Page 1
Page 2
Page 3
The Project Gutenberg eBook of Vrouwenbelangen
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Vrouwenbelangen
Author: Aletta H. Jacobs
Release date: May 11, 2008 [eBook #25425]
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/25425
Credits: Produced by Anna Tuinman, Jeroen Hellingman, and the
Online
Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK
VROUWENBELANGEN ***
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
will have to check the laws of the country where you are located
before using this eBook.
Title: Vrouwenbelangen
Author: Aletta H. Jacobs
Release date: May 11, 2008 [eBook #25425]
Language: Dutch
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/25425
Credits: Produced by Anna Tuinman, Jeroen Hellingman, and the
Online
Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK
VROUWENBELANGEN ***
Page 4
Vrouwenbelangen
Drie Vraagstukken van Actueelen Aard door Dr. Aletta H. Jacobs
L. J. Veen—Amsterdam—1899
Vrouwenbelangen
Drie Vraagstukken van Actueelen Aard door Dr. Aletta H. Jacobs
L. J. Veen—Amsterdam—1899
Vrouwenbelangen
Page 5
DOOR
Dr. Aletta H. Jacobs
Dr. Aletta H. Jacobs
Page 6
L. J. Veen—Amsterdam—1899
Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen.
Boek-, Courant- en Steendrukkerij G. J. Thieme, Nijmegen.
Page 7
Voorwoord.
Onder den algemeenen titel van “Vrouwenbelangen” bevat dit bundeltje
drie opstellen, waarvan de stof ook diende voor evenzoovele voordrachten
door mij in de grootste steden des lands gehouden; het eerste opstel werd
reeds vroeger voor de pers gereed gemaakt en onder den titel “het doel der
vrouwenbeweging” in de Gids van Maart l.l. geplaatst.
Geen der hier behandelde onderwerpen maakt aanspraak op volledigheid;
om dat te kunnen doen zou langer en dieper studie noodig zijn dan ik er aan
heb kunnen wijden. Trouwens, wat ik beoogde was in de vrouwenwereld
belangstelling te wekken voor vraagstukken, waarbij haar belangen van
zeer nabij betrokken zijn en daarvoor achtte ik het trekken van eenige
hoofdlijnen voldoende. Is eenmaal die belangstelling gaande gemaakt, dan
kan de medewerking der vrouw, om verbetering te brengen in de hier
besproken gruwelijke misstanden onzer samenleving, niet uitblijven. Zij zal
daarvoor echter te overwinnen hebben de valsche schaamte die haar tot nu
toe terughield van de kennisneming en bespreking dier vraagstukken.
Mocht ik het beoogde doel bereiken, dan zal ook de verwezenlijking der
denkbeelden, in deze opstellen neergelegd, niet uitblijven.
A. H. J.
Amsterdam, April 1899.
Onder den algemeenen titel van “Vrouwenbelangen” bevat dit bundeltje
drie opstellen, waarvan de stof ook diende voor evenzoovele voordrachten
door mij in de grootste steden des lands gehouden; het eerste opstel werd
reeds vroeger voor de pers gereed gemaakt en onder den titel “het doel der
vrouwenbeweging” in de Gids van Maart l.l. geplaatst.
Geen der hier behandelde onderwerpen maakt aanspraak op volledigheid;
om dat te kunnen doen zou langer en dieper studie noodig zijn dan ik er aan
heb kunnen wijden. Trouwens, wat ik beoogde was in de vrouwenwereld
belangstelling te wekken voor vraagstukken, waarbij haar belangen van
zeer nabij betrokken zijn en daarvoor achtte ik het trekken van eenige
hoofdlijnen voldoende. Is eenmaal die belangstelling gaande gemaakt, dan
kan de medewerking der vrouw, om verbetering te brengen in de hier
besproken gruwelijke misstanden onzer samenleving, niet uitblijven. Zij zal
daarvoor echter te overwinnen hebben de valsche schaamte die haar tot nu
toe terughield van de kennisneming en bespreking dier vraagstukken.
Mocht ik het beoogde doel bereiken, dan zal ook de verwezenlijking der
denkbeelden, in deze opstellen neergelegd, niet uitblijven.
A. H. J.
Amsterdam, April 1899.
Page 8
Inhoud.
bldz.
Economische en Staatkundige Onafhankelijkheid 1
Wettelijke Regeling der Prostitutie 30
Willekeurige Beperking van het Kindertal 63
bldz.
Economische en Staatkundige Onafhankelijkheid 1
Wettelijke Regeling der Prostitutie 30
Willekeurige Beperking van het Kindertal 63
Page 9
I.
Page 10
Economische en Staatkundige
Onafhankelijkheid.
“Van alle bewegingen, die hervormingen van politieken, socialen of
religieusen aard beoogen is de vrouwenbeweging waarschijnlijk de
belangrijkste, zeer zeker de meest uitgebreide. Zij omvat niet alleen een
enkele klasse, stam, natie of godsdienst, maar strekt zich uit over de geheele
beschaafde wereld en beoogt de behartiging der belangen van de helft der
menschheid.” Deze woorden van miss Frances Power Cobbe tot de mijne
makende, stel ik mij voor het doel dezer beweging met betrekking tot
Nederlandsche toestanden te bespreken.
Ons land, behoorende tot de kleine en bij maatschappelijke hervormingen
steeds achteraankomende landen, maakt ten aanzien van een belangrijk deel
der vrouwenbeweging een gunstige uitzondering.
Wij hebben wel is waar nog niet zooals in Nieuw-Zeeland en in enkele
staten van Amerika het politiek stemrecht veroverd, wij hebben nog niet,
zooals in Engeland, een wet zien invoeren, waarbij de vrouw in het
huwelijk de vrije beschikking houdt over haar vermogen en over haar
verdiend loon, evenmin hebben wij verkregen zooals in Frankrijk, dat
voortaan voor den burgerlijken ambtenaar en voor den rechter aan het “ja”
en “neen” der vrouw dezelfde waarde wordt toegekend als aan dat van den
man,—doch laat mij niet verder uitspinnen wat wij nog niet bereikten, want
in ander opzicht zijn wij deze groote landen reeds voorbij gestreefd.
Ik behoef er niet op te wijzen, hoe de tentoonstelling van vrouwenarbeid,
verleden jaar in Den Haag gehouden, de sluimerende krachten van
weifelenden, van aarzelenden, van bedeesden, van lakschen en hoe ze meer
mogen heeten, heeft wakker geschud om vereend den dam van vooroordeel
te ondermijnen, die de vrouwenbeweging hier nog maar al te zeer in haar
voortgang en ontwikkeling belemmert.
Onafhankelijkheid.
“Van alle bewegingen, die hervormingen van politieken, socialen of
religieusen aard beoogen is de vrouwenbeweging waarschijnlijk de
belangrijkste, zeer zeker de meest uitgebreide. Zij omvat niet alleen een
enkele klasse, stam, natie of godsdienst, maar strekt zich uit over de geheele
beschaafde wereld en beoogt de behartiging der belangen van de helft der
menschheid.” Deze woorden van miss Frances Power Cobbe tot de mijne
makende, stel ik mij voor het doel dezer beweging met betrekking tot
Nederlandsche toestanden te bespreken.
Ons land, behoorende tot de kleine en bij maatschappelijke hervormingen
steeds achteraankomende landen, maakt ten aanzien van een belangrijk deel
der vrouwenbeweging een gunstige uitzondering.
Wij hebben wel is waar nog niet zooals in Nieuw-Zeeland en in enkele
staten van Amerika het politiek stemrecht veroverd, wij hebben nog niet,
zooals in Engeland, een wet zien invoeren, waarbij de vrouw in het
huwelijk de vrije beschikking houdt over haar vermogen en over haar
verdiend loon, evenmin hebben wij verkregen zooals in Frankrijk, dat
voortaan voor den burgerlijken ambtenaar en voor den rechter aan het “ja”
en “neen” der vrouw dezelfde waarde wordt toegekend als aan dat van den
man,—doch laat mij niet verder uitspinnen wat wij nog niet bereikten, want
in ander opzicht zijn wij deze groote landen reeds voorbij gestreefd.
Ik behoef er niet op te wijzen, hoe de tentoonstelling van vrouwenarbeid,
verleden jaar in Den Haag gehouden, de sluimerende krachten van
weifelenden, van aarzelenden, van bedeesden, van lakschen en hoe ze meer
mogen heeten, heeft wakker geschud om vereend den dam van vooroordeel
te ondermijnen, die de vrouwenbeweging hier nog maar al te zeer in haar
voortgang en ontwikkeling belemmert.
Page 11
Misschien heeft ook de roman Hilda van Suylenburg het zijne daartoe
bijgedragen. Want moge een tendenz-roman bij een literair mensch niet
hoog staan aangeschreven, aan dezen romanvorm danken wij niettemin
grooten invloed op tot stand gekomen hervormingen.
Zoo ook heeft mevrouw Goekoop met Hilda van Suylenburg vele zwakke
volgelingen de kracht gegeven tot voortschrijden, den moed tot volharden,
den noodigen steun om den tegenstand, die er voor hen nog mocht
opdoemen, te weerstaan.
Overzien wij thans den stand van het vrouwenvraagstuk in de verschillende
landen, dan kan getuigd worden dat de vrouwen van Nederland er voor
gezorgd hebben dat bij deze beweging ons land niet achteraan komt. Dit
geldt vooral het Hooger Onderwijs.
Onze universiteiten laten de vrouwen op precies dezelfde voorwaarden toe
als de mannen, en na voldoend afgelegde examens wordt de doctorstitel
verleend, onverschillig tot welke sekse de candidaat behoort.
In dit opzicht staan wij naast de verst-gevorderde landen en steken gunstig
af o. a. bij Engeland en Duitschland.
Wij hadden na de ervaring die hieromtrent reeds werd opgedaan met recht
mogen verwachten dat wij gespaard zouden blijven voor een getheoretiseer
over de al of niet geschiktheid der vrouw voor een akademische opleiding,
te meer nu alle andere landen reeds waren voorgegaan met de bespreking
van dit onderwerp, zonder evenwel, zooals te denken was, tot eenig
resultaat te komen.
In 1894 schreef miss Lyda Rose in “The American Girl at College” “dat de
college-bred woman (de vrouw die hooger onderwijs heeft genoten) in den
tegenwoordigen tijd de meest besproken vrouw is; zij lokte een strijd uit
tusschen de eminentste mannen over haar al of niet geschiktheid voor
studie, haar geestelijk en lichamelijk welzijn, haar bestemming voor het
moederschap. Deze strijd wordt nu reeds ruim een kwart eeuw door de
mannen gevoerd en zij zijn het er nog niet over eens,” zoo zegt zij verder,
“doch de vrouwen gaan onderwijl voort en vermenigvuldigen in alle landen
bijgedragen. Want moge een tendenz-roman bij een literair mensch niet
hoog staan aangeschreven, aan dezen romanvorm danken wij niettemin
grooten invloed op tot stand gekomen hervormingen.
Zoo ook heeft mevrouw Goekoop met Hilda van Suylenburg vele zwakke
volgelingen de kracht gegeven tot voortschrijden, den moed tot volharden,
den noodigen steun om den tegenstand, die er voor hen nog mocht
opdoemen, te weerstaan.
Overzien wij thans den stand van het vrouwenvraagstuk in de verschillende
landen, dan kan getuigd worden dat de vrouwen van Nederland er voor
gezorgd hebben dat bij deze beweging ons land niet achteraan komt. Dit
geldt vooral het Hooger Onderwijs.
Onze universiteiten laten de vrouwen op precies dezelfde voorwaarden toe
als de mannen, en na voldoend afgelegde examens wordt de doctorstitel
verleend, onverschillig tot welke sekse de candidaat behoort.
In dit opzicht staan wij naast de verst-gevorderde landen en steken gunstig
af o. a. bij Engeland en Duitschland.
Wij hadden na de ervaring die hieromtrent reeds werd opgedaan met recht
mogen verwachten dat wij gespaard zouden blijven voor een getheoretiseer
over de al of niet geschiktheid der vrouw voor een akademische opleiding,
te meer nu alle andere landen reeds waren voorgegaan met de bespreking
van dit onderwerp, zonder evenwel, zooals te denken was, tot eenig
resultaat te komen.
In 1894 schreef miss Lyda Rose in “The American Girl at College” “dat de
college-bred woman (de vrouw die hooger onderwijs heeft genoten) in den
tegenwoordigen tijd de meest besproken vrouw is; zij lokte een strijd uit
tusschen de eminentste mannen over haar al of niet geschiktheid voor
studie, haar geestelijk en lichamelijk welzijn, haar bestemming voor het
moederschap. Deze strijd wordt nu reeds ruim een kwart eeuw door de
mannen gevoerd en zij zijn het er nog niet over eens,” zoo zegt zij verder,
“doch de vrouwen gaan onderwijl voort en vermenigvuldigen in alle landen
Page 12
het getal vrouwelijke doctoren in de letteren, medicijnen, rechten en
natuurwetenschappen. Daadzakelijk toonen zij aan dat al de bezwaren van
intellectueelen, moreelen, physischen en matrimonieelen aard,
ongerijmdheden zijn.”
Verheugden wij ons reeds dat wij dezen woordenstrijd ontwassen en
daarmede ontloopen waren, toch werd die ook hier nog even aangebonden
door twee hoogleeraren, sieraden hunner universiteit, die hun tijd niet te
kostbaar achtten om in breedvoerige betoogen hun vooropgezette meening
kracht van bewijs te geven.1
Evenmin echter als prof. Winkler het bewijs leverde dat de vrouw voor
Hooger Onderwijs ongeschikt is, evenmin gelukte het den hoogleeraar
Treub het tegendeel aan te toonen; ten minste niet als men de stelling zoo
algemeen opvat als door beide hoogleeraren geschiedde, door namelijk te
willen bewijzen dat de vrouw al of niet geschikt is voor de studie.
Mej. Ida Heyermans schreef terecht in haar verslag van de vergadering
waarin beide betoogen werden voorgedragen; “de vrouw en de studie
hooren niet bij elkander, evenmin als de man en de studie. Er zijn slechts
enkele vrouwen en enkele mannen geschikt tot die studie.”2
Opvallend is in deze gedachtenwisseling dat prof. Hector Treub,
hoogleeraar in de Obstetrie en Gynaecologie (verloskunde en
vrouwenziekten), het onderwerp uit een psychisch oogpunt behandelde en
het sexueele leven der vrouw buiten de kwestie hield, terwijl prof. Winkler,
hoogleeraar in de Psychiatrie (zielsziekten) de psychische zijde der zaak als
bijzaak behandelde en met bezwaren, ontleend aan het sexueele leven der
vrouw, zijn meening verdedigde.
Geen van beide hoogleeraren is het ondertusschen gelukt, maar één nieuw
argument aan de bestaande toe te voegen, zelfs zou het niet moeilijk vallen
aan te toonen, dat zij veel krachtiger argumenten hadden kunnen vinden,
indien zij meer de Engelsche en Amerikaansche in plaats van de Fransche
en Duitsche vóór- en tegenstanders geraadpleegd hadden.
natuurwetenschappen. Daadzakelijk toonen zij aan dat al de bezwaren van
intellectueelen, moreelen, physischen en matrimonieelen aard,
ongerijmdheden zijn.”
Verheugden wij ons reeds dat wij dezen woordenstrijd ontwassen en
daarmede ontloopen waren, toch werd die ook hier nog even aangebonden
door twee hoogleeraren, sieraden hunner universiteit, die hun tijd niet te
kostbaar achtten om in breedvoerige betoogen hun vooropgezette meening
kracht van bewijs te geven.1
Evenmin echter als prof. Winkler het bewijs leverde dat de vrouw voor
Hooger Onderwijs ongeschikt is, evenmin gelukte het den hoogleeraar
Treub het tegendeel aan te toonen; ten minste niet als men de stelling zoo
algemeen opvat als door beide hoogleeraren geschiedde, door namelijk te
willen bewijzen dat de vrouw al of niet geschikt is voor de studie.
Mej. Ida Heyermans schreef terecht in haar verslag van de vergadering
waarin beide betoogen werden voorgedragen; “de vrouw en de studie
hooren niet bij elkander, evenmin als de man en de studie. Er zijn slechts
enkele vrouwen en enkele mannen geschikt tot die studie.”2
Opvallend is in deze gedachtenwisseling dat prof. Hector Treub,
hoogleeraar in de Obstetrie en Gynaecologie (verloskunde en
vrouwenziekten), het onderwerp uit een psychisch oogpunt behandelde en
het sexueele leven der vrouw buiten de kwestie hield, terwijl prof. Winkler,
hoogleeraar in de Psychiatrie (zielsziekten) de psychische zijde der zaak als
bijzaak behandelde en met bezwaren, ontleend aan het sexueele leven der
vrouw, zijn meening verdedigde.
Geen van beide hoogleeraren is het ondertusschen gelukt, maar één nieuw
argument aan de bestaande toe te voegen, zelfs zou het niet moeilijk vallen
aan te toonen, dat zij veel krachtiger argumenten hadden kunnen vinden,
indien zij meer de Engelsche en Amerikaansche in plaats van de Fransche
en Duitsche vóór- en tegenstanders geraadpleegd hadden.
Page 13
Toen eenige jaren geleden in Engeland een geestverwant in dezen van prof.
Winkler beweerde, op ongeveer dezelfde gronden als onze hooggeleerde
aanvoerde, dat de vrouw voor de studie niet deugde, stelde Dr. Arabella
Kenealy onmiddellijk een onderzoek in bij ruim 500 vrouwen, die met
vrucht de universiteiten van Oxford en Cambridge bezocht hadden.
Zij toetste haar waarnemingen aan een onderzoek van even zoo vele niet
gestudeerd hebbende zusters en vriendinnen dezer dames en kwam tot het
resultaat dat het Hooger Onderwijs geen nadeeligen invloed had gehad op
de lichamelijke en geestelijke gezondheid der gestudeerde vrouwen, dat het
niet belemmerend had gewerkt op het sluiten van huwelijken en dat het
aantal en de physieke gesteldheid hunner kinderen er niet onder geleden
hadden.
Met zulk een kort doch afdoend bewijs zijn eigenlijk al de bezwaren van
prof. Winkler uit den weg geruimd en ik zou ook niet langer bij zijn
verhandeling stilstaan, ware het niet, dat hij daarin herhaaldelijk los
heengeworpen gedachten zaaide, die wel is waar nu en dan in flagranten
strijd zijn met zijne redeneering op volgende bladzijden, doch die toch met
het onderwerp dat ons bezig houdt in te nauw verband staan, dan dat ik ze
onopgemerkt mag laten voorbijgaan.
Zoo zegt prof. Winkler3 dat hij met de vrouwenbeweging vrede zou hebben,
“indien zij haar streven definieerde als een streven om de verhouding
tusschen man en vrouw—een sedert eeuwenheugenis bestaand antagonisme
—aan die veranderende toestanden te adapteeren.”
Alsof dat niet feitelijk het geval ware. Alsof niet met het vrouwenvraagstuk
de sexueele verhouding van man en vrouw in het nauwste verband stond, en
dat bestaand antagonisme tusschen man en vrouw aan iets anders ware toe
te schrijven, dan aan de afhankelijke positie die de vrouw te zijnen opzichte
in den loop der eeuwen heeft moeten innemen.
Inderdaad is met deze aanhaling van prof. Winkler de kern der
vrouwenbeweging blootgelegd, en houdt die aanhaling onmiddellijk
verband met deze andere uitspraak zijnerzijds4:
Winkler beweerde, op ongeveer dezelfde gronden als onze hooggeleerde
aanvoerde, dat de vrouw voor de studie niet deugde, stelde Dr. Arabella
Kenealy onmiddellijk een onderzoek in bij ruim 500 vrouwen, die met
vrucht de universiteiten van Oxford en Cambridge bezocht hadden.
Zij toetste haar waarnemingen aan een onderzoek van even zoo vele niet
gestudeerd hebbende zusters en vriendinnen dezer dames en kwam tot het
resultaat dat het Hooger Onderwijs geen nadeeligen invloed had gehad op
de lichamelijke en geestelijke gezondheid der gestudeerde vrouwen, dat het
niet belemmerend had gewerkt op het sluiten van huwelijken en dat het
aantal en de physieke gesteldheid hunner kinderen er niet onder geleden
hadden.
Met zulk een kort doch afdoend bewijs zijn eigenlijk al de bezwaren van
prof. Winkler uit den weg geruimd en ik zou ook niet langer bij zijn
verhandeling stilstaan, ware het niet, dat hij daarin herhaaldelijk los
heengeworpen gedachten zaaide, die wel is waar nu en dan in flagranten
strijd zijn met zijne redeneering op volgende bladzijden, doch die toch met
het onderwerp dat ons bezig houdt in te nauw verband staan, dan dat ik ze
onopgemerkt mag laten voorbijgaan.
Zoo zegt prof. Winkler3 dat hij met de vrouwenbeweging vrede zou hebben,
“indien zij haar streven definieerde als een streven om de verhouding
tusschen man en vrouw—een sedert eeuwenheugenis bestaand antagonisme
—aan die veranderende toestanden te adapteeren.”
Alsof dat niet feitelijk het geval ware. Alsof niet met het vrouwenvraagstuk
de sexueele verhouding van man en vrouw in het nauwste verband stond, en
dat bestaand antagonisme tusschen man en vrouw aan iets anders ware toe
te schrijven, dan aan de afhankelijke positie die de vrouw te zijnen opzichte
in den loop der eeuwen heeft moeten innemen.
Inderdaad is met deze aanhaling van prof. Winkler de kern der
vrouwenbeweging blootgelegd, en houdt die aanhaling onmiddellijk
verband met deze andere uitspraak zijnerzijds4:
Page 14
“Men verlangde niet de intellectueele eigenschappen te bezitten, omdat het
hoogste levensdoel was gebleven, met en door den man gelukkig te zijn, om
volkomen moeder te kunnen wezen, om voor de kinderen te kunnen
arbeiden, MAAR OMDAT HET HOOGSTE LEVENSDOEL WAS
GEWORDEN ONAFHANKELIJK TE ZIJN”5.
Ja, zóó is het. Even als aan iedere groote en grootsche beweging van
volkeren of van individuen de zucht tot vrijheid en onafhankelijkheid ten
grondslag ligt, zoo beoogt ook onze beweging niets anders dan vrijheid en
onafhankelijkheid voor de vrouw.
Er is waarlijk geen zelfzuchtiger, geen bekrompener standpunt denkbaar
dan dat, waarbij de man meent aan de vrouw niet de keuze te moeten laten
van den levensweg, die zij meent, dat haar zal voeren tot geluk.
Zelfzuchtig immers, waar de man bij het aangeven van dien levensweg, als
voorwaarde stelt het dienstbaar maken van al haar gaven van verstand en
gemoed aan zijn geluk. “Met en door den man gelukkig te zijn,” dat moet
haar levensdoel wezen, derhalve moet zij afstand doen van elke
individualiteit.
Dat weinig ontwikkelde of eenzijdig oordeelende mannen zich nog
verzetten tegen het meer en meer veldwinnend optreden van de vrouw, als
zelfstandig individu en niet kunnen vatten dat een vrouw gelukkiger kan
zijn zonder man, dan met eenen dien zij uit vrijen wil niet zou gekozen
hebben, is nog te begrijpen; maar hoe ontwikkelde menschen, die men
onbevooroordeeld waant, hun oogen gesloten kunnen houden voor de
demoraliseerende gevolgen die uit een levensopvatting, met de vrouw als
afhankelijk individu, voortvloeien, dat is waarlijk onverklaarbaar.
Onverklaarbaar, omdat wij juist aan die ondergeschikte, afhankelijke positie
der vrouw zoovele maatschappelijke wanverhoudingen te wijten hebben.
Wel wordt ons door prof. Winkler en anderen de goede oude tijd als zoo
gelukkig en zoo veel beter geschilderd en worden de vrouwen van weleer
steeds voorgesteld als tevreden met haar lot, doch doorbladeren wij de
geschiedenis der volkeren, dan ontwaren wij dat door de ontwikkelde
hoogste levensdoel was gebleven, met en door den man gelukkig te zijn, om
volkomen moeder te kunnen wezen, om voor de kinderen te kunnen
arbeiden, MAAR OMDAT HET HOOGSTE LEVENSDOEL WAS
GEWORDEN ONAFHANKELIJK TE ZIJN”5.
Ja, zóó is het. Even als aan iedere groote en grootsche beweging van
volkeren of van individuen de zucht tot vrijheid en onafhankelijkheid ten
grondslag ligt, zoo beoogt ook onze beweging niets anders dan vrijheid en
onafhankelijkheid voor de vrouw.
Er is waarlijk geen zelfzuchtiger, geen bekrompener standpunt denkbaar
dan dat, waarbij de man meent aan de vrouw niet de keuze te moeten laten
van den levensweg, die zij meent, dat haar zal voeren tot geluk.
Zelfzuchtig immers, waar de man bij het aangeven van dien levensweg, als
voorwaarde stelt het dienstbaar maken van al haar gaven van verstand en
gemoed aan zijn geluk. “Met en door den man gelukkig te zijn,” dat moet
haar levensdoel wezen, derhalve moet zij afstand doen van elke
individualiteit.
Dat weinig ontwikkelde of eenzijdig oordeelende mannen zich nog
verzetten tegen het meer en meer veldwinnend optreden van de vrouw, als
zelfstandig individu en niet kunnen vatten dat een vrouw gelukkiger kan
zijn zonder man, dan met eenen dien zij uit vrijen wil niet zou gekozen
hebben, is nog te begrijpen; maar hoe ontwikkelde menschen, die men
onbevooroordeeld waant, hun oogen gesloten kunnen houden voor de
demoraliseerende gevolgen die uit een levensopvatting, met de vrouw als
afhankelijk individu, voortvloeien, dat is waarlijk onverklaarbaar.
Onverklaarbaar, omdat wij juist aan die ondergeschikte, afhankelijke positie
der vrouw zoovele maatschappelijke wanverhoudingen te wijten hebben.
Wel wordt ons door prof. Winkler en anderen de goede oude tijd als zoo
gelukkig en zoo veel beter geschilderd en worden de vrouwen van weleer
steeds voorgesteld als tevreden met haar lot, doch doorbladeren wij de
geschiedenis der volkeren, dan ontwaren wij dat door de ontwikkelde
Page 15
vrouwen overal en te allen tijde even sterk naar vrijheid en
onafhankelijkheid verlangd werd als in den tegenwoordigen, zoo bij
voorkeur gesmaden tijd.
De brieven van Anna Maria van Schurman uit ons land, de geschriften van
Marie de Gournay en Olympe de Gouges uit Frankrijk, de werken van Mary
Astell en Mary Wollstonecraft uit Engeland, de gedichten van Margherita
Costa uit Italië, de werken van Frederika Bremer uit Zweden, de brieven
van Caroline Michaëlis, de dochter van den bekenden Göttingschen
hoogleeraar, uit Duitschland, die allen getuigen er zonder voorbehoud van,
hoezeer de vrouwen in de verschillende landen ook eertijds gebukt gingen
onder de afhankelijke positie, waaronder wet en zeden haar plaatsten.
Wij leeren echter tevens uit de geschiedenis, dat iedere opheffing uit
afhankelijke toestanden der menschheid in haar geheel steeds ten goede is
gekomen en haar telkens een stap verder bracht op den weg der beschaving,
ook al ging die opheffing gepaard met groot verzet, ja soms met bloedigen
strijd.
Ik herinner slechts aan den strijd tegen het leenstelsel in de middeleeuwen,
den strijd der burgers tegen den Adel in het eind der vorige eeuw, den strijd
tegen de slavernij in Amerika tot het midden van deze eeuw.
Zien wij thans niet op die tijden terug als op perioden van onbeschaafdheid,
onrechtvaardigheid en ongevoeligheid?
En toch, de leenheeren rekenden het den lijfeigenen als een groote en
ongepaste aanmatiging aan, dat zij hun ondergeschiktheid moede waren en
vrijheid eischten.
De adellijken meenden werkelijk wezens van hoogere orde te zijn dan de
eenvoudige burgers en daarom aanspraak te hebben op privilegiën.
En de slavenhouders in Amerika geloofden in alle oprechtheid dat de
bestemming der negers was slaven te zijn, dat de zwarte huidkleur diende
om hen van de vrije menschen te onderscheiden en dat met de
onafhankelijkheid verlangd werd als in den tegenwoordigen, zoo bij
voorkeur gesmaden tijd.
De brieven van Anna Maria van Schurman uit ons land, de geschriften van
Marie de Gournay en Olympe de Gouges uit Frankrijk, de werken van Mary
Astell en Mary Wollstonecraft uit Engeland, de gedichten van Margherita
Costa uit Italië, de werken van Frederika Bremer uit Zweden, de brieven
van Caroline Michaëlis, de dochter van den bekenden Göttingschen
hoogleeraar, uit Duitschland, die allen getuigen er zonder voorbehoud van,
hoezeer de vrouwen in de verschillende landen ook eertijds gebukt gingen
onder de afhankelijke positie, waaronder wet en zeden haar plaatsten.
Wij leeren echter tevens uit de geschiedenis, dat iedere opheffing uit
afhankelijke toestanden der menschheid in haar geheel steeds ten goede is
gekomen en haar telkens een stap verder bracht op den weg der beschaving,
ook al ging die opheffing gepaard met groot verzet, ja soms met bloedigen
strijd.
Ik herinner slechts aan den strijd tegen het leenstelsel in de middeleeuwen,
den strijd der burgers tegen den Adel in het eind der vorige eeuw, den strijd
tegen de slavernij in Amerika tot het midden van deze eeuw.
Zien wij thans niet op die tijden terug als op perioden van onbeschaafdheid,
onrechtvaardigheid en ongevoeligheid?
En toch, de leenheeren rekenden het den lijfeigenen als een groote en
ongepaste aanmatiging aan, dat zij hun ondergeschiktheid moede waren en
vrijheid eischten.
De adellijken meenden werkelijk wezens van hoogere orde te zijn dan de
eenvoudige burgers en daarom aanspraak te hebben op privilegiën.
En de slavenhouders in Amerika geloofden in alle oprechtheid dat de
bestemming der negers was slaven te zijn, dat de zwarte huidkleur diende
om hen van de vrije menschen te onderscheiden en dat met de
Page 16
vrijverklaring der slaven, eene goddelijke instelling door de menschen
geschonden werd.
Treffend is dan ook de overeenkomst van de argumenten voor jaren en
eeuwen reeds gebezigd om dergelijke wanverhoudingen te rechtvaardigen,
met die welke thans moeten dienst doen om de afhankelijke positie van de
vrouw goed te praten.
Het hooge doel der vrouwenbeweging is, om in de vrouw den mensch tot
volle ontwikkeling te doen komen en daarvoor is onontbeerlijk opleiding tot
zelfstandigheid. Want eerst wanneer de vrouw als zelfstandig individu
optreedt kan zij doordrongen worden van het besef, dat zij niet alleen haar
waarde ontleent aan haar geslachtsorganen of haar voortplantingsvermogen,
doch dat ook zij de maatschappij kan en moet dienen ten einde het
menschdom op te voeren tot een hooger peil van ontwikkeling.
Een superieur man van onzen tijd, Karl Pearson, zegt in zijn Ethic of
Freethought: “Economische onafhankelijkheid is voor alle menschen
noodzakelijk, willen zij zich kunnen ontwikkelen tot volmaakte individuen,
die vrijwillig gehoorzamen aan de hoogste wetten der zedelijkheid.”
Indien daartoe te geraken het levensdoel moet zijn, dan zal de
onafhankelijkheid der vrouw ongetwijfeld de eerste stap wezen, die tot dat
doel voert en haar verhouding tot den man mag haar daarbij niet in den weg
staan.
Wanneer toch beweerd wordt, dat het huwelijk “de bestemming” is der
vrouw, dan geschiedt dit—en men verlieze dit vooral niet uit het oog—met
de al of niet uitgesproken bedoeling, dat de vrouw op grond van deze
“bestemming” niet heeft te streven naar economische onafhankelijkheid.
Men stelt het zelfs voor alsof deze onafhankelijkheid daarmede niet
vereenigbaar zou zijn.
De ervaring heeft echter geleerd dat de onafhankelijkheid der vrouw het
huwelijk niet alleen niet ondermijnt, maar integendeel er toe medewerkt,
geschonden werd.
Treffend is dan ook de overeenkomst van de argumenten voor jaren en
eeuwen reeds gebezigd om dergelijke wanverhoudingen te rechtvaardigen,
met die welke thans moeten dienst doen om de afhankelijke positie van de
vrouw goed te praten.
Het hooge doel der vrouwenbeweging is, om in de vrouw den mensch tot
volle ontwikkeling te doen komen en daarvoor is onontbeerlijk opleiding tot
zelfstandigheid. Want eerst wanneer de vrouw als zelfstandig individu
optreedt kan zij doordrongen worden van het besef, dat zij niet alleen haar
waarde ontleent aan haar geslachtsorganen of haar voortplantingsvermogen,
doch dat ook zij de maatschappij kan en moet dienen ten einde het
menschdom op te voeren tot een hooger peil van ontwikkeling.
Een superieur man van onzen tijd, Karl Pearson, zegt in zijn Ethic of
Freethought: “Economische onafhankelijkheid is voor alle menschen
noodzakelijk, willen zij zich kunnen ontwikkelen tot volmaakte individuen,
die vrijwillig gehoorzamen aan de hoogste wetten der zedelijkheid.”
Indien daartoe te geraken het levensdoel moet zijn, dan zal de
onafhankelijkheid der vrouw ongetwijfeld de eerste stap wezen, die tot dat
doel voert en haar verhouding tot den man mag haar daarbij niet in den weg
staan.
Wanneer toch beweerd wordt, dat het huwelijk “de bestemming” is der
vrouw, dan geschiedt dit—en men verlieze dit vooral niet uit het oog—met
de al of niet uitgesproken bedoeling, dat de vrouw op grond van deze
“bestemming” niet heeft te streven naar economische onafhankelijkheid.
Men stelt het zelfs voor alsof deze onafhankelijkheid daarmede niet
vereenigbaar zou zijn.
De ervaring heeft echter geleerd dat de onafhankelijkheid der vrouw het
huwelijk niet alleen niet ondermijnt, maar integendeel er toe medewerkt,
Page 17
om het op zedelijker grondslagen te vestigen. Een vrouw die geleerd heeft
op eigen wieken te drijven, in eigen onderhoud te kunnen voorzien, zal
immers alleen een huwelijk aanvaarden, wanneer waarachtige genegenheid
en geestverwantschap haar daartoe drijft. Dan kan de vereeniging rein en
verheffend werken, dan eerst kan er sprake zijn van eene zedelijke
verhouding, van werkelijk geluk.
Meenen daarentegen prof. Winkler en zijne geestverwanten de huwelijken
onder de tegenwoordige verhoudingen gesloten te moeten prijzen, een
sarcastisch schrijver van onzen tijd dacht er anders over, hij noemde ze “het
graf van alle schoone illusiën.” En hoe kan dat ook anders?
Wordt in den regel het meisje door de ouders wel als eerste
huwelijksvereischte voorgehouden, dat zij den man met wien zij huwt moet
liefhebben? Immers neen.
Het eerst wat men gewoonlijk doet is nagaan welke zijne maatschappelijke
en financieele positie is, of hij in staat is haar te kunnen onderhouden en
eerst daarna wordt gevraagd, doch veelal niet geëischt, of zij met den man,
aan wien zij zich voor het geheele leven bindt, sympathiseert en principieel
in levensopvatting niet van hem verschilt.
Wie uwer kent niet in zijne omgeving de echtverbintenissen, waarvan het
meisje tot kort voor haar huwelijk nog verzekerde dat de man, met wien zij
ging huwen niet de man harer keuze was; wat echter haar ouders of
verzorgers niet belette het huwelijk toch te laten voltrekken, in de
verwachting dat bij de vrouw dikwijls de liefde eerst komt in het huwelijk.
Dat de liefde in het huwelijk dikwijls wegblijft en er in de plaats daarvan
eene slaafsche berusting of eene moedelooze onverschilligheid intreedt,
daaraan wordt verder niet veel aandacht gewijd, het meisje is nu verzorgd.
Zóó wordt het huwelijk maar al te dikwijls beschouwd. Het is de
havenplaats waar elke vrouw moet binnenzeilen, de rijke om een
werkkring, een levensdoel te hebben, de arme om een kostwinner, een
verzorger te krijgen. Hoe weerzinwekkend is hierbij het waarnemen van de
op eigen wieken te drijven, in eigen onderhoud te kunnen voorzien, zal
immers alleen een huwelijk aanvaarden, wanneer waarachtige genegenheid
en geestverwantschap haar daartoe drijft. Dan kan de vereeniging rein en
verheffend werken, dan eerst kan er sprake zijn van eene zedelijke
verhouding, van werkelijk geluk.
Meenen daarentegen prof. Winkler en zijne geestverwanten de huwelijken
onder de tegenwoordige verhoudingen gesloten te moeten prijzen, een
sarcastisch schrijver van onzen tijd dacht er anders over, hij noemde ze “het
graf van alle schoone illusiën.” En hoe kan dat ook anders?
Wordt in den regel het meisje door de ouders wel als eerste
huwelijksvereischte voorgehouden, dat zij den man met wien zij huwt moet
liefhebben? Immers neen.
Het eerst wat men gewoonlijk doet is nagaan welke zijne maatschappelijke
en financieele positie is, of hij in staat is haar te kunnen onderhouden en
eerst daarna wordt gevraagd, doch veelal niet geëischt, of zij met den man,
aan wien zij zich voor het geheele leven bindt, sympathiseert en principieel
in levensopvatting niet van hem verschilt.
Wie uwer kent niet in zijne omgeving de echtverbintenissen, waarvan het
meisje tot kort voor haar huwelijk nog verzekerde dat de man, met wien zij
ging huwen niet de man harer keuze was; wat echter haar ouders of
verzorgers niet belette het huwelijk toch te laten voltrekken, in de
verwachting dat bij de vrouw dikwijls de liefde eerst komt in het huwelijk.
Dat de liefde in het huwelijk dikwijls wegblijft en er in de plaats daarvan
eene slaafsche berusting of eene moedelooze onverschilligheid intreedt,
daaraan wordt verder niet veel aandacht gewijd, het meisje is nu verzorgd.
Zóó wordt het huwelijk maar al te dikwijls beschouwd. Het is de
havenplaats waar elke vrouw moet binnenzeilen, de rijke om een
werkkring, een levensdoel te hebben, de arme om een kostwinner, een
verzorger te krijgen. Hoe weerzinwekkend is hierbij het waarnemen van de
Page 18
regatta die in het maatschappelijk leven plaats grijpt, om toch vooral het
eerst die havenplaats te bereiken.
Indien er sprake kan zijn van eene “bestemming” dan moet die noodzakelijk
voor man en vrouw dezelfde wezen en dan kan die geen andere zijn dan
deze: te trachten het door Karl Pearson gestelde ideaal te bereiken.
Dit ideaal sluit het huwelijk en het moederschap niet uit, maar eischt
daarvoor andere grondslagen, dan thans als gangbaar worden aangenomen.
Indien de tegenwoordige huwelijken leiden tot een gelukkige samenleving
en tot hoogere ontwikkeling, dan is dit louter toeval. Doch helaas, in de
meeste gevallen leiden zij, dank zij de afhankelijke positie der vrouw, tot
geheel iets anders.
Welke kracht kan er in het huwelijk ook uitgaan van vrouwen, die dit
hebben leeren beschouwen als hun toevluchtsoord? Dezulken moeten
immers voldoen aan de eischen die haar gesteld en berusten in de
voorwaarden die haar aangeboden worden.
Aan die verhoudingen danken wij de dubbele zedenleer, de leer dat de Don
Juan van voorheen een geschikte echtgenoot kan zijn voor eene reine
vrouw;
dat de aanstaande echtgenoote niet het recht zou hebben het verleden van
haar man te onderzoeken;
dat men de ongehuwde moeder vertrappen mag in het slijk en tegelijkertijd
met onbeschaamden blik den naam kan aanvaarden van den schuldigen
vader;
dat de ergerlijkste zedelijke misdaden van den man voor vergoelijking,
vergeving vatbaar zijn, doch dat de vrouw, soms wegens een enkelen
misstap, een verklaarbare zwakheid, veroordeeld en aan de verachting mag
worden prijs gegeven.
eerst die havenplaats te bereiken.
Indien er sprake kan zijn van eene “bestemming” dan moet die noodzakelijk
voor man en vrouw dezelfde wezen en dan kan die geen andere zijn dan
deze: te trachten het door Karl Pearson gestelde ideaal te bereiken.
Dit ideaal sluit het huwelijk en het moederschap niet uit, maar eischt
daarvoor andere grondslagen, dan thans als gangbaar worden aangenomen.
Indien de tegenwoordige huwelijken leiden tot een gelukkige samenleving
en tot hoogere ontwikkeling, dan is dit louter toeval. Doch helaas, in de
meeste gevallen leiden zij, dank zij de afhankelijke positie der vrouw, tot
geheel iets anders.
Welke kracht kan er in het huwelijk ook uitgaan van vrouwen, die dit
hebben leeren beschouwen als hun toevluchtsoord? Dezulken moeten
immers voldoen aan de eischen die haar gesteld en berusten in de
voorwaarden die haar aangeboden worden.
Aan die verhoudingen danken wij de dubbele zedenleer, de leer dat de Don
Juan van voorheen een geschikte echtgenoot kan zijn voor eene reine
vrouw;
dat de aanstaande echtgenoote niet het recht zou hebben het verleden van
haar man te onderzoeken;
dat men de ongehuwde moeder vertrappen mag in het slijk en tegelijkertijd
met onbeschaamden blik den naam kan aanvaarden van den schuldigen
vader;
dat de ergerlijkste zedelijke misdaden van den man voor vergoelijking,
vergeving vatbaar zijn, doch dat de vrouw, soms wegens een enkelen
misstap, een verklaarbare zwakheid, veroordeeld en aan de verachting mag
worden prijs gegeven.
Page 19
Nooit wordt voor haar als verzachtende omstandigheid aangemerkt, dat de
maatschappij met haar afhankelijke, alleen voor het huwelijk opgevoede
vrouwen, deze gebracht heeft tot de noodzakelijkheid dat zij den sterken en
verheffenden drang, die elk levend wezen bezielt, den drang tot echtelijke
liefde, den drang tot paren, moeten gebruiken als koopwaar, als middel om
in haar onderhoud te voorzien. Want al bestempelt men alleen de vrouwen
die door buitenechtelijke geslachtsgemeenschap in haar onderhoud voorzien
met den naam van prostituées, de wijdere beteekenis die aan dit woord moet
worden toegekend, sluit onvoorwaardelijk elke geslachtsgemeenschap in
waaraan liefde niet ten grondslag ligt. Kerkelijke noch maatschappelijke
conventie kunnen daarin verandering brengen.
Vestigde ik tot dusver alleen het oog op de “bestemming” der vrouw, die
volgens de gangbare begrippen bereikt wordt met het huwelijk, volgens
diezelfde begrippen heeft de vrouw ook nog een bizondere “roeping” te
vervullen, de roeping om moeder te worden.
Wee echter het meisje dat waagt die “roeping” te vervullen zonder huwelijk,
want die zal ontwaren hoe men in onze maatschappij het moederschap
beoordeelt. Op welke voor haar zelve hoog zedelijke gronden zij hare
positie ook kunne verdedigen, door diezelfde verkondigers der gangbare
moraal wordt zij dan beschouwd en behandeld als een paria.
En waartoe verlagen sommigen het moederschap in het huwelijk? De vrouw
zou niet als denkend wezen het kind moeten ontvangen uit eigen, vrijen wil,
opdat het kunne bijdragen tot verhooging van het echtelijk geluk, tot
verheffing van haar eigen bestaan, tot vermeerdering van het aantal
gelukkige menschen; neen, zij zou de onbewuste, onbeperkte
voortbrengster moeten zijn van kinderen, waarvoor zelfs niet gevraagd mag
worden of de vereischten voor een gelukkig bestaan wel aanwezig zijn.
Met zulk een opvatting staan wij voorwaar niet hooger dan het redeloos
dier.
maatschappij met haar afhankelijke, alleen voor het huwelijk opgevoede
vrouwen, deze gebracht heeft tot de noodzakelijkheid dat zij den sterken en
verheffenden drang, die elk levend wezen bezielt, den drang tot echtelijke
liefde, den drang tot paren, moeten gebruiken als koopwaar, als middel om
in haar onderhoud te voorzien. Want al bestempelt men alleen de vrouwen
die door buitenechtelijke geslachtsgemeenschap in haar onderhoud voorzien
met den naam van prostituées, de wijdere beteekenis die aan dit woord moet
worden toegekend, sluit onvoorwaardelijk elke geslachtsgemeenschap in
waaraan liefde niet ten grondslag ligt. Kerkelijke noch maatschappelijke
conventie kunnen daarin verandering brengen.
Vestigde ik tot dusver alleen het oog op de “bestemming” der vrouw, die
volgens de gangbare begrippen bereikt wordt met het huwelijk, volgens
diezelfde begrippen heeft de vrouw ook nog een bizondere “roeping” te
vervullen, de roeping om moeder te worden.
Wee echter het meisje dat waagt die “roeping” te vervullen zonder huwelijk,
want die zal ontwaren hoe men in onze maatschappij het moederschap
beoordeelt. Op welke voor haar zelve hoog zedelijke gronden zij hare
positie ook kunne verdedigen, door diezelfde verkondigers der gangbare
moraal wordt zij dan beschouwd en behandeld als een paria.
En waartoe verlagen sommigen het moederschap in het huwelijk? De vrouw
zou niet als denkend wezen het kind moeten ontvangen uit eigen, vrijen wil,
opdat het kunne bijdragen tot verhooging van het echtelijk geluk, tot
verheffing van haar eigen bestaan, tot vermeerdering van het aantal
gelukkige menschen; neen, zij zou de onbewuste, onbeperkte
voortbrengster moeten zijn van kinderen, waarvoor zelfs niet gevraagd mag
worden of de vereischten voor een gelukkig bestaan wel aanwezig zijn.
Met zulk een opvatting staan wij voorwaar niet hooger dan het redeloos
dier.
Page 20
Allen die even als ik getuigen waren van de zuchten, de klachten, de tranen
der vrouwen bij het ontwaren van een ongewenschte zwangerschap, zullen
weten hoeveel ellende er geboren wordt uit de toepassing der wreede
moraal, dat te dezen opzichte de natuur niet aan banden gelegd mag worden.
Hieruit leide men niet af, dat gebrek aan moederliefde de vrouw somtijds
met schrik een vermeerdering van haar gezin doet tegemoet zien;
integendeel, het is bijna altijd een gevolg van een hooger en ernstiger
opvatting van het moederschap, waarvan men de taak niet als voleindigd
beschouwt, wanneer slechts het kind geboren is.
Ik leg hier den nadruk op, dewijl men het in den laatsten tijd wel eens wil
doen voorkomen, alsof een bewuste beperking van het aantal kinderen, niet
hoog verheven zou staan boven een onbewust voortplanten.
Beoogt de vrouwenbeweging thans in de eerste plaats de verheffing der
vrouwen tot economisch onafhankelijke individuen, deze onafhankelijkheid
moet, zooals ik hierboven reeds zeide, tot verheffing van het zedelijk niveau
der maatschappij leiden.
In hare ontwikkelingsphase zal deze hervorming ontegenzeggelijk het
aantal huwelijken en de daaruit voortspruitende geboorten verminderen. Het
ligt echter voor de hand dat de verklaring hiervan niet gezocht moet worden
in een door prof. Winkler aangevoerde, doch door niets bewezen bewering,
dat een verhoogd intellect de vrouwen asexueel en dientengevolge steriel
zou maken. De verklaring behoeft niet zoo ver gezocht te worden; zij werd
reeds herhaalde malen door de vrouwen gegeven. Laat mij haar nog eens
herhalen.
De onafhankelijke, intellectueel ontwikkelde vrouw weigert een verbond te
sluiten met een man, in zedelijke waarde niet met haar gelijk staande; zij
weigert den wettelijken huwelijksband, zoolang het burgerlijk wetboek haar
na het aangaan van dien band, bejegent als een onmondige en dan als
der vrouwen bij het ontwaren van een ongewenschte zwangerschap, zullen
weten hoeveel ellende er geboren wordt uit de toepassing der wreede
moraal, dat te dezen opzichte de natuur niet aan banden gelegd mag worden.
Hieruit leide men niet af, dat gebrek aan moederliefde de vrouw somtijds
met schrik een vermeerdering van haar gezin doet tegemoet zien;
integendeel, het is bijna altijd een gevolg van een hooger en ernstiger
opvatting van het moederschap, waarvan men de taak niet als voleindigd
beschouwt, wanneer slechts het kind geboren is.
Ik leg hier den nadruk op, dewijl men het in den laatsten tijd wel eens wil
doen voorkomen, alsof een bewuste beperking van het aantal kinderen, niet
hoog verheven zou staan boven een onbewust voortplanten.
Beoogt de vrouwenbeweging thans in de eerste plaats de verheffing der
vrouwen tot economisch onafhankelijke individuen, deze onafhankelijkheid
moet, zooals ik hierboven reeds zeide, tot verheffing van het zedelijk niveau
der maatschappij leiden.
In hare ontwikkelingsphase zal deze hervorming ontegenzeggelijk het
aantal huwelijken en de daaruit voortspruitende geboorten verminderen. Het
ligt echter voor de hand dat de verklaring hiervan niet gezocht moet worden
in een door prof. Winkler aangevoerde, doch door niets bewezen bewering,
dat een verhoogd intellect de vrouwen asexueel en dientengevolge steriel
zou maken. De verklaring behoeft niet zoo ver gezocht te worden; zij werd
reeds herhaalde malen door de vrouwen gegeven. Laat mij haar nog eens
herhalen.
De onafhankelijke, intellectueel ontwikkelde vrouw weigert een verbond te
sluiten met een man, in zedelijke waarde niet met haar gelijk staande; zij
weigert den wettelijken huwelijksband, zoolang het burgerlijk wetboek haar
na het aangaan van dien band, bejegent als een onmondige en dan als
Page 21
zoodanig haar rechten ontneemt op haar eigen persoon, haar kinderen, haar
vermogen, haar loon.
In Frankrijk zoekt men naar het middel om de huwelijken te doen toenemen
en het aantal geboorten te vermeerderen en als zoodanig stelt men o. a.
voor, van overheidswege een geldelijke premie te doen geven bij de
aangifte van een wettig geboren kind, of een afzonderlijke belasting te
heffen van coelibatairen of door beperkende wetten de vrouwen te dringen
uit beroepen, ambten en werkkringen.
Alsof zoo iets zou kunnen baten! Indien men de huwelijken wil doen
toenemen dan bedenke men middelen om ze ook voor de intellectueel
ontwikkelde vrouwen aannemelijk te maken.
Daarvoor zal het zedelijk gehalte van het gros der mannen verhoogd, aan
het huwelijksformulier elke der vrouw vernederende paragraaf ontnomen en
uit het burgerlijk wetboek elke bevoorrechting in het huwelijk van den man
boven de vrouw geschrapt moeten worden.
Men wijzige zóó de huwelijkswet, dat zij niet meer gelijkt op een contract
tusschen heer en dienstmaagd, doch dat zij vormt een verbond van twee
gelijk berechtigde personen.
De belofte van gehoorzaamheid, waartoe men de vrouw verplicht bij het
sluiten van het huwelijk, ontlokt meestal een glimlach bij man en vrouw,
omdat, zoo zegt men, de man er zich nooit op zal beroepen en de vrouw het
met die belofte niet ernstig meent.
Men vergeet echter dat deze oogenschijnlijk zoo onschuldige woorden den
geest kenmerken van alle bepalingen in het burgerlijk wetboek, die op de
gehuwde vrouw betrekking hebben. Daarin is hij altijd de heer die gebiedt
en zij heeft alleen stem, wanneer die met de zijne niet in tegenspraak komt.
Over haar kinderen heeft hij alleen macht en van den eerbied voor het
moederschap, altijd zoolang het een wettig geboren kind betreft, is geen
spoor in het burgerlijk wetboek te vinden.
vermogen, haar loon.
In Frankrijk zoekt men naar het middel om de huwelijken te doen toenemen
en het aantal geboorten te vermeerderen en als zoodanig stelt men o. a.
voor, van overheidswege een geldelijke premie te doen geven bij de
aangifte van een wettig geboren kind, of een afzonderlijke belasting te
heffen van coelibatairen of door beperkende wetten de vrouwen te dringen
uit beroepen, ambten en werkkringen.
Alsof zoo iets zou kunnen baten! Indien men de huwelijken wil doen
toenemen dan bedenke men middelen om ze ook voor de intellectueel
ontwikkelde vrouwen aannemelijk te maken.
Daarvoor zal het zedelijk gehalte van het gros der mannen verhoogd, aan
het huwelijksformulier elke der vrouw vernederende paragraaf ontnomen en
uit het burgerlijk wetboek elke bevoorrechting in het huwelijk van den man
boven de vrouw geschrapt moeten worden.
Men wijzige zóó de huwelijkswet, dat zij niet meer gelijkt op een contract
tusschen heer en dienstmaagd, doch dat zij vormt een verbond van twee
gelijk berechtigde personen.
De belofte van gehoorzaamheid, waartoe men de vrouw verplicht bij het
sluiten van het huwelijk, ontlokt meestal een glimlach bij man en vrouw,
omdat, zoo zegt men, de man er zich nooit op zal beroepen en de vrouw het
met die belofte niet ernstig meent.
Men vergeet echter dat deze oogenschijnlijk zoo onschuldige woorden den
geest kenmerken van alle bepalingen in het burgerlijk wetboek, die op de
gehuwde vrouw betrekking hebben. Daarin is hij altijd de heer die gebiedt
en zij heeft alleen stem, wanneer die met de zijne niet in tegenspraak komt.
Over haar kinderen heeft hij alleen macht en van den eerbied voor het
moederschap, altijd zoolang het een wettig geboren kind betreft, is geen
spoor in het burgerlijk wetboek te vinden.
Page 22
Wel wordt dienaangaande in het aanhangig wetsontwerp omtrent beperking
van de vaderlijke macht en de voogdij iets minder onbillijk tegenover de
vrouw gehandeld, doch van eene erkenning, dat de moeder een grooter
recht, op zijn minst genomen een even groot recht heeft op het kind als de
vader, is ook daarin geen sprake.
Haar vermogen wordt gemeenschappelijk goed, d. w. z. dat hij het beheert,
kan uitgeven, verteren, verkwisten, zonder dat hij haar rekenschap
verschuldigd is, terwijl zij zonder zijn toestemming geen penning er van
kan besteden. ’t Is waar, zij kan met huwelijksvoorwaarden trouwen, echter
de vrijheid om dan eigen vermogen naar eigen goedvinden te beheeren,
erlangt zij zelfs dan nog niet.
Haar verdiend loon is zijn eigendom, dat hij haar kan ontnemen, verspelen,
verbrassen.
Behoefde men wel te zoeken naar de reden, waarom verhoogd intellect van
de vrouw gepaard gaat met vermindering van huwelijken en zijn gevolgen?
De vrouwenbeweging kan alleen met de economische onafhankelijkheid
der vrouw haar doel niet bereiken, zij heeft daarvoor ook te streven naar de
politieke ontvoogding der vrouw.
De economische onafhankelijkheid kan slechts dienen om de vrouw vrij te
maken van elken sexueelen dwang; door de politieke ontvoogding kan zij
direct invloed uitoefenen tot een billijker aanwending van de staatsgelden
en op het tot stand komen van rechtvaardiger wetten. Door dit laatste vooral
kan zij, beter dan tot dusver geschiedde, voor haar belangen zorgen en voor
die van het kind.
Herhaaldelijk wordt door de mannen beweerd, zooals ook geschiedde door
prof. Winkler, dat het gemoed der vrouw ondoorgrondelijk is; dat de vrouw
alleen door de vrouw begrepen kan worden; dat bij haar in tegenstelling
van den man, het gevoel een grooter rol speelt dan het verstand. Dezelfde
mannen die zóó spreken, weerhouden zich evenwel niet de vrouwen voor te
van de vaderlijke macht en de voogdij iets minder onbillijk tegenover de
vrouw gehandeld, doch van eene erkenning, dat de moeder een grooter
recht, op zijn minst genomen een even groot recht heeft op het kind als de
vader, is ook daarin geen sprake.
Haar vermogen wordt gemeenschappelijk goed, d. w. z. dat hij het beheert,
kan uitgeven, verteren, verkwisten, zonder dat hij haar rekenschap
verschuldigd is, terwijl zij zonder zijn toestemming geen penning er van
kan besteden. ’t Is waar, zij kan met huwelijksvoorwaarden trouwen, echter
de vrijheid om dan eigen vermogen naar eigen goedvinden te beheeren,
erlangt zij zelfs dan nog niet.
Haar verdiend loon is zijn eigendom, dat hij haar kan ontnemen, verspelen,
verbrassen.
Behoefde men wel te zoeken naar de reden, waarom verhoogd intellect van
de vrouw gepaard gaat met vermindering van huwelijken en zijn gevolgen?
De vrouwenbeweging kan alleen met de economische onafhankelijkheid
der vrouw haar doel niet bereiken, zij heeft daarvoor ook te streven naar de
politieke ontvoogding der vrouw.
De economische onafhankelijkheid kan slechts dienen om de vrouw vrij te
maken van elken sexueelen dwang; door de politieke ontvoogding kan zij
direct invloed uitoefenen tot een billijker aanwending van de staatsgelden
en op het tot stand komen van rechtvaardiger wetten. Door dit laatste vooral
kan zij, beter dan tot dusver geschiedde, voor haar belangen zorgen en voor
die van het kind.
Herhaaldelijk wordt door de mannen beweerd, zooals ook geschiedde door
prof. Winkler, dat het gemoed der vrouw ondoorgrondelijk is; dat de vrouw
alleen door de vrouw begrepen kan worden; dat bij haar in tegenstelling
van den man, het gevoel een grooter rol speelt dan het verstand. Dezelfde
mannen die zóó spreken, weerhouden zich evenwel niet de vrouwen voor te
Page 23
schrijven waar zij den weg tot geluk moeten zoeken; te bepalen wat haar
levensdoel moet zijn; haar door de wet de plaats aan te wijzen, die zij
verplicht zijn in te nemen. Is dat logisch en is dat rechtvaardig? Is dat in het
belang der maatschappij, waarvan de vrouwen toch de helft uitmaken?
Moest niet veeleer verwacht worden dat de mannen, die zoo terecht hebben
opgemerkt dat “zij” een ander wezen is dan “hij”, de vrouwen zouden
steunen in haar poging om deel te nemen aan het staatsbestuur? Juist uit dit
verschil van man en vrouw putten wij, vrouwen, het voornaamste en
krachtigste argument voor de meening dat beiden moeten deel nemen aan
het bespreken der openbare belangen, aan de behandeling der
maatschappelijke vraagstukken, aan het samenstellen der wetten, waarnaar
wij allen ons hebben te gedragen, omdat wij dan alleen gewaarborgd zijn
dat zaken van algemeen belang niet éénzijdig beoordeeld worden.
Is het eigenlijk niet alleen een gevolg van vooroordeel, van de macht der
gewoonte, het niet durven breken met bestaande toestanden, dat wij thans
nog moeten pleiten voor het recht om op staatkundig gebied als individuen
medegeteld te worden? Alsof de vrouwen niet hetzelfde belang hebben bij
eene goede wetgeving en bij het welzijn der bevolking als de mannen.
Men verdedigt die uitsluiting der vrouwen wel eens met het argument dat
zij geene aparte menschenklasse vormen, dat de mannen die de wetten
maken dit niet doen voor eene hun vijandige klasse, maar dat het zijn hun
moeders, vrouwen, zusters of dochters voor wier belang zij optreden.
Het is waar, de vrouwen vormen geen aparte klasse in de maatschappij,
doch is het niet alsof de mannen dat steeds vergeten bij het vaststellen der
staatsbegrooting of bij het maken der wetten? Een paar voorbeelden slechts
om deze bewering te staven en ter motiveering tevens van hetgeen ik
schreef omtrent de onbillijke aanwending der staatsgelden. Worden er niet
jaarlijks oneindig veel grooter financieele offers gebracht aan de opleiding
en intellectueele ontwikkeling van den jongen dan aan die van het meisje?
Alsof de maatschappij niet evenzeer gebaat ware met ontwikkelde vrouwen
als met ontwikkelde mannen. Het was Henry Thomas Buckle die reeds in
1858 de leden van het Engelsche Koninklijk Instituut aanspoorde om meer
levensdoel moet zijn; haar door de wet de plaats aan te wijzen, die zij
verplicht zijn in te nemen. Is dat logisch en is dat rechtvaardig? Is dat in het
belang der maatschappij, waarvan de vrouwen toch de helft uitmaken?
Moest niet veeleer verwacht worden dat de mannen, die zoo terecht hebben
opgemerkt dat “zij” een ander wezen is dan “hij”, de vrouwen zouden
steunen in haar poging om deel te nemen aan het staatsbestuur? Juist uit dit
verschil van man en vrouw putten wij, vrouwen, het voornaamste en
krachtigste argument voor de meening dat beiden moeten deel nemen aan
het bespreken der openbare belangen, aan de behandeling der
maatschappelijke vraagstukken, aan het samenstellen der wetten, waarnaar
wij allen ons hebben te gedragen, omdat wij dan alleen gewaarborgd zijn
dat zaken van algemeen belang niet éénzijdig beoordeeld worden.
Is het eigenlijk niet alleen een gevolg van vooroordeel, van de macht der
gewoonte, het niet durven breken met bestaande toestanden, dat wij thans
nog moeten pleiten voor het recht om op staatkundig gebied als individuen
medegeteld te worden? Alsof de vrouwen niet hetzelfde belang hebben bij
eene goede wetgeving en bij het welzijn der bevolking als de mannen.
Men verdedigt die uitsluiting der vrouwen wel eens met het argument dat
zij geene aparte menschenklasse vormen, dat de mannen die de wetten
maken dit niet doen voor eene hun vijandige klasse, maar dat het zijn hun
moeders, vrouwen, zusters of dochters voor wier belang zij optreden.
Het is waar, de vrouwen vormen geen aparte klasse in de maatschappij,
doch is het niet alsof de mannen dat steeds vergeten bij het vaststellen der
staatsbegrooting of bij het maken der wetten? Een paar voorbeelden slechts
om deze bewering te staven en ter motiveering tevens van hetgeen ik
schreef omtrent de onbillijke aanwending der staatsgelden. Worden er niet
jaarlijks oneindig veel grooter financieele offers gebracht aan de opleiding
en intellectueele ontwikkeling van den jongen dan aan die van het meisje?
Alsof de maatschappij niet evenzeer gebaat ware met ontwikkelde vrouwen
als met ontwikkelde mannen. Het was Henry Thomas Buckle die reeds in
1858 de leden van het Engelsche Koninklijk Instituut aanspoorde om meer
Page 24
partij te trekken van hetgeen de geschiedenis in dezen te leeren geeft. Hij
wees er zijne tijdgenooten op, dat al de mannen van genie kinderen van
voortreffelijke moeders waren en dat de meest wezenlijk uitstekende
mannen niet alleen de ontwikkeling hunner gevoelens, maar voor een niet
gering deel ook de ontwikkeling van hun verstand aan den invloed der
vrouwen te danken hadden. Hij beweerde zelfs, dat ieder die aan dien
invloed niet onderworpen was geweest, iets onvolkomens, iets gebrekkigs
aankleeft. Daarom raadde hij alle onbekrompen denkenden aan mede te
werken dat de invloed der vrouwen vermeerderd en daarmede ook deze
hulpbron van kennis in gebruik genomen worde.
Wees ik in den aanvang van mijn opstel er op, dat de vrouwen hier te lande
niet te klagen hebben wat het Hooger Onderwijs—voor zoover het de
universiteiten omvat—betreft, geheel anders is het gesteld met het
onderwijs der gymnasia, hoogere burgerscholen, vakscholen.
De stedelijke gymnasia met rijks-subsidiën hebben nog steeds het recht de
meisjes buiten hun poorten te houden en nog dezer dagen werd door een
vooruitstrevend Minister van Binnenlandsche Zaken een dergelijk
onrechtvaardige toestand gebillijkt. Rijks hoogere burgerscholen voor
meisjes worden niet opgericht en op die van de jongens worden ze
getolereerd indien de minister, directeur en leeraren dit wel goedgunstig
willen toestaan en, om welke reden of onder welken invloed ook, geen
overwegende bezwaren opperen.
Vakscholen voor meisjes behooren tot de groote zeldzaamheden en staan
wat gehalte en aantal betreft in geen verhouding tot die voor jongens.
Zou hierin voor de vrouw geen verbetering komen als zij mede invloed
uitoefent op de wetgeving?
En wat nu de wetten aangaat, er zijn er nog in werking zóó wreed, zóó
onrechtvaardig, zóó barbaarsch, dat men onmogelijk kan aannemen, in
welke ontwikkelingsperiode der maatschappij wij ons ook indenken, dat zij
ooit te rechtvaardigen zijn geweest. Ik heb het oog op de wettelijke
bepalingen, regelende de verhouding van de ouders tot hunne kinderen;
wees er zijne tijdgenooten op, dat al de mannen van genie kinderen van
voortreffelijke moeders waren en dat de meest wezenlijk uitstekende
mannen niet alleen de ontwikkeling hunner gevoelens, maar voor een niet
gering deel ook de ontwikkeling van hun verstand aan den invloed der
vrouwen te danken hadden. Hij beweerde zelfs, dat ieder die aan dien
invloed niet onderworpen was geweest, iets onvolkomens, iets gebrekkigs
aankleeft. Daarom raadde hij alle onbekrompen denkenden aan mede te
werken dat de invloed der vrouwen vermeerderd en daarmede ook deze
hulpbron van kennis in gebruik genomen worde.
Wees ik in den aanvang van mijn opstel er op, dat de vrouwen hier te lande
niet te klagen hebben wat het Hooger Onderwijs—voor zoover het de
universiteiten omvat—betreft, geheel anders is het gesteld met het
onderwijs der gymnasia, hoogere burgerscholen, vakscholen.
De stedelijke gymnasia met rijks-subsidiën hebben nog steeds het recht de
meisjes buiten hun poorten te houden en nog dezer dagen werd door een
vooruitstrevend Minister van Binnenlandsche Zaken een dergelijk
onrechtvaardige toestand gebillijkt. Rijks hoogere burgerscholen voor
meisjes worden niet opgericht en op die van de jongens worden ze
getolereerd indien de minister, directeur en leeraren dit wel goedgunstig
willen toestaan en, om welke reden of onder welken invloed ook, geen
overwegende bezwaren opperen.
Vakscholen voor meisjes behooren tot de groote zeldzaamheden en staan
wat gehalte en aantal betreft in geen verhouding tot die voor jongens.
Zou hierin voor de vrouw geen verbetering komen als zij mede invloed
uitoefent op de wetgeving?
En wat nu de wetten aangaat, er zijn er nog in werking zóó wreed, zóó
onrechtvaardig, zóó barbaarsch, dat men onmogelijk kan aannemen, in
welke ontwikkelingsperiode der maatschappij wij ons ook indenken, dat zij
ooit te rechtvaardigen zijn geweest. Ik heb het oog op de wettelijke
bepalingen, regelende de verhouding van de ouders tot hunne kinderen;
Page 25
wetten, die even bedervend op den man moeten werken als zij vernederend
zijn voor de vrouw.
Door deze wetten oefent de ongehuwde moeder uitsluitend macht uit over
haar kind en wordt haar zelfs verboden den vader aan te wijzen, opdat ook
hij deel neemt in de verzorging en opvoeding van beider telg;—daarentegen
ontnemen deze wettelijke bepalingen aan de gehuwde vrouw elk recht op
haar kind en stellen alle macht in de handen van den vader. Hij mag haar
zelfs het kind ontnemen en elders brengen, zonder daarvan rekenschap
verschuldigd te zijn. Al wordt dit tegenwoordig niet veel meer in toepassing
gebracht, toch bestaan er voorbeelden van dat dit middel, ter bereiking van
minder edele doeleinden, werd te baat genomen en als dreigement om de
vrouw te dwingen tot handelingen, waartoe zij anders niet zou overgaan,
doet het ook thans nog maar al te dikwerf dienst.
En hoe beschermt de wet de ongehuwde moeder? Terwijl de wet in alle
andere opzichten aanneemt dat de vrouw nimmer de kinderschoenen
ontwast en men haar bijgevolg steeds indeelt bij kinderen, veroordeelden en
krankzinnigen, in dit ééne speciale geval, waar het geldt den verleider van
den waren minnaar te onderscheiden, daar acht zij het meisje reeds op
16jarigen leeftijd mondig.
Mocht het evenwel blijken dat haar menschenkennis te kort was geschoten
en zij als gevolg harer dwaling, ongehuwd moeder werd, dan heeft zij geen
recht zich daarover te beklagen, zoo concludeert de wetgever. Kan men
werkelijk meenen, dat zulk een regeling in het leven werd geroepen ter
bevordering van het maatschappelijk belang, van het belang van de vrouw
zoowel als van dat van den man?
In het wetsontwerp betreffende den rechtstoestand der natuurlijke kinderen
zijn ook ten opzichte van deze aangelegenheid eenigszins billijker
bepalingen opgenomen, doch rechtvaardig tegenover vrouw en kind is ook
deze nieuwe proef van uitsluitend mannenwerk op wetgevend gebied in
geenen deele.
zijn voor de vrouw.
Door deze wetten oefent de ongehuwde moeder uitsluitend macht uit over
haar kind en wordt haar zelfs verboden den vader aan te wijzen, opdat ook
hij deel neemt in de verzorging en opvoeding van beider telg;—daarentegen
ontnemen deze wettelijke bepalingen aan de gehuwde vrouw elk recht op
haar kind en stellen alle macht in de handen van den vader. Hij mag haar
zelfs het kind ontnemen en elders brengen, zonder daarvan rekenschap
verschuldigd te zijn. Al wordt dit tegenwoordig niet veel meer in toepassing
gebracht, toch bestaan er voorbeelden van dat dit middel, ter bereiking van
minder edele doeleinden, werd te baat genomen en als dreigement om de
vrouw te dwingen tot handelingen, waartoe zij anders niet zou overgaan,
doet het ook thans nog maar al te dikwerf dienst.
En hoe beschermt de wet de ongehuwde moeder? Terwijl de wet in alle
andere opzichten aanneemt dat de vrouw nimmer de kinderschoenen
ontwast en men haar bijgevolg steeds indeelt bij kinderen, veroordeelden en
krankzinnigen, in dit ééne speciale geval, waar het geldt den verleider van
den waren minnaar te onderscheiden, daar acht zij het meisje reeds op
16jarigen leeftijd mondig.
Mocht het evenwel blijken dat haar menschenkennis te kort was geschoten
en zij als gevolg harer dwaling, ongehuwd moeder werd, dan heeft zij geen
recht zich daarover te beklagen, zoo concludeert de wetgever. Kan men
werkelijk meenen, dat zulk een regeling in het leven werd geroepen ter
bevordering van het maatschappelijk belang, van het belang van de vrouw
zoowel als van dat van den man?
In het wetsontwerp betreffende den rechtstoestand der natuurlijke kinderen
zijn ook ten opzichte van deze aangelegenheid eenigszins billijker
bepalingen opgenomen, doch rechtvaardig tegenover vrouw en kind is ook
deze nieuwe proef van uitsluitend mannenwerk op wetgevend gebied in
geenen deele.
Page 26
Diende men in een kwestie, zoo geheel en al het belang van vrouw en kind
rakende, de vrouw niet een stem, ja zelfs een overwegende stem te geven?
Ik kan mij ontslagen rekenen van de taak eene kritiek op de
huwelijkswetgeving te leveren, waar dit nog slechts kort geleden zoo
voortreffelijk geschiedde door een staatsman als mr. E. Fokker6 en deze tot
de uitspraak kwam: “dat de mannen alleen de wetgeving hebben gemaakt is
uit den inhoud geen oogenblik twijfelachtig.” Van die wetgeving getuigde
dezelfde schrijver dat zij den toestand gemaakt heeft “niet houdbaar en een
beschaafde natie niet waardig.”
Wel is waar verontschuldigt mr. E. Fokker de wetgevende macht door te
onderstellen, dat in 1820–1838, toen het thans nog geldend burgerlijk
wetboek tot stand kwam, de zeden en begrippen zulke onwaardige wetten in
de pen gaven7, maar daarmede toont hij een andere opvatting van de
aanleiding tot het maken van zulke onrechtvaardige wetten te hebben dan
bijv. de Groninger hoogleeraar mr. B. D. H. Tellegen.
Toen deze in 1870, in een toespraak tot zijne leerlingen, den rechtstoestand
der vrouw aan een kritisch onderzoek onderwierp8, loochende hij boudweg
de verontschuldiging door vele rechtsgeleerden ook thans nog aangevoerd,
dat de onbillijke wetten haar ontstaan te danken zouden hebben aan de
vermeende lichamelijke en geestelijke inferioriteit der vrouw. Eerlijk
bekende hij, “den wettelijken toestand van de gehuwde vrouw hebben wij
mannen met het oog op ons zelven geregeld. Wij hebben de gehuwde vrouw
gemakshalve onmondig verklaard en zelfs in de opvoeding der kinderen ons
het leeuwendeel toegeëigend.”
Een andere opvatting ook dan de beroemde Franeker professor U. Huber
reeds in de 17e eeuw leeraarde, toen hij schreef over het recht van
voogdijschap van den man over de vrouw in het huwelijk:9 “dit recht is niet
zoozeer ingesteld ten aanzien van de zwakheid des vrouwelijken geslachts
(want dan moesten de ongetrouwde vrouwen ook voogden hebben) maar
het is een recht en voordeel der mannelijke achtbaarheid.
rakende, de vrouw niet een stem, ja zelfs een overwegende stem te geven?
Ik kan mij ontslagen rekenen van de taak eene kritiek op de
huwelijkswetgeving te leveren, waar dit nog slechts kort geleden zoo
voortreffelijk geschiedde door een staatsman als mr. E. Fokker6 en deze tot
de uitspraak kwam: “dat de mannen alleen de wetgeving hebben gemaakt is
uit den inhoud geen oogenblik twijfelachtig.” Van die wetgeving getuigde
dezelfde schrijver dat zij den toestand gemaakt heeft “niet houdbaar en een
beschaafde natie niet waardig.”
Wel is waar verontschuldigt mr. E. Fokker de wetgevende macht door te
onderstellen, dat in 1820–1838, toen het thans nog geldend burgerlijk
wetboek tot stand kwam, de zeden en begrippen zulke onwaardige wetten in
de pen gaven7, maar daarmede toont hij een andere opvatting van de
aanleiding tot het maken van zulke onrechtvaardige wetten te hebben dan
bijv. de Groninger hoogleeraar mr. B. D. H. Tellegen.
Toen deze in 1870, in een toespraak tot zijne leerlingen, den rechtstoestand
der vrouw aan een kritisch onderzoek onderwierp8, loochende hij boudweg
de verontschuldiging door vele rechtsgeleerden ook thans nog aangevoerd,
dat de onbillijke wetten haar ontstaan te danken zouden hebben aan de
vermeende lichamelijke en geestelijke inferioriteit der vrouw. Eerlijk
bekende hij, “den wettelijken toestand van de gehuwde vrouw hebben wij
mannen met het oog op ons zelven geregeld. Wij hebben de gehuwde vrouw
gemakshalve onmondig verklaard en zelfs in de opvoeding der kinderen ons
het leeuwendeel toegeëigend.”
Een andere opvatting ook dan de beroemde Franeker professor U. Huber
reeds in de 17e eeuw leeraarde, toen hij schreef over het recht van
voogdijschap van den man over de vrouw in het huwelijk:9 “dit recht is niet
zoozeer ingesteld ten aanzien van de zwakheid des vrouwelijken geslachts
(want dan moesten de ongetrouwde vrouwen ook voogden hebben) maar
het is een recht en voordeel der mannelijke achtbaarheid.
Page 27
Gerugsteund door de uitspraak van deze bekwame mannen acht ik het
optreden der vrouwen ter verkrijging van de bevoegdheid om hare belangen
te doen behartigen door haarzelven en om er voor te waken dat deze
belangen niet langer worden opgeofferd aan “het recht en voordeel der
mannelijke achtbaarheid” genoeg gerechtvaardigd.
Men zal toch ook moeten toegeven dat het verschil van man en vrouw in
neiging, in levensfuncties en misschien ook wel in levensbeschouwing te
groot is, dan dat de een voor den ander zou kunnen opkomen wanneer het
geldt de wenschen, de belangen, de plichten, de rechten voor geheel de
natie te vertegenwoordigen en in wetten te belichamen.
Zonder mij te stellen op het standpunt van mr. E. Fokker, dat de zeden en
begrippen van een of anderen tijd ooit zulke grenzenlooze onbillijkheden
als in onze wetten zijn neergelegd zouden hebben gerechtvaardigd, meen ik
het toch te moeten uitspreken, dat de vrouw mede schuld er aan draagt, dat
men tot dusver in de wetgeving geen voldoende rekening heeft gehouden
met hare belangen en hare wenschen.
Te harer verontschuldiging kon vroeger worden aangevoerd dat de last der
eeuwenlange onmondigheid haar zóó had neergedrukt, zóó verstompt, dat
zij langen tijd geen poging kon aanwenden om zich op te heffen; zelfs
voelde zij daardoor niet hoe de onderworpen toestand, waarin wet en zeden
haar geplaatst hadden, niet haar natuurlijke plaats was en besefte zij niet
waarom het belang der samenleving hare opheffing uit deze vernederende
positie vorderde.
Tegenwoordig geldt deze verontschuldiging niet meer, nu wij van alle
kanten de vrouwen zien opstaan die den dageraad verkondigen van een
nieuw leven, in elk opzicht veel hooger en veel rijker dan voorheen. Maar
er zal strijd, misschien wel ernstige strijd vooraf moeten gaan, eer de volle
middagzon kan gloren en daarom is het de heilige plicht van elke vrouw in
de gelederen te treden en mede te strijden ter bereiking van dit doel.
Van dezen plicht mogen zij zich niet laten terughouden omdat de strijd heet
te gaan tegen onze vaders, onze echtgenooten en onze broeders,—de
optreden der vrouwen ter verkrijging van de bevoegdheid om hare belangen
te doen behartigen door haarzelven en om er voor te waken dat deze
belangen niet langer worden opgeofferd aan “het recht en voordeel der
mannelijke achtbaarheid” genoeg gerechtvaardigd.
Men zal toch ook moeten toegeven dat het verschil van man en vrouw in
neiging, in levensfuncties en misschien ook wel in levensbeschouwing te
groot is, dan dat de een voor den ander zou kunnen opkomen wanneer het
geldt de wenschen, de belangen, de plichten, de rechten voor geheel de
natie te vertegenwoordigen en in wetten te belichamen.
Zonder mij te stellen op het standpunt van mr. E. Fokker, dat de zeden en
begrippen van een of anderen tijd ooit zulke grenzenlooze onbillijkheden
als in onze wetten zijn neergelegd zouden hebben gerechtvaardigd, meen ik
het toch te moeten uitspreken, dat de vrouw mede schuld er aan draagt, dat
men tot dusver in de wetgeving geen voldoende rekening heeft gehouden
met hare belangen en hare wenschen.
Te harer verontschuldiging kon vroeger worden aangevoerd dat de last der
eeuwenlange onmondigheid haar zóó had neergedrukt, zóó verstompt, dat
zij langen tijd geen poging kon aanwenden om zich op te heffen; zelfs
voelde zij daardoor niet hoe de onderworpen toestand, waarin wet en zeden
haar geplaatst hadden, niet haar natuurlijke plaats was en besefte zij niet
waarom het belang der samenleving hare opheffing uit deze vernederende
positie vorderde.
Tegenwoordig geldt deze verontschuldiging niet meer, nu wij van alle
kanten de vrouwen zien opstaan die den dageraad verkondigen van een
nieuw leven, in elk opzicht veel hooger en veel rijker dan voorheen. Maar
er zal strijd, misschien wel ernstige strijd vooraf moeten gaan, eer de volle
middagzon kan gloren en daarom is het de heilige plicht van elke vrouw in
de gelederen te treden en mede te strijden ter bereiking van dit doel.
Van dezen plicht mogen zij zich niet laten terughouden omdat de strijd heet
te gaan tegen onze vaders, onze echtgenooten en onze broeders,—de
Page 28
goedgezinden onder hen begrijpen wel dat wij niet voeren een strijd tegen
personen, maar tegen onrechtvaardige wetten, zeden en instellingen en dat
eene overwinning niet alleen de vrouw zal verlossen uit eene vernederende
onderwerping, maar ook hun (vaders, echtgenooten en broeders) ten goede
zal komen.
De vrouwen mogen zich ook niet onttrekken aan dezen strijd, dewijl het vrij
zeker is dat de thans levenden van de resultaten van haren arbeid niet meer
zelf zullen genieten, doch dat deze eerst het erfdeel zullen worden van een
volgend geslacht, welks levensvoorwaarden daardoor zooveel gunstiger
zullen zijn. Ook de lijfeigenen der middeleeuwen hebben den door hen
geplanten vrijheidsboom niet meer zien bloeien; ook die strijders voor
menschelijkheid en recht hebben dikwijls met totale zelfopoffering
gestreden ter verkrijging van betere levensvoorwaarden voor degenen die
na hen zouden komen. Wordt hierdoor onze strijd niet verhevener, heiliger?
Ware het ons alleen te doen om zelfverheffing of eigenlotsverbetering, men
zoude met een schijn van grootmoedigheid van dit pogen afstand kunnen
doen, thans echter is ieder onzer zedelijk verplicht ten behoeve der
komende generaties zich in den strijd te mengen.
De vrouwen mogen zich ook niet laten afschrikken omdat nog zoo vele
karakterzwakken onder de zusters, even als de vogel in de kooi, het voedsel
liever voor zich gestrooid vinden, dan het in de vrije wereld door eigen
krachtsinspanning zelf op te zoeken. Zullen dezulken in het begin hare
vrijheid zelfs niet weten te waardeeren en zich terugwenschen in den
toestand van afhankelijkheid en onderwerping, laat dit toch voor niemand
eene verontschuldiging zijn om het wakker geschudde geweten weder te
doen inslapen. Laat men toch nimmer vergeten dat het niet de vrouwen zijn
van groote gaven, van fijn gevoel of van liefderijk gemoed, die zich
gelukkig en tevreden gevoelen met de positie die de vrouw wordt
aangewezen in onze hedendaagsche maatschappij.
Zij die tevreden zijn, het zijn de rupsen onder ons, die in haar
ontwikkelingsstadium als pop bleven steken en die het nimmer, zonder onze
hulp zullen brengen tot een volmaakt vlinderbestaan.
personen, maar tegen onrechtvaardige wetten, zeden en instellingen en dat
eene overwinning niet alleen de vrouw zal verlossen uit eene vernederende
onderwerping, maar ook hun (vaders, echtgenooten en broeders) ten goede
zal komen.
De vrouwen mogen zich ook niet onttrekken aan dezen strijd, dewijl het vrij
zeker is dat de thans levenden van de resultaten van haren arbeid niet meer
zelf zullen genieten, doch dat deze eerst het erfdeel zullen worden van een
volgend geslacht, welks levensvoorwaarden daardoor zooveel gunstiger
zullen zijn. Ook de lijfeigenen der middeleeuwen hebben den door hen
geplanten vrijheidsboom niet meer zien bloeien; ook die strijders voor
menschelijkheid en recht hebben dikwijls met totale zelfopoffering
gestreden ter verkrijging van betere levensvoorwaarden voor degenen die
na hen zouden komen. Wordt hierdoor onze strijd niet verhevener, heiliger?
Ware het ons alleen te doen om zelfverheffing of eigenlotsverbetering, men
zoude met een schijn van grootmoedigheid van dit pogen afstand kunnen
doen, thans echter is ieder onzer zedelijk verplicht ten behoeve der
komende generaties zich in den strijd te mengen.
De vrouwen mogen zich ook niet laten afschrikken omdat nog zoo vele
karakterzwakken onder de zusters, even als de vogel in de kooi, het voedsel
liever voor zich gestrooid vinden, dan het in de vrije wereld door eigen
krachtsinspanning zelf op te zoeken. Zullen dezulken in het begin hare
vrijheid zelfs niet weten te waardeeren en zich terugwenschen in den
toestand van afhankelijkheid en onderwerping, laat dit toch voor niemand
eene verontschuldiging zijn om het wakker geschudde geweten weder te
doen inslapen. Laat men toch nimmer vergeten dat het niet de vrouwen zijn
van groote gaven, van fijn gevoel of van liefderijk gemoed, die zich
gelukkig en tevreden gevoelen met de positie die de vrouw wordt
aangewezen in onze hedendaagsche maatschappij.
Zij die tevreden zijn, het zijn de rupsen onder ons, die in haar
ontwikkelingsstadium als pop bleven steken en die het nimmer, zonder onze
hulp zullen brengen tot een volmaakt vlinderbestaan.
Page 29
Het is op grond van al het hier aangevoerde, dat niet langer getalmd mag
worden met het aanbinden van den strijd voor rechten, die ons in staat
zullen stellen al datgene te verwezenlijken, wat reeds in het gemoed van
duizenden vrouwen als eisch van sociale rechtvaardigheid leeft.
Geen der vrouwen, die zich geroepen gevoelt om te strijden tegen den
alkoholvloek, vergete, dat het krachtigste middel om dezen kanker der
maatschappij metterdaad uit te roeien, bestaat in het uitvaardigen van
doeltreffende wetten met betrekking tot den alkoholverkoop en dat het
kiesbiljet het middel is om zulke wetten te verkrijgen.
Wie haar krachten wil aanwenden ter bevordering van den internationalen
vrede, begrijpe, dat dit doel het snelst bereikt wordt door Vrouwenkiesrecht,
want met een Kamer, samengesteld uit leden die voor een deel hun zetel te
danken hebben aan de stem der vrouwen, zal de Staatsbegrooting niet meer
belast kunnen worden met een jaarlijks toenemend aantal millioenen voor
oorlogsmateriaal en legeronderhoud.
Wil de vrouw den strijd aanbinden tegen de prostitutie, dan zorge zij dat der
vrouwen invloed op de wetgeving zich zoo spoedig mogelijk kunne doen
gelden, opdat maatregelen genomen worden, waarbij aan de mannen in
dezen niet alléén rechten en aan de vrouwen alléén plichten worden
toebedeeld.
En ook indien men van oordeel is dat bij gelijken arbeid voor de overheid
op gelijk loon mag worden aangedrongen, zoo ijvere men voor vrouwen-
kiesrecht; wordt in het huwelijk de vrije beschikking over het vermogen of
het behoud van het verdiend loon gewenscht, dan werke men mede aan de
politieke ontvoogding der vrouw.
Wil de vrouw ter bevordering van hare zelfstandigheid de vakopleiding
voor haar beter behartigd hebben, dan eische zij het stemrecht opdat zij
zoodoende invloed uitoefene op de maatregelen die daartoe leiden.
Maar bovenal moeten de vrouwen invloed op het staatsbestuur vragen
omdat zij vrouw zijn en daardoor meer en anders dan de man gevoelen voor
worden met het aanbinden van den strijd voor rechten, die ons in staat
zullen stellen al datgene te verwezenlijken, wat reeds in het gemoed van
duizenden vrouwen als eisch van sociale rechtvaardigheid leeft.
Geen der vrouwen, die zich geroepen gevoelt om te strijden tegen den
alkoholvloek, vergete, dat het krachtigste middel om dezen kanker der
maatschappij metterdaad uit te roeien, bestaat in het uitvaardigen van
doeltreffende wetten met betrekking tot den alkoholverkoop en dat het
kiesbiljet het middel is om zulke wetten te verkrijgen.
Wie haar krachten wil aanwenden ter bevordering van den internationalen
vrede, begrijpe, dat dit doel het snelst bereikt wordt door Vrouwenkiesrecht,
want met een Kamer, samengesteld uit leden die voor een deel hun zetel te
danken hebben aan de stem der vrouwen, zal de Staatsbegrooting niet meer
belast kunnen worden met een jaarlijks toenemend aantal millioenen voor
oorlogsmateriaal en legeronderhoud.
Wil de vrouw den strijd aanbinden tegen de prostitutie, dan zorge zij dat der
vrouwen invloed op de wetgeving zich zoo spoedig mogelijk kunne doen
gelden, opdat maatregelen genomen worden, waarbij aan de mannen in
dezen niet alléén rechten en aan de vrouwen alléén plichten worden
toebedeeld.
En ook indien men van oordeel is dat bij gelijken arbeid voor de overheid
op gelijk loon mag worden aangedrongen, zoo ijvere men voor vrouwen-
kiesrecht; wordt in het huwelijk de vrije beschikking over het vermogen of
het behoud van het verdiend loon gewenscht, dan werke men mede aan de
politieke ontvoogding der vrouw.
Wil de vrouw ter bevordering van hare zelfstandigheid de vakopleiding
voor haar beter behartigd hebben, dan eische zij het stemrecht opdat zij
zoodoende invloed uitoefene op de maatregelen die daartoe leiden.
Maar bovenal moeten de vrouwen invloed op het staatsbestuur vragen
omdat zij vrouw zijn en daardoor meer en anders dan de man gevoelen voor
Page 30
het kind, voor den hulpelooze, voor den zwakke en voor den oude van
dagen.
Daarom, vrouwen van Nederland! nu gij u bewust wordt van uwe
verplichtingen jegens uzelve en jegens de samenleving; nu gij den drang in
u voelt geboren worden om door directe deelneming mede te werken aan de
stoffelijke en zedelijke verheffing der maatschappij, maakt u thans los van
elk kleinzielig vooroordeel dat u van de vervulling uwer verheven taak zou
kunnen afhouden en schaart u aan de zijde van hen die, ter bereiking van
het doel der vrouwenbeweging, strijden voor de economische en
staatkundige onafhankelijkheid der vrouw, ten einde daardoor te komen tot
die hoogere ontwikkelingsphase der maatschappij, waarin gelijkheid voor
wet en zedenleer gehuldigd wordt voor den man en voor de vrouw.
1 De vrouw en de studie door Prof. Dr. Hector Treub en Prof. Dr. C. Winkler. Voordrachten en
Debatten, gehouden in de vergaderingen van 3 Maart en 10 Nov. 1898, van de Ver. tot beh. v. d.
belangen der vrouw, te Rotterdam.
2 “Belang en Recht” No. 51, 3e jaarg.
3 Pag. 32.
4 Pag. 51.
5 De dubbele cursieveering is van mij.
6 De Maatschappelijke en de Rechts-toestand der Vrouw in Nederland in 1896, door Mr. E.
Fokker.
7 In verband met de hiervoor besproken economische onafhankelijkheid der vrouw, wil ik als
proeve van mannenwerk in onzen tijd zonder verder commentaar laten afdrukken art. 149 van
het wetsontwerp der Staatscommissie tot herziening van het Burgerlijk Wetboek, ingediend
November 1886 en nog niet behandeld! Dat artikel luidt:
“De vrouw, die met uitdrukkelijke of stilzwijgende bewilliging van den man een afzonderlijk beroep
of eene kunst als bedrijf uitoefent, is bevoegd tot elke handeling, die de uitoefening van dat beroep of
die kunst kan medebrengen.
Deze bewilliging eindigt met den dag, waarop de man op voldoende wijze ter openbare kennis heeft
gebracht, dat hij haar intrekt.
dagen.
Daarom, vrouwen van Nederland! nu gij u bewust wordt van uwe
verplichtingen jegens uzelve en jegens de samenleving; nu gij den drang in
u voelt geboren worden om door directe deelneming mede te werken aan de
stoffelijke en zedelijke verheffing der maatschappij, maakt u thans los van
elk kleinzielig vooroordeel dat u van de vervulling uwer verheven taak zou
kunnen afhouden en schaart u aan de zijde van hen die, ter bereiking van
het doel der vrouwenbeweging, strijden voor de economische en
staatkundige onafhankelijkheid der vrouw, ten einde daardoor te komen tot
die hoogere ontwikkelingsphase der maatschappij, waarin gelijkheid voor
wet en zedenleer gehuldigd wordt voor den man en voor de vrouw.
1 De vrouw en de studie door Prof. Dr. Hector Treub en Prof. Dr. C. Winkler. Voordrachten en
Debatten, gehouden in de vergaderingen van 3 Maart en 10 Nov. 1898, van de Ver. tot beh. v. d.
belangen der vrouw, te Rotterdam.
2 “Belang en Recht” No. 51, 3e jaarg.
3 Pag. 32.
4 Pag. 51.
5 De dubbele cursieveering is van mij.
6 De Maatschappelijke en de Rechts-toestand der Vrouw in Nederland in 1896, door Mr. E.
Fokker.
7 In verband met de hiervoor besproken economische onafhankelijkheid der vrouw, wil ik als
proeve van mannenwerk in onzen tijd zonder verder commentaar laten afdrukken art. 149 van
het wetsontwerp der Staatscommissie tot herziening van het Burgerlijk Wetboek, ingediend
November 1886 en nog niet behandeld! Dat artikel luidt:
“De vrouw, die met uitdrukkelijke of stilzwijgende bewilliging van den man een afzonderlijk beroep
of eene kunst als bedrijf uitoefent, is bevoegd tot elke handeling, die de uitoefening van dat beroep of
die kunst kan medebrengen.
Deze bewilliging eindigt met den dag, waarop de man op voldoende wijze ter openbare kennis heeft
gebracht, dat hij haar intrekt.
Page 31
Bijzondere kennisgeving daarvan geldt voor hem, die haar ontvangt, als openbare.”
8 De toekomst der vrouw, door Mr. B. D. H. Tellegen. 1870.
9 Hedendaagsche Regtsgeleerdheid. I C X No. 7.
8 De toekomst der vrouw, door Mr. B. D. H. Tellegen. 1870.
9 Hedendaagsche Regtsgeleerdheid. I C X No. 7.
Page 32
II.
Page 33
Wettelijke Regeling der Prostitutie.
In een tijd waarin de vrouwenbeweging en de daarmede gepaard gaande
bespreking der vrouwenbelangen ieders aandacht vraagt, dient ook het
prostitutie-vraagstuk door de vrouwen onderzocht en zoo mogelijk tot
oplossing gebracht te worden. Veel te lang werd het aan de orde stellen van
dit hoogst belangrijk maatschappelijk vraagstuk door de vrouwen
opzettelijk vermeden, dewijl zij, door valsche schaamte geleid, van oordeel
waren dat al wat op prostitutie betrekking heeft, niet door de vrouw mag
worden gekend, noch door haar mag worden besproken.
Ik stem toe dat kennismaking met elk onderdeel der kwestie ons steeds voor
oogen voert ziekelijke uitwassen van de menschelijke natuur, oorzaken van
heimelijke slooping des lichaams, wanverhoudingen in de samenleving, die
ons met weerzin, met afgrijzen, met verachting, met medelijden vervullen,
al naar wij zelven zedelijk zijn aangelegd.
Doch hoe dieper men in dit vraagstuk doordringt, des te meer wordt men er
van overtuigd dat de prostitutie het wel en wee van velen onzer beheerscht;
dat zij onze gezondheid en die onzer kinderen ondermijnt; dat zij velen
onzer zusters wegrukt uit de maatschappelijke sfeer en hen doemt tot een
leven vol verachting en ellende.
Als men dan nog bedenkt dat die vrouwenschaar die opgeofferd wordt aan
dit zoogenaamd noodzakelijk kwaad, grootendeels voortkomt uit de
volksklasse; dat gebrek, onkunde, ruwe zeden, ziekelijke ontaarding,
verleiding die vrouwen meestal voert in dezen poel van ellende, dan meen
ik dat er redenen te over zijn om alle valsche schaamte ter zijde te stellen,
den sluier weg te rukken die het prostitutie-vraagstuk omhult en met
helderen blik en rustig oordeel dit kwaad in zijn veelzijdig optreden te
onderzoeken. Men heeft zich daartoe rekenschap te geven van hetgeen om
ons heen geschiedt; het bestaan van het kwaad maakt de bespreking
noodzakelijk.
In een tijd waarin de vrouwenbeweging en de daarmede gepaard gaande
bespreking der vrouwenbelangen ieders aandacht vraagt, dient ook het
prostitutie-vraagstuk door de vrouwen onderzocht en zoo mogelijk tot
oplossing gebracht te worden. Veel te lang werd het aan de orde stellen van
dit hoogst belangrijk maatschappelijk vraagstuk door de vrouwen
opzettelijk vermeden, dewijl zij, door valsche schaamte geleid, van oordeel
waren dat al wat op prostitutie betrekking heeft, niet door de vrouw mag
worden gekend, noch door haar mag worden besproken.
Ik stem toe dat kennismaking met elk onderdeel der kwestie ons steeds voor
oogen voert ziekelijke uitwassen van de menschelijke natuur, oorzaken van
heimelijke slooping des lichaams, wanverhoudingen in de samenleving, die
ons met weerzin, met afgrijzen, met verachting, met medelijden vervullen,
al naar wij zelven zedelijk zijn aangelegd.
Doch hoe dieper men in dit vraagstuk doordringt, des te meer wordt men er
van overtuigd dat de prostitutie het wel en wee van velen onzer beheerscht;
dat zij onze gezondheid en die onzer kinderen ondermijnt; dat zij velen
onzer zusters wegrukt uit de maatschappelijke sfeer en hen doemt tot een
leven vol verachting en ellende.
Als men dan nog bedenkt dat die vrouwenschaar die opgeofferd wordt aan
dit zoogenaamd noodzakelijk kwaad, grootendeels voortkomt uit de
volksklasse; dat gebrek, onkunde, ruwe zeden, ziekelijke ontaarding,
verleiding die vrouwen meestal voert in dezen poel van ellende, dan meen
ik dat er redenen te over zijn om alle valsche schaamte ter zijde te stellen,
den sluier weg te rukken die het prostitutie-vraagstuk omhult en met
helderen blik en rustig oordeel dit kwaad in zijn veelzijdig optreden te
onderzoeken. Men heeft zich daartoe rekenschap te geven van hetgeen om
ons heen geschiedt; het bestaan van het kwaad maakt de bespreking
noodzakelijk.
Page 34
Hoe zal men zijn zonen kunnen behoeden voor een zedelijken val, wanneer
men de wegen niet kent die hen voeren tot den afgrond; hoe kan men zijne
kinderen zedelijke grootheid inprenten, zoolang men den moed mist de
laagheid die hen omgeeft te peilen; hoe wil men hun deernis inboezemen
met die arme, vernietigde wezens, wier bestaan eene aanklacht is tegen
onze gangbare zedelijkheidsbegrippen, zoolang men zelf nog onkunde en
onwetendheid verwart met reinheid en kuischheid?
Doch ook als men zich zelf een grooter, een hooger levensdoel heeft
gesteld, als men wenscht mede te werken aan het wegnemen van
maatschappelijke misstanden, dan mag men niet langer de oogen sluiten
voor dit verschrikkelijk kwaad, dan mag men niet meer het hoofd afwenden
als de werkelijkheid in al haar naaktheid voor ons opdoemt, dan mag men
geen dag langer berusten in de onware meening, dat prostitutie
onuitroeibaar en haar bestaan noodzakelijk zou zijn.
Wat is prostitutie of wat verstaat men daaronder? Ik zie geen kans deze
vraag te beantwoorden; ook bij geen der vele schrijvers die ik raadpleegde
vond ik een bevredigende definitie. De meeningen er over loopen inderdaad
zeer uiteen. Velen, en hieronder vooral kerkelijk geloovigen, noemen
prostitutie elke buitenechtelijke geslachtsgemeenschap, terwijl anderen,
waaronder ook ik mij zou willen scharen, onder prostitutie verstaan elke
geslachtsgemeenschap die niet gebaseerd is op wederzijdsche liefde.
Hoe ethisch juist deze definitie echter moge luiden uit een praktisch
oogpunt is zij vooralsnog niet te gebruiken. Dan toch zouden wij onder
prostituées moeten rangschikken tal van mannen en vrouwen wier
echtvereeniging, door de wet geheiligd, op geen hooger waardeering berust
dan de stoffelijke; wier samenwoning geen ander motief kan aanwijzen dan
berekening; die niet door banden van liefde, doch door de koorden der
geldbeurs werden verbonden.
En dan ook zou men hieronder moeten rangschikken die gehuwden die
eenmaal uit verklaarbare onkunde handelden en in jeugdige
onbezonnenheid het jawoord uitspraken, nog vóór zij wisten of beider
karakter genoegzaam overeenkwam om gezamentlijk den langen, soms
men de wegen niet kent die hen voeren tot den afgrond; hoe kan men zijne
kinderen zedelijke grootheid inprenten, zoolang men den moed mist de
laagheid die hen omgeeft te peilen; hoe wil men hun deernis inboezemen
met die arme, vernietigde wezens, wier bestaan eene aanklacht is tegen
onze gangbare zedelijkheidsbegrippen, zoolang men zelf nog onkunde en
onwetendheid verwart met reinheid en kuischheid?
Doch ook als men zich zelf een grooter, een hooger levensdoel heeft
gesteld, als men wenscht mede te werken aan het wegnemen van
maatschappelijke misstanden, dan mag men niet langer de oogen sluiten
voor dit verschrikkelijk kwaad, dan mag men niet meer het hoofd afwenden
als de werkelijkheid in al haar naaktheid voor ons opdoemt, dan mag men
geen dag langer berusten in de onware meening, dat prostitutie
onuitroeibaar en haar bestaan noodzakelijk zou zijn.
Wat is prostitutie of wat verstaat men daaronder? Ik zie geen kans deze
vraag te beantwoorden; ook bij geen der vele schrijvers die ik raadpleegde
vond ik een bevredigende definitie. De meeningen er over loopen inderdaad
zeer uiteen. Velen, en hieronder vooral kerkelijk geloovigen, noemen
prostitutie elke buitenechtelijke geslachtsgemeenschap, terwijl anderen,
waaronder ook ik mij zou willen scharen, onder prostitutie verstaan elke
geslachtsgemeenschap die niet gebaseerd is op wederzijdsche liefde.
Hoe ethisch juist deze definitie echter moge luiden uit een praktisch
oogpunt is zij vooralsnog niet te gebruiken. Dan toch zouden wij onder
prostituées moeten rangschikken tal van mannen en vrouwen wier
echtvereeniging, door de wet geheiligd, op geen hooger waardeering berust
dan de stoffelijke; wier samenwoning geen ander motief kan aanwijzen dan
berekening; die niet door banden van liefde, doch door de koorden der
geldbeurs werden verbonden.
En dan ook zou men hieronder moeten rangschikken die gehuwden die
eenmaal uit verklaarbare onkunde handelden en in jeugdige
onbezonnenheid het jawoord uitspraken, nog vóór zij wisten of beider
karakter genoegzaam overeenkwam om gezamentlijk den langen, soms
Page 35
moeielijken levensstrijd te voeren, en te laat bemerkten dat hun vurige
hartstocht zijn oorsprong niet vond in groote wederzijdsche waardeering,
maar een gevolg was van toevallige omstandigheden; die gehuwden ook,
die moesten ondervinden dat hun liefde niet bestand was tegen de
teleurstellingen des levens en wier samenzijn niet meer is een bron van
vreugde, maar veeleer eene lijdelijke berusting in het onvermijdelijke.
Voor onze maatschappij bestaat daarom behoefte aan een andere
omschrijving. Zoolang deze echter niet gevonden is, hebben wij er rekening
mede te houden, dat naar de meest gangbare denkbeelden van gehuwden,
wanneer zij eenmaal door den burgerlijken ambtenaar vereenigd zijn, wordt
aangenomen dat rozegeur en maneschijn hen omgeven, dat “zij” is “zijne”
uitverkoren levensgezellin en “hij” de man “haars” harten, en dat zij dan
ook op dien grond in hun kring moeten worden geëerd, onverschillig welke
beweegredenen hen samenbrachten. Wettig gehuwden worden daarom dan
ook nimmer onder geprostitueerden gerangschikt en dank zij de alom
gehuldigde dubbele zedenleer, worden de mannen, zoodra er sprake is van
prostitutie en geprostitueerden, geacht daartoe nimmer te behooren.
De gemakkelijkst te onderkennen vorm van prostitutie en als zoodanig ook
in onze samenleving algemeen daarvoor aangenomen, is die der betaalde
liefde, waarbij van eenige genegenheid of trouw geen sprake is, althans niet
behoeft te zijn. Soms gaat zij wel gepaard met haat aan de eene en
verachting aan de andere zijde. Het eischen van betaling door de vrouw
voor het zich beschikbaar stellen ter bevrediging van den geslachtsdrift des
mans, levert hier het criterium van zich te prostitueeren; deze vorm van
prostitutie is het waarover ik speciaal wensch te spreken.
Hiervóor merkte ik reeds op, dat men alleen van vrouwen spreekt als van
prostituées; onze tweeërlei zedenleer betitelt de mannen, die voor de liefde
betalen, met dien naam niet. Toch zal het geen betoog behoeven dat deze
mannen, wat hun zedelijk gehalte aangaat, niet boven het peil der
prostituées staan, ja menigwerf nog ver daar beneden blijven.
De hierbedoelde vorm van prostitutie vertoont zich in de maatschappij
onder talrijke schakeeringen, die evenwel in hoofdzaak tot twee rubrieken
hartstocht zijn oorsprong niet vond in groote wederzijdsche waardeering,
maar een gevolg was van toevallige omstandigheden; die gehuwden ook,
die moesten ondervinden dat hun liefde niet bestand was tegen de
teleurstellingen des levens en wier samenzijn niet meer is een bron van
vreugde, maar veeleer eene lijdelijke berusting in het onvermijdelijke.
Voor onze maatschappij bestaat daarom behoefte aan een andere
omschrijving. Zoolang deze echter niet gevonden is, hebben wij er rekening
mede te houden, dat naar de meest gangbare denkbeelden van gehuwden,
wanneer zij eenmaal door den burgerlijken ambtenaar vereenigd zijn, wordt
aangenomen dat rozegeur en maneschijn hen omgeven, dat “zij” is “zijne”
uitverkoren levensgezellin en “hij” de man “haars” harten, en dat zij dan
ook op dien grond in hun kring moeten worden geëerd, onverschillig welke
beweegredenen hen samenbrachten. Wettig gehuwden worden daarom dan
ook nimmer onder geprostitueerden gerangschikt en dank zij de alom
gehuldigde dubbele zedenleer, worden de mannen, zoodra er sprake is van
prostitutie en geprostitueerden, geacht daartoe nimmer te behooren.
De gemakkelijkst te onderkennen vorm van prostitutie en als zoodanig ook
in onze samenleving algemeen daarvoor aangenomen, is die der betaalde
liefde, waarbij van eenige genegenheid of trouw geen sprake is, althans niet
behoeft te zijn. Soms gaat zij wel gepaard met haat aan de eene en
verachting aan de andere zijde. Het eischen van betaling door de vrouw
voor het zich beschikbaar stellen ter bevrediging van den geslachtsdrift des
mans, levert hier het criterium van zich te prostitueeren; deze vorm van
prostitutie is het waarover ik speciaal wensch te spreken.
Hiervóor merkte ik reeds op, dat men alleen van vrouwen spreekt als van
prostituées; onze tweeërlei zedenleer betitelt de mannen, die voor de liefde
betalen, met dien naam niet. Toch zal het geen betoog behoeven dat deze
mannen, wat hun zedelijk gehalte aangaat, niet boven het peil der
prostituées staan, ja menigwerf nog ver daar beneden blijven.
De hierbedoelde vorm van prostitutie vertoont zich in de maatschappij
onder talrijke schakeeringen, die evenwel in hoofdzaak tot twee rubrieken
Page 36
teruggebracht kunnen worden en hoewel beide rubrieken soms ongemerkt
in elkaar overgaan, leveren zij toch nog genoegzame teekenen van verschil
op, om ieder afzonderlijk besproken te worden.
Zij zijn de zoogenaamde vrije prostitutie, als zelfstandig bedrijf uitgeoefend
door een of meer te zamen wonende vrouwen, en de gedwongen prostitutie,
uitgeoefend door vrouwen in dienst van anderen, die daarvan hun bedrijf
maken.
De eerstgenoemden oefenen haar bedrijf uit op eigen risico en stellen zich
niet voor iederen man en te allen tijde beschikbaar. Daaronder zijn er
wederom die alleen haar bekende personen ontvangen, welke zich voor
korter of langer tijd aan haar verbinden. Zijn deze laatsten daardoor,
volgens sommigen, voor de algemeene gezondheid minder te vreezen, voor
het karakterbederf der mannen waarmede zij in aanraking komen, leveren
zij minstens evenveel gevaar op als de slachtoffers der gedwongen
prostitutie.
Vroeger vormden deze vrouwen in de meeste plaatsen een op zich zelf
staande kaste, die zich in kleeding, voorkomen en manieren onderscheidden
van anderen; tegenwoordig is dit overal anders geworden. Zij
vereenzelvigen zich thans met alle standen en nemen de manieren,
kleeding, schijn van beschaving over van den kring, waarin zij zich
gewoonlijk bewegen. De burgerlijke prostituée komt in evenzoovele
schakeeringen voor als de burgerstand zelve aanbiedt en de nabootsing van
het aristocratisch element is er evengoed vertegenwoordigd, als de typen uit
de onderste en alleronderste lagen der maatschappij. Ook de
zedelijkheidsladder heeft er hare verschillende treden. Vindt men op de
bovenste sport slechts onvoorzichtigheid, onnadenkendheid,
lichtzinnigheid, op de onderste kan men de meest ontaarde zedeloosheid
waarnemen.
Ongemerkt langzaam gaan beide in elkaar over, ja meestal doorloopt
dezelfde persoon van boven af al de treden, steeds dieper dalende.
in elkaar overgaan, leveren zij toch nog genoegzame teekenen van verschil
op, om ieder afzonderlijk besproken te worden.
Zij zijn de zoogenaamde vrije prostitutie, als zelfstandig bedrijf uitgeoefend
door een of meer te zamen wonende vrouwen, en de gedwongen prostitutie,
uitgeoefend door vrouwen in dienst van anderen, die daarvan hun bedrijf
maken.
De eerstgenoemden oefenen haar bedrijf uit op eigen risico en stellen zich
niet voor iederen man en te allen tijde beschikbaar. Daaronder zijn er
wederom die alleen haar bekende personen ontvangen, welke zich voor
korter of langer tijd aan haar verbinden. Zijn deze laatsten daardoor,
volgens sommigen, voor de algemeene gezondheid minder te vreezen, voor
het karakterbederf der mannen waarmede zij in aanraking komen, leveren
zij minstens evenveel gevaar op als de slachtoffers der gedwongen
prostitutie.
Vroeger vormden deze vrouwen in de meeste plaatsen een op zich zelf
staande kaste, die zich in kleeding, voorkomen en manieren onderscheidden
van anderen; tegenwoordig is dit overal anders geworden. Zij
vereenzelvigen zich thans met alle standen en nemen de manieren,
kleeding, schijn van beschaving over van den kring, waarin zij zich
gewoonlijk bewegen. De burgerlijke prostituée komt in evenzoovele
schakeeringen voor als de burgerstand zelve aanbiedt en de nabootsing van
het aristocratisch element is er evengoed vertegenwoordigd, als de typen uit
de onderste en alleronderste lagen der maatschappij. Ook de
zedelijkheidsladder heeft er hare verschillende treden. Vindt men op de
bovenste sport slechts onvoorzichtigheid, onnadenkendheid,
lichtzinnigheid, op de onderste kan men de meest ontaarde zedeloosheid
waarnemen.
Ongemerkt langzaam gaan beide in elkaar over, ja meestal doorloopt
dezelfde persoon van boven af al de treden, steeds dieper dalende.
Page 37
Ik zal voor mijn opstel deze zoogenaamde vrije prostitutie verder laten
rusten, na er alleen nog van gezegd te hebben dat ik opzettelijk spreek van
“zoogenaamde” vrije prostitutie, dewijl de slachtoffers niet tot het behalen
van voordeel door anderen voor het bedrijf worden geëxploiteerd, maar
niettemin door opvoeding, onkunde, een buitenechtelijk geboren kind,
armoede of maatschappelijke uitstooting aan hun vernederende levenswijze
gebonden zijn.
Wat ik wil behandelen past in hoofdzaak alleen op de andere, hierboven
reeds aangeduide nuance, de gedwongen prostitutie, die zoowel voorkomt
in gemeenten waar de overheid het bestaan der prostitutie erkent en
reglementeert, als waar dit niet geschiedt. Waar de overheid zich niet inlaat
met eene regeling komt de gedwongen prostitutie weinig voor; daarentegen
vertoont zij zich veel waar de overheid zich er wel mede inlaat, omdat doel
der regeling is toezicht te houden op de gezondheid der prostituées en voor
dat toezicht wenschelijk is, zooveel mogelijk concentratie dezer vrouwen in
de woningen waar het bedrijf wordt uitgeoefend. Het is juist in die
woningen dat de gedwongen prostitutie in den gruwzaamsten vorm welig
tiert. Zoo werkt de wettelijke regeling der prostitutie toestanden in de hand,
waarvan het bestaan door de meesten onzer te nauwernood wordt vermoed.
Bij den hierbedoelden vorm van prostitutie zijn meestal meerdere vrouwen
vereenigd in daarvoor bekende huizen, publieke huizen of bordeelen
genaamd, en elke man die binnentreedt en zijn zoenoffer in den vorm van
een grooter of kleiner geldstuk brengt, moeten zij ter wille zijn. Hier is geen
sprake meer van vrije keus bij de vrouwen, geen kwestie meer van onwil,
zij staan in dienst van een meester of meesteres aan wiens of wier bevelen
zij verplicht zijn te gehoorzamen, terwijl het geld dat zij daarmede
verdienen en de geschenken die zij af en toe ontvangen, meestal het
eigendom worden van den patroon.
In deze huizen treedt nog de slavernij in haar afschuwelijksten vorm op. In
alle beschaafde landen is de slavernij, voorzoover zij het gekleurd ras
betreft, afgeschaft, maar deze verlagende en onteerende vrouwenslavernij
laat men nog toe.
rusten, na er alleen nog van gezegd te hebben dat ik opzettelijk spreek van
“zoogenaamde” vrije prostitutie, dewijl de slachtoffers niet tot het behalen
van voordeel door anderen voor het bedrijf worden geëxploiteerd, maar
niettemin door opvoeding, onkunde, een buitenechtelijk geboren kind,
armoede of maatschappelijke uitstooting aan hun vernederende levenswijze
gebonden zijn.
Wat ik wil behandelen past in hoofdzaak alleen op de andere, hierboven
reeds aangeduide nuance, de gedwongen prostitutie, die zoowel voorkomt
in gemeenten waar de overheid het bestaan der prostitutie erkent en
reglementeert, als waar dit niet geschiedt. Waar de overheid zich niet inlaat
met eene regeling komt de gedwongen prostitutie weinig voor; daarentegen
vertoont zij zich veel waar de overheid zich er wel mede inlaat, omdat doel
der regeling is toezicht te houden op de gezondheid der prostituées en voor
dat toezicht wenschelijk is, zooveel mogelijk concentratie dezer vrouwen in
de woningen waar het bedrijf wordt uitgeoefend. Het is juist in die
woningen dat de gedwongen prostitutie in den gruwzaamsten vorm welig
tiert. Zoo werkt de wettelijke regeling der prostitutie toestanden in de hand,
waarvan het bestaan door de meesten onzer te nauwernood wordt vermoed.
Bij den hierbedoelden vorm van prostitutie zijn meestal meerdere vrouwen
vereenigd in daarvoor bekende huizen, publieke huizen of bordeelen
genaamd, en elke man die binnentreedt en zijn zoenoffer in den vorm van
een grooter of kleiner geldstuk brengt, moeten zij ter wille zijn. Hier is geen
sprake meer van vrije keus bij de vrouwen, geen kwestie meer van onwil,
zij staan in dienst van een meester of meesteres aan wiens of wier bevelen
zij verplicht zijn te gehoorzamen, terwijl het geld dat zij daarmede
verdienen en de geschenken die zij af en toe ontvangen, meestal het
eigendom worden van den patroon.
In deze huizen treedt nog de slavernij in haar afschuwelijksten vorm op. In
alle beschaafde landen is de slavernij, voorzoover zij het gekleurd ras
betreft, afgeschaft, maar deze verlagende en onteerende vrouwenslavernij
laat men nog toe.
Page 38
Jhr. Mr. de Savornin Lohman zegt daarvan: “dat deze slavernij, die omdat
zij in schijn plaats heeft met goedvinden der vrouw, niet begrepen kan
worden, maar in werkelijkheid erger is, dan de bij art. 2 van het Burgerl.
Wetb. verboden slavernij.”1
Door allerlei listen en lagen worden arme, onbeschermde meisjes dikwijls
gelokt in deze huizen, die zij dan niet of met de grootste moeite weder
kunnen verlaten. Het onderzoek van de laatste jaren heeft zelfs aan ’t licht
gebracht, dat er door verschillende houders dier huizen en de zoogenaamde
koppelaars een geregelde internationale handel in meisjes gedreven wordt.
Men herinnert zich ongetwijfeld nog de ontzettende paniek die ruim een
tiental jaren geleden veroorzaakt werd door de onthullingen in de Pall Mall
Gazette van eene enquête naar de uitgebreidheid van dezen handel in
meisjes.
Die enquête werd ingesteld naar aanleiding van de ontvluchting van een
jong meisje uit een Londensch bordeel naar het hoofdkwartier van het
Leger des Heils. Het onderzoek hierdoor aanhangig gemaakt, bracht feiten
aan het licht van eene geregelde oplichting en handel in jonge meisjes, zóó
gruwelijk, zóó barbaarsch, dat men zich niet kan voorstellen dat in een
beschaafd land nog dergelijke feiten mogelijk zijn. Wel hebben
verschillende Regeeringen en ook de onze na dien tijd maatregelen
genomen om dezen handel zooveel mogelijk tegen te gaan, doch wat ons
van tijd tot tijd ter oore komt doet ernstig twijfel rijzen aan de
doeltreffendheid of ernstige toepassing dier maatregelen. Toen nog kort
geleden te Amsterdam door een raadscommissie een onderzoek werd
ingesteld naar den aard en omvang der aldaar bestaande prostitutie, in
verband met een aanhangig voorstel om het houden van bordeelen te
verbieden, rapporteerde Dr. Voûte, een der leden dier commissie, dat “het
grootst aantal vrouwen (in die bordeelen) waren Fransche en Belgische en
een enkele Duitsche; Hollandsche bijna niet.” En dan voegt hij er aan toe,
“Engelsche en Duitsche zijn moeielijk te krijgen, tengevolge van
maatregelen door de resp. Regeeringen genomen. Hollandsche zijn weinig
in trek.” Hoe cynisch klinken zulke rapporten.
zij in schijn plaats heeft met goedvinden der vrouw, niet begrepen kan
worden, maar in werkelijkheid erger is, dan de bij art. 2 van het Burgerl.
Wetb. verboden slavernij.”1
Door allerlei listen en lagen worden arme, onbeschermde meisjes dikwijls
gelokt in deze huizen, die zij dan niet of met de grootste moeite weder
kunnen verlaten. Het onderzoek van de laatste jaren heeft zelfs aan ’t licht
gebracht, dat er door verschillende houders dier huizen en de zoogenaamde
koppelaars een geregelde internationale handel in meisjes gedreven wordt.
Men herinnert zich ongetwijfeld nog de ontzettende paniek die ruim een
tiental jaren geleden veroorzaakt werd door de onthullingen in de Pall Mall
Gazette van eene enquête naar de uitgebreidheid van dezen handel in
meisjes.
Die enquête werd ingesteld naar aanleiding van de ontvluchting van een
jong meisje uit een Londensch bordeel naar het hoofdkwartier van het
Leger des Heils. Het onderzoek hierdoor aanhangig gemaakt, bracht feiten
aan het licht van eene geregelde oplichting en handel in jonge meisjes, zóó
gruwelijk, zóó barbaarsch, dat men zich niet kan voorstellen dat in een
beschaafd land nog dergelijke feiten mogelijk zijn. Wel hebben
verschillende Regeeringen en ook de onze na dien tijd maatregelen
genomen om dezen handel zooveel mogelijk tegen te gaan, doch wat ons
van tijd tot tijd ter oore komt doet ernstig twijfel rijzen aan de
doeltreffendheid of ernstige toepassing dier maatregelen. Toen nog kort
geleden te Amsterdam door een raadscommissie een onderzoek werd
ingesteld naar den aard en omvang der aldaar bestaande prostitutie, in
verband met een aanhangig voorstel om het houden van bordeelen te
verbieden, rapporteerde Dr. Voûte, een der leden dier commissie, dat “het
grootst aantal vrouwen (in die bordeelen) waren Fransche en Belgische en
een enkele Duitsche; Hollandsche bijna niet.” En dan voegt hij er aan toe,
“Engelsche en Duitsche zijn moeielijk te krijgen, tengevolge van
maatregelen door de resp. Regeeringen genomen. Hollandsche zijn weinig
in trek.” Hoe cynisch klinken zulke rapporten.
Page 39
Doch deze arme, blanke slavinnen die als vee worden aangekocht, dikwijls
herhaalde malen in handen van andere meesters overgaande en als uitschot
der natie gebrandmerkt, zij zijn onwetend en onwillens haar eigen wrekers,
die met woeker terugbetalen de hun aangedane vernedering, door verderf en
ziekte ruimschoots uit te deelen aan degenen te wier behoeve zij geacht
worden te bestaan. Bleven die ziekten, die uitsluitend een gevolg zijn van
prostitutie, slechts beperkt tot hen die onmiddellijk met haar in aanraking
komen, dan zou men er in kunnen berusten dat een gerechte straf aan een
zedelijken misstap verbonden is.
Maar ongelukkig brengen zij ook de gezondheid en het leven in gevaar van
vrouwen en kinderen, die in elk opzicht onschuldig zijn aan het gepleegde
kwaad. Vrouwen, wier geheele leven smetteloos rein was, worden niet
zelden besmet met de giftstoffen van syphilis of andere venerische ziekten
door omgang met haar losbandige echtgenooten en brengen kinderen ter
wereld die óf geen levensvatbaarheid bezitten en al ras weder wegkwijnen,
óf een leven moeten voortslepen, belast met de zichtbare of voelbare straf
voor den misstap des vaders.
Menigmaal verwondert men zich er over dat schijnbaar gezonde ouders een
zwak ziekelijk kind voortbrengen, dat scrophuleus is, aan tuberculose sterft
of het slachtoffer wordt van eene andere ernstige kwaal, terwijl de oorzaak
ontwijfelbaar bij den vader kan gevonden worden.
Hoe dikwijls ook roepen sterke, gezonde meisjes kort na hun huwelijk de
hulp van een geneeskundige in, omdat zij gaan kwijnen en niet gissen welk
gevaarlijke woekerplant hun gestel ondermijnt.
Onder venerische ziekten verstaat men die ziekten die men door omgang
met prostituées kan verkrijgen, daarvan is echter de syphilis de
afschuwelijkste, de gevaarlijkste. Zij sloopt niet alleen het gestel van den
aangetaste, maar zij is bovendien in hooge mate besmettelijk en
overerfelijk, zoodat ook kinderen en zelfs kindskinderen er de gevolgen van
ondervinden. Vele andere ziekten vinden in deze haar oorsprong. Konden
wij de syphilis in haar geheel uitroeien, vele andere ziekten zouden met
haar van de aarde verdwijnen.
herhaalde malen in handen van andere meesters overgaande en als uitschot
der natie gebrandmerkt, zij zijn onwetend en onwillens haar eigen wrekers,
die met woeker terugbetalen de hun aangedane vernedering, door verderf en
ziekte ruimschoots uit te deelen aan degenen te wier behoeve zij geacht
worden te bestaan. Bleven die ziekten, die uitsluitend een gevolg zijn van
prostitutie, slechts beperkt tot hen die onmiddellijk met haar in aanraking
komen, dan zou men er in kunnen berusten dat een gerechte straf aan een
zedelijken misstap verbonden is.
Maar ongelukkig brengen zij ook de gezondheid en het leven in gevaar van
vrouwen en kinderen, die in elk opzicht onschuldig zijn aan het gepleegde
kwaad. Vrouwen, wier geheele leven smetteloos rein was, worden niet
zelden besmet met de giftstoffen van syphilis of andere venerische ziekten
door omgang met haar losbandige echtgenooten en brengen kinderen ter
wereld die óf geen levensvatbaarheid bezitten en al ras weder wegkwijnen,
óf een leven moeten voortslepen, belast met de zichtbare of voelbare straf
voor den misstap des vaders.
Menigmaal verwondert men zich er over dat schijnbaar gezonde ouders een
zwak ziekelijk kind voortbrengen, dat scrophuleus is, aan tuberculose sterft
of het slachtoffer wordt van eene andere ernstige kwaal, terwijl de oorzaak
ontwijfelbaar bij den vader kan gevonden worden.
Hoe dikwijls ook roepen sterke, gezonde meisjes kort na hun huwelijk de
hulp van een geneeskundige in, omdat zij gaan kwijnen en niet gissen welk
gevaarlijke woekerplant hun gestel ondermijnt.
Onder venerische ziekten verstaat men die ziekten die men door omgang
met prostituées kan verkrijgen, daarvan is echter de syphilis de
afschuwelijkste, de gevaarlijkste. Zij sloopt niet alleen het gestel van den
aangetaste, maar zij is bovendien in hooge mate besmettelijk en
overerfelijk, zoodat ook kinderen en zelfs kindskinderen er de gevolgen van
ondervinden. Vele andere ziekten vinden in deze haar oorsprong. Konden
wij de syphilis in haar geheel uitroeien, vele andere ziekten zouden met
haar van de aarde verdwijnen.
Page 40
Is het dan niet de plicht van den Staat om met alle hem ten dienste staande
middelen zoo krachtig mogelijk op te treden, ten einde deze ziekte met
wortel en tak uit te roeien? Hij treedt immers ook tusschenbeide wanneer
het geldt de bestrijding van andere besmettelijke ziekten.
Wettelijke voorschriften verplichten ons tot het afzonderen van lijders aan
roodvonk, diphteritis of andere infectieziekten, wij worden verplicht de
kinderen ter voorkoming van pokken te laten inenten wanneer zij openbare
scholen zullen bezoeken, tegen de verspreiding van cholera worden van
overheidswege maatregelen genomen en toch, waar het geldt een zoo
gevaarlijke ziekte als syphilis, daar houdt de Regeering zich onzijdig en laat
toe, dat ieder gemeentebestuur in eigen kring deze zaak naar goeddunken al
of niet regelt. Waaraan moet deze onthouding toegeschreven worden?
Op gezag van bekwame juristen, zou men de verklaring moeten zoeken in
het feit, dat de Rijks-wetgever niet in staat is om, zonder ernstig inbreuk te
maken op de persoonlijke vrijheid van den staatsburger, een wet uit te
vaardigen, die paal en perk stelt aan de verbreiding der syphilis en andere
venerische ziekten. Ik meen echter dat ook met Rijkswetten de verbreiding
dezer ziekten niet zou worden tegengegaan. Daarvoor zijn zij te nauw
verbonden met de prostitutie en zoolang deze wordt beschouwd als een
noodzakelijk kwaad, zoolang men nog slechts spreekt van middelen om de
prostitutie te beperken in plaats van haar uit te roeien, zoolang zal de
maatschappij wel opgescheept blijven met de gevolgen die zij na zich
sleept.
Eenige gemeentebesturen van ons vaderland hebben gebruik gemaakt van
de hun verleende vrijheid om voor hun gemeente een reglementeering der
prostitutie in te voeren; een reglementeering die in hoofdzaak neerkomt op
een geneeskundig toezicht op de prostituées en daarin bestaat, dat deze zich
op bepaald daarvoor aangewezen dagen aan een medisch onderzoek moeten
onderwerpen om te zien of zij lijdende zijn aan een of andere besmettelijke
ziekte. Bijaldien zij ziek bevonden worden volgt eene ongeschikt verklaring
om haar bedrijf uit te oefenen, tot tijd en wijle zij weder hersteld zijn.
middelen zoo krachtig mogelijk op te treden, ten einde deze ziekte met
wortel en tak uit te roeien? Hij treedt immers ook tusschenbeide wanneer
het geldt de bestrijding van andere besmettelijke ziekten.
Wettelijke voorschriften verplichten ons tot het afzonderen van lijders aan
roodvonk, diphteritis of andere infectieziekten, wij worden verplicht de
kinderen ter voorkoming van pokken te laten inenten wanneer zij openbare
scholen zullen bezoeken, tegen de verspreiding van cholera worden van
overheidswege maatregelen genomen en toch, waar het geldt een zoo
gevaarlijke ziekte als syphilis, daar houdt de Regeering zich onzijdig en laat
toe, dat ieder gemeentebestuur in eigen kring deze zaak naar goeddunken al
of niet regelt. Waaraan moet deze onthouding toegeschreven worden?
Op gezag van bekwame juristen, zou men de verklaring moeten zoeken in
het feit, dat de Rijks-wetgever niet in staat is om, zonder ernstig inbreuk te
maken op de persoonlijke vrijheid van den staatsburger, een wet uit te
vaardigen, die paal en perk stelt aan de verbreiding der syphilis en andere
venerische ziekten. Ik meen echter dat ook met Rijkswetten de verbreiding
dezer ziekten niet zou worden tegengegaan. Daarvoor zijn zij te nauw
verbonden met de prostitutie en zoolang deze wordt beschouwd als een
noodzakelijk kwaad, zoolang men nog slechts spreekt van middelen om de
prostitutie te beperken in plaats van haar uit te roeien, zoolang zal de
maatschappij wel opgescheept blijven met de gevolgen die zij na zich
sleept.
Eenige gemeentebesturen van ons vaderland hebben gebruik gemaakt van
de hun verleende vrijheid om voor hun gemeente een reglementeering der
prostitutie in te voeren; een reglementeering die in hoofdzaak neerkomt op
een geneeskundig toezicht op de prostituées en daarin bestaat, dat deze zich
op bepaald daarvoor aangewezen dagen aan een medisch onderzoek moeten
onderwerpen om te zien of zij lijdende zijn aan een of andere besmettelijke
ziekte. Bijaldien zij ziek bevonden worden volgt eene ongeschikt verklaring
om haar bedrijf uit te oefenen, tot tijd en wijle zij weder hersteld zijn.
Page 41
De oningewijden noemen dit waarschijnlijk een wijze voorzorg en een
praktische oplossing van het moeielijk vraagstuk. Zij zullen echter wel
beseffen dat aan eene dusdanige reglementeering een keerzijde verbonden
moet zijn, wanneer zij vernemen dat vele gemeenten, waaronder ook
Amsterdam, zulk een reglementeering nimmer hebben willen invoeren of
haar na korter of langer tijd hebben opgeheven.
De tweede stad des Rijks, Rotterdam, valt met eenige andere groote
gemeenten de twijfelachtige eer te beurt, de reglementeering met toelating
van bordeelen nog steeds te handhaven. Met toelating van bordeelen, schrijf
ik, want ook over het toelaten of opheffen van die broeinesten van
ongerechtigheid beslissen de gemeentebesturen.
Gelukkig verheffen zich in alle landen stemmen tegen de Regeering dat zij
het bestaan van bordeelen erkent en toelaat en de reglementeering niet
verbiedt. Het in 1877 hierover te Genève gehouden congres heeft aan deze
beweging een krachtigen stoot gegeven. Sedert hebben zich overal
bekwame juristen, moralisten, politici en medici geroepen geacht als
bestrijders van reglementeering en bordeelen openlijk op te treden.
Het zoude mij te ver voeren wanneer ik al de bezwaren opsomde die deze
strijders voor zedelijkheid en recht in ’t midden gebracht hebben om de
onhoudbaarheid aan te toonen van den huidigen toestand.
Vele vrouwen hebben waarschijnlijk nimmer de verordeningen gelezen,
vastgesteld in steden waar een reglementeering der prostitutie bestaat, en
weten daardoor niet dat in zoo’n gemeente iedere vrouw, zonder
uitzondering aan de bepalingen in die verordening is onderworpen, zoodat
eene vrouw, welke ook, die door een politieagent verdacht wordt een
prostituée te zijn, verplicht kan worden zich als prostituée te laten
inschrijven en aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen. Namen de
vrouwen van zulke gemeenten kennis van het reglement op de prostitutie,
zij zouden als een aaneengesloten phalanx met verontwaardiging zich
wenden tot het bestuur hunner gemeente met de vraag: “Met welk recht
maakt gij zoo schandelijk inbreuk op onze vrijheid. Wie riep u om op te
treden als handlanger der bordeelhouders en koppelaars; wie droeg u de
praktische oplossing van het moeielijk vraagstuk. Zij zullen echter wel
beseffen dat aan eene dusdanige reglementeering een keerzijde verbonden
moet zijn, wanneer zij vernemen dat vele gemeenten, waaronder ook
Amsterdam, zulk een reglementeering nimmer hebben willen invoeren of
haar na korter of langer tijd hebben opgeheven.
De tweede stad des Rijks, Rotterdam, valt met eenige andere groote
gemeenten de twijfelachtige eer te beurt, de reglementeering met toelating
van bordeelen nog steeds te handhaven. Met toelating van bordeelen, schrijf
ik, want ook over het toelaten of opheffen van die broeinesten van
ongerechtigheid beslissen de gemeentebesturen.
Gelukkig verheffen zich in alle landen stemmen tegen de Regeering dat zij
het bestaan van bordeelen erkent en toelaat en de reglementeering niet
verbiedt. Het in 1877 hierover te Genève gehouden congres heeft aan deze
beweging een krachtigen stoot gegeven. Sedert hebben zich overal
bekwame juristen, moralisten, politici en medici geroepen geacht als
bestrijders van reglementeering en bordeelen openlijk op te treden.
Het zoude mij te ver voeren wanneer ik al de bezwaren opsomde die deze
strijders voor zedelijkheid en recht in ’t midden gebracht hebben om de
onhoudbaarheid aan te toonen van den huidigen toestand.
Vele vrouwen hebben waarschijnlijk nimmer de verordeningen gelezen,
vastgesteld in steden waar een reglementeering der prostitutie bestaat, en
weten daardoor niet dat in zoo’n gemeente iedere vrouw, zonder
uitzondering aan de bepalingen in die verordening is onderworpen, zoodat
eene vrouw, welke ook, die door een politieagent verdacht wordt een
prostituée te zijn, verplicht kan worden zich als prostituée te laten
inschrijven en aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen. Namen de
vrouwen van zulke gemeenten kennis van het reglement op de prostitutie,
zij zouden als een aaneengesloten phalanx met verontwaardiging zich
wenden tot het bestuur hunner gemeente met de vraag: “Met welk recht
maakt gij zoo schandelijk inbreuk op onze vrijheid. Wie riep u om op te
treden als handlanger der bordeelhouders en koppelaars; wie droeg u de
Page 42
taak op, om ten behoeve van mannen, die zich vrijwillig aan de prostitutie
overgeven, gezonde vrouwen beschikbaar te houden?”
Als het de overheid waarlijk ernst was om de besmetting met venerische
ziekten tegen te gaan, dan zou zij in de eerste plaats de gehuwde vrouw en
het kind beschermen, die geheel onschuldig de slachtoffers worden van
deze ziekten. Nimmer verplicht zij evenwel den man, zelfs niet den meest
bekenden losbol, zich aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen. Al
is hij nog zoo ziek, hij heeft het recht de gezond bevonden prostituée te
besmetten, ja men laat hem kalm een onschuldig meisje huwen en haar
evenals haar kinderen deelgenoot worden van zijn kwalen.
Prof. Fokker uit Groningen, Hoogleeraar in de gezondheidsleer, vergeleek
de reglementeering eens bij groenvrouwen die ook uit hare manden met
appelen de rotte verwijderen, opdat deze de anderen niet kunnen
aansteken,2 en deze vergelijking is later door vele voorstanders der
reglementeering overgenomen. Hoe grenzenloos grof klinkt ons zulk een
vergelijking in de ooren! En tot welk een vernederende gevolgtrekking
strekt zij voor de gemeentebesturen, die zich schuldig maken aan het
instellen en handhaven van zulke verordeningen. De prostituées zijn de
koopwaar, in dit geval vergeleken bij de appelen, de gemeentebesturen zijn
de koopvrouwen die de zieke exemplaren uitzoeken en verwijderen om
zooveel meer koopers te lokken voor hun oogenschijnlijk gezonde waar!
Hiervóór merkte ik reeds op dat de voorstanders van bordeelen en
reglementeering uitgaan van de veronderstelling dat prostitutie is een
noodzakelijk kwaad en dat de reglementeering dient om de schadelijke
gevolgen er van zooveel mogelijk te beperken. Maar om de
noodzakelijkheid van dit kwaad te kunnen vaststellen heeft men
aangenomen, dat aan de physische behoeften van den man te allen tijde
moet kunnen worden voldaan en dat daarvoor de prostitutie noodzakelijk is.
Wie voelt hier niet het onlogische der gevolgtrekking? De mensch heeft
behoefte aan voedsel, honger moet gestild worden, derhalve is diefstal van
voedsel noodzakelijk, is de redeneering die Mrs. Annie Besant in haar
werkje “The legislation of female slavery in England” er naast stelde.
overgeven, gezonde vrouwen beschikbaar te houden?”
Als het de overheid waarlijk ernst was om de besmetting met venerische
ziekten tegen te gaan, dan zou zij in de eerste plaats de gehuwde vrouw en
het kind beschermen, die geheel onschuldig de slachtoffers worden van
deze ziekten. Nimmer verplicht zij evenwel den man, zelfs niet den meest
bekenden losbol, zich aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen. Al
is hij nog zoo ziek, hij heeft het recht de gezond bevonden prostituée te
besmetten, ja men laat hem kalm een onschuldig meisje huwen en haar
evenals haar kinderen deelgenoot worden van zijn kwalen.
Prof. Fokker uit Groningen, Hoogleeraar in de gezondheidsleer, vergeleek
de reglementeering eens bij groenvrouwen die ook uit hare manden met
appelen de rotte verwijderen, opdat deze de anderen niet kunnen
aansteken,2 en deze vergelijking is later door vele voorstanders der
reglementeering overgenomen. Hoe grenzenloos grof klinkt ons zulk een
vergelijking in de ooren! En tot welk een vernederende gevolgtrekking
strekt zij voor de gemeentebesturen, die zich schuldig maken aan het
instellen en handhaven van zulke verordeningen. De prostituées zijn de
koopwaar, in dit geval vergeleken bij de appelen, de gemeentebesturen zijn
de koopvrouwen die de zieke exemplaren uitzoeken en verwijderen om
zooveel meer koopers te lokken voor hun oogenschijnlijk gezonde waar!
Hiervóór merkte ik reeds op dat de voorstanders van bordeelen en
reglementeering uitgaan van de veronderstelling dat prostitutie is een
noodzakelijk kwaad en dat de reglementeering dient om de schadelijke
gevolgen er van zooveel mogelijk te beperken. Maar om de
noodzakelijkheid van dit kwaad te kunnen vaststellen heeft men
aangenomen, dat aan de physische behoeften van den man te allen tijde
moet kunnen worden voldaan en dat daarvoor de prostitutie noodzakelijk is.
Wie voelt hier niet het onlogische der gevolgtrekking? De mensch heeft
behoefte aan voedsel, honger moet gestild worden, derhalve is diefstal van
voedsel noodzakelijk, is de redeneering die Mrs. Annie Besant in haar
werkje “The legislation of female slavery in England” er naast stelde.
Page 43
Alsof de mannen geen menschen zijn, begaafd met vrijen wil en rede. Alsof
zij aan de zucht tot paren geen weerstand kunnen bieden, wanneer zij weten
dat zij, door toe te geven aan die zucht, zichzelf of anderen benadeelen. Zou
de gezonde mensch dan gedwongen zijn te handelen tegen zijn belangen in?
Zou er een fatum op hem rusten?
Niemand kan deze vragen bevestigend beantwoorden dan de aanhangers
van de fataliteitsleer, geldende ook voor den normalen mensch.
Wij kunnen wel behoeften doen ontwaken door onzen zonen te leeren dat
zij mogen toegeven aan opkomende neigingen; door hun in te prenten dat
het onderdrukken van de geslachtsdrift noodlottig voor hen is; door hen op
allerlei wijzen geringschatting voor vrouwen in te boezemen en als wij dan
zoodoende slappe, krachtelooze, ontzenuwde, zieke mannen hebben
gevormd, dan zal het hun zeer zeker moeielijk vallen weerstand te bieden
aan ziekelijk verhoogde prikkelbaarheid, dan zal er bij hen geen sprake
meer zijn van wilskracht, zedelijke grootheid zal dezulken een glimlach
ontlokken en de eisch der vrouw om haar rechten te eerbiedigen zullen zij
aanmerken als een ongepaste aanmatiging.
Liefde tot koopwaar verlagen, deze vorm van prostitutie behoeft niet te
bestaan. De mensch heeft behalve zijn neiging tot voortplanting ook zijn
rede, zijn verstand te zijner beschikking. Indien wij onzen zonen leeren,
evenals wij dit immers onzen dochters doen, dat men zijn geslachtsdrift kan
beheerschen en elk mensch zedelijk verplicht is dit te doen, wanneer er uit
de voldoening nadeel ontstaat voor zich zelf of voor anderen, voorts dat
mannen niet superieur zijn aan vrouwen, maar dat alleen door
machtsmisbruik de mannen wettelijk en dientengevolge ook
maatschappelijk die plaats hebben ingenomen en eindelijk dat vrouwen die
als prostituées zijn gebrandmerkt ons medelijden, onze opbeuring verdienen
en niemand haar mag misbruiken, zelfs niet wanneer zij zich door den nood
gedwongen daarvoor aanbieden; wanneer dit eenige geslachten achtereen
onzen zonen wordt ingeprent dan kunnen andere en betere toestanden niet
uitblijven. Wij zullen dan gekweekt hebben een geslacht van mannen met
gezonde neigingen, mannen die zoowel geestelijk als lichamelijk niet vóór
hun tijd verwelkt zijn, terwijl hun verleden een open boek kan zijn voor hun
zij aan de zucht tot paren geen weerstand kunnen bieden, wanneer zij weten
dat zij, door toe te geven aan die zucht, zichzelf of anderen benadeelen. Zou
de gezonde mensch dan gedwongen zijn te handelen tegen zijn belangen in?
Zou er een fatum op hem rusten?
Niemand kan deze vragen bevestigend beantwoorden dan de aanhangers
van de fataliteitsleer, geldende ook voor den normalen mensch.
Wij kunnen wel behoeften doen ontwaken door onzen zonen te leeren dat
zij mogen toegeven aan opkomende neigingen; door hun in te prenten dat
het onderdrukken van de geslachtsdrift noodlottig voor hen is; door hen op
allerlei wijzen geringschatting voor vrouwen in te boezemen en als wij dan
zoodoende slappe, krachtelooze, ontzenuwde, zieke mannen hebben
gevormd, dan zal het hun zeer zeker moeielijk vallen weerstand te bieden
aan ziekelijk verhoogde prikkelbaarheid, dan zal er bij hen geen sprake
meer zijn van wilskracht, zedelijke grootheid zal dezulken een glimlach
ontlokken en de eisch der vrouw om haar rechten te eerbiedigen zullen zij
aanmerken als een ongepaste aanmatiging.
Liefde tot koopwaar verlagen, deze vorm van prostitutie behoeft niet te
bestaan. De mensch heeft behalve zijn neiging tot voortplanting ook zijn
rede, zijn verstand te zijner beschikking. Indien wij onzen zonen leeren,
evenals wij dit immers onzen dochters doen, dat men zijn geslachtsdrift kan
beheerschen en elk mensch zedelijk verplicht is dit te doen, wanneer er uit
de voldoening nadeel ontstaat voor zich zelf of voor anderen, voorts dat
mannen niet superieur zijn aan vrouwen, maar dat alleen door
machtsmisbruik de mannen wettelijk en dientengevolge ook
maatschappelijk die plaats hebben ingenomen en eindelijk dat vrouwen die
als prostituées zijn gebrandmerkt ons medelijden, onze opbeuring verdienen
en niemand haar mag misbruiken, zelfs niet wanneer zij zich door den nood
gedwongen daarvoor aanbieden; wanneer dit eenige geslachten achtereen
onzen zonen wordt ingeprent dan kunnen andere en betere toestanden niet
uitblijven. Wij zullen dan gekweekt hebben een geslacht van mannen met
gezonde neigingen, mannen die zoowel geestelijk als lichamelijk niet vóór
hun tijd verwelkt zijn, terwijl hun verleden een open boek kan zijn voor hun
Page 44
jonge bruid. Hun kinderen zullen zij dan zonder gewetenswroeging in de
armen kunnen sluiten en het zelfverwijt, de som van ellende willens en
wetens vergroot te hebben, zal hen niet pijnigen.
Maar de zedelijk zwakken, zal men vragen; zij die door ziekelijken aanleg,
slechte omgeving of verkeerde leiding zich niet kunnen bedwingen, is het
voor hen niet noodzakelijk dat de prostitutie bestaat? Is het niet goed dat zij
weten, waarheen zij zich begeven kunnen, wanneer de lust tot
geslachtsbevrediging opkomt en eischt niet het algemeen belang dat de
gevolgen voor hen zoo min mogelijk schadelijk zijn?
Alleen dus voor de zedelijk zwakken, de moreel zieken zou men een geheel
leger ongelukkige vrouwen op de been moeten houden, wier leven
ellendiger is dan dat van den grootsten misdadiger. Veracht door de geheele
wereld, zelfs door de mannen die haar misbruiken, zijn zij zonder eenige
bescherming overgeleverd aan de willekeur van de gewetenlooze
individuen, die het beroep van bordeelhouder of -houdster uitoefenen.
Verlaten, door iedereen vergeten, sterven zij meestal een afschuwelijken en
vroegen dood. Wie voelt hier niet de bittere geringschatting voor het leven
der vrouwen, de brutale aanmatiging der mannen!
Voor andere zedelijke zwakheden volgt men dit systeem van
beschikbaarstelling niet. Wanneer iemand in drift een moord pleegt, dan
wijst de overheid immers ook geen individuen aan op welke hij bij
voorkomende gelegenheden zijn drift kan botvieren.
Doch aldus sussen de voorstanders van bordeelen en reglementeering hun
geweten, wanneer dat af en toe gaat spreken: “het is immers de vrije keus
der meisjes om opgenomen te worden in het heir der prostituées! Zij hebben
immers vrijwillig hun eer en hun aanspraken op achting prijs gegeven, zij
hebben uit vrije beweging zich geplaatst onder uitzonderingsbepalingen, die
hen tot paria’s stempelt.”
Niets is minder waar dan dat! Geen vrouw die toerekenbaar kan geacht
worden voor haar daden, laat zich vrijwillig inlijven bij deze
verstootelingen.
armen kunnen sluiten en het zelfverwijt, de som van ellende willens en
wetens vergroot te hebben, zal hen niet pijnigen.
Maar de zedelijk zwakken, zal men vragen; zij die door ziekelijken aanleg,
slechte omgeving of verkeerde leiding zich niet kunnen bedwingen, is het
voor hen niet noodzakelijk dat de prostitutie bestaat? Is het niet goed dat zij
weten, waarheen zij zich begeven kunnen, wanneer de lust tot
geslachtsbevrediging opkomt en eischt niet het algemeen belang dat de
gevolgen voor hen zoo min mogelijk schadelijk zijn?
Alleen dus voor de zedelijk zwakken, de moreel zieken zou men een geheel
leger ongelukkige vrouwen op de been moeten houden, wier leven
ellendiger is dan dat van den grootsten misdadiger. Veracht door de geheele
wereld, zelfs door de mannen die haar misbruiken, zijn zij zonder eenige
bescherming overgeleverd aan de willekeur van de gewetenlooze
individuen, die het beroep van bordeelhouder of -houdster uitoefenen.
Verlaten, door iedereen vergeten, sterven zij meestal een afschuwelijken en
vroegen dood. Wie voelt hier niet de bittere geringschatting voor het leven
der vrouwen, de brutale aanmatiging der mannen!
Voor andere zedelijke zwakheden volgt men dit systeem van
beschikbaarstelling niet. Wanneer iemand in drift een moord pleegt, dan
wijst de overheid immers ook geen individuen aan op welke hij bij
voorkomende gelegenheden zijn drift kan botvieren.
Doch aldus sussen de voorstanders van bordeelen en reglementeering hun
geweten, wanneer dat af en toe gaat spreken: “het is immers de vrije keus
der meisjes om opgenomen te worden in het heir der prostituées! Zij hebben
immers vrijwillig hun eer en hun aanspraken op achting prijs gegeven, zij
hebben uit vrije beweging zich geplaatst onder uitzonderingsbepalingen, die
hen tot paria’s stempelt.”
Niets is minder waar dan dat! Geen vrouw die toerekenbaar kan geacht
worden voor haar daden, laat zich vrijwillig inlijven bij deze
verstootelingen.
Page 45
Laat ik in korte trekken hier mededeelen hoe ik voor ’t eerst zulk een vrouw
leerde kennen, want later bleek mij dat de meeste prostituées ongeveer
dezelfde levens- of liever lijdensgeschiedenis hebben. Op mij maakte dit
geval een diepen indruk, waarschijnlijk omdat het mij voor het eerst een
blik deed slaan in een wereld, waarvan ik te voren het bestaan niet
vermoedde.
Het was gedurende mijn studietijd te Groningen, toen op zekeren dag in het
academisch ziekenhuis aldaar een jonge vrouw werd opgenomen, die zeer
ziek was en door haar lijdend, maar nog jong en mooi uiterlijk mijn
aandacht trok. Toen haar ziekte den volgenden ochtend het onderwerp der
academische les uitmaakte en ik door den hoogleeraar hoorde voorspellen
dat de afloop binnen korten tijd doodelijk zoude zijn, toen rees voor mijn
geest een geheel familie-drama op. Ik dacht aan een jongen treurenden
echtvriend en aan wanhopende ouders die hun kind zoo vroeg moesten
afstaan en niet eens haar laatste levensdagen konden bijwonen.
Al zeer spoedig merkte ik op dat niemand op de ziekenzaal eenige notitie
van haar nam, nooit zag ik de oppasseres (beschaafde verpleegsters had
men hier toen nog niet) of een der andere zieken met haar spreken.
Op de bezoekdagen, wanneer de andere patiënten hun familieleden en
goede vrienden ontvingen, was het om haar krib leeg en eenzaam lag zij
steeds met groote, doffe oogen voor zich uit te staren.
Op zekeren dag een oogenblik vrij hebbende sprak ik haar aan.
Wantrouwend werd ik ontvangen, maar toen ik mijn bezoeken aan haar bed
herhaalde en zij merkte dat het deelneming met haar lot was dat mij tot haar
bracht, toen werd zij vertrouwelijker en deelde mij op mijn herhaald tot
haar gerichte vraag,—of zij geen familieleden of goede vrienden in de stad
had—haar leven mede.
Onderwijl had men mij van bevriende zijde gewaarschuwd, dat ik tot eene
“publieke vrouw” sprak, eene mededeeling die geschiedde met de
bedoeling om mij deze bezoeken te doen staken.
leerde kennen, want later bleek mij dat de meeste prostituées ongeveer
dezelfde levens- of liever lijdensgeschiedenis hebben. Op mij maakte dit
geval een diepen indruk, waarschijnlijk omdat het mij voor het eerst een
blik deed slaan in een wereld, waarvan ik te voren het bestaan niet
vermoedde.
Het was gedurende mijn studietijd te Groningen, toen op zekeren dag in het
academisch ziekenhuis aldaar een jonge vrouw werd opgenomen, die zeer
ziek was en door haar lijdend, maar nog jong en mooi uiterlijk mijn
aandacht trok. Toen haar ziekte den volgenden ochtend het onderwerp der
academische les uitmaakte en ik door den hoogleeraar hoorde voorspellen
dat de afloop binnen korten tijd doodelijk zoude zijn, toen rees voor mijn
geest een geheel familie-drama op. Ik dacht aan een jongen treurenden
echtvriend en aan wanhopende ouders die hun kind zoo vroeg moesten
afstaan en niet eens haar laatste levensdagen konden bijwonen.
Al zeer spoedig merkte ik op dat niemand op de ziekenzaal eenige notitie
van haar nam, nooit zag ik de oppasseres (beschaafde verpleegsters had
men hier toen nog niet) of een der andere zieken met haar spreken.
Op de bezoekdagen, wanneer de andere patiënten hun familieleden en
goede vrienden ontvingen, was het om haar krib leeg en eenzaam lag zij
steeds met groote, doffe oogen voor zich uit te staren.
Op zekeren dag een oogenblik vrij hebbende sprak ik haar aan.
Wantrouwend werd ik ontvangen, maar toen ik mijn bezoeken aan haar bed
herhaalde en zij merkte dat het deelneming met haar lot was dat mij tot haar
bracht, toen werd zij vertrouwelijker en deelde mij op mijn herhaald tot
haar gerichte vraag,—of zij geen familieleden of goede vrienden in de stad
had—haar leven mede.
Onderwijl had men mij van bevriende zijde gewaarschuwd, dat ik tot eene
“publieke vrouw” sprak, eene mededeeling die geschiedde met de
bedoeling om mij deze bezoeken te doen staken.
Page 46
Het meisje was een Amsterdamsche wees, die tot haar 19e jaar in een der
weeshuizen was opgevoed. Daarna werd zij bij een ouden heer en dame als
dienstbode geplaatst. Zij bezat geen andere familieleden dan één
getrouwden broeder, met wiens vrouw zij niet harmonieerde en er daardoor
niet veel aan huis kwam.
Hoewel het leven haar in al zijn vroolijkheid toelachte, ging zij toch zeer
weinig uit, omdat zij niemand had met wien zij kon gaan. Na eenige
maanden gediend te hebben, ontmoette zij op een Zondagmorgen toen zij
uit de kerk kwam een heer die haar reeds meermalen zijn bizondere
aandacht had geschonken. Hij sprak haar aan en vroeg haar des avonds met
hem naar den schouwburg te gaan. Ofschoon zij voelde te moeten weigeren,
begrijpende dat zij niet goed deed met naar hem te luisteren, was de lust om
dat groote gebouw eens binnen te gaan en een tooneelvoorstelling bij te
wonen, waarvan zij zooveel gehoord, maar die zij nog nimmer gezien had,
te groot dan dat zij kon blijven weigeren. Zij ging, kwam daardoor te laat in
haar dienst terug en op haar aanhoudend schellen werd niet opengedaan.
De vriendelijke heer bood onmiddellijk zijn hulp aan, daardoor de
gelegenheid vindende zijn prooi in één avond te bemachtigen, waaraan hij
anders waarschijnlijk eenige avonden had moeten besteden. Hij nam haar
mede en toen zij den volgenden ochtend ontwaakte, wist zij dat voortaan
het weeshuis, haar dienst en elk eerlijk middel om haar brood te verdienen
voor haar gesloten was.
Waarheen zou zij zich begeven? Zij kende niemand aan wien zij zich kon
toevertrouwen of die haar de reddende hand zou reiken. Daarentegen waren
in het huis waar zij overnacht had, genoeg gedienstigen die haar helpen
wilden en haar vertelden dat een meisje als zij in Amsterdam niet verlegen
behoefde te zijn en gemakkelijk heel veel geld kon verdienen. Zij luisterde
daarnaar en verviel van kwaad tot erger, telkens hopende een reddende hand
te zullen vinden, die haar van haar schandelijk leven zou verlossen en altijd
bevreesd dat haar broeder of hare voogden zouden te weten komen, welk
leven zij leidde.
weeshuizen was opgevoed. Daarna werd zij bij een ouden heer en dame als
dienstbode geplaatst. Zij bezat geen andere familieleden dan één
getrouwden broeder, met wiens vrouw zij niet harmonieerde en er daardoor
niet veel aan huis kwam.
Hoewel het leven haar in al zijn vroolijkheid toelachte, ging zij toch zeer
weinig uit, omdat zij niemand had met wien zij kon gaan. Na eenige
maanden gediend te hebben, ontmoette zij op een Zondagmorgen toen zij
uit de kerk kwam een heer die haar reeds meermalen zijn bizondere
aandacht had geschonken. Hij sprak haar aan en vroeg haar des avonds met
hem naar den schouwburg te gaan. Ofschoon zij voelde te moeten weigeren,
begrijpende dat zij niet goed deed met naar hem te luisteren, was de lust om
dat groote gebouw eens binnen te gaan en een tooneelvoorstelling bij te
wonen, waarvan zij zooveel gehoord, maar die zij nog nimmer gezien had,
te groot dan dat zij kon blijven weigeren. Zij ging, kwam daardoor te laat in
haar dienst terug en op haar aanhoudend schellen werd niet opengedaan.
De vriendelijke heer bood onmiddellijk zijn hulp aan, daardoor de
gelegenheid vindende zijn prooi in één avond te bemachtigen, waaraan hij
anders waarschijnlijk eenige avonden had moeten besteden. Hij nam haar
mede en toen zij den volgenden ochtend ontwaakte, wist zij dat voortaan
het weeshuis, haar dienst en elk eerlijk middel om haar brood te verdienen
voor haar gesloten was.
Waarheen zou zij zich begeven? Zij kende niemand aan wien zij zich kon
toevertrouwen of die haar de reddende hand zou reiken. Daarentegen waren
in het huis waar zij overnacht had, genoeg gedienstigen die haar helpen
wilden en haar vertelden dat een meisje als zij in Amsterdam niet verlegen
behoefde te zijn en gemakkelijk heel veel geld kon verdienen. Zij luisterde
daarnaar en verviel van kwaad tot erger, telkens hopende een reddende hand
te zullen vinden, die haar van haar schandelijk leven zou verlossen en altijd
bevreesd dat haar broeder of hare voogden zouden te weten komen, welk
leven zij leidde.
Page 47
Zoodra zij in een bordeel aangeland was, bemerkte zij geen meester meer te
zijn over zich zelve. Toen zij begon te sukkelen hoopte zij naar het
ziekenhuis gestuurd te worden, maar zij werd eenvoudig aan een
bordeelhouder in een andere stad overgedaan. Zoo ging zij gedurende zes
jaren van hand tot hand, om eindelijk in Groningen aan te landen, waar zij,
toen ten slotte haar lichaam alle dienst weigerde in het ziekenhuis terecht
kwam. Dat zij het ziekenhuis niet eerder zou verlaten dan om grafwaarts te
worden gedragen, was haar een troost.
Met mijne bewering dat de meeste vrouwen op ongeveer gelijke wijze ten
val worden gebracht en geen enkele uit eigen vrijen wil zich aan prostitutie
overgeeft, sta ik niet alleen. Bijna allen die van de prostitutiekwestie een
studie hebben gemaakt deelen die opvatting.
Dr. Muller, een duitsch medicus, schrijft in zijn bekend werk,3 “Men denkt
er intusschen niet aan, te spreken over de oorzaken, waardoor zooveel
ongelukkige wezens ten val gebracht werden, men let er niet op hoe gering
hunne verantwoordelijkheid, hoe groot die der gansche maatschappij of van
eenige harer snoodste leden is, en toch is dit het punt, waartegen de aanval
moet gericht worden. Een doeltreffende handelwijze ten aanzien der
prostitutie is slechts mogelijk, indien men daarbij nauwlettend het oog
vestigt op de factoren, die haar veroorzaken en bevorderen: de
bordeelhouders, koppelaarsters, enz. Spreke men over die zielverkoopers
ook het strengste vonnis uit, over de door hen verleide meisjes zij het
oordeel ten minste menschelijk.”
De heer Koentz schrijft in zijne brochure,4 “Maar even als verschillende
oorzaken vaak samenwerkten ter bevordering der ondeugd, zoo ook vond
het ontuchtig leven der vrouwen dikwerf zijn oorsprong, òf in de
opvoeding, òf in de armoede, òf in andere oorzaken, waarvan het individu
vaak de schuld niet was. Velen van haar waren jong en schoon, zonder
behoorlijk toezicht en, aan zich zelven overgelaten, vervielen zij tot een
ontuchtig, zwervend en eindelijk armoedig leven, dat hen drong, omdat zij
elders werden afgewezen, eene vaste woning te zoeken, die alleen in de
huizen der ontucht te vinden was.” En dan vraagt hij later, “Maar tracht de
zijn over zich zelve. Toen zij begon te sukkelen hoopte zij naar het
ziekenhuis gestuurd te worden, maar zij werd eenvoudig aan een
bordeelhouder in een andere stad overgedaan. Zoo ging zij gedurende zes
jaren van hand tot hand, om eindelijk in Groningen aan te landen, waar zij,
toen ten slotte haar lichaam alle dienst weigerde in het ziekenhuis terecht
kwam. Dat zij het ziekenhuis niet eerder zou verlaten dan om grafwaarts te
worden gedragen, was haar een troost.
Met mijne bewering dat de meeste vrouwen op ongeveer gelijke wijze ten
val worden gebracht en geen enkele uit eigen vrijen wil zich aan prostitutie
overgeeft, sta ik niet alleen. Bijna allen die van de prostitutiekwestie een
studie hebben gemaakt deelen die opvatting.
Dr. Muller, een duitsch medicus, schrijft in zijn bekend werk,3 “Men denkt
er intusschen niet aan, te spreken over de oorzaken, waardoor zooveel
ongelukkige wezens ten val gebracht werden, men let er niet op hoe gering
hunne verantwoordelijkheid, hoe groot die der gansche maatschappij of van
eenige harer snoodste leden is, en toch is dit het punt, waartegen de aanval
moet gericht worden. Een doeltreffende handelwijze ten aanzien der
prostitutie is slechts mogelijk, indien men daarbij nauwlettend het oog
vestigt op de factoren, die haar veroorzaken en bevorderen: de
bordeelhouders, koppelaarsters, enz. Spreke men over die zielverkoopers
ook het strengste vonnis uit, over de door hen verleide meisjes zij het
oordeel ten minste menschelijk.”
De heer Koentz schrijft in zijne brochure,4 “Maar even als verschillende
oorzaken vaak samenwerkten ter bevordering der ondeugd, zoo ook vond
het ontuchtig leven der vrouwen dikwerf zijn oorsprong, òf in de
opvoeding, òf in de armoede, òf in andere oorzaken, waarvan het individu
vaak de schuld niet was. Velen van haar waren jong en schoon, zonder
behoorlijk toezicht en, aan zich zelven overgelaten, vervielen zij tot een
ontuchtig, zwervend en eindelijk armoedig leven, dat hen drong, omdat zij
elders werden afgewezen, eene vaste woning te zoeken, die alleen in de
huizen der ontucht te vinden was.” En dan vraagt hij later, “Maar tracht de
Page 48
menschlievendheid dan niet, die ongelukkigen, welke de slachtoffers der
armoede en der verleiding waren, uit dien gevallen staat op te heffen?” en
Jhr. Mr. de Savornin Lohman zegt:5 “dat het onmogelijk is om, zoolang
bordeelen worden toegelaten, te beletten, dat vrouwen òf eenvoudig
opgelicht, òf door allerlei listen in bordeelen gelokt en gehouden worden,
vrouwen die, bestonden de bordeelen niet, misschien nooit zich aan
prostitutie zouden hebben overgegeven.” En later6: “Velen zouden er
minder lichtvaardig toe overgaan een vrouw te verleiden, wanneer zij
gevaar liepen eventueel voor de opvoeding van een kind te moeten zorgen.
Nu daarentegen kunnen zij vrij zondigen, zonder dat zij behoeven te
vreezen ooit daarover langs rechterlijken weg te worden lastig gevallen. Dat
de prostitutie dientengevolge wordt bevorderd, behoeft geen betoog.”
Dr. Combet, oud-officier van gezondheid in het Fransche leger, oud-lid van
den Gemeenteraad van Lyon, komt ook in zijn talentvol geschreven
boekje,7 tot de conclusie dat het verbod tot onderzoek naar het vaderschap
een voorname oorzaak is van de telkens nieuw aankomende slachtoffers in
het kamp der prostitutie. En daarbij noemt hij dan nog armoede, slecht
betaalde vrouwenarbeid en verleiding als andere oorzaken.
Zonder verder aan te halen wat schrijvers uit verschillende landen als
oorzaken opsommen, waardoor meisjes tot prostitutie vervallen, wil ik
eenvoudig resumeeren dat bijna allen het er over eens zijn dat verleiding en
misleiding van arme onbeschermde meisjes de voornaamste oorzaken zijn
en daarna armoede en slechte omgeving.
Talrijk zijn de voorbeelden in de litteratuur over dit vraagstuk van vrouwen,
die door armoede gedreven, ten einde raad, zich prostitueeren.
Een Hoofdcommissaris van Politie te Brussel zegt in zijn rapport over de
prostitutie aldaar8: “dat hij dikwijls onder de prostituées vrouwen ontmoet,
die eerst alle phasen van armoede en ellende doorloopen hebben en door de
onmogelijkheid om van de opbrengst van haar arbeid te leven, tot deze
ondeugd vervallen.”
armoede en der verleiding waren, uit dien gevallen staat op te heffen?” en
Jhr. Mr. de Savornin Lohman zegt:5 “dat het onmogelijk is om, zoolang
bordeelen worden toegelaten, te beletten, dat vrouwen òf eenvoudig
opgelicht, òf door allerlei listen in bordeelen gelokt en gehouden worden,
vrouwen die, bestonden de bordeelen niet, misschien nooit zich aan
prostitutie zouden hebben overgegeven.” En later6: “Velen zouden er
minder lichtvaardig toe overgaan een vrouw te verleiden, wanneer zij
gevaar liepen eventueel voor de opvoeding van een kind te moeten zorgen.
Nu daarentegen kunnen zij vrij zondigen, zonder dat zij behoeven te
vreezen ooit daarover langs rechterlijken weg te worden lastig gevallen. Dat
de prostitutie dientengevolge wordt bevorderd, behoeft geen betoog.”
Dr. Combet, oud-officier van gezondheid in het Fransche leger, oud-lid van
den Gemeenteraad van Lyon, komt ook in zijn talentvol geschreven
boekje,7 tot de conclusie dat het verbod tot onderzoek naar het vaderschap
een voorname oorzaak is van de telkens nieuw aankomende slachtoffers in
het kamp der prostitutie. En daarbij noemt hij dan nog armoede, slecht
betaalde vrouwenarbeid en verleiding als andere oorzaken.
Zonder verder aan te halen wat schrijvers uit verschillende landen als
oorzaken opsommen, waardoor meisjes tot prostitutie vervallen, wil ik
eenvoudig resumeeren dat bijna allen het er over eens zijn dat verleiding en
misleiding van arme onbeschermde meisjes de voornaamste oorzaken zijn
en daarna armoede en slechte omgeving.
Talrijk zijn de voorbeelden in de litteratuur over dit vraagstuk van vrouwen,
die door armoede gedreven, ten einde raad, zich prostitueeren.
Een Hoofdcommissaris van Politie te Brussel zegt in zijn rapport over de
prostitutie aldaar8: “dat hij dikwijls onder de prostituées vrouwen ontmoet,
die eerst alle phasen van armoede en ellende doorloopen hebben en door de
onmogelijkheid om van de opbrengst van haar arbeid te leven, tot deze
ondeugd vervallen.”
Page 49
Waar zoo de feiten spreken vraagt Ds. H. Pierson van Zetten terecht:9 “wie
geeft u (mannen) het recht aan uwe ontembare lusten de dochters der armen
op te offeren?”
Door welke beweegredenen worden dan toch deze voorstanders der
instandhouding van bordeelen en reglementeering geleid, wanneer zij zoo
oordeelen in strijd met alle menschelijkheid en recht? Die vraag is niet
moeielijk te beantwoorden. Zij meenen veelal dat de opheffing der
bordeelen de geheime of clandestine prostitutie, dat is de prostitutie die zich
heimelijk onttrekt aan het toezicht der overheid, zal bevorderen, terwijl zij
de bordeelen uit een gezondheidsoogpunt minder gevaarlijk achten dan de
geheime prostitutie. Zij willen de reglementeering, waarvan de “keuring”
hoofdbestanddeel uitmaakt, handhaven, omdat zij onderstellen dat daardoor
de kans om met de smetstof der venerische ziekten in aanraking te komen,
vermindert.
Nog maar weinige jaren geleden waren het in hoofdzaak moralisten en
juristen die, op zedelijkheids- en rechtvaardigheidsgronden tegen de
reglementeering in het algemeen opkomende, ook deze meening bestreden.
Langzamerhand voegde zich daarbij een steeds grooter wordend aantal
doctoren, die geen geloof meer slaan aan de beteekenis der reglementeering
in het algemeen en der bordeelen in het bizonder, als veiligheidsmaatregel.
“Dat het opheffen der bordeelen de clandestine prostitutie zal doen
vermeerderen is eene banale gevolgtrekking, die de een den ander
naspreekt”, zoo concludeerde Dr. Blooker als lid van de zoo even reeds
door mij genoemde commissie, in zijn rapport aan den Gemeenteraad van
Amsterdam.
Nergens ook heb ik, bij al de voorstanders der bordeelen eenig bewijs
aangetroffen, waarmede zij hunne meening in dezen konden staven.
Daarentegen hebben anderen aangetoond en ik haal hier nogmaals aan van
Dr. Voûte in het Amsterdamsch rapport: “dat de bordeelen niet noodig zijn,
om de wilde hartstochten der jeugd een uitweg te verschaffen, maar dat zij
de kweekplaatsen zijn der meest liederlijke geslachtsbevrediging voor
oudere gezeten burgers en vaak getrouwde mannen.”
geeft u (mannen) het recht aan uwe ontembare lusten de dochters der armen
op te offeren?”
Door welke beweegredenen worden dan toch deze voorstanders der
instandhouding van bordeelen en reglementeering geleid, wanneer zij zoo
oordeelen in strijd met alle menschelijkheid en recht? Die vraag is niet
moeielijk te beantwoorden. Zij meenen veelal dat de opheffing der
bordeelen de geheime of clandestine prostitutie, dat is de prostitutie die zich
heimelijk onttrekt aan het toezicht der overheid, zal bevorderen, terwijl zij
de bordeelen uit een gezondheidsoogpunt minder gevaarlijk achten dan de
geheime prostitutie. Zij willen de reglementeering, waarvan de “keuring”
hoofdbestanddeel uitmaakt, handhaven, omdat zij onderstellen dat daardoor
de kans om met de smetstof der venerische ziekten in aanraking te komen,
vermindert.
Nog maar weinige jaren geleden waren het in hoofdzaak moralisten en
juristen die, op zedelijkheids- en rechtvaardigheidsgronden tegen de
reglementeering in het algemeen opkomende, ook deze meening bestreden.
Langzamerhand voegde zich daarbij een steeds grooter wordend aantal
doctoren, die geen geloof meer slaan aan de beteekenis der reglementeering
in het algemeen en der bordeelen in het bizonder, als veiligheidsmaatregel.
“Dat het opheffen der bordeelen de clandestine prostitutie zal doen
vermeerderen is eene banale gevolgtrekking, die de een den ander
naspreekt”, zoo concludeerde Dr. Blooker als lid van de zoo even reeds
door mij genoemde commissie, in zijn rapport aan den Gemeenteraad van
Amsterdam.
Nergens ook heb ik, bij al de voorstanders der bordeelen eenig bewijs
aangetroffen, waarmede zij hunne meening in dezen konden staven.
Daarentegen hebben anderen aangetoond en ik haal hier nogmaals aan van
Dr. Voûte in het Amsterdamsch rapport: “dat de bordeelen niet noodig zijn,
om de wilde hartstochten der jeugd een uitweg te verschaffen, maar dat zij
de kweekplaatsen zijn der meest liederlijke geslachtsbevrediging voor
oudere gezeten burgers en vaak getrouwde mannen.”
Page 50
Dr. Voûte moest uit de resultaten van zijn onderzoek verkregen, tevens de
conclusie trekken dat, “in de bordeelen volkomen slavernij heerschte, dat
het lot der vrouwen er hoogst treurig, ja menschonteerend bleek”, en dat
deze armen “de bordeelen niet kunnen verlaten, omdat zij diep in de
schulden steken, tengevolge van de ongehoorde sommen, die zij voor alles
moeten betalen en het ongelooflijk karig loon, dat zij genieten.” Op voorstel
van genoemde commissie besloot dan ook de gemeenteraad van Amsterdam
het vorig jaar het houden van bordeelen te verbieden.
Laat mij thans, om de waarde der keuring te bepalen, twee geneesheeren uit
Rotterdam citeeren, de doctoren Broes van Dort en Rietema die, ofschoon
principieel voorstanders der keuring, niettemin naar aanleiding van een in
1897 door Dr. van Staveren ingediend voorstel bij den Rotterdamschen
gemeenteraad, tot verbod van het houden van bordeelen, het volgende als
hunne overtuiging hebben uitgesproken: “dat het geneeskundig toezicht op
de prostitutie alleen nut kan en zal afwerpen, wanneer daarbij aan de
strengste eischen der wetenschap wordt voldaan en op de diagnose der
ziekte onmiddellijk kan volgen een opneming in een ziekeninrichting met
behandeling zoo langdurig als die toestand van ieder geval vereischt.”
Met deze heeren meen ook ik dat eene reglementeering der prostitutie, uit
een hygiënisch oogpunt, alleen nut kan hebben, als zij aan de strengste
eischen der wetenschap beantwoordt, doch tevens ben ik van oordeel dat
nergens een reglementeering is door te voeren die aan die eischen voldoet
en dat men met een gebrekkig geneeskundig toezicht, zooals het overal
bestaat, waar men met deze oude sleur nog niet heeft durven breken, een
vertrouwen schept dat misplaatst is en daardoor juist bevordert wat men met
dit toezicht wil voorkomen.
Prof. Chanfleury van IJsselstein, een autoriteit op dit gebied, die niet alleen
een tijdlang in den Haag controleur van de keuring der publieke vrouwen
was, maar later als professor in huidziekten aan de Universiteit van
Amsterdam voortdurend in aanraking was met de slachtoffers der prostitutie
stelt ook eischen aan eene goede keuring, die onmogelijk zijn door te
voeren. Hij eischt bijv. dat de vrouwen minstens eens per dag gekeurd
moeten worden en dat niet alleen de zieken, maar ook die van ziekte
conclusie trekken dat, “in de bordeelen volkomen slavernij heerschte, dat
het lot der vrouwen er hoogst treurig, ja menschonteerend bleek”, en dat
deze armen “de bordeelen niet kunnen verlaten, omdat zij diep in de
schulden steken, tengevolge van de ongehoorde sommen, die zij voor alles
moeten betalen en het ongelooflijk karig loon, dat zij genieten.” Op voorstel
van genoemde commissie besloot dan ook de gemeenteraad van Amsterdam
het vorig jaar het houden van bordeelen te verbieden.
Laat mij thans, om de waarde der keuring te bepalen, twee geneesheeren uit
Rotterdam citeeren, de doctoren Broes van Dort en Rietema die, ofschoon
principieel voorstanders der keuring, niettemin naar aanleiding van een in
1897 door Dr. van Staveren ingediend voorstel bij den Rotterdamschen
gemeenteraad, tot verbod van het houden van bordeelen, het volgende als
hunne overtuiging hebben uitgesproken: “dat het geneeskundig toezicht op
de prostitutie alleen nut kan en zal afwerpen, wanneer daarbij aan de
strengste eischen der wetenschap wordt voldaan en op de diagnose der
ziekte onmiddellijk kan volgen een opneming in een ziekeninrichting met
behandeling zoo langdurig als die toestand van ieder geval vereischt.”
Met deze heeren meen ook ik dat eene reglementeering der prostitutie, uit
een hygiënisch oogpunt, alleen nut kan hebben, als zij aan de strengste
eischen der wetenschap beantwoordt, doch tevens ben ik van oordeel dat
nergens een reglementeering is door te voeren die aan die eischen voldoet
en dat men met een gebrekkig geneeskundig toezicht, zooals het overal
bestaat, waar men met deze oude sleur nog niet heeft durven breken, een
vertrouwen schept dat misplaatst is en daardoor juist bevordert wat men met
dit toezicht wil voorkomen.
Prof. Chanfleury van IJsselstein, een autoriteit op dit gebied, die niet alleen
een tijdlang in den Haag controleur van de keuring der publieke vrouwen
was, maar later als professor in huidziekten aan de Universiteit van
Amsterdam voortdurend in aanraking was met de slachtoffers der prostitutie
stelt ook eischen aan eene goede keuring, die onmogelijk zijn door te
voeren. Hij eischt bijv. dat de vrouwen minstens eens per dag gekeurd
moeten worden en dat niet alleen de zieken, maar ook die van ziekte
Page 51
verdacht worden, afgezonderd moeten worden. Er zou dus eigenlijk geen
enkele overblijven. Hij komt zelf tot de conclusie “dat een volkomen
vertrouwde publieke prostitutie onbestaanbaar is.”10
Men mag trouwens over een goede keuring denken zoo men wil, in ’t
algemeen zijn zij, die met deze zaak van nabij bekend zijn het er vrij wel
over eens, dat de keuring, zooals die hier te lande wordt uitgeoefend in de
gemeenten waar zij nog wordt gehandhaafd, niet meer dan eene
schijnvertooning is, die, mag zij al eenige sterk sprekende exemplaren uit
den strijd verwijderen, voor ’t overige meer nadeel dan voordeel berokkent
ook voor degenen in wier voordeel zij heet te geschieden.
Deze uitspraak eischt misschien eenige toelichting. Velen zullen
waarschijnlijk meenen, dat dan toch die erge zieken een tijdlang worden
afgezonderd en ten minste in dien tijd geene besmetting kunnen
overbrengen. Dit is waar, maar de vele anderen die óók ziek zijn en die niet
worden afgezonderd, omdat zij de verschijnselen hunner ziekte hebben
weten te verbergen, òf waarvan de doctoren, met het onderzoek belast, de
ziekte niet konden ontdekken en constateeren, òf die onmiddellijk na het
onderzoek door een zieken man besmet worden, òf, maar laat mij deze
reeks niet verder uitbreiden, er zijn nog heel wat andere redenen, waarom
de prostituées uit een gezondheidsoogpunt gevaar opleveren voor elkeen die
met haar in aanraking komt, zonder dat zij door den keurenden dokter gelast
worden zich af te zonderen.
Mannen, die vertrouwen dat de bestaande keuring hen vrijwaart voor
besmetting, gaan er gemakkelijker toe over bordeelen te bezoeken. Bestond
de keuring niet, velen zouden uit vrees voor besmetting zich wel ter dege
bedenken, eer zij tot dien stap besloten. Daarom maakt de overheid, die
zulke verordeningen vaststelt zich zoo schuldig, want zij verwekt daarmede
bij de burgers een misplaatst vertrouwen en biedt hun een waarborg aan,
dien zij niet kan geven. Bovendien verleenen zulke verordeningen aan dit
maatschappelijk kwaad eene wettelijke sanctie, die het in menig oog verheft
tot een onmisbare instelling.
enkele overblijven. Hij komt zelf tot de conclusie “dat een volkomen
vertrouwde publieke prostitutie onbestaanbaar is.”10
Men mag trouwens over een goede keuring denken zoo men wil, in ’t
algemeen zijn zij, die met deze zaak van nabij bekend zijn het er vrij wel
over eens, dat de keuring, zooals die hier te lande wordt uitgeoefend in de
gemeenten waar zij nog wordt gehandhaafd, niet meer dan eene
schijnvertooning is, die, mag zij al eenige sterk sprekende exemplaren uit
den strijd verwijderen, voor ’t overige meer nadeel dan voordeel berokkent
ook voor degenen in wier voordeel zij heet te geschieden.
Deze uitspraak eischt misschien eenige toelichting. Velen zullen
waarschijnlijk meenen, dat dan toch die erge zieken een tijdlang worden
afgezonderd en ten minste in dien tijd geene besmetting kunnen
overbrengen. Dit is waar, maar de vele anderen die óók ziek zijn en die niet
worden afgezonderd, omdat zij de verschijnselen hunner ziekte hebben
weten te verbergen, òf waarvan de doctoren, met het onderzoek belast, de
ziekte niet konden ontdekken en constateeren, òf die onmiddellijk na het
onderzoek door een zieken man besmet worden, òf, maar laat mij deze
reeks niet verder uitbreiden, er zijn nog heel wat andere redenen, waarom
de prostituées uit een gezondheidsoogpunt gevaar opleveren voor elkeen die
met haar in aanraking komt, zonder dat zij door den keurenden dokter gelast
worden zich af te zonderen.
Mannen, die vertrouwen dat de bestaande keuring hen vrijwaart voor
besmetting, gaan er gemakkelijker toe over bordeelen te bezoeken. Bestond
de keuring niet, velen zouden uit vrees voor besmetting zich wel ter dege
bedenken, eer zij tot dien stap besloten. Daarom maakt de overheid, die
zulke verordeningen vaststelt zich zoo schuldig, want zij verwekt daarmede
bij de burgers een misplaatst vertrouwen en biedt hun een waarborg aan,
dien zij niet kan geven. Bovendien verleenen zulke verordeningen aan dit
maatschappelijk kwaad eene wettelijke sanctie, die het in menig oog verheft
tot een onmisbare instelling.
Page 52
Ik zal niet dieper in de zuiver hygiënische zijde van dit vraagstuk treden,
maar liever nog een oogenblik stilstaan bij de vraag, wat kunnen de
vrouwen in dezen doen om verbetering aan te brengen?
In de eerste plaats is daarvoor noodig, dat wij ons ontworstelen aan het van
jongs af ingeprente denkbeeld, dat prostituées menschen zijn die men niet
anders dan met diepe verachting moet bejegenen; dat zij niet zijn als wij;
dat liefde, genegenheid, smart, ellende voor hen vreemde gewaarwordingen
zouden zijn; dat wij hen eigenlijk als onze grootste vijandinnen hebben te
beschouwen. Zij zouden onze zonen verleiden, hun hartstochten prikkelen,
hun gezondheid vernietigen, elk edel, groot, heilig gevoel in hen dooden,
jeugdig verwelkte mannen van hen maken. Zij zouden ons geluk
verwoesten door onze echtgenooten van onze zijde weg te rukken, ons
hunne liefde ontrooven.
Wij moeten beginnen met deze wanbegrippen over boord te gooien en die
misdeelden te beschouwen als de slachtoffers van maatschappelijke
misstanden en van onze eigen tekortkomingen.
Als wij onzen plicht te allen tijde gevoeld en daarnaar gehandeld hadden,
zouden wij reeds lang een andere phase der maatschappelijke ontwikkeling
zijn ingetreden.
Wij veroordeelen immers nog steeds het verleide meisje en beschouwen
haar als te slecht om zelfs onze dienstmaagd te zijn, terwijl de jonge man,
die haar misbruikte er even vriendelijk door ons om ontvangen wordt en wij
geen bezwaar hebben hem in onze familie op te nemen. Zelfs de gehuwde
man waarvan wij weten dat hij zich in dit opzicht schuldig maakt aan
ergerlijke feiten wordt door ons verontschuldigd; wij verheerlijken hem
zelfs, indien hij daarop wegens andere eigenschappen aanspraak maakt, bij
zijn leven en na zijn dood. Vergevensgezind treden wij op voor den man,
die door wetten en instellingen allerzijds gesteund wordt, daarentegen
onthalen wij op haat en verachting het zwakke meisje dat door
machtsmisbruik viel en wie door valsche begrippen van zedelijkheid geen
uitweg geboden wordt.
maar liever nog een oogenblik stilstaan bij de vraag, wat kunnen de
vrouwen in dezen doen om verbetering aan te brengen?
In de eerste plaats is daarvoor noodig, dat wij ons ontworstelen aan het van
jongs af ingeprente denkbeeld, dat prostituées menschen zijn die men niet
anders dan met diepe verachting moet bejegenen; dat zij niet zijn als wij;
dat liefde, genegenheid, smart, ellende voor hen vreemde gewaarwordingen
zouden zijn; dat wij hen eigenlijk als onze grootste vijandinnen hebben te
beschouwen. Zij zouden onze zonen verleiden, hun hartstochten prikkelen,
hun gezondheid vernietigen, elk edel, groot, heilig gevoel in hen dooden,
jeugdig verwelkte mannen van hen maken. Zij zouden ons geluk
verwoesten door onze echtgenooten van onze zijde weg te rukken, ons
hunne liefde ontrooven.
Wij moeten beginnen met deze wanbegrippen over boord te gooien en die
misdeelden te beschouwen als de slachtoffers van maatschappelijke
misstanden en van onze eigen tekortkomingen.
Als wij onzen plicht te allen tijde gevoeld en daarnaar gehandeld hadden,
zouden wij reeds lang een andere phase der maatschappelijke ontwikkeling
zijn ingetreden.
Wij veroordeelen immers nog steeds het verleide meisje en beschouwen
haar als te slecht om zelfs onze dienstmaagd te zijn, terwijl de jonge man,
die haar misbruikte er even vriendelijk door ons om ontvangen wordt en wij
geen bezwaar hebben hem in onze familie op te nemen. Zelfs de gehuwde
man waarvan wij weten dat hij zich in dit opzicht schuldig maakt aan
ergerlijke feiten wordt door ons verontschuldigd; wij verheerlijken hem
zelfs, indien hij daarop wegens andere eigenschappen aanspraak maakt, bij
zijn leven en na zijn dood. Vergevensgezind treden wij op voor den man,
die door wetten en instellingen allerzijds gesteund wordt, daarentegen
onthalen wij op haat en verachting het zwakke meisje dat door
machtsmisbruik viel en wie door valsche begrippen van zedelijkheid geen
uitweg geboden wordt.
Page 53
Wie kent niet het schoone gedicht van Victor Hugo, gewijd aan het gevallen
meisje? Het beeld door hem geschetst vinde hier een plaats. Het jonge
onschuldige meisje vergelijkt hij bij een helderen dauwdrop op een
rozeblad. Een wreede hand rukt ruw aan den stengel en het dauwdropje valt
op den grond. Nog ligt het daar vreemd aan zijne omgeving, onvermengd
met het slijk om zich heen. Een zonnestraal kan het nog doen schitteren, een
voorzichtige hand kan het nog redden van zijn ondergang. Het arme
gevallen dauwdropje echter kan zich alléén niet oprichten, het heeft
daarvoor hulp noodig. Maar menschen komen en gaan en trappen onbewust
het dauwdropje dieper in den grond en maken het tot slijk.
Zoo ook gaat het in de samenleving. “Het is niet zoozeer de schuld van de
verworpenen dat zij verworpen zijn, de zedelijke maatschappij is het die
daaraan het grootste aandeel heeft,” zijn maar al te ware woorden van
James Stansfeld, in het Engelsche parlement gesproken.
Het is in onze macht het opkomend geslacht beter begrippen dan de tot nu
toe gehuldigde in te boezemen; daartoe hebben wij reeds vroeg met onze
kinderen te spreken over de mysterien van hun bestaan, opdat zij een
gezonde, ware voorstelling krijgen van het geslachtsleven en opdat zij
leeren in hun moeder de aangewezen en vertrouwde vriendin te zien, die
hun al het raadselachtige oplost, waarmede zij hun hoofden kwellen, vooral
in den tijd der puberteitsjaren, den overgang naar geslachtsrijpheid.
Daardoor voorkomen wij dat verkeerde vrienden die teêre taak van ons
overnemen en de hoofden en harten van onze lievelingen vullen met
onreine voorstellingen eener meestal overprikkelde phantasie; daardoor ook
zijn wij in staat iederen verkeerden invloed, iedere slechte neiging tijdig
tegen te gaan en onze kinderen behulpzaam te zijn hun zwakheden te
overwinnen.
Onzen zonen hebben wij in te prenten dat hun zusters hun gelijkwaardigen,
in zelfverloochening en karaktergrootheid dikwerf hun meerderen zijn; dat
zij op geen enkele vrouw minachtend mogen neerzien; dat de arme
verworpelingen die zij des avonds in de straten ontmoeten, eens meisjes
waren als hun zusters; dat zij, die thans ziekte en verderf om zich heen
verspreiden, onder beter maatschappelijke toestanden een goede
meisje? Het beeld door hem geschetst vinde hier een plaats. Het jonge
onschuldige meisje vergelijkt hij bij een helderen dauwdrop op een
rozeblad. Een wreede hand rukt ruw aan den stengel en het dauwdropje valt
op den grond. Nog ligt het daar vreemd aan zijne omgeving, onvermengd
met het slijk om zich heen. Een zonnestraal kan het nog doen schitteren, een
voorzichtige hand kan het nog redden van zijn ondergang. Het arme
gevallen dauwdropje echter kan zich alléén niet oprichten, het heeft
daarvoor hulp noodig. Maar menschen komen en gaan en trappen onbewust
het dauwdropje dieper in den grond en maken het tot slijk.
Zoo ook gaat het in de samenleving. “Het is niet zoozeer de schuld van de
verworpenen dat zij verworpen zijn, de zedelijke maatschappij is het die
daaraan het grootste aandeel heeft,” zijn maar al te ware woorden van
James Stansfeld, in het Engelsche parlement gesproken.
Het is in onze macht het opkomend geslacht beter begrippen dan de tot nu
toe gehuldigde in te boezemen; daartoe hebben wij reeds vroeg met onze
kinderen te spreken over de mysterien van hun bestaan, opdat zij een
gezonde, ware voorstelling krijgen van het geslachtsleven en opdat zij
leeren in hun moeder de aangewezen en vertrouwde vriendin te zien, die
hun al het raadselachtige oplost, waarmede zij hun hoofden kwellen, vooral
in den tijd der puberteitsjaren, den overgang naar geslachtsrijpheid.
Daardoor voorkomen wij dat verkeerde vrienden die teêre taak van ons
overnemen en de hoofden en harten van onze lievelingen vullen met
onreine voorstellingen eener meestal overprikkelde phantasie; daardoor ook
zijn wij in staat iederen verkeerden invloed, iedere slechte neiging tijdig
tegen te gaan en onze kinderen behulpzaam te zijn hun zwakheden te
overwinnen.
Onzen zonen hebben wij in te prenten dat hun zusters hun gelijkwaardigen,
in zelfverloochening en karaktergrootheid dikwerf hun meerderen zijn; dat
zij op geen enkele vrouw minachtend mogen neerzien; dat de arme
verworpelingen die zij des avonds in de straten ontmoeten, eens meisjes
waren als hun zusters; dat zij, die thans ziekte en verderf om zich heen
verspreiden, onder beter maatschappelijke toestanden een goede
Page 54
echtgenoote en gelukkige moeder hadden kunnen zijn. Wij moeten hun er
op wijzen, dat, zoo zij hopen eenmaal het middenpunt van een gelukkig
gezin te worden, zij dan even rein moeten blijven als de bruid die zij als
levensgezellin wenschen. Wij dienen hun te waarschuwen dat een enkel
zwak oogenblik in het geslachtsleven over hun toekomst kan beslissen, dat
hun gezondheid, hun gemoedsrust, hun zelfwaardeering daardoor verwoest
kunnen worden en zij daarover dan levenslang berouw zullen gevoelen.
Van onze dochters moeten wij krachtige, zelfstandige personen vormen,
bekwaam om in eigen onderhoud te voorzien; laten wij haar tegen den strijd
des levens wapenen met kennis en fierheid, opdat zij nimmer liefde veinzen
als het hart niet spreekt; laten wij haar verachting inboezemen voor den
man die zijn macht misbruikte tegenover haar zusters, opdat zij nimmer in
verzoeking komen de medeplichtigen te worden van zulk een ellendeling.
Maar meer nog valt er voor ons te doen. Al de mannen die openlijk tegen de
prostitutie te velde trekken, ook de meest conservatieven onder hen zien in
haar bestaan mede het gevolg van de wettelijke geringschatting der vrouw.
Het strijden voor gelijke rechten naast gelijke plichten voor man en vrouw
in de wetgeving, zal dus mede voor ons een onafwijsbare taak zijn. En waar
wij zagen dat armoede en gebrek vele vrouwen in de armen der prostitutie
voert, ligt het op onzen weg tegen elken maatregel die vrouwenarbeid
bemoeilijkt of buitensluit met nadruk te protesteeren en tegen het lager
bezoldigen van arbeid, omdat hij door vrouwen verricht wordt, krachtig
onze stem te verheffen.
Dat wij niet mogen rusten voor en aleer het schandelijk art. 342 Burg.
Wetboek, waarbij het onderzoek naar het vaderschap verboden wordt, is
opgeheven, behoeft na hetgeen voorafgaat, niet opzettelijk te worden
betoogd.
Maar wel ten slotte nog een woord geuit tot opwekking van sympathie voor
het meisje uit de volksklasse, het kind der armen. Vereenigd moeten wij
over haar waken, teneinde op ons niet toepasselijk worden de woorden van
een zooeven reeds geciteerden schrijver “dat het meisje uit de volksklasse
naar de gangbare begrippen omtrent zedelijkheid, de treurige
op wijzen, dat, zoo zij hopen eenmaal het middenpunt van een gelukkig
gezin te worden, zij dan even rein moeten blijven als de bruid die zij als
levensgezellin wenschen. Wij dienen hun te waarschuwen dat een enkel
zwak oogenblik in het geslachtsleven over hun toekomst kan beslissen, dat
hun gezondheid, hun gemoedsrust, hun zelfwaardeering daardoor verwoest
kunnen worden en zij daarover dan levenslang berouw zullen gevoelen.
Van onze dochters moeten wij krachtige, zelfstandige personen vormen,
bekwaam om in eigen onderhoud te voorzien; laten wij haar tegen den strijd
des levens wapenen met kennis en fierheid, opdat zij nimmer liefde veinzen
als het hart niet spreekt; laten wij haar verachting inboezemen voor den
man die zijn macht misbruikte tegenover haar zusters, opdat zij nimmer in
verzoeking komen de medeplichtigen te worden van zulk een ellendeling.
Maar meer nog valt er voor ons te doen. Al de mannen die openlijk tegen de
prostitutie te velde trekken, ook de meest conservatieven onder hen zien in
haar bestaan mede het gevolg van de wettelijke geringschatting der vrouw.
Het strijden voor gelijke rechten naast gelijke plichten voor man en vrouw
in de wetgeving, zal dus mede voor ons een onafwijsbare taak zijn. En waar
wij zagen dat armoede en gebrek vele vrouwen in de armen der prostitutie
voert, ligt het op onzen weg tegen elken maatregel die vrouwenarbeid
bemoeilijkt of buitensluit met nadruk te protesteeren en tegen het lager
bezoldigen van arbeid, omdat hij door vrouwen verricht wordt, krachtig
onze stem te verheffen.
Dat wij niet mogen rusten voor en aleer het schandelijk art. 342 Burg.
Wetboek, waarbij het onderzoek naar het vaderschap verboden wordt, is
opgeheven, behoeft na hetgeen voorafgaat, niet opzettelijk te worden
betoogd.
Maar wel ten slotte nog een woord geuit tot opwekking van sympathie voor
het meisje uit de volksklasse, het kind der armen. Vereenigd moeten wij
over haar waken, teneinde op ons niet toepasselijk worden de woorden van
een zooeven reeds geciteerden schrijver “dat het meisje uit de volksklasse
naar de gangbare begrippen omtrent zedelijkheid, de treurige
Page 55
onderscheiding in dezen te beurt valt van op minachting en veroordeeling te
mogen rekenen der vrouwenwereld, in plaats van op medelijden en
pogingen tot redding.”
Wij vrouwen moeten het ons tot plicht stellen vereenigd er voor te waken
dat de politie nimmer beslag op haar kan leggen, want daardoor kan
voorkomen worden dat alle eergevoel in haar gedood wordt.
De hier te lande bestaande en te Rotterdam gevestigde vereeniging:
“Onderlinge Vrouwenbescherming” is in deze richting werkzaam en
verdient daarvoor aller sympathie en steun.
1 De verhouding van den Staat tot de Prostitutie, door Jhr. Mr. W. H. de Savornin Lohman.
Procureur en plaatsvervangend Kantonrechter te Groningen. 1881. Bladz. 11.
2 De Prostitutiekwestie door Dr. A. P. Fokker, Hoogleeraar in de Hygiène te Groningen, 1879.
3 De Prostitutie. Eene Sociaal-Geneeskundige Studie. Uit het Hoogduitsch, van Dr. F. W. Muller.
1870. bldz. 5.
4 De Openbare en Geheime Prostitutie in Nederland, door G. M. Koentz. Commissaris spec. van
Rijkspolitie. 1863. bldz. 20.
5 De verhouding van den Staat tot de Prostitutie, door Jhr. Mr. W. H. de Savornin Lohman,
Procureur en plaatsvervangend Kantonrechter te Groningen. 1881. bldz. 12.
6 Bldz. 27.
7 De la Prostitution. Les Causes—Les Remèdes. Lyon 1884.
8 Règlement sur la Prostitution. Bruxelles 1877. bldz. 29.
9 Tweeërlei Zedewet? Eene waarschuwing tegen ons aanstaand Nationaal Congres, Besproken
door H. Pierson. 1889. bldz. 10.
10 Het toezicht op de prostitutie, uit een hygiënisch oogpunt beschouwd, door Prof. J. L.
Chanfleury van IJsselstein. 1889. bldz. 10.
mogen rekenen der vrouwenwereld, in plaats van op medelijden en
pogingen tot redding.”
Wij vrouwen moeten het ons tot plicht stellen vereenigd er voor te waken
dat de politie nimmer beslag op haar kan leggen, want daardoor kan
voorkomen worden dat alle eergevoel in haar gedood wordt.
De hier te lande bestaande en te Rotterdam gevestigde vereeniging:
“Onderlinge Vrouwenbescherming” is in deze richting werkzaam en
verdient daarvoor aller sympathie en steun.
1 De verhouding van den Staat tot de Prostitutie, door Jhr. Mr. W. H. de Savornin Lohman.
Procureur en plaatsvervangend Kantonrechter te Groningen. 1881. Bladz. 11.
2 De Prostitutiekwestie door Dr. A. P. Fokker, Hoogleeraar in de Hygiène te Groningen, 1879.
3 De Prostitutie. Eene Sociaal-Geneeskundige Studie. Uit het Hoogduitsch, van Dr. F. W. Muller.
1870. bldz. 5.
4 De Openbare en Geheime Prostitutie in Nederland, door G. M. Koentz. Commissaris spec. van
Rijkspolitie. 1863. bldz. 20.
5 De verhouding van den Staat tot de Prostitutie, door Jhr. Mr. W. H. de Savornin Lohman,
Procureur en plaatsvervangend Kantonrechter te Groningen. 1881. bldz. 12.
6 Bldz. 27.
7 De la Prostitution. Les Causes—Les Remèdes. Lyon 1884.
8 Règlement sur la Prostitution. Bruxelles 1877. bldz. 29.
9 Tweeërlei Zedewet? Eene waarschuwing tegen ons aanstaand Nationaal Congres, Besproken
door H. Pierson. 1889. bldz. 10.
10 Het toezicht op de prostitutie, uit een hygiënisch oogpunt beschouwd, door Prof. J. L.
Chanfleury van IJsselstein. 1889. bldz. 10.
Page 56
III.
Page 57
Willekeurige Beperking van het Kindertal.
Besprak ik in het voorgaande opstel een delicaat vraagstuk, dat, hetwelk wij
hier onder de oogen hebben te zien is van niet minder kieschen aard. Toch
mag het niet onbesproken blijven, aangezien de vrouwenbelangen van zeer
nabij betrokken zijn bij de kwestie of de vrouw, eenmaal gehuwd, het aantal
harer kinderen door het toeval zal laten bepalen, dan wel of zij, naar de
omstandigheden die het geluk van haar gezin beheerschen, dat aantal zelf
zal regelen.
Voor wie de daad van den met rede handelenden mensch hooger stelt dan
die van iemand, die als het redeloos schepsel zijn lot door het toeval laat
beslissen, levert het hier gestelde alternatief geen moeielijkheid op. Het
vraagstuk van zoo eenvoudigen aard, moest dan ook eigenlijk geen nadere
toelichting behoeven, doch de gangbare moraal huldigt ten opzichte van
alles wat het geslachtsleven betreft voor iemand met eene moderne
levensbeschouwing zoovele wanbegrippen dat nader uiteenzetting niet
achterwege kan blijven.
De economische zijde van dit vraagstuk is ongetwijfeld van zeer groote
beteekenis, zij raakt de stoffelijke welvaart van een volk in zijn geheelen
omvang en maakt een onderwerp van studie uit van alle staat- en
staathuishoudkundigen. Velen onder hen zijn van oordeel dat het belang der
maatschappij medebrengt dat de bevolking slechts matig toeneemt en steeds
gelijken tred houdt met de toeneming der middelen van bestaan; anderen
meenen dat in de oude landen de bevolking geruimen tijd stationnair moest
blijven om zoodoende den algemeenen levensstandaard te verhoogen,
terwijl nog anderen voor dat doel eene daling van het bevolkingscijfer
voorstaan. Daartegenover staan zij die vermeerdering der bevolking
gelijkstellen met vermeerdering van productievermogen en daarom in den
volksaanwas niet het minste gevaar zien.
Besprak ik in het voorgaande opstel een delicaat vraagstuk, dat, hetwelk wij
hier onder de oogen hebben te zien is van niet minder kieschen aard. Toch
mag het niet onbesproken blijven, aangezien de vrouwenbelangen van zeer
nabij betrokken zijn bij de kwestie of de vrouw, eenmaal gehuwd, het aantal
harer kinderen door het toeval zal laten bepalen, dan wel of zij, naar de
omstandigheden die het geluk van haar gezin beheerschen, dat aantal zelf
zal regelen.
Voor wie de daad van den met rede handelenden mensch hooger stelt dan
die van iemand, die als het redeloos schepsel zijn lot door het toeval laat
beslissen, levert het hier gestelde alternatief geen moeielijkheid op. Het
vraagstuk van zoo eenvoudigen aard, moest dan ook eigenlijk geen nadere
toelichting behoeven, doch de gangbare moraal huldigt ten opzichte van
alles wat het geslachtsleven betreft voor iemand met eene moderne
levensbeschouwing zoovele wanbegrippen dat nader uiteenzetting niet
achterwege kan blijven.
De economische zijde van dit vraagstuk is ongetwijfeld van zeer groote
beteekenis, zij raakt de stoffelijke welvaart van een volk in zijn geheelen
omvang en maakt een onderwerp van studie uit van alle staat- en
staathuishoudkundigen. Velen onder hen zijn van oordeel dat het belang der
maatschappij medebrengt dat de bevolking slechts matig toeneemt en steeds
gelijken tred houdt met de toeneming der middelen van bestaan; anderen
meenen dat in de oude landen de bevolking geruimen tijd stationnair moest
blijven om zoodoende den algemeenen levensstandaard te verhoogen,
terwijl nog anderen voor dat doel eene daling van het bevolkingscijfer
voorstaan. Daartegenover staan zij die vermeerdering der bevolking
gelijkstellen met vermeerdering van productievermogen en daarom in den
volksaanwas niet het minste gevaar zien.
Page 58
Deze zijde van het vraagstuk zal door de economen dienen te worden
uitgemaakt; wij kunnen uit hun verschil van oordeel alleen de
gevolgtrekking maken, dat het nog volstrekt niet zeker is dat het
kinderbaren thans aan het maatschappelijk belang bevorderlijk is.
Naast deze algemeene zijde van het vraagstuk staat een meer bizondere,
waarbij ook de vrouwenbelangen onmiddellijk betrokken zijn en dat
daarom hier onze aandacht vraagt. Het ter wereld brengen van kinderen is
een taak der vrouwen en zoover mijn geestesoog reikt zal dit ook wel steeds
aan haar blijven toevertrouwd, want hoe verlicht de wereld ook nog eens zal
worden of hoe gunstig men de maatschappelijke verhoudingen ook regele,
dit werk zullen de mannen haar wel nooit uit handen nemen. Van daar dat
voor de vrouwen, die de lasten verbonden aan zwangerschap en kraambed
hebben te ondergaan, op wie bovendien de verzorging der kinderen rust dit
onderwerp groote beteekenis heeft en zij de bespreking en beoordeeling van
hetgeen er mede samenhangt niet aan de mannen alleen mogen overlaten.
Met een eenvoudig voorbeeld, aan het dagelijksch leven ontleend, zal ik
trachten den invloed te schetsen, door onbeperkt moederschap op het gezin
uitgeoefend.
Ieder weet dat in de meeste gezinnen het eerste kindje met de grootste
blijdschap, met een gevoel van innig verlangen door het jonge echtpaar
verwacht wordt. Hoe gelukkig gevoelt zich het jonge vrouwtje als zij de
eerste teekenen van haar naderend moederschap ontwaart. Met hoeveel zorg
maakt zij de kleedervoorraad voor haar kindje gereed, wat doet, wat laat zij
dan niet alles, als het maar geschiedt in het belang van het komende
spruitje. Dikwijls bekommert zij zich er over dat hare gebrekkige kennis
omtrent voeding, kleeding en verzorging van zuigelingen haar verkeerd
zullen doen handelen en overal tracht zij nog gegevens te verkrijgen om
hare ontbrekende kennis aan te vullen. Met elken dag gevoelt zij meer de
zorg en liefde in zich ontwaken voor het komende kindje en op het
oogenblik dat het geboren wordt is de moederweelde sterk genoeg om haar
al het doorgestane leed van zwangerschap en kraambed in een ommezien te
doen vergeten, dan zoude zij zich in staat gevoelen nog meer te offeren voor
het zalige moederschap. Zóó moet elk kind ontvangen worden! Geen kind
uitgemaakt; wij kunnen uit hun verschil van oordeel alleen de
gevolgtrekking maken, dat het nog volstrekt niet zeker is dat het
kinderbaren thans aan het maatschappelijk belang bevorderlijk is.
Naast deze algemeene zijde van het vraagstuk staat een meer bizondere,
waarbij ook de vrouwenbelangen onmiddellijk betrokken zijn en dat
daarom hier onze aandacht vraagt. Het ter wereld brengen van kinderen is
een taak der vrouwen en zoover mijn geestesoog reikt zal dit ook wel steeds
aan haar blijven toevertrouwd, want hoe verlicht de wereld ook nog eens zal
worden of hoe gunstig men de maatschappelijke verhoudingen ook regele,
dit werk zullen de mannen haar wel nooit uit handen nemen. Van daar dat
voor de vrouwen, die de lasten verbonden aan zwangerschap en kraambed
hebben te ondergaan, op wie bovendien de verzorging der kinderen rust dit
onderwerp groote beteekenis heeft en zij de bespreking en beoordeeling van
hetgeen er mede samenhangt niet aan de mannen alleen mogen overlaten.
Met een eenvoudig voorbeeld, aan het dagelijksch leven ontleend, zal ik
trachten den invloed te schetsen, door onbeperkt moederschap op het gezin
uitgeoefend.
Ieder weet dat in de meeste gezinnen het eerste kindje met de grootste
blijdschap, met een gevoel van innig verlangen door het jonge echtpaar
verwacht wordt. Hoe gelukkig gevoelt zich het jonge vrouwtje als zij de
eerste teekenen van haar naderend moederschap ontwaart. Met hoeveel zorg
maakt zij de kleedervoorraad voor haar kindje gereed, wat doet, wat laat zij
dan niet alles, als het maar geschiedt in het belang van het komende
spruitje. Dikwijls bekommert zij zich er over dat hare gebrekkige kennis
omtrent voeding, kleeding en verzorging van zuigelingen haar verkeerd
zullen doen handelen en overal tracht zij nog gegevens te verkrijgen om
hare ontbrekende kennis aan te vullen. Met elken dag gevoelt zij meer de
zorg en liefde in zich ontwaken voor het komende kindje en op het
oogenblik dat het geboren wordt is de moederweelde sterk genoeg om haar
al het doorgestane leed van zwangerschap en kraambed in een ommezien te
doen vergeten, dan zoude zij zich in staat gevoelen nog meer te offeren voor
het zalige moederschap. Zóó moet elk kind ontvangen worden! Geen kind
Page 59
moest ter wereld komen, waarvan de ouders niet met groote blijdschap, met
innig verlangen de komst tegemoet zien. Te meer is dit van belang, wijl de
gemoedstoestand van de vrouw gedurende het zwangerschaps-tijdperk van
grooten invloed is op de geestelijke en lichamelijke vorming van het
wordende kind.
Wat zien wij evenwel gebeuren? Nauwelijks is het jonge moedertje van het
kraambed opgestaan en verheugt zij zich in het bezit van haar eerstgeborene
of weldra wordt zij verontrust omdat reeds zeer spoedig een tweede
lieveling op de komst is. Ofschoon zij het gelukkig vindt dat haar eerste
kindje niet alleen blijft, zóó spoedig had zij het toch liever niet verwacht.
Zij maakt zich terecht bezorgd, dat haar oudste nog nauwelijks een jaar kan
zijn als no. 2 verwacht moet worden, dat deze dan reeds voor een wijl haar
moederlijke zorgen moet missen, dan reeds op hare knie plaats moet maken
voor zijn opvolger, en zij dan reeds hare zorgen moet verdeelen over twee
lievelingen. Want o, zij voelt zich nog zoo zwak; wel doet zij haar uiterste
best om na haar huishoudinkje en haar kindje goed verzorgd te hebben, nog
opgeruimd genoeg te schijnen om haar man als hij van zijne
werkzaamheden tehuis komt een vriendelijke ontvangst te bereiden en den
avond in genoegelijk samenzijn te kunnen doorbrengen, doch zij gevoelt het
maar al te goed, hare krachten zijn nog niet weder als vroeger. Zij had
gehoopt, als haar kind wat ouder wordt en zij weder geregelde nachtrust
krijgt dat dan de oude krachten wel terug zouden komen; doch nu is ook die
hoop verijdeld.
Langzamerhand legt zij zich evenwel bij het onherstelbare neder en tracht
zich te troosten met de gedachte, dat het toch ook wel aardig is, weldra bij
broêrtje een zusje of bij zusje een broêrtje te hebben. Zij behoeft nu ook
voor no. 2 niet zooveel onkosten te maken daar de kleêrtjes van no. 1 bijna
alle nog dienst kunnen doen, en zoo nadert van lieverlede het moment der
geboorte en gevoelt de moeder elken dag sterker ook voor het volgende
kind hare moederliefde ontwaken.
Maar haar eersteling, kon die ons eens verstaanbaar maken wat in dat kleine
hartje moet omgaan als het begreep hoeveel het daardoor te kort komt. Had
dit kind niet het recht de moederborst te ontvangen tot het in staat was
innig verlangen de komst tegemoet zien. Te meer is dit van belang, wijl de
gemoedstoestand van de vrouw gedurende het zwangerschaps-tijdperk van
grooten invloed is op de geestelijke en lichamelijke vorming van het
wordende kind.
Wat zien wij evenwel gebeuren? Nauwelijks is het jonge moedertje van het
kraambed opgestaan en verheugt zij zich in het bezit van haar eerstgeborene
of weldra wordt zij verontrust omdat reeds zeer spoedig een tweede
lieveling op de komst is. Ofschoon zij het gelukkig vindt dat haar eerste
kindje niet alleen blijft, zóó spoedig had zij het toch liever niet verwacht.
Zij maakt zich terecht bezorgd, dat haar oudste nog nauwelijks een jaar kan
zijn als no. 2 verwacht moet worden, dat deze dan reeds voor een wijl haar
moederlijke zorgen moet missen, dan reeds op hare knie plaats moet maken
voor zijn opvolger, en zij dan reeds hare zorgen moet verdeelen over twee
lievelingen. Want o, zij voelt zich nog zoo zwak; wel doet zij haar uiterste
best om na haar huishoudinkje en haar kindje goed verzorgd te hebben, nog
opgeruimd genoeg te schijnen om haar man als hij van zijne
werkzaamheden tehuis komt een vriendelijke ontvangst te bereiden en den
avond in genoegelijk samenzijn te kunnen doorbrengen, doch zij gevoelt het
maar al te goed, hare krachten zijn nog niet weder als vroeger. Zij had
gehoopt, als haar kind wat ouder wordt en zij weder geregelde nachtrust
krijgt dat dan de oude krachten wel terug zouden komen; doch nu is ook die
hoop verijdeld.
Langzamerhand legt zij zich evenwel bij het onherstelbare neder en tracht
zich te troosten met de gedachte, dat het toch ook wel aardig is, weldra bij
broêrtje een zusje of bij zusje een broêrtje te hebben. Zij behoeft nu ook
voor no. 2 niet zooveel onkosten te maken daar de kleêrtjes van no. 1 bijna
alle nog dienst kunnen doen, en zoo nadert van lieverlede het moment der
geboorte en gevoelt de moeder elken dag sterker ook voor het volgende
kind hare moederliefde ontwaken.
Maar haar eersteling, kon die ons eens verstaanbaar maken wat in dat kleine
hartje moet omgaan als het begreep hoeveel het daardoor te kort komt. Had
dit kind niet het recht de moederborst te ontvangen tot het in staat was
Page 60
ander voedsel gemakkelijk te verteren? Door de aangekondigde komst
evenwel van broêrtje of zusje weigerde de moederborst de noodige
voedselafscheiding. Het zwakke spruitje moest gespeend worden en met
kunstvoedsel worden groot gebracht. Als het tweede kindje er is dan wordt
zijn plaats aan moeders borst ingenomen door zijn opvolger en nog alleen
bij tijd en wijle als broêrtje of zusje slaapt, heeft moeder tijd hem te
troetelen, te liefkozen als weleer. O moeder, ik ben zeker als uw eersteling
een stem in dezen zou gehad hebben, het zou u gesmeekt hebben te wachten
met het broêrtje of zusje tot hij ten minste groot genoeg was om een deel
van uwe teedere zorgen te kunnen missen. Alleen zelfs uit liefde voor uw
eersteling hadt gij moeten zorg dragen dat een volgende bevruchting niet
reeds zóó spoedig kon plaats vinden.
Laat ons echter het jonge gezonde echtpaar volgen dat zorgeloos het leven
doorschrijdt en het aan het toeval, of laat mij thans de bij zoo velen geliefde
uitdrukking gebruiken, het aan de natuur overlaat, het aantal hunner
kinderen te bepalen. Alsof het van zelf spreekt wordt no. 2 spoedig gevolgd
door 3, 4, 5 enz.
Als no. 1 juist groot genoeg is om aan vader’s hand zijne eerste wandeling
te maken en de vader reeds geniet bij de gedachte om in den naderenden
zomer des zondags met vrouw en kinderen naar buiten te kunnen gaan;
moeder met het kleintje op den arm, hij met zijn oudste aan de hand,
ontwaart de moeder dat het weder “mis” is. Thans snelt zij haar echtgenoot
niet met gloeiende wangen op den drempel hunner woning te gemoet om
hem toch snel deelgenoot te maken van haar zoet geheim, want zij weet het
maar al te goed, dat deze tijding thans eene teleurstelling voor hem is. Zij
tracht integendeel haar vrees nog wat te verbloemen en op zijne vragen
dienaangaande antwoordt zij, “dat het nog niet zoo zeker is, zij kan zich in
de voorteekenen nog wel bedriegen.”
Hij ziet het echter maar al te goed in en zijn “in godsnaam vrouw, no. 3 zal
ook wel groot worden,” klinkt heel anders dan de ingehouden juichkreet
toen zij hem de komst van hun eerste kind aankondigde. En zoo komt
vervolgens 4, 5 en 6 en telkens wordt de teleurstelling grooter, telkens
evenwel van broêrtje of zusje weigerde de moederborst de noodige
voedselafscheiding. Het zwakke spruitje moest gespeend worden en met
kunstvoedsel worden groot gebracht. Als het tweede kindje er is dan wordt
zijn plaats aan moeders borst ingenomen door zijn opvolger en nog alleen
bij tijd en wijle als broêrtje of zusje slaapt, heeft moeder tijd hem te
troetelen, te liefkozen als weleer. O moeder, ik ben zeker als uw eersteling
een stem in dezen zou gehad hebben, het zou u gesmeekt hebben te wachten
met het broêrtje of zusje tot hij ten minste groot genoeg was om een deel
van uwe teedere zorgen te kunnen missen. Alleen zelfs uit liefde voor uw
eersteling hadt gij moeten zorg dragen dat een volgende bevruchting niet
reeds zóó spoedig kon plaats vinden.
Laat ons echter het jonge gezonde echtpaar volgen dat zorgeloos het leven
doorschrijdt en het aan het toeval, of laat mij thans de bij zoo velen geliefde
uitdrukking gebruiken, het aan de natuur overlaat, het aantal hunner
kinderen te bepalen. Alsof het van zelf spreekt wordt no. 2 spoedig gevolgd
door 3, 4, 5 enz.
Als no. 1 juist groot genoeg is om aan vader’s hand zijne eerste wandeling
te maken en de vader reeds geniet bij de gedachte om in den naderenden
zomer des zondags met vrouw en kinderen naar buiten te kunnen gaan;
moeder met het kleintje op den arm, hij met zijn oudste aan de hand,
ontwaart de moeder dat het weder “mis” is. Thans snelt zij haar echtgenoot
niet met gloeiende wangen op den drempel hunner woning te gemoet om
hem toch snel deelgenoot te maken van haar zoet geheim, want zij weet het
maar al te goed, dat deze tijding thans eene teleurstelling voor hem is. Zij
tracht integendeel haar vrees nog wat te verbloemen en op zijne vragen
dienaangaande antwoordt zij, “dat het nog niet zoo zeker is, zij kan zich in
de voorteekenen nog wel bedriegen.”
Hij ziet het echter maar al te goed in en zijn “in godsnaam vrouw, no. 3 zal
ook wel groot worden,” klinkt heel anders dan de ingehouden juichkreet
toen zij hem de komst van hun eerste kind aankondigde. En zoo komt
vervolgens 4, 5 en 6 en telkens wordt de teleurstelling grooter, telkens
Page 61
wordt opnieuw na elke geboorte de verzuchting geslaakt, “och, mocht het
nu maar hierbij blijven.”
Wij weten allen wel, nu zij er eenmaal zijn willen vader en moeder ook niet
een van dat troepje missen en no. 6 valt, voorzoover het mogelijk is,
dezelfde ouderliefde te beurt en wordt met dezelfde zorgen groot gebracht.
Maar vóór zij er waren? Hun komst werd niet met innig verlangen te
gemoet gezien, hun geboorte werd met een zucht begroet en waren zij niet
verschenen, niemand zou hen gemist hebben. Arme stumperdjes, wier
verschijning ongewenscht was!
Wat is er onderwijl van het huisgezin geworden? Wie herkent in deze door
zwoegen en zorgen en ongeregelde nachtrust afgetobde vrouw, het jonge,
levenslustige meisje van voor eenige jaren?
Zij had zich in haar verlovingstijd het huwelijk anders voorgesteld. Zij had
zich een Eden op aarde gedroomd. In hare verbeelding zouden zij en haar
man de avonden na gedane dagtaak wijden aan geestelijke ontwikkeling; zij
zouden samen lezen, de kwesties van den dag samen bespreken, openbare
vergaderingen bezoeken en des zondags heerlijke wandelingen in de vrije
natuur maken. Hij zou haar mededeelen hoe zijne kameraden op kantoor of
werkplaats dachten over dit of dat maatschappelijk vraagstuk en samen
zouden zij trachten zich een eigen oordeel er over te vormen.
“En als er dan eens een klein huisgenootje kwam,” waagde hij schuchter op
te merken; o, maar dat zou immers hun geluk verhoogen! Wat zouden zij
het liefhebben, wat zouden zij het troetelen, het met zorg bewaken, welk
een goede opvoeding zouden zij het geven! Het zou meer leeren dan zij,
langer en beter scholen bezoeken, opdat het later goed beslagen op ’t ijs
kwam en het den strijd om het bestaan gemakkelijker kon voeren dan zij!
Hadt gij hen op dat oogenblik het beeld der werkelijkheid voor oogen
gehouden, hoe zouden zij geschrikt zijn. Want, komt de man des avonds van
zijn werk tehuis, dan vindt hij eene vrouw die “op” is; zij interesseert zich
niet voor de kwesties die zijn hoofd bezig houden, zij is te vermoeid om
nu maar hierbij blijven.”
Wij weten allen wel, nu zij er eenmaal zijn willen vader en moeder ook niet
een van dat troepje missen en no. 6 valt, voorzoover het mogelijk is,
dezelfde ouderliefde te beurt en wordt met dezelfde zorgen groot gebracht.
Maar vóór zij er waren? Hun komst werd niet met innig verlangen te
gemoet gezien, hun geboorte werd met een zucht begroet en waren zij niet
verschenen, niemand zou hen gemist hebben. Arme stumperdjes, wier
verschijning ongewenscht was!
Wat is er onderwijl van het huisgezin geworden? Wie herkent in deze door
zwoegen en zorgen en ongeregelde nachtrust afgetobde vrouw, het jonge,
levenslustige meisje van voor eenige jaren?
Zij had zich in haar verlovingstijd het huwelijk anders voorgesteld. Zij had
zich een Eden op aarde gedroomd. In hare verbeelding zouden zij en haar
man de avonden na gedane dagtaak wijden aan geestelijke ontwikkeling; zij
zouden samen lezen, de kwesties van den dag samen bespreken, openbare
vergaderingen bezoeken en des zondags heerlijke wandelingen in de vrije
natuur maken. Hij zou haar mededeelen hoe zijne kameraden op kantoor of
werkplaats dachten over dit of dat maatschappelijk vraagstuk en samen
zouden zij trachten zich een eigen oordeel er over te vormen.
“En als er dan eens een klein huisgenootje kwam,” waagde hij schuchter op
te merken; o, maar dat zou immers hun geluk verhoogen! Wat zouden zij
het liefhebben, wat zouden zij het troetelen, het met zorg bewaken, welk
een goede opvoeding zouden zij het geven! Het zou meer leeren dan zij,
langer en beter scholen bezoeken, opdat het later goed beslagen op ’t ijs
kwam en het den strijd om het bestaan gemakkelijker kon voeren dan zij!
Hadt gij hen op dat oogenblik het beeld der werkelijkheid voor oogen
gehouden, hoe zouden zij geschrikt zijn. Want, komt de man des avonds van
zijn werk tehuis, dan vindt hij eene vrouw die “op” is; zij interesseert zich
niet voor de kwesties die zijn hoofd bezig houden, zij is te vermoeid om
Page 62
zich ook maar één oogenblik in te denken in de zaken van algemeen belang.
Wie zou het haar kwalijk nemen?
Laat ik slechts vertellen hoe zij haar 8jarig huwelijksleven doorbracht. Zes
kinderen schonk zij in dien tijd het leven; dit beteekent, dat zij in die acht
jaren tijds zes keeren negen maanden zwanger was, zes kraambedden
doorstond en zes kleine kinderen had te verzorgen. Den geheelen dag
sloofde zij zich af, nooit kreeg zij voldoende rust, nooit geregelde slaap.
Van uitspanning is thans geen sprake meer, want afgezien van het feit, dat
haar de middelen daartoe ontbreken, zou zij er toch te vermoeid en te
lusteloos voor zijn. Aan de toekomst durft zij niet denken, daar zij nog geen
30 jaren oud is en haar nog een heele reeks van jaren hetzelfde lot te
wachten staat. Is het te verwonderen dat haar soms de moed ontzinkt, als zij
bedenkt dat zij met elk nieuw kraambed meer kans loopt haar leven er bij in
te schieten en haar kinderen dan in vreemde handen moet achterlaten? Bij
zoo’n vrouw is ten slotte alle energie, alle geest uitgedoofd. Zij heeft nooit
gedaan werk en hoewel man en vrouw beiden de wrange vruchten plukken
van hun vooroordeel, onkunde of onverschilligheid omtrent de leer der
willekeurige beperking van het kindertal, op haar hoofd vallen toch de
wreedste en hardste slagen als gevolg van beider roekeloosheid.
Toen zij verloofd waren hadden zij uitgerekend van het inkomen van den
man een aardig huishoudinkje te kunnen onderhouden, want zij was netjes
en zuinig. Zij zou wel zorgen van dat geld goed voor den dag te komen en
nog trachten elke week wat over te houden, opdat hun kinderen, misschien
wel twee of drie, later een goed vak konden leeren en een klein sommetje
zouden vinden om in de wereld wat vooruit te komen. Warm en veilig
wilden zij het nestje bouwen, waarin hun lievelingen ontvangen zouden
worden. Hoe staan echter thans de zaken? Het eerste jaar kon niets
overgespaard worden, alles was noodig voor het uitzetje van de eersteling
en voor de extra-uitgaven van bevalling en kraambed. Met no. 2 was reeds
een kleine bezuiniging noodig geworden en zoo ging het voort, totdat met
3, 4 en 5 langzamerhand de vader afstand moest doen van eenige
genotmiddelen en de moeder zelfs het hoog noodige versterkende voedsel
moest missen.
Wie zou het haar kwalijk nemen?
Laat ik slechts vertellen hoe zij haar 8jarig huwelijksleven doorbracht. Zes
kinderen schonk zij in dien tijd het leven; dit beteekent, dat zij in die acht
jaren tijds zes keeren negen maanden zwanger was, zes kraambedden
doorstond en zes kleine kinderen had te verzorgen. Den geheelen dag
sloofde zij zich af, nooit kreeg zij voldoende rust, nooit geregelde slaap.
Van uitspanning is thans geen sprake meer, want afgezien van het feit, dat
haar de middelen daartoe ontbreken, zou zij er toch te vermoeid en te
lusteloos voor zijn. Aan de toekomst durft zij niet denken, daar zij nog geen
30 jaren oud is en haar nog een heele reeks van jaren hetzelfde lot te
wachten staat. Is het te verwonderen dat haar soms de moed ontzinkt, als zij
bedenkt dat zij met elk nieuw kraambed meer kans loopt haar leven er bij in
te schieten en haar kinderen dan in vreemde handen moet achterlaten? Bij
zoo’n vrouw is ten slotte alle energie, alle geest uitgedoofd. Zij heeft nooit
gedaan werk en hoewel man en vrouw beiden de wrange vruchten plukken
van hun vooroordeel, onkunde of onverschilligheid omtrent de leer der
willekeurige beperking van het kindertal, op haar hoofd vallen toch de
wreedste en hardste slagen als gevolg van beider roekeloosheid.
Toen zij verloofd waren hadden zij uitgerekend van het inkomen van den
man een aardig huishoudinkje te kunnen onderhouden, want zij was netjes
en zuinig. Zij zou wel zorgen van dat geld goed voor den dag te komen en
nog trachten elke week wat over te houden, opdat hun kinderen, misschien
wel twee of drie, later een goed vak konden leeren en een klein sommetje
zouden vinden om in de wereld wat vooruit te komen. Warm en veilig
wilden zij het nestje bouwen, waarin hun lievelingen ontvangen zouden
worden. Hoe staan echter thans de zaken? Het eerste jaar kon niets
overgespaard worden, alles was noodig voor het uitzetje van de eersteling
en voor de extra-uitgaven van bevalling en kraambed. Met no. 2 was reeds
een kleine bezuiniging noodig geworden en zoo ging het voort, totdat met
3, 4 en 5 langzamerhand de vader afstand moest doen van eenige
genotmiddelen en de moeder zelfs het hoog noodige versterkende voedsel
moest missen.
Page 63
Het oudste knaapje dat men zoo’n veilige toekomst had willen bereiden, zal
reeds zoo spoedig mogelijk van school moeten worden genomen, om met
zijn kleine kinderhandjes de wekelijksche inkomsten te helpen vergrooten.
Zijn jeugd, die zonnig en vroolijk had zullen zijn, bracht hem niets dan
ontbering. Van zijn eerste jaar af was hij reeds de oudste, en elk jaar schoof
er eentje onder en ondervond hij daarvan mede de treurige gevolgen.
Moeder had hoe langer hoe minder tijd om hem nog eens te liefkoozen en
naar zijn aardig gesnap te luisteren en zijn kinderlijke spelen werden telkens
onderbroken, omdat hij broertje of zusje zou wakker maken. Slechts zelden
mocht hij zijne dartele vroolijkheid botvieren, want er was altijd een,
waarvoor het hinderlijk was. Zijn voedsel, zijn kleeding, het bestond alleen
in het allernoodzakelijkste en zijn onderwijs was zeer gebrekkig omdat hij
zoo dikwijls de school moest verzuimen om moeder van dienst te zijn of op
de kleintjes te passen. En zóó worden gaandeweg de broertjes en zusjes
allen grooter en naar fabriek of werkplaats gezonden op een leeftijd, waarop
zij nog zoo noodig en zoo gaarne met hun makkers op de schoolbanken
hadden plaats genomen.
Hadden dezelfde menschen slechts één of twee kinderen in die jaren
verwekt, dan hadden die goed kunnen gevoed, gekleed en geregeld naar
school gezonden worden, zoodat ook hun toekomst voor zoover dit te
berekenen is, gewaarborgd was. Zij zouden dan maatschappelijk en zedelijk
een heel wat hooger standpunt ingenomen hebben.
Het hier geschetste ouderenpaar bleef in het bezit zijner kinderen, wat ook
indien zij eenmaal geboren zijn, meestal gewenscht wordt; in het
dagelijksch leven treedt echter in zulke gezinnen de wreede dood dikwijls
onbarmhartig tusschenbeide. De groote kindersterfte die reeds jaren lang
hoofden en gemoederen van vele menschenvrienden heeft bezig gehouden,
vindt in die snel elkaar opvolgende geboorten haar voornaamste oorzaak. Er
zijn wel is waar nog andere oorzaken waaraan het moet worden
toegeschreven dat jaarlijks zoovele kinderen sterven nog vóór zij het 1e
levensjaar bereikt hebben, maar de talrijkheid van het gezin moet als
voornaamste worden aangemerkt. Deze oorzaak werkt, evenals bijv. het
reeds zoo spoedig mogelijk van school moeten worden genomen, om met
zijn kleine kinderhandjes de wekelijksche inkomsten te helpen vergrooten.
Zijn jeugd, die zonnig en vroolijk had zullen zijn, bracht hem niets dan
ontbering. Van zijn eerste jaar af was hij reeds de oudste, en elk jaar schoof
er eentje onder en ondervond hij daarvan mede de treurige gevolgen.
Moeder had hoe langer hoe minder tijd om hem nog eens te liefkoozen en
naar zijn aardig gesnap te luisteren en zijn kinderlijke spelen werden telkens
onderbroken, omdat hij broertje of zusje zou wakker maken. Slechts zelden
mocht hij zijne dartele vroolijkheid botvieren, want er was altijd een,
waarvoor het hinderlijk was. Zijn voedsel, zijn kleeding, het bestond alleen
in het allernoodzakelijkste en zijn onderwijs was zeer gebrekkig omdat hij
zoo dikwijls de school moest verzuimen om moeder van dienst te zijn of op
de kleintjes te passen. En zóó worden gaandeweg de broertjes en zusjes
allen grooter en naar fabriek of werkplaats gezonden op een leeftijd, waarop
zij nog zoo noodig en zoo gaarne met hun makkers op de schoolbanken
hadden plaats genomen.
Hadden dezelfde menschen slechts één of twee kinderen in die jaren
verwekt, dan hadden die goed kunnen gevoed, gekleed en geregeld naar
school gezonden worden, zoodat ook hun toekomst voor zoover dit te
berekenen is, gewaarborgd was. Zij zouden dan maatschappelijk en zedelijk
een heel wat hooger standpunt ingenomen hebben.
Het hier geschetste ouderenpaar bleef in het bezit zijner kinderen, wat ook
indien zij eenmaal geboren zijn, meestal gewenscht wordt; in het
dagelijksch leven treedt echter in zulke gezinnen de wreede dood dikwijls
onbarmhartig tusschenbeide. De groote kindersterfte die reeds jaren lang
hoofden en gemoederen van vele menschenvrienden heeft bezig gehouden,
vindt in die snel elkaar opvolgende geboorten haar voornaamste oorzaak. Er
zijn wel is waar nog andere oorzaken waaraan het moet worden
toegeschreven dat jaarlijks zoovele kinderen sterven nog vóór zij het 1e
levensjaar bereikt hebben, maar de talrijkheid van het gezin moet als
voornaamste worden aangemerkt. Deze oorzaak werkt, evenals bijv. het
Page 64
alkoholisme der ouders, zoowel direct als indirect de kindersterfte in de
hand. Niet alleen toch worden ten gevolge daarvan de krachten van het kind
reeds vóór de geboorte ondermijnd en is het daardoor niet bestand tegen de
gevaren die het eerste levensjaar bedreigen, doch zij is tevens bevorderlijk
aan andere oorzaken der kindersterfte. Ik noem slechts als zoodanig de
ellendige wonings- en voedingstoestanden, slechte verzorging der
zuigelingen, ondoelmatige kleeding, gemis aan zindelijkheid enz.
De moeder dient daarom zorg te dragen dat geen nieuwe bevruchting kan
plaats vinden alvorens zij haar oude krachten herwonnen heeft, voordat de
zoogperiode geheel verstreken is en het kind oud genoeg is om haar weder
geregelde nachtrust te laten genieten. Zorgt zij daarvoor niet dan zullen hare
krachten te sterk afnemen en zoowel voor haar zelf als voor haar volgende
kinderen zullen de nadeelige gevolgen hiervan niet uitblijven.
Dat hierop nu enkele uitzonderingen bestaan en allen in hun midden wel
een of ander groot gezin zullen weten aan te wijzen, waarvan de kinderen
oogenschijnlijk gezond zijn, doet aan het feit, dat het te snel elkaar
opvolgen der geboorten de voornaamste oorzaak der groote kindersterfte is,
geen afbreuk. Daarvoor wijzen de statistieken te duidelijk aan dat de
kindersterfte in die landen, en in ons land in die provinciën betrekkelijk het
grootst is, waar het aantal geboorten per echtpaar het talrijkst is.
Bepaalde ik mij tot hiertoe tot een gezond paar ouders, ouders die voor
zoover zij weten geen overerfelijke ziekten in zich omdragen, en trachtte ik
aan te toonen dat het alleen een gevolg van onnadenkendheid, vooroordeel
of onverschilligheid moet zijn, als zij handelen in lijnrechten strijd met hun
belang en dat hunner kinderen door in eene zoo belangrijke kwestie hun
rede niet te laten spreken; anders, erger wordt dit verzuim indien de ouders
niet gezond zijn, indien de vader of de moeder lijdende is aan eene ziekte
die hetzij direct op de kinderen overgaat of hen “belast” ter wereld doet
komen. “Belast” wil zeggen, dat zulke kinderen den aanleg hebben om bij
de minste aanleiding dezelfde of een aanverwante ziekte te krijgen als die
der ouders. Zoolang er nog geen wettelijk verbod bestaat, rust op ouders
hand. Niet alleen toch worden ten gevolge daarvan de krachten van het kind
reeds vóór de geboorte ondermijnd en is het daardoor niet bestand tegen de
gevaren die het eerste levensjaar bedreigen, doch zij is tevens bevorderlijk
aan andere oorzaken der kindersterfte. Ik noem slechts als zoodanig de
ellendige wonings- en voedingstoestanden, slechte verzorging der
zuigelingen, ondoelmatige kleeding, gemis aan zindelijkheid enz.
De moeder dient daarom zorg te dragen dat geen nieuwe bevruchting kan
plaats vinden alvorens zij haar oude krachten herwonnen heeft, voordat de
zoogperiode geheel verstreken is en het kind oud genoeg is om haar weder
geregelde nachtrust te laten genieten. Zorgt zij daarvoor niet dan zullen hare
krachten te sterk afnemen en zoowel voor haar zelf als voor haar volgende
kinderen zullen de nadeelige gevolgen hiervan niet uitblijven.
Dat hierop nu enkele uitzonderingen bestaan en allen in hun midden wel
een of ander groot gezin zullen weten aan te wijzen, waarvan de kinderen
oogenschijnlijk gezond zijn, doet aan het feit, dat het te snel elkaar
opvolgen der geboorten de voornaamste oorzaak der groote kindersterfte is,
geen afbreuk. Daarvoor wijzen de statistieken te duidelijk aan dat de
kindersterfte in die landen, en in ons land in die provinciën betrekkelijk het
grootst is, waar het aantal geboorten per echtpaar het talrijkst is.
Bepaalde ik mij tot hiertoe tot een gezond paar ouders, ouders die voor
zoover zij weten geen overerfelijke ziekten in zich omdragen, en trachtte ik
aan te toonen dat het alleen een gevolg van onnadenkendheid, vooroordeel
of onverschilligheid moet zijn, als zij handelen in lijnrechten strijd met hun
belang en dat hunner kinderen door in eene zoo belangrijke kwestie hun
rede niet te laten spreken; anders, erger wordt dit verzuim indien de ouders
niet gezond zijn, indien de vader of de moeder lijdende is aan eene ziekte
die hetzij direct op de kinderen overgaat of hen “belast” ter wereld doet
komen. “Belast” wil zeggen, dat zulke kinderen den aanleg hebben om bij
de minste aanleiding dezelfde of een aanverwante ziekte te krijgen als die
der ouders. Zoolang er nog geen wettelijk verbod bestaat, rust op ouders
Page 65
met overerfelijke kwalen de zedelijke plicht te zorgen dat hun huwelijk
kinderloos blijft. Zij weten dat zij kans hebben alleen aan zwakke,
ziekelijke wezentjes het levenslicht te schenken; wezentjes die alleen in de
wereld schijnen te komen om hier eenigen tijd een kommervol bestaan te
voeren en de som van ellende te vergrooten.
Een sterk sprekend voorbeeld van dien aard levert het mij van nabij bekend
ouderenpaar, waarvan de vader lijder is aan longtering en de moeder aan elf
kinderen het leven schonk. Tien er van gingen heen nog vóór zij hun tiende
jaar bereikt hadden. De oudste bleef tot nog toe in leven. Deze zoon is thans
de twintig jaren gepasseerd en zweeft aanhoudend tusschen leven en dood.
Voor elke kleine hygiënische fout wordt hij gestraft met dagen—soms
wekenlange—bedlegerigheid, en hoesten, benauwdheden, bloedspuwingen
zijn aan de orde van den dag. Ongeschikt als hij is voor elk handwerk, zou
hij gaarne zijne zwakke krachten wijden aan kantoorwerk; doch waar mag
men hem plaatsen? Door zijn aanhoudend hoesten en opgeven bezwangert
hij elk lokaal waar hij zich eenigen tijd ophoudt met de smetstoffen zijner
ziekte en stelt daardoor de andere aanwezigen bloot aan besmetting.
Welk een bron van nameloos lijden heeft dat echtpaar veroorzaakt. Steeds
koesterden zij voor een korten tijd de ongegronde hoop een kind te zullen
krijgen dat levensvatbaar was en altijd weder opnieuw moesten zij ervaren
dat het stumperdje dat geboren werd zwak en teer was, te zwak, te teer om
de stormen des levens te kunnen trotseeren. Na een korten tijd van angst en
hoop zagen zij het steeds heengaan aan de gevolgen van dezelfde ziekte, die
zich nu eens openbaarde op deze, dan eens op andere wijze. Doch de
kinderen, niets anders dan ellende was hun deel en de eenige troost die zij
achterlieten was, “dat nu goddank hun lijden uit was.” Hoeveel verdriet en
zorgen en hoe weinig vreugde leveren onder zulke omstandigheden
kinderen op.
In zulke gevallen dienen de ouders te worden gewaarschuwd, indien zij het
zelf niet weten, dat de kans voor hen zeer gering is om gezonde kinderen te
krijgen. Verregaand zelfzuchtig wordt het verwekken van kinderen,
wanneer reeds vooraf kan vastgesteld worden dat voor dezen de levenskans
gering en levensgeluk een onmogelijkheid zal zijn. Toch zien wij dagelijks
kinderloos blijft. Zij weten dat zij kans hebben alleen aan zwakke,
ziekelijke wezentjes het levenslicht te schenken; wezentjes die alleen in de
wereld schijnen te komen om hier eenigen tijd een kommervol bestaan te
voeren en de som van ellende te vergrooten.
Een sterk sprekend voorbeeld van dien aard levert het mij van nabij bekend
ouderenpaar, waarvan de vader lijder is aan longtering en de moeder aan elf
kinderen het leven schonk. Tien er van gingen heen nog vóór zij hun tiende
jaar bereikt hadden. De oudste bleef tot nog toe in leven. Deze zoon is thans
de twintig jaren gepasseerd en zweeft aanhoudend tusschen leven en dood.
Voor elke kleine hygiënische fout wordt hij gestraft met dagen—soms
wekenlange—bedlegerigheid, en hoesten, benauwdheden, bloedspuwingen
zijn aan de orde van den dag. Ongeschikt als hij is voor elk handwerk, zou
hij gaarne zijne zwakke krachten wijden aan kantoorwerk; doch waar mag
men hem plaatsen? Door zijn aanhoudend hoesten en opgeven bezwangert
hij elk lokaal waar hij zich eenigen tijd ophoudt met de smetstoffen zijner
ziekte en stelt daardoor de andere aanwezigen bloot aan besmetting.
Welk een bron van nameloos lijden heeft dat echtpaar veroorzaakt. Steeds
koesterden zij voor een korten tijd de ongegronde hoop een kind te zullen
krijgen dat levensvatbaar was en altijd weder opnieuw moesten zij ervaren
dat het stumperdje dat geboren werd zwak en teer was, te zwak, te teer om
de stormen des levens te kunnen trotseeren. Na een korten tijd van angst en
hoop zagen zij het steeds heengaan aan de gevolgen van dezelfde ziekte, die
zich nu eens openbaarde op deze, dan eens op andere wijze. Doch de
kinderen, niets anders dan ellende was hun deel en de eenige troost die zij
achterlieten was, “dat nu goddank hun lijden uit was.” Hoeveel verdriet en
zorgen en hoe weinig vreugde leveren onder zulke omstandigheden
kinderen op.
In zulke gevallen dienen de ouders te worden gewaarschuwd, indien zij het
zelf niet weten, dat de kans voor hen zeer gering is om gezonde kinderen te
krijgen. Verregaand zelfzuchtig wordt het verwekken van kinderen,
wanneer reeds vooraf kan vastgesteld worden dat voor dezen de levenskans
gering en levensgeluk een onmogelijkheid zal zijn. Toch zien wij dagelijks
Page 66
mannen en vrouwen huwen en kinderen krijgen die daarvoor ten eenenmale
ongeschikt verklaard hadden moeten worden.
Bezaten wij reeds thans een juiste voorstelling van hetgeen te dezen
opzichte zedelijk of onzedelijk is, dan zou het zonder twijfel als een
onvergeeflijke misdaad worden aangemerkt wanneer lichamelijk of
geestelijk zieke menschen kinderen het aanzijn geven. Wij leven echter nog
in het stadium der maatschappelijke en zedelijke wanbegrippen, waarin de
ouders van een ziek en abnormaal kroost ons medelijden in plaats van onze
veroordeeling opwekken. Men doet nog alsof men niet wist dat kinderen,
lichamelijk, geestelijk en zedelijk met de eigenschappen hunner ouders en
voorouders ter wereld komen. Nog kort geleden werd hier te Amsterdam de
openbare liefdadigheid ingeroepen voor een gezin van zes kinderen,
waarvan volgens de circulaire de moeder idioot is en de vader aan
longtering was gestorven.
Voor een ander gezin werd de offervaardigheid gevraagd met den
volgenden oproep:
“Een braaf huisvader, sinds 10 jaren lijdende aan een ongeneeslijke kwaal,
is niet meer in staat een enkelen penning voor vrouw en kinderen te
verdienen. Wie beschrijft de ellende, de nijpende armoede, de kommervolle
omstandigheden, waarin zich dit ongelukkig gezin bevindt. De man, zijn
vrouw en zes kinderen, waarvan het oudste nauwelijks 10 jaren is,
aanstarende en niet in staat hun honger te stillen, wel kalm eigen lijden
dragende, maar vertwijfeld over de toekomst van het gezin, waarvan hij
voorheen de zorgzame man en vader is geweest.”
De ongeneeslijke kwaal bleek bij onderzoek tering te zijn. Zonder nu de
aandacht te vestigen op het schandelijke van het feit, dat een man die
teringlijder is huwt en kinderen verwekt, wordt juist het groot aantal
kinderen als motief gebezigd om medelijden op te wekken en de vader
voorgesteld als “een braaf huisvader!”
In een ander mij bekend gezin waren de twee eerste kinderen doofstom
geboren. In plaats van toen te zorgen dat geen nieuwe bevruchting kon
ongeschikt verklaard hadden moeten worden.
Bezaten wij reeds thans een juiste voorstelling van hetgeen te dezen
opzichte zedelijk of onzedelijk is, dan zou het zonder twijfel als een
onvergeeflijke misdaad worden aangemerkt wanneer lichamelijk of
geestelijk zieke menschen kinderen het aanzijn geven. Wij leven echter nog
in het stadium der maatschappelijke en zedelijke wanbegrippen, waarin de
ouders van een ziek en abnormaal kroost ons medelijden in plaats van onze
veroordeeling opwekken. Men doet nog alsof men niet wist dat kinderen,
lichamelijk, geestelijk en zedelijk met de eigenschappen hunner ouders en
voorouders ter wereld komen. Nog kort geleden werd hier te Amsterdam de
openbare liefdadigheid ingeroepen voor een gezin van zes kinderen,
waarvan volgens de circulaire de moeder idioot is en de vader aan
longtering was gestorven.
Voor een ander gezin werd de offervaardigheid gevraagd met den
volgenden oproep:
“Een braaf huisvader, sinds 10 jaren lijdende aan een ongeneeslijke kwaal,
is niet meer in staat een enkelen penning voor vrouw en kinderen te
verdienen. Wie beschrijft de ellende, de nijpende armoede, de kommervolle
omstandigheden, waarin zich dit ongelukkig gezin bevindt. De man, zijn
vrouw en zes kinderen, waarvan het oudste nauwelijks 10 jaren is,
aanstarende en niet in staat hun honger te stillen, wel kalm eigen lijden
dragende, maar vertwijfeld over de toekomst van het gezin, waarvan hij
voorheen de zorgzame man en vader is geweest.”
De ongeneeslijke kwaal bleek bij onderzoek tering te zijn. Zonder nu de
aandacht te vestigen op het schandelijke van het feit, dat een man die
teringlijder is huwt en kinderen verwekt, wordt juist het groot aantal
kinderen als motief gebezigd om medelijden op te wekken en de vader
voorgesteld als “een braaf huisvader!”
In een ander mij bekend gezin waren de twee eerste kinderen doofstom
geboren. In plaats van toen te zorgen dat geen nieuwe bevruchting kon
Page 67
plaats vinden, was de begeerte om ook een gezond kind te hebben grooter
dan het gevoel van medelijden voor het komende spruitje dat immers weder
de kans had als abnormaal wezen geboren te worden. En toen ook het derde
doofstom bleek, werden de ouders beklaagd in plaats van gelaakt.
Nu meene men niet dat zulke voorbeelden alleen voorkomen bij
onontwikkelde menschen; zelfs personen die hooger onderwijs genoten en
tot de wetenschappelijke élite willen gerekend worden, maken zich
tegenover hun kinderen en de maatschappij aan zulke zedelijke dwalingen
schuldig. In een dusdanig gezin, alwaar de man ernstig zenuwlijder is en de
vrouw erfelijk belast met tuberculose meent men geen gruwelijk onrecht te
plegen met het kweeken van een nageslacht, en waarschijnlijk eischen zulke
ouders later nog dankbaarheid van hun kinderen, omdat zij dezen het leven
schonken.
De verantwoordelijkheid die men op zich laadt met het verwekken van
kinderen wordt blijkbaar door de meeste mannen en vrouwen zeer licht
geteld. Men vraagt er niet naar of men zedelijk het recht heeft zich te
reproduceeren en beschouwt het als een van zelf sprekend feit dat elke
nieuwe geboorte een aanwinst is voor de maatschappij. Onbekendheid met
de zedelijke verplichting van elk individu tegenover zijne nakomelingen en
tegenover de maatschappij kan zulke daden wellicht verontschuldigen, doch
wat te denken van hen die deze plichten niet durven ontkennen en toch door
hun stilzwijgen zulke dwalingen helpen bestendigen? Iedereen heeft het
recht om te leven, doch daarmede is niet toegestemd dat iedereen ook het
recht heeft nieuwe levens te verwekken. Deze beschouwing die geheel in
mijn betoog past, ontleen ik aan een der hoofdstukken van John Stuart
Mill’s “Political Economy”.
Was hetgeen ik vooraf deed gaan waarschijnlijk reeds genoeg om de
noodzakelijkheid aan te toonen, dat de vrouwen kennis nemen van de
beginselen waarvan de voorstanders der facultatieve steriliteit uitgaan, er
bestaat nog een andere kant van het vraagstuk waarop ik hier nog even
uitdrukkelijk wil wijzen.
dan het gevoel van medelijden voor het komende spruitje dat immers weder
de kans had als abnormaal wezen geboren te worden. En toen ook het derde
doofstom bleek, werden de ouders beklaagd in plaats van gelaakt.
Nu meene men niet dat zulke voorbeelden alleen voorkomen bij
onontwikkelde menschen; zelfs personen die hooger onderwijs genoten en
tot de wetenschappelijke élite willen gerekend worden, maken zich
tegenover hun kinderen en de maatschappij aan zulke zedelijke dwalingen
schuldig. In een dusdanig gezin, alwaar de man ernstig zenuwlijder is en de
vrouw erfelijk belast met tuberculose meent men geen gruwelijk onrecht te
plegen met het kweeken van een nageslacht, en waarschijnlijk eischen zulke
ouders later nog dankbaarheid van hun kinderen, omdat zij dezen het leven
schonken.
De verantwoordelijkheid die men op zich laadt met het verwekken van
kinderen wordt blijkbaar door de meeste mannen en vrouwen zeer licht
geteld. Men vraagt er niet naar of men zedelijk het recht heeft zich te
reproduceeren en beschouwt het als een van zelf sprekend feit dat elke
nieuwe geboorte een aanwinst is voor de maatschappij. Onbekendheid met
de zedelijke verplichting van elk individu tegenover zijne nakomelingen en
tegenover de maatschappij kan zulke daden wellicht verontschuldigen, doch
wat te denken van hen die deze plichten niet durven ontkennen en toch door
hun stilzwijgen zulke dwalingen helpen bestendigen? Iedereen heeft het
recht om te leven, doch daarmede is niet toegestemd dat iedereen ook het
recht heeft nieuwe levens te verwekken. Deze beschouwing die geheel in
mijn betoog past, ontleen ik aan een der hoofdstukken van John Stuart
Mill’s “Political Economy”.
Was hetgeen ik vooraf deed gaan waarschijnlijk reeds genoeg om de
noodzakelijkheid aan te toonen, dat de vrouwen kennis nemen van de
beginselen waarvan de voorstanders der facultatieve steriliteit uitgaan, er
bestaat nog een andere kant van het vraagstuk waarop ik hier nog even
uitdrukkelijk wil wijzen.
Page 68
De verheffing der vrouw tot een economisch onafhankelijk individu hangt
met deze kwestie nauw samen.
De economische onafhankelijkheid is immers zooals ik in het eerste
hoofdstuk uiteenzette het fundament waarop een nieuwe zedenleer, die
hooger staat dan de oude, moet worden opgebouwd. “De economische
onafhankelijkheid der vrouw zal voor het eerst het hoogste menschelijke
verbond mogelijk maken, door de vereeniging van man en vrouw te
baseeren op zuivere liefde, die boven elke verdenking van dwang of elke
smet van koopwaar verheven is,” verklaart Karl Pearson terecht in zijn
“Ethic of Freethought”, terwijl Dr. Havelock Ellis in zijn “Evolution in
Sex” zegt: “de veranderde positie der vrouwen, door economische
onafhankelijkheid verkregen, zal zeker strekken om de teeltkeus in hare
werkelijke waarde voor de menschelijke ontwikkeling te herstellen.” Verder
zegt hij:
“Zoodoende zal het zeker ook leiden tot vernietiging der prostitutie, die
maar één van de vormen is, waarin de geslachtsverhouding uit zijn
natuurlijke baan geweken is. Overal waar de teeltkeus vrij spel heeft, niet
door economische overwegingen belemmerd wordt, daar is prostitutie
onmogelijk. De overheerschende type van het huwelijk is, evenals bij
prostitutie, gegrondvest op stoffelijke belangen; de vrouw huwt dikwijls
alleen om haar levensonderhoud te verdienen; wij kunnen hierin zeker ook
diepgaande wijzigingen verwachten. Wij hebben lang gezocht om het
sociaal evenwicht te behouden met in de eene schaal eene onredelijke
vrijheid te leggen en in de andere een even onredelijke onthouding; de
economische onafhankelijkheid der vrouwen zal strekken om beide
uitersten onnoodig te maken, zij kan de sexueele verhouding weder op een
gezonde en vrije basis brengen.”
Hoe kan echter een vrouw economisch onafhankelijk zijn, indien haar
huwelijksleven slechts een aaneenschakeling is van moederplichten en
moederzorgen, als zij al haar geest, talent of kennis laat verstikken onder de
overmaat harer vruchtbaarheid? Zoo’n vrouw is in den regel slechts de
voortbrengster, niet eens de opvoedster harer kinderen. Is dat niet te
betreuren? Wij weten immers maar al te goed hoe groot de invloed kan zijn
met deze kwestie nauw samen.
De economische onafhankelijkheid is immers zooals ik in het eerste
hoofdstuk uiteenzette het fundament waarop een nieuwe zedenleer, die
hooger staat dan de oude, moet worden opgebouwd. “De economische
onafhankelijkheid der vrouw zal voor het eerst het hoogste menschelijke
verbond mogelijk maken, door de vereeniging van man en vrouw te
baseeren op zuivere liefde, die boven elke verdenking van dwang of elke
smet van koopwaar verheven is,” verklaart Karl Pearson terecht in zijn
“Ethic of Freethought”, terwijl Dr. Havelock Ellis in zijn “Evolution in
Sex” zegt: “de veranderde positie der vrouwen, door economische
onafhankelijkheid verkregen, zal zeker strekken om de teeltkeus in hare
werkelijke waarde voor de menschelijke ontwikkeling te herstellen.” Verder
zegt hij:
“Zoodoende zal het zeker ook leiden tot vernietiging der prostitutie, die
maar één van de vormen is, waarin de geslachtsverhouding uit zijn
natuurlijke baan geweken is. Overal waar de teeltkeus vrij spel heeft, niet
door economische overwegingen belemmerd wordt, daar is prostitutie
onmogelijk. De overheerschende type van het huwelijk is, evenals bij
prostitutie, gegrondvest op stoffelijke belangen; de vrouw huwt dikwijls
alleen om haar levensonderhoud te verdienen; wij kunnen hierin zeker ook
diepgaande wijzigingen verwachten. Wij hebben lang gezocht om het
sociaal evenwicht te behouden met in de eene schaal eene onredelijke
vrijheid te leggen en in de andere een even onredelijke onthouding; de
economische onafhankelijkheid der vrouwen zal strekken om beide
uitersten onnoodig te maken, zij kan de sexueele verhouding weder op een
gezonde en vrije basis brengen.”
Hoe kan echter een vrouw economisch onafhankelijk zijn, indien haar
huwelijksleven slechts een aaneenschakeling is van moederplichten en
moederzorgen, als zij al haar geest, talent of kennis laat verstikken onder de
overmaat harer vruchtbaarheid? Zoo’n vrouw is in den regel slechts de
voortbrengster, niet eens de opvoedster harer kinderen. Is dat niet te
betreuren? Wij weten immers maar al te goed hoe groot de invloed kan zijn
Page 69
door eene verstandige moeder op de karaktervorming van haar kind
uitgeoefend. Wie kan beter dan zij met zulk een lieve teederheid de kleine
zwakheden van een kinderziel doorgronden en door vroegtijdig aangewende
maatregelen verhoeden dat zij tot karakterfouten aangroeien? Wie kan zoo
goed als zij het dwalende kind behoeden tegen de gevaren die het omringen
als het zich ontwikkelt tot man of vrouw? Wie kan beter dan de moeder de
kinderziel opvoeren tot een hooger leven?
Maar hiervoor is naast teederheid en moederliefde eene zekere mate van
geestelijke ontwikkeling en tijd noodig en wat komt van beide terecht als de
moeder van haar 20e tot haar 45e jaar, de schoonste jaren van haar leven,
opgaat in het onbeperkt voortplanten? Velen zijn wel is waar van meening
hiermede een daad van maatschappelijke beteekenis te verrichten,
genoegzaam opwegend tegen elken anderen socialen arbeid, doch nemen
wij kennis van de verschillende inzichten der staathuishoudkundigen over
dit vraagstuk, dan zien wij dat dit nog lang niet zeker is. Alleen in het
allergunstigste geval, dat man en vrouw volkomen gezond zijn en, want ook
daarop komt het aan, in staat hun kinderen goed op te voeden, kan het van
maatschappelijk belang zijn als zulk een gezin zich uitbreidt. Maar dan nog
dient, in het belang van het nieuwe geslacht, tusschen iedere geboorte
genoegzaam tijd te verloopen, opdat de moeder niet te veel van haar
krachten inboet en genoeg tijd overhoudt om ook de opvoeding van haar
kinderen zelf te kunnen leiden.
Die gunstige gevallen behooren evenwel helaas tot de uitzonderingen en er
zullen nog vele geslachten na ons moeten komen, voordat alle ellende is
overwonnen veroorzaakt door het tot dusver bijna algemeen gevolgde
systeem van een roekeloos kweeken van zieke individuen. Want met onze
tegenwoordige begrippen van de huwelijkswaarde der vrouw, een
huwelijkswaarde die maar al te dikwijls schuilt in de brandkast van den
vader, blijven vele gezonde, krachtige vrouwen ongehuwd en als gevolg
daarvan kinderloos, terwijl een menigte zwakken en ziekelijken onder hen
voor de voortplanting worden bestemd.
De economische onafhankelijkheid der vrouw evenwel loopt voorloopig
ook nog groot gevaar indien de gezonde vrouwen te veel kinderen krijgen.
uitgeoefend. Wie kan beter dan zij met zulk een lieve teederheid de kleine
zwakheden van een kinderziel doorgronden en door vroegtijdig aangewende
maatregelen verhoeden dat zij tot karakterfouten aangroeien? Wie kan zoo
goed als zij het dwalende kind behoeden tegen de gevaren die het omringen
als het zich ontwikkelt tot man of vrouw? Wie kan beter dan de moeder de
kinderziel opvoeren tot een hooger leven?
Maar hiervoor is naast teederheid en moederliefde eene zekere mate van
geestelijke ontwikkeling en tijd noodig en wat komt van beide terecht als de
moeder van haar 20e tot haar 45e jaar, de schoonste jaren van haar leven,
opgaat in het onbeperkt voortplanten? Velen zijn wel is waar van meening
hiermede een daad van maatschappelijke beteekenis te verrichten,
genoegzaam opwegend tegen elken anderen socialen arbeid, doch nemen
wij kennis van de verschillende inzichten der staathuishoudkundigen over
dit vraagstuk, dan zien wij dat dit nog lang niet zeker is. Alleen in het
allergunstigste geval, dat man en vrouw volkomen gezond zijn en, want ook
daarop komt het aan, in staat hun kinderen goed op te voeden, kan het van
maatschappelijk belang zijn als zulk een gezin zich uitbreidt. Maar dan nog
dient, in het belang van het nieuwe geslacht, tusschen iedere geboorte
genoegzaam tijd te verloopen, opdat de moeder niet te veel van haar
krachten inboet en genoeg tijd overhoudt om ook de opvoeding van haar
kinderen zelf te kunnen leiden.
Die gunstige gevallen behooren evenwel helaas tot de uitzonderingen en er
zullen nog vele geslachten na ons moeten komen, voordat alle ellende is
overwonnen veroorzaakt door het tot dusver bijna algemeen gevolgde
systeem van een roekeloos kweeken van zieke individuen. Want met onze
tegenwoordige begrippen van de huwelijkswaarde der vrouw, een
huwelijkswaarde die maar al te dikwijls schuilt in de brandkast van den
vader, blijven vele gezonde, krachtige vrouwen ongehuwd en als gevolg
daarvan kinderloos, terwijl een menigte zwakken en ziekelijken onder hen
voor de voortplanting worden bestemd.
De economische onafhankelijkheid der vrouw evenwel loopt voorloopig
ook nog groot gevaar indien de gezonde vrouwen te veel kinderen krijgen.
Page 70
Het valt niet te ontkennen dat het meerendeel der vrouwen, zelfs de meest
ontwikkelden en nuttigst werkzamen onder haar een verlangen, een drang
gevoelen naar het moederschap, (voor een deel, wel is waar, een gevolg van
een bewuste of onbewuste behoefte aan geslachtsgemeenschap) een drang
waaraan echter meestal met het bezit van een of twee kinderen is voldaan.
Zoodra het evenwel een uitgemaakte zaak zal zijn dat het een
maatschappelijk voordeel is om gezonde ouders sterk te laten voortplanten,
zou het denkbeeld om de moeder van zulk een kroost door den Staat te
subsidieeren, ten einde daardoor haar onafhankelijkheid te kunnen bewaren,
spoedig ingang vinden. Tot wij echter zoover zijn, zullen de vrouwen in
eigen onderhoud en voor zoover zij moeder wenschen te worden voor een
deel ook in dat hunner kinderen moeten kunnen voorzien.
In onze steeds zich vereenvoudigende wijze van huishouden vindt de
moeder van een of twee kinderen voldoenden tijd voor geestelijke
ontwikkeling, geestelijke verheffing en om tegelijkertijd door betaalden
arbeid een onafhankelijke positie in de maatschappij en in het gezin te
verwerven.
Vele vrouwen, misschien nog wel de meerderheid, zullen mij waarschijnlijk
tegenwerpen, dat zij volstrekt niet haken naar die haar toegedachte
onafhankelijkheid en dat zij het zoogenaamde juk waaronder zij zouden
gebukt gaan, volstrekt niet onaangenaam vinden. Dezulken kan ik niet
anders zeggen dan dat zij geheel gelijk te stellen zijn met vele vroegere
slaven, die ook—toevallig dienende onder goede meesters—het werk van
de abolitionisten zoo moeielijk maakten, omdat zij steeds beweerden liever
als slaven te blijven dienen, dan hun vrijheid te erlangen. Zij gevoelden niet
de vernedering die in hun slaafsche positie schuilde, en gewend als zij
waren aan eentonigen, zwaren arbeid, die hun wel geen levensgeluk, maar
toch levensonderhoud bood, vreesden zij bij verandering van toestand voor
dit levensonderhoud niet zelf te kunnen zorgen. De jarenlange druk van het
slavenjuk had hun nek reeds zoo gekromd, dat het hun onmogelijk was
geworden het hoofd fier omhoog te houden. Eerst jaren later, nadat zij zich
langzamerhand van slaaf tot mensch hadden ontwikkeld, gevoelden zij de
ontwikkelden en nuttigst werkzamen onder haar een verlangen, een drang
gevoelen naar het moederschap, (voor een deel, wel is waar, een gevolg van
een bewuste of onbewuste behoefte aan geslachtsgemeenschap) een drang
waaraan echter meestal met het bezit van een of twee kinderen is voldaan.
Zoodra het evenwel een uitgemaakte zaak zal zijn dat het een
maatschappelijk voordeel is om gezonde ouders sterk te laten voortplanten,
zou het denkbeeld om de moeder van zulk een kroost door den Staat te
subsidieeren, ten einde daardoor haar onafhankelijkheid te kunnen bewaren,
spoedig ingang vinden. Tot wij echter zoover zijn, zullen de vrouwen in
eigen onderhoud en voor zoover zij moeder wenschen te worden voor een
deel ook in dat hunner kinderen moeten kunnen voorzien.
In onze steeds zich vereenvoudigende wijze van huishouden vindt de
moeder van een of twee kinderen voldoenden tijd voor geestelijke
ontwikkeling, geestelijke verheffing en om tegelijkertijd door betaalden
arbeid een onafhankelijke positie in de maatschappij en in het gezin te
verwerven.
Vele vrouwen, misschien nog wel de meerderheid, zullen mij waarschijnlijk
tegenwerpen, dat zij volstrekt niet haken naar die haar toegedachte
onafhankelijkheid en dat zij het zoogenaamde juk waaronder zij zouden
gebukt gaan, volstrekt niet onaangenaam vinden. Dezulken kan ik niet
anders zeggen dan dat zij geheel gelijk te stellen zijn met vele vroegere
slaven, die ook—toevallig dienende onder goede meesters—het werk van
de abolitionisten zoo moeielijk maakten, omdat zij steeds beweerden liever
als slaven te blijven dienen, dan hun vrijheid te erlangen. Zij gevoelden niet
de vernedering die in hun slaafsche positie schuilde, en gewend als zij
waren aan eentonigen, zwaren arbeid, die hun wel geen levensgeluk, maar
toch levensonderhoud bood, vreesden zij bij verandering van toestand voor
dit levensonderhoud niet zelf te kunnen zorgen. De jarenlange druk van het
slavenjuk had hun nek reeds zoo gekromd, dat het hun onmogelijk was
geworden het hoofd fier omhoog te houden. Eerst jaren later, nadat zij zich
langzamerhand van slaaf tot mensch hadden ontwikkeld, gevoelden zij de
Page 71
groote verplichting die zij aan hun weldoeners verschuldigd waren. Zoo zal
het ook gaan met de vrouwen.
Zij allen gevoelen niet de vernedering die in hare positie gelegen is; de
meesten meenen nog dat zij niet in eigen onderhoud kunnen voorzien en
ook dat zij er niet in behoeven te voorzien, omdat zij geboren werden om
echtgenoote en moeder te worden; een opvatting waarnaar dan al de
ongehuwde en kinderlooze vrouwen haar doel op aarde zouden gemist
hebben. Alsof de vrouw niet even als de man moet trachten zich te
ontwikkelen tot mensch in de hoogste beteekenis van dat woord en alsof
niet het huwelijk en het moederschap ook aan dit verheven doel moeten
worden dienstbaar gemaakt.
Ik meen echter met vorenstaand te hebben aangetoond dat dit doel nimmer
kan bereikt worden met huwelijken uit andere beweegredenen gesloten dan
liefde en met eene voortplanting, waarbij men zich geen rekenschap geeft
van de levensvoorwaarden der te verwekken kinderen.
het ook gaan met de vrouwen.
Zij allen gevoelen niet de vernedering die in hare positie gelegen is; de
meesten meenen nog dat zij niet in eigen onderhoud kunnen voorzien en
ook dat zij er niet in behoeven te voorzien, omdat zij geboren werden om
echtgenoote en moeder te worden; een opvatting waarnaar dan al de
ongehuwde en kinderlooze vrouwen haar doel op aarde zouden gemist
hebben. Alsof de vrouw niet even als de man moet trachten zich te
ontwikkelen tot mensch in de hoogste beteekenis van dat woord en alsof
niet het huwelijk en het moederschap ook aan dit verheven doel moeten
worden dienstbaar gemaakt.
Ik meen echter met vorenstaand te hebben aangetoond dat dit doel nimmer
kan bereikt worden met huwelijken uit andere beweegredenen gesloten dan
liefde en met eene voortplanting, waarbij men zich geen rekenschap geeft
van de levensvoorwaarden der te verwekken kinderen.
Page 72
Colofon
Beschikbaarheid
Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen
beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of
hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit
eBoek of on-line op www.gutenberg.org.
Dit eBoek is geproduceerd door Anna Tuinman, Jeroen Hellingman en het on-
line gedistribueerd correctie team op www.pgdp.net.
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no
restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the
terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
www.gutenberg.org.
This eBook is produced by Anna Tuinman, Jeroen Hellingman and the Online
Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net.
Codering
Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst
te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn
stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd.
Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het corr-element.
Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn
deze in dit bestand gecodeerd met “. Geneste dubbele aanhalingstekens zijn
stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens.
Documentgeschiedenis
2008-05-10 Begonnen.
Beschikbaarheid
Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen
beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of
hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie bij dit
eBoek of on-line op www.gutenberg.org.
Dit eBoek is geproduceerd door Anna Tuinman, Jeroen Hellingman en het on-
line gedistribueerd correctie team op www.pgdp.net.
This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with almost no
restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the
terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
www.gutenberg.org.
This eBook is produced by Anna Tuinman, Jeroen Hellingman and the Online
Distributed Proofreading Team at www.pgdp.net.
Codering
Dit bestand is in een verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst
te moderniseren. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn
stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn gecorrigeerd.
Dergelijke correcties zijn gemarkeerd met het corr-element.
Hoewel in het origineel laag liggende aanhalingstekens openen gebruikt, zijn
deze in dit bestand gecodeerd met “. Geneste dubbele aanhalingstekens zijn
stilzwijgend veranderd in enkele aanhalingstekens.
Documentgeschiedenis
2008-05-10 Begonnen.
Page 73
Verbeteringen
De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
Plaats Bron Verbetering
Bladzijde 3 of af
Bladzijde 5 Kenaely Kenealy
Bladzijde 6 adopteeren adapteeren
Bladzijde
: [Verwijderd]
12
Bladzijde
toepasing toepassing
14
Bladzijde
[Niet in bron] ”
24
Bladzijde
IJselstein IJsselstein
55
Bladzijde
huishoudingtje huishoudinkje
66
Bladzijde
[Niet in bron] wordt
68
Bladzijde
wordt [Verwijderd]
68
De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
Plaats Bron Verbetering
Bladzijde 3 of af
Bladzijde 5 Kenaely Kenealy
Bladzijde 6 adopteeren adapteeren
Bladzijde
: [Verwijderd]
12
Bladzijde
toepasing toepassing
14
Bladzijde
[Niet in bron] ”
24
Bladzijde
IJselstein IJsselstein
55
Bladzijde
huishoudingtje huishoudinkje
66
Bladzijde
[Niet in bron] wordt
68
Bladzijde
wordt [Verwijderd]
68
Page 74
*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK
VROUWENBELANGEN ***
Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.
Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright royalties.
Special rules, set forth in the General Terms of Use part of this license,
apply to copying and distributing Project Gutenberg™ electronic
works to protect the PROJECT GUTENBERG™ concept and
trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, and may not
be used if you charge for an eBook, except by following the terms of
the trademark license, including paying royalties for use of the Project
Gutenberg trademark. If you do not charge anything for copies of this
eBook, complying with the trademark license is very easy. You may
use this eBook for nearly any purpose such as creation of derivative
works, reports, performances and research. Project Gutenberg eBooks
may be modified and printed and given away—you may do practically
ANYTHING in the United States with eBooks not protected by U.S.
copyright law. Redistribution is subject to the trademark license,
especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
VROUWENBELANGEN ***
Updated editions will replace the previous one—the old editions will
be renamed.
Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
law means that no one owns a United States copyright in these works,
so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United
States without permission and without paying copyright royalties.
Special rules, set forth in the General Terms of Use part of this license,
apply to copying and distributing Project Gutenberg™ electronic
works to protect the PROJECT GUTENBERG™ concept and
trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, and may not
be used if you charge for an eBook, except by following the terms of
the trademark license, including paying royalties for use of the Project
Gutenberg trademark. If you do not charge anything for copies of this
eBook, complying with the trademark license is very easy. You may
use this eBook for nearly any purpose such as creation of derivative
works, reports, performances and research. Project Gutenberg eBooks
may be modified and printed and given away—you may do practically
ANYTHING in the United States with eBooks not protected by U.S.
copyright law. Redistribution is subject to the trademark license,
especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
Page 75
THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work (or
any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full Project
Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and Redistributing
Project Gutenberg electronic works
1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg electronic
work, you indicate that you have read, understand, agree to and accept
all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
all copies of Project Gutenberg electronic works in your possession. If
you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project Gutenberg
electronic work and you do not agree to be bound by the terms of this
agreement, you may obtain a refund from the person or entity to whom
you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people
who agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this agreement
and help preserve free future access to Project Gutenberg electronic
works. See paragraph 1.E below.
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work (or
any other work associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full Project
Gutenberg License available with this file or online at
www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and Redistributing
Project Gutenberg electronic works
1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg electronic
work, you indicate that you have read, understand, agree to and accept
all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
all copies of Project Gutenberg electronic works in your possession. If
you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project Gutenberg
electronic work and you do not agree to be bound by the terms of this
agreement, you may obtain a refund from the person or entity to whom
you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people
who agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg electronic works
even without complying with the full terms of this agreement. See
paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg electronic works if you follow the terms of this agreement
and help preserve free future access to Project Gutenberg electronic
works. See paragraph 1.E below.
Page 76
1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the
collection of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the
individual works in the collection are in the public domain in the
United States. If an individual work is unprotected by copyright law in
the United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting free
access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg works
in compliance with the terms of this agreement for keeping the Project
Gutenberg name associated with the work. You can easily comply with
the terms of this agreement by keeping this work in the same format
with its attached full Project Gutenberg License when you share it
without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.
1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
access to, the full Project Gutenberg License must appear prominently
whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work on which
the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase
“Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed,
viewed, copied or distributed:
Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the
collection of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the
individual works in the collection are in the public domain in the
United States. If an individual work is unprotected by copyright law in
the United States and you are located in the United States, we do not
claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
displaying or creating derivative works based on the work as long as
all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
that you will support the Project Gutenberg mission of promoting free
access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg works
in compliance with the terms of this agreement for keeping the Project
Gutenberg name associated with the work. You can easily comply with
the terms of this agreement by keeping this work in the same format
with its attached full Project Gutenberg License when you share it
without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
in a constant state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the terms of this
agreement before downloading, copying, displaying, performing,
distributing or creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes no
representations concerning the copyright status of any work in any
country other than the United States.
1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
access to, the full Project Gutenberg License must appear prominently
whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work on which
the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase
“Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed,
viewed, copied or distributed:
Page 77
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States
and most other parts of the world at no cost and with almost no
restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
under the terms of the Project Gutenberg™ License included with
this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located
in the United States, you will have to check the laws of the
country where you are located before using this eBook.
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is derived
from texts not protected by U.S. copyright law (does not contain a
notice indicating that it is posted with permission of the copyright
holder), the work can be copied and distributed to anyone in the United
States without paying any fees or charges. If you are redistributing or
providing access to a work with the phrase “Project Gutenberg”
associated with or appearing on the work, you must comply either with
the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or obtain
permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works posted
with the permission of the copyright holder found at the beginning of
this work.
1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.
1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.
and most other parts of the world at no cost and with almost no
restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
under the terms of the Project Gutenberg™ License included with
this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located
in the United States, you will have to check the laws of the
country where you are located before using this eBook.
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is derived
from texts not protected by U.S. copyright law (does not contain a
notice indicating that it is posted with permission of the copyright
holder), the work can be copied and distributed to anyone in the United
States without paying any fees or charges. If you are redistributing or
providing access to a work with the phrase “Project Gutenberg”
associated with or appearing on the work, you must comply either with
the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or obtain
permission for the use of the work and the Project Gutenberg
trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
will be linked to the Project Gutenberg License for all works posted
with the permission of the copyright holder found at the beginning of
this work.
1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg.
1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.
Page 78
1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide
access to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means of
obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.
1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works provided
that:
• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the
use of Project Gutenberg works calculated using the method you
already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the
owner of the Project Gutenberg trademark, but he has agreed to donate
royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days
following each date on which you prepare (or are legally required to
prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly
marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation at the address specified in Section 4, “Information about
donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.”
• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does
not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You
must require such a user to return or destroy all copies of the works
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
any word processing or hypertext form. However, if you provide
access to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format
other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official
version posted on the official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means of
obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the
full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1.
1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg electronic works provided
that:
• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the
use of Project Gutenberg works calculated using the method you
already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the
owner of the Project Gutenberg trademark, but he has agreed to donate
royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days
following each date on which you prepare (or are legally required to
prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly
marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation at the address specified in Section 4, “Information about
donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.”
• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does
not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You
must require such a user to return or destroy all copies of the works
Page 79
possessed in a physical medium and discontinue all use of and all
access to other copies of Project Gutenberg™ works.
• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.
• You comply with all other terms of this agreement for free distribution
of Project Gutenberg™ works.
1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg™
electronic work or group of works on different terms than are set forth
in this agreement, you must obtain permission in writing from the
Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of the
Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set forth in
Section 3 below.
1.F.
1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend
considerable effort to identify, do copyright research on, transcribe and
proofread works not protected by U.S. copyright law in creating the
Project Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project
Gutenberg™ electronic works, and the medium on which they may be
stored, may contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete,
inaccurate or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.
1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES -
Except for the “Right of Replacement or Refund” described in
paragraph 1.F.3, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation,
the owner of the Project Gutenberg™ trademark, and any other party
distributing a Project Gutenberg™ electronic work under this
agreement, disclaim all liability to you for damages, costs and
access to other copies of Project Gutenberg™ works.
• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.
• You comply with all other terms of this agreement for free distribution
of Project Gutenberg™ works.
1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg™
electronic work or group of works on different terms than are set forth
in this agreement, you must obtain permission in writing from the
Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of the
Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set forth in
Section 3 below.
1.F.
1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend
considerable effort to identify, do copyright research on, transcribe and
proofread works not protected by U.S. copyright law in creating the
Project Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project
Gutenberg™ electronic works, and the medium on which they may be
stored, may contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete,
inaccurate or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.
1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES -
Except for the “Right of Replacement or Refund” described in
paragraph 1.F.3, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation,
the owner of the Project Gutenberg™ trademark, and any other party
distributing a Project Gutenberg™ electronic work under this
agreement, disclaim all liability to you for damages, costs and
Page 80
expenses, including legal fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO
REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT LIABILITY, BREACH
OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE
FOUNDATION, THE TRADEMARK OWNER, AND ANY
DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT,
CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL DAMAGES
EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you
discover a defect in this electronic work within 90 days of receiving it,
you can receive a refund of the money (if any) you paid for it by
sending a written explanation to the person you received the work
from. If you received the work on a physical medium, you must return
the medium with your written explanation. The person or entity that
provided you with the defective work may elect to provide a
replacement copy in lieu of a refund. If you received the work
electronically, the person or entity providing it to you may choose to
give you a second opportunity to receive the work electronically in lieu
of a refund. If the second copy is also defective, you may demand a
refund in writing without further opportunities to fix the problem.
1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth in
paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED,
INCLUDING BUT NOT LIMITED TO WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. If
any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the law
of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT LIABILITY, BREACH
OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE
FOUNDATION, THE TRADEMARK OWNER, AND ANY
DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT,
CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL DAMAGES
EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.
1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you
discover a defect in this electronic work within 90 days of receiving it,
you can receive a refund of the money (if any) you paid for it by
sending a written explanation to the person you received the work
from. If you received the work on a physical medium, you must return
the medium with your written explanation. The person or entity that
provided you with the defective work may elect to provide a
replacement copy in lieu of a refund. If you received the work
electronically, the person or entity providing it to you may choose to
give you a second opportunity to receive the work electronically in lieu
of a refund. If the second copy is also defective, you may demand a
refund in writing without further opportunities to fix the problem.
1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth in
paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO
OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED,
INCLUDING BUT NOT LIMITED TO WARRANTIES OF
MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. If
any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the law
of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
Page 81
the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the
Foundation, the trademark owner, any agent or employee of the
Foundation, anyone providing copies of Project Gutenberg™
electronic works in accordance with this agreement, and any
volunteers associated with the production, promotion and distribution
of Project Gutenberg™ electronic works, harmless from all liability,
costs and expenses, including legal fees, that arise directly or indirectly
from any of the following which you do or cause to occur: (a)
distribution of this or any Project Gutenberg work, (b) alteration,
modification, or additions or deletions to any Project Gutenberg work,
and (c) any Defect you cause.
Section 2. Information about the Mission of Project
Gutenberg
Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.
Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s goals
and ensuring that the Project Gutenberg collection will remain freely
available for generations to come. In 2001, the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation was created to provide a secure and
permanent future for Project Gutenberg and future generations. To
learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 and
the Foundation information page at www.gutenberg.org.
Section 3. Information about the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation
provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the
Foundation, the trademark owner, any agent or employee of the
Foundation, anyone providing copies of Project Gutenberg™
electronic works in accordance with this agreement, and any
volunteers associated with the production, promotion and distribution
of Project Gutenberg™ electronic works, harmless from all liability,
costs and expenses, including legal fees, that arise directly or indirectly
from any of the following which you do or cause to occur: (a)
distribution of this or any Project Gutenberg work, (b) alteration,
modification, or additions or deletions to any Project Gutenberg work,
and (c) any Defect you cause.
Section 2. Information about the Mission of Project
Gutenberg
Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of
computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
from people in all walks of life.
Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s goals
and ensuring that the Project Gutenberg collection will remain freely
available for generations to come. In 2001, the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation was created to provide a secure and
permanent future for Project Gutenberg and future generations. To
learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 and
the Foundation information page at www.gutenberg.org.
Section 3. Information about the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation
Page 82
The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the state
of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal Revenue
Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification number is
64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation are tax deductible to the full extent permitted by U.S.
federal laws and your state’s laws.
The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza
#516, Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact
links and up to date contact information can be found at the
Foundation’s website and official page at www.gutenberg.org/contact
Section 4. Information about Donations to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation
Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without
widespread public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small
donations ($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax
exempt status with the IRS.
The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United States.
Compliance requirements are not uniform and it takes a considerable
effort, much paperwork and many fees to meet and keep up with these
requirements. We do not solicit donations in locations where we have
not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
state visit www.gutenberg.org/donate.
While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the state
of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal Revenue
Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification number is
64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation are tax deductible to the full extent permitted by U.S.
federal laws and your state’s laws.
The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza
#516, Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact
links and up to date contact information can be found at the
Foundation’s website and official page at www.gutenberg.org/contact
Section 4. Information about Donations to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation
Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without
widespread public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment. Many small
donations ($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax
exempt status with the IRS.
The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United States.
Compliance requirements are not uniform and it takes a considerable
effort, much paperwork and many fees to meet and keep up with these
requirements. We do not solicit donations in locations where we have
not received written confirmation of compliance. To SEND
DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
state visit www.gutenberg.org/donate.
While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
Page 83
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.
International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.
Section 5. General Information About Project Gutenberg
electronic works
Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg
concept of a library of electronic works that could be freely shared
with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
Gutenberg eBooks with only a loose network of volunteer support.
Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.
Most people start at our website which has the main PG search facility:
www.gutenberg.org.
This website includes information about Project Gutenberg, including
how to make donations to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
approach us with offers to donate.
International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations. To
donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.
Section 5. General Information About Project Gutenberg
electronic works
Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg
concept of a library of electronic works that could be freely shared
with anyone. For forty years, he produced and distributed Project
Gutenberg eBooks with only a loose network of volunteer support.
Project Gutenberg eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
edition.
Most people start at our website which has the main PG search facility:
www.gutenberg.org.
This website includes information about Project Gutenberg, including
how to make donations to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.