankrijk nieuw te vormen regimenten moeten aanvoeren, als
het leven dier mannen niet zooveel mogelijk werd gespaard?

De zucht naar zelfbehoud scheen weldra allen te overmeesteren en
verscheurde vaak banden van bloedverwantschap en jarenlange vriendschap.
Toch zijn ook talrijke voorbeelden te noemen, b.v. van de onwrikbare
verknochtheid van oppassers aan hun heeren, van soldaten aan hun chefs.
Een kapitein met een schot door het been werd b.v. bijna vijftig uur ver door
enkele soldaten zijner compagnie gedragen, tot een generaal zich over hem
ontfermde en hem opnam in zijn rijtuig.

Page 519

De overtocht van de Berezina.

Op den 4en November, ruim een maand dus na het verlaten van Moskou,
tusschen Orscha en Borissow aan de Berezina, bij Tolotschin, telde het korps
van Junot nog slechts 200 man; Poniatowski had er nog 500. De garde was
tot 4800 weggesmolten. Van de 40.000 ruiters, die den Niemen waren
gepasseerd, waren nog maar even 1600 gewapenden over.—Dombrowski, de
Pool, van het 5e korps, had Borissow met 4000 man bezet en zich hier met
het garnizoen van Minsk vereenigd. Weldra moest hij echter met groot
verlies van hier wijken in de richting van Bobr, teruggeworpen door
Tschitchagow, die tot Minsk was doorgedrongen en Napoleon thans van uit
het zuidwesten begon te bedreigen. Wel had deze Victor, die nog altoos
tegenover Wittgenstein stond, tot zijn beschikking, en bevond Oudinot zich
nog met 8000 man bij Bobr, maar wat beteekende die zwakke, half
verhongerde schaar tegenover de legers van Kutusof, van Wittgenstein en
van Tschitchagow, die thans Borissow had bezet?

Page 520

Dat deze stad en hiermede de eenige brug over de Berezina was verloren
gegaan, was een geduchte slag, want het weder was in de laatste dagen
omgeslagen; het vroor niet meer; den 19en had het zelfs gedooid. De wegen
waren dus grondeloos geworden, de rivieren niet meer over het ijs te
passeeren. Ook de kans om Minsk te bereiken was hiermede verdwenen.

De toestand werd steeds hachelijker. Een besluit moest genomen.

Den 22en November ontving Oudinot dus last Borissow en de brug aldaar te
hernemen en, mocht deze laatste zijn vernield, dan hoogerop of lager de
rivier af een punt, b.v. het stadje Berezino ten zuiden van Borissow te
bezetten en hier over te gaan.

Krachtig aangegrepen, beducht, dat hij Napoleon zelf tegenover zich heeft,
en wetende, dat Kutusof nog veel te ver af is om hem te ondersteunen,—bij
Kopijss passeerde diens voorhoede dien dag den Dnieper—wijkt
Tschitchagow in wanorde terug, ontruimt Borissow, vernielt de brug en laat
zich door Oudinots bewegingen in de richting van Berezino ten slotte
verleiden diens bewegingen met zijn hoofdmacht te volgen.

Tevens valt op het in duisternis gehulde pad der armee eensklaps een
lichtstraal! Door de cavaleriebrigade Corbineau, die de hoofdmacht willende
opzoeken, zich bij Glubokoje, aan den weg van Wilna naar Witebsk, had
afgescheiden van het korps van Wrede en die hiertoe den rechteroever der
Berezina was gevolgd, is bij Studianka een waadbare plaats ontdekt! In
allerijl begint Oudinot hier een brug te slaan.

De rivier zal worden gepasseerd bij Studianka, gelastte de Keizer terstond na
ontvangst dezer tijding.—Onder bevel van den generaal der genie Eblé,
bijgestaan door den chef van zijn staf, den kolonel Chapelle, en den kolonel
der artillerie Chapuis, op den voet gevolgd door den edelen generaal
Chasseloup1 rukt het overschot der pontonniers, circa vierhonderd man,
benevens enkele sappeurs naar de aangewezen plaats om het werk van
Oudinot te voltooien. Van het pontonmaterieel, dat de Keizer bij Orscha had
doen vernielen, had Eblé zes voorraadwagens met gereedschap, spijkers,
klampen, kortom het noodige voor den bouw van twee schraagbruggen,
benevens twee veldsmidsen, alle voertuigen goed bespannen, en twee karren

Page 521

met steenkolen weten te redden. De huizen van Studianka zouden het
noodige hout leveren.

In den namiddag van den 25en kwam dit detachement ter plaatse aan. Een
compagnie was bij Borissow achtergelaten om den vijand te misleiden.

Wel had Napoleon in zijn ongeduld verlangd, dat de bruggen reeds den 25en
zouden gereed zijn, doch hieraan kon niet worden voldaan. Zelfs om in den
avond van den 26en klaar te wezen, zouden de mannen van Eblé, die reeds
twee dagen en twee nachten bijna onafgebroken op marsch waren geweest,
midden tusschen de ijsschotsen tot aan de borst in ’t water staande, zonder
ander voedsel dan een stuk gekookt vleesch, den ganschen nacht en den
volgenden dag moeten doorwerken. Zij wisten dit, die eenvoudige, in de
massa verloren helden, wier namen de geschiedenis eveneens, ten minste
voor een deel, heeft bewaard. Eblé had het hun gezegd. Van hun volharding,
van hun zelfopoffering hing het lot des legers af.—Opgeofferd hebben zij
zich! Eblé is te Koningsbergen van uitputting gestorven. Van zijn dapperen
hebben er geen twaalf hun vaderland wedergezien.

Twee bruggen zouden worden geslagen, circa tweehonderd meter van
elkander, de rechter voor de ruiters en de voetgangers, de andere voor de
voertuigen.—Honderd pontonniers gingen tegelijk te water om de schragen
in den slijkerigen bodem vast te zetten. Hoewel het weer sterk begon te
vriezen, het water zich op hun armen, beenen en borst als ijskorsten vastzette
en hun hevige pijn veroorzaakte, bleven zij onverdroten aan het werk. De
rivier was op dat punt circa 100 meter breed; met drie en twintig schragen
per brug,—voor meer ontbraken de hulpmiddelen—meende men deze
voldoende stevigheid te kunnen geven.

Napoleon was zelf bij het werk tegenwoordig.—“’t Duurt lang, heel lang!”
moest Eblé een paar maal van hem hooren. Met een zwijgend gebaar wees
deze dan naar zijn mannen, die, tot aan de borst in ’t water werkten als
paarden, zonder dat er ook zelfs maar een slok brandewijn aanwezig was om
hen te verkwikken.—Dan volgde er een zacht: “Sire, u ziet, dat wij doen wat
wij kunnen.”—“’t Is wel! Dank u.”—De Keizer keerde terug naar den stapel
planken, waarop hij een tijd lang had gezeten.—Om één uur was de brug

Page 522

voor de voetgangers eindelijk voltooid; de overtocht kon beginnen. De
kurassiers van Doumerc openden den trein, dan kwamen drie Zwitsersche
regimenten. De enkele kozakken-posten, die zij aantroffen, werden over de
kling gejaagd of verstrooid, op ernstigen tegenstand werd aanvankelijk
nergens gestooten. Blijkbaar was Tschitchagow bedrogen geworden door al
die schijnbewegingen in de richting van Berezino (zuid).

Onafgebroken werd de overtocht voortgezet. Wel kwam Oudinot in gevecht
met een divisie, welke op haar schreden was teruggekeerd, doch deze werd
teruggedreven. Zembin en de lange bruggen door het moeras aldaar werden
daarna bezet. De terugtocht was hiermede voorloopig verzekerd, zoodra een
batterij van veertig vuurmonden bij Studianka de positie nog kwam
versterken.

Om vier uur was ook de andere brug gereed. De zwakke constructie, het
gebrekkige materieel, de slappe bodem en de geweldige vrachten, die ze te
torsen kreeg, waren echter oorzaak, dat ze in de volgende dagen bij
herhaling onbruikbaar werd; dat stukken er van met schragen, voertuigen en
al door het water werden verzwolgen, en dat Eblé’s pontonniers telkens uit
hun welverdienden slaap opgewekt moesten worden, om weder in het
ijskoude water af te dalen en de schade te herstellen.

Weerzinwekkend zijn de tooneelen, bij Studianka aan de oevers van die op
de meeste plaatsen nog geen vier of vijf voet diepe rivier afgespeeld.
Duizenden menschen, mannen, vrouwen en kinderen, zijn daar gevallen
onder de kogels der Russen, jammerlijk omgekomen tusschen de ijsschotsen
of door het water medegesleurd. Toch had een groot deel dier ongelukkigen
gered kunnen worden, wanneer de generale staf beter zijn plicht had
begrepen en de circa 40.000 achterblijvers en maraudeurs met geweld
gedwongen had de bruggen over te gaan en—wanneer die schepsels hiertoe
zelven hadden medegewerkt; want de rechterbrug is in den nacht van den
27en op den 28en November en ook gedurende een deel van den vorigen
nacht uren lang ongebruikt gebleven, terwijl geen honderd pas van daar bij
helderen maneschijn duizenden weerlooze, ongewapende menschen, door de
schuren en het stroo van Studianka aangelokt, aan het bivakvuur hun lapje
paardenbiefstuk zaten te braden, alsof er van de aanwezigheid van een

Page 523

Wittgenstein, een Platof en een Kutusof tot op uren in ’t ronde geen sprake
zelfs was. Hardnekkig weigerden ze op te staan en het vuur te verlaten.

Den 26en en den 27en, zelfs nog in den vroegen ochtend van den 28en kon de
overtocht ongestoord plaats hebben. Geen vijand vertoonde zich. Oudinot
had den rechteroever tot ter hoogte van Borissow bezet.—Met de divisie
Partouneaux in deze stad zelve, de rest van zijn korps, nog circa 10.000 man
sterk, bij Studianka met den linkervleugel geleund aan een dicht bosch en
met een terrein voor zich, dat zich uitstekend leende voor de tirailleurtaktiek
zijner infanterie, stond Victor nog op den linkeroever. Eugène, Junot en de
Polen waren met het rampzalige overschot hunner korpsen reeds op weg
naar Zembin. Napoleon zelf was eerst den 27en met de garde de rivier
gepasseerd. In Studianka had hij nachtkwartier gehouden.

Bij zijn aanval op Oudinot had Tschitchagow zijn bagagetrein terstond laten
volgen, doch had die in den steek moeten laten. Meer dan duizend
bespannen wagens met levensmiddelen en uitrustingstukken van allerlei aard
waren zoodoende in handen van Oudinots cavalerie gevallen. Reusachtig
was de hoeveelheid ham, worst, gerookt vleesch, scheepsbeschuit, die werd
gevonden. En dan die duizenden paren schoenen!

Verscheiden soldaten hebben zich toen voor vijf en twintig dagen van
voedsel voorzien. Dit laatste en het nieuwe schoeisel hebben menigen
krijgsman, die nog slechts een paar lappen linnen tot voetbedekking had, het
leven gered. De Fransche armee zal dien admiraal bovendien ten eeuwigen
dage erkentelijk moeten blijven, want hij is de man geweest, die haar den
uitweg naar Zembin openliet, toen hij bij den afmarsch naar het zuiden
verzuimde de bruggen door het moeras aldaar te vernielen.

Dit verzuim heeft hij zeker willen herstellen toen hij, door zijn spionnen
verwittigd, dat de Fransche armee, in tweeën gescheiden door de Berezina,
een stelling bij dit plaatsje had ingenomen, den 28en ten aanval oprukte.
Door de Russische opperbevelhebbers was namelijk besloten, dat zij die
armee gezamenlijk zouden aangrijpen en in de Berezina werpen.

Terwijl Wittgenstein, uit het noordoosten komende, de divisie Partouneaux
dus aanvalt en grootendeels gevangen maakt,—slechts één bataljon

Page 524

ontkwam—terwijl Kutusof Victor in front en flank aanvalt maar geen succes
kan behalen, omdat dit Fransche korps nog weinig heeft geleden en het
terrein zijn tactiek begunstigt, stort Tschitchagow zich op Oudinot en Ney,
die op den rechteroever staan.—Succes behaalt hij echter niet. Hoewel de
patronenvoorraad gering is, en de bajonet dus herhaalde malen dienst moet
doen; hoewel het meerendeel den vorigen dag niet heeft te eten gehad,
vechten de Fransche en Zwitsersche regimenten als duivels en behouden
overal hun stellingen, terwijl de kurassiers van Doumerc, telkens wanneer zij
de kans hiertoe schoon zien, de Russische carré’s uiteenslaan en onder den
voet rijden en dan den geduchten pallas een doodend woord doen
meespreken.

Den ganschen dag te paard, nu eens op den linker-, dan weder op den
rechteroever, is de Keizer overal de leven en bezieling schenkende kracht.

Over de bruggen stroomde intusschen onafgebroken een dichte drom
weerlooze menschen. Van den hoofdweg afgebogen en twee zijwegen
volgende, hadden zij reeds vroeger instinctmatig een soort van
marschcolonne gevormd, die niemand dorst verlaten. Thans bij de bruggen,
hopende, dat aan hun ellende een einde zou komen, verlieten velen deze
colonne, liepen zijwaarts af naar de rivier, denkende hun lotgenooten vóór te
zijn, kwamen zoodoende plotseling voor het kruiende water, zagen hier den
dood voor oogen en trachtten hun vroegere plaats te herkrijgen. Wee dan de
zwakkeren!

Eerst laat in den avond kwam een einde aan het woedende gevecht, dat
herhaalde malen in een gruwelijk handgemeen was ontaard. Op alle punten
geslagen, ja, half vernietigd gingen de Russen terug. Om negen uur begon
Victor den afmarsch over de bruggen, nadat zijn soldaten zich met geweld
een baan hadden moeten breken door de gillende, jammerende
menschenmassa, die zich, met voertuigen en losse paarden bont dooreen aan
de toegangen verdrong en die den kostbaren tijd den vorigen dag had laten
verloren gaan.

Om één uur in den nacht had de laatste afdeeling van Victor de overzijde
bereikt. Slechts eenige duizenden achterblijvers bevonden zich toen nog op
den linkeroever; den volgenden morgen om half negen deed Eblé, die uit

Page 525

medelijden met al die rampzaligen met de uitvoering van ’s Keizers bevel
zoolang doenlijk had gewacht, de bruggen in brand steken. Een uur later
bestonden ze niet meer.—Toen kwamen de kozakken met hun
ijzingwekkend hoera.

Op dezelfde wijze deed de Keizer handelen met de bruggen bij Zembin;
doch de vorst viel weder in en maakte al zijn pogingen om zich de kozakken
hierdoor van het lijf te houden doelloos. Zij naderden thans over het ijs.

De Berezina over, kwam het Fransche leger zoo goed als volslagen tot
oplossing. Binnen drie dagen slonk zijn effectief aan strijdbare mannen weg
tot beneden de negen duizend. Ney voerde weder de achterhoede aan.

Duidelijk zag Napoleon den toestand in.—“Het leger is talrijk maar
ontzettend uit zijn verband,” schreef hij den 29en aan den hertog van
Bassano te Wilna. “Veertien dagen zijn er noodig om het weder onder de
vanen te verzamelen. De koude en de ontberingen zijn van dit alles de
oorzaak. Wij komen naar Wilna. Zullen wij ons daar kunnen staande
houden? Levensmiddelen en nogmaals levensmiddelen zijn vóór alles
noodig; zonder deze zijn er geen gruweldaden, tot welke deze bandelooze
massa zich tegenover de stad niet zal laten vervoeren. Misschien zal het
leger zich eerst achter den Niemen kunnen verzamelen. Onder deze
omstandigheden is het mogelijk, dat ik mijn tegenwoordigheid te Parijs voor
Frankrijk, voor het rijk, zelfs voor het leger noodzakelijk begin te achten.”

Den 5en December handelde hij in dezen zin. Eigenhandig schreef hij te
Smorgoni het bulletin, waarin hij van het leger afscheid nam en het
commando opdroeg aan Murat; toen riep hij zijn maarschalken samen,
toonde zich schijnbaar kalm, deed Eugène het bulletin voorlezen, besteeg
met de Caulaincourt, Duroc, Lefebvre-Desnouettes en graaf Lobau een
rijtuig, deed Rustan plaats nemen op den bok, reed den weg op naar Wilna,
passeerde onder den naam van de Caulaincourt geheel Duitschland en kwam
in den laten avond van den 18en December aan de Tuilerieën in zulk een
armoedige equipage, dat de schildwacht, die hem in zijn bonten jas niet
dadelijk herkende, aanvankelijk bezwaar maakte hem te laten doorrijden.

Page 526

Een reusachtig, hartverscheurend drama vormde de terugtocht van het
Groote Leger over Wilna naar den Niemen. Aan honderden, die door ’s
Keizers tegenwoordigheid tot nog toe zedelijk waren geschraagd, ontzonk
thans eensklaps de moed. Velen vervloekten hem. Anderen keurden zijn
handelwijze volkomen goed. Het leger redden stond niet meer in zijn macht,
het was gedoemd onder te gaan, en bij een veldheer en een vorst behoorde
het belang van den staat te gaan boven het sentiment. Wat zou er van
Frankrijk zijn geworden, als hij, bij zijn troepen blijvende, viel onder den
lanssteek van een kozak of bezweek onder de koude?

Want fel koud was het opnieuw geworden, zoo fel, dat de adem als een
kolom stoom mond en neusgaten verliet en terstond in ijskorrels overging,
die als fijne hagel neervielen. De paarden moesten bij herhaling stilhouden,
om ze te bevrijden van de zware ijskorst, die teugels en neusgaten telkens
opnieuw overdekten. Te Wilna teekende de thermometer van dokter Larrey
28° vorst.

Van de meeste geweerdragenden bevroren de uiterste ledematen. Over allen
lag zulk een sluier van neerslachtigheid en verdooving, dat velen elkander
zelfs niet meer herkenden.

Onverklaarbaar is het dus, dat o. a. de gansche divisie Loison, circa 10.000
man jonge soldaten, aan de warme kazerne gewoon, uit Wilna niettemin op
marsch was gezonden in de richting van Smorgoni, het Groote Leger te hulp.
Wat een doorzicht en een gezond verstand bij hem, die het bevel hiertoe gaf!
—Binnen enkele dagen hadden de bivaks in de open lucht en de groote
ontberingen die gansche divisie benevens de aan haar toegevoegde
Napolitaansche cavalerie doen wegsmelten als sneeuw voor de zon.
Hiermede verdween de laatste kern van bruikbare soldaten uit Wilna.

Laten we een dichten sluier werpen over de gruweltooneelen, hier
voorgevallen, toen die uitgehongerde, van ellende en gebrek half waanzinnig
geworden menschen voedsel verlangden, dat daar volop in de magazijnen
aanwezig was. Zij werden afgewezen, omdat zij niet meer tot een korps
behoorden en dus niet van gewaarmerkte bons waren voorzien. Maret en van
Hogendorp hadden de stad verlaten; bevelen waren niet gegeven, op de

Page 527

administratieve bureaux hebben alleen de voorschriften kracht van wet, is
het sentiment zelfs in uiterste gevallen daar slechts een holle klank.

Zoodoende zijn te Wilna duizenden gewonden en zieken,—en ziek waren
bijna allen—omgekomen van gebrek naast magazijnen vol levensmiddelen
en kleedingstukken. Eenige dagen later zouden deze een welkome buit
worden voor de eveneens half verhongerde kozakken van Platof, die vóór
Tschitchagows geregelde troepen uit, reeds den 10en December als een
zwerm gieren om de stad begonnen te zwerven.

Wilna geplunderd, werd de tocht naar den Niemen door al wat nog kracht en
energie bezat voortgezet. Zoo bereikte Murat den 11en ’s nachts Kowno. Ney
volgde met 1500 man. Van hier schreef Berthier aan den Keizer:

“Ik moet Uwe Majesteit mededeelen, dat de gansche armee totaal is
opgelost. Zelfs uw garde telt geen 500 man meer. De generaals, de officieren
hebben alles verloren wat zij bezaten; van bijna allen zijn lichaamsdeelen
bevroren. De straten zijn met lijken bedekt; de huizen liggen vol. De armee
vormt nog slechts één colonne van verscheiden uren lengte, die ’s morgens
opbreekt en ’s avonds ordeloos neervalt.”

Den 19en December bereikte Murat Koningsbergen met nog geen 400 man
der oude garde en geen 600 ruiters gevolgd door eenige duizenden
achterblijvers.—Aan den Niemen, aan de grenzen van Pruisen had
Tschitchagow de vervolging tijdelijk gestaakt; ook zijn leger was zoo goed
als vernietigd. Wittgenstein rukte Macdonald achterna in de richting van
Koningsbergen.

Hier ontving Murat den 1en Januari 1813 de tijding, dat de Pruisische
generaal Yorck, onderbevelhebber van Macdonald, verraad had gepleegd,
zich zoogenaamd door de Russen had laten omsingelen en toen met hen bij
Tauroggen een verdrag gesloten had. Van zijn standpunt als Pruis, die, met
haat tegen Napoleon vervuld, dezen slechts met weerzin had gediend, was
deze daad verklaarbaar. Zijn koning, zeer verlegen met de zaak en bevreesd
voor de gevolgen, ontnam hem tijdelijk zijn commando en stelde hem in
staat van beschuldiging, maar Pruisen juichte luid.

Page 528

In diezelfde dagen trof Schwartzenberg met Sacken ook een overeenkomst
en keerde met zijn korps naar Oostenrijk terug. Een en ander was oorzaak,
dat Murat, voor zijn eigen kroon bezorgd geworden, onbekwaam voor de
hem opgedragen, inderdaad zeer moeilijke taak, retireerde naar Posen, het
commando den 16en overdroeg aan Eugène, afreisde naar Italië en... met
Oostenrijk onderhandelingen aanknoopte.

Bij al de ellende, welke de veldtocht van Rusland had gebracht, kwam voor
den Keizer nog het verdriet, dat zijn familieleden hem hadden bezorgd. In ’t
begin zagen we, had hij Jérome naar Westfalen moeten terugzenden, uit
louter onbekwaamheid en thans ging zijn zwager Murat naar Napels terug;
duidelijk was het nu, dat hij den weg van ’t verraad opging. Alleen Eugène
had wederom zijn plicht gedaan en later over 1812 sprekende kon Napoleon
terecht verklaren: “Wij hebben allen fouten begaan, alleen Eugène niet.”

1 Evenals de naam van dokter Larrey zullen ook de namen van deze mannen ten eeuwigen dage in
de gedenkboeken van het Fransche leger met gulden letters prijken; aan hen alleen toch is het te
danken geweest, dat niet de gansche Grande Armée aan de Berezina is vernietigd.

Page 529

Hoofdstuk XXV.

Page 530

Lutzen, Bautzen, Leipzig.

Ternauwernood terug in zijn paleis, waar zijn vrouw hem
wel met eenige verwondering doch tevens met groote
hartelijkheid had welkom geheeten, riep de Keizer zijn
ministers en grootwaardigheidsbekleeders bijeen. In
zijn onderhoud met hen liep hij tamelijk vluchtig heen
over den laatsten veldtocht. Volgens hem was deze alleen door den invloed
der elementen mislukt, want overwonnen hadden de Russen hem geen
enkele maal,—wat volkomen waar was. Terstond daarop begon hij
nadrukkelijk verklaring te vragen van hun gedrag tijdens den aanslag van
Malet. Savary werd door hem zelfs geducht onder handen genomen.—
Terwijl de andere heeren door hun houding alleen reeds schuld bekenden,
gaf Savary zijn heer kort en bondig te verstaan, dat hij niet aansprakelijk kon
of wilde gesteld worden voor een aanslag, gepleegd door een halven gek, die
niemand vooraf in zijn vertrouwen had genomen, en betreffende wiens
plannen de politie volslagen onkundig was gebleven.

Weinig moeite kostte het den schranderen en onvervaarden minister van
politie, dien de publieke opinie reeds als slachtoffer had aangewezen, den
Keizer van de juistheid van zijn pleidooi te overtuigen. Te lichter viel hem
dit dewijl het Napoleon niet zoozeer was te doen om dezen aanslag voor te
stellen als een feit van groot gewicht, als wel om de gedachten af te leiden
van Rusland en het noodlottige einde der Groote Armee.

Daarop ontving hij den Senaat en den Raad van State in plechtige zitting,
viel hierbij geheel zonder reden heftig uit tegen de idéologen en hun
begrippen, volgens hem de oorzaak van al ’t geen was gebeurd, en ontsloeg
daarna den prefect van de Seine Frochot, zoogenaamd omdat deze den dag
der samenzwering bewijzen had gegeven van weinig tegenwoordigheid van
geest.

Page 531

Tegenover zijn ouden raadsman en vriend de Cambacérès speelde hij echter
geen comedie. Hem droeg hij op een senaatsbesluit voor te bereiden waarbij
met afwijking van den gebruikelijken vorm, niet een van zijn broeders, doch
de Keizerin zelve reeds dadelijk met het regentschap werd bekleed.
Vastbesloten den oorlog tegen Rusland zoo spoedig mogelijk voort te zetten,
doch door Malets aanslag overtuigd geworden van het gevaar, dat zijn
dynastie liep, wanneer hij mocht komen te vallen, wilde hij vóór alles van
deze zorg voor de toekomst zijn ontheven.

In de eerste Januaridagen van 1813 begon hij een beter begrip te krijgen van
den jammerlijken toestand, waarin de overblijfselen van het Groote Leger
zich bevonden. Tot nu toe had hij zich hieromtrent nog illusies gemaakt.

Over het gedrag van Murat was hij een korte poos zoo gebelgd, dat hij zelfs
er over dacht hem te doen gevangen nemen. Dat Eugène dezen had
vervangen, droeg zijn goedkeuring weg.

“Die was meer bekend met het voeren van een omvangrijk beheer en genoot
zijn volle vertrouwen,” deed hij in den Moniteur schrijven. Tevens verhief
hij Ney tot prins van Moskowa.

Toen Eugène door de steeds verder voortrukkende Russen gedwongen werd
eerst de Weichsellinie op te geven en zelfs tot achter de Oder terug te gaan,
meende hij hem niettemin in gespierde taal aan ’t verstand te moeten
brengen, “dat dit niet de manier was om den vijand ontzag in te boezemen en
voorzichtig te doen wezen.” Wanhopig werd hij bijna, toen hij vernam, dat
Eugène, in ’t begin van Maart over Berlijn, zelfs naar Wittenberg, dus tot
achter de Elbelinie, was geretireerd.—“Onze militaire operatiën zijn een
voorwerp van spot voor onze bondgenooten te Weenen en voor onze
vijanden te Londen en te St. Petersburg,” schreef hij. “Had voorwaarts van
Berlijn stelling genomen en hier het gerucht doen verspreiden, dat ge veel
sterker waart dan uw effectief bedraagt; dan had de Rus zich wel tweemaal
bedacht, voordat hij de Oder overschreed met nog geen 60.000 man.”

Vervolgens wees hij met nadruk op de waarde der stelling aan de Beneden-
Elbe, al moest zelfs Dresden hiertoe worden opgegeven, “want door die

Page 532

stelling werd Holland, het schier onneembare Holland, gedekt; dit was van
het hoogste belang.”

Ten slotte beval hij hem voorwaarts van Maagdenburg positie te nemen. Ook
Lauriston, die Eugène met vier divisiën nieuwe troepen was te hulp
gezonden, ontving in dezen zin bevelen; hij moest allerwege het gerucht
verspreiden, dat het Elbe-leger weldra tot den aanval zou overgaan.—“De
moreele indruk doet vaak meer dan een groot leger,” schreef hij.

Inmiddels was hij zelf weder even rusteloos en onvermoeid als ooit te voren
bezig Frankrijks strijdmacht te herstellen. In de eerste plaats dienden hem
hiertoe de ruim 140.000 conscrits van 1813, die, vroeger dan gewoonlijk
opgeroepen, reeds drie maanden oefening achter den rug hadden; dan de
zoogenaamde cohorten, een soort van stedelijke schutterij, samengesteld uit
jonge mannen boven de twee en twintig jaar, reeds ten vorige jare opgericht
en circa 100 bataljons vormende, goed gedrild en goed gewapend; voorts
conscrits der lichtingen 1809, ’10, ’11 en ’12, die nog niet hadden gediend;
dan enkele uit Spanje terug ontboden regimenten, de soldaten en de kaders,
die uit Rusland waren teruggekeerd, en thans in de depotplaatsen in
Duitschland en Frankrijk werden gebezigd om het jonge personeel te
onderwijzen en de kern te vormen voor nieuwe afdeelingen; eindelijk—de
lichting van 1814, dus nog niet veel meer dan knapen.

Wel waren in den vorigen veldtocht alle vuurmonden en voertuigen verloren
gegaan, doch in de arsenalen was voorraad genoeg aanwezig om binnen
korten tijd zeshonderd, en een paar maanden later zelfs reeds duizend geheel
uitgeruste kanonnen te kunnen uitbrengen. Ook trekpaarden waren er
voldoende te krijgen, al was het oosten van Duitschland reeds door de
Russen gesloten.—Het grootste bezwaar leverde de vorming op eener
nieuwe cavalerie. Hiervoor waren geen rijpaarden genoeg. Zelfs voor baar
geld en later door requisitie gelukte het generaal Bourcier, die speciaal met
den aankoop er van was belast, niet eens, een voldoend getal bruikbare
dieren bijeen te brengen.

Toen bedacht de Keizer, maar al te goed wetende van hoeveel waarde een
talrijke ruiterij thans voor hem was, een middel om ten minste ten deele in
deze ernstige leemte te voorzien; hij begon Frankrijks ijdelheid te prikkelen.

Page 533

Door de verschillende groote en kleine steden des rijks liet hij zich geheel
uitgeruste cavaleristen aanbieden. Parijs gaf het voorbeeld met 500 man; dan
kwam Lyon met 120; Rome leverde er 240, Amsterdam 100, Rotterdam 50
en zoo vervolgens. De prefecten oefenden hierbij wel eenigen drang uit maar
het grootste deel der bevolking in Frankrijk zelf, al gaf ze Napoleon de
schuld van al de rampen der laatste tijden, begreep dat ook alleen hij door
krachtige weermiddelen in staat zou wezen om na een kortstondigen
veldtocht te geraken tot een eervollen vrede.

In diezelfde dagen verscheen een besluit, waarbij vier regimenten
zoogenaamde gardes d’honneur werden opgericht, alleen samengesteld uit
jonge lieden der aanzienlijkste families, die te paard dienst deden en zelven
in hun uitrusting en hun onderhoud voorzagen.

Op deze wijze, rekende de Keizer, zou hij binnen enkele maanden 300.000
krijgers aan den Rijn en de Elbe, 250.000 man in Spanje en 50.000 man in
Italië kunnen bijeenbrengen. Wel zouden dit in hoofdzaak jonge troepen zijn,
maar de kaders waren grootendeels oud. Rekening houdende met den
strijdlustigen aard der natie, zou het geheel dus zeer goed bruikbaar wezen.
Ney zelf was weldra vol bewondering voor die halve kinderen, zooals hij ze
noemde, die, voor de eerste maal in ’t vuur, doch door hun officieren
voorgegaan, bij Weissenfels b.v., de charge der Russische escadrons rustig
en gesloten afwachtten tot het commando: Aan! en Vuur! weerklonk, dan
met hun lood in een oogwenk een dam van lijken van ruiters en paarden om
zich heen opwierpen, daarna ijlings tot de aanvalsformatie overgingen en het
behaalde succes onder een schallend: Vive l’ Empereur! vervolgden.

Ook de financiën, de groote zenuw van den oorlog, vergat Napoleon niet; hij
stelde niet alleen een groot deel zijner in de kelders der Tuilerieën geborgen
krijgskas ter beschikking van den minister van financiën, doch zelfs uit zijn
particuliere middelen, louter de vrucht zijner spaarzaamheid, deed hij een
fermen greep. De verkoop van een deel der eigendommen van de
gemeenten, voor welk verlies hij deze schadeloos stelde, vulde het nog
ontbrekende aan.

In weerwil van die reusachtige krijgstoerustingen, welke aan de Fransche
nijverheid opnieuw de gelegenheid schonken te bewijzen tot welk een

Page 534

krachtsinspanning ze in staat was, ontbrak het niet aan stemmen, die pleitten
voor een eervollen vrede zonder dat er meer bloed werd vergoten. Reeds had
keizer Frans zijn bemiddeling hiertoe zijdelings aangeboden.

De Caulaincourt, die het Russische hof door en door kende, hierin door de
Cambacérès, de Champigny, en Talleyrand gesteund, ried Napoleon ernstig
aan niemands tusschenkomst aan te nemen of te vragen, doch zich tot keizer
Alexander zelf te wenden. Hier tegenover raadde de hertog van Bassano,
hooghartig en verwaand als altoos, hem, van Oostenrijks bemiddeling wel
degelijk gebruik te maken; en Napoleon, die zeide eveneens den vrede te
willen, maar die dezen feitelijk niet wilde,—moest hij geen wraak nemen
voor Moskou en het in Rusland geleden échec?—sloeg den raad der ouderen
in den wind en volgde dien van zijn vleier.

Zelf schreef hij dus aan zijn schoonvader; maar dit schrijven was weder even
hooghartig als altijd en de voorwaarden, welke hij stelde, waren volslagen
onaannemelijk. In een brief aan Metternich had Maret met zijn belachelijk
chauvinisme de stekeligste uitdrukkingen zijns meesters ten overvloede nog
eens aangedikt.

Het resultaat van dezen stap was dan ook nul. Onder geen vorm wilde keizer
Frans Pruisen zoo goed als uit de rij der staten van den Duitschen Bond zien
verdwijnen, want van dit plan ging Napoleon zwanger. Ook wenschte hij het
koninkrijk Polen niet hersteld te zien.

Schier ondoenlijk is ’t zich een juiste voorstelling te maken van den
geweldigen omkeer in de ziens- en denkwijze des volks, die inmiddels in
Duitschland doch voornamelijk in Pruisen betreffende Napoleon was
ontstaan. In den volsten zin des woords had het verraad van Yorck hier het
sein gegeven tot een beweging tegen hem, zoo reusachtig, dat den koning,
die tijdelijk te Breslau verblijf hield, de angst om het hart sloeg bij de
gedachte aan de wraak van Napoleon.

De leden van den Tugendbund met von Stein en zooveel anderen aan het
hoofd bekommerden zich hierom echter niet; die bond trad op met volle
kracht; hoe meer de Russen naderden, hoe meer Eugène met zijn handjevol

Page 535

troepen achteruit gedrongen werd, hoe hartstochtelijker de volksgeest
ontwaakte.

Toen Berlijn door de Franschen moest worden losgelaten; toen Dantzig en
andere groote vestingen in Pruisen met Fransch garnizoen, als Stettin,
Glogau, Maagdenburg, door de Russen werden bedreigd en ingesloten; toen
keizer Alexander ten slotte Breslau naderde, was koning Frederik Wilhelm
niet langer bij machte den wil van zijn volk te weerstreven. Den 1en Maart
1813 sloot hij met Alexander een verbond; en deze, door zijn aanvankelijk
succes en zijn weelderige fantasie meegesleept, meenende, dat hij de door
een hoogere macht aangewezen persoon was om gansch Duitschland te
bevrijden, zwoer, dat hij de wapenen niet zou laten rusten, voordat hij deze
taak had volbracht.—Engeland zou voor geld zorgen.

In een ommezien had gansch Pruisen zich nu aangegord tot den strijd, en
was er een Landwehr, een soort van nationale militie, georganiseerd. Zoo
geducht werd de drang dezer gewapende massa, dat geheel Pruisen en
Saksen door de Franschen moesten worden ontruimd. Tot achter de Saale
ging Eugène terug.

Te midden van die zoo snel op elkander volgende gebeurtenissen voelde
keizer Frans zijn positie voortdurend moeilijker worden. Hij hield veel van
zijn dochter; hij was zijn schoonzoon niet ongenegen; gaarne zou hij als
bemiddelaar zijn opgetreden. In dezen zin liet Metternich zich ook uit
tegenover Maria Louise, toen hij bij Napoleon geen gehoor vond; maar de
halsstarrige weigering van dezen om op zijn voorwaarden iets te laten vallen,
was oorzaak, dat alle kans op vrede verdween.

Tegelijkertijd werd door Pruisen en Rusland geen middel ongebruikt gelaten
om ook Oostenrijk in hun coalitie te betrekken. Door den ouden adel, fel
gebeten op Napoleon, den man der revolutie en der moderne begrippen,
waren in ’t geheim zelfs reeds relaties aangeknoopt met de andere hoven.

Maar nòg bleef keizer Frans doof voor de aanmaningen van die zijde en voor
den drang van zijn volk. Door bedrieglijke beloften werd de Fransche gezant
te Weenen zelfs misleid. Toch was reeds uit allerlei gegevens af te leiden, dat
ook hier weldra een omkeer zou volgen.

Page 536

Alleen de oude koning van Saksen was niet te bewegen zijn woord te
breken. Hij bleef Napoleon trouw, herinnerde zijn leger aan zijn eed, gaf,
toen hij bij de nadering der Russen Dresden verlaten moest, de forten bij
Wittenberg en bij Torgau aan de Franschen in handen en vertrok naar Praag.

Den 25en Maart vaardigde Kutusof een manifest uit, waarbij het Rijnverbond
vervallen werd verklaard, en waarbij alle Duitsche vorsten met verlies
hunner kroon bedreigd werden, als zij niet onverwijld medewerkten tot de
bevrijding van hun vaderland.

Reeds in de eerste dagen van Februari had de graaf van Lille (later Lodewijk
XVIII) uit Engeland een manifest gericht tot de Fransche natie om zich te
werpen in de armen van haar wettigen vorst, “nu de goddelijke
Voorzienigheid gereed scheen het werktuig van zijn toorn, den overweldiger
van den troon van St. Louis, den verwoester van Europa, te verbrijzelen.”

Den 30en Maart trad ook Bernadotte tot de coalitie toe. Engeland schonk
hem hiervoor vijf en twintig millioen francs; ook werd het aan Denemarken
toebehoorende Noorwegen hem toegewezen benevens Guadeloupe, een
bezitting van Frankrijk.

Reeds in Augustus van het vorige jaar had hij te Abo met Alexander van
Rusland onderhandelingen aangeknoopt over een inbezitname van den
Franschen troon, als Napoleon in dien veldtocht mocht komen te vallen.
Toen hadden die niet tot een besluit geleid. Thans kwam deze oud-
maarschalk van Frankrijk, die alles aan Napoleon te danken had, zich
scharen aan de zijde van diens vijanden, “omdat het belang van zijn nieuw
vaderland dit noodzakelijk maakte.”

En zooals we zagen stond ook Murat reeds op het hellende vlak, dat leiden
moest naar verraad. Beducht voor het verlies van zijn kroon, had hij te
Weenen in stilte reeds vrienden gezocht om hem in geval van nood te
beschermen, toen Napoleon hem het commando over zijn cavalerie opdroeg.

Den 27en Maart werd Pruisens oorlogsverklaring te Parijs ontvangen. In de
eerstvolgende weken zou het zwaard dus weder beslissen tusschen Frankrijk
en Pruisen, Rusland en Zweden met een weifelend Oostenrijk op den

Page 537

achtergrond en met een bevolking in Duitschland, die onverzoenlijken haat
had gezworen aan al wat Napoleon heette of met hem samenging.

Ten gevolge van de doorgestane vermoeienissen was Kutusof gestorven en
in het commando opgevolgd door Wittgenstein, wiens chef van den staf
Diebitsch de leiding in handen had. Blücher zou het Pruisische leger
aanvoeren. Beider macht te zamen beliep ongeveer 250,000 krijgers,
waaronder een zeer talrijke cavalerie, een wapen, waarvan het Fransche
leger voorloopig slechts spaarzaam was voorzien, en met een artillerie, die
het van de Fransche eveneens in sterkte won, maar niet in gehalte.

Tegenover deze macht, welke Hamburg, Dresden en Leipzig in haar bezit
had, kon de Keizer voorloopig niet meer stellen dan circa 80.000 man,
verdeeld in de garde en vier korpsen. Voor ’t grootste gedeelte waren deze
afdeelingen nog op marsch.—Ten zuiden van Maagdenburg, met den
linkervleugel geleund aan de Saale, stond voorts Eugène met bijna 40.000
man.

Voordat Napoleon Parijs verliet om zich naar zijn leger te begeven (15 April)
was de gezamenlijke sterkte hiervan geklommen tot circa 200.000 man, voor
de helft Franschen; de krijgsmacht der bondgenooten nam eveneens doch in
veel sterker mate toe, terwijl zich in de staten van het Rijnverbond en te
Hamburg reeds duidelijk sporen van verzet vertoonden.

Nogmaals een voorwerp van bewondering en ontzag voor zijn gansche
omgeving, letterlijk jong geworden opnieuw, ondanks al ’t geen aan de
overzijde van den Rijn voorviel, geen seconde versagende, de toekomst
oogenschijnlijk zelfs met vertrouwen te gemoet ziende, was de Keizer
rusteloos bezig zich op den nieuwen veldtocht voor te bereiden. Wanneer
alles reeds sliep, waakte hij nog. In zijn brein, weder even helder en
scherpzinnig als in zijn beste dagen, had hij zijn plan reeds vastgesteld.—
Gedekt door de drie korpsen, welke Eugène voor Maagdenburg had staan en
achter deze om, wilde hij bij Havelberg ten zuiden van Wittenberg
onverhoeds de Elbe passeeren, zijn geheele macht naar Stettin voeren, op
deze wijze vóór zijn tegenpartij de Oder bereiken en dan met geforceerde
marschen oprukken tot ontzet van Dantzig, waar Rapp door de Russen nog
altoos was ingesloten.

Page 538

Vermetel was dit, want, terwijl hij zijn linkervleugel deed leunen aan de zee,
stelde hij zijn rechter bloot aan een flankaanval; maar wat een succes in de
oogen van Europa, als hij zoodoende meester werd van de bruggen over de
Beneden-Weichsel!

Het bezetten van Hamburg was hierbij van overwegend belang, want de
Beneden-Elbe werd geheel door deze stad beheerscht. Daarom had Davoust,
die tot half Maart te Dresden had gestaan, deze stad na het doen springen
van een paar steenen pijlers van de brug over de Elbe ontruimd en was toen
met zijn korps (30.000 man) over Lüneburg derwaarts op marsch gegaan.

Nog een hoofdzaak vervulde ’s Keizers brein, namelijk de quaestie van het
regentschap tijdens zijn afwezigheid. Een besluit van den Senaat riep Maria
Louise dus tot het regentschap. Wel moest een raad haar terzijde staan, doch
uit alles bleek, dat deze zeer weinig zou hebben in te brengen, en dat de
Cambacérès, de voorzitter, de spil zou wezen waaromheen alles draaide.—
De Prins, die op zijn ouden dag vroom begon te worden, zag wel met
ontzetting op tegen die nieuwe zware taak, maar gehoorzaamde.

Dan waren ’s Keizers oogen telkens gericht op de bewapening zijner
cavalerie. Deze moest worden voorzien van een vuurwapen. ’t Was al te erg,
dat de kurassiers b.v. in een kantonnement altijd infanterie noodig hadden tot
hun bescherming. Niet alleen de kurassiers, zelfs een deel der lanciers wilde
hij dus van een flink vuurwapen voorzien. In dezen zin gaf hij bevelen.

Thans eerst gevoelde hij welke geduchte verliezen de tocht naar Rusland aan
zijn korps hoofd- en subalterne officieren had toegebracht.—“Van een leger
vormen de officieren en de onderofficieren de kern,” zeide hij, en menigmaal
schold hij tegenwoordig op “die onbruikbare heeren, die de spot waren van
de soldaten,” en op “de jongelui, die pas ’t gymnasium hadden verlaten en
van den dienst niets wisten.” Dat hij zelf van dit verval de schuld was, en dat
zijn nooit eindigende oorlogen zijn beste dienaren achtereenvolgens hadden
weggeraapt, scheen hij vergeten.

Ook over zijn tegenwoordige generaals was hij slecht te spreken. Wel
ontbrak het hun niet aan krijgservaring en militaire kennis, maar de jaren, de
weelderige levenswijze en bovenal de druk van zijn ijzeren vuist bij het

Page 539

minste teeken van eigen initiatief of van zelfstandigheid, hadden werktuigen
van hen gemaakt. Die onder zijn persoonlijke leiding nog flink bruikbare
tactici maakten, als zij aan zich zelf overgelaten waren en op eigen wieken
moesten drijven, vaak een treurig figuur. Ook was het vertrouwen der
soldaten op hun aanvoerders en het zoo hoogst noodige elkaar verstaan en
begrijpen in de korpsen onrustbarend verminderd.

Te midden van den chaos van zaken, die zijn brein vervulde, vond hij toch
nog tijd te denken aan zijn vrouw en een bewijs te geven van zijn kieschheid
tegenover haar. Savary ontving schriftelijk bevel niet alle politierapporten
aan haar als regentes voor te leggen, doch deze eerst aan de Cambacérès ter
inzage te geven.—“De Keizerin is nog te jong; haar gemoed mag niet door
de lezing van zulke bijzonderheden worden bedorven of verontrust.”

Nòg een quaestie van groot gewicht had hij voor zijn vertrek naar het leger
gaarne opgelost willen zien, n. l. die met den paus. Hierin slaagde hij echter
niet. In het begin van 1813, had hij, tot groote verbazing van velen maar tot
niet minder groote voldoening van tal van anderen, Pius te Fontainebleau
opgezocht en was bijzonder hartelijk ontvangen. De paus had hem “zijn
beminde zoon” genoemd, in één woord meer dan voldoende bewijzen
gegeven, dat hij zelf zijn grooten tegenstander geen kwaad hart toedroeg.

Met een paar woorden was toen alle misverstand opgehelderd. Het vroeger
voorgevallene scheen vergeten; weldra had het gesprek geloopen over de
rampen en nooden der Italiaansche kerk en over de middelen om daaraan een
einde te maken. Den volgenden dag had Pius dit bezoek met groote statie
beantwoord, was toen ook naar de vertrekken der keizerin geleid, had in haar
een zachtaardige, goedhartige en met haar hooge positie zeer ingenomen
jonge vrouw gevonden en tevens den indruk ontvangen, dat hij op St. Cloud
zeer welkom was.

In de nu volgende dagen waren beide groote mannen tot overeenstemming
gekomen. Pius had zich verbonden de vroeger gesloten verdragen en vooral
de besluiten van het Parijsche Concilie betreffende de canonieke bevestiging
der bisschoppen letterlijk na te leven. Hier tegenover had Napoleon beloofd
de propaganda en de penitencerie (pauselijke vierschaar voor boetezaken)
weder toe te laten en de verbannen geestelijken terug te roepen. Den 25en

Page 540

Januari was het door zooveel duizenden gewenschte nieuwe Concordaat met
groote plechtigheid te Fontainebleau, in tegenwoordigheid van de keizerin
en van een schitterenden hofstoet, door beide vorsten onderteekend.

Doch wat had men toen gezien? Nog geen maand later hadden de kardinalen
Pius weten te bewegen, aan dit stuk een cedule (aanhangsel) toe te voegen,
waarin hij de geheele overeenkomst van Fontainebleau terugnam en de kerk
weder in den ouden toestand van verwarring dompelde.

Over deze trouwbreuk vertoornd, zich nu ontslagen achtende van al zijn
verplichtingen tegenover den Heiligen Stoel, had Napoleon nog denzelfden
dag een decreet uitgevaardigd, waarbij het pauselijke gezag in gansch
Frankrijk en Italië opgeheven, de metropolitaan te Parijs (aartsbisschop)
hiermede bekleed en aan alle Franschen gehoorzaamheid aan het Concordaat
van Fontainebleau bevolen werd.

Den 15en April verliet hij St. Cloud en bevond zich reeds tien dagen later te
Erfurt bij zijn garde. Eugène stond nog met drie korpsen aan de Beneden-
Saale; Ney, voorwaarts van Weimar, had den pas bij Kösen tevens bezet,
Marmont stond bij Gotha, de generaal Bertrand met zijn korps bij Saalfeld,
Oudinot bij Coburg.

Hiertegenover vond men Wittgenstein met 22.000 man tusschen de Saale en
de Beneden-Mulde, Blücher met 21.000 strijders bij Altenburg, de
voorhoede der Russische hoofdarmee bij Chemnitz, Tormassof bij Dresden,
voorts Wintzigerode met 10.000 man bij Lützen, dus vrij ver uiteen.

Reeds heeft de voorgenomen vereeniging tusschen Eugène’s korpsen en het
hoofdleger plaats gegrepen, en hebben de jonge Fransche conscrits o.a. bij
Weissenfels een bewijs gegeven, dat men op hen kan rekenen; reeds is de
Saale hier en bij Merseburg overschreden en is de oude garde Lützen
genaderd op haar weg naar Leipzig, als bij Wittgenstein, die het opperbevel
voert, het plan tot rijpheid komt, Napoleons rechtervleugel aan te grijpen.
Een divisie van 5000 man zal in breed front, bij Lindenau ten westen van
Leipzig, het andere gedeelte van diens leger inmiddels bezighouden.

Page 541

Door zijn gebrek aan cavalerie wist Napoleon van de opstelling en de
marschrichting des vijands nog zoo goed als niets. Alleen was hem bekend,
dat Wittgenstein zijn macht bij Zwenkau bijeentrok.

Als Lauriston den 2en Mei bij Lindenau stoot op de Russen, denkt de Keizer
dus aanvankelijk hun geheele leger tegenover zich te hebben. Weldra
verraadt kanongebulder uit het zuidoosten hem echter, dat hij zich heeft
vergist. Enkele minuten blijft hij staan luisteren en kijkt hij naar den in de
verte optrekkenden kruitdamp; dan begrijpt hij den toestand. Ney, die Groot-
en Klein-Görschen benevens het dorpje Kaja heeft bezet, wordt blijkbaar
aangevallen.

Terwijl hij Lauriston tegenover Lindenau laat staan, doet hij door een
manoeuvre, even geniaal als bezwaarlijk en alleen voor hem uitvoerbaar, de
rest van zijn leger achter dezen langs een frontverandering verrichten naar
het zuidoosten.—Is deze gelukkig volbracht, dan gaat het er op in, Ney te
hulp; hij zelf voorop, voor zijn jonge soldaten uit om ze aan te vuren.
—“Waarschijnlijk heeft hij in zijn gansche leven nooit zooveel gevaar
geloopen als dien dag,” schreef Marmont, die bevel had ontvangen rechts
naast Ney in ’t gevecht te treden.

Tot vijf uur blijft dit onbeslist; dan begint er bij de tegenpartij afmatting te
ontstaan. De Keizer voelt, dat het kritieke oogenblik is gekomen. Drouot, de
welbekende commandant der garde-artillerie, ontvangt bevel op den
rechtervleugel der slaglinie zijn gansche macht, 60 stukken, te doen oprijden
om baan te breken. Dan formeert zich de garde tot den aanval. Het dorp
Kaja, het centrum der stelling, wordt door haar genomen; over de gansche
linie vluchten de Pruisen. Tevergeefs spannen de Russische reserves alle
krachten in om het verloren terrein te herwinnen; om zeven uur is de slag bij
Lützen geslagen.—“’t Is een onverwachte overwinning geweest, die in den
stand der zaken een geheele ommekeer heeft teweeggebracht,” mocht de
Keizer gerust zeggen. Zijn jonge soldaten hadden gezegevierd; de vijand
was in vollen aftocht naar Dresden en de Elbe. Te voren reeds had Lauriston
Lindenau en Leipzig genomen.

Deze glansrijke zege had de gedachte aan den veldtocht naar Rusland bij
vriend en vijand eensklaps naar den achtergrond gedrongen. De gelukszon

Page 542

bestraalde dus ’s Keizers vanen opnieuw!

Nu rukt hij in één adem door naar Dresden en staat den 8en Mei voor de
Elbe. Met zijn artillerie brengt Drouot een hier staande batterij van 40
stukken tot zwijgen. De Russen en Pruisen ontruimen in allerijl de stad. Den
11en zijn de steenen brugbogen, die Davoust heeft doen springen, door
houten jukken vervangen, en trekt het Fransche leger de rivier over, den
vijand achterna, die naar Bautzen aan de Spree, naar het oosten is geweken.

Verscheiden kleine gevechten bewijzen hoe dicht de partijen elkander reeds
zijn genaderd. Bij Würschen wordt Alexander, die, verstoord op
Wittgenstein, het commando zelf heeft genomen, geducht gehavend; den
20en tegen het middaguur worden de verbondenen bij Bautzen door
Macdonald en Oudinot opnieuw zoo geducht onder handen genomen, dat
een generale aftocht naar Breslau in Silezië het gevolg hiervan is.

De eindbeslissing was echter nog nergens gevallen. Gebrek aan cavalerie
was bij Napoleon hiervan de reden. Deze leemte in de samenstelling zijner
armee was oorzaak, dat hij betreffende ’s vijands bewegingen zelden
vroegtijdig inlichtingen ontving, dat er na een gelukkig gevecht bij de
vervolging geen gevangenen werden gemaakt en dat de aftrekkende
tegenpartij niet uit haar verband gerukt kon worden.

Den 1en Juni bezette hij Breslau. Tot nu toe had hij overal de zege behaald.
Jammer, dat hij ze zoo duur had moeten koopen! Den 1en Mei was Bessières,
sinds 1796 overal zijn trouwe krijgsmakker, bij Poserna door een
kanonskogel gedood; den 22en bij Reichenbach had ditzelfde lot den
hofmaarschalk Duroc, den braven generaal Bruyères en den generaal der
genie Kirgener getroffen.

De brief, dien hij aan mevrouw Bessières, hertogin van Istrië en later aan
mevrouw Duroc op het gevechtsveld schreef; de vorstelijke wijze waarop hij
daarna in de toekomst van deze dames voorzag, gaven wel te kennen hoe
bitter hij onder het verlies van die trouwe vrienden leed. Schreiende als een
kind had hij aan den arm van de Caulaincourt het sterfbed van Duroc
verlaten.

Page 543

“De dood begint dicht om ons heen te waren,” mocht hij wel zeggen.

Door de laatste nederlagen zeer in ’t nauw gebracht, zoo goed als afgesneden
van Berlijn, tot in Opper-Silezië teruggeworpen, gevoelden Alexander en
Frederik Wilhelm, dat het voor hen hoog tijd werd onderhandelingen aan te
knoopen en tot ergernis van het meerendeel zijner generaals liet Napoleon
zich vinden voor het sluiten van een wapenstilstand. Den 4en Juni ingaande,
zou deze duren tot 20 Juli. Breslau werd neutraal verklaard, de strook grond
aangewezen, de onvruchtbaarste van gansch Silezië, waarop het Fransche
leger zou verblijven.

In de hoop gedurende dit tijdsverloop tusschen zijn vijanden verdeeldheid te
zaaien en hun coalitie te doen uiteenvallen, had Napoleon in deze ongunstige
voorwaarde berust. Ook dacht hij de talrijke versterkingen, vooral aan
cavalerie, die reeds naar hem op marsch waren, inmiddels bij zich aan te
trekken. Voor het meerendeel waren het conscrits, later Marie Louises
genaamd, omdat deze de besluiten teekende en wegens den vorm van hun
hoofddeksel, een kwartiermuts, die op een vrouwenmuts geleek,—schako’s
waren er toen niet in voorraad—doch Napoleon had de waarde dier slechts
half volwassen jonge mannen reeds op prijs leeren stellen.

Een overeenkomst, den 30en Juni te Dresden gesloten, waarbij het aanbod
van Oostenrijk om als bemiddelaar op te treden door beide partijen werd
aangenomen, was het slot van eenige voorloopige besprekingen. Den 5en Juli
zou te Praag een congres bijeenkomen om over den vrede te beraadslagen.
Hiermede in verband werd de duur van den wapenstilstand verlengd tot den
10en Augustus.

Het congres leverde echter geen resultaat op. De eischen der bondgenooten,
n.l. dat Frankrijks grenzen voortaan zouden worden aangegeven door den
Rijn, de Alpen en de Maas, achtte Napoleon na zijn overwinningen bij
Lützen en Bautzen volslagen onaannemelijk. De oorlog zou dus opnieuw
ontbranden, feller nog dan te voren, want keizer Frans verklaarde thans aan
den drang van zijn volk, (doch vooral van zijn omgeving) niet langer
weerstand te kunnen bieden en sloot zich aan bij de coalitie. Vóór Waterloo
zou dit “Heilige Verbond,” niet worden opgelost.

Page 544

“Wat zal ik ze afrossen!” moet Napoleon te Dresden hebben gezegd, toen hij
de vreemde diplomaten, waaronder Metternich, dien hij grof bejegend had,
zijn paleis zag verlaten. Hij scheen totaal te hebben vergeten, dat hij in
Duitschland een leger van hoogstens 300.000 man had, slechts voor de helft
bestaande uit Franschen; dat de herinnering aan de ramp in Rusland bij deze
nog niet was uitgewischt, en dat laksheid, onwil en neiging tot verraad bij de
bondstroepen zich reeds duidelijk begonnen te teekenen.—Was de Saksische
generaal von Thielmann na een mislukte poging om de forteres van Torgou
den Pruisen in handen te spelen, niet reeds met zijn brigade naar deze
overgeloopen? Had von Langenau niet ongeveer hetzelfde gedaan?—Toch
bleef hij oogenschijnlijk vol vertrouwen en twijfelde niet aan zijn succes,—
als hij slechts wat meer cavalerie tot zijn beschikking had gehad.

Een blik op den stand der partijen kan hier niet schaden.

Reeds bij ’t begin van den veldtocht, die, onwaardig genoeg, door de
bondgenooten werd geopend (14 Augustus), voordat de wapenstilstand was
geëindigd, omspanden hun legerdrommen Napoleons troepen in één wijden
boog. In Mecklenburg stonden 40.000 Russen. Met ruim honderdduizend
Zweden, Russen en Pruisen hield Bernadotte Berlijn bezet. In Silezië,
tusschen Schweidnitz en de Oder bevond zich de hoofdmacht, ruim 200.000
krijgers onder Wittgenstein; bij Lintz hadden 40.000 Oostenrijkers post
gevat. Hun hoofdkorps 140.000 man werd onder Schwartzenberg bij Praag
samengetrokken.

Stonden in eerste linie dus 560.000 man, dicht achter deze volgden geduchte
reserves, die de geheele macht opvoerden tot een totaal van meer dan een
millioen hoofden. Bij zulk een sterkte kwamen verliezen van 20.000 of
30.000 soldaten bijna niet in aanmerking.

Van Napoleons armee stonden circa 70.000 man bij Dahmen in Pruisen
tegenover Bernadotte; met 100.000 man bewaakte Ney een deel van Silezië.
In de omstreken van Zittau aan de Neisse, ten zuiden van Görlitz, bevond
zich een korps van eveneens 70.000 man. De maarschalk Saint-Cyr dekte
met 16.000 man Dresden en had bij ’t kamp van Pirna zijn stelling. Eindelijk
lag de garde, 20.000 man sterk, te Dresden. Hier commandeerde Napoleon
zelf.

Page 545

Davoust, Saint-Cyr, Augereau, Reynier en andere opperofficieren met
erkende krijgskundige bekwaamheden voerden nog steeds een legerkorps
aan, de troepen vertrouwden op hen; doch naast hen waren anderen
gekomen, op wier militaire talenten als troepenaanvoerders heel wat viel af
te dingen. Oudinot had in Rusland grove misslagen begaan; Marmont had
het kort te voren in Spanje afgelegd, terwijl Lauriston en Bertrand, de eerste
een goed artillerist, de andere een uitstekend genist, te velde nog nooit met
een troepencommando waren belast geweest en dus voor een bevel over een
korps ongeschikt mochten heeten.

Alleen aan ’s Keizers persoonlijke vriendschap hadden de twee laatsten hun
tegenwoordig commando te danken gehad; zij dienden letterlijk op proef en
dit in een tijd, waarin Frankrijks lot op het spel stond!

Om hem te beletten verandering te brengen in zijn veldtochtsplan, dat hun
door het ellendige verraad van generaal Jomini, jarenlang Ney’s chef van
den staf, ten deele was bekend geworden, waren de bondgenooten de
vijandelijkheden reeds den 14en Augustus begonnen. Tegenover een veldheer
als Napoleon baatte hun deze schending van den wapenstilstand niet veel.
Toen hij ontdekte, dat men tegen zijn opmarsch naar Bohemen op zijn hoede
was wendde hij zich tegen Silezië, tegen Blücher.

Verscheiden kleine en groote gevechten (21–23 Augustus) waren hiervan het
gevolg. Blücher was tenslotte verplicht achter de Katzbach, tusschen
Liegnitz en Goldberg ten noordwesten van Breslau, een goed heenkomen te
zoeken.

Reeds waren bevelen voor een krachtige vervolging gegeven, toen de Keizer
bericht ontving, dat Schwartzenberg met ruim 200.000 man uit de passen
van Bohemen gedeboucheerd en Saksen binnengerukt was, blijkbaar op
Dresden aan. Macdonald met circa 70.000 man tegenover Blücher latende
staan, rukte hij nu met geforceerde marschen eveneens naar Dresden, dat
intusschen door Saint-Cyr, uit Pirna voor de overmacht teruggegaan, was
bezet. De vluchtige versterkingswerken, hier reeds vroeger opgeworpen,
waren nog niet eens voltooid.

Page 546

Onbekend met de omstandigheid, dat de Keizer aan het hoofd zijner garde
met de cavalerie van Latour-Maubourg en verscheiden divisiën infanterie
Dresden was binnengetrokken; meenende op Saint-Cyr met zijn 17000 man
een gemakkelijke overwinning te behalen, vielen de bondgenooten die
veldwerken den 26en zoo onstuimig aan, dat ze in een ommezien waren
genomen. Ook de voorstad Pirna was weldra in hun handen. De
Freyburgerpoort werd reeds door hen bestormd.

Plotseling echter werd deze geopend. Met generaal Cambronne aan de spits
stortte zich een dichte colonne garde-infanterie met geveld geweer op de
aanvallers en sloeg ze uiteen. Ditzelfde gebeurde bij de andere poorten. De
Pruisen vluchtten, verlieten de reeds veroverde schansen, liepen het vrije
veld in en werden hier door de escadrons van Latour onder den voet gereden.
Die dag kostte den bondgenooten bijna 9000 man, maar—Napoleon had vijf
generaals verloren.

In weerwil van den geweldigen regen, die van het terrein een modderpoel
maakt, waarin de vuurmonden blijven steken, gaan de Franschen den
volgenden morgen tot den aanval over. Wel tellen ze ruim 80.000 man
minder in ’t gelid dan de vijand, maar onversaagd gaat het er op in. Reeds
brengt de jonge garde ’s vijands linkervleugel tot wijken, als Napoleon in
deze een gaping ontdekt. In een oogwenk zitten Murats kurassiers en
karabiniers in die open ruimte, breken zich met geweld baan door een hollen
weg, storten zich op de daarachter staande Oostenrijksche bataljons van
Klenau, houwen en steken alles neer wat voor hun voeten komt en behalen
een schitterende overwinning, zonder dat zij zelf groote verliezen lijden,
want de regen heeft het gebruik van het toen nog gebezigde steenslotgeweer
als vuurwapen volslagen onmogelijk gemaakt; de infanterie heeft dus om
zich te verdedigen slechts de bajonet.

Men zag Fransche escadrons de Oostenrijksche carré’s zoo dicht naderen,
dat de ruiters met de sabel tegen de bajonetten der tegenpartij tikten. Maar
wee deze, als een regiment lansiers of een batterij met dubbele bespanning in
de nabijheid kwam. Dan was ’t kortaf: “De wapens neer!” of ’t ging er op
met lans en schroot; dan was zoo’n carré verloren.

Page 547

Dien avond was het leger der bondgenooten in vollen aftocht naar Bohemen;
het miste 18 vaandels, 26 vuurmonden en 20.000 man.

Ook generaal Moreau was gesneuveld. Sinds eenigen tijd bevond hij zich bij
keizer Alexander in ’t Russische hoofdkwartier. Door schitterende
aanbiedingen verlokt, was hij uit Amerika overgekomen om hem met raad en
daad voor te lichten. Een kanonskogel van een der gardebatterijen had hem
beide beenen boven de knie verbrijzeld. Een jammerlijk uiteinde voor een
eenmaal zoo schitterende heldenfiguur! Door zijn hond, die van hem
weggeloopen en door een paar Fransche soldaten opgevangen was, en die
een halsband droeg met het opschrift: “Ik ben het eigendom van generaal
Moreau,” vernam Napoleon, wie bij Dresden tegen hem over had gestaan.

Door een plotselinge ongesteldheid overvallen,—men mompelde zelfs van
een mislukte poging tot vergiftiging—zette Napoleon de vervolging in de
richting van Bohemen niet zelf voort, doch keerde naar Dresden terug. Door
Marmont en Saint-Cyr gesteund, zou Vandamme, die op het slagveld bijna
altoos Pech hebbende, doch zeer dappere Vandamme, die taak op zich
nemen. Van Peterswalde in ’t Ertsgebergte, waar hij het bergvlak van Kulm
en de stad Töplitz beheerschte, zou hij naar deze laatste plaats rukken en ze
bezetten, om den vijand den aftocht te beletten. Overtuigd, dat Saint-Cyr en
Marmont hem zouden ondersteunen, rukte hij met zijn 20.000 man naar
Töplitz, vond hier den 30en den Russischen generaal Ostermann, viel dezen
onversaagd aan, doch dolf het onderspit en werd gevangen genomen. Hij
was van alle hulp verstoken gebleven.—Saint-Cyr en Marmont hadden hun
order te laat ontvangen.

Van nu af begon voor de Fransche adelaars de krijgskans te keeren. Reeds
vroeger had Oudinot bij een poging om zich meester te maken van Berlijn,
dat Bernadotte met overmacht bezet hield, bij Gross-Beeren een geduchte
nederlaag geleden en was naar Wittenberg teruggeworpen (23 Augustus).
Terwijl Napoleon den 26en Augustus bij Dresden glansrijk overwon, werd
Macdonald aan de Katzbach door zijn eigen onvoorzichtigheid,—hij verliet
een uitmuntende stelling aan dit riviertje—door Blücher verslagen. Dit was
een ramp, die Napoleon kwam te staan op een verlies van vijftig
vuurmonden en 33.000 man, waaronder 20.000 gevangenen. Nòg zwaarder

Page 548

was de slag, die hem trof, toen Ney, die Oudinot in het commando was
opgevolgd, bij Jüterbock (Dennewitz) door Bernadotte zoo krachtig werd
teruggeworpen, dat hij den rechteroever van de Elbe moest loslaten (5
September).

Nooit sterker dan in die laatste Augustusdagen van 1813 wreekte zich ’s
Keizers manier van opleiden zijner hoogste onderbevelhebbers. Blindelings
gehoorzamen aan zijn bevelen was vijftien jaar lang hun taak geweest; onder
zijn persoonlijk commando vaak prachtige werktuigen, was hun strategisch
denken zoodoende niet genoeg tot ontwikkeling gekomen. Door den drang
der omstandigheden eensklaps geroepen zelfstandig op te treden, schoten zij
thans in doorzicht en besluitvaardigheid te kort, namen verkeerde
maatregelen en brachten het leger ten val.

Toch verloor de Keizer den moed niet. Alleen zijn besluiteloosheid omtrent
ondergeschikte punten, b.v. het kiezen van een nachtkwartier, had kunnen
doen vermoeden, dat het in zijn binnenste anders was gesteld dan zijn
uiterlijk verried.—Van de tegenpartij was hem voorloopig alleen bekend, dat
zij met haar hoofdmacht de passen van het Ertsgebergte bezet hield en front
maakte naar Saksen. Verscheiden niet tot een beslissing voerende
demonstraties verrieden, dat Dresden nog altoos haar doel was.

Zoo goed als de geheele maand September verliep zonder dat er veel
belangrijks voorviel. De Keizer vormde allerlei plannen voor de toekomst;
reeds dacht hij er over, achter de Elbe winterkwartieren te betrekken met
Dresden en met Hamburg, waar Davoust met ijzeren vuist commandeerde,
tot steunpunten, toen een onverhoedsche beweging der bondgenooten hem
tot handelen dwong.

Op voorstel van Blücher was het leger uit Bohemen, door Bennigsen
versterkt, rechtstreeks naar Leipzig op marsch gegaan. Blücher zelf rukte
naar Wittenberg. Hier wilde hij de Elbe passeeren, met Bernadotte
vereenigd, eveneens naar Leipzig marcheeren en het Fransche leger op deze
wijze totaal afsnijden van den Rijn. ’t Was een plan, Napoleon waardig.

Nauwelijks had deze dit doorzien, of zijn besluit, ook nu weder even
vermetel als geniaal, stond reeds vast. Hij zou teruggaan op Wittenberg, daar

Page 549

Blücher en Bernadotte tijdens hun opmarsch in de flank vallen en hun legers
vernietigen, daarna rechtsomkeert makende, op het leger van Bohemen
losgaan.

De snelheid, waarmede ook Blücher zijn beweging had ingezet, belette hem
dit.

Wilde hij zijn terugtochtsweg naar den Rijn vrijhouden, dan Leipzig met zijn
tal van kleine bruggen en overgangen over de riviertjes den Elster, de Pleisse
en de Partha terstond bezetten, dan moest hij Blücher bij Leipzig vóór zijn.
Terug naar hier! werd het parool voor zijn armee.

Saint-Cyr met ruim 25.000 man te Dresden achterlatende,—een even
noodeloos als gevaarlijk verlies aan strijdkrachten, want, behaalde hij bij
Leipzig de zege, dan viel die stad toch weder in zijn handen—bereikte de
Keizer den 15en October de plaats, waar weldra over zijn lot en dat van
Europa zou worden beslist. Dat deze beslissing eerst zou vallen na een
worsteling, zooals er tot in 19051 in de krijgsgeschiedenis geen tweede
bekend was, kon reeds worden afgeleid uit het verwoede gevecht, den dag te
voren bij Wachau voornamelijk tusschen de cavalerie der Fransche en der
Russisch-Pruisische voorhoede geleverd.

Nog was de ijzeren ring, waarmede de bondgenooten hem wilden omsluiten,
aan de westzijde open; nog stond het hem vrij achter de Saale teruggaande,
de bergachtige streken van Thüringen en Hessen op te zoeken en in dit
doorsneden, moeilijke terrein een stelling te kiezen, die in elk geval voor de
overtalrijke cavalerie zijner tegenpartij een schier onoverkomelijke hindernis
zou wezen, toen de ridderlijke koning van Wurtemburg hem verwittigde, dat
niet alleen het Rijnverbond doch gansch Duitschland, op aanstoken van
Engeland, op ’t punt stond hem afvallig te worden, terwijl hij zelf niet langer
bij machte was tegen den steeds wassenden vloed der publieke opinie in te
gaan.

Deze welwillende waarschuwing sloeg Napoleon in den wind. Zelfs toen
zijn voormalige bondgenoot hem deed weten, dat de koning van Beieren
hem reeds verlaten, met de bondgenooten gemeene zaak gemaakt en zijn
leger aan de Inn met het Oostenrijksche vereenigd had, en dat deze

Page 550

krijgsmacht, onder Wrede op marsch was naar den Rijn, liet hij zich niet
afbrengen van zijn voornemen in de vlakte van Leipzig slag te leveren. Dat
zijn macht slechts 150.000 krijgers telde; dat er van deze bovendien
duizenden slechts wachtten op een enkel sein om hem te verlaten; dat de
tegenpartij bijna driemaal zoo sterk was als hij, legde bij hem blijkbaar geen
gewicht in de schaal. Teruggaan naar Thüringen en Hessen stond gelijk met
zich overwonnen verklaren. En dit?—Nooit!

Toen hij den terugtocht naar de Saale te elfder uur toch nog weder onder de
oogen zag en dien uitvoeren wilde, was het te laat! Toen moest hij slag
leveren.

Leipzig ligt midden in een groote vlakte, die zich van de Elbe uitstrekt tot
aan den Hartz. Het riviertje de Elster, gewoonlijk weinig meer dan een beek,
toen gezwollen en niet doorwaadbaar, loopt door lage, natte weiden van het
zuiden naar het noorden naar de stad en vereenigt zich hier met de even
onaanzienlijke uit het zuidoosten komende Pleisse. Ten noorden van Leipzig
ruischt in een nauw dal met steile wanden de Partha met tal van bruggetjes
en waadbare plaatsen.

De toen nog onaanzienlijke stad was omgeven door een ouden ringmuur met
zeven poorten. Alleen door die van Lindenau, had het Fransche leger nog
ongestoord gemeenschap naar achter. Slechts één brug lag hier over den
Elster.

Van 16 tot en met 18 October is hoofdzakelijk gevochten in de terreinen
tusschen de Pleisse en de Partha. Daar vindt men ook den Kelmberg, een
alleenliggenden heuvel, waarop zich de zoogenaamde Zweedsche redoute
bevindt, tijdens den dertigjarigen oorlog door Gustaaf Adolf opgeworpen.

Op den rechtervleugel commandeerde Murat. Daar stonden ook
Poniatowski, Victor (bij Wachau) en Augereau. De cavalerie-divisiën van
Kellerman en Michaud dienden deze infanterie tot steun. Lauriston en
Macdonald benevens de cavalerie van Latour-Maubourg onder de
rechtstreeksche bevelen des Keizers vormden het centrum. Hierachter, bij
Probstheyda onder Oudinot, had de garde en cavalerie van Nansouty als
algemeene reserve plaats genomen.

Page 551

Ney voerde op de linkervleugel aan de Partha het bevel; hij had Marmont,
Reynier en Souham benevens de cavalerie van den hertog van Padua onder
zich. Generaal Bertrand had met 15.000 man in last Lindenau, de brug over
den Elster en den weg naar Lützen te bewaken. De eerwaardige koning van
Saksen, die zijn vriend en bondgenoot niet had willen verlaten en dit bewijs
van trouw later boette met gevangenzetting en het verlies van de helft van
zijn grondgebied, bevond zich met zijn garde en met enkele Fransche
regimenten te Leipzig zelf.

Om acht uur in den morgen gaven de bondgenooten door hun batterijen het
sein tot den aanval; hun gansche linie kwam in beweging. Wachau werd
zesmaal genomen en hernomen; de Kelmberg, aanvankelijk door Napoleon
losgelaten, als te ver naar voren liggende, en toen door den vijand bezet,
werd door het 22e regiment met de bajonet hernomen. Terstond daarna trok
de Keizer al zijn krachten bijeen om het centrum der tegenpartij te
doorbreken. Vooral de Russen onder den prins van Wurtemberg leden hierbij
zware verliezen en moesten zelfs een deel hunner artillerie prijs geven. Eerst
de nacht maakte hier aan ’t gevecht, dat onbeslist bleef, een einde. Voor zijn
houding bij de verdediging van Dölitz schonk de Keizer Poniatowsky
dienzelfden avond nog den maarschalkstaf.

Een poging van den Oostenrijkschen generaal Giulay om zich meester te
maken van Lindenau, dus van den terugtochtsweg, was na een gevecht van
zeven uur met succes bekroond, doch door een krachtigen bajonetaanval van
Bertrand ten slotte weder te niet gedaan.

Een onvoorzichtigheid van Ney, die, zelf niet terstond een vijand vóór zich
vindende, een van zijn korpsen op eigen gezag naar Wachau had gezonden
en daarop door Blücher met overmacht werd aangegrepen, was op den
linkervleugel bijna de oorzaak geweest van een ramp. Ney was tot onder de
muren der stad teruggedrongen en had zich toen moeten bepalen tot de
verdediging der voorstad Halle.

De 17e ging bijna zonder strijd voorbij. De bondgenooten wachtten de komst
der Russen uit Polen benevens Bernadotte met zijn Zweden. Napoleon
trachtte dien dag door den Oostenrijkschen generaal Merfeld tot een

Page 552

wapenstilstand te geraken, doch ontving niet eens antwoord. Bij de
bondgenooten stond het voornemen reeds vast niet tot onderhandelen over te
gaan, voordat het Fransche leger tot achter den Rijn was teruggeslagen.

Bij het krieken van den dag werd den 18en de strijd voortgezet. Vooral om en
bij het dorp Probstheyda in ’t centrum woedde die het hevigst. Op den
linkervleugel was Bernadotte overgegaan tot den aanval. Met een sterke
afdeeling kozakken voorop, was die beweging door het passeeren van de
Partha boven de stad ingeleid.

Hier stond een brigade Saksische huzaren en lansiers. Eensklaps reed deze
op de kozakken toe, alsof zij ze wilde chargeeren, maakte toen
rechtsomkeert en verbroederde zich met hem. Weldra volgde een gansche
brigade infanterie onder Russel dit voorbeeld. Ook de Wurtembergsche
cavalerie pleegde verraad. Een groote gaping ontstond hierdoor in de
slaglinie van Ney; slechts met inspanning van alle krachten gelukte het
dezen zich te handhaven in en bij Schönfeld tegen de dichte scharen
ongeregelde Russische ruiterij, Baskirs, die, alleen gewapend met pijl en
boog, vooral veel paarden verwondden.

Ook nu weder maakte de nacht een einde aan de worsteling. Aan beide
zijden waren de verliezen zwaar. Hoewel zij op de vleugels waren
teruggedrongen, hadden de Franschen hun hoofdstellingen behouden. De
overwinning echter was niet behaald; daarbij was de munitie grootendeels
verbruikt. Geen langdurig nieuw gevecht kon den volgenden morgen worden
begonnen.

Voor Napoleon stond dus geen andere weg meer open dan de aftocht.

Reeds in den nacht van den 18en op den 19en begonnen de Franschen uit hun
stellingen ten oosten van de stad terug te gaan, de Elsterbrug over in de
richting van het nog bezette Lindenau, over één brug, want de generale staf
had verzuimd de noodige overgangen naar achteren te doen maken.
Verstopping in de nauwe, bochtige straten, verwarring en vertraging in den
afmarsch waren hiervan het gevolg.—Van Napoleons heengaan zelf—hij
had den nacht in een logement op de Paardenmarkt doorgebracht—schrijft
generaal Chateau: “In de nabijheid van de Elsterbrug ontmoette ik een man

Page 553

in een allerwonderlijkste tenue, die zoo goed als alleen voortreed en, een
luchtig wijsje fluitende, toch blijkbaar in diep gepeins was verzonken. Ik zag
hem aan voor een burger en wilde naar hem toe gaan om hem een paar
vragen te doen, toen ik in hem den Keizer herkende, die met zijn gewoon
flegma aan den hem omgevenden chaos van verwarring vreemd scheen te
blijven.”

Onder het nu volgende onstuimige opdringen der bondgenooten tegen de
voorsteden en de omwalling der stad ging het tactische verband bij de
Franschen ten deele verloren. Evenals bij de Berezina werd het ook hier een
algemeen: Sauve qui peut!

Woedend werd niettemin nog hier en daar, o.a. bij de poorten en in de huizen
gevochten. Een algemeene stormaanval op de stad verhoogde de ontzettende
verwarring en het gruwelijke handgemeen in de straten, dat zijn toppunt
bereikte, toen de sappeurs, die de Elsterbrug moesten bewaken, deze om
twee uur, naar ’t schijnt, door een verkeerd begrepen order, in de lucht deden
vliegen en aan het overschot der korpsen van Lauriston, Reynier en
Poniatowski, zoodoende den terugweg afsneden. Lauriston zelf werd
gevangen genomen; de dappere Poniatowski, reeds tweemaal gewond,
verdronk bij een poging om den Elster over te zwemmen. Macdonald redde
zich evenals vele soldaten, die zwemmen konden, moedernaakt door de
weilanden. Die dag kostte Napoleon wederom tientallen zijner beste
generaals en hoofdofficieren.

Maar nog telde zijn leger circa 80 à 90.000 man. Door den vervolgenden
Yorck,—Schwartzenberg en Blücher kwamen hiertoe ten deele te laat—
slechts in geringe mate lastig gevallen, ging het bij Naumburg over de Saale
en bij Freiburg over de Unstrut in goede orde terug.

Blücher had ondersteld, dat de Keizer bij Erfurt weder front zou maken, en
was dus na zijn vereeniging met Yorck over Langensalza naar Eisenach
gemarcheerd om hem dan in flank en rug te grijpen.

Tot een krachtdaad als standhouden bij Erfurt was de Fransche armee echter
niet meer bij machte. Bij Eisenach het Thüringerwoud langs de zuidzijde
omtrekkende, wendde Napoleon zich naar Fulda om aldus Maintz te

Page 554

bereiken, greep de Beieren en Wurtembergers, circa 40.000 man, die hem
onder Wrede bij Hanau in den weg dorsten treden, vastberaden aan, rekende
hier met zijn voormalige bondgenooten op bloedige wijze af (30 October),
kwam den 2en November te Maintz en was den 9en terug bij vrouw en kind
op St. Cloud. In 45 uren had hij de reis gemaakt van den Rijn naar Parijs.

Te Erfurt had Murat hem verlaten en was naar Italië teruggekeerd, het hoofd
vol plannen voor de toekomst.

1 Wij denken hierbij aan de reuzenslagen aan de Jaloe, bij Liao Jang en Moekden tusschen Rusland
en Japan.

Page 555

Hoofdstuk XXVI.

Page 556

Parijs valt. De keizer abdiceert.

Reeds te Maintz had de Keizer maatregelen getroffen
voor de bezetting van den linker Rijnoever; hij had
deze rivier hiertoe in drie vakken verdeeld en o.a. het
commando over het noordelijke, van Holland tot
Coblentz, opgedragen aan Macdonald. Marmont zou
het vak Coblentz-Bingen, Victor het vak Bingen-Basel voor zijn rekening
nemen.

Opmerkelijk is ’t, dat de Keizer het hoofddoel, de verdediging van zijn
hoofdstad, dus achterstelde bij het slechts schijnbare voordeel van het
bezetten eener linie, die een massa troepen eischte en dat hem in lijnrechte
tegenspraak bracht met zijn vroeger steeds gehuldige theorie, dat, als er
gevochten moet worden, men steeds een overmacht van troepen op één punt
moet samentrekken. Ook liet hij al de groote vestingen in het noordoosten
van Duitschland als Glogau, Dantzig, Maagdenburg, enz, haar bezettingen
behouden en beroofde zich dus van een troepenmassa, die hem in Frankrijk
zelf uitstekend zou zijn te pas gekomen, enkel en alleen omdat hij, evenals
bij Dresden, de gedachte niet kon verdragen een punt los te laten, dat hij
eenmaal tot zijn grondgebied gerekend had.—Al die bezettingen, al die oude
regimenten, te zamen wel 150.000 soldaten, hebben zich achtereenvolgens
moeten overgeven en zijn in krijgsgevangenschap gegaan. Alleen aan
Davoust is het gelukt zich te Hamburg te handhaven tot na ’s Keizers val.
Het garnizoen van Dresden onder den even kundigen als koppigen St. Cyr en
dat van Dantzig onder Rapp werd in strijd met de gesloten verdragen onder
allerlei onwaardige voorwendsels ontwapend en gevangen gemaakt.

Nauwelijks te St. Cloud terug, was Napoleon geheel vervuld met de vraag
hoe het hem mogelijk zou wezen Frankrijk een nieuw leger te schenken. Het
gehalte der uit Duitschland terugkeerende troepen was onrustbarend gedaald,

Page 557

de desertie schrikwekkend toegenomen. Allerlei slechte gewoonten hadden
de soldaten zich eigen gemaakt; roof en plundering waren aan de orde van
den dag. Daarbij kwam thans de hospitaalkoorts, een afschuwelijke,
besmettelijke ziekte, door slecht weder, onvoldoend voedsel, ellendige
bivaks en schandelijke uitspattingen ontstaan. Of het mogelijk zou wezen uit
zulke verdorven elementen binnen korten tijd nog weder bruikbare soldaten
te maken viel niet te zeggen. Ook de bevolking in de Rijnlanden was door de
typhus gedecimeerd.

Alleen de kaders, onderofficieren en subalterne officieren, waren uitstekend
gebleven. Met deze bestond er dus meer kans een nieuw leger te vormen van
jonge lotelingen, zoo van moeders pappot, dan van het treurige overschot der
regimenten, die thans uit Duitschland terugkeerden.—Wederom toog de
Keizer nu in deze richting aan den arbeid.

Van de lichting 1813 kon hij beschikken over nog 150.000 man; bijna
evenveel hoofden waren bijeen te brengen uit die van 1804 tot 1807. Het
leger in Italië, kon dan met 40.000 man worden versterkt; een kleiner getal
kon aan het leger in de Pyreneën worden toegewezen, en de rest zou dan
komen aan de korpsen langs den Rijn. Van de lichting 1815 zouden dan
reeds 200.000 hoofden worden aangewezen om bij Turijn, bij Bordeaux, bij
Metz en bij Antwerpen daaruit reservelegers samen te stellen.

Bij die grootsche toebereidselen hing echter zoo goed als alles af van de
plannen der bondgenooten.—Wat wilden ze?—Bertrand, commandant der
achterhoede, had tot bij Frankfort blootgestaan aan een scherpe vervolging;
doch ongehinderd had hij den Rijn kunnen oversteken. Deze rivier hadden
de bondgenooten, die eveneens zware verliezen hadden geleden en zich
moesten reorganiseeren, nog nergens overschreden. Alleen was uit
verschillende aanwijzingen af te leiden, dat Blücher, ’s Keizers waardigste
tegenstander, voornemens was langs den kortsten weg, dus over Antwerpen
en Brussel Frankrijk binnen te rukken. ’s Keizers aandacht was dus
hoofdzakelijk op den Beneden-Rijn gevestigd.

Liet men hem nu een maand of vier tijd, tot April b.v. dan zou hij zijn in den
volsten zin des woords “jeugdig” leger ingedeeld, gekleed, geoefend, en—
wat de hoofdzaak was—gewapend hebben. Op dat oogenblik,—November

Page 558

1813—bezat hij niet eens 300.000 geweren. Ook aan paardentuigen zadels
en dergelijke zaken bestond groot gebrek; de arsenalen waren volkomen
ledig.

Alles scheen er op te wijzen, dat de Rijn voorloopig niet zou worden
overschreden. De winter naderde snel; in de thans door de bondgenooten
bezette streken verminderde de toch reeds schrale voorraad levensmiddelen
zienderoog, eindelijk stelde men zich de vraag, wat er moest gebeuren, als
de Rijn overschreden, Frankrijk bezet, Parijs gevallen was?—Wat niemand
in Duitschland had durven hopen, was geschied; van de Oder tot achter den
Rijn was de overweldiger, de gevreesde Fransche kolossus teruggedrongen.
Was dit niet voldoende? Moest hij nu tot slot zelfs van een troon gestooten
worden, dien hij zelf had gegrondvest; moest zijn dynastie vervallen; moest
aan Frankrijk een nieuwe regeeringsvorm, mogelijk zelfs wel weder een
Bourbon tot koning gegeven worden?

De Pruisen, door de leiders van den Tugendbund tot woede opgezweept,
wilden wel zoo; Frankrijks grenzen behoorden volgens hen teruggebracht tot
die van vóór 1790. Keizer Alexander in zijn jeugdigen overmoed vond de
gedachte, zijn voormaligen overwinnaar te Parijs te vernederen, mogelijk
ook niet onaardig; en zijn tegenwoordige lijftrawant, de Corsicaan graaf
Pozzo di Borgo, Napoleons doodvijand, spoorde hem hiertoe telkens aan,
ook al liep men gevaar voor een tweede levée en masse zooals in 1792 en
tevens voor een worsteling, die al het gebeurde in schrikwekkendheid zou
overtreffen.

In de omgeving van keizer Frans van Oostenrijk heerschte deze ultra-
krijgszuchtige stemming niet. Wat meer zegt, zelfs in Engeland, waar de
even nobele als schrandere en bekwame lord Aberdeen hoofd van het
kabinet was geworden, scheen alles meer te wijzen op een streven naar vrede
dan op een begeerte naar voortzetten van den oorlog.—Het Continentale
Stelsel, zooals het in den laatsten tijd was toegepast, had hier dieper wonden
geslagen dan aan de buitenwereld was bekend.—Zelfs achtte Prins
Metternich het oogenblik gekomen om Napoleon te polsen omtrent een thans
te sluiten vrede.

Page 559

De heer de St. Aignan, voorheen Fransch gezant aan het hof van Weimar en
zwager van de Caulaincourt, een even bezadigd als vaderlandslievend man,
nam deze zware taak op zich; toegerust met een nota, die aan kortheid en
helderheid niets te wenschen overliet, vertrok hij naar St. Cloud.—Voordat
er vrede was, zou Europa vast aaneengesloten blijven. Die vrede zou
algemeen wezen en ook gelden voor de zee; zijn grondslag zou zijn het
beginsel van onafhankelijkheid voor al de natiën binnen haar natuurlijke of
historische grenzen. Frankrijk zou de Alpen en den Rijn behouden, meer
niet. Holland zou evenals Italië zijn onafhankelijkheid herkrijgen. Vóór alles
echter zou de dynastie der Bourbons in Spanje worden hersteld.—Dit waren
de hoofdpunten van de nota. Aan de oprechtheid der bedoelingen, van de
bondgenooten twijfelde de gezant geen seconde.

Napoleon wèl.—Den oorlog verlangde hij niet meer. De middelen om dien
nog langer te voeren zou hij trouwens weldra hebben gemist. Binnen een
paar jaar had hij bijna anderhalf millioen soldaten verbruikt; hier en daar in
Frankrijk zag men behalve soldaten nog slechts gebrekkigen, grijsaards en
kinderen;—vrede wenschte hij zelf ook, “maar,” zeide hij tegen zijn
omgeving “als wij thans naar deze voorwaarden luisteren, zal Europa steeds
meer eischen en naarmate het meer met onzen inwendigen toestand bekend
wordt, als vredesvoorwaarden de grenzen van vóór 1790 gaan stellen. En
deze kan ik niet aanvaarden. Van de Republiek ontving ik haar natuurlijke
grenzen. Mogelijk hadden wij ons voorheen wat gematigder kunnen
betoonen. Happen we thans te snel toe dan verraadt dit onze zwakheid en
verwijderen wij ons nog verder van den vrede. Dus moet er nog eenmaal
worden gestreden, gestreden als wanhopigen. Blijven wij daarbij
overwinnaar, dan dienen wij ijlings vrede te sluiten, en dan, dàn zal ik tot
dezen volijverig mijn medewerking verleenen.”

Velen, die zich om Frankrijks “natuurlijke” grenzen bitter weinig
bekommerden en wie het ook onverschillig was of de vredesvoorwaarden
aannemelijk waren al dan niet, als Napoleon maar Keizer bleef en zij hun
baantje behielden, verklaarden nu, dat die man, l’Homme, zooals zij hem
thans betitelden, stapelgek was, dat hij zich zelf in ’t verderf stortte en hen er
bij.

Page 560

In weerwil van de vertoogen zijner omgeving, die allen het woord “vrede”
op de lippen hadden; in weerwil van den raad van Macdonald, van Marmont,
van Ney en anderen; in weerwil van de Caulaincourts ernstige, fier
eerbiedige opmerkingen, en Talleyrands ironische woorden was het
antwoord op de bovengenoemde nota dus ontwijkend. Wel was hij te vinden,
schreef de Keizer, voor een congres, dat dan te Mannheim zou kunnen
bijeenkomen; van de nota zelve roerde hij niet één der hoofdpunten aan.—
Aan de publieke opinie te Parijs bracht hij echter een offer. Hij gaf den
hertog van Bassano, die, in den laatsten tijd wat wijzer geworden, veel van
zijn hooghartigheid had verloren, zijn ontslag en belastte de Caulaincourt
weder met de portefeuille van Buitenlandsche Zaken, toen Talleyrand zich
om een beuzeling niet hiervoor had laten vinden. Niet geheel ten onrechte
gaf Parijs den hertog de schuld, dat er te Praag geen vrede was gesloten; en
Talleyrand met zijn sarcasme had het zijne gedaan om deze beschuldiging te
versterken.

Niet alleen de zorg voor de samenstelling van een nieuw leger en voor de
hiertoe noodige geldmiddelen, nog andere zaken van belang vorderden ’s
Keizers volle aandacht. In de eerste plaats de toestand in Spanje.—De slag
bij Vittoria (21 Juni) had over het lot van het Fransche leger vrijwel beslist.
Behalve 6000 dooden en gekwetsten had Jozef een groot deel zijner artillerie
en bijna al zijn bagage in de handen van Wellington moeten laten. Steunende
op de vesting Pampeluna en de Pyreneën had hij zich nog wel kunnen
staande houden, doch hij had de voorkeur gegeven aan den terugtocht, was
de Bidassoa, de grensrivier, overgetrokken en had generaal Foy,
commandant der achterhoede, last gegeven de brug aldaar te vernielen.—
Napoleon had hem daarop verbannen naar Mortefontaine met verbod te
Parijs te verschijnen.

Daarna was maarschalk Suchet gedwongen geworden Valencia op te geven
en eveneens terug te gaan.

Terwijl de Keizer dus zelf overwinnaar was in Duitschland, waren zijn
onderbevelhebbers teruggedrongen uit Spanje. Zelfs de benoeming van Soult
tot luitenant-generaal over al de legers aldaar had geen verbetering in den
toestand kunnen brengen. Ook Sint-Sebastiaan was door de Engelschen en

Page 561

Portugeezen ten slotte met storm genomen, uitgeplunderd en uitgemoord.
Hoewel Soult Wellington aan den voet der Pyreneën bij herhaling nadeel had
toegebracht, had hij toch niet kunnen beletten, dat deze door zijn grootere
sterkte telkens meer voorwaarts drong en eindelijk zelfs Saint Jean de Luz
op Fransch grondgebied bezette. Den 9en December was een scherp gevecht
bij Saint-Pierre de Rube onbeslist gebleven, en Soult had zijn stellingen bij
Bayonne weder ingenomen.

Ook Suchet, van ’s Keizers nederlagen in October onderricht, had het
raadzaam geacht zijn verbindingslijn met Frankrijk te verkorten en het
zuiden van Spanje te verlaten. Hij was teruggegaan op Tarragona, had hier
de vestingwerken doen springen en was onder gestadig vechten de Pyreneën
genaderd.

Ook in Italië stonden de zaken slecht. Een Engelsche krijgsmacht was geland
in Toscane; en hoewel Eugène, door Napoleon uit Duitschland
teruggezonden om zijn leger aldaar te reorganiseeren, eenige uitmuntende
divisiegeneraals onder zijn bevelen had, kon hij zich tegen de overmacht der
Oostenrijkers niet staande houden; hij was gedwongen geworden terug te
gaan tot achter de Etsch.

Tegelijkertijd had Murat, aangegrepen door een dwazen zucht naar
zelfstandigheid, Napoleon verzocht Italië tusschen Eugène en hem te
verdeelen, had niet geluisterd naar Fouché, die Murat ijlings was
toegezonden om hem tot rede te brengen, en zich ten slotte, toen Napoleon
hem op zijn dwaze voorstellen niet eens antwoordde, in de armen geworpen
van Oostenrijk. Hij pleegde dus verraad tegenover den man, aan wien hij
alles had te danken, en werd hierin nog wel door zijn vrouw ondersteund!

Eindelijk had Holland aan de beweging in Duitschland een krachtigen stoot
gegeven, toen het zich bij de nadering van Bernadotte’s troepen stoutweg
onafhankelijk verklaarde. Molitors soldaten waren daar het land uitgejaagd
(15 November).

Ernstige verwikkelingen waren het dus, waarmede Frankrijk in het laatst van
1813 werd bedreigd. De oproeping der nieuwe lichting, de nieuwe belasting,
die zou worden ingevoerd om de oorlogskosten te dekken, de verwoestingen,

Page 562

door de typhus aangericht, hadden ten overvloede in ’t land zelf bij velen een
schier vijandigen geest tegen den Keizer doen ontstaan. Was hij niet de
schuld van alles?—Op verschillende plaatsen werd zijn naam vooral door de
vrouwen en de moeders gevloekt en hij zelf met den Antichrist vergeleken.
Een poging om tenminste met Spanje tot een vergelijk te komen was
mislukt, want het regentschap te Madrid had geweigerd een tractaat te
onderteekenen, den 11en December tusschen Napoleon en Ferdinand
gesloten, waarbij deze laatste werd erkend als koning van Spanje en van de
Indiën, terwijl Napoleon zich verbond zijn troepen uit Spanje terug te
nemen.—Voorloopig bleef Ferdinand dus te Valencay.—De bondgenooten
achtten dezen stap, die enkele maanden te voren als een maatregel van
schrandere staatkunde zou zijn aangemerkt, thans een bewijs van zwakheid.

Toen de Keizer den 19en December de zitting van het Wetgevend Lichaam
opende in tegenwoordigheid zijner familie, van de rijksgrooten en van een
deputatie van den Senaat, deed hij in zijn rede niet onduidelijk uitkomen in
welke benarde omstandigheden Frankrijk zich bevond.

De Senaat begreep, dat de Keizer alleen door een uitgebreid stelsel van
verdediging bij machte zou zijn den steeds wassenden vloed van vijanden
van Frankrijks grondgebied te keeren en willigde dus in wat hij voorstelde.
Het Wetgevend Lichaam niet.—Veertien jaar lang had het zwijgend en
onderdanig gebogen voor zijn wil; nu er gevaar dreigde, vond het slechts
woorden van afkeuring en blaam en stelde eischen, waaraan in die dagen
stellig niet kon worden voldaan. Den vijand schonk het door deze houding
een kijkje achter de schermen. Grooter gebrek aan doorzicht en
vaderlandsliefde kon het bijna niet toonen.

Was het te verwonderen, dat de Keizer dit staatslichaam, dat zijn plicht
onder deze omstandigheden zoo slecht begreep, vóór zijn vertrek naar het
leger naar huis zond?

Het kwaad was hiermee echter niet meer goed te maken. Voor allen, die met
den vijand heulden, met name de koningsgezinden, was de hem thans
geboden weerstand, een steun te meer in hun strijd tegen zijn dynastie.
Engeland en Pozzo di Borgo zorgden tevens, dat het te Parijs voorgevallene

Page 563

voor de legers der bondgenooten geen geheim bleef, en dat de schroom om
den Franschen reus op zijn eigen grondgebied te gaan bestoken, een
schroom, die aanvankelijk niet te miskennen geweest en door Engeland
krachtig bestreden was, gaandeweg verdween om plaats te maken voor de
onbedwingbare begeerte eerst te Parijs vrede te sluiten en Frankrijk terug te
dringen tot binnen zijn grenzen van vóór 1790.

Page 564

Napoleon te Fontainebleau. 31 Maart 1814.

Terwijl Napoleon dus nog in den waan verkeerde, dat men hem wel vier
maanden tijd zou laten om zich voor de verdediging gereed te maken; terwijl
hij aan Metternich op diens aandringen deed weten, dat hij niet ongenegen
was in te gaan op de voorstellen, hem circa een maand te voren van uit

Page 565

Frankfort gedaan; dat hij de onderhandelingen dus wilde openen op den
grondslag van Frankrijks natuurlijke grenzen, stond het plan tot
overschrijden van den Rijn bij de bondgenooten reeds vast. Alleen de vraag
waar en hoe dit zou geschieden stond nog open. In weerwil van den
tegenstand van keizer Alexander, die zich reeds met Bernadotte had verstaan
en de oogen dus meer op het noorden had gevestigd, werd het door Engeland
krachtig ondersteunde voorstel van Schwartzenberg, den opperbevelhebber,
ten slotte aangenomen. Niet op de dubbele rij vestingen, welke van
Straatsburg tot Coblentz en van Metz tot Mézières Frankrijks oostelijke
grenzen beschermden, zou worden aangerukt; zoodoende zou men, zooals
Schwartzenburg het uitdrukte, den stier bij de horens vatten, want aan die
zijde vormden tal van rivieren en versterkte plaatsen een geduchte lijn van
verdediging. Neen, langs de Jura moest worden gemarcheerd! Daar waren
geen vestingen. Daar lag alleen het voorheen onzijdige Zwitserland, dat
thans luide riep om verlossing van zijn beschermheer en dat dus geen
bezwaar zou maken, als bij Bazel, waar de Rijn nooit dichtvroor, de grens en
tevens zijn grondgebied gepasseerd werd.

Volgde men dezen weg, dan zou Italië tegelijkertijd van Frankrijk
gescheiden worden, terwijl Eugène verhinderd werd Napoleon te hulp te
komen, als deze hem riep, of omgekeerd. Tegelijkertijd zou dan een leger
onder Blücher Frankrijk van uit het oosten bedreigen, een derde macht, die
van Bernadotte, door België voortrukkende, het land van uit het Noorden
aangrijpen.

Den 21en December 1813 werd de brug bij Bazel dus overschreden; in
Zwitserland brak een opstand uit tegen Frankrijk; voordat Napoleon van zijn
verbazing over dezen onverhoedschen inval was bekomen, stond het
hoofdleger der bondgenooten bij Langres in de Côte d’Or en was Blücher
voor Nancy. Bijna een millioen strijders, waarvan circa 400.000 in eerste
linie, met een talrijke cavalerie wel 60.000 ruiters, hadden Frankrijk
besprongen.

Weinig meer dan het overschot der uit Duitschland teruggekeerde troepen en
een aantal jonge conscrits, dus circa 70.000 man, waaronder 12.000 ruiters,
kon de Keizer hier tegenover stellen, een macht waarop desertie en typhus

Page 566

bovendien haar sporen hadden achtergelaten. Evenals Macdonald in de
Ardennen, spanden Victor en Marmont, door Ney en Mortier ondersteund, in
de Vogezen en aan de Saar al hun krachten in om aan den geweldigen stroom
van vijanden weerstand te bieden. Als brave soldaten verdedigden zij den
vaderlandschen bodem.

De overmacht was echter te groot. Mortier werd teruggeworpen naar de
Aube en de Seine, terwijl Marmont, Ney en Victor zich bij Vitry-le-François
vereenigden, en Macdonald op Châlons-sur-Marne terugging. Een divisie
van Marmont hield de passen door het Argonnerwoud voorloopig nog bezet.

Den 23en Januari, den dag vóór zijn vertrek naar het leger, verzamelde de
Keizer de officieren van de nationale garde in de Tuilerieën en verscheen
toen met de keizerin en zijn zoontje in hun midden; hij sprak van de gevaren,
die het land bedreigden, en vervolgde toen met een stem, die van aandoening
trilde: “Ik laat de keizerin en den koning van Rome, mijn vrouw en mijn
zoon, in uw midden achter. Wetende, dat zij onder uw hoede veilig zijn,
vertrek ik met een gerust hart. In uw handen stel ik het dierbaarste, dat ik na
Frankrijk ter wereld bezit.”

Een daverend Vive l’Empereur! Vive le roi de Rome! dat op het plein voor
het paleis onder de menigte weerklank vond, was het antwoord op deze
toespraak.—Enkele weken later zou de toen gezworen eed door al de
aanwezigen volkomen zijn vergeten; dan zou Talleyrand, dien de Keizer
voor zijn vertrek weder eens onder spot en schimp had bedolven, hen de
Bourbons hebben tegemoet gevoerd.

Dienzelfden nacht nam de Keizer afscheid van zijn in tranen badende vrouw
en van zijn klein, blond zoontje, dat hij zoo innig liefhad. Nimmer zou hij
die beiden hier op aarde wederzien.—Den 25en bevond hij zich in het
hoofdkwartier Châlons-sur-Marne.

Vóór zijn vertrek had hij nòg een stap gedaan, die getuigde van den ernst der
tijden en van zijn streven om zoo weinig mogelijk vijanden achter te laten.
Half Januari had hij den bisschop van Piacenza naar den paus gezonden met
een ontwerp-tractaat, waarbij dezen al zijn staten onvoorwaardelijk werden
teruggegeven. De koppige oude man was echter niet tot eenige toenadering

Page 567

te bewegen geweest. Hij verlangde terug naar Rome.—Dat Napoleon hem
zijn wereldlijk bezit terugschonk, was niets meer dan een daad van
rechtvaardigheid, dit kon niet het onderwerp zijn van een tractaat, had hij
den gezant kortaf te verstaan gegeven. Toen had de Keizer bevolen hem
terug te voeren naar zijn vroeger verblijf, naar Savona.—De omstandigheden
waren oorzaak, dat Pius weldra ook Rome zou wederzien.

Zoo hadden de geweldige gebeurtenissen in Duitschland in elk opzicht een
omkeer in ’s Keizers toestand gebracht. Holland was verloren gegaan en
teruggegeven aan het huis van Oranje. Westfalen had Jérome weggejaagd.
Uit Spanje waren Jozef en de Fransche legers verdreven. In Italië stond
Murat op het punt verraad te plegen en met zijn Napolitanen gemeene zaak
te maken met Oostenrijk. Eugène voerde krijg tegen zijn eigen schoonvader,
den koning van Beieren. Gansch Duitschland stond onder de wapenen. Van
Frankrijks veroveringen was niet alleen niets overgebleven, de vijand had
zelfs zijn landpalen overschreden en rukte uit het zuiden, oosten en noorden
op naar Parijs. Thans gold het de verdediging van het eigen grondgebied.
Aan de noodige middelen hiertoe was in de dagen van voorspoed door
niemand gedacht; zelfs de geweren ontbraken om de nieuw opgekomen
recruten te wapenen. Wat van dit alles het einde zou wezen, was reeds te
voorzien.

Thans begint de ongelijke strijd tusschen den geniaalsten veldheer, dien de
wereld ooit heeft gekend, aan de spits van een jong, maar trouw en dapper
leger en de geweldige krijgerscharen, die Oostenrijk, Duitschland, Rusland
en Zweden, gansch Europa dus bijna, als een zondvloed over Frankrijk
uitstorten. In niet één zijner vroegere veldtochten heeft Napoleons
ongeëvenaard talent als krijgsoverste zoo glansrijk uitgeblonken als in dien
korten winterveldtocht van het jaar 1814. Klein is zijn macht. Nauwelijks
volwassen, baardelooze knapen, te zwak en te tenger om de vermoeienissen
van een oorlog te torsen; knapen, wier knieën knikken onder ’t gewicht van
patroontasch en ransel, vormen het hoofddeel er van; maar in hun
doodsbleeke, uitgehongerde gezichten staan een paar oogen, die beginnen te
fonkelen en te gloeien, als de tamboer den stormmarsch slaat. Ziet ze staan,
rustig in ’t gelid als oud gedienden, wanneer de charge op hen afkomt en hen
dreigt te verzwelgen. Eerst op den kortsten afstand geven ze vuur en dan snel

Page 568

als het licht in stormcolonne en onder een schallend, boven alles uitklinkend:
Vive l’Empereur! voltooien ze met de bajonet, wat het lood heeft begonnen.

Niet verdedigen wil de Keizer zich, aanvallen zal hij, al staat hij tegenover
een drie-, vierdubbele overmacht. Den 23en Januari heeft hij dit aan Berthier
geschreven; en al verschijnt hij zonder een enkelen soldaat als reserve achter
zich te Vitry in den kring zijner maarschalken; al staren deze, nu ze hem
alléén zien, hem verbaasd en ontsteld aan, zoo vast rekent hij op zijn genie
als veldheer en op de misslagen zijner tegenpartij, dat hij dit plan ook geen
seconde loslaat. Stelling nemende bij Vitry in den top van een driehoek,
waarvan de Seine en de Marne de opstaande zijden vormen, langs welke
Schwartzenberg en Blücher afzonderlijk naar Parijs voortrukken, begint hij
dit plan terstond te verwezenlijken.

Eerst slaat hij Blücher terug bij St. Dizier (27 Januari); twee dagen later
grijpt hij hem aan bij Brienne, neemt den veldmaarschalk zelf bijna
gevangen en slaat dienzelfden avond nog zijn bivak op in ’t zelfde kasteel,
waar hij als kind zoo vaak heeft vertoefd. Dat Blücher en Schwartzenberg
zich vereenigen, zal hij beletten, zoolang hij kan.

Hij kan dit echter niet. Te Bar sur Aube reiken die twee elkander de hand en
rukken dan gezamenlijk op tegen de stelling, die hij bij La Rothière en nog
een paar dorpjes ten zuiden van Brienne heeft ingenomen.

Die geweldige strijdmassa, aan infanterie alleen meer dan 80.000 man, op
zich ziende afkomen, staat hij een oogenblik in beraad of hij den ongelijken
strijd wel zal aannemen; doch weldra is die aarzeling verdwenen, en vechten
zijn soldaten als helden tot in den nacht. Dan moet op Troyes worden
teruggegaan. Vier en vijftig vuurmonden zijn verloren; het moreel der
troepen heeft veel geleden; dat der bondgenooten is gestegen. Ook op
Frankrijks grondgebied zelf is de Keizer dus niet onoverwinnelijk gebleken.

Op andere punten was de fortuin zijn adelaars eveneens ongenegen. Soult
had de Pyreneën moeten loslaten; Wellington was het land binnengedrongen.
De grenzen van België waren door Bernadotte overschreden; Eugène hield
zich slechts met moeite staande aan de Etsch en Murat had de partij der
bondgenooten gekozen.

Page 569

Een voorstel, door de Caulaincourts bemiddeling eenige dagen te voren
gedaan om te Châtillon sur Seine te onderhandelen over den vrede, leidde
door Napoleons eigen schuld tot niets. De bondgenooten verlangden
Frankrijk te zien teruggebracht tot binnen de grenzen van vóór de
Omwenteling; en hij wilde hiervan niet hooren. De geduchte slagen, die hij
de Russen en Pruisen op 10, 11, 12 en 13 Februari achtereenvolgens
toebracht bij Champaubert, Montmirail, Château-Thierry en Vauchamps, hoe
schitterend ook, konden den algemeenen toestand niet veranderen. Ook het
gevecht bij Montereau, waar hij zelf het vuur zijner artillerie leidde, was
hiertoe niet bij machte. Een door hem gevraagde wapenstilstand werd
geweigerd. Een poging om ten minste Oostenrijk voor zich te winnen was
reeds vroeger mislukt; en den 1en Maart sloten de bondgenooten te
Chaumont een overeenkomst, behelzende, dat Rusland, Oostenrijk en
Pruisen ieder een leger van 150.000 man op de been zouden houden, tot
Frankrijk binnen zijn vroegere landpalen was teruggebracht. Van deze
overeenkomst was Engeland weder de ziel.

Niet zonder reden waarschuwde de Caulaincourt zijn heer, dat deze door
langer talmen met het nemen van een besluit zijn eigen positie en die zijner
dynastie in gevaar bracht, daar de vijand blijkbaar slechts een voorwendsel
zocht om nog verder te gaan en zich thans tegen hem zelf te keeren.

Den 5en Maart hoort Napoleon van de nieuwe coalitie, die voor zijn dynastie
het doodvonnis kan wezen; hij beantwoordt het met een decreet, dat alle
Franschen te wapen roept en hun beveelt de stormklok te luiden, zoodra zij
het kanon in hun nabijheid hooren, de bruggen af te breken en den vijand in
rug en flanken aan te vallen.

Twee dagen later slaat hij Wintzigerode bij Craonne terug; maar in de
vermeestering van Laon, de wapenplaats der verbondenen, slaagt hij niet.
Tegelijkertijd laat Marmont zich slaan met een verlies van 40 stukken en al
zijn bagage. Wel wreekt de Keizer, die op Soissons is teruggegaan, zich
hierover door de totale vernietiging der troepenmacht van den generaal St.
Priest, die lang in Luxemburg heeft gestaan en daarna Rheims heeft
genomen, maar de gevolgen van Marmonts nederlaag zijn te geweldig.

Page 570

Te Châtillon waren de onderhandelingen intusschen heropend. Van alle
zijden genoopt eindelijk een beslissend antwoord te geven, had de
Caulaincourt een tegenvoorstel ingediend. Hierin nam de Keizer genoegen
met een beperking van zijn gebied tot het vroegere Frankrijk met inbegrip
van Savoye, Nizza en het eiland Elba. Eugène zou Italië behouden tot aan de
Etsch, terwijl de prinsdommen Lucca en Neuchatel benevens het
groothertogdom Berg zouden worden teruggegeven aan hun vroegere
vorsten.

Naar dit tegenvoorstel hadden de bondgenooten in ’t geheel geen ooren. Het
staatkundige evenwicht in Europa duldde niet, dat Frankrijk zulk een
uitgestrekt gebied behield; de ondervinding had hun geleerd, dat de
tusschenstaten, waar een lid der familie Bonaparte het bewind voerde,
slechts in naam onafhankelijk waren. In het tegenvoorstel zagen zij slechts
een middel om de onderhandelingen noodeloos te rekken; zij zouden niet
rusten, voordat Frankrijk binnen zijn oude grenzen was teruggebracht, hun
voorstellen door de Fransche regeering waren aangenomen.

Thans (17 Maart) rijpte in het brein des Keizers een vermetel plan, dat
tegenover een minder talrijken vijand stellig kans van slagen had gehad. Van
Rheims naar Arcis sur Aube was dertien uur gaans. Als hij terstond opbrak
kon hij den volgenden dag daar zijn en dan, in den nacht van den 19en en den
20en naar Troyes marcheerende, komen te staan in den rug van
Schwartzenberg.—“Van deze beweging verwacht ik een enorm succes, want,
bevindt zich het vijandelijke hoofdkwartier nog te Troyes, dan zal hierbij
groote verwarring ontstaan,” schreef hij aan den minister van Oorlog Clarke,
en aan Jozef.

Terwijl Mortier met 10.000 man bij Rheims en Soissons, Marmont met 7000
man bij Berry au Bac staan bleven met den last Parijs te dekken tegen
Blücher, ging hij dus zelf, door troepen uit Parijs versterkt, met circa 22.000
man op marsch, ontmoette bij Arcis slechts weinig wederstand, geraakte
hierdoor en door onjuiste rapporten in de meening, dat Schwartzenberg met
zijn geheele macht voor hem terugweek naar ’t zuidoosten, en besloot nu
snel naar de vestingen van Lotharingen te marcheeren, de bezettingen van

Page 571

deze bij zijn macht aan te trekken en, aldus krachtig geworden, weder
aanvallend te werk te gaan.

Schwartzenberg liet hem hiertoe echter den tijd niet; toen hij uit Arcis wilde
afmarcheeren, greep die hem met overmacht aan (21 Maart), bracht hem
zware verliezen toe en dwong hem uit te wijken.

Toch gaf de Keizer zijn voornemen om op Metz of Verdun aan te rukken, en
dus in ’s vijands rug te opereeren, niet op. Hij beval Mortier en Marmont
zich over Châlons-sur-Marne bij hem aan te sluiten en toog op weg.

Schwartzenberg liet hem begaan, deed hem slechts volgen door een sterke
afdeeling cavalerie, vereenigde zich den 23en bij Châlons met Blücher en
toog op marsch naar Parijs. Tegelijkertijd bereikte Napoleon St. Dizier.

Twee dagen later was over het lot van Frankrijk beslist. In de stellige
verwachting, dat de Keizer, uitwijkende voor Schwartzenberg, zou teruggaan
in de richting van Parijs, dus in die van hun stelling, waren Mortier en
Marmont hem naar La Fère Champenoise tegemoet gerukt, hier door een
overstelpende massa cavalerie aangegrepen en onder zulke zware verliezen
terug geslagen, dat er van hun beide korpsen niet veel meer dan een handvol
krijgers ± 12.000 man, overbleven. Door een echt noodweer overvallen,
hadden deze niet eens van hun vuurwapen gebruik kunnen maken en waren
langs omwegen nu in allerijl naar Parijs op marsch.

De weg hierheen stond thans voor de bondgenooten wijd open; de laatste
hinderpalen waren gevallen. Napoleon was te ver weg, om hen te kunnen
schaden.—In drie colonnes over Meaux en Lagny werd de opmarsch
begonnen. Enkele dagen later (29 Maart) vestigden de keizer van Rusland en
de koning van Pruisen hun hoofdkwartier te Bondy, bijna onder de muren
van de hoofdstad.

Nog versaagde Napoleon niet. Vóór de bondgenooten moest hij Parijs
hebben bereikt! Van Troyes naar ginds was vijftig uur gaans. Alle
maatregelen trof hij om zijn leger den 2en April daar te hebben verzameld.
De infanterie zou als van ouds op karretjes, de artillerie met postpaarden
vervoerd worden; in den avond van den 30en Maart bevond hij zelf zonder

Page 572

de garde zich reeds bij Fromenteau, geen vijf uur gaans meer van de
hoofdstad. Daar trad de Generaal Belliard op hem toe met de tijding, dat de
stad dienzelfden middag had gecapituleerd!

Tot juist begrip van den toestand is het noodig thans een stap terug te doen.

Evenals vóór den veldtocht naar Rusland was Maria Louise bij het vertrek
van haar gemaal als regentes te Parijs achtergebleven. Cambacérès zou haar
ter zijde staan, eveneens Jozef, die, uit zijn ballingschap op Mortefontaine
ontslagen, evenals Jérome verlof had ontvangen zich te Parijs te vestigen
met den titel van “koning.” Toen nu den 23en de tijding werd ontvangen, dat
de bondgenooten Meaux hadden bezet, had Jozef den Raad van Regentschap
op de Tuilerieën ontboden, om te overleggen of de keizerin en haar zoon wel
langer te Parijs zouden blijven. Heengaan stond gelijk met aanleiding geven
tot een omwenteling, waartoe alle elementen reeds ruimschoots aanwezig
waren. Blijven stelde de keizerin bloot aan ’t gevaar te worden gevangen
genomen en in handen van de bondgenooten een kostbare gijzelaar te
worden.

Nog waren de meeningen verdeeld, toen Jozef den knoop doorhakte door het
voorlezen van een brief van den Keizer uit Rheims van den 16en Maart:

“Broeder, overeenkomstig mijn mondelinge bevelen aan u en in den geest
van al mijn orders, moogt ge in geen geval toelaten, dat de Keizerin en de
Koning van Rome in ’s vijands handen vallen.—Nadert de vijand Parijs met
groote overmacht, doe de Regentes, mijn zoon, de
grootwaardigheidsbekleeders, de ministers, de hoofden van den Senaat, de
voorzitters van den Raad van State en de grootofficieren van de kroon dan
vertrekken in de richting van de Loire. Verlaat mijn zoon niet en vergeet niet,
dat ik hem liever in de Seine zie dan in de handen van Frankrijks vijanden.”

Dus werd tot vertrek besloten. Den 29en Maart kwamen de reiswagens voor,
en ging de regentes, die de laatste dagen heel wat tranen vergoten en zich als
een willoos wezen gedragen had, ondanks het schreien van haar zoontje, dat
de Tuilerieën volstrekt niet wilde verlaten, met een verlucht hart op weg naar

Page 573

Blois. De meeste leden van den Raad van Regentschap vergezelden haar.—
Alleen Talleyrand niet; deze had zich aan de barrière laten terugwijzen, quasi
omdat hij geen paspoort bezat. Hij had zijn plannen voor de toekomst reeds
gemaakt; voor deze was zijn tegenwoordigheid te Parijs noodzakelijk. De
bondgenooten stonden immers voor de poort! De Bourbons en hun aanhang
wachtten!—Het oogenblik, waarop hij kon wraaknemen voor al de
verdiende en onverdiende beleedigingen, hem jaren achtereen door
Napoleon naar het hoofd geslingerd, naderde snel.

Wel trachtte Jozef de Parijsche burgerij nu door een proclamatie op te
wekken “tot een kortstondigen maar heftigen weerstand, tot de Keizer zou
zijn teruggekeerd,” doch waarmede moest die weerstand geboden?
Vierhonderd zware vuurmonden lagen wel met hun munitie in de arsenalen;
eenige duizenden geweren waren er ook nog; zelfs eenige duizenden
soldaten zouden wel bijeen te brengen zijn geweest;—1200 man van de
garde dienden de keizerin tot geleide—doch de tijd ontbrak; niets was er
voorbereid en—bij de autoriteiten ontbrak tevens de lust tot feitelijk verzet
binnen de muren der stad.

Om de toegangen tot Parijs te verdedigen waren dus alleen beschikbaar de
zeer gedunde korpsen van Mortier en Marmont, eenige detachementen
cavalerie, een bataljon sappeurs en 3 à 4000 soldaten, herstellende zieken en
gekwetsten, benevens eenige honderden nationale gardes en de leerlingen
der polytechnische school. Toch is er met deze geringe, bijeengeraapte
macht in den morgen van den 30en Maart van de voorstad La Villette tot
Charenton, onder Marmonts bevelen met wanhopige hardnekkigheid tegen
Schwartzenberg gestreden.—Toen ontvingen Marmont en Mortier van Jozef,
die met Jérome op hetzelfde uur de stad den rug toekeerde en naar Blois
vertrok, een briefje, waarin hun verlof werd gegeven met den prins van
Schwartzenberg en met den keizer van Rusland in onderhandeling te treden,
als de overmacht hun te groot mocht worden.1

Als ridderlijke, trouwe soldaten weigerden de maarschalken echter nu reeds
van die machtiging gebruik te maken. Tot in den namiddag zetten zij het
ongelijke gevecht hardnekkig voort. Ten slotte waren al de hoogten aan de
oost- en de noordoostzijde van de stad met vuurmonden bekroond, was de

Page 574

brug bij Charenton in handen der Russen, en stond Blücher op de hellingen
van den Montmartre. Toen besloot Marmont van zijn machtiging gebruik te
maken en om verder noodeloos bloedvergieten te voorkomen een
wapenstilstand te verzoeken.—Deze werd toegestaan, doch slechts voor vier
uur.

In zijn hôtel teruggekeerd, vond de maarschalk daar een groot aantal
bankiers, notabelen en grondbezitters, die verlangden naar een capitulatie;
zij hadden genoeg van den strijd en waren beducht voor hun eigendommen.

Werd de stad met storm genomen, dan waren de ellende en de rampspoed
niet meer te overzien.

Een korte poos aarzelde Marmont, vooral toen generaal Dejean binnentrad
met de mededeeling, dat Napoleons leger in aantocht was, een zeer
optimistische, onware voorstelling van den toestand. Dat leger was nog zeer
ver weg.—Ten slotte gaf hij toe, er werd tot een verdrag besloten (30 Maart).

“Goed nieuws, lieve vriendin! Maarschalk Marmont heeft daareven met zijn
korps gecapituleerd. Dit is het gevolg van onze proclamaties en brieven. Hij
wil niet langer vóór Bonaparte tegen het vaderland dienen,” schreef
Talleyrand dienzelfde avond nog aan zijn nicht de hertogin van Koerland.
Hoe prins von Metternich dacht over dezen sluwen staatsman en
voormaligen bisschop van Autun, zijn vriend en medeplichtige, vinden wij in
zijn Gedenkschriften: “Hij was een buitengewoon schrander man. Van zoo
nabij heb ik hem gekend, dat ik hem grondig heb kunnen bestudeeren.
Vernietigen meer nog dan behouden lag in zijn karakter. Als priester werd hij
door zijn temperament medegesleurd op anti-godsdienstige wegen. Zelf van
adellijke geboorte, pleitte hij niettemin voor de vervallenverklaring van den
adelstand; onder het republikeinsche stelsel spande hij samen tegen de
Republiek; onder het Keizerrijk conspireerde hij tegen den Keizer; eindelijk
onder de Bourbons arbeidde hij aan de omverwerping van de wettige
dynastie.”

Bijna zoolang keizer Alexander te Parijs is gebleven, was Talleyrand zijn
gastheer. Schier onbegrijpelijk is ’t, dat Napoleon dezen man, dien hij toch
zoo door en door kende, zooveel jaren in zijn naaste omgeving heeft geduld.

Page 575

Van af den vrede van Tilsit had hij voortdurend tegen hem samengespannen.
Toen Champigny bij den vrede van Weenen (1809) van Oostenrijk vijf en
tachtig millioen francs schadevergoeding van Oostenrijk had weten te
verkrijgen, terwijl er door Napoleon slechts op vijf en zeventig was
gerekend, vond deze dit een prachtig resultaat. “Was Talleyrand in uw plaats
geweest, dan had hij mij die 75 millioen gegeven en de rest in zijn zak
gestoken,” zei hij. Bij verschillende gelegenheden had hij Talleyrand uit zijn
schulden geholpen, maar hem ook grenzenloos beleedigd; toch bedroog en
verried hij Napoleon en toch bleef de Keizer hem handhaven. Dergelijke
raadselachtige staaltjes van zwakheid om geen scherper woord te bezigen,
zijn in het leven van dezen overigens zoo wilskrachtigen man geen
zeldzaamheid. Stellig zijn ze in elk geval een bewijs, dat hij voor zijn
dienaren niet zulk een gevoelloozen, harteloozen meester was als men vaak
heeft beweerd.

Terwijl Marmont dus capituleerde, waren graaf Dalberg, de senator Jaucourt
en de drie geestelijken de Pradt, Louis en de Montesquiou bij Talleyrand om
te overleggen over den vorm van een nieuw bewind. Volgens deze in
Frankrijk welbekende staatslieden was Napoleon een verloren man; zij
besloten de Bourbons terug te roepen.

Voorafgegaan door een twintigtal ruiters, die met witte zakdoeken wuifden,
een witte cocarde droegen en luidkeels: “Leve de Bourbons!” riepen, een
kreet, die aanvankelijk slechts verbazing wekte,—de Bourbons waren reeds
zooveel jaren geleden verdwenen—en die in de voorsteden met een
daverend Vive l’ Empereur! werd beantwoord, trokken de bondgenooten met
keizer Alexander aan de spits Parijs binnen.—Zeker uit kieschheid tegenover
zijn dochter was keizer Frans nog te Dijon gebleven.—Terwijl nu op
aandrang van enkele heethoofden het standbeeld van Napoleon op de place
Vendôme door den vervaardiger, den heer Launay, van zijn voetstuk werd
genomen, kwamen in ’t hôtel van Talleyrand eenige voorname Fransche en
buitenlandsche personen, waaronder de koning van Pruisen en
Schwartzenberg bijeen, om onder de leiding van keizer Alexander te
beraadslagen.

Page 576

Vrede sluiten met Napoleon en een regentschap instellen over diens zoon
waren twee punten, die Talleyrand terstond wist op zijde te schuiven, “als
zijnde in strijd met de duidelijk uitgesproken wenschen der natie.” Voor het
herstel der Bourbons (de restauratie) ijverde hij sterk. Wanneer een beroep
op den Senaat (zijn willoos werktuig) werd gedaan, zou de omwenteling, die
voor de deur stond, al den schijn hebben van wettigheid, betoogde hij.—Dat
de Bourbons niet op den ouden voet weder met het gezag bekleed zouden
worden, dat zij zijn voorwaarden zouden moeten aannemen, stond bij hem
reeds vast.

Eenmaal tot de restauratie besloten, vaardigde keizer Alexander een
proclamatie uit, waarin hij verklaarde, “dat de bondgenooten niet meer met
Napoleon Bonaparte of met een van diens familieleden wilden
onderhandelen, dat zij den oorspronkelijken vorm van Frankrijk
eerbiedigden, en den Senaat uitnoodigen zouden een voorloopig bewind
samen te stellen. Dit zou dan in de behoeften van het beheer voorzien en een
grondwet voorbereiden naar keuze der natie. Deze zouden zij dan
waarborgen.”

Den 1en April benoemde de Senaat, door Talleyrand in zijn hoedanigheid van
vice-grootkeurvorst bijeengeroepen, dus een voorloopig bewind van vijf
leden: Talleyrand, graaf de Jaucourt, den staatsraad hertog van Dalberg, den
abbé de Montesquiou en den generaal de Beurnonville. De Parijsche
gemeenteraad teekende een verklaring ten gunste der onvoorwaardelijke
terugroeping van de Bourbons. Het Wetgevend Lichaam, uit zijn asch
verrezen, nam het voorstel van den Senaat zonder discussie aan.

De keizer van Rusland en de koning van Pruisen ontvingen van een en ander
kennis, en den 3en April nam het Voorloopige Bewind het besluit over van
den Senaat, waarbij Napoleon werd vervallen verklaard van den troon, het
recht van erfelijkheid in zijn familie afgeschaft, de Fransche natie en het
leger ontslagen werden van den eed van trouw, aan hem gezworen. Den
volgenden dag ontsloeg een nieuw besluit al de nog niet onder de wapenen
geroepen of niet ingedeelde conscrits en de bataljons der nieuwe levée en
masse.

Page 577

Wat een vreugde heerschte er in ’t kamp der koningsgezinden! Hadden zij
hun zin gekregen, dan waren de Bourbons nu terstond teruggeroepen. De
heer de Vitrolles, een volbloed royalist, was zelfs reeds op weg naar den
graaf van Artois, die zich wijselijk te Nancy nog had schuil gehouden, met
verzoek als ’s konings plaatsvervanger terstond naar Parijs te komen.
Talleyrand, als altijd kalm en ironisch, en graaf Dalberg, een volbloed
liberaal, gaven den ijver dier heeren echter een koud bad door de verklaring,
dat alvorens er van een herstel der Bourbons sprake kon zijn eerst een
grondwet moest worden samengesteld.

Thans keeren wij naar den Keizer terug.

Laat in den avond van den 30en Maart heeft hij bij Fromenteau generaal
Belliard dus ontmoet met de tijding, dat Parijs zich heeft overgegeven, en dat
Marmont en Mortier reeds naar Fontainebleau op weg zijn om hier te
worden onder dak gebracht. Hij overstelpt hem met een stortvloed van snel
op elkander volgende vragen naar zijn vrouw, zijn zoon, zijn broer Jozef,
naar Clarke en de troepen en begint dan snel voort te stappen. Hij wil
volstrekt naar Parijs.

Nadat de Caulaincourt, Berthier en Belliard hem van dit voornemen hebben
teruggebracht, gaat hij met het hoofd in de handen op een mijlpaal naast den
weg zitten. Hij is doodaf. Het laatste etmaal is hij bijna niet uit den zadel
geweest. Als hij opstaat, is zijn gelaat bleek doch kalm. Onwrikbare
wilskracht gloeit in zijn oog. Hij geeft de Caulaincourt order naar Parijs te
gaan, keizer Alexander op te zoeken en paal en perk te stellen aan de
intriges, welke daar tegen hem worden gesmeed. Berthier moet de armee en
de afdeelingen van Marmont en Mortier opstellen aan het riviertje de
Essonne; dan rijdt hij met Berthier door naar Fontainebleau.

Voornemens al het mogelijke te doen om tot vrede te komen, vertrok de
Caulaincourt naar Parijs en werd door keizer Alexander ontvangen met een
veelzeggend: “’t Is wel erg laat.” Ook sprak hij met Schwartzenberg en
enkele Fransche diplomaten en ontving ten slotte den raad Napoleon te

Page 578

bewegen tot abdiceeren. “Dan kon er later een besluit genomen worden
betreffende een regentschap.”

Vol walging van al de aanzienlijke personages die, voor een deel door den
Keizer tot grootheid en aanzien gekomen, thans niet eens hun stem
verhieven om voor hem te pleiten, keerde hij in den nacht van den 2en April
naar Fontainebleau terug, deed verslag van zijn zending, doch kon Napoleon
geen beslissend antwoord ontlokken. Deze had reeds in stilte het geduchte
plan gevormd, zoodra hij zijn beschikbare troepen bijeen had, naar Parijs te
rukken en daar de wapenen te doen beslissen. Den 4en konden Macdonald,
Oudinot en Gerard met hun korpsen hem hebben gevonden; dan zou zijn
leger circa 70.000 man sterk zijn; na één dag rust kon hij op marsch gaan.

Den 4en hield hij een revue over de garde, die in haar geheel stelling had
genomen achter de troepen aan de Essonne, en sprak de officieren en
onderofficieren daarna toe: “Soldaten, de vijand is ons drie marschdagen
vóór geweest, hij is meester van Parijs. Daar moet hij vandaan gejaagd.
Onwaardige Franschen, émigrés, die wij voorheen de zwakheid hebben
gehad genade te schenken, hebben met hem gemeene zaak gemaakt en de
witte cocarde op den hoed gestoken. Die lafaards zal het loon voor dezen
nieuwen aanslag niet ontgaan. Laten wij zweren te overwinnen of te sterven
en den hoon te wreken, het vaderland en onze wapenen aangedaan.”

“Dit zweren wij!” was het antwoord, vol geestdrift en hartstocht gegeven.
Toen werd voor hem gedefileerd.

Nauwelijks was hij de trap van ’t paleis weder op of de maarschalken staken
de hoofden bij elkander. Wat hij voornemens was te doen was gekkenwerk!
Het moest hem worden belet.—De maarschalken werden door hun generaals
en hoofdofficieren letterlijk voortgedrongen naar de deur van zijn kabinet,
om hem de gehoorzaamheid op te zeggen. Zoover was het verzet zelfs reeds
gevorderd, dat hier en daar een dreigend woord viel aan zijn adres, indien hij
wagen dorst de maarschalken te doen arresteeren.

In ’t bijzijn o.a. van Berthier, Maret en de Caulaincourt stapte Napoleon
driftig en luid sprekende, in zijn kabinet op en neer, toen Lefebvre, Oudinot
en Ney zwijgend binnentraden. Op hun gelaat stond te lezen wat er in hun

Page 579

gemoed omging. Wederom ontvouwde hij hun zijn plannen; hij sprak van
één laatste krachtsinspanning, die hun dan rust zou schenken na vijf en
twintig jaar arbeid. Zijn woorden troffen echter geen doel.

“Wilt ge dan dienen onder de Bourbons?” Een levendig protest was het
antwoord. “Gaarne onder den Koning van Rome,” riep Ney. Juist betoogde
Napoleon, dat de keizerin zich als regentes geen uur zou kunnen staande
houden, en dat de Bourbons dan binnen veertien dagen de baas zouden zijn,
toen Macdonald, even te voren aangekomen, met een open brief in de hand
binnentrad. In dien brief bezwoer de Beurnonville zijn ouden vriend in naam
hunner vriendschap en van zijn huisgezin zich los te rukken van een tiran,
die thans nog slechts een rebel was, en zich te geven aan de Bourbons, die
met den vrede in de eene, de vrijheid in de andere hand, op het punt stonden
in Frankrijk terug te keeren.

Op de vraag van wien die brief was, en op Macdonalds antwoord, dat hij
geen geheimen voor zijn Keizer had, moest Maret het schrijven hardop
voorlezen. Onder een minachtend zwijgen luisterde Napoleon.—“De
Beurnonville en zijn gelijken zijn niets dan intriganten, die met de
bondgenooten onder één deken liggen en een tegenomwenteling op het oog
hebben,” zeide hij ten slotte en begon weder over den tocht naar Parijs te
spreken.

“Maar als de soldaten dan weigeren te volgen,” waagde Macdonald te
zeggen.

“Dit zou dan de schuld zijn van de heeren hier. Mij zouden ze wèl volgen.”

Daarop zond hij de maarschalken weg. Hij wilde nadenken.

Veel tijd nam hij hiervoor niet. Na een kortstondig gesprek met Maret en de
Caulaincourt, waarbij hij o. a. zijn gevoeligheid toonde over dien brief,
greep hij een pen:

“Dewijl de verbonden mogendheden hebben verkondigd, dat Keizer
Napoleon de eenige hinderpaal is voor het herstel van den vrede in Europa,
verklaart Keizer Napoleon, getrouw aan zijn eed, dat hij bereid is afstand te

Page 580

doen van den troon van Frankrijk en desnoods zelfs het leven te laten voor
het heil des lands, onafscheidelijk als dit is verbonden met de rechten van
zijn zoon, niet die van het regentschap der Keizerin en met de handhaving
der wetten van het Keizerrijk. Gedaan, in ons paleis van Fontainebleau, den
4en April 1814.

Napoleon.”

Met de opdracht aan Marmont te vragen of hij hen naar Parijs wilde
vergezellen, begaven de Caulaincourt, Macdonald en Ney, die dit staatsstuk
naar keizer Alexander brengen en de rechten van het regentschap bepleiten
zouden, zich naar Essonnes. Hier vernamen zij van Marmont, dat hij met
Schwartzenberg onderhandeld en zich verbonden had, het leger des Keizers
te verlaten. Zij verbaasden zich, Marmonts eigenliefde kennende, niet al te
zeer over deze daad, togen met hem naar Parijs, en gaven Talleyrand kort en
bondig te kennen, dat zij maling hadden aan zijn nieuwbakken Voorloopig
Bewind. Hierna spraken zij met Alexander, die in zijn gemoed met den
terugkeer der Bourbons in geenen deele was ingenomen en wel iets gevoelde
voor een regentschap, maar tenslotte moesten zij toch onverrichter zake
vertrekken.

De daad van Marmont was bekend geworden. Het leger was vleugellam
geslagen; de vrees voor een aanval van Napoleon op Parijs verdween; en
toen zijn gevolmachtigden, nog ziedende van verontwaardiging over ’t geen
zij ginds gehoord en gezien hadden, bij hem terugkeerden, konden zij hem
alleen mededeelen, dat zijn voorwaardelijke abdicatie niet was aangenomen
en dat een onvoorwaardelijke werd geëischt.

Diep getroffen, omdat hij behandeld werd als een vogelvrij-verklaarde, met
wien men niet verkoos te onderhandelen, weigerde hij aanvankelijk
volstandig hiertoe over te gaan en somde al de korpsen op, die uit Italië en
uit Spanje onder Grenier, Soult en Suchet naar hem op marsch waren. Zelfs
stelde hij zijn generaals voor met zijn geheele macht terug te gaan tot achter
de Loire.

Hun uitroep vol ontsteltenis: “Of hij Frankrijk in tweeën splitsen en een
burgeroorlog beginnen wilde!” belette hem echter voort te gaan. De

Page 581

woedende strijd in zijn binnenste was op zijn gelaat zichtbaar.

Als hij ook zijn voorstel om hem te volgen naar de Alpen, naar Italië, met
een dof gemor of een somber zwijgen beantwoord zag, gaf hij den strijd op.

“De heeren verlangen naar rust. Welaan, deze zij hun geschonken! Welke
smarten hen op hun donzen bed wachten, weten zij nog niet. Hebt maar een
jaar of wat geduld, dan raapt de dood u nog sneller weg dan in een
veldtocht,” zeide hij en trad naar een tafeltje, schreef een verklaring, dat hij
voor zich en zijn nakomelingen afstand deed van den troon van Frankrijk en
van Italië en zond dezelfde deputatie daarmede naar Parijs terug.

Met uitbundige vreugde werd dit stuk door Talleyrand en zijn clique
ontvangen. Alle vrees voor den Corsicaanschen Menscheneter, zooals men
Napoleon in die dagen heeft betiteld, was nu geweken. Geen Nero, geen
Robespierre werd nu zoo vervloekt als hij; al het goede was op eens
vergeten. Alleen de gloeiende haat was aan ’t woord. De Chateaubriand goot
nog olie in dezen laaien gloed met een pamflet, waarin hij hem van de
laagste ondeugden en misdaden betichtte.

De Keizer was inmiddels te groot om zich niet boven zulke onwaardige taal
verheven te gevoelen; ook kende hij zich zelf te goed om niet te weten, dat
die haat van een natie, welke hem zooveel jaren schier aangebeden had, niet
geheel onverdiend was.

Den 6en April kon men in het Bulletin des Lois kennis nemen van de nieuwe
grondwet. “Uit vrije beweging”2 riep deze Louis-Stanislas-Xavier van
Frankrijk en na hem de leden van zijn geslacht naar den troon.

Den 11en werd beslist over het lot van Napoleon zelf. Hij moest afstand doen
van de souvereiniteit over Frankrijk en Italië. Het eiland Elba werd hem
levenslang afgestaan; jaarlijks zouden hem twee millioen francs, waarvan de
helft naar verkiezing af te dragen aan de keizerin, worden uitgekeerd. De
hertogdommen Parma, Piacensa en Guastalla kwamen aan deze en haar
zoon. Het jaargeld van Joséphine werd met de helft verminderd. Eindelijk
werd hem toegestaan vierhonderd man van zijn garde mede te nemen.—Aan
geld en geldswaarde bezat hij op dat oogenblik nog geen drie millioen

Page 582

francs; hiervan zou hij ginds zijn soldaten moeten onderhouden en in den
dienst van zijn huishouden voorzien!

1 Deze machtiging berustte op een vroegere, door Napoleon zelf aan Jozef gezonden last, met de
bedoeling daarvan alleen in den uitersten nood gebruik te maken.

2 Dus niet onder den druk der bondgenooten.—Deze hadden zich vrijwel neutraal gehouden.

Page 583

Page 584

Hoofdstuk XXVII.

Page 585

Op Elba. In Frankrijk terug.

Aanvankelijk weigerde hij deze voorwaarden te
onderteekenen. “Waartoe diende zulk een tractaat, als
men niet verkoos de belangen van Frankrijk met hem te
regelen?”

In den nacht van 12 April deed hij een poging tot
zelfmoord met een dosis opium, welke hij na den terugtocht uit Moskou
steeds bij zich droeg. Gelukkig, dat de Caulaincourt, dien hij bij zich had
ontboden om afscheid van hem te nemen, spoedig zag wat er aan de hand
was en ijlings dokter Iwan liet roepen. Zoodoende was hij den volgenden
morgen weder zoo goed als hersteld.

In de nu volgende dagen, want eerst den 19en kwam het tractaat geteekend
uit Londen terug, werd het voortdurend stiller in ’t paleis. Onder allerlei
voorwendsels begonnen zijn vroegere getrouwen hem te verlaten. Ney
verdween, zelfs Berthier. Constant en zijn mameluk Rustan volgden. Alleen
Maret en de Caulaincourt, Macdonald, Mortier, benevens Moncey, die de
barrière van Clichy bij Parijs zoo roemrijk had verdedigd, kwamen hem
opzoeken. Den meesten tijd sleet hij in den nabijgelegen tuin, in zijn
bibliotheek of in de galerij, waar zijn officieren zich bevonden. Zoo kalm en
waardig was zijn houding, zoo welwillend en vriendelijk zijn toon van
spreken tegen de weinigen, die hem nog omgaven, alsof hij al ’t
voorgevallene reeds scheen vergeten. Vertrouwelijk of ernstig evenals
voorheen bij de recepties op de Tuilerieën, steeds zich zelf meester,
onderhield hij zich met hen over allerlei onderwerpen.

Toen hij den 20en afscheid zou nemen van zijn oude, getrouwe garde, van de
mannen, die hem door half Europa waren gevolgd en thans voor het laatst op
het plein voor het kasteel voor hem in slagorde stonden geschaard, was hij

Page 586

zijn ontroering toch niet meester. Groote tranen schoten in zijn oogen, toen
hij met een kort, kernachtig woord allen vaarwel zeide, hun aanbeval
Frankrijk getrouw te blijven dienen en ten slotte een innigen kus drukte op
het vaandel, dat generaal Petit hem bood. Alleen het snikken van zijn oude
grognards, die hun afgod, hun petit caporal, gingen verliezen, verbrak de
stilte, welke op dit voor alle aanwezigen onvergetelijke oogenblik op het
plein heerschte.

Nog eenmaal, voor ’t laatst klonk zijn: “Vaarwel, nogmaals vaarwel, mijn
oude krijgsmakkers!” Toen scheurde hij zich los uit de omarming zijner
generaals, wierp zich in zijn rijtuig en reed weg.

Een daverend: Vive l’Empereur! klonk hem achterna.

Tot aan de grenzen van Provence zou hij dien kreet ook van de
plattelandsbevolking nog telkens hooren.—Daar echter veranderde de
stemming. Voor een geleide van kozakken en Oostenrijkers had hij bedankt;
hier had hij dit toch wel kunnen gebruiken, want te Avignon en te Orgon
werd hij met beleedigingen en bedreigingen overstelpt. Te Saint-Cannat
werd hij door de bevolking in een herberg zelfs letterlijk belegerd, en
gelukte het hem eerst, vermomd in de uniform van den Oostenrijkschen
generaal Köhler, in ’t donker te ontsnappen. Zijn geheele houding bij deze
gelegenheid verried, dat deze uitbarsting der volkswoede hem, den man, die
vroeger nooit vrees had gekend, geducht aangreep. Hij weende.

Op het kasteel Bouilledou bij Fréjus, vond hij zijn zuster Pauline. Hem in
Oostenrijksche uniform ziende, had zij hem eerst geen zoen willen geven;
toen zij de reden dezer vermomming vernam, veranderde haar houding
geheel; terstond verklaarde zij zich bereid hem naar Elba te volgen.
Derwaarts begaf zich weldra ook Madame Mère; aanvankelijk had deze
Maria Louise vergezeld naar Blois en was van hier met haar broeder, den
kardinaal naar Rome vertrokken.

Te Fréjus waar hij veertien jaar te voren bij zijn terugkomst uit Egypte aan
land was gestapt, nam Napoleon afscheid van de commissarissen der groote
mogendheden, die hem tot zoover hadden vergezeld en die tusschen Lyon en
Valence getuige waren geweest van de beleedigende manier, waarop de daar

Page 587

bevelvoerende maarschalk Augereau hem bij hun ontmoeting had bejegend,
en die hem feitelijk had moeten beschermen tegen de woede en den
moordlust zijner eigen landgenooten.

Het door hem zelf uitgekozen Engelsche fregat the Undaunted zou hem
overbrengen naar Elba.—“De Engelschen zijn een vrij volk; zij hebben
eerbied voor zich zelf,” had hij reeds vroeger eens gezegd.

Men schreef 30 April 1814.

Afscheid van de Garde vóór het vertrek naar Elba.

Pauline uitgezonderd, had de Keizer van niet één zijner bloedverwanten
afscheid kunnen nemen. Zijn vrouw was den 29en Maart schreiende uit Parijs
vertrokken op weg naar Blois, had onderweg vernomen wat er te Parijs en
Fontainebleau was geschied en, door Jozef en Jérome met
liefdesverklaringen lastig gevallen, was ze zeer verheugd geweest toen een

Page 588

paar militaire commissarissen der bondgenooten haar onder hun hoede
hadden genomen. Een gemachtigde van het Voorloopig Bewind had haar te
Orleans beroofd van haar tafelzilver, van een deel harer juweelen en van
ruim tien millioen francs in goud, een deel van ’t geen Napoleon door
spaarzaamheid in zijn huishouden had overgespaard. Dit alles heette aan de
schatkist ontstolen en Talleyrand, die geld noodig had, gaf kortaf bevel tot
dien roof, terwijl haar beschermers het niet konden verhinderen.

Te Rambouillet had zij den 16en April haar vader weergezien. Keizer
Alexander en de koning van Pruisen waren haar daar komen begroeten.
Onder de hoede der Russische bajonetten had zij zich met haar kind veilig
gevoeld voor verdere beleedigingen en weinig bezwaar had zij gemaakt zich
naar Aix les Bains te begeven tot Europa een weinig tot rust zou zijn
gekomen. Het vooruitzicht hertogin van het mooie Parma te worden, de kans
om ook eenmaal over Toscane den schepter te voeren en de belofte haars
vaders, dat het haar zou vrij staan te Parma of Elba haar verblijf te vestigen,
hadden hierbij niet weinig gewicht in de schaal gelegd.

Maar vragen wij ons af, waarom ging Maria Louise niet naar Fontainebleau,
toch zeker was daar de plaats voor de echtgenoote van den man, die thans in
diepe ellende zat. Was haar liefde voor den Keizer verzwakt? Men zou het
niet zeggen, als we denken aan den brief door haar nog den 12en April aan
hem geschreven, waarin ze tal van bijzonderheden vermeldt over hun kind.
Neen, ze had haar gemaal, den eersten man dien ze had leeren kennen, nog
hartelijk lief, en het plan had ook bij haar bestaan hem te Fontainebleau op te
zoeken, zooals o. a. blijkt uit den brief van den 8en April aan haar vader.
Toch vertrok ze daar niet heen. De angst, dat ze misschien zou opgelicht
worden, de pressie op haar uitgeoefend van de zijde van Schouvalov, een der
afgevaardigden, deed de jonge en toch al weinig flinke vrouw besluiten, haar
vader te gehoorzamen en zich met haar kind aan zijn zorg toe te vertrouwen.

De brief van den 12en April, ontvangen na zijn poging tot zelfmoord, had
den Keizer veel goed gedaan. Aan de Caulaincourt had hij opgedragen haar
op te zoeken en haar te vragen of zij zich over Orleans bij hem wilde
voegen. Later was hij hierop teruggekomen en had hij verzocht geen drang
op haar uit te oefenen.—“Het door haar te nemen besluit moet voortkomen

Page 589

uit haar eigen hart; ik ken de vrouwen en vooral mijn eigen vrouw tegoed.
Een gevangenis in plaats van het Fransche hof, zooals ik dit gemaakt heb,
zou een zware beproeving voor haar zijn. Toonde zij mij een treurig gezicht
of verried zij verveling, dan zou mij dit bitter leed doen. Liever blijf ik dan
alleen. Komt zij uit eigen beweging tot mij, dan zal ik haar met open armen
ontvangen; anders is het beter, dat zij blijft, waar zij is. Ik zal haar alleen
vragen om ’t bijzijn van mijn zoontje.”

Zoo sprak de Keizer; zoo dacht hij over de vrouw, die hij zelf den titel van
Regentes van het Keizerrijk had geschonken, een bewijs van liefde en
vertrouwen, zooals Joséphine zelfs nooit van hem had ontvangen.

Twee brieven, in die dagen aan haar, aan “zijn goede Louise,” aan “zijn
goede Louise-Marie” gericht, zijn openbaar gemaakt. Van zijn eigen rampen
spreekt hij daarin niet; hij verneemt, dat zij te Aix de baden moet gaan
gebruiken en alleen de zorg voor haar gezondheid vervult hem. Kan zij niet
terstond naar Elba komen, dan moet zij stellig zoo spoedig doenlijk naar
Parma reizen. Een detachement zijner Poolsche chevau-légers en honderd
koetspaarden zendt hij derwaarts reeds vooruit.

Dat die baden te Aix slechts een voorwendsel zijn om tijd te winnen, weet
hij niet; dat de diplomatie reeds over zijn vrouw heeft beschikt, is voor hem
een geheim; dat Talleyrand op zijn werk der wrake de kroon wil zetten en
hem ook voor altijd scheiden zal van vrouw en kind, kan hij, de man van
lagere afkomst, in de kunstgrepen der hoogadellijke diplomaten niet zoo
doorkneed als “die weerzinwekkende horlevoet,” niet bevroeden. Hoe wil hij
weten dat mevrouw de Brignole, hofdame van zijn vrouw en een creatuur
van Talleyrand, Maria Louise, die eerlijke raadslieden mist, trapsgewijze
brengen zal tot de overtuiging, dat hij haar nooit heeft liefgehad, haar steeds
bedrogen heeft. Hoe wil hij vermoeden dat zelfs twee kamerdienaars, die te
Fontainebleau zijn weggeloopen, door den prins van Benevento zijn
omgekocht om de verklaringen van die intrigante te steunen?

Ook vermoedt hij niet, dat diezelfde jonge vrouw, die van haar prille jeugd
af niets anders heeft geleerd dan lijdzaam te zijn en te gehoorzamen nog
bijna een jaar lang worstelen zal tegen den op haar uitgeoefenden dwang om
eerst te bezwijken als een nieuwe figuur, die van den eenoogigen generaal

Page 590

Neipperg ten tooneele verschijnt en haar, de dochter van den kuischen keizer
van Oostenrijk, verlaagt tot zijn maitres. Hij denkt nog altijd goed. over haar
als over ... de moeder van zijn zoon.

Van zijn gansche familie heeft alleen Murat, door Oostenrijk geschraagd,
nog zijn kroon behouden. Eugène heeft bij zijn schoonvader een
toevluchtsoord gevonden en den titel ontvangen van hertog van
Leuchtenberg. Elisa is naar Bologna vertrokken. Louis en Lucien bevinden
zich te Rome bij hun moeder.

In diezelfde Meidagen stierf Joséphine. De geweldige slagen, den nog altoos
door haar beminden man toegebracht, zijn diepe val, de schandelijke laster,
waarmede hij werd overstelpt, hadden haar diep gewond. Geen bezoek van
keizer Alexander, geen verzekering van diens grooten eerbied voor haar,
geen hulde, door hem aan haar karakter gebracht, was bij machte herstel te
brengen. Een lichte keelaandoening, die weldra ontaardde in een heftige
bronchitis, sloopte binnen weinige dagen haar krachten geheel. In de armen
harer kinderen, doch het brein tot zelfs in haar laatste oogenblikken met
Napoleons beeld vervuld, blies zij den 29en Mei den laatsten adem uit.

Terwijl het tractaat van Fontainebleau (11 April) de gansche keizerlijke
familie dus getroffen had met verbanning, had het de grenzen van Frankrijk
wijd opengezet voor de Bourbons en hun aanhang. Verwelkomd door al de
Napoleon afvallig geworden maarschalken, met Berthier en Ney aan ’t
hoofd, had de graaf van Artois reeds den dag daarna zijn intocht gehouden
binnen Parijs en was bekleed met den titel van luitenant-generaal van het
koninkrijk, tot zijn dikke, podagreuse doch geleerde oudste broeder, de graaf
van Lille, als Lodewijk XVIII den eed op de nieuwe grondwet, het Groot-
Charter, had afgelegd.

Den 3en Mei hield de nieuwe koning, omstuwd door een drom van
maarschalken zijn intocht binnen Parijs. De koningsgezinden juichten; een
massa dames uit de hoogste standen pronkten met witte zakdoeken in de
hand voor de ramen, waar de stoet passeerde. De handwerksstand en het

Page 591

mindere volk betoonden niet veel geestdrift voor die langvergeten figuren
der voorgaande eeuw; die dachten aan Napoleon; die juichten eerst, toen de
oude garde, de grognards met hun sombere, neerslachtige gezichten,
naderden.—“Leve de oude garde!” klonk het toen als een lang ingehouden
schreeuw van sympathie en hartelijk welkom van de lippen derzelfde
mannen, die even te voren Berthier een hoonend, verwijtend: “Naar Elba!”
hadden toegesnauwd.

De royalisten hadden hun zin. De Keizer was gevallen, een Bourbon weder
koning; vraagt niet tot welken prijs! Den 23en April had de graaf van Artois
met de bondgenooten een overeenkomst aangegaan, waarbij de
vijandelijkheden werden gestaakt, ja, en de vreemde legers Frankrijks
grondgebied zouden ontruimen, doch waarbij Frankrijk werd teruggebracht
tot zijn grenzen van vóór 1 Januari 1792 en waarbij, onverminderd de later
vast te stellen vredesvoorwaarden, 53 vestingen, ruim 12.000 vuurmonden,
31 oorlogsschepen, 12 fregatten, een massa kleine oorlogsvaartuigen
benevens de inhoud van alle arsenalen, de geschutgieterijen, de magazijnen
van kleeding met hun kostbaren inhoud, om kort te gaan al het oorlogstuig,
dat het land bezat, een waarde van duizenden millioenen
vertegenwoordigende, onvoorwaardelijk aan den vijand werden afgestaan.

Met één pennestreek van het Voorloopige Bewind was het land weerloos
gemaakt!

Omtrent de rijken buiten Frankrijk kunnen wij kort zijn. Door de
Oostenrijkers en Murat werd de paus weder naar Rome gevoerd. De koning
van Sardinië en Ferdinand van Spanje keerden in hun staten terug. Milaan
kwam in opstand tegen zijn Senaat, een instelling van Napoleon. Lombardije
en Venetië, die vrij hadden willen zijn, werden weder door Oostenrijk in
bezit genomen. Genua had gecapituleerd tegenover de Engelsche vloot.
Binnen een paar maanden was er van het reusachtige bondgenootschap, door
den Keizer gegrondvest, niets meer over. Alles was teruggekeerd tot de
toestanden van voorheen. Doch neen! In het hart van de natiën van Europa
had Napoleons bestuur denkbeelden, begrippen, gedachten doen ontstaan of
herleven, die niet meer waren te verstikken, die nauw samenhingen met hun
bestaan als mensch en die ondanks alle traditiën, alle dogma’s, alle

Page 592

wanbegrippen zich zouden baan breken, al zouden er jaren en nogmaals
jaren moeten verloopen, voordat de stelselmatige onderdrukking des geestes
voor vrijheid van gedachten en vrijheid van onderzoek het veld had geruimd
en groote maatschappelijke misstanden waren weggenomen.

Op denzelfden dag (3 Mei), dat Lodewijk XVIII te St. Denis de sleutels der
hoofdstad in ontvangst nam en na wijding in de Notre-Dame in de Tuilerieën
terugkeerde, stapte Napoleon te Porto-Ferrajo aan land, de hoofdplaats van
zijn nieuwe koninkrijk. “Dit zal het Eiland der Ruste wezen,” had Napoleon
gezegd, alsof er voor zijn altijd werkzamen geest ooit van rusten sprake kon
zijn. Reeds in de eerste dagen bleek, dat de nieuwe souverein van Elba daar
niet was gekomen om niets te doen; zijn werkzaamheden in dezen tijd waren
enorm, alles werd onderzocht en bekeken op het eiland en toen de eerste
officieele kennismaking had plaats gehad en er op den 16en Mei een feest
was gegeven op het stadhuis, ter eere van zijn komst, volgde de organisatie
van zijn bestuur.

Het kleine domein kreeg een staatkundige indeeling met ministers en een
rechtbank, met een inspecteur over de bruggen en wegen, een directeur der
domeinen enz. Leger en vloot werden niet vergeten. Het eerste bestond uit
ongeveer 1600 man waaronder een afdeeling van zijn oude garde onder
Cambronne, die kort na zijn aankomst op Elba was geland. De generaal
Cambronne, die op verzoek belast was geweest met het overbrengen van die
oude veteranen, op welker komst Napoleon zoo bijzonder gesteld was
geweest, werd tot Militair Gouverneur van Porto Ferrajo benoemd. Voor de
opleiding van officieren werd gezorgd door in navolging van de School te
Parijs een Cadettenschool op te richten, waar ongeveer tien leerlingen waren
ingeschreven.

De vloot bestond uit 5 schepen, waarvan de brik “Inconstant” met 16
kanonnen bewapend tot admiraalschip werd aangewezen.

De Keizer hield voorloopig verblijf op een heuvel bij Porte Ferrajo, waar
enkele huisjes en molens werden weggenomen en van de aldaar gevestigde
paviljoens door de artillerie en genie een centraal paviljoen werd gemaakt,
dat hem als woning zou dienen en dat men wel met den weidschen naam

Page 593

palazza bestempelde, maar dat een kruidenier, die uit de zaken was gegaan
te armoedig zou hebben gevonden.

Bertrand werd er als Groot Maarschalk aan verbonden en mocht bovendien
de Burgerlijke Zaken van het eiland besturen, terwijl Drouot als militair
gouverneur van het eiland zou optreden,

Behalve een hofaalmoezenier, vele secretarissen, paleisprefecten en
ordonnansofficieren kwam het noodige dienst- en keukenpersoneel het hof
van den souverein van het “kleine nest,” zooals Napoleon Elba noemde,
volmaken.

Ook een wijngaard deed hij aanleggen. Zijn soldaten zouden wel zorgen, dat
de druiven niet te rijp werden, merkte hij lachend op. Eindelijk kocht hij het
in een koel dal gelegen buitentje San-Martino om er de heete zomerdagen
door te brengen.

“Ik wil hier voortaan leven als een vrederechter. De Keizer is dood; ik ben
niets meer,” kon men hem herhaaldelijk hooren zeggen. “Ik denk aan niets
meer dan aan mijn eilandje. Voor de wereld besta ik niet meer. Alleen in
mijn familie, mijn huisje, mijn koeien en mijn muilezels stel ik nog belang.”

Van zijn familieleden had aanvankelijk alleen zijn zuster Pauline hem sedert
eind Mei gezelschap gehouden, maar ze was verplicht wegens
gezondheidsredenen tijdelijk naar Napels te gaan. Ook Lætitia kon het in
Rome niet uithouden en trots haar hoogen leeftijd kwam ze haar zoon, die nu
zoo in de ellende zat, troosten. Echt moederlijk voelde zij zich altijd het
meest aangetrokken tot het kind, dat het meest haar steun noodig had. Hoe
dikwijls was ze bij haar zoon, toen hij nog Keizer was, komen vragen om
hulp voor de andere kinderen; zelden was het geheel zonder succes geweest,
thans diende hij op zijn beurt te worden geholpen. De ontmoeting was
bijzonder hartelijk geweest en trots de Elbanen, die er bij tegenwoordig
waren kon hij zijn gevoel niet meester blijven en huilde toen hij haar zag. Ze
was in vele opzichten een groote troost voor hem en samen zaten ze dikwijls
op den top van den berg Giove. Daar kon men ze zien zitten, beiden
mijmerende over vervlogen tijden, denkende aan hun geboortegrond

Page 594

Corsica, dat zóó dicht in hun nabijheid was, dat men er volgens Napoleon de
geur van het maquis kon ruiken.

In Augustus zocht hij onder het zware geboomte van een hermitage in de
bergen een toevluchtsoord tegen de groote hitte en dan ’s middags ging hij
geregeld bij zijn moeder eten. Daar ontving hij ook in ’t diepst geheim een
kortstondig bezoek van Maria Walewska met haar zoontje, die in gezelschap
van haar zuster freule Laezinska op weg was naar Napels.

Met een wijsgeerige kalmte, die aller verbazing opwekte, scheen Napoleon
zich in zijn lot te schikken. Op een der schoorsteenzuilen in een kamer van
San-Martino lazen de bezoekers: “Ubicunque Felix Napoleon.” (Napoleon is
overal gelukkig.)

Of dit volkomen de stemming van den gewezen Keizer weergaf? We
betwijfelen het.

Naarmate hij langer op Elba vertoefde werd hij meer gekweld door de
afwezigheid van vrouw en kind. Napoleon had het goed gevonden, dat zij te
Aix de baden ging gebruiken voor haar gezondheid; wat hoorde hij echter op
toen hij bericht ontving, dat ze eerst naar Weenen vertrok met haar kind,
maar de ontsteltenis werd nog grooter toen Maria Louise, bij haar vertrek uit
Weenen naar Aix, het kind in Weenen achterliet. Wat hij zoo vurig gehoopt
had dat niet zou gebeuren was dus thans geschied; zijn zoon in Weenen! Had
hij hem vroeger niet liever in de Seine gewenscht dan in handen van zijn
vijand? En Maria Louise alleen naar de badplaats; ook voor haar vond hij dat
wereldje in Aix alles behalve goed; hij zag, zei men, op een afstand...
Neipperg.

Langzamerhand werd hem nu bekend wat de bondgenooten over het lot van
zijn zoon hadden beslist, en dat de diplomatie bezig was zijn vrouw te
voeren in de armen van dien Oostenrijkschen generaal. Uit brieven van zijn
voormaligen secretaris de Meneval, die haar was gevolgd en door de
rapporten van den kapitein Hurault, wien hij last had gegeven zijn vrouw
naar Elba te begeleiden, werd hem dit alles thans duidelijk.

Page 595

Bij den Engelschen kolonel der marine Campbell, die met zijn bewaking
belast was, beklaagde hij zich herhaaldelijk vol bitterheid over het
onmenschelijke gedrag van zijn schoonvader.

“Mijn vrouw schrijft mij niet meer. Mijn zoon is mij afgenomen, evenals
men voorheen de kinderen der overwonnenen wegnam, om ze de zegekar
des overwinnaars te doen voorafgaan,” zei hij met een stem, die trilde van
ontroering en die den kolonel diep trof.

Een brief in October gericht aan den groothertog van Toscane, een oom van
zijn vrouw, op wiens vriendschap hij nog altijd meende te kunnen rekenen,
een droevig schrijven, waarin hij kennis gaf, dat hij sinds 10 Augustus niets
meer van Maria Louise en in maanden niets meer van zijn zoon had
vernomen, bleef onbeantwoord. Maar er was meer dat hem hinderde.

Hardnekkig bleef Talleyrand weigeren hem het bij verdrag vastgestelde
jaargeld uit te betalen en noch door den Czaar, noch door lord Castlereagh
was hij hiertoe te bewegen. “Dat was personen, die neiging hadden tot
intrigeeren, zelf de wapens in de handen geven,” zei hij.

Het Congres van Weenen was bijeengekomen en reeds spoedig drongen
geruchten tot Napoleon door, dat daar plannen gesmeed werden om hem te
verplaatsen en verder van Frankrijk te verwijderen, naar de Azoren, de
Botany-Bay in Australië of St. Helena.

Talleyrand, die in dien geest voorstellen had gedaan, scheen het eens te zijn
met dien anderen bewerker van Napoleons val n. l. Fouché, die Elba voor
Frankrijk hetzelfde vond wat de Vesuvius voor Napels was.

Ook hoorde Napoleon van een volstrekt niet uit de lucht gegrepen plan om
hem voor goed uit den weg te ruimen. Cambronne nam strenge maatregelen
voor de veiligheid, zond vele verdachten weg en zorgde ervoor, dat zijn
meester nooit zonder geleide uitging.

Toch maakte dit alles diepen indruk op Napoleon; bovendien had hij ook te
kampen met het op sterkte houden van zijn legertje; het niets doen was voor
de oude grognards, die Elba “het vossenhol” noemden, verschrikkelijk; roof

Page 596

en plundering waren een welkome afleiding in hun eenzaam bestaan, terwijl
vooral in ’t Corsicaansche bataljon desertie op groote schaal de gelederen
dunde. Wat er aan te doen? De recruteering uit Italië en Corsica werd door
het ter dood brengen der werfofficieren verhinderd, terwijl geldgebrek ook al
niet bevorderlijk was om soldaten in dienst te nemen. Iedereen op Elba
begon te begrijpen, dat het zoo niet langer kon en er verandering moest
komen. Het gebrek aan geld, de organisatie van het leger, de voortdurende
berichten over oplichting en aanslagen, gevoegd bij de gruwelijke verveling
en de nooit bij hem uitgedoofde onverzadelijke begeerte naar macht deden
Napoleon ten slotte besluiten naar Frankrijk terug te keeren en zijn leven toe
te vertrouwen aan het Fransche volk.

Het duurde lang voor hij zijn geheim mededeelde; zelfs zijn moeder kwam
het eerst te weten, toen hij op het punt stond scheep te gaan. Ze weerhield
hem niet, begreep misschien, dat dit toch niet zou gebaat hebben, maar, zei
ze veelbeteekenend: “Indien ge moet sterven mijn zoon, de hemel, die niet
heeft gewild, dat dit zou zijn in een voor u onwaardige rust, zal ook hoop ik
verhoeden, dat dit door vergif zal zijn, maar met den degen in de hand.” Tot
dit besluit om naar Frankrijk terug te keeren, was hij vooral ook gekomen na
het hooren van den heer Fleury de Chaboulon, voormalig auditeur bij den
Raad van State, een even stoutmoedig als vurig aanhanger zijner dynastie,
hem door de Bassano in ’t geheim toegezonden om hem in te lichten
betreffende den toestand in Frankrijk.

Hier wees alles erop, dat zelfs, al greep Napoleon niet zelf in, de nieuwe
toestand zich niet bestendigen kon. Dagelijks leverden de Bourbons en hun
aanhang de bewijzen, dat zij in al die jaren niets hadden geleerd, niets
hadden vergeten, en dat zij alle verhoudingen terug wilden brengen tot die
van vóór 1792. De eigenaars van nationale goederen zagen hun bezit
bedreigd door de kuiperijen der voormalige émigrés, het Groot Charter
bevredigde in de eerste plaats de republikeinen niet, maar ook de royalisten
waren er niet mee tevreden; het Maison du Roi, een zeer kostbare militaire
instelling, vroeger ontstaan om hovelingen en adellijke jongelui een goed
bezoldigd lui baantje te bezorgen, werd weder opgericht.

Page 597

De schatkist was leeg en het aantal ontevredenen, vooral te Parijs, was
enorm gestegen door de afdanking van wel 200.000 man en het op non-
activiteit stellen van ongeveer 20.000 officieren; de nommers der
regimenten, waaronder de soldaten, zich eer en roem hadden verworven,
waren gewijzigd.

Het kader, uitsluitend uit jonge adellijke officieren gevormd, boezemde het
leger geen vertrouwen in; voor de schako prijkte de witte cocarde, maar diep
in den ransel werd de tricolore als een reliquie bewaard. Op de chambrées
hoorde men het refrein “Il reviendra” en Lodewijk XVIII was de risée der
soldaten. Een gedecoreerd soldaat met 28 dienstjaren nam ontslag want
“onze vader is niet meer in ’t leger.”

De vernietigende voorwaarden, waaronder vrede was gesloten, hadden bij
alle niet-royalisten wrevel doen ontstaan en vooral het oude leger, de
troepen, die uit Duitschland en van de grenzen terugkeerden waren hierover
verwoed. Bij een door den graaf van Artois gehouden revue kreeg hij uit den
mond van een ouden wachtmeester, wien hij verzocht Vive le Roi! te roepen,
zelfs te hooren, dat hij dit niet verkoos te doen en dat hij liever riep: “Vive
l’Empereur.”

Op een der ramen van de Tuilerieën schreef men met een diamant: “Vive
l’Empereur” en later vond men er onder geschreven “goedgekeurd.”

Den Keizer was men niet vergeten; in café’s dronk men zijn gezondheid; op
pijp, glas en bierpul vond men zijn beeltenis. Het leger verwenschte de
Bourbons en hun aanhang; in het noorden staken verscheiden jonge
generaals de hoofden bijeen; de republikeinen zagen in, dat zij een zeer
slechten ruil hadden gedaan, toen zij een genialen, krachtigen man met een
ijzeren vuist vervangen hadden door een impotenten vorst, die als koning bij
de genade Gods gaarne in alles den baas wilde spelen, die dom vroom als
zijn omgeving, bij den paus reeds aandrong op afschaffing van het
Concordaat, die met zijn hofstoet te zeer doortrokken was van den ouden
zuurdeezem der traditie om in deze wereld van de nieuwe begrippen een
plaats te vinden. Daar kwam nog bij, dat hij zoo naïef was geweest zich te
laten ontvallen, dat hij “naast God aan de Engelschen (dus aan den
doodvijand) zijn kroon had te danken.”

Page 598

Grillige ironie van het toeval! Davoust, de dappere doch door het hof
miskende verdediger van Hamburg, door zijn gestrengheid voorheen bij het
leger gevreesd, niet bemind, werd thans ongezocht binnen weinige maanden
het middelpunt van een kring van oude, verdienstelijke officieren, die
reikhalzend uitzagen naar een omwenteling, doch die werden in toom
gehouden door zijn afkeer van elken aanslag, welke niet deugdelijk was
voorbereid.

Ontevredenheid dus overal. Is het wonder, dat Napoleon door Fleury de
Chaboulon, door Hortense te Parijs en tal van agenten op de hoogte
gebracht, tot het besluit kwam terug te keeren?

Zoo terecht heeft hij zelf gezegd: “De Bourbons hadden mijn gedrag in hun
handen; indien ze begrepen, dat zij een nieuwe dynastie moesten beginnen
en niet een oude voortzetten, ik had niets meer te doen, mijn politieke
zending was geëindigd, ik zou op Elba gebleven zijn. Zij zijn het, die mijn
populariteit hebben hersteld en mijn vertrek hebben bepaald. Dat het congres
van Weenen mij van mijn eiland zou oplichten, deze omstandigheid heeft
mijn terugkeer verhaast. Was Frankrijk goed geregeerd, mijn invloed was
geëindigd en men had er niet over behoeven te denken mij te verplaatsen.”

Dat vooral ook de gedachte aan een mogelijke deportatie, waartoe het
Weener Congres, in de herfst van 1814 bijeengekomen, wilde besluiten, hem
ontzettend hinderde, bleek ook uit hetgeen hij reeds vroeger aan kolonel
Campbell had gezegd: “Willen ze mij van kant maken, dan is mij dit wel;
maar deporteeren laat ik mij niet en oplichten ook niet. Dan zullen ze eerst
bres moeten schieten in mijn forten.”

Gebruik makende van een korte afwezigheid van Campbell scheepte hij zich
den 26en Februari tegen den avond in op de Inconstant, na op dien dag de
mededeeling te hebben gedaan aan de bewoners van het eiland en in zijn
paleis nog receptie te hebben gehouden.

Nauwelijks was het kleine eskader uit Porte Ferrajo weggezeild of er
kwamen schepen in ’t gezicht, zoodat men den Keizer den raad gaf terug te

Page 599

keeren, maar daar dacht hij niet over, doch gaf orders zich zoo noodig gereed
te houden voor een gevecht. Dat de Keizer eenige benauwde oogenblikken
beleefde kan men begrijpen, te meer daar aan bakboord een oorlogsschip
recht op de Inconstant afkwam. De schepen kwamen dicht bij elkaar en
brutaalweg werd van de Inconstant gevraagd: “Waar gaat ge heen?” “Naar
Livorno” gaf de kruiser, niet vermoedende welke kostbare vracht daar werd
weggevoerd, ten antwoord. “En gij?” “Naar Genua.” Hebt ge zaken?
“Neen.” “En hoe gaat het met den grooten man?” “Uitstekend” luidde het
antwoord. De schepen passeerden elkaar!

“’t Is een Austerlitzdag” mocht Napoleon wel zeggen, toen hij als door een
wonder aan de vijandelijke kruisers was ontsnapt.

Den 1en Maart 1815 geschiedde de landing in de golf Juan in de nabijheid
van Cannes, waar hij uitstekend werd ontvangen.

In kernachtige proclamaties, deed hij een beroep op volk en leger om zich
weder onder hem te scharen.

“Franschen,” zei hij daarin o.a. tot het volk, “ik heb in mijn ballingschap uw
klachten en uw wenschen gehoord, gij eischt de regeering van uw keuze, die
de eenig wettige is, terug. Ik ben de zee overgestoken. Ik kom mijn rechten,
die de uwe zijn, hernemen.”

“Soldaten” heet het o. a. tot het leger, “schaart u onder de vaandels van uw
Chef... de zege zal met den stormpas worden behaald. De adelaar met de
nationale kleuren zal van toren tot toren vliegen tot aan de spitsen van de
Notre-Dame.” Aanvankelijk ging alles voorspoedig en te Grasse, Digne en
Gap werd hij door de bevolking vol geestdrift begroet maar in de buurt van
Grenoble kwam een critiek moment. Van uit deze plaats waren troepen
gezonden om “Napoleon en zijn roovers” tegemoet te gaan. Het was een
bataljon infanterie van het 5e regiment, onder de bevelen van den kapitein
Randon, dat in last kreeg op hem te schieten.

Daar komt hij aan; met doodsbleeke gezichten zagen de ongelukkige
soldaten, dat de Keizer zijn escorte van gardejagers het geweer “verdekt”
deed nemen en alleen naderde.

Page 600

“Daar is hij. Vuur!” brulde Randon, maar aan het bevel werd niet voldaan.
Steeds dichterbij kwam de Keizer. “Soldaten van het 5e,” zei hij op krachtige
en kalme wijze, “ik ben uw Keizer; herken mij.” Vervolgens kwam hij nog
een paar passen naar voren, knoopte zijn overjas los en riep: “Indien er onder
u een soldaat is, die zijn Keizer wil dooden, hier staat hij!”

Dit was voor de arme kerels te veel. Een lange, gillende schreeuw: “Vive l’
Empereur!” weerklonk en de witte cocardes lagen in een ommezien vertrapt
op den grond.

Dit was echter slechts het voorspel geweest. Napoleon werd zichtbaar
ongerust.—Wat zou het garnizoen van Grenoble doen?

’t Was zesduizend man sterk; generaal Marchand een vurig aanhanger der
Bourbons, voerde daar het bevel. Graaf Charles de Labédoyère commandant
van het 7e regiment infanterie, een korps, waarop Marchand stellig meende
te kunnen rekenen, gaf het antwoord op die vraag.

Na afloop van een diner bij den generaal liet hij zijn regiment aantreden en
den in een kist verborgen adelaar en de driekleurige cocarde te voorschijn
halen. Daarna rukte hij onder een luid: “Wie mij lief heeft volge mij!” zijn
voormaligen veldheer tegemoet.—Met een: “U plaatst mij weder op den
troon kolonel!” ontving deze hem.

Den volgenden morgen kwam Napoleon te Grenoble. Met twee duizend
boeren voorop met hooivorken en flambouwen kwam hij voor de stad, die in
staat van verdediging was gebracht. De commandant wil tegenstand bieden,
maar reeds het “Vive l’Empereur” dat van de wallen weerklinkt, is het
antwoord zijner soldaten. De troepen weigeren en van alle bastions klinkt het
bekende kazernelied:

Nous allons voir le grand Napoléon,
Le vainqueur de toutes les nations.

De poorten worden geopend en met gejuich wordt de Keizer ingehaald.

Page 601

Wel mocht Napoleon later op St. Helena zeggen: “Tot Grenoble was ik een
avonturier, in Grenoble werd ik Prins.”

Toen de Keizer te Lyon verscheen, vernam hij den opmarsch van Ney, den
eenige, voor wien hij inderdaad eenige vrees koesterde. Verschillende
gezanten waren naar den prins van Moskwa gezonden om hem te vragen
zich bij Napoleon aan te sluiten, ook ontving hij van den Keizer zelf een
verzoek om zich bij hem te voegen. Ney twijfelt, maar ook hij kan de
verzoeking niet weerstaan naar zijn ouden chef te gaan en in een proclamatie
belooft hij zijn troep te leiden naar de onsterfelijke schare, die Napoleon
naar Parijs brengt. Met zijn 6000 man komt hij zich bij de 14000 voegen, die
Napoleon reeds bij zich heeft. “Ik kon toch het water van de zee niet met
mijn handen tegenhouden” zei Ney later ter verdediging.1

Al wat gedaan werd tegen Napoleon bleef vruchteloos, de uitgezonden
troepen liepen over en in Parijs vond men aangeplakt: Napoleon aan
Lodewijk XVIII: “Broeder het is nutteloos mij nog meer troepen te zenden,
ik heb er genoeg.”

In den avond van den 20en Maart keerde de Keizer, gedragen op de
schouders van honderden zijner voormalige officieren, onder een
overweldigend huldebetoon in de Tuilerieën terug.

De tocht van de Golf van Juan tot Parijs, wel “de meest wonderlijke, die de
geschiedenis en de mythologie kent” was volbracht.

Men zegt wel eens, dat één schot Napoleons marsch gestaakt zou hebben,
maar zegt Houssaye, ’t is juist dat eene schot, geen soldaat wilde het
afgeven, geen officier durfde het te commandeeren en had een officier het
gedaan, hij zou door zijn soldaten zijn verscheurd.

Lodewijk XVIII had hem niet afgewacht doch was door Talleyrand
vergezeld, ijlings naar de Belgische grenzen en vandaar naar Gent gevlucht.
Ook de Graaf van Artois had uit Lyon, waar hij zich bevond, een goed
heenkomen gezocht.

Page 602

1 Ney en de Labédoyère hebben hun trouw aan Napoleon na zijn val met hun leven betaald. Door
een krijgsraad gevonnisd zijn beiden wegens landverraad doodgeschoten. Welk een lot voor den
Hertog van Elchingen, den Prins van Moskwa, die ’t Fransche leger in Rusland redde!

Page 603

Hoofdstuk XXVIII.

Page 604

Waterloo.

“De Honderd Dagen” wordt het nu volgende tijdperk
genoemd, dat wij thans zijn genaderd. Den 8en Juli
1815 was Lodewijk XVIII terug in zijn paleis en
Napoleon op weg naar St. Helena.

Zijn voorspelling, dat hij zonder een schot te lossen in
Parijs zou komen was bewaarheid. Dadelijk na zijn terugkomst stelde de
Keizer een ministerie samen, waarin o.a. Cambacérès met de portefeuille
van Justitie, Carnot met die van Binnenlandsche Zaken, Davoust met die van
Oorlog werd belast, allen dus mannen met goed klinkende namen. Alleen die
van Fouché, die weder aan het hoofd trad van de Politie, maakte hierop een
uitzondering doch de Keizer had hem mogelijk liever naast dan tegenover
zich. Tal van generaals en maarschalken, hieronder tot veler verbazing in de
eerste plaats de heethoofdige Ney, kwamen hun diensten weder aanbieden,
alsof er niets was gebeurd. Hij heette ze allen welkom; hun zwakheid en hun
verraad had hij hun vergeven.

Vóór alles diende thans een nieuwe grondslag van bestuur voor Frankrijk
gemaakt en Napoleons houding tegenover het buitenland vastgesteld te
worden.

Reeds den 25en Maart had de Raad van State in zijn eerste zitting een
programma aangeboden, waarin o.a. te lezen stond dat de Keizer, die niet
had geabdiceerd door den wil der natie, de natie bij zijn terugkeer ook weder
bevestigde in haar heiligste rechten; dat hij dus dure verplichtingen op zich
had genomen en elke gedachte aan een tijdelijk dictatorschap, zooals hij
eerst had voorgesteld, moest loslaten. Onder zijn toezicht werd nu een soort
van overeenkomst tusschen hem en de natie, de zoogenaamde Acte
additionnel, een toevoegsel aan de keizerlijke grondwet opgesteld en aan de

Page 605

bevolking voorgelegd om haar stem erover uit te brengen. Hoewel die acte
niemand bevredigde werd ze aangenomen en dit resultaat den 1en Juni op het
Champ de Mars met groote plechtigheid bekend gemaakt. De Keizer zwoer
toen, dat hij den inhoud dezer acte stipt zou naleven.

Tegelijkertijd ontving de armee haar adelaars terug, zwoer opnieuw trouw
aan het Keizerrijk en defileerde ten slotte onder de geestdriftige
toejuichingen der honderdduizenden toeschouwers voor den man, die haar
vijftien jaar lang was voorgegaan op de baan van roem, eer en glorie en die
haar thans nogmaals, doch nu voor den laatsten keer, zou brengen tegenover
denzelfden vijand, die het jaar te voren den vaderlandschen bodem had
overstroomd en thans opnieuw te wapen snelde.

Want denzelfden dag, dat de Raad van State haar programma van actie had
ingediend, hadden Engeland, Pruisen, Oostenrijk en Rusland zich bij militair
verdrag, de Heilige Alliantie, inniger dan ooit te voren tegen Frankrijk
samen verbonden. Iedere mogendheid zou 150.000 man onder de wapenen
brengen, Engeland bovendien zorgen voor de noodige geldmiddelen. Gansch
Duitschland, Nederland, Portugal en Spanje sloten zich hierbij aan. Zweden
alleen niet.

Tegelijkertijd werd voorgesteld in ’t zuiden van Frankrijk, waar de bevolking
steeds koningsgezind was gebleven, en de hertog van Angoulême reeds
tegenover het keizerlijke leger in ’t veld stond, alsmede in de Vendée, waar
het verzet ook reeds hevig was, den burgeroorlog te doen ontbranden.

Napoleon verontrustte zich over dezen burgeroorlog niet, zeker als hij was
van de overwinning, die ook spoedig door generaal Grouchy behaald werd,
maar over den oorlog met het buitenland was hij minder gerust.

Den 4en April gaf Napoleon in waardige taal aan de vreemde hoven per nota
kennis van ’t geen er te Parijs was gebeurd, betoogende dat hij in ’t belang
van Frankrijk niet anders had kunnen handelen en sprak daarbij den wensch
uit om voortaan in vrede te leven.

Tevoren had hij zich reeds persoonlijk tot den keizer van Oostenrijk gewend,
waarbij hij zijn plannen meedeelde om zijn zoon in de toekomst een rijk na

Page 606

te laten, dat op hechten grondslag zou staan en tevens deed hij op zijn
schoonvader een beroep, teneinde de vereeniging van hem met zijn vrouw,
van vader en kind mogelijk te maken.

IJdele pogingen! De mogendheden dachten er niet over hem te erkennen, ze
bleven bij hun vroeger besluit, kort na de landing van den Keizer genomen,
waarbij hij, de Corsicaansche avonturier, als verstoorder van de rust in
Europa in de ban werd gedaan.

Had Napoleon zich van dezen stap niet veel voorgesteld, geheel doelloos
werd die, omdat Murat, die door Pauline steeds met hem in relatie was
gebleven en die den uitdrukkelijken wil ontvangen had zich rustig te houden
tot hij door het Fransche leger ondersteund werd, eerst onder een gezocht
voorwendsel Rome bezette en den 31en Maart het masker had afgeworpen en
met 50.000 man naar het noorden, naar de Po was gerukt.

Toen het congres te Weenen, toch reeds in hooge mate achterdochtig,
hiervan kennis kreeg, werd het nog versterkt in de meening, dat Napoleon
was teruggekeerd om Europa opnieuw in vuur en vlam te zetten. Aan de
krijgstoerustingen werd dus met verdubbelden ijver voortgewerkt.

Terecht kon Napoleon later zeggen, dat Murats onberaden stap een wapen te
meer tegen hem was geweest. Maar de Keizer droeg zelf voor een groot deel
de schuld. Waartoe moest hij dezen doldriftigen soldaat aan ’t slot van zijn
brief uit Prangins van 16 Maart—toen hij zelf dus nog niet eens in Parijs was
gekomen—schrijven: “Spreek en handel zooals uw hart u ingeeft. Marcheer
naar de Alpen doch overschrijd ze niet.”

De wapens zouden dus weer moeten beslissen. De bondgenooten hadden
reeds plannen ontworpen om met drie colonnes op Parijs aan te rukken en
den Keizer wederom op eigen grondgebied slag te leveren. Hun
strijdkrachten waren over België, Duitschland en Italië verdeeld. Terwijl
Wellington en Blücher met een Nederlandsche strijdmacht van ruim 25.000
man onder de bevelen van den Prins van Oranje stellingen begonnen in te
nemen in België, was een Russisch leger op marsch naar den Midden-Rijn,
terwijl een Oostenrijksch leger zich tusschen den Boven-Rijn en de Donau
bevond. Bovendien trokken troepen van Oostenrijk en Sardinië door

Page 607

Lombardije naar de Alpen en ontscheepte Engeland op de kust van Bretagne
soldaten, wapenen en munitie om den opstand in de Vendée te steunen,
terwijl een Engelsch eskader in de Middellandsche Zee nog tot hulp kon
wezen van de troepen, die uit Italië, Frankrijk zouden binnenrukken. Buiten
de reserves hadden de bondgenooten ongeveer 650.000 man ter beschikking,
doch de legers waren te verspreid en voor Juli konden de Russische en
Oostenrijksche legers aan den Rijn niet gereed zijn.

Wat kon Napoleon hier tegenover stellen? Bij zijn terugkeer in Parijs had hij
niet meer dan 200.000 man onder de wapens. De cavalerie had gebrek aan
paarden, bij de artillerie had men nog een groote hoeveelheid vuurmonden,
doch munitie ontbrak bijna geheel, evenals kleeding en geweren. Daarbij
waren verscheiden versterkte plaatsen van hun verdedigingsmiddelen
beroofd; de bemanning der vloot was naar huis gezonden, de kust
onbeschermd. Linietroepen bewaakten de havenplaatsen.

Reeds in de eerste dagen van April was de Keizer begonnen om in dezen
toestand verbetering te brengen. Wel had de eerste oproeping niet dat succes,
zooals hij had gewenscht, maar er verschenen toch 75.000 man; ook werden
in April en Mei nationale garden onder de wapens geroepen en in deze
maand deed hij het verzoek aan alle gepensionneerden tijdelijk weder in
dienst te komen. De inlijving van de lichting van 1815 ging best; in enkele
departementen zelfs beter dan tijdens de revolutie. De cavalerie werd van
paarden voorzien, geweren werden gemaakt, alleen Parijs telde o. a. zes
geweerwinkels met 2000 werklieden. Ook voor de munitie droeg hij zorg, en
dagelijks leverde Parijs 1250 stuks kleeding.

De werkzaamheid van den Keizer was enorm en het succes daaraan
geëvenredigd, want in Juni telde de cavalerie 40.000 paarden en wist
Napoleon zijn leger te brengen op 284.000 man met een hulpleger van
222.000 man, ongerekend de ingelijfden van 1815, de gemobiliseerden
tijdens den opmarsch in de concentratiekampen enz. Zijn voorspelling, dat er
in October 800.000 man zouden zijn, zou worden bewaarheid.

Teneinde voor een inval gereed te zijn waren tal van plaatsen als Toul,
Duinkerken, Grenoble enz. in staat van verdediging gebracht, terwijl door
hem in het bijzonder zorg was besteed aan de versterking van Parijs en Lyon.

Page 608

Bekend met de plannen van den vijand, was zijn eerste voornemen de
bondgenooten af te wachten en zich te verdedigen met genoemde plaatsen
als steunpunten. Hoewel met het oog op de uitstekende verdediging dit plan
volgens Napoleon zeker succes zou hebben, moest de Keizer ook met de
publieke opinie te rade gaan en deze was er tegen. Daarom werd besloten
hiervan af te zien en niet verdedigend maar aanvallend te werk te gaan en
voor de vereeniging der bondgenooten had plaats gehad, zich op Wellington
en Blücher te werpen en ze afzonderlijk te verslaan. Mocht dit mislukken
dan kon de Keizer altijd op het eerste plan terugkomen.

Zijn tegenpartij meesterlijk misleidende en zijn bewegingen verbergende
achter een scherm van nationale gardes wist de Keizer den 14en Juni een
legermacht van 125.000 man en 370 vuurmonden tegenover Charleroi
tusschen Maubeuge en Philippeville bijeen te brengen.

Vóór zijn vertrek uit Parijs (12 Juni) had hij de zorg voor den gang van
zaken opgedragen aan een specialen Raad van veertien mannen, waarin o. a.
zijn broers Jozef en Lucien, Cambacérès, Davoust, Fouché en de
Caulaincourt zitting hadden genomen. Betreffende ’s vijands indeeling en
opstelling door spionnen vrij nauwkeurig ingelicht, wist hij, dat de legers
van Wellington en Blücher, totaal 210.000 man sterk met 500 vuurmonden
waren gescheiden; de eerste een zeer bekwaam doch voorzichtig man, stond
in den vierhoek Brussel-Nivelles-Doornik-Oudenaarden, terwijl de tweede,
een oude maar doortastende en stoutmoedige generaal, in het vak Charleroi-
Dinant-Luik-Namen stond.

De verbindingsweg van de beide legers was die van Charleroi naar Brussel
en het doel van den Keizer was nu op dien weg te komen, de legers van
elkaar af te dringen en afzonderlijk te verslaan, een strategische doorbreking
dus, zooals die hem reeds zoo vaak was gelukt. Hierbij hield de Keizer
rekening met het karakter zijner tegenstanders; hij wilde zich het eerst op
Blücher werpen, begrijpende dat deze den slag zou aanvaarden en
Wellington hem niet zoo spoedig te hulp zou kunnen komen ; wierp hij zich
echter op den voorzichtigen Wellington dan zou deze misschien den slag
ontwijken en spoedig hulp ontvangen van den voortvarenden “Maarschalk
Voorwaarts,” zooals Blücher werd genoemd.

Page 609

In verband met dit alles gaf hij voor den 15en Juni een marschbevel uit, dat
ook nu nog als een meesterstuk op dit gebied wordt geroemd. In drie
colonnes zou langs drie wegen op de Sambre aangerukt, deze gepasseerd,
Charleroi genomen moeten worden. Eenmaal hier meester had de Keizer den
straatweg naar Brussel, Wellingtons operatielijn en dien naar Luik, waarop
Blücher ageeren moest, voor zich. De straatweg van Namen naar Nivelles
vormde den verbindingsweg en sneed den eersten bij Quatre-Bras, den
tweeden bij Sombreffe. Van hoeveel gewicht het voor hem was, deze
viersprongen beide tegelijk in den kortstmogelijken tijd te hebben bezet, kan
o. i. dus zelfs een leek begrijpen. Had hij die in zijn bezit, dan stond hij
tusschen Wellington en Blücher in.

In den middag van den 15en wordt de Sambre bereikt, Charleroi bezet, en
worden de daar staande Pruisische voorposten teruggedrongen. Terwijl Ney,
die Napoleon bij zich heeft ontboden, last ontvangt om met de linkercolonne
in de richting van Quatre-Bras voort te dringen en den vijand daar terug te
werpen, krijgt Grouchy de opdracht den rechtervleugel te dirigeeren in de
richting van Sombreffe, de vijandelijke afdeelingen tot hier te vervolgen en
bij deze plaats stelling te nemen.

Door de al te groote voorzichtigheid van Ney en zijn weinige beslistheid
bleef hij in den avond van den 15en in de omstreken van Frasne en werd
Quatre-Bras op dien dag niet bezet. Ook Sombreffe werd niet bereikt, daar
Grouchy, na den vijand teruggedrongen te hebben, van de verdere
vervolging moest afzien.

Niettegenstaande deze beide belangrijke punten dus op den 15en niet in
handen van de Franschen kwamen, waren de troepen van Napoleon
geconcentreerd, terwijl dit bij de tegenpartij niet het geval was.

De kans op ’t geen thans door het overschrijden van de Sambre was
geschied, was door Blücher en Wellington voorzien. Voor dit geval was
besloten, dat de eerste zijn leger dan bij Sombreffe, de laatste het zijne bij
Quatre-Bras samentrekken zou.

Page 610

De prins van Oranje bij Waterloo gewond.

Terwijl Blücher zich nu aan deze afspraak hield en Napoleon dus een doel
bood, handelde Wellington, zeker uit vrees voor zijn eigen terugtochtsweg
naar de zee, aanvankelijk juist omgekeerd. Niet naar Quatre-Bras, doch naar
Nivelles, dus zooveel verder naar ’t westen en meer van Blücher verwijderd,
verlegde hij het verzamelpunt van zijn krijgsmacht.1

Met zijn leger ingedeeld in twee vleugels, de linker onder Ney, de rechter
onder Grouchy, en een reserve onder zijn eigen bevelen, begon Napoleon
den 16en den opmarsch, vond bij Ligny een Pruisisch korps, aanvankelijk
zonder te weten, dat hij Blücher zelf met bijna zijn gansche macht hier
tegenover zich had, greep het in ’t namiddaguur, dus veel te laat, aan en
wierp het na een hardnekkig gevecht, waarbij Blücher zelf bijna sneuvelde,
overhoop, zoodat het naar het noordoosten begon terug te gaan.

Page 611

Overeenkomstig de ontvangen bevelen was Ney tegelijkertijd op marsch
gegaan naar Quatre-Bras en hier gestooten op een kleine macht Hollanders
en Nassauers, nog geen achtduizend man, door den prins van Oranje, die
daar het bevel voerde, in allerijl samengebracht, opgesteld en geleid, op zoo
meesterlijke wijze, dat Ney een overmacht meende voor zich te hebben en
dus niet krachtig dorst aanvallen.—Hiervan zag hij tenslotte zelfs geheel af,
toen hij ontwaardde, dat die macht in aantal aanhoudend ontzagwekkender
werd, en toen het korps van d’Erlon door een onjuist overgebracht bevel aan
zijn commando onttrokken en naar Ligny (Saint Amand) gedirigeerd werd
om, heette het, Napoleon bij Fleurus te steunen, en de daar staande Pruisen
te omvatten.

Een samenloop van toevallige omstandigheden was dus oorzaak dat Quatre-
Bras in handen bleef van den prins van Oranje; dat Wellington, al had hij in
strijd met zijn mondelinge belofte aan Blücher dezen bij Ligny in den steek
gelaten, niet totaal van dezen werd afgesneden; dat het plan des Keizers niet
geheel slaagde.—Het verdere verloop van den veldtocht hing thans geheel af
van de vraag of deze, na de Pruisen te Fleurus geslagen te hebben, die verder
zoo krachtig en zoo onafgebroken zou doen vervolgen, dat er van een
vereeniging tusschen hen en Wellington zelfs veel verder noordwaarts geen
sprake meer kon wezen.

Page 612

Het slagveld van Waterloo.

Opstelling der wederzijdsche strijdkrachten bij het begin van den slag bij
Waterloo.

Leger der Bondgenooten.

Rechtervleugel.—Lord Hill.

Divisie Chassé.

1. Deelen der brigade d’Aubremé. 2. id. id. Detmers. 3. Brigade Mitchell.
(ged. v. d. div. Colville.)

Divisie Clinton.

4. Brigade Adam. 5. id. Duplat. 6. id. H. Halkett.

Page 613

Centrum.—Prins van Oranje.

Garde-divisie Cooke.

7. Brigade Byng. 8. id. Maitland.

Divisie Alten.

9. Brigade C. Halkett. 10. Deelen der brigade Kielmansegge. 11. id. id.
Ompteda. 12. Brigade von Kruze. 13. Brunswijksch contingent. 14. Brigade
Lambert (v. d. div. Cole).

Linkervleugel.—Lord Picton.

15. Deelen der brigade Kempt (v. d. divisie Picton).

Divisie de Perponcher.

16. Brigade van Bijlandt. 17. Deelen der brigade Saksen Weimar. 18.
Brigade Pack (v. d. div. Picton). 19. id. Best (v. d. div. Cole.) 20. id. von
Vincke (v. d. divisie Picton).

Cavalerie.—Lord Uxbridge.

21. Brigade Grant. 22. Cumberland huzaren (ged. v. d. divisie v. Estorff). 23.
Brigade von Arendschild. 24. id. von Dörnberg.

25. Brigade Sommerset. 26. id. Ponsomby. 27. id. Vandeleur. 28. id. Vivian.

Divisie de Collaert.

29. Brigade Trip. 30. id. van Merlen. 31. id. de Ghigny.

Fransche Leger.

1e Korps.—d’ Erlon.

32. Divisie Jacquinot. 33. id. Durette. 34. id. Marcognet. 35. id. Donzelot.
36. id. Allix.

Page 614

2e korps.—Reille.

37. Divisie Bachelu. 38. id. Foy. 39. id. Jérome Napoleon. 40. id. Piré.

Reserve-cavalerie.

4e korps.—Milhaud.

41. Divisie Wathier. 42. id. Delort.

3e korps.—Kellerman.

43. Divisie l’ Héritier. 44. id. Roussel d’ Hurbal. 45. Cav. Divisie Domon.
46. id. id. Subervic.

6e korps—Lobau.

47. Divisie Simmer. 48. id. Jeannin.

Garde.

49. Divisie Duhesme (jonge garde). 50. id. Morand (jagers oude garde) 51.
id. Friant (grenadiers oude garde). 52. id. Guyot (zware cavalerie). 53. id.
Lefebvre Desnouettes (lichte cavalerie).

Juist van een vervolging, zooals hij die in 1796 tegenover Beaulieu en Colli
had ingesteld, was ditmaal echter zelfs geen sprake. Den 17en ’s morgens
bleef hij te Fleurus, beval een revue over de troepen, zond slechts een
cavaleriedivisie den straatweg op naar Luik, waarheen de Pruisen
afgetrokken heetten, reed daarop naar ’t slagveld, sprak met de gekwetsten,
bleef geruimen tijd met Grouchy, dien hij kort te voren tot maarschalk had
verheven en met generaal Gerard praten over Parijs en de toestanden aldaar,
gaf eerst in den namiddag aan dezen maarschalk last met een deel van zijn
macht de vervolging te beginnen en de zegepraal te voltooien; daarna reed
hij per rijtuig naar Ney, die tegen zijn verwachting bij Quatre-Bras nog altijd
vijandelijke afdeelingen voor zich had.

Page 615

Aan Grouchy gaf hij thans kennis van zijn voornemen de rest van zijn leger
met dat van Ney te vereenigen en de Engelschen aan te grijpen, wanneer
deze aan de zuidzijde van het Soniënbosch mochten stand houden. Langs
den straatweg naar Quatre-Bras moest de maarschalk met hem in verbinding
blijven, naar het noordoosten naar Gembloux rukken en nauwkeurig
aangeven, waarheen de Pruisen waren teruggetrokken.

Door deze late en niet krachtige vervolging na den slag bij Ligny gingen alle
voordeelen van de overwinning op de Pruisen verloren; Napoleon had hier
zelf veel schuld aan en het is haast onbegrijpelijk dat de Keizer zulk een
langen tijd liet verloren gaan.

Napoleon was niet meer dezelfde man van 1796. De vroeger reeds
genoemde lichaamsgebreken bestonden niet alleen nog, doch aambeien en
nog een andere ziekte, die hem bij ’t rijden veel pijn veroorzaakten, waren
hierbij gekomen. Toen Grouchy om nadere bevelen kwam vond hij den
Keizer slapende en moest wachten. Zijn geest was nog de oude, zijn lichaam
had hiermede geen gelijken tred gehouden; hij was ziek en zijn energie was
niet zoo sterk meer als voorheen.

Door het niet uitzenden van verkenningsdetachementen, ook in andere
richtingen dan naar Luik alleen, was de voeling met Blücher verloren
gegaan.

Hoewel door een val met zijn schimmel overal gekneusd en gewond en
alleen als door een wonder aan den dood ontkomen, was de grijze twee en
zeventigjarige Blücher, zich niet krachtig achtervolgd ziende, inmiddels niet
werkeloos gebleven. Zijn soldaten hadden hem niet zien vallen. Von
Gneisenau, zijn geniale chef van den staf, had tijdelijk het commando op
zich genomen en bevolen niet naar Namen, dus naar ’t zuidoosten, terug te
gaan doch naar Wavre, naar het noorden. Alleen in deze richting was voor
hem nog kans zich met Wellington te vereenigen.

In diepe duisternis, onder een zwaren slagregen, langs ellendige, hier en daar
schier onbegaanbare wegen begon de nachtmarsch van het 1e en 2e
legerkorps. Het 3e zou de achterhoede uitmaken.—In den avond van den
17en Juni stond Blücher zoodoende met het geheele Pruisische leger, wel

Page 616

onvoldoende gevoed doch weder vrij goed van munitie voorzien, behoorlijk
in zijn verband en met strijdlust bezield bij Wavre, gereed om aan
Wellingtons schriftelijk verzoek te voldoen en dezen twee korpsen ter
ondersteuning te zenden naar de stelling bij Waterloo, die de Engelsche
veldheer reeds vroeger had verkend en die hij thans ging innemen.—Een
uitgestrekte verhooging in ’t door hem bezette terrein bij Quatre-Bras en het
bosch van Bossu hadden het Wellington mogelijk gemaakt, door Ney
onopgemerkt, zijn positie aldaar geleidelijk en in goede orde te verlaten.

Bij Quatre-Bras komende, (17 Juni 2 uur n.m.) vond Napoleon daar dus nog
alleen enkele kleine voorposten-afdeelingen tegenover zich, die eveneens
langzaam teruggingen. Zijn plan van den veldtocht, de strategische
doorbreking, was, al wist hij dit zelf nog niet, mislukt. Voorts was Grouchy
veel te zwak en veel te laat afgemarcheerd om Blücher nu nog te beletten,
zich met Wellington te vereenigen.—Ook dit was voor Napoleon nog een
geheim.

Ter hoogte van het dorpje Plancenoit maakte hij halt en koos als
hoofdkwartier de pachthoeve Le Caillou. Voor een aanval op de Engelschen
dienzelfden dag nog was het reeds te laat geworden.—Wellington had zijn
kwartier genomen te Waterloo; de prins van Oranje in een kleine
boerenwoning, in een kamer, die hij deelde met vijf officieren van zijn staf.

Geen enkele maal te voren heeft Napoleon met zulk een groote
troepenmacht,—circa 80.000 man—gestreden op een ruimte, betrekkelijk
zoo beperkt als die bij Waterloo. Het geheele slagveld is nog geen twee
kilometer breed en slechts drie kilometer diep. Zijn leger werd in slagorde
geschaard op de noordelijke hellingen van een lagen heuvelrug, die, van
Braine l’ Alleud langzaam klimmende, doorliep naar Maison du Roi en van
Wellingtons positie was gescheiden door een veelal met hoog koren
begroeid, tamelijk breed dal, dat met zijn kleibodem tengevolge van den
zwaren regen van den vorigen avond en den nacht zeer drassig was
geworden.2

Met den rug naar het vrij goed doorgaanbare Soniënbosch had Wellington
stelling genomen op een uitgestrekt plateau, dat zich van Braine l’Alleud
over Mont Saint Jean uitstrekte in de richting van Ohain en Wavre.

Page 617

Vlak voor zijn front langs, in de laagte, liep de over een groote
uitgestrektheid diep ingezonken, holle weg van Ohain, de randen bezet met
zware heggen en knotwilgen, voor cavalerie een zoo goed als onmogelijk te
passeeren hindernis.—Dat deze weg in dien toestand verkeerde, was aan
Napoleon niet bekend; hij is het graf geworden van een deel van Milhauds
kurassiers bij hun charge op de Engelsche carré’s.

Vóór de stelling, die voor de uitwerking van artillerie zeer gunstig was
gelegen en ook bij een terugtocht voldoende voordeelen aanbood, lagen
onder het werkzame artillerievuur: vóór den rechtervleugel het hechte
kasteel van Hougomont, door bosch en zware heggen omgeven en in den
nacht van den 18en in geduchten staat van tegenweer gebracht; voor het
midden de soliede pachthoeve La Haye Sainte aan den straatweg naar
Charleroi, eveneens door dichte heggen en aan de wegzijde door een hoogen
muur afgesloten; voor den uitersten linkervleugel, het zwakste punt, het
kasteel Frichermont, het gehucht Smohain en de boerenwoningen la Haye en
Papelotte. Ook hier maakten diep ingesneden holle wegen het naderen zelfs
voor infanterie bezwaarlijk. Door gebrek aan pioniermateriaal waren alleen
bij la Haye Sainte en langs den zuidrand van het Soniënbosch uitgestrekte
versperringen aangebracht.

Nog altoos beducht voor zijn achterwaartsche verbindingen en voor een
omtrekking langs zijn rechtervleugel, had Wellington prins Frederik der
Nederlanden, toen achttien jaar oud, met 15000 man gedetacheerd naar Hal,
met den uitdrukkelijken last zich daar staande te houden en Brussel te
dekken. Die macht is daar, onverklaarbaar genoeg, den ganschen dag van
den 18en werkeloos blijven staan.

Den nacht van den 17en op den 18en Juni was het hondenweer. Het regende,
dat het goot. Niettemin toog Napoleon, alleen door Bertrand vergezeld, om
één uur te voet den donkeren weg op, om te weten te komen of Wellington in
zijn stellingen was gebleven. Het zien van een reusachtig aantal wachtvuren
bij Mont Saint Jean stelde hem gerust. Even daarna ontving hij van Grouchy
rapport, dat deze nog niet nauwkeurig wist of Blücher naar Wavre dan wel
naar Namen was afgetrokken. Toen hij den 18en ’s morgens het stellige
bericht ontving, dat een sterke afdeeling Pruisen dien morgen naar

Page 618

eerstgenoemd stadje was gemarcheerd, zond hij Grouchy bevel eveneens
derwaarts te gaan. De gedachte, dat Blücher hem met zijn gansche macht op
’t lijf zou vallen, zooals deze aan Wellington beloofd had, kwam zelfs niet
bij hem op. Al zijn aandacht was gevestigd op de Engelschen.

Om acht uur steeg hij te paard, overtuigde zich nogmaals met zichtbaar
welgevallen, dat de vijand nog aanwezig was, en gaf zijn gevechtsbevel uit.
Om elf uur zouden de troepen hun stellingen innemen, niet vroeger, want
volgens Drouots verzekering zou het door den gevallen regen onmogelijk
wezen met artillerie of cavalerie in die terreinen te ageeren, vóórdat de zon
den zwaren kleigrond een weinig had doen opdrogen. Het dal, dat de legers
scheidde, geleek hier en daar op een moeras.

Omstreeks één uur, als de Keizer Ney hiertoe het bevel gaf, zou de strijd
beginnen met de vermeestering van het dorp Mont Saint Jean. Om dit
hoofddoel te maskeeren zou tegelijkertijd door de divisiën van Reille en
Jérome een krachtige aanval worden gedaan op Hougomont. Tevens moest
de hoeve la Hay Sainte genomen en ook opgetreden worden tegenover
Frichermont.

Een batterij van 64 stukken zou op den rechtervleugel d’Erlon en Ney bij
hun aanval op la Haye Sainte ondersteunen.

Met de garde achter zich nam hij omstreeks twaalf uur, toen het eerste schot
viel, plaats op de hoogte van Rossomme. Reeds een paar uur te voren had hij
Grouchy van zijn voornemen om Wellington aan te grijpen per brief kennis
gegeven en hem bevolen over Wavre dichter bij hem aan te sluiten en vaak
bericht te zenden.

Toen hij omstreeks één uur bij Chapelle Saint Lambert, in de richting van
Wavre dus, door den kijker troepenbewegingen meende te ontwaren en door
een gevangen genomen Pruisischen huzaar vernam, dat ginds het korps van
Bülow marcheerde, dat niet aan het gevecht bij Ligny had deelgenomen,
zond hij Grouchy wederom hiervan kennis met den uitdrukkelijken last elke
vijandelijke afdeeling, welke zijn rechtervleugel mocht bedreigen, aan te
vallen en te vernietigen.—Niet één dier bevelen bereikte Grouchy, omdat

Page 619

Soult, de chef van den staf, verzuimd had dezelfde order door twee of drie
ordonnansen tegelijk te doen overbrengen.

Later nog (half drie) ontving graaf Lobau bevel met zijn korps, 10.000 man,
rechts naast hem tegenover dezen nieuwen vijand een flankstelling in te
nemen. Ten zuidwesten van Frichermont ter hoogte van Plancenoit bezette
Lobau dus het terrein en zond cavalerie in den oostelijken rand van het
bosch van Frichermont.

Inmiddels was Hougomont, zonder voldoende inleiding met geschutvuur
door Reille aangegrepen, en was in het zeer boschrijke, geaccidenteerde
terrein, zonder dat het tot een beslissing kwam, een hardnekkig gevecht
ontstaan met de Nassauers, Brunswijkers en Engelsche gardes aldaar.

Middelerwijl was Ney overgegaan tot een aanval op Mont Saint Jean, niet in
de gewone formatie: één bataljon gedeployeerd om te vuren en op elken
vleugel een gesloten bataljon om de cavalerie af te weren, doch in een
nieuwe. De acht bataljons van iedere divisie waren nu gedeployeerd en met
vijf pas onderlinge tusschenruimte achter elkander geschaard; zij vormden
zoodoende een dichte drom, die niet eens de carréformatie kon aannemen.
Vier van die dichte, diepe colonnes, met Ney te paard voorop, vier andere
met d’Erlon aan de spits begonnen door het zware terrein het met artillerie
bekroonde plateau van Mont Saint Jean thans te naderen.

Om la Haye Sainte, zijn heggen en een nabijgelegen zandgroeve ontspint
zich dan een woedend gevecht. De hoeve wordt ten deele vermeesterd; reeds
beginnen de voorste Fransche afdeelingen het plateau te bestijgen, en schijnt
de zege haar deel te zullen worden, als de cavalerie van Ponsonby, 1400
Grijze Schotten, aldus genoemd naar de kleur hunner paarden, op de diepe,
logge colonnes instormen, ze terugslaan in het moerassige, lage dal, twee
vaandels en twee batterijen veroveren, maar dan door de kurassiers van
Milhaud, die Napoleon heeft afgezonden, zoo geducht worden afgeklopt, dat
Ponsonby zelf sneuvelt en de Schotten met verlies van twee derden hunner
sterkte achter de infanterie van Kempt een goed heenkomen moeten zoeken.

Wel was een deel van la Haye Sainte thans in handen der Franschen
gekomen, maar de aanval, waarvan Napoleon, die zelf naar de pachthoeve

Page 620

was gereden, zich zooveel had voorgesteld, was mislukt. De majoor Baring
en zijn Nassauers hadden hun stellingen behouden.—De aanval moest dus
later herhaald worden.

Ook het zwaarste werk, de verovering van het plateau zelf, moest nog
geschieden; en op den rand hiervan stond nog de Engelsche artillerie, zestig
vuurmonden, dicht achter haar de Engelsche infanterie op twee en drie liniën
in carré geschaard, daarachter de cavalerie, het geheel onder den Prins van
Oranje, die het centrum commandeerde.

Die schijnbaar onverdedigde vuurmonden trokken Ney aan als de magneet
het ijzer. Waren die genomen, dan was de zege behaald, redeneerde hij in
zijn drift. Bij herhaling deed hij dus een verzoek om infanterie; doch
Napoleon, die zijn plaats bij Rossomme had verlaten om zich naar het terrein
te begeven, waarop de aanval van de Pruisen onder Bülow zich aanhoudend
krachtiger begon te teekenen, wilde eerst met deze hebben afgerekend,
voordat hij tot den slotaanval op Wellington overging. Acht bataljons der
Jonge Garde hadden reeds last ontvangen rechts naast Lobau positie te
nemen, vier en twintig vuurmonden om de aanrukkende Pruisen met schroot
te overstelpen.

Ney kreeg dus geen infanterie doch alleen de kurassiers van Milhaud tot zijn
beschikking. Zij namen, acht regimenten sterk, stelling in de ruimte tusschen
Hougomont en la Haye Sainte; achter hen de lichte cavalerie van de garde
onder Lefebvre-Desnouettes. Uit Milhauds: “Ik ga attaqueeren. Ondersteun
mij!” hem onder ’t voorbijrijden toegevoegd, had deze begrepen, dat Ney
handelde op ’s Keizers last.

Reeds was het vier uur geworden. Op niet één punt van het slagveld was
door de Franschen nog eenig groot, blijvend succes behaald.

De ontwikkeling van bovengenoemde ruitermassa ziende, had Wellington
terstond tegenmaatregelen genomen. De divisie van den Hollandschen
generaal Chassé, die aanvankelijk bij Braine l’Alleud in reserve had gestaan,
had last ontvangen zijn rechtervleugel te komen versterken; de Brunswijkers
alsmede de brigades Mitchell en Lambert waren naar ’t centrum gedirigeerd;
ook een deel der bij la Haye en Papelotte staande troepen, waar het gevecht

Page 621

niet zoo scherp werd gevoerd, waren dichter hierbij aangetrokken. Reeds
waren de verliezen in zijn voorste linie groot. Vooral de brigade van Bylandt,
die, onoordeelkundig genoeg, op den linkervleugel aanvankelijk ten zuiden
van den hollen weg van Ohain had gestaan, dus met deze hindernis in den
rug, had veel geleden.

’t Liep naar vijf uur.

Nog altoos was Hougomont in ’t bezit der Engelschen; alleen la Haye Sainte
was eindelijk door de Fransche brigade Quiot genomen. Met 42 van de 400
Nassauers, die de hoeve hadden verdedigd, was de heldhaftige majoor
Baring, toen al de munitie was verschoten, gedwongen geworden zijn
stelling te verlaten. Een tegenaanval, door den prins van Oranje bevolen, was
door de kurassiers van Milhaud afgeslagen.

Staande op het plateau voelde Wellington, dat het kritieke moment naderde.
Ginds voor hem in de laagte tusschen la Haye Sainte en Hougomont had
Ney zijn cavalerie, bijna 5000 ruiters, kurassiers en lanciers verzameld.
Schier oogverblindend weerkaatste de zon haar stralen op al die helmen,
kurassen en lanspunten. Nog enkele minuten, en als een orkaan zou die
ruitermassa zich storten op zijn carré’s, die, als de ruiten op een schaakbord,
in twee liniën op vier gelederen geschaard en ieder ongeveer twee bataljons
sterk, achter een lange lijn van vuurmonden den aanval wachtten. De prins
van Oranje, de ziel der verdediging van het centrum, een voorbeeld van
kalmte en moed, een waardige zoon van zijn dappere voorzaten, reed rustig
tusschen de carré’s rond en wekte met een enkel vriendelijk soldatenwoord
zijn krijgers op tot onbezweken volharden.

Daar klinken in de verte cavaleriesignalen! De escadrons komen in
beweging. Niet langs den straatweg van Charleroi,—deze is door de lijken
van mannen en paarden versperd en onbruikbaar geworden—niet rechts
daarvan, want daar ligt de diepe, holle weg van Ohain eveneens reeds vol
doode paarden en kurassiers, die bij een vorige charge hals over kop in de
diepte zijn gestort—ten westen er van zal worden gechargeerd op de
Engelsche artillerie, die onafgebroken vuurt. Daar is de helling van het
plateau ook minder steil.

Page 622

De taaie klei maakt snelle gangen echter onmogelijk. Op de helling glijden
heel wat paarden terug, maar tenslotte is de vlakte toch bereikt. Vier
regimenten kurassiers formeeren de eerste linie.—Galop! schalt de trompet.
Chargeert! en nu gaat het los op de Engelsche kanonnen, waarvan de
artilleristen zich ijlings bergen binnen de carré’s; dan op de divisie Alten, die
reeds zooveel heeft geleden en nu bijna totaal onder den voet wordt gereden
of neergestoken. De garde te paard van Sommerset, de brave Hollandsche
karabiniers van Trip doen wel een tegenaanval, maar nu werpt Ney, als
altoos een oorlogsgod gelijk, met verscheurde, bebloede uniform doch zelf
ongedeerd Lefebvre-Desnouettes met zijn lansiers en jagers op hem.

Op de hoogvlakte ontstaat een ontzettend handgemeen. Pallas en lans,
bajonet en sabel brengen wonden en dood. Nog gruwelijker, nog
meedoogenloozer wordt de worsteling, als ook de zware cavalerie der garde
met haar vijfduizend paarden aanrijdt en zich in den chaos stort.—Napoleon
heeft den aanval van Ney uit de verte gezien. Hoewel deze veel te vroeg is
ondernomen, wel een uur te vroeg, heeft hij begrepen, dat, nu de zaken
eenmaal zulk een richting hebben genomen, Ney niet in den steek kan
worden gelaten. Hij heeft Kellerman dus last gegeven dezen te ondersteunen.

Ruim een uur lang duurt de worsteling op het plateau; verscheiden carré’s
zijn dan uiteengeslagen; andere staan nog als muren. Tot de achterste linie
der Engelschen dringen de Fransche ruiters ten slotte door. Bij den trein
ontstaat een paniek. In wilde vaart slaat daar alles op de vlucht, den weg op
naar Brussel. Reeds voelt Wellington dat de slag zal zijn verloren.

Maar nu zijn de krachten van man en paard ook bij de Franschen uitgeput.
Infanterie is er niet om het behaalde succes der ruiterij te voltooien. Zijn
laatste reserve, de oude garde, 5000 man, wil Napoleon niet uit de hand
geven, want reeds is de jonge garde in scherp gevecht gewikkeld met
Blücher, die de Lasne-beek ongehinderd heeft kunnen overschrijden, die, bij
Bülow gekomen, dezen bevolen heeft krachtig aan te grijpen met zijn
gansche macht, en die nu als een onweerswolk uit het oosten komt opzetten,
terwijl van Grouchy, die Blücher toch vervolgen en met zijn Keizer steeds
voeling houden zou, geen spoor is te ontdekken.

Page 623

De cavalerie, niet meer gevechtsvaardig, totaal uitgeput, moet dus terug.
Ney’s onbesuisde, onverantwoordelijke daad heeft geen blijvend succes
gehad. Thans rennen de Engelsche artilleristen uit de carré’s van hun zoo
dapper staan gebleven zusterwapen terug naar hun stukken, laden ijlings met
kartetsen en jagen de langzaam wijkende escadrons het moordende lood in
den rug.

’t Is zeven uur.—Bij Smohain, Frichermont en Plancenoit wordt woedend
gevochten. Eerst wanneer hier een deel der oude garde te hulp is geschoten,
blijft het laatste dorp in handen der Franschen; doch reeds overstroomen
massa’s Pruisische tirailleurs het terrein; reeds komt de reserve-cavalerie van
het 1e Pruisische korps den linkervleugel der Engelschen bij Smohain de
hand reiken. Pruisische granaten vallen in massa op Plancenoit.

Thans besluit de Keizer zijn laatste tien bataljons oude garde op de zwaar
vermoeide, sterk gedunde gelederen van Wellington te werpen en dus de
beslissing te brengen. Vier bataljons zullen tusschen la Belle Alliance en la
Haye Sainte als reserve blijven staan; met de zes andere zal Ney, wien op
dezen Zondag reeds vier paarden onder het lijf zijn doodgeschoten, ten
aanval gaan.

Daar komen ze, de ijzeren mannen, de berenmuts op ’t hoofd, ’t geweer in
den arm, gesloten en gericht als op het exercitieveld, in zes afzonderlijke
aanvalscolonnes, de hoogte op. De vanen wapperen in den avondwind; de
tamboers slaan. De aanval geldt de zeer gedunde Brunswijksche en
Nassausche bataljons der voorste linie.—“Velt ’t geweer!”—Vive l’
Empereur! schalt het nog eenmaal dreunend en dreigend als een laatste
vaarwel uit drie duizend kelen boven het slaggewoel uit.

De prins van Oranje heeft het dreigende gevaar gezien; hij rent geheel alleen
naar de voorste linie der Nassauers. Daar wordt zijn paard doodelijk
gewond, hij zelf door een kogel in den linkerschouder getroffen. Reeds staat
hij op ’t punt door een troepje kurassiers te worden gevangen genomen, als
eenige Hollandsche karabiniers hem gewaar worden, de kurassiers verjagen,
hem op ’t paard helpen van de Constant Rebecque, een zijner ijlings
toegeschoten stafofficieren, en hem achteruit brengen. Eerst in een

Page 624

paardendeken, later op een matras, die gelegd is op een uitgehaakte huisdeur,
wordt hij naar Waterloo vervoerd.

Krachtig aangegrepen door de garde-brigade Maitland, die achter het hooge
koren heeft verscholen gelegen doch nu eensklaps oprijst en ze met
doodende salvo’s begroet, dan door de jonge Hollandsche soldaten van
Chassé, bijgenaamd Generaal-bajonet, eindelijk door de artillerie heftig
onder vuur genomen, hun verliezen voortdurend ziende vermeerderen,
deployeeren de gardebataljons. Zij willen dit vuur beantwoorden doch
berooven zich hierdoor van den steun van de twee gardebatterijen, die hen
zijn gevolgd. Wel langzaam en in carré geformeerd, maar toch zonder
genade moeten zij ten slotte terug voor den thans over de gansche Engelsche
slaglinie met al wat nog adem heeft ondernomen tegenaanval.

Tot achter la Belle Alliance worden de bataljons teruggedrongen. Hier slaagt
Ney er in ze in twee carré’s te formeeren. Hulp kan hem niet meer worden
verleend, want Napoleon heeft ook zijn vier laatste bataljons doen front
maken tegen de steeds onstuimiger wordende aanvallen der Pruisen.—Nu
gaat ook La Haye Sainte, het met zooveel bloed gekochte bosch van
Hougomont, eindelijk zelfs Plancenoit verloren; en als het aanvankelijk
bleeke, later zeer heldere maanlicht zijn stralen over het slagveld begint te
werpen, is het Fransche leger in vollen aftocht langs den straatweg naar
Charleroi, heeft de zwaargewonde generaal Cambronne binnen een der
ineenzinkende laatste carré’s der garde den vijand zijn brutaal Merde!
toegesnauwd, en heeft generaal Michel den vijand, die hem aanmaant zich
over te geven, zijn fier: “De garde geeft zich niet over; ze sterft,” doen
hooren.

Tevergeefs heeft de Keizer met Jérome, die gekwetst is, en enkele
opperofficieren in een carré den dood gezocht; eindelijk is hij gezwicht voor
hun smeekgebeden en is ook hij, door den stroom van vluchtelingen
medegesleurd, den aftocht begonnen. Om half een in den nacht doodmoe te
Genappes gekomen en hier in zijn reiskoets willende plaats nemen, wordt
hem dit door de vervolgende Pruisische huzaren belet. Al zijn papieren en
kostbaarheden in den steek latende, een tijdlang zelfs blootshoofds en

Page 625

ongewapend, moet hij weder ijlings te paard stijgen en dwars door het land
heen verder vluchten.

Scherp nagezet door de huzaren, die met hun dreigend: Kaput Fransosen!
den schrik en de ontsteltenis nog verhoogen en menigen soldaat en officier
tot zelfmoord brengen, stormen de Franschen, waarvan velen het geweer
hebben weggeworpen, als weerlooze, in ’t nauw gedreven dieren
onafgebroken voort naar Charleroi. Tevergeefs pogen graaf Lobau en de
generaals van de garde Petit en Pelet hen tegen tien uur bij Quatre-Bras tot
staan te brengen. Slechts enkele artilleristen gehoorzamen; zij jagen een
hagelbui van kartetskogels in de voorste escadrons des vijands, doch zetten
den aftocht dan weder voort en geven de naar wraak dorstende Pruisen
opnieuw gelegenheid op de weerloozen in te houwen. Eerst laat in den nacht
wordt de vervolging gestaakt. Dan kunnen de paarden niet meer.

Tusschen le Caillou en la Belle Alliance hadden Blücher en Wellington
elkander bij toeval ontmoet en elkander met de behaalde overwinning
gelukgewenscht.

De meeste schrijvers over Waterloo geven vooral Grouchy de schuld van de
nederlaag. Was hij tijdig naar zijn Keizer op marsch gegaan, dan zou volgens
enkelen alles gered zijn geworden, al beweert daartegenover o. a. Charras,
dat het aan den afloop niets zou veranderd hebben en misschien was ook dit
korps in de vlucht meegenomen, terwijl het nu in goede orde kon
terugtrekken.

Juist in den laatsten tijd is het oordeel over dezen Franschen bevelhebber
niet meer zoo hard als vroeger en al erkent men, dat hij te laat op marsch is
gegaan, de richting waarin hij aanvankelijk ging was verkeerd, maar juist dit
kan men Grouchy niet verwijten.

Toen hij den 18en bij Wavre kwam, vond hij daar de achterhoede van het
Pruisische leger onder von Thieleman, door den slimmen Blücher juist
achtergelaten om hem bezig te houden. Niettegenstaande zijn generaals hem
verzochten in de richting van Waterloo te gaan, van waar men duidelijk

Page 626

kanonvuur vernam, meende Grouchy zijn plicht te doen door in Wavre te
blijven en hierdoor kreeg Blücher de gelegenheid over Rixensart
ongehinderd weg te trekken, Wellington te hulp. Daardoor onthield hij den
Keizer een steun van 30.000 soldaten, die de weegschaal naar de Fransche
zijde hadden kunnen doen overslaan, want alleen door het tijdig ingrijpen
van Blücher kon Wellington de zege behalen. Diens troepen hadden te veel
geleden; ze waren te uitgeput om nog slagvaardig te heeten of ernstigen
weerstand te bieden. Zelfs aan de vervolging konden zij later slechts een
korte poos deelnemen.—In zijn rapport aan den regent van Engeland heeft
Wellington dit trouwens ruiterlijk erkend.

In ’t holst van den nacht bereikte de Keizer Charleroi en was den 21en Juni
uitgeput en ziek naar lichaam en geest op het Elysée terug. Hier kon de
Caulaincourt van hem hooren hoe Ney zich als een krankzinnige gedragen
en de gansche cavalerie opgeofferd had. Daarna liet hij zich vallen op een
canapé, was terstond in slaap, werd een uur later wakker, nam een lauw bad
en ontving, nog hierin gezeten, Davoust. De ministers waren bij elkander
gekomen en wachtten hem vol angst en kommer, kwam deze zeggen. “Wat
een ramp, maarschalk!” riep Napoleon uit.

“Met de noodige wilskracht komen wij dit alles te boven!” antwoordde
Davoust, terwijl hij bedaard de waterdroppels afdroogde, waarmede zijn
heer hem onwillekeurig had bespat.

1 Dat Quatre-Bras toch door Ney bezet gevonden en voor Wellington behouden gebleven is, is
alleen te danken geweest aan den generaal de Perponcher, die bij afwezigheid van den Prins van
Oranje,—deze bevond zich bij Wellington te Brussel op een bal—den zedelijken moed bezat het bevel
niet op te volgen doch bij Quatre-Bras met zijn divisie te blijven staan (16 Juni, half twee ’s nachts).
2 De schetskaart is vervaardigd op de schaal 1 : 40.000. De nummers stemmen overeen met de op
een afzonderlijke bladzijde geplaatste namen der troepenkorpsen en hun chefs.

Page 627

Page 628

Hoofdstuk XXIX.

Page 629

De keizer verbannen.

“Met de noodige wilskracht komen wij dit alles te boven,”
had Davoust gezegd, doch aan Napoleon werd hiertoe
den tijd niet gelaten. Reeds was de mare van zijn
nederlaag als een loopend vuurtje verspreid, den 19en
had hij zelf aan Jozef er van kennis gegeven. De
ministers waren diep terneergeslagen en vreesden het ergste.—Alleen
Fouché, die reeds vóór Napoleons vertrek naar het leger door den Keizer van
heulen met Metternich was overtuigd en toch zijn plaats niet had verloren,
vreesde niets.

Dat het met den Keizer ditmaal voor goed was gedaan, had die verrader
direct begrepen. In de eerstvolgende weken zou Wellington de groote man
wezen. Aan dezen schreef hij dus; tegelijkertijd riep hij tal van aanhangers
der oude constitutie bijeen op een avondvergadering.

Zij verschenen en Fouché schetste hun den toestand. Door eigenliefde, haat
of andere redenen verblind, liet de gedachte, dat het vaderland door de
troepen der geallieerden eerstdaags opnieuw zou worden overstroomd—
Blücher en Wellington naderden snel—deze mannen tamelijk koud. Zij
hadden genoeg van Napoleon en waren het eens met Talleyrand: “Alles beter
dan de Keizer zelfs de Bourbons.” Dezelfde hartstochten, welke den 30en
Maart 1814 tijdens den slag voor Parijs Lafayette hadden geleid tot een
poging om de nationale garde in opstand te brengen, beheerschten de
gemoederen opnieuw. De Keizer moest vallen! betoogde Fouché. Hij had
genoeg op zijn kerfstok om beducht te wezen voor zijn hoofd, als Napoleon
met hem begon af te rekenen.1 In den bovenbedoelden ministerraad gaf de
Keizer een beeld van den toestand en vroeg de meening der aanwezigen.
Carnot vorderde de dictatuur voor hem. Dat geen zwakheid of vleierij dezen
patriot bij dit voorstel leidde, was door zijn bekende eerlijkheid en zijn

Page 630

moedige houding onder het keizerrijk voldoende bewezen.—Het vaderland
was in gevaar, zeide hij; al de nationale gardes, al de aanhangers van het
keizerschap moesten onder de wapenen geroepen, Parijs in staat van
verdediging gebracht en tot het uiterste verdedigd worden. In het eerste
geval kon men tot achter de Loire teruggaan, om daar den vijand weerstand
te bieden tot het leger uit de Vendée benevens de observatiekorpsen uit het
oosten en uit het zuiden des lands daar eveneens waren bijeengetrokken.

Fouché bestreed dit plan; zonder de medewerking der kamers kon de Keizer
niets beginnen, beweerde hij. De meerderheid verklaarde zich echter voor
Carnots voorstel.

Reeds waren de eerste stappen in die richting gedaan, toen de tijding kwam
dat de kamer van volksvertegenwoording, eveneens die der Pairs volgens de
acte additionnel ingesteld, zich op voorstel van Lafayette permanent hadden
verklaard, terwijl elke daad tegen dit besluit zou beschouwd worden als
hoogverraad. Tevens werden de ministers uitgenoodigd voor de Kamer te
verschijnen tot het geven van inlichtingen en het ontvangen van bevelen.
Deze daad, een rechtstreeksche aanval op ’t gezag der kroon, een
onmiskenbare schending der kort te voren bezworen grondwet, een uitdaging
tot den burgeroorlog, een spelen in de kaart van den vijand, bracht in
Napoleons plannen een volslagen omkeer.

Had hij, gebruik makende van de opgewondenheid der Parijsche bevolking,
die luide riep om wapens, die zich bij al de toegangen naar de Champs
Elysées letterlijk verdrong om hem te zien, die zijn verschijning telkens met
een daverend Vive l’Empereur! begroette, die in hem nog altijd den drager
van Frankrijks glorie zag, tot een forsche daad willen overgaan, dan zou het
hem toen weinig moeite hebben gekost om, evenals in 1799, door een
staatsgreep aan de zaak een einde te maken en de Kamer naar huis te jagen;
maar van een burgeroorlog gruwde hij. Na eenige uren van besluiteloosheid
legde hij zich bij de beslissing der Kamer neder. Hij voelde dat hij het spel
had verloren; als een stoïcijn berustte hij in zijn lot.

Eenmaal zoover gekomen ging de Kamer nog een stap verder. Wel ontving
ze Lucien, die namens den Keizer naar haar zitting was gegaan, vrij goed,
doch Lacoste’s; “Slechts één man staat er tusschen ons en den vrede; gaat hij

Page 631

heen, dan is deze verzekerd,” teekende genoegzaam den geest, die velen
bezielde. De Keizer moest heengaan!—“Als hij niet zelf abdiceert, zetten wij
hem af!” klonk er zelfs van verschillende kanten.

Den 22en Juni, dus twee dagen na zijn terugkeer op het Elysée, werd in de
Kamer een hartstochtelijk ondersteunde en met juichkreten begroette motie
voorgesteld om hem tot de abdicatie te dwingen.—“Als hij niet binnen een
uur heeft afstand gedaan, stel ik voor hem vervallen te verklaren,” voegde
Lafayette er zelfs bij.

Dit onbeschaamde ultimatum wekte ’s Keizers verontwaardiging. Was het
zoover gekomen! Hij sloeg een blik om zich heen, zijn ministers zwegen.
Alleen Regnault verhief zijn stem om hem te bezweren toe te geven.

Een uur later was de president van de Kamer in ’t bezit van de verklaring,
dat hij afstand deed van den troon ten behoeve van zijn zoon, dien hij tevens
als Napoleon II uitriep tot Keizer der Franschen.

Nauwelijks was dit nieuws te Parijs bekend, of het volk liep te hoop. Vooral
in de voorstad Saint-Honoré was het gedrang ontzettend. Geruchten, dat de
Kamers den Keizer aan den vijand wilden uitleveren, deden de ronde. Men
wilde weten of dit waar was; men wilde hem zien. Ten slotte werd het
misbaar zoo geweldig, dat hij zich verplicht achtte te voorschijn te komen.

Onbeschrijflijk was de uitbarsting van geestdrift, waarmede hij werd
ontvangen. De lucht daverde van het gejuich. Aangrijpend, ontzagwekkend
was die spontane betuiging van sympathie en genegenheid.

Fouché werd bang, dat Napoleon, ontwarende hoe innig de Parijsche
bevolking nog aan hem was gehecht, zich eensklaps aan haar hoofd zou
stellen, de dictatuur grijpen, de Kamers uiteenjagen en hem, de ziel van dit
kabaal, opknoopen zou. Hij deed hem dus verzoeken Parijs te verlaten. Zijn
tegenwoordigheid daar veroorzaakte een voortdurende gisting in de
gemoederen en ontstemde de Kamers, beweerde hij.

Napoleon deed, wat hem werd verzocht. Het volk wilde hem echter niet
laten vertrekken. In een rijtuig van generaal Bertrand, verdween Napoleon

Page 632

onopgemerkt door de poort der Champs-Elysées, terwijl meer dan
tienduizend menschen in de faubourg St. Honoré stonden te wachten en te
kijken naar de galakoets met zes paarden bespannen, die op Napoleon
scheen te wachten, maar waarin Gourgaud, tot groote teleurstelling van de
bevolking, alleen vertrok. De Keizer ging naar Malmaison, waar hij vol
liefde en deelneming door Hortense werd ontvangen en waar ook zijn oude
moeder hem spoedig kwam troosten. Veel illusies maakte de Keizer zich
weldra niet meer, zelfs geloofde hij niet aan de mogelijkheid dat zijn zoon
ooit Keizer van Frankrijk zou worden.

Alle hoop op beter tijden was echter nog niet bij hem verdwenen. Wie zal
zeggen, wat er in zijn brein omging, als hij, voor zijn gansche omgeving een
raadsel van kalmte en lijdzaamheid, rustig in een hoek van een kanapé een
luchtig romannetje zat te lezen? Met den vurigen wensch van Fouché en zijn
clique om hem zoo spoedig mogelijk uit Frankrijk te zien verdwijnen scheen
hij onbekend.—Dat diezelfde Fouché echter nooit den moed zou hebben
hem met geweld hiertoe te dwingen, wist hij; met de toebereidselen tot zijn
vertrek maakte hij dus geen haast; generaal Becker, lid der Kamer was hem
als Commissaris toegevoegd om toezicht op hem te houden.

Verbeidde de Keizer onder dit talmen het oogenblik, waarop in de
gemoederen een omkeer, bij de partijen in de Kamer zelve een strooming te
zijnen gunste komen zou?—’t Is niet onmogelijk. Vast staat, dat hij, de
nadering der Pruisen vernemende, door generaal Becker aan het voorloopige
bewind deed verzoeken hem als generaal zonder meer aan het hoofd der
troepen te stellen. Dan zou hij den vijand te gemoet gaan, hem verslaan,
Parijs bevrijden en, eenmaal zoover, in het ambtelooze leven terugkeeren.—
Carnot was met dit voorstel wel ingenomen. Denkt Napoleon, dat wij zoo
dom zullen zijn er op in te gaan? vroeg Fouché.

Door toedoen van dezen werd nu een besluit genomen om den Keizer zoo
spoedig mogelijk van Malmaison te doen vertrekken naar Rochefort. Hier
lagen reeds twee oorlogsschepen zeilklaar om hem over te voeren naar
Amerika.—Dan was men hem kwijt, en kon hij geen spaak meer in ’t wiel
steken, dacht Fouché. Dat het in zijn bedoeling heeft gelegen Napoleon op
reis op de een of andere manier uit den weg te doen ruimen, is nooit

Page 633

gebleken. Voldoende was ’t hem, als de ander het grondgebied van Frankrijk
verliet. De vroegere koningsmoorder had zich voorgenomen bij deze nieuwe
omwenteling een eerste rol te spelen en Lodewijk XVIII te dwingen zich van
zijn hulp en zijn tusschenkomst te bedienen. Hij had Talleyrand in 1814 tot
model gekozen. Zijn toeleg is vrijwel gelukt. Zijn brief aan Wellington had
vruchten gedragen. Deze had aanvankelijk niet kunnen gelooven, dat
Napoleon afstand had gedaan van den troon. Die daad ging boven zijn
begrip. Eenmaal hiervan zeker, aarzelde hij echter niet langer doch rukte,
reeds door Blücher voorafgegaan, zonder de komst af te wachten van de
Russen en Oostenrijkers, die nog bij Laon stonden, naar Parijs. Dat Frankrijk
na ’s Keizers abdicatie niet meer in staat was zich te verdedigen, meende hij
stellig te weten. Dat er niet zou worden gevochten, wist hij door Fouché.

Page 634

Napoleon op de Bellerophon.

Den 1en Juli stonden de bondgenooten onder de muren van de hoofdstad.
Hoewel Davoust er in geslaagd was een leger van 80.000 oude soldaten,—o.
a. de 30.000 man van Grouchy—bij Parijs te verzamelen, hoewel Blücher en
Wellington samen slechts 120.000 man hier tegenover konden stellen, de

Page 635

gedachte aan ernstigen weerstand door het voorloopige bewind dus volstrekt
niet behoefde te worden losgelaten, ontving de hertog van Auerstadt last een
capitulatie te sluiten.—Den 3en Juli kwam deze tot stand. Het leger zou
teruggaan tot achter de Loire.—Den 8en Juli d. a. v. hield Lodewijk XVIII,
vergezeld van Talleyrand en gesteund door de bajonetten der bondgenooten,
zijn tweeden intocht binnen Parijs.

Fouché zegevierde. Hij was aan Lodewijk XVIII voorgesteld en bleef een
korte poos de groote man.—Door hem belast met de portefeuille van politie,
in die troebele dagen de gewichtigste, heeft hij van zijn listigen zet, die met
verraad gelijk stond en zelfs door zijn aanhang aldus werd bestempeld, toch
niet lang genoegen gehad. Enkele maanden later werd hij gedwongen zijn
ontslag te nemen en vrijwillig in ballingschap te gaan. Tegelijkertijd werd
ook Talleyrand, met een hooge waardigheid aan het hof bekleed, uit zijn
staatsambt ontslagen en verplicht in het ambtelooze leven terug te treden.—
Dit was de dank der royalisten voor ’t geen die twee cynieke figuren voor
hen hadden gedaan.

De ironie van het toeval had dus gewild, dat de niet koningsgezinden en de
met een herstel der Bourbons in ’t minst niet ingenomen republikeinen en
imperialisten den eenigen man terugwezen, die, zelf een kind der
omwenteling, bij machte zou zijn geweest Frankrijks eer hoog te houden en
den vijand te weerstaan. Thans moesten zij dulden, dat de vreemdeling zich
mengde in het inwendige bestuur van hun land. Dit alles geschiedde nog wel
na een jarenlange periode van grootheid en roem, zooals Frankrijk die nooit
had gekend, een periode, waarin het aan half Europa de wet voorschreef!
Welk een les voor iedere natie, die haar zelfstandigheid wenscht te
behouden!

Niet lang zou het duren of ook van al het goede door Napoleon tot stand
gebracht, zou weinig meer dan de code zijn overgebleven.

Toen Napoleon den 29en Juni vernam, dat de Pruisische cavalerie de
omstreken van Malmaison begon onveilig te maken en dat hij blootstond aan
een overrompeling, gaf hij eindelijk gevolg aan de vertoogen zijner
omgeving en vertrok naar Rochefort. Was hij in Blüchers handen gevallen,

Page 636

dan zou het niet onmogelijk zijn geweest, dat deze de wereld voor goed van
hem had bevrijd. Deze bloeddorstige gezindheid van den ouden veldheer
was zelfs oorzaak, dat Wellington hem schreef: “De persoon van Napoleon
behoort zoomin aan u als aan mij; die behoort aan onze souvereinen. In
naam van Europa zullen die over hem beschikken. Mochten zij een beul
noodig hebben, dan zal ik hun verzoeken hiervoor een ander te kiezen dan
mij. Met het oog op uw grooten naam raad ik u mijn voorbeeld hierin te
volgen.”

Na een reis van vijf dagen, door een landstreek, welker bewoners hem
herhaaldelijk de levendigste bewijzen van genegenheid en van verslagenheid
over zijn heengaan hadden gegeven, den 3en Juli te Rochefort gekomen,
vond de Keizer hier de Saale en de Medusa zeilklaar liggen. Terstond had hij
aan boord kunnen gaan en in zee steken; geen enkel Britsch oorlogsvaartuig
was nog te zien; ongehinderd had hij den oceaan kunnen bereiken. Toch
vertrok hij niet.—Den volgenden morgen was het te laat; toen vertoonde
zich de Engelsche kruiser de “Bellerophon” voor de haven, en was de
toegang tot de zee gesloten.

Allerlei voorstellen om onopgemerkt langs dezen bodem heen te komen
werden hem nu gedaan. Kapitein Ponet van de Medusa stelde zelfs voor
dezen reus met zijn vier en zeventig stukken bij nacht met zijn veel kleiner
schip aan te grijpen, om den Keizer dan aan boord van de Saale te doen
ontkomen. Jozef, die veel op zijn broeder geleek, wilde zich in zijn plaats
laten gevangen nemen; een voor hen te Bordeaux gereed liggend vaartuig
zou hem dan naar Amerika overvoeren.—Voor deze zelfopofferende
voorstellen evenals voor verschillende andere bedankte de Keizer.

Een kostbare tijd ging op deze wijze verloren. Een vraag, aan den kapitein
ter zee Maitland van de Bellerophon gedaan, of hij geen last had hem
ongehinderd te laten vertrekken, werd ontkennend beantwoord met de
opmerking er bij, dat, indien de Keizer naar Engeland mocht willen
oversteken, hij, Maitland, machtiging had zijn bodem hiervoor beschikbaar
te stellen. De ontvangst ginds zou dan zeker wezen overeenkomstig zijn rang
en stand.

Page 637

Nog steeds bleef de Keizer, die zich inmiddels aan boord van de Saale had
begeven en den 12en op het eiland Aix aan wal was gestapt, besluiteloos.
Eindelijk, den 14en Juli, schreef hij aan den prins-regent van Engeland:

“Koninklijke Hoogheid, het doelwit van de partijen, die mijn land verdeelen,
en van de vijandschap der grootste machten van Europa, ik heb mijn
staatkundige loopbaan gesloten; als Themistocles kom ik nederzitten aan
den haard der Britsche natie. Ik stel mij onder de bescherming van haar
wetten. Ik roep die in van uw Koninklijke Hoogheid, als de machtigste, de
standvastigste en de edelmoedigste mijner vijanden.”

Met dit schrijven moest generaal Gourgaud zich naar Londen naar den
Regent begeven. Graaf de las Cases zou kapitein Maitland tevens
meedeelen, dat de Keizer plan had den volgenden morgen bij dezen aan
boord te komen.

De generaal vertrok met het Engelsche korvet de Slaney. De Keizer ging den
15en aan boord van de Bellerophon. Generaal Becker was vooraf
weggezonden. “Men moest niet kunnen meenen, dat een Franschman hem
aan zijn vijanden was komen overleveren,” zei Napoleon.

“Ik kom mij stellen onder de bescherming der wetten van Engeland,” zeide
hij, toen hij den voet zette op het dek van den kruiser en door Maitland
eerbiedig werd welkom geheeten.

Door tegenwind opgehouden, ankerde men eerst den 24en op de reede van
Torbay. Half Engeland liep uit om hem te zien. Hij glimlachte bij ’t
aanschouwen van dit huldebetoon, hem door duizenden in roei- en
zeilbooten gebracht,—bij de woelige zee een gevaarlijk werk, dat zelfs
menschenlevens kostte—maar weldra verdween die glimlach, want
Gourgaud kwam onverrichterzake uit Londen terug. De Regent had hem niet
willen ontvangen.

Den 30en Juli volgde een ministerieele nota, behelzende, dat het eiland St.
Helena in den Zuid-Atlantischen Oceaan den Keizer als generaal Bonaparte
tot toekomstig verblijf was aangewezen.

Page 638

Zelfs in de keuze der personen, die hem derwaarts zouden vergezellen, werd
hij niet geheel vrijgelaten. Hoewel velen, waaronder Savary en graaf Lobau,
zich aanboden om de ballingschap met hem te deelen, ontvingen alleen de
generaals Bertrand en Gourgaud, die reeds jaren lang tot zijn omgeving
behoorden, voorts graaf de Montholon en graaf de Las Cases benevens
eenige bedienden hiertoe verlof. Oostenrijk, Rusland en Frankrijk zouden
ieder een commissaris aanwijzen om te zorgen, dat hij niet ontvluchtte.2
Eindelijk zouden de Keizer en zijn gevolg worden ontwapend, hun koffers
en verder eigendom doorzocht en alle voorwerpen van waarde, die bij een
ontvluchting konden dienst doen, hem afgenomen worden.3 De
Northumberland zou hem naar zijn bestemming brengen.

In waardige taal protesteerde Napoleon tegen deze bejegening. Gevangen
genomen had men hem niet. Uit eigen beweging had hij zich aan boord van
een Engelsch oorlogsschip begeven en Engelands gastvrijheid ingeroepen;
dus had men het recht niet hem te behandelen als een gevangene. “Men
veinst de vriendschapshand toe te steken en wanneer die in goed vertrouwen
wordt aanvaard door den vijand, offert men hem op,” alzoo de Keizer in een
zijner protesten.

Dat zijn protesten hem niets zouden baten, was te voorzien. Van een natie,
wier minister-president, lord Liverpool, aan den secretaris van
Buitenlandsche zaken, lord Castlereagh, had geschreven, dat de beste
oplossing van den toestand zou wezen, indien de koning van Frankrijk hem
als een oproermaker deed doodschieten, was geen genade te wachten. Alleen
de krachtige oppositie van den Hertog van Sussex behoedde Engeland voor
de schanddaad hem aan Lodewijk XVIII uit te leveren, maar het besluit om
hem als gevangene naar St. Helena te brengen kon niet worden voorkomen.
Engeland was bereid de bewaking van den gevallen vijand op zich te nemen.

Een groot deel der Engelsche natie was het eens met de Engelsche regeering.
Twintig jaar lang had zij tegen den Keizer gestreden en was zij zoo goed als
al dien tijd van de gemeenschap met het vasteland afgesneden gebleven. Het
jongere geslacht zag in hem volstrekt geen grootsche figuur, slechts een
vijand van het menschdom.

Page 639

Albion heeft Napoleon niet aan Frankrijk uitgeleverd om met hem kort recht
te maken evenals later met Ney en de Labédoyère; maar wraak genomen
heeft het wel, wraak op een wijze, die zelfs thans nog een ieder weldenkend
en niet door blinden haat vervoerd mensch, met afkeer en walging vervult,
die door alle eeuwen heen een schandvlek zal blijven op Albions
historiebladen.

Hoe is Napoleons houding tegenover deze bejegening geweest? Waardig en
fier tot het einde toe, zooals dit van een gevallen monarch als hij kon worden
verwacht. Toen Hudson Lowe, zijn cipier, hem op zekeren dag dreigde met
inhouding zijner levensbehoeften, wees hij naar het Engelsche legerkamp in
de nabijheid. “Ziet u dat kamp? Daar liggen soldaten. Ik zal ze gaan
opzoeken. “De oudste soldaat van Europa komt u verzoeken om een plaatsje
aan uw tafel” zal ik zeggen. Dan ga ik eten bij hen. Met beschaamde kaken
droop de ander af.

Niet alleen ’s Keizers aanhangers koesteren eerbied voor de wijze waarop hij
zich tegenover zijn cipiers gedroeg. Bij het overlijden van prins Bismarck
schreef de Times, het groote Engelsche dagblad, dat zeker niet van
Napoleontische neigingen zal worden verdacht in haar nommer van 31
Augustus 1898 o.a. “In meer dan één opzicht geleek Bismarck op Napoleon,
maar diens zielegrootheid, welke de rampen des levens met waardigheid
doet dragen, bezat hij niet.”

In den namiddag van den 7en Augustus ging Napoleon met hen, die zijn
gevangenschap zouden deelen op de Northumberland, in allerijl voor haar
nieuwe bestemming in gereedheid gebracht, over. De overigen, die naar
Malta gevoerd zouden worden, bleven op de Bellerophon. Het afscheid was
hartroerend. Mannen, die in honderd veldslagen de kogels om de ooren
hadden hooren fluiten, snikten als kinderen. “Au revoir, Sire, au revoir!”
fluisterden zij met een door tranen verstikte stem. Napoleon, die zijn
zelfbeheersching volkomen behield, antwoordde slechts met een
weemoedigen glimlach.

Den 9en Augustus werd het anker gelicht en ging men onder zeil. “Daags na
het vertrek kreeg men, bij het optrekken van den mist, eensklaps de kust van

Page 640

Bretagne in ’t zicht. “Frankrijk! Frankrijk!” klonk het uit honderden
monden. De Keizer wandelde op dat oogenblik op het dek. De armen over
de borst gekruist, staarde hij met strakken blik op de schoone kust. Een
doodelijke bleekheid overtoog zijn gelaat en zijn oogen vulden zich met
tranen. “Adieu, terre des braves je te salue! Adieu, France, adieu!” fluisterde
hij. De ontroering der Franschen deelde zich zelfs aan de Engelschen mede.

Allen ontblootten het hoofd.

Den 16en October, dus na een reis van negen en zestig dagen wierp de
Northumberland het anker uit op de reede van Jamestown en den volgenden
dag, ’t was de verjaardag van den slag bij Leipzig, betrad Napoleon den
bodem van St. Helena.

1 Een oogenblik is deze werkelijk van plan geweest hem te laten doodschieten. De krijgsraad, die
hem zou vonnissen, was reeds aangewezen. Op St. Helena heeft de Keizer bij herhaling zijn spijt
te kennen gegeven, dat hij tot dien stap niet was overgegaan.—“Dan was er in elk geval een schelm
minder geweest,” zei hij.
2 Veel moeite hebben die heeren zich hiertoe niet gegeven. Den meesten tijd bleven zij rustig te
Jamestown en lieten de Engelschen waken. Niet één hunner heeft den Keizer ooit levend gezien.
Voor een uitnoodiging om als particulieren bij hem te komen dineeren hadden zij bedankt.

3 Deze bepaling is niet gestreng nagekomen. Napoleon nam circa 400.000 frs. mede.

Page 641

Hoofdstuk XXX.

Page 642

St. Helena.

........................................
Des rochers nus, des bois affreux, l’ennui,
l’espace
Des voiles s’enfuyant comme l’espoir qui passe,
Toujours le bruit des flots, toujours le bruit des
vents!
Adieu tente de pourpre aux panaches mouvants!
Plus de tambours battant aux champs, plus de
couronne,
Plus de rois prosternés dans l’ombre avec terreur,
Plus de manteau trainant sureux, plus
d’empereur!...
Sur les escarpements, roulant en noirs décombres,
Il marchait seul, rêveur, captif des vaques
sombres,
Les aigles, qui passaient, ne le connaissaient pas.

Victor Hugo.

Een afgelegener, ongenaakbaarder, armer, ongezelliger
en duurder oord bestaat er op den ganschen aardbol
niet. Schrikwekkend is zijn uiterlijk. Toen ik het in den
morgen van den 17en October voor de eerste maal voor
mij zag, kromp mijn hart ineen. St. Helena ligt 2000
mijlen van Europa, 1200 van de Kaap de Goede Hoop, is van vulkanischen
oorsprong, heeft een laag afgekoelde lava tot bodem en wordt in
verschillende richtingen door diepe kloven doorsneden. Alleen daar, waar de
hand van den mensch tuinaarde heeft aangebracht, zijn sporen van
plantengroei. Allerwege dalen lavamuren van het bovenste bergvlak, waarop
Longwood ligt, loodrecht af naar de zee. Overal grijnzen kanonnen uit de
zwarte rotsmassa u tegen. Een muur en een poortgewelf sluiten de stad
Jamestown af van de zee. In 1815 telde het eiland slechts 500 blanken,
verder eenige honderden Chineezen en Lascaren. Het garnizoen bestond uit

Page 643

twee regimenten infanterie, een escadron dragonders, een compagnie
artillerie en eenige genisten. De vloot telde elf goed bemande schepen.—’t
Was er ongezond. Geen inboorling bereikte er ooit den leeftijd van zestig
jaar. Dysenterie en leveraandoeningen heerschten er zes maanden van ’t jaar
nog heviger dan in Indië.”—Zoo oordeelde de Montholon; Montchenu, de
Fransche regeeringscommissaris, eveneens.

Geen tien maanden na zijn komst begon Napoleon, wiens gezondheid toch
reeds veel had geleden, de gevolgen van een verblijf in dit moordende
klimaat met zijn beurtelings verzengende hitte en scherpe winden reeds te
gevoelen. Zware hoofdpijnen, ontsteking van het tandvleesch en een bijna
onafgebroken gewaarwording van matheid en algemeene verzwakking
openbaarden zich.

Nauwelijks had de Northumberland op de reede van Jamestown het anker
laten vallen, of de commandant van dezen bodem, admiraal Cockburn, die
met bewaking zou belast blijven, tot een militaire gouverneur op het eiland
was aangewezen, begon naar een gepast verblijf voor zijn gevangene te
zoeken. Wel wat ruw, kortaf en prikkelbaar, een Engelschman van top tot
teen, doch overigens goedhartig van aard, had hij dezen het langdurige
verblijf aan boord zoo draaglijk mogelijk trachten te maken. Zelfs had hij
den Keizer, die op hooger last door de equipage niet anders dan met
“Generaal” mocht worden aangesproken en die ook als een generaal op non-
activiteit moest worden behandeld, deze grief bespaard, hem steeds
Excellentie genoemd en hem de eereplaats aan tafel afgestaan.

Nog dienzelfden dag verliet de Keizer het fregat en betrok met zijn gevolg
voorloopig appartementen bij zekeren Portens, een logementhouder te
Jamestown. Had hij Maitland en admiraal Keith door zijn optreden in een
oogwenk ingepakt, niet minder had hij de equipage van de Northumberland
voor zich weten te winnen. De matrozen zagen hem met leedwezen
vertrekken. “Dat hij een kranige kerel was, die zijn hard lot niet verdiende,”
was aller meening.

Welk een steeds dreigend gevaar zou de aanwezigheid in Engeland van een
man, die zulk een machtige bekoring van zich wist te doen uitgaan, voor dit
land zelf en voor Frankrijk zijn geweest! Lord Keith had na de kennismaking

Page 644

immers gezegd, dat “als die verd..... vent een onderhoud met den prins-
regent had kunnen krijgen, die twee binnen een half uur de beste maatjes van
de wereld zouden geweest zijn!”

Voor een zoo gevaarlijk persoon was natuurlijk alleen St. Helena een
geschikt verblijf! De vraag bleef alleen maar, hoe hem onder dak te brengen.
Aan een woning te Jamestown zelf kon niet worden gedacht; daar buiten was
zeer weinig keuze. In een koele, schaduwrijke vallei stond wel een aardig
kasteel, Plantation House, dat als verblijf voor Napoleon uitnemend geschikt
zou zijn geweest, maar dit was bestemd voor den nieuwen gouverneur. Het
huisje door den admiraal uitgekozen, was echter zóó klein, en lag zóó geheel
bloot voor de oogen van het publiek, dat Napoleon om een ander verblijf
verzocht. Op een der zuidelijke bergvlakten, dat van Longwood, stond een
pachthoeve van de Engelsch-Oost-Indische compagnie, verwaarloosd,
vervallen slechts ten deele bewoonbaar en tijdelijk aan een officier van het
Engelsche leger in gebruik gegeven. De admiraal bracht hem er heen en
vroeg hem, wat hij dacht van deze woning. De Keizer nam er genoegen mee.
Zoolang de noodige verbeteringen niet waren aangebracht, zou hij verblijf
houden in een klein paviljoen, the Briars, het eigendom van een
handelsagent, den heer Balcombe, die zijn huis had in de nabijheid.

Wel was de Keizer nu verplicht een tijdlang in één en hetzelfde vertrek te
werken, te eten en te slapen; wel moesten zijn bedienden logeeren in een
tent, “maar hij had het recht niet bezwaren in te brengen,” zei hij. “Zijn
waardigheid gebood hem te zwijgen.”

Zijn omgeving zweeg echter niet; die klaagde luide en won hiermede, dat het
verblijf te Jamestown haar wat aangenamer werd gemaakt.

Wat Napoleon terstond geducht hinderde was het zien van de reeks
schildwachten om the Briars, die letten op al zijn bewegingen, en des nachts
in een engen kring om zijn verblijf stonden.—Men scheen in Engeland wel
zeer bang voor hem, dat men zulk een scherpe bewaking op dat toch reeds
schier ongenaakbare eiland noodig vond!

Gedwongen bezigheid te zoeken, zette hij den arbeid voort aan zijn
Gedenkschriften door las Cases onder zijn dictée reeds aan boord begonnen.

Page 645

Ook vond hij eenige afleiding in het bijzijn der twee dochtertjes van zijn
gastheer, die hem vaak kwamen bezoeken, doch door zijn omgeving nog al
“onhebbelijk” werden gevonden.

In November ontving hij de eerste couranten. Op welk een meedoogenlooze
wijze de royalisten tegen zijn voormalige officieren en ambtenaren met
gevangenis, deportatie en dood optraden, kon hij reeds lezen. Van zijn vrouw
ontving hij taal noch teeken. Zijn bloedverwanten, verbannen, gevlucht,
verplicht zich te verbergen, hadden nog geen gelegenheid gehad hem iets
van zich te doen hooren.

Eindelijk was Longwood gereed! Den 10en December kon hij het betrekken.
“Zijn haai,” zooals hij Cockburn wel eens noemde, had gedaan, wat hij kon
en met hout, geteerde zeilen en materiaal van allerlei aard een tamelijk
bewoonbaar verblijf van één verdieping gelijkvloers doen samenstellen,
waarin tevens voldoende ruimte was voor het gevolg. Zoo vonden de familie
de Montholon, generaal Gourgaud, dokter O’ Meara en de bedienden daar
een verblijf, maar de gansche woning was vochtig, alles beschimmelde
binnen een paar dagen en het krioelde er van ratten. Bertrand en zijn vrouw
hadden op hun verzoek een woning gekregen aan den rand van het plateau;
zij werden dus ’s Keizers buren.

Page 646

Napoleon op St. Helena.

Zelfs op Longwood was de ruimte, waarover deze voor zich alleen
beschikken kon, nog zeer beperkt. Ze bestond n.l. uit twee kamers van
veertien bij twaalf voet en van elf voet hoogte, beide verlicht door twee
vensters met uitzicht op het Engelsche kamp. In een hoek stond het kleine

Page 647

veldbed met groen zijden gordijnen, dat hij reeds bij Marengo gebruikte. De
achterdeur werd verborgen door een vuurscherm; tusschen dit en den haard
stond een oude sofa, waarop hij niettemin een groot deel van den dag
doorbracht. Bruin doek bedekte de wanden, een half versleten karpet den
vloer. Met dit armoedig meubilair vormde een prachtig waschstel met
zilveren kan en kom een zonderling contrast.

Een portret van Maria Louise, twee van zijn zoon en een borstbeeld van
dezen, een miniatuurportret van Joséphine, het horloge, dat hij als Eerste
Consul in Italië op zak had gehad, aan een ketting van haar zijner tweede
vrouw, benevens de wekker van Frederik den Grooten, dien hij uit Potsdam
had medegenomen, dienden tot versiering. In het andere vertrek vond men
een schrijftafel, een paar boekenplanken en een tweede bed; dit gebruikte hij
overdag en ook wel ’s nachts, wanneer hij, wat vaak voorkwam, rusteloos en
ongedurig was. Zat hij niet in een witte morgenjas en witte pantalon met
open hemdkraag en een bontgeruiten doek om het hoofd in zijn slaapkamer
op de sofa met een vracht boeken om zich heen, dan vertoonde hij zich
meestal in een groenen jachtrok, dien hij liet keeren, toen het stuk oud begon
te worden, want Engelsche stof verkoos hij niet te dragen.

Om elf uur ontbeet hij; tegen twee begon hij zich te kleeden; om zeven
dineerde hij dan alleen of met het geheele gevolg. Later werd het diner
gesteld op twee uur en werd er om tien uur gesoupeerd, een en ander ter
wille van mevrouw Montholon of om de doodelijke verveling te verdrijven,
die weldra als een worm aan ’t zieleleven van allen begon te knagen.

De las Cases en de Montholon hebben in hun gedenkschriften op deze
vreeselijke kwelling gedoeld, doch niemand uit ’s Keizers omgeving heeft
die zoo zwaar gevoeld als Gourgaud. De drie andere heeren waren gehuwd
of hadden een lid van hun familie bij zich maar hij was alleen, moederziel
alleen evenals zijn Keizer, den man, dien hij bijna aanbad en op wiens
genegenheid hij zoo jaloersch was als een minnaar op die van zijn meisje.

Geen vriendelijk beeld geeft deze, toen twee en dertigjarige opperofficier in
zijn eerst in 1898 openbaar gemaakte gedenkschriften van zich zelf te
aanschouwen. Vaak is hij ruw en bruusk op brutaal worden af. “Snuf!” zegt
hij zelfs bij zekere gelegenheid als las Cases bezig is den Keizer te vleien.

Page 648

Dat een der andere heeren, Bertrand niet meegerekend, bij Napoleon op hem
den voorrang zal hebben duldt hij niet. Vandaar telkens standjes met de
Montholon en met de las Cases.

“Wat ben je eigenlijk voor een heerschap? Voordat je hem je diensten
kwaamt aanbieden, kende de Keizer je ternauwernood,” duwt hij dezen in
een nijdige bui toe, als hij ziet dat de ander, een voormalige refugé, veel
meer in Napoleons intimiteit wordt toegelaten dan hij. “Ik ben zijn eerste
adjudant, ik heb hem bij Brienne het leven gered. Wat heb jij voor hem
gedaan? Op geen enkel slagveld heb ik je ooit gezien. Ik laat me door
niemand passeeren.”

Ennui! Tristesse! Bijna op elke bladzijde van zijn dagboek, dat loopt tot den
14en Maart 1818, komen deze uitdrukkingen voor.

Zijn stuursheid, zijn wrevelig humeur en zijn jaloezie op de anderen
begonnen Napoleon, die van hem hield en hem vaak zijn Gorko, “zijn zoon”
noemde, nu en dan geducht te vervelen. Dan kreeg Gourgaud een vermaning
om met de anderen in vrede en vriendschap te leven en niet jaloersch te zijn
op de las Cases, die toch zooveel ouder was dan hij en ook moest hij wel
begrijpen, dat allen daar waren voor hem en voor hem alleen en dat hij liefst
vroolijke, opgeruimde gezichten zag.

In ’t laatst van 1816 volgde er zelfs een uitbarsting. “Met je komst hier,
dacht je in mij een kameraad te vinden; van niemand ben ik dit,” duwde
Napoleon hem toe. “Op mij krijgt niemand invloed. Jij zoudt hier het
middelpunt willen wezen, waaromheen alles zich beweegt. Dit middelpunt
ben ik. Sinds wij hier zijn ben jij de oorzaak van al mijn verdriet. Vindt je ’t
hier zoo ellendig ga dan heen, maar zoek geen standjes met Montholon.”

Geducht in zijn wiek geschoten zocht Gourgaud troost bij de familie
Bertrand, maar deze troost was bitter schraal.

“De Keizer is nu eenmaal zoo; zijn karakter veranderen kunnen wij niet. Je
plicht doen en je verder aan niets storen, is nog het beste,” zei de
hofmaarschalk. “Juist dat karakter van hem is oorzaak, dat hij geen vrienden
telt, dat hij zich zooveel vijanden heeft gemaakt, kortom dat wij ons op St.

Page 649

Helena bevinden. Dat is ook de reden waarom zoo min Drouot als de
anderen, die op Elba bij hem waren, wij uitgezonderd, hem hierheen hebben
willen volgen.”

Niemand moet zich voorstellen, dat er tusschen de overige leden van ’s
Keizers omgeving een aangename vertrouwelijkheid bestond. Mevrouw
Bertrand, een creoolsche met een Engelschen vader, maakte van haar
echtgenoot een slaaf en was even veeleischend en grillig als bevallig.
Telkens waren er tusschen haar en mevrouw de Montholon kleine
oneenigheden. Zoo was ’t ook met de heeren. Intrige, naijver en afgunst
speelden zelfs aan dat kleine hof een rol en Napoleon met zijn egoisme
scheen dat wedijveren om een gunstbewijs van hem veeleer aan te moedigen
dan te bestrijden. Hij zelf kon hierbij slechts winnen, meende hij. De
verzekering, dat alleen de personen van zijn omgeving zijn erfgenamen
zouden zijn heeft tot dezen naijver stellig bijgedragen.

Voor de buitenwereld bleef dit alles intusschen zorgvuldig verborgen. Voor
deze was Longwood een hermetisch gesloten kasteel, waar geen vreemd oog
kon rondzien, tenzij de Keizer hiertoe verlof gaf; dan was de hofmaarschalk
de tusschenpersoon.

Evenals op St. Cloud werd de etiquette daar onverbiddelijk streng
gehandhaafd. Voordat de Keizer hiertoe het teeken gaf, waagde het niemand
in zijn bijzijn te gaan zitten, al duurde zulk een sessie een paar uur. Ook als
balling wilde hij nog Keizer wezen; een armzalige eisch voor zulk een man;
maar toch een die door zijn gevolg tot zijn dood is geëerbiedigd. Een jager in
het voorvertrek zorgde, dat nooit iemand ongevraagd bij hem binnentrad.
Reed hij uit, dan zag men zes paarden voor zijn rijtuig met een stalmeester in
volle uniform naast elk portier.

Hoogstens een half uur duurde het diner. Zilveren servies, zijn eigendom,
prijkte in overvloed op tafel. De lakeien waren gedost in een rijke livrei van
groen met goud. Steeds bleef voor de keizerin naast hem een stoel open.
Slechts bij hooge uitzondering, b.v. toen lady Holland met haar man bij hem
kwam dineeren, werd die aan een gast afgestaan.

Page 650

Meestal at hij smakelijk doch snel van de verschillende gerechten. In den
beginne las hij na het dessert vaak een stuk voor uit een Fransch treurspel;
later ging hij meestal reeds vroeg naar zijn kamer om daar te lezen of te
dicteeren, vaak tot diep in den nacht.

Aan veel lichaamsbeweging gewend, en hetgeen hij in het belang van zijn
gezondheid wilde onderhouden, reed hij in den beginne bijna dagelijks te
paard; Admiraal Cockburn had opzettelijk voor dit doel drie rijpaarden van
de Kaap laten komen. Zoodra hij echter bespeurde, dat, wanneer hij een
zekeren kring verliet, een Engelsch officier hem te paard begon te volgen,
een maatregel door lord Bathurst voorgeschreven, zag hij van die voor hem
zoo noodige beweging af, sloot zich geheel op en kwam bijna niet meer
buiten.

Halve dagen bracht hij nu door op zijn canapé, gansche uren in een lauw
bad. Dit scheen hem verlichting te schenken voor een in ’t bijzonder in de
laatste jaren zijns levens voortdurend heftiger wordende pijn in de
maagstreek.—“O, mijn maag! ’t Is alsof ik daar met een mes wordt
gestoken,” zeide hij meermalen.—Van geneeskundige hulp wilde hij echter
niet weten. “Een dokter wist niets van zijn gestel.” zeide hij.

Het opgewektst, het gelukkigst gevoelde hij zich, als hij boeken ontving uit
Europa; dan sloot hij zich met deze op, dagen, weken lang, en rustte niet
voordat hij ze alle doorgelezen en aanteekeningen er uit gemaakt had.

Zoo slopen de dagen, de maanden voor den balling en zijn zwaarmoedig
gestemde omgeving langzaam voorbij, bijna zonder eenige afwisseling,
terwijl een sluier van doodelijke verveling allen langzamerhand begon te
omhullen.

Tot nog toe was aller leven nog dragelijk geweest. Verschillende bepalingen,
hem ten opzichte van den Keizer en diens gevolg voorgeschreven, had
Cockburn op eigen gezag buiten werking gesteld of was ze niet nagekomen.
Doch thans (April 1816) verscheen generaal Sir Hudson Lowe als
gouverneur op St. Helena, en met hem tegelijk kwam er een geduchte
verandering.

Page 651

Van stonden aan trad een kleingeestig, kwellend en vóór alles totaal
overbodig stelsel van bewaken en spionneeren in werking. Door een
cynischen Engelschen minister uitgedacht, kreeg dit stelsel tot overmaat van
ramp als uitvoerder den laaghartigsten ellendeling, die ooit een
generaalsuniform heeft gedragen, een man, die aan volslagen tactloosheid
een angst voor het ontsnappen van zijn gevangene paarde, welke vaak aan
waanzin grensde, en die de laatste levensjaren van den grooten balling,—al
geven wij toe, dat deze een zeer lastig en opvliegend man was—heeft
gemaakt tot een hel op aarde. Zijn eigen landgenooten hebben Hudson Lowe
verfoeid; zijn vroegere beschermers hebben hem losgelaten, en op den
huidigen dag nog zelfs wordt zijn naam door de beschaafde wereld
verafschuwd. Toen hij dien man als cipier zond naar St. Helena, wist lord
Bathurst wel wat hij deed, om den gevallen vijand zijn fellen haat te doen
gevoelen. Dat hij de eer van zijn land hierdoor bevlekte, werd door hem
vergeten.

“Wat een boeventronie, maar zijn inborst kan meevallen!” had Napoleon na
de eerste kennismaking niet zonder reden gezegd.

Werd de bewaking dus terstond verscherpt, voor Lowe was de Keizer
bovendien slechts de generaal Napoleon Bonaparte zonder meer. Alle
brieven, gericht “aan den Keizer,” brak hij open. Op een boek over de
Honderd Dagen met het opschrift: “Imperatori Napoleoni,” door Hobhouse,
den auteur, Napoleon ten geschenke gezonden, legde hij beslag, omdat het
kwam van een Engelschman. Zoo ging het ook met een doos Chineesche
schaakstukken, waarop een gekroonde N. prijkte. Bij ’s Keizers dood duldde
de man zelfs niet, dat op de kist alleen de naam Napoleon werd geplaatst;
dus bleef die kist naamloos.

In al die jaren heeft de Keizer Lowe vijfmaal ontmoet en hem dan telkens, in
woede ontstoken, overladen met grofheden, waarop de ander zoo wijs was
niet te antwoorden.

Ook achtte Lowe het jaargeld, Napoleon aanvankelijk toegelegd, te hoog;
hoewel hij zelf 12000 £ ’s jaars trok, vond hij 8000 £ voor hem en zijn
gevolg voldoende. Toen deed de Keizer een deel van zijn overcompleet
tafelzilver stuk stampen en te Jamestown in ’t openbaar verkoopen, om, al

Page 652

was deze gewelddaad volslagen onnoodig,1 aan Europa konde te doen van
de wijze, waarop hij door Engeland werd behandeld. Nu werd Lowe bang
voor de publieke opinie en roerde het onderwerp der jaarlijksche toelage dus
niet meer aan. Zelfs begon hij plannen te maken om van hout, dat hiertoe uit
Europa werd aangevoerd, Napoleon een betere woning te doen bouwen.

Kort na een onderhoud, waarbij Napoleon hem wederom grof bejegend, hem
voor een Siciliaanschen sbir uitgemaakt en hem ten slotte verboden had ooit
weer voor hem te verschijnen, behalve wanneer hij kwam met het bevel tot
zijn terechtstelling, “als wanneer hij alle deuren wijd voor zich geopend zou
vinden,” beproefde Lowe nog eenmaal ongeroepen tot zijn gevangene door
te dringen.—Hij verkoos dezen dagelijks zelf te zien.—“Ga terug, meneer!
Ga terug!” riep de Keizer hem reeds uit de verte toe, greep tevens een
geweer, dat aan Bertrand toebehoorde, en dreigde hem dood te schieten, als
hij het waagde nog een pas dichterbij te komen.—Verstomd van verbazing
en schrik begon Lowe toen langzaam den aftocht.

Een en ander had ten gevolge, dat de Keizer zich ten slotte in ’t geheel niet
meer buitenshuis vertoonde, en dat zijn gezondheid sterk achteruit begon te
gaan. Dokter O’ Meara, hem aanvankelijk toegevoegd, werd hem door Lowe
weder ontnomen, zoogenaamd omdat hij heulde met zijn patiënt (Juli 1818).
De rapporten van dezen dokter omtrent de slechte gezondheid werden
geloochend; er was niets bijzonders of ongewoons bij Napoleon te
constateeren, zoo heette het, en toen de Keizer in begin van 1819 door een
lichte beroerte werd getroffen en Bertrand de medische hulp van Dr. Stokoë,
dokter van het admiraalschip de “Conqueror” vroeg en deze ook het ernstige
van Napoleons toestand constateerde, onderging deze hetzelfde lot van O’
Meara. Ook Stokoë werd naar Engeland teruggezonden, ja zelfs voor het
uitbrengen van leugenachtige berichten door de admiraliteit van de rol
geschrapt.

Men geloofde de slechte gezondheidstoestand in Europa niet en Gourgaud,
die in 1818 van St. Helena was vertrokken, had hieraan veel schuld, want
door zijn verhalen aan Engelsche ministers, dat er geen sprake was van
ziekte en dat Napoleon comedie speelde, wekte hij den indruk, dat Hudson
Lowe gelijk had, dat de Keizer niets mankeerde. Terecht zegt ook Walter

Page 653

Scott, dat Gourgaud door zijn verhalen veel verkeerds voor Napoleon heeft
uitgewerkt.

Behalve Gourgaud was reeds vroeger Las Cases van het eiland verwijderd.
Wel hoopte deze als beschermer van den Keizer in Europa te kunnen
optreden maar door invloed van Hudson Lowe, werd Las Cases met zijn
zoon gedurende acht maanden verplicht aan de Kaap te blijven en eenmaal
in Europa teruggekeerd, werd er streng toezicht op hem gehouden en
beschouwde men hem wegens zijn trouw aan Napoleon als verdacht. Zijn
moeite om de mogendheden te bewegen in het lot van zijn Keizer
verandering te brengen had geen resultaat.

Een jaar bleef de Keizer zonder geneesheer; pas in 1819 was op herhaalden
aandrang zoowel van oom Fesch als van zijn moeder, dokter Antomarchi
gezonden en twee jonge geestelijken, alle drie Corsicanen, maar de Keizer
vond niet veel steun en hulp bij hen.

Bij al deze kleine en groote kwellingen bleef hij tegenover zijn naaste
omgeving zachtmoedig en welwillend. Waren de zenuwgestellen geprikkeld,
de gemoederen ontstemd, dan was hij nog steeds de man, die met
onuitputtelijk geduld en toegevendheid de partijen weder tot elkander
trachtte te brengen. Hij wist dat eenzaamheid en verveling de hoofdoorzaken
waren van die prikkelbaarheid en zwartgalligheid.

Opmerkelijk mag het heeten dat vooral in de laatste jaren zijns levens de
bijbel zijn lievelingslectuur werd en dat hij juist over dit boek met zijn
omgeving het liefste sprak. Ook de werken van Homerus, Virgilius en
Euripides vonden in hem een getrouw lezer. Om de verveling te verdrijven,
wijdde hij zich zelfs een korte poos aan de studie van het Engelsch; toen
hem reeds spoedig bleek, dat hij voor talenstudie uiterst weinig aanleg bezat,
gaf hij dit op.

Met zijn gevolg wijdde hij zich zelfs eenige weken aan den akkerbouw. Dan
kon men hem met zijn officieren en bedienden, die dit maar een zeer matig
genot vonden, reeds bij het krieken van den dag met de spade in de hand aan
den arbeid zien.

Page 654

Dit werken in de open lucht deed zijn gestel blijkbaar goed; zijn
zwaarlijvigheid nam een weinig af. Doch ook van deze afleiding had hij
weldra genoeg. Het oude leven binnenshuis begon opnieuw. Zijn gezondheid
ging hierbij voortdurend meer achteruit zonder dat men de kwaal wist,
waaraan hij leed. Algemeen schreef zijn omgeving die inzinking van
krachten toe aan Longwoods klimaat. Dat zijn maag vaak voedsel begon te
weigeren en dat hij nu en dan een zwartachtige stof begon te braken, zou
hiervan eveneens wel het gevolg wezen, dacht men. Hij zelf alleen wist
beter; onbevangen sprak hij met zijn omgeving over zijn naderenden dood.

Dat hij dezen niet alleen niet vreesde, maar dat hij zelfs naar dezen
verlangde, was reeds gebleken, toen hij de tijding ontving van Murats
tragisch einde.—“De Calabriërs zijn menschelijker geweest, dan zij, die mij
herwaarts zonden,” riep hij uit.

Ook voor hem zou de tijd spoedig komen. Dezelfde kwaal (maagkanker), die
zijn vader en kort te voren zijn zuster Elisa ten grave gesleept had, was reeds
te ver gevorderd en nam ten slotte ook hem weg, voor zijn omgeving nog
zeer onverwacht.

Hoe weinig geloofde men op St. Helena aan zijn heengaan; nog op den 2en
Mei schreef een der regeeringscommissarissen aan prins Metternich over de
voorgewende ziekten van den Keizer, waaraan ze al vijf jaar gewoon waren,
en, voegt hij er aan toe, ’t kan ons alleen zeggen: “Laten we op onze hoede
zijn.” Nog vrees voor ontvluchting van den reeds stervenden Keizer! De
doodstrijd was reeds begonnen. Zijn laatste dagen had hij besteed voor het
testament, waarin hij zijn trouwe dienaren en soldaten bedacht en dat hij in
die laatste uren veel met zijn zoontje bezig was blijkt wel hieruit, dat hij den
2en Mei in een delirium van koorts aan zijn kamerdienaar Marchand nog een
toevoegsel van het gereedliggend testament dicteerde, waarin hij aan zijn
tienjarigen zoon allerlei vermaakt, zelfs huizen en landgoederen, die niet
eens bestonden!

Voorzien van de genademiddelen der Roomsche Kerk blies hij den 5en Mei
1821 in de armen van de Montholon en Bertrand den laatsten adem uit.

Page 655

Op zijn verzoek werd zijn graf gedolven in de Geraniumvallei onder twee
treurwilgen wier wortels werden besproeid door een koel beekje, waar hij
vaak zijn dorst had gelescht.

Naar Frankrijk mocht zijn asch niet worden overgebracht. De Heilige
Alliantie had op ’t Congres van Aken beslist, dat zijn gevangenis ook zijn
laatste rustplaats zou wezen. Op de smeekbede van Madame Mère om over
het stoffelijk overschot van haar kind te mogen beschikken werd niet eens
geantwoord. Zelfs voor het lijk van den grooten doode scheen men in
Europa nog vrees te koesteren.

“Ik wensch, dat mijn asch zal rusten aan den oever van de Seine, te midden
van het Fransche volk, dat ik zoo innig heb lief gehad.”

Zoo stond er in zijn testament, een stuk waarin letterlijk allen waren bedacht,
die hem in zijn leven eenigen dienst hadden bewezen. Toch zouden twintig
jaar verloopen, voordat deze wensch werd vervuld.—De Juli-revolutie van
het jaar 1830 had het geslacht der Bourbons opnieuw van den troon
geworpen. Louis Philippe, een Orleans, een zoon van den tijdens de
Omwenteling onthoofden Philippe Egalité, hield dezen bezet, en het jaar
1840 was reeds begonnen, toen Thiers, de eerste minister, een man, die door
zijn geschriften en zijn vroeger leven ver stond verheven boven de
vooroordeelen en den geheimen haat der partijen van voorheen, besloot een
stap te doen, waarop de Fransche natie reeds tien jaar lang steeds luider en
krachtiger aandrong.—Aan Engeland wilde hij ’s Keizers stoffelijk
overschot terugvragen, om het op Frankrijks bodem een rustplaats te
schenken.

De vraag werd gedaan, Albion niet onwillig bevonden, en in het begin van
Juli 1840 aanvaardden het fregat la Belle Poule en de korvet la Favorite met
’s konings zoon, den prins van Joinville, en tal van Napoleons voormalige
lotgenooten, waaronder Bertrand, Gourgaud en den jongen de Las Cases aan
boord, de reis naar St. Helena.

Page 656

Hier werd het lijk, dat eerst in een blikken kist met een looden er omheen
gesloten en zoodoende geheel van lucht afgesloten was geweest en dus zoo
goed als ongeschonden was gebleven, eerbiedig aan zijn tegenwoordige
rustplaats ontnomen en met militaire eerbewijzen overgebracht aan boord
van het fregat. Na een kortstondig bezoek aan Longwood, dat, verwaarloosd
en vervallen, thans als koestal dienst deed, keerden ook Gourgaud, Bertrand
en velen, die daar voorheen in ballingschap hadden geleefd, terug.

Daarop werd de reis naar Frankrijk aanvaard. Den laatsten November d.a.v.
liet het fregat het anker vallen in de haven van Cherbourg. Van hier zou een
flottille het lijk langs de Seine overbrengen naar Parijs. Den 1en December
werd Courbevoie bereikt en een stoet gevormd, waarin aan tal van
oudgedienden en officieren een plaats was gegeven. Te midden eener
tallooze zwijgende en diep ontroerde menigte, toog deze door den
triomfboog en de Champs Elysées naar den dom van ’t hotel der Invaliden,
een prachtstuk uit de XVIIe eeuw. Onder het machtige koepelgewelf door het
gansche hof omgeven wachtte de koning in plechtgewaad. In de verte klonk
het luiden der klokken, het dreunen van het kanon.

Daar worden de zware deuren van den dom wijd opengeworpen. De
opperceremoniemeester treedt over den drempel. Luide klinkt zijn: L’
Empereur!—Als één man reizen al de hovelingen, dragers van de edelste
namen van Frankrijk op. De koning gaat den stoet tot aan den uitgang
tegemoet. “Sire, ik breng u het lijk van Napoleon, dat door mij op uw last
naar Frankrijk werd teruggevoerd,” zegt de prins van Joinville.—“In naam
van Frankrijk wordt het door mij aanvaard,” luidt het antwoord. Aan den
trouwen, edelen Bertrand valt de welverdiende onderscheiding ten deel den
degen des Keizers op de kist te mogen leggen.

Aanvankelijk in een zijkapel naast het altaar bijgezet, werd het lijk in Mei
1861 overgebracht naar zijn tegenwoordige plaats. Uit een met pilasters
gedekt, witmarmeren kuipgewelf, omsloten door een krans van tropeeën,
samengesteld uit veroverde vaandels en standaarden, rijst zwaar en forsch en
indrukwekkend, zonder eenige uitwendige versiering een sarcophaag op van
rood Finsch graniet, een geschenk van keizer Nikolaas van Rusland.
Omgeven door de praalgraven van Vauban, Turenne, Jérome, Bertrand en

Page 657

Duroc rust daarin het stoffelijke overschot van hem, die, Franschman van
geboorte doch Corsicaan van bloed, vijftien jaar lang bijna onbeperkt over
Frankrijk den schepter voerde, van hem, die dit land eenmaal deed baden in
een zonneglans van glorie en grootheid, van wien ten platten lande zelfs nu
nog steeds vol eerbied en ontzag wordt gesproken als van l’ Homme, van den
man, die als veldheer en als bewindvoerder nog nooit zijns gelijke vond,
wiens nagedachtenis in Frankrijk ten eeuwigen dage zal voortleven, van de
reuzenfiguur

Napoleon.

1 Alleen bij den bankier Laffitte te Parijs had hij vier millioen francs liggen doch hij vreesde, dat,
als dit bekend werd, de royalisten daarop beslag zouden leggen.

Page 658

Page 659

MEDE VERSCHENEN:
RUTH PUTNAM’S

WILLEM DE ZWIJGER

PRINS VAN ORANJE.

Voor Nederland bewerkt door Dr. D. C. NIJHOFF.

Nieuwe Uitgave door A. H. P. BLAAUW.

Leeraar in de Geschiedenis aan de Cadettenschool te Alkmaar.

Met 32 platen van J. H. ISINGS Jr.

Prijs in prachtband ƒ 2.90.

Zou er wel een Hollandsch kind zijn, dat na op school de eerste beginselen
der Vaderlandsche geschiedenis geleerd te hebben, zich niet dadelijk sterk
voelt aangetrokken tot de figuur van Willem den Zwijger en hem niet als
den held der helden beschouwt?

Ieder rechtgeaard Nederlander heeft in zijn jeugd een tijdlang gedweept met
den “Vader des Vaderlands,” die zooveel opofferde voor ons land en onze
vrijheid, en iedere schooljongen zag eens in hem het ideaal van moed,
zielenadel en trouw. Met Michiel Adriaanszoon de Ruyter is Willem de
Zwijger zeker wel de populairste der Nederlandsche helden. Zelfs zij, die
zijn verdienste bestrijden of zijne motieven wantrouwen, moeten toch nog
belang stellen in den man, die ontegenzeggelijk zooveel invloed heeft gehad
op den loop der geschiedenis van ons vaderland. Ik twijfel dus ook niet, of
Ruth Putnam’s werk zal in dezen nieuwen vorm een ruimen kring van
lezers vinden.

Page 660

Naar de Heer Blaauw ons in het voorbericht meedeelt, is Dr. Nijhoff’s
bewerking eenigszins gepopulariseerd, hetgeen het boek ongetwijfeld ook
beter voor de jeugd geschikt zal maken. In Isings’ illustraties, waaronder
verscheidene portretten, vinden wij zeer veel moois; alle zijn aangenaam
aan te zien, enkele zelfs zeer goed te noemen. Aan het slot van het boek
geeft de teekenaar zelf een lijst van aanteekeningen bij de platen, waardoor
deze veel in waarde winnen. Verder is het boek voorzien van vele
facsimile’s van handschriften, brieven en naamteekeningen. Ook in den
tekst zijn vele brieven opgenomen, welke een goeden kijk geven op ’s
Prinsen karakter en zijne betrekkingen tot familieleden en vrienden. Voorts
vindt men nog een geslachtsregister van het huis Nassau-Dillenburg,
beginnende in 1247 met Otto I, en van het huis Oranje-Nassau tot ons
prinsesje Juliana. Bij het samenstellen hiervan werd de bewerker bijgestaan
door Prof. Dr. T. J. L. Krämer, Directeur van het Koninklijk Huisarchief,
zoodat hierbij dus uit betrouwbare bronnen is geput. Het boek lijkt ons
bijzonder geschikte lectuur voor leerlingen van middelbare scholen en
gymnasia, en verder voor ieder, die belang stelt in de geschiedenis van ons
vaderland of in de levensbeschrijving van een groot man.

A. C. Vragen van den Dag. Januari 1911.

Ter Perse:

Het Leven van Willem III

(1650–1702)

door A. N. J. FABIUS,

Generaal-Majoor.

Geïllustreerd met 16 historieprenten. Prijs in prachtband ƒ 2.90.

De prachtige Jongensboeken van JOH. H. BEEN.

Prijs in prachtband ƒ 2.90.

Page 661

DE JONGENS DE BAAS.

Met vele platen van LOUIS RAEMAEKERS.

De naam van Joh. H. Been is in de jongenswereld voldoende bekend. Zijn
mooie boeken uit het vroegere zeeleven behooren tot de meest gezochte
lectuur. Ditmaal beweegt hij zich in “De Jongens de Baas (en de meisjes
niet te vergeten)” op een ander gebied, dat evenwel voor zijn lezers niet
minder aantrekkelijk is. Het is een vermakelijk boek en, al lag dit niet in de
bedoeling, tevens een boek om veel uit te leeren. Been is echter ’n
onderhoudend verteller, die zorg draagt nooit vervelend te worden, zijn
fantasie evenaardt zijn kennis en uit beider samenwerking is een boek
ontstaan, dat zeker door de jeugd verslonden zal worden.

Het is rijk geïllustreerd met mooie teekeningen van Louis Raemaekers.

Nieuw! Nieuw!

Kakkerlak bij de Padvinders.

Geïllustreerd der LOUIS RAEMAEKERS.

De lezers van DE JONGENS DE BAAS zullen met vreugde vernemen dat
op dit werk een vervolg is verschenen. Nu, ze zullen zich het aanschaffen
van dit vervolg niet berouwen, want het vertelt van nog veel spannender
avonturen en de lezer zal het boek niet uit de handen leggen alvorens het te
hebben uitgelezen.

De drie Matrozen van Michiel de Ruijter.

Met 32 groote platen van J. H. ISINGS Jr.

Een uitstekend jongensboek. Wie zijn jongens ’n boek wil geven, dat zij
zullen verslinden en waarvan zij goede indrukken zullen bewaren, koope
het en brenge het in de “schoolbibliotheek” of in de “bibliotheek voor jonge
lieden.” En wie het cadeau krijgt op “St. Nicolaas” of “Nieuwjaar” kan
tevreden zijn. Mededeeling Nut. v. h. Alg.

Page 662

PADDELTJE, de Scheepsjongen van Michiel de Ruijter.

Met 24 groote platen van J. H. ISINGS Jr.

Schrijver, teekenaar en uitgever hebben hier samengewerkt om de jeugd een
werk te geven van prima kwaliteit. “Paddeltje” is een mooi, frisch boek, dat
van begin tot eind boeit zonder de gemoederen op te winden en dat zonder
effektbejag en overdreven patriotisme een aardigen kijk geeft op den
kloeken geest der Hollanders in de 17e eeuw en op het groote karakter van
Michiel de Ruijter. De held van het verhaal Paddeltje, is een echt kind van
zijn tijd. Zijn lotgevallen bij de zeeroovers (die sterk herinneren aan het
verhaal van kapitein Pulver uit “Ferdinand Huik”) en vooral zijn
wederwaardigheden aan boord van schipper de Ruijter zijn door Joh. Been
met talent beschreven. Commissie v. d. Kinderlectuur v. h. Ned.-Ind.
Onderw. Genootschap.

Geschenkwerken voor jonge dames!

ROSWITHA door MARIE BODDAERT.

Geïllustreerd door B. en J. MIDDERIGH-BOKHORST.

Prijs in prachtband ƒ 2.90.

Het is een waar genot dit boek, dat bestemd is voor jonge meisjes, te lezen.
Het is vol frisch, jeugdig enthousiast en idealistisch leven; de groote
deugden van trouw en zelfopofferend plichtsgevoel en hooge bewondering
voor wat edel is, stralen er ons uit tegen. Het is als een frissche bergstroom,
die onstuimig en bruisend, en ook teer-zingend en fluisterend van allerlei
wonderlijk mooi stroomt door het land van werkelijkheid. Het is een zéér
groote aanwinst voor de jonge meisjes van heden.

HOLLANDSCH BINNENHUISJE

door JOHANNA VAN WOUDE. Prachtig geïllustreerd door LOUIS
RAEMAEKERS.

Page 663

TIENDE DRUK. :-: PRIJS IN PRACHTBAND ƒ 1.90.

“Zou er iemand zijn die niet onder de bekoring geraakt van deze poëzie?”
heeft J. van Loenen Martinet in de Zwolsche Courant gevraagd. “Met wat
groote liefde zijn al die gewone dingen geteekend! Wat een hart spreekt er
uit elke bladzijde! Wat een vriendelijke geest, aan alle bitterheid vreemd,
wat een innig gevoel zonder sentimentaliteit komt er uit tegemoet! Wat zien
oude dingen er weer frisch uit en hoezeer ontvangen bekende zaken weer
nieuwe aantrekkelijkheid! Zulk een boek te durven geven, dat noem ik een
vaderlandslievende daad!”

TOM EN IK door JOHANNA VAN WOUDE.

Geïllustreerd door LOUIS RAEMAEKERS.

ZESDE DRUK. :-: Prijs in prachtband ƒ 1.90.

Na den grooten bijval, dien het “Hollandsch Binnenhuisje” gevonden had,
(zoo zegt het tijdschrift “Nederland,”) was men nieuwsgierig, hoe de
schrijfster, die schijnbaar zoo naïef en natuurlijk zich zelve geheel gegeven
had, weer anders zou kunnen zijn. Welnu, “Tom en Ik” was weer anders;
vele lezers vonden zelfs de analyse fijner, dieper dan die van Johanna van
Woude’s vorige werken; in elk geval was weer de indruk gegeven van een
frissche verbeeldingskracht, een gevoelvol hart, een kloek verstand,
beschikkend over een pen, die voor iedere gedachte de eenvoudige
harmonische, smaakvolle uitdrukking weet te vinden.

Geschenkwerken voor jonge dames!

Een Holl. Meisje op een Eng. Kostschool

door A. C. KUIPER.

Geïllustreerd door LOUIS RAEMAEKERS. -:- Vierde Druk.

Prijs in prachtband ƒ 1.90.

Page 664

Dit werk is voor meisjes van 12 tot 18-jarigen leeftijd een zeer boeiend en
tevens nuttig verhaal, niet alleen voor die jonge meisjes die naar Engeland
gaan om evenals Suze van Velzen, de heldin van het verhaal, op Westbury
of op een ander meisjes-pensionnaat haar opvoeding te voltooien, maar ook
voor die massa andere jonge dames, wier ouders daar niet aan denken.

ELSJE DOOR A. C. KUIPER.

Geïllustreerd door LOUIS RAEMAEKERS. :-: Vierde Druk.

Prijs in prachtband ƒ 1.90.

“Elsje,” een verhaal voor meisjes door A. C. KUIPER, is een boek dat ons
bij het lezen zeer heeft geboeid. “Voor meisjes” is het boek bestemd; en die
kunnen het gerust lezen; want zij kunnen er veel uit leeren, vooral het
gemak om zich uit te drukken. Maar ook voor ouderen is het een goed boek,
dat niemand onvoldaan zal terzijde leggen.

Alleen in een kleine Stad door A. C. KUIPER.

Geïllustreerd door LOUIS RAEMAEKERS.

Derde Druk. := =: Prijs in prachtband ƒ 1.90.

Het vertelt van een ouderloos meisje, dat, met een herinnering aan haar
lieven, nobelen vader, bij een kleinzieligen, ongetrouwden oom in een
kleine stad in huis komt. Haar oprechtheid brengt haar, evenals haar
eenvoud en ongedwongenheid, vaak in grievende moeielijkheden. Het
verhaal is onderhoudend geschreven.

EEN HELDIN DOOR A. C. KUIPER.

Geïllustreerd door LOUIS RAEMAEKERS. -: :- Tweede Druk.

Prijs in prachtband ƒ 1.90.

Een meisje dat zich door eigen kracht, ondanks veel tegenspoed, door het
leven heenslaat, en een eervolle plaats verovert, mag wel een heldin

Page 665

genoemd worden. Grooter is vaak de overwinning over de dagelijksche
speldeprikken van hoogmoedige meesters, dan die van menige held of
heldin der mythologie. De Heldin van dit boek is geheel van onzen tijd en
háár strijd is de strijd van zoovele meisjes onzer dagen!

Page 666

Colofon

Beschikbaarheid

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen
beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of
hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit
eBoek of on-line op www.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door Jeroen Hellingman en het on-line
gedistribueerd correctie team op www.pgdp.net.

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no
restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the
terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
www.gutenberg.org.

This eBook is produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at www.pgdp.net.

Codering

Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst
te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn
stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd.
Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het corr-element.

Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn
deze in dit bestand gecodeerd met “. Geneste dubbele aanhalingstekens zijn
stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens.

Documentgeschiedenis

2008-08-25 Begonnen.

Page 667

Externe Referenties

Dit Project Gutenberg eBoek bevat externe referenties. Het kan zijn dat deze
links voor u niet werken.

Verbeteringen

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering
[Niet in bron] .
—
[Niet in bron] .
[Niet in bron] .
9 om oom
11 revolutionaire revolutionnaire
30 Constuante Constituante
35 [Niet in bron] ”
37 Argonnenwoud Argonnerwoud
39 Comite Comité
41 Nantas Nantes
48 oogste oogstte
61 [Niet in bron] en
64 Directorie Directoire
67 kustwerken kunstwerken
68 [Niet in bron] ,
72 Directore Directoire
80 emigrés émigrés
85 emigrés émigrés
90 Bourienne Bourrienne
93 bezorgheid bezorgdheid
101 oogeblik oogenblik

Page 668

109 Middelandsche Middellandsche
115 af of
119 emigrés émigrés
122 emigrés émigrés
122 milloen millioen
123 palais Palais
125 Baciocchi Bacciochi
126 Baciocchi Bacciochi
128 emigrés émigrés
129 [Niet in bron] .
130 doodvijand doodsvijand
131 [Niet in bron] ”
139 emigrés émigrés
143 Burgelijk Burgerlijk
143 emigrés émigrés
144 officeele officieele
146 emigrés émigrés
149 Augiastal Augiasstal
158 [Niet in bron] ,
159 Toussaint Louverture Toussaint-Louverture
167 emigrés émigrés
167 emigrés émigrés
168 hierachie hiërarchie
168 zij zijn
170 emigrés émigrés
174 , .
175 stelstel stelsel
178 emigrés émigrés
178 Bonparte Bonaparte
179 erkennning erkenning

Page 669

179 Whithworth Whitworth
180 den Den
182 emigrés émigrés
185 Ommiddellijk Onmiddellijk
187 gefusileerd gefusilleerd
189 , .
197 balcon balkon
200 grande-casette grande-cassette
208 Bacchiochi Bacciochi
209 Boheme Bohemen
211 219000 219.000
224 80,000 80.000
229 lever leven
231 Verheull Verhuell
233 grafkappellen grafkapellen
233 Burgelijke Burgerlijke
239 , .
242 Langrafenberg Landgrafenberg
243 gibivakkeerd gebivakkeerd
246 Lubeck Lübeck
252 dyssenterie dysenterie
262 , .
262 porceleinfakrieken porceleinfabrieken
262 [Niet in bron] ,
269 Jou Jouw
279 , .
280 Wurtzburg Würtzburg
280 [Niet in bron] ,
281 Boheme Bohemen
288 Ebersdorff Ebersdorf

Page 670

290 Waleska Walewska
293 den Den
297 Horteuse Hortense
303 Louisa Louise
305 stelsel Stelsel
307 stelsel Stelsel
307 gevolgd gevoegd
308 Louisa Louise
309 toegegevallen toegevallen
310 Stokholm Stockholm
311 [Niet in bron] ,
311 [Niet in bron] ,
311 [Niet in bron] ,
311 [Niet in bron] “
323 325000 325.000
328 Barlclay Barclay
328 Volhinië Volhynië
334 terruggaan teruggaan
338 Moskau Moskou
340 Duische Duitsche
343 berucht beruchte
349 terruggaan teruggaan
349 , [Verwijderd]
349 hem hen
357 Tuillerieën Tuilerieën
358 ijskorts ijskorst
363 Russiche Russische
371 eveneeens eveneens
374 rechstreeks rechtstreeks
386 Piacenca Piacenza

Page 671

396 [Niet in bron] ”
399 Tui-erieën Tuilerieën
407 bevordelijk bevorderlijk
407 emigrés émigrés
408 Vivi Vive
419 [Niet in bron] .
419 [Niet in bron] )
419 Dornberg Dörnberg
419 18 28
419 [Niet in bron] .
421 uitgestrekheid uitgestrektheid
428 onwilkeurig onwillekeurig
430 [Niet in bron] !
439 Dyssenterie Dysenterie
440 bewegjngen bewegingen

Page 672

*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NAPOLEON ***

Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright royalties.
Special rules, set forth in the General Terms of Use part of this license,
apply to copying and distributing Project Gutenberg™ electronic
works to protect the PROJECT GUTENBERG™ concept and
trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, and may not
be used if you charge for an eBook, except by following the terms of
the trademark license, including paying royalties for use of the Project
Gutenberg trademark. If you do not charge anything for copies of this
eBook, complying with the trademark license is very easy. You may
use this eBook for nearly any purpose such as creation of derivative
works, reports, performances and research. Project Gutenberg eBooks
may be modified and printed and given away—you may do practically
ANYTHING in the United States with eBooks not protected by U.S.
copyright law. Redistribution is subject to the trademark license,
especially commercial redistribution.

START: FULL LICENSE

Page 673

THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work (or
any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full Project
Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing
Project Gutenberg electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg electronic
work, you indicate that you have read, understand, agree to and accept
all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
all copies of Project Gutenberg electronic works in your possession. If
you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project Gutenberg
electronic work and you do not agree to be bound by the terms of this
agreement, you may obtain a refund from the person or entity to whom
you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people
who agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this agreement
and help preserve free future access to Project Gutenberg electronic
works. See paragraph 1.E below.

Page 674

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the
collection of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the
individual works in the collection are in the public domain in the
United States. If an individual work is unprotected by copyright law in
the United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting free
access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg works
in compliance with the terms of this agreement for keeping the Project
Gutenberg name associated with the work. You can easily comply with
the terms of this agreement by keeping this work in the same format
with its attached full Project Gutenberg License when you share it
without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
access to, the full Project Gutenberg License must appear prominently
whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work on which
the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase
“Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed,
viewed, copied or distributed:

Page 675

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States
and most other parts of the world at no cost and with almost no
restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
under the terms of the Project Gutenberg™ License included with
this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located
in the United States, you will have to check the laws of the
country where you are located before using this eBook.

1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is derived
from texts not protected by U.S. copyright law (does not contain a
notice indicating that it is posted with permission of the copyright
holder), the work can be copied and distributed to anyone in the United
States without paying any fees or charges. If you are redistributing or
providing access to a work with the phrase “Project Gutenberg”
associated with or appearing on the work, you must comply either with
the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or obtain
permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works posted
with the permission of the copyright holder found at the beginning of
this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.

Page 676

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide
access to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means of
obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works provided
that:

• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the
use of Project Gutenberg works calculated using the method you
already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the
owner of the Project Gutenberg trademark, but he has agreed to donate
royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days
following each date on which you prepare (or are legally required to
prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly
marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation at the address specified in Section 4, “Information about
donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.”

• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does
not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You
must require such a user to return or destroy all copies of the works

Page 677

possessed in a physical medium and discontinue all use of and all
access to other copies of Project Gutenberg™ works.

• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.

• You comply with all other terms of this agreement for free distribution
of Project Gutenberg™ works.

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg™
electronic work or group of works on different terms than are set forth
in this agreement, you must obtain permission in writing from the
Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of the
Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set forth in
Section 3 below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend
considerable effort to identify, do copyright research on, transcribe and
proofread works not protected by U.S. copyright law in creating the
Project Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project
Gutenberg™ electronic works, and the medium on which they may be
stored, may contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete,
inaccurate or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES -
Except for the “Right of Replacement or Refund” described in
paragraph 1.F.3, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation,
the owner of the Project Gutenberg™ trademark, and any other party
distributing a Project Gutenberg™ electronic work under this
agreement, disclaim all liability to you for damages, costs and

Page 678

expenses, including legal fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO
REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT LIABILITY, BREACH
OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE
FOUNDATION, THE TRADEMARK OWNER, AND ANY
DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT,
CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL DAMAGES
EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you
discover a defect in this electronic work within 90 days of receiving it,
you can receive a refund of the money (if any) you paid for it by
sending a written explanation to the person you received the work
from. If you received the work on a physical medium, you must return
the medium with your written explanation. The person or entity that
provided you with the defective work may elect to provide a
replacement copy in lieu of a refund. If you received the work
electronically, the person or entity providing it to you may choose to
give you a second opportunity to receive the work electronically in lieu
of a refund. If the second copy is also defective, you may demand a
refund in writing without further opportunities to fix the problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth in
paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED,
INCLUDING BUT NOT LIMITED TO WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. If
any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the law
of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by

Page 679

the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
provision of this agreement shall not void the remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the
Foundation, the trademark owner, any agent or employee of the
Foundation, anyone providing copies of Project Gutenberg™
electronic works in accordance with this agreement, and any
volunteers associated with the production, promotion and distribution
of Project Gutenberg™ electronic works, harmless from all liability,
costs and expenses, including legal fees, that arise directly or indirectly
from any of the following which you do or cause to occur: (a)
distribution of this or any Project Gutenberg work, (b) alteration,
modification, or additions or deletions to any Project Gutenberg work,
and (c) any Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project
Gutenberg

Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s goals
and ensuring that the Project Gutenberg collection will remain freely
available for generations to come. In 2001, the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation was created to provide a secure and
permanent future for Project Gutenberg and future generations. To
learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 and
the Foundation information page at www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Page 680

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the state
of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal Revenue
Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification number is
64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation are tax deductible to the full extent permitted by U.S.
federal laws and your state’s laws.

The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza
#516, Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact
links and up to date contact information can be found at the
Foundation’s website and official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without
widespread public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small
donations ($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax
exempt status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United States.
Compliance requirements are not uniform and it takes a considerable
effort, much paperwork and many fees to meet and keep up with these
requirements. We do not solicit donations in locations where we have
not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
state visit www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition

Page 681

against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg
electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg
concept of a library of electronic works that could be freely shared
with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
Gutenberg eBooks with only a loose network of volunteer support.

Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.

Most people start at our website which has the main PG search facility:
www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg, including
how to make donations to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.

Page 682

back

Page 683

back

Page 684

back

Page 685

back

Page 686

back

Page 687

back

Page 688

PDF language

简体中文 https://pdftoflip.com/view.php?t=46659373a5cec8950363d49045b0f37e&bl=zh Translating…
Español https://pdftoflip.com/view.php?t=46659373a5cec8950363d49045b0f37e&bl=es Translating…
Français https://pdftoflip.com/view.php?t=46659373a5cec8950363d49045b0f37e&bl=fr Translating…
Deutsch https://pdftoflip.com/view.php?t=46659373a5cec8950363d49045b0f37e&bl=de Translating…
日本語 https://pdftoflip.com/view.php?t=46659373a5cec8950363d49045b0f37e&bl=ja Translating…
한국어 https://pdftoflip.com/view.php?t=46659373a5cec8950363d49045b0f37e&bl=ko Translating…
Português https://pdftoflip.com/view.php?t=46659373a5cec8950363d49045b0f37e&bl=pt Translating…
Русский https://pdftoflip.com/view.php?t=46659373a5cec8950363d49045b0f37e&bl=ru Translating…
العربية https://pdftoflip.com/view.php?t=46659373a5cec8950363d49045b0f37e&bl=ar Translating…