Page 1
Page 2
Page 3
The Project Gutenberg eBook of De Wedergeboorte
van Nederland
This eBook is for the use of anyone anywhere in the
United States and most other parts of the world at no
cost and with almost no restrictions whatsoever. You
may copy it, give it away or re-use it under the terms of
the Project Gutenberg License included with this eBook
or online at www.gutenberg.org. If you are not located in
the United States, you will have to check the laws of the
country where you are located before using this eBook.
Title: De Wedergeboorte van Nederland
Author: B. D. H. Tellegen
Commentator: H. T. Colenbrander
Release date: September 5, 2010 [eBook #33640]
Language: Dutch
van Nederland
This eBook is for the use of anyone anywhere in the
United States and most other parts of the world at no
cost and with almost no restrictions whatsoever. You
may copy it, give it away or re-use it under the terms of
the Project Gutenberg License included with this eBook
or online at www.gutenberg.org. If you are not located in
the United States, you will have to check the laws of the
country where you are located before using this eBook.
Title: De Wedergeboorte van Nederland
Author: B. D. H. Tellegen
Commentator: H. T. Colenbrander
Release date: September 5, 2010 [eBook #33640]
Language: Dutch
Page 4
Other information and formats:
www.gutenberg.org/ebooks/33640
Credits: Produced by André Engels and the Online
Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG
EBOOK DE WEDERGEBOORTE VAN NEDERLAND
***
Opmerkingen van de bewerker
De tekst in dit bestand wordt weergegeven in
de originele, verouderde spelling. Er is geen
poging gedaan de tekst te moderniseren.
Afgebroken woorden aan het einde van de
regel zijn stilzwijgend hersteld.
Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar
het eind van het hoofdstuk.
Overduidelijke druk- en spelfouten in het
origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien
van een dunne rode stippellijn, waarbij de
Brontekst via een zwevende pop-up
www.gutenberg.org/ebooks/33640
Credits: Produced by André Engels and the Online
Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG
EBOOK DE WEDERGEBOORTE VAN NEDERLAND
***
Opmerkingen van de bewerker
De tekst in dit bestand wordt weergegeven in
de originele, verouderde spelling. Er is geen
poging gedaan de tekst te moderniseren.
Afgebroken woorden aan het einde van de
regel zijn stilzwijgend hersteld.
Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar
het eind van het hoofdstuk.
Overduidelijke druk- en spelfouten in het
origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien
van een dunne rode stippellijn, waarbij de
Brontekst via een zwevende pop-up
Page 5
beschikbaar is.
Variaties in spelling (bv. met/zonder trema,
met/zonder afbreekstreepje) zijn behouden.
Errata zijn in de tekst gecorrigeerd; deze zijn
voorzien van een dunne grijze stippellijn.
Een overzicht van de aangebrachte correcties
is te vinden aan het eind van dit bestand.
Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe
referenties. Het kan zijn dat deze links voor u
niet werken.
Boek- en Kunstdrukkerij S. W. MELCHIOR—Amersfoort.
DE WEDERGEBOORTE
VAN NEDERLAND
DOOR
Mr. B. D. H. TELLEGEN
HOOGLEERAAR TE GRONINGEN.
Variaties in spelling (bv. met/zonder trema,
met/zonder afbreekstreepje) zijn behouden.
Errata zijn in de tekst gecorrigeerd; deze zijn
voorzien van een dunne grijze stippellijn.
Een overzicht van de aangebrachte correcties
is te vinden aan het eind van dit bestand.
Dit Project Gutenberg e-boek bevat externe
referenties. Het kan zijn dat deze links voor u
niet werken.
Boek- en Kunstdrukkerij S. W. MELCHIOR—Amersfoort.
DE WEDERGEBOORTE
VAN NEDERLAND
DOOR
Mr. B. D. H. TELLEGEN
HOOGLEERAAR TE GRONINGEN.
Page 6
TWEEDE (VERMEERDERDE) DRUK
BEZORGD DOOR
Dr. H. T. COLENBRANDER.
P. NOORDHOFF—1913—GRONINGEN.
BEZORGD DOOR
Dr. H. T. COLENBRANDER.
P. NOORDHOFF—1913—GRONINGEN.
Page 7
INHOUD.
Blz.
Inleiding 1
I. Het Grondgebied 7
II. De Opdracht van de Souvereiniteit der 43
Vereenigde Nederlanden aan den Prins
III. De samenstelling der Grondwet 72
IV. De Grondwet en de Maatschappij 112
V. De Regeeringsvorm 153
VI. De vereeniging met België 195
VII. De teruggaaf der koloniën 240
VIII. De invoering der Grondwet 262
IX. De vervanging of wijziging der Fransche 324
wetgeving
Blz.
Inleiding 1
I. Het Grondgebied 7
II. De Opdracht van de Souvereiniteit der 43
Vereenigde Nederlanden aan den Prins
III. De samenstelling der Grondwet 72
IV. De Grondwet en de Maatschappij 112
V. De Regeeringsvorm 153
VI. De vereeniging met België 195
VII. De teruggaaf der koloniën 240
VIII. De invoering der Grondwet 262
IX. De vervanging of wijziging der Fransche 324
wetgeving
Page 8
EEN WOORD VOORAF.
(1884).
.... Wat mij tot deze uitgaaf bewogen heeft, is de omstandigheid dat eene m. i.
averechtsche opvatting van het door mij behandelde gedeelte onzer politieke
geschiedenis weder meer en meer op den voorgrond schijnt te komen. Men
begint weder het verband te miskennen, dat er bestaat tusschen 1813 en
volgende jaren en de revolutie van 1795 met hetgeen er op gevolgd is. Men is er
weder op uit, de beteekenis dier revolutie in de schaduw te stellen, men sluit de
oogen daarvoor, dat met haar de staatseenheid niet alleen maar ook het streven
naar staatshervorming hare intrede hebben gedaan in ons vaderland. Daarom
vooral scheen het mij plichtmatig tot deze uitgaaf te besluiten. Wijkt mijne
voorstelling niet te veel van de waarheid af, dan is het korte tijdvak, door mij
beschreven, de schakel van een lange keten, en geenszins de aanvang eener
geheel nieuwe orde van zaken. Integendeel zijn 1813 en volgende jaren in vele
opzichten de voortzetting van hetgeen 1795 ons had gebracht of had trachten te
brengen. Dit te herinneren, dit boven allen twijfel te stellen, was vooral het doel
dezer uitgaaf. In hoeverre ik hierin geslaagd ben, moge de deskundige en
onbevooroordeelde lezer beslissen.
DE SCHRIJVER.
(1884).
.... Wat mij tot deze uitgaaf bewogen heeft, is de omstandigheid dat eene m. i.
averechtsche opvatting van het door mij behandelde gedeelte onzer politieke
geschiedenis weder meer en meer op den voorgrond schijnt te komen. Men
begint weder het verband te miskennen, dat er bestaat tusschen 1813 en
volgende jaren en de revolutie van 1795 met hetgeen er op gevolgd is. Men is er
weder op uit, de beteekenis dier revolutie in de schaduw te stellen, men sluit de
oogen daarvoor, dat met haar de staatseenheid niet alleen maar ook het streven
naar staatshervorming hare intrede hebben gedaan in ons vaderland. Daarom
vooral scheen het mij plichtmatig tot deze uitgaaf te besluiten. Wijkt mijne
voorstelling niet te veel van de waarheid af, dan is het korte tijdvak, door mij
beschreven, de schakel van een lange keten, en geenszins de aanvang eener
geheel nieuwe orde van zaken. Integendeel zijn 1813 en volgende jaren in vele
opzichten de voortzetting van hetgeen 1795 ons had gebracht of had trachten te
brengen. Dit te herinneren, dit boven allen twijfel te stellen, was vooral het doel
dezer uitgaaf. In hoeverre ik hierin geslaagd ben, moge de deskundige en
onbevooroordeelde lezer beslissen.
DE SCHRIJVER.
Page 9
BIJ DEN TWEEDEN DRUK.
De roem van het werk, waarvan hierbij een nieuwe uitgaaf wordt aangeboden,
is sinds lang gevestigd. Met name aan onze hoogescholen heeft het aan
beoefenaars van ons staatsrecht en onze geschiedenis groote diensten bewezen.
Om het die bij voortduring te laten vervullen scheen meer dan een eenvoudige
herdruk noodig. Niet dat Tellegen's beschouwingen verouderd zijn; integendeel,
het wil mij voorkomen dat jonger onderzoek het meerendeel er van bevestigen
kan. Maar zij kunnen nu gesteund worden (een enkele maal ook herzien) door
en uit veel uitgebreider bronnenmateriaal dan hem ten dienste stond. De noten
vooral waren te verjongen, daar het voor het practisch nut van het boek zeer
ongewenscht zou zijn geweest, zoo een herdruk naar thans door moderner
uitgaven op den achtergrond gebrachte publicatiën ware blijven verwijzen. Zoo
dikwijls dus in de noot naar een boek verwezen wordt dat in 1884 nog niet
bestond, ben ik voor de redactie dier noot of van dat gedeelte der noot
aansprakelijk.
Aan den tekst zelf van Tellegen heb ik niets van belang veranderd, doch, in
andere letter, achter ieder zijner hoofdstukken eenige bladzijden van mijne hand
doen volgen, die de bedoeling hebben den lezer indachtig te maken op hetgeen
jongere geschriften of bronnenuitgaven dan hij gebruikte, omtrent de door hem
besproken zaken kunnen doen opmerken.
Polemisch over het geheel is de strekking dier invoegsels niet: immers
Tellegen's grondgedachte is van de mijne niet ver verwijderd. Ook voor mij is
1813 de uitkomst der ontwikkeling sedert 1795: geen restauratie, maar
bevestiging der revolutie in wat zij voor Nederland bruikbaars had opgeleverd.
In Hogendorp's opzet komt dit niet sprekend uit; in wat er van werd, wel. Dit
heeft niemand ooit zoo klaar betoogd als Tellegen, en ver van mij is alle wensch
of pogen, op dit hoofdpunt hem te vertroebelen of te verzwakken. Moge het
integendeel blijken dat mijn bijwerk een steun en bevestiging is geweest.
De roem van het werk, waarvan hierbij een nieuwe uitgaaf wordt aangeboden,
is sinds lang gevestigd. Met name aan onze hoogescholen heeft het aan
beoefenaars van ons staatsrecht en onze geschiedenis groote diensten bewezen.
Om het die bij voortduring te laten vervullen scheen meer dan een eenvoudige
herdruk noodig. Niet dat Tellegen's beschouwingen verouderd zijn; integendeel,
het wil mij voorkomen dat jonger onderzoek het meerendeel er van bevestigen
kan. Maar zij kunnen nu gesteund worden (een enkele maal ook herzien) door
en uit veel uitgebreider bronnenmateriaal dan hem ten dienste stond. De noten
vooral waren te verjongen, daar het voor het practisch nut van het boek zeer
ongewenscht zou zijn geweest, zoo een herdruk naar thans door moderner
uitgaven op den achtergrond gebrachte publicatiën ware blijven verwijzen. Zoo
dikwijls dus in de noot naar een boek verwezen wordt dat in 1884 nog niet
bestond, ben ik voor de redactie dier noot of van dat gedeelte der noot
aansprakelijk.
Aan den tekst zelf van Tellegen heb ik niets van belang veranderd, doch, in
andere letter, achter ieder zijner hoofdstukken eenige bladzijden van mijne hand
doen volgen, die de bedoeling hebben den lezer indachtig te maken op hetgeen
jongere geschriften of bronnenuitgaven dan hij gebruikte, omtrent de door hem
besproken zaken kunnen doen opmerken.
Polemisch over het geheel is de strekking dier invoegsels niet: immers
Tellegen's grondgedachte is van de mijne niet ver verwijderd. Ook voor mij is
1813 de uitkomst der ontwikkeling sedert 1795: geen restauratie, maar
bevestiging der revolutie in wat zij voor Nederland bruikbaars had opgeleverd.
In Hogendorp's opzet komt dit niet sprekend uit; in wat er van werd, wel. Dit
heeft niemand ooit zoo klaar betoogd als Tellegen, en ver van mij is alle wensch
of pogen, op dit hoofdpunt hem te vertroebelen of te verzwakken. Moge het
integendeel blijken dat mijn bijwerk een steun en bevestiging is geweest.
Page 10
Voor het herdrukken van Tellegen's bijlagen eindelijk is na de jongste en nog
ter perse zijnde bronnenuitgaven van mijne hand alle reden vervallen. Zij zijn of
worden alle daarin opgenomen in het uitgebreider verband waarin zij behooren.
September 1913. H. T. COLENBRANDER.
ter perse zijnde bronnenuitgaven van mijne hand alle reden vervallen. Zij zijn of
worden alle daarin opgenomen in het uitgebreider verband waarin zij behooren.
September 1913. H. T. COLENBRANDER.
Page 11
INLEIDING.
Het onderwerp, dat ik wensch te behandelen, is de
wedergeboorte van Nederland na het ineenstorten der
fransche heerschappij in het laatst van 1813. Hoewel dit
onderwerp zich niet moge onderscheiden door zijne
nieuwheid, zoo vlei ik mij, dat het daarom zijne
aantrekkelijkheid nog niet geheel heeft verloren. Het
geldt toch ons vaderland. Ons vaderland, dat na de
overige volken van Europa in ontwikkeling en welvaart
voorbij te zijn gestreefd, in de 18e eeuw, als ware het
een gevolg der buitengewone krachtsinspanning, was
verslapt en ontzenuwd: dat de prooi was geworden van
binnenlandsche partijschappen, wel in staat, land en
volk te verscheuren, geenszins bij machte, de
instellingen der republiek naar de behoeften en ideeën
des tijds te hervormen.
Op den inval der Pruisen in 1787 was die der
Franschen in 1795 gevolgd: beide gebeurtenissen
stuitend voor het vaderlandsch gevoel onzer dagen, daar
zoowel bij de eerste als bij de tweede de vreemdeling
door onze landgenooten zelven te hulp was geroepen: in
Het onderwerp, dat ik wensch te behandelen, is de
wedergeboorte van Nederland na het ineenstorten der
fransche heerschappij in het laatst van 1813. Hoewel dit
onderwerp zich niet moge onderscheiden door zijne
nieuwheid, zoo vlei ik mij, dat het daarom zijne
aantrekkelijkheid nog niet geheel heeft verloren. Het
geldt toch ons vaderland. Ons vaderland, dat na de
overige volken van Europa in ontwikkeling en welvaart
voorbij te zijn gestreefd, in de 18e eeuw, als ware het
een gevolg der buitengewone krachtsinspanning, was
verslapt en ontzenuwd: dat de prooi was geworden van
binnenlandsche partijschappen, wel in staat, land en
volk te verscheuren, geenszins bij machte, de
instellingen der republiek naar de behoeften en ideeën
des tijds te hervormen.
Op den inval der Pruisen in 1787 was die der
Franschen in 1795 gevolgd: beide gebeurtenissen
stuitend voor het vaderlandsch gevoel onzer dagen, daar
zoowel bij de eerste als bij de tweede de vreemdeling
door onze landgenooten zelven te hulp was geroepen: in
Page 12
1787 door de oude partij, Oranje in verbond met de
oligarchie; in 1795 door hare slachtoffers, de patriotten,
de mannen van den nieuwen tijd. Kan men 1795
beschouwen als te zijn geweest eene straf voor 1787,
ook de mannen van 1795 hebben zwaar geboet voor hun
onvaderlandsch bedrijf, voor het inroepen der fransche
hulp. En met hen ook ons vaderland. Nederland de
satelliet van het heersch- en baatzuchtige Frankrijk;
onze landskinderen het kanonvleesch des keizers; handel
en scheepvaart gefnuikt, daar Engeland meester was van
de zee; ons koloniaal bezit aan datzelfde Engeland ten
prooi. Eindelijk ons volksbestaan geheel uitgewischt, en
Amsterdam de derde stad van het fransche keizerrijk.
Was het te verwonderen, dat men het tijdvak der
revolutie langzamerhand begon te beschouwen als een
tijdvak van smaad en schande, van ellende en van
rampzaligheid? Was het te verwonderen, dat althans de
onnadenkende menigte ééne zaak vergat? Dat zij zich
niet meer herinnerde, hoe ook de toestand van vóor 1795
verre van rooskleurig was geweest, dat zij niet meer
dacht aan de disharmonie, die er had bestaan tusschen de
maatschappij der 18e eeuw en de alleen voor den nood
van het oogenblik berekende instellingen der oude
republiek? Dat zij niet besefte, hoe de omwenteling van
1795 in vele opzichten een operatie was geweest, die,
hoe pijnlijk ook, voor de genezing noodzakelijk was,
oligarchie; in 1795 door hare slachtoffers, de patriotten,
de mannen van den nieuwen tijd. Kan men 1795
beschouwen als te zijn geweest eene straf voor 1787,
ook de mannen van 1795 hebben zwaar geboet voor hun
onvaderlandsch bedrijf, voor het inroepen der fransche
hulp. En met hen ook ons vaderland. Nederland de
satelliet van het heersch- en baatzuchtige Frankrijk;
onze landskinderen het kanonvleesch des keizers; handel
en scheepvaart gefnuikt, daar Engeland meester was van
de zee; ons koloniaal bezit aan datzelfde Engeland ten
prooi. Eindelijk ons volksbestaan geheel uitgewischt, en
Amsterdam de derde stad van het fransche keizerrijk.
Was het te verwonderen, dat men het tijdvak der
revolutie langzamerhand begon te beschouwen als een
tijdvak van smaad en schande, van ellende en van
rampzaligheid? Was het te verwonderen, dat althans de
onnadenkende menigte ééne zaak vergat? Dat zij zich
niet meer herinnerde, hoe ook de toestand van vóor 1795
verre van rooskleurig was geweest, dat zij niet meer
dacht aan de disharmonie, die er had bestaan tusschen de
maatschappij der 18e eeuw en de alleen voor den nood
van het oogenblik berekende instellingen der oude
republiek? Dat zij niet besefte, hoe de omwenteling van
1795 in vele opzichten een operatie was geweest, die,
hoe pijnlijk ook, voor de genezing noodzakelijk was,
Page 13
daar met en na die omwenteling veel van het oude en
verouderde was te gronde gegaan en nieuwe beginselen
van staatsbestuur waren begonnen wortel te schieten in
ons land? Het is waar, het streven naar politieke vrijheid,
hetwelk die omwenteling en de eerste staatsregeling, die
van 1798 kenmerkte, was spoedig in het zand verloopen;
het was onder den franschen invloed verstikt; dit neemt
echter niet weg, dat veel van hetgeen naast die politieke
vrijheid de revolutie kenmerkte, tot wasdom was
gekomen. De eenheid van den staat met zijne algemeene
wetten en zijn algemeen gouvernement in de plaats
gesteld van het veelhoofdig monster der oude republiek;
éen volk dus en in dit volk geen onderscheid van recht
meer uit het oogpunt van kerkgeloof, van stand of van
woonplaats, met andere woorden: de gelijkstelling der
godsdiensten, de afschaffing van de voorrechten der
geboorte in adel en patriciërs gevestigd, de emancipatie
van het platteland van den druk der edelen en der steden,
de gelijkstelling der generaliteitslanden met de overige
deelen des rijks. Het beginsel werd gehuldigd, dat de
macht van den een over den ander alleen
gerechtvaardigd kan worden door de behoefte der
geregeerden en niet door het belang der regenten; het in
vele opzichten privaatrechtelijk karakter van het bestuur
loste zich meer en meer op in een publiek recht, een
uitvloeisel van het algemeen belang. Dit alles was de
verouderde was te gronde gegaan en nieuwe beginselen
van staatsbestuur waren begonnen wortel te schieten in
ons land? Het is waar, het streven naar politieke vrijheid,
hetwelk die omwenteling en de eerste staatsregeling, die
van 1798 kenmerkte, was spoedig in het zand verloopen;
het was onder den franschen invloed verstikt; dit neemt
echter niet weg, dat veel van hetgeen naast die politieke
vrijheid de revolutie kenmerkte, tot wasdom was
gekomen. De eenheid van den staat met zijne algemeene
wetten en zijn algemeen gouvernement in de plaats
gesteld van het veelhoofdig monster der oude republiek;
éen volk dus en in dit volk geen onderscheid van recht
meer uit het oogpunt van kerkgeloof, van stand of van
woonplaats, met andere woorden: de gelijkstelling der
godsdiensten, de afschaffing van de voorrechten der
geboorte in adel en patriciërs gevestigd, de emancipatie
van het platteland van den druk der edelen en der steden,
de gelijkstelling der generaliteitslanden met de overige
deelen des rijks. Het beginsel werd gehuldigd, dat de
macht van den een over den ander alleen
gerechtvaardigd kan worden door de behoefte der
geregeerden en niet door het belang der regenten; het in
vele opzichten privaatrechtelijk karakter van het bestuur
loste zich meer en meer op in een publiek recht, een
uitvloeisel van het algemeen belang. Dit alles was de
Page 14
blijvende beteekenis geweest van de omwenteling van
1795. Veel daarvan was onder franschen invloed tot
stand gekomen; zelfs het Fransche keizerrijk, hoe
afkeerig ook van alles wat naar zelfregeering zweemde,
was ten opzichte van eenheid van staatsbestuur en
gelijkheid der ingezetenen een kind der revolutie
gebleven, en was ook hier te lande aan opruiming van
hetgeen daartegen in den weg stond bevorderlijk
geweest. Toch werd dit alles door het lijden en de
vernedering in de schaduw gesteld. Eene beweging, die
uitliep op het verlies van het hoogste goed, hetwelk een
volk bezit, op het verlies van zijne onafhankelijkheid,
kon niet meer met onpartijdigheid worden beschouwd.
De jaren 1795–1813 waren als 't ware door het
nederlandsche volk in babylonische ballingschap
doorleefd. Dit volk had geboet voor zijne zonden; het
was gestraft voor zijne ondankbaarheid jegens het
Opperwezen en—het huis van Oranje. En zoo laat het
zich verklaren, hoe het hoofd van dat huis bij het
betreden van den vaderlandschen bodem tot zijne
landgenooten durfde zeggen: „ik ben bereid en vastelijk
besloten, al het verledene te vergeven en te vergeten”
(proclamatie van 30 November 1813). Zoo laat het zich
verklaren, hoe die woorden geen aanstoot gaven, ja zelfs
door een man als Falck met ingenomenheid werden
begroet 1). Er ging geene stem uit het volk op, die zeide:
1795. Veel daarvan was onder franschen invloed tot
stand gekomen; zelfs het Fransche keizerrijk, hoe
afkeerig ook van alles wat naar zelfregeering zweemde,
was ten opzichte van eenheid van staatsbestuur en
gelijkheid der ingezetenen een kind der revolutie
gebleven, en was ook hier te lande aan opruiming van
hetgeen daartegen in den weg stond bevorderlijk
geweest. Toch werd dit alles door het lijden en de
vernedering in de schaduw gesteld. Eene beweging, die
uitliep op het verlies van het hoogste goed, hetwelk een
volk bezit, op het verlies van zijne onafhankelijkheid,
kon niet meer met onpartijdigheid worden beschouwd.
De jaren 1795–1813 waren als 't ware door het
nederlandsche volk in babylonische ballingschap
doorleefd. Dit volk had geboet voor zijne zonden; het
was gestraft voor zijne ondankbaarheid jegens het
Opperwezen en—het huis van Oranje. En zoo laat het
zich verklaren, hoe het hoofd van dat huis bij het
betreden van den vaderlandschen bodem tot zijne
landgenooten durfde zeggen: „ik ben bereid en vastelijk
besloten, al het verledene te vergeven en te vergeten”
(proclamatie van 30 November 1813). Zoo laat het zich
verklaren, hoe die woorden geen aanstoot gaven, ja zelfs
door een man als Falck met ingenomenheid werden
begroet 1). Er ging geene stem uit het volk op, die zeide:
Page 15
zoo het de vraag is van vergeven en vergeten, de
behoefte aan vergiffenis is niet aan de eene zijde alleen;
ook wij, uwe hoogheid, moeten bij onze verzoening veel
uit ons geheugen uitwisschen; ook gij en de uwen zijt
niet zonder schuld geweest. Wie heeft het eerst zich
bezondigd aan het inroepen van den vreemdeling? Wie
heeft in 1795 zijne medewerking verleend om de
koloniën Engeland in handen te spelen? Was het niet uw
vader Willem V? Wie heeft in 1799 bij den inval der
Engelschen en Russen aan hunne zijde gestaan, om met
geweld van vreemde wapenen de macht hier te lande te
hernemen? Was het niet uwe hoogheid zelf? En wanneer
op ons de schuld ligt van in het stof te hebben gekropen
voor den vreemdeling, is het ook in uw levensboek
geene zwarte bladzijde, tegen afstand van uwe
aanspraken op uw vaderland, in 1802 van Bonaparte te
hebben afgebedeld een brok duitschen grond 2),
waarover hij geen recht had te beschikken, en wat gij
niet kondet aannemen zonder de revolutie te huldigen?
Doch van dit alles werd geen woord gerept. Evenmin
daarvan, dat de laatste stadhouder, in plaats van oog en
oor te hebben voor de nooden en ideeën van den
nieuweren tijd, in plaats van sympathie te koesteren
voor het vooruitstrevende gedeelte des volks, in
bondgenootschap met de aristocratie was getreden en
ook na 1787 geene poging tot hervorming had gedaan.
behoefte aan vergiffenis is niet aan de eene zijde alleen;
ook wij, uwe hoogheid, moeten bij onze verzoening veel
uit ons geheugen uitwisschen; ook gij en de uwen zijt
niet zonder schuld geweest. Wie heeft het eerst zich
bezondigd aan het inroepen van den vreemdeling? Wie
heeft in 1795 zijne medewerking verleend om de
koloniën Engeland in handen te spelen? Was het niet uw
vader Willem V? Wie heeft in 1799 bij den inval der
Engelschen en Russen aan hunne zijde gestaan, om met
geweld van vreemde wapenen de macht hier te lande te
hernemen? Was het niet uwe hoogheid zelf? En wanneer
op ons de schuld ligt van in het stof te hebben gekropen
voor den vreemdeling, is het ook in uw levensboek
geene zwarte bladzijde, tegen afstand van uwe
aanspraken op uw vaderland, in 1802 van Bonaparte te
hebben afgebedeld een brok duitschen grond 2),
waarover hij geen recht had te beschikken, en wat gij
niet kondet aannemen zonder de revolutie te huldigen?
Doch van dit alles werd geen woord gerept. Evenmin
daarvan, dat de laatste stadhouder, in plaats van oog en
oor te hebben voor de nooden en ideeën van den
nieuweren tijd, in plaats van sympathie te koesteren
voor het vooruitstrevende gedeelte des volks, in
bondgenootschap met de aristocratie was getreden en
ook na 1787 geene poging tot hervorming had gedaan.
Page 16
Waarlijk tegenover het zondenregister van het
nederlandsche volk kon ook op menige tekortkoming
van het huis van Oranje worden gewezen. Over dit alles
echter werd gezwegen. Mogen er al enkelen zijn
geweest, in wier geest zoo iets is opgekomen, het was
voorzichtig, dit voor zich te houden, dit te verbergen
achter den muur hunner tanden. Van de omwenteling
van 1795, met de fransche heerschappij als haar gevolg,
kon niet te veel kwaads gezegd worden; het was de
antichrist, wiens rijk door God te pletter was geslagen.
En in zijne plaats zouden de oude tijden herleven met
het geliefde huis van Oranje aan het hoofd, en
Nederland zoude weder gelukkig worden als voorheen.
Aan de bovenstaande bladzijden is weinig toe te voegen; misschien is er wat
af te doen. Tellegen verstaat de volksstemming van 1813 verkeerd, indien hij
zelfs aan de mogelijkheid gelooft van een requisitoir tegen Oranje, zooals hij het
„enkelen” laat verbergen „achter den muur hunner tanden.” Hij ziet meen ik
voorbij, dat de „vergeven en vergeten”-passus uit de proclamatie van 30
November een weerklank is, weerklank van een geluid uit Nederland zelf
opgegaan. De woorden toch komen letterlijk zoo voor in het Oranje-strooibiljet
van Gijsbert Karel van 17 November: „al het geledene is vergeten en vergeven.”
Uit dit ook naar Londen gekomen strooibiljet heeft Hendrik Fagel, die de (in
Engeland gedrukte) proclamatie van den Prins opgesteld heeft, ze overgenomen.
Dat de natie vergaf, bleek uit het feit der terugroeping; er moest nu bewijs op
volgen dat ook de teruggeroepene ouden wrok uit het hart kon bannen. Dit te
verzekeren was van de zijde van Oranje geen ongevraagd durven, maar door het
volk gretig verlangde waarborg. De gewezen patriotten hebben er zich dan ook
geenszins door beleedigd, integendeel bevredigd gevoeld; het requisitoir is van
nederlandsche volk kon ook op menige tekortkoming
van het huis van Oranje worden gewezen. Over dit alles
echter werd gezwegen. Mogen er al enkelen zijn
geweest, in wier geest zoo iets is opgekomen, het was
voorzichtig, dit voor zich te houden, dit te verbergen
achter den muur hunner tanden. Van de omwenteling
van 1795, met de fransche heerschappij als haar gevolg,
kon niet te veel kwaads gezegd worden; het was de
antichrist, wiens rijk door God te pletter was geslagen.
En in zijne plaats zouden de oude tijden herleven met
het geliefde huis van Oranje aan het hoofd, en
Nederland zoude weder gelukkig worden als voorheen.
Aan de bovenstaande bladzijden is weinig toe te voegen; misschien is er wat
af te doen. Tellegen verstaat de volksstemming van 1813 verkeerd, indien hij
zelfs aan de mogelijkheid gelooft van een requisitoir tegen Oranje, zooals hij het
„enkelen” laat verbergen „achter den muur hunner tanden.” Hij ziet meen ik
voorbij, dat de „vergeven en vergeten”-passus uit de proclamatie van 30
November een weerklank is, weerklank van een geluid uit Nederland zelf
opgegaan. De woorden toch komen letterlijk zoo voor in het Oranje-strooibiljet
van Gijsbert Karel van 17 November: „al het geledene is vergeten en vergeven.”
Uit dit ook naar Londen gekomen strooibiljet heeft Hendrik Fagel, die de (in
Engeland gedrukte) proclamatie van den Prins opgesteld heeft, ze overgenomen.
Dat de natie vergaf, bleek uit het feit der terugroeping; er moest nu bewijs op
volgen dat ook de teruggeroepene ouden wrok uit het hart kon bannen. Dit te
verzekeren was van de zijde van Oranje geen ongevraagd durven, maar door het
volk gretig verlangde waarborg. De gewezen patriotten hebben er zich dan ook
geenszins door beleedigd, integendeel bevredigd gevoeld; het requisitoir is van
Page 17
een man van 1884, niet van 1813. „Geest en hart,” schrijft Falck, „waren open
voor alle redeneeringen gegrond op het beginsel van eensgezindheid en
verbroedering. De fraaie proclamatie die den Prins voorafgegaan was, het werk
van den voormaligen Griffier Fagel, had hiertoe het heugelijke sein gegeven, en
Z. M.'s eigene taal, houding en gedrag deden dag aan dag de vrees voor eene
terugwerking verminderen, zelfs bij die gemoedelijke patriotten welke zich bij
het overwegen der staatkundige denkwijze van van Stirum, van der Duyn en
Hogendorp niet van alle wantrouwen hadden kunnen vrij houden” 3).
Waar aan beide zijden schuld is geweest en boete, pleegt men elkander bij het
wederzien geen lange lijsten van grieven aan te bieden, maar ziet liever den weg
op die voorwaarts leidt.
Zoo is het in 1813 men mag zeggen door het geheele volk begrepen; zelden
of nooit is de eenstemmigheid in eenig opzicht in Nederland zóó groot geweest.
1) G. K. van Hogendorp in 1813, bijlage bl. 15.—Zie ook Falck's
Gedenkschriften, bl. 119.
2) Het bisdom en de abdij van Fulda, de abdij van Corvey, de abdij
van Weingarten, de steden Dortmund, Issny en Buchhorn, bij het tractaat den
23sten Mei 1802 tusschen Frankrijk en Pruisen gesloten, aangewezen als
schadevergoeding voor het verlies van het erfstadhouderschap. Zie over deze
zaak Gedenkstukken IV, 701.
3) Zie dat wantrouwen o. a. uitgedrukt in den curieuzen brief van
Fennekol aan Wiselius, Gedenkstukken VI, 1756.
voor alle redeneeringen gegrond op het beginsel van eensgezindheid en
verbroedering. De fraaie proclamatie die den Prins voorafgegaan was, het werk
van den voormaligen Griffier Fagel, had hiertoe het heugelijke sein gegeven, en
Z. M.'s eigene taal, houding en gedrag deden dag aan dag de vrees voor eene
terugwerking verminderen, zelfs bij die gemoedelijke patriotten welke zich bij
het overwegen der staatkundige denkwijze van van Stirum, van der Duyn en
Hogendorp niet van alle wantrouwen hadden kunnen vrij houden” 3).
Waar aan beide zijden schuld is geweest en boete, pleegt men elkander bij het
wederzien geen lange lijsten van grieven aan te bieden, maar ziet liever den weg
op die voorwaarts leidt.
Zoo is het in 1813 men mag zeggen door het geheele volk begrepen; zelden
of nooit is de eenstemmigheid in eenig opzicht in Nederland zóó groot geweest.
1) G. K. van Hogendorp in 1813, bijlage bl. 15.—Zie ook Falck's
Gedenkschriften, bl. 119.
2) Het bisdom en de abdij van Fulda, de abdij van Corvey, de abdij
van Weingarten, de steden Dortmund, Issny en Buchhorn, bij het tractaat den
23sten Mei 1802 tusschen Frankrijk en Pruisen gesloten, aangewezen als
schadevergoeding voor het verlies van het erfstadhouderschap. Zie over deze
zaak Gedenkstukken IV, 701.
3) Zie dat wantrouwen o. a. uitgedrukt in den curieuzen brief van
Fennekol aan Wiselius, Gedenkstukken VI, 1756.
Page 18
I.
HET GRONDGEBIED.
Het denkbeeld, dat het oude Nederland als 't ware
herleefde, had in één opzicht althans zijne voordeelige
zijde. Het scheen den prins van Oranje, het scheen de
hoofden der omwenteling van 1813 eene zaak, die als
van zelve sprak, dat door die herleving ook het
grondgebied der Vereenigde Nederlanden weder het
eigendom werd van den opgestanen Staat. Niet alleen,
dat de prins het bestuur op zich nam van hetgeen vóór
de inlijving in Frankrijk aan het koninkrijk Holland had
behoord. Ook zoodra een gedeelte van het bij tractaat
van 16 Maart 1810 afgestane grondgebied van de
fransche overheersching was bevrijd geworden, werd dit
bij besluit van 15 December 1813 met de Vereenigde
Nederlanden vereenigd verklaard. Koning Lodewijk had
bij dat tractaat de departementen van Zeeland en
Brabant, het land tusschen Maas en Waal, Nijmegen
daaronder begrepen, gelijk mede de Bommelerwaard en
het land van Altena, aan den keizer moeten afstaan; deze
had het kwartier Breda ingedeeld bij het departement der
HET GRONDGEBIED.
Het denkbeeld, dat het oude Nederland als 't ware
herleefde, had in één opzicht althans zijne voordeelige
zijde. Het scheen den prins van Oranje, het scheen de
hoofden der omwenteling van 1813 eene zaak, die als
van zelve sprak, dat door die herleving ook het
grondgebied der Vereenigde Nederlanden weder het
eigendom werd van den opgestanen Staat. Niet alleen,
dat de prins het bestuur op zich nam van hetgeen vóór
de inlijving in Frankrijk aan het koninkrijk Holland had
behoord. Ook zoodra een gedeelte van het bij tractaat
van 16 Maart 1810 afgestane grondgebied van de
fransche overheersching was bevrijd geworden, werd dit
bij besluit van 15 December 1813 met de Vereenigde
Nederlanden vereenigd verklaard. Koning Lodewijk had
bij dat tractaat de departementen van Zeeland en
Brabant, het land tusschen Maas en Waal, Nijmegen
daaronder begrepen, gelijk mede de Bommelerwaard en
het land van Altena, aan den keizer moeten afstaan; deze
had het kwartier Breda ingedeeld bij het departement der
Page 19
Beide Nethen en van de overige landen de
departementen der monden van de Schelde en der
monden van den Rijn gemaakt. En hoewel nu de
Franschen dit alles op verre na nog niet hadden verlaten
—men denke slechts aan Walcheren, eerst in Mei 1814
bevrijd—werden toch die landen reeds toen verklaard,
„evenals van ouds” uit te maken een deel van den Staat
der Vereenigde Nederlanden en onder het bestuur
daarvan geplaatst. Men dacht niet aan de mogelijkheid,
dat over deze weder-in-bezitneming bij iemand eenige
twijfel konde bestaan. En wanneer de prins vooreerst
met stilzwijgen den toestand dier landen voorbijging, die
reeds bij tractaat van 16 Mei 1795 met Frankrijk waren
vereenigd: Staats-Vlaanderen, Maastricht, Venlo en
hetgeen daarbij behoorde, wanneer hij daarover zweeg,
zoo meen ik de oorzaak daarvan niet zoo zeer te moeten
zoeken in den twijfel, of deze streken wel tot de
Vereenigde Nederlanden zouden terugkeeren, als wel
daarin, dat zoowel het een als het ander nog geheel in de
handen des vijands was.
Door denzelfden geest was Hogendorp bezield, toen
hij reeds den 28sten November 1813 4) aan Hendrik
Fagel, den vertrouwde van den prins te Londen, en dus
nog vóór de aankomst van dezen hier te lande, als zijne
meening te kennen gaf, hoe Nederland van Engeland de
dadelijke en onvoorwaardelijke teruggaaf der koloniën
departementen der monden van de Schelde en der
monden van den Rijn gemaakt. En hoewel nu de
Franschen dit alles op verre na nog niet hadden verlaten
—men denke slechts aan Walcheren, eerst in Mei 1814
bevrijd—werden toch die landen reeds toen verklaard,
„evenals van ouds” uit te maken een deel van den Staat
der Vereenigde Nederlanden en onder het bestuur
daarvan geplaatst. Men dacht niet aan de mogelijkheid,
dat over deze weder-in-bezitneming bij iemand eenige
twijfel konde bestaan. En wanneer de prins vooreerst
met stilzwijgen den toestand dier landen voorbijging, die
reeds bij tractaat van 16 Mei 1795 met Frankrijk waren
vereenigd: Staats-Vlaanderen, Maastricht, Venlo en
hetgeen daarbij behoorde, wanneer hij daarover zweeg,
zoo meen ik de oorzaak daarvan niet zoo zeer te moeten
zoeken in den twijfel, of deze streken wel tot de
Vereenigde Nederlanden zouden terugkeeren, als wel
daarin, dat zoowel het een als het ander nog geheel in de
handen des vijands was.
Door denzelfden geest was Hogendorp bezield, toen
hij reeds den 28sten November 1813 4) aan Hendrik
Fagel, den vertrouwde van den prins te Londen, en dus
nog vóór de aankomst van dezen hier te lande, als zijne
meening te kennen gaf, hoe Nederland van Engeland de
dadelijke en onvoorwaardelijke teruggaaf der koloniën
Page 20
in de drie werelddeelen verwachtte, koloniën, waarvan
Ceilon bij het vredesverdrag, den 17den Mei 1802 te
Amiens gesloten, uitdrukkelijk aan Engeland was
afgestaan, terwijl de overige koloniën sedert door dat
rijk veroverd waren in den oorlog tegen ons gevoerd.
Fagel, hoewel het beginsel niet bestrijdende, vond het
blijkens zijn antwoord van 1 December 1813 5) wat
voorbarig, toen reeds bij Engeland op de vervulling van
dien wensch aan te dringen. Holland moest eerst geheel
en al zelfstandig zijn, voordat men over die teruggaaf
kon onderhandelen. Men zoude anders gevaar loopen,
die koloniën, in plaats van aan het bevriende en
geallieerde Holland, aan het vijandige Frankrijk terug te
geven. Wanneer dit gevaar echter voorbij was, dan,
meende ook Fagel, zoude Engeland Holland met
broederlijke liefde te gemoet komen en deze zaak zich
tot wederzijdsche tevredenheid schikken.
Het was gelukkig, dat hetgeen men ten onzent
beschouwde als van zelf te spreken, ook door de
geallieerden niet als ongerijmd beschouwd werd. Was
het ook bij hen alleen de zucht om het onrecht der
revolutie uit te wisschen, die hunne gedragslijn
bepaalde? Ik zoude het niet durven beweren. Zij waren
—evenals Napoleon—zeer afkeerig van zelfregeering en
volksvrijheid, en in zoover aan de omwenteling van
1789 vijandig. Zij hadden echter, evenals Napoleon,
Ceilon bij het vredesverdrag, den 17den Mei 1802 te
Amiens gesloten, uitdrukkelijk aan Engeland was
afgestaan, terwijl de overige koloniën sedert door dat
rijk veroverd waren in den oorlog tegen ons gevoerd.
Fagel, hoewel het beginsel niet bestrijdende, vond het
blijkens zijn antwoord van 1 December 1813 5) wat
voorbarig, toen reeds bij Engeland op de vervulling van
dien wensch aan te dringen. Holland moest eerst geheel
en al zelfstandig zijn, voordat men over die teruggaaf
kon onderhandelen. Men zoude anders gevaar loopen,
die koloniën, in plaats van aan het bevriende en
geallieerde Holland, aan het vijandige Frankrijk terug te
geven. Wanneer dit gevaar echter voorbij was, dan,
meende ook Fagel, zoude Engeland Holland met
broederlijke liefde te gemoet komen en deze zaak zich
tot wederzijdsche tevredenheid schikken.
Het was gelukkig, dat hetgeen men ten onzent
beschouwde als van zelf te spreken, ook door de
geallieerden niet als ongerijmd beschouwd werd. Was
het ook bij hen alleen de zucht om het onrecht der
revolutie uit te wisschen, die hunne gedragslijn
bepaalde? Ik zoude het niet durven beweren. Zij waren
—evenals Napoleon—zeer afkeerig van zelfregeering en
volksvrijheid, en in zoover aan de omwenteling van
1789 vijandig. Zij hadden echter, evenals Napoleon,
Page 21
weinig eerbied voor de zelfstandigheid der volken, en
waren in zoover navolgers der revolutie en der
Napoleontische heerschappij. Men denke aan Genua, in
strijd zelfs met de beloften van Engelands vlootvoogd
met Piemont vereenigd; aan Venetië door Oostenrijk
ingeslikt; aan de vele duitsche geestelijke en wereldlijke
potentaten en potentaatjes, die in en na de fransche
omwenteling waren te niet gegaan en het feest der
opstanding niet mede zouden vieren; aan België, dat
tegen zijn zin zoude dienen ter vergrooting van Noord-
Nederland. Maar men denke bovenal aan de verdeeling
van Polen, vóór de revolutie door drie der geallieerde
mogendheden begonnen en in den revolutietijd
voortgezet, tot eene zekere hoogte het voorbeeld en de
verontschuldiging tevens van de uitspattingen van
Frankrijk. Van de restauratie van Polen kon niets komen.
Wat was dan de reden, waarom onze opstanding bij de
geallieerden geene tegenspraak ondervond? Was het de
verwantschap van het huis van Oranje met het pruisische
koningshuis, die eenig gewicht in de schaal legde?
Wellicht, hoewel Pruisen de eenige mogendheid was, die
(het gold de wederinbezitneming van landen op den
rechteroever der Maas) den terugkeer der Vereenigde
Nederlanden tot den vroegeren toestand niet als boven
alle bedenking verheven beschouwde 6). Was het de
omstandigheid dat er nog vóór de komst der geallieerden
waren in zoover navolgers der revolutie en der
Napoleontische heerschappij. Men denke aan Genua, in
strijd zelfs met de beloften van Engelands vlootvoogd
met Piemont vereenigd; aan Venetië door Oostenrijk
ingeslikt; aan de vele duitsche geestelijke en wereldlijke
potentaten en potentaatjes, die in en na de fransche
omwenteling waren te niet gegaan en het feest der
opstanding niet mede zouden vieren; aan België, dat
tegen zijn zin zoude dienen ter vergrooting van Noord-
Nederland. Maar men denke bovenal aan de verdeeling
van Polen, vóór de revolutie door drie der geallieerde
mogendheden begonnen en in den revolutietijd
voortgezet, tot eene zekere hoogte het voorbeeld en de
verontschuldiging tevens van de uitspattingen van
Frankrijk. Van de restauratie van Polen kon niets komen.
Wat was dan de reden, waarom onze opstanding bij de
geallieerden geene tegenspraak ondervond? Was het de
verwantschap van het huis van Oranje met het pruisische
koningshuis, die eenig gewicht in de schaal legde?
Wellicht, hoewel Pruisen de eenige mogendheid was, die
(het gold de wederinbezitneming van landen op den
rechteroever der Maas) den terugkeer der Vereenigde
Nederlanden tot den vroegeren toestand niet als boven
alle bedenking verheven beschouwde 6). Was het de
omstandigheid dat er nog vóór de komst der geallieerden
Page 22
in het hart des lands, aldaar eene poging tot
zelfbevrijding gedaan was, die geslaagd mocht heeten?
Ook dit is voorzeker niet zonder invloed op de wijze van
beschouwing der oppermachtige geallieerden. Maar
bovenal was het Engeland, dat de herleving der
Vereenigde Nederlanden wenschte en wilde, der
herleving der Vereenigde Nederlanden, mits vergroot en
uitgebreid. Het zoude voor Engeland zijn eene brug naar
het vasteland; het zoude beletten, dat de geheele kust
van Frankrijk naar Noord-Duitschland in handen kwam
van eene der machtige continentale mogendheden. Het
zoude een voormuur zijn tegen het altijd nog gevreesde
Frankrijk. Dit waren de redenen waarom de geallieerden
in 't algemeen en Engeland in 't bijzonder er niet aan
dachten, met Nederland te doen, wat men met Genua of
Venetië deed. Het was ook in de oogen van den
engelschen minister van buitenlandsche zaken, lord
Castlereagh, iets dat geene bekrachtiging noodig had,
iets wat ipso jure gold: de terugkeer van Nederland tot
zijnen vroegeren toestand 7). Deze wijze van
beschouwing, van den aanvang gehuldigd, heeft dan ook
gunstig gewerkt bij de conventie van 13 Augustus 1814
over de teruggaaf der koloniën met Engeland gesloten.
Wij keerden dus terug in het bezit van het
grondgebied der Vereenigde Nederlanden. Wij zouden
niet meer afhankelijk zijn van een buitenlandsche
zelfbevrijding gedaan was, die geslaagd mocht heeten?
Ook dit is voorzeker niet zonder invloed op de wijze van
beschouwing der oppermachtige geallieerden. Maar
bovenal was het Engeland, dat de herleving der
Vereenigde Nederlanden wenschte en wilde, der
herleving der Vereenigde Nederlanden, mits vergroot en
uitgebreid. Het zoude voor Engeland zijn eene brug naar
het vasteland; het zoude beletten, dat de geheele kust
van Frankrijk naar Noord-Duitschland in handen kwam
van eene der machtige continentale mogendheden. Het
zoude een voormuur zijn tegen het altijd nog gevreesde
Frankrijk. Dit waren de redenen waarom de geallieerden
in 't algemeen en Engeland in 't bijzonder er niet aan
dachten, met Nederland te doen, wat men met Genua of
Venetië deed. Het was ook in de oogen van den
engelschen minister van buitenlandsche zaken, lord
Castlereagh, iets dat geene bekrachtiging noodig had,
iets wat ipso jure gold: de terugkeer van Nederland tot
zijnen vroegeren toestand 7). Deze wijze van
beschouwing, van den aanvang gehuldigd, heeft dan ook
gunstig gewerkt bij de conventie van 13 Augustus 1814
over de teruggaaf der koloniën met Engeland gesloten.
Wij keerden dus terug in het bezit van het
grondgebied der Vereenigde Nederlanden. Wij zouden
niet meer afhankelijk zijn van een buitenlandsche
Page 23
mogendheid. Nederland zoude vrij zijn. Nederland
zoude zijnen rang hernemen in de rij der volkeren en de
vlag der Nederlanden weder op alle zeeën gezien
worden. Zoo sprak de prins, zoo sprak Joan Melchior
Kemper 8). Waar echter van vrijheid gesproken wordt, is
het slechts de eene zijde der zaak, wanneer men alleen
den blik vestigt op de onafhankelijkheid, op de
vernietiging der vreemde overheersching. Het land kan
in dien zin vrij zijn, terwijl het volk, dat in dat land
woont, aan den leiband loopt. Zoude het nederlandsche
volk nu een vrij volk zijn, met het oog op de
binnenlandsche toestanden? Die vraag zoude moeten
worden beantwoord door hen, die geroepen werden het
gebouw te stichten, waarin de nederlandsche
maatschappij zoude wonen. Het antwoord op die vraag
zoude door de te ontwerpen staatsregeling moeten
gegeven worden.
Omtrent de denkbeelden van Europa, en voornamelijk die van Engeland, ten
opzichte van het herstel van den Nederlandschen staat, is het mogelijk, en
wenschelijk, wat meer in bijzonderheden te treden dan Tellegen in het
bovenstaande heeft gedaan. Engeland was begonnen, bij acte gepasseerd
tusschen den minister Lord Grenville en den voortvluchtigen Willem V, 2 Febr.
1795, de Nederlandsche koloniën in bewaar te nemen: „S. M. Britannique,”
luidt dit stuk 9), „ayant fait à S. A. S. le Prince Stadhouder la proposition de
donner aux commandans des forteresses, des troupes et des vaisseaux
appartenans à la République des Provinces-Unies, l'ordre de se mettre sous la
protection de S. M., vu les circonstances dans lesquelles la République se trouve
zoude zijnen rang hernemen in de rij der volkeren en de
vlag der Nederlanden weder op alle zeeën gezien
worden. Zoo sprak de prins, zoo sprak Joan Melchior
Kemper 8). Waar echter van vrijheid gesproken wordt, is
het slechts de eene zijde der zaak, wanneer men alleen
den blik vestigt op de onafhankelijkheid, op de
vernietiging der vreemde overheersching. Het land kan
in dien zin vrij zijn, terwijl het volk, dat in dat land
woont, aan den leiband loopt. Zoude het nederlandsche
volk nu een vrij volk zijn, met het oog op de
binnenlandsche toestanden? Die vraag zoude moeten
worden beantwoord door hen, die geroepen werden het
gebouw te stichten, waarin de nederlandsche
maatschappij zoude wonen. Het antwoord op die vraag
zoude door de te ontwerpen staatsregeling moeten
gegeven worden.
Omtrent de denkbeelden van Europa, en voornamelijk die van Engeland, ten
opzichte van het herstel van den Nederlandschen staat, is het mogelijk, en
wenschelijk, wat meer in bijzonderheden te treden dan Tellegen in het
bovenstaande heeft gedaan. Engeland was begonnen, bij acte gepasseerd
tusschen den minister Lord Grenville en den voortvluchtigen Willem V, 2 Febr.
1795, de Nederlandsche koloniën in bewaar te nemen: „S. M. Britannique,”
luidt dit stuk 9), „ayant fait à S. A. S. le Prince Stadhouder la proposition de
donner aux commandans des forteresses, des troupes et des vaisseaux
appartenans à la République des Provinces-Unies, l'ordre de se mettre sous la
protection de S. M., vu les circonstances dans lesquelles la République se trouve
Page 24
par l'occupation de la province de Hollande par une force ennemie, S. M.
s'engage de la manière la plus formelle qu'Elle ne tiendra qu'en dépôt tout
vaisseau, forteresse ou place quelconque, qui se mettra sous Sa protection en
conséquence du dit ordre, et qu'Elle le restituera à la République des Provinces-
Unies, dès que S. M. et la République se trouvent en paix avec le France, et que
l'indépendance de la République et sa constitution légitime garantie par S. M. en
1788 seront assurées.”
Met de bedoelde orders van den Prins aan de Nederlandsche gezaghebbers,
gedagteekend Kew 7 Febr. 1795 10), voorzien, vertoonden zich de Engelschen in
den loop van den oorlog die met den vrede van Amiens eindigde, voor de
meeste Nederlandsche koloniën en bezittingen, welke echter over het geheel
zich niet onmiddellijk, ingevolge 's Prinsen bevel, onder Engelsche bescherming
hebben gesteld, doch eene zwakke en bijna steeds vruchtelooze verdediging
hebben gevoerd. Een aanval op Ternate alleen en een eerste op Suriname
werden afgeslagen; een tweede aanval op Suriname gelukte 11). In het geheel
gingen over de Kaap, Ceilon, de nederzettingen op de kusten van Coromandel
en Malabaar, in Bengalen, op Sumatra's Westkust, Malakka, Amboina, Banda,
Berbice, Essequebo, Demerary, Suriname (eerst in 1799) en Curaçao (eerst in
1800). Behouden bleven dus alleen Java, Bandjermassing, Makassar, Ternate,
het kantoor op Desima en de Goudkust.
Van de aldus in Engelands handen gevallen bezittingen waren er twee die
Engeland sinds lang begeerd had en die het zoo eenigszins mogelijk voor goed
wilde behouden: de Kaap en Ceilon. Sedert Engeland door de veroveringen van
Clive en Warren Hastings hoofdmacht in Voor-Indië was geworden in plaats van
Frankrijk, moest het ook het aanloopstation op den weg naar Indië in zijn bezit
wenschen, terwijl Ceilon in vreemde handen in oorlogstijd gemakkelijk eene
bedreiging voor Engelands positie in Indië worden kon. De oorlog van 1781 had
bewezen dat die positie feitelijk onbevestigd bleef zoolang de Kaap en Ceilon
niet in Engelsch bezit waren: alleen op die beide Nederlandsche koloniën
gesteund, had Suffren zijn gevaarlijken maritiemen aanval op Britsch-Indië
kunnen ondernemen.
Daar nu nòch de Kaap nòch Ceilon geheel onverdedigd aan Engeland waren
overgegaan, ontstond de mogelijkheid om zonder onmiddellijke schending van
het gegeven woord deze bezittingen te behouden, ook al werd het huis van
Oranje in Nederland hersteld. Maar tevens ontstond de verleiding het huis van
Oranje op te offeren, zoo Frankrijk in ruil voor die opoffering bereid bleek, de
Kaap en Ceilon in handen van Engeland te laten.
s'engage de la manière la plus formelle qu'Elle ne tiendra qu'en dépôt tout
vaisseau, forteresse ou place quelconque, qui se mettra sous Sa protection en
conséquence du dit ordre, et qu'Elle le restituera à la République des Provinces-
Unies, dès que S. M. et la République se trouvent en paix avec le France, et que
l'indépendance de la République et sa constitution légitime garantie par S. M. en
1788 seront assurées.”
Met de bedoelde orders van den Prins aan de Nederlandsche gezaghebbers,
gedagteekend Kew 7 Febr. 1795 10), voorzien, vertoonden zich de Engelschen in
den loop van den oorlog die met den vrede van Amiens eindigde, voor de
meeste Nederlandsche koloniën en bezittingen, welke echter over het geheel
zich niet onmiddellijk, ingevolge 's Prinsen bevel, onder Engelsche bescherming
hebben gesteld, doch eene zwakke en bijna steeds vruchtelooze verdediging
hebben gevoerd. Een aanval op Ternate alleen en een eerste op Suriname
werden afgeslagen; een tweede aanval op Suriname gelukte 11). In het geheel
gingen over de Kaap, Ceilon, de nederzettingen op de kusten van Coromandel
en Malabaar, in Bengalen, op Sumatra's Westkust, Malakka, Amboina, Banda,
Berbice, Essequebo, Demerary, Suriname (eerst in 1799) en Curaçao (eerst in
1800). Behouden bleven dus alleen Java, Bandjermassing, Makassar, Ternate,
het kantoor op Desima en de Goudkust.
Van de aldus in Engelands handen gevallen bezittingen waren er twee die
Engeland sinds lang begeerd had en die het zoo eenigszins mogelijk voor goed
wilde behouden: de Kaap en Ceilon. Sedert Engeland door de veroveringen van
Clive en Warren Hastings hoofdmacht in Voor-Indië was geworden in plaats van
Frankrijk, moest het ook het aanloopstation op den weg naar Indië in zijn bezit
wenschen, terwijl Ceilon in vreemde handen in oorlogstijd gemakkelijk eene
bedreiging voor Engelands positie in Indië worden kon. De oorlog van 1781 had
bewezen dat die positie feitelijk onbevestigd bleef zoolang de Kaap en Ceilon
niet in Engelsch bezit waren: alleen op die beide Nederlandsche koloniën
gesteund, had Suffren zijn gevaarlijken maritiemen aanval op Britsch-Indië
kunnen ondernemen.
Daar nu nòch de Kaap nòch Ceilon geheel onverdedigd aan Engeland waren
overgegaan, ontstond de mogelijkheid om zonder onmiddellijke schending van
het gegeven woord deze bezittingen te behouden, ook al werd het huis van
Oranje in Nederland hersteld. Maar tevens ontstond de verleiding het huis van
Oranje op te offeren, zoo Frankrijk in ruil voor die opoffering bereid bleek, de
Kaap en Ceilon in handen van Engeland te laten.
Page 25
Toen de acte van 1795 werd uitgereikt, scheen de verdrijving der Franschen
uit Nederland en het herstel der in 1788 door Engeland en Pruisen
gegarandeerde stadhouderlijke constitutie nog geen volstrekt hopelooze zaak,
doch sedert Pruisen zijn vrede met Frankrijk sloot (5 April 1795) en zelfs bij
geheim verdrag van 5 Aug. 1796 voor het huis van Oranje, in ruil voor den van
dit huis te verkrijgen „afstand van alle aanspraken op het stadhouderschap”,
eene schadeloosstelling in Duitschland (benevens ettelijke voordeelen voor
zichzelve) besprak 12), werd het uitzicht anders en voelde ook Engeland zich
vrij, uitsluitend rekening te houden met eigen belangen. Bij de
vredesonderhandeling met Frankrijk in 1797 liet het door Lord Malmesbury de
erkenning der Bataafsche Republiek aanbieden, die de door Engeland in bezit
genomen koloniën terugbekomen zou, met uitzondering van de Kaap en Ceilon;
Oranje zou eene schadeloosstelling ontvangen op het vasteland 13).
De onderhandelingen tusschen Engeland en Frankrijk sprongen af, en in 1798
zien wij integendeel Engeland het denkbeeld eener restauratie van het huis van
Oranje in Nederland ernstig opvatten. Daar op Pruisen niet te rekenen is, richt
het zich tot Rusland, en het overleg omvat niet alleen het lot van Nederland
maar ook dat van België, in 1794 door de Franschen veroverd, en voor welks
verlies Oostenrijk, bij den vrede van Campo Formio (17 Oct. 1797), eene
vergoeding had aangenomen (Venetië). Oostenrijk wenschte België, dat het
steeds als een ongeriefelijk bezit had beschouwd, in geen geval terug; ook toen
het zich in 1798 tot hernieuwden oorlog tegen Frankrijk voorbereidde, had het
op bevestiging en uitbreiding van zijn Italiaansch bezit, niet op herovering van
België, het oog. Voor België moest dus eene andere oplossing gevonden
worden. Lord Grenville leidde het overleg met Rusland in bij de volgende
mededeeling: „As the Netherlands 14) cannot probably under all the
circumstances which have occurred be replaced under the dominion of Austria,
it will be an object to be considered what plan will be most effectual to provide
for the defence of this highly important barrier against the future encroachment
of France. None has here occurred which is thought equally effectual and
practicable as the uniting those provinces to the Dutch Republic under the
administration of a Stadholder, and with such provisions as may be best adapted
to the maintenance of their respective civil and religious constitutions” 15).—In
antwoord hierop liet Paul I mededeelen: „Nous envisageons comme une
acquisition grande et utile pour toutes les puissances bien-intentionnées, si les
ci-devant Pays-Bas autrichiens puissent être arrachés à la France et joints à la
Hollande” 16).
uit Nederland en het herstel der in 1788 door Engeland en Pruisen
gegarandeerde stadhouderlijke constitutie nog geen volstrekt hopelooze zaak,
doch sedert Pruisen zijn vrede met Frankrijk sloot (5 April 1795) en zelfs bij
geheim verdrag van 5 Aug. 1796 voor het huis van Oranje, in ruil voor den van
dit huis te verkrijgen „afstand van alle aanspraken op het stadhouderschap”,
eene schadeloosstelling in Duitschland (benevens ettelijke voordeelen voor
zichzelve) besprak 12), werd het uitzicht anders en voelde ook Engeland zich
vrij, uitsluitend rekening te houden met eigen belangen. Bij de
vredesonderhandeling met Frankrijk in 1797 liet het door Lord Malmesbury de
erkenning der Bataafsche Republiek aanbieden, die de door Engeland in bezit
genomen koloniën terugbekomen zou, met uitzondering van de Kaap en Ceilon;
Oranje zou eene schadeloosstelling ontvangen op het vasteland 13).
De onderhandelingen tusschen Engeland en Frankrijk sprongen af, en in 1798
zien wij integendeel Engeland het denkbeeld eener restauratie van het huis van
Oranje in Nederland ernstig opvatten. Daar op Pruisen niet te rekenen is, richt
het zich tot Rusland, en het overleg omvat niet alleen het lot van Nederland
maar ook dat van België, in 1794 door de Franschen veroverd, en voor welks
verlies Oostenrijk, bij den vrede van Campo Formio (17 Oct. 1797), eene
vergoeding had aangenomen (Venetië). Oostenrijk wenschte België, dat het
steeds als een ongeriefelijk bezit had beschouwd, in geen geval terug; ook toen
het zich in 1798 tot hernieuwden oorlog tegen Frankrijk voorbereidde, had het
op bevestiging en uitbreiding van zijn Italiaansch bezit, niet op herovering van
België, het oog. Voor België moest dus eene andere oplossing gevonden
worden. Lord Grenville leidde het overleg met Rusland in bij de volgende
mededeeling: „As the Netherlands 14) cannot probably under all the
circumstances which have occurred be replaced under the dominion of Austria,
it will be an object to be considered what plan will be most effectual to provide
for the defence of this highly important barrier against the future encroachment
of France. None has here occurred which is thought equally effectual and
practicable as the uniting those provinces to the Dutch Republic under the
administration of a Stadholder, and with such provisions as may be best adapted
to the maintenance of their respective civil and religious constitutions” 15).—In
antwoord hierop liet Paul I mededeelen: „Nous envisageons comme une
acquisition grande et utile pour toutes les puissances bien-intentionnées, si les
ci-devant Pays-Bas autrichiens puissent être arrachés à la France et joints à la
Hollande” 16).
Page 26
Het vraagstuk van de toekomst van Nederland en van België werd toen ook
buiten de kabinetten vrij druk besproken. Het is de tijd onmiddellijk vóór het
optreden van Napoleon. De overtuiging was algemeen dat de Revolutie in
Frankrijk op haar laatste beenen liep en dat het tijd werd zich te verstaan
omtrent de nieuwe orde, na haar nederlaag aan de Europeesche
statengemeenschap te geven. Fransche publicisten uit de liberale school, lieden
van de kleur der meerderheid van de eerste Constituante, uit hun eigen land
verdreven door de Jacobijnen, wendden zich in hun te Hamburg verschijnend
orgaan, Le Spectateur du Nord, met voorslagen tot het Europeesch publiek die
ten doel hadden te verkrijgen dat de coalitie, in ruil voor stevige waarborgen
tegen een nieuw militair overwicht van Frankrijk in Europa, de binnenlandsche
zaken van dat land aan de liberalen zou overlaten en dus afzien van een volledig
herstel van het ancien régime. Zij erkennen dat de zwakheid van Nederland
tegenover Frankrijk een gevaar is gebleken voor de rust van Duitschland en van
het geheele Noorden, en geven als middel tot verbetering de vereeniging der
zeventien Nederlandsche gewesten onder het huis van Oranje aan de hand. In
twee geschriften van een publicist uit dezen kring, l'abbé de Pradt (L'Antidote au
Congrès de Rastadt, 1798, en La Prusse et sa neutralité, 1799) is dit denkbeeld
vrij uitvoerig besproken. Ten aanzien van den vorm van het opperbestuur komt
de Pradt tot de slotsom, dat deze slechts de monarchale kan zijn: „Pour
compléter l'union des deux pays,” schrijft hij, „pour leur donner toute la vigueur
dont ils sont susceptibles, il ne suffit pas de les ajouter l'un à l'autre; il vaut
mieux les réunir sous un seul et même gouvernement, qui ne peut être que le
gouvernement royal dans les mains de l'auguste maison d'Orange. Qu'on se
garde bien d'en faire des stathouders en Hollande, des ducs de Brabant à
Bruxelles, des comtes de Flandre ailleurs, et d'affaiblir ainsi l'autorité en
multipliant les titres. Il serait impossible de gouverner utilement et solidement
les deux peuples, en le faisant à tant de titres et sous des dénominations
diverses. Leur nouveau souverain doit être leur roi, et dans toute la plénitude de
ce mot” 17).
Wij hooren hier ten aanzien van den regeeringsvorm en den graad van
innigheid der vereeniging van Holland en België eene meening verkondigen
waartoe Engeland eerst veel later bekeerd is geworden. Lord Grenville stelt zich
in 1799 slechts „some federal compact” tusschen beide landen voor 18), en daar
de militaire operatiën der Engelsch-Russische coalitie zich vooralsnog tot
Noord-Nederland zullen beperken, houden de instructiën, die hij 26 Sept. 1799
aan zijn broeder, bestemd tot gezant van Groot-Brittanje bij den herstelden
buiten de kabinetten vrij druk besproken. Het is de tijd onmiddellijk vóór het
optreden van Napoleon. De overtuiging was algemeen dat de Revolutie in
Frankrijk op haar laatste beenen liep en dat het tijd werd zich te verstaan
omtrent de nieuwe orde, na haar nederlaag aan de Europeesche
statengemeenschap te geven. Fransche publicisten uit de liberale school, lieden
van de kleur der meerderheid van de eerste Constituante, uit hun eigen land
verdreven door de Jacobijnen, wendden zich in hun te Hamburg verschijnend
orgaan, Le Spectateur du Nord, met voorslagen tot het Europeesch publiek die
ten doel hadden te verkrijgen dat de coalitie, in ruil voor stevige waarborgen
tegen een nieuw militair overwicht van Frankrijk in Europa, de binnenlandsche
zaken van dat land aan de liberalen zou overlaten en dus afzien van een volledig
herstel van het ancien régime. Zij erkennen dat de zwakheid van Nederland
tegenover Frankrijk een gevaar is gebleken voor de rust van Duitschland en van
het geheele Noorden, en geven als middel tot verbetering de vereeniging der
zeventien Nederlandsche gewesten onder het huis van Oranje aan de hand. In
twee geschriften van een publicist uit dezen kring, l'abbé de Pradt (L'Antidote au
Congrès de Rastadt, 1798, en La Prusse et sa neutralité, 1799) is dit denkbeeld
vrij uitvoerig besproken. Ten aanzien van den vorm van het opperbestuur komt
de Pradt tot de slotsom, dat deze slechts de monarchale kan zijn: „Pour
compléter l'union des deux pays,” schrijft hij, „pour leur donner toute la vigueur
dont ils sont susceptibles, il ne suffit pas de les ajouter l'un à l'autre; il vaut
mieux les réunir sous un seul et même gouvernement, qui ne peut être que le
gouvernement royal dans les mains de l'auguste maison d'Orange. Qu'on se
garde bien d'en faire des stathouders en Hollande, des ducs de Brabant à
Bruxelles, des comtes de Flandre ailleurs, et d'affaiblir ainsi l'autorité en
multipliant les titres. Il serait impossible de gouverner utilement et solidement
les deux peuples, en le faisant à tant de titres et sous des dénominations
diverses. Leur nouveau souverain doit être leur roi, et dans toute la plénitude de
ce mot” 17).
Wij hooren hier ten aanzien van den regeeringsvorm en den graad van
innigheid der vereeniging van Holland en België eene meening verkondigen
waartoe Engeland eerst veel later bekeerd is geworden. Lord Grenville stelt zich
in 1799 slechts „some federal compact” tusschen beide landen voor 18), en daar
de militaire operatiën der Engelsch-Russische coalitie zich vooralsnog tot
Noord-Nederland zullen beperken, houden de instructiën, die hij 26 Sept. 1799
aan zijn broeder, bestemd tot gezant van Groot-Brittanje bij den herstelden
Page 27
Nederlandschen staat, toezendt, ook nog alleen een schema voor het redres der
Noord-Nederlandsche zaken in;—een schema, nagenoeg geheel overgenomen
uit een in Juli 1799 door den gewezen griffier der Staten-Generaal, Hendrik
Fagel, aan de Engelsche regeering uitgebracht advies: overgang, op ruime
schaal, van bevoegdheden der Staten-Provinciaal aan de Staten-Generaal; de
ruggespraak moet vervallen; in de Staten-Generaal nieuwe grondslag van
vertegenwoordiging (naar het bedrag der bijdragen in de gemeene lasten),
meerderheidsbeginsel en wellicht hoofdelijke stemming; vervanging der
admiraliteiten door één departement van marine; een Hooggerechtshof der Unie.
Op een dergelijke constitutie is Engeland bereid zijn zegen te geven door
teruggave, bij den algemeenen vrede, van de Koloniën.... op de Kaap, Ceilon en
Cochin na 19).
Toen deze instructiën gegeven werden was het de Engelsche regeering
bekend, dat uit de Bataafsche Republiek zelve een andere stem was opgegaan.
De meerderheid van het Uitvoerend Bewind van 1799 en de minister van
buitenlandsche zaken, van der Goes, zouden zeer gaarne van de Franschen zijn
verlost geweest, mits men tegelijk de hoofdresultaten der revolutie bevestigd
kon zien, die voor Nederland bestonden in de opheffing der provinciale
souvereiniteit, de eenheid in de volksvertegenwoordiging en in het hoog bestuur,
het amalgama der schulden, de scheiding van Kerk en Staat, de emancipatie der
Katholieken en der Joden, de vervanging van de uitvoerende collegiën door
ministers. Liefst van al wilde men dat zoowel de Franschen als de Engelschen
aftrokken, en Nederland tot den algemeenen vrede neutraal zou mogen worden
verklaard; en men heeft de poging gewaagd, voor dit denkbeeld den steun te
verwerven van Pruisen. Als de afgezant van het Bewind, de Vos van Steenwijk,
in het kabinet van den minister Haugwitz is doorgedrongen, wordt hem alle
hoop ontnomen dat Pruisen zich voor de Bataven eenige moeite geven zal, tenzij
zij berusten in het herstel van het huis van Oranje. „Ik antwoordde dat hieraan
niet met al te denken was, om reden van de tegenwoordige orde van zaken. Wat
ik ook aanvoeren mogt, hij bleef er op staan. Na een gesprek van bijkans twee
uren eindigde hij met te zeggen dat men tenminste aan den Erfprins moest....,”
en de Vos ontwerpt dan eene constitutie voor de Bataafsche Republiek met den
Erfprins als hoofd van het uitvoerend bewind „onder een anderen titel als dien
van Stadhouder;” de politieke verklaringen als grondslag van het stemrecht zal
men laten vervallen, en het recht om in de grondvergadering te verschijnen aan
geldbezit binden; eene constitutie der beati possidentes dus, met een
Noord-Nederlandsche zaken in;—een schema, nagenoeg geheel overgenomen
uit een in Juli 1799 door den gewezen griffier der Staten-Generaal, Hendrik
Fagel, aan de Engelsche regeering uitgebracht advies: overgang, op ruime
schaal, van bevoegdheden der Staten-Provinciaal aan de Staten-Generaal; de
ruggespraak moet vervallen; in de Staten-Generaal nieuwe grondslag van
vertegenwoordiging (naar het bedrag der bijdragen in de gemeene lasten),
meerderheidsbeginsel en wellicht hoofdelijke stemming; vervanging der
admiraliteiten door één departement van marine; een Hooggerechtshof der Unie.
Op een dergelijke constitutie is Engeland bereid zijn zegen te geven door
teruggave, bij den algemeenen vrede, van de Koloniën.... op de Kaap, Ceilon en
Cochin na 19).
Toen deze instructiën gegeven werden was het de Engelsche regeering
bekend, dat uit de Bataafsche Republiek zelve een andere stem was opgegaan.
De meerderheid van het Uitvoerend Bewind van 1799 en de minister van
buitenlandsche zaken, van der Goes, zouden zeer gaarne van de Franschen zijn
verlost geweest, mits men tegelijk de hoofdresultaten der revolutie bevestigd
kon zien, die voor Nederland bestonden in de opheffing der provinciale
souvereiniteit, de eenheid in de volksvertegenwoordiging en in het hoog bestuur,
het amalgama der schulden, de scheiding van Kerk en Staat, de emancipatie der
Katholieken en der Joden, de vervanging van de uitvoerende collegiën door
ministers. Liefst van al wilde men dat zoowel de Franschen als de Engelschen
aftrokken, en Nederland tot den algemeenen vrede neutraal zou mogen worden
verklaard; en men heeft de poging gewaagd, voor dit denkbeeld den steun te
verwerven van Pruisen. Als de afgezant van het Bewind, de Vos van Steenwijk,
in het kabinet van den minister Haugwitz is doorgedrongen, wordt hem alle
hoop ontnomen dat Pruisen zich voor de Bataven eenige moeite geven zal, tenzij
zij berusten in het herstel van het huis van Oranje. „Ik antwoordde dat hieraan
niet met al te denken was, om reden van de tegenwoordige orde van zaken. Wat
ik ook aanvoeren mogt, hij bleef er op staan. Na een gesprek van bijkans twee
uren eindigde hij met te zeggen dat men tenminste aan den Erfprins moest....,”
en de Vos ontwerpt dan eene constitutie voor de Bataafsche Republiek met den
Erfprins als hoofd van het uitvoerend bewind „onder een anderen titel als dien
van Stadhouder;” de politieke verklaringen als grondslag van het stemrecht zal
men laten vervallen, en het recht om in de grondvergadering te verschijnen aan
geldbezit binden; eene constitutie der beati possidentes dus, met een
Page 28
oranjewimpel in top 20). De Pruisische regeering zond copie van dit stuk naar
Engeland, onder mededeeling dat het te Berlijn onvoldoende was voorgekomen.
Doch inmiddels was door van der Goes ook reeds een directe boodschap aan
den Erfprins gegaan, die bij de Engelsch-Russische troepen in Noord-Holland
stond: „de restauratie zoude veel gemakkelijker gaan, wanneer men de hoop
konde hebben, dat niet zoozeer de oude constitutie wederom zoude worden
ingevoerd, maar de principes bijbehouden van eenheid der Republiek en van
eene behoorlijke representatie, met de uitvoerende magt in amplissima forma
aan het huis van Oranje, onder welke benaming het ook zoude mogen zijn; met
één woord, indien een soort van Engelsche constitutie tot grondslag konde
gelegd worden” 21). Lord Grenville kende deze boodschap, toen hij zijne
instructie van 26 September schreef, maar beperkte zich niettemin tot de door
Fagel opgegeven hervorming der oude Unie met handhaving van den
bondgenootschappelijken regeeringsvorm 22). „You will not fail to remark”,
voegt hij in een begeleidend schrijven aan zijn broeder toe, „that in the
communication made through M. de Mollerus, the unity of the Republic, and the
keeping up a representative body adapted to that state of things, are strongly
insisted on. The reasons which have induced His Majesty to incline towards a
different arrangement, and to think that a nearer adherence to the ancient form
of government would be more conducive to the happiness of that country, are
founded principally in an opinion that such is probably the wish of the best and
soundest part of the United Provinces”.
De uitkomst heeft bewezen dat Lord Grenville zich hierin bedroog. Het
Nederlandsche volk stak geen hand uit om de Engelschen en Russen te helpen.
Zeker omdat het niet durfde vanwege de Franschen, die versterking op
versterking zonden en allen voortgang der gelande troepen weldra konden
beletten en hen eindelijk naar hunne schepen terugdrijven; maar ook, omdat
men van de overwinning der coalitie een staatkundigen teruggang vreesde, die
in Nederland zeer weinig voorstanders had.
Van de patriotten behoeft dit geen nader betoog; het bleek reeds uit hunne
boodschappen aan den Erfprins en naar Berlijn. Maar evenzeer blijkt het uit vele
politieke stukken, in deze jaren door welmeenende plannenmakers uit de oude
oranjepartij opgesteld. De grondtoon is, dat de zaak gevonden moet worden bij
compromis met de gematigde patriotten. Enkelen weliswaar stellen zich een
uitkomst voor, die minder ver dan het Engelsche plan van de constitutie van
vóór 1795 afwijkt; de meesten echter gaan reeds veel verder, terwijl ook door
velen wordt ingezien dat het huis van Oranje er weinig voordeel bij hebben zal,
Engeland, onder mededeeling dat het te Berlijn onvoldoende was voorgekomen.
Doch inmiddels was door van der Goes ook reeds een directe boodschap aan
den Erfprins gegaan, die bij de Engelsch-Russische troepen in Noord-Holland
stond: „de restauratie zoude veel gemakkelijker gaan, wanneer men de hoop
konde hebben, dat niet zoozeer de oude constitutie wederom zoude worden
ingevoerd, maar de principes bijbehouden van eenheid der Republiek en van
eene behoorlijke representatie, met de uitvoerende magt in amplissima forma
aan het huis van Oranje, onder welke benaming het ook zoude mogen zijn; met
één woord, indien een soort van Engelsche constitutie tot grondslag konde
gelegd worden” 21). Lord Grenville kende deze boodschap, toen hij zijne
instructie van 26 September schreef, maar beperkte zich niettemin tot de door
Fagel opgegeven hervorming der oude Unie met handhaving van den
bondgenootschappelijken regeeringsvorm 22). „You will not fail to remark”,
voegt hij in een begeleidend schrijven aan zijn broeder toe, „that in the
communication made through M. de Mollerus, the unity of the Republic, and the
keeping up a representative body adapted to that state of things, are strongly
insisted on. The reasons which have induced His Majesty to incline towards a
different arrangement, and to think that a nearer adherence to the ancient form
of government would be more conducive to the happiness of that country, are
founded principally in an opinion that such is probably the wish of the best and
soundest part of the United Provinces”.
De uitkomst heeft bewezen dat Lord Grenville zich hierin bedroog. Het
Nederlandsche volk stak geen hand uit om de Engelschen en Russen te helpen.
Zeker omdat het niet durfde vanwege de Franschen, die versterking op
versterking zonden en allen voortgang der gelande troepen weldra konden
beletten en hen eindelijk naar hunne schepen terugdrijven; maar ook, omdat
men van de overwinning der coalitie een staatkundigen teruggang vreesde, die
in Nederland zeer weinig voorstanders had.
Van de patriotten behoeft dit geen nader betoog; het bleek reeds uit hunne
boodschappen aan den Erfprins en naar Berlijn. Maar evenzeer blijkt het uit vele
politieke stukken, in deze jaren door welmeenende plannenmakers uit de oude
oranjepartij opgesteld. De grondtoon is, dat de zaak gevonden moet worden bij
compromis met de gematigde patriotten. Enkelen weliswaar stellen zich een
uitkomst voor, die minder ver dan het Engelsche plan van de constitutie van
vóór 1795 afwijkt; de meesten echter gaan reeds veel verder, terwijl ook door
velen wordt ingezien dat het huis van Oranje er weinig voordeel bij hebben zal,
Page 29
zoo het door vreemd wapengeweld aan de natie wordt opgedrongen, in plaats
van door deze ingeroepen 23).
Niet alleen dat de landing van 1799 mislukte, maar daarna treedt in Frankrijk
de krachtige regeering van Napoleon op die aan alle speculatiën op den
naderenden ondergang der Revolutie een spoedig einde maakt. Europa richt zich
op den nieuwen toestand in, waartoe de blijvende verwijdering van het huis van
Oranje uit Nederland behoort. Bij den vrede van Lunéville (9 Febr. 1801) erkent
Oostenrijk de Bataafsche Republiek en bij dien van Amiens (25 Maart 1802)
Engeland, dat van de koloniale veroveringen, ten koste van Nederland gemaakt,
alleen Ceilon mag behouden.
Een ander artikel van Amiens verwijst het huis van Oranje, voor het
verkrijgen eener schadeloosstelling voor het stadhouderschap, naar een tusschen
de Fransche Republiek en Pruisen te treffen regeling, welke 23 Mei 1802 tot
stand kwam. 24) Om zich de goede gunsten van Napoleon te verwerven van wien
in dezen alles afhing, had de Erfprins niet geschroomd de reis naar Parijs te
ondernemen. De oude Prins liet die zaak geheel aan zijn zoon over; maar het is
geheel onjuist, zooals in verscheiden boeken staat en nog dikwijls herhaald
wordt, dat hij de schadeloosstelling zou hebben geweigerd. De verklaring van
afstand van alle aanspraken op het stadhouderschap, van hem geeischt eer hij in
het genot van het hem besprokene kon treden, heeft hij wel degelijk
onderteekend 25); maar hij heeft geweigerd de regeering in de hem afgestane
landen te aanvaarden, en ze overgelaten aan zijn zoon, die zich voortaan betitelt
als vorst van Oranje-Fulda. Willem V bepaalde er zich toe, de regeering te
voeren in zijn Dillenburgsche erflanden, die na zijn dood, in het begin van 1806,
nog voor korte maanden aan zijn zoon zijn overgegaan.
Het huis van Oranje bevond zich in de jaren 1801–1804 in eene bijzonder
scheeve positie. Het hing voor de territoriale schadeloosstelling af van de
genade van den Eersten Consul; voor andere regelingen van Engeland en van de
Bataafsche Republiek. De vloot van Story had zich in 1799 in naam niet aan de
Engelschen, maar aan den Prins overgegeven; te Amiens had Engeland de
teruggave dier vloot aan de Bataafsche Republiek geweigerd, maar zich bereid
verklaard de waarde er van aan den Prins van Oranje te voldoen. Zij werd door
de Engelsche admiraliteit getaxeerd op £ 220.000. De Prins weigerde
standvastig die som aan te nemen in de omschrijving waaronder zij hem werd
aangeboden: als prijs van schepen die nimmer aan zijn persoon, maar aan den
Staat hadden behoord. Engeland wilde er gaarne iets anders op vinden: het zocht
een middel om het huis van Oranje als een en cas te behouden voor het mogelijk
van door deze ingeroepen 23).
Niet alleen dat de landing van 1799 mislukte, maar daarna treedt in Frankrijk
de krachtige regeering van Napoleon op die aan alle speculatiën op den
naderenden ondergang der Revolutie een spoedig einde maakt. Europa richt zich
op den nieuwen toestand in, waartoe de blijvende verwijdering van het huis van
Oranje uit Nederland behoort. Bij den vrede van Lunéville (9 Febr. 1801) erkent
Oostenrijk de Bataafsche Republiek en bij dien van Amiens (25 Maart 1802)
Engeland, dat van de koloniale veroveringen, ten koste van Nederland gemaakt,
alleen Ceilon mag behouden.
Een ander artikel van Amiens verwijst het huis van Oranje, voor het
verkrijgen eener schadeloosstelling voor het stadhouderschap, naar een tusschen
de Fransche Republiek en Pruisen te treffen regeling, welke 23 Mei 1802 tot
stand kwam. 24) Om zich de goede gunsten van Napoleon te verwerven van wien
in dezen alles afhing, had de Erfprins niet geschroomd de reis naar Parijs te
ondernemen. De oude Prins liet die zaak geheel aan zijn zoon over; maar het is
geheel onjuist, zooals in verscheiden boeken staat en nog dikwijls herhaald
wordt, dat hij de schadeloosstelling zou hebben geweigerd. De verklaring van
afstand van alle aanspraken op het stadhouderschap, van hem geeischt eer hij in
het genot van het hem besprokene kon treden, heeft hij wel degelijk
onderteekend 25); maar hij heeft geweigerd de regeering in de hem afgestane
landen te aanvaarden, en ze overgelaten aan zijn zoon, die zich voortaan betitelt
als vorst van Oranje-Fulda. Willem V bepaalde er zich toe, de regeering te
voeren in zijn Dillenburgsche erflanden, die na zijn dood, in het begin van 1806,
nog voor korte maanden aan zijn zoon zijn overgegaan.
Het huis van Oranje bevond zich in de jaren 1801–1804 in eene bijzonder
scheeve positie. Het hing voor de territoriale schadeloosstelling af van de
genade van den Eersten Consul; voor andere regelingen van Engeland en van de
Bataafsche Republiek. De vloot van Story had zich in 1799 in naam niet aan de
Engelschen, maar aan den Prins overgegeven; te Amiens had Engeland de
teruggave dier vloot aan de Bataafsche Republiek geweigerd, maar zich bereid
verklaard de waarde er van aan den Prins van Oranje te voldoen. Zij werd door
de Engelsche admiraliteit getaxeerd op £ 220.000. De Prins weigerde
standvastig die som aan te nemen in de omschrijving waaronder zij hem werd
aangeboden: als prijs van schepen die nimmer aan zijn persoon, maar aan den
Staat hadden behoord. Engeland wilde er gaarne iets anders op vinden: het zocht
een middel om het huis van Oranje als een en cas te behouden voor het mogelijk
Page 30
geval van hernieuwden oorlog met Frankrijk. Liet men het huis aan de genade
der continentale machten geheel en al over, dan zou het, vooral wanneer de
eerzuchtige, weinig Engelschgezinde Erfprins zijn vader zou zijn opgevolgd,
gemakkelijk van Engeland vervreemden. Derhalve sprak men nu niet langer van
de schepen die men zonder meer behield, maar stelde aan de Prinses van Oranje
(die nog eenigen tijd in Engeland was gebleven na het vertrek van haar gemaal
naar het vasteland) een som van £ 60.000 ter hand als tegemoetkoming in de
behoeften van het Oranjehuis, en kende aan dat huis, „gedurende het believen
van Zijne Majesteit”, een jaargeld toe van £ 16.000 26). De bewoordingen waren
zoo gekozen om te doen gevoelen dat men den Erfprins in de hand wilde
houden, die onzeker bleef omtrent de al- of niet-continuatie van het jaargeld na
den dood van zijn vader.
Met de Bataafsche Republiek was een andere rekening uitstaande. Deze had,
bij het tractaat van den Haag (16 Mei 1795) de door Frankrijk als veroverd goed
beschouwde domeinen van het huis verkregen titulo oneroso, en was dus zeer
weinig geneigd nogmaals de beurs te openen om ze aan Oranje te betalen. Toen
nu art. 18 van den vrede van Amiens het huis eene schadevergoeding toezeide
voor de verliezen geleden „zoo aan particuliere bezittingen als ten gevolge van
de verandering van constitutie”, verklaarde de Bataafsche gezant
Schimmelpenninck zich buiten staat hierin toe te treden tenzij zijne Republiek
door Frankrijk gevrijwaard tegen alle aanspraken, uit het artikel voortvloeiende;
en bij afzonderlijke overeenkomst, onderteekend op den dag der totstandkoming
van het traktaat, gaf Frankrijk de verlangde toestemming. Aan het huis van
Oranje werd dan nu beduid dat Fulda, Corvey etc. als schadevergoeding zoowel
van het verlies van het stadhouderschap als van de onroerende goederen waren
te beschouwen. Nu bleven echter nog over de roerende goederen: door het huis
van Oranje bezeten schuldbrieven ten laste van den Staat. Deze waren nimmer
verbeurd verklaard, maar gesequestreerd met inhouding der rente; zij konden
dus niet onder de verliezen worden gerekend, waarvoor vergoeding uitgekeerd
was krachtens art. 18 van het verdrag van Amiens. In het najaar van 1802 werd
door den Prins getracht, eene onderhandeling met de Bataafsche Republiek op
gang te brengen betreffende deze niet vervallen aanspraken. De Republiek
echter was zeer ontsticht, dat haar de schepen van Story ontgaan waren en de
waarde daarvan, zij het onder een anderen naam, door Engeland feitelijk aan
den Prins van Oranje werd uitgekeerd aan wien zij nimmer hadden behoord;
bovendien brak spoedig na den aanvang der onderhandeling de oorlog met
Engeland weder uit, en was hunne kas weldra berooider dan ooit, terwijl
der continentale machten geheel en al over, dan zou het, vooral wanneer de
eerzuchtige, weinig Engelschgezinde Erfprins zijn vader zou zijn opgevolgd,
gemakkelijk van Engeland vervreemden. Derhalve sprak men nu niet langer van
de schepen die men zonder meer behield, maar stelde aan de Prinses van Oranje
(die nog eenigen tijd in Engeland was gebleven na het vertrek van haar gemaal
naar het vasteland) een som van £ 60.000 ter hand als tegemoetkoming in de
behoeften van het Oranjehuis, en kende aan dat huis, „gedurende het believen
van Zijne Majesteit”, een jaargeld toe van £ 16.000 26). De bewoordingen waren
zoo gekozen om te doen gevoelen dat men den Erfprins in de hand wilde
houden, die onzeker bleef omtrent de al- of niet-continuatie van het jaargeld na
den dood van zijn vader.
Met de Bataafsche Republiek was een andere rekening uitstaande. Deze had,
bij het tractaat van den Haag (16 Mei 1795) de door Frankrijk als veroverd goed
beschouwde domeinen van het huis verkregen titulo oneroso, en was dus zeer
weinig geneigd nogmaals de beurs te openen om ze aan Oranje te betalen. Toen
nu art. 18 van den vrede van Amiens het huis eene schadevergoeding toezeide
voor de verliezen geleden „zoo aan particuliere bezittingen als ten gevolge van
de verandering van constitutie”, verklaarde de Bataafsche gezant
Schimmelpenninck zich buiten staat hierin toe te treden tenzij zijne Republiek
door Frankrijk gevrijwaard tegen alle aanspraken, uit het artikel voortvloeiende;
en bij afzonderlijke overeenkomst, onderteekend op den dag der totstandkoming
van het traktaat, gaf Frankrijk de verlangde toestemming. Aan het huis van
Oranje werd dan nu beduid dat Fulda, Corvey etc. als schadevergoeding zoowel
van het verlies van het stadhouderschap als van de onroerende goederen waren
te beschouwen. Nu bleven echter nog over de roerende goederen: door het huis
van Oranje bezeten schuldbrieven ten laste van den Staat. Deze waren nimmer
verbeurd verklaard, maar gesequestreerd met inhouding der rente; zij konden
dus niet onder de verliezen worden gerekend, waarvoor vergoeding uitgekeerd
was krachtens art. 18 van het verdrag van Amiens. In het najaar van 1802 werd
door den Prins getracht, eene onderhandeling met de Bataafsche Republiek op
gang te brengen betreffende deze niet vervallen aanspraken. De Republiek
echter was zeer ontsticht, dat haar de schepen van Story ontgaan waren en de
waarde daarvan, zij het onder een anderen naam, door Engeland feitelijk aan
den Prins van Oranje werd uitgekeerd aan wien zij nimmer hadden behoord;
bovendien brak spoedig na den aanvang der onderhandeling de oorlog met
Engeland weder uit, en was hunne kas weldra berooider dan ooit, terwijl
Page 31
Bonaparte meende dat zij hun geld liever aan de marine dan aan een afkomst
met Oranje, thans pensioentrekker van Engeland, moesten besteden.
Ondervindende dat de zaak in den Haag niet verder kwam, besloot de Prins in
het begin van 1804, op raad van Pruisen, haar te doen bevorderen te Parijs. Zijn
gezant d'Yvoy kocht daar voor een half millioen Hollandsch, te verdeelen
tusschen Talleyrand en den Franschen gezant in den Haag, Sémonville, de
belofte dat men het Staatsbewind zou noodzaken het ultimatum van den Prins
aan te nemen: uitkeering der rente van 23 Mei 1802 af, en verrekening van alle
andere wederzijdsche pretensiën met een saldo van 5 millioen ten voordeele van
het huis. Onder pressie van de Fransche en Pruisische gezanten gaf het
Staatsbewind nu eindelijk toe, maar te elfder ure mislukte nog alles. Talleyrand
en Sémonville hadden zich willen bevoordeelen buiten weten van den Keizer;
toen deze er achter kwam verbood hij de ratificatie van het reeds gesloten
tractaat 27), en van de gansche afrekening is nooit iets gekomen. Het huis van
Oranje behield zijn aanspraken, maar is niet meer in het geval gekomen ze te
kunnen verzilveren.
Kort na het machtwoord gesproken te hebben, waarmede hij de afdoening
verhinderde, verscheen de Keizer te Mainz (Sept. 1804), en de naburige
Duitsche vorsten daagden op om hun nieuwen broeder te huldigen en hunne
particuliere belangen bij hem aan te bevelen. De vorsten van Oranje-Dillenburg
en van Oranje-Fulda ontbraken op het appèl: bij de schamelheid hunner
territoriale inkomsten en na de mislukking der Bataafsche onderhandeling was
het Engelsche jaargeld het in bedrag en vastheid voornaamste bestanddeel
hunner inkomsten geworden. Napoleon heeft den Erfprins zijn wegblijven bij
deze gelegenheid nimmer vergeven en hem van toen af zooveel schade
berokkend als hij kon. Aan Gagern, den agent van het Gesammthaus Nassau te
Parijs, gaf hij te kennen dat hij voor het minst een nieuwen voetval van den
Erfprins in de Tuilerieën verlangde, en toen deze uitbleef werd hij van de lijst
der candidaten voor het Rijnverbond geschrapt en had voortaan geen plaats
meer dan in de voorhoede van elke anti-Napoleontische coalitie. Daarentegen
maakte Engeland nu geen bezwaar, na den dood van Willem V (9 April 1806)
het jaargeld aan zijn zoon te blijven uitkeeren; hij heeft het tot 1814 genoten.
Terwijl nu bij de oprichting van het Rijnverbond (16 Juli 1806) de
Nassausche erflanden van Willem VI aan anderen werden toegewezen, zag hij
de aanwinst van 1802 (Fulda enz.) verbeurd verklaren bij den vrede van Tilsit (9
Juli 1807). Sedert zwierf hij rond zonder huis en hof, een werkzaam deelnemer
aan allerlei anti-Napoleontische plannen. Koortsachtig bovenal is zijne
met Oranje, thans pensioentrekker van Engeland, moesten besteden.
Ondervindende dat de zaak in den Haag niet verder kwam, besloot de Prins in
het begin van 1804, op raad van Pruisen, haar te doen bevorderen te Parijs. Zijn
gezant d'Yvoy kocht daar voor een half millioen Hollandsch, te verdeelen
tusschen Talleyrand en den Franschen gezant in den Haag, Sémonville, de
belofte dat men het Staatsbewind zou noodzaken het ultimatum van den Prins
aan te nemen: uitkeering der rente van 23 Mei 1802 af, en verrekening van alle
andere wederzijdsche pretensiën met een saldo van 5 millioen ten voordeele van
het huis. Onder pressie van de Fransche en Pruisische gezanten gaf het
Staatsbewind nu eindelijk toe, maar te elfder ure mislukte nog alles. Talleyrand
en Sémonville hadden zich willen bevoordeelen buiten weten van den Keizer;
toen deze er achter kwam verbood hij de ratificatie van het reeds gesloten
tractaat 27), en van de gansche afrekening is nooit iets gekomen. Het huis van
Oranje behield zijn aanspraken, maar is niet meer in het geval gekomen ze te
kunnen verzilveren.
Kort na het machtwoord gesproken te hebben, waarmede hij de afdoening
verhinderde, verscheen de Keizer te Mainz (Sept. 1804), en de naburige
Duitsche vorsten daagden op om hun nieuwen broeder te huldigen en hunne
particuliere belangen bij hem aan te bevelen. De vorsten van Oranje-Dillenburg
en van Oranje-Fulda ontbraken op het appèl: bij de schamelheid hunner
territoriale inkomsten en na de mislukking der Bataafsche onderhandeling was
het Engelsche jaargeld het in bedrag en vastheid voornaamste bestanddeel
hunner inkomsten geworden. Napoleon heeft den Erfprins zijn wegblijven bij
deze gelegenheid nimmer vergeven en hem van toen af zooveel schade
berokkend als hij kon. Aan Gagern, den agent van het Gesammthaus Nassau te
Parijs, gaf hij te kennen dat hij voor het minst een nieuwen voetval van den
Erfprins in de Tuilerieën verlangde, en toen deze uitbleef werd hij van de lijst
der candidaten voor het Rijnverbond geschrapt en had voortaan geen plaats
meer dan in de voorhoede van elke anti-Napoleontische coalitie. Daarentegen
maakte Engeland nu geen bezwaar, na den dood van Willem V (9 April 1806)
het jaargeld aan zijn zoon te blijven uitkeeren; hij heeft het tot 1814 genoten.
Terwijl nu bij de oprichting van het Rijnverbond (16 Juli 1806) de
Nassausche erflanden van Willem VI aan anderen werden toegewezen, zag hij
de aanwinst van 1802 (Fulda enz.) verbeurd verklaren bij den vrede van Tilsit (9
Juli 1807). Sedert zwierf hij rond zonder huis en hof, een werkzaam deelnemer
aan allerlei anti-Napoleontische plannen. Koortsachtig bovenal is zijne
Page 32
werkzaamheid in het jaar 1809 geweest, toen hij zijn best heeft gedaan, Pruisen
tot aansluiting aan Oostenrijk te bewegen op de (nimmer vervulde) toezegging
van een Engelsch hulpcorps in Noordduitschland. In plaats van naar
Noordduitschland, ging Engeland toen echter naar Walcheren; een verandering
van richting, die de Prins uit de courant moest vernemen! Zoo weinig had men
er aan gedacht, gebruik te maken van de betrekkingen, die hij in Nederland
mocht hebben onderhouden.
Trouwens indien al Engeland bij zijn onderneming, die alleen van een
Nederlandschen riviermond gebruik maakte doch gericht was tegen Antwerpen,
van den Prins had willen gebruik maken (des neen), zou gebleken zijn hoe
weinig betrekkingen waarop hij rekenen kon, deze in Nederland had
overgehouden. Op een enkelen eenzame als Gijsbert Karel na, had ieder zijn
vrede gemaakt met het nieuwe bewind, zoo goed hij kon. Oranje zelf had
daartoe het sein gegeven, toen bij den brief van Oranienstein (26 Dec. 1801) de
oude Prins, op aandrang van Pruisen en den Erfprins, die daardoor de
indemniteitsvooruitzichten van het huis hoopten te verbeteren, aan zijn
aanhangers had doen weten dat hij het niemand kwalijk nemen zou, zoo hij een
ambt aannam onder de nieuwe staatsregeling van 1801. In de
regeeringslichamen van dien tijd hadden dan ook tal van oranjelieden zitting
genomen, en er zich leeren verdragen met lieden van patriotschen huize. Vooral
toen de dood van Willem V samenviel met de vestiging van den monarchalen
regeeringsvorm in Nederland, gingen de gewezen stadhoudersgezinden in massa
tot de nieuwe orde van zaken over; de dagelijksche omgeving van Lodewijk
Napoleon was bovenal uit gewezen prinslui samengesteld. Toen dan ook in Mei
1809 de Prins een zijner huisbedienden, Willem van Dijk geheeten, naar
Holland zond op kondschap wat er te doen zou zijn als Engeland zijn beloofde
landing in Noordduitschland ondernam, kwam deze met een zeer karakteristiek
rapport terug. Hij was geadresseerd geweest aan Bentinck van Buckhorst, op
wiens landgoed bij Zwolle hij den 10den Juni 1809 was aangekomen. Maar
Bentinck had hem aanstonds onderricht, „dat aangezien de omstandigheden zoo
volkomen veranderd waren en het grootste gedeelte der aanzienlijken welke
voorheen de wettige constitutie hadden aangekleefd, thans in 's Konings dienst
waren aangesteld, en de nieuwe orde van zaken, tenminste uiterlijk, zeer
toegedaan schenen te zijn, men om zich niet te compromitteeren aan niemand
eenige directe ouvertures doen konde.” Van Dijk werd dus door hem verwezen
naar „zijn (van Dijk's) eigen kennissen en vrienden”, die hij dan ook persoonlijk
opzocht te Amsterdam, Rotterdam, den Haag en elders, en waaronder hij
tot aansluiting aan Oostenrijk te bewegen op de (nimmer vervulde) toezegging
van een Engelsch hulpcorps in Noordduitschland. In plaats van naar
Noordduitschland, ging Engeland toen echter naar Walcheren; een verandering
van richting, die de Prins uit de courant moest vernemen! Zoo weinig had men
er aan gedacht, gebruik te maken van de betrekkingen, die hij in Nederland
mocht hebben onderhouden.
Trouwens indien al Engeland bij zijn onderneming, die alleen van een
Nederlandschen riviermond gebruik maakte doch gericht was tegen Antwerpen,
van den Prins had willen gebruik maken (des neen), zou gebleken zijn hoe
weinig betrekkingen waarop hij rekenen kon, deze in Nederland had
overgehouden. Op een enkelen eenzame als Gijsbert Karel na, had ieder zijn
vrede gemaakt met het nieuwe bewind, zoo goed hij kon. Oranje zelf had
daartoe het sein gegeven, toen bij den brief van Oranienstein (26 Dec. 1801) de
oude Prins, op aandrang van Pruisen en den Erfprins, die daardoor de
indemniteitsvooruitzichten van het huis hoopten te verbeteren, aan zijn
aanhangers had doen weten dat hij het niemand kwalijk nemen zou, zoo hij een
ambt aannam onder de nieuwe staatsregeling van 1801. In de
regeeringslichamen van dien tijd hadden dan ook tal van oranjelieden zitting
genomen, en er zich leeren verdragen met lieden van patriotschen huize. Vooral
toen de dood van Willem V samenviel met de vestiging van den monarchalen
regeeringsvorm in Nederland, gingen de gewezen stadhoudersgezinden in massa
tot de nieuwe orde van zaken over; de dagelijksche omgeving van Lodewijk
Napoleon was bovenal uit gewezen prinslui samengesteld. Toen dan ook in Mei
1809 de Prins een zijner huisbedienden, Willem van Dijk geheeten, naar
Holland zond op kondschap wat er te doen zou zijn als Engeland zijn beloofde
landing in Noordduitschland ondernam, kwam deze met een zeer karakteristiek
rapport terug. Hij was geadresseerd geweest aan Bentinck van Buckhorst, op
wiens landgoed bij Zwolle hij den 10den Juni 1809 was aangekomen. Maar
Bentinck had hem aanstonds onderricht, „dat aangezien de omstandigheden zoo
volkomen veranderd waren en het grootste gedeelte der aanzienlijken welke
voorheen de wettige constitutie hadden aangekleefd, thans in 's Konings dienst
waren aangesteld, en de nieuwe orde van zaken, tenminste uiterlijk, zeer
toegedaan schenen te zijn, men om zich niet te compromitteeren aan niemand
eenige directe ouvertures doen konde.” Van Dijk werd dus door hem verwezen
naar „zijn (van Dijk's) eigen kennissen en vrienden”, die hij dan ook persoonlijk
opzocht te Amsterdam, Rotterdam, den Haag en elders, en waaronder hij
Page 33
„weldenkende en ijverige voorstanders der oude constitutie” aantrof, die „niets
hartelijker wenschten dan tot herstel der goede zaak te kunnen medewerken,”
maar hunne namen aan niemand bekend wilden hebben, „voor en aleer het
gelukkig tijdstip geboren wierd dat zij zich werkzaam konden toonen. Dan daar
de Engelsche expeditie ondernomen is geworden zonder dat men eigenlijk het
ware oogmerk daarvan kende en voor zoover mij bewust is zonder voorkennis
van Uwe Hoogheid, zoo heeft men aan niemand eenig teeken kunnen
geven....” 28)
Licht komt er nu eerst na den veldtocht in Rusland. De Prins, die om de
relatie met Engeland te versterken, er zijn zoon op studie had gezonden maar
overigens in geen geregeld verkeer met de Engelsche regeering was gebleven—
trouwens alle geregeld briefverkeer tusschen Engeland en het vasteland, waar de
Prins om de familiebetrekkingen zijner Pruisische gemalin liefst verbleef, was
sedert de inlijving van Holland en van Hamburg bij het Fransche Keizerrijk
hoogst bezwaarlijk geworden—de Prins begeeft zich in het voorjaar van 1813,
op eigen initiatief maar met voorkennis der souvereinen van Rusland en van
Pruisen, over Zweden naar Engeland, waar men hem niet verwachtte en met
zijne komst in zekere mate verlegen was. Men had er het huis van Oranje
natuurlijk niet van de lei geschrapt, maar was geenszins gereed, vaste bedingen
omtrent de toekomst van dat huis aan te gaan.
In den oorlog die in 1803 weder was uitgebarsten en nog onafgebroken
voortduurde, had Engeland zich van alle Nederlandsche koloniën meester
gemaakt, ook van die welke in den vorigen oorlog behouden waren gebleven,
met de enkele uitzonderingen van het kantoor op Desima en van de
nederzettingen op de Goudkust, op welke beide plaatsen, daar ook de Franschen
er zich nimmer hebben vertoond, de Nederlandsche vlag geen oogenblik is
neergehaald. De voorwaardelijke belofte van teruggave, in 1795 afgelegd, kon
thans door Oranje bezwaarlijk tegen Engeland worden ingeroepen: immers
zoowel Engeland als Oranje zelf hadden in 1802 en vervolgens met de
Bataafsche Republiek tractaten gesloten of trachten te sluiten, en dus het in 1795
op den voorgrond gestelde begrip der „onwettigheid” van dat lichaam in de
practijk losgelaten. De geheele situatie van 1795 was door de teruggave der
koloniën aan de Bataafsche Republiek veranderd; op haar of het in hare rechten
tredend Frankrijk waren zij sedert 1803 opnieuw veroverd als op een gewonen
vijand, zonder dat ooit daarbij aan iemand de geringste toezegging van
voorwaardelijke teruggave was gedaan. Eveneens, en geheel op denzelfden
voet, waren de koloniën van Frankrijk zelf en van Denemarken in Engelands
hartelijker wenschten dan tot herstel der goede zaak te kunnen medewerken,”
maar hunne namen aan niemand bekend wilden hebben, „voor en aleer het
gelukkig tijdstip geboren wierd dat zij zich werkzaam konden toonen. Dan daar
de Engelsche expeditie ondernomen is geworden zonder dat men eigenlijk het
ware oogmerk daarvan kende en voor zoover mij bewust is zonder voorkennis
van Uwe Hoogheid, zoo heeft men aan niemand eenig teeken kunnen
geven....” 28)
Licht komt er nu eerst na den veldtocht in Rusland. De Prins, die om de
relatie met Engeland te versterken, er zijn zoon op studie had gezonden maar
overigens in geen geregeld verkeer met de Engelsche regeering was gebleven—
trouwens alle geregeld briefverkeer tusschen Engeland en het vasteland, waar de
Prins om de familiebetrekkingen zijner Pruisische gemalin liefst verbleef, was
sedert de inlijving van Holland en van Hamburg bij het Fransche Keizerrijk
hoogst bezwaarlijk geworden—de Prins begeeft zich in het voorjaar van 1813,
op eigen initiatief maar met voorkennis der souvereinen van Rusland en van
Pruisen, over Zweden naar Engeland, waar men hem niet verwachtte en met
zijne komst in zekere mate verlegen was. Men had er het huis van Oranje
natuurlijk niet van de lei geschrapt, maar was geenszins gereed, vaste bedingen
omtrent de toekomst van dat huis aan te gaan.
In den oorlog die in 1803 weder was uitgebarsten en nog onafgebroken
voortduurde, had Engeland zich van alle Nederlandsche koloniën meester
gemaakt, ook van die welke in den vorigen oorlog behouden waren gebleven,
met de enkele uitzonderingen van het kantoor op Desima en van de
nederzettingen op de Goudkust, op welke beide plaatsen, daar ook de Franschen
er zich nimmer hebben vertoond, de Nederlandsche vlag geen oogenblik is
neergehaald. De voorwaardelijke belofte van teruggave, in 1795 afgelegd, kon
thans door Oranje bezwaarlijk tegen Engeland worden ingeroepen: immers
zoowel Engeland als Oranje zelf hadden in 1802 en vervolgens met de
Bataafsche Republiek tractaten gesloten of trachten te sluiten, en dus het in 1795
op den voorgrond gestelde begrip der „onwettigheid” van dat lichaam in de
practijk losgelaten. De geheele situatie van 1795 was door de teruggave der
koloniën aan de Bataafsche Republiek veranderd; op haar of het in hare rechten
tredend Frankrijk waren zij sedert 1803 opnieuw veroverd als op een gewonen
vijand, zonder dat ooit daarbij aan iemand de geringste toezegging van
voorwaardelijke teruggave was gedaan. Eveneens, en geheel op denzelfden
voet, waren de koloniën van Frankrijk zelf en van Denemarken in Engelands
Page 34
handen gevallen. Het middel nu om na eene overwinning der coalitielegers op
het vasteland eene nieuwe gedaante van het vastelandsch Europa te verkrijgen
die voor Engeland wenschelijk en aannemelijk was, zou blijkbaar moeten zijn
de vrijwillige voorwaardelijke teruggave der veroverde koloniën, op
voorwaarden door Engeland te stellen, en voor zoover het behoud dier
veroveringen niet onontbeerlijk werd geacht voor de welvaart van Engeland
zelf. De Kaap en Ceilon, zooals de Prins uit de geschiedenis van 1797 en 1799
zeer goed wist, zou Engeland nimmer vrijwillig afstaan. Het liefst zou Engeland
zich van eenige koloniën ten bate van een hersteld Nederland weder ontdoen,
wanneer dat herstelde Nederland op het vasteland sterk genoeg werd om zich
tegen Frankrijk te handhaven niet alleen, maar ook om Frankrijk binnen de
grenzen van 1792 opgesloten te houden. M. a. w. Java zou de prijs voor een
bewakingsdienst zijn, door Nederland te Antwerpen en Oostende te verrichten.
Of het evenwel mogelijk zou zijn België in zijn geheel of ten deele aan
Nederland te brengen, moest van het succes der coalitiewapenen afhangen, en
zelfs niet alleen van het succes naar den Nederlandsch-Belgischen kant; immers
of Oostenrijk ook thans van België af zou willen zien, zou er van afhangen welk
land beschikbaar kwam in Italië. Van de vraag of zij alleen voor Nederland zou
behoeven te dienen dan ook voor België, hing in Engelands oogen weder
eenigermate af welke vorm aan de nieuwe Nederlandsche regeering ware te
geven. Nimmer zou Engeland zich van iets ontblooten eer op al deze vragen een
beslist antwoord te geven was, en dit was in April 1813, toen de Prins te Londen
verscheen, nog in geenen deele het geval. Zijne vraag aan Lord Castlereagh
(wier gelukkige redactie men aan Hendrik Fagel, den oud-griffier der Staten-
Generaal dankt), luidt dan ook bescheiden:
„Il s'agirait pour le Prince d'Orange de savoir jusqu'à quel point on croirait
utile de rétablir en tout ou en partie l'ancienne constitution stadhoudérienne, ou
bien d'y substituer un autre système de gouvernement qui conciliât le vœu de la
nation hollandaise avec les vues des puissances appelées à influer si
puissamment sur les destinées futures de cette nation;
jusqu'à quel point on pourrait donner à la Hollande soit par une extension de
ses frontières (par une sorte de nouvelle Barrière plus efficace que l'ancienne),
soit par la réunion de quelques portions du territoire voisin de l'ancienne
République, une consistance et une solidité qui rendraient cet état plus propre
qu'autrefois à contribuer à servir de boulevard à l'indépendance et à la
tranquillité de l'Europe; dans quel sens une pareille augmentation de territoire (si
elle avait lieu) devrait influer sur la constitution à donner à ce nouvel Etat;
het vasteland eene nieuwe gedaante van het vastelandsch Europa te verkrijgen
die voor Engeland wenschelijk en aannemelijk was, zou blijkbaar moeten zijn
de vrijwillige voorwaardelijke teruggave der veroverde koloniën, op
voorwaarden door Engeland te stellen, en voor zoover het behoud dier
veroveringen niet onontbeerlijk werd geacht voor de welvaart van Engeland
zelf. De Kaap en Ceilon, zooals de Prins uit de geschiedenis van 1797 en 1799
zeer goed wist, zou Engeland nimmer vrijwillig afstaan. Het liefst zou Engeland
zich van eenige koloniën ten bate van een hersteld Nederland weder ontdoen,
wanneer dat herstelde Nederland op het vasteland sterk genoeg werd om zich
tegen Frankrijk te handhaven niet alleen, maar ook om Frankrijk binnen de
grenzen van 1792 opgesloten te houden. M. a. w. Java zou de prijs voor een
bewakingsdienst zijn, door Nederland te Antwerpen en Oostende te verrichten.
Of het evenwel mogelijk zou zijn België in zijn geheel of ten deele aan
Nederland te brengen, moest van het succes der coalitiewapenen afhangen, en
zelfs niet alleen van het succes naar den Nederlandsch-Belgischen kant; immers
of Oostenrijk ook thans van België af zou willen zien, zou er van afhangen welk
land beschikbaar kwam in Italië. Van de vraag of zij alleen voor Nederland zou
behoeven te dienen dan ook voor België, hing in Engelands oogen weder
eenigermate af welke vorm aan de nieuwe Nederlandsche regeering ware te
geven. Nimmer zou Engeland zich van iets ontblooten eer op al deze vragen een
beslist antwoord te geven was, en dit was in April 1813, toen de Prins te Londen
verscheen, nog in geenen deele het geval. Zijne vraag aan Lord Castlereagh
(wier gelukkige redactie men aan Hendrik Fagel, den oud-griffier der Staten-
Generaal dankt), luidt dan ook bescheiden:
„Il s'agirait pour le Prince d'Orange de savoir jusqu'à quel point on croirait
utile de rétablir en tout ou en partie l'ancienne constitution stadhoudérienne, ou
bien d'y substituer un autre système de gouvernement qui conciliât le vœu de la
nation hollandaise avec les vues des puissances appelées à influer si
puissamment sur les destinées futures de cette nation;
jusqu'à quel point on pourrait donner à la Hollande soit par une extension de
ses frontières (par une sorte de nouvelle Barrière plus efficace que l'ancienne),
soit par la réunion de quelques portions du territoire voisin de l'ancienne
République, une consistance et une solidité qui rendraient cet état plus propre
qu'autrefois à contribuer à servir de boulevard à l'indépendance et à la
tranquillité de l'Europe; dans quel sens une pareille augmentation de territoire (si
elle avait lieu) devrait influer sur la constitution à donner à ce nouvel Etat;
Page 35
enfin jusqu'à quel point l'Angleterre croirait convenable à ses propres intérêts
de se dessaisir en faveur de cet Etat régénéré des colonies hollandaises dont elle
a fait la conquête pendant la guerre.” 29)
Bezien wij elke drie leden dezer vraag wat nader.
Het eerste lid legt, in den vorm waarin het boven voorkomt, geen voorkeur
hetzij voor het erfstadhouderschap hetzij voor het koningschap aan den dag.
Fagels oorspronkelijke redactie had dat wèl gedaan: daarin had in de plaats der
boven cursief gedrukte woorden gestaan: „ou bien d'y substituer un système de
gouvernement plus analogue et pour le fond et pour la forme aux circonstances
et aux besoins impérieux de l'époque présente, aux secousses que l'Europe
entière et la Hollande en particulier ont éprouvées, un système qui pût concilier
le vœu”, enz. De Prins had deze woorden geschrapt en door de kleurloozer
redactie vervangen. „D'avoir l'air de solliciter la royauté”, had zijn moeder hem
nog vóór het vertrek op het hart gebonden, „c'est ce que je ne conseillerais
jamais”;—maar aan die woorden gaat onmiddellijk vooraf: „si par un
mouvement spontané on vous appelle au trône, je suppose que vous ne vous
refuserez pas”. 30) De vóór 1795 herhaaldelijk geuite beschuldiging van naar de
souvereiniteit te staan, was toenmaals door het huis van Oranje steeds met
energie teruggewezen; dat het volk zelf de omstandigheden nu geheel veranderd
achtte, mocht worden vermoed, maar wilden de Prins en ook Lord Castlereagh
eerst zien blijken.—„The omission proposed by the Prince”, oordeelt na het
lezen van Fagel's minuut Lord Malmesbury (de oude vriend van het huis uit de
dagen van 1787) „is certainly a proper one as far as he is personally concerned,
but the sentiment contained in it, highly important as to the general
arrangement”. 31) Zoo heeft Fagel het in November begrepen en in dezen zin
onmiddellijk aan Hogendorp geschreven 32), met volle instemming, toen, van
den zich in April op dit punt nog niet uitlatenden Lord Castlereagh.
Het tweede lid is al even voorzichtig gesteld. De niet uitgesproken voorkeur
van den Prins gaat niet uit naar de nieuwe barrièresteden, maar naar de
aanhechting van een zoo uitgebreid mogelijk grondgebied, zooals spoedig zou
blijken;—en uit de slotwoorden is voor den goeden verstaander te lezen dat voor
zulk een vergrooten en met een militaire functie ten dienste van Europa belasten
staat de monarchale regeeringsvorm aangewezen schijnt.
Het derde lid doet, in volkomen juist begrip der situatie, een beroep op
Engeland's belang, en vermijdt te spreken van de acte van 1795, als thans niet
de se dessaisir en faveur de cet Etat régénéré des colonies hollandaises dont elle
a fait la conquête pendant la guerre.” 29)
Bezien wij elke drie leden dezer vraag wat nader.
Het eerste lid legt, in den vorm waarin het boven voorkomt, geen voorkeur
hetzij voor het erfstadhouderschap hetzij voor het koningschap aan den dag.
Fagels oorspronkelijke redactie had dat wèl gedaan: daarin had in de plaats der
boven cursief gedrukte woorden gestaan: „ou bien d'y substituer un système de
gouvernement plus analogue et pour le fond et pour la forme aux circonstances
et aux besoins impérieux de l'époque présente, aux secousses que l'Europe
entière et la Hollande en particulier ont éprouvées, un système qui pût concilier
le vœu”, enz. De Prins had deze woorden geschrapt en door de kleurloozer
redactie vervangen. „D'avoir l'air de solliciter la royauté”, had zijn moeder hem
nog vóór het vertrek op het hart gebonden, „c'est ce que je ne conseillerais
jamais”;—maar aan die woorden gaat onmiddellijk vooraf: „si par un
mouvement spontané on vous appelle au trône, je suppose que vous ne vous
refuserez pas”. 30) De vóór 1795 herhaaldelijk geuite beschuldiging van naar de
souvereiniteit te staan, was toenmaals door het huis van Oranje steeds met
energie teruggewezen; dat het volk zelf de omstandigheden nu geheel veranderd
achtte, mocht worden vermoed, maar wilden de Prins en ook Lord Castlereagh
eerst zien blijken.—„The omission proposed by the Prince”, oordeelt na het
lezen van Fagel's minuut Lord Malmesbury (de oude vriend van het huis uit de
dagen van 1787) „is certainly a proper one as far as he is personally concerned,
but the sentiment contained in it, highly important as to the general
arrangement”. 31) Zoo heeft Fagel het in November begrepen en in dezen zin
onmiddellijk aan Hogendorp geschreven 32), met volle instemming, toen, van
den zich in April op dit punt nog niet uitlatenden Lord Castlereagh.
Het tweede lid is al even voorzichtig gesteld. De niet uitgesproken voorkeur
van den Prins gaat niet uit naar de nieuwe barrièresteden, maar naar de
aanhechting van een zoo uitgebreid mogelijk grondgebied, zooals spoedig zou
blijken;—en uit de slotwoorden is voor den goeden verstaander te lezen dat voor
zulk een vergrooten en met een militaire functie ten dienste van Europa belasten
staat de monarchale regeeringsvorm aangewezen schijnt.
Het derde lid doet, in volkomen juist begrip der situatie, een beroep op
Engeland's belang, en vermijdt te spreken van de acte van 1795, als thans niet
Page 36
langer toepasselijk.
Het mondeling antwoord dat Lord Castlereagh 18 Mei 1813 aan den Prins en
Fagel uitbracht, legt met zoo groote duidelijkheid de inzichten der Engelsche
regeering open, dat wij het hier tekstueel mededeelen 33):
„Lord Castlereagh commença par observer que la délivrance de la Hollande,
son entière séparation d'avec la France, et le rétablissement de la maison
d'Orange en Hollande, étaient des objets qui seraient toujours regardés par ce
pays-ci comme étant pour lui d'un intérêt majeur, tant sous le rapport de la digue
à opposer par ce moyen au pouvoir de la France, que sous celui des anciennes
relations de ce pays-ci avec la maison d'Orange, dont on s'était pendant si
longtems trouvé bien, et dont on avait contracté une sorte d'habitude; que par
conséquent on serait certainement très disposé ici à concourir à atteindre ce but
pour autant que les moyens de ce pays pouvaient le permettre; mais que, pour le
moment, on croyait consulter le mieux les intérêts du Prince lui-même en
différant de lui faire une réponse plus officielle jusqu'à ce qu'on se fût concerté
avec ses alliés; que d'après cela Lord Castlereagh communiquerait sans délai à
ceux-ci et nommément à l'Empereur de Russie 34) les ouvertures faites par le
Prince, et que dès qu'on aurait reçu la réponse, on aurait avec S. A. S. des
communications ultérieures et plus précises. Lord Castlereagh donna à connaître
aussi dans le cours de la conversation qu'il lui paraissait nécessaire que le Prince
d'Orange attendît ici 35) cette réponse et la communication ministérielle qui
pourrait en être la suite.
Passant ensuite comme de lui-même et non-officiellement à quelques-uns des
points touchés par le Prince dans son entretien du 27 avril, Lord Castlereagh
remarqua que l'Angleterre (le moment opportun étant arrivé) serait certainement
toujours disposée à concourir à tout ce qui pourrait tendre à faire de la Hollande
un pouvoir plus indépendant de la France et plus en état de lui résister; que sous
ce rapport on ne saurait avoir d'objection ici à donner à la Hollande une frontière
plus forte et plus compacte, mais que l'accomplissement de cet object devait
naturellement dépendre de circonstances qu'il n'était pas encore possible de
prévoir, bien moins de diriger;
que ce raisonnement s'appliquait également aux changemens éventuels à faire
à l'ancienne constitution dont on ne pouvait se dissimuler les imperfections, et
que tout ce qui pouvait tendre à donner à la Hollande et à son gouvernement
plus de force, de solidité et de consistance que par le passé était a désirer,
Het mondeling antwoord dat Lord Castlereagh 18 Mei 1813 aan den Prins en
Fagel uitbracht, legt met zoo groote duidelijkheid de inzichten der Engelsche
regeering open, dat wij het hier tekstueel mededeelen 33):
„Lord Castlereagh commença par observer que la délivrance de la Hollande,
son entière séparation d'avec la France, et le rétablissement de la maison
d'Orange en Hollande, étaient des objets qui seraient toujours regardés par ce
pays-ci comme étant pour lui d'un intérêt majeur, tant sous le rapport de la digue
à opposer par ce moyen au pouvoir de la France, que sous celui des anciennes
relations de ce pays-ci avec la maison d'Orange, dont on s'était pendant si
longtems trouvé bien, et dont on avait contracté une sorte d'habitude; que par
conséquent on serait certainement très disposé ici à concourir à atteindre ce but
pour autant que les moyens de ce pays pouvaient le permettre; mais que, pour le
moment, on croyait consulter le mieux les intérêts du Prince lui-même en
différant de lui faire une réponse plus officielle jusqu'à ce qu'on se fût concerté
avec ses alliés; que d'après cela Lord Castlereagh communiquerait sans délai à
ceux-ci et nommément à l'Empereur de Russie 34) les ouvertures faites par le
Prince, et que dès qu'on aurait reçu la réponse, on aurait avec S. A. S. des
communications ultérieures et plus précises. Lord Castlereagh donna à connaître
aussi dans le cours de la conversation qu'il lui paraissait nécessaire que le Prince
d'Orange attendît ici 35) cette réponse et la communication ministérielle qui
pourrait en être la suite.
Passant ensuite comme de lui-même et non-officiellement à quelques-uns des
points touchés par le Prince dans son entretien du 27 avril, Lord Castlereagh
remarqua que l'Angleterre (le moment opportun étant arrivé) serait certainement
toujours disposée à concourir à tout ce qui pourrait tendre à faire de la Hollande
un pouvoir plus indépendant de la France et plus en état de lui résister; que sous
ce rapport on ne saurait avoir d'objection ici à donner à la Hollande une frontière
plus forte et plus compacte, mais que l'accomplissement de cet object devait
naturellement dépendre de circonstances qu'il n'était pas encore possible de
prévoir, bien moins de diriger;
que ce raisonnement s'appliquait également aux changemens éventuels à faire
à l'ancienne constitution dont on ne pouvait se dissimuler les imperfections, et
que tout ce qui pouvait tendre à donner à la Hollande et à son gouvernement
plus de force, de solidité et de consistance que par le passé était a désirer,
Page 37
surtout si ce changement pouvait s'opérer de gré et conformément au vœu de la
nation; 36)
qu'enfin la même chose était encore applicable à ce que le Prince avait mis en
avant relativement aux colonies, et que quoique sûrement S. A. S. Elle-même ne
s'attendît pas que ce pays-ci put vouloir se dessaisir de toutes 37) celles qui
avaient autrefois appartenu à la Hollande, le degré de ces restitutions dépendrait
naturellement (indépendamment d'autres circonstances) du plus ou moins de
moyens de résistance que cet Etat une fois arraché à la France pourrait opposer à
celle-ci, et du plus ou moins de cordialité avec lequel on se rapprocherait de
l'Angleterre, et témoignerait le désir de renouer les anciennes relations avec
elle” 38).
Bij elk der 't zij door Fagel, 't zij door mij gecursiveerde woorden voegt
eenige toelichting.
Nommément à l'Empereur de Russie. Overleg tusschen Engeland en Rusland
omtrent het lot van Nederland en België was geene zaak van gisteren; zie
hiervóór bl. 13. Rusland had reeds in 1798 het denkbeeld der vereeniging van
die twee landen goedgekeurd, en had ook in 1805 toegestemd dat het in de
groote Engelsch-Russische alliantie van dat jaar werd opgenomen. Een
bijzonder artikel van dat alliantietractaat (11 April 1805) bepaalt: „Les hautes
parties contractantes sont convenues qu'il entre dans le but du présent concert de
procurer à la Hollande et à la Suisse, d'après les circonstances, des
arrondissemens convenables, tels que les ci-devant Pays-Bas autrichiens en tout
ou en partie à la première, l'Etat de Genève ou la Savoie à la seconde” 39).
Austerlitz had de verwachtingen van 1805 te schande gemaakt; Rusland
verwijderde zich van Engeland, en het duurde tot 18 Juli 1812 eer er een
vredesverdrag tusschen deze beide volken kon worden gesloten. Bij deze
gelegenheid was het dat Rusland voor het eerst als prijs voor zijne medewerking
tot het herstel en de vergrooting van Nederland de overneming door Engeland
eener schuld van f 87.100.000 vroeg, die Rusland bij Amsterdamsche bankiers
had aangegaan;—een eisch toen door Engeland afgewezen, maar waarop
Rusland zich voornam te gelegener tijd terug te komen. Sedert 28 Febr. 1813
was ook Pruisen met Rusland verbonden, en 3 Maart 1813 sloot Engeland met
Zweden een verdrag, waarbij Bernadotte zich verplichtte de operatiën der
Russen in Duitschland te ondersteunen, tegen toezegging van een Engelsch
subsidie, van de verwerving van het aan Napoleon's bondgenoot Denemarken
nation; 36)
qu'enfin la même chose était encore applicable à ce que le Prince avait mis en
avant relativement aux colonies, et que quoique sûrement S. A. S. Elle-même ne
s'attendît pas que ce pays-ci put vouloir se dessaisir de toutes 37) celles qui
avaient autrefois appartenu à la Hollande, le degré de ces restitutions dépendrait
naturellement (indépendamment d'autres circonstances) du plus ou moins de
moyens de résistance que cet Etat une fois arraché à la France pourrait opposer à
celle-ci, et du plus ou moins de cordialité avec lequel on se rapprocherait de
l'Angleterre, et témoignerait le désir de renouer les anciennes relations avec
elle” 38).
Bij elk der 't zij door Fagel, 't zij door mij gecursiveerde woorden voegt
eenige toelichting.
Nommément à l'Empereur de Russie. Overleg tusschen Engeland en Rusland
omtrent het lot van Nederland en België was geene zaak van gisteren; zie
hiervóór bl. 13. Rusland had reeds in 1798 het denkbeeld der vereeniging van
die twee landen goedgekeurd, en had ook in 1805 toegestemd dat het in de
groote Engelsch-Russische alliantie van dat jaar werd opgenomen. Een
bijzonder artikel van dat alliantietractaat (11 April 1805) bepaalt: „Les hautes
parties contractantes sont convenues qu'il entre dans le but du présent concert de
procurer à la Hollande et à la Suisse, d'après les circonstances, des
arrondissemens convenables, tels que les ci-devant Pays-Bas autrichiens en tout
ou en partie à la première, l'Etat de Genève ou la Savoie à la seconde” 39).
Austerlitz had de verwachtingen van 1805 te schande gemaakt; Rusland
verwijderde zich van Engeland, en het duurde tot 18 Juli 1812 eer er een
vredesverdrag tusschen deze beide volken kon worden gesloten. Bij deze
gelegenheid was het dat Rusland voor het eerst als prijs voor zijne medewerking
tot het herstel en de vergrooting van Nederland de overneming door Engeland
eener schuld van f 87.100.000 vroeg, die Rusland bij Amsterdamsche bankiers
had aangegaan;—een eisch toen door Engeland afgewezen, maar waarop
Rusland zich voornam te gelegener tijd terug te komen. Sedert 28 Febr. 1813
was ook Pruisen met Rusland verbonden, en 3 Maart 1813 sloot Engeland met
Zweden een verdrag, waarbij Bernadotte zich verplichtte de operatiën der
Russen in Duitschland te ondersteunen, tegen toezegging van een Engelsch
subsidie, van de verwerving van het aan Napoleon's bondgenoot Denemarken
Page 38
toebehoorende Noorwegen, en van het door Engeland op Frankrijk veroverde
eiland Guadeloupe.
Zoover waren de zaken gekomen toen het onderhoud van 27 April tusschen
den Prins en Lord Castlereagh plaats had. Intusschen verliep de oorlog in
Duitschland aanvankelijk voor de bondgenooten niet zeer fortuinlijk; eerst toen
Rusland en Pruisen zich bij verdragen van 14 en 15 Juni door zware Engelsche
subsidiën tot volhouden hadden laten overhalen, heeft Lord Castlereagh, bij
dépêche aan zijn gezant bij Alexander (Lord Cathcart) van 5 Juli 1813, een
algemeen programma voor den Europeeschen vrede medegedeeld, waarvan de
onafhankelijkheid van Nederland 40) deel uitmaakt, en, in zeer voorzichtige
bewoordingen, Engelands gewilligheid betuigd wordt om tot verwezenlijking
der programpunten door teruggave van koloniën mede te werken 41).
Intusschen trachtten Rusland en Pruisen ook Oostenrijk tot den afval van
Napoleon te bewegen. Den 16den Mei hadden zij onder de grondslagen van den
Frankrijk af te dwingen vrede reeds aan Metternich voorgesteld „la séparation
de la Hollande de la France”, een punt vervolgens overgenomen in het door
Oostenrijk aan Napoleon gestelde ultimatum (7 Aug.). Op dit oogenblik waren
de vier groote mogendheden het dus nog enkel eens over het feit zelve der
onafhankelijkheid van Nederland; de vraag naar de uitgebreidheid van het
grondgebied, aan den herstelden staat te geven, bleef nog geheel open. Voor de
beantwoording dezer vraag hing zeer veel van Oostenrijk af, dat zich wel 12
Aug. 1813 tegen Napoleon verklaarde, maar toen nog niet gereed was tot eene
bespreking van het Belgische vraagstuk. Eerst toen de slag van Leipzig beslist
had dat meer land beschikbaar zou komen dan men in het begin van 1813 had
durven hopen, achtte Engeland het oogenblik gekomen nadere voorstellen
betreffende Nederland aan de bondgenooten te doen. Dit geschiedde bij een
memorandum waarvan Lord Castlereagh den Prins 7 Nov. 1813 kennis gaf 42).
„If things”, heet het daarin, „can be restored on the side of the Low Countries to
a state, similar to that in which they stood at that period, when one of the great
military Powers of Germany was interposed as a protection between France and
Holland, the British Government will not feel it necessary to press for any
departure from the ancient arrangement of limits; but if the course of events
should be such as to render this highly desired object unattainable, and the
frontier of France should still remain in contact with that of Holland, they feel it
essential that Antwerp, with such other extension of territory as may be
necessary to give to the United Provinces an adequate military frontier, should
be assigned to Holland... The immediate object of this Memorandum is to point
eiland Guadeloupe.
Zoover waren de zaken gekomen toen het onderhoud van 27 April tusschen
den Prins en Lord Castlereagh plaats had. Intusschen verliep de oorlog in
Duitschland aanvankelijk voor de bondgenooten niet zeer fortuinlijk; eerst toen
Rusland en Pruisen zich bij verdragen van 14 en 15 Juni door zware Engelsche
subsidiën tot volhouden hadden laten overhalen, heeft Lord Castlereagh, bij
dépêche aan zijn gezant bij Alexander (Lord Cathcart) van 5 Juli 1813, een
algemeen programma voor den Europeeschen vrede medegedeeld, waarvan de
onafhankelijkheid van Nederland 40) deel uitmaakt, en, in zeer voorzichtige
bewoordingen, Engelands gewilligheid betuigd wordt om tot verwezenlijking
der programpunten door teruggave van koloniën mede te werken 41).
Intusschen trachtten Rusland en Pruisen ook Oostenrijk tot den afval van
Napoleon te bewegen. Den 16den Mei hadden zij onder de grondslagen van den
Frankrijk af te dwingen vrede reeds aan Metternich voorgesteld „la séparation
de la Hollande de la France”, een punt vervolgens overgenomen in het door
Oostenrijk aan Napoleon gestelde ultimatum (7 Aug.). Op dit oogenblik waren
de vier groote mogendheden het dus nog enkel eens over het feit zelve der
onafhankelijkheid van Nederland; de vraag naar de uitgebreidheid van het
grondgebied, aan den herstelden staat te geven, bleef nog geheel open. Voor de
beantwoording dezer vraag hing zeer veel van Oostenrijk af, dat zich wel 12
Aug. 1813 tegen Napoleon verklaarde, maar toen nog niet gereed was tot eene
bespreking van het Belgische vraagstuk. Eerst toen de slag van Leipzig beslist
had dat meer land beschikbaar zou komen dan men in het begin van 1813 had
durven hopen, achtte Engeland het oogenblik gekomen nadere voorstellen
betreffende Nederland aan de bondgenooten te doen. Dit geschiedde bij een
memorandum waarvan Lord Castlereagh den Prins 7 Nov. 1813 kennis gaf 42).
„If things”, heet het daarin, „can be restored on the side of the Low Countries to
a state, similar to that in which they stood at that period, when one of the great
military Powers of Germany was interposed as a protection between France and
Holland, the British Government will not feel it necessary to press for any
departure from the ancient arrangement of limits; but if the course of events
should be such as to render this highly desired object unattainable, and the
frontier of France should still remain in contact with that of Holland, they feel it
essential that Antwerp, with such other extension of territory as may be
necessary to give to the United Provinces an adequate military frontier, should
be assigned to Holland... The immediate object of this Memorandum is to point
Page 39
to the active and early efforts of the Allies to the recovery of Holland. Whenever
matters may be ripe for entering more fully upon its future settlement, the
British Government will be prepared to recur to those principles laid down in a
despatch to Lord Cathcart of July 5th 43) with respect to the colonies conquered
from Holland since 1803 44) with a sincere disposition on their part, liberally to
strengthen Holland in proportion as that important portion of Europe can be
rendered secure by adequate arrangements against the Power of France.”
Wij zien hieruit, dat de vereeniging van Holland en België door de Engelsche
politiek niet beschouwd werd als een zeer begeerlijk doel in absoluten zin, maar
alleen voor zoover de herplaatsing van een der beide groote militaire
mogendheden van Duitschland in eerste linie tegen Frankrijk onbereikbaar
mocht blijken. Aan Oostenrijk èn België èn Noord-Italië te bezorgen was buiten
kwestie, en als de keus tusschen deze twee zou staan, zou Oostenrijk Italië
kiezen. Omgekeerd zou Oostenrijk bezwaar hebben tegen de aanhechting van
België aan Pruisen, tenzij Pruisen's macht in het hart van Duitschland een
geëvenredigde vermindering onderging, waartegen Pruisen weder op moest
komen, dat zich juist tot eene compacte macht in Midden-Duitschland hoopte te
kunnen uitbreiden, en aan de verwerving van een land als Saksen boven het
occupeeren van den gevaarlijken wachtpost in België ver de voorkeur gaf. Ook
in 1798 waren het deze overwegingen alleen die Engeland het plan tot de
vereeniging hadden doen opvatten, dat toen een onmiddellijk gevolg was van
Oostenrijk's verwerving van Venetië bij den vrede van Campo Formio 45).
Wat de koloniën betreft wordt door de hier gebruikte formule al dadelijk van
de teruggave uitgesloten het niet sedert 1803 veroverde maar bij den vrede van
1802 in Engelands handen verbleven Ceilon. Ziehier een eerste verduidelijking
van het „pas toutes” van Castlereagh's antwoord aan den Prins van 18 Mei 1813.
Andere verduidelijkingen zouden volgen, maar niet vóór het vertrek van den
Prins, wien geen gelegenheid meer is gegeven dit netelig punt met Castlereagh
te behandelen: het Engelsche standpunt was, dat de koloniën eerst volgen
zouden nadat en naarmate Nederland op het vasteland versterkt kon worden
tegen Frankrijk, en dus was eerst die versterking aan de orde—tusschen
Engeland en de bondgenooten. Wèl werd den Prins vergund zijn eigen
denkbeelden omtrent die versterking aan Castlereagh mede te deelen. Hij deed
het onmiddellijk na het verleende verlof, 9 Nov. 1813: en terstond blijkt nu uit
dit niet door Fagel herziene stuk hoe enorm 's Prinsen appetijt was. Hij vraagt
niet minder dan de gezamenlijke gewezen Oostenrijksche Nederlanden met
Luik, benevens al het land dat ingesloten ligt tusschen Maas, Rijn en Moezel, en
matters may be ripe for entering more fully upon its future settlement, the
British Government will be prepared to recur to those principles laid down in a
despatch to Lord Cathcart of July 5th 43) with respect to the colonies conquered
from Holland since 1803 44) with a sincere disposition on their part, liberally to
strengthen Holland in proportion as that important portion of Europe can be
rendered secure by adequate arrangements against the Power of France.”
Wij zien hieruit, dat de vereeniging van Holland en België door de Engelsche
politiek niet beschouwd werd als een zeer begeerlijk doel in absoluten zin, maar
alleen voor zoover de herplaatsing van een der beide groote militaire
mogendheden van Duitschland in eerste linie tegen Frankrijk onbereikbaar
mocht blijken. Aan Oostenrijk èn België èn Noord-Italië te bezorgen was buiten
kwestie, en als de keus tusschen deze twee zou staan, zou Oostenrijk Italië
kiezen. Omgekeerd zou Oostenrijk bezwaar hebben tegen de aanhechting van
België aan Pruisen, tenzij Pruisen's macht in het hart van Duitschland een
geëvenredigde vermindering onderging, waartegen Pruisen weder op moest
komen, dat zich juist tot eene compacte macht in Midden-Duitschland hoopte te
kunnen uitbreiden, en aan de verwerving van een land als Saksen boven het
occupeeren van den gevaarlijken wachtpost in België ver de voorkeur gaf. Ook
in 1798 waren het deze overwegingen alleen die Engeland het plan tot de
vereeniging hadden doen opvatten, dat toen een onmiddellijk gevolg was van
Oostenrijk's verwerving van Venetië bij den vrede van Campo Formio 45).
Wat de koloniën betreft wordt door de hier gebruikte formule al dadelijk van
de teruggave uitgesloten het niet sedert 1803 veroverde maar bij den vrede van
1802 in Engelands handen verbleven Ceilon. Ziehier een eerste verduidelijking
van het „pas toutes” van Castlereagh's antwoord aan den Prins van 18 Mei 1813.
Andere verduidelijkingen zouden volgen, maar niet vóór het vertrek van den
Prins, wien geen gelegenheid meer is gegeven dit netelig punt met Castlereagh
te behandelen: het Engelsche standpunt was, dat de koloniën eerst volgen
zouden nadat en naarmate Nederland op het vasteland versterkt kon worden
tegen Frankrijk, en dus was eerst die versterking aan de orde—tusschen
Engeland en de bondgenooten. Wèl werd den Prins vergund zijn eigen
denkbeelden omtrent die versterking aan Castlereagh mede te deelen. Hij deed
het onmiddellijk na het verleende verlof, 9 Nov. 1813: en terstond blijkt nu uit
dit niet door Fagel herziene stuk hoe enorm 's Prinsen appetijt was. Hij vraagt
niet minder dan de gezamenlijke gewezen Oostenrijksche Nederlanden met
Luik, benevens al het land dat ingesloten ligt tusschen Maas, Rijn en Moezel, en
Page 40
dit alles moet met de oude Republiek tot een ondeelbaren staat worden
gevormd 46). Lord Castlereagh is op het oogenblik van 's Prinsen vertrek van een
andere meening: hij heeft Oostenrijk nog niet uit het hoofd gezet, en voor het
geval Oostenrijk onwillig is, laat hij het barrièredenkbeeld boven dat van
ineensmelting van Holland en België overwegen, „I find”, schrijft hij 30 Nov.
aan zijn den Prins naar Holland vergezellenden gezant Lord Clancarty, „I find
Lord Malmesbury 47) thinks an arrangement in extension of Holland preferable
to giving the Netherlands to a third Power, I doubt this, if Austria would hold it.
Turn your mind to the Barrier Question 48). I consider Antwerp and all Holland
held before 1792 indispensable. The frontier must then embrace at least
Malines, Maestricht, Juliers and so to the Rhine at Cologne or Dusseldorf.” 49)
En Repelaer, eenige dagen na het uitbreken van den opstand naar Engeland
gekomen, kon eenige dagen te voren uit Castlereagh's mond het volgende
opteekenen:
„Het lot van België kan nog onmogelijk worden bepaald. Nog na den slag van
Leipzig is Metternich in onderhandeling getreden met Napoleon, en heeft hem
het behoud van België en van den linker Rijnoever in uitzicht gesteld, mits hij
toestemt in het herstel van Nederland als onafhankelijken staat, en alles opgeeft
in Italië en over den Rijn. Het antwoord van Napoleon laat echter geen twijfel,
dat een vrede op deze voorwaarden niet meer tot stand zal komen. Wat er nu met
België gebeuren zal is onzeker; mogelijk zal het aan Oostenrijk terug moeten, of
zal er een Duitsch huis in moeten worden geplaatst: dat van Beieren, Baden of
een ander. Blijkt het voor ons niet noodig tot een dezer oplossingen mede te
werken, dan zijn wij besloten tot de vereeniging van België met Nederland,
hoewel wij vreezen dat het zijn zou tegen de Belgische en misschien ook tegen
de Nederlandsche volksopinie.” 50)
Toen dus de Prins naar Holland ging was nog niets boven het herstel van
Nederland binnen zijne oude grenzen verzekerd, en het is eigenaardig Lord
Castlereagh onmiddellijk vóór zijn eigen vertrek naar het vasteland nog zooveel
twijfel te hooren aan den dag leggen aan de juistheid der oplossing die hij daar
ten slotte heeft doorgedreven, en zooveel voorkeur voor eene oplossing als 1831
die gebracht heeft: een Duitsch prins in een eigen Belgischen staat.
Ici (hiervóór, bl. 26). Uit het bovenstaande is duidelijk geworden waarom
Castlereagh wenschen moest dat de Prins voorloopig inactief, m.a.w. dat hij in
Engeland bleef. Het was in Engelands belang dat zijne verheffing en vergrooting
gevormd 46). Lord Castlereagh is op het oogenblik van 's Prinsen vertrek van een
andere meening: hij heeft Oostenrijk nog niet uit het hoofd gezet, en voor het
geval Oostenrijk onwillig is, laat hij het barrièredenkbeeld boven dat van
ineensmelting van Holland en België overwegen, „I find”, schrijft hij 30 Nov.
aan zijn den Prins naar Holland vergezellenden gezant Lord Clancarty, „I find
Lord Malmesbury 47) thinks an arrangement in extension of Holland preferable
to giving the Netherlands to a third Power, I doubt this, if Austria would hold it.
Turn your mind to the Barrier Question 48). I consider Antwerp and all Holland
held before 1792 indispensable. The frontier must then embrace at least
Malines, Maestricht, Juliers and so to the Rhine at Cologne or Dusseldorf.” 49)
En Repelaer, eenige dagen na het uitbreken van den opstand naar Engeland
gekomen, kon eenige dagen te voren uit Castlereagh's mond het volgende
opteekenen:
„Het lot van België kan nog onmogelijk worden bepaald. Nog na den slag van
Leipzig is Metternich in onderhandeling getreden met Napoleon, en heeft hem
het behoud van België en van den linker Rijnoever in uitzicht gesteld, mits hij
toestemt in het herstel van Nederland als onafhankelijken staat, en alles opgeeft
in Italië en over den Rijn. Het antwoord van Napoleon laat echter geen twijfel,
dat een vrede op deze voorwaarden niet meer tot stand zal komen. Wat er nu met
België gebeuren zal is onzeker; mogelijk zal het aan Oostenrijk terug moeten, of
zal er een Duitsch huis in moeten worden geplaatst: dat van Beieren, Baden of
een ander. Blijkt het voor ons niet noodig tot een dezer oplossingen mede te
werken, dan zijn wij besloten tot de vereeniging van België met Nederland,
hoewel wij vreezen dat het zijn zou tegen de Belgische en misschien ook tegen
de Nederlandsche volksopinie.” 50)
Toen dus de Prins naar Holland ging was nog niets boven het herstel van
Nederland binnen zijne oude grenzen verzekerd, en het is eigenaardig Lord
Castlereagh onmiddellijk vóór zijn eigen vertrek naar het vasteland nog zooveel
twijfel te hooren aan den dag leggen aan de juistheid der oplossing die hij daar
ten slotte heeft doorgedreven, en zooveel voorkeur voor eene oplossing als 1831
die gebracht heeft: een Duitsch prins in een eigen Belgischen staat.
Ici (hiervóór, bl. 26). Uit het bovenstaande is duidelijk geworden waarom
Castlereagh wenschen moest dat de Prins voorloopig inactief, m.a.w. dat hij in
Engeland bleef. Het was in Engelands belang dat zijne verheffing en vergrooting
Page 41
zooveel mogelijk het werk van Engeland zelf zouden wezen. Op het vasteland,
waar alles tot na den slag van Leipzig zoo volstrekt onzeker bleef, kon hij maar
verstrikt raken in verbindingen die mogelijk niet of niet geheel met Engelands
belang zouden strooken.
Den Prins zelf was deze werkeloosheid zeer tegen de borst. Reeds in het
onderhoud van 27 April had hij om geld gevraagd ten einde op het vasteland uit
Hollandsche krijgsgevangenen en anderen een legercorps te kunnen werven aan
welks hoofd hij zich zou stellen „comme le représentant de la nation
hollandaise”; hij zou zich dan onder de bevelen van den kroonprins van Zweden
in Noordduitschland willen voegen. Castlereagh's antwoord van 18 Mei had ook
deze „mesure” als „trop décisive” verdaagd. Eerst eind September liet men hem
toe op deze zaak terug te komen en zijn plan nader te ontwikkelen; hij stelde nu
(volgens de aanwijzingen van Lord Castlereagh) de werving in Duitschland van
een tot twee bataillons te beperken Oranje-legioen onder een door hem aan te
wijzen officier voor, welk corps door Engeland zou worden betaald en zich
aansluiten zou bij een eveneens door Engeland betaald Duitsch legioen onder
Walmoden, dat onder de bevelen van Bernadotte stond. 51) Zelf verlangde hij
zich zoo spoedig mogelijk bij deze troepen te voegen, doch zou de machtiging
der Engelsche regeering daartoe afwachten. Dit plan werd 4 October door
Castlereagh goedgekeurd en heeft vervolgens een begin van uitvoering
gekregen. Doch de officier met de werving belast, de Constant-Rebecque, eind
October te Berlijn gekomen, ondervond spoedig dat reeds van links en rechts
Duitschland was leeggehaald en er bijna geen beschikbare Hollandsche
krijgsgevangenen of deserteurs meer over waren: zoo dienden er in het legioen
onder Walmoden reeds 1200 die niet te zijner beschikking werden gesteld.
Evenmin waren de Hollanders los te krijgen die reeds bij de Pruisen of Russen
dienden, en zoo liep de aanmelding langen tijd niet boven de twee of drie man
per dag. Eerst de capitulatie van Stettin (5 Dec.) leverde een 1000 man, en in het
begin van 1814 eerst konden de bataillons naar Holland oprukken, 52) waar zij
toen een welkome aanwinst waren voor het in vorming zijnde Nederlandsche
leger. Tot het uitlokken van den opstand zelf heeft dit gansche initiatief van den
Prins dus hoegenaamd niets kunnen bijdragen.
Toch is het verblijf van den Prins in Engeland in één opzicht voor de
ontwikkeling der zaken van zeer groot belang geweest: het heeft er toe geleid,
dat de Engelsche regeering alle denkbeeld opgaf om bij een mogelijke
restauratie van Oranje in Nederland van den zoon gebruik te maken, met
voorbijgang van den vader.
waar alles tot na den slag van Leipzig zoo volstrekt onzeker bleef, kon hij maar
verstrikt raken in verbindingen die mogelijk niet of niet geheel met Engelands
belang zouden strooken.
Den Prins zelf was deze werkeloosheid zeer tegen de borst. Reeds in het
onderhoud van 27 April had hij om geld gevraagd ten einde op het vasteland uit
Hollandsche krijgsgevangenen en anderen een legercorps te kunnen werven aan
welks hoofd hij zich zou stellen „comme le représentant de la nation
hollandaise”; hij zou zich dan onder de bevelen van den kroonprins van Zweden
in Noordduitschland willen voegen. Castlereagh's antwoord van 18 Mei had ook
deze „mesure” als „trop décisive” verdaagd. Eerst eind September liet men hem
toe op deze zaak terug te komen en zijn plan nader te ontwikkelen; hij stelde nu
(volgens de aanwijzingen van Lord Castlereagh) de werving in Duitschland van
een tot twee bataillons te beperken Oranje-legioen onder een door hem aan te
wijzen officier voor, welk corps door Engeland zou worden betaald en zich
aansluiten zou bij een eveneens door Engeland betaald Duitsch legioen onder
Walmoden, dat onder de bevelen van Bernadotte stond. 51) Zelf verlangde hij
zich zoo spoedig mogelijk bij deze troepen te voegen, doch zou de machtiging
der Engelsche regeering daartoe afwachten. Dit plan werd 4 October door
Castlereagh goedgekeurd en heeft vervolgens een begin van uitvoering
gekregen. Doch de officier met de werving belast, de Constant-Rebecque, eind
October te Berlijn gekomen, ondervond spoedig dat reeds van links en rechts
Duitschland was leeggehaald en er bijna geen beschikbare Hollandsche
krijgsgevangenen of deserteurs meer over waren: zoo dienden er in het legioen
onder Walmoden reeds 1200 die niet te zijner beschikking werden gesteld.
Evenmin waren de Hollanders los te krijgen die reeds bij de Pruisen of Russen
dienden, en zoo liep de aanmelding langen tijd niet boven de twee of drie man
per dag. Eerst de capitulatie van Stettin (5 Dec.) leverde een 1000 man, en in het
begin van 1814 eerst konden de bataillons naar Holland oprukken, 52) waar zij
toen een welkome aanwinst waren voor het in vorming zijnde Nederlandsche
leger. Tot het uitlokken van den opstand zelf heeft dit gansche initiatief van den
Prins dus hoegenaamd niets kunnen bijdragen.
Toch is het verblijf van den Prins in Engeland in één opzicht voor de
ontwikkeling der zaken van zeer groot belang geweest: het heeft er toe geleid,
dat de Engelsche regeering alle denkbeeld opgaf om bij een mogelijke
restauratie van Oranje in Nederland van den zoon gebruik te maken, met
voorbijgang van den vader.
Page 42
Dit denkbeeld heeft wel bestaan, maar was nog geenszins gerijpt tot een vast
besluit. Willem VI was in Engeland nimmer populair geweest. In 1795, na dien
winterveldtocht waarbij de troepen van den hertog van York zich met schande
overladen hadden, had de toenmalige Erfprins, opperbevelhebber van het
geslagen Nederlandsche leger, zijn ergernis niet kunnen verkroppen. Over de
acte van inbewaargeving der koloniën en den brief van Kew had hij zijn vader
menig hard woord gegeven. In de volgende jaren had hij zijn heil bij Pruisen
gezocht in plaats van bij Engeland, en toen de omstandigheden er in 1799 toe
leidden dat ook hij weder bij Engeland te biecht moest komen, was de
verhouding niet hartelijker geworden; integendeel. De Erfprins werd buiten de
gansche voorbereiding der expeditie gelaten en mocht alleen als toeschouwer in
den Helder verschijnen; een toeschouwer, die de zaak van zijn huis door de
ongeschikte handen van den hertog van York opnieuw zag verbrodden. Met de
geslagen Engelsche troepen naar Yarmouth gekomen, liet hij zich daar aan
vertrouwden of die hij daarvoor hield buitengemeen heftig tegen alles wat
Engelsch was uit; het werd alles overgebriefd aan de Engelsche regeering. 53) De
aandrang door den Erfprins in 1802 gebruikt om de gunst van Napoleon te
verwerven kon door Engeland, dat zelf aan die wending schuld had, moeilijk
openlijk tegen hem worden aangevoerd, maar stak er toch zeer. Daarna hadden
de omstandigheden er toe geleid dat Engeland hem aan een zilveren band kon
leggen; hartelijkheid van wederzijdsche gevoelens werd er eerder door
tegengehouden dan bevorderd. Een uitstekenden indruk daarentegen had in
Engeland gemaakt 's Prinsen niet verwachte keus, zijn oudsten zoon voor de
voltooiing zijner opvoeding naar Oxford te zenden. Dat besluit was genomen na
Tilsit, toen Pruisen bijna vernietigd was, Rusland in verbond trad met den
Keizer, en het waanzin zou geweest zijn voor het huis van Oranje, nog op
iemand anders dan Engeland te bouwen. De oude Prinses Willemijn was hiervan
zóó overtuigd, dat zij er ondanks haar jaren over gedacht heeft zelf naar
Engeland te gaan, opdat het huis daar niet geheel in het vergeetboek zou
geraken. Haar zoon, vreesde zij, zou er na al het gebeurde kwalijk worden
ontvangen. „Il ne reste plus que moi qui peut encore veiller à vos intérêts;
convenons que sans l'Angleterre nous serions réduits à la besace” 54). De Prins
wilde daar niet van hooren maar begreep ook dat de tijdsomstandigheden er niet
naar waren dat hij zelf iets van belang in Engeland zou hebben kunnen
uitrichten; van hem is het denkbeeld, er zijn zoon op studie te leggen. De Prins-
Regent had geen zoon, en maar één dochter, en vreemde prinsen waren in deze
jaren van gesloten verkeer en van Napoleon's suprematie over alle hoven van
continentaal Europa, in Engeland zoo zeldzaam geworden als een witte raaf.
besluit. Willem VI was in Engeland nimmer populair geweest. In 1795, na dien
winterveldtocht waarbij de troepen van den hertog van York zich met schande
overladen hadden, had de toenmalige Erfprins, opperbevelhebber van het
geslagen Nederlandsche leger, zijn ergernis niet kunnen verkroppen. Over de
acte van inbewaargeving der koloniën en den brief van Kew had hij zijn vader
menig hard woord gegeven. In de volgende jaren had hij zijn heil bij Pruisen
gezocht in plaats van bij Engeland, en toen de omstandigheden er in 1799 toe
leidden dat ook hij weder bij Engeland te biecht moest komen, was de
verhouding niet hartelijker geworden; integendeel. De Erfprins werd buiten de
gansche voorbereiding der expeditie gelaten en mocht alleen als toeschouwer in
den Helder verschijnen; een toeschouwer, die de zaak van zijn huis door de
ongeschikte handen van den hertog van York opnieuw zag verbrodden. Met de
geslagen Engelsche troepen naar Yarmouth gekomen, liet hij zich daar aan
vertrouwden of die hij daarvoor hield buitengemeen heftig tegen alles wat
Engelsch was uit; het werd alles overgebriefd aan de Engelsche regeering. 53) De
aandrang door den Erfprins in 1802 gebruikt om de gunst van Napoleon te
verwerven kon door Engeland, dat zelf aan die wending schuld had, moeilijk
openlijk tegen hem worden aangevoerd, maar stak er toch zeer. Daarna hadden
de omstandigheden er toe geleid dat Engeland hem aan een zilveren band kon
leggen; hartelijkheid van wederzijdsche gevoelens werd er eerder door
tegengehouden dan bevorderd. Een uitstekenden indruk daarentegen had in
Engeland gemaakt 's Prinsen niet verwachte keus, zijn oudsten zoon voor de
voltooiing zijner opvoeding naar Oxford te zenden. Dat besluit was genomen na
Tilsit, toen Pruisen bijna vernietigd was, Rusland in verbond trad met den
Keizer, en het waanzin zou geweest zijn voor het huis van Oranje, nog op
iemand anders dan Engeland te bouwen. De oude Prinses Willemijn was hiervan
zóó overtuigd, dat zij er ondanks haar jaren over gedacht heeft zelf naar
Engeland te gaan, opdat het huis daar niet geheel in het vergeetboek zou
geraken. Haar zoon, vreesde zij, zou er na al het gebeurde kwalijk worden
ontvangen. „Il ne reste plus que moi qui peut encore veiller à vos intérêts;
convenons que sans l'Angleterre nous serions réduits à la besace” 54). De Prins
wilde daar niet van hooren maar begreep ook dat de tijdsomstandigheden er niet
naar waren dat hij zelf iets van belang in Engeland zou hebben kunnen
uitrichten; van hem is het denkbeeld, er zijn zoon op studie te leggen. De Prins-
Regent had geen zoon, en maar één dochter, en vreemde prinsen waren in deze
jaren van gesloten verkeer en van Napoleon's suprematie over alle hoven van
continentaal Europa, in Engeland zoo zeldzaam geworden als een witte raaf.
Page 43
Ook deze omstandigheid vergat de Prins bij zijn besluit niet 55). Nu èn
Nederland èn Nassau èn Fulda verloren waren, wat beter toekomst kon de in
1792 geboren Willem wenschen dan die van Engelsch prins-gemaal?
Die jonge Willem was een knaap van gunstig voorkomen en innemende
manieren; een zoo vorstelijke verschijning als zijn vader het weinig was. Hij
trok werkelijk in Engeland zeer de aandacht. Toen zijn studietijd te Oxford om
was en het vooruitzicht op het vasteland nog hoegenaamd niet ten voordeele van
het huis veranderd, meende zijn vader niet beter te kunnen doen dan hem voor
adjudant van Wellington bij het leger in Spanje aan te bieden 56), een denkbeeld
dat in Engeland zeer in den smaak viel; en het kwam uit dat de jonge prins, die
aanvankelijk voor die bestemming zeer weinig voorliefde toonde, er ook
genoegen in kreeg toen hij eenmaal te velde was, en zich uitstekend gedroeg,
zoodat hij menigmaal in Wellingtons bulletins met lof kon worden vermeld. Zoo
was, in 1812 en begin 1813, „Willem VII” zooals hij in de wandeling heette,
eigenlijk veel meer een publiek persoon in Europa dan zijn driekwart vergeten
vader, die ook wel vrij dikwijls in het vuur was geweest (nog in 1806 en 1809),
maar altijd bij ongelukkige affaires, en als militair nooit eenigen indruk had
kunnen maken. Tegelijkertijd verdichtten zich de steeds meer loopende
geruchten eener aanstaande verloving van den jongen prins met Charlotte, een
plan dat in Engeland warme voorstanders vond, hoewel ook eenige
tegenstrevers; de toestanden in de Engelsche koninklijke familie waren niet van
dien aard, dat haar leden het over eenig punt gemakkelijk eens werden, en
vooral niet over zoo een.
Zoodra nu Napoleon's nederlaag in Rusland bekend werd, begreep men in
Engeland zeer wel dat tot de zaken die binnen het bereik der practische politiek
kwamen te liggen, voortaan ook het herstel van het Oranjehuis in Nederland
behoorde. Niet dat men het mogelijk achtte daartoe aanstonds eene poging te
doen, maar het behoorde tot de aangelegenheden waaromtrent men zijne
gedachten had te bepalen om niet door de omstandigheden te worden verrast.
Zou eene poging tot restauratie niet beter kansen opleveren indien men den
jongen Willem VII vooruitschoof, wiens bedrijf voorzeker ook in Nederland de
aandacht moest hebben getrokken, en die de oude Republiek met haar erfenis
van verbitterden partijstrijd nimmer gekend had? Zou hij niet geschikter zijn als
nationaal vereenigingspunt te dienen dan zijn stroeve vader? De vraag is
gesteld, door plannenmakers in Engeland 57) en in Nederland 58); ook door leden
der Engelsche regeering. „It may perhaps be desirable”, schrijft de minister van
oorlog, Lord Bathurst, 16 Dec. 1812 aan Wellington, „to have the young Prince
Nederland èn Nassau èn Fulda verloren waren, wat beter toekomst kon de in
1792 geboren Willem wenschen dan die van Engelsch prins-gemaal?
Die jonge Willem was een knaap van gunstig voorkomen en innemende
manieren; een zoo vorstelijke verschijning als zijn vader het weinig was. Hij
trok werkelijk in Engeland zeer de aandacht. Toen zijn studietijd te Oxford om
was en het vooruitzicht op het vasteland nog hoegenaamd niet ten voordeele van
het huis veranderd, meende zijn vader niet beter te kunnen doen dan hem voor
adjudant van Wellington bij het leger in Spanje aan te bieden 56), een denkbeeld
dat in Engeland zeer in den smaak viel; en het kwam uit dat de jonge prins, die
aanvankelijk voor die bestemming zeer weinig voorliefde toonde, er ook
genoegen in kreeg toen hij eenmaal te velde was, en zich uitstekend gedroeg,
zoodat hij menigmaal in Wellingtons bulletins met lof kon worden vermeld. Zoo
was, in 1812 en begin 1813, „Willem VII” zooals hij in de wandeling heette,
eigenlijk veel meer een publiek persoon in Europa dan zijn driekwart vergeten
vader, die ook wel vrij dikwijls in het vuur was geweest (nog in 1806 en 1809),
maar altijd bij ongelukkige affaires, en als militair nooit eenigen indruk had
kunnen maken. Tegelijkertijd verdichtten zich de steeds meer loopende
geruchten eener aanstaande verloving van den jongen prins met Charlotte, een
plan dat in Engeland warme voorstanders vond, hoewel ook eenige
tegenstrevers; de toestanden in de Engelsche koninklijke familie waren niet van
dien aard, dat haar leden het over eenig punt gemakkelijk eens werden, en
vooral niet over zoo een.
Zoodra nu Napoleon's nederlaag in Rusland bekend werd, begreep men in
Engeland zeer wel dat tot de zaken die binnen het bereik der practische politiek
kwamen te liggen, voortaan ook het herstel van het Oranjehuis in Nederland
behoorde. Niet dat men het mogelijk achtte daartoe aanstonds eene poging te
doen, maar het behoorde tot de aangelegenheden waaromtrent men zijne
gedachten had te bepalen om niet door de omstandigheden te worden verrast.
Zou eene poging tot restauratie niet beter kansen opleveren indien men den
jongen Willem VII vooruitschoof, wiens bedrijf voorzeker ook in Nederland de
aandacht moest hebben getrokken, en die de oude Republiek met haar erfenis
van verbitterden partijstrijd nimmer gekend had? Zou hij niet geschikter zijn als
nationaal vereenigingspunt te dienen dan zijn stroeve vader? De vraag is
gesteld, door plannenmakers in Engeland 57) en in Nederland 58); ook door leden
der Engelsche regeering. „It may perhaps be desirable”, schrijft de minister van
oorlog, Lord Bathurst, 16 Dec. 1812 aan Wellington, „to have the young Prince
Page 44
of Orange in England, if the times should prove eventful”. 59) Den 20sten April
1813, een paar dagen vóór de aankomst van Willem VI in Engeland, schrijft hij:
„The Prince of Orange has left Berlin for Stockholm, probably with an intention
of coming here. His son is much more popular in Holland; and if any stir should
be made, he would be the best person to go there instead of his father”. 60) En
nog 28 April: „The Prince of Orange arrived here three days ago, not invited or
expected by us ... I gave Fagel to understand that the son was the person to push
forward, if anything was to be done.” 61) Ook Lord Malmesbury wordt door de
komst van den Prins onaangenaam verrast; hij had door Fagel van het plan tot
de reis vernomen en het afgeraden; „he had much better turn his whole thoughts
to Austria and endeavour through the means of that court to recover his German
territories.” 62) Stelt men zich dus Willem VI voor als in de toekomst te
Dillenburg herplaatst, zijn zoon is de man „to unite (as King William did) this
throne and the Stadtholderate.” 63) De eenige reden dat men den jongen prins
nog in Spanje liet was, dat men den tijd tot eene Engelsche onderneming naar de
zijde van Holland nog niet gekomen achtte. Het maakte nu indruk op de
regeering, dat Willem VI niet zonder voorspraak verscheen: Keizer Alexander
en Frederik Willem III hadden van de reis geweten en haar oogmerk
goedgekeurd; het ging niet aan, hem zonder meer de deur te wijzen. Evenmin
werd het wenschelijk geacht, hem als met eene volmacht der Engelsche
regeering voorzien naar het vasteland terug te zenden. Men hield hem dus te
Londen zoo te zeggen in reserve, maar het feit zelf van zijne aanwezigheid en
gedurigen aandrang kon onmogelijk nalaten de Engelsche bewindslieden met
het denkbeeld van zijn herstel in Nederland meer vertrouwd te maken. Ware er,
bij 's Prinsen afwezigheid op het vasteland en de aanwezigheid van zijn zoon te
Londen, iets in Holland uitgebroken, men zou zeker zich gehaast hebben Willem
VII daarheen te zenden. Maar geheel anders was de zaak, nu de jonge prins op
uitnoodiging van zijn vader zelf in Augustus in Engeland verscheen op een
oogenblik dat de volksbeweging, die in April in Holland gaande was geweest,
lang in bloed was gesmoord, en er niet het geringste voornemen bij de
Engelsche regeering meer bestond iets onmiddellijks tot verdrijving der
Franschen uit ons land te beproeven. Hem nu, tegen allen zin van den vader aan,
in diens plaats te stellen, moest iets worden als een Europeesch schandaal; en
welke voordeelen zou het opleveren? Voor wie vader en zoon naast elkander zag
bleef het geen geheim dat de zoon nog een kind was, van een wel aantrekkelijk
maar uitermate zwak karakter; dat Wellington juist had gezien, toen hij op
Bathurst's boven medegedeelde brieven had geantwoord: „he is very young, and
can have no experience in business, particularly in the business of revolutions;
1813, een paar dagen vóór de aankomst van Willem VI in Engeland, schrijft hij:
„The Prince of Orange has left Berlin for Stockholm, probably with an intention
of coming here. His son is much more popular in Holland; and if any stir should
be made, he would be the best person to go there instead of his father”. 60) En
nog 28 April: „The Prince of Orange arrived here three days ago, not invited or
expected by us ... I gave Fagel to understand that the son was the person to push
forward, if anything was to be done.” 61) Ook Lord Malmesbury wordt door de
komst van den Prins onaangenaam verrast; hij had door Fagel van het plan tot
de reis vernomen en het afgeraden; „he had much better turn his whole thoughts
to Austria and endeavour through the means of that court to recover his German
territories.” 62) Stelt men zich dus Willem VI voor als in de toekomst te
Dillenburg herplaatst, zijn zoon is de man „to unite (as King William did) this
throne and the Stadtholderate.” 63) De eenige reden dat men den jongen prins
nog in Spanje liet was, dat men den tijd tot eene Engelsche onderneming naar de
zijde van Holland nog niet gekomen achtte. Het maakte nu indruk op de
regeering, dat Willem VI niet zonder voorspraak verscheen: Keizer Alexander
en Frederik Willem III hadden van de reis geweten en haar oogmerk
goedgekeurd; het ging niet aan, hem zonder meer de deur te wijzen. Evenmin
werd het wenschelijk geacht, hem als met eene volmacht der Engelsche
regeering voorzien naar het vasteland terug te zenden. Men hield hem dus te
Londen zoo te zeggen in reserve, maar het feit zelf van zijne aanwezigheid en
gedurigen aandrang kon onmogelijk nalaten de Engelsche bewindslieden met
het denkbeeld van zijn herstel in Nederland meer vertrouwd te maken. Ware er,
bij 's Prinsen afwezigheid op het vasteland en de aanwezigheid van zijn zoon te
Londen, iets in Holland uitgebroken, men zou zeker zich gehaast hebben Willem
VII daarheen te zenden. Maar geheel anders was de zaak, nu de jonge prins op
uitnoodiging van zijn vader zelf in Augustus in Engeland verscheen op een
oogenblik dat de volksbeweging, die in April in Holland gaande was geweest,
lang in bloed was gesmoord, en er niet het geringste voornemen bij de
Engelsche regeering meer bestond iets onmiddellijks tot verdrijving der
Franschen uit ons land te beproeven. Hem nu, tegen allen zin van den vader aan,
in diens plaats te stellen, moest iets worden als een Europeesch schandaal; en
welke voordeelen zou het opleveren? Voor wie vader en zoon naast elkander zag
bleef het geen geheim dat de zoon nog een kind was, van een wel aantrekkelijk
maar uitermate zwak karakter; dat Wellington juist had gezien, toen hij op
Bathurst's boven medegedeelde brieven had geantwoord: „he is very young, and
can have no experience in business, particularly in the business of revolutions;
Page 45
he is very shy and diffident; and I do not know that it will not be a disadvantage
to him to place him in a situation in which he is to be at the head of great
concerns of this description. Too much is not be expected from him.” 64) Na een
verblijf van drie weken in Engeland verlangde de jonge man zelf naar Spanje
terug, en men kon met goede houding niets tegen dit voornemen inbrengen.
Sedert was Willem VI veilig voor de mededinging van zijn zoon (een
mededinging, nimmer van het kind zelf uitgegaan). Eind Augustus vindt
Castlereagh geen zwarigheid meer, den Prins in het vertrouwen te nemen van
het weinige dat Engeland reeds op eigen hand ten behoeve van de voorbereiding
der omwenteling in Holland had gedaan, en bij de voortzetting van dat werk den
Prins zelven te gebruiken.
In Maart, vóór de komst van den Prins, was de Rotterdamsche koopman C. P.
Gevers naar Londen gekomen met het bericht van de sedert Februari in Holland
zichtbare voorteekenen der volksberoering die in April werkelijk heeft plaats
gehad. Gevers verzocht een Engelsche landing met Willem VII aan boord; 65) hij
verkreeg echter niet anders, dan dat Castlereagh hem als berichtgever aannam
omtrent de militaire sterkte en bewegingen der Franschen in Holland. Hij werd
tot den 10den Mei te Londen gehouden, doch had van Castlereagh geen verlof
zijne aanwezigheid aan den inmiddels aangekomen Prins te openbaren. Den
18den Juni was Gevers met zijn nadere berichten over Holland te Londen terug;
ditmaal is hij er tot 4 Sept. gebleven en kort voor zijn vertrek door Castlereagh
met den Prins in aanraking gebracht; de berichten die hij nu vervolgens uit
Holland zond gingen direct aan den Prins en werden eerst door dezen ter kennis
van de Engelsche regeering gebracht. Er zijn er een goed aantal van
overgebleven die merkwaardig zijn omdat zij zoo stellig bewijzen dat Gevers in
geene betrekking hoegenaamd tot van Hogendorp stond, en diens werk in de
verte niet hetzij door Engeland hetzij door den Prins is uitgelokt. De geheele
persoon van Gevers is overigens van geringe beteekenis en zijne berichten
hebben zeer weinig om het lijf. Intusschen hebben zij bewerkt dat de Prins tot
het laatste oogenblik onzeker bleef of hij verstandiger deed zich bij Bernadotte
te voegen dan in Engeland den door Gevers gedurig voorspelden spontanen
opstand te blijven afwachten, en zijn dus mede oorzaak geweest dat de Prins den
zooveel treffender en directer intocht heeft kunnen houden langs den
Scheveningschen weg, in plaats van uit de achterhoede der verbondenen;—ook
mag men er aan danken dat in October in Engeland 20.000 geweren werden
ingescheept 66) om die bij het uitbreken van een opstand onmiddellijk naar
Holland te kunnen overbrengen; ook voor een eventueel troepentransport
to him to place him in a situation in which he is to be at the head of great
concerns of this description. Too much is not be expected from him.” 64) Na een
verblijf van drie weken in Engeland verlangde de jonge man zelf naar Spanje
terug, en men kon met goede houding niets tegen dit voornemen inbrengen.
Sedert was Willem VI veilig voor de mededinging van zijn zoon (een
mededinging, nimmer van het kind zelf uitgegaan). Eind Augustus vindt
Castlereagh geen zwarigheid meer, den Prins in het vertrouwen te nemen van
het weinige dat Engeland reeds op eigen hand ten behoeve van de voorbereiding
der omwenteling in Holland had gedaan, en bij de voortzetting van dat werk den
Prins zelven te gebruiken.
In Maart, vóór de komst van den Prins, was de Rotterdamsche koopman C. P.
Gevers naar Londen gekomen met het bericht van de sedert Februari in Holland
zichtbare voorteekenen der volksberoering die in April werkelijk heeft plaats
gehad. Gevers verzocht een Engelsche landing met Willem VII aan boord; 65) hij
verkreeg echter niet anders, dan dat Castlereagh hem als berichtgever aannam
omtrent de militaire sterkte en bewegingen der Franschen in Holland. Hij werd
tot den 10den Mei te Londen gehouden, doch had van Castlereagh geen verlof
zijne aanwezigheid aan den inmiddels aangekomen Prins te openbaren. Den
18den Juni was Gevers met zijn nadere berichten over Holland te Londen terug;
ditmaal is hij er tot 4 Sept. gebleven en kort voor zijn vertrek door Castlereagh
met den Prins in aanraking gebracht; de berichten die hij nu vervolgens uit
Holland zond gingen direct aan den Prins en werden eerst door dezen ter kennis
van de Engelsche regeering gebracht. Er zijn er een goed aantal van
overgebleven die merkwaardig zijn omdat zij zoo stellig bewijzen dat Gevers in
geene betrekking hoegenaamd tot van Hogendorp stond, en diens werk in de
verte niet hetzij door Engeland hetzij door den Prins is uitgelokt. De geheele
persoon van Gevers is overigens van geringe beteekenis en zijne berichten
hebben zeer weinig om het lijf. Intusschen hebben zij bewerkt dat de Prins tot
het laatste oogenblik onzeker bleef of hij verstandiger deed zich bij Bernadotte
te voegen dan in Engeland den door Gevers gedurig voorspelden spontanen
opstand te blijven afwachten, en zijn dus mede oorzaak geweest dat de Prins den
zooveel treffender en directer intocht heeft kunnen houden langs den
Scheveningschen weg, in plaats van uit de achterhoede der verbondenen;—ook
mag men er aan danken dat in October in Engeland 20.000 geweren werden
ingescheept 66) om die bij het uitbreken van een opstand onmiddellijk naar
Holland te kunnen overbrengen; ook voor een eventueel troepentransport
Page 46
werden maatregelen genomen. Maar geheel onjuist is het, wat de op een plaats
in Bosscha's Staatsomwenteling beluste Gevers in 1815 aan dien auteur
verzekert: „Ware de revolutie den 15den November niet reeds door eigen kracht
begonnen, zoo ware dezelve toch weinige dagen later, door Engelsche macht
ondersteund, door onzen Vorst aangevoerd, tot stand gebracht” 67). Het
Engelsche transport heeft zeilorder gekregen den 22sten November, na de
aankomst der gezanten van van Hogendorp en wegens hun bericht.
Is dus de opstand in geenen deele het gevolg geweest noch van toebereidselen
van den Prins noch van maatregelen der Engelsche regeering, in hoeverre
hebben de marschen der verbonden legers dien uitgelokt?
Wij zagen dat het 7 November aan den Prins medegedeelde Engelsche
memorandum „the active and early efforts” der bondgenooten tot de bevrijding
van Nederland verzocht. 68) Voor eenig effect op het begin van den opstand is
die aandrang veel te laat gekomen: toen zij ontvangen werd was de opstand
reeds een feit. Doch in het hoofdkwartier der verbondenen was na Leipzig, ook
zonder Engelsche noodiging, van Holland wel eenige spraak geweest. De
historicus Niebuhr, die Holland kende door zijn verblijf aldaar als Pruisisch
gezant ten tijde van Lodewijk Napoleon, en later eenige betrekking had
aangeknoopt met Prinses Willemijn, richt 24 Oct. 1813 tot Frederik Willem III
het verzoek, met de leiding der bevrijding van Holland te worden belast; hij
wenscht als staatkundig adviseur te worden toegevoegd aan een Pruisisch leger
dat die bevrijding zal hebben te bewerken. 69) Op dit verzoek is niet beschikt.—
Van zijn kant dringt Gneisenau, de werkelijke leider der bewegingen van de
Pruisische hoofdmacht onder Blücher, in een stuk van 31 Oct. aan den Koning
op de onmiddellijke „verovering van Holland” aan. De hoofdrichting van dat
leger is er dan eene op Mainz; hij verzocht verlof deze te veranderen in eene op
Keulen en daar den Rijn over te mogen gaan, tot ondersteuning van een
inmiddels te ondernemen directen aanval op Holland door Bernadotte. 70) Dit
verlof is niet verleend; m. a. w. men hield vast aan het denkbeeld van de
rechtlijnige vervolging der Fransche hoofdmacht in de richting van haar vlucht,
in plaats van, zooals Gneisenau gewild had, eerst het Hollandsche bastion te
laten springen om dan van het Noorden uit Frankrijk binnen te dringen. Ergo
bleef voor een eventueele onderneming tegen Holland alleen het leger van
Bernadotte beschikbaar, dat uit Russische, Zweedsche en Pruisische troepen
(Bülow) bestond. Het korps van Bülow ontving na den slag van Leipzig de
bijzondere opdracht tot wederinbezitneming der oud-Pruisische landen in
Westfalen: het kwam dus in de vervulling van zijn taak dicht aan de
in Bosscha's Staatsomwenteling beluste Gevers in 1815 aan dien auteur
verzekert: „Ware de revolutie den 15den November niet reeds door eigen kracht
begonnen, zoo ware dezelve toch weinige dagen later, door Engelsche macht
ondersteund, door onzen Vorst aangevoerd, tot stand gebracht” 67). Het
Engelsche transport heeft zeilorder gekregen den 22sten November, na de
aankomst der gezanten van van Hogendorp en wegens hun bericht.
Is dus de opstand in geenen deele het gevolg geweest noch van toebereidselen
van den Prins noch van maatregelen der Engelsche regeering, in hoeverre
hebben de marschen der verbonden legers dien uitgelokt?
Wij zagen dat het 7 November aan den Prins medegedeelde Engelsche
memorandum „the active and early efforts” der bondgenooten tot de bevrijding
van Nederland verzocht. 68) Voor eenig effect op het begin van den opstand is
die aandrang veel te laat gekomen: toen zij ontvangen werd was de opstand
reeds een feit. Doch in het hoofdkwartier der verbondenen was na Leipzig, ook
zonder Engelsche noodiging, van Holland wel eenige spraak geweest. De
historicus Niebuhr, die Holland kende door zijn verblijf aldaar als Pruisisch
gezant ten tijde van Lodewijk Napoleon, en later eenige betrekking had
aangeknoopt met Prinses Willemijn, richt 24 Oct. 1813 tot Frederik Willem III
het verzoek, met de leiding der bevrijding van Holland te worden belast; hij
wenscht als staatkundig adviseur te worden toegevoegd aan een Pruisisch leger
dat die bevrijding zal hebben te bewerken. 69) Op dit verzoek is niet beschikt.—
Van zijn kant dringt Gneisenau, de werkelijke leider der bewegingen van de
Pruisische hoofdmacht onder Blücher, in een stuk van 31 Oct. aan den Koning
op de onmiddellijke „verovering van Holland” aan. De hoofdrichting van dat
leger is er dan eene op Mainz; hij verzocht verlof deze te veranderen in eene op
Keulen en daar den Rijn over te mogen gaan, tot ondersteuning van een
inmiddels te ondernemen directen aanval op Holland door Bernadotte. 70) Dit
verlof is niet verleend; m. a. w. men hield vast aan het denkbeeld van de
rechtlijnige vervolging der Fransche hoofdmacht in de richting van haar vlucht,
in plaats van, zooals Gneisenau gewild had, eerst het Hollandsche bastion te
laten springen om dan van het Noorden uit Frankrijk binnen te dringen. Ergo
bleef voor een eventueele onderneming tegen Holland alleen het leger van
Bernadotte beschikbaar, dat uit Russische, Zweedsche en Pruisische troepen
(Bülow) bestond. Het korps van Bülow ontving na den slag van Leipzig de
bijzondere opdracht tot wederinbezitneming der oud-Pruisische landen in
Westfalen: het kwam dus in de vervulling van zijn taak dicht aan de
Page 47
Nederlandsche grenzen, maar had geen bevel die te overschrijden. Bernadotte
zelf trok 1 Nov. uit den omtrek van Göttingen noordwaarts op, met het dubbel
doel Davoust in Hamburg op te sluiten en de Denen in het oog te houden. Zijn
eigenlijke belangstelling was bij de Denen, die hij tot den afstand van
Noorwegen te noodzaken had; geenszins bij Nederland, en zijn hoofdkwartier
blijft ver van onze grenzen verwijderd. Bij de afwijking naar het Noorden werd
aan de Russische afdeeling van Winzingerode de richting op Bremen
voorgeschreven; dit was het meest westelijk marcheerende korps. Het
onderhoud van zoo groote legers als sedert een jaar Duitschland kaalvraten,
maakt een reusachtig deployement noodig: de tot het korps behoorende lichte
ruiterij (Kozakken) omzwermde dus de uit geregelde troepen bestaande
hoofdmacht op afstanden soms van eenige dagreizen ver, om leeftocht en
kleeding te requisitionneeren op alle open plaatsen waar men die vinden kon.
Zoo zijn in November herhaaldelijk kleine troepen Kozakken over onze grenzen
gekomen, zonder eenig uitdrukkelijk bevel of vast plan. Den 9den November
het eerst, in gering getal, bij Gramsbergen. Er vertoonen er zich voor de
vestingen Deventer en Coevorden, zonder daar binnen te dringen. Daarentegen
worden door de Franschen reeds ontruimde plaatsen als Zwolle en Groningen
bezet (15 Nov.); van Groningen uit ook Leeuwarden (18 Nov.). Eerst 19 Nov.
overschrijdt een troep den IJsel om op de Veluwe te gaan stroopen; Hogendorp's
afgezant van der Hoeven ontmoet in den nacht van 22 op 23 Nov. dezen troep
bij Nijkerk en beweegt den kommandant naar Amsterdam door te trekken waar
hij, met vermijding van Amersfoort en Naarden, zonder moeite komen kan, en
den 24sten zijn de eerste Kozakken te Amsterdam. Den 23sten ontmoet van der
Hoeven te Zwolle den kommandant der gezamenlijke Kozakken die thans in het
noordoosten des lands rondzwierven, Narischkin; deze belooft op te rukken zoo
ver als Amersfoort; Utrecht aan te vallen durft hij niet wagen, voor hij infanterie
en artillerie heeft. Van 19 Nov. is het eerste uitdrukkelijk bevel van Bernadotte
aan Winzingerode om een gedeelte zijner geregelde troepen meer westelijk te
dirigeeren: Benkendorff wordt van Osnabrück verplaatst naar den IJsel, maar
nog zonder last om die rivier over te trekken: het geldt een maatregel van
observatie. Van der Hoeven ontmoet Benkendorff, die dan pas van Deventer is
teruggeslagen, 26 Nov. te Rijssen, maar kan hem niet bewegen den IJsel over te
gaan: hij vraagt daartoe eerst vergunning aan Winzingerode, marcheert als hij
die ontvangen heeft, en is 1 Dec. te Amsterdam.
De Russen hebben dus in de oostelijke provinciën bezet wat open lag, en zijn
niet naar Amsterdam gekomen voor zij bespeurd hadden dat ook dit open lag, en
zelf trok 1 Nov. uit den omtrek van Göttingen noordwaarts op, met het dubbel
doel Davoust in Hamburg op te sluiten en de Denen in het oog te houden. Zijn
eigenlijke belangstelling was bij de Denen, die hij tot den afstand van
Noorwegen te noodzaken had; geenszins bij Nederland, en zijn hoofdkwartier
blijft ver van onze grenzen verwijderd. Bij de afwijking naar het Noorden werd
aan de Russische afdeeling van Winzingerode de richting op Bremen
voorgeschreven; dit was het meest westelijk marcheerende korps. Het
onderhoud van zoo groote legers als sedert een jaar Duitschland kaalvraten,
maakt een reusachtig deployement noodig: de tot het korps behoorende lichte
ruiterij (Kozakken) omzwermde dus de uit geregelde troepen bestaande
hoofdmacht op afstanden soms van eenige dagreizen ver, om leeftocht en
kleeding te requisitionneeren op alle open plaatsen waar men die vinden kon.
Zoo zijn in November herhaaldelijk kleine troepen Kozakken over onze grenzen
gekomen, zonder eenig uitdrukkelijk bevel of vast plan. Den 9den November
het eerst, in gering getal, bij Gramsbergen. Er vertoonen er zich voor de
vestingen Deventer en Coevorden, zonder daar binnen te dringen. Daarentegen
worden door de Franschen reeds ontruimde plaatsen als Zwolle en Groningen
bezet (15 Nov.); van Groningen uit ook Leeuwarden (18 Nov.). Eerst 19 Nov.
overschrijdt een troep den IJsel om op de Veluwe te gaan stroopen; Hogendorp's
afgezant van der Hoeven ontmoet in den nacht van 22 op 23 Nov. dezen troep
bij Nijkerk en beweegt den kommandant naar Amsterdam door te trekken waar
hij, met vermijding van Amersfoort en Naarden, zonder moeite komen kan, en
den 24sten zijn de eerste Kozakken te Amsterdam. Den 23sten ontmoet van der
Hoeven te Zwolle den kommandant der gezamenlijke Kozakken die thans in het
noordoosten des lands rondzwierven, Narischkin; deze belooft op te rukken zoo
ver als Amersfoort; Utrecht aan te vallen durft hij niet wagen, voor hij infanterie
en artillerie heeft. Van 19 Nov. is het eerste uitdrukkelijk bevel van Bernadotte
aan Winzingerode om een gedeelte zijner geregelde troepen meer westelijk te
dirigeeren: Benkendorff wordt van Osnabrück verplaatst naar den IJsel, maar
nog zonder last om die rivier over te trekken: het geldt een maatregel van
observatie. Van der Hoeven ontmoet Benkendorff, die dan pas van Deventer is
teruggeslagen, 26 Nov. te Rijssen, maar kan hem niet bewegen den IJsel over te
gaan: hij vraagt daartoe eerst vergunning aan Winzingerode, marcheert als hij
die ontvangen heeft, en is 1 Dec. te Amsterdam.
De Russen hebben dus in de oostelijke provinciën bezet wat open lag, en zijn
niet naar Amsterdam gekomen voor zij bespeurd hadden dat ook dit open lag, en
Page 48
zij er als broeders werden verwacht. Voor zoover zij versterkte plaatsen hebben
aangevallen zijn zij afgeslagen, behalve te Kampen, dat 20 Nov. aan hen
overging met hulp der bevolking.
Meer opzettelijk, maar in tijdsorde veel later komend, is de marsch van
Bülow geweest, die zich van het begin af voorgenomen had Holland aan te
vallen ook zonder bevelen van zijn koning of van Bernadotte. Zijne orders van
laatstgenoemden hebben geluid, te trekken naar Minden (1 Nov.), naar Munster
(5 Nov.), naar den Rijn, om die rivier te bezetten van Wezel tot het
scheidingspunt van Rijn en IJsel (19 Nov.) 71). Toen de laatste order ontvangen
werd bereidde Bülow reeds iets anders voor. Den 19den Nov. stond zijne
voorhoede onder Oppen reeds dicht aan de Nederlandsche grens, bij Borken;
den 23sten, nadat Bülow bericht had gekregen van het ontruimen van
Amsterdam, is die voorhoede de grens overgetrokken en heeft Doesburg en (24
Nov.) Zutfen genomen; 25–27 Nov. heeft Bülow, thans van allerlei zijden
omtrent den Hollandschen opstand ingelicht, zijn hoofdmacht zelf in beweging
gesteld, heeft 30 Nov. Arnhem bij storm genomen en is voortgerukt naar
Utrecht, dat onderwijl reeds 28 Nov. door Molitor ontruimd was, en waar dus de
tenzelven dage ingerukte Russen van Narischkin en de 29 Nov. aangekomen
Hollanders, afgezonden door Krayenhoff, de Pruisen zijn voor geweest.
Het is dus volkomen duidelijk dat niet de bewegingen der verbondenen op
Nederlandsch grondgebied de aanleidende oorzaak van den opstand zijn
geweest; van die bewegingen was 15 Nov. te Amsterdam en 17 Nov. in den
Haag nog niets zekers bekend. Het sein tot den opstand was te Amsterdam het
vertrek der Fransche troepen, in den Haag het vertrek der Fransche ambtenaren.
Beide waren uitgelokt door de begin November aangevangen algemeene vlucht
der Franschen uit Noordwest-Duitschland, die ook de Franschen in Nederland
demoraliseerde en hen de wijk deed nemen in de richting op Utrecht–Gorkum–
Breda, de verzekerde verbindingslijn met Antwerpen en met Frankrijk.
Daarbuiten bleven alleen enkele vaste punten bezet: den Helder, Naarden,
Deventer, Coevorden, Delfzijl. Natuurlijk dat het voortrukken der verbonden
legers na Leipzig de algemeene oorzaak van alles geweest is, maar daarom kan
men nog niet spreken (zooals herhaaldelijk van Pruisische, nimmer van
Russische zijde gedaan is) van de „verovering” van Holland. Toen de
wapenfeiten voorvielen, die dan de „verovering” zouden moeten uitmaken,
bevond zich in het hart des lands sinds lang geen vijand meer, en was daar
integendeel een bestuur gevestigd dat de „veroveraars”, soms met sterken
aandrang, overtuigen moest dat zij veilig binnen konden rukken. 72)
aangevallen zijn zij afgeslagen, behalve te Kampen, dat 20 Nov. aan hen
overging met hulp der bevolking.
Meer opzettelijk, maar in tijdsorde veel later komend, is de marsch van
Bülow geweest, die zich van het begin af voorgenomen had Holland aan te
vallen ook zonder bevelen van zijn koning of van Bernadotte. Zijne orders van
laatstgenoemden hebben geluid, te trekken naar Minden (1 Nov.), naar Munster
(5 Nov.), naar den Rijn, om die rivier te bezetten van Wezel tot het
scheidingspunt van Rijn en IJsel (19 Nov.) 71). Toen de laatste order ontvangen
werd bereidde Bülow reeds iets anders voor. Den 19den Nov. stond zijne
voorhoede onder Oppen reeds dicht aan de Nederlandsche grens, bij Borken;
den 23sten, nadat Bülow bericht had gekregen van het ontruimen van
Amsterdam, is die voorhoede de grens overgetrokken en heeft Doesburg en (24
Nov.) Zutfen genomen; 25–27 Nov. heeft Bülow, thans van allerlei zijden
omtrent den Hollandschen opstand ingelicht, zijn hoofdmacht zelf in beweging
gesteld, heeft 30 Nov. Arnhem bij storm genomen en is voortgerukt naar
Utrecht, dat onderwijl reeds 28 Nov. door Molitor ontruimd was, en waar dus de
tenzelven dage ingerukte Russen van Narischkin en de 29 Nov. aangekomen
Hollanders, afgezonden door Krayenhoff, de Pruisen zijn voor geweest.
Het is dus volkomen duidelijk dat niet de bewegingen der verbondenen op
Nederlandsch grondgebied de aanleidende oorzaak van den opstand zijn
geweest; van die bewegingen was 15 Nov. te Amsterdam en 17 Nov. in den
Haag nog niets zekers bekend. Het sein tot den opstand was te Amsterdam het
vertrek der Fransche troepen, in den Haag het vertrek der Fransche ambtenaren.
Beide waren uitgelokt door de begin November aangevangen algemeene vlucht
der Franschen uit Noordwest-Duitschland, die ook de Franschen in Nederland
demoraliseerde en hen de wijk deed nemen in de richting op Utrecht–Gorkum–
Breda, de verzekerde verbindingslijn met Antwerpen en met Frankrijk.
Daarbuiten bleven alleen enkele vaste punten bezet: den Helder, Naarden,
Deventer, Coevorden, Delfzijl. Natuurlijk dat het voortrukken der verbonden
legers na Leipzig de algemeene oorzaak van alles geweest is, maar daarom kan
men nog niet spreken (zooals herhaaldelijk van Pruisische, nimmer van
Russische zijde gedaan is) van de „verovering” van Holland. Toen de
wapenfeiten voorvielen, die dan de „verovering” zouden moeten uitmaken,
bevond zich in het hart des lands sinds lang geen vijand meer, en was daar
integendeel een bestuur gevestigd dat de „veroveraars”, soms met sterken
aandrang, overtuigen moest dat zij veilig binnen konden rukken. 72)
Page 49
Surtout si ce changement pouvait s'opérer conformément au vœu de la nation
(hiervóór, bl. 26). Hoe zou zich de natie uiten? Hiervan kon vóór het uitbreken
van den opstand zelf niets zekers blijken. Gedachtenwisseling omtrent den
regeeringsvorm heeft er na 18 Mei tusschen Castlereagh en den Prins niet plaats
gehad, maar dat Castlereagh's gedachten in de richting gingen die spoedig zou
blijken de juiste te zijn, blijkt uit zijn onderhoud met den Pruisischen gezant
Jacobi, aan wien hij te kennen gaf „que les défauts et inconvéniens de l'ancienne
constitution feraient désirer d'établir les changemens requis pour donner plus de
force et d'énergie à la marche du gouvernement, et qu'en conséquence sa forme
devrait être plus monarchique” (1 Nov.) 73). Er was geen gevaar dat de
Engelsche regeering moeilijkheden tegen eene opdracht der souvereiniteit door
het volk in den weg zou leggen. „If the Nation call the Prince of Orange to the
Sovereignty,” oordeelde ook Lord Malmesbury, „it would be the height of folly
to reject it” 74).
Om te beter de aarzeling te begrijpen die de Prins aan den dag gelegd heeft en
die bij het volgende hoofdstuk ter sprake zal komen, verdient het vermelding dat
aan de waarschijnlijkheid eener uitroeping tot de souvereiniteit door sommigen
in Engeland zeer sterk getwijfeld werd, o. a. door Lord Grenville, die zich
herinnerd zal hebben welk een verwarrenden indruk in Holland de uitdrukking
had gemaakt, die zich (tegen alle bedoeling der toenmalige Engelsche regeering)
in 1799 de admiraal Duncan had laten ontvallen, toen hij in zijn opeisching aan
Story den Prins van Oranje diens „souverain légitime” genoemd had. 75) Lord
Grenville schreef waarschuwingsbrieven aan Fagel en kondigde zelfs aan dat hij
er in het Hoogerhuis over zou spreken; welk voornemen hij heeft laten varen
toen hij na 2 Dec. erkennen moest dat men met een werkelijken volkswensch in
Holland te doen had. Hij heeft toen nog aangeraden dat de Souvereine Vorst aan
de notabelenvergadering een soort excuus zou maken voor zijn onmiddellijke
aanvaarding der souvereiniteit, 76) een denkbeeld dat wijselijk niet is gevolgd.
Toen in de London Gazette van 11 Dec. was medegedeeld dat Lord Clancarty
een credentiaal had ontvangen bij de regeering van den Souvereinen Vorst,
werden er zoowel in het Lagerhuis (door Sir James Mackintosh) als in het
Hoogerhuis (door Lord Holland) stekelige opmerkingen gemaakt, waaruit echter
meer de animositeit van beroepsopposanten tegen de Engelsche regeering
spreekt dan kennis ten toon wordt gespreid der Nederlandsche verhoudingen
van 1813. 77) Alle bona fide twijfel had opgehouden na de gebeurtenis van 2
December.
(hiervóór, bl. 26). Hoe zou zich de natie uiten? Hiervan kon vóór het uitbreken
van den opstand zelf niets zekers blijken. Gedachtenwisseling omtrent den
regeeringsvorm heeft er na 18 Mei tusschen Castlereagh en den Prins niet plaats
gehad, maar dat Castlereagh's gedachten in de richting gingen die spoedig zou
blijken de juiste te zijn, blijkt uit zijn onderhoud met den Pruisischen gezant
Jacobi, aan wien hij te kennen gaf „que les défauts et inconvéniens de l'ancienne
constitution feraient désirer d'établir les changemens requis pour donner plus de
force et d'énergie à la marche du gouvernement, et qu'en conséquence sa forme
devrait être plus monarchique” (1 Nov.) 73). Er was geen gevaar dat de
Engelsche regeering moeilijkheden tegen eene opdracht der souvereiniteit door
het volk in den weg zou leggen. „If the Nation call the Prince of Orange to the
Sovereignty,” oordeelde ook Lord Malmesbury, „it would be the height of folly
to reject it” 74).
Om te beter de aarzeling te begrijpen die de Prins aan den dag gelegd heeft en
die bij het volgende hoofdstuk ter sprake zal komen, verdient het vermelding dat
aan de waarschijnlijkheid eener uitroeping tot de souvereiniteit door sommigen
in Engeland zeer sterk getwijfeld werd, o. a. door Lord Grenville, die zich
herinnerd zal hebben welk een verwarrenden indruk in Holland de uitdrukking
had gemaakt, die zich (tegen alle bedoeling der toenmalige Engelsche regeering)
in 1799 de admiraal Duncan had laten ontvallen, toen hij in zijn opeisching aan
Story den Prins van Oranje diens „souverain légitime” genoemd had. 75) Lord
Grenville schreef waarschuwingsbrieven aan Fagel en kondigde zelfs aan dat hij
er in het Hoogerhuis over zou spreken; welk voornemen hij heeft laten varen
toen hij na 2 Dec. erkennen moest dat men met een werkelijken volkswensch in
Holland te doen had. Hij heeft toen nog aangeraden dat de Souvereine Vorst aan
de notabelenvergadering een soort excuus zou maken voor zijn onmiddellijke
aanvaarding der souvereiniteit, 76) een denkbeeld dat wijselijk niet is gevolgd.
Toen in de London Gazette van 11 Dec. was medegedeeld dat Lord Clancarty
een credentiaal had ontvangen bij de regeering van den Souvereinen Vorst,
werden er zoowel in het Lagerhuis (door Sir James Mackintosh) als in het
Hoogerhuis (door Lord Holland) stekelige opmerkingen gemaakt, waaruit echter
meer de animositeit van beroepsopposanten tegen de Engelsche regeering
spreekt dan kennis ten toon wordt gespreid der Nederlandsche verhoudingen
van 1813. 77) Alle bona fide twijfel had opgehouden na de gebeurtenis van 2
December.
Page 50
In Duitschland voelde zich Niebuhr geroepen tot voorlichting van den Prins
en van het Nederlandsche volk. 78) Na het onbeantwoord blijven van zijn aanbod
aan zijn koning om als staatkundig adviseur een Pruisisch leger naar Holland te
vergezellen, trok hij zich op zijn studeerkamer terug en schreef daar eene
constitutie voor het herboren Nederland, met een ampele toelichting. Het stuk is
begonnen in de laatste dagen van November en afgesloten 2 à 5 Dec., vóór de
auteur van de opdracht der souvereiniteit kennis droeg. Het curieuse opstel
beoogt eene verbetering van de constitutie der oude Republiek, verheft daarbij
den Prins tot gelijke van de Staten, maar stelt hem nergens boven dezen; te
zamen verbeelden zij den souverein. Bijzonder sterk is het federalistisch
karakter van Niebuhr's ontwerp: het recht, de waterstaat, de religie (!), de
universiteiten zullen provinciaal zijn, slechts diplomatie en defensie nationaal.
Terwijl Hogendorp een verjongde Bourgondische monarchie wil, waarin de
souvereiniteit uitdrukkelijk aan de Staten wordt ontnomen, handhaaft (doch
corrigeert) Niebuhr de Republiek. Het is geheel onjuist, wat Niebuhr's zoon in
1852 heeft laten drukken, dat het stuk geschreven is „auf Veranlassung des
hochseligen Königs Wilhelm I”; alleen had deze, op een hem door zijn moeder
overgebrachte, vage dienstaanbieding van Niebuhr uit het voorjaar van 1813, in
even vage termen geantwoord dat hij Niebuhr voor een bekwaam man hield,
maar niet zou weten te bepalen waartoe hem te gebruiken. 79) Prinses Willemijn
heeft het stuk in Januari 1814 naar Holland meegebracht, waar de Souvereine
Vorst het ter zijde heeft gelegd: van eenigen invloed van Niebuhr's tekst op 's
Vorsten eigen deelneming aan het constitutiewerk is geen spoor te bekennen, en
noch aan de commissie als zoodanig, noch aan een der leden in het particulier, is
die tekst ooit medegedeeld. Het stuk staat naast de Nederlandsche
werkelijkheid; daarentegen in Niebuhr's ideeënwereld, die op zichzelf
belangwekkend genoeg is. Hij had haar gevormd onder de studie voor zijn
Römische Geschichte, waarvan de eerste deelen verschenen waren in 1811 en
1812, en waarin opmerkelijke voorliefde voor aristocratische instellingen is
uitgedrukt en even groote afkeer van bonapartistisch nivellement. Het ontwerp
onthoudt Nederland wat het in 1813 het meest noodig had: bevestiging der
nationale eenheid langs den toen eenig mogelijken weg van sterke
vorstenmacht. Zijn invoering zou niet de waarborg maar het graf der
Nederlandsche vrijheid zijn geweest: een zóó georganiseerd Nederland ware tot
slavernij vervallen van zijn eigen slechte hartstochten en slechte gewoonten.
en van het Nederlandsche volk. 78) Na het onbeantwoord blijven van zijn aanbod
aan zijn koning om als staatkundig adviseur een Pruisisch leger naar Holland te
vergezellen, trok hij zich op zijn studeerkamer terug en schreef daar eene
constitutie voor het herboren Nederland, met een ampele toelichting. Het stuk is
begonnen in de laatste dagen van November en afgesloten 2 à 5 Dec., vóór de
auteur van de opdracht der souvereiniteit kennis droeg. Het curieuse opstel
beoogt eene verbetering van de constitutie der oude Republiek, verheft daarbij
den Prins tot gelijke van de Staten, maar stelt hem nergens boven dezen; te
zamen verbeelden zij den souverein. Bijzonder sterk is het federalistisch
karakter van Niebuhr's ontwerp: het recht, de waterstaat, de religie (!), de
universiteiten zullen provinciaal zijn, slechts diplomatie en defensie nationaal.
Terwijl Hogendorp een verjongde Bourgondische monarchie wil, waarin de
souvereiniteit uitdrukkelijk aan de Staten wordt ontnomen, handhaaft (doch
corrigeert) Niebuhr de Republiek. Het is geheel onjuist, wat Niebuhr's zoon in
1852 heeft laten drukken, dat het stuk geschreven is „auf Veranlassung des
hochseligen Königs Wilhelm I”; alleen had deze, op een hem door zijn moeder
overgebrachte, vage dienstaanbieding van Niebuhr uit het voorjaar van 1813, in
even vage termen geantwoord dat hij Niebuhr voor een bekwaam man hield,
maar niet zou weten te bepalen waartoe hem te gebruiken. 79) Prinses Willemijn
heeft het stuk in Januari 1814 naar Holland meegebracht, waar de Souvereine
Vorst het ter zijde heeft gelegd: van eenigen invloed van Niebuhr's tekst op 's
Vorsten eigen deelneming aan het constitutiewerk is geen spoor te bekennen, en
noch aan de commissie als zoodanig, noch aan een der leden in het particulier, is
die tekst ooit medegedeeld. Het stuk staat naast de Nederlandsche
werkelijkheid; daarentegen in Niebuhr's ideeënwereld, die op zichzelf
belangwekkend genoeg is. Hij had haar gevormd onder de studie voor zijn
Römische Geschichte, waarvan de eerste deelen verschenen waren in 1811 en
1812, en waarin opmerkelijke voorliefde voor aristocratische instellingen is
uitgedrukt en even groote afkeer van bonapartistisch nivellement. Het ontwerp
onthoudt Nederland wat het in 1813 het meest noodig had: bevestiging der
nationale eenheid langs den toen eenig mogelijken weg van sterke
vorstenmacht. Zijn invoering zou niet de waarborg maar het graf der
Nederlandsche vrijheid zijn geweest: een zóó georganiseerd Nederland ware tot
slavernij vervallen van zijn eigen slechte hartstochten en slechte gewoonten.
Page 51
4) Br. en Ged. IV, 269 (de datum is daar misdrukt tot 25 Nov.).
5) Br. en Ged. IV, 274.
6) Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 14 Aug. 1814
(Gedenkstukken VII, 176).
7) Lord Castlereagh aan Lord Liverpool, 8 Jan. 1814; dezelfde aan
Lord Clancarty, 24 April 1814 (Gedenkstukken VII, 24 en 108).
8) Brief van den prins van Oranje van 22 Nov. 1813 van G. K. van
Hogendorp (Br. en Ged. IV, 266). Proclamatie van J. M. Kemper en Fannius
Scholten van 1 Dec. 1813 (Kemper's Staatkundige Geschriften III, 71).
9) Gedenkstukken II, 820.
10) Aldaar, 831.
11) Dit ter verbetering van de noot in Gedenkstukken II, 821.
12) Gedenkstukken II, 942; III, 684.
13) Gedenkstukken II, bll. CXII en 987.
14) Versta: de Zuidelijke Nederlanden.
15) Lord Grenville aan Sir Charles Whitworth, Britsch gezant te St.-
Petersburg, 16 Nov. 1798 (Gedenkstukken III, 890).
16) Paul I aan Woronzow, Russisch gezant te Londen, 30 Dec. 1798
(Gedenkstukken III, 896).
17) Falck's Gedenkschriften, bl. 350.
18) Lord Grenville aan Thomas Grenville, 16 Juli 1799
(Gedenkstukken III, 973).
19) De instructie: Gedenkstukken III, 403 aangevuld door III, 1074;
het advies van Fagel: Gedenkstukken III, 1006.
20) Gedenkstukken III, 552.
21) Geheime boodschap door Mollerus overgebracht, 20 Sept. 1799,
Gedenkstukken III, 547.
22) Art. 1 der instructie: „That the form of federative government on
the basis of the Union of Utrecht should be entirely preserved” (behoudens de
5) Br. en Ged. IV, 274.
6) Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 14 Aug. 1814
(Gedenkstukken VII, 176).
7) Lord Castlereagh aan Lord Liverpool, 8 Jan. 1814; dezelfde aan
Lord Clancarty, 24 April 1814 (Gedenkstukken VII, 24 en 108).
8) Brief van den prins van Oranje van 22 Nov. 1813 van G. K. van
Hogendorp (Br. en Ged. IV, 266). Proclamatie van J. M. Kemper en Fannius
Scholten van 1 Dec. 1813 (Kemper's Staatkundige Geschriften III, 71).
9) Gedenkstukken II, 820.
10) Aldaar, 831.
11) Dit ter verbetering van de noot in Gedenkstukken II, 821.
12) Gedenkstukken II, 942; III, 684.
13) Gedenkstukken II, bll. CXII en 987.
14) Versta: de Zuidelijke Nederlanden.
15) Lord Grenville aan Sir Charles Whitworth, Britsch gezant te St.-
Petersburg, 16 Nov. 1798 (Gedenkstukken III, 890).
16) Paul I aan Woronzow, Russisch gezant te Londen, 30 Dec. 1798
(Gedenkstukken III, 896).
17) Falck's Gedenkschriften, bl. 350.
18) Lord Grenville aan Thomas Grenville, 16 Juli 1799
(Gedenkstukken III, 973).
19) De instructie: Gedenkstukken III, 403 aangevuld door III, 1074;
het advies van Fagel: Gedenkstukken III, 1006.
20) Gedenkstukken III, 552.
21) Geheime boodschap door Mollerus overgebracht, 20 Sept. 1799,
Gedenkstukken III, 547.
22) Art. 1 der instructie: „That the form of federative government on
the basis of the Union of Utrecht should be entirely preserved” (behoudens de
Page 52
vermelde, in de volgende artikelen uitgewerkte, wijzigingen).
23) Zie de volgende stukken: Repelaer (lid der grondwetcommissie
van 1814), Mei 1795, Gedenkstukken II, 831; Aylva (lid der grondwetcommissie
van 1814), Juli 1795 (Gedenkstukken II, 839) en voorjaar 1799 (Ontstaan der
Grondwet I, bl. XXXIV); Lampsins (lid der grondwetcommissie van 1814),
Sept. 1795 (Ged. II, 860), Oct. 1795 (II, 869), Juni 1796 (II, 920); van
Heeckeren van Suyderas, Juli 1797 (II, 960); Tollius, 1797 (III, 869); van
Heeckeren van Enghuizen en anderen, Juli 1799 (III, 990); Pieter Ulbo Rengers,
Juli 1799 (III, 997). Het verst van allen gaat M. L. d'Yvoy, die reeds in Sept. '95
het merkwaardig advies geeft dat de Prins de patriotten, die het niet eens blijken
te kunnen worden over hun Nationale Conventie, de loef zal afsteken door zich
bereid te verklaren uitvoerende macht te zijn in een ondeelbaren
Nederlandschen staat, naast een wetgevende macht bestaande uit een adelshuis
en een huis der gemeenten, het laatste direct gekozen door alle bezitters van
eenig vast goed of effect op het land zonder onderscheid, in zestien
kiesdistricten van onderling gelijke bevolking. De tegenpraestatie van het
Nederlandsche volk zal moeten bestaan in de opdracht aan den Prins van een
zeer uitgebreide uitvoerende macht, minstens gelijk aan die van den koning van
Groot-Brittanje (Ged. II, 863; vgl. een vroeger stuk van hem, Juli 1795, aldaar
841). Het minst ver van al gaat van de Spiegel, die doet alsof er geen Revolutie
geweest is en zich beperkt tot de geringe hervormingen die hij reeds twintig jaar
geleden had voorgestaan (zie Ged. III, 1037 en 1080, en Vreede's van de Spiegel
IV, 456; en voor de kritiek: Ontstaan der Grondwet I, bl. XXXII), doch zijn
punten van ampliatie der Unie vinden dan ook bij velen zijner partijgenooten
een ongunstig onthaal: zie b.v. van Heeckeren van Enghuizen aan den Erfprins,
19 Dec. 1799 (Ged. III, 1100): „Ik heb een stuk gelezen door van de Spiegel
opgesteld; zeer zoude ik twijfelen of het voldoening zal geven. Mogelijk wel
aan oude costumiers. Daar is na mijn inzien geen kracht in, en de oude
langdradigheid is er in gebleven. Dikmalen hebbe ik hooren zeggen dat de
Erfstadhouder zich uitgelaten heeft om niets meer te willen hebben, als hij
gehad heeft. Maar hier is het mogelijk het moment om toepasselijk te maken,
dat de vorst voor het volk gesteld is en niet het volk voor den vorst...”.
Wij noemden hier niet de verschillende stukken van Gijsbert Karel, wiens
ontwikkeling een afzonderlijke bespreking vereischt welke bij een ander
hoofdstuk wordt gegeven.
24) Zie hiervóór, bl. 4 noot.
23) Zie de volgende stukken: Repelaer (lid der grondwetcommissie
van 1814), Mei 1795, Gedenkstukken II, 831; Aylva (lid der grondwetcommissie
van 1814), Juli 1795 (Gedenkstukken II, 839) en voorjaar 1799 (Ontstaan der
Grondwet I, bl. XXXIV); Lampsins (lid der grondwetcommissie van 1814),
Sept. 1795 (Ged. II, 860), Oct. 1795 (II, 869), Juni 1796 (II, 920); van
Heeckeren van Suyderas, Juli 1797 (II, 960); Tollius, 1797 (III, 869); van
Heeckeren van Enghuizen en anderen, Juli 1799 (III, 990); Pieter Ulbo Rengers,
Juli 1799 (III, 997). Het verst van allen gaat M. L. d'Yvoy, die reeds in Sept. '95
het merkwaardig advies geeft dat de Prins de patriotten, die het niet eens blijken
te kunnen worden over hun Nationale Conventie, de loef zal afsteken door zich
bereid te verklaren uitvoerende macht te zijn in een ondeelbaren
Nederlandschen staat, naast een wetgevende macht bestaande uit een adelshuis
en een huis der gemeenten, het laatste direct gekozen door alle bezitters van
eenig vast goed of effect op het land zonder onderscheid, in zestien
kiesdistricten van onderling gelijke bevolking. De tegenpraestatie van het
Nederlandsche volk zal moeten bestaan in de opdracht aan den Prins van een
zeer uitgebreide uitvoerende macht, minstens gelijk aan die van den koning van
Groot-Brittanje (Ged. II, 863; vgl. een vroeger stuk van hem, Juli 1795, aldaar
841). Het minst ver van al gaat van de Spiegel, die doet alsof er geen Revolutie
geweest is en zich beperkt tot de geringe hervormingen die hij reeds twintig jaar
geleden had voorgestaan (zie Ged. III, 1037 en 1080, en Vreede's van de Spiegel
IV, 456; en voor de kritiek: Ontstaan der Grondwet I, bl. XXXII), doch zijn
punten van ampliatie der Unie vinden dan ook bij velen zijner partijgenooten
een ongunstig onthaal: zie b.v. van Heeckeren van Enghuizen aan den Erfprins,
19 Dec. 1799 (Ged. III, 1100): „Ik heb een stuk gelezen door van de Spiegel
opgesteld; zeer zoude ik twijfelen of het voldoening zal geven. Mogelijk wel
aan oude costumiers. Daar is na mijn inzien geen kracht in, en de oude
langdradigheid is er in gebleven. Dikmalen hebbe ik hooren zeggen dat de
Erfstadhouder zich uitgelaten heeft om niets meer te willen hebben, als hij
gehad heeft. Maar hier is het mogelijk het moment om toepasselijk te maken,
dat de vorst voor het volk gesteld is en niet het volk voor den vorst...”.
Wij noemden hier niet de verschillende stukken van Gijsbert Karel, wiens
ontwikkeling een afzonderlijke bespreking vereischt welke bij een ander
hoofdstuk wordt gegeven.
24) Zie hiervóór, bl. 4 noot.
Page 53
25) Ged. IV, 708; vgl. Bosscha, Staatsomwenteling II, 273.
26) Gedenkstukken IV, 737.
27) Gedenkstukken IV, bl. XXIX.
28) Gedenkstukken V, 813.
29) „Minute des principaux points touchés par le Prince d'Orange
dans son entretien avec Lord Castlereagh, le 27 avril 1813” (Ged. VI, 1876).
30) Prinses Willemijn aan den Prins, 5 Maart 1813 (Ged. VI, 1859).
31) Lord Malmesbury aan Fagel, 4 Mei 1813 (Ged. VI, 1880).
32) Fagel aan Hogendorp, 22 Nov. 1813 (Br. en Ged. IV, 265).
33) Het werd, onmiddellijk na het onderhoud, in schrift gebracht
door den uitmuntenden redacteur Fagel. „In Fagel deed mij eens een bevoegd
regter—Lord St. Helens—de gave opmerken om al het verhandelde in eene
conferentie of Staats-Besogne even klaar en nauwkeurig als sierlijk aan zijne
committenten mede te deelen” (Falck's Gedenkschriften, 150).—Lord St. Helens
was de laatste gezant van Engeland geweest bij de oude Republiek.
34) Ik cursiveer.
35) Onderstreept in Fagel's handschrift.
36) Ik cursiveer.
37) Onderstreept in Fagel's handschrift.
38) Gedenkstukken VI, 1881.
39) Martens' Recueil II, 433.—Vgl. het artikel van Bussemaker, De
diplomatieke geschiedenis der herstelling van Neerlands onafhankelijkheid, in
Gedenkboek der Herstelling I, 43 vv.
40) „The reestablishment of Holland as an independent Power”
(Bussemaker in Gedenkboek I, 56).
41) „As H. R. H. has contended for the common safety, so He will be
prepared, as far as His separate interests are concerned, to negociate in the same
spirit” (Bussemaker t. a. p.).
42) Gedenkstukken VI, 1950.
26) Gedenkstukken IV, 737.
27) Gedenkstukken IV, bl. XXIX.
28) Gedenkstukken V, 813.
29) „Minute des principaux points touchés par le Prince d'Orange
dans son entretien avec Lord Castlereagh, le 27 avril 1813” (Ged. VI, 1876).
30) Prinses Willemijn aan den Prins, 5 Maart 1813 (Ged. VI, 1859).
31) Lord Malmesbury aan Fagel, 4 Mei 1813 (Ged. VI, 1880).
32) Fagel aan Hogendorp, 22 Nov. 1813 (Br. en Ged. IV, 265).
33) Het werd, onmiddellijk na het onderhoud, in schrift gebracht
door den uitmuntenden redacteur Fagel. „In Fagel deed mij eens een bevoegd
regter—Lord St. Helens—de gave opmerken om al het verhandelde in eene
conferentie of Staats-Besogne even klaar en nauwkeurig als sierlijk aan zijne
committenten mede te deelen” (Falck's Gedenkschriften, 150).—Lord St. Helens
was de laatste gezant van Engeland geweest bij de oude Republiek.
34) Ik cursiveer.
35) Onderstreept in Fagel's handschrift.
36) Ik cursiveer.
37) Onderstreept in Fagel's handschrift.
38) Gedenkstukken VI, 1881.
39) Martens' Recueil II, 433.—Vgl. het artikel van Bussemaker, De
diplomatieke geschiedenis der herstelling van Neerlands onafhankelijkheid, in
Gedenkboek der Herstelling I, 43 vv.
40) „The reestablishment of Holland as an independent Power”
(Bussemaker in Gedenkboek I, 56).
41) „As H. R. H. has contended for the common safety, so He will be
prepared, as far as His separate interests are concerned, to negociate in the same
spirit” (Bussemaker t. a. p.).
42) Gedenkstukken VI, 1950.
Page 54
43) In het door Castlereagh den Prins gelaten afschrift is deze datum
blank; de dépêche van 5 Juli was nl. niet aan hem medegedeeld.
44) Ik cursiveer.
45) Zie het aangehaalde uit Lord Grenville's dépêche aan Sir Charles
Whithworth van 16 Nov. 1798 hiervóór, bl. 13.
46) Gedenkstukken VI, 1955.
47) Die nog steeds over de Nederlandsche zaken min of meer
geraadpleegd werd.
48) Ik cursiveer.
49) Gedenkstukken VII, 2.
50) Door Repelaer slechts in punten opgeschreven, doch blijkbaar
zóó te verstaan (zie Ontstaan I, bl. LIXV en 17).
51) Gedenkstukken VI, 1889.
52) Gedenkstukken VI, 1953.
53) Gedenkstukken III, 1103.
54) Gedenkstukken V, 778.
55) Gedenkstukken V, 784.
56) Gedenkstukken VI, 1808.
57) Zie de stukken van Dumouriez van Dec. 1812 en Maart 1813,
Gedenkstukken VI, 1854 en 1868.
58) Zie hiervoor talrijke bewijzen in Ged. VI, 240, 271, 336, 417,
423, 440, 443, 444, 469, 506, 586, 601, 617, 618, 621, 654, 681, 706, 719. Dit
gedeelte der zaak vereischt uitvoeriger bespreking dan hier gegeven kan
worden; ik verwijs er voor naar mijn eerlang uit te geven geschrift Ondergang
en Herstel. De plannen gingen niet uit van Hogendorp en de zijnen; integendeel
het gebruik van den naam van Willem VII bij de volksbeweging van April
gemaakt, heeft er Hogendorp toe gebracht door zijn vrienden uitdrukkelijk te
doen vaststellen dat men voor Willem VI, niet voor Willem VII zou werken (Br.
en Ged. V, 11). Daarentegen heeft zoo goed als zeker met deze plannen in
verband gestaan de komst van C. P. Gevers in Engeland in Maart 1813; hij heeft
blank; de dépêche van 5 Juli was nl. niet aan hem medegedeeld.
44) Ik cursiveer.
45) Zie het aangehaalde uit Lord Grenville's dépêche aan Sir Charles
Whithworth van 16 Nov. 1798 hiervóór, bl. 13.
46) Gedenkstukken VI, 1955.
47) Die nog steeds over de Nederlandsche zaken min of meer
geraadpleegd werd.
48) Ik cursiveer.
49) Gedenkstukken VII, 2.
50) Door Repelaer slechts in punten opgeschreven, doch blijkbaar
zóó te verstaan (zie Ontstaan I, bl. LIXV en 17).
51) Gedenkstukken VI, 1889.
52) Gedenkstukken VI, 1953.
53) Gedenkstukken III, 1103.
54) Gedenkstukken V, 778.
55) Gedenkstukken V, 784.
56) Gedenkstukken VI, 1808.
57) Zie de stukken van Dumouriez van Dec. 1812 en Maart 1813,
Gedenkstukken VI, 1854 en 1868.
58) Zie hiervoor talrijke bewijzen in Ged. VI, 240, 271, 336, 417,
423, 440, 443, 444, 469, 506, 586, 601, 617, 618, 621, 654, 681, 706, 719. Dit
gedeelte der zaak vereischt uitvoeriger bespreking dan hier gegeven kan
worden; ik verwijs er voor naar mijn eerlang uit te geven geschrift Ondergang
en Herstel. De plannen gingen niet uit van Hogendorp en de zijnen; integendeel
het gebruik van den naam van Willem VII bij de volksbeweging van April
gemaakt, heeft er Hogendorp toe gebracht door zijn vrienden uitdrukkelijk te
doen vaststellen dat men voor Willem VI, niet voor Willem VII zou werken (Br.
en Ged. V, 11). Daarentegen heeft zoo goed als zeker met deze plannen in
verband gestaan de komst van C. P. Gevers in Engeland in Maart 1813; hij heeft
Page 55
Castlereagh zoeken te bewegen tot het ondernemen eener landing op de
Hollandsche kust met Willem VII aan boord; in dat geval voorspelde hij een
volksopstand. Zie ook voor deze zaak: Ondergang en Herstel. Castlereagh hield
aanvankelijk Gevers en Willem VI zorgvuldig gescheiden en bracht hen eerst in
Augustus met elkander in aanraking; sedert werkte Gevers voor Willem VI.
59) Gedenkstukken VI, 1850.
60) Gedenkstukken VI, 1872.
61) Gedenkstukken VI, 1878.
62) Gedenkstukken VI, 1860 (11 Maart 1813).
63) Gedenkstukken VI, 1879.
64) Gedenkstukken VI, 1883 (18 Mei 1813).
65) Zie Ged. VI, 1894; het stuk van Gevers zelf van 1816 (Ged. VI,
1861) durft het ware van deze zaak niet meer mede te deelen.
66) Gedenkstukken VI, 1947.
67) Gedenkstukken VI, 1898.
68) Hiervóór, bl. 28–29.
69) Gedenkstukken VI, 1863.
70) Pertz, Gneisenau III, 508 vv.
71) Vgl. de order van 19 Nov. aan Winzingerode (zie boven).
72) Zie vooral het militaire Koolemans Beynen in Gedenkboek I 70
vv., benevens de inleiding op het 3de stuk van Gedenkstukken VI.
Hollandsche kust met Willem VII aan boord; in dat geval voorspelde hij een
volksopstand. Zie ook voor deze zaak: Ondergang en Herstel. Castlereagh hield
aanvankelijk Gevers en Willem VI zorgvuldig gescheiden en bracht hen eerst in
Augustus met elkander in aanraking; sedert werkte Gevers voor Willem VI.
59) Gedenkstukken VI, 1850.
60) Gedenkstukken VI, 1872.
61) Gedenkstukken VI, 1878.
62) Gedenkstukken VI, 1860 (11 Maart 1813).
63) Gedenkstukken VI, 1879.
64) Gedenkstukken VI, 1883 (18 Mei 1813).
65) Zie Ged. VI, 1894; het stuk van Gevers zelf van 1816 (Ged. VI,
1861) durft het ware van deze zaak niet meer mede te deelen.
66) Gedenkstukken VI, 1947.
67) Gedenkstukken VI, 1898.
68) Hiervóór, bl. 28–29.
69) Gedenkstukken VI, 1863.
70) Pertz, Gneisenau III, 508 vv.
71) Vgl. de order van 19 Nov. aan Winzingerode (zie boven).
72) Zie vooral het militaire Koolemans Beynen in Gedenkboek I 70
vv., benevens de inleiding op het 3de stuk van Gedenkstukken VI.
Page 56
73) Gedenkstukken VI, 1949.
74) Ontstaan I, 22.
75) Gedenkstukken III, 393; vgl. Ontstaan I, bl. XXXVII en 20.
76) Ontstaan I, 65.
77) Ontstaan I, bl. LVII vv.
78) Ontstaan I, bl. XIX vv. (bespreking) en Ged. VI, 1902 vv. (tekst).
79) Gedenkstukken VI, 1881.
74) Ontstaan I, 22.
75) Gedenkstukken III, 393; vgl. Ontstaan I, bl. XXXVII en 20.
76) Ontstaan I, 65.
77) Ontstaan I, bl. LVII vv.
78) Ontstaan I, bl. XIX vv. (bespreking) en Ged. VI, 1902 vv. (tekst).
79) Gedenkstukken VI, 1881.
Page 57
II.
DE OPDRACHT VAN DE SOUVEREINITEIT DER VEREENIGDE
NEDERLANDEN AAN DEN PRINS.
21 Nov. 1813. Aanvaarding van het algemeen bestuur der Vereenigde Nederlanden door van
der Duyn van Maasdam en G. K. van Hogendorp, in naam van den prins van
Oranje.
30 „ „ Terugkomst van den prins.
1 Dec. „ Opdracht der souvereiniteit door J. M. Kemper en Fannius Scholten.
2 „ „ Aanneming der souvereiniteit.
6 „ „ Aanvaarding der regeering door den souvereinen vorst.
De Vereenigde Nederlanden herleefden en met hen het
grondgebied, zooals dit in 1795 door die republiek bezeten was.
Zoude het met hare instellingen evenzoo gaan? Zoude ook hier
hetzelfde plaats vinden, als in Zwitserland, Sardinië, Rome, waar de
gewrochten der revolutie onder den voet werden gehaald, waar
inderdaad eene restauratie tot stand kwam? Zoo er hier te lande
geweest mogen zijn, die zoo iets wenschten, de prins behoorde niet
onder hen. Hogendorp tot eene zekere hoogte evenmin. Hoezeer geen
van beiden onder de bewonderaars van den nieuweren tijd kon
gerangschikt worden, wisten zij toch beiden te goed, dat de oude
republiek dringend behoefte had gehad aan hervorming, en dat de
kracht had ontbroken, die behoefte zelfs op de meest bescheidene
wijze te bevredigen. Eene herstelling van dien toestand zoude op het
verderf van het vaderland uitloopen. Er moest zijn eenheid in het
bestuur der buitenlandsche betrekkingen, en dit eischte van zelf
eenheid in de beschikking over het krijgswezen en in de financiën.
Zoowel het een als het ander had in de oude republiek ontbroken;
DE OPDRACHT VAN DE SOUVEREINITEIT DER VEREENIGDE
NEDERLANDEN AAN DEN PRINS.
21 Nov. 1813. Aanvaarding van het algemeen bestuur der Vereenigde Nederlanden door van
der Duyn van Maasdam en G. K. van Hogendorp, in naam van den prins van
Oranje.
30 „ „ Terugkomst van den prins.
1 Dec. „ Opdracht der souvereiniteit door J. M. Kemper en Fannius Scholten.
2 „ „ Aanneming der souvereiniteit.
6 „ „ Aanvaarding der regeering door den souvereinen vorst.
De Vereenigde Nederlanden herleefden en met hen het
grondgebied, zooals dit in 1795 door die republiek bezeten was.
Zoude het met hare instellingen evenzoo gaan? Zoude ook hier
hetzelfde plaats vinden, als in Zwitserland, Sardinië, Rome, waar de
gewrochten der revolutie onder den voet werden gehaald, waar
inderdaad eene restauratie tot stand kwam? Zoo er hier te lande
geweest mogen zijn, die zoo iets wenschten, de prins behoorde niet
onder hen. Hogendorp tot eene zekere hoogte evenmin. Hoezeer geen
van beiden onder de bewonderaars van den nieuweren tijd kon
gerangschikt worden, wisten zij toch beiden te goed, dat de oude
republiek dringend behoefte had gehad aan hervorming, en dat de
kracht had ontbroken, die behoefte zelfs op de meest bescheidene
wijze te bevredigen. Eene herstelling van dien toestand zoude op het
verderf van het vaderland uitloopen. Er moest zijn eenheid in het
bestuur der buitenlandsche betrekkingen, en dit eischte van zelf
eenheid in de beschikking over het krijgswezen en in de financiën.
Zoowel het een als het ander had in de oude republiek ontbroken;
Page 58
noch de Staten-Generaal, noch de Stadhouder hadden daarvoor de
voldoende macht ter hunner beschikking gehad.
De positie van het huis van Oranje was onder de oude republiek
zeer uitstekend geweest. Niemand zal dit loochenen, die zich
herinnert, wat niet al in den persoon van Willem V vereenigd was.
Erfstadhouder van al de gewesten, kapitein-generaal en admiraal van
de unie, opperbewindhebber en oppergouverneur-generaal van de
Oost- en West-Indische Compagnie, eerste edele van Gelderland,
eenige edele van Zeeland, met groote macht bekleed in de bestelling
der regenten van vele steden, in 't bezit van eene menigte
heerlijkheden, kon hij door dit alles een grooten invloed uitoefenen
op het staatsbestuur, te meer omdat hij, wat hij dan ook hier te lande
rechtens mocht wezen, in de oogen der menigte in waarheid de vorst
was, en dit vorstelijk prestige in menig opzicht aanvulde, wat hem
aan wettelijke macht ontbrak. Toch, hoe schitterend en uitstekend ook
de plaats was, die de stadhouder in ons vaderland innam, zijne macht
ging niet zoover, om tegenover het buitenland met voldoende kracht
te kunnen optreden. De hoogste macht van het bondgenootschap
bleef niettegenstaande dit alles gevestigd in de Staten-Generaal. En
wat de stadhouder niet kon, daartoe waren zij evenmin in staat. Zij
konden de algemeene regeering van het bondgenootschap niet naar
eisch uitoefenen, daar zij weder afhankelijk waren van de Staten der
gewesten, die op hunne beurt weder te rade moesten gaan met de
stemhebbende steden, zoodat zoowel voor het nemen als voor het
uitvoeren van gewichtige besluiten, elk deel als het ware de wet
konde stellen aan het geheel.
De revolutie had een einde gemaakt aan dien onhoudbaren toestand
—en niemand, die nadacht, kon wenschen dien te herstellen. Zoude
de behoefte aan meerdere eenheid vervuld worden door de
denkbeelden te volgen, die Hogendorp in eene kort na de revolutie
van 1795 opgestelde memorie ontwikkeld had 80)? Door het
oppergezag van den staat toe te vertrouwen aan eene vergadering,
voldoende macht ter hunner beschikking gehad.
De positie van het huis van Oranje was onder de oude republiek
zeer uitstekend geweest. Niemand zal dit loochenen, die zich
herinnert, wat niet al in den persoon van Willem V vereenigd was.
Erfstadhouder van al de gewesten, kapitein-generaal en admiraal van
de unie, opperbewindhebber en oppergouverneur-generaal van de
Oost- en West-Indische Compagnie, eerste edele van Gelderland,
eenige edele van Zeeland, met groote macht bekleed in de bestelling
der regenten van vele steden, in 't bezit van eene menigte
heerlijkheden, kon hij door dit alles een grooten invloed uitoefenen
op het staatsbestuur, te meer omdat hij, wat hij dan ook hier te lande
rechtens mocht wezen, in de oogen der menigte in waarheid de vorst
was, en dit vorstelijk prestige in menig opzicht aanvulde, wat hem
aan wettelijke macht ontbrak. Toch, hoe schitterend en uitstekend ook
de plaats was, die de stadhouder in ons vaderland innam, zijne macht
ging niet zoover, om tegenover het buitenland met voldoende kracht
te kunnen optreden. De hoogste macht van het bondgenootschap
bleef niettegenstaande dit alles gevestigd in de Staten-Generaal. En
wat de stadhouder niet kon, daartoe waren zij evenmin in staat. Zij
konden de algemeene regeering van het bondgenootschap niet naar
eisch uitoefenen, daar zij weder afhankelijk waren van de Staten der
gewesten, die op hunne beurt weder te rade moesten gaan met de
stemhebbende steden, zoodat zoowel voor het nemen als voor het
uitvoeren van gewichtige besluiten, elk deel als het ware de wet
konde stellen aan het geheel.
De revolutie had een einde gemaakt aan dien onhoudbaren toestand
—en niemand, die nadacht, kon wenschen dien te herstellen. Zoude
de behoefte aan meerdere eenheid vervuld worden door de
denkbeelden te volgen, die Hogendorp in eene kort na de revolutie
van 1795 opgestelde memorie ontwikkeld had 80)? Door het
oppergezag van den staat toe te vertrouwen aan eene vergadering,
Page 59
bestaande uit leden, hoewel gekozen door de staten der provinciën,
toch vrij in het uitbrengen hunner stem, eene vergadering met
voldoende macht bekleed om over de middelen der defensie te
kunnen beschikken en tevens voorzien van eene goede kas; eene
vergadering, die het land tegenover de buitenlandsche mogendheden
kon vertegenwoordigen, en die door den steun van een
hooggerechtshof in staat was zoowel de verdragen als de verdere
besluiten te doen nakomen binnen's lands? Een staatsregeling waarin,
welke hooge positie Hogendorp ook aan den stadhouder wilde
toekennen, toch het republikeinsch karakter bewaard bleef?
Neen, op die wijze kon de behoefte niet worden vervuld. Ook in
hunnen afkeer van de republikeinsche instellingen waren de
oppermachtige geallieerden geestverwanten van den overwonnen
keizer. Wat de engelsche minister van buitenlandsche zaken in de
eerste dagen van November 1813 aan den prins zeide 81), dat de
regeeringsvorm meer monarchaal moest zijn, dat was de zienswijze
van al de mogendheden, van wier wil het lot van Europa in die dagen
afhing. Allen in merg en been monarchaal en niet gezind in hun eigen
land hun eenhoofdig gezag te laten beperken. Eene herstelling van
iets, dat naar eene republiek zweemde, zoude zijn, alsof wij hunne
volkeren wilden prediken, dat men onder een monarchaal gezag niet
vrij kon zijn. Zoo sprak van der Palm 82). En wat met het oog op het
buitenland zoo goed als noodzakelijk kon geacht worden, werd ook
hier te lande niet anders gewenscht. Hogendorp zelf deelde in 1813
niet meer de denkbeelden, door hem in 1795 ontwikkeld. Van den
aanvang der revolutie van 1813 af, zoo al niet sedert 1801, stond het
bij hem vast, dat den prins de hooge overheid moest worden
opgedragen, een ander woord voor souvereiniteit. Toen Kemper en
Fannius Scholten den 1sten December 1813 te Amsterdam den prins
tot souverein uitriepen deden zij niets anders, dan wat aller wensch en
verlangen was. Onregelmatig was die handeling, en die
onregelmatigheid werd gevoeld; maar dit belette niet dat de prins den
toch vrij in het uitbrengen hunner stem, eene vergadering met
voldoende macht bekleed om over de middelen der defensie te
kunnen beschikken en tevens voorzien van eene goede kas; eene
vergadering, die het land tegenover de buitenlandsche mogendheden
kon vertegenwoordigen, en die door den steun van een
hooggerechtshof in staat was zoowel de verdragen als de verdere
besluiten te doen nakomen binnen's lands? Een staatsregeling waarin,
welke hooge positie Hogendorp ook aan den stadhouder wilde
toekennen, toch het republikeinsch karakter bewaard bleef?
Neen, op die wijze kon de behoefte niet worden vervuld. Ook in
hunnen afkeer van de republikeinsche instellingen waren de
oppermachtige geallieerden geestverwanten van den overwonnen
keizer. Wat de engelsche minister van buitenlandsche zaken in de
eerste dagen van November 1813 aan den prins zeide 81), dat de
regeeringsvorm meer monarchaal moest zijn, dat was de zienswijze
van al de mogendheden, van wier wil het lot van Europa in die dagen
afhing. Allen in merg en been monarchaal en niet gezind in hun eigen
land hun eenhoofdig gezag te laten beperken. Eene herstelling van
iets, dat naar eene republiek zweemde, zoude zijn, alsof wij hunne
volkeren wilden prediken, dat men onder een monarchaal gezag niet
vrij kon zijn. Zoo sprak van der Palm 82). En wat met het oog op het
buitenland zoo goed als noodzakelijk kon geacht worden, werd ook
hier te lande niet anders gewenscht. Hogendorp zelf deelde in 1813
niet meer de denkbeelden, door hem in 1795 ontwikkeld. Van den
aanvang der revolutie van 1813 af, zoo al niet sedert 1801, stond het
bij hem vast, dat den prins de hooge overheid moest worden
opgedragen, een ander woord voor souvereiniteit. Toen Kemper en
Fannius Scholten den 1sten December 1813 te Amsterdam den prins
tot souverein uitriepen deden zij niets anders, dan wat aller wensch en
verlangen was. Onregelmatig was die handeling, en die
onregelmatigheid werd gevoeld; maar dit belette niet dat de prins den
Page 60
2den December 1813 de souvereiniteit aannam en den 6den
December 1813 het bestuur uit de handen van het den 21sten
November 1813 opgetreden algemeen bestuur, uit handen van
Hogendorp en van der Duyn aanvaardde.
Het is hier de plaats niet, de bijzonderheden na te speuren, die het
feit, waardoor de monarchie in het huis van Oranje is gevestigd,
hebben vergezeld. Een ding staat echter vast. Noch de Prins, noch
Hogendorp waren afkeerig van de opdracht der souvereiniteit. Wat
zoude echter de beteekenis zijn van die opdracht? In den aanvang
werd daardoor de Prins absoluut vorst—niets minder dan de keizer
aller Russen. Als iets blijvends werd dit echter voorzeker door
niemand bedoeld. Zoo diep kon men niet gedaald zijn, dat men eene
door niets beperkte monarchale macht anders zoude hebben willen
dulden, dan als iets voor korten tijd, voor zoover dit voor den tijd van
overgang tot eene geregelde orde van zaken noodzakelijk was. Maar
wat was dan het blijvend karakter van de opdracht der souvereiniteit?
Dat de prins in plaats van Zijne Hoogheid of Zijne Doorluchtige
Hoogheid, nu Zijne Koninklijke Hoogheid werd? Dat zijn wapen nu
werd gekroond met een koninklijke kroon 83)? Dat de Nederlanders
zijne onderdanen zouden zijn? Dat de prins dus niet meer zoude zijn
de eerste ambtenaar der Staten; dat geene macht boven hem zoude
staan? Was het nog meer? Voorzeker ook, dat de meerdere behoefte
aan eenheid door het monarchaal gezag zoude worden vervuld. Voor
het overige liet ook deze opdracht alles onbepaald. Zij gaf geen
antwoord op de vraag: hoedanig zou de aard van den staat zijn?
Bondstaat of eenheidstaat; dit bleef eene opene quaestie. Wellicht dat,
wanneer er verschil heeft bestaan tusschen Hogendorp en Kemper, dit
juist in dit punt moet gezocht worden. De laatste deed in zijne met
Fannius Scholten den 1sten December 1813 uitgevaardigde
proclamatie zeer duidelijk uitkomen, dat er ook in andere opzichten
geene restauratie zoude plaats hebben. Waar hij echter zeide, dat de
Prins als Willem de Eerste souvereine vorst zoude zijn „van het vrije
December 1813 het bestuur uit de handen van het den 21sten
November 1813 opgetreden algemeen bestuur, uit handen van
Hogendorp en van der Duyn aanvaardde.
Het is hier de plaats niet, de bijzonderheden na te speuren, die het
feit, waardoor de monarchie in het huis van Oranje is gevestigd,
hebben vergezeld. Een ding staat echter vast. Noch de Prins, noch
Hogendorp waren afkeerig van de opdracht der souvereiniteit. Wat
zoude echter de beteekenis zijn van die opdracht? In den aanvang
werd daardoor de Prins absoluut vorst—niets minder dan de keizer
aller Russen. Als iets blijvends werd dit echter voorzeker door
niemand bedoeld. Zoo diep kon men niet gedaald zijn, dat men eene
door niets beperkte monarchale macht anders zoude hebben willen
dulden, dan als iets voor korten tijd, voor zoover dit voor den tijd van
overgang tot eene geregelde orde van zaken noodzakelijk was. Maar
wat was dan het blijvend karakter van de opdracht der souvereiniteit?
Dat de prins in plaats van Zijne Hoogheid of Zijne Doorluchtige
Hoogheid, nu Zijne Koninklijke Hoogheid werd? Dat zijn wapen nu
werd gekroond met een koninklijke kroon 83)? Dat de Nederlanders
zijne onderdanen zouden zijn? Dat de prins dus niet meer zoude zijn
de eerste ambtenaar der Staten; dat geene macht boven hem zoude
staan? Was het nog meer? Voorzeker ook, dat de meerdere behoefte
aan eenheid door het monarchaal gezag zoude worden vervuld. Voor
het overige liet ook deze opdracht alles onbepaald. Zij gaf geen
antwoord op de vraag: hoedanig zou de aard van den staat zijn?
Bondstaat of eenheidstaat; dit bleef eene opene quaestie. Wellicht dat,
wanneer er verschil heeft bestaan tusschen Hogendorp en Kemper, dit
juist in dit punt moet gezocht worden. De laatste deed in zijne met
Fannius Scholten den 1sten December 1813 uitgevaardigde
proclamatie zeer duidelijk uitkomen, dat er ook in andere opzichten
geene restauratie zoude plaats hebben. Waar hij echter zeide, dat de
Prins als Willem de Eerste souvereine vorst zoude zijn „van het vrije
Page 61
Nederland,” daar was de Prins in zijne waarschijnlijk onder
Hogendorps invloed opgestelde proclamatie van 6 Dec. 1813 de
souvereine vorst „der Vereenigde Nederlanden.”
Bondstaat of eenheidstaat: wat zoude het zijn?
En eveneens bleef het onbeslist, in hoever de nieuwe beginselen
van staatsbestuur, de beginselen van zelfregeering en gelijkheid, de
beginselen der 18e eeuw, hunne kracht zouden behouden, of, voor
zoover zij reeds onder franschen invloed waren verstikt, weder tot
hun volle recht zouden komen. Daarop moet het antwoord gezocht
worden in de niet alleen door Kemper en Fannius Scholten, maar ook
door den souvereinen vorst beloofde grondwet. Nu eene volledige
restauratie van het oude onmogelijk was, nu het republikeinsch
karakter plaats maakte voor het eenhoofdig gezag, nu daardoor de
noodzakelijkheid eener diep ingrijpende verandering erkend was,
moest men wel zijne toevlucht nemen tot het ontwerpen en
vaststellen eener grondwet. In zoover kon zelfs het jaar 1813 zich niet
losmaken van de beweging, die met de onafhankelijkheid van Noord-
Amerika begonnen, in den revolutietijd was voortgezet; men bleef
ook nu het denkbeeld omhelzen, dat de grondtrekken van den
staatsvorm in één statuut moesten worden opgenomen, in ééne wet,
die de grond van alles was.
In afwijking van Tellegen moet worden geopperd dat het hier wèl de plaats is, het feit der
verheffing in bijzonderheden na te speuren. Zonder juist begrip dier bijzonderheden zal er altijd
iets aan het begrip van het vervolg ontbreken.
Oranje's verheffing tot de souvereiniteit bij volkskreet is het feit van 1813, en de oorzaken laten
zich wat hooger ophalen dan Tellegen heeft beproefd.
Het feitelijk bestaan der souvereiniteit is aan twee voorwaarden gebonden: aan de aanwezigheid
van iemand die haar dragen wil, en van anderen die haar willen erkennen. Die voorwaarden bleken
vervuld in 1813; waarom eerst toen en niet eer?
Hogendorps invloed opgestelde proclamatie van 6 Dec. 1813 de
souvereine vorst „der Vereenigde Nederlanden.”
Bondstaat of eenheidstaat: wat zoude het zijn?
En eveneens bleef het onbeslist, in hoever de nieuwe beginselen
van staatsbestuur, de beginselen van zelfregeering en gelijkheid, de
beginselen der 18e eeuw, hunne kracht zouden behouden, of, voor
zoover zij reeds onder franschen invloed waren verstikt, weder tot
hun volle recht zouden komen. Daarop moet het antwoord gezocht
worden in de niet alleen door Kemper en Fannius Scholten, maar ook
door den souvereinen vorst beloofde grondwet. Nu eene volledige
restauratie van het oude onmogelijk was, nu het republikeinsch
karakter plaats maakte voor het eenhoofdig gezag, nu daardoor de
noodzakelijkheid eener diep ingrijpende verandering erkend was,
moest men wel zijne toevlucht nemen tot het ontwerpen en
vaststellen eener grondwet. In zoover kon zelfs het jaar 1813 zich niet
losmaken van de beweging, die met de onafhankelijkheid van Noord-
Amerika begonnen, in den revolutietijd was voortgezet; men bleef
ook nu het denkbeeld omhelzen, dat de grondtrekken van den
staatsvorm in één statuut moesten worden opgenomen, in ééne wet,
die de grond van alles was.
In afwijking van Tellegen moet worden geopperd dat het hier wèl de plaats is, het feit der
verheffing in bijzonderheden na te speuren. Zonder juist begrip dier bijzonderheden zal er altijd
iets aan het begrip van het vervolg ontbreken.
Oranje's verheffing tot de souvereiniteit bij volkskreet is het feit van 1813, en de oorzaken laten
zich wat hooger ophalen dan Tellegen heeft beproefd.
Het feitelijk bestaan der souvereiniteit is aan twee voorwaarden gebonden: aan de aanwezigheid
van iemand die haar dragen wil, en van anderen die haar willen erkennen. Die voorwaarden bleken
vervuld in 1813; waarom eerst toen en niet eer?
Page 62
Ruimte voor de souvereiniteit van het huis van Oranje was er reeds lang geweest; eigenlijk van
het begin van den opstand tegen Spanje af. Zij was ook in de maak toen Prins Willem werd
vermoord; na dien tijd heeft zij zich nimmer kunnen vestigen. De redding van den opstand is het
werk geworden niet van de Nederlandsche generaliteit, maar van het Hollandsche particularisme;
en de Republiek der Vereenigde Nederlanden is de uitkomst geweest van dit particularistisch
streven. Een staat sterk in de deelen, zwak in het verband; waarin het verband eigenlijk in niets
anders bestond, dan in het gemeenschappelijk religiebelang en in de gemeenschappelijke
verhouding tot het huis van Oranje.
De religieband werd zwakker, naarmate de religie minder bedreigd raakte. De Republiek
overwon haar vijand; zij werd als zelfstandige staat erkend. Toen werd het tijd, het
oorlogsnoodbehelp te wijzigen naar den stand van vrede. Het lot heeft gewild, dat toen nogmaals
het Hollandsche particularisme de leiding heeft moeten nemen; de Prins was dood; zijn opvolger
een ongeboren kind.
Die omstandigheid van het eerste stadhouderloos tijdvak heeft op de ontwikkeling der positie
van het Oranjehuis in Nederland een rampzaligen invloed gehad. Oranje, voor het volksgevoel
altijd bekleed gebleven met die Hooge Overheid, welke eenmaal den eersten Willem voor den duur
van oorlog was opgedragen, had voor het eerst geen officieele betrekking meer tot het
landsbestuur. Zijn positie kon niet langer versterkt worden langs regelmatigen, moest integendeel
eerst hersteld worden langs revolutionnairen weg.
Het gevolg is geweest, dat de geavoueerde ambitie van het huis als maximum der wenschen het
herwinnen van het verlorene ging opgeven; het herstel in reeds vroeger bezeten, niet de verheffing
tot hooger waardigheid.
Willem III voelt die verheffing onder zijn bereik liggen; hij grijpt niet toe. Zij zou afgedwongen
kunnen zijn in Juli 1672, zooals het herstel in het stadhouderschap afgedwongen is; maar de massa
had geen oog voor de noodzakelijkheid van nieuwe vormen, en de Prins wist het wezen van het
oppergezag te besluipen ook zonder aanneming van den naam daarvan.
De republikeinsche instellingen werden niet openlijk aangetast; zij werden gedenatureerd. Wat
hem over de moeilijkheden die zij hem in den weg legden heen hielp, was enkel corruptie. The
world's great patriot is tevreden geweest dat het Nederlandsche werktuig hem diende, en
onverschillig, hoe het in zijn handen versleet. De wereldbelangen laten hem zelfs geen tijd, te
zorgen dat bij zijn kinderloosheid althans de opvolging in het stadhouderschap verzekerd zij.
Na 1702 wordt, in het eigenlijke Holland, Oranje een mythe; het is geen realiteit meer. Het is er
ver vandaan, dat de cultus aanstonds op den Frieschen tak zou zijn overgebracht. Als in 1734
Willem IV na zijn huwelijk, met een koningsdochter nog wel, op de doorreis in een Rotterdamsch
logement zijn intrek neemt, loopt er nauwelijks iemand uit om den „Prins van Friesland”, zooals
men hem noemt, te zien. 84) De Fransche inval van 1747 is noodig om de langdurige propaganda
van Bentinck van Rhoon en anderen eindelijk vrucht te doen dragen. De Prins van Friesland wordt
de Prins, tout court. Maar het staat te bezien of de beweging er niet ruim zooveel eene is tegen het
oligarchisch bederf als vóór zijn immers weinig bekende persoon. Het stadhouderschap werkt nog
éénmaal als een tooverwoord, maar het is de laatste maal. Als Willem IV buiten staat blijkt de hem
in den schoot gelegde voorrechten aan te wenden tot duurzame beveiliging van eenig volksbelang
welk ook, verliest hij de affectie der betere klasse en behoudt nog slechts die der heffe.
En de gelegenheid ware in 1748 zoo gunstig geweest! De kracht der tegenpartij was gesloopt
lang vóór zij ten val werd gebracht: al wat er voortreffelijks was geweest in de Hollandsche
het begin van den opstand tegen Spanje af. Zij was ook in de maak toen Prins Willem werd
vermoord; na dien tijd heeft zij zich nimmer kunnen vestigen. De redding van den opstand is het
werk geworden niet van de Nederlandsche generaliteit, maar van het Hollandsche particularisme;
en de Republiek der Vereenigde Nederlanden is de uitkomst geweest van dit particularistisch
streven. Een staat sterk in de deelen, zwak in het verband; waarin het verband eigenlijk in niets
anders bestond, dan in het gemeenschappelijk religiebelang en in de gemeenschappelijke
verhouding tot het huis van Oranje.
De religieband werd zwakker, naarmate de religie minder bedreigd raakte. De Republiek
overwon haar vijand; zij werd als zelfstandige staat erkend. Toen werd het tijd, het
oorlogsnoodbehelp te wijzigen naar den stand van vrede. Het lot heeft gewild, dat toen nogmaals
het Hollandsche particularisme de leiding heeft moeten nemen; de Prins was dood; zijn opvolger
een ongeboren kind.
Die omstandigheid van het eerste stadhouderloos tijdvak heeft op de ontwikkeling der positie
van het Oranjehuis in Nederland een rampzaligen invloed gehad. Oranje, voor het volksgevoel
altijd bekleed gebleven met die Hooge Overheid, welke eenmaal den eersten Willem voor den duur
van oorlog was opgedragen, had voor het eerst geen officieele betrekking meer tot het
landsbestuur. Zijn positie kon niet langer versterkt worden langs regelmatigen, moest integendeel
eerst hersteld worden langs revolutionnairen weg.
Het gevolg is geweest, dat de geavoueerde ambitie van het huis als maximum der wenschen het
herwinnen van het verlorene ging opgeven; het herstel in reeds vroeger bezeten, niet de verheffing
tot hooger waardigheid.
Willem III voelt die verheffing onder zijn bereik liggen; hij grijpt niet toe. Zij zou afgedwongen
kunnen zijn in Juli 1672, zooals het herstel in het stadhouderschap afgedwongen is; maar de massa
had geen oog voor de noodzakelijkheid van nieuwe vormen, en de Prins wist het wezen van het
oppergezag te besluipen ook zonder aanneming van den naam daarvan.
De republikeinsche instellingen werden niet openlijk aangetast; zij werden gedenatureerd. Wat
hem over de moeilijkheden die zij hem in den weg legden heen hielp, was enkel corruptie. The
world's great patriot is tevreden geweest dat het Nederlandsche werktuig hem diende, en
onverschillig, hoe het in zijn handen versleet. De wereldbelangen laten hem zelfs geen tijd, te
zorgen dat bij zijn kinderloosheid althans de opvolging in het stadhouderschap verzekerd zij.
Na 1702 wordt, in het eigenlijke Holland, Oranje een mythe; het is geen realiteit meer. Het is er
ver vandaan, dat de cultus aanstonds op den Frieschen tak zou zijn overgebracht. Als in 1734
Willem IV na zijn huwelijk, met een koningsdochter nog wel, op de doorreis in een Rotterdamsch
logement zijn intrek neemt, loopt er nauwelijks iemand uit om den „Prins van Friesland”, zooals
men hem noemt, te zien. 84) De Fransche inval van 1747 is noodig om de langdurige propaganda
van Bentinck van Rhoon en anderen eindelijk vrucht te doen dragen. De Prins van Friesland wordt
de Prins, tout court. Maar het staat te bezien of de beweging er niet ruim zooveel eene is tegen het
oligarchisch bederf als vóór zijn immers weinig bekende persoon. Het stadhouderschap werkt nog
éénmaal als een tooverwoord, maar het is de laatste maal. Als Willem IV buiten staat blijkt de hem
in den schoot gelegde voorrechten aan te wenden tot duurzame beveiliging van eenig volksbelang
welk ook, verliest hij de affectie der betere klasse en behoudt nog slechts die der heffe.
En de gelegenheid ware in 1748 zoo gunstig geweest! De kracht der tegenpartij was gesloopt
lang vóór zij ten val werd gebracht: al wat er voortreffelijks was geweest in de Hollandsche
Page 63
staatkunde van Oldenbarnevelt, eerbiedwaardigs nog in die van Jan de Witt, behoorde
onherroepelijk tot het verleden. Het „eiland” Holland 85) was tot zijn particularisme eerst wel
gedwongen geweest, toen Leicester de generaliteit te gronde hielp; het had er in volhard door de
ervaring van den fabelachtigen voorspoed, waarmede het eigen krachtsinspanning had beloond
gezien. Die voorspoed taande sedert het einde der zeventiende eeuw. Holland had behoefte gehad
aan een vrijen armzwaai, zoolang het nog, in economischen zin, op verovering uitging. Wat het
won, kon eenmaal allen ten goede komen, maar het kon alleen winnen bij een groote mate van
zelfstandig gezag, niet slechts van Holland, maar van de steden in Holland, en in die steden van de
bezitters van het handelskapitaal. Zij hadden moeten woekeren met de exceptioneele gelegenheid
die zich in de wereld der zestiende en zeventiende eeuw, tusschen den val van Antwerpen en de
opkomst van Londen en van Hamburg, voor den Hollandschen ondernemingsgeest had opgedaan.
Thans was er nog slechts spraak van verdediging en behoud. Het door de deelen gewonnene moest
tot nationaal kapitaal worden gemaakt, en de leiding hierbij behoorde aan een centrale autoriteit,
die steun zocht niet bij de weinigen die onteigend, maar bij de velen die gediend moesten worden.
Dat men in Willem IV ontgoocheld werd is gewroken aan zijn zoon. Een ideaal van
staatshervorming ontstaat, waarbij het huis van Oranje aanhangsel zal zijn in plaats van
middenpunt. In de formule der patriotische Acte van Verbintenis van 1786: volksregeering bij
representatie, met een daaraan ondergeschikt Erfstadhouderschap, valt de volle nadruk op de
volksregeering. Het volk, dat wil in 1786 in waarheid zeggen de onderwezen, gezeten burgerij,
stelt zich als erfgenaam van alle machtsaanspraak der oligarchie, ook tegenover het huis van
Oranje. Het wil behouden de oude bondgenootschappelijke regeering, mits de organen daarvan
niet langer zullen aangevuld worden bij coöptatie, maar bij volkskeuze. Een- en ondeelbaarheid
der Staatsmacht staat volstrekt niet op het programma; dit punt is eerst van de Franschen afgezien.
Het is bekend, dat de afloop van den patriottentijd het huis van Oranje bij de Nederlandsche
hervormingsgezinden in een doodelijken haat bracht. Die haat is ouder dan de Fransche Revolutie
en door de inwerking van die Revolutie volstrekt niet vermeerderd. Integendeel, de minst
bevooroordeelden onder de Nederlandsche revolutionnairen hebben zeer goed ingezien dat juist de
nabootsing der Fransche revolutie in Nederland voor het huis van Oranje een nieuwe toekomst
openen kon. Wij zien Valckenaer in 1791 eene constitutie ontwerpen waarin aan Willem V de
plaats is toegedacht die de Fransche staatsregeling van dat jaar aan Lodewijk XVI overlaat. 86) Er
is geen bewijs dat het plan tot het hof is doorgedrongen, maar al zou het, Willem V hadde het
antwoord gereed gehad. Een constitutioneel koning, heeft hij bij eene andere gelegenheid gezegd,
is een koning wiens hoofd onder de valbijl komt. 87) Een woord dat toont hoe weinig hij
verwachtte van de zelfstandigheid die eene Nederlandsche revolutie tegenover de Fransche zou
weten te bewaren. En onze Stadhouder had daarin geen ongelijk. De constitutie van Valckenaer
was niets dan copie uit de teekenzaal, en copie naar een reeds het volgende jaar in den hoek
gesmeten voorbeeld.
In Frankrijk vestigt zich de Republiek en verklaart onzen Stadhouder den oorlog; wat er van
Nederland worden zou hing van de wapenen af, die in 1795 hebben beslist.
Het Schrikbewind was toen voorbij, moderatie in Frankrijk het wachtwoord geworden. De
Jacobijnen hadden alle idealisme lang verloren; zij hechtten meer aan bezit dan aan leuzen. Ook in
hunne behandeling van Nederland kwam dat uit. Siéyès en Rewbell zorgden beter voor het
spekken van de Fransche krijgskas dan voor de zuivere reproductie van den Franschen staatsvorm.
Eigenlijk liet men, een paar jaar lang, de geheele Bataafsche constitutie aan de Bataven over, en
heeft eerst ingegrepen toen uit de mislukte pogingen der verschillende Bataafsche partijen een
onherroepelijk tot het verleden. Het „eiland” Holland 85) was tot zijn particularisme eerst wel
gedwongen geweest, toen Leicester de generaliteit te gronde hielp; het had er in volhard door de
ervaring van den fabelachtigen voorspoed, waarmede het eigen krachtsinspanning had beloond
gezien. Die voorspoed taande sedert het einde der zeventiende eeuw. Holland had behoefte gehad
aan een vrijen armzwaai, zoolang het nog, in economischen zin, op verovering uitging. Wat het
won, kon eenmaal allen ten goede komen, maar het kon alleen winnen bij een groote mate van
zelfstandig gezag, niet slechts van Holland, maar van de steden in Holland, en in die steden van de
bezitters van het handelskapitaal. Zij hadden moeten woekeren met de exceptioneele gelegenheid
die zich in de wereld der zestiende en zeventiende eeuw, tusschen den val van Antwerpen en de
opkomst van Londen en van Hamburg, voor den Hollandschen ondernemingsgeest had opgedaan.
Thans was er nog slechts spraak van verdediging en behoud. Het door de deelen gewonnene moest
tot nationaal kapitaal worden gemaakt, en de leiding hierbij behoorde aan een centrale autoriteit,
die steun zocht niet bij de weinigen die onteigend, maar bij de velen die gediend moesten worden.
Dat men in Willem IV ontgoocheld werd is gewroken aan zijn zoon. Een ideaal van
staatshervorming ontstaat, waarbij het huis van Oranje aanhangsel zal zijn in plaats van
middenpunt. In de formule der patriotische Acte van Verbintenis van 1786: volksregeering bij
representatie, met een daaraan ondergeschikt Erfstadhouderschap, valt de volle nadruk op de
volksregeering. Het volk, dat wil in 1786 in waarheid zeggen de onderwezen, gezeten burgerij,
stelt zich als erfgenaam van alle machtsaanspraak der oligarchie, ook tegenover het huis van
Oranje. Het wil behouden de oude bondgenootschappelijke regeering, mits de organen daarvan
niet langer zullen aangevuld worden bij coöptatie, maar bij volkskeuze. Een- en ondeelbaarheid
der Staatsmacht staat volstrekt niet op het programma; dit punt is eerst van de Franschen afgezien.
Het is bekend, dat de afloop van den patriottentijd het huis van Oranje bij de Nederlandsche
hervormingsgezinden in een doodelijken haat bracht. Die haat is ouder dan de Fransche Revolutie
en door de inwerking van die Revolutie volstrekt niet vermeerderd. Integendeel, de minst
bevooroordeelden onder de Nederlandsche revolutionnairen hebben zeer goed ingezien dat juist de
nabootsing der Fransche revolutie in Nederland voor het huis van Oranje een nieuwe toekomst
openen kon. Wij zien Valckenaer in 1791 eene constitutie ontwerpen waarin aan Willem V de
plaats is toegedacht die de Fransche staatsregeling van dat jaar aan Lodewijk XVI overlaat. 86) Er
is geen bewijs dat het plan tot het hof is doorgedrongen, maar al zou het, Willem V hadde het
antwoord gereed gehad. Een constitutioneel koning, heeft hij bij eene andere gelegenheid gezegd,
is een koning wiens hoofd onder de valbijl komt. 87) Een woord dat toont hoe weinig hij
verwachtte van de zelfstandigheid die eene Nederlandsche revolutie tegenover de Fransche zou
weten te bewaren. En onze Stadhouder had daarin geen ongelijk. De constitutie van Valckenaer
was niets dan copie uit de teekenzaal, en copie naar een reeds het volgende jaar in den hoek
gesmeten voorbeeld.
In Frankrijk vestigt zich de Republiek en verklaart onzen Stadhouder den oorlog; wat er van
Nederland worden zou hing van de wapenen af, die in 1795 hebben beslist.
Het Schrikbewind was toen voorbij, moderatie in Frankrijk het wachtwoord geworden. De
Jacobijnen hadden alle idealisme lang verloren; zij hechtten meer aan bezit dan aan leuzen. Ook in
hunne behandeling van Nederland kwam dat uit. Siéyès en Rewbell zorgden beter voor het
spekken van de Fransche krijgskas dan voor de zuivere reproductie van den Franschen staatsvorm.
Eigenlijk liet men, een paar jaar lang, de geheele Bataafsche constitutie aan de Bataven over, en
heeft eerst ingegrepen toen uit de mislukte pogingen der verschillende Bataafsche partijen een
Page 64
anarchie ontstond die gevaar opleveren kon voor buitenlandsche inmenging en orangistische
reactie. Genoodzaakt tot de keus, welke van de partijen der Bataafsche Conventie men tot de
waardigheid van Fransch werktuig zou verheffen, koos men die van Vreede en Fynje die de
sterkste machtsbegeerte had en de minste gewetensbezwaren. Zij voerden het militair spektakel op,
waaraan wij de invoering der staatsregeling van 1798 te danken hebben gehad. Te danken waarlijk,
want ook de gebrekkigste constitutie was toen te verkiezen boven in het geheel geene.
Eigenlijk was men het over de hoofdpunten die de Nederlandsche staatsregeling zou moeten
inhouden al lang eens, maar het eigenaardig Nederlandsch gemis aan vormkracht en
besluitvaardigheid, de stroefheid die onze politieke vergaderingen altijd gekenmerkt heeft, hadden
telkens weer de conclusie verhinderd. De opheffing der provinciale souvereiniteit, de eenheid in de
volksvertegenwoordiging en in het hoog bestuur, het amalgama der schulden, de scheiding van
Kerk en Staat, de emancipatie der Katholieken en der Joden, de vervanging van de uitvoerende
collegiën door ministers;—alle punten dus waar voor Nederland de revolutie in heeft bestaan en
waarvan ook nimmermeer is afgeweken 88), waren reeds door de eerste Nationale Vergadering
gedecreteerd, maar men was er niet in geslaagd van de onderscheiden deelen een machine te
bouwen die loopen kon;—en een machine moest er zijn! De geheele natie was hier zóó van
overtuigd, dat de eerste gewaarwording na den 22sten Januari 1798 er algemeen eene was van
verademing. Dat men de constitutie op deze wijze had moeten ontvangen was een gevolg van
eigen dralen en slofheid; nu had men ze dan en opponeerde er niet tegen. Waartegen men in verzet
kwam was de aanmatiging der kliek die haar ingevoerd had, en die haar schaamteloos trachtte te
exploiteeren ten eigen bate. Tegen het operettebewind van Vreede, Fynje en van Langen had den
12den Juni een samenloop van de fatsoenlijke lieden plaats, en niets bleek gemakkelijker dan het
bewind omver te loopen zoodra de zekerheid bestond dat Frankrijk het had losgelaten. Maar aan de
constitutie werd niet geraakt; integendeel, mannen van den stempel van een Gogel beginnen thans
eerlijk te beproeven haar van het papier in de werkelijkheid te doen overgaan.
In deze poging wordt men in 1799 verrast door den inval der Engelschen en Russen. Wij hebben
gezien, dat Nederland toen zeer ernstig op het behoud van de grondslagen der omwenteling gesteld
bleek, en Oranje niet terug begeerde dan met behoud daarvan 89).
De praktijk der nieuwe staatsregeling viel overigens lang niet mede. Men had het wetgevend
vermogen der volksvertegenwoordiging ver overschat. De staatsregeling ging van de onderstelling
uit, dat het Bataafsche volk als zoodanig in alles reeds een collectieven wil had: elke nauwere
vereeniging van gelijkgezinden, om voor hun deel dien wil op te voeden en uit te drukken, werd
uitgekreten voor factie. Het natuurlijk gevolg was de onmacht van het vormloos gelaten geheel.
Het Vertegenwoordigend Lichaam verdronk in de duizend kleinigheden, die tot dusver door de
provinciale en locale lichamen waren bedisseld; het bracht den tijd zoek met voorloopige besluiten
over dorpsbelangen, terwijl de gewichtigste organieke wetten, zonder welke geene staatsregeling
iets beduidt, òf in de pen bleven, òf mislukten. Verordeningen kwamen tot stand op de runderpest
en de haringvangst; maar geen eenheid van belastingen, geen eenheid van recht, geen inrichting
der burgerlijke gemeenten, geen systeem van nationale opvoeding. De staatsregeling had bevolen
dat dit alles en nog veel meer gereed moest zijn binnen zeer korten termijn, maar het werktuig van
wetgeving, door die staatsregeling in het leven geroepen, bleek reeds totaal versleten eer het nog
eenig werk van blijvenden aard had tot stand gebracht. In Frankrijk had zich hetzelfde verschijnsel
voorgedaan: er was geen reactie tegen de grondslagen zelve der revolutie, maar een volstrekte
vermoeienis en onvruchtbaarheid der uit de massa voortgekomen vertegenwoordigende lichamen.
In plaats van een oppermachtig „volk”, wenschte men, in het belang van de bevestiging der
reactie. Genoodzaakt tot de keus, welke van de partijen der Bataafsche Conventie men tot de
waardigheid van Fransch werktuig zou verheffen, koos men die van Vreede en Fynje die de
sterkste machtsbegeerte had en de minste gewetensbezwaren. Zij voerden het militair spektakel op,
waaraan wij de invoering der staatsregeling van 1798 te danken hebben gehad. Te danken waarlijk,
want ook de gebrekkigste constitutie was toen te verkiezen boven in het geheel geene.
Eigenlijk was men het over de hoofdpunten die de Nederlandsche staatsregeling zou moeten
inhouden al lang eens, maar het eigenaardig Nederlandsch gemis aan vormkracht en
besluitvaardigheid, de stroefheid die onze politieke vergaderingen altijd gekenmerkt heeft, hadden
telkens weer de conclusie verhinderd. De opheffing der provinciale souvereiniteit, de eenheid in de
volksvertegenwoordiging en in het hoog bestuur, het amalgama der schulden, de scheiding van
Kerk en Staat, de emancipatie der Katholieken en der Joden, de vervanging van de uitvoerende
collegiën door ministers;—alle punten dus waar voor Nederland de revolutie in heeft bestaan en
waarvan ook nimmermeer is afgeweken 88), waren reeds door de eerste Nationale Vergadering
gedecreteerd, maar men was er niet in geslaagd van de onderscheiden deelen een machine te
bouwen die loopen kon;—en een machine moest er zijn! De geheele natie was hier zóó van
overtuigd, dat de eerste gewaarwording na den 22sten Januari 1798 er algemeen eene was van
verademing. Dat men de constitutie op deze wijze had moeten ontvangen was een gevolg van
eigen dralen en slofheid; nu had men ze dan en opponeerde er niet tegen. Waartegen men in verzet
kwam was de aanmatiging der kliek die haar ingevoerd had, en die haar schaamteloos trachtte te
exploiteeren ten eigen bate. Tegen het operettebewind van Vreede, Fynje en van Langen had den
12den Juni een samenloop van de fatsoenlijke lieden plaats, en niets bleek gemakkelijker dan het
bewind omver te loopen zoodra de zekerheid bestond dat Frankrijk het had losgelaten. Maar aan de
constitutie werd niet geraakt; integendeel, mannen van den stempel van een Gogel beginnen thans
eerlijk te beproeven haar van het papier in de werkelijkheid te doen overgaan.
In deze poging wordt men in 1799 verrast door den inval der Engelschen en Russen. Wij hebben
gezien, dat Nederland toen zeer ernstig op het behoud van de grondslagen der omwenteling gesteld
bleek, en Oranje niet terug begeerde dan met behoud daarvan 89).
De praktijk der nieuwe staatsregeling viel overigens lang niet mede. Men had het wetgevend
vermogen der volksvertegenwoordiging ver overschat. De staatsregeling ging van de onderstelling
uit, dat het Bataafsche volk als zoodanig in alles reeds een collectieven wil had: elke nauwere
vereeniging van gelijkgezinden, om voor hun deel dien wil op te voeden en uit te drukken, werd
uitgekreten voor factie. Het natuurlijk gevolg was de onmacht van het vormloos gelaten geheel.
Het Vertegenwoordigend Lichaam verdronk in de duizend kleinigheden, die tot dusver door de
provinciale en locale lichamen waren bedisseld; het bracht den tijd zoek met voorloopige besluiten
over dorpsbelangen, terwijl de gewichtigste organieke wetten, zonder welke geene staatsregeling
iets beduidt, òf in de pen bleven, òf mislukten. Verordeningen kwamen tot stand op de runderpest
en de haringvangst; maar geen eenheid van belastingen, geen eenheid van recht, geen inrichting
der burgerlijke gemeenten, geen systeem van nationale opvoeding. De staatsregeling had bevolen
dat dit alles en nog veel meer gereed moest zijn binnen zeer korten termijn, maar het werktuig van
wetgeving, door die staatsregeling in het leven geroepen, bleek reeds totaal versleten eer het nog
eenig werk van blijvenden aard had tot stand gebracht. In Frankrijk had zich hetzelfde verschijnsel
voorgedaan: er was geen reactie tegen de grondslagen zelve der revolutie, maar een volstrekte
vermoeienis en onvruchtbaarheid der uit de massa voortgekomen vertegenwoordigende lichamen.
In plaats van een oppermachtig „volk”, wenschte men, in het belang van de bevestiging der
Page 65
Revolutie zelve, voortaan een oppermachtig bestuur. Het vestigt zich in den persoon van den
Eersten Consul. Ook Nederland heeft dien koers te volgen. Maar aan wien hier de bestuursmacht
op te dragen? Voor een militaire dictatuur, als in Frankrijk, ontbreekt hier de stof. Napoleon zocht
dus in Nederland aansluiting bij de elementen die, in de vóór-revolutionnaire kaders, ervaring van
de bestuurstaak hebben opgedaan: bij de regenten. Door het herstel der in 1798 tot onherkenbaar
wordens toe verknipte provinciën, door het afschaffen der politieke geloofsbelijdenis die tot dusver
voorwaarde was voor de uitoefening van politieke rechten, wordt het mogelijk een zeker aantal
oude aanzienlijken met de besten van het revolutionnaire personeel in nieuwe bestuurslichamen te
vereenigen. De Revolutie zal zoo worden „genationaliseerd”, een woord dat in de staatkundige
programma's van omstreeks 1800 aanhoudend terugkeert. Eene contra-revolutie wordt niet
bedoeld, maar een maatschappelijke reconstructie. Men wenscht de kringen die door afkomst,
fortuin, kennis, ervaring uitmunten, niet langer van de Revolutie verwijderd te houden. Het herstel
van de provinciën onder de oude namen en met de oude grenzen is in deze kringen inderdaad als
een gewichtige concessie aanvaard. Maar zij keeren niet als souvereine lichamen terug, enkel als
departementen met meer huishoudelijk gezag dan de departementen der constitutie van 1798. Na
eenige aarzeling laten zich de aanzienlijken vinden. Het wordt vrede in Europa, en ieder richt zich
op den nieuwen toestand in. Zoo doet ook het huis van Oranje dat in onderhandeling treedt met
Napoleon over een schadeloosstelling voor het verlies van het Stadhouderschap. Een brief van den
ouden Prins geeft kennis, dat hij niemand weerhouden wil een ambt te aanvaarden onder het
nieuwe bewind. 90)
Toen Napoleon de constitutie van 1801 aan Nederland gaf, rekende hij op een tijd van vrede.
Die vrede kwam ook tot stand, en daarmede de mogelijkheid van opleving der Nederlandsche
welvaart. Maar reeds na een jaar brak de oorlog weer uit. De Keizer verlangde dat wij daaraan
actief deel zouden nemen en op groote schaal ons zouden toebereiden tot het ondersteunen der
beoogde landing in Engeland. Tot die hartelijke medewerking was het Staatsbewind niet bereid.
Het verafschuwde den oorlog evenals het geheele volk, en had het onmogelijke beproefd om
neutraal te mogen blijven. Het worstelde bovendien met groote financieele moeilijkheden. De oude
Republiek (generaliteit, provinciën, Oost- en West-Indische Compagnieën, admiraliteiten) had 760
millioen gulden schuld nagelaten, en sedert 1795 was daar nog 366 millioen nieuwe schuld
bijgemaakt. De begrooting voor 1804 wees 71 millioen aan uitgaven aan tegen minder dan de helft
aan inkomsten. De gewone inkomsten, 33 millioen, voldeden niet meer tot de rentebetaling alleen,
die 34 millioen vorderde 91). Eigenlijk had dus de Staat bankroet moeten gaan zooals Frankrijk
gedaan had, dat zijne schuld had getiërceerd. Maar tegen deze schending der publieke trouw zag
het Hollandsche geweten op; zulk een maatregel was ook nimmer te verwachten van eene
regeering waarop de renteniers zulk een invloed hadden als op die van het Staatsbewind. Wilde
men aan de door Napoleon aanbevolen tiërceering ontkomen, dan was de eenige redding gelegen
in de onverwijlde schepping van een nationaal belastingstelsel, dat de kleinere provinciën aan
belastingen onderwierp van minstens gelijke zwaarte als die Holland sinds lang had gedragen. Al
teerde ons volk op zijn oud vermogen in, vele particulieren waren nog rijk; het gold nu middelen te
vinden om het geld te halen waar het was. Ook tot deze hervorming wist het Staatsbewind,
beheerscht als het was door provinciale en plutocratische invloeden, zich niet te vermannen, en
Napoleon schafte daarom de aanzienlijkenregeering af en beproefde het met een eenhoofdig
bestuur, eerst nog dat van een Nederlander. Hij gaf Schimmelpenninck volstrekte koningsmacht,
onder den bij die macht niet passenden titel van Raadpensionaris.
Eersten Consul. Ook Nederland heeft dien koers te volgen. Maar aan wien hier de bestuursmacht
op te dragen? Voor een militaire dictatuur, als in Frankrijk, ontbreekt hier de stof. Napoleon zocht
dus in Nederland aansluiting bij de elementen die, in de vóór-revolutionnaire kaders, ervaring van
de bestuurstaak hebben opgedaan: bij de regenten. Door het herstel der in 1798 tot onherkenbaar
wordens toe verknipte provinciën, door het afschaffen der politieke geloofsbelijdenis die tot dusver
voorwaarde was voor de uitoefening van politieke rechten, wordt het mogelijk een zeker aantal
oude aanzienlijken met de besten van het revolutionnaire personeel in nieuwe bestuurslichamen te
vereenigen. De Revolutie zal zoo worden „genationaliseerd”, een woord dat in de staatkundige
programma's van omstreeks 1800 aanhoudend terugkeert. Eene contra-revolutie wordt niet
bedoeld, maar een maatschappelijke reconstructie. Men wenscht de kringen die door afkomst,
fortuin, kennis, ervaring uitmunten, niet langer van de Revolutie verwijderd te houden. Het herstel
van de provinciën onder de oude namen en met de oude grenzen is in deze kringen inderdaad als
een gewichtige concessie aanvaard. Maar zij keeren niet als souvereine lichamen terug, enkel als
departementen met meer huishoudelijk gezag dan de departementen der constitutie van 1798. Na
eenige aarzeling laten zich de aanzienlijken vinden. Het wordt vrede in Europa, en ieder richt zich
op den nieuwen toestand in. Zoo doet ook het huis van Oranje dat in onderhandeling treedt met
Napoleon over een schadeloosstelling voor het verlies van het Stadhouderschap. Een brief van den
ouden Prins geeft kennis, dat hij niemand weerhouden wil een ambt te aanvaarden onder het
nieuwe bewind. 90)
Toen Napoleon de constitutie van 1801 aan Nederland gaf, rekende hij op een tijd van vrede.
Die vrede kwam ook tot stand, en daarmede de mogelijkheid van opleving der Nederlandsche
welvaart. Maar reeds na een jaar brak de oorlog weer uit. De Keizer verlangde dat wij daaraan
actief deel zouden nemen en op groote schaal ons zouden toebereiden tot het ondersteunen der
beoogde landing in Engeland. Tot die hartelijke medewerking was het Staatsbewind niet bereid.
Het verafschuwde den oorlog evenals het geheele volk, en had het onmogelijke beproefd om
neutraal te mogen blijven. Het worstelde bovendien met groote financieele moeilijkheden. De oude
Republiek (generaliteit, provinciën, Oost- en West-Indische Compagnieën, admiraliteiten) had 760
millioen gulden schuld nagelaten, en sedert 1795 was daar nog 366 millioen nieuwe schuld
bijgemaakt. De begrooting voor 1804 wees 71 millioen aan uitgaven aan tegen minder dan de helft
aan inkomsten. De gewone inkomsten, 33 millioen, voldeden niet meer tot de rentebetaling alleen,
die 34 millioen vorderde 91). Eigenlijk had dus de Staat bankroet moeten gaan zooals Frankrijk
gedaan had, dat zijne schuld had getiërceerd. Maar tegen deze schending der publieke trouw zag
het Hollandsche geweten op; zulk een maatregel was ook nimmer te verwachten van eene
regeering waarop de renteniers zulk een invloed hadden als op die van het Staatsbewind. Wilde
men aan de door Napoleon aanbevolen tiërceering ontkomen, dan was de eenige redding gelegen
in de onverwijlde schepping van een nationaal belastingstelsel, dat de kleinere provinciën aan
belastingen onderwierp van minstens gelijke zwaarte als die Holland sinds lang had gedragen. Al
teerde ons volk op zijn oud vermogen in, vele particulieren waren nog rijk; het gold nu middelen te
vinden om het geld te halen waar het was. Ook tot deze hervorming wist het Staatsbewind,
beheerscht als het was door provinciale en plutocratische invloeden, zich niet te vermannen, en
Napoleon schafte daarom de aanzienlijkenregeering af en beproefde het met een eenhoofdig
bestuur, eerst nog dat van een Nederlander. Hij gaf Schimmelpenninck volstrekte koningsmacht,
onder den bij die macht niet passenden titel van Raadpensionaris.
Page 66
De stilstand, door de staatsregeling van 1801 in den loop der Revolutie veroorzaakt, komt
daarmede aan een eind. De eenheid van belastingen en de nationale schoolwet worden aanstonds
tot stand gebracht; de eenheid van recht krachtiger voorbereid dan te voren. Maar
Schimmelpenninck kan al dat goeds verrichten alleen omdat en zoolang hij den Keizer behaagt.
Hij is in zijn ambt gesteld opdat er kracht zal worden bijgezet aan de expeditie tegen Engeland. Na
de nederlaag van Trafalgar echter ziet de Keizer in dat hij in geen jaren het Kanaal zal
beheerschen, en verandert van tactiek. Engeland zal worden uitgehongerd, nu het niet kan worden
besprongen. Daartoe is noodig de volstrekte beheersching van het vasteland, opdat alle havens
voor den Engelschen invoer kunnen worden gesloten. Deze verandering van tactiek bracht den
nekslag toe aan wat er nog over was gebleven van de Nederlandsche onafhankelijkheid. Zoolang
het landingsplan bestond, was het in Napoleon's belang dat er een bevriende Bataafsche Republiek
in wezen bleef: geen meester zijnde van het nauw van Calais, kon hij de Nederlandsche havens
niet gebruiken als operatiebasis van zijn eigen oorlogschepen, en moest dus wel genoegen nemen
met een zij het zwakken waarborg, dat onze havens en werven althans niet geheel ongebruikt
zouden worden gelaten. Bij een frontaanval tegen Engeland kon een zelfstandige Bataafsche
Republiek eenige diensten bewijzen; in het uithongeringssysteem was haar zelfstandigheid erger
dan onnut: douaniers kon hij immers naar Nederland zenden zooveel hij wilde. Hij zendt er in
1806 een van keizerlijken bloede: zijn eigen broeder Lodewijk.
Het eigenaardig verschijnsel doet zich voor, dat het Nederlandsche volk de eenhoofdige
regeering van een Fransch prins aanmerkelijk beter verdragen heeft dan die van een Nederlandsch
burger 92). Voor Schimmelpenninck en zijn lijfwacht heeft men slechts spot over; den Bonaparte
komt men buigend tegemoet. Men ziet in hem het eenig overgebleven voorbehoedmiddel tegen
tiërceering en conscriptie. Napoleon zou er in hebben toegestemd dat de Nederlandsche
couponknippers van het eene, de Nederlandsche huismoeders van het andere schrikbeeld bevrijd
bleven, mits er maar een ondoordringbare muur tegen den Engelschen invoer werd opgericht.
Maar hieraan haperde het: „empêchez donc la peau de transpirer”, roept Lodewijk in wanhoop uit
na een der ontelbare keizerlijke verwijten. Hij was geheel ongeschikt voor het ambt dat zijn
broeder hem opgelegd had. Zelf een zwak, door en door welwillend man, had hij behoefte aan
eene stemming van welwillendheid om zich heen; hij wilde niet tegen nationale wenschen en
belangen ingaan. Hij vergat dat hij Koning van Holland was bij de genade van een ander. Na vier
jaar heeft hij afgedaan en neemt de Keizer het besluit, ons direct te regeeren. De tiërceering komt
mee, en ook de conscriptie.
Intusschen was de onder Schimmelpenninck weder opgevatte moderniseering van het
maatschappelijk gebouw onder koning Lodewijk voortgezet. Een nationaal strafwetboek, een
burgerlijk wetboek (adaptatie van den Franschen code civil), een wetboek van koophandel, een
nieuwe rechterlijke organisatie waren gereed gekomen en reeds ingevoerd of stonden op het punt
het te worden. In plaats van de collegiale regeering in departement en gemeente was die van
landdrost en burgemeester getreden, naar het Fransche voorbeeld afgezien. Eene wetgeving was in
voorbereiding die de kerken onder streng opzicht zou gebracht hebben van den Staat. Op al deze
punten beteekende dus de inlijving bij Frankrijk niet de onderwerping aan een geheel vreemd
regime. Nieuw waren de militaire dienstplicht en het scherpe politie- en douanetoezicht; nieuw
was bovenal de ondervinding, dat in den publieken dienst zwaar werk werd verlangd. De gewoonte
van het gemoedelijk „besogneeren” onder een pijp tabak had de collegiën der Republiek overleefd;
thans leerde men het „dienstdoen” van den modernen ambtenaar. De Fransche directeurs en
prefecten houden niet op zich over de laksheid en eigenwijsheid van hun Hollandsche
daarmede aan een eind. De eenheid van belastingen en de nationale schoolwet worden aanstonds
tot stand gebracht; de eenheid van recht krachtiger voorbereid dan te voren. Maar
Schimmelpenninck kan al dat goeds verrichten alleen omdat en zoolang hij den Keizer behaagt.
Hij is in zijn ambt gesteld opdat er kracht zal worden bijgezet aan de expeditie tegen Engeland. Na
de nederlaag van Trafalgar echter ziet de Keizer in dat hij in geen jaren het Kanaal zal
beheerschen, en verandert van tactiek. Engeland zal worden uitgehongerd, nu het niet kan worden
besprongen. Daartoe is noodig de volstrekte beheersching van het vasteland, opdat alle havens
voor den Engelschen invoer kunnen worden gesloten. Deze verandering van tactiek bracht den
nekslag toe aan wat er nog over was gebleven van de Nederlandsche onafhankelijkheid. Zoolang
het landingsplan bestond, was het in Napoleon's belang dat er een bevriende Bataafsche Republiek
in wezen bleef: geen meester zijnde van het nauw van Calais, kon hij de Nederlandsche havens
niet gebruiken als operatiebasis van zijn eigen oorlogschepen, en moest dus wel genoegen nemen
met een zij het zwakken waarborg, dat onze havens en werven althans niet geheel ongebruikt
zouden worden gelaten. Bij een frontaanval tegen Engeland kon een zelfstandige Bataafsche
Republiek eenige diensten bewijzen; in het uithongeringssysteem was haar zelfstandigheid erger
dan onnut: douaniers kon hij immers naar Nederland zenden zooveel hij wilde. Hij zendt er in
1806 een van keizerlijken bloede: zijn eigen broeder Lodewijk.
Het eigenaardig verschijnsel doet zich voor, dat het Nederlandsche volk de eenhoofdige
regeering van een Fransch prins aanmerkelijk beter verdragen heeft dan die van een Nederlandsch
burger 92). Voor Schimmelpenninck en zijn lijfwacht heeft men slechts spot over; den Bonaparte
komt men buigend tegemoet. Men ziet in hem het eenig overgebleven voorbehoedmiddel tegen
tiërceering en conscriptie. Napoleon zou er in hebben toegestemd dat de Nederlandsche
couponknippers van het eene, de Nederlandsche huismoeders van het andere schrikbeeld bevrijd
bleven, mits er maar een ondoordringbare muur tegen den Engelschen invoer werd opgericht.
Maar hieraan haperde het: „empêchez donc la peau de transpirer”, roept Lodewijk in wanhoop uit
na een der ontelbare keizerlijke verwijten. Hij was geheel ongeschikt voor het ambt dat zijn
broeder hem opgelegd had. Zelf een zwak, door en door welwillend man, had hij behoefte aan
eene stemming van welwillendheid om zich heen; hij wilde niet tegen nationale wenschen en
belangen ingaan. Hij vergat dat hij Koning van Holland was bij de genade van een ander. Na vier
jaar heeft hij afgedaan en neemt de Keizer het besluit, ons direct te regeeren. De tiërceering komt
mee, en ook de conscriptie.
Intusschen was de onder Schimmelpenninck weder opgevatte moderniseering van het
maatschappelijk gebouw onder koning Lodewijk voortgezet. Een nationaal strafwetboek, een
burgerlijk wetboek (adaptatie van den Franschen code civil), een wetboek van koophandel, een
nieuwe rechterlijke organisatie waren gereed gekomen en reeds ingevoerd of stonden op het punt
het te worden. In plaats van de collegiale regeering in departement en gemeente was die van
landdrost en burgemeester getreden, naar het Fransche voorbeeld afgezien. Eene wetgeving was in
voorbereiding die de kerken onder streng opzicht zou gebracht hebben van den Staat. Op al deze
punten beteekende dus de inlijving bij Frankrijk niet de onderwerping aan een geheel vreemd
regime. Nieuw waren de militaire dienstplicht en het scherpe politie- en douanetoezicht; nieuw
was bovenal de ondervinding, dat in den publieken dienst zwaar werk werd verlangd. De gewoonte
van het gemoedelijk „besogneeren” onder een pijp tabak had de collegiën der Republiek overleefd;
thans leerde men het „dienstdoen” van den modernen ambtenaar. De Fransche directeurs en
prefecten houden niet op zich over de laksheid en eigenwijsheid van hun Hollandsche
Page 67
ondergeschikten te beklagen; zij prikkelen hen aanhoudend tot meer onafgebroken, sneller en
vooral machinaler werkzaamheid. Onderwijl treedt een belangrijk deel der Hollandsche
jongelingschap in de harde militaire school des Keizers. Voor zoo verweekelijkte naturen, die den
krijgsdienst hadden leeren beschouwen als een werk dat men aan arme drommels van
vreemdelingen overliet, geen slechte school. Niet slechts „het volk” moest er aan gelooven, maar
ook de burgerklasse, die in dezen tijd van toenemende berooidheid geen geld had een remplaçant
te koopen. Slechts de rijken kwamen vrij, en Holland was in last toen, in 1813, ook zij werden
opgeroepen om te dienen als garde d'honneur.
Het was niet zoo erg, dat de Hollanders in dezen tijd wat armer werden. Waar hadden zij hun
rijkdom toe gebruikt? Aan de natie als geheel was die weinig ten goede gekomen. De Staat was
steeds berooid gelaten; in de nijverheid was weinig geld gestoken; ook niet in de koloniën die door
de compagnieën zeer gebrekkig werden ontgonnen en waar het volk in zijn geheel niet de minste
kennis van had en zich niet om bekommerde. Holland was bovenal een geldmarkt geworden voor
vreemde staten, waarvan er thans verscheidene niet betaalden. Ook had het tot 1795 nog een
aanzienlijk aandeel gehad in de Europeesche vrachtvaart, maar die lag nu stil, en Holland verloor
één voor één zijn oude connecties en zou, als de zee weer open kwam, zich opnieuw een positie in
de handelswereld moeten veroveren. Wat er nog omging was dobbelspel aan de beurs en
smokkelarij in het goederenverkeer. De hooge graanprijzen maakten den landbouw tot een
voordeelig bedrijf, maar de groote Hollandsche steden raakten in diep verval. De huizen te
Amsterdam deden in 1813 de helft van den prijs van 1800. Bij honderden werden de huizen daar
afgebroken, 't zij om de belasting te ontgaan, 't zij uit speculatie, om de materialen aan te bieden in
de Belgische departementen waar landbouw en nijverheid bloeiden en naar huizen veel vraag was.
In Leiden, Delft, Haarlem vooral, had hetzelfde plaats. Langs de Vecht werden de buitens gesloopt;
men maakte er weiland van. In 1813 werden te Amsterdam minder dan het derde deel van het getal
luxepaarden gehouden dat voorkwam in 1810 93). De familiën die een etablissement in de stad
hadden gehad en een op het land, hielden slechts één van beide meer aan. Men schafte zijn
bedienden af. Het aantal bedeelden nam toe, terwijl door de tiërceering de middelen der gestichten
sterk waren verminderd. Doch dat de weelde zoo afnam was lang geen onverdeeld kwaad, ook niet
de politieke onteigening die de vroeger heerschende geslachten hadden ondergaan. Men was niet
langer, als men zekeren familienaam droeg, van de geboorte af verzekerd van een fatsoenlijk
bestaan; men verleerde, een eerlijke broodwinning te verachten. De volkseenheid werd bevorderd
door de omstandigheid, dat wat er van den nationalen rijkdom overbleef, meer gelijkmatig over de
provinciën werd verdeeld. Er vloeide geld uit Holland weg dat, tenminste voor een gedeelte, werd
aangelegd in de landprovinciën, die toenamen in welvaart, in bevolking, in bekendheid. De mooie
plekjes in Gelderland kwamen in trek als woonkwartieren.
Nederland deed zijn nieuwe intrede in de rij der natiën als een land dat veel geleden had; dat
sterk verkleind was in naam, in geld, in aanzien. In veel opzichten moest het van voren af aan
beginnen, niet zonder betrekkelijk goede kansen evenwel: het had zijn ligging, zijn bodem, zijn
sober, eerlijk volk; het had naast minder goede, ook eenige voortreffelijke traditiën. En het was
door de Revolutie van veel overtolligs en schadelijks bevrijd: van een onmogelijke
staatsinrichting, die in den harden strijd der moderne concurrentie dien men tegemoet ging,
volstrekt onbruikbaar zou zijn gebleken; die eigenlijk uitgediend had al de geheele achttiende
eeuw door, maar wij zelf hadden er ons niet af weten te helpen. De Revolutie had ons een nieuwe
bewerktuiging gegeven, en wij hadden het geluk dat een Oranjevorst gereed stond om den troon te
beklimmen waar Napoleon van werd afgebonsd.
vooral machinaler werkzaamheid. Onderwijl treedt een belangrijk deel der Hollandsche
jongelingschap in de harde militaire school des Keizers. Voor zoo verweekelijkte naturen, die den
krijgsdienst hadden leeren beschouwen als een werk dat men aan arme drommels van
vreemdelingen overliet, geen slechte school. Niet slechts „het volk” moest er aan gelooven, maar
ook de burgerklasse, die in dezen tijd van toenemende berooidheid geen geld had een remplaçant
te koopen. Slechts de rijken kwamen vrij, en Holland was in last toen, in 1813, ook zij werden
opgeroepen om te dienen als garde d'honneur.
Het was niet zoo erg, dat de Hollanders in dezen tijd wat armer werden. Waar hadden zij hun
rijkdom toe gebruikt? Aan de natie als geheel was die weinig ten goede gekomen. De Staat was
steeds berooid gelaten; in de nijverheid was weinig geld gestoken; ook niet in de koloniën die door
de compagnieën zeer gebrekkig werden ontgonnen en waar het volk in zijn geheel niet de minste
kennis van had en zich niet om bekommerde. Holland was bovenal een geldmarkt geworden voor
vreemde staten, waarvan er thans verscheidene niet betaalden. Ook had het tot 1795 nog een
aanzienlijk aandeel gehad in de Europeesche vrachtvaart, maar die lag nu stil, en Holland verloor
één voor één zijn oude connecties en zou, als de zee weer open kwam, zich opnieuw een positie in
de handelswereld moeten veroveren. Wat er nog omging was dobbelspel aan de beurs en
smokkelarij in het goederenverkeer. De hooge graanprijzen maakten den landbouw tot een
voordeelig bedrijf, maar de groote Hollandsche steden raakten in diep verval. De huizen te
Amsterdam deden in 1813 de helft van den prijs van 1800. Bij honderden werden de huizen daar
afgebroken, 't zij om de belasting te ontgaan, 't zij uit speculatie, om de materialen aan te bieden in
de Belgische departementen waar landbouw en nijverheid bloeiden en naar huizen veel vraag was.
In Leiden, Delft, Haarlem vooral, had hetzelfde plaats. Langs de Vecht werden de buitens gesloopt;
men maakte er weiland van. In 1813 werden te Amsterdam minder dan het derde deel van het getal
luxepaarden gehouden dat voorkwam in 1810 93). De familiën die een etablissement in de stad
hadden gehad en een op het land, hielden slechts één van beide meer aan. Men schafte zijn
bedienden af. Het aantal bedeelden nam toe, terwijl door de tiërceering de middelen der gestichten
sterk waren verminderd. Doch dat de weelde zoo afnam was lang geen onverdeeld kwaad, ook niet
de politieke onteigening die de vroeger heerschende geslachten hadden ondergaan. Men was niet
langer, als men zekeren familienaam droeg, van de geboorte af verzekerd van een fatsoenlijk
bestaan; men verleerde, een eerlijke broodwinning te verachten. De volkseenheid werd bevorderd
door de omstandigheid, dat wat er van den nationalen rijkdom overbleef, meer gelijkmatig over de
provinciën werd verdeeld. Er vloeide geld uit Holland weg dat, tenminste voor een gedeelte, werd
aangelegd in de landprovinciën, die toenamen in welvaart, in bevolking, in bekendheid. De mooie
plekjes in Gelderland kwamen in trek als woonkwartieren.
Nederland deed zijn nieuwe intrede in de rij der natiën als een land dat veel geleden had; dat
sterk verkleind was in naam, in geld, in aanzien. In veel opzichten moest het van voren af aan
beginnen, niet zonder betrekkelijk goede kansen evenwel: het had zijn ligging, zijn bodem, zijn
sober, eerlijk volk; het had naast minder goede, ook eenige voortreffelijke traditiën. En het was
door de Revolutie van veel overtolligs en schadelijks bevrijd: van een onmogelijke
staatsinrichting, die in den harden strijd der moderne concurrentie dien men tegemoet ging,
volstrekt onbruikbaar zou zijn gebleken; die eigenlijk uitgediend had al de geheele achttiende
eeuw door, maar wij zelf hadden er ons niet af weten te helpen. De Revolutie had ons een nieuwe
bewerktuiging gegeven, en wij hadden het geluk dat een Oranjevorst gereed stond om den troon te
beklimmen waar Napoleon van werd afgebonsd.
Page 68
Want hierop komt de zaak neer. Wel mocht Gijsbert Karel in zijn oranje-boven-biljet schrijven:
„de oude tijden komen weerom”, het publiek dacht daarbij aan den koophandel en geenszins aan
den regeeringsvorm. Zelfs Gijsbert Karel wilde niet naar de jaren vóór 1795 terug, maar naar een
verder verleden: hij wilde een toestand scheppen zooals had kunnen ontstaan wanneer in de
zestiende eeuw òf onze wettige vorst hervormd ware geworden òf Prins Willem souverein ware
gemaakt eer hem de kogel trof. Tenminste, hij verbeeldde zich dat. In werkelijkheid heeft, behalve
herinneringen uit het nationaal verleden, vooral de aanblik der Engelsche instellingen zijne pen
bestuurd 94).
Tellegen doet, naar mijn smaak, in een boek dat De Wedergeboorte van Nederland heet, Gijsbert
Karel te summier af. Wij zien hem in 1913 grooter dan men het in 1884 deed. Ruimen wij hem de
plaats in waarop hij naar ons oordeel recht heeft.
Zijn jeugd is door Fruin beschreven in een zeer bekend opstel 95). Door geboorte, opvoeding en
belang tot de Oranjepartij behoorende, zich in den strijd van '87 voor den Prins ijverig te weer
stellende, was Gijsbert Karel door den loop dien de oranje-restauratie nam niettemin diep
teleurgesteld. Hij had een toenadering tusschen Prins en volk gewild, geen overgave van den Prins
aan het behoud. Hij had voorspeld „de naderende volksregeering”, die men niet moet willen
ophouden, maar door hervormingen den weg banen. „In de tegenwoordige tijden”, schrijft hij in
1793 aan van de Spiegel, „kan geen Regeering iets goeds uitwerken, zonder de liefde en het
vertrouwen der ingezetenen”, en hij wist dat de regeering der Republiek dat vertrouwen niet meer
bezat. De gebeurtenis van 1795 heeft hem niet zeer verrast. Hij was geen hoveling; heeft er geen
oogenblik over gedacht, Oranje in de ballingschap te volgen. Aanstonds na de verwijdering uit zijn
ambt begrijpt hij dat hem voortaan geen rol overschiet dan die van „citoyen utile” 96). Anders dan
zijn standgenooten, die pruilend bijeenhokten, voegt hij zich onder de bedrijvige massa. Door den
dood zijner schoonmoeder de beschikking krijgende over een groot vermogen, verhuist hij naar
Amsterdam en wordt simpel koopman; maar niet tot zijn profijt. In 1806 betrekt hij het buitengoed
Adrichem bij Beverwijk en houdt er zich bezig met studie en met de opvoeding van zijn talrijk
kroost. In 1809 verhuist hij, om de kinderen, naar den Haag. Met uitzondering van één enkel
oogenblik, bij zijn Verklaring aan het Staatsbewind, wordt hij in de politieke geschiedenis van het
land in al die jaren niet genoemd. Een onbewogen uiterlijke levensgeschiedenis. Des te
belangrijker is de innerlijke.
De heilstaat zooals hij over ons gebracht was, op de spits van vreemde bajonetten, moest een
trotsch gemoed als het zijne met minachting en afgrijzen vervullen. Dat het oude tot onbruikbaar
wordens toe versleten en dus terecht bezweken was, ontging hem niet, maar de nieuwe bouw had,
om op zijne beurt duurzaam te zijn, een werk moeten wezen van eigen vinding en geen slaafsche
navolging van vreemde modellen. Hoe juist maakt hij de balans van zijn tijd op, als hij, niet blind
voor haar groote deugden, in haar nadeel boekt, dat zij, als maatschappelijk ideaal, den „homme de
bien” verruild heeft voor den „habile homme”; dat zij als regel volgt: „ne parvenir au cœur que par
la voie de l'esprit”; „fonder le bonheur de l'homme sur l'usage de sa seule raison” 97). Het gevolg?
„Mille raisonneurs contre un homme vertueux; chacun veut être un homme universel”.—„Quelle
est la passion qui s'éveillera pour maintenir le gouvernement philosophique, et pour le défendre
contre toutes les passions religieuses qu'il persécute également? Quel parti du peuple, rendu à la
paix et à quelque repos, le soutiendra?... Parmi tous les reproches qu'on peut lui faire, celui du
manque absolu de caractère est le plus fondé”. 98)
„de oude tijden komen weerom”, het publiek dacht daarbij aan den koophandel en geenszins aan
den regeeringsvorm. Zelfs Gijsbert Karel wilde niet naar de jaren vóór 1795 terug, maar naar een
verder verleden: hij wilde een toestand scheppen zooals had kunnen ontstaan wanneer in de
zestiende eeuw òf onze wettige vorst hervormd ware geworden òf Prins Willem souverein ware
gemaakt eer hem de kogel trof. Tenminste, hij verbeeldde zich dat. In werkelijkheid heeft, behalve
herinneringen uit het nationaal verleden, vooral de aanblik der Engelsche instellingen zijne pen
bestuurd 94).
Tellegen doet, naar mijn smaak, in een boek dat De Wedergeboorte van Nederland heet, Gijsbert
Karel te summier af. Wij zien hem in 1913 grooter dan men het in 1884 deed. Ruimen wij hem de
plaats in waarop hij naar ons oordeel recht heeft.
Zijn jeugd is door Fruin beschreven in een zeer bekend opstel 95). Door geboorte, opvoeding en
belang tot de Oranjepartij behoorende, zich in den strijd van '87 voor den Prins ijverig te weer
stellende, was Gijsbert Karel door den loop dien de oranje-restauratie nam niettemin diep
teleurgesteld. Hij had een toenadering tusschen Prins en volk gewild, geen overgave van den Prins
aan het behoud. Hij had voorspeld „de naderende volksregeering”, die men niet moet willen
ophouden, maar door hervormingen den weg banen. „In de tegenwoordige tijden”, schrijft hij in
1793 aan van de Spiegel, „kan geen Regeering iets goeds uitwerken, zonder de liefde en het
vertrouwen der ingezetenen”, en hij wist dat de regeering der Republiek dat vertrouwen niet meer
bezat. De gebeurtenis van 1795 heeft hem niet zeer verrast. Hij was geen hoveling; heeft er geen
oogenblik over gedacht, Oranje in de ballingschap te volgen. Aanstonds na de verwijdering uit zijn
ambt begrijpt hij dat hem voortaan geen rol overschiet dan die van „citoyen utile” 96). Anders dan
zijn standgenooten, die pruilend bijeenhokten, voegt hij zich onder de bedrijvige massa. Door den
dood zijner schoonmoeder de beschikking krijgende over een groot vermogen, verhuist hij naar
Amsterdam en wordt simpel koopman; maar niet tot zijn profijt. In 1806 betrekt hij het buitengoed
Adrichem bij Beverwijk en houdt er zich bezig met studie en met de opvoeding van zijn talrijk
kroost. In 1809 verhuist hij, om de kinderen, naar den Haag. Met uitzondering van één enkel
oogenblik, bij zijn Verklaring aan het Staatsbewind, wordt hij in de politieke geschiedenis van het
land in al die jaren niet genoemd. Een onbewogen uiterlijke levensgeschiedenis. Des te
belangrijker is de innerlijke.
De heilstaat zooals hij over ons gebracht was, op de spits van vreemde bajonetten, moest een
trotsch gemoed als het zijne met minachting en afgrijzen vervullen. Dat het oude tot onbruikbaar
wordens toe versleten en dus terecht bezweken was, ontging hem niet, maar de nieuwe bouw had,
om op zijne beurt duurzaam te zijn, een werk moeten wezen van eigen vinding en geen slaafsche
navolging van vreemde modellen. Hoe juist maakt hij de balans van zijn tijd op, als hij, niet blind
voor haar groote deugden, in haar nadeel boekt, dat zij, als maatschappelijk ideaal, den „homme de
bien” verruild heeft voor den „habile homme”; dat zij als regel volgt: „ne parvenir au cœur que par
la voie de l'esprit”; „fonder le bonheur de l'homme sur l'usage de sa seule raison” 97). Het gevolg?
„Mille raisonneurs contre un homme vertueux; chacun veut être un homme universel”.—„Quelle
est la passion qui s'éveillera pour maintenir le gouvernement philosophique, et pour le défendre
contre toutes les passions religieuses qu'il persécute également? Quel parti du peuple, rendu à la
paix et à quelque repos, le soutiendra?... Parmi tous les reproches qu'on peut lui faire, celui du
manque absolu de caractère est le plus fondé”. 98)
Page 69
Eén doel is hem na 1795 steeds bijgebleven: de natie, door haar weder voedsel te doen zoeken in
het eigen verleden, te redden van den ondergang. Afgesneden van den stam waarop zij was
gegroeid, zou zij verwelkt zijn. Gijsbert Karel, die meer dan één ander onze achttiende eeuw aan
onze negentiende verbindt, is zich, bij alle ontwikkeling van denkbeelden, bij alle aanpassing aan
nieuwe vormen, in wezen verwonderlijk gelijk gebleven.
In 1795 is hij niet zonder hoop, dat, bij de eerste groote overwinning der geallieerden, de
Franschen, als in 1793, ons land weer zullen moeten ruimen. Het oude mag dan niet terugkeeren.
In den zomer van dat jaar stelt hij zijne gedachten op het papier omtrent de veranderingen, die in
zoodanig geval in de Unie behooren te worden aangebracht. De familietrek met de latere Schets is
onmiskenbaar.
Als grootste gebrek, dus ongeveer het stuk, 99) heeft de ondervinding doen kennen de
ontstentenis van een krachtig algemeen bestuur. Dit dient gevestigd in een Stadhouder, die in een
constitutioneele betrekking moet komen tot het geheel der Republiek en niet meer uitsluitend tot
de provinciën afzonderlijk. Onder den Stadhouder zullen ressorteeren de volgende departementen
van algemeen bestuur: financiën, landmacht, marine, koloniën, buitenlandsche zaken. Ten opzichte
van al deze onderwerpen zullen de provinciën afstand doen van de Souvereiniteit, die zij voor
justitie en binnenlandsche zaken onverkort behouden, met dezen verstande evenwel dat een
Hooggerechtshof der Unie wordt ingesteld om overtreding van de wetten en besluiten der
algemeene regeering te straffen. De wetgevende macht zal ten opzichte van al de opgenoemde
zaken die aan de Unie zijn afgestaan, worden uitgeoefend door de vergadering der Staten-
Generaal, waarvan een ambtenaar onder den titel van Raadpensionaris (titel die dus voortaan een
Unie-ambt zal aanduiden) „het beleid” hebben zal. In de Staten-Generaal zal hoofdelijk worden
gestemd zonder ruggespraak met de committenten, die evenwel na een zeker aantal jaren de
beslissing zullen hebben over de al of niet-vernieuwing van het mandaat. De Provinciale Staten
vaardigen ieder een zeker aantal leden af in de verhouding van het aandeel der provincie in de
algemeene lasten. De Generaliteitslanden zullen in de algemeene landsvergadering
vertegenwoordigd zijn.
Over het gewichtig punt van de samenstelling der Provinciale Staten zwijgt het stuk; in zijn
systeem terecht, daar het een memorie over de herziening eener unie tusschen souvereine gewesten
is, en dus de samenstelling der gewestelijke vertegenwoordiging een huishoudelijke zaak blijft.
Doch reeds tijdens de patriotsche troebelen had Gijsbert Karel de vestiging voorgestaan van een
regelmatigen volksinvloed op de samenstelling der gemeentelijke, en daarmede der provinciale
vertegenwoordiging, en uit een ontwerp van 1799–1801 blijkt, dat hij dit denkbeeld thans niet
minder aanhing.
Dit stuk van 1799–1801 100) werd opgezet naar aanleiding van de leiding der Engelschen en
Russen, doch eerst later in definitieven vorm gebracht na kennisneming van het veel beperkter
ontwerp van Uniereform, door van de Spiegel in 1799 te Lingen opgesteld. 101) Het is een
omwerking van het opstel van 1795 in artikelvorm, met bijgevoegde memorie van toelichting. De
Stadhouder heet thans Erfgouverneur, en heeft het karakter van onschendbaarheid. In plaats van
vertegenwoordiging der provinciën naar de bijdragen in de algemeene lasten, komt
vertegenwoordiging naar de volkrijkheid. Een aanhangsel geeft de veranderingen op die de
constitutiën der provinciën noodzakelijk zullen moeten ondergaan. In de Provinciale Staten zal
worden gestemd bij meerderheid; behalve de steden zullen ook de dorpen er vertegenwoordigd
zijn; in alle steden en dorpen waar de bevolking zeker getal te boven gaat, treden kiescollegiën op.
„De kiezers behoeven slegts den Christelijken Godsdienst, zonder verder onderscheid, te belijden”.
het eigen verleden, te redden van den ondergang. Afgesneden van den stam waarop zij was
gegroeid, zou zij verwelkt zijn. Gijsbert Karel, die meer dan één ander onze achttiende eeuw aan
onze negentiende verbindt, is zich, bij alle ontwikkeling van denkbeelden, bij alle aanpassing aan
nieuwe vormen, in wezen verwonderlijk gelijk gebleven.
In 1795 is hij niet zonder hoop, dat, bij de eerste groote overwinning der geallieerden, de
Franschen, als in 1793, ons land weer zullen moeten ruimen. Het oude mag dan niet terugkeeren.
In den zomer van dat jaar stelt hij zijne gedachten op het papier omtrent de veranderingen, die in
zoodanig geval in de Unie behooren te worden aangebracht. De familietrek met de latere Schets is
onmiskenbaar.
Als grootste gebrek, dus ongeveer het stuk, 99) heeft de ondervinding doen kennen de
ontstentenis van een krachtig algemeen bestuur. Dit dient gevestigd in een Stadhouder, die in een
constitutioneele betrekking moet komen tot het geheel der Republiek en niet meer uitsluitend tot
de provinciën afzonderlijk. Onder den Stadhouder zullen ressorteeren de volgende departementen
van algemeen bestuur: financiën, landmacht, marine, koloniën, buitenlandsche zaken. Ten opzichte
van al deze onderwerpen zullen de provinciën afstand doen van de Souvereiniteit, die zij voor
justitie en binnenlandsche zaken onverkort behouden, met dezen verstande evenwel dat een
Hooggerechtshof der Unie wordt ingesteld om overtreding van de wetten en besluiten der
algemeene regeering te straffen. De wetgevende macht zal ten opzichte van al de opgenoemde
zaken die aan de Unie zijn afgestaan, worden uitgeoefend door de vergadering der Staten-
Generaal, waarvan een ambtenaar onder den titel van Raadpensionaris (titel die dus voortaan een
Unie-ambt zal aanduiden) „het beleid” hebben zal. In de Staten-Generaal zal hoofdelijk worden
gestemd zonder ruggespraak met de committenten, die evenwel na een zeker aantal jaren de
beslissing zullen hebben over de al of niet-vernieuwing van het mandaat. De Provinciale Staten
vaardigen ieder een zeker aantal leden af in de verhouding van het aandeel der provincie in de
algemeene lasten. De Generaliteitslanden zullen in de algemeene landsvergadering
vertegenwoordigd zijn.
Over het gewichtig punt van de samenstelling der Provinciale Staten zwijgt het stuk; in zijn
systeem terecht, daar het een memorie over de herziening eener unie tusschen souvereine gewesten
is, en dus de samenstelling der gewestelijke vertegenwoordiging een huishoudelijke zaak blijft.
Doch reeds tijdens de patriotsche troebelen had Gijsbert Karel de vestiging voorgestaan van een
regelmatigen volksinvloed op de samenstelling der gemeentelijke, en daarmede der provinciale
vertegenwoordiging, en uit een ontwerp van 1799–1801 blijkt, dat hij dit denkbeeld thans niet
minder aanhing.
Dit stuk van 1799–1801 100) werd opgezet naar aanleiding van de leiding der Engelschen en
Russen, doch eerst later in definitieven vorm gebracht na kennisneming van het veel beperkter
ontwerp van Uniereform, door van de Spiegel in 1799 te Lingen opgesteld. 101) Het is een
omwerking van het opstel van 1795 in artikelvorm, met bijgevoegde memorie van toelichting. De
Stadhouder heet thans Erfgouverneur, en heeft het karakter van onschendbaarheid. In plaats van
vertegenwoordiging der provinciën naar de bijdragen in de algemeene lasten, komt
vertegenwoordiging naar de volkrijkheid. Een aanhangsel geeft de veranderingen op die de
constitutiën der provinciën noodzakelijk zullen moeten ondergaan. In de Provinciale Staten zal
worden gestemd bij meerderheid; behalve de steden zullen ook de dorpen er vertegenwoordigd
zijn; in alle steden en dorpen waar de bevolking zeker getal te boven gaat, treden kiescollegiën op.
„De kiezers behoeven slegts den Christelijken Godsdienst, zonder verder onderscheid, te belijden”.
Page 70
Op dit stuk volgt 27 Oct. 1801 de Verklaring aan het Staatsbewind, 102) waarbij Gijsbert Karel,
nevens anderen opgeroepen zijn stem uit te brengen over de nieuwe staatsregeling van dat jaar,
„alle constitutiën afkeurt welke niet het Huis van Oranje met de erfelijke waardigheid van Hoofd
van den Staat bekleeden”. Voortaan zal, zegt hij, in het geval eener restauratie geen sprake meer
kunnen zijn „van eene instructie voor den Prins, te geven door de Regenten, maar van eene
Grondwet, met eene gelijk verbindende kragt voor Prins, Regenten en Volk.”
De Verklaring verscheen op een oogenblik, dat op verwezenlijking van Hogendorp's denkbeeld
minder kans was dan ooit. De Bataven kwamen al vaster aan de keten van den Eersten Consul te
liggen, en Oranje zelf keerde zich door den nood gedrongen van Nederland af. De nieuwe
belangen van het huis in Duitschland konden door het optreden van Gijsbert Karel slechts worden
geschaad. De toezending van het stuk werd dan ook alleen door de Prinses met eenige hartelijke
woorden, door den Prins met verlegenheid, en door den Erfprins in het geheel niet beantwoord.
Hogendorp schikte zich in het onvermijdelijke en richtte, met den aanvang van 1802, zijn activiteit
op andere dingen: hij begon zijn kolonisatieonderneming aan de Kaap, die hem, met andere
onderwerpen van kolonialen en staathuishoudkundigen aard, in de eerstvolgende jaren geheel in
beslag nam.
Het begin der regeering van koning Lodewijk opent tevens eene nieuwe levensperiode voor
Gijsbert Karel, die in zijn handelsondernemingen groote verliezen had geleden en zich om
financieele redenen op zijn buitengoed terugtrok, met opgeving van zijn etablissement te
Amsterdam. Het nieuwe regime, aan welks levensvatbaarheid hij in 1795 en nog in 1801 niet had
geloofd, begint zich meer en meer te vestigen. Moet hij er niet zijn plaats in zoeken (zooals al zijn
standgenooten doen), in zijn eigen belang en dat zijner kinderen? De oude Prins was dood; het
gevoel voor den Erfprins nimmer hartelijk geweest. Gijsbert Karel capituleert, dat is te zeggen niet
met der daad, maar in zijne ziel. Hij is te trotsch om zich aan te bieden, en de koning is hem niet
komen zoeken, maar als hij gekomen was, zou Gijsbert Karel zich tot een post van minister of
staatsraad hebben laten vinden, en dat de koning niet kwam werd den dagboekschrijver van
Adrichem tot een niet te verkroppen ergernis 103). Tot hij zich overwon, de wereldsche zaken van
zich zette, zich in den Haag vestigde nadat en omdat koning en regeering die stad verlaten hadden,
en zich nogmaals, als reeds in de jaren vóór 1801, verdiepen ging in de studie der vaderlandsche
historie. Het resultaat dier studie, de Discours sur l'histoire de la Patrie 104), zijn onontbeerlijk
voor de kennis van den gedachtengang die de Schets van 1812 beheerscht, en die geen andere is als
deze: een nieuwe Staat der Nederlanden mag niet de herleving der Republiek zijn, maar moet zijn
normen zoeken in het monarchaal verleden 105). De Republiek wordt als een afwijking beschouwd,
alleen te rechtvaardigen uit de buitengewoonheid der omstandigheden van 1588, die in 1812 lang
hebben opgehouden te bestaan. Dat reeds Maurits niet tot souverein is verheven wordt ernstig
betreurd, en daarbij eene schets gegeven van de Nederlandsche monarchie zooals zij in 1618 en
1619 ware in te richten geweest: de souvereiniteit gevestigd in den Prins van Oranje; een
constitutioneele adel; steden met kiescollegiën die er de regeering stellen; „à tous les bourgeois
aisés le droit de nommer au scrutin ces électeurs...”; „une démocratie tempérée et très limitée à
côté de l' aristocratie, pour empêcher celle-ci de dégénérer comme elle a toujours fait...”; „le
pouvoir monarchique, aristocratique, populaire, sagement combinés...”; het is de Schets zelve van
1812, die hier aan den Maurits van 1619 wordt voorgeschreven. Het slot van het laatste Discours
klinkt als een belofte: „Les Princes d'Orange n'ont jamais voulu forcer la nation à leur conférer la
puissance souveraine, mais ont attendu cet acte de sa gratitude et de sa conviction qu'il y alloit de
son propre intérêt. Toute notre histoire postérieure n'est que le développement de ce principe....”
nevens anderen opgeroepen zijn stem uit te brengen over de nieuwe staatsregeling van dat jaar,
„alle constitutiën afkeurt welke niet het Huis van Oranje met de erfelijke waardigheid van Hoofd
van den Staat bekleeden”. Voortaan zal, zegt hij, in het geval eener restauratie geen sprake meer
kunnen zijn „van eene instructie voor den Prins, te geven door de Regenten, maar van eene
Grondwet, met eene gelijk verbindende kragt voor Prins, Regenten en Volk.”
De Verklaring verscheen op een oogenblik, dat op verwezenlijking van Hogendorp's denkbeeld
minder kans was dan ooit. De Bataven kwamen al vaster aan de keten van den Eersten Consul te
liggen, en Oranje zelf keerde zich door den nood gedrongen van Nederland af. De nieuwe
belangen van het huis in Duitschland konden door het optreden van Gijsbert Karel slechts worden
geschaad. De toezending van het stuk werd dan ook alleen door de Prinses met eenige hartelijke
woorden, door den Prins met verlegenheid, en door den Erfprins in het geheel niet beantwoord.
Hogendorp schikte zich in het onvermijdelijke en richtte, met den aanvang van 1802, zijn activiteit
op andere dingen: hij begon zijn kolonisatieonderneming aan de Kaap, die hem, met andere
onderwerpen van kolonialen en staathuishoudkundigen aard, in de eerstvolgende jaren geheel in
beslag nam.
Het begin der regeering van koning Lodewijk opent tevens eene nieuwe levensperiode voor
Gijsbert Karel, die in zijn handelsondernemingen groote verliezen had geleden en zich om
financieele redenen op zijn buitengoed terugtrok, met opgeving van zijn etablissement te
Amsterdam. Het nieuwe regime, aan welks levensvatbaarheid hij in 1795 en nog in 1801 niet had
geloofd, begint zich meer en meer te vestigen. Moet hij er niet zijn plaats in zoeken (zooals al zijn
standgenooten doen), in zijn eigen belang en dat zijner kinderen? De oude Prins was dood; het
gevoel voor den Erfprins nimmer hartelijk geweest. Gijsbert Karel capituleert, dat is te zeggen niet
met der daad, maar in zijne ziel. Hij is te trotsch om zich aan te bieden, en de koning is hem niet
komen zoeken, maar als hij gekomen was, zou Gijsbert Karel zich tot een post van minister of
staatsraad hebben laten vinden, en dat de koning niet kwam werd den dagboekschrijver van
Adrichem tot een niet te verkroppen ergernis 103). Tot hij zich overwon, de wereldsche zaken van
zich zette, zich in den Haag vestigde nadat en omdat koning en regeering die stad verlaten hadden,
en zich nogmaals, als reeds in de jaren vóór 1801, verdiepen ging in de studie der vaderlandsche
historie. Het resultaat dier studie, de Discours sur l'histoire de la Patrie 104), zijn onontbeerlijk
voor de kennis van den gedachtengang die de Schets van 1812 beheerscht, en die geen andere is als
deze: een nieuwe Staat der Nederlanden mag niet de herleving der Republiek zijn, maar moet zijn
normen zoeken in het monarchaal verleden 105). De Republiek wordt als een afwijking beschouwd,
alleen te rechtvaardigen uit de buitengewoonheid der omstandigheden van 1588, die in 1812 lang
hebben opgehouden te bestaan. Dat reeds Maurits niet tot souverein is verheven wordt ernstig
betreurd, en daarbij eene schets gegeven van de Nederlandsche monarchie zooals zij in 1618 en
1619 ware in te richten geweest: de souvereiniteit gevestigd in den Prins van Oranje; een
constitutioneele adel; steden met kiescollegiën die er de regeering stellen; „à tous les bourgeois
aisés le droit de nommer au scrutin ces électeurs...”; „une démocratie tempérée et très limitée à
côté de l' aristocratie, pour empêcher celle-ci de dégénérer comme elle a toujours fait...”; „le
pouvoir monarchique, aristocratique, populaire, sagement combinés...”; het is de Schets zelve van
1812, die hier aan den Maurits van 1619 wordt voorgeschreven. Het slot van het laatste Discours
klinkt als een belofte: „Les Princes d'Orange n'ont jamais voulu forcer la nation à leur conférer la
puissance souveraine, mais ont attendu cet acte de sa gratitude et de sa conviction qu'il y alloit de
son propre intérêt. Toute notre histoire postérieure n'est que le développement de ce principe....”
Page 71
Er is dus, sedert 1795 en 1799–1801, een heel eind weegs door Gijsbert Karel afgelegd. Nieuw
is in de stukken van 1812 106) de verwerping van den republikeinsch-bondgenootschappelijken
staatsvorm, die in de oudere ontwerpen nog was vastgehouden. „De natie”, schrijft hij in 1817 ter
verklaring, „was door Koning Lodewijk aan een souvereinen Vorst gewend geraakt” 107). De natie
—niet ook Gijsbert Karel zelf? De opteekening zijner zielservaringen van 1806 en 1807 bewijst
zonneklaar, dat ook voor hem de algemeene, gehoorzame erkenning van het monarchaal gezag in
Lodewijk Napoleon een diepe beteekenis heeft gehad. Het koningschap, zij het van een
vreemdeling, heeft voor hem niet meer, als de staatsvormen van 1798 en 1801, het karakter eener
revolutionnaire nachtmerrie. Maar de koning laat hem ter zijde. Deze verwaarloozing, en de
daarop gevolgde inlijving bij Frankrijk, geven hem aan zichzelven terug. Toch niet zonder dat zijn
ziel zich bewust bleef van het, in de stilte van zijn Adrichem, eenmaal genomen besluit. Ook
zelfbespieding kan invloed hebben op de ontwikkeling van staatkundige denkbeelden, en bij
Gijsbert Karel is dit ongetwijfeld het geval geweest. Hij werpt zich andermaal op de vaderlandsche
geschiedenis om er de bevestiging in te lezen van wat hij zelf reeds gevoeld heeft dat worden
moet.
Reeds de eerste redactie van de Schets (1812) heeft het woord „Koning” en volstrekt niet alleen
ter wille van de fictie, dat het een stuk van 1806 zou zijn, geschreven vóór de komst van Lodewijk
Napoleon. Dit bewijst, behalve de uitdrukkelijke verzekering van Hogendorp in zijne
gedenkschriften dat het woord tusschen hem en de bentgenooten bediscussieerd en door hen
eenstemmig goedgekeurd was 108), reeds de omstandigheid dat de term onveranderd is
gehandhaafd geworden in de tweede redactie, die geen gevaar meer liep van inspectie door de
Fransche politie, en aan den Prins bij zijn komst is voorgelegd, wiens eerste aanteekening op den
inhoud zou luiden: „de titel blijft [zooals hij inmiddels aangenomen was] Souverein Vorst der
Vereenigde Nederlanden” 109).
Hogendorp heeft zich hierin één gevoeld met het volk, dat bij instinct en unaniem begrepen
heeft, dat men een Oranje geen lageren titel mocht toeleggen dan men een Bonaparte had laten
voeren. Als in het voorjaar, tijdens de reis van Gevers, het gerucht zich verbreidt van het onderweg
zijn van Willem VII, moet hij het zijn als Koning van Holland; men wil zijn beeldenaar met dat
randschrift op medailles gezien hebben waarvan ieder den mond vol heeft maar die niemand
vertoonen kan, 110) gelijk er dan ook geen enkel exemplaar ooit van is voor den dag gekomen. De
Bijltjes zingen te Amsterdam: „Leve Willem de Eerste onzen Souverein, de Prins moet Koning van
Holland zijn”, en als het Staatkundig Dagblad van de Zuiderzee, waarin, met machtiging van
Kemper en Scholten, die Kattenburger deun is afgedrukt, op het ziekenhuis te Utrecht ontvangen
wordt, gaat, blijkens bericht van den administrateur, onder verpleegden, dokters en assistenten
gelijkelijk de kreet op: „de Prins moet onze Koning zijn” 111).
Het strooibiljet van 17 Nov. heeft evenwel den koningstitel niet: „de Regeering roept den Prins
uit tot Hooge Overheid.” Dit houdt verband met de wijze waarop Gijsbert Karel zich voorstelde
den opstand te moeten leiden. De oud-regenten zouden zich constitueeren tot eene vergadering van
Staten-Generaal, die den Prins zouden inroepen tot hoofd hunner regeering, welke zij onmiddellijk
daarna door toelating van mannen van na '95 zouden versterken. De regeering dezer Staten-
Generaal zou besloten worden met de afkondiging eener inmiddels door eene commissie uit hun
midden met den Prins beraamde grondwet, die aan het land het constitutioneele koningschap zou
schenken.
Als deze toeleg reeds ten tweeden dage van den opstand geheel mislukt, is Gijsbert Karel niet
verlegen. „Le Prince est Souverain”, schrijft hij aan Fagel, „on ne sait pas comment, mais tout le
is in de stukken van 1812 106) de verwerping van den republikeinsch-bondgenootschappelijken
staatsvorm, die in de oudere ontwerpen nog was vastgehouden. „De natie”, schrijft hij in 1817 ter
verklaring, „was door Koning Lodewijk aan een souvereinen Vorst gewend geraakt” 107). De natie
—niet ook Gijsbert Karel zelf? De opteekening zijner zielservaringen van 1806 en 1807 bewijst
zonneklaar, dat ook voor hem de algemeene, gehoorzame erkenning van het monarchaal gezag in
Lodewijk Napoleon een diepe beteekenis heeft gehad. Het koningschap, zij het van een
vreemdeling, heeft voor hem niet meer, als de staatsvormen van 1798 en 1801, het karakter eener
revolutionnaire nachtmerrie. Maar de koning laat hem ter zijde. Deze verwaarloozing, en de
daarop gevolgde inlijving bij Frankrijk, geven hem aan zichzelven terug. Toch niet zonder dat zijn
ziel zich bewust bleef van het, in de stilte van zijn Adrichem, eenmaal genomen besluit. Ook
zelfbespieding kan invloed hebben op de ontwikkeling van staatkundige denkbeelden, en bij
Gijsbert Karel is dit ongetwijfeld het geval geweest. Hij werpt zich andermaal op de vaderlandsche
geschiedenis om er de bevestiging in te lezen van wat hij zelf reeds gevoeld heeft dat worden
moet.
Reeds de eerste redactie van de Schets (1812) heeft het woord „Koning” en volstrekt niet alleen
ter wille van de fictie, dat het een stuk van 1806 zou zijn, geschreven vóór de komst van Lodewijk
Napoleon. Dit bewijst, behalve de uitdrukkelijke verzekering van Hogendorp in zijne
gedenkschriften dat het woord tusschen hem en de bentgenooten bediscussieerd en door hen
eenstemmig goedgekeurd was 108), reeds de omstandigheid dat de term onveranderd is
gehandhaafd geworden in de tweede redactie, die geen gevaar meer liep van inspectie door de
Fransche politie, en aan den Prins bij zijn komst is voorgelegd, wiens eerste aanteekening op den
inhoud zou luiden: „de titel blijft [zooals hij inmiddels aangenomen was] Souverein Vorst der
Vereenigde Nederlanden” 109).
Hogendorp heeft zich hierin één gevoeld met het volk, dat bij instinct en unaniem begrepen
heeft, dat men een Oranje geen lageren titel mocht toeleggen dan men een Bonaparte had laten
voeren. Als in het voorjaar, tijdens de reis van Gevers, het gerucht zich verbreidt van het onderweg
zijn van Willem VII, moet hij het zijn als Koning van Holland; men wil zijn beeldenaar met dat
randschrift op medailles gezien hebben waarvan ieder den mond vol heeft maar die niemand
vertoonen kan, 110) gelijk er dan ook geen enkel exemplaar ooit van is voor den dag gekomen. De
Bijltjes zingen te Amsterdam: „Leve Willem de Eerste onzen Souverein, de Prins moet Koning van
Holland zijn”, en als het Staatkundig Dagblad van de Zuiderzee, waarin, met machtiging van
Kemper en Scholten, die Kattenburger deun is afgedrukt, op het ziekenhuis te Utrecht ontvangen
wordt, gaat, blijkens bericht van den administrateur, onder verpleegden, dokters en assistenten
gelijkelijk de kreet op: „de Prins moet onze Koning zijn” 111).
Het strooibiljet van 17 Nov. heeft evenwel den koningstitel niet: „de Regeering roept den Prins
uit tot Hooge Overheid.” Dit houdt verband met de wijze waarop Gijsbert Karel zich voorstelde
den opstand te moeten leiden. De oud-regenten zouden zich constitueeren tot eene vergadering van
Staten-Generaal, die den Prins zouden inroepen tot hoofd hunner regeering, welke zij onmiddellijk
daarna door toelating van mannen van na '95 zouden versterken. De regeering dezer Staten-
Generaal zou besloten worden met de afkondiging eener inmiddels door eene commissie uit hun
midden met den Prins beraamde grondwet, die aan het land het constitutioneele koningschap zou
schenken.
Als deze toeleg reeds ten tweeden dage van den opstand geheel mislukt, is Gijsbert Karel niet
verlegen. „Le Prince est Souverain”, schrijft hij aan Fagel, „on ne sait pas comment, mais tout le
Page 72
monde le considère comme tel. Nous le proclamerons dans le même jour à la Haye, Amsterdam et
Rotterdam, pourvu qu'il s'explique lui-même” 112).
Aan dit laatste heeft het een oogenblik gehaperd. De proclamatie, waarmede de Prins den 30sten
aan wal stapte, kon even goed als de aanvaarding van het Erfstadhouderschap als van hooger
waardigheid worden uitgelegd. Aan Repelaer had hij vóór zijn inscheping nog gezegd, „dat hij
meende de souvereiniteit die hem aangeboden werd te moeten van de hand wijzen, daar hij slechts
verlangde dezelfde rang en waardigheid die zijn vader had bekleed; te meer daar hij dacht dat de
oude Regeeringsvorm meer dan eenige andere der Natie aangenaam moest zijn” 113). Repelaer
antwoordt „dat het alleen met de waardigheid van Souverein was, dat het volk Zijn Hoogheid aan
het hoofd van het bestuur verlangde geplaatst te zien”. Deze bedenking, vervolgt Repelaer in zijn
aanteekening, „scheen den gewenschten indruk te weeg te brengen”. In den Haag, den 30sten,
bleek daarvan nog niet veel. Falck, die 's Prinsen aankomst bijwoonde, noemt in zijn
gedenkschriften de souvereiniteit een punt, waarover de Prins „geenszins verwacht had, zich zoo
spoedig te zullen moeten uiten. Ook kwam het dien avond tot geen besluit. Den volgenden ochtend
waren de denkbeelden over de helling der gemoederen ruimer en helderder geworden” 114), en dan
geeft de Prins zijn toestemming tot het vertrek aan van der Duyn naar Amsterdam, om daar met
Kemper en Scholten aan de toebereidselen tot de uitroeping de laatste hand te leggen.
Is dit nu 115) de aarzeling geweest van iemand, die niet weet of hij zelve de souvereiniteit wel
begeert? Mij dunkt eerder van iemand, die aarzelt of zij hem werkelijk zoo uit één mond wordt
opgedragen als men hem vertelt. De voorzorg, om Amsterdam te laten voorgaan en zich niet
tevreden te houden met het Leve de Koning-roepen langs den Scheveningschen weg, beduidt nog
geen afkeer van de souvereiniteit! De eerste dépêche van Lord Clancarty 116) spreekt niet van een
Prins die moet worden aangezet; eerder van een Prins die door hem, Clancarty, wordt versterkt in
het voornemen, zich niet uit te laten voor men zekerheid zal hebben althans van de stemming van
het machtig Amsterdam, van patriotsche reputatie.
Er werden, blijkt uit die dépêche, bij 's Prinsen aankomst in den Haag twee meeningen
verkondigd, de eene (door van der Duyn; naar het schijnt mede namens den door podagra aan zijn
stoel geklonken Hogendorp) dat de uitroeping plaats moest hebben op staanden voet, in den Haag,
en tot Koning; de andere dat men Amsterdam moest laten voorgaan, en tot zoolang althans den
koningstitel niet gebruiken. Aan het geschil omtrent den titel maakte de Prins onmiddellijk zelf een
einde, door te beslissen dat hij den koningstitel vooralsnog niet voeren wilde; hij wilde, zeide niet
maar dacht hij, dien pas voeren over het rijk der zeventien Nederlanden, als de bondgenooten
zouden toelaten dat hij zulk een rijk verwierf, en daaromtrent bestond op 30 November 1813 nog
niet de minste zekerheid. Het geschil omtrent de plaats werd, als wij Clancarty gelooven moeten
mede onder zijn, Clancarty's invloed, in dezen zin beslist, dat de eerste uitroeping moest
geschieden te Amsterdam.
Intusschen had de Amsterdamsche bevolking op geen Haagsche besluiten gewacht. Het is zeer
leerzaam de volgorde der gebeurtenissen te Amsterdam eens precies na te gaan, 1o. omdat
daaromtrent, en bij berichtgevers waar men het niet van zou vermoeden, veel onnauwkeurigs is
medegedeeld; maar 2o. en vooral, omdat daaruit zoo overtuigend blijkt dat de uitroeping eene
volksdaad is geweest en geen opgemaakte fraaiigheid van Kemper en Scholten, zooals b.v. in de
bekende Vertraute Briefe van Strick van Linschoten is beweerd, een boek waarvan met de uiterste
omzichtigheid gebruik is te maken, omdat de schrijver, oud-Bataafsch diplomaat van twijfelachtige
reputatie, in 1814 in zijn pogingen om weder bij de Nederlandsche diplomatie te worden geplaatst,
Rotterdam, pourvu qu'il s'explique lui-même” 112).
Aan dit laatste heeft het een oogenblik gehaperd. De proclamatie, waarmede de Prins den 30sten
aan wal stapte, kon even goed als de aanvaarding van het Erfstadhouderschap als van hooger
waardigheid worden uitgelegd. Aan Repelaer had hij vóór zijn inscheping nog gezegd, „dat hij
meende de souvereiniteit die hem aangeboden werd te moeten van de hand wijzen, daar hij slechts
verlangde dezelfde rang en waardigheid die zijn vader had bekleed; te meer daar hij dacht dat de
oude Regeeringsvorm meer dan eenige andere der Natie aangenaam moest zijn” 113). Repelaer
antwoordt „dat het alleen met de waardigheid van Souverein was, dat het volk Zijn Hoogheid aan
het hoofd van het bestuur verlangde geplaatst te zien”. Deze bedenking, vervolgt Repelaer in zijn
aanteekening, „scheen den gewenschten indruk te weeg te brengen”. In den Haag, den 30sten,
bleek daarvan nog niet veel. Falck, die 's Prinsen aankomst bijwoonde, noemt in zijn
gedenkschriften de souvereiniteit een punt, waarover de Prins „geenszins verwacht had, zich zoo
spoedig te zullen moeten uiten. Ook kwam het dien avond tot geen besluit. Den volgenden ochtend
waren de denkbeelden over de helling der gemoederen ruimer en helderder geworden” 114), en dan
geeft de Prins zijn toestemming tot het vertrek aan van der Duyn naar Amsterdam, om daar met
Kemper en Scholten aan de toebereidselen tot de uitroeping de laatste hand te leggen.
Is dit nu 115) de aarzeling geweest van iemand, die niet weet of hij zelve de souvereiniteit wel
begeert? Mij dunkt eerder van iemand, die aarzelt of zij hem werkelijk zoo uit één mond wordt
opgedragen als men hem vertelt. De voorzorg, om Amsterdam te laten voorgaan en zich niet
tevreden te houden met het Leve de Koning-roepen langs den Scheveningschen weg, beduidt nog
geen afkeer van de souvereiniteit! De eerste dépêche van Lord Clancarty 116) spreekt niet van een
Prins die moet worden aangezet; eerder van een Prins die door hem, Clancarty, wordt versterkt in
het voornemen, zich niet uit te laten voor men zekerheid zal hebben althans van de stemming van
het machtig Amsterdam, van patriotsche reputatie.
Er werden, blijkt uit die dépêche, bij 's Prinsen aankomst in den Haag twee meeningen
verkondigd, de eene (door van der Duyn; naar het schijnt mede namens den door podagra aan zijn
stoel geklonken Hogendorp) dat de uitroeping plaats moest hebben op staanden voet, in den Haag,
en tot Koning; de andere dat men Amsterdam moest laten voorgaan, en tot zoolang althans den
koningstitel niet gebruiken. Aan het geschil omtrent den titel maakte de Prins onmiddellijk zelf een
einde, door te beslissen dat hij den koningstitel vooralsnog niet voeren wilde; hij wilde, zeide niet
maar dacht hij, dien pas voeren over het rijk der zeventien Nederlanden, als de bondgenooten
zouden toelaten dat hij zulk een rijk verwierf, en daaromtrent bestond op 30 November 1813 nog
niet de minste zekerheid. Het geschil omtrent de plaats werd, als wij Clancarty gelooven moeten
mede onder zijn, Clancarty's invloed, in dezen zin beslist, dat de eerste uitroeping moest
geschieden te Amsterdam.
Intusschen had de Amsterdamsche bevolking op geen Haagsche besluiten gewacht. Het is zeer
leerzaam de volgorde der gebeurtenissen te Amsterdam eens precies na te gaan, 1o. omdat
daaromtrent, en bij berichtgevers waar men het niet van zou vermoeden, veel onnauwkeurigs is
medegedeeld; maar 2o. en vooral, omdat daaruit zoo overtuigend blijkt dat de uitroeping eene
volksdaad is geweest en geen opgemaakte fraaiigheid van Kemper en Scholten, zooals b.v. in de
bekende Vertraute Briefe van Strick van Linschoten is beweerd, een boek waarvan met de uiterste
omzichtigheid gebruik is te maken, omdat de schrijver, oud-Bataafsch diplomaat van twijfelachtige
reputatie, in 1814 in zijn pogingen om weder bij de Nederlandsche diplomatie te worden geplaatst,
Page 73
teleurgesteld is geworden 117) en zijn boek schrijft met de bepaalde bedoeling aan de Nederlanders
en place, den Koning inbegrepen, zoo onaangenaam mogelijk te zijn.
Strick van Linschoten beschrijft de uitroeping door Kemper en Scholten gedaan, als volgt (wij
nemen hierbij in aanmerking dat Strick den nacht waarvan hij spreekt doorgebracht moet hebben
op zijn bed, dat toen te Mannheim gespreid stond, en dus geen ooggetuige is):
„Da es mitten in der Nacht war, befanden sich auf dem bei Tage sehr volkreichem Damme nicht
mehr als drei Personen, die zufällig noch da vorbeigingen, und diese sonderbare
Souveränenmacherei mit anhörten. Im neuen Rathhause wurde die Feierlichkeit beinahe in einem
noch stärkeren incognito begangen, denn sie hatte daselbst im inneren Hof zur nämlichen
Nachtzeit statt, und das einzige Thor, wodurch dieser mit der Strasse in Verbindung steht, war, wie
gewöhnlich des Nachts, verschlossen. Das war also im eigentlichen Sinne eine Proclamatio
domestica”. 118)
Een ander berichtgever, de met de Russen van Benkendorff in den ochtend van den 1sten
December te Amsterdam aangekomen oud-Pruisische officier von Haxthausen, meldt zich wèl aan
als ooggetuige. In een verslag door hem gesteld voor den Russischen gezant te Berlijn, Alopeus, en
dat zijn weg gevonden heeft naar verschillende Duitsche couranten, wordt gezegd, dat de
uitroeping den 1sten December, 's middags om één uur, onder zijn oogen heeft plaats gehad, „unter
dem unendlichen Jubel des zu vielen Tausenden versammelten frohen jauchzenden Volks”. 119)
En toch hebben de oogen van dezen braven Duitscher mis gezien, en heeft Strick, behalve in de
beteekenis die hij aan zijn mededeeling wil doen hechten, hoogst vermoedelijk gelijk.
De feiten zijn deze. Den 30sten in den namiddag is de Prins voor den wal en Canneman (reeds
van zins dien namiddag naar Amsterdam te vertrekken voor de zaken van zijn departement) zit bij
Hogendorp als deze het bericht ontvangt, en zal nu met diens goedkeuring de onmiddellijke
uitroeping te Amsterdam bewerken. 120) Hij vertrekt zoo spoedig hij kan en komt er om elf uur 's
avonds aan; muziek, flambouwen, Commissarissen-Generaal en stadsregeering heeft hij op den
Dam besteld bij een vooruitgezonden brief: „Neerlands Vorst is aan de wal....; de proclamatie
geschiedt op staanden voet” 121). Op den Dam wordt nu, met groot geschal, 's nachts om twaalf uur
de komst van den Prins bekend gemaakt, en, zooals Commissarissen-Generaal zelf in een extra-
blad, 's ochtends van den 1sten December verschenen, aan het bericht toevoegen, „heeft het volk
terstond, op het hooren van de blijde mare, Z. D. H., als uit ééne stem, Souverein en Vorst der
Vereenigde Nederlanden uitgeroepen”. Ziehier dus de uitvoering van Hogendorp's programma:
„nous le proclamerons dans le même jour à la Haye, Amsterdam et Rotterdam”, voor zoover die
uitroeping van het Amsterdamsche volk afhing.
Intusschen was, naar wij gezien hebben, in den Haag de Prins niet uitgeroepen, of liever, de
uitroeping was er niet op papier gebracht. Toen Canneman vertrok was de Prins amper aan wal;
nadat deze (om vijf uur) bij van Stirum was aangekomen en de eerste begroeting had plaats gehad,
kwam het te Londen bedrukte papier voor den dag waarvan hij het geschreven origineel later op
den avond aan Hogendorp toestak 122): de „vergeten en vergeven”-proclamatie, het stuk à tout
usage, dat het punt der souvereiniteit ontweek.
De man die in den Haag het sein had moeten geven kwam niet van zijn stoel, en de geheele zaak
der uitroeping werd er eene niet van verrassing, maar van beraadslaging. Den uitslag kennen wij:
„den Haag” (zooals burgemeester Slicher het den 3den uit zou drukken) „zou uit kieschheid
volgen, waar het hart had wenschen voor te gaan” 123). Er werd besloten dat de Prins Amsterdam
zou bezoeken en wel eerst den 2den, om een dag te hebben tot behoorlijke voorbereiding.
en place, den Koning inbegrepen, zoo onaangenaam mogelijk te zijn.
Strick van Linschoten beschrijft de uitroeping door Kemper en Scholten gedaan, als volgt (wij
nemen hierbij in aanmerking dat Strick den nacht waarvan hij spreekt doorgebracht moet hebben
op zijn bed, dat toen te Mannheim gespreid stond, en dus geen ooggetuige is):
„Da es mitten in der Nacht war, befanden sich auf dem bei Tage sehr volkreichem Damme nicht
mehr als drei Personen, die zufällig noch da vorbeigingen, und diese sonderbare
Souveränenmacherei mit anhörten. Im neuen Rathhause wurde die Feierlichkeit beinahe in einem
noch stärkeren incognito begangen, denn sie hatte daselbst im inneren Hof zur nämlichen
Nachtzeit statt, und das einzige Thor, wodurch dieser mit der Strasse in Verbindung steht, war, wie
gewöhnlich des Nachts, verschlossen. Das war also im eigentlichen Sinne eine Proclamatio
domestica”. 118)
Een ander berichtgever, de met de Russen van Benkendorff in den ochtend van den 1sten
December te Amsterdam aangekomen oud-Pruisische officier von Haxthausen, meldt zich wèl aan
als ooggetuige. In een verslag door hem gesteld voor den Russischen gezant te Berlijn, Alopeus, en
dat zijn weg gevonden heeft naar verschillende Duitsche couranten, wordt gezegd, dat de
uitroeping den 1sten December, 's middags om één uur, onder zijn oogen heeft plaats gehad, „unter
dem unendlichen Jubel des zu vielen Tausenden versammelten frohen jauchzenden Volks”. 119)
En toch hebben de oogen van dezen braven Duitscher mis gezien, en heeft Strick, behalve in de
beteekenis die hij aan zijn mededeeling wil doen hechten, hoogst vermoedelijk gelijk.
De feiten zijn deze. Den 30sten in den namiddag is de Prins voor den wal en Canneman (reeds
van zins dien namiddag naar Amsterdam te vertrekken voor de zaken van zijn departement) zit bij
Hogendorp als deze het bericht ontvangt, en zal nu met diens goedkeuring de onmiddellijke
uitroeping te Amsterdam bewerken. 120) Hij vertrekt zoo spoedig hij kan en komt er om elf uur 's
avonds aan; muziek, flambouwen, Commissarissen-Generaal en stadsregeering heeft hij op den
Dam besteld bij een vooruitgezonden brief: „Neerlands Vorst is aan de wal....; de proclamatie
geschiedt op staanden voet” 121). Op den Dam wordt nu, met groot geschal, 's nachts om twaalf uur
de komst van den Prins bekend gemaakt, en, zooals Commissarissen-Generaal zelf in een extra-
blad, 's ochtends van den 1sten December verschenen, aan het bericht toevoegen, „heeft het volk
terstond, op het hooren van de blijde mare, Z. D. H., als uit ééne stem, Souverein en Vorst der
Vereenigde Nederlanden uitgeroepen”. Ziehier dus de uitvoering van Hogendorp's programma:
„nous le proclamerons dans le même jour à la Haye, Amsterdam et Rotterdam”, voor zoover die
uitroeping van het Amsterdamsche volk afhing.
Intusschen was, naar wij gezien hebben, in den Haag de Prins niet uitgeroepen, of liever, de
uitroeping was er niet op papier gebracht. Toen Canneman vertrok was de Prins amper aan wal;
nadat deze (om vijf uur) bij van Stirum was aangekomen en de eerste begroeting had plaats gehad,
kwam het te Londen bedrukte papier voor den dag waarvan hij het geschreven origineel later op
den avond aan Hogendorp toestak 122): de „vergeten en vergeven”-proclamatie, het stuk à tout
usage, dat het punt der souvereiniteit ontweek.
De man die in den Haag het sein had moeten geven kwam niet van zijn stoel, en de geheele zaak
der uitroeping werd er eene niet van verrassing, maar van beraadslaging. Den uitslag kennen wij:
„den Haag” (zooals burgemeester Slicher het den 3den uit zou drukken) „zou uit kieschheid
volgen, waar het hart had wenschen voor te gaan” 123). Er werd besloten dat de Prins Amsterdam
zou bezoeken en wel eerst den 2den, om een dag te hebben tot behoorlijke voorbereiding.
Page 74
Tot deze voorbereiding vertrok den 1sten December van der Duyn naar Amsterdam. Doch reeds
eerder was een rol met exemplaren der door den Prins medegebrachte proclamatie naar Amsterdam
gekomen, die daar, zonder begeleidend schrijven, 124) op 1 December, 's ochtends om 8 uur, door
Canneman ontvangen werd. Men had den Prins zelf verwacht, 125) of anders bericht omtrent zijne
komst. „Wij zullen, ook zonder dat ik de intentie kenne”, schrijft hierop Canneman aan Falck, „de
proclamatie doen afkondigen na alvorens Z. H. te hebben doen uitroepen als Vorst. De plechtige
proclamatie wordt met ongeduld verwagt.” Ik meen deze woorden als volgt te moeten verklaren.
Canneman kent het in den Haag blijkbaar reeds vóór 's Prinsen aankomst bestaan hebbend verschil
van gevoelen omtrent de titulatuur; hij zal zich dus bij de voorlezing van 's Prinsen stuk, gelijk hij
het reeds in den afgeloopen nacht bij de vermelding van 's Prinsen komst gedaan heeft, onthouden
van den koningstitel te gebruiken. Verder onderscheidt hij „uitroeping” (bij monde) van „plechtige
proclamatie” (op papier); de laatste had hij uit den Haag verwacht en begrijpt niet waar deze blijft.
De „uitroeping” daarentegen bij volkskreet te doen herhalen is gemakkelijk genoeg, gelijk die dan
ook zonder twijfel weer is opgestegen toen het stuk van den Prins is voorgelezen, om één uur,
natuurlijk weer onder grooten toeloop, op den eivollen Dam: de heele stad, die gemeend had dien
ochtend den Prins reeds te zullen zien, was daarvoor weer op de been gekomen, en op de been
gebleven om naar de zooeven aangekomen Russen van Benkendorff te kijken. Het is deze toeloop
die Haxthausen (eerst sedert 9 uur in de stad en die dus het nachttafereel niet had bijgewoond)
voor de eigenlijke gebeurtenis heeft gehouden.
De uitroeping, nu reeds tweemaal door het volk gedaan uit volle borst, is eerst door
Commissarissen-Generaal in den vorm eener „plechtige proclamatie” gebracht toen zij door van
der Duyn vernamen dat dit in den Haag niet geschied was, en men het van hen verwachtte. Het
was avond; 126) te laat voor het gewone Dagblad-nummer van 2 December. 127) Kemper's
uitnemend stuk verscheen in een op den ochtend van den 2den alom verspreide extra-courant.
Intusschen zal het, zoodra het gereed was, ook wel reeds op den Dam en aan het Stadhuis zijn
afgelezen, en het is best mogelijk dat deze aflezing weinig de aandacht heeft getrokken: alle
attentie was reeds bij den volgenden dag, wanneer, naar men nu door van der Duyn zeker wist, de
Prins zou komen.
Het heele stuk heeft voor de Amsterdammers meer de beteekenis gehad, dat zij, den 2den bij het
ontbijt, er uit vernomen hebben met welken titel de Prins aanstonds moest worden aangesproken,
dan dat zij er de uitroeping tot de souvereiniteit zelve nog uit moesten opmaken. Die uitroeping
was toen reeds anderhalven dag een feit;—en eerst jaren later, toen Amsterdam zich weer in de
oppositie begon te voelen, is wel eens gevraagd, wat Kemper en Scholten zich toch vermeten
hadden, met zoo uit aller naam te spreken.
Voor de eerste en eenige maal in onze geschiedenis was een gewichtige beslissing met
bliksemsnelheid genomen. Twee korte proclamaties, en de souvereiniteit was aangeboden en
aanvaard. Dat kon alleen, omdat beide de aanbieder en de aannemer er door een langzaam maar
diep werkende innerlijke bevinding van jaren op waren voorbereid. Welk een zegen dat
Hogendorp's plan mislukt is en over deze zaak niet eerst gedelibereerd is moeten worden in een
lijzige vergadering van Staten-Generaal, die, zóó samengesteld als Hogendorp ze gewild had, in
1813 niets meer had kunnen zijn dan een schimmenkraam. Was de daad revolutionnair? Ja, ten
volle, wanneer men legitiem zou willen achten wat vóór 1795 had bestaan;—neen, wanneer men
de ontwikkeling sedert 1795 in acht neemt, die zij bekroont en besluit. Was zij nationaal? Weerom
eerder was een rol met exemplaren der door den Prins medegebrachte proclamatie naar Amsterdam
gekomen, die daar, zonder begeleidend schrijven, 124) op 1 December, 's ochtends om 8 uur, door
Canneman ontvangen werd. Men had den Prins zelf verwacht, 125) of anders bericht omtrent zijne
komst. „Wij zullen, ook zonder dat ik de intentie kenne”, schrijft hierop Canneman aan Falck, „de
proclamatie doen afkondigen na alvorens Z. H. te hebben doen uitroepen als Vorst. De plechtige
proclamatie wordt met ongeduld verwagt.” Ik meen deze woorden als volgt te moeten verklaren.
Canneman kent het in den Haag blijkbaar reeds vóór 's Prinsen aankomst bestaan hebbend verschil
van gevoelen omtrent de titulatuur; hij zal zich dus bij de voorlezing van 's Prinsen stuk, gelijk hij
het reeds in den afgeloopen nacht bij de vermelding van 's Prinsen komst gedaan heeft, onthouden
van den koningstitel te gebruiken. Verder onderscheidt hij „uitroeping” (bij monde) van „plechtige
proclamatie” (op papier); de laatste had hij uit den Haag verwacht en begrijpt niet waar deze blijft.
De „uitroeping” daarentegen bij volkskreet te doen herhalen is gemakkelijk genoeg, gelijk die dan
ook zonder twijfel weer is opgestegen toen het stuk van den Prins is voorgelezen, om één uur,
natuurlijk weer onder grooten toeloop, op den eivollen Dam: de heele stad, die gemeend had dien
ochtend den Prins reeds te zullen zien, was daarvoor weer op de been gekomen, en op de been
gebleven om naar de zooeven aangekomen Russen van Benkendorff te kijken. Het is deze toeloop
die Haxthausen (eerst sedert 9 uur in de stad en die dus het nachttafereel niet had bijgewoond)
voor de eigenlijke gebeurtenis heeft gehouden.
De uitroeping, nu reeds tweemaal door het volk gedaan uit volle borst, is eerst door
Commissarissen-Generaal in den vorm eener „plechtige proclamatie” gebracht toen zij door van
der Duyn vernamen dat dit in den Haag niet geschied was, en men het van hen verwachtte. Het
was avond; 126) te laat voor het gewone Dagblad-nummer van 2 December. 127) Kemper's
uitnemend stuk verscheen in een op den ochtend van den 2den alom verspreide extra-courant.
Intusschen zal het, zoodra het gereed was, ook wel reeds op den Dam en aan het Stadhuis zijn
afgelezen, en het is best mogelijk dat deze aflezing weinig de aandacht heeft getrokken: alle
attentie was reeds bij den volgenden dag, wanneer, naar men nu door van der Duyn zeker wist, de
Prins zou komen.
Het heele stuk heeft voor de Amsterdammers meer de beteekenis gehad, dat zij, den 2den bij het
ontbijt, er uit vernomen hebben met welken titel de Prins aanstonds moest worden aangesproken,
dan dat zij er de uitroeping tot de souvereiniteit zelve nog uit moesten opmaken. Die uitroeping
was toen reeds anderhalven dag een feit;—en eerst jaren later, toen Amsterdam zich weer in de
oppositie begon te voelen, is wel eens gevraagd, wat Kemper en Scholten zich toch vermeten
hadden, met zoo uit aller naam te spreken.
Voor de eerste en eenige maal in onze geschiedenis was een gewichtige beslissing met
bliksemsnelheid genomen. Twee korte proclamaties, en de souvereiniteit was aangeboden en
aanvaard. Dat kon alleen, omdat beide de aanbieder en de aannemer er door een langzaam maar
diep werkende innerlijke bevinding van jaren op waren voorbereid. Welk een zegen dat
Hogendorp's plan mislukt is en over deze zaak niet eerst gedelibereerd is moeten worden in een
lijzige vergadering van Staten-Generaal, die, zóó samengesteld als Hogendorp ze gewild had, in
1813 niets meer had kunnen zijn dan een schimmenkraam. Was de daad revolutionnair? Ja, ten
volle, wanneer men legitiem zou willen achten wat vóór 1795 had bestaan;—neen, wanneer men
de ontwikkeling sedert 1795 in acht neemt, die zij bekroont en besluit. Was zij nationaal? Weerom
Page 75
ten volle, en meer zeker dan die van 1572, die, hoeveel libertijnen zich ook aangesloten mogen
hebben, toch merkbaar het werk eener kleine calvinistische minderheid is geweest.
Ik zou de klasse of secte niet kunnen noemen, die zich bij dit heilrijkste werk van 1813, de
uitroeping tot de souvereiniteit, met eenig opzet op den achtergrond zou hebben gehouden.
Individuen hadden het gedaan in de eerste dagen van den opstand, 't zij uit vrees voor, 't zij uit
trouw aan den Keizer. Maar de vrees was afgelegd na Molitor's ontruiming van Utrecht, aan de
komst van den Prins juist voorafgegaan, en die enkelen zooals Gogel en Verhuell waren op weg
naar Parijs, of hadden zich opgesloten in een vesting.
Uit het bovenstaande zal het duidelijk zijn, dat er in Tellegen's beschouwingen, in zijn tweede
hoofdstuk opgenomen, vrijwat is dat mij voorkomt buiten de kern der zaak om te gaan.
Ten onrechte, naar ik meen, neemt hij bij de Hollanders van 1813 een streven aan om door de
oprichting eener monarchie Europa te believen. De contra-revolutionnaire meening in Europa, die
in 1813 niet ontbrak, maar volstrekt niet alleen aan het woord was (zie Duitschland), zou zich aan
de restauratie ten onzent van bondgenootschappelijk vereenigde provinciën met een stadhouder
evenmin gestooten hebben als zij het gedaan heeft aan het herstel der souvereine kantons in
Zwitserland of der vrije steden in Duitschland. Het stuk van Niebuhr is dunkt mij in dit opzicht
leerzaam genoeg.
Wat Tellegen de onbepaaldheid der opdracht noemt is geen fout geweest maar een deugd. De
Vorst werd door die onbepaaldheid evenmin een Keizer aller Russen als het Algemeen Bestuur dat
geworden was door zijn eigenmachtig optreden van 21 November. De werkelijke macht van een
Keizer aller Russen verkrijgt men alleen in Rusland krachtens een Russische geschiedenis van
eeuwen, niet te Amsterdam door het bedrukken van een stukje papier. „Absolute” vorsten plegen
zich ook niet bij de aanvaarding der souvereiniteit bij hun publiek half te verontschuldigen, zooals
de Prins het in het stuk van 2 December doet; plegen niet van bedenkingen te spreken, die zij aan
de wenschen der ingezetenen ten offer brengen. Bepaling had alleen kunnen voortkomen uit
deliberatie, en deze was op dit oogenblik onnut en gevaarlijk. Het ieder uur, iedere minuut
noodige: de zorg voor de verdere bevrijding van het land, mocht voor niets anders dan voor een
snelle beslissing omtrent de hoofdvraag van al, de souvereiniteit, een oogenblik worden
opgehouden.
Het constitutioneele koningschap is in de beide proclamatiën geen bijlapsel, waarin men in 's
hemelsnaam om consideratiën maar berust: het is haar inhoud zelf, en het „zoo diep kon men niet
gedaald zijn” had dus ongeschreven kunnen blijven. De publicatie van 6 December reeds kondigt
de aanbieding eener grondwet aan „binnen weinige weken”.
Het bondsstaatsgevaar, dat Tellegen na 2 December aanwezig acht, verrijst enkel uit de
omstandigheid, dat hij een beperkt aantal officieele papieren als geschiedbron gebruikt en uit hun
tekst gaat voortredeneeren, eer hij goed in de werkelijkheid is doorgedrongen die er achter ligt. Dat
gevaar moet, in Tellegen's voorstelling, dan toch zeker van de heeren in den Haag komen, die hij
tegenover Kemper stelt. En wat doet nu juist op 2 December het Algemeen Bestuur? De na
Molitor's aftocht ten ontijde herleefde „provincie” Utrecht om hals brengen en haar Statencollege
casseeren: tot de invoering der grondwet mag het oud-Utrechtsche gebied enkel zijn wat het sedert
1810 geweest is: een tweetal arrondissementen van het departement der Zuiderzee 128).
hebben, toch merkbaar het werk eener kleine calvinistische minderheid is geweest.
Ik zou de klasse of secte niet kunnen noemen, die zich bij dit heilrijkste werk van 1813, de
uitroeping tot de souvereiniteit, met eenig opzet op den achtergrond zou hebben gehouden.
Individuen hadden het gedaan in de eerste dagen van den opstand, 't zij uit vrees voor, 't zij uit
trouw aan den Keizer. Maar de vrees was afgelegd na Molitor's ontruiming van Utrecht, aan de
komst van den Prins juist voorafgegaan, en die enkelen zooals Gogel en Verhuell waren op weg
naar Parijs, of hadden zich opgesloten in een vesting.
Uit het bovenstaande zal het duidelijk zijn, dat er in Tellegen's beschouwingen, in zijn tweede
hoofdstuk opgenomen, vrijwat is dat mij voorkomt buiten de kern der zaak om te gaan.
Ten onrechte, naar ik meen, neemt hij bij de Hollanders van 1813 een streven aan om door de
oprichting eener monarchie Europa te believen. De contra-revolutionnaire meening in Europa, die
in 1813 niet ontbrak, maar volstrekt niet alleen aan het woord was (zie Duitschland), zou zich aan
de restauratie ten onzent van bondgenootschappelijk vereenigde provinciën met een stadhouder
evenmin gestooten hebben als zij het gedaan heeft aan het herstel der souvereine kantons in
Zwitserland of der vrije steden in Duitschland. Het stuk van Niebuhr is dunkt mij in dit opzicht
leerzaam genoeg.
Wat Tellegen de onbepaaldheid der opdracht noemt is geen fout geweest maar een deugd. De
Vorst werd door die onbepaaldheid evenmin een Keizer aller Russen als het Algemeen Bestuur dat
geworden was door zijn eigenmachtig optreden van 21 November. De werkelijke macht van een
Keizer aller Russen verkrijgt men alleen in Rusland krachtens een Russische geschiedenis van
eeuwen, niet te Amsterdam door het bedrukken van een stukje papier. „Absolute” vorsten plegen
zich ook niet bij de aanvaarding der souvereiniteit bij hun publiek half te verontschuldigen, zooals
de Prins het in het stuk van 2 December doet; plegen niet van bedenkingen te spreken, die zij aan
de wenschen der ingezetenen ten offer brengen. Bepaling had alleen kunnen voortkomen uit
deliberatie, en deze was op dit oogenblik onnut en gevaarlijk. Het ieder uur, iedere minuut
noodige: de zorg voor de verdere bevrijding van het land, mocht voor niets anders dan voor een
snelle beslissing omtrent de hoofdvraag van al, de souvereiniteit, een oogenblik worden
opgehouden.
Het constitutioneele koningschap is in de beide proclamatiën geen bijlapsel, waarin men in 's
hemelsnaam om consideratiën maar berust: het is haar inhoud zelf, en het „zoo diep kon men niet
gedaald zijn” had dus ongeschreven kunnen blijven. De publicatie van 6 December reeds kondigt
de aanbieding eener grondwet aan „binnen weinige weken”.
Het bondsstaatsgevaar, dat Tellegen na 2 December aanwezig acht, verrijst enkel uit de
omstandigheid, dat hij een beperkt aantal officieele papieren als geschiedbron gebruikt en uit hun
tekst gaat voortredeneeren, eer hij goed in de werkelijkheid is doorgedrongen die er achter ligt. Dat
gevaar moet, in Tellegen's voorstelling, dan toch zeker van de heeren in den Haag komen, die hij
tegenover Kemper stelt. En wat doet nu juist op 2 December het Algemeen Bestuur? De na
Molitor's aftocht ten ontijde herleefde „provincie” Utrecht om hals brengen en haar Statencollege
casseeren: tot de invoering der grondwet mag het oud-Utrechtsche gebied enkel zijn wat het sedert
1810 geweest is: een tweetal arrondissementen van het departement der Zuiderzee 128).
Page 76
Gevaar had er gelegen in Hogendorp's opzet; het lag niet langer in wat er van kwam. De oude
Staten-Generaal waren morsdood gebleken; de bestaande bestuursinrichting daarentegen
springlevend. Zij had overal den schok doorstaan. Er waren eenige Fransche ambtenaren
weggeloopen en door Hollanders vervangen, maar de geheele toestel stond 2 December precies
even goed overeind als 15 November. Voor „Keizer” las men eerst „Algemeen Bestuur”,
vervolgens „Souvereine Vorst”, voor minister „commissaris-generaal”, voor prefect eveneens
„commissaris-generaal”, voor onderprefect „commissaris”, voor maire „president der
provisioneele regeering”; voor Empire français „Vereenigde Nederlanden”.
De publicatie van 6 December is niet door Hogendorp gesteld maar door Falck, en doet niets
dan den naam van den Staat overnemen zooals hij sedert 21 November in dagelijksch gebruik is.
Na het nachttafereel van 30 November te Amsterdam maken Kemper en Scholten zelf bekend, dat
het volk den Prins heeft uitgeroepen tot „Souverein en Vorst der Vereenigde Nederlanden”, en zij
hebben voorzeker geen bondsstaat gewild. Dat Kemper in zijn stuk van 1 December „Nederland”
schrijft is niettemin opmerkelijk: hij geeft aan de nieuwe zaak een nieuwen naam, terwijl de
algemeenheid de overbrenging van den historischen naam op de nieuwe zaak verkiest. Dit is het
verschil, en ik cijfer het belang daarvan niet weg. Maar het gebruik van den term „Nederlanden”
sluit volstrekt niet in dat men een bondsstaat bedoelt; evenmin als de term „Staten-Generaal” in
Hogendorp's Schets een congres van gezanten van souvereine lichamen aanduidt, zooals voor 1795
had bestaan: „de Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele Nederlandsche Volk” 129).
80) Br. en Ged. III, 87.
81) Gedenkstukken VI, 1949 (hetzelfde als aan Jacobi).
82) Van der Palm, Gedenkschrift 81.
83) Besluit van 14 Jan. 1814 (Staatsblad, no. 9, art. 1 en 10).
84) Bijdr. en Meded. Hist. Genootschap, XXXI, 111.
85) Pieter de la Court heeft in allen ernst voorgesteld er een eiland van te maken:
Maximen van Holland, 362.
86) Gedenkstukken, I, 23, 28.
87) Gedenkstukken, II, 949.
88) Tenzij dan, voor een korten tijd, van de regeering door ministers (staatsregeling van
1801).
89) Zooals een tot den Haag doorgedrongen spion in Engelschen dienst (geboren
Franschman) het zeer juist uitdrukt: „L'on désire que le rétablissement de la maison d'Orange ne se
fasse qu'à des conditions qui préviennent une réaction politique” (Gedenkstukken III, 419).
90) Hiervóór, bl. 21.
91) Gedenkstukken IV, 473–'74.
92) In 1801, toen te Parijs reeds een oogenblik over Schimmelpenninck werd gedacht,
had de gezant Sémonville, een fijn waarnemer van ons volkskarakter, iets dergelijks al voorspeld.
Staten-Generaal waren morsdood gebleken; de bestaande bestuursinrichting daarentegen
springlevend. Zij had overal den schok doorstaan. Er waren eenige Fransche ambtenaren
weggeloopen en door Hollanders vervangen, maar de geheele toestel stond 2 December precies
even goed overeind als 15 November. Voor „Keizer” las men eerst „Algemeen Bestuur”,
vervolgens „Souvereine Vorst”, voor minister „commissaris-generaal”, voor prefect eveneens
„commissaris-generaal”, voor onderprefect „commissaris”, voor maire „president der
provisioneele regeering”; voor Empire français „Vereenigde Nederlanden”.
De publicatie van 6 December is niet door Hogendorp gesteld maar door Falck, en doet niets
dan den naam van den Staat overnemen zooals hij sedert 21 November in dagelijksch gebruik is.
Na het nachttafereel van 30 November te Amsterdam maken Kemper en Scholten zelf bekend, dat
het volk den Prins heeft uitgeroepen tot „Souverein en Vorst der Vereenigde Nederlanden”, en zij
hebben voorzeker geen bondsstaat gewild. Dat Kemper in zijn stuk van 1 December „Nederland”
schrijft is niettemin opmerkelijk: hij geeft aan de nieuwe zaak een nieuwen naam, terwijl de
algemeenheid de overbrenging van den historischen naam op de nieuwe zaak verkiest. Dit is het
verschil, en ik cijfer het belang daarvan niet weg. Maar het gebruik van den term „Nederlanden”
sluit volstrekt niet in dat men een bondsstaat bedoelt; evenmin als de term „Staten-Generaal” in
Hogendorp's Schets een congres van gezanten van souvereine lichamen aanduidt, zooals voor 1795
had bestaan: „de Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele Nederlandsche Volk” 129).
80) Br. en Ged. III, 87.
81) Gedenkstukken VI, 1949 (hetzelfde als aan Jacobi).
82) Van der Palm, Gedenkschrift 81.
83) Besluit van 14 Jan. 1814 (Staatsblad, no. 9, art. 1 en 10).
84) Bijdr. en Meded. Hist. Genootschap, XXXI, 111.
85) Pieter de la Court heeft in allen ernst voorgesteld er een eiland van te maken:
Maximen van Holland, 362.
86) Gedenkstukken, I, 23, 28.
87) Gedenkstukken, II, 949.
88) Tenzij dan, voor een korten tijd, van de regeering door ministers (staatsregeling van
1801).
89) Zooals een tot den Haag doorgedrongen spion in Engelschen dienst (geboren
Franschman) het zeer juist uitdrukt: „L'on désire que le rétablissement de la maison d'Orange ne se
fasse qu'à des conditions qui préviennent une réaction politique” (Gedenkstukken III, 419).
90) Hiervóór, bl. 21.
91) Gedenkstukken IV, 473–'74.
92) In 1801, toen te Parijs reeds een oogenblik over Schimmelpenninck werd gedacht,
had de gezant Sémonville, een fijn waarnemer van ons volkskarakter, iets dergelijks al voorspeld.
Page 77
Er is geen man in het land, schrijft hij aan Talleyrand, dien de Bataven gaarne met een eminenten
titel aan hun hoofd zullen zien; dan nog liever een stadhouder terug. „Une famille princière
froisserait moins l'amour-propre. Le peuple s'acharnerait à renverser celui que la veille il aurait vu
son égal. Ce sera beaucoup faire que de donner deux années d'existence à votre président”
(Gedenkstukken III, 183).
93) Falck's Gedenkschriften, bl. 336.
94) Ontstaan I, 57.
95) Verspr. Geschr. V, 239 vv.
96) Br. en Ged. III, 87.
97) Br. en Ged. III, 159–160.
98) Br. en Ged. III, 167 (ik cursiveer).
99) Br. en Ged. III, 87.
100) Br. en Ged. III, 171.—Over de dateering zie Ontstaan I bl. XXV.
101) Hiervóór, bl. 18 noot.
102) Br. en Ged. III, 196.
103) Zie de extracten uit het dagboek in Gids 1907, I, 305.
104) Br. en Ged. III, 317.
105) „De Republiek is een groote nieuwigheid geweest” (Ontstaan I, 58).—De oude
voet, zegt Hogendorp in de commissie, is de voet vóór 1572. (Ontstaan I, 80, 82).
106) Schets en Discours.
107) Br. en Ged. V, 85.
108) Br. en Ged. V, 83.
109) Ontstaan I, 32.
110) Ged. VI, 336, 506, 621.
111) Ged. VI, inl. 3e stuk, bl. CLXXI.
112) Ontstaan I, 17.
113) Ontstaan I, 19 (ik cursiveer).
114) Falck's Gedenkschriften, 115.
115) Zooals Blok het heeft opgevat (Fruin's Bijdragen, 2e reeks, X, 100 vv.).
116) Ontstaan I, 23.
117) Falck's Gedenkschriften, 131.
118) Vertraute Briefe I, 127.
119) Gedenkstukken VI, 1993; vgl. aldaar, CCXXVI.
titel aan hun hoofd zullen zien; dan nog liever een stadhouder terug. „Une famille princière
froisserait moins l'amour-propre. Le peuple s'acharnerait à renverser celui que la veille il aurait vu
son égal. Ce sera beaucoup faire que de donner deux années d'existence à votre président”
(Gedenkstukken III, 183).
93) Falck's Gedenkschriften, bl. 336.
94) Ontstaan I, 57.
95) Verspr. Geschr. V, 239 vv.
96) Br. en Ged. III, 87.
97) Br. en Ged. III, 159–160.
98) Br. en Ged. III, 167 (ik cursiveer).
99) Br. en Ged. III, 87.
100) Br. en Ged. III, 171.—Over de dateering zie Ontstaan I bl. XXV.
101) Hiervóór, bl. 18 noot.
102) Br. en Ged. III, 196.
103) Zie de extracten uit het dagboek in Gids 1907, I, 305.
104) Br. en Ged. III, 317.
105) „De Republiek is een groote nieuwigheid geweest” (Ontstaan I, 58).—De oude
voet, zegt Hogendorp in de commissie, is de voet vóór 1572. (Ontstaan I, 80, 82).
106) Schets en Discours.
107) Br. en Ged. V, 85.
108) Br. en Ged. V, 83.
109) Ontstaan I, 32.
110) Ged. VI, 336, 506, 621.
111) Ged. VI, inl. 3e stuk, bl. CLXXI.
112) Ontstaan I, 17.
113) Ontstaan I, 19 (ik cursiveer).
114) Falck's Gedenkschriften, 115.
115) Zooals Blok het heeft opgevat (Fruin's Bijdragen, 2e reeks, X, 100 vv.).
116) Ontstaan I, 23.
117) Falck's Gedenkschriften, 131.
118) Vertraute Briefe I, 127.
119) Gedenkstukken VI, 1993; vgl. aldaar, CCXXVI.
Page 78
120) Br. en Ged. V, 39.
121) Br. en Ged. IV, 372.
122) Br. en Ged. V, 39.
123) Ontstaan I, 28.
124) Slechts met een doorgesleten envelop, waaruit Falck's geleibriefje was
weggegleden (Ged. VI, 1779; vgl. Falck's Brieven, 2e druk, bl. 196).
125) Vgl. Canneman in zijn op 30 Nov. vooruitgezonden briefje: „De Prins komt
morgen zelf te Amsterdam” (Br. en Ged. IV, 372).
126) Ged. VI, 1780; vgl. Bosscha II, 22.
127) Het Staatkundig Dagblad kwam uit in den namiddag vóór den dag welks datum
het nummer aan het hoofd draagt.
128) Ged. VI, inl. 3e stuk, XCVII; vgl. Falck's Brieven, 201.
129) Ontstaan I, 5 (art. 21 der Schets).
121) Br. en Ged. IV, 372.
122) Br. en Ged. V, 39.
123) Ontstaan I, 28.
124) Slechts met een doorgesleten envelop, waaruit Falck's geleibriefje was
weggegleden (Ged. VI, 1779; vgl. Falck's Brieven, 2e druk, bl. 196).
125) Vgl. Canneman in zijn op 30 Nov. vooruitgezonden briefje: „De Prins komt
morgen zelf te Amsterdam” (Br. en Ged. IV, 372).
126) Ged. VI, 1780; vgl. Bosscha II, 22.
127) Het Staatkundig Dagblad kwam uit in den namiddag vóór den dag welks datum
het nummer aan het hoofd draagt.
128) Ged. VI, inl. 3e stuk, XCVII; vgl. Falck's Brieven, 201.
129) Ontstaan I, 5 (art. 21 der Schets).
Page 79
III.
DE SAMENSTELLING DER GRONDWET.
21 Dec. 1813. Benoeming der commissie tot het ontwerpen der grondwet.
27 „ „ Eerste bijeenkomst der commissie.
14 Febr. 1814. Benoeming der commissie ter verkiezing der notabelen.
1 Maart „ Ontwerp der grondwet vastgesteld, en
2 „ „ aangeboden aan den souvereinen vorst.
2 „ „ Publicatie van den souvereinen vorst over de notabelen.
28 „ „ Samenkomst der notabelen.
29 „ „ Aanneming der grondwet door de notabelen.
30 „ „ Beëediging der grondwet door—en inhuldiging van den souvereinen vorst.
Twee dingen stonden vast bij den dageraad onzer
onafhankelijkheid: de Prins zoude souverein zijn, en hij zoude zijne
onderdanen volgens eene grondwet regeeren. Hogendorps schets
eener grondwet voor de Vereenigde Nederlanden lag gereed. Zij
droeg volgens den souvereinen vorst de blijken van 's mans
„loffelijken ijver en liberale denkwijze” 130). Waarom dan niet de
knoop doorgehakt en haar dadelijk, hetzij gewijzigd, hetzij
ongewijzigd, vastgesteld en afgekondigd? Waarom dan niet gedaan
wat Lodewijk XVIII kort daarna in Frankrijk deed, die zijne
onderdanen met de charte begiftigde en uit goedertierenheid aan zijn
onbeperkte macht grenzen stelde? Wat echter Lodewijk XVIII, om
het modewoord dier dagen te gebruiken, van zijn legitiem standpunt
kon doen, was daarom nog niet mogelijk voor den souvereinen vorst.
Wanneer deze zich op het beginsel der legitimiteit zoude beroepen,
zoude hij het daarmede nooit verder hebben kunnen brengen dan tot
zijne optreding als erfstadhouder, als Willem VI. Dat hij als
souvereine vorst, als Willem I optrad, was geene voortzetting van den
DE SAMENSTELLING DER GRONDWET.
21 Dec. 1813. Benoeming der commissie tot het ontwerpen der grondwet.
27 „ „ Eerste bijeenkomst der commissie.
14 Febr. 1814. Benoeming der commissie ter verkiezing der notabelen.
1 Maart „ Ontwerp der grondwet vastgesteld, en
2 „ „ aangeboden aan den souvereinen vorst.
2 „ „ Publicatie van den souvereinen vorst over de notabelen.
28 „ „ Samenkomst der notabelen.
29 „ „ Aanneming der grondwet door de notabelen.
30 „ „ Beëediging der grondwet door—en inhuldiging van den souvereinen vorst.
Twee dingen stonden vast bij den dageraad onzer
onafhankelijkheid: de Prins zoude souverein zijn, en hij zoude zijne
onderdanen volgens eene grondwet regeeren. Hogendorps schets
eener grondwet voor de Vereenigde Nederlanden lag gereed. Zij
droeg volgens den souvereinen vorst de blijken van 's mans
„loffelijken ijver en liberale denkwijze” 130). Waarom dan niet de
knoop doorgehakt en haar dadelijk, hetzij gewijzigd, hetzij
ongewijzigd, vastgesteld en afgekondigd? Waarom dan niet gedaan
wat Lodewijk XVIII kort daarna in Frankrijk deed, die zijne
onderdanen met de charte begiftigde en uit goedertierenheid aan zijn
onbeperkte macht grenzen stelde? Wat echter Lodewijk XVIII, om
het modewoord dier dagen te gebruiken, van zijn legitiem standpunt
kon doen, was daarom nog niet mogelijk voor den souvereinen vorst.
Wanneer deze zich op het beginsel der legitimiteit zoude beroepen,
zoude hij het daarmede nooit verder hebben kunnen brengen dan tot
zijne optreding als erfstadhouder, als Willem VI. Dat hij als
souvereine vorst, als Willem I optrad, was geene voortzetting van den
Page 80
ouden rechtstoestand, was de aanvang eener nieuwe orde van zaken.
Was men nu al om den nood van het oogenblik over de onwettige, of
wil men liever onregelmatige wijze, waarop de souvereiniteit was
opgedragen, heengestapt, toch was ieder het eens 131), dat er nog iets
anders noodig was om het feit wettig te doen worden. Welke weg was
daarvoor in te slaan, wilde men in lateren tijd het goed recht van den
regeeringsvorm en van den hoeksteen daarvan: de souvereiniteit van
den prins, tegen alle aanvallen verdedigen?
Op het standpunt der legitimiteit had men wellicht, hetgeen ook
nog in sommige hoofden spookte, oud-regenten, voor zoover zij nog
in leven waren, kunnen oproepen en van hen de vaststelling eener
grondwet vragen. Doch dit denkbeeld werd niet gevolgd. Hogendorp
zelf had reeds in de Novemberdagen het meer dan eens uitgesproken,
dat ook notabele ingezetenen, die geen oud-regenten waren, tot het
groote werk moesten medewerken 132). Ook hij begreep, en met hem
de souvereine vorst, dat de stem der natie moest gehoord worden, en
alleen daardoor een vaste grond voor de constitutie kon worden
gelegd.
Reeds den 21sten December 1813, en dus drie weken na zijne
komst hier te lande, benoemde de souvereine vorst eene commissie,
waaraan de samenstelling van eene ontwerp-constitutie werd
opgedragen, terwijl tegelijk bepaald werd, dat het door die commissie
gemaakte ontwerp aan de beoordeeling van notabelen uit de geheele
natie zoude worden onderworpen om door hen als algemeene
staatswet aangenomen te worden.
Die commissie bestond, behalve uit haren secretaris Mr. R.
Metelerkamp, oorspronkelijk uit 14 leden, uit al de departementen
genomen, doch zij werd den 29sten December 1814 nog met éen lid
aangevuld 133). Wanneer, zoo als waarschijnlijk is, Hogendorp een
overwegende invloed op de keuze van de leden dier commissie heeft
uitgeoefend, dan moet men wel de vraag doen, of het hem wel ernst
Was men nu al om den nood van het oogenblik over de onwettige, of
wil men liever onregelmatige wijze, waarop de souvereiniteit was
opgedragen, heengestapt, toch was ieder het eens 131), dat er nog iets
anders noodig was om het feit wettig te doen worden. Welke weg was
daarvoor in te slaan, wilde men in lateren tijd het goed recht van den
regeeringsvorm en van den hoeksteen daarvan: de souvereiniteit van
den prins, tegen alle aanvallen verdedigen?
Op het standpunt der legitimiteit had men wellicht, hetgeen ook
nog in sommige hoofden spookte, oud-regenten, voor zoover zij nog
in leven waren, kunnen oproepen en van hen de vaststelling eener
grondwet vragen. Doch dit denkbeeld werd niet gevolgd. Hogendorp
zelf had reeds in de Novemberdagen het meer dan eens uitgesproken,
dat ook notabele ingezetenen, die geen oud-regenten waren, tot het
groote werk moesten medewerken 132). Ook hij begreep, en met hem
de souvereine vorst, dat de stem der natie moest gehoord worden, en
alleen daardoor een vaste grond voor de constitutie kon worden
gelegd.
Reeds den 21sten December 1813, en dus drie weken na zijne
komst hier te lande, benoemde de souvereine vorst eene commissie,
waaraan de samenstelling van eene ontwerp-constitutie werd
opgedragen, terwijl tegelijk bepaald werd, dat het door die commissie
gemaakte ontwerp aan de beoordeeling van notabelen uit de geheele
natie zoude worden onderworpen om door hen als algemeene
staatswet aangenomen te worden.
Die commissie bestond, behalve uit haren secretaris Mr. R.
Metelerkamp, oorspronkelijk uit 14 leden, uit al de departementen
genomen, doch zij werd den 29sten December 1814 nog met éen lid
aangevuld 133). Wanneer, zoo als waarschijnlijk is, Hogendorp een
overwegende invloed op de keuze van de leden dier commissie heeft
uitgeoefend, dan moet men wel de vraag doen, of het hem wel ernst
Page 81
is geweest met zijne uitingen in den aanvang der revolutie over de
verbroedering der partijen gedaan 134). Onder de 15 leden waren er
toch 13, die allen vóór 1795 in de regeering waren geweest. Zeven
van hen, H. W. van Aylva, A. F. van der Duyn van Maasdam, T. C.
van Heerdt, Aebinga van Humalda, W. C. H. van Lynden van
Blitterswijk, W. A. Schimmelpenninck van der Oye, W. R. van Tuyll
van Serooskerken van Zuylen waren uit die geslachten gesproten,
welke door adeldom recht hadden gehad op het bestuur. Van Aylva en
Humalda hadden als gekozen edelen gezeten in de Staten van
Friesland, Heerdt had als lid van de ridderschap deel uitgemaakt van
de Staten van Overijsel; evenals Schimmelpenninck van die van
Gelderland, van der Duyn van die van Holland; van Lynden van
Blitterswijk, een geldersch edelman, had van 1778 tot 1795 den
stadhouder in diens hoedanigheid van eenig edele van Zeeland
vertegenwoordigd; met uitzondering van den in 1795 nog zeer jongen
van der Duyn, hadden zij allen de oude republiek ook in hoogere
betrekkingen gediend. Meer dan een: van Aylva, van Lynden,
Schimmelpenninck en van Tuyll, waren kort vóór of bij den val der
republiek leden der Staten-Generaal geweest. Heerdt, die vóór 1795
voor Overijsel in de admiraliteit van Amsterdam had gezeten, en
tevens kamerheer van Willem V was geweest, had dezen bij zijne
vlucht uit het vaderland vergezeld. Naast deze zeven zaten in de
commissie zes anderen, genomen uit den kring der stedelijke
regenten: Mr. G. K. van Hogendorp, pensionaris van Rotterdam; Mr.
W. F. Röell, pensionaris van Amsterdam, O. Repelaer, raad van
Dordrecht en bij den inval der Franschen in buitengewone zending te
Parijs, G. W. van Imhoff, lid der Staten-Generaal voor Groningen,
Mr. C. T. Elout, baljuw van Texel, en eindelijk A. J. C. Lampsins,
gesproten uit een Vlissingsche regeeringsfamilie. Er bleven dus twee
leden over, die noch tot dezen, noch tot genen kring behoorden; twee,
die de revolutie van 1795 als hunne moeder behoorden te
beschouwen: Mr. C. F. van Maanen en Mr. D. J. Hondebeek
verbroedering der partijen gedaan 134). Onder de 15 leden waren er
toch 13, die allen vóór 1795 in de regeering waren geweest. Zeven
van hen, H. W. van Aylva, A. F. van der Duyn van Maasdam, T. C.
van Heerdt, Aebinga van Humalda, W. C. H. van Lynden van
Blitterswijk, W. A. Schimmelpenninck van der Oye, W. R. van Tuyll
van Serooskerken van Zuylen waren uit die geslachten gesproten,
welke door adeldom recht hadden gehad op het bestuur. Van Aylva en
Humalda hadden als gekozen edelen gezeten in de Staten van
Friesland, Heerdt had als lid van de ridderschap deel uitgemaakt van
de Staten van Overijsel; evenals Schimmelpenninck van die van
Gelderland, van der Duyn van die van Holland; van Lynden van
Blitterswijk, een geldersch edelman, had van 1778 tot 1795 den
stadhouder in diens hoedanigheid van eenig edele van Zeeland
vertegenwoordigd; met uitzondering van den in 1795 nog zeer jongen
van der Duyn, hadden zij allen de oude republiek ook in hoogere
betrekkingen gediend. Meer dan een: van Aylva, van Lynden,
Schimmelpenninck en van Tuyll, waren kort vóór of bij den val der
republiek leden der Staten-Generaal geweest. Heerdt, die vóór 1795
voor Overijsel in de admiraliteit van Amsterdam had gezeten, en
tevens kamerheer van Willem V was geweest, had dezen bij zijne
vlucht uit het vaderland vergezeld. Naast deze zeven zaten in de
commissie zes anderen, genomen uit den kring der stedelijke
regenten: Mr. G. K. van Hogendorp, pensionaris van Rotterdam; Mr.
W. F. Röell, pensionaris van Amsterdam, O. Repelaer, raad van
Dordrecht en bij den inval der Franschen in buitengewone zending te
Parijs, G. W. van Imhoff, lid der Staten-Generaal voor Groningen,
Mr. C. T. Elout, baljuw van Texel, en eindelijk A. J. C. Lampsins,
gesproten uit een Vlissingsche regeeringsfamilie. Er bleven dus twee
leden over, die noch tot dezen, noch tot genen kring behoorden; twee,
die de revolutie van 1795 als hunne moeder behoorden te
beschouwen: Mr. C. F. van Maanen en Mr. D. J. Hondebeek
Page 82
Heerkens; gene bij den val van Napoleon eerste president van het
gerechtshof in den Haag, deze zijn medelid in dit collegie. Vooral de
keuze van den eersten trekt de aandacht. In 1769 in den Haag uit eene
patriotsche familie geboren, was hij, evenals zijn vader 135), door de
revolutie tot eer en aanzien gekomen. Sedert 1793 advokaat in den
Haag, wordt hij met de revolutie secretaris der stad, en nog in
hetzelfde jaar 1795 tot advokaat-fiscaal en procureur-generaal van
Holland en Zeeland benoemd, om den lande verder in allerlei
betrekkingen onder alle wisseling van regeeringsvorm te blijven
dienen. Hij is als minister van justitie een dienaar van koning
Lodewijk, en als president van het gerechtshof in den Haag in dienst
des keizers 136). Hij blijft den keizer trouw ook in de dagen van
November, en weigert aan Hogendorp alle medewerking 137). Aan
wien, zou men vragen, had dan die man der revolutie, had die
keizerlijke ambtenaar zijne benoeming tot lid der commissie te
danken? Men zou zeggen, dat zij niet kon geweest zijn in den geest
van Hogendorp. Het is dan ook beweerd dat het de souvereine vorst
was, die van Maanen tot lid wenschte in strijd met de bedoelingen der
oud-regenten 138). Toch schijnt dit beweren onjuist te zijn. Ook
Hogendorp was voór van Maanen's optreden; hij had zelfs zijne
Schets eener Grondwet aan dezen ter beoordeeling medegedeeld 139).
Wat mocht Hogendorp daartoe hebben bewogen? Wat was de reden,
dat ook de souvereine vorst daartegen geen bezwaar had? Van
Maanen was evenals alle Hollandsche ambtenaren in zijne betrekking
bevestigd; hij was als hoogste rechterlijk beambte met het toezicht op
de justitie belast geworden; het is waarschijnlijk, dat men hem, die
tevens als rechtsgeleerde boven de meesten uitblonk, in die
commissie meende niet te kunnen missen. Maar wat dan ook de reden
moge geweest zijn, dit is zeker, dat zijn optreden als lid der
commissie van grooten invloed is geweest op de samenstelling der
grondwet. En Heerkens dan? Hij werd gekozen noch om zijne
beginselen, noch om zijne talenten. In den aanvang had men met
gerechtshof in den Haag, deze zijn medelid in dit collegie. Vooral de
keuze van den eersten trekt de aandacht. In 1769 in den Haag uit eene
patriotsche familie geboren, was hij, evenals zijn vader 135), door de
revolutie tot eer en aanzien gekomen. Sedert 1793 advokaat in den
Haag, wordt hij met de revolutie secretaris der stad, en nog in
hetzelfde jaar 1795 tot advokaat-fiscaal en procureur-generaal van
Holland en Zeeland benoemd, om den lande verder in allerlei
betrekkingen onder alle wisseling van regeeringsvorm te blijven
dienen. Hij is als minister van justitie een dienaar van koning
Lodewijk, en als president van het gerechtshof in den Haag in dienst
des keizers 136). Hij blijft den keizer trouw ook in de dagen van
November, en weigert aan Hogendorp alle medewerking 137). Aan
wien, zou men vragen, had dan die man der revolutie, had die
keizerlijke ambtenaar zijne benoeming tot lid der commissie te
danken? Men zou zeggen, dat zij niet kon geweest zijn in den geest
van Hogendorp. Het is dan ook beweerd dat het de souvereine vorst
was, die van Maanen tot lid wenschte in strijd met de bedoelingen der
oud-regenten 138). Toch schijnt dit beweren onjuist te zijn. Ook
Hogendorp was voór van Maanen's optreden; hij had zelfs zijne
Schets eener Grondwet aan dezen ter beoordeeling medegedeeld 139).
Wat mocht Hogendorp daartoe hebben bewogen? Wat was de reden,
dat ook de souvereine vorst daartegen geen bezwaar had? Van
Maanen was evenals alle Hollandsche ambtenaren in zijne betrekking
bevestigd; hij was als hoogste rechterlijk beambte met het toezicht op
de justitie belast geworden; het is waarschijnlijk, dat men hem, die
tevens als rechtsgeleerde boven de meesten uitblonk, in die
commissie meende niet te kunnen missen. Maar wat dan ook de reden
moge geweest zijn, dit is zeker, dat zijn optreden als lid der
commissie van grooten invloed is geweest op de samenstelling der
grondwet. En Heerkens dan? Hij werd gekozen noch om zijne
beginselen, noch om zijne talenten. In den aanvang had men met
Page 83
zijne benoeming een dubbel doel voor oogen. Daar zijne familie in
Groningen te huis behoorde, kon hij in de commissie voor het
departement der Wester-Eems zitting nemen. Toen echter de
commissie met den heer van Imhoff, een aan Groningen meer
welgevallig vertegenwoordiger, was aangevuld, begreep men, dat
Heerkens, die door een toeval te Venlo geboren was, wel aan de
generaliteitslanden kon worden toebedeeld. Tevens en bovenal echter
was het de bedoeling om naast de overigen—allen leden der vroegere
staatskerk—een Roomsch-Katholiek te doen medewerken tot het
ontwerpen der grondwet 140). Ook Heerkens schijnt zijne roeping
aldus te hebben opgevat; immers hij nam (den 28sten Januari 1814)
eerst deel aan de beraadslagingen der commissie, toen het stuk van
den godsdienst ter sprake was gekomen 141). Hij maakte het echter
nog beter dan het lid Schimmelpenninck van der Oye, die, zonder dat
er van eenige wettige verhindering blijkt, geene enkele van de
vergaderingen der commissie bijwoonde. De commissie heeft dus in
werkelijkheid slechts bestaan uit 14 leden, een even getal, waarvan
staking van stemmen het gevolg kon zijn, en ook inderdaad het
gevolg is geweest.
Trok de benoeming dezer commissie de aandacht van het
algemeen? Of ging het onopgemerkt voorbij, toen in den middag van
Maandag den 27sten December 1813 de leden het huis van
Hogendorp op den Kneuterdijk binnentraden? Want te zijnen huize
werden de vergaderingen gehouden, eene omstandigheid, die zich
door 's mans podagra 142) wellicht laat verklaren. Immers de
tegenwoordigheid van Hogendorp, van den man, die de ontwerper
der schets was, van den man, op wien nog naast den souvereinen
vorst op dat oogenblik aller oogen waren gevestigd, was onmisbaar.
Hij werd dan ook in die eerste vergadering met algemeene stemmen
tot president benoemd. In diezelfde bijeenkomst gaf de commissie
blijk van haren vromen zin, door op voorstel van Lampsins een gebed
te arresteeren, door den secretaris bij den aanvang van elke
Groningen te huis behoorde, kon hij in de commissie voor het
departement der Wester-Eems zitting nemen. Toen echter de
commissie met den heer van Imhoff, een aan Groningen meer
welgevallig vertegenwoordiger, was aangevuld, begreep men, dat
Heerkens, die door een toeval te Venlo geboren was, wel aan de
generaliteitslanden kon worden toebedeeld. Tevens en bovenal echter
was het de bedoeling om naast de overigen—allen leden der vroegere
staatskerk—een Roomsch-Katholiek te doen medewerken tot het
ontwerpen der grondwet 140). Ook Heerkens schijnt zijne roeping
aldus te hebben opgevat; immers hij nam (den 28sten Januari 1814)
eerst deel aan de beraadslagingen der commissie, toen het stuk van
den godsdienst ter sprake was gekomen 141). Hij maakte het echter
nog beter dan het lid Schimmelpenninck van der Oye, die, zonder dat
er van eenige wettige verhindering blijkt, geene enkele van de
vergaderingen der commissie bijwoonde. De commissie heeft dus in
werkelijkheid slechts bestaan uit 14 leden, een even getal, waarvan
staking van stemmen het gevolg kon zijn, en ook inderdaad het
gevolg is geweest.
Trok de benoeming dezer commissie de aandacht van het
algemeen? Of ging het onopgemerkt voorbij, toen in den middag van
Maandag den 27sten December 1813 de leden het huis van
Hogendorp op den Kneuterdijk binnentraden? Want te zijnen huize
werden de vergaderingen gehouden, eene omstandigheid, die zich
door 's mans podagra 142) wellicht laat verklaren. Immers de
tegenwoordigheid van Hogendorp, van den man, die de ontwerper
der schets was, van den man, op wien nog naast den souvereinen
vorst op dat oogenblik aller oogen waren gevestigd, was onmisbaar.
Hij werd dan ook in die eerste vergadering met algemeene stemmen
tot president benoemd. In diezelfde bijeenkomst gaf de commissie
blijk van haren vromen zin, door op voorstel van Lampsins een gebed
te arresteeren, door den secretaris bij den aanvang van elke
Page 84
vergadering uit te spreken. Daarbij werd Gods zegen over het werk
afgesmeekt, een zegen te verwachten om den wille van Jezus
Christus, Gods Zoon 143).
Na aldus de commissie onder de bescherming der Voorzienigheid
geplaatst te hebben, toog men aan het werk. Van den 27sten
December tot den 21sten Januari kwam de commissie, met
uitzondering der Zondagen, bijna dagelijks te zamen; toen ging zij
voor eenige dagen tot 28 Januari uiteen, om de denkbeelden der leden
over de verhouding van den staat tot de kerkgenootschappen tot
meerdere rijpheid te doen komen. Van 28 Januari tot 11 Februari
werden de beraadslagingen weder dagelijks voortgezet en ten slotte
ten einde gebracht, zoodat aan eene commissie van redactie,
bestaande uit de leden Aylva, Repelaer, Elout en Röell, de
formuleering van het ontwerp der grondwet kon worden
opgedragen. 144) De souvereine vorst, die van den aanvang af op
menig punt van zijne wenschen had doen blijken, deed ook bij deze
formuleering zijnen invloed gevoelen. Het ontwerp, alzoo naar zijne
consideratiën gewijzigd, werd eindelijk in de vergadering van 28
Februari 1814 gedrukt 145) ter tafel gebracht, om, nogmaals herzien en
gewijzigd 146), den 1sten Maart 1814 vastgesteld, en den 2den Maart
door de commissie in persoon aan den souvereinen vorst aangeboden
te worden. Wie er belang in stelt bekend te worden met hetgeen in de
werkplaats der commissie voorviel, dient niet onkundig te worden
gelaten van de omstandigheid, dat zij bij het besluit harer benoeming
was uitgenoodigd, zich bezig te houden met het examen van
Hogendorp's schets, en deze, dit geraden geoordeeld wordende, als
een leiddraad harer beraadslagingen aan te nemen. In die eerste
bijeenkomst deelde Hogendorp tevens mede eene analyse van dit
stuk, onder den titel: „Algemeene gronden van de Constitutie”, en
daarbij een toelichtende memorie, onder den titel: „Aanmerkingen op
het ontwerp eener grondwet voor de Vereenigde Nederlanden” 147).
De analyse gaf aanleiding tot eenige nadere bespreking en vooral tot
afgesmeekt, een zegen te verwachten om den wille van Jezus
Christus, Gods Zoon 143).
Na aldus de commissie onder de bescherming der Voorzienigheid
geplaatst te hebben, toog men aan het werk. Van den 27sten
December tot den 21sten Januari kwam de commissie, met
uitzondering der Zondagen, bijna dagelijks te zamen; toen ging zij
voor eenige dagen tot 28 Januari uiteen, om de denkbeelden der leden
over de verhouding van den staat tot de kerkgenootschappen tot
meerdere rijpheid te doen komen. Van 28 Januari tot 11 Februari
werden de beraadslagingen weder dagelijks voortgezet en ten slotte
ten einde gebracht, zoodat aan eene commissie van redactie,
bestaande uit de leden Aylva, Repelaer, Elout en Röell, de
formuleering van het ontwerp der grondwet kon worden
opgedragen. 144) De souvereine vorst, die van den aanvang af op
menig punt van zijne wenschen had doen blijken, deed ook bij deze
formuleering zijnen invloed gevoelen. Het ontwerp, alzoo naar zijne
consideratiën gewijzigd, werd eindelijk in de vergadering van 28
Februari 1814 gedrukt 145) ter tafel gebracht, om, nogmaals herzien en
gewijzigd 146), den 1sten Maart 1814 vastgesteld, en den 2den Maart
door de commissie in persoon aan den souvereinen vorst aangeboden
te worden. Wie er belang in stelt bekend te worden met hetgeen in de
werkplaats der commissie voorviel, dient niet onkundig te worden
gelaten van de omstandigheid, dat zij bij het besluit harer benoeming
was uitgenoodigd, zich bezig te houden met het examen van
Hogendorp's schets, en deze, dit geraden geoordeeld wordende, als
een leiddraad harer beraadslagingen aan te nemen. In die eerste
bijeenkomst deelde Hogendorp tevens mede eene analyse van dit
stuk, onder den titel: „Algemeene gronden van de Constitutie”, en
daarbij een toelichtende memorie, onder den titel: „Aanmerkingen op
het ontwerp eener grondwet voor de Vereenigde Nederlanden” 147).
De analyse gaf aanleiding tot eenige nadere bespreking en vooral tot
Page 85
eene bestrijding door van Maanen, die hare inhoud beschouwde als
strijdig met het monarchaal gezag en leidende tot republikeinsche en
federatieve denkbeelden 148). Een gevolg hiervan was, dat, toen men,
overeenkomstig den in het besluit gegeven wenk, de schets toch als
leiddraad besloot te volgen, de voorzichtige bepaling er bijgevoegd
werd, om geen artikel als finaal gearresteerd te beschouwen, voordat
de deliberatiën over de grondwet geheel zouden zijn afgeloopen.
Onder de onderwerpen, die volgens de zienswijze dier dagen het
meest behoefte hadden aan eene vervanging der fransche door
nationale instellingen, schijnt het justitiewezen bovenaan te hebben
gestaan. Had toch reeds niet den 11den December 1813 de souvereine
vorst krachtens zijne machtsvolkomenheid het bekende besluit over
de lijfstraffelijke rechtspleging genomen? Het besluit, waarin aan de
eene zijde aan den rechter eene grootere macht tot toepassing van
verzachtende omstandigheden was toegekend, maar van de andere
zijde de geeselstraf weder werd ingevoerd, de guillotine werd
vervangen door den strop en het zwaard, de jury werd opgeheven, en
de publiciteit der terechtzittingen werd beperkt. Dit verklaart dan ook,
dat in het besluit van 21 December 1813, waarbij de commissie
benoemd was, van de justitieele administratie uitdrukkelijk melding
werd gemaakt, met bepaling dat te dier zake vooraf een voorloopig
rapport aan Z. K. H. zoude worden ingediend. Eerst den 3den
Februari 1814 kon de commissie aan deze uitnoodiging voldoen en
werden de leden Humalda, Elout en van Maanen verzocht het IVde
hoofdstuk der grondwet: over de justitie, aan den souvereinen vorst
aan te bieden 149), van welke opdracht zij zich dan ook blijkens het in
de bijeenkomst van 11 Februari medegedeelde hebben gekweten 150).
De bedoeling is zeker geweest, om door dit voorloopig rapport den
souvereinen vorst in staat te stellen, de maatregelen noodig voor eene
nieuwe regeling der justitie voor te bereiden, opdat er vooral bij dit
onderwerp geen tijd verloren ging. Behoef ik te zeggen, dat die
bedoeling niet is bereikt, en dat het 25 jaren geduurd heeft, voordat
strijdig met het monarchaal gezag en leidende tot republikeinsche en
federatieve denkbeelden 148). Een gevolg hiervan was, dat, toen men,
overeenkomstig den in het besluit gegeven wenk, de schets toch als
leiddraad besloot te volgen, de voorzichtige bepaling er bijgevoegd
werd, om geen artikel als finaal gearresteerd te beschouwen, voordat
de deliberatiën over de grondwet geheel zouden zijn afgeloopen.
Onder de onderwerpen, die volgens de zienswijze dier dagen het
meest behoefte hadden aan eene vervanging der fransche door
nationale instellingen, schijnt het justitiewezen bovenaan te hebben
gestaan. Had toch reeds niet den 11den December 1813 de souvereine
vorst krachtens zijne machtsvolkomenheid het bekende besluit over
de lijfstraffelijke rechtspleging genomen? Het besluit, waarin aan de
eene zijde aan den rechter eene grootere macht tot toepassing van
verzachtende omstandigheden was toegekend, maar van de andere
zijde de geeselstraf weder werd ingevoerd, de guillotine werd
vervangen door den strop en het zwaard, de jury werd opgeheven, en
de publiciteit der terechtzittingen werd beperkt. Dit verklaart dan ook,
dat in het besluit van 21 December 1813, waarbij de commissie
benoemd was, van de justitieele administratie uitdrukkelijk melding
werd gemaakt, met bepaling dat te dier zake vooraf een voorloopig
rapport aan Z. K. H. zoude worden ingediend. Eerst den 3den
Februari 1814 kon de commissie aan deze uitnoodiging voldoen en
werden de leden Humalda, Elout en van Maanen verzocht het IVde
hoofdstuk der grondwet: over de justitie, aan den souvereinen vorst
aan te bieden 149), van welke opdracht zij zich dan ook blijkens het in
de bijeenkomst van 11 Februari medegedeelde hebben gekweten 150).
De bedoeling is zeker geweest, om door dit voorloopig rapport den
souvereinen vorst in staat te stellen, de maatregelen noodig voor eene
nieuwe regeling der justitie voor te bereiden, opdat er vooral bij dit
onderwerp geen tijd verloren ging. Behoef ik te zeggen, dat die
bedoeling niet is bereikt, en dat het 25 jaren geduurd heeft, voordat
Page 86
wij de fransche rechterlijke organisatie door eene nieuwe hebben
kunnen vervangen?
Ik stap hiermede af van de uitwendige geschiedenis der door de
commissie ontworpene constitutie. Hare taak was echter niet alleen
hiertoe bepaald. Bij art. 6 van het besluit van 21 Dec. 1813 was
immers de commissie belast met de voordracht der organieke
reglementen en verdere maatregelen, die de dadelijke invoering der
constitutie behoorden vooraf te gaan en te vergezellen. De commissie
meende dan ook zoowel ten opzichte van de aanneming als van de
invoering der grondwet nadere bepalingen te moeten voorstellen. In
de bijeenkomst van 4 Februari 1814 werd door den president een
stuk 151) overgelegd, dat, blijkens de daarin voorkomende
tijdsbepalingen, reeds eenigen tijd vroeger was opgesteld, en waarin
zoowel de aanneming als de invoering der grondwet in 14 artikelen
was geregeld. Dit stuk zoude te gelijk met het rapport der commissie
over de constitutie aan den souvereinen vorst worden aangeboden
(art. 1, 2). Vijf à zeshonderd aanzienlijke ingezetenen, gekozen door
de commissarissen-generaal in de departementen, de opvolgers der
Fransche prefecten, zouden op den 1sten Februari te Amsterdam
bijeenkomen; hunne vergadering zoude door den souvereinen vorst
geopend worden, de voorzitter door dezen worden gekozen, en de
grondwet aan hare overwegingen worden aangeboden (art. 3, 4, 5).
Na afloop der deliberatiën, na aanneming der grondwet en
bekendmaking hiervan aan den souvereinen vorst, zoude de
vergadering zich constitueeren tot eene groote vergadering der
Staten-Generaal, waarin de souvereine vorst den eed zoude afleggen,
en waardoor daarna de souvereine vorst zoude worden gehuldigd (art.
7, 8). Maar met dit een en ander zoude de taak der vergadering nog
niet zijn afgeloopen. De souvereine vorst zoude door de ministers
voordrachten kunnen laten doen: de vergadering zoude harerzijds aan
den souvereinen vorst de invoering der grondwet opdragen op
zoodanige wijze als zij zoude goedvinden (art. 9, 10). De staten der
kunnen vervangen?
Ik stap hiermede af van de uitwendige geschiedenis der door de
commissie ontworpene constitutie. Hare taak was echter niet alleen
hiertoe bepaald. Bij art. 6 van het besluit van 21 Dec. 1813 was
immers de commissie belast met de voordracht der organieke
reglementen en verdere maatregelen, die de dadelijke invoering der
constitutie behoorden vooraf te gaan en te vergezellen. De commissie
meende dan ook zoowel ten opzichte van de aanneming als van de
invoering der grondwet nadere bepalingen te moeten voorstellen. In
de bijeenkomst van 4 Februari 1814 werd door den president een
stuk 151) overgelegd, dat, blijkens de daarin voorkomende
tijdsbepalingen, reeds eenigen tijd vroeger was opgesteld, en waarin
zoowel de aanneming als de invoering der grondwet in 14 artikelen
was geregeld. Dit stuk zoude te gelijk met het rapport der commissie
over de constitutie aan den souvereinen vorst worden aangeboden
(art. 1, 2). Vijf à zeshonderd aanzienlijke ingezetenen, gekozen door
de commissarissen-generaal in de departementen, de opvolgers der
Fransche prefecten, zouden op den 1sten Februari te Amsterdam
bijeenkomen; hunne vergadering zoude door den souvereinen vorst
geopend worden, de voorzitter door dezen worden gekozen, en de
grondwet aan hare overwegingen worden aangeboden (art. 3, 4, 5).
Na afloop der deliberatiën, na aanneming der grondwet en
bekendmaking hiervan aan den souvereinen vorst, zoude de
vergadering zich constitueeren tot eene groote vergadering der
Staten-Generaal, waarin de souvereine vorst den eed zoude afleggen,
en waardoor daarna de souvereine vorst zoude worden gehuldigd (art.
7, 8). Maar met dit een en ander zoude de taak der vergadering nog
niet zijn afgeloopen. De souvereine vorst zoude door de ministers
voordrachten kunnen laten doen: de vergadering zoude harerzijds aan
den souvereinen vorst de invoering der grondwet opdragen op
zoodanige wijze als zij zoude goedvinden (art. 9, 10). De staten der
Page 87
provinciën zouden de eerste reis te zamen komen in de maand Maart,
en zich vóor alles bezig houden met het reglement op hunne
huishoudelijke inrichting (art. 11, 12). De eerste vergadering der
Staten-Generaal zoude gehouden worden den 1sten November 1814
(art. 13). Eindelijk zoude de commissie gedurende de drie eerste jaren
na de invoering der grondwet over de authentieke interpretatie
adviseeren (art. 14). Dit concept-reglement tot invoering der
grondwet werd gewijzigd en bekort door de commissie aangenomen,
doch slechts als een stuk voor haar zelve, om daarvan gebruik te
maken bij de redactie van het eindrapport. Zoo ging het ook met eene
den 7den Februari 1814 ter tafel gebrachte concept-publicatie door
den souvereinen vorst betrekkelijk de notabelen en de aanneming der
grondwet uit te vaardigen, met een daarbij gevoegd door de notabelen
te nemen besluit tot aanneming en invoering der grondwet 152).
Intusschen had de commissie bij een voorloopig rapport aan den
souvereinen vorst, vastgesteld den 5den Februari 1814 153), verslag
gedaan van den stand der zaak en tevens hare denkbeelden
ontwikkeld over de voorbereidende maatregelen door den
souvereinen vorst te nemen. Later werd dit gevolgd door het finaal
rapport, vastgesteld den 1sten Maart 154), waarbij tevens was gevoegd
eene concept-proclamatie 155), betrekkelijk de notabelen en hunne
aanneming der grondwet, beide stukken door Elout gesteld, en
waarvan het laatste door den souvereinen vorst den 2den Maart 1814
is uitgevaardigd. Wat er in de andere stukken bruikbaar was, was in
deze twee stukken opgenomen. Het is blijkbaar, dat over dit alles
voortdurend overleg is gepleegd met den souvereinen vorst.
Wanneer wij nu een blik slaan in de beraadslagingen der
commissie, dan springt het duidelijk in het oog hoe, nu men eenmaal
den weg der wettigheid niet had kunnen inslaan, althans de
meerderheid der commissie van oordeel was naar middelen te moeten
omzien, ten einde men met eenigen grond zich op de goedkeuring des
volks zoude kunnen beroepen. Notabelen uit de geheele natie zouden
en zich vóor alles bezig houden met het reglement op hunne
huishoudelijke inrichting (art. 11, 12). De eerste vergadering der
Staten-Generaal zoude gehouden worden den 1sten November 1814
(art. 13). Eindelijk zoude de commissie gedurende de drie eerste jaren
na de invoering der grondwet over de authentieke interpretatie
adviseeren (art. 14). Dit concept-reglement tot invoering der
grondwet werd gewijzigd en bekort door de commissie aangenomen,
doch slechts als een stuk voor haar zelve, om daarvan gebruik te
maken bij de redactie van het eindrapport. Zoo ging het ook met eene
den 7den Februari 1814 ter tafel gebrachte concept-publicatie door
den souvereinen vorst betrekkelijk de notabelen en de aanneming der
grondwet uit te vaardigen, met een daarbij gevoegd door de notabelen
te nemen besluit tot aanneming en invoering der grondwet 152).
Intusschen had de commissie bij een voorloopig rapport aan den
souvereinen vorst, vastgesteld den 5den Februari 1814 153), verslag
gedaan van den stand der zaak en tevens hare denkbeelden
ontwikkeld over de voorbereidende maatregelen door den
souvereinen vorst te nemen. Later werd dit gevolgd door het finaal
rapport, vastgesteld den 1sten Maart 154), waarbij tevens was gevoegd
eene concept-proclamatie 155), betrekkelijk de notabelen en hunne
aanneming der grondwet, beide stukken door Elout gesteld, en
waarvan het laatste door den souvereinen vorst den 2den Maart 1814
is uitgevaardigd. Wat er in de andere stukken bruikbaar was, was in
deze twee stukken opgenomen. Het is blijkbaar, dat over dit alles
voortdurend overleg is gepleegd met den souvereinen vorst.
Wanneer wij nu een blik slaan in de beraadslagingen der
commissie, dan springt het duidelijk in het oog hoe, nu men eenmaal
den weg der wettigheid niet had kunnen inslaan, althans de
meerderheid der commissie van oordeel was naar middelen te moeten
omzien, ten einde men met eenigen grond zich op de goedkeuring des
volks zoude kunnen beroepen. Notabelen uit de geheele natie zouden
Page 88
de grondwet beoordeelen, had reeds art. 5 van het besluit van 21
December 1813 gezegd 156). Maar door wie zouden ze worden
gekozen? Niemand schijnt in die dagen aan eene keuze der notabelen
door het volk gedacht te hebben. Er bleef dan niets over dan eene
keuze door den souvereinen vorst, hetzij dat hij ze zelf rechtstreeks
benoemde, hetzij dat hij voor die keuze personen aanwees. En dit
laatste, waardoor hij zelf eenigszins op den achtergrond trad, vond
plaats. De commissarissen-generaal in de departementen hadden
lijsten van notabelen ingezonden, en deze waren aangevuld door de
individuëele leden der commissie 157). Het getal was door de
regeering op 600 bepaald, wat ook het denkbeeld der commissie was.
Maar hoe nu het grootere getal der lijsten terug te brengen tot 600,
voor ieder departement een bepaald aandeel naar de volkrijkheid? De
commissie meende in haar voorloopig rapport van 5 Februari 1814
daarvoor het lot te moeten aanbevelen, als zijnde dit het
onpartijdigste middel. De souvereine vorst was echter van die loting
niet gediend 158) en droeg bij besluit van 14 Februari 1814 die taak op
aan negen heeren 159). Hiermede was althans één punt geregeld: de
wijze van verkiezing der notabelen. Maar wanneer er niet meer
geschiedde dan dit, kon men dan met eenigen grond zich voor de
grondwet op de goedkeuring des volks beroepen? „Welke
qualificatie”, vroeg van Aylva in de zitting van 4 Februari 1814,
„zullen die notabelen hebben, welke zal hun wettige titel zijn? Hoe
zullen wij ooit de wettigheid van ons werk defendeeren? Wij moeten
het soliede maken voor geheel Europa.” Hogendorp werd gemelijk:
hij maakte de zeer ware opmerking, dat het geene kunst was,
zwarigheid te maken, wel ze op te lossen; hij kende geen ander
middel, om aan de zaak meer wettigheid te geven, dan de
goedkeuring door notabelen. Ook Lampsins meende, dat Europa niet
zoo kieskeurig zoude zijn. Toch werd het geweten der meerderheid
hierdoor niet gerustgesteld. Geene constitutie kan aangenomen
worden zonder democratische beginselen; men moest de geheele
December 1813 gezegd 156). Maar door wie zouden ze worden
gekozen? Niemand schijnt in die dagen aan eene keuze der notabelen
door het volk gedacht te hebben. Er bleef dan niets over dan eene
keuze door den souvereinen vorst, hetzij dat hij ze zelf rechtstreeks
benoemde, hetzij dat hij voor die keuze personen aanwees. En dit
laatste, waardoor hij zelf eenigszins op den achtergrond trad, vond
plaats. De commissarissen-generaal in de departementen hadden
lijsten van notabelen ingezonden, en deze waren aangevuld door de
individuëele leden der commissie 157). Het getal was door de
regeering op 600 bepaald, wat ook het denkbeeld der commissie was.
Maar hoe nu het grootere getal der lijsten terug te brengen tot 600,
voor ieder departement een bepaald aandeel naar de volkrijkheid? De
commissie meende in haar voorloopig rapport van 5 Februari 1814
daarvoor het lot te moeten aanbevelen, als zijnde dit het
onpartijdigste middel. De souvereine vorst was echter van die loting
niet gediend 158) en droeg bij besluit van 14 Februari 1814 die taak op
aan negen heeren 159). Hiermede was althans één punt geregeld: de
wijze van verkiezing der notabelen. Maar wanneer er niet meer
geschiedde dan dit, kon men dan met eenigen grond zich voor de
grondwet op de goedkeuring des volks beroepen? „Welke
qualificatie”, vroeg van Aylva in de zitting van 4 Februari 1814,
„zullen die notabelen hebben, welke zal hun wettige titel zijn? Hoe
zullen wij ooit de wettigheid van ons werk defendeeren? Wij moeten
het soliede maken voor geheel Europa.” Hogendorp werd gemelijk:
hij maakte de zeer ware opmerking, dat het geene kunst was,
zwarigheid te maken, wel ze op te lossen; hij kende geen ander
middel, om aan de zaak meer wettigheid te geven, dan de
goedkeuring door notabelen. Ook Lampsins meende, dat Europa niet
zoo kieskeurig zoude zijn. Toch werd het geweten der meerderheid
hierdoor niet gerustgesteld. Geene constitutie kan aangenomen
worden zonder democratische beginselen; men moest de geheele
Page 89
natie in het werk doen deelen, bleef Röell beweren. Maar wat dan?
Men stelde voor ter visie legging der lijsten in de departementen, en
daarnevens een register, waarin de ingezetenen zouden kunnen doen
blijken van hunne goed- of afkeuring der lijsten. Onthouding kon als
goedkeuring worden aangemerkt. Dit denkbeeld werd bij de
publicatie van 2 Maart 1814 gevolgd. En die notabelen werden nu
door den souvereinen vorst wel niet—zooals de commissie eerst
gewild had—verklaard als representeerende het geheele
Nederlandsche volk, maar als zoodanig door den souvereinen vorst
beschouwd. De souvereine vorst constateerde alleen het feit; bleef
voor het overige lijdelijk 160).
Een ieder ziet in, dat het niet zoo moeilijk was het geweten der
commissie op dit punt gerust te stellen. Het gevaar was niet groot, dat
er velen, ja enkelen zouden zijn, die tegen die lijsten zouden
opkomen, vooral niet nu men niet meer—zooals eerst was
voorgesteld—de geheele departementale lijst kon verwerpen, maar
verplicht was de personen, die men niet bevoegd achtte, met name
aan te duiden. Men huldigde democratische denkbeelden, maar het
was minder het wezen dan de schijn, die men lief had. Ditzelfde
openbaart zich ook in de regeling van de werkzaamheden der
notabelen. Wat, indien die notabelen eens lastig werden? Hunne
bijeenkomst moest zoo spoedig mogelijk afloopen. De souvereine
vorst moest den president kiezen en daarbij niet tot de keus uit eene
voordracht beperkt worden. Zoo mogelijk geene deliberatiën. De
leden der commissie konden ieder een stel notabelen voor hunne
rekening nemen, meende Hogendorp. En van Maanen drukte het
algemeen gevoelen uit met te zeggen: „vele solemnia, weinig
zaken” 161). Men kwam dan ook zeer spoedig terug van het
denkbeeld, om in de vergadering der notabelen iets anders te laten
behandelen dan de aanneming der constitutie en hetgeen daarmede in
noodzakelijk verband stond.
Men stelde voor ter visie legging der lijsten in de departementen, en
daarnevens een register, waarin de ingezetenen zouden kunnen doen
blijken van hunne goed- of afkeuring der lijsten. Onthouding kon als
goedkeuring worden aangemerkt. Dit denkbeeld werd bij de
publicatie van 2 Maart 1814 gevolgd. En die notabelen werden nu
door den souvereinen vorst wel niet—zooals de commissie eerst
gewild had—verklaard als representeerende het geheele
Nederlandsche volk, maar als zoodanig door den souvereinen vorst
beschouwd. De souvereine vorst constateerde alleen het feit; bleef
voor het overige lijdelijk 160).
Een ieder ziet in, dat het niet zoo moeilijk was het geweten der
commissie op dit punt gerust te stellen. Het gevaar was niet groot, dat
er velen, ja enkelen zouden zijn, die tegen die lijsten zouden
opkomen, vooral niet nu men niet meer—zooals eerst was
voorgesteld—de geheele departementale lijst kon verwerpen, maar
verplicht was de personen, die men niet bevoegd achtte, met name
aan te duiden. Men huldigde democratische denkbeelden, maar het
was minder het wezen dan de schijn, die men lief had. Ditzelfde
openbaart zich ook in de regeling van de werkzaamheden der
notabelen. Wat, indien die notabelen eens lastig werden? Hunne
bijeenkomst moest zoo spoedig mogelijk afloopen. De souvereine
vorst moest den president kiezen en daarbij niet tot de keus uit eene
voordracht beperkt worden. Zoo mogelijk geene deliberatiën. De
leden der commissie konden ieder een stel notabelen voor hunne
rekening nemen, meende Hogendorp. En van Maanen drukte het
algemeen gevoelen uit met te zeggen: „vele solemnia, weinig
zaken” 161). Men kwam dan ook zeer spoedig terug van het
denkbeeld, om in de vergadering der notabelen iets anders te laten
behandelen dan de aanneming der constitutie en hetgeen daarmede in
noodzakelijk verband stond.
Page 90
Onder dit laatste behoorde niet alleen 's vorsten eed en zijne
inhuldiging door de groote vergadering, maar tevens de beraadslaging
over de vraag: hoe de grondwet zoude ingevoerd worden, hoe in 't
bijzonder de leden der Staten-Generaal, der provinciale staten, der
stedelijke besturen, der rekenkamer voor de eerste reize zouden
worden benoemd. Er heerschte, schreef lord Castlereagh reeds den
8sten Januari 1814, na een met Hogendorp gehouden gesprek, zulk
een vertrouwen op den vorst, dat de eerste keuze der Staten-Generaal
aan hem zoude worden opgedragen 162). Hierover, evenmin als over
de vervulling der andere collegiën, bestond dan ook tusschen de
leden der commissie verschil van gevoelen; men begreep, dat de
notabelen namens de natie den souvereinen vorst daartoe moesten
machtigen. Eene daartoe strekkende bepaling werd dan ook gevonden
in art. 4 van het den 7den Februari in behandeling genomen ontwerp-
besluit door de notabelen te nemen. En hoewel—zooals ik gezegd
heb—dit besluit als zoodanig ter zijde werd gesteld, zoo bleef toch de
commissie dit denkbeeld aankleven. Men kwam echter meer en meer
tot de overtuiging, dat over dit punt niet afzonderlijk, maar tegelijk
met de constitutie moest gehandeld worden, hetzij dit als additioneel
artikel in de grondwet werd opgenomen, of in de akte van opdracht
daarvan melding gemaakt werd. De souvereine vorst meende, dat hij
deze kwestie het best met den president van de groote vergadering
kon overleggen. Het einde van alles was dan ook, dat de commissie
in haar finaal rapport van 2 Maart het volgende tot den vorst zeide:
„Wij achten het nog belangrijk éen woord te zeggen over de wijze,
waarop de grondwet zal kunnen worden ingevoerd. Wij twijfelen
geenszins of de groote vergadering zal wel het beste en eenige middel
daartoe kiezen, door de invoering en de benoeming der gestelde
collegiën voor de eerste reis aan U. K. H. op te dragen”.
Onder het licht van dit alles wordt veel duidelijk van hetgeen op
den 29sten en 30sten Maart 1814 bij de aanneming der grondwet en
de beëediging en inhuldiging voorviel. De stem der natie had zich
inhuldiging door de groote vergadering, maar tevens de beraadslaging
over de vraag: hoe de grondwet zoude ingevoerd worden, hoe in 't
bijzonder de leden der Staten-Generaal, der provinciale staten, der
stedelijke besturen, der rekenkamer voor de eerste reize zouden
worden benoemd. Er heerschte, schreef lord Castlereagh reeds den
8sten Januari 1814, na een met Hogendorp gehouden gesprek, zulk
een vertrouwen op den vorst, dat de eerste keuze der Staten-Generaal
aan hem zoude worden opgedragen 162). Hierover, evenmin als over
de vervulling der andere collegiën, bestond dan ook tusschen de
leden der commissie verschil van gevoelen; men begreep, dat de
notabelen namens de natie den souvereinen vorst daartoe moesten
machtigen. Eene daartoe strekkende bepaling werd dan ook gevonden
in art. 4 van het den 7den Februari in behandeling genomen ontwerp-
besluit door de notabelen te nemen. En hoewel—zooals ik gezegd
heb—dit besluit als zoodanig ter zijde werd gesteld, zoo bleef toch de
commissie dit denkbeeld aankleven. Men kwam echter meer en meer
tot de overtuiging, dat over dit punt niet afzonderlijk, maar tegelijk
met de constitutie moest gehandeld worden, hetzij dit als additioneel
artikel in de grondwet werd opgenomen, of in de akte van opdracht
daarvan melding gemaakt werd. De souvereine vorst meende, dat hij
deze kwestie het best met den president van de groote vergadering
kon overleggen. Het einde van alles was dan ook, dat de commissie
in haar finaal rapport van 2 Maart het volgende tot den vorst zeide:
„Wij achten het nog belangrijk éen woord te zeggen over de wijze,
waarop de grondwet zal kunnen worden ingevoerd. Wij twijfelen
geenszins of de groote vergadering zal wel het beste en eenige middel
daartoe kiezen, door de invoering en de benoeming der gestelde
collegiën voor de eerste reis aan U. K. H. op te dragen”.
Onder het licht van dit alles wordt veel duidelijk van hetgeen op
den 29sten en 30sten Maart 1814 bij de aanneming der grondwet en
de beëediging en inhuldiging voorviel. De stem der natie had zich
Page 91
niet verheven tegen de keus der 600 notabelen 163). Deze kwamen
echter niet allen op. Van de 600 bleven er 126 te huis, zoodat hun
getal tot 474 werd teruggebracht. De dag van den 29sten Maart 1814
was voor de aanneming der grondwet bepaald. In de Nieuwe Kerk
kwamen daarvoor des voormiddags te 9 uur de notabelen bijeen. Aan
de commissie van 14 Februari 1814 was opgedragen hen door het lot
in 10 afdeelingen te verdeelen. Tot president werd door het eerst
benoemde lid der commissie, van Lynden van Hoevelaken, namens
den souvereinen vorst uitgeroepen de heer van Nagell van Ampsen,
vóor 1795 extra-ordinair ambassadeur in Engeland en sedert
ambteloos burger. Heeft hij eene vergadering geleid, die op den naam
van ernstige vergadering aanspraak kan maken, of waren het vele
solemnia en weinig zaken? Tegen half elf uur trad de souvereine vorst
met zijne beide zonen, omgeven door de herboren hofhouding, door
de hoogste dienaren van den staat, door de commissie van constitutie,
de kerk binnen. De souvereine vorst hield „op eene zeer aandoenlijke
en plechtige wijze eene aanspraak” 164). Het lid der commissie voor
de constitutie, van Maanen, hield daarop „met de hem eigen
welsprekendheid” 165) eene redevoering over de beginselen en den
geest der grondwet. Na het vertrek van den vorst volgde het
onderzoek of liever de stemming in de afdeelingen. Daar het lot de
notabelen had gerangschikt, moeten de meesten elkander vreemd zijn
geweest. Toch waren er onder, die bedenkingen wilden voordragen.
Dit was echter niet de bedoeling. Men was daar geroepen, niet om te
debatteeren, maar om te stemmen. De bedenkingen die men had,
konde men schriftelijk indienen, en de president der vergadering
zoude die aan den souvereinen vorst overgeven 166). Er werd dus
gestemd, en van de 474 stemden er 448 voor en 26 tegen. In een paar
uur was de zaak afgeloopen. De Vereenigde Nederlanden hadden een
grondwet. De souvereine vorst kon met die aanneming in kennis
worden gesteld, en die aanneming nog bij publicatie van denzelfden
dag door hem aan het volk worden verkondigd.
echter niet allen op. Van de 600 bleven er 126 te huis, zoodat hun
getal tot 474 werd teruggebracht. De dag van den 29sten Maart 1814
was voor de aanneming der grondwet bepaald. In de Nieuwe Kerk
kwamen daarvoor des voormiddags te 9 uur de notabelen bijeen. Aan
de commissie van 14 Februari 1814 was opgedragen hen door het lot
in 10 afdeelingen te verdeelen. Tot president werd door het eerst
benoemde lid der commissie, van Lynden van Hoevelaken, namens
den souvereinen vorst uitgeroepen de heer van Nagell van Ampsen,
vóor 1795 extra-ordinair ambassadeur in Engeland en sedert
ambteloos burger. Heeft hij eene vergadering geleid, die op den naam
van ernstige vergadering aanspraak kan maken, of waren het vele
solemnia en weinig zaken? Tegen half elf uur trad de souvereine vorst
met zijne beide zonen, omgeven door de herboren hofhouding, door
de hoogste dienaren van den staat, door de commissie van constitutie,
de kerk binnen. De souvereine vorst hield „op eene zeer aandoenlijke
en plechtige wijze eene aanspraak” 164). Het lid der commissie voor
de constitutie, van Maanen, hield daarop „met de hem eigen
welsprekendheid” 165) eene redevoering over de beginselen en den
geest der grondwet. Na het vertrek van den vorst volgde het
onderzoek of liever de stemming in de afdeelingen. Daar het lot de
notabelen had gerangschikt, moeten de meesten elkander vreemd zijn
geweest. Toch waren er onder, die bedenkingen wilden voordragen.
Dit was echter niet de bedoeling. Men was daar geroepen, niet om te
debatteeren, maar om te stemmen. De bedenkingen die men had,
konde men schriftelijk indienen, en de president der vergadering
zoude die aan den souvereinen vorst overgeven 166). Er werd dus
gestemd, en van de 474 stemden er 448 voor en 26 tegen. In een paar
uur was de zaak afgeloopen. De Vereenigde Nederlanden hadden een
grondwet. De souvereine vorst kon met die aanneming in kennis
worden gesteld, en die aanneming nog bij publicatie van denzelfden
dag door hem aan het volk worden verkondigd.
Page 92
„Niet minder luisterrijk en aandoenlijk was de plechtigheid,
waartoe”—zegt Metelerkamp 167)—„de volgende dag bestemd was”.
De vergadering werd door den voorzitter geopend met „eene
eerbiedige aanspraak aan den souvereinen vorst”, door dezen „op
eene treffende en aandoenlijke wijze” beantwoord. Ook werd der
vergadering daarbij mededeeling gedaan van het aanstaande huwelijk
van den oudsten zoon van den souvereinen vorst met de engelsche
prinses Charlotte. Daarop legde de souvereine vorst den eed af, „met
eene duidelijke maar getroffen stem”. De eed werd gevolgd door de
inhuldiging, bestaande in het afleggen van den eed van getrouwheid
door den president, onder het uitsteken van de rechterhand door al de
leden.
En de wapenheraut riep driemaal met luider stemme: „Leve
Willem Frederik, souverein vorst der Vereenigde Nederlanden!”
Eindelijk zette eene godsdienstige redevoering van prof. Haack de
kroon op dit alles.
Vele solemnia en weinig zaken.
Toch blijft het opmerkenswaard, dat éen punt, waarover in de
commissie zooveel gedebatteerd was, geheel en al ongeregeld bleef.
Ik bedoel de invoering der grondwet, de eerste vervulling der
collegiën. De grondwet zweeg er over. In de vergadering van 29
Maart werd er geen woord van gerept. In de afdeelingen schijnt
hetzelfde het geval te zijn geweest. Ook de zoogenaamde akte van
inhuldiging, zijnde het proces-verbaal van het op 30 Maart
voorgevallene, zwijgt over dit punt. De eenige omstandigheid,
waaruit blijkt, dat dit punt niet vergeten was, is eene zinsnede uit de
aanspraak, die de souvereine vorst vóor het afleggen van den eed in
antwoord op de rede van den heer van Nagell uitsprak. De souvereine
vorst zeide: „Ik weet, M. H.! dat ik uwer aller wenschen te gemoet
kome door te zorgen voor de onverwijlde invoering der grondwet, en
door te dezen einde alle die maatregelen te nemen en alle die
waartoe”—zegt Metelerkamp 167)—„de volgende dag bestemd was”.
De vergadering werd door den voorzitter geopend met „eene
eerbiedige aanspraak aan den souvereinen vorst”, door dezen „op
eene treffende en aandoenlijke wijze” beantwoord. Ook werd der
vergadering daarbij mededeeling gedaan van het aanstaande huwelijk
van den oudsten zoon van den souvereinen vorst met de engelsche
prinses Charlotte. Daarop legde de souvereine vorst den eed af, „met
eene duidelijke maar getroffen stem”. De eed werd gevolgd door de
inhuldiging, bestaande in het afleggen van den eed van getrouwheid
door den president, onder het uitsteken van de rechterhand door al de
leden.
En de wapenheraut riep driemaal met luider stemme: „Leve
Willem Frederik, souverein vorst der Vereenigde Nederlanden!”
Eindelijk zette eene godsdienstige redevoering van prof. Haack de
kroon op dit alles.
Vele solemnia en weinig zaken.
Toch blijft het opmerkenswaard, dat éen punt, waarover in de
commissie zooveel gedebatteerd was, geheel en al ongeregeld bleef.
Ik bedoel de invoering der grondwet, de eerste vervulling der
collegiën. De grondwet zweeg er over. In de vergadering van 29
Maart werd er geen woord van gerept. In de afdeelingen schijnt
hetzelfde het geval te zijn geweest. Ook de zoogenaamde akte van
inhuldiging, zijnde het proces-verbaal van het op 30 Maart
voorgevallene, zwijgt over dit punt. De eenige omstandigheid,
waaruit blijkt, dat dit punt niet vergeten was, is eene zinsnede uit de
aanspraak, die de souvereine vorst vóor het afleggen van den eed in
antwoord op de rede van den heer van Nagell uitsprak. De souvereine
vorst zeide: „Ik weet, M. H.! dat ik uwer aller wenschen te gemoet
kome door te zorgen voor de onverwijlde invoering der grondwet, en
door te dezen einde alle die maatregelen te nemen en alle die
Page 93
aanstellingen te doen, zonder welke hare werking nog lang
onvolledig en gebrekkig blijven zoude” 168). Diensvolgens werd dan
ook in de publicatie over de aanneming der grondwet gezegd, dat de
souvereine vorst dadelijk zou overgaan tot het invoeren der grondwet
en tot het benoemen van die hooge staats-beambten en collegiën,
door welker raad of gezag zij gewild had, dat de macht van den
souvereinen vorst zoude worden omschreven en beperkt 169). Men
schijnt ten slotte te hebben begrepen, dat het op deze wijze ook wel
kon gaan, en dat een opzettelijk debat over dit onderwerp zijne
bedenkelijke zijde had.
Was er inderdaad grond voor het streven der grondwetcommissie,
om met het redden van den schijn, tevens te zorgen dat de zaak
zonder stoornis of tegenkanting afliep? Men zal het niet licht beamen.
In die dagen ontbrak alle zucht naar zelfregeering en politieke
vrijheid. Wanneer er iets was, wat in den lande naar publieken geest
zweemde, dan was het de algemeene blijdschap over het aftrekken
van den vreemden overheerscher, en over de herstelling van het huis
van Oranje. Er is veel waars in de woorden van van Assen 170): „de
geestdrift, waarmede de bewoners dezer gewesten den vorst als
redder terugontvingen, maakte hen geheel onbezorgd over de
voorwaarden der regeering”. Ja, men had desnoods de grondwet aan
de bekrachtiging van het algemeen stemrecht kunnen onderwerpen,
zonder dat de uitkomst anders ware geweest dan nu in de vergadering
van die 474 notabelen, meest allen genomen uit den kring der edelen
en patriciërs, versterkt met hen, die na 1795 zich op gelijke lijn met
genen hadden weten te plaatsen. Wat nog eenige kracht had, wat nog
snaren konde doen trillen, was het stuk van den godsdienst. Het
schijnt toch, dat de 26 stemmen tegen hoofdzakelijk hieraan toe te
schrijven zijn, dat men òf uit een streng hervormd standpunt geen
vrede had met het niet weder oprichten der staatskerk, òf uit een
roomsch-katholiek standpunt de eenigszins bevoorrechte positie der
hervormde kerk niet kon goedkeuren. Slechts een enkele, zooals van
onvolledig en gebrekkig blijven zoude” 168). Diensvolgens werd dan
ook in de publicatie over de aanneming der grondwet gezegd, dat de
souvereine vorst dadelijk zou overgaan tot het invoeren der grondwet
en tot het benoemen van die hooge staats-beambten en collegiën,
door welker raad of gezag zij gewild had, dat de macht van den
souvereinen vorst zoude worden omschreven en beperkt 169). Men
schijnt ten slotte te hebben begrepen, dat het op deze wijze ook wel
kon gaan, en dat een opzettelijk debat over dit onderwerp zijne
bedenkelijke zijde had.
Was er inderdaad grond voor het streven der grondwetcommissie,
om met het redden van den schijn, tevens te zorgen dat de zaak
zonder stoornis of tegenkanting afliep? Men zal het niet licht beamen.
In die dagen ontbrak alle zucht naar zelfregeering en politieke
vrijheid. Wanneer er iets was, wat in den lande naar publieken geest
zweemde, dan was het de algemeene blijdschap over het aftrekken
van den vreemden overheerscher, en over de herstelling van het huis
van Oranje. Er is veel waars in de woorden van van Assen 170): „de
geestdrift, waarmede de bewoners dezer gewesten den vorst als
redder terugontvingen, maakte hen geheel onbezorgd over de
voorwaarden der regeering”. Ja, men had desnoods de grondwet aan
de bekrachtiging van het algemeen stemrecht kunnen onderwerpen,
zonder dat de uitkomst anders ware geweest dan nu in de vergadering
van die 474 notabelen, meest allen genomen uit den kring der edelen
en patriciërs, versterkt met hen, die na 1795 zich op gelijke lijn met
genen hadden weten te plaatsen. Wat nog eenige kracht had, wat nog
snaren konde doen trillen, was het stuk van den godsdienst. Het
schijnt toch, dat de 26 stemmen tegen hoofdzakelijk hieraan toe te
schrijven zijn, dat men òf uit een streng hervormd standpunt geen
vrede had met het niet weder oprichten der staatskerk, òf uit een
roomsch-katholiek standpunt de eenigszins bevoorrechte positie der
hervormde kerk niet kon goedkeuren. Slechts een enkele, zooals van
Page 94
Swinden, stemde tegen om constitutioneele beginselen. Hij, een
verouderde doctrinair, had onder anderen geen vrede met de bepaling,
waarbij het recht van oorlog en vrede in handen van den souvereinen
vorst alleen gelegd was.
Doch ik loop vooruit op de beschouwing over den inhoud der
grondwet.
Wat werd er onder die grondwet van de nederlandsche
maatschappij, wat van den regeeringsvorm?
Wat ik bij dit en de volgende hoofdstukken van Tellegen heb op te merken, wordt het best
gegeven in den vorm van aanteekeningen. Ik maak daarbij, voor die op de hoofdstukken III–V,
meer dan eens gebruik van het uitnemend proefschrift, door Mr. B. D. H. Telligen Az., kleinzoon
van onzen schrijver, in 1912 te Groningen verdedigd: Overzicht van het tot stand komen der
Grondwet van 1814.
Hogendorp's Schets (hiervóór, bl. 72).—Tellegen kent deze alleen in de redactie, waarin zij ten
grondslag gelegd is aan de beraadslagingen der commissie. Sedert hij schreef zijn er twee andere
redacties aan het licht gebracht: de oorspronkelijke in het najaar van 1812 opgesteld, en een
gewijzigde, aan den Souvereinen Vorst voorgelegd bij diens terugkeer uit Amsterdam.
Het eerste ontwerp was, in den loop van 1813, door het geheim comité der vrienden van van
Hogendorp goedgekeurd. 171) De zeer geringe wijzigingen en bijvoegingen, die men in de tweede
redactie aantreft, 172) waren het gevolg van hunne aanmerkingen. De derde redactie vertoont
wijzigingen, aangebracht naar aanleiding van opmerkingen van den Souvereinen Vorst, die
eveneens aan Tellegen onbekend zijn geweest.
Hetgeen ook nog in sommige hoofden spookte (hiervóór, bl. 73).—Dit houd ik voor geheel
onjuist. Rechtskracht aan het nieuwe te doen verleenen door de vertegenwoordigers van het
voorbijgegane, had in Hogendorp's hoofd gespookt, doch de eerste poging daartoe was op 18 Nov.
zoo geheel te niet geloopen dat niemand zich eene herhaling voorstelde. Er is mij geen letter
bekend waaruit blijken zou dat hetzij Hogendorp hetzij eenig ander na 2 Dec. er nog aan gedacht
heeft, de vaststelling der grondwet aan oud-regenten als zoodanig te vragen;—en tot mij de letter
voorgebracht zal zijn, weiger ik er aan te gelooven.
Wanneer, zooals waarschijnlijk is (hiervóór, bl. 74).—Hogendorp heeft volstrekt geen
overwegenden invloed op de samenstelling der commissie gehad; hij is er zelfs niet in het
bijzonder over geraadpleegd. De heele maand December en nog daarna kwam hij niet van zijn
verouderde doctrinair, had onder anderen geen vrede met de bepaling,
waarbij het recht van oorlog en vrede in handen van den souvereinen
vorst alleen gelegd was.
Doch ik loop vooruit op de beschouwing over den inhoud der
grondwet.
Wat werd er onder die grondwet van de nederlandsche
maatschappij, wat van den regeeringsvorm?
Wat ik bij dit en de volgende hoofdstukken van Tellegen heb op te merken, wordt het best
gegeven in den vorm van aanteekeningen. Ik maak daarbij, voor die op de hoofdstukken III–V,
meer dan eens gebruik van het uitnemend proefschrift, door Mr. B. D. H. Telligen Az., kleinzoon
van onzen schrijver, in 1912 te Groningen verdedigd: Overzicht van het tot stand komen der
Grondwet van 1814.
Hogendorp's Schets (hiervóór, bl. 72).—Tellegen kent deze alleen in de redactie, waarin zij ten
grondslag gelegd is aan de beraadslagingen der commissie. Sedert hij schreef zijn er twee andere
redacties aan het licht gebracht: de oorspronkelijke in het najaar van 1812 opgesteld, en een
gewijzigde, aan den Souvereinen Vorst voorgelegd bij diens terugkeer uit Amsterdam.
Het eerste ontwerp was, in den loop van 1813, door het geheim comité der vrienden van van
Hogendorp goedgekeurd. 171) De zeer geringe wijzigingen en bijvoegingen, die men in de tweede
redactie aantreft, 172) waren het gevolg van hunne aanmerkingen. De derde redactie vertoont
wijzigingen, aangebracht naar aanleiding van opmerkingen van den Souvereinen Vorst, die
eveneens aan Tellegen onbekend zijn geweest.
Hetgeen ook nog in sommige hoofden spookte (hiervóór, bl. 73).—Dit houd ik voor geheel
onjuist. Rechtskracht aan het nieuwe te doen verleenen door de vertegenwoordigers van het
voorbijgegane, had in Hogendorp's hoofd gespookt, doch de eerste poging daartoe was op 18 Nov.
zoo geheel te niet geloopen dat niemand zich eene herhaling voorstelde. Er is mij geen letter
bekend waaruit blijken zou dat hetzij Hogendorp hetzij eenig ander na 2 Dec. er nog aan gedacht
heeft, de vaststelling der grondwet aan oud-regenten als zoodanig te vragen;—en tot mij de letter
voorgebracht zal zijn, weiger ik er aan te gelooven.
Wanneer, zooals waarschijnlijk is (hiervóór, bl. 74).—Hogendorp heeft volstrekt geen
overwegenden invloed op de samenstelling der commissie gehad; hij is er zelfs niet in het
bijzonder over geraadpleegd. De heele maand December en nog daarna kwam hij niet van zijn
Page 95
kamer af, 173) en de Vorst, die overstelpt was met werkzaamheden en zich bovendien tot zijn
persoon niet zeer aangetrokken gevoelde, kwam niet druk bij hem. Den 15den December heeft hij
over de gansche den Vorst in handen gegeven Schets nog geen woord van dezen vernomen; hij
dicteert dan (zijn hand nog niet tot zijn gebruik hebbende) een brief, waarin hij hem bij het heil
zijner nakomelingschap bezweert, met de zaak voortgang te maken. 174) Nauwelijks waren deze
woorden geschreven of de Vorst zelf trad binnen en onderging voorlezing van den brief. 175) Dat hij
die noodig had, is mij niet gebleken.
De Vorst had de Schets ontvangen na zijn terugkeer uit Amsterdam; ik denk 4 December (de
terugkeer was 3 Dec. 's avonds). De eerste dagen gingen voorbij met militaire overleggingen
(Bülow en Benkendorff in den Haag), die op dat oogenblik ook verreweg van den dringendsten
aard waren;—met opdrachten ook aan verschillende personen tot onverwijlde inbezitneming van al
wat tot het gebied der Vereenigde Nederlanden behoord had. Dan stroomde het van deputatiën en
individuën die hun opwachting kwamen maken; ook viel kennis aan te knoopen met het in den
Haag beschikbare regeeringspersoneel, voor een goed deel bestaande uit personen die de Vorst
nimmer ontmoet had. Daaronder waren oud-patriotten in een vrij aanzienlijk getal: Falck,
Canneman, van Maanen, Piepers. Falck stelde hem Elout voor, 176) die nog geen aanstelling had
van het Algemeen Bestuur, maar reeds een groote carrière achter zich had, bij Hogendorp bekend
en gezien was, en op den Vorst ook blijkbaar onmiddellijk indruk heeft gemaakt. 's Vorsten eigen
oude bekenden kwamen voor en na uit de provinciën opdagen; in den Haag vond hij Aylva, vóór
'95 in groot aanzien aan het hof en na '95 een der trouwste correspondenten van het huis gebleven.
Onderwijl zag de Vorst ook de Schets in en raadpleegde er dezen en genen over: Hogendorp
noemt, in een aanteekening van 1830, Aylva, van Maanen en Elout. 177)
Dat de oude huisvriend Aylva kennis van het stuk kreeg, kan wel niet anders; een oordeel in
schrift schijnt hij niet te hebben gegeven; het is althans niet bewaard.
Ten aanzien van van Maanen moet ik opmerken, dat Tellegen de verhouding tusschen hem en
van Hogendorp niet geheel juist weergeeft. Hogendorp was hem vriendelijk gezind, sedert van
Maanen hem geraden had hoe zijn klachten in te dienen tegen de aanwijzing van zijn zoon als
garde d'honneur. Hij bezoekt hem eenige dagen vóór den 17den en vindt het hoofd der keizerlijke
justitie in de beste stemming 178); wederom na den 21sten: van Maanen is „allervriendelijkst” maar
heeft niet den minsten lust openlijk mede te doen voor hij weet waarheen de zaken drijven 179), of
zijn unieke positie op te offeren en met zijn Keizerlijk Gerechtshof het veld te ruimen voor „alle de
Hoven Provintiaal, zooals dezelve bestonden in de jaren 1794 en 1795” 180). Hij redt er zich dus uit
met het verhaaltje over Filips II; de heeren, zegt hij, moeten inmiddels maar door middelen van
politie kracht aan hunne wetten geven. „Volgens mijne gewoonte”, schrijft Hogendorp, „liet ik het
daarbij; genoegzaam zeker, dat hij zooveel mede zou werken als hij doen kon, zonder zich openlijk
bloot te geven”. Dit was van Maanen goed beoordeeld: hij was er volstrekt de man niet naar, zich
op te offeren voor een verloren zaak, en des Keizers zaak heeft hij verloren beschouwd na de
aankomst der bondgenooten te Utrecht en van den Prins in den Haag. Den 1sten Dec. laat hij la
Cour impériale de la Haye in allen vrede omdoopen in Hooggerechtshof der Vereenigde
Nederlanden. Natuurlijk is het hoofd der justitie onmiddellijk in aanraking gekomen met den Vorst,
wien hij reeds te Londen door zijn buurman en huisvriend Repelaer sterk was aanbevolen 181). Den
7den Dec. werd hij in den kabinetsraad geroepen met de functiën, hoewel nog niet met den titel,
van minister van justitie. Is hij ook over de Schets geraadpleegd, en door wien?
In 1836 schrijft van Maanen aan Thorbecke, dat hij geen andere redactie der Schets kent, dan die
in de commissie gediend heeft. 182) Nu trekt het de aandacht dat, onmiddellijk na het openen der
persoon niet zeer aangetrokken gevoelde, kwam niet druk bij hem. Den 15den December heeft hij
over de gansche den Vorst in handen gegeven Schets nog geen woord van dezen vernomen; hij
dicteert dan (zijn hand nog niet tot zijn gebruik hebbende) een brief, waarin hij hem bij het heil
zijner nakomelingschap bezweert, met de zaak voortgang te maken. 174) Nauwelijks waren deze
woorden geschreven of de Vorst zelf trad binnen en onderging voorlezing van den brief. 175) Dat hij
die noodig had, is mij niet gebleken.
De Vorst had de Schets ontvangen na zijn terugkeer uit Amsterdam; ik denk 4 December (de
terugkeer was 3 Dec. 's avonds). De eerste dagen gingen voorbij met militaire overleggingen
(Bülow en Benkendorff in den Haag), die op dat oogenblik ook verreweg van den dringendsten
aard waren;—met opdrachten ook aan verschillende personen tot onverwijlde inbezitneming van al
wat tot het gebied der Vereenigde Nederlanden behoord had. Dan stroomde het van deputatiën en
individuën die hun opwachting kwamen maken; ook viel kennis aan te knoopen met het in den
Haag beschikbare regeeringspersoneel, voor een goed deel bestaande uit personen die de Vorst
nimmer ontmoet had. Daaronder waren oud-patriotten in een vrij aanzienlijk getal: Falck,
Canneman, van Maanen, Piepers. Falck stelde hem Elout voor, 176) die nog geen aanstelling had
van het Algemeen Bestuur, maar reeds een groote carrière achter zich had, bij Hogendorp bekend
en gezien was, en op den Vorst ook blijkbaar onmiddellijk indruk heeft gemaakt. 's Vorsten eigen
oude bekenden kwamen voor en na uit de provinciën opdagen; in den Haag vond hij Aylva, vóór
'95 in groot aanzien aan het hof en na '95 een der trouwste correspondenten van het huis gebleven.
Onderwijl zag de Vorst ook de Schets in en raadpleegde er dezen en genen over: Hogendorp
noemt, in een aanteekening van 1830, Aylva, van Maanen en Elout. 177)
Dat de oude huisvriend Aylva kennis van het stuk kreeg, kan wel niet anders; een oordeel in
schrift schijnt hij niet te hebben gegeven; het is althans niet bewaard.
Ten aanzien van van Maanen moet ik opmerken, dat Tellegen de verhouding tusschen hem en
van Hogendorp niet geheel juist weergeeft. Hogendorp was hem vriendelijk gezind, sedert van
Maanen hem geraden had hoe zijn klachten in te dienen tegen de aanwijzing van zijn zoon als
garde d'honneur. Hij bezoekt hem eenige dagen vóór den 17den en vindt het hoofd der keizerlijke
justitie in de beste stemming 178); wederom na den 21sten: van Maanen is „allervriendelijkst” maar
heeft niet den minsten lust openlijk mede te doen voor hij weet waarheen de zaken drijven 179), of
zijn unieke positie op te offeren en met zijn Keizerlijk Gerechtshof het veld te ruimen voor „alle de
Hoven Provintiaal, zooals dezelve bestonden in de jaren 1794 en 1795” 180). Hij redt er zich dus uit
met het verhaaltje over Filips II; de heeren, zegt hij, moeten inmiddels maar door middelen van
politie kracht aan hunne wetten geven. „Volgens mijne gewoonte”, schrijft Hogendorp, „liet ik het
daarbij; genoegzaam zeker, dat hij zooveel mede zou werken als hij doen kon, zonder zich openlijk
bloot te geven”. Dit was van Maanen goed beoordeeld: hij was er volstrekt de man niet naar, zich
op te offeren voor een verloren zaak, en des Keizers zaak heeft hij verloren beschouwd na de
aankomst der bondgenooten te Utrecht en van den Prins in den Haag. Den 1sten Dec. laat hij la
Cour impériale de la Haye in allen vrede omdoopen in Hooggerechtshof der Vereenigde
Nederlanden. Natuurlijk is het hoofd der justitie onmiddellijk in aanraking gekomen met den Vorst,
wien hij reeds te Londen door zijn buurman en huisvriend Repelaer sterk was aanbevolen 181). Den
7den Dec. werd hij in den kabinetsraad geroepen met de functiën, hoewel nog niet met den titel,
van minister van justitie. Is hij ook over de Schets geraadpleegd, en door wien?
In 1836 schrijft van Maanen aan Thorbecke, dat hij geen andere redactie der Schets kent, dan die
in de commissie gediend heeft. 182) Nu trekt het de aandacht dat, onmiddellijk na het openen der
Page 96
eerste vergadering, van Maanen een rede houdt die de Schets in het hart treft, en dat hij in zijn
eigen aanteekeningen een duidelijk onderscheid maakt tusschen leden die de Schets al, en die ze
nog niet gelezen hebben, en zichzelven tot de eerste categorie brengt. 183)
In zijn brief aan Thorbecke heet het, dat de gedrukte Schets aan hem en eenige anderen „vroeger
was rondgedeeld”, doch veel vroeger kan dit onmogelijk geweest zijn, aangezien volgens Röell de
president zijne geschreven analyse juist hierom voordroeg, wijl hij onderstellen moest „dat de
leden het pas voor een uur afgedrukt project nog niet geheel mogten gelezen hebben” 184). Zou van
Maanen nu inderdaad zelfs van het algemeen karakter der Schets geen kennis gedragen hebben, eer
hij het gedrukte exemplaar in handen kreeg? Het is onmogelijk aan te nemen. Hij verkeerde intiem
beide met Falck en met Elout, en deze twee wisten lang vóór de benoeming der commissie van de
Schets alles af. Trouwens 20 Dec. deelt van Maanen sub rosa aan Röell mede, dat van Hogendorp
eene schets van grondwet gemaakt heeft, en daarom zeker in de commissie zal komen; tevens
blijkt dat op den ochtend van dien dag tusschen Falck, Elout en van Maanen geconfereerd is over
de keus der in de commissie te benoemen personen, en dat men daar is overeen gekomen een
sterke poging te doen bij Röell, om dezen tot het aannemen eener benoeming over te halen 185). Is
het nu denkbaar dat bij dit alles het karakter der Schets van van Hogendorp geheel buiten
bespreking is gebleven? Veeleer stel ik mij voor dat juist omdat de Schets zoo was als zij was,
Falck, Elout en van Maanen zoo grooten prijs op het lidmaatschap van Röell hebben gesteld, wiens
denkbeelden zij kenden en dien zij voor een niet te versmaden bondgenoot moesten houden.
Niet slechts Falck en Elout hebben van Maanen over de Schets en de keuze van commissieleden
aangesproken, maar, blijkens zijn brief aan Thorbecke van 1836, de Souvereine Vorst zelf. Wat van
Maanen bij die gelegenheid uit of over de Schets vernam, vond hij later alles in het gedrukte stuk
terug, zoodat hij aan Thorbecke kon verklaren dat er geen ander stuk was geweest. Dit is natuurlijk
niet juist; maar wèl juist is zijne mededeeling, dat de Schets zooals zij in de commissie diende niet
was voortgekomen uit de beraadslagingen „eeniger staatsmannen” 186). De veranderingen in de
tweede redactie aangebracht zijn uitsluitend het gevolg van Hogendorp's overleggingen met den
Vorst 187), waarvan van Maanen geene kennis heeft gedragen.
Wat de opinie van van Maanen over de Schets betreft, deze blijkt duidelijk uit de
beraadslagingen der commissie. Reeds vóór zij bijeenkwam, moet hij zich in afkeurenden zin
hebben uitgelaten. „Ik weet”, schrijft 21 April 1877 Elout's zoon aan van Maanen's kleinzoon, „dat
de Schets althans aan wijlen den Heer Minister van Maanen daarna 188) ook werd medegedeeld 189)
en deze allereerst van oordeel was dat de keizerlijke constitutie met wijziging van namen enz.
zouden kunnen voldoen aan het oogmerk”. 190) Merkwaardig stemt met deze traditie overeen wat
Hogendorp in 1817 schrijft: „van Maanen meende eerst, dat men alles kon behouden zooals het
was, en den Prins slegts behoefde in de plaats van den Keizer te stellen”. 191) De raad van Fouché
aan de Bourbons: „se coucher dans le lit de Napoléon”.
Als derde, die van de Schets in tweede redactie kennis zou hebben gehad, noemt van Hogendorp
in 1830 Elout. Zijn oordeel is in geschrifte bewaard. Hij ontving het stuk van Falck, 9 Dec. 1813,
en wel „op uitdrukkelijk verlangen van den Heer van Hogendorp,” 192) nam er copie van, en stelde
er korte aanteekeningen op voor zichzelf 193) en een uitgebreidere voor van Hogendorp. 194) Met
deze laatste was Falck „het bijna onvoorwaardelijk eens.” 195) De kern der opmerkingen van Elout
is deze: „Kon men zich verplaatsen in het tijdvak van 1787 of vroeger, de ontworpen schets zou
zeer groote waarde hebben; maar gedane zaken nemen geen keer, en nu is het bedenkelijk het
nieuw op te trekken gebouw te vestigen op gronden welker wederinroeping onmogelijk schijnt.”
De gewichtigste opmerking van bijzonderen aard: „Is het doelmatig te bepalen, dat de Staten der
eigen aanteekeningen een duidelijk onderscheid maakt tusschen leden die de Schets al, en die ze
nog niet gelezen hebben, en zichzelven tot de eerste categorie brengt. 183)
In zijn brief aan Thorbecke heet het, dat de gedrukte Schets aan hem en eenige anderen „vroeger
was rondgedeeld”, doch veel vroeger kan dit onmogelijk geweest zijn, aangezien volgens Röell de
president zijne geschreven analyse juist hierom voordroeg, wijl hij onderstellen moest „dat de
leden het pas voor een uur afgedrukt project nog niet geheel mogten gelezen hebben” 184). Zou van
Maanen nu inderdaad zelfs van het algemeen karakter der Schets geen kennis gedragen hebben, eer
hij het gedrukte exemplaar in handen kreeg? Het is onmogelijk aan te nemen. Hij verkeerde intiem
beide met Falck en met Elout, en deze twee wisten lang vóór de benoeming der commissie van de
Schets alles af. Trouwens 20 Dec. deelt van Maanen sub rosa aan Röell mede, dat van Hogendorp
eene schets van grondwet gemaakt heeft, en daarom zeker in de commissie zal komen; tevens
blijkt dat op den ochtend van dien dag tusschen Falck, Elout en van Maanen geconfereerd is over
de keus der in de commissie te benoemen personen, en dat men daar is overeen gekomen een
sterke poging te doen bij Röell, om dezen tot het aannemen eener benoeming over te halen 185). Is
het nu denkbaar dat bij dit alles het karakter der Schets van van Hogendorp geheel buiten
bespreking is gebleven? Veeleer stel ik mij voor dat juist omdat de Schets zoo was als zij was,
Falck, Elout en van Maanen zoo grooten prijs op het lidmaatschap van Röell hebben gesteld, wiens
denkbeelden zij kenden en dien zij voor een niet te versmaden bondgenoot moesten houden.
Niet slechts Falck en Elout hebben van Maanen over de Schets en de keuze van commissieleden
aangesproken, maar, blijkens zijn brief aan Thorbecke van 1836, de Souvereine Vorst zelf. Wat van
Maanen bij die gelegenheid uit of over de Schets vernam, vond hij later alles in het gedrukte stuk
terug, zoodat hij aan Thorbecke kon verklaren dat er geen ander stuk was geweest. Dit is natuurlijk
niet juist; maar wèl juist is zijne mededeeling, dat de Schets zooals zij in de commissie diende niet
was voortgekomen uit de beraadslagingen „eeniger staatsmannen” 186). De veranderingen in de
tweede redactie aangebracht zijn uitsluitend het gevolg van Hogendorp's overleggingen met den
Vorst 187), waarvan van Maanen geene kennis heeft gedragen.
Wat de opinie van van Maanen over de Schets betreft, deze blijkt duidelijk uit de
beraadslagingen der commissie. Reeds vóór zij bijeenkwam, moet hij zich in afkeurenden zin
hebben uitgelaten. „Ik weet”, schrijft 21 April 1877 Elout's zoon aan van Maanen's kleinzoon, „dat
de Schets althans aan wijlen den Heer Minister van Maanen daarna 188) ook werd medegedeeld 189)
en deze allereerst van oordeel was dat de keizerlijke constitutie met wijziging van namen enz.
zouden kunnen voldoen aan het oogmerk”. 190) Merkwaardig stemt met deze traditie overeen wat
Hogendorp in 1817 schrijft: „van Maanen meende eerst, dat men alles kon behouden zooals het
was, en den Prins slegts behoefde in de plaats van den Keizer te stellen”. 191) De raad van Fouché
aan de Bourbons: „se coucher dans le lit de Napoléon”.
Als derde, die van de Schets in tweede redactie kennis zou hebben gehad, noemt van Hogendorp
in 1830 Elout. Zijn oordeel is in geschrifte bewaard. Hij ontving het stuk van Falck, 9 Dec. 1813,
en wel „op uitdrukkelijk verlangen van den Heer van Hogendorp,” 192) nam er copie van, en stelde
er korte aanteekeningen op voor zichzelf 193) en een uitgebreidere voor van Hogendorp. 194) Met
deze laatste was Falck „het bijna onvoorwaardelijk eens.” 195) De kern der opmerkingen van Elout
is deze: „Kon men zich verplaatsen in het tijdvak van 1787 of vroeger, de ontworpen schets zou
zeer groote waarde hebben; maar gedane zaken nemen geen keer, en nu is het bedenkelijk het
nieuw op te trekken gebouw te vestigen op gronden welker wederinroeping onmogelijk schijnt.”
De gewichtigste opmerking van bijzonderen aard: „Is het doelmatig te bepalen, dat de Staten der
Page 97
Provinciën blijven op den ouden voet, dat is zooals voor 1795? Vervalt niet die oude voet alleenlijk
daardoor, dat men hun de Souvereiniteit beneemt?”
Vermoedelijk heeft Elout 13 of 14 December zijne bedenkingen bij Hogendorp mondeling
toegelicht, 196) maar zekerheid bestaat op dit punt niet. Tot wijzigingen in de Schets hebben zij
geen aanleiding gegeven; met een enkele wijziging van détails was er trouwens niet aan te gemoet
te komen. De strijd van denkbeelden, thans geopend, zou in de commissie moeten worden
uitgevochten.
Nadat de Vorst den 15den bespeurd had dat Hogendorp ongeduldig werd, zal hij de studie der
Schets, thans van Elout terug, hebben hervat. Den 19den zendt hij Hogendorp zijne aanmerkingen
in geschrifte toe. 197) Hij schrapt daarin de woorden Koning en Kroonprins en vervangt ze door
Souvereinen Vorst en Erfprins; hij verlangt dat de Vorst verbonden zal kunnen bekrachtigen zonder
voorafgaande goedkeuring der Staten-Generaal, die alleen de beschikking houden over de
middelen, om de ingegane voorwaarden te vervullen; hij wil het getal der ministerieele
departementen (door Hogendorp op zes gesteld) onbepaald laten; hij brengt de civiele lijst van een
millioen op vijf à zes ton terug, en wil de andere helft liever uit de terug te geven oude domeinen
van het huis genieten; hij wil een algemeenen rijksadel in plaats van de voorgeslagen provinciale
ridderschappen; hij verlangt het tweekamerstelsel; hij wil onderscheid gemaakt hebben tusschen
permanente uitgaven, die aan het begrootingsrecht der Staten-Generaal onttrokken zullen worden,
en tijdelijke, die er aan onderworpen zullen zijn; hij verlangt in elke provincie een stadhouder als
zijn vertegenwoordiger en in Holland twee (Amsterdam bij het Noorderkwartier, als onder
Lodewijk Napoleon); en eischt, als een regaal, de munt voor zich op. Den volgenden avond kwam
hij dit alles met Hogendorp bespreken tot drie uur in den nacht 198). Alle voorgeslagen wijzigingen
werden door Hogendorp overgenomen op twee na: rijksadel en hoogerhuis; twee zaken die met
elkander samenhingen. Hogendorp had, naast de provinciale ridderschappen, bestemd ter
vertegenwoordiging van het platteland in de Provinciale Staten, een stand van rijksgraven en pairs
voorgesteld, met zitting in de Staten-Generaal krachtens geboorterecht en voor hun leven; zij
zouden door den Vorst tot die waardigheid worden verheven, in iedere provincie op de
honderdduizend zielen één 199). De Vorst „had geen zin in zoo groote heeren” 200). Hij wilde een
rijksadel, waarin om te beginnen alle bestaande edelen zouden worden opgenomen (onder welken
de Gelderschen en Overijselaars de groote meerderheid uitmaakten), en die door verleening van
adeldom van 's Vorsten wege zou kunnen worden aangevuld; uit dezen adel wilde hij een
hoogerhuis trekken, en het lagerhuis doen bestaan uit afgevaardigden òf door de Provinciale Staten
te benoemen (als bij Hogendorp), òf wel door de gewezen stemhebbende steden onmiddellijk,
waarbij dan de Provinciale Staten nog eenige afgevaardigden zouden voegen, men moet verstaan
voor het platteland. Hogendorp wierp tegen, dat op die wijze de algemeene belangen voortdurend
onderworpen zouden kunnen zijn aan het behagen van eenige jonkers uit de landprovinciën. Het
eind was dat hij zijn pairs, de Vorst zijn „adel der Vereenigde Nederlanden” en zijn hoogerhuis
opofferde.
Tegelijk werd afgesproken, dat de naar 's Vorsten opmerkingen omgewerkte Schets aan de
commissie als leidraad zou dienen, en dat het resultaat harer beraadslaging, zoo mogelijk in
Januari 1814, ter goed- of afkeuring zou worden onderworpen aan eene vergadering van 5 à 600
notabelen, welke zich na aanneming der grondwet constitueeren zou tot eene „algemeene groote
Statenvergadering,” om den eed des Vorsten te ontvangen en hem in staat te stellen tot invoering
der grondwet, en vervolgens „na weinige dagen” heen te gaan, waarop de eerste constitutioneele
vergadering van Staten-Generaal geopend zou worden op 1 Nov. 1814 201).
daardoor, dat men hun de Souvereiniteit beneemt?”
Vermoedelijk heeft Elout 13 of 14 December zijne bedenkingen bij Hogendorp mondeling
toegelicht, 196) maar zekerheid bestaat op dit punt niet. Tot wijzigingen in de Schets hebben zij
geen aanleiding gegeven; met een enkele wijziging van détails was er trouwens niet aan te gemoet
te komen. De strijd van denkbeelden, thans geopend, zou in de commissie moeten worden
uitgevochten.
Nadat de Vorst den 15den bespeurd had dat Hogendorp ongeduldig werd, zal hij de studie der
Schets, thans van Elout terug, hebben hervat. Den 19den zendt hij Hogendorp zijne aanmerkingen
in geschrifte toe. 197) Hij schrapt daarin de woorden Koning en Kroonprins en vervangt ze door
Souvereinen Vorst en Erfprins; hij verlangt dat de Vorst verbonden zal kunnen bekrachtigen zonder
voorafgaande goedkeuring der Staten-Generaal, die alleen de beschikking houden over de
middelen, om de ingegane voorwaarden te vervullen; hij wil het getal der ministerieele
departementen (door Hogendorp op zes gesteld) onbepaald laten; hij brengt de civiele lijst van een
millioen op vijf à zes ton terug, en wil de andere helft liever uit de terug te geven oude domeinen
van het huis genieten; hij wil een algemeenen rijksadel in plaats van de voorgeslagen provinciale
ridderschappen; hij verlangt het tweekamerstelsel; hij wil onderscheid gemaakt hebben tusschen
permanente uitgaven, die aan het begrootingsrecht der Staten-Generaal onttrokken zullen worden,
en tijdelijke, die er aan onderworpen zullen zijn; hij verlangt in elke provincie een stadhouder als
zijn vertegenwoordiger en in Holland twee (Amsterdam bij het Noorderkwartier, als onder
Lodewijk Napoleon); en eischt, als een regaal, de munt voor zich op. Den volgenden avond kwam
hij dit alles met Hogendorp bespreken tot drie uur in den nacht 198). Alle voorgeslagen wijzigingen
werden door Hogendorp overgenomen op twee na: rijksadel en hoogerhuis; twee zaken die met
elkander samenhingen. Hogendorp had, naast de provinciale ridderschappen, bestemd ter
vertegenwoordiging van het platteland in de Provinciale Staten, een stand van rijksgraven en pairs
voorgesteld, met zitting in de Staten-Generaal krachtens geboorterecht en voor hun leven; zij
zouden door den Vorst tot die waardigheid worden verheven, in iedere provincie op de
honderdduizend zielen één 199). De Vorst „had geen zin in zoo groote heeren” 200). Hij wilde een
rijksadel, waarin om te beginnen alle bestaande edelen zouden worden opgenomen (onder welken
de Gelderschen en Overijselaars de groote meerderheid uitmaakten), en die door verleening van
adeldom van 's Vorsten wege zou kunnen worden aangevuld; uit dezen adel wilde hij een
hoogerhuis trekken, en het lagerhuis doen bestaan uit afgevaardigden òf door de Provinciale Staten
te benoemen (als bij Hogendorp), òf wel door de gewezen stemhebbende steden onmiddellijk,
waarbij dan de Provinciale Staten nog eenige afgevaardigden zouden voegen, men moet verstaan
voor het platteland. Hogendorp wierp tegen, dat op die wijze de algemeene belangen voortdurend
onderworpen zouden kunnen zijn aan het behagen van eenige jonkers uit de landprovinciën. Het
eind was dat hij zijn pairs, de Vorst zijn „adel der Vereenigde Nederlanden” en zijn hoogerhuis
opofferde.
Tegelijk werd afgesproken, dat de naar 's Vorsten opmerkingen omgewerkte Schets aan de
commissie als leidraad zou dienen, en dat het resultaat harer beraadslaging, zoo mogelijk in
Januari 1814, ter goed- of afkeuring zou worden onderworpen aan eene vergadering van 5 à 600
notabelen, welke zich na aanneming der grondwet constitueeren zou tot eene „algemeene groote
Statenvergadering,” om den eed des Vorsten te ontvangen en hem in staat te stellen tot invoering
der grondwet, en vervolgens „na weinige dagen” heen te gaan, waarop de eerste constitutioneele
vergadering van Staten-Generaal geopend zou worden op 1 Nov. 1814 201).
Page 98
Terzelven dage dat de Vorst Hogendorp zijne aanmerkingen op de Schets toezond, moet hij
Falck last gegeven hebben, het besluit tot bijeenroeping der commissie op te maken; hij zal hem de
personen genoemd hebben die hij zelf er in wenschte, en andere namen aan Falck hebben
gevraagd 202). Het denkbeeld schijnt daarbij te zijn geopperd ook aan de ministers 203) zitting te
verleenen 204); hiervan is echter afgezien 205). Van een bezoek van den Vorst aan Hogendorp
tusschen 15 en 20 Dec. is niets bekend, en in schrift is er geen bewijs gevonden dat hij over de
personen geraadpleegd is. De namen zullen hem 20 Nov. zijn onderworpen bij conversatie; maar
alles wijst er dunkt mij op dat de Vorst bij de keus van oud-oranjemannen vooral met zijn eigen
herinneringen te rade is gegaan, en voor die van oud-patriotten met het iederen dag meer door hem
gewaardeerd inzicht en de ondervinding van Falck 206).
De personen, 21 Dec. benoemd, waren veertien in getal. Tellegen heeft gemeend ze naar de
(toen nog bestaande) Fransche departementen te moeten schikken; er zouden er dan vier komen op
de Monden van de Maas, drie op de Zuiderzee, twee op den Boven-IJsel, twee op Friesland, één op
de Monden van de Schelde, één op de Monden van den IJsel, één op de Wester-Eems. Ik geloof
niet dat dit vermoeden grond heeft: de wanverhouding tusschen het groote departement van de
Zuiderzee met drie 207), en het minder bevolkte der Monden van de Maas met vier leden zou te
opvallend zijn 208). Denkt men aan de oude provinciën, dan zouden er zes leden komen op Holland
(van der Duyn, Elout, Hogendorp, van Maanen, Repelaer, Röell), twee op Gelderland (van
Lynden, Schimmelpenninck), twee op Friesland (Aylva, Humalda), een op Zeeland (Lampsins),
Utrecht (van Tuyll), Overijsel (van Heerdt) en Groningen (Heerkens). Doch nòch eene schikking
naar departementen, nòch eene naar oude provinciën, is in het besluit genoemd; de leden zijn daar
vermeld in alphabetische volgorde. Dit is echter zeker, dat men geen der oude provinciën zonder
een lid heeft willen laten 209). Toen later bleek dat Heerkens, hoewel van Groningsche familie, te
Venlo geboren was, heeft men hem voor de Generaliteitslanden laten gelden, en een ander (van
Imhoff) voor Groningen er bij benoemd. De ware reden, waarom men oorspronkelijk het oog op
Heerkens gevestigd had, was, dat hij katholiek was, en Falck er stellig een katholiek in wenschte te
hebben, dien hij alleen had kunnen plaatsen voor Groningen als nog niet van een lid voorzien
gewest 210).
In de vergaderingen hebben de leden niet naar de alphabetische orde, maar naar die van den
leeftijd gestemd. In deze orde gaan wij ze hier bespreken, met uitschakeling van den president van
Hogendorp (geb. 1762).
Willem Carel Hendrik baron van Lynden van Blitterswijk (1736–1816) behoorde tot een der
aanzienlijkste geslachten van de provincie Gelderland, en had in zeer nauwe betrekking gestaan tot
Prins Willem V. In 1758 in de ridderschap van het kwartier van Nijmegen beschreven, had hij van
1760 tot 1772 den post van tweeden secretaris der admiraliteit van Zeeland bekleed; vervolgens
naar Gelderland teruggekeerd, was hij voor die provincie in de Staten-Generaal verschenen en is
een dergenen geweest die het meest bevorderd hebben dat de Prins zich aan den overwegenden
invloed van den hertog van Brunswijk gaandeweg onttrok. In 1778 had de Prins hem een groot
bewijs van vertrouwen gegeven door hem te benoemen tot Representant van den Eersten Edele in
Zeeland, een post tot 1795 door hem bekleed. Door deze benoeming werd van den regel
afgeweken die in deze betrekking een Zeeuw verlangde; maar de provincie was toen zoo door
kabalen verscheurd dat het geraden voorkwam er een „buitenlander” van aanzien te plaatsen. Van
Lynden toonde zich in Zeeland een omzichtig man; volstrekt geen ultra-oranjeklant naar den
Zeeuwschen smaak. Hij behoort tot degenen die altijd voor een vergelijk met de patriotten hebben
gewerkt, en toen de, in Zeeland zoo bijzonder hevige, orangistische reactie in '87 de overhand
Falck last gegeven hebben, het besluit tot bijeenroeping der commissie op te maken; hij zal hem de
personen genoemd hebben die hij zelf er in wenschte, en andere namen aan Falck hebben
gevraagd 202). Het denkbeeld schijnt daarbij te zijn geopperd ook aan de ministers 203) zitting te
verleenen 204); hiervan is echter afgezien 205). Van een bezoek van den Vorst aan Hogendorp
tusschen 15 en 20 Dec. is niets bekend, en in schrift is er geen bewijs gevonden dat hij over de
personen geraadpleegd is. De namen zullen hem 20 Nov. zijn onderworpen bij conversatie; maar
alles wijst er dunkt mij op dat de Vorst bij de keus van oud-oranjemannen vooral met zijn eigen
herinneringen te rade is gegaan, en voor die van oud-patriotten met het iederen dag meer door hem
gewaardeerd inzicht en de ondervinding van Falck 206).
De personen, 21 Dec. benoemd, waren veertien in getal. Tellegen heeft gemeend ze naar de
(toen nog bestaande) Fransche departementen te moeten schikken; er zouden er dan vier komen op
de Monden van de Maas, drie op de Zuiderzee, twee op den Boven-IJsel, twee op Friesland, één op
de Monden van de Schelde, één op de Monden van den IJsel, één op de Wester-Eems. Ik geloof
niet dat dit vermoeden grond heeft: de wanverhouding tusschen het groote departement van de
Zuiderzee met drie 207), en het minder bevolkte der Monden van de Maas met vier leden zou te
opvallend zijn 208). Denkt men aan de oude provinciën, dan zouden er zes leden komen op Holland
(van der Duyn, Elout, Hogendorp, van Maanen, Repelaer, Röell), twee op Gelderland (van
Lynden, Schimmelpenninck), twee op Friesland (Aylva, Humalda), een op Zeeland (Lampsins),
Utrecht (van Tuyll), Overijsel (van Heerdt) en Groningen (Heerkens). Doch nòch eene schikking
naar departementen, nòch eene naar oude provinciën, is in het besluit genoemd; de leden zijn daar
vermeld in alphabetische volgorde. Dit is echter zeker, dat men geen der oude provinciën zonder
een lid heeft willen laten 209). Toen later bleek dat Heerkens, hoewel van Groningsche familie, te
Venlo geboren was, heeft men hem voor de Generaliteitslanden laten gelden, en een ander (van
Imhoff) voor Groningen er bij benoemd. De ware reden, waarom men oorspronkelijk het oog op
Heerkens gevestigd had, was, dat hij katholiek was, en Falck er stellig een katholiek in wenschte te
hebben, dien hij alleen had kunnen plaatsen voor Groningen als nog niet van een lid voorzien
gewest 210).
In de vergaderingen hebben de leden niet naar de alphabetische orde, maar naar die van den
leeftijd gestemd. In deze orde gaan wij ze hier bespreken, met uitschakeling van den president van
Hogendorp (geb. 1762).
Willem Carel Hendrik baron van Lynden van Blitterswijk (1736–1816) behoorde tot een der
aanzienlijkste geslachten van de provincie Gelderland, en had in zeer nauwe betrekking gestaan tot
Prins Willem V. In 1758 in de ridderschap van het kwartier van Nijmegen beschreven, had hij van
1760 tot 1772 den post van tweeden secretaris der admiraliteit van Zeeland bekleed; vervolgens
naar Gelderland teruggekeerd, was hij voor die provincie in de Staten-Generaal verschenen en is
een dergenen geweest die het meest bevorderd hebben dat de Prins zich aan den overwegenden
invloed van den hertog van Brunswijk gaandeweg onttrok. In 1778 had de Prins hem een groot
bewijs van vertrouwen gegeven door hem te benoemen tot Representant van den Eersten Edele in
Zeeland, een post tot 1795 door hem bekleed. Door deze benoeming werd van den regel
afgeweken die in deze betrekking een Zeeuw verlangde; maar de provincie was toen zoo door
kabalen verscheurd dat het geraden voorkwam er een „buitenlander” van aanzien te plaatsen. Van
Lynden toonde zich in Zeeland een omzichtig man; volstrekt geen ultra-oranjeklant naar den
Zeeuwschen smaak. Hij behoort tot degenen die altijd voor een vergelijk met de patriotten hebben
gewerkt, en toen de, in Zeeland zoo bijzonder hevige, orangistische reactie in '87 de overhand
Page 99
nam, liep zijn positie een tijdlang groot gevaar. In 1795 was hij naar Gelderland teruggekeerd en
had daar stil geleefd; den tijd der persoonlijke eerzucht lang te boven, had hij met het nieuwe
regime, ook onder koning Lodewijk, nooit iets te doen willen hebben. Hij was daar volstrekt
vreemd aan, ten minste aan de practijk daarvan; maar van nature gematigd, was hij niet geheel
ontoegankelijk voor andere denkbeelden dan in zijn jeugd hadden gegolden.
Willem René baron van Tuyll van Serooskerken van Zuylen (1743–1839), in 1776 beschreven
in de ridderschap der provincie Utrecht, broeder van de in de geschiedenis der Fransche letteren
bekende Mevrouw de Charrière, was nog geheel een man van het oude régime. Minder bekwaam
dan van Lynden, is hij dezen doorgaans in de beraadslaging gevolgd. Ook hij was sedert 1795
buiten alle bewind gebleven, maar zijn zoon was onder Lodewijk kwartierdrost van Utrecht en
onder de Franschen onderprefect aldaar. Den 30sten Nov. was hij opgetreden onder de leden van
het 2 Dec. door het Algemeen Bestuur gecasseerde Provinciaal Bestuur van Utrecht.
Willem Anne baron Schimmelpenninck van der Oye (1750–1818), in 1777 beschreven in de
ridderschap van de Veluwe, had van 1791 tot 1795 den post bekleed van rigter van Arnhem en in
Veluwenzoom; hij stond bij het Oranjehuis in aanzien en was in 1799 een dergenen geweest op wie
men het meest rekende voor een tegenomwenteling in Gelderland. Lodewijk Napoleon had hem in
1808 tot staatsraad in buitengewonen dienst benoemd; tijdens de inlijving was hij buiten bewind
gebleven. 4 Dec. was hij door het Algemeen Bestuur benoemd tot commissaris-generaal (prefect)
in het departement van den Boven-IJsel, welken post hij nu nog bekleedde, te zamen met een
collega, W. H. A. C. baron van Heeckeren van Kell 211). Een van de bewijzen van de haast
waarmede de lijst van commissieleden is opgemaakt, 212) is dat men zich blijkbaar niet vergewist
heeft of Schimmelpenninck te Arnhem kon worden gemist. Blijkbaar niet, en om redenen die hij
aannemelijk heeft weten te maken 213), want hij is nimmer verschenen. Daar er geen ander in zijn
plaats is benoemd, vermoed ik dat hij eerst gedacht heeft spoedig te zullen kunnen komen; toen de
redenen van verhindering permanent bleken 214) zal men de beraadslaging te ver heen hebben
geacht om er nog een ander in te laten vallen.
Hans Willem baron van Aylva (1751–1827), in 1772 volmacht van Baarderadeel, in 1780
grietman van het Bildt, in 1788 van Baarderadeel, had in den tijd dat de meerderheid der Friesche
aristocraten met Willem V overhoop lag, tot de patriotsche partij behoord en zelfs deelgenomen
aan de nationale vergaderingen van patriotsche regenten te Amsterdam, maar na eenige jaren
evenals de anderen zijn vrede met den Prins gemaakt, bij wien hij vervolgens zeer in de gunst
kwam. In de laatste jaren voor '95 zat hij geregeld voor Friesland in de Staten-Generaal en stond
als hofmaarschalk in dagelijksch verkeer met de stadhouderlijke familie. Over zijn houding in
1795 en 1799 is reeds gesproken 215); zij was vrij tegemoetkomend tegenover de nieuwere
denkbeelden. Onder Schimmelpenninck en koning Lodewijk was hij lid geweest van het
Wetgevend Lichaam; onder Napoleon had hij geen ambten bekleed. Op enkele punten, als de
godsdienst van den Souvereinen Vorst, stond Aylva met Friesche hoofdigheid op zijn stuk, maar
over het geheel ging hij met de nieuwe opvattingen mede. Op van Heerdt na, was hij van al de
leden der commissie degeen dien de Vorst van vroeger het best kende. Deze persoonlijke
verhouding in aanmerking nemend, houd ik het voor zeer waarschijnlijk dat de Vorst hem behalve
over de Schets in het algemeen, ook over de keuze der commissieleden geraadpleegd heeft.
Mr. Apolonius Jan Cornelis Lampsins (1754–1834), uit het bekende oude Zeeuwsche geslacht
van dien naam, maar uit een tak die naar Amsterdam was overgeplaatst, was zijn loopbaan
begonnen in de groote stad, waar hij in 1780 schepen en in 1784 lid der vroedschap werd. Hij
behoorde tot de oranjegezinde fractie in dat college, en werd in April '87 door de patriotten
had daar stil geleefd; den tijd der persoonlijke eerzucht lang te boven, had hij met het nieuwe
regime, ook onder koning Lodewijk, nooit iets te doen willen hebben. Hij was daar volstrekt
vreemd aan, ten minste aan de practijk daarvan; maar van nature gematigd, was hij niet geheel
ontoegankelijk voor andere denkbeelden dan in zijn jeugd hadden gegolden.
Willem René baron van Tuyll van Serooskerken van Zuylen (1743–1839), in 1776 beschreven
in de ridderschap der provincie Utrecht, broeder van de in de geschiedenis der Fransche letteren
bekende Mevrouw de Charrière, was nog geheel een man van het oude régime. Minder bekwaam
dan van Lynden, is hij dezen doorgaans in de beraadslaging gevolgd. Ook hij was sedert 1795
buiten alle bewind gebleven, maar zijn zoon was onder Lodewijk kwartierdrost van Utrecht en
onder de Franschen onderprefect aldaar. Den 30sten Nov. was hij opgetreden onder de leden van
het 2 Dec. door het Algemeen Bestuur gecasseerde Provinciaal Bestuur van Utrecht.
Willem Anne baron Schimmelpenninck van der Oye (1750–1818), in 1777 beschreven in de
ridderschap van de Veluwe, had van 1791 tot 1795 den post bekleed van rigter van Arnhem en in
Veluwenzoom; hij stond bij het Oranjehuis in aanzien en was in 1799 een dergenen geweest op wie
men het meest rekende voor een tegenomwenteling in Gelderland. Lodewijk Napoleon had hem in
1808 tot staatsraad in buitengewonen dienst benoemd; tijdens de inlijving was hij buiten bewind
gebleven. 4 Dec. was hij door het Algemeen Bestuur benoemd tot commissaris-generaal (prefect)
in het departement van den Boven-IJsel, welken post hij nu nog bekleedde, te zamen met een
collega, W. H. A. C. baron van Heeckeren van Kell 211). Een van de bewijzen van de haast
waarmede de lijst van commissieleden is opgemaakt, 212) is dat men zich blijkbaar niet vergewist
heeft of Schimmelpenninck te Arnhem kon worden gemist. Blijkbaar niet, en om redenen die hij
aannemelijk heeft weten te maken 213), want hij is nimmer verschenen. Daar er geen ander in zijn
plaats is benoemd, vermoed ik dat hij eerst gedacht heeft spoedig te zullen kunnen komen; toen de
redenen van verhindering permanent bleken 214) zal men de beraadslaging te ver heen hebben
geacht om er nog een ander in te laten vallen.
Hans Willem baron van Aylva (1751–1827), in 1772 volmacht van Baarderadeel, in 1780
grietman van het Bildt, in 1788 van Baarderadeel, had in den tijd dat de meerderheid der Friesche
aristocraten met Willem V overhoop lag, tot de patriotsche partij behoord en zelfs deelgenomen
aan de nationale vergaderingen van patriotsche regenten te Amsterdam, maar na eenige jaren
evenals de anderen zijn vrede met den Prins gemaakt, bij wien hij vervolgens zeer in de gunst
kwam. In de laatste jaren voor '95 zat hij geregeld voor Friesland in de Staten-Generaal en stond
als hofmaarschalk in dagelijksch verkeer met de stadhouderlijke familie. Over zijn houding in
1795 en 1799 is reeds gesproken 215); zij was vrij tegemoetkomend tegenover de nieuwere
denkbeelden. Onder Schimmelpenninck en koning Lodewijk was hij lid geweest van het
Wetgevend Lichaam; onder Napoleon had hij geen ambten bekleed. Op enkele punten, als de
godsdienst van den Souvereinen Vorst, stond Aylva met Friesche hoofdigheid op zijn stuk, maar
over het geheel ging hij met de nieuwe opvattingen mede. Op van Heerdt na, was hij van al de
leden der commissie degeen dien de Vorst van vroeger het best kende. Deze persoonlijke
verhouding in aanmerking nemend, houd ik het voor zeer waarschijnlijk dat de Vorst hem behalve
over de Schets in het algemeen, ook over de keuze der commissieleden geraadpleegd heeft.
Mr. Apolonius Jan Cornelis Lampsins (1754–1834), uit het bekende oude Zeeuwsche geslacht
van dien naam, maar uit een tak die naar Amsterdam was overgeplaatst, was zijn loopbaan
begonnen in de groote stad, waar hij in 1780 schepen en in 1784 lid der vroedschap werd. Hij
behoorde tot de oranjegezinde fractie in dat college, en werd in April '87 door de patriotten
Page 100
geremoveerd. Hij bevond zich op dat oogenblik te Parijs, half voor zijn genoegen, half om er voor
de oranjepartij de gangen van den Rijngraaf van Salm na te gaan. Hij was een man met zin voor
politieke intrigue, die zich te Parijs zeer thuis gevoelde; hij is er tot in 1789 gebleven en
vervolgens niet naar Amsterdam teruggekeerd, daar hij inmiddels tot baljuw van Vlissingen
benoemd was. In 1795 week hij naar Duitschland uit, maar heeft in dat jaar en in '96
onderscheiden inspectiereizen naar de gerevolutionneerde Republiek gedaan, waarover hij
merkwaardige verslagen aan den Erfprins uitbracht: zij raden een poging tot gewelddadige
tegenomwenteling ten sterkste af, daar het oude nimmer terug zal kunnen keeren. Na deze reizen
vestigde hij zich te Brunswijk, verkeerde er aan het hertogelijk hof en beheerde met Tollius een
soort agentschap voor de overbrenging van nieuws uit en over de Republiek aan het Oranjehuis en
de mogendheden. Later heeft hij te Dessau gewoond en was kamerheer-titulair van den koning van
Pruisen; in 1807 is hij naar het vaderland teruggekeerd en is gaan wonen te Utrecht, waar hij
ambteloos bleef tot den opstand. Lampsins was een man die begreep waar de tijd heendreef; alleen
op het punt van de positie der Hervormde Kerk toonde hij zich zeer aan het oude gehecht, naar het
schijnt vooral uit vrees van door de Katholieken te worden overheerd na de vereeniging met
België. Overigens geen man die zich in de commissie veel inspanning heeft getroost of er eene rol
van beteekenis heeft gespeeld.
Jhr. Idzerd Aebinga van Humalda (1754–1834), vóór '95 grietman van Hennaarderadeel, week
in dat jaar naar Oostfriesland uit en zocht in verstandhouding met den Erfprins en de Engelsche
regeering een tegenomwenteling in zijne provincie te bewerken. Hij onderhield tot dit doel
geregelde betrekkingen met partijgenooten binnenslands, maar werd daarbij het geloovig werktuig
van lieden van dubbelzinnig karakter, die meer opgaven dan zij verantwoorden konden, en toen de
tijd om te handelen in 1799 gekomen was, liep de geheele zaak op niets uit. Humalda is een
dergenen die het langst aan de mogelijkheid van een tegenomwenteling hebben geloofd; nog in
1802 schrijft hij in dien geest aan den in Duitschland aangekomen Willem V, die zelf dan alle hoop
reeds lang heeft laten varen. Hij had zich voor de zaak van Oranje bijzonder veel moeite en
opofferingen getroost, en zijn benoeming in de commissie, evenals die tot gouverneur van
Friesland die er op volgde (29 April 1814), is wellicht als eene erkenning daarvan aan te merken.
Hij was meer een karakter dan een capaciteit en is in de commissie niet zeer naar voren getreden.
Na 1802 in het land teruggekeerd, had Humalda sindsdien geen posten bekleed dan dien van maire
van Wommels (1811).
Mr. Ocker Repelaer van Driel (1759–1832), uit een Dortsch regentengeslacht, in 1787 lid van de
vroedschap zijner vaderstad geworden, bekleedde in 1794 den post van commissaris-generaal tot
de vivres bij het leger der Republiek, en werd gedurende den winterveldtocht door van de Spiegel
gebruikt tot de vruchtelooze onderhandeling met den Franschen volksrepresentant Lacombe St.
Michel te 's-Hertogenbosch, en vervolgens met Brantsen naar Parijs gezonden met een
vredesvoorstel aan het Comité de Salut Public. Nadat door het wapensucces der Franschen alle
kans voor de oude Republiek verkeken was, had hij bij de Comitéleden Pelet de la Lozère en
Cambacérès trachten te bewerken dat Nederland althans niet gejacobiniseerd zou worden; dat men
er beproeven zou „une réunion des talens et des propriétés,” 216) de reconstructie van 1801 met
andere woorden, waarvoor het in '95 nog de tijd niet was. Naar den Haag teruggekeerd, was hij
voortgegaan voor dit denkbeeld te werken, sprak er gematigde patriotten over, correspondeerde er
over met den uitgeweken Prins. De ontdekking dezer briefwisseling door het Hollandsche Comité
van Waakzaamheid leidde tot zijn inhechtenisneming. Na een langdurig proces, waarin zijn vriend
van later tijd en medelid van thans, van Maanen, toen procureur-generaal van Holland, zijn hoofd
de oranjepartij de gangen van den Rijngraaf van Salm na te gaan. Hij was een man met zin voor
politieke intrigue, die zich te Parijs zeer thuis gevoelde; hij is er tot in 1789 gebleven en
vervolgens niet naar Amsterdam teruggekeerd, daar hij inmiddels tot baljuw van Vlissingen
benoemd was. In 1795 week hij naar Duitschland uit, maar heeft in dat jaar en in '96
onderscheiden inspectiereizen naar de gerevolutionneerde Republiek gedaan, waarover hij
merkwaardige verslagen aan den Erfprins uitbracht: zij raden een poging tot gewelddadige
tegenomwenteling ten sterkste af, daar het oude nimmer terug zal kunnen keeren. Na deze reizen
vestigde hij zich te Brunswijk, verkeerde er aan het hertogelijk hof en beheerde met Tollius een
soort agentschap voor de overbrenging van nieuws uit en over de Republiek aan het Oranjehuis en
de mogendheden. Later heeft hij te Dessau gewoond en was kamerheer-titulair van den koning van
Pruisen; in 1807 is hij naar het vaderland teruggekeerd en is gaan wonen te Utrecht, waar hij
ambteloos bleef tot den opstand. Lampsins was een man die begreep waar de tijd heendreef; alleen
op het punt van de positie der Hervormde Kerk toonde hij zich zeer aan het oude gehecht, naar het
schijnt vooral uit vrees van door de Katholieken te worden overheerd na de vereeniging met
België. Overigens geen man die zich in de commissie veel inspanning heeft getroost of er eene rol
van beteekenis heeft gespeeld.
Jhr. Idzerd Aebinga van Humalda (1754–1834), vóór '95 grietman van Hennaarderadeel, week
in dat jaar naar Oostfriesland uit en zocht in verstandhouding met den Erfprins en de Engelsche
regeering een tegenomwenteling in zijne provincie te bewerken. Hij onderhield tot dit doel
geregelde betrekkingen met partijgenooten binnenslands, maar werd daarbij het geloovig werktuig
van lieden van dubbelzinnig karakter, die meer opgaven dan zij verantwoorden konden, en toen de
tijd om te handelen in 1799 gekomen was, liep de geheele zaak op niets uit. Humalda is een
dergenen die het langst aan de mogelijkheid van een tegenomwenteling hebben geloofd; nog in
1802 schrijft hij in dien geest aan den in Duitschland aangekomen Willem V, die zelf dan alle hoop
reeds lang heeft laten varen. Hij had zich voor de zaak van Oranje bijzonder veel moeite en
opofferingen getroost, en zijn benoeming in de commissie, evenals die tot gouverneur van
Friesland die er op volgde (29 April 1814), is wellicht als eene erkenning daarvan aan te merken.
Hij was meer een karakter dan een capaciteit en is in de commissie niet zeer naar voren getreden.
Na 1802 in het land teruggekeerd, had Humalda sindsdien geen posten bekleed dan dien van maire
van Wommels (1811).
Mr. Ocker Repelaer van Driel (1759–1832), uit een Dortsch regentengeslacht, in 1787 lid van de
vroedschap zijner vaderstad geworden, bekleedde in 1794 den post van commissaris-generaal tot
de vivres bij het leger der Republiek, en werd gedurende den winterveldtocht door van de Spiegel
gebruikt tot de vruchtelooze onderhandeling met den Franschen volksrepresentant Lacombe St.
Michel te 's-Hertogenbosch, en vervolgens met Brantsen naar Parijs gezonden met een
vredesvoorstel aan het Comité de Salut Public. Nadat door het wapensucces der Franschen alle
kans voor de oude Republiek verkeken was, had hij bij de Comitéleden Pelet de la Lozère en
Cambacérès trachten te bewerken dat Nederland althans niet gejacobiniseerd zou worden; dat men
er beproeven zou „une réunion des talens et des propriétés,” 216) de reconstructie van 1801 met
andere woorden, waarvoor het in '95 nog de tijd niet was. Naar den Haag teruggekeerd, was hij
voortgegaan voor dit denkbeeld te werken, sprak er gematigde patriotten over, correspondeerde er
over met den uitgeweken Prins. De ontdekking dezer briefwisseling door het Hollandsche Comité
van Waakzaamheid leidde tot zijn inhechtenisneming. Na een langdurig proces, waarin zijn vriend
van later tijd en medelid van thans, van Maanen, toen procureur-generaal van Holland, zijn hoofd
Page 101
eischte, werd hij in '97 tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld, die hij uitzat op de Voorpoort van
den Hove. In 1801 losgekomen associeerde hij zich met den notaris de Bas voor een zaak in
fondsen en scheepvaartbelangen, en werd in 1803 lid van den Amerikaanschen Raad, welke
functie hij onder Schimmelpenninck behield 217). Lodewijk Napoleon maakte hem Staatsraad, aan
welke benoeming hij zich eerst trachtte te onttrekken; tijdens de inlijving bleef hij ambteloos, en
maakte deel uit van Hogendorp's vriendenkring ter voorbereiding aan den opstand. Het was door
zijn tusschenkomst en die van zijn zwager Singendonck, tevens zwager van Falck, dat Hogendorp
en Falck van elkanders werk vernamen, waarop Hogendorp Falck tot secretaris zijner Staten-
Generaal doodverwde, al had hij hem nog niet persoonlijk ontmoet 218). In de Novemberdagen
toonde Repelaer zich niet tegen de taak van revolutieleider opgewassen en ging naar Engeland
zonder noodzaak, hoewel zijne plaats aan Gijsbert Karel's zijde geweest ware 219). Door zijn
intieme bekendheid met den Erfprins in 1794, de vermaardheid van zijn proces, en de
omstandigheid dat hij te Londen (veel beter dan de minder in de zaken ingewijde Jacob Fagel en
de Perponcher) den Prins het eerst van allerlei dingen en omtrent allerlei personen had kunnen
inlichten, bekleedde hij thans in 's Vorsten oog eene positie onmiddellijk na Hogendorp en van der
Duyn, eene positie uit welke hij later wel wat wegzakken zou. Ook in de grondwetcommissie
toonde Repelaer zijn conciliantenaard. Hij stelde bijzonder belang in de zaken van den waterstaat,
en werd weldra tot directeur-generaal van dit vak benoemd.
Timon Cornelis baron van Heerdt (1761–1844) was in 1786 in de ridderschap van Overijssel
beschreven en maakte in de laatste jaren voor '95 deel uit der prinselijke hofhouding. Hij volgde
Willem V in de ballingschap, vergezelde in 1799 als diens gemachtigde de expeditie van
Abercromby, en bleef gedurende den ganschen tijd tot 1813 de personen van Willem V en VI
trouw ter zijde. Willem VI had hem veel gebruikt in vertrouwelijke zendingen, in 1809 en 1811
naar Engeland en in 1812 naar den Erfprins in Spanje; op den terugweg van de laatste zending was
hij te Hamburg door de Fransche politie in hechtenis genomen en naar Parijs gevoerd, waar
Napoleon uit zijne papieren kennis kreeg van 's Prinsen verlangen, zijn zoon den Erfprins met
Charlotte van Engeland te doen huwen. Op voorspraak van den koning van Pruisen, toen nog
Napoleon's bondgenoot, raakte hij vrij en mocht naar zijn meester terugkeeren; de papieren bleven
te Parijs en zijn eerst in 1814 teruggegeven 220). In de commissie heeft Heerdt geen rol van eenige
beteekenis vervuld; hij deed zich intusschen geenszins kennen als een blind voorstander van het
oude.
Mr. Cornelis Theodorus Elout (1767–1841) behoorde tot een der jongste regentenfamiliën van
de stad Haarlem. Zijn vader, de eerste van de familie die in de vroedschap kwam (in 1778), werd
in 1788 om zijn patriotische gevoelens geremoveerd; de zoon, in hetzelfde jaar gepromoveerd,
moest dus zijn eigen weg zoeken en vestigde zich als advocaat te Amsterdam; in 1793 verwierf hij
het schoutambt van Texel. De revolutie van '95 leverde voor Elout's vader de benoeming tot
hoofdofficier van Haarlem, voor Elout zelven die tot Raad in den Hove van Holland op: in 1799
werd hij lid van de commissie tot samenstelling van een civiel en crimineel wetboek, in 1802
procureur-generaal bij het Nationaal Hoog Gerechtshof; in 1805 benoemde Schimmelpenninck
hem tot Commissaris-Generaal naar Bataafsch-Indië, tot invoering der door de bekende
staatscommissie van 1803 beraamde hervormingen. Hij nam de reis over Nieuw-York, maar werd,
daar zijnde, door koning Lodewijk teruggeroepen die hem in den Staatsraad plaatste; tevens was
hij lid van de commissie tot samenstelling van een crimineel wetboek van 1807. Na de inlijving
trad hij krachtens benoeming door het Hollandsche Wetgevend Lichaam, als lid op van den door
Napoleon tijdelijk naar Parijs geroepen „Conseil pour les affaires de Hollande;” van Maanen
den Hove. In 1801 losgekomen associeerde hij zich met den notaris de Bas voor een zaak in
fondsen en scheepvaartbelangen, en werd in 1803 lid van den Amerikaanschen Raad, welke
functie hij onder Schimmelpenninck behield 217). Lodewijk Napoleon maakte hem Staatsraad, aan
welke benoeming hij zich eerst trachtte te onttrekken; tijdens de inlijving bleef hij ambteloos, en
maakte deel uit van Hogendorp's vriendenkring ter voorbereiding aan den opstand. Het was door
zijn tusschenkomst en die van zijn zwager Singendonck, tevens zwager van Falck, dat Hogendorp
en Falck van elkanders werk vernamen, waarop Hogendorp Falck tot secretaris zijner Staten-
Generaal doodverwde, al had hij hem nog niet persoonlijk ontmoet 218). In de Novemberdagen
toonde Repelaer zich niet tegen de taak van revolutieleider opgewassen en ging naar Engeland
zonder noodzaak, hoewel zijne plaats aan Gijsbert Karel's zijde geweest ware 219). Door zijn
intieme bekendheid met den Erfprins in 1794, de vermaardheid van zijn proces, en de
omstandigheid dat hij te Londen (veel beter dan de minder in de zaken ingewijde Jacob Fagel en
de Perponcher) den Prins het eerst van allerlei dingen en omtrent allerlei personen had kunnen
inlichten, bekleedde hij thans in 's Vorsten oog eene positie onmiddellijk na Hogendorp en van der
Duyn, eene positie uit welke hij later wel wat wegzakken zou. Ook in de grondwetcommissie
toonde Repelaer zijn conciliantenaard. Hij stelde bijzonder belang in de zaken van den waterstaat,
en werd weldra tot directeur-generaal van dit vak benoemd.
Timon Cornelis baron van Heerdt (1761–1844) was in 1786 in de ridderschap van Overijssel
beschreven en maakte in de laatste jaren voor '95 deel uit der prinselijke hofhouding. Hij volgde
Willem V in de ballingschap, vergezelde in 1799 als diens gemachtigde de expeditie van
Abercromby, en bleef gedurende den ganschen tijd tot 1813 de personen van Willem V en VI
trouw ter zijde. Willem VI had hem veel gebruikt in vertrouwelijke zendingen, in 1809 en 1811
naar Engeland en in 1812 naar den Erfprins in Spanje; op den terugweg van de laatste zending was
hij te Hamburg door de Fransche politie in hechtenis genomen en naar Parijs gevoerd, waar
Napoleon uit zijne papieren kennis kreeg van 's Prinsen verlangen, zijn zoon den Erfprins met
Charlotte van Engeland te doen huwen. Op voorspraak van den koning van Pruisen, toen nog
Napoleon's bondgenoot, raakte hij vrij en mocht naar zijn meester terugkeeren; de papieren bleven
te Parijs en zijn eerst in 1814 teruggegeven 220). In de commissie heeft Heerdt geen rol van eenige
beteekenis vervuld; hij deed zich intusschen geenszins kennen als een blind voorstander van het
oude.
Mr. Cornelis Theodorus Elout (1767–1841) behoorde tot een der jongste regentenfamiliën van
de stad Haarlem. Zijn vader, de eerste van de familie die in de vroedschap kwam (in 1778), werd
in 1788 om zijn patriotische gevoelens geremoveerd; de zoon, in hetzelfde jaar gepromoveerd,
moest dus zijn eigen weg zoeken en vestigde zich als advocaat te Amsterdam; in 1793 verwierf hij
het schoutambt van Texel. De revolutie van '95 leverde voor Elout's vader de benoeming tot
hoofdofficier van Haarlem, voor Elout zelven die tot Raad in den Hove van Holland op: in 1799
werd hij lid van de commissie tot samenstelling van een civiel en crimineel wetboek, in 1802
procureur-generaal bij het Nationaal Hoog Gerechtshof; in 1805 benoemde Schimmelpenninck
hem tot Commissaris-Generaal naar Bataafsch-Indië, tot invoering der door de bekende
staatscommissie van 1803 beraamde hervormingen. Hij nam de reis over Nieuw-York, maar werd,
daar zijnde, door koning Lodewijk teruggeroepen die hem in den Staatsraad plaatste; tevens was
hij lid van de commissie tot samenstelling van een crimineel wetboek van 1807. Na de inlijving
trad hij krachtens benoeming door het Hollandsche Wetgevend Lichaam, als lid op van den door
Napoleon tijdelijk naar Parijs geroepen „Conseil pour les affaires de Hollande;” van Maanen
Page 102
bracht hem op de voordracht voor lid van het Hof van Cassatie te Parijs (waarin voor de
Hollandsche departementen drie leden zouden zitting nemen), maar Elout werd niet benoemd 221);
hij vestigde zich vervolgens als advocaat in den Haag, waar hij woonde toen de opstand uitbrak. In
den loop van 1813 was hij in betrekking gekomen tot van Hogendorp 222), die hem op prijs stelde
hoewel zij in denkbeelden vrij wat verschilden. De rol van Elout in de commissie is, evenals die
van Röell en van Maanen, hoogst belangrijk geweest. Van deze drie heeft vooral Elout bij den
president invloed verkregen, en het werk der in de vergadering van 3 Febr. 1814 benoemde
commissie van redactie is voornamelijk op hem neergekomen.
Toen men de leden rangschikte wist niemand den juisten leeftijd van den afwezigen Mr. D. J.
Hondebeek Heerkens op te geven; 223) als hij later aanwezig is stemt hij na Elout en vóór Röell,
waaruit blijkt dat hij in 1767 geboren moet zijn. Hij was een volstrekt onbekende persoonlijkheid
in de politiek, maar vereenigde de kwaliteiten van Groninger en van Katholiek. Hij was lid van het
Hooggerechtshof in den Haag en op het oogenblik zijner benoeming afwezig tot het presideeren
der assises te Groningen, 224) zoodat hij eerst 28 Jan. verschenen is en eigenlijk alleen aan de
beraadslagingen over den godsdienst heeft deelgenomen.
Mr. Willem Fredrik Röell (1767–1835), zoon van den laatsten advocaat der West-Indische
Compagnie, schoonzoon van den Thesaurier-Generaal Hop, had reeds vóór zijn promotie, die in
1791 plaats had, onder bescherming van den toen almachtigen burgemeester Rendorp de lagere
stadsambten van Amsterdam doorloopen, was er in 1793 schepen geworden en in 1794
pensionaris. De omwenteling maakte hem ambteloos, hetgeen hij bleef tot 1802, toen hij, na
overleg met den oud-burgemeester Huydecoper van Maarsseveen, die het hem zeer aanried, de
benoeming aannam van lid van het gedeputeerd bestuur van het departement Holland. „De
algemeene zugt der leden om alle overblijfselen van vroegere partijschap te helpen vernietigen”,
zegt Röell in zijne autobiographie, in hem zelven kenschetsende woorden, 225) „het uitzigt om nu
eenmaal een bestendigen staat van zaken geboren te zien, en niet minder de geregelde loop, dien
de aan het bestuur opgedragen werkzaamheden weldra verkregen, waren zoovele omstandigheden
welke mij de aanvaarding mijner functiën geenszins deden beklagen”. In Mei 1804 volgde hij
Mollerus, tot lid van den Aziatischen Raad benoemd, als secretaris van het departementaal bestuur
van Holland op; Schimmelpenninck benoemde hem daarenboven tot lid der commissie van
superintendentie over den Waterstaat. Lodewijk Napoleon, die zijne bekwaamheden hoog stelde,
maakte hem eerst minister secretaris van Staat, vervolgens minister van buitenlandsche zaken. In
deze laatste hoedanigheid vergezelde hij den koning op diens pijnlijke reis naar Frankrijk in 1809
en 1810, en gedroeg zich in de moeilijke omstandigheden van dat oogenblik met groote
waardigheid. Tijdens de inlijving bleef hij ambteloos, doch nam in 1812, op aandrang van Lebrun,
de functie van lid van den arrondissementsraad van Amsterdam op zich. Bij den opstand en de
formatie van een provisioneel bestuur te Amsterdam hield hij zich geheel ter zijde en had ook
daarna den Vorst nog niet zijn hof gemaakt; maar Falck en van Maanen achtten zijne benoeming in
de grondwetcommissie van groot gewicht, en vonden gemakkelijk ingang voor hem toen men, de
namen overziende, tot de ontdekking kwam dat men nog geen Amsterdammer had. Röell was een
gematigde natuur, wat braaf en afgepast, maar een persoon van karakter en van een bijzondere
arbeidzaamheid en nauwkeurigheid. Van afkomst een man van vóór '95, was hij echter van inzicht
en ontwikkeling veeleer een man van nà de revolutie. Zijn rol in de commissie is van veel
beteekenis geweest. In de hoofdzaken was hij het meest met Elout en van Maanen eens, vooral met
Elout.
Hollandsche departementen drie leden zouden zitting nemen), maar Elout werd niet benoemd 221);
hij vestigde zich vervolgens als advocaat in den Haag, waar hij woonde toen de opstand uitbrak. In
den loop van 1813 was hij in betrekking gekomen tot van Hogendorp 222), die hem op prijs stelde
hoewel zij in denkbeelden vrij wat verschilden. De rol van Elout in de commissie is, evenals die
van Röell en van Maanen, hoogst belangrijk geweest. Van deze drie heeft vooral Elout bij den
president invloed verkregen, en het werk der in de vergadering van 3 Febr. 1814 benoemde
commissie van redactie is voornamelijk op hem neergekomen.
Toen men de leden rangschikte wist niemand den juisten leeftijd van den afwezigen Mr. D. J.
Hondebeek Heerkens op te geven; 223) als hij later aanwezig is stemt hij na Elout en vóór Röell,
waaruit blijkt dat hij in 1767 geboren moet zijn. Hij was een volstrekt onbekende persoonlijkheid
in de politiek, maar vereenigde de kwaliteiten van Groninger en van Katholiek. Hij was lid van het
Hooggerechtshof in den Haag en op het oogenblik zijner benoeming afwezig tot het presideeren
der assises te Groningen, 224) zoodat hij eerst 28 Jan. verschenen is en eigenlijk alleen aan de
beraadslagingen over den godsdienst heeft deelgenomen.
Mr. Willem Fredrik Röell (1767–1835), zoon van den laatsten advocaat der West-Indische
Compagnie, schoonzoon van den Thesaurier-Generaal Hop, had reeds vóór zijn promotie, die in
1791 plaats had, onder bescherming van den toen almachtigen burgemeester Rendorp de lagere
stadsambten van Amsterdam doorloopen, was er in 1793 schepen geworden en in 1794
pensionaris. De omwenteling maakte hem ambteloos, hetgeen hij bleef tot 1802, toen hij, na
overleg met den oud-burgemeester Huydecoper van Maarsseveen, die het hem zeer aanried, de
benoeming aannam van lid van het gedeputeerd bestuur van het departement Holland. „De
algemeene zugt der leden om alle overblijfselen van vroegere partijschap te helpen vernietigen”,
zegt Röell in zijne autobiographie, in hem zelven kenschetsende woorden, 225) „het uitzigt om nu
eenmaal een bestendigen staat van zaken geboren te zien, en niet minder de geregelde loop, dien
de aan het bestuur opgedragen werkzaamheden weldra verkregen, waren zoovele omstandigheden
welke mij de aanvaarding mijner functiën geenszins deden beklagen”. In Mei 1804 volgde hij
Mollerus, tot lid van den Aziatischen Raad benoemd, als secretaris van het departementaal bestuur
van Holland op; Schimmelpenninck benoemde hem daarenboven tot lid der commissie van
superintendentie over den Waterstaat. Lodewijk Napoleon, die zijne bekwaamheden hoog stelde,
maakte hem eerst minister secretaris van Staat, vervolgens minister van buitenlandsche zaken. In
deze laatste hoedanigheid vergezelde hij den koning op diens pijnlijke reis naar Frankrijk in 1809
en 1810, en gedroeg zich in de moeilijke omstandigheden van dat oogenblik met groote
waardigheid. Tijdens de inlijving bleef hij ambteloos, doch nam in 1812, op aandrang van Lebrun,
de functie van lid van den arrondissementsraad van Amsterdam op zich. Bij den opstand en de
formatie van een provisioneel bestuur te Amsterdam hield hij zich geheel ter zijde en had ook
daarna den Vorst nog niet zijn hof gemaakt; maar Falck en van Maanen achtten zijne benoeming in
de grondwetcommissie van groot gewicht, en vonden gemakkelijk ingang voor hem toen men, de
namen overziende, tot de ontdekking kwam dat men nog geen Amsterdammer had. Röell was een
gematigde natuur, wat braaf en afgepast, maar een persoon van karakter en van een bijzondere
arbeidzaamheid en nauwkeurigheid. Van afkomst een man van vóór '95, was hij echter van inzicht
en ontwikkeling veeleer een man van nà de revolutie. Zijn rol in de commissie is van veel
beteekenis geweest. In de hoofdzaken was hij het meest met Elout en van Maanen eens, vooral met
Elout.
Page 103
Mr. Gustaaf Willem baron van Imhoff (1767–1830), kleinzoon van den gouverneur-generaal van
Imhoff, gepromoveerd in 1788, had vóór '95 korten tijd voor Groningen in de Staten-Generaal
gezeten. In '95 ambteloos geworden, trad hij in 1802 als secretaris van den raad van financiën in
het departement Groningen op. Lodewijk maakte hem Staatsraad; tijdens de inlijving was hij lid
van het Wetgevend Lichaam te Parijs. Van afkomst een man van vóór '95 evenals Röell, was van
Imhoff in nog hoogere mate dan deze in denkbeelden een man van den nieuweren, ja zelfs, evenals
van Maanen bij wien hij zich geheel aansloot, van den nieuwsten, keizerlijken tijd. Na de
invoering der grondwet is hij de eerste gouverneur van Groningen geweest.
Mr. Cornelis Felix van Maanen (1769–1849), uit een Haagsch juristengeslacht van patriotsche
gevoelens, zag zijn fortuin gemaakt door de revolutie van '95. In '93 gepromoveerd en als advocaat
in den Haag gevestigd, werd hij in Febr. '95 benoemd tot secretaris van de municipaliteit aldaar, en
in April van hetzelfde jaar geroepen tot den post van tweeden advocaat-fiscaal en procureur-
generaal van Holland en Zeeland, nevens zijn schoonvader van der Meersch (den nieuwen eersten
dito), dien hij in zijn werkzaamheden meestal verving en ook opvolgde. Na als hoofd van het
openbaar ministerie in de gewichtigste provincie de opeenvolgende revolutionnaire regeeringen
met veel ijver te hebben gediend, werd hij door Lodewijk Napoleon tot staatsraad in
buitengewonen dienst benoemd en vervolgens tot minister van justitie. Daar hij evenwel geen
vrede had met de inrichting eener geheime politie in het koninkrijk Holland gelijk de koning die
verlangde, nog minder met de individu's van welke de koning zich tot dat werk bediende, trad hij
in 1809 af. In 1810 lid en sectie-president van den „conseil pour les affaires de Hollande” te Parijs,
werd hij tijdens de werkzaamheden van dat lichaam tot staatsraad in buitengewonen dienst van het
Keizerrijk, en vervolgens tot eersten president van het keizerlijk gerechtshof in den Haag
benoemd, en met de invoering der Fransche rechterlijke organisatie in de Hollandsche
departementen belast; een werk dat hij met voorliefde en groote geschiktheid ondernam. Bij den
opstand hield hij zich ter zijde en vreesde eene reactie die zou omverwerpen ook wat het Fransche
bestuur goeds gebracht had. Het besluit van het Algemeen Bestuur van 1 Dec., „op de
administratie der justitie,” kwam hem omtrent zijn eigen hooge positie gerust stellen. Op aandrang
van van Maanen, vermoedelijk ook van Elout, zal in het besluit van 21 Dec. het vierde artikel
opgenomen zijn, dat van de commissie zoodra mogelijk een voorloopig rapport verlangt, in zake
de regeling der judicieele administratie. Viel dat rapport tegen van Maanen's zin uit, dan kon hij er
nog vertoogen tegen doen eer het te laat was. Van Maanen was in de commissie de tegenvoeter van
van Hogendorp. Zijn ideaal was inderdaad, den Souvereinen Vorst in de plaats van den Keizer te
stellen en in het bestaande niets dan wat namen te veranderen. Zijn ambtelijke positie en ervaring,
groote kennis en even groote vasthoudendheid verzekerden hem in de commissie aanmerkelijken
invloed, al zullen de anderen licht gemeesmuild hebben over zijn cassanten toon, welke bij de
gemoedelijke wijze van „besogneeren” der oude costumiers scherp afstak.
Adam François Jules Armand baron van der Duyn van Maasdam (1771–1848), in 1794
beschreven in de ridderschap van Holland, was op zijn afkomst na geheel en al een man van den
nieuweren tijd 226). Hij was wel sedert 1795 volstrekt buiten alle bewind gebleven, maar, open
geest, had hij door lectuur en omgang (als intieme vriend en zwager van een der ministers van
koning Lodewijk, van der Capellen), met al het nieuwe even goed kennis gemaakt alsof hij er een
werkzaam aandeel aan had genomen. Zijn gedrag tijdens den opstand was bewonderenswaardig
geweest: trouw, moedig, geschikt; aan geloof in en eerbied voor het superieure in Gijsbert Karel
paarde hij een veel grooter wereldwijsheid dan diens deel was. Geen oogenblik had hij den
hoofdman verlaten, en hij was de goede zaak van onberekenbaar nut geweest. Van der Duyn was
Imhoff, gepromoveerd in 1788, had vóór '95 korten tijd voor Groningen in de Staten-Generaal
gezeten. In '95 ambteloos geworden, trad hij in 1802 als secretaris van den raad van financiën in
het departement Groningen op. Lodewijk maakte hem Staatsraad; tijdens de inlijving was hij lid
van het Wetgevend Lichaam te Parijs. Van afkomst een man van vóór '95 evenals Röell, was van
Imhoff in nog hoogere mate dan deze in denkbeelden een man van den nieuweren, ja zelfs, evenals
van Maanen bij wien hij zich geheel aansloot, van den nieuwsten, keizerlijken tijd. Na de
invoering der grondwet is hij de eerste gouverneur van Groningen geweest.
Mr. Cornelis Felix van Maanen (1769–1849), uit een Haagsch juristengeslacht van patriotsche
gevoelens, zag zijn fortuin gemaakt door de revolutie van '95. In '93 gepromoveerd en als advocaat
in den Haag gevestigd, werd hij in Febr. '95 benoemd tot secretaris van de municipaliteit aldaar, en
in April van hetzelfde jaar geroepen tot den post van tweeden advocaat-fiscaal en procureur-
generaal van Holland en Zeeland, nevens zijn schoonvader van der Meersch (den nieuwen eersten
dito), dien hij in zijn werkzaamheden meestal verving en ook opvolgde. Na als hoofd van het
openbaar ministerie in de gewichtigste provincie de opeenvolgende revolutionnaire regeeringen
met veel ijver te hebben gediend, werd hij door Lodewijk Napoleon tot staatsraad in
buitengewonen dienst benoemd en vervolgens tot minister van justitie. Daar hij evenwel geen
vrede had met de inrichting eener geheime politie in het koninkrijk Holland gelijk de koning die
verlangde, nog minder met de individu's van welke de koning zich tot dat werk bediende, trad hij
in 1809 af. In 1810 lid en sectie-president van den „conseil pour les affaires de Hollande” te Parijs,
werd hij tijdens de werkzaamheden van dat lichaam tot staatsraad in buitengewonen dienst van het
Keizerrijk, en vervolgens tot eersten president van het keizerlijk gerechtshof in den Haag
benoemd, en met de invoering der Fransche rechterlijke organisatie in de Hollandsche
departementen belast; een werk dat hij met voorliefde en groote geschiktheid ondernam. Bij den
opstand hield hij zich ter zijde en vreesde eene reactie die zou omverwerpen ook wat het Fransche
bestuur goeds gebracht had. Het besluit van het Algemeen Bestuur van 1 Dec., „op de
administratie der justitie,” kwam hem omtrent zijn eigen hooge positie gerust stellen. Op aandrang
van van Maanen, vermoedelijk ook van Elout, zal in het besluit van 21 Dec. het vierde artikel
opgenomen zijn, dat van de commissie zoodra mogelijk een voorloopig rapport verlangt, in zake
de regeling der judicieele administratie. Viel dat rapport tegen van Maanen's zin uit, dan kon hij er
nog vertoogen tegen doen eer het te laat was. Van Maanen was in de commissie de tegenvoeter van
van Hogendorp. Zijn ideaal was inderdaad, den Souvereinen Vorst in de plaats van den Keizer te
stellen en in het bestaande niets dan wat namen te veranderen. Zijn ambtelijke positie en ervaring,
groote kennis en even groote vasthoudendheid verzekerden hem in de commissie aanmerkelijken
invloed, al zullen de anderen licht gemeesmuild hebben over zijn cassanten toon, welke bij de
gemoedelijke wijze van „besogneeren” der oude costumiers scherp afstak.
Adam François Jules Armand baron van der Duyn van Maasdam (1771–1848), in 1794
beschreven in de ridderschap van Holland, was op zijn afkomst na geheel en al een man van den
nieuweren tijd 226). Hij was wel sedert 1795 volstrekt buiten alle bewind gebleven, maar, open
geest, had hij door lectuur en omgang (als intieme vriend en zwager van een der ministers van
koning Lodewijk, van der Capellen), met al het nieuwe even goed kennis gemaakt alsof hij er een
werkzaam aandeel aan had genomen. Zijn gedrag tijdens den opstand was bewonderenswaardig
geweest: trouw, moedig, geschikt; aan geloof in en eerbied voor het superieure in Gijsbert Karel
paarde hij een veel grooter wereldwijsheid dan diens deel was. Geen oogenblik had hij den
hoofdman verlaten, en hij was de goede zaak van onberekenbaar nut geweest. Van der Duyn was
Page 104
geheel grand seigneur, geen man voor het bureau en ook niet voor eene staatscommissie. Werk
gedaan heeft hij daarin dan ook niet veel; gestemd heeft hij meest met van Maanen.
De secretaris der commissie, Mr. Rutger Metelerkamp (1772–1836), zoon van een burgemeester
van Gouda, had zich, door de omwenteling van 1795 van het vooruitzicht op spoedige plaatsing
verstoken, tot de studie begeven en eenigen naam gemaakt door zijn economisch en statistisch
werk, De Toestand van Nederland (1804). Hij was ook secretaris geweest der landbouwcommissie
in Zuid-Holland. Van eenigen bijzonderen invloed, door hem op den gang van het werk geoefend,
is geen blijk voorhanden. Hij heeft later in zijn Regeringsvorm der Vereenigde Nederlanden (1814)
de notabelenvergadering beschreven; de verrichtingen en stukken der commissie zelve bleven
geheim 227).
Uit dit overzicht blijkt m.i. dat Tellegen op bl. 75 hiervóór eenzijdig is. Hij had reeds daar iets
van de carrière der leden na 1795 moeten zeggen, hetgeen hij pas aan het slot van het volgend
hoofdstuk doet. Het verleden van iemand als Elout b.v. wordt al zeer slecht gekenmerkt, door
enkel mede te deelen dat hij vóór de revolutie baljuw van Texel is geweest.
Het is dan ook beweerd, enz. (hiervóór, bl. 76). De Bosch Kemper, die uit de notulen van van
Maanen den strijd der meeningen in de commissie kent, concludeert hieruit tot een strijd over van
Maanen's benoeming waarvan uit de voorhanden stukken niets hoegenaamd blijkt. Ik hecht er
evenmin geloof aan als Tellegen.
Zooals mij is medegedeeld, enz. (hiervóór, bl. 77 noot). Dit is onjuist. Blijkens den op bl. 95
hiervóór aangehaalden brief van Jhr. P. J. Elout van Soeterwoude aan Mr. C. F. Th. van Maanen
van 21 April 1877 heeft Tellegen zich niet onmiddellijk tot Jhr. Elout gewend, maar heeft Mr. van
Maanen dit op Tellegen's verzoek gedaan. Jhr. Elout heeft toen uit de portefeuille zijns vaders
gelicht de „algemeene gronden” 228) die Tellegen uit de officieele notulen reeds kende, en voorts
Hogendorp's ontwerp van een reglement ter invoering der grondwet 229) en het gedrukte ontwerp
van grondwet, 28 Febr. door de commissie van redactie ter tafel gebracht 230), en zond deze drie
stukken aan Mr. van Maanen ten behoeve van den Groninger hoogleeraar toe (van de andere
stukken uit Elout's portefeuille heeft Tellegen geen inzage bekomen). Mr. van Maanen schijnt den
inhoud van Jhr. Elout's briefje niet juist aan Tellegen te hebben medegedeeld: er staat niet in dat
van Maanen door Hogendorp van de Schets kennis bekwam (zie de aanhaling hiervóór, bl. 95).
Voor het departement der Wester-Eems (hiervóór, bl. 77). Juister: voor de provincie Groningen
(hiervóór, bl. 99).
In de vergadering, enz. (hiervóór, bl. 77 noot). Doordat Tellegen de notulen van Röell niet kent,
kan hij alleen de omschrijving van Heerkens' brief uit de officieele notulen mededeelen, niet den
inhoud zelf, die alleen bij Röell aangeteekend is.
Schimmelpenninck (hiervóór, bl. 78). Vgl. hiervóór, bl. 101.
gedaan heeft hij daarin dan ook niet veel; gestemd heeft hij meest met van Maanen.
De secretaris der commissie, Mr. Rutger Metelerkamp (1772–1836), zoon van een burgemeester
van Gouda, had zich, door de omwenteling van 1795 van het vooruitzicht op spoedige plaatsing
verstoken, tot de studie begeven en eenigen naam gemaakt door zijn economisch en statistisch
werk, De Toestand van Nederland (1804). Hij was ook secretaris geweest der landbouwcommissie
in Zuid-Holland. Van eenigen bijzonderen invloed, door hem op den gang van het werk geoefend,
is geen blijk voorhanden. Hij heeft later in zijn Regeringsvorm der Vereenigde Nederlanden (1814)
de notabelenvergadering beschreven; de verrichtingen en stukken der commissie zelve bleven
geheim 227).
Uit dit overzicht blijkt m.i. dat Tellegen op bl. 75 hiervóór eenzijdig is. Hij had reeds daar iets
van de carrière der leden na 1795 moeten zeggen, hetgeen hij pas aan het slot van het volgend
hoofdstuk doet. Het verleden van iemand als Elout b.v. wordt al zeer slecht gekenmerkt, door
enkel mede te deelen dat hij vóór de revolutie baljuw van Texel is geweest.
Het is dan ook beweerd, enz. (hiervóór, bl. 76). De Bosch Kemper, die uit de notulen van van
Maanen den strijd der meeningen in de commissie kent, concludeert hieruit tot een strijd over van
Maanen's benoeming waarvan uit de voorhanden stukken niets hoegenaamd blijkt. Ik hecht er
evenmin geloof aan als Tellegen.
Zooals mij is medegedeeld, enz. (hiervóór, bl. 77 noot). Dit is onjuist. Blijkens den op bl. 95
hiervóór aangehaalden brief van Jhr. P. J. Elout van Soeterwoude aan Mr. C. F. Th. van Maanen
van 21 April 1877 heeft Tellegen zich niet onmiddellijk tot Jhr. Elout gewend, maar heeft Mr. van
Maanen dit op Tellegen's verzoek gedaan. Jhr. Elout heeft toen uit de portefeuille zijns vaders
gelicht de „algemeene gronden” 228) die Tellegen uit de officieele notulen reeds kende, en voorts
Hogendorp's ontwerp van een reglement ter invoering der grondwet 229) en het gedrukte ontwerp
van grondwet, 28 Febr. door de commissie van redactie ter tafel gebracht 230), en zond deze drie
stukken aan Mr. van Maanen ten behoeve van den Groninger hoogleeraar toe (van de andere
stukken uit Elout's portefeuille heeft Tellegen geen inzage bekomen). Mr. van Maanen schijnt den
inhoud van Jhr. Elout's briefje niet juist aan Tellegen te hebben medegedeeld: er staat niet in dat
van Maanen door Hogendorp van de Schets kennis bekwam (zie de aanhaling hiervóór, bl. 95).
Voor het departement der Wester-Eems (hiervóór, bl. 77). Juister: voor de provincie Groningen
(hiervóór, bl. 99).
In de vergadering, enz. (hiervóór, bl. 77 noot). Doordat Tellegen de notulen van Röell niet kent,
kan hij alleen de omschrijving van Heerkens' brief uit de officieele notulen mededeelen, niet den
inhoud zelf, die alleen bij Röell aangeteekend is.
Schimmelpenninck (hiervóór, bl. 78). Vgl. hiervóór, bl. 101.
Page 105
De Souvereine Vorst...... deed zijnen invloed gevoelen (hiervóór, bl. 79). Zie, behalve Ontstaan I,
32, de verschillende brieven van Hogendorp aan den Vorst, in dat werk afgedrukt, en de stukken
Ontstaan I, 212, 221, 278, 385, 400, 433–'34, 438 vv. en 562, en II, bl. CXVIII vv.; zie voorts
Overzicht 142 vv. en Br. en Ged. V, 86–87.
Nogmaals herzien en gewijzigd (hiervóór, bl. 79). In hoeverre, blijkt uit Ontstaan I, 446 vv.,
waar ook blijkt, welke de veranderingen zijn in Tellegen's derde noot op bl. 79 bedoeld.
Reeds eenigen tijd vroeger was opgesteld (hiervóór, bl. 81).—Het reglement lag reeds 15 Jan.
gereed (Ontstaan I, 221); het is het onmiddellijk uitvloeisel der laatste aanmerkingen van den S. V.
van 19 Dec. (Ontstaan I, 35–36). Toen het 4 Febr. in behandeling kwam, moesten enkele artikelen
vervallen daar de daarin behandelde stof reeds anders geregeld was; andere punten hebben een
plaats gevonden hetzij in de grondwet zelve, hetzij in het voorloopig rapport of in het eindrapport
met de daarbij behoorende proclamatie. Zooals Hogendorp in de commissie mededeelde, was het
reglement niet voor openbaarmaking bestemd en moest het ontwerp slechts dienen „als een
ensemble van pointen om in het finaal rapport, of op een andere wijze, aan Z. H. te worden
voorgedragen” 231).
Besluit tot invoering der grondwet (hiervóór, bl. 83).—Art. 1 verklaart: „Het ontwerp van
Grondwet wordt aangenomen door de geheele natie om te dienen voor ons en onze
nakomelingen”. Dit hield niet in, dat de stemming enkel met ja of neen zou geschieden, hetgeen
door den Vorst noodig bleek te worden geoordeeld 232), waarop werd besloten het ontwerp voor
vervallen te houden, en de punten die tot geen bedenking aanleiding hadden gegeven, in het
eindrapport op te nemen.
Finaal rapport gesteld door Elout (hiervóór, bl. 83).—Daarvóór is er een (11 Febr. ingekomen)
ontwerp van finaal rapport van van Hogendorp geweest, dat door den S.V. van kantteekeningen is
voorzien en met inachtneming dier kantteekeningen door Elout is omgewerkt: zie Ontstaan I, 430,
434, 562. Een goed overzicht van volgorde en samenhang der stukken wordt gevonden in
hoofdstuk X van het geschrift van Tellegen's kleinzoon.
Lijsten (hiervóór bl. 84). De voorstelling, als zouden de leden de lijsten van commissarissen-
generaal hebben aangevuld, is niet juist. De verschillende lijsten kwamen onafhankelijk van
elkander tot stand; die der leden krachtens verzoek van den president op machtiging van den Vorst
(Ontstaan I, 212–'13), die van commissarissen-generaal krachtens aanschrijving van van Stralen
van 24 Jan. (Ontstaan I, 279): ¼ uit den adel, ¾ uit notabele en aanzienlijke mannen uit de andere
standen. „Vooral de oude en ook de latere Regeringen moeten eerst in aanmerking komen; voorts
de justitie, koophandel, geleerdheid, wetenschappen, geestelijken en militairen stand, en al wat
men verder tot het notabele kan brengen. Geboorte en gegoedheid, maar bijzonder talenten,
deugden en verdiensten, houde ik voor hoofdvereischten, en zulks zonder onderscheid van
godsdienstige of voormalige politique denkwijze”.
32, de verschillende brieven van Hogendorp aan den Vorst, in dat werk afgedrukt, en de stukken
Ontstaan I, 212, 221, 278, 385, 400, 433–'34, 438 vv. en 562, en II, bl. CXVIII vv.; zie voorts
Overzicht 142 vv. en Br. en Ged. V, 86–87.
Nogmaals herzien en gewijzigd (hiervóór, bl. 79). In hoeverre, blijkt uit Ontstaan I, 446 vv.,
waar ook blijkt, welke de veranderingen zijn in Tellegen's derde noot op bl. 79 bedoeld.
Reeds eenigen tijd vroeger was opgesteld (hiervóór, bl. 81).—Het reglement lag reeds 15 Jan.
gereed (Ontstaan I, 221); het is het onmiddellijk uitvloeisel der laatste aanmerkingen van den S. V.
van 19 Dec. (Ontstaan I, 35–36). Toen het 4 Febr. in behandeling kwam, moesten enkele artikelen
vervallen daar de daarin behandelde stof reeds anders geregeld was; andere punten hebben een
plaats gevonden hetzij in de grondwet zelve, hetzij in het voorloopig rapport of in het eindrapport
met de daarbij behoorende proclamatie. Zooals Hogendorp in de commissie mededeelde, was het
reglement niet voor openbaarmaking bestemd en moest het ontwerp slechts dienen „als een
ensemble van pointen om in het finaal rapport, of op een andere wijze, aan Z. H. te worden
voorgedragen” 231).
Besluit tot invoering der grondwet (hiervóór, bl. 83).—Art. 1 verklaart: „Het ontwerp van
Grondwet wordt aangenomen door de geheele natie om te dienen voor ons en onze
nakomelingen”. Dit hield niet in, dat de stemming enkel met ja of neen zou geschieden, hetgeen
door den Vorst noodig bleek te worden geoordeeld 232), waarop werd besloten het ontwerp voor
vervallen te houden, en de punten die tot geen bedenking aanleiding hadden gegeven, in het
eindrapport op te nemen.
Finaal rapport gesteld door Elout (hiervóór, bl. 83).—Daarvóór is er een (11 Febr. ingekomen)
ontwerp van finaal rapport van van Hogendorp geweest, dat door den S.V. van kantteekeningen is
voorzien en met inachtneming dier kantteekeningen door Elout is omgewerkt: zie Ontstaan I, 430,
434, 562. Een goed overzicht van volgorde en samenhang der stukken wordt gevonden in
hoofdstuk X van het geschrift van Tellegen's kleinzoon.
Lijsten (hiervóór bl. 84). De voorstelling, als zouden de leden de lijsten van commissarissen-
generaal hebben aangevuld, is niet juist. De verschillende lijsten kwamen onafhankelijk van
elkander tot stand; die der leden krachtens verzoek van den president op machtiging van den Vorst
(Ontstaan I, 212–'13), die van commissarissen-generaal krachtens aanschrijving van van Stralen
van 24 Jan. (Ontstaan I, 279): ¼ uit den adel, ¾ uit notabele en aanzienlijke mannen uit de andere
standen. „Vooral de oude en ook de latere Regeringen moeten eerst in aanmerking komen; voorts
de justitie, koophandel, geleerdheid, wetenschappen, geestelijken en militairen stand, en al wat
men verder tot het notabele kan brengen. Geboorte en gegoedheid, maar bijzonder talenten,
deugden en verdiensten, houde ik voor hoofdvereischten, en zulks zonder onderscheid van
godsdienstige of voormalige politique denkwijze”.
Page 106
Zoolang de registers niet toegankelijk zijn (hiervóór, bl. 87 noot). Ik heb ze noch in het
Kabinetsarchief, noch in dat van Binnenlandsche Zaken aangetroffen.
Bleven er 126 thuis (hiervóór, bl. 87).—Met opgave van redenen. De 77 die ziekte of hooge
jaren opgeven, schrijven meestal in een toon die aan hunne goedkeuring geen twijfel laat; 12
daarvan drukken die in eene bijgevoegde verklaring van gave aanneming uit. Negen
verontschuldigen zich wegens ambtsverrichtingen of commando's, drie wegens sterfgeval in de
familie, enz.—Politieke beteekenis schijnt slechts het wegblijven van drie gehad te hebben: Cau
omdat hij de souvereiniteit van Zeeland niet wil prijsgeven; de Gijselaar omdat hij niet debatteeren
mag; Quarles omdat hij zich niet bevoegd acht te stemmen namens het Nederlandsche volk
(Ontstaan I, 571; vgl. voor de Gijselaar ook I, 494).
Het schijnt toch (hiervóór, bl. 91).—Zie de Bosch Kemper Letterk. Aanteekeningen 471, en vgl.
Ontstaan I, 497 vv. De meeste stemmen tegen waren van Katholieken.
Kabinetsarchief, noch in dat van Binnenlandsche Zaken aangetroffen.
Bleven er 126 thuis (hiervóór, bl. 87).—Met opgave van redenen. De 77 die ziekte of hooge
jaren opgeven, schrijven meestal in een toon die aan hunne goedkeuring geen twijfel laat; 12
daarvan drukken die in eene bijgevoegde verklaring van gave aanneming uit. Negen
verontschuldigen zich wegens ambtsverrichtingen of commando's, drie wegens sterfgeval in de
familie, enz.—Politieke beteekenis schijnt slechts het wegblijven van drie gehad te hebben: Cau
omdat hij de souvereiniteit van Zeeland niet wil prijsgeven; de Gijselaar omdat hij niet debatteeren
mag; Quarles omdat hij zich niet bevoegd acht te stemmen namens het Nederlandsche volk
(Ontstaan I, 571; vgl. voor de Gijselaar ook I, 494).
Het schijnt toch (hiervóór, bl. 91).—Zie de Bosch Kemper Letterk. Aanteekeningen 471, en vgl.
Ontstaan I, 497 vv. De meeste stemmen tegen waren van Katholieken.
Page 107
130) Besluit van 21 December 1813 (Ontstaan I, 37).
131) Aanmerkingen van Falck op van der Palms Gedenkschrift,
in G. K. v. Hogendorp in 1813, Bijl., blz. 2. Van der Palm schrapte ten
gevolge van eene bedenking van Falck het woord wettiglijk, daar waar hij
sprak van de aanvaarding der souvereiniteit op 2 December 1813.
132) G. K. van Hogendorp in 1813, blz. 100.
133) Ik meen, dat zij aldus moeten worden gerangschikt: H. W.
van Aylva (Friesland), A. F. van der Duyn van Maasdam (Monden van de
Maas), Mr. C. T. Elout (Zuiderzee), T. C. van Heerdt (Monden van den
IJsel), Mr. D. J. Hondebeek Heerkens (Wester-Eems, later voor de
Generaliteitslanden), Mr. G. K. van Hogendorp (Monden van de Maas),
Aebinga van Humalda (Friesland), A. J. C. Lampsins (Monden van de
Schelde), W. C. H. van Lynden van Blitterswijk (Boven-IJsel), Mr. C. F. van
Maanen (Monden van de Maas), Mr. O. Repelaer (idem), Mr. W. F. Röell
(Zuiderzee), W. A. Schimmelpenninck van der Oye (Boven-IJsel), W. R.
van Tuyll van Serooskerken van Zuylen (Zuiderzee), G. W. van Imhoff
(Wester-Eems).
134) Brief aan H. Fagel van 17 November 1813: „Nous
appellerons dans ce gouvernement tous les partis et tous les cultes, parce
que tout esprit de parti est abjuré et parce que les citoyens de tous les cultes
appellent le même souverain.” (Br. en Ged. IV, 263).
135) Mr. J. van Maanen werd den 6 Febr. 1795 tot raadsheer in
den Hove van Holland benoemd. Hij overleed echter reeds 24 Febr. 1795.
136) Bij de komst des keizers hier te lande in October 1811 is hij
de tolk van de sentiments d'admiration, de fidélité, de vénération et
d'amour, die de leden van het gerechtshof bezielden voor le père de la
patrie, pour le plus grand héros, pour le premier législateur (Aanspraak
van van Maanen, geplaatst in den Courrier d'Amsterdam van 1811, no. 305).
137) Br. en Ged. V, 30. Zelfs nadat het algemeen bestuur was
opgetreden kon van Maanen nog niet besluiten mede te doen, zegt van
Hogendorp. „Hij haalde mij het voorbeeld aan van den Spaanschen opstand,
131) Aanmerkingen van Falck op van der Palms Gedenkschrift,
in G. K. v. Hogendorp in 1813, Bijl., blz. 2. Van der Palm schrapte ten
gevolge van eene bedenking van Falck het woord wettiglijk, daar waar hij
sprak van de aanvaarding der souvereiniteit op 2 December 1813.
132) G. K. van Hogendorp in 1813, blz. 100.
133) Ik meen, dat zij aldus moeten worden gerangschikt: H. W.
van Aylva (Friesland), A. F. van der Duyn van Maasdam (Monden van de
Maas), Mr. C. T. Elout (Zuiderzee), T. C. van Heerdt (Monden van den
IJsel), Mr. D. J. Hondebeek Heerkens (Wester-Eems, later voor de
Generaliteitslanden), Mr. G. K. van Hogendorp (Monden van de Maas),
Aebinga van Humalda (Friesland), A. J. C. Lampsins (Monden van de
Schelde), W. C. H. van Lynden van Blitterswijk (Boven-IJsel), Mr. C. F. van
Maanen (Monden van de Maas), Mr. O. Repelaer (idem), Mr. W. F. Röell
(Zuiderzee), W. A. Schimmelpenninck van der Oye (Boven-IJsel), W. R.
van Tuyll van Serooskerken van Zuylen (Zuiderzee), G. W. van Imhoff
(Wester-Eems).
134) Brief aan H. Fagel van 17 November 1813: „Nous
appellerons dans ce gouvernement tous les partis et tous les cultes, parce
que tout esprit de parti est abjuré et parce que les citoyens de tous les cultes
appellent le même souverain.” (Br. en Ged. IV, 263).
135) Mr. J. van Maanen werd den 6 Febr. 1795 tot raadsheer in
den Hove van Holland benoemd. Hij overleed echter reeds 24 Febr. 1795.
136) Bij de komst des keizers hier te lande in October 1811 is hij
de tolk van de sentiments d'admiration, de fidélité, de vénération et
d'amour, die de leden van het gerechtshof bezielden voor le père de la
patrie, pour le plus grand héros, pour le premier législateur (Aanspraak
van van Maanen, geplaatst in den Courrier d'Amsterdam van 1811, no. 305).
137) Br. en Ged. V, 30. Zelfs nadat het algemeen bestuur was
opgetreden kon van Maanen nog niet besluiten mede te doen, zegt van
Hogendorp. „Hij haalde mij het voorbeeld aan van den Spaanschen opstand,
Page 108
onder welken jaren lang regt was gedaan in den naam van Philips den
2den.”
138) De Bosch Kemper, Staatk. Geschiedenis tot 1830, blz. 405.
139) Zooals mij is medegedeeld door Jhr. Mr. P. J. Elout van
Soeterwoude.
140) Falck aan D. J. van Lennep, 24 Dec. 1813 (Brieven, 2e ed.,
blz. 201).
141) In de vergadering der grondwets-commissie van 6 Jan.
1814 komt in een brief van Heerkens van 31 Dec. 1813, houdende
kennisgeving van de oorzaak van deszelfs afwezigheid en voornemen, zoo
spoedig mogelijk, de vergadering te komen bijwonen. De artikelen van de
Schets over de Godsdienst kwamen den 21sten Jan. 1814 aan de orde. De
beraadslaging werd den 28sten Januari 1814 vervolgd.
142) Reeds den 8sten December 1813 klaagt Hogendorp in een
brief aan H. Fagel over dien lastigen bezoeker (G. K. v. Hogendorp in 1813,
blz. 27). Den 28sten Jan. 1814 schrijft Hogendorp aan Clancarty: „M. de
Hogendorp garde encore la chambre. Cependant il aura chez lui la
constitution à une heure après midi” (Correspondence of Lord Castlereagh,
IX, pag. 206). Ook de commissie voor de grondwet van 1815 vergaderde
om dezelfde reden ten huize van van Hogendorp.
143) Ontstaan I, 77.
144) Dit geschiedde 3 Febr. (Ontstaan I, 328).
145) Ontstaan I, 446.
146) Volgens de officieele notulen had de vaststelling der
grondwet plaats den 1sten Maart 1814. Men leest echter in de notulen van
van Maanen: 1 Maart „De president heeft voorts den secretaris geïnviteerd
om achtervolgens het gecommuniceerde en geresolveerde op heden in de
nadere redactie de noodige veranderingen te maken.” 2 Maart. „De
president heeft door den secretaris doen voorlezen alle de nadere
veranderingen en emendatiën, welke in het ontwerp van constitutie
2den.”
138) De Bosch Kemper, Staatk. Geschiedenis tot 1830, blz. 405.
139) Zooals mij is medegedeeld door Jhr. Mr. P. J. Elout van
Soeterwoude.
140) Falck aan D. J. van Lennep, 24 Dec. 1813 (Brieven, 2e ed.,
blz. 201).
141) In de vergadering der grondwets-commissie van 6 Jan.
1814 komt in een brief van Heerkens van 31 Dec. 1813, houdende
kennisgeving van de oorzaak van deszelfs afwezigheid en voornemen, zoo
spoedig mogelijk, de vergadering te komen bijwonen. De artikelen van de
Schets over de Godsdienst kwamen den 21sten Jan. 1814 aan de orde. De
beraadslaging werd den 28sten Januari 1814 vervolgd.
142) Reeds den 8sten December 1813 klaagt Hogendorp in een
brief aan H. Fagel over dien lastigen bezoeker (G. K. v. Hogendorp in 1813,
blz. 27). Den 28sten Jan. 1814 schrijft Hogendorp aan Clancarty: „M. de
Hogendorp garde encore la chambre. Cependant il aura chez lui la
constitution à une heure après midi” (Correspondence of Lord Castlereagh,
IX, pag. 206). Ook de commissie voor de grondwet van 1815 vergaderde
om dezelfde reden ten huize van van Hogendorp.
143) Ontstaan I, 77.
144) Dit geschiedde 3 Febr. (Ontstaan I, 328).
145) Ontstaan I, 446.
146) Volgens de officieele notulen had de vaststelling der
grondwet plaats den 1sten Maart 1814. Men leest echter in de notulen van
van Maanen: 1 Maart „De president heeft voorts den secretaris geïnviteerd
om achtervolgens het gecommuniceerde en geresolveerde op heden in de
nadere redactie de noodige veranderingen te maken.” 2 Maart. „De
president heeft door den secretaris doen voorlezen alle de nadere
veranderingen en emendatiën, welke in het ontwerp van constitutie
Page 109
achtereenvolgens de deliberatiën van gisteren en eergisteren nog moesten
gemaakt worden, waarna het stuk is gearresteerd.”
147) Ontstaan I, 56 en 74.
148) Ontstaan I, 81.
149) Ontstaan I, 328.
150) Ontstaan I, 420.
151) Ontstaan I, 361.
152) Ontstaan I, 386.
153) Ontstaan I, 375.
154) Ontstaan I, 472.
155) Ontstaan I, 473.
156) Notabelen was een minder stuitend woord dan
aanzienlijken. Was het naar aanleiding van het voorbeeld van Frankrijk, dat
men op het denkbeeld kwam dit woord te gebruiken? Sedert men aldaar de
Staten-Generaal thuis had gelaten, hadden de koningen in plaats van de drie
standen, somwijlen assemblées de notables bijeengeroepen, bestaande uit
personen, die door den koning werden aangewezen.
157) In de vergadering van 14 Jan. 1814 liet de souvereine vorst
de heeren der commissie verzoeken, ieder voor zijne provincie te willen
opmaken eene lijst voor de notabelen, die op de lijst van 600 zouden komen
(Ontstaan I, 212–'13).
158) Ontstaan I, 415; vgl. aldaar, 400.
159) J. E. N. van Lynden van Hoevelaken, S. van Hoogstraten,
Huyssen van Kattendijke, B. Donker Curtius, D. C. de Leeuw, J. P.
Graafland, G. A. M. van Bommel, A. Sandberg, A. C. de Hartoghe Huber
(Metelerkamp, 61).
160) Röell zei: „de vorst behoort niet te verklaren, dat de 600 de
natie representeeren; liefst bekend maken of zoo iets—dat a parte principis
eene meer lijdelijke houding te kennen geeft”. (Ontstaan I, 416).
gemaakt worden, waarna het stuk is gearresteerd.”
147) Ontstaan I, 56 en 74.
148) Ontstaan I, 81.
149) Ontstaan I, 328.
150) Ontstaan I, 420.
151) Ontstaan I, 361.
152) Ontstaan I, 386.
153) Ontstaan I, 375.
154) Ontstaan I, 472.
155) Ontstaan I, 473.
156) Notabelen was een minder stuitend woord dan
aanzienlijken. Was het naar aanleiding van het voorbeeld van Frankrijk, dat
men op het denkbeeld kwam dit woord te gebruiken? Sedert men aldaar de
Staten-Generaal thuis had gelaten, hadden de koningen in plaats van de drie
standen, somwijlen assemblées de notables bijeengeroepen, bestaande uit
personen, die door den koning werden aangewezen.
157) In de vergadering van 14 Jan. 1814 liet de souvereine vorst
de heeren der commissie verzoeken, ieder voor zijne provincie te willen
opmaken eene lijst voor de notabelen, die op de lijst van 600 zouden komen
(Ontstaan I, 212–'13).
158) Ontstaan I, 415; vgl. aldaar, 400.
159) J. E. N. van Lynden van Hoevelaken, S. van Hoogstraten,
Huyssen van Kattendijke, B. Donker Curtius, D. C. de Leeuw, J. P.
Graafland, G. A. M. van Bommel, A. Sandberg, A. C. de Hartoghe Huber
(Metelerkamp, 61).
160) Röell zei: „de vorst behoort niet te verklaren, dat de 600 de
natie representeeren; liefst bekend maken of zoo iets—dat a parte principis
eene meer lijdelijke houding te kennen geeft”. (Ontstaan I, 416).
Page 110
161) Ontstaan I, 384.
162) Brief van 8 Januari 1814 aan Lord Liverpool (Ged. VII,
26). Lord Castlereagh bevond zich in die dagen in den Haag op reis naar het
hoofdkwartier der geallieerden.
163) Metelerkamp, blz. 94, spreekt van „bijna algemeene
goedkeuring.” Zijn er dan nog enkelen geweest, die met sommige personen
geen genoegen namen? Men kan op die vraag geen antwoord geven,
zoolang de registers niet toegankelijk zijn.
164) Metelerkamp, 101.
165) Aldaar, 195.
166) Aldaar, 197. Reeds den 11den Maart 1814 had het lid der
grondwetcommissie, van Aylva, tevens opperhofmaarschalk van den
souvereinen vorst, aan zijn medelid in de commissie Röell geschreven, dat
de constitutie zonder debat moest worden aangenomen of verworpen
(Archief Röell).
167) Blz. 205.
168) Metelerkamp, 217.
169) Aldaar, 227. Zie ook de aanspraak van den souvereinen
vorst in de eerste bijeenkomst der Staten-Generaal den 2den Mei 1814.
170) De Bosch Kemper, Letterkundige Aanteekeningen, blz.
462.
171) Ontstaan I, 1; Br. en Ged. V, 83.
172) Overzicht van B. D. H. Tellegen Az., 5.
173) Br. en Ged. V, 43, 46.
174) Ontstaan I, 31.
175) Br. en Ged. VI, 29.
176) Falck's Gedenkschriften, 126.
177) Ontstaan I, 1.
162) Brief van 8 Januari 1814 aan Lord Liverpool (Ged. VII,
26). Lord Castlereagh bevond zich in die dagen in den Haag op reis naar het
hoofdkwartier der geallieerden.
163) Metelerkamp, blz. 94, spreekt van „bijna algemeene
goedkeuring.” Zijn er dan nog enkelen geweest, die met sommige personen
geen genoegen namen? Men kan op die vraag geen antwoord geven,
zoolang de registers niet toegankelijk zijn.
164) Metelerkamp, 101.
165) Aldaar, 195.
166) Aldaar, 197. Reeds den 11den Maart 1814 had het lid der
grondwetcommissie, van Aylva, tevens opperhofmaarschalk van den
souvereinen vorst, aan zijn medelid in de commissie Röell geschreven, dat
de constitutie zonder debat moest worden aangenomen of verworpen
(Archief Röell).
167) Blz. 205.
168) Metelerkamp, 217.
169) Aldaar, 227. Zie ook de aanspraak van den souvereinen
vorst in de eerste bijeenkomst der Staten-Generaal den 2den Mei 1814.
170) De Bosch Kemper, Letterkundige Aanteekeningen, blz.
462.
171) Ontstaan I, 1; Br. en Ged. V, 83.
172) Overzicht van B. D. H. Tellegen Az., 5.
173) Br. en Ged. V, 43, 46.
174) Ontstaan I, 31.
175) Br. en Ged. VI, 29.
176) Falck's Gedenkschriften, 126.
177) Ontstaan I, 1.
Page 111
178) Br. en Ged. V, 29.
179) Ged. VI, 1740.
180) Br. en Ged. IV, 247.
181) Falck's Gedenkschriften, 122.
182) Ontstaan I, 70.
183) Ontstaan I, 82.
184) Ontstaan I, 78.
185) Ontstaan I, 36.—Röell, niet bijzonder meer op posten
gesteld, had zich tot dusver op een afstand van de zaken gehouden.
186) Zooals van Hogendorp zich in 1823 had uitgedrukt in het
7de deel zijner Bijdragen, bl. 148 (vgl. Ontstaan I, 69).
187) Men vergelijke slechts de derde redactie met de tweede, en
vervolgens met 's Vorsten aanmerkingen (Ontstaan I, 32).
188) Te weten, na de mededeeling aan Elout (zie beneden).
189) Ik vermoed, naar den inhoud (zie boven).—De wandeling,
die het door Hogendorp in folio geschreven exemplaar der tweede redactie
(nog onder zijn papieren aanwezig) moet hebben afgelegd, is: 4 Dec. aan
den S. V., vervolgens waarschijnlijk Aylva; 9 Dec. of daarvóór in handen
van Falck; 9 Dec. naar Elout; vóór 13 Dec. van dezen aan Falck terug (zie
Ontstaan I, 504); 19 Dec. van den S. V. aan Hogendorp terug (zie Ontstaan
I, 32).
190) Brief berustende op het Rijksarchief bij de stukken van van
Maanen.
191) Br. en Ged. V, 84.
192) Ontstaan I, 503.
193) Ontstaan I, 503.
194) Ontstaan I, 39.
179) Ged. VI, 1740.
180) Br. en Ged. IV, 247.
181) Falck's Gedenkschriften, 122.
182) Ontstaan I, 70.
183) Ontstaan I, 82.
184) Ontstaan I, 78.
185) Ontstaan I, 36.—Röell, niet bijzonder meer op posten
gesteld, had zich tot dusver op een afstand van de zaken gehouden.
186) Zooals van Hogendorp zich in 1823 had uitgedrukt in het
7de deel zijner Bijdragen, bl. 148 (vgl. Ontstaan I, 69).
187) Men vergelijke slechts de derde redactie met de tweede, en
vervolgens met 's Vorsten aanmerkingen (Ontstaan I, 32).
188) Te weten, na de mededeeling aan Elout (zie beneden).
189) Ik vermoed, naar den inhoud (zie boven).—De wandeling,
die het door Hogendorp in folio geschreven exemplaar der tweede redactie
(nog onder zijn papieren aanwezig) moet hebben afgelegd, is: 4 Dec. aan
den S. V., vervolgens waarschijnlijk Aylva; 9 Dec. of daarvóór in handen
van Falck; 9 Dec. naar Elout; vóór 13 Dec. van dezen aan Falck terug (zie
Ontstaan I, 504); 19 Dec. van den S. V. aan Hogendorp terug (zie Ontstaan
I, 32).
190) Brief berustende op het Rijksarchief bij de stukken van van
Maanen.
191) Br. en Ged. V, 84.
192) Ontstaan I, 503.
193) Ontstaan I, 503.
194) Ontstaan I, 39.
Page 112
195) Ontstaan I, 504.
196) Ontstaan I, 504.
197) Ontstaan I, 32.
198) Br. en Ged. V, 82.
199) En zouden dus één vierde hebben uitgemaakt van het aantal
leden, door iedere provincie naar de Staten-Generaal af te vaardigen.
200) Br. en Ged. V, 82.
201) Ontstaan I, 35–36.
202) Dit valt af te leiden uit Ontstaan I, 36. Van's Vorsten zijde
zullen ongetwijfeld zijn opgegeven Aylva, van Lynden, van Tuyll, groote
namen uit de oude Oranjepartij; van Heerdt, jaren lang zijn vertrouwde
dienaar; Humalda, Lampsins, Schimmelpenninck, met welke hij in de jaren
na '95 gedurig in correspondentie was geweest. Hogendorp sprak natuurlijk
vanzelf; ook van der Duyn en Repelaer om de positie die zij toen innamen.
Van Maanen en Elout zullen niet het minste bezwaar bij den Vorst ontmoet
hebben als representanten van de na '95 tot aanzien gekomen wereld. Falck
heeft daarna nog voorgeslagen Röell en Heerkens.
203) Als zoodanig waren toen in functie (onder den titel van
commissaris-generaal) behalve de door van der Duyn vervangen Hogendorp
en de niet den titel van commissaris-generaal voerende van Maanen: van
Stralen (binnenlandsche zaken), Canneman (financiën), Bentinck van
Buckhorst (oorlog). Benoemd, maar nog niet in functie getreden, was van
der Hoop (marine).
204) Ontstaan I, 36.
205) Het was toen reeds duidelijk dat de Vorst nòch met van
Stralen nòch met Canneman veel ophad: Falck's Gedenkschriften, 120.—
Bentinck had een in die dagen buitengemeen drukken post en was overigens
ook geen man voor een dergelijke commissie.
206) Falck's Gedenkschriften, 125.
196) Ontstaan I, 504.
197) Ontstaan I, 32.
198) Br. en Ged. V, 82.
199) En zouden dus één vierde hebben uitgemaakt van het aantal
leden, door iedere provincie naar de Staten-Generaal af te vaardigen.
200) Br. en Ged. V, 82.
201) Ontstaan I, 35–36.
202) Dit valt af te leiden uit Ontstaan I, 36. Van's Vorsten zijde
zullen ongetwijfeld zijn opgegeven Aylva, van Lynden, van Tuyll, groote
namen uit de oude Oranjepartij; van Heerdt, jaren lang zijn vertrouwde
dienaar; Humalda, Lampsins, Schimmelpenninck, met welke hij in de jaren
na '95 gedurig in correspondentie was geweest. Hogendorp sprak natuurlijk
vanzelf; ook van der Duyn en Repelaer om de positie die zij toen innamen.
Van Maanen en Elout zullen niet het minste bezwaar bij den Vorst ontmoet
hebben als representanten van de na '95 tot aanzien gekomen wereld. Falck
heeft daarna nog voorgeslagen Röell en Heerkens.
203) Als zoodanig waren toen in functie (onder den titel van
commissaris-generaal) behalve de door van der Duyn vervangen Hogendorp
en de niet den titel van commissaris-generaal voerende van Maanen: van
Stralen (binnenlandsche zaken), Canneman (financiën), Bentinck van
Buckhorst (oorlog). Benoemd, maar nog niet in functie getreden, was van
der Hoop (marine).
204) Ontstaan I, 36.
205) Het was toen reeds duidelijk dat de Vorst nòch met van
Stralen nòch met Canneman veel ophad: Falck's Gedenkschriften, 120.—
Bentinck had een in die dagen buitengemeen drukken post en was overigens
ook geen man voor een dergelijke commissie.
206) Falck's Gedenkschriften, 125.
Page 113
207) Welk getal dan nog alleen bereikt wordt door den Hagenaar
Elout, wiens familie uit Haarlem was, bij de Zuiderzee te tellen.
208) D'Alphonse's Aperçu geeft aan de Zuiderzee 500.656
inwoners; aan de Monden van de Maas 389.214.
209) Ontstaan I, 36 („wij moeten een Groninger hebben”).
210) Ontstaan I, 37.—Wat Falck daar schrijft dat de Groninger
uit de Stad moet zijn, is blijkbaar een gevolg van het levendig beklag door
P.G. van Iddekinge bij den S. V. gedaan, dat zijn beide commissarissen in de
Wester-Eems (Lewe en Alberda) Ommelanders zijn (Ged. VI, Inl. 3e stuk,
CLXXXIII).
211) De prefecturen werden door het Algemeen Bestuur bij
voorkeur dubbel bezet.
212) Andere bewijzen in de correspondentie van Falck en van
Maanen over de benoeming van Röell en van Heerkens (Ontstaan I, 36–
37).
213) Zoolang Gorkum en Nijmegen niet over waren, en er nog
zooveel vreemde troepen door Gelderland trokken, was het voor de
militaire belangen lang niet onverschillig hoe de Arnhemsche prefectuur
was bezet.
214) Nijmegen werd ontruimd 6 Januari, doch Gorkum eerst
overgegeven 20 Februari.
215) Hiervóór, bl. 17 noot.
216) Ged. I, 609; vgl. Ged. II, 819.
217) Ten onrechte deelt van der Aa mede (en heeft daaruit
Tellegen's eerste druk op bl. 58 noot), dat hij onder het Staatsbewind en
onder Schimmelpenninck lid van het Wetgevend Lichaam was.
218) Falcks Gedenkschriften 77; Br. en Ged. IV, 250.
219) Br. en Ged. V, 24; Ged. VI, 3e stuk, bl. LXXIII, 1742.
220) Ged. VI, 1e Stuk, bl. XXXVII.
Elout, wiens familie uit Haarlem was, bij de Zuiderzee te tellen.
208) D'Alphonse's Aperçu geeft aan de Zuiderzee 500.656
inwoners; aan de Monden van de Maas 389.214.
209) Ontstaan I, 36 („wij moeten een Groninger hebben”).
210) Ontstaan I, 37.—Wat Falck daar schrijft dat de Groninger
uit de Stad moet zijn, is blijkbaar een gevolg van het levendig beklag door
P.G. van Iddekinge bij den S. V. gedaan, dat zijn beide commissarissen in de
Wester-Eems (Lewe en Alberda) Ommelanders zijn (Ged. VI, Inl. 3e stuk,
CLXXXIII).
211) De prefecturen werden door het Algemeen Bestuur bij
voorkeur dubbel bezet.
212) Andere bewijzen in de correspondentie van Falck en van
Maanen over de benoeming van Röell en van Heerkens (Ontstaan I, 36–
37).
213) Zoolang Gorkum en Nijmegen niet over waren, en er nog
zooveel vreemde troepen door Gelderland trokken, was het voor de
militaire belangen lang niet onverschillig hoe de Arnhemsche prefectuur
was bezet.
214) Nijmegen werd ontruimd 6 Januari, doch Gorkum eerst
overgegeven 20 Februari.
215) Hiervóór, bl. 17 noot.
216) Ged. I, 609; vgl. Ged. II, 819.
217) Ten onrechte deelt van der Aa mede (en heeft daaruit
Tellegen's eerste druk op bl. 58 noot), dat hij onder het Staatsbewind en
onder Schimmelpenninck lid van het Wetgevend Lichaam was.
218) Falcks Gedenkschriften 77; Br. en Ged. IV, 250.
219) Br. en Ged. V, 24; Ged. VI, 3e stuk, bl. LXXIII, 1742.
220) Ged. VI, 1e Stuk, bl. XXXVII.
Page 114
221) Ged. VI, 1593.
222) Br. en Ged. V, 12.—Zij waren beiden vaders van gardes
d'honneur.
223) Ontstaan I, 77.
224) Ontstaan I, 157.—Denkelijk zal de punctueele van Maanen
wel verlangd hebben dat hij eerst die taak afdeed.
225) Ged. V, 568.
226) Voor zijn ontwikkelingsgang kan naar zijn merkwaardige
Souvenirs, uitgegeven door Sirtema van Grovestins (Saint-Germain, 1852)
worden verwezen.
227) Op Hogendorp's memorie van toelichting op de Schets na,
die Metelerkamp overnemen kon uit Staatscourant 5 April 1814 waarin zij
was geplaatst omdat Hogendorp haar in Engelsche couranten had laten
zetten ter bestrijding van de beweringen van Lord Holland c.s. in het
parlement (Ontstaan I, bl. IX).
228) Ontstaan I, 74.
229) Ontstaan I, 361.
230) Ontstaan I, 446.
231) Ontstaan I, 380.
232) Ontstaan I, 406.
222) Br. en Ged. V, 12.—Zij waren beiden vaders van gardes
d'honneur.
223) Ontstaan I, 77.
224) Ontstaan I, 157.—Denkelijk zal de punctueele van Maanen
wel verlangd hebben dat hij eerst die taak afdeed.
225) Ged. V, 568.
226) Voor zijn ontwikkelingsgang kan naar zijn merkwaardige
Souvenirs, uitgegeven door Sirtema van Grovestins (Saint-Germain, 1852)
worden verwezen.
227) Op Hogendorp's memorie van toelichting op de Schets na,
die Metelerkamp overnemen kon uit Staatscourant 5 April 1814 waarin zij
was geplaatst omdat Hogendorp haar in Engelsche couranten had laten
zetten ter bestrijding van de beweringen van Lord Holland c.s. in het
parlement (Ontstaan I, bl. IX).
228) Ontstaan I, 74.
229) Ontstaan I, 361.
230) Ontstaan I, 446.
231) Ontstaan I, 380.
232) Ontstaan I, 406.
Page 115
IV.
DE GRONDWET EN DE MAATSCHAPPIJ.
Twee millioen menschen hadden hunne
woonplaats op het Nederlandsche grondgebied 233).
Geen van hen gelijk aan den ander. En toch komt die
verzameling van menschen ons, om het geliefkoosde
beeld onzer dagen te gebruiken, als een levend
organisme te gemoet. Het is een volk; het heeft een
eigen taal; het heeft een eigen karakter—door het een
en het ander onderscheidt het zich van andere volken.
Zou de taak niet aanlokkelijk zijn, in het licht te
stellen, hoe onder den invloed der woonplaats en der
geschiedenis zich dat volk heeft gevormd en
ontwikkeld, de trekken te schilderen, waarin zich zijn
karakter openbaart? En bovendien, hoe,
niettegenstaande die overeenkomst tusschen de zonen
van hetzelfde land, de onderscheidene bestanddeelen
der maatschappij weder van elkander verschillen, hoe
de eenheid van het geheel de verscheidenheid der
DE GRONDWET EN DE MAATSCHAPPIJ.
Twee millioen menschen hadden hunne
woonplaats op het Nederlandsche grondgebied 233).
Geen van hen gelijk aan den ander. En toch komt die
verzameling van menschen ons, om het geliefkoosde
beeld onzer dagen te gebruiken, als een levend
organisme te gemoet. Het is een volk; het heeft een
eigen taal; het heeft een eigen karakter—door het een
en het ander onderscheidt het zich van andere volken.
Zou de taak niet aanlokkelijk zijn, in het licht te
stellen, hoe onder den invloed der woonplaats en der
geschiedenis zich dat volk heeft gevormd en
ontwikkeld, de trekken te schilderen, waarin zich zijn
karakter openbaart? En bovendien, hoe,
niettegenstaande die overeenkomst tusschen de zonen
van hetzelfde land, de onderscheidene bestanddeelen
der maatschappij weder van elkander verschillen, hoe
de eenheid van het geheel de verscheidenheid der
Page 116
deelen niet uitsluit? Rijk en arm, hoog en laag, stad
en land en dan—het onderscheid van godsdienst.
Meent echter niet, dat het mijn plan zoude zijn,
mijne hand uit te strekken naar eene taak, die hoe
aanlokkelijk ook, boven het bereik mijner krachten
geplaatst is. Zoowel de verwen als het penseel
ontbreken mij om een beeld te kunnen schetsen van
het Nederlandsche volk, zoo als het zich voordeed in
het begin dezer eeuw. Wat ik beoog, heeft een meer
bescheiden omvang. De grondwet van een volk moet
vóór alles het antwoord geven op de vraag: hoedanig
zal het staatsgebouw zijn, door het volk te bewonen?
Hoedanig zal de vorm, de inrichting der regeering
zijn? Het is eene wet, die de machten aanwijst,
geroepen voor den Staat op te treden, en die hare
wederzijdsche bevoegdheid beschrijft. Toch zien wij
in den regel die hoogste wet zich niet tot dit
hoofdpunt bepalen. De wetgever zal, zoo hij zijne
taak goed begrijpt, bij de inrichting van het bestuur
de maatschappij voor oogen houden, waarvoor dit
bestuur moet dienen; hij zal letten op de behoeften,
de inzichten, de vooroordeelen dier maatschappij; hij
zal dus staan onder haren invloed. Maar zal die
wetgever ook zijnerzijds invloed willen uitoefenen op
de maatschappij zelve? Niet zelden zal ook dit het
en land en dan—het onderscheid van godsdienst.
Meent echter niet, dat het mijn plan zoude zijn,
mijne hand uit te strekken naar eene taak, die hoe
aanlokkelijk ook, boven het bereik mijner krachten
geplaatst is. Zoowel de verwen als het penseel
ontbreken mij om een beeld te kunnen schetsen van
het Nederlandsche volk, zoo als het zich voordeed in
het begin dezer eeuw. Wat ik beoog, heeft een meer
bescheiden omvang. De grondwet van een volk moet
vóór alles het antwoord geven op de vraag: hoedanig
zal het staatsgebouw zijn, door het volk te bewonen?
Hoedanig zal de vorm, de inrichting der regeering
zijn? Het is eene wet, die de machten aanwijst,
geroepen voor den Staat op te treden, en die hare
wederzijdsche bevoegdheid beschrijft. Toch zien wij
in den regel die hoogste wet zich niet tot dit
hoofdpunt bepalen. De wetgever zal, zoo hij zijne
taak goed begrijpt, bij de inrichting van het bestuur
de maatschappij voor oogen houden, waarvoor dit
bestuur moet dienen; hij zal letten op de behoeften,
de inzichten, de vooroordeelen dier maatschappij; hij
zal dus staan onder haren invloed. Maar zal die
wetgever ook zijnerzijds invloed willen uitoefenen op
de maatschappij zelve? Niet zelden zal ook dit het
Page 117
geval zijn. Veelal heeft de grondwetgever, in plaats
van onzijdig te blijven tegenover hetgeen het volk
onderling onderscheidt en verdeelt, door
aanmoediging of belemmering in de eene of andere
richting willen werken, ja zelfs meestal het
staatsgezag in de schaal geworpen ten gunste van die
bestanddeelen, welke uit zich zelve reeds met de
grootste kracht waren bezield. Dit is, wat ik bovenal
bedoelde, toen ik boven deze bladzijden schreef: De
grondwet en de maatschappij. Was de grondwet
neutraal of was zij het niet tegenover de
bestanddeelen, de schakeeringen van het
nederlandsche volk?
Wanneer men de maatschappij van die dagen
beschouwt, dan was er—evenals vroeger—evenals
thans—bovenal een punt van verschil, waardoor die
maatschappij in al hare klassen en rangen als 't ware
gezuurd was; het verschil van godsdienst. Op
dezelfde plek gronds leefden onder—wellicht beter
naast elkander: Protestanten, Roomschen, Joden.
Indien in 1814 de toestand reeds dezelfde was, als hij
later in 1829 bleek te zijn, dan waren zij in de
verhouding van 60, 38 en 2 procent over de
bevolking verdeeld 234). Het grootste gedeelte der
Protestanten behoorde tot de Hervormde kerk. Mocht
van onzijdig te blijven tegenover hetgeen het volk
onderling onderscheidt en verdeelt, door
aanmoediging of belemmering in de eene of andere
richting willen werken, ja zelfs meestal het
staatsgezag in de schaal geworpen ten gunste van die
bestanddeelen, welke uit zich zelve reeds met de
grootste kracht waren bezield. Dit is, wat ik bovenal
bedoelde, toen ik boven deze bladzijden schreef: De
grondwet en de maatschappij. Was de grondwet
neutraal of was zij het niet tegenover de
bestanddeelen, de schakeeringen van het
nederlandsche volk?
Wanneer men de maatschappij van die dagen
beschouwt, dan was er—evenals vroeger—evenals
thans—bovenal een punt van verschil, waardoor die
maatschappij in al hare klassen en rangen als 't ware
gezuurd was; het verschil van godsdienst. Op
dezelfde plek gronds leefden onder—wellicht beter
naast elkander: Protestanten, Roomschen, Joden.
Indien in 1814 de toestand reeds dezelfde was, als hij
later in 1829 bleek te zijn, dan waren zij in de
verhouding van 60, 38 en 2 procent over de
bevolking verdeeld 234). Het grootste gedeelte der
Protestanten behoorde tot de Hervormde kerk. Mocht
Page 118
het nu ten opzichte der Joden toen 235) nog de vraag
zijn, wat zij meer waren, eene afzonderlijke natie dan
eene bijzondere secte, tusschen de overige
Nederlanders was het onderscheid alleen hierin
gegrond, dat zij over de eeuwige dingen verschillend
dachten. Welke houding zoude de grondwet
aannemen tegenover de godsdienstige zijde des
volks? Zoude zij, met terzijdestelling van de
geschiedenis der laatste twintig jaren, het voorbeeld
volgen van de republiek der Vereenigde Nederlanden,
die, hoewel zij in godsdienstige verdraagzaamheid
boven andere volken uitmuntte, toch eene kerk als
staatskerk erkende? Of zoude zij een kind der
revolutie zijn, die met huldiging van de denkbeelden
der 18de eeuw aan de Hervormde kerk dat karakter
had ontnomen; de revolutie van 1795, die den grond
der godsdienstvrijheid zocht in het individu, die
geene burgerlijke voor- of nadeelen aan de belijdenis
van eenig kerkelijk leerstelsel verbond, ja die de
kerkgenootschappen, een uitvloeisel der
godsdienstvrijheid, wilde laten zorg dragen voor het
onderhoud van den eeredienst, deszelfs bedienaren en
gestichten en dus verklaard had: godsdienst is geen
regeeringszaak.
zijn, wat zij meer waren, eene afzonderlijke natie dan
eene bijzondere secte, tusschen de overige
Nederlanders was het onderscheid alleen hierin
gegrond, dat zij over de eeuwige dingen verschillend
dachten. Welke houding zoude de grondwet
aannemen tegenover de godsdienstige zijde des
volks? Zoude zij, met terzijdestelling van de
geschiedenis der laatste twintig jaren, het voorbeeld
volgen van de republiek der Vereenigde Nederlanden,
die, hoewel zij in godsdienstige verdraagzaamheid
boven andere volken uitmuntte, toch eene kerk als
staatskerk erkende? Of zoude zij een kind der
revolutie zijn, die met huldiging van de denkbeelden
der 18de eeuw aan de Hervormde kerk dat karakter
had ontnomen; de revolutie van 1795, die den grond
der godsdienstvrijheid zocht in het individu, die
geene burgerlijke voor- of nadeelen aan de belijdenis
van eenig kerkelijk leerstelsel verbond, ja die de
kerkgenootschappen, een uitvloeisel der
godsdienstvrijheid, wilde laten zorg dragen voor het
onderhoud van den eeredienst, deszelfs bedienaren en
gestichten en dus verklaard had: godsdienst is geen
regeeringszaak.
Page 119
Dit alles toch was verkondigd in de blijde
boodschap van de eerste staatsregeling der
Bataafsche Republiek, de staatsregeling van 1798.
(Inleiding, art. 19–20.) Wat was daarvan
teruggenomen, wat was werkelijkheid geworden in
de pijnlijke jaren van 1798–1813? Teruggenomen
was, of wil men liever eene doode letter was
gebleven het beginsel, dat de godsdienstvrijheid een
individueel recht was. Men verviel spoedig weder in
de begripsverwarring, waardoor godsdienstvrijheid
en vrijheid der kerkgenootschappen als synoniem
beschouwd worden, en waarbij men vergeet, dat de
vrijheid der laatste kan uitloopen, niet zelden uitloopt
op godsdienstigen dwang. Immers in de volgende
staatsregelingen wordt niet meer de klemtoon op het
individu, maar integendeel op de
kerkgenootschappen gelegd; ja de staatsregeling van
1801 (art. 12) schrijft zelfs voor, dat een ieder
verplicht is, zich bij een of ander kerkgenootschap te
laten inschrijven. En al mocht ook deze laatste
bepaling in de constitutie van 1805 en 1806 niet
worden overgenomen, ook deze staatsregelingen
huldigen de bescherming der kerkgenootschappen,
niet die der individu's (1805, art. 4, 1806, art. 6).
Evenmin vinden wij uitvoering gegeven aan de met
boodschap van de eerste staatsregeling der
Bataafsche Republiek, de staatsregeling van 1798.
(Inleiding, art. 19–20.) Wat was daarvan
teruggenomen, wat was werkelijkheid geworden in
de pijnlijke jaren van 1798–1813? Teruggenomen
was, of wil men liever eene doode letter was
gebleven het beginsel, dat de godsdienstvrijheid een
individueel recht was. Men verviel spoedig weder in
de begripsverwarring, waardoor godsdienstvrijheid
en vrijheid der kerkgenootschappen als synoniem
beschouwd worden, en waarbij men vergeet, dat de
vrijheid der laatste kan uitloopen, niet zelden uitloopt
op godsdienstigen dwang. Immers in de volgende
staatsregelingen wordt niet meer de klemtoon op het
individu, maar integendeel op de
kerkgenootschappen gelegd; ja de staatsregeling van
1801 (art. 12) schrijft zelfs voor, dat een ieder
verplicht is, zich bij een of ander kerkgenootschap te
laten inschrijven. En al mocht ook deze laatste
bepaling in de constitutie van 1805 en 1806 niet
worden overgenomen, ook deze staatsregelingen
huldigen de bescherming der kerkgenootschappen,
niet die der individu's (1805, art. 4, 1806, art. 6).
Evenmin vinden wij uitvoering gegeven aan de met
Page 120
het beginsel der individueele godsdienstvrijheid zoo
nauw verbonden bepaling, dat de Staat niet voor het
onderhoud van de godsdiensten behoort te zorgen.
Immers eerst volgens de additioneele artikelen der
staatsregeling van 1798, later volgens art. 14 der
grondwet van 1801, bleven de politieke kassen
voorloopig belast met de uitbetaling der tractementen
van de leeraren der voormalige Hervormde kerk. Iets
wat echter niet meer als een tijdelijke maatregel kon
beschouwd worden, toen koning Lodewijk bij het
organiek decreet van 2 Augustus 1808 niet alleen aan
die predikanten het behoud hunner tractementen
verzekerde, maar tevens, naarmate de financiën het
toelieten, ook aan de geestelijken der andere
gezindheden bezoldiging van staatswege beloofde.
Moge nu al de volledige toepassing van deze regeling
onder koning Lodewijk met geldgebrek te kampen
hebben gehad 236); mocht er na de inlijving weinig of
niet zijn uitbetaald; het beginsel om de eerediensten
van staatswege te ondersteunen, bleef ook onder het
Keizerrijk gehuldigd (decreet van 18 October 1810,
art. 206–207). Wanneer men dit overweegt, dan is de
slotsom deze, dat althans de staatskerk vernietigd
bleef, en in de hoofdzaak de gelijkheid tusschen de
kerkgenootschappen werd gehandhaafd. Trouwens
nauw verbonden bepaling, dat de Staat niet voor het
onderhoud van de godsdiensten behoort te zorgen.
Immers eerst volgens de additioneele artikelen der
staatsregeling van 1798, later volgens art. 14 der
grondwet van 1801, bleven de politieke kassen
voorloopig belast met de uitbetaling der tractementen
van de leeraren der voormalige Hervormde kerk. Iets
wat echter niet meer als een tijdelijke maatregel kon
beschouwd worden, toen koning Lodewijk bij het
organiek decreet van 2 Augustus 1808 niet alleen aan
die predikanten het behoud hunner tractementen
verzekerde, maar tevens, naarmate de financiën het
toelieten, ook aan de geestelijken der andere
gezindheden bezoldiging van staatswege beloofde.
Moge nu al de volledige toepassing van deze regeling
onder koning Lodewijk met geldgebrek te kampen
hebben gehad 236); mocht er na de inlijving weinig of
niet zijn uitbetaald; het beginsel om de eerediensten
van staatswege te ondersteunen, bleef ook onder het
Keizerrijk gehuldigd (decreet van 18 October 1810,
art. 206–207). Wanneer men dit overweegt, dan is de
slotsom deze, dat althans de staatskerk vernietigd
bleef, en in de hoofdzaak de gelijkheid tusschen de
kerkgenootschappen werd gehandhaafd. Trouwens
Page 121
sloot de heerschappij der Napoleons uit den aard der
zaak eene herleving der Hervormde kerk als
staatskerk uit. Met behoud van de gelijkheid der
kerkgenootschappen, was dan de godsdienst in 't
algemeen een voorwerp van staatszorg geworden,
iets, dat in harmonie was ook met het
regeeringsstelsel van Napoleon, die aan de eene zijde
de bedienaren van den godsdienst om hunne
aanmatiging vreesde, aan de andere zijde ze
beschouwde als werktuigen, bruikbaar om het volk te
kneden en met een geest van onderwerping te
doordringen. Zoo vond de souvereine vorst den
toestand. Geene heerschende kerk meer, maar alle
kerkgenootschappen onderworpen aan—gesteund
door—ja organen van het staatsgezag.
Wat zoude de toekomst baren? Welke regeling van
staat en godsdienst zoude uit de werkplaats der
commissie te voorschijn komen? Hoe zoude de
grondwet het onderwerp regelen? Zoude men in haar
kunnen lezen, dat de Nederlandsche natie bestond uit
Hervormden en andere Protestanten, uit Roomsch-
katholieken, uit Joden? Zoude zij meer voorliefde
koesteren voor den een dan voor den ander, en zoude
de Hervormde kerk weder op den kandelaar worden
gezet? Zij, die dit laatste wenschten, konden daarvoor
zaak eene herleving der Hervormde kerk als
staatskerk uit. Met behoud van de gelijkheid der
kerkgenootschappen, was dan de godsdienst in 't
algemeen een voorwerp van staatszorg geworden,
iets, dat in harmonie was ook met het
regeeringsstelsel van Napoleon, die aan de eene zijde
de bedienaren van den godsdienst om hunne
aanmatiging vreesde, aan de andere zijde ze
beschouwde als werktuigen, bruikbaar om het volk te
kneden en met een geest van onderwerping te
doordringen. Zoo vond de souvereine vorst den
toestand. Geene heerschende kerk meer, maar alle
kerkgenootschappen onderworpen aan—gesteund
door—ja organen van het staatsgezag.
Wat zoude de toekomst baren? Welke regeling van
staat en godsdienst zoude uit de werkplaats der
commissie te voorschijn komen? Hoe zoude de
grondwet het onderwerp regelen? Zoude men in haar
kunnen lezen, dat de Nederlandsche natie bestond uit
Hervormden en andere Protestanten, uit Roomsch-
katholieken, uit Joden? Zoude zij meer voorliefde
koesteren voor den een dan voor den ander, en zoude
de Hervormde kerk weder op den kandelaar worden
gezet? Zij, die dit laatste wenschten, konden daarvoor
Page 122
hunne hoop vestigen op de opdracht der
souvereiniteit aan het huis van Oranje, dat huis, zoo
nauw met de oude staatskerk verbonden. Zij konden
grond voor die verwachting putten uit de
omstandigheid, dat de grondwet-commissie met éene
uitzondering uit leden der hervormde kerk bestond.
En wanneer zij bekend mochten zijn met de
gevoelens van Hogendorp, zooals hij die in 1799 nog
aankleefde, konden zij weten, dat hij toen in zooverre
slechts tot de beginselen van gelijkheid bekeerd was,
van voor alle christelijke gezindheden den toegang te
willen openen tot in de steden op te richten
kiezercollegiën, terwijl hij voor het overige den
ouden toestand hersteld wilde zien 237). Ja in 1802
wenschte Hogendorp nog herstel der publieke
kerk 238). Scheen dit alles niet te wijzen op de
waarschijnlijkheid eener restauratie, en dit te meer,
nu de revolutie in minachting was geraakt en er hier
te lande even als elders eene overhelling tot herstel
van het oude bestond?
Toch was de uitkomst eene andere, dan men naar
het voorgaande zoude hebben kunnen verwachten.
Het valt niet te ontkennen, dat er in de commissie
weinigen waren, die de pen wenschen te halen door
al hetgeen sedert de revolutie in dit opzicht was tot
souvereiniteit aan het huis van Oranje, dat huis, zoo
nauw met de oude staatskerk verbonden. Zij konden
grond voor die verwachting putten uit de
omstandigheid, dat de grondwet-commissie met éene
uitzondering uit leden der hervormde kerk bestond.
En wanneer zij bekend mochten zijn met de
gevoelens van Hogendorp, zooals hij die in 1799 nog
aankleefde, konden zij weten, dat hij toen in zooverre
slechts tot de beginselen van gelijkheid bekeerd was,
van voor alle christelijke gezindheden den toegang te
willen openen tot in de steden op te richten
kiezercollegiën, terwijl hij voor het overige den
ouden toestand hersteld wilde zien 237). Ja in 1802
wenschte Hogendorp nog herstel der publieke
kerk 238). Scheen dit alles niet te wijzen op de
waarschijnlijkheid eener restauratie, en dit te meer,
nu de revolutie in minachting was geraakt en er hier
te lande even als elders eene overhelling tot herstel
van het oude bestond?
Toch was de uitkomst eene andere, dan men naar
het voorgaande zoude hebben kunnen verwachten.
Het valt niet te ontkennen, dat er in de commissie
weinigen waren, die de pen wenschen te halen door
al hetgeen sedert de revolutie in dit opzicht was tot
Page 123
stand gekomen. Wellicht kon dit alleen gezegd
worden van den zeventigjarigen van Lynden van
Blitterswijk, die uit de hoogte nederziende op
Mennisten, Remonstranten, Lutherschen en Joden, en
vreezende voor het vervolgzieke karakter der
Roomsch-katholieke kerk, het veiliger vond van bij
de oude constitutie op het stuk van godsdienst te
blijven 239). Zelfs Hogendorp was, zooals wij zien
zullen, hiervan verre verwijderd. Wanneer men het
zevende hoofdstuk der schets (art. 60–61) leest, dan
wenschte hij alle godsdiensten in den lande te
beschermen, dan werd aan den christelijk-
hervormden godsdienst alleen in zooverre een
privilegie toegekend, dat haar onderhoud als van
ouds tot last bleef van het gemeene land. Maar ook
de Roomsch-katholieke godsdienst zoude worden
ondersteund in die provincie of provinciën, waar die
godsdienst de meerderheid had. In de commissie
zelve wilde men echter nog verder gaan en ook aan
de andere gezindten uitzicht op financieele
ondersteuning geven. Over deze en andere
vraagpunten betrekkelijk den godsdienst ontstond
eene lange discussie, die den 21sten Januari 1814
aangevangen, den 1sten, 2den en 3den Februari
voortgezet, eerst den 1sten Maart 1814 door het
worden van den zeventigjarigen van Lynden van
Blitterswijk, die uit de hoogte nederziende op
Mennisten, Remonstranten, Lutherschen en Joden, en
vreezende voor het vervolgzieke karakter der
Roomsch-katholieke kerk, het veiliger vond van bij
de oude constitutie op het stuk van godsdienst te
blijven 239). Zelfs Hogendorp was, zooals wij zien
zullen, hiervan verre verwijderd. Wanneer men het
zevende hoofdstuk der schets (art. 60–61) leest, dan
wenschte hij alle godsdiensten in den lande te
beschermen, dan werd aan den christelijk-
hervormden godsdienst alleen in zooverre een
privilegie toegekend, dat haar onderhoud als van
ouds tot last bleef van het gemeene land. Maar ook
de Roomsch-katholieke godsdienst zoude worden
ondersteund in die provincie of provinciën, waar die
godsdienst de meerderheid had. In de commissie
zelve wilde men echter nog verder gaan en ook aan
de andere gezindten uitzicht op financieele
ondersteuning geven. Over deze en andere
vraagpunten betrekkelijk den godsdienst ontstond
eene lange discussie, die den 21sten Januari 1814
aangevangen, den 1sten, 2den en 3den Februari
voortgezet, eerst den 1sten Maart 1814 door het
Page 124
machtwoord van den souvereinen vorst tot eene
eindbeslissing kwam. Er waren, behalve de vraag der
financieele ondersteuning, twee punten die vooral
aanleiding tot discussie gaven, en waarover tot
tweemaal (2 en 3 Februari) de stemmen staakten. Het
eene of de grondwet uitdrukkelijk aan de belijders
der onderscheidene gezindheden het recht, om aan de
regeering deel te nemen, zou toekennen. Hogendorp
die volgens zijne Aanmerkingen op de schets 240)
thans voor dit beginsel was, vond echter de
uitdrukkelijke vermelding, daar het zulk een teer punt
gold, niet wenschelijk, en tevens onnoodig. Immers
zoo niemand uitgesloten werd, waren allen
toegelaten 241). Met hem gingen zes leden der
commissie, hetzij, zooals van Imhoff, op de door hem
aangevoerde gronden, hetzij, zooals waarschijnlijk
van Lynden, om nog een deur open te laten voor de
herstelling der staatskerk. De andere helft der
commissie—waaronder vooral van Maanen, Röell,
Elout en Heerkens op den voorgrond traden—vond
daarentegen uitdrukkelijke huldiging van dit beginsel
wenschelijk en noodzakelijk 242). Het andere punt van
verschil ontstond door een voorstel van Aylva, die in
de grondwet wenschte opgenomen te zien de
bepaling dat de hervormde godsdienst die was van
eindbeslissing kwam. Er waren, behalve de vraag der
financieele ondersteuning, twee punten die vooral
aanleiding tot discussie gaven, en waarover tot
tweemaal (2 en 3 Februari) de stemmen staakten. Het
eene of de grondwet uitdrukkelijk aan de belijders
der onderscheidene gezindheden het recht, om aan de
regeering deel te nemen, zou toekennen. Hogendorp
die volgens zijne Aanmerkingen op de schets 240)
thans voor dit beginsel was, vond echter de
uitdrukkelijke vermelding, daar het zulk een teer punt
gold, niet wenschelijk, en tevens onnoodig. Immers
zoo niemand uitgesloten werd, waren allen
toegelaten 241). Met hem gingen zes leden der
commissie, hetzij, zooals van Imhoff, op de door hem
aangevoerde gronden, hetzij, zooals waarschijnlijk
van Lynden, om nog een deur open te laten voor de
herstelling der staatskerk. De andere helft der
commissie—waaronder vooral van Maanen, Röell,
Elout en Heerkens op den voorgrond traden—vond
daarentegen uitdrukkelijke huldiging van dit beginsel
wenschelijk en noodzakelijk 242). Het andere punt van
verschil ontstond door een voorstel van Aylva, die in
de grondwet wenschte opgenomen te zien de
bepaling dat de hervormde godsdienst die was van
Page 125
den souvereinen vorst. Ook hierover staakten tot
tweemalen toe de stemmen 243). Die voor het eerste
punt zich verklaard hadden, verklaarden zich
hiertegen, behalve dat, terwijl van Zuylen en
Humalda beide keeren voor stemden, Hogendorp en
met hem van Imhoff zich ook tegen dit tweede punt
verklaarden. Dat de souvereine vorst den hervormden
godsdienst beleed, was, meende Hogendorp, een
gevolg van de gebeurtenissen der 2½ laatste eeuwen:
dit behoefde niet uitdrukkelijk te worden vermeld—
en waarom dan, zoo dacht hij waarschijnlijk, niet
liever over zulk een teeder punt het stilzwijgen
bewaard? Bij dien uitslag bleef er niet veel anders
over, dan het gevoelen van den souvereinen vorst
over dit onderwerp en bepaaldelijk over die beide
punten in te winnen. Toen dan den 28sten Februari en
den 1sten Maart de eindredactie der grondwet in
behandeling was genomen en van Maanen den 1sten
Maart er weder op aandrong, de deelneming van
allen aan de regeering grondwettig te verzekeren,
deelde Hogendorp mede, dat Z. H. dit ook begeerde,
mitsgaders dat uitgedrukt werd, dat de souvereine
vorst van den hervormden godsdienst was. En
daartoe werd dan ook geconcludeerd. Dus werd in
het voornaamste der beide punten datgene behouden,
tweemalen toe de stemmen 243). Die voor het eerste
punt zich verklaard hadden, verklaarden zich
hiertegen, behalve dat, terwijl van Zuylen en
Humalda beide keeren voor stemden, Hogendorp en
met hem van Imhoff zich ook tegen dit tweede punt
verklaarden. Dat de souvereine vorst den hervormden
godsdienst beleed, was, meende Hogendorp, een
gevolg van de gebeurtenissen der 2½ laatste eeuwen:
dit behoefde niet uitdrukkelijk te worden vermeld—
en waarom dan, zoo dacht hij waarschijnlijk, niet
liever over zulk een teeder punt het stilzwijgen
bewaard? Bij dien uitslag bleef er niet veel anders
over, dan het gevoelen van den souvereinen vorst
over dit onderwerp en bepaaldelijk over die beide
punten in te winnen. Toen dan den 28sten Februari en
den 1sten Maart de eindredactie der grondwet in
behandeling was genomen en van Maanen den 1sten
Maart er weder op aandrong, de deelneming van
allen aan de regeering grondwettig te verzekeren,
deelde Hogendorp mede, dat Z. H. dit ook begeerde,
mitsgaders dat uitgedrukt werd, dat de souvereine
vorst van den hervormden godsdienst was. En
daartoe werd dan ook geconcludeerd. Dus werd in
het voornaamste der beide punten datgene behouden,
Page 126
wat sedert de revolutie was ingevoerd: de
gelijkstelling van de leden der onderscheidene
kerkgenootschappen. De definitieve regeling der
financieele ondersteuning bewoog zich nog meer in
de richting der gelijkheid dan Hogendorp en zelfs de
commissie oorspronkelijk gewild had. Terwijl beide
slechts aan de Roomsch-katholieken, daar waar zij de
meerderheid hadden, ondersteuning hadden
toegezegd—de commissie ook nog andere gezindten
eenig uitzicht daarop had geopend—werd in de
grondwet zelve met behoud van het financieel
privilegie der hervormde kerk, aan alle andere
gezindten het behoud verzekerd van hetgeen zij tot
dusver hadden genoten, en tevens het uitzicht op
meerdere ondersteuning aan deze en ook aan andere
gezindten geopend. Had ook hier de invloed van den
souvereinen vorst gewerkt? Het is waarschijnlijk,
zoowel omdat hij, nog voordat dit onderwerp bij de
commissie ter tafel kwam, reeds bij besluit van 19
Januari 1814 244) de beginselen in de regeling van
koning Lodewijk vervat voorloopig had bekrachtigd,
als omdat uit de beraadslagingen der commissie van
die veranderde zienswijze niets blijkt, en het dus aan
te nemen is, dat eerst de commissie van redactie
onder ruggespraak ook met den souvereinen vorst
gelijkstelling van de leden der onderscheidene
kerkgenootschappen. De definitieve regeling der
financieele ondersteuning bewoog zich nog meer in
de richting der gelijkheid dan Hogendorp en zelfs de
commissie oorspronkelijk gewild had. Terwijl beide
slechts aan de Roomsch-katholieken, daar waar zij de
meerderheid hadden, ondersteuning hadden
toegezegd—de commissie ook nog andere gezindten
eenig uitzicht daarop had geopend—werd in de
grondwet zelve met behoud van het financieel
privilegie der hervormde kerk, aan alle andere
gezindten het behoud verzekerd van hetgeen zij tot
dusver hadden genoten, en tevens het uitzicht op
meerdere ondersteuning aan deze en ook aan andere
gezindten geopend. Had ook hier de invloed van den
souvereinen vorst gewerkt? Het is waarschijnlijk,
zoowel omdat hij, nog voordat dit onderwerp bij de
commissie ter tafel kwam, reeds bij besluit van 19
Januari 1814 244) de beginselen in de regeling van
koning Lodewijk vervat voorloopig had bekrachtigd,
als omdat uit de beraadslagingen der commissie van
die veranderde zienswijze niets blijkt, en het dus aan
te nemen is, dat eerst de commissie van redactie
onder ruggespraak ook met den souvereinen vorst
Page 127
deze wijziging in de grondwet heeft gebracht.
Wanneer wij na dit alles de vraag doen, in hoeverre
voor het overige de beginselen der 18de eeuw werden
gehandhaafd of gehuldigd, dan vindt men—wat
trouwens te verwachten was—wel eene erkenning
der kerkgenootschappen, geenszins eene huldiging
van de godsdienstvrijheid van den mensch. Wat in
den revolutietijd eene doode letter was gebleven, kon
in de dagen der restauratie niet in 't leven treden.
Hiermede stond in verband de bescherming van de
kerkgenootschappen, die bestonden. Hogendorp had
in zijne schets die beperking niet opgenomen. Maar
op de aanmerking van Aylva, dat het te ver zou gaan,
ook nieuwe secten te beschermen, antwoordde
Hogendorp, dat hij dit ook geenszins bedoeld had. En
zoo werd er in art. 134 der grondwet van bestaande
kerkgenootschappen gesproken, niet van erkende,
zooals door Röell was voorgesteld. Dit woord vond
geen genade in de oogen van den man, die van al de
leden op dit punt het meest een kind van zijn tijd
schijnt geweest te zijn: van Maanen. Hij vreesde dat
het vrijzinnig genootschap Christo Sacrum er dan
buiten zou vallen. Immers, gaf hij te kennen, het
genootschap Christo Sacrum bestaat wel, moet dus
beschermd worden, maar het is niet erkend 245). Men
Wanneer wij na dit alles de vraag doen, in hoeverre
voor het overige de beginselen der 18de eeuw werden
gehandhaafd of gehuldigd, dan vindt men—wat
trouwens te verwachten was—wel eene erkenning
der kerkgenootschappen, geenszins eene huldiging
van de godsdienstvrijheid van den mensch. Wat in
den revolutietijd eene doode letter was gebleven, kon
in de dagen der restauratie niet in 't leven treden.
Hiermede stond in verband de bescherming van de
kerkgenootschappen, die bestonden. Hogendorp had
in zijne schets die beperking niet opgenomen. Maar
op de aanmerking van Aylva, dat het te ver zou gaan,
ook nieuwe secten te beschermen, antwoordde
Hogendorp, dat hij dit ook geenszins bedoeld had. En
zoo werd er in art. 134 der grondwet van bestaande
kerkgenootschappen gesproken, niet van erkende,
zooals door Röell was voorgesteld. Dit woord vond
geen genade in de oogen van den man, die van al de
leden op dit punt het meest een kind van zijn tijd
schijnt geweest te zijn: van Maanen. Hij vreesde dat
het vrijzinnig genootschap Christo Sacrum er dan
buiten zou vallen. Immers, gaf hij te kennen, het
genootschap Christo Sacrum bestaat wel, moet dus
beschermd worden, maar het is niet erkend 245). Men
Page 128
huldigde dus de gelijkheid der bestaande
kerkgenootschappen en als uitvloeisel daarvan de
gelijkheid hunner leden. Éene omstandigheid is
ongetwijfeld op dezen uitslag van grooten invloed
geweest. Ik bedoel het ook bij de commissie niet
onbekende plan der vereeniging van noord en zuid.
Voor van Lynden van Blitterswijk was dit eene reden
te meer voor het herstel der heerschende kerk; anders
zouden door die vereeniging de gereformeerden het
onderspit delven. Niet alzoo echter dachten de
overigen. Hogendorp wilde, blijkens zijne
Aanmerkingen 246), juist ook daarom aan allen den
toegang tot de regeering verleenen, omdat andere,
zelfs geheel Roomsche provinciën zich met het
noorden zouden kunnen vereenigen. Daarom was zijn
oorspronkelijk denkbeeld: „Onderhoud van de
gereformeerde kerk door den Staat in de zeven
Nederlanden, en van den Roomschen godsdienst in
de tien Nederlanden” 247). Niet het minst zal ook bij
den souvereinen vorst dit lievelingsdenkbeeld
gewogen hebben, toen hij zijnen invloed voor de
gelijkheid der kerkgenootschappen in de schaal
legde. Diezelfde vorst zal ook waarschijnlijk nog op
een ander punt eene wijziging van het oorspronkelijk
voorgestelde hebben bewerkt, t. w. de bepaling van
kerkgenootschappen en als uitvloeisel daarvan de
gelijkheid hunner leden. Éene omstandigheid is
ongetwijfeld op dezen uitslag van grooten invloed
geweest. Ik bedoel het ook bij de commissie niet
onbekende plan der vereeniging van noord en zuid.
Voor van Lynden van Blitterswijk was dit eene reden
te meer voor het herstel der heerschende kerk; anders
zouden door die vereeniging de gereformeerden het
onderspit delven. Niet alzoo echter dachten de
overigen. Hogendorp wilde, blijkens zijne
Aanmerkingen 246), juist ook daarom aan allen den
toegang tot de regeering verleenen, omdat andere,
zelfs geheel Roomsche provinciën zich met het
noorden zouden kunnen vereenigen. Daarom was zijn
oorspronkelijk denkbeeld: „Onderhoud van de
gereformeerde kerk door den Staat in de zeven
Nederlanden, en van den Roomschen godsdienst in
de tien Nederlanden” 247). Niet het minst zal ook bij
den souvereinen vorst dit lievelingsdenkbeeld
gewogen hebben, toen hij zijnen invloed voor de
gelijkheid der kerkgenootschappen in de schaal
legde. Diezelfde vorst zal ook waarschijnlijk nog op
een ander punt eene wijziging van het oorspronkelijk
voorgestelde hebben bewerkt, t. w. de bepaling van
Page 129
art. 139, waarbij aan den vorst het recht van inzage
en beschikking omtrent de inrichting der
gesubsidieerde of te subsidieeren gezindten werd
toegekend. Immers er blijkt niet, dat in de commissie
dergelijk voorstel is gedaan, veel min dat het is
aangenomen. Ook deze bepaling kwam voor het eerst
voor in de eindredactie, den 28 Februari 1814 ter
tafel gebracht 248).
Ik vlei mij, geene verschooning te behoeven,
omdat ik mij zoo lang heb bezig gehouden met de
wijze, waarop de grondwetgever de godsdienstige
zijde des volks opvatte. Ik ga nu over tot een ander
onderscheid, dat de Republiek der Vereenigde
Nederlanden had gekenmerkt, een onderscheid van
meer algemeenen aard—men zoude bijna zeggen:
van een meer algemeen menschelijk karakter, dan het
verschil van godsdienst. Ik bedoel hooge of lage
geboorte. Moge nu al het verschil van godsdienst, de
afscheiding van nationaliteit en godsdienst, de
daardoor te weeg gebrachte klove tusschen de zonen
van hetzelfde land, moge dit alles niet alleen eigen
zijn aan de christelijke volken, toch schijnt het vast te
staan, dat de oude wereld er zoo goed als vreemd aan
was. Met de geboorte en hare onderscheidingen is het
niet alzoo. Dit verschil heeft zich met zijne gevolgen
en beschikking omtrent de inrichting der
gesubsidieerde of te subsidieeren gezindten werd
toegekend. Immers er blijkt niet, dat in de commissie
dergelijk voorstel is gedaan, veel min dat het is
aangenomen. Ook deze bepaling kwam voor het eerst
voor in de eindredactie, den 28 Februari 1814 ter
tafel gebracht 248).
Ik vlei mij, geene verschooning te behoeven,
omdat ik mij zoo lang heb bezig gehouden met de
wijze, waarop de grondwetgever de godsdienstige
zijde des volks opvatte. Ik ga nu over tot een ander
onderscheid, dat de Republiek der Vereenigde
Nederlanden had gekenmerkt, een onderscheid van
meer algemeenen aard—men zoude bijna zeggen:
van een meer algemeen menschelijk karakter, dan het
verschil van godsdienst. Ik bedoel hooge of lage
geboorte. Moge nu al het verschil van godsdienst, de
afscheiding van nationaliteit en godsdienst, de
daardoor te weeg gebrachte klove tusschen de zonen
van hetzelfde land, moge dit alles niet alleen eigen
zijn aan de christelijke volken, toch schijnt het vast te
staan, dat de oude wereld er zoo goed als vreemd aan
was. Met de geboorte en hare onderscheidingen is het
niet alzoo. Dit verschil heeft zich met zijne gevolgen
Page 130
in de oude zoowel als in de nieuwe wereld doen
gevoelen. Hierin zal geene verandering komen,
zoolang de familie de grondslag blijft der
maatschappij en de luister van het geslacht afstraalt
op zijne leden. Zoolang zal een overgeërfde naam in
deze wereld veel voor hebben, zoolang zal het voor
een homo novus meer krachtsinspanning vereischen
om zich hier op aarde eene plaats te veroveren. Het
zoude dwaas zijn, de oogen te sluiten voor dit
verschijnsel: een verschijnsel dat zich niet alleen
vertoont bij hetgeen men gewoon is de aristocratie te
noemen, maar waarvan bijna geen klasse der
maatschappij bevrijd is. Iets anders is het echter, of
de Staat door zijne instellingen nog datgene moet
versterken, datgene moet begunstigen, wat reeds van
nature meer is bevoorrecht. Ook dit toch ziet men
niet zelden gebeuren. Het natuurlijke privilegie wordt
dan bovendien een privilegie der wet. Ja, men zoekt
zelfs door de wet te scheppen, wat een uitvloeisel
behoorde te zijn van natuurlijke omstandigheden.
Hoe stond het met dit alles in de Republiek der
Vereenigde Nederlanden? Het was eene eer te
behooren tot de patricische familiën in de steden;
onder de heeren te worden genoemd, die tegenover
de burgerij en het gemeen waren geplaatst. Geheel en
gevoelen. Hierin zal geene verandering komen,
zoolang de familie de grondslag blijft der
maatschappij en de luister van het geslacht afstraalt
op zijne leden. Zoolang zal een overgeërfde naam in
deze wereld veel voor hebben, zoolang zal het voor
een homo novus meer krachtsinspanning vereischen
om zich hier op aarde eene plaats te veroveren. Het
zoude dwaas zijn, de oogen te sluiten voor dit
verschijnsel: een verschijnsel dat zich niet alleen
vertoont bij hetgeen men gewoon is de aristocratie te
noemen, maar waarvan bijna geen klasse der
maatschappij bevrijd is. Iets anders is het echter, of
de Staat door zijne instellingen nog datgene moet
versterken, datgene moet begunstigen, wat reeds van
nature meer is bevoorrecht. Ook dit toch ziet men
niet zelden gebeuren. Het natuurlijke privilegie wordt
dan bovendien een privilegie der wet. Ja, men zoekt
zelfs door de wet te scheppen, wat een uitvloeisel
behoorde te zijn van natuurlijke omstandigheden.
Hoe stond het met dit alles in de Republiek der
Vereenigde Nederlanden? Het was eene eer te
behooren tot de patricische familiën in de steden;
onder de heeren te worden genoemd, die tegenover
de burgerij en het gemeen waren geplaatst. Geheel en
Page 131
al gesloten was die kring niet. In buitengewone
omstandigheden, zooals b. v. in 1748 te Amsterdam
het geval was, werd aan nieuwe geslachten de
toegang verleend. Naarmate echter het Staatsgebouw
meer verouderde en verviel, des te sterker werkte de
kastegeest. Er bleef om in de regeering te komen
bijna geen ander middel over dan het aangaan van
een huwelijk met eene regentendochter 249). Vreemd
was die geest van uitsluiting niet. Men bedenke toch,
dat het niet alleen eene eer was, tot dien
bevoorrechten kring te behooren, maar dat ook de
stedelijke en provinciale en generaliteitsbetrekkingen
de buit waren, die onder de leden van dien kring
werd verdeeld. Hiertoe te behooren, was dus niet
alleen eene eer, het was bovendien een op geld
waardeerbaar voorrecht. Wat nu de patricische
familiën waren in de steden, dat waren in de meeste
provinciën de edelen te platten lande. Het is bekend,
dat de afzwering van Philips en de invoering van den
Republikeinschen regeeringsvorm dien stand
langzamerhand zeer hadden doen inkrimpen. De
oude familiën stierven uit, en er was geene macht in
den Staat, om den adeldom te verleenen. Wat het
gevolg hiervan was, blijkt uit niets duidelijker, dan
uit de omstandigheid dat in 1794 het getal personen
omstandigheden, zooals b. v. in 1748 te Amsterdam
het geval was, werd aan nieuwe geslachten de
toegang verleend. Naarmate echter het Staatsgebouw
meer verouderde en verviel, des te sterker werkte de
kastegeest. Er bleef om in de regeering te komen
bijna geen ander middel over dan het aangaan van
een huwelijk met eene regentendochter 249). Vreemd
was die geest van uitsluiting niet. Men bedenke toch,
dat het niet alleen eene eer was, tot dien
bevoorrechten kring te behooren, maar dat ook de
stedelijke en provinciale en generaliteitsbetrekkingen
de buit waren, die onder de leden van dien kring
werd verdeeld. Hiertoe te behooren, was dus niet
alleen eene eer, het was bovendien een op geld
waardeerbaar voorrecht. Wat nu de patricische
familiën waren in de steden, dat waren in de meeste
provinciën de edelen te platten lande. Het is bekend,
dat de afzwering van Philips en de invoering van den
Republikeinschen regeeringsvorm dien stand
langzamerhand zeer hadden doen inkrimpen. De
oude familiën stierven uit, en er was geene macht in
den Staat, om den adeldom te verleenen. Wat het
gevolg hiervan was, blijkt uit niets duidelijker, dan
uit de omstandigheid dat in 1794 het getal personen
Page 132
in de Ridderschap van Holland beschreven niet meer
bedroeg dan tien, en hieronder waren er vier
Wassenaers en twee Boetzelaers; de geheele zaak
beperkte zich tot zes geslachten. Alleen in Gelderland
en Overijsel had de adel zich weten in stand te
houden en een door haar getal aanzienlijke
ridderschap kunnen blijven leveren. Maar de
menschelijke zucht, om, zij het dan ook alleen door
uiterlijke onderscheidingen, boven zijn naasten uit te
blinken, zoekt allerlei middelen om dit doel te
bereiken. In Friesland rustte de adeldom voor de
meesten op verjaring 250) en hadden ook de edelen
van dat slag zich een aandeel in het bestuur weten te
verwerven. In Groningen lieten zij, die door koop per
fas et nefas in 't bezit van de regeeringsrechten waren
gekomen, zich Jonkers noemen en werden zij in de
wandeling als adel behandeld. Bij die allen echter
was de adel òf verbonden met voorrechten òf een
uitvloeisel daarvan. Niet alzoo met vele anderen, de
zoogenaamde Nobiles diplomatici, waarmede
Bijnkershoek den draak steekt. Men trachtte van
vreemde souvereinen een adellijken titel te
verwerven. Er is tegenwoordig, zeide hij, zulk een
overvloed van die soort van baronnen en graven, dat
wij daaronder gevaar loopen te stikken. Men heeft
bedroeg dan tien, en hieronder waren er vier
Wassenaers en twee Boetzelaers; de geheele zaak
beperkte zich tot zes geslachten. Alleen in Gelderland
en Overijsel had de adel zich weten in stand te
houden en een door haar getal aanzienlijke
ridderschap kunnen blijven leveren. Maar de
menschelijke zucht, om, zij het dan ook alleen door
uiterlijke onderscheidingen, boven zijn naasten uit te
blinken, zoekt allerlei middelen om dit doel te
bereiken. In Friesland rustte de adeldom voor de
meesten op verjaring 250) en hadden ook de edelen
van dat slag zich een aandeel in het bestuur weten te
verwerven. In Groningen lieten zij, die door koop per
fas et nefas in 't bezit van de regeeringsrechten waren
gekomen, zich Jonkers noemen en werden zij in de
wandeling als adel behandeld. Bij die allen echter
was de adel òf verbonden met voorrechten òf een
uitvloeisel daarvan. Niet alzoo met vele anderen, de
zoogenaamde Nobiles diplomatici, waarmede
Bijnkershoek den draak steekt. Men trachtte van
vreemde souvereinen een adellijken titel te
verwerven. Er is tegenwoordig, zeide hij, zulk een
overvloed van die soort van baronnen en graven, dat
wij daaronder gevaar loopen te stikken. Men heeft
Page 133
dat koopen van vreemden adeldom wel eens trachten
te beletten, maar waarom zouden wij die lieden dit
genoegen niet gunnen, indien zij er op belust zijn,
indien zij zoo dwaas zijn, emere fumum? 251) Was het
echter wel alleen rook die gekocht werd of opende
het in de vorige eeuw ook den toegang tot de hoogere
kringen en was het ook eene aanbeveling voor het
bekleeden van betrekkingen? Ik durf het niet
beslissen.
Heeft de revolutie van 1795 aan die grootheid van
werkelijke en nagemaakte edelen, van edelen met en
zonder voorrechten een einde gemaakt? Ja, allen
werden nu burgers. Alle leden der maatschappij
hebben, zeide de staatsregeling van 1798 (art. 3 der
inleiding), zonder onderscheiding van geboorte,
bezitting, stand of rang, eene gelijke aanspraak op
derzelver voordeelen. De keus van den eenen burger
boven den ander (tot ambten en bedieningen) mocht
alleenlijk gegrond zijn op meerdere deugd en
bekwaamheid (art. 15 der Inleiding). De Bataafsche
Republiek kende het instituut van den adel niet,
evenmin als het aan de patricische familiën nog
voorrechten verzekerde.
te beletten, maar waarom zouden wij die lieden dit
genoegen niet gunnen, indien zij er op belust zijn,
indien zij zoo dwaas zijn, emere fumum? 251) Was het
echter wel alleen rook die gekocht werd of opende
het in de vorige eeuw ook den toegang tot de hoogere
kringen en was het ook eene aanbeveling voor het
bekleeden van betrekkingen? Ik durf het niet
beslissen.
Heeft de revolutie van 1795 aan die grootheid van
werkelijke en nagemaakte edelen, van edelen met en
zonder voorrechten een einde gemaakt? Ja, allen
werden nu burgers. Alle leden der maatschappij
hebben, zeide de staatsregeling van 1798 (art. 3 der
inleiding), zonder onderscheiding van geboorte,
bezitting, stand of rang, eene gelijke aanspraak op
derzelver voordeelen. De keus van den eenen burger
boven den ander (tot ambten en bedieningen) mocht
alleenlijk gegrond zijn op meerdere deugd en
bekwaamheid (art. 15 der Inleiding). De Bataafsche
Republiek kende het instituut van den adel niet,
evenmin als het aan de patricische familiën nog
voorrechten verzekerde.
Page 134
Was daarmede het onderscheid der geboorte
verdwenen? Niemand zal dit verwachten. Onder
gewone omstandigheden zouden zij, die tot dusver
boven de anderen hadden uitgeblonken, zij in wier
handen de regeering was, ook, voor zoover bruikbaar,
deel aan het staatsbestuur hebben blijven nemen; nu
kwam er echter eene bijzondere omstandigheid bij,
die dit belette. De voorstanders van het oude
regeeringstelsel werden uitgesloten door den val van
dat stelsel; zij konden, wat van iederen staatsburger
geeischt werd, niet verklaren hunnen
onveranderlijken afkeer van het stadhouderlijk
bestuur, het foederalismus en de aristocratie (art. 11
der Staatsregeling van 1798). Daardoor is het ook
wellicht gekomen, dat in 't laatst der vorige eeuw het
aanbod van ambten de vraag schijnt overtroffen te
hebben, zoodat men genoodzaakt was de straf van
verbanning voor 5 jaren te bedreigen tegen hen, die,
bijaldien 's lands welzijn de aanneming mocht
vorderen, een ambt zonder voldoende redenen
meenden te moeten weigeren 252). Een toestand, die
echter niet lang duurde. Na de invoering der
grondwet van 1801, na die van de grondwet van 1805
en vooral na den dood van Willem V en de
troonsbeklimming van koning Lodewijk in 1806,
verdwenen? Niemand zal dit verwachten. Onder
gewone omstandigheden zouden zij, die tot dusver
boven de anderen hadden uitgeblonken, zij in wier
handen de regeering was, ook, voor zoover bruikbaar,
deel aan het staatsbestuur hebben blijven nemen; nu
kwam er echter eene bijzondere omstandigheid bij,
die dit belette. De voorstanders van het oude
regeeringstelsel werden uitgesloten door den val van
dat stelsel; zij konden, wat van iederen staatsburger
geeischt werd, niet verklaren hunnen
onveranderlijken afkeer van het stadhouderlijk
bestuur, het foederalismus en de aristocratie (art. 11
der Staatsregeling van 1798). Daardoor is het ook
wellicht gekomen, dat in 't laatst der vorige eeuw het
aanbod van ambten de vraag schijnt overtroffen te
hebben, zoodat men genoodzaakt was de straf van
verbanning voor 5 jaren te bedreigen tegen hen, die,
bijaldien 's lands welzijn de aanneming mocht
vorderen, een ambt zonder voldoende redenen
meenden te moeten weigeren 252). Een toestand, die
echter niet lang duurde. Na de invoering der
grondwet van 1801, na die van de grondwet van 1805
en vooral na den dood van Willem V en de
troonsbeklimming van koning Lodewijk in 1806,
Page 135
hadden velen van de oude edelen, velen uit de
patricische geslachten, zich verzoend met het
bestaande regeeringstelsel en waren zij naast de
mannen van 1795 weder in de regeering gekomen. Ja,
viel hun niet spoedig het leeuwendeel te beurt?
Hierbij bleef men echter niet staan. De adel, als
instelling, werd hersteld bij de wet van 22 April
1809. Zooals koning Lodewijk later zei, deed hij dit
ter belooning van den ouden adel, die hem over het
algemeen met getrouwheid diende. De werking dezer
wet was echter van korten duur. Zij moest den 18den
Februari 1810 reeds worden ingetrokken, ter
voldoening aan den eisch van Napoleon, die, evenals
in de hollandsche maarschalken, daarin
waarschijnlijk zag een caricatuur van de keizerlijke
instellingen 253). Want ook in Frankrijk was de adel
herleefd. Niet alleen adellijke titels voor het leven,
maar ook met een erfelijk karakter, mits verbonden
met een majoraat, werden door den keizer erkend. En
zoo verrezen ook hier te lande de Comtes et Barons
de l'Empire. Men was dus bij ons op den smaak
gekomen der uit de wet voortvloeiende
onderscheidingen. Niet alleen ridderorden ter
belooning van persoonlijke verdiensten bracht ons de
heerschappij van Lodewijk en van den keizer, maar
patricische geslachten, zich verzoend met het
bestaande regeeringstelsel en waren zij naast de
mannen van 1795 weder in de regeering gekomen. Ja,
viel hun niet spoedig het leeuwendeel te beurt?
Hierbij bleef men echter niet staan. De adel, als
instelling, werd hersteld bij de wet van 22 April
1809. Zooals koning Lodewijk later zei, deed hij dit
ter belooning van den ouden adel, die hem over het
algemeen met getrouwheid diende. De werking dezer
wet was echter van korten duur. Zij moest den 18den
Februari 1810 reeds worden ingetrokken, ter
voldoening aan den eisch van Napoleon, die, evenals
in de hollandsche maarschalken, daarin
waarschijnlijk zag een caricatuur van de keizerlijke
instellingen 253). Want ook in Frankrijk was de adel
herleefd. Niet alleen adellijke titels voor het leven,
maar ook met een erfelijk karakter, mits verbonden
met een majoraat, werden door den keizer erkend. En
zoo verrezen ook hier te lande de Comtes et Barons
de l'Empire. Men was dus bij ons op den smaak
gekomen der uit de wet voortvloeiende
onderscheidingen. Niet alleen ridderorden ter
belooning van persoonlijke verdiensten bracht ons de
heerschappij van Lodewijk en van den keizer, maar
Page 136
ook de wettelijke onderscheiding der geslachten
kwam terug. Bij dit alles dient echter éene zaak niet
vergeten te worden: de voorrechten, aan het
onderscheid van geboorte verbonden, herleefden niet
—het revolutionnaire beginsel van gelijkheid bleef
ook onder de Napoleons in de hoofdzaak gehuldigd.
Toen nu met de herwinning onzer
onafhankelijkheid de monarchie in het huis van
Oranje werd gevestigd, scheen het als van zelf te
spreken, dat er daarnevens of daaronder ook een bij
de grondwet erkende adel zou zijn. De overhelling tot
het oude, de antecedenten onder Lodewijk en den
keizer, het besef, dat de adel niet alleen als stoffagie
voor het hof, maar ook als steun der monarchie
noodzakelijk was, dit alles leidde er toe, dat daarover
in den boezem der commissie geen verschil van
gevoelen bestond. Evenals andere souvereinen zoude
ook de souvereine vorst zijn de bron van eer, niet
alleen door het verleenen van orden tot belooning van
persoonlijke verdiensten, maar bovendien door het
recht om in den adelstand te verheffen. Zelfs een man
als van Maanen, die, in tegenstelling met bijna alle
leden der commissie, voor zich zelf dit voorrecht
nooit schijnt te hebben begeerd, had hierin geen
bezwaar. Maar over de strekking, den omvang, de
kwam terug. Bij dit alles dient echter éene zaak niet
vergeten te worden: de voorrechten, aan het
onderscheid van geboorte verbonden, herleefden niet
—het revolutionnaire beginsel van gelijkheid bleef
ook onder de Napoleons in de hoofdzaak gehuldigd.
Toen nu met de herwinning onzer
onafhankelijkheid de monarchie in het huis van
Oranje werd gevestigd, scheen het als van zelf te
spreken, dat er daarnevens of daaronder ook een bij
de grondwet erkende adel zou zijn. De overhelling tot
het oude, de antecedenten onder Lodewijk en den
keizer, het besef, dat de adel niet alleen als stoffagie
voor het hof, maar ook als steun der monarchie
noodzakelijk was, dit alles leidde er toe, dat daarover
in den boezem der commissie geen verschil van
gevoelen bestond. Evenals andere souvereinen zoude
ook de souvereine vorst zijn de bron van eer, niet
alleen door het verleenen van orden tot belooning van
persoonlijke verdiensten, maar bovendien door het
recht om in den adelstand te verheffen. Zelfs een man
als van Maanen, die, in tegenstelling met bijna alle
leden der commissie, voor zich zelf dit voorrecht
nooit schijnt te hebben begeerd, had hierin geen
bezwaar. Maar over de strekking, den omvang, de
Page 137
werking dezer instelling bestond wel verschil van
gevoelen. Wat was oorspronkelijk het denkbeeld van
Hogendorp? „De edelen,” zeide hij 254), „willen zij in
de ridderschap beschreven worden, moeten eene
heerlijkheid bezitten; zij zullen er eene, die in de
familie is, op hunnen naam krijgen, of er eene
koopen, en zoo doende zal het platte land allengskens
van zelf wederom zijne natuurlijke hoofden krijgen”.
In den adel zag dus Hogendorp het hoofd van het
platte land; voerden die denkbeelden van de eene
zijde terug tot het oude regime, zoo zoude van de
andere zijde de bij de wet erkende adel ook op
sociale feiten en niet alleen op het papier berusten, en
zoude hiervan een noodwendig gevolg zijn, dat bij
het verleenen dezer erfelijke onderscheiding eene
zekere soberheid zoude moeten worden in acht
genomen. De schets sprak in art. 15 dan ook alleen
van graven, burggraven of baronnen, met recht van
vererving alleen op den oudsten mannelijken
nakomeling, het laatste een uitvloeisel van het
gronddenkbeeld: vereeniging van adeldom en
heerlijkheid. Dergelijke herstelling van het oude
regime werd noch door de meerderheid der
commissie, noch door de grondwet beoogd. De
souvereine vorst zoude verheffen in den adelstand.
gevoelen. Wat was oorspronkelijk het denkbeeld van
Hogendorp? „De edelen,” zeide hij 254), „willen zij in
de ridderschap beschreven worden, moeten eene
heerlijkheid bezitten; zij zullen er eene, die in de
familie is, op hunnen naam krijgen, of er eene
koopen, en zoo doende zal het platte land allengskens
van zelf wederom zijne natuurlijke hoofden krijgen”.
In den adel zag dus Hogendorp het hoofd van het
platte land; voerden die denkbeelden van de eene
zijde terug tot het oude regime, zoo zoude van de
andere zijde de bij de wet erkende adel ook op
sociale feiten en niet alleen op het papier berusten, en
zoude hiervan een noodwendig gevolg zijn, dat bij
het verleenen dezer erfelijke onderscheiding eene
zekere soberheid zoude moeten worden in acht
genomen. De schets sprak in art. 15 dan ook alleen
van graven, burggraven of baronnen, met recht van
vererving alleen op den oudsten mannelijken
nakomeling, het laatste een uitvloeisel van het
gronddenkbeeld: vereeniging van adeldom en
heerlijkheid. Dergelijke herstelling van het oude
regime werd noch door de meerderheid der
commissie, noch door de grondwet beoogd. De
souvereine vorst zoude verheffen in den adelstand.
Page 138
Over de titels en de erfelijkheid werd gezwegen—en
dit werden dus punten, die aan den souvereinen vorst
werden overgelaten. Aan dien adel zoude geen ander
politiek voorrecht worden toegekend dan de
deelneming in de ridderschap; die ridderschap zoude
geen ander recht meer hebben dan het recht om een
gedeelte van de leden der provinciale staten te
kiezen, terwijl den adel bovendien eenig uitzicht
werd geopend op een evenredig aandeel onder het
getal der leden van de Staten-Generaal (art. 58 der
grondwet), een uitzicht, dat niet is verwezenlijkt.
Maar van een herstelling der heerlijkheden in den zin
van Hogendorp, zoodat de adel zoude worden het
hoofd van het platte land, was, zooals wij straks zien
zullen, geen sprake. In de hoofdzaak werd dus door
dezen adel het beginsel der gelijkheid inderdaad niet
omvergeworpen. Niet alleen de eigenlijke edelen van
de republiek, de friesche edelen, de groninger
jonkers, de Roomsch-katholieke adellijke familiën
door de revolutie van de 16de eeuw van het aandeel
in het bestuur beroofd, niet alleen de
vertegenwoordigers der patricische familiën van
voorheen werden dit voorrecht deelachtig Ook
vreemde adel opende den toegang tot dezen stand. Ja
zelfs kinderen der revolutie, mits, zooals
dit werden dus punten, die aan den souvereinen vorst
werden overgelaten. Aan dien adel zoude geen ander
politiek voorrecht worden toegekend dan de
deelneming in de ridderschap; die ridderschap zoude
geen ander recht meer hebben dan het recht om een
gedeelte van de leden der provinciale staten te
kiezen, terwijl den adel bovendien eenig uitzicht
werd geopend op een evenredig aandeel onder het
getal der leden van de Staten-Generaal (art. 58 der
grondwet), een uitzicht, dat niet is verwezenlijkt.
Maar van een herstelling der heerlijkheden in den zin
van Hogendorp, zoodat de adel zoude worden het
hoofd van het platte land, was, zooals wij straks zien
zullen, geen sprake. In de hoofdzaak werd dus door
dezen adel het beginsel der gelijkheid inderdaad niet
omvergeworpen. Niet alleen de eigenlijke edelen van
de republiek, de friesche edelen, de groninger
jonkers, de Roomsch-katholieke adellijke familiën
door de revolutie van de 16de eeuw van het aandeel
in het bestuur beroofd, niet alleen de
vertegenwoordigers der patricische familiën van
voorheen werden dit voorrecht deelachtig Ook
vreemde adel opende den toegang tot dezen stand. Ja
zelfs kinderen der revolutie, mits, zooals
Page 139
Schimmelpenninck, niet al te zeer gecompromitteerd,
werden daarin opgenomen. De grondwet verdeelde
dus de ingezetenen in wettelijk voorname en niet
voorname leden der maatschappij.
Voor zoover die gouden regen nederdaalde op de
leden der geslachten, die reeds van oudsher in de
nederlandsche maatschappij uitstaken, was het niets
anders dan door de wet te versterken, wat inderdaad
reeds bestond. Maar die gunst daalde ook op anderen
neer, die hunne voornaamheid dan uit de wettelijke
onderscheiding zelve afleidden. Kan het staatsgezag
dus de natuur vervangen? Wanneer men de
geschiedenis van ons vaderland sedert 1813
beschouwt, dan kan moeilijk worden ontkend, dat het
machtwoord der vorsten in staat is den onderdaan en
zijne nakomelingen eene hoogere plaats in de
samenleving te verzekeren, ook zonder dat
verdiensten jegens het vaderland daarvoor een
vereischte zijn.
Uit het oogpunt van den invloed der grondwet op
de maatschappij wensch ik nog de aandacht te
vestigen op een derde onderscheid, dat zal blijven
bestaan, zoolang de koopman zijne pakhuizen niet
opricht in het veld en de landman geen graan
werden daarin opgenomen. De grondwet verdeelde
dus de ingezetenen in wettelijk voorname en niet
voorname leden der maatschappij.
Voor zoover die gouden regen nederdaalde op de
leden der geslachten, die reeds van oudsher in de
nederlandsche maatschappij uitstaken, was het niets
anders dan door de wet te versterken, wat inderdaad
reeds bestond. Maar die gunst daalde ook op anderen
neer, die hunne voornaamheid dan uit de wettelijke
onderscheiding zelve afleidden. Kan het staatsgezag
dus de natuur vervangen? Wanneer men de
geschiedenis van ons vaderland sedert 1813
beschouwt, dan kan moeilijk worden ontkend, dat het
machtwoord der vorsten in staat is den onderdaan en
zijne nakomelingen eene hoogere plaats in de
samenleving te verzekeren, ook zonder dat
verdiensten jegens het vaderland daarvoor een
vereischte zijn.
Uit het oogpunt van den invloed der grondwet op
de maatschappij wensch ik nog de aandacht te
vestigen op een derde onderscheid, dat zal blijven
bestaan, zoolang de koopman zijne pakhuizen niet
opricht in het veld en de landman geen graan
Page 140
verbouwt op de marktpleinen. Wat was de positie, die
de grondwet innam tegenover het onderscheid van
stad en land?
Het onderscheid van stad en land. Wie schetst ons
uit dit oogpunt den toestand van de republiek der
Vereenigde Nederlanden? Wie stelt in 't licht wat
Tocqueville voor Frankrijk gedaan heeft, hoeveel de
landbevolking aan de revolutie te danken heeft? Want
dat, al zij het dan niet in die mate als in Frankrijk,
ook bij ons de revolutie voor die bevolking veel
goeds heeft gewrocht, valt mijns inziens niet te
ontkennen. De stad, het stedelijk element was
overheerschend in de republiek. Het landvolk zuchtte
onder de heerschappij der heeren en waar, zoo als in
Groningen, er geene heeren—in den zin van bezitters
van heerlijkheden—bestonden, daar was toch langs
een omweg door de afscheiding der bestuursrechten
van den grond en de samenvoeging er van in enkele
handen dezelfde, zoo niet een ergere toestand in 't
leven geroepen. Het bestuur en de rechtspraak te
platten lande waren onder de republiek bijna overal
een recht in commercio. Was de toestand er door
verbeterd, dat vele dier heerlijkheden in 't bezit waren
gekomen der welvarende steden en alzoo het platte
land niet zelden opgeofferd werd aan hare
de grondwet innam tegenover het onderscheid van
stad en land?
Het onderscheid van stad en land. Wie schetst ons
uit dit oogpunt den toestand van de republiek der
Vereenigde Nederlanden? Wie stelt in 't licht wat
Tocqueville voor Frankrijk gedaan heeft, hoeveel de
landbevolking aan de revolutie te danken heeft? Want
dat, al zij het dan niet in die mate als in Frankrijk,
ook bij ons de revolutie voor die bevolking veel
goeds heeft gewrocht, valt mijns inziens niet te
ontkennen. De stad, het stedelijk element was
overheerschend in de republiek. Het landvolk zuchtte
onder de heerschappij der heeren en waar, zoo als in
Groningen, er geene heeren—in den zin van bezitters
van heerlijkheden—bestonden, daar was toch langs
een omweg door de afscheiding der bestuursrechten
van den grond en de samenvoeging er van in enkele
handen dezelfde, zoo niet een ergere toestand in 't
leven geroepen. Het bestuur en de rechtspraak te
platten lande waren onder de republiek bijna overal
een recht in commercio. Was de toestand er door
verbeterd, dat vele dier heerlijkheden in 't bezit waren
gekomen der welvarende steden en alzoo het platte
land niet zelden opgeofferd werd aan hare
Page 141
bekrompene zelfzuchtige politiek? Ik gis van neen.
De staatsregeling van 1798 (art. 24 Inleiding) had de
pen gehaald door de heerlijke rechten—en zij waren
sedert niet herleefd. Niet dat de belanghebbenden
berust hadden in het beginsel van den nieuweren tijd,
volgens hetwelk het gezag van den een over den
ander alleen mag gegrond zijn in het belang van den
laatste, en rechten van bestuur diensvolgens geen
privaatrecht kunnen zijn. Immers even vóor de
troonsbeklimming van Lodewijk—ja, nadat deze
eigenlijk te Parijs reeds de regeering had aanvaard,
had het wetgevend lichaam den 9den Juni 1806 eene
wet uitgevaardigd, waarbij de heerlijke rechten voor
een groot deel werden hersteld. Doch de overgang
der regeering op koning Lodewijk en daarna de
inlijving van ons vaderland bij Frankrijk deden de
gunstige bepalingen dezer wet voor de heeren
verloren gaan. De revolutie, en—het moge hard zijn
dit te erkennen—de Fransche heerschappij hebben te
weeg gebracht de emancipatie der
plattelandsbevolking van den druk der heeren en der
steden. Zoude die vrucht der revolutie blijven
bewaard of zoude Neêrlands vrijheid voor die
bevolking worden het sein tot hernieuwde
onderdrukking? Het kan, helaas! niet worden
De staatsregeling van 1798 (art. 24 Inleiding) had de
pen gehaald door de heerlijke rechten—en zij waren
sedert niet herleefd. Niet dat de belanghebbenden
berust hadden in het beginsel van den nieuweren tijd,
volgens hetwelk het gezag van den een over den
ander alleen mag gegrond zijn in het belang van den
laatste, en rechten van bestuur diensvolgens geen
privaatrecht kunnen zijn. Immers even vóor de
troonsbeklimming van Lodewijk—ja, nadat deze
eigenlijk te Parijs reeds de regeering had aanvaard,
had het wetgevend lichaam den 9den Juni 1806 eene
wet uitgevaardigd, waarbij de heerlijke rechten voor
een groot deel werden hersteld. Doch de overgang
der regeering op koning Lodewijk en daarna de
inlijving van ons vaderland bij Frankrijk deden de
gunstige bepalingen dezer wet voor de heeren
verloren gaan. De revolutie, en—het moge hard zijn
dit te erkennen—de Fransche heerschappij hebben te
weeg gebracht de emancipatie der
plattelandsbevolking van den druk der heeren en der
steden. Zoude die vrucht der revolutie blijven
bewaard of zoude Neêrlands vrijheid voor die
bevolking worden het sein tot hernieuwde
onderdrukking? Het kan, helaas! niet worden
Page 142
geloochend, dat niet alleen een man als van Lynden,
maar ook Hogendorp zich in die richting bewoog.
Voor hem waren de steden de bron van den rijkdom
en was de adel de grondslag van den militairen geest,
en voor die beide alleen had hij oog 255). Immers
zouden—zooals het ook in de grondwet (art. 79)
bepaald werd—de steden haren eigene regeering
erlangen, een uitvloeisel van het door de ingezetenen
te vormen kiezerscollegie (art. 40 der schets). En
naast die steden stonden de adel en de
ridderschappen, (art. 40 der schets.) De
ambachtsheerlijkheden zouden worden hersteld (art.
45) en zoo zoude en in het bestuur en in de
rechtspraak de adel herleven als hoofd van het platte
land. Na overweging en nog eens herhaalde
overweging kwam men echter tot het resultaat, dat,
wat Hogendorp wilde, niet in te voeren was; dat het
niet aanging het platte land geheel en al als een
stiefkind te behandelen. Er waren slechts enkelen, die
ten slotte het denkbeeld volhielden de gewestelijke
vertegenwoordiging uit stad en adel alleen te doen
samenstellen. Men wees niet alleen op de geheel
veranderde omstandigheden, maar tevens daarop, dat
vóor de revolutie niet overal de plattelandsbevolking
was uitgesloten. Men wees op Friesland. Ja, men
maar ook Hogendorp zich in die richting bewoog.
Voor hem waren de steden de bron van den rijkdom
en was de adel de grondslag van den militairen geest,
en voor die beide alleen had hij oog 255). Immers
zouden—zooals het ook in de grondwet (art. 79)
bepaald werd—de steden haren eigene regeering
erlangen, een uitvloeisel van het door de ingezetenen
te vormen kiezerscollegie (art. 40 der schets). En
naast die steden stonden de adel en de
ridderschappen, (art. 40 der schets.) De
ambachtsheerlijkheden zouden worden hersteld (art.
45) en zoo zoude en in het bestuur en in de
rechtspraak de adel herleven als hoofd van het platte
land. Na overweging en nog eens herhaalde
overweging kwam men echter tot het resultaat, dat,
wat Hogendorp wilde, niet in te voeren was; dat het
niet aanging het platte land geheel en al als een
stiefkind te behandelen. Er waren slechts enkelen, die
ten slotte het denkbeeld volhielden de gewestelijke
vertegenwoordiging uit stad en adel alleen te doen
samenstellen. Men wees niet alleen op de geheel
veranderde omstandigheden, maar tevens daarop, dat
vóor de revolutie niet overal de plattelandsbevolking
was uitgesloten. Men wees op Friesland. Ja, men
Page 143
herinnerde aan stad en lande, waar geen adel deel aan
het bestuur had gehad. De groote meerderheid was
dan ook van oordeel, dat het platte land moest
worden vertegenwoordigd. En wanneer men
desniettegenstaande met 7 tegen 6 stemmen er voor
terugdeinsde de bestanddeelen der provinciale Staten
uitdrukkelijk in de grondwet op te nemen, dan was
het, omdat men tegen de formuleering van deze zaak
opzag; wellicht was een enkele er ook tegen, omdat
hij in de grondwet aan den adel niet overal een
aandeel in de vertegenwoordiging wenschte te zien
toegekend. De slotsom was, dat de regeling van dit
punt bij art. 74 der grondwet aan den souvereinen
vorst werd overgelaten. Z. K. H. werd echter met de
zienswijze der commissie in kennis gesteld 256).
Overeenkomstig hetgeen de meerderheid der
commissie wenschte, kon dan ook van Maanen in
zijn rede over de grondwet namens den souvereinen
vorst aan de notabelen mededeelen, dat naast adel en
stad ook de landeigenaren in de Staten zouden
worden vertegenwoordigd 257). En evenmin was de
regeling van de besturen ten platten lande een
terugkeer tot het oude. De rechtspraak moest blijven
wat zij na en door de revolutie geworden was, in alle
opzichten een publiek recht, een uitvloeisel van het
het bestuur had gehad. De groote meerderheid was
dan ook van oordeel, dat het platte land moest
worden vertegenwoordigd. En wanneer men
desniettegenstaande met 7 tegen 6 stemmen er voor
terugdeinsde de bestanddeelen der provinciale Staten
uitdrukkelijk in de grondwet op te nemen, dan was
het, omdat men tegen de formuleering van deze zaak
opzag; wellicht was een enkele er ook tegen, omdat
hij in de grondwet aan den adel niet overal een
aandeel in de vertegenwoordiging wenschte te zien
toegekend. De slotsom was, dat de regeling van dit
punt bij art. 74 der grondwet aan den souvereinen
vorst werd overgelaten. Z. K. H. werd echter met de
zienswijze der commissie in kennis gesteld 256).
Overeenkomstig hetgeen de meerderheid der
commissie wenschte, kon dan ook van Maanen in
zijn rede over de grondwet namens den souvereinen
vorst aan de notabelen mededeelen, dat naast adel en
stad ook de landeigenaren in de Staten zouden
worden vertegenwoordigd 257). En evenmin was de
regeling van de besturen ten platten lande een
terugkeer tot het oude. De rechtspraak moest blijven
wat zij na en door de revolutie geworden was, in alle
opzichten een publiek recht, een uitvloeisel van het
Page 144
hoofd van den Staat, van den souverein. En wat het
eigenlijke bestuur in engeren zin betreft, de grondwet
gaf in art. 81 wel te kennen dat op het verkregen
recht der belanghebbenden zoude worde gelet, doch
bovendien èn op de bijzondere omstandigheden der
heerlijkheden, districten en dorpen, èn op de
belangen der ingezetenen; alles ten slotte afhankelijk
van de latere regeling door de staten der gewesten te
ontwerpen en door den souvereinen vorst te
bekrachtigen.
Men keerde dus slechts ten deele terug tot den
ouden toestand. Toch kan men niet ontkennen, dat
van allen de plattelandsbevolking de minste redenen
van dankbaarheid had voor de herstelling van 's lands
onafhankelijkheid, die tot eene zekere hoogte
gepaard ging met hare achteruitzetting. Het had erger
kunnen zijn; het was toch reeds erg genoeg. En alsof
de belanghebbenden vreesden, dat zij op de invoering
der grondwet te lang zouden moeten wachten, of dat,
hoe meer men tot bezinning kwam, er minder kans op
herstel hunner privilegiën zoude zijn,—zij wisten den
souvereinen vorst te verleiden, bij besluit van 26
Maart 1814 de heerlijke rechten voor een deel weder
te doen herleven. Een besluit, waarbij, in strijd met
het beginsel van de vrijheid van den grond, het recht
eigenlijke bestuur in engeren zin betreft, de grondwet
gaf in art. 81 wel te kennen dat op het verkregen
recht der belanghebbenden zoude worde gelet, doch
bovendien èn op de bijzondere omstandigheden der
heerlijkheden, districten en dorpen, èn op de
belangen der ingezetenen; alles ten slotte afhankelijk
van de latere regeling door de staten der gewesten te
ontwerpen en door den souvereinen vorst te
bekrachtigen.
Men keerde dus slechts ten deele terug tot den
ouden toestand. Toch kan men niet ontkennen, dat
van allen de plattelandsbevolking de minste redenen
van dankbaarheid had voor de herstelling van 's lands
onafhankelijkheid, die tot eene zekere hoogte
gepaard ging met hare achteruitzetting. Het had erger
kunnen zijn; het was toch reeds erg genoeg. En alsof
de belanghebbenden vreesden, dat zij op de invoering
der grondwet te lang zouden moeten wachten, of dat,
hoe meer men tot bezinning kwam, er minder kans op
herstel hunner privilegiën zoude zijn,—zij wisten den
souvereinen vorst te verleiden, bij besluit van 26
Maart 1814 de heerlijke rechten voor een deel weder
te doen herleven. Een besluit, waarbij, in strijd met
het beginsel van de vrijheid van den grond, het recht
Page 145
van jacht en visscherij hersteld werd; waarbij, in
strijd met de vrijheid van godsdienst, het recht van
collatie weder werd in 't leven geroepen: waarbij
eindelijk, in strijd met het beginsel dat niemand
gezag over een ander mag uitoefenen, dan in 't belang
van dezen, de voordracht voor aanzienlijker en de
begeving van geringer betrekkingen weder aan de
voormalige heeren teruggegeven werd. Wanneer men
bedenkt, dat dit besluit door den souvereinen vorst
genomen werd in de laatste ure der door den nood
van het oogenblik hem opgedragen onbeperkte
macht, zoodat het zelfs eerst na de aanneming der
grondwet werd afgekondigd, dan gelooven wij niet te
overdrijven, wanneer wij dit besluit eene zwarte
bladzijde noemen in de geschiedenis van dien vorst,
en dan bevreemdt het ons, dat die zaak in die dagen
geen aanstoot heeft gegeven; althans schijnt daarvan
niets bekend te zijn geworden. Eerst in 1848 konden
de bepalingen van dit besluit voor zoover tot het
bestuur betrekkelijk weder worden opgeheven; voor
het overige wordt het platte land nog door den inhoud
van het besluit gedrukt.
Ik besprak den godsdienst, den adel, het platte
land. Behoudens eenige door mij aangestipte punten,
was men niet teruggekeerd tot den ouden tijd. Ik kan
strijd met de vrijheid van godsdienst, het recht van
collatie weder werd in 't leven geroepen: waarbij
eindelijk, in strijd met het beginsel dat niemand
gezag over een ander mag uitoefenen, dan in 't belang
van dezen, de voordracht voor aanzienlijker en de
begeving van geringer betrekkingen weder aan de
voormalige heeren teruggegeven werd. Wanneer men
bedenkt, dat dit besluit door den souvereinen vorst
genomen werd in de laatste ure der door den nood
van het oogenblik hem opgedragen onbeperkte
macht, zoodat het zelfs eerst na de aanneming der
grondwet werd afgekondigd, dan gelooven wij niet te
overdrijven, wanneer wij dit besluit eene zwarte
bladzijde noemen in de geschiedenis van dien vorst,
en dan bevreemdt het ons, dat die zaak in die dagen
geen aanstoot heeft gegeven; althans schijnt daarvan
niets bekend te zijn geworden. Eerst in 1848 konden
de bepalingen van dit besluit voor zoover tot het
bestuur betrekkelijk weder worden opgeheven; voor
het overige wordt het platte land nog door den inhoud
van het besluit gedrukt.
Ik besprak den godsdienst, den adel, het platte
land. Behoudens eenige door mij aangestipte punten,
was men niet teruggekeerd tot den ouden tijd. Ik kan
Page 146
dus ook zwijgen over de Generaliteitslanden. De
beslissing over den godsdienst en over het platte land
moest van zelf leiden tot de gelijkstelling van de
Generaliteitslanden met de overige deelen des Rijks.
De revolutie had dus niet te vergeefs gewerkt.
Wanneer wij naar de verklaring van dit feit zoeken,
dan komt ons allereerst de opmerking voor den geest:
niet alles is mogelijk wat men zoude wenschen. Ook
zij, die de vergaderzaal der commissie als blinde
voorstanders eener restauratie waren binnengetreden,
zullen die niet hebben verlaten zonder de overtuiging
te hebben gekregen, dat in de vervlogen achttien
jaren veel te niet was gegaan, wat reeds in 1795 op
sterven lag en wat onmogelijk weder kon worden
hersteld. Hoe zoude een adel, die door zijne
bezittingen het hoofd was van het platte land, kunnen
worden geschapen? Maar bovendien waren de leden
der commissie, die de geschiedenis van dit tijdvak
slechts als toeschouwers hadden doorleefd, niet de
meerderheid. Heerdt, van Lynden, van Tuyll van
Serooskerken, van der Duyn behoorden daartoe. Ook
Hogendorp. Doch deze had toch met zijnen geest de
ontwikkeling der gebeurtenissen nauwkeurig
gevolgd,—het zoude voor koning Lodewijk zelfs
beslissing over den godsdienst en over het platte land
moest van zelf leiden tot de gelijkstelling van de
Generaliteitslanden met de overige deelen des Rijks.
De revolutie had dus niet te vergeefs gewerkt.
Wanneer wij naar de verklaring van dit feit zoeken,
dan komt ons allereerst de opmerking voor den geest:
niet alles is mogelijk wat men zoude wenschen. Ook
zij, die de vergaderzaal der commissie als blinde
voorstanders eener restauratie waren binnengetreden,
zullen die niet hebben verlaten zonder de overtuiging
te hebben gekregen, dat in de vervlogen achttien
jaren veel te niet was gegaan, wat reeds in 1795 op
sterven lag en wat onmogelijk weder kon worden
hersteld. Hoe zoude een adel, die door zijne
bezittingen het hoofd was van het platte land, kunnen
worden geschapen? Maar bovendien waren de leden
der commissie, die de geschiedenis van dit tijdvak
slechts als toeschouwers hadden doorleefd, niet de
meerderheid. Heerdt, van Lynden, van Tuyll van
Serooskerken, van der Duyn behoorden daartoe. Ook
Hogendorp. Doch deze had toch met zijnen geest de
ontwikkeling der gebeurtenissen nauwkeurig
gevolgd,—het zoude voor koning Lodewijk zelfs
Page 147
weinig moeite gekost hebben, hem deel te hebben
doen nemen aan het bestuur; hij was bovendien te
scherpzinnig, om door de beraadslagingen der
commissie niet te worden overtuigd, dat veel van het
oude, veel van hetgeen ook hij oorspronkelijk nog
wilde, moest worden opgeofferd aan de denkbeelden
en omstandigheden van den nieuweren tijd. En naast
die leden stonden Humalda, van Imhoff, Repelaer,
Röell, Elout, die, hoewel niet als Heerkens en van
Maanen kinderen der revolutie, toch den lande in dat
tijdvak in hoogere en lagere staatsbetrekkingen
hadden gediend en de waarde van de nieuwe
beginselen van staatsbestuur zoo al niet hadden
leeren inzien, althans daaraan waren gewoon geraakt.
Vooral zij, die in 1795 op jeugdigen leeftijd waren—
zooals Elout, Röell, van Imhoff, van der Duyn,
moesten reeds van den aanvang af van het
onmogelijke eener volledige restauratie doordrongen
zijn.
Bij dit alles kwam het belang van den souvereinen
vorst. Eene herstelling van het oude was, met het oog
op zijn lievelingsdenkbeeld, te heerschen over noord
en zuid, eene ongerijmdheid. Op het stuk van den
godsdienst was dit duidelijk, en dat hij dit aldus
inzag, is zeker. Maar ook afgezien van de vereeniging
doen nemen aan het bestuur; hij was bovendien te
scherpzinnig, om door de beraadslagingen der
commissie niet te worden overtuigd, dat veel van het
oude, veel van hetgeen ook hij oorspronkelijk nog
wilde, moest worden opgeofferd aan de denkbeelden
en omstandigheden van den nieuweren tijd. En naast
die leden stonden Humalda, van Imhoff, Repelaer,
Röell, Elout, die, hoewel niet als Heerkens en van
Maanen kinderen der revolutie, toch den lande in dat
tijdvak in hoogere en lagere staatsbetrekkingen
hadden gediend en de waarde van de nieuwe
beginselen van staatsbestuur zoo al niet hadden
leeren inzien, althans daaraan waren gewoon geraakt.
Vooral zij, die in 1795 op jeugdigen leeftijd waren—
zooals Elout, Röell, van Imhoff, van der Duyn,
moesten reeds van den aanvang af van het
onmogelijke eener volledige restauratie doordrongen
zijn.
Bij dit alles kwam het belang van den souvereinen
vorst. Eene herstelling van het oude was, met het oog
op zijn lievelingsdenkbeeld, te heerschen over noord
en zuid, eene ongerijmdheid. Op het stuk van den
godsdienst was dit duidelijk, en dat hij dit aldus
inzag, is zeker. Maar ook afgezien van de vereeniging
Page 148
met België, zoude eene herstelling der oude
aristocratie met hare heerschappij te platten lande,
even als eene restauratie der stedelijke oligarchie,
voor hem zijn geweest eene bron van voortdurende
tegenkanting en belemmering. Hoewel ik alleen van
dezen invloed van den souvereinen vorst op het stuk
van den godsdienst het bewijs kan leveren, zoo laat
het zich aannemen, dat hij ook op andere punten in
den geest der nieuwe beginselen op de leden der
commissie heeft gewerkt. Hij was verstandig genoeg,
om in te zien dat—nu hij eens souverein was—het
voor hem een groot voordeel moest zijn, dat er
tusschen zijne onderdanen gelijkheid van rechten
bestond, zoodat hij met een krachtige hand, door
geene aristocratie of oligarchie gedwarsboomd, over
hen kon regeeren.
En dit brengt ons als van zelf tot de beschouwing
van den regeeringsvorm der weder opgestane
Nederlanden; de hoofdtrekken daarvan moesten
worden opgenomen in de grondwet.
De blijde boodschap (hiervóór, bl. 115). De scheiding tusschen Kerk en
Staat was uitgesproken bij decreet der eerste Nationale Vergadering van 5
aristocratie met hare heerschappij te platten lande,
even als eene restauratie der stedelijke oligarchie,
voor hem zijn geweest eene bron van voortdurende
tegenkanting en belemmering. Hoewel ik alleen van
dezen invloed van den souvereinen vorst op het stuk
van den godsdienst het bewijs kan leveren, zoo laat
het zich aannemen, dat hij ook op andere punten in
den geest der nieuwe beginselen op de leden der
commissie heeft gewerkt. Hij was verstandig genoeg,
om in te zien dat—nu hij eens souverein was—het
voor hem een groot voordeel moest zijn, dat er
tusschen zijne onderdanen gelijkheid van rechten
bestond, zoodat hij met een krachtige hand, door
geene aristocratie of oligarchie gedwarsboomd, over
hen kon regeeren.
En dit brengt ons als van zelf tot de beschouwing
van den regeeringsvorm der weder opgestane
Nederlanden; de hoofdtrekken daarvan moesten
worden opgenomen in de grondwet.
De blijde boodschap (hiervóór, bl. 115). De scheiding tusschen Kerk en
Staat was uitgesproken bij decreet der eerste Nationale Vergadering van 5
Page 149
Aug. 1796. Deze gewichtige uitspraak werd eerst langzamerhand in hare
gevolgen gekend.
De staatsregeling van 1798 bevat, als poging tot belichaming, het
volgende. „Elk burger heeft de vrijheid, God te dienen naar de overtuiging
van zijn hart” (art. 19). „Geene burgerlijke voordeelen, of nadeelen, zijn aan
de belijdenis van eenig kerkelijk leerstelsel gehecht” (art. 20). „Elk
Kerkgenootschap zorgt voor het onderhoud van zijnen eeredienst, deszelfs
bedienaren en gestichten” (art. 21). Bij de additioneele artikelen werd
bepaald, dat de predikanten der voormaals heerschende Kerk gedurende
drie jaren na de aanneming der staatsregeling de gewone tractementen uit 's
lands kas zouden blijven genieten, „ten einde de gemeenten in dien
tusschentijd de noodige schikkingen maken tot derzelver verdere
bezoldiging” (art. 1); dat alle geestelijke goederen en fondsen, waaruit te
voren die tractementen waren betaald 258), nationaal werden verklaard, om
na verloop van die drie jaren te worden aangelegd „tot een vast fonds voor
de nationale opvoeding, en tot verzorging der behoeftigen” (art. 4); dat alle
andere goederen, bij gift, erflating, inzameling of aankoop door eenig
kerkgenootschap verkregen, aan hetzelve bleven verzekerd (art. 5); dat de
kerkgebouwen en pastorieën der voormaals heerschende Kerk ter
beschikking werden gesteld van ieder plaatselijk bewind, om deswege
binnen de zes maanden na de aanneming der staatsregeling een vergelijk te
treffen op dezen voet, dat de onderscheiden kerkgenootschappen, naar
verhouding van het aantal harer leden, de voorkeur zouden hebben omtrent
de naasting der gebouwen, onder verplichting van een matige uitkeering, in
eens of bij termijnen, aan de andere kerkgemeenten (art. 6).
Deze bepalingen onderstelden een vermogen tot zelfhervorming bij de
onderscheiden kerkgenootschappen, en een mate van onderlinge
verdraagzaamheid, die blijkens de ondervinding met de staatsregeling van
1798 opgedaan, in de verste verte niet bestonden. Al dadelijk lieten de
additioneele artikelen onbeslist, hoe het voortaan met de beroeping van
predikanten zou gaan, en met de velerlei bijzonderheden van kerkelijk
bewind, waarbij tot dusver het openbaar gezag een min of meer actieve rol
had vervuld. De geest (niet de uitgedrukte letter) der Staatsregeling liet dit
alles aan de voormaals heerschende kerk zelve over, die evenwel volstrekt
niet in staat bleek, aanstonds op eigen wieken te drijven. Een schromelijke
gevolgen gekend.
De staatsregeling van 1798 bevat, als poging tot belichaming, het
volgende. „Elk burger heeft de vrijheid, God te dienen naar de overtuiging
van zijn hart” (art. 19). „Geene burgerlijke voordeelen, of nadeelen, zijn aan
de belijdenis van eenig kerkelijk leerstelsel gehecht” (art. 20). „Elk
Kerkgenootschap zorgt voor het onderhoud van zijnen eeredienst, deszelfs
bedienaren en gestichten” (art. 21). Bij de additioneele artikelen werd
bepaald, dat de predikanten der voormaals heerschende Kerk gedurende
drie jaren na de aanneming der staatsregeling de gewone tractementen uit 's
lands kas zouden blijven genieten, „ten einde de gemeenten in dien
tusschentijd de noodige schikkingen maken tot derzelver verdere
bezoldiging” (art. 1); dat alle geestelijke goederen en fondsen, waaruit te
voren die tractementen waren betaald 258), nationaal werden verklaard, om
na verloop van die drie jaren te worden aangelegd „tot een vast fonds voor
de nationale opvoeding, en tot verzorging der behoeftigen” (art. 4); dat alle
andere goederen, bij gift, erflating, inzameling of aankoop door eenig
kerkgenootschap verkregen, aan hetzelve bleven verzekerd (art. 5); dat de
kerkgebouwen en pastorieën der voormaals heerschende Kerk ter
beschikking werden gesteld van ieder plaatselijk bewind, om deswege
binnen de zes maanden na de aanneming der staatsregeling een vergelijk te
treffen op dezen voet, dat de onderscheiden kerkgenootschappen, naar
verhouding van het aantal harer leden, de voorkeur zouden hebben omtrent
de naasting der gebouwen, onder verplichting van een matige uitkeering, in
eens of bij termijnen, aan de andere kerkgemeenten (art. 6).
Deze bepalingen onderstelden een vermogen tot zelfhervorming bij de
onderscheiden kerkgenootschappen, en een mate van onderlinge
verdraagzaamheid, die blijkens de ondervinding met de staatsregeling van
1798 opgedaan, in de verste verte niet bestonden. Al dadelijk lieten de
additioneele artikelen onbeslist, hoe het voortaan met de beroeping van
predikanten zou gaan, en met de velerlei bijzonderheden van kerkelijk
bewind, waarbij tot dusver het openbaar gezag een min of meer actieve rol
had vervuld. De geest (niet de uitgedrukte letter) der Staatsregeling liet dit
alles aan de voormaals heerschende kerk zelve over, die evenwel volstrekt
niet in staat bleek, aanstonds op eigen wieken te drijven. Een schromelijke
Page 150
verwarring in de kerkelijke huishouding was het gevolg; ettelijke
gemeenten kwamen weder bij den Staat terecht om hulp, maar werden
afgewezen bij besluit van het Vertegenwoordigend Lichaam van 8 April
1800, dat „de keuze van kerkelijke ambtenaren, overeenkomstig den geest
der Acte van Staatsregeling, ter dispositie van ieder Kerkgenootschap in den
zijnen” overliet. De uiterst weinig gepreciseerde bepaling omtrent het
verdeelen der kerkgebouwen gaf bijna overal aanleiding tot hoogloopende
geschillen; de plaatselijke besturen wisten niet waaraan zich te houden, en
meestal handhaafden zich de hervormden in hun bezit 259). Ook leek het er
niet naar dat hunne gemeenten na verloop van drie jaar schikkingen zouden
hebben getroffen tot voldoende bezoldiging der predikanten. Om uit het
moeras te geraken stelde men bij de staatsregeling van 1801 vast, dat ieder
persoon, den ouderdom van veertien jaren bereikt hebbende, zich moest
doen inschrijven bij een Kerkgenootschap. „Voor ieder Kerkgenootschap
wordt van de alzoo ingeschreven leden tot onderhoud van deszelfs dienaren
en eigendommen eene jaarlijksche gift gevorderd, niet te boven gaande een
zekere bepaalde som, achtervolgens hetgene aangaande dit een en ander bij
de wet nader zal worden vastgesteld” (art. 12). Tot deze wet zal zijn tot
stand gekomen, zouden de leeraren der voormaals heerschende kerk, die bij
de aanneming der staatsregeling in dienst waren, hunne tractementen nog
uit 's lands kas genieten (art. 14). Wat de gebouwen en goederen betreft,
bleef ieder kerkgenootschap onherroepelijk in het bezit van wat het op 1
Jan. 1801 had bezeten (art. 13); eene bepaling zeer in het voordeel der
hervormden, die, op enkele plaatsen als den Bosch na, ook waar zij ver in
de minderheid waren, de gebouwen nog niet aan andersdenkenden hadden
afgestaan. Het wederinrichten trouwens van oude kerkgebouwen voor den
Katholieken eeredienst was geen geringe zaak, en daar hun bovendien bij
overneming een slecht omschreven uitkeeringsplicht boven het hoofd hing,
en daarbij de mogelijkheid van allerhande chicanes, werd het nieuwe artikel
ook door de Katholieken zonder veel morren aanvaard. Onuitvoerbaar bleek
echter de hoofdbepaling van 1801: de invoering eener verplichte kerkelijke
belasting. De hervormden waren er vuur vlam tegen, en men had, wilde
men de zaak doorzetten, tal van reclames op grond van art. 13 te
verwachten, daar het van een aantal kerkelijke goederen en fondsen hoogst
twijfelachtig mocht heeten, in welken rechtstoestand zij zich op 1 Jan. 1801
hadden bevonden. En voor de kleinere protestantsche genootschappen en de
gemeenten kwamen weder bij den Staat terecht om hulp, maar werden
afgewezen bij besluit van het Vertegenwoordigend Lichaam van 8 April
1800, dat „de keuze van kerkelijke ambtenaren, overeenkomstig den geest
der Acte van Staatsregeling, ter dispositie van ieder Kerkgenootschap in den
zijnen” overliet. De uiterst weinig gepreciseerde bepaling omtrent het
verdeelen der kerkgebouwen gaf bijna overal aanleiding tot hoogloopende
geschillen; de plaatselijke besturen wisten niet waaraan zich te houden, en
meestal handhaafden zich de hervormden in hun bezit 259). Ook leek het er
niet naar dat hunne gemeenten na verloop van drie jaar schikkingen zouden
hebben getroffen tot voldoende bezoldiging der predikanten. Om uit het
moeras te geraken stelde men bij de staatsregeling van 1801 vast, dat ieder
persoon, den ouderdom van veertien jaren bereikt hebbende, zich moest
doen inschrijven bij een Kerkgenootschap. „Voor ieder Kerkgenootschap
wordt van de alzoo ingeschreven leden tot onderhoud van deszelfs dienaren
en eigendommen eene jaarlijksche gift gevorderd, niet te boven gaande een
zekere bepaalde som, achtervolgens hetgene aangaande dit een en ander bij
de wet nader zal worden vastgesteld” (art. 12). Tot deze wet zal zijn tot
stand gekomen, zouden de leeraren der voormaals heerschende kerk, die bij
de aanneming der staatsregeling in dienst waren, hunne tractementen nog
uit 's lands kas genieten (art. 14). Wat de gebouwen en goederen betreft,
bleef ieder kerkgenootschap onherroepelijk in het bezit van wat het op 1
Jan. 1801 had bezeten (art. 13); eene bepaling zeer in het voordeel der
hervormden, die, op enkele plaatsen als den Bosch na, ook waar zij ver in
de minderheid waren, de gebouwen nog niet aan andersdenkenden hadden
afgestaan. Het wederinrichten trouwens van oude kerkgebouwen voor den
Katholieken eeredienst was geen geringe zaak, en daar hun bovendien bij
overneming een slecht omschreven uitkeeringsplicht boven het hoofd hing,
en daarbij de mogelijkheid van allerhande chicanes, werd het nieuwe artikel
ook door de Katholieken zonder veel morren aanvaard. Onuitvoerbaar bleek
echter de hoofdbepaling van 1801: de invoering eener verplichte kerkelijke
belasting. De hervormden waren er vuur vlam tegen, en men had, wilde
men de zaak doorzetten, tal van reclames op grond van art. 13 te
verwachten, daar het van een aantal kerkelijke goederen en fondsen hoogst
twijfelachtig mocht heeten, in welken rechtstoestand zij zich op 1 Jan. 1801
hadden bevonden. En voor de kleinere protestantsche genootschappen en de
Page 151
katholieken was het artikel niet noodig: zij voorzagen immers van oudsher
in eigen behoeften, en bleven dit doen zonder dat de Staat er zich mede
bemoeide.
De staatkundige reactie van 1801 en 1802 bracht personen in het bestuur,
die over het geheel de Hervormde Kerk beter gezind waren dan de
voorgangers van 1798; men liet dus de kerkelijke belasting rusten, en
handhaafde den provisioneelen toestand, die den hervormden het genot der
predikantstraktementen verzekerde. Intusschen vond het beginsel der
volstrekte scheiding van Kerk en Staat reeds weinig aanhangers meer. Het
voor de regeering uit een oogpunt van handhaving der publieke orde nog
altijd verreweg gewichtigste kerkgenootschap, het Hervormde, bleek tegen
de taak van volledig zelfbestuur in het geheel niet opgewassen, en aan de
genootschappen die er wel toe opgewassen waren gunde de Staat toch
eigenlijk het volle zelfbestuur niet. Wel desnoods aan de kleinere
protestantsche genootschappen, in wier toestand door de Revolutie
(afgezien van het verwerven der burgerlijke rechten voor hare leden)
eigenlijk weinig verandering gekomen was;—maar, vooral sedert de
invoering van het Concordaat in Frankrijk, wekte de tegen de toestanden
daarginds zoo sterk afstekende volkomen onafhankelijkheid van het
Nederlandsche Katholicisme bedenking.
De Revolutie had in den toestand der Katholieken een inderdaad radicale
verandering gebracht. Te voren alleen geduld, aan recognitiën en
afpersingen blootstaande, afhankelijk in de toelating hunner priesters, in de
plaatsing en inrichting hunner kerkgebouwen, in beginsel onvrij zelfs in de
uitoefening van hunnen eeredienst, waren zij op eenmaal in volle vrijheid
gesteld; eene vrijheid die zij zich ook volkomen waardig toonden. Echter
bleef hunne kerkinrichting zooals die ten tijde der verdrukking was
geweest: de geestelijken hadden het karakter van missionarissen, stonden in
geen vast geordend plaatselijk verband tot elkander, waren ondergeschikt
aan een superior missionis Batavae die buitenslands (tot 1794 te Brussel,
thans te Munster) verblijf hield. De regeering, den grooten invloed der
geestelijken op hunne kudde, ook in zaken van wereldlijken aard, dagelijks
bespeurende, vond niemand om tot te spreken. Met het voorbeeld van
Frankrijk voor oogen, kwam zij al spoedig tot het denkbeeld eener door het
Staatsgezag te erkennen organisatie der Katholieke kerk in Nederland, eene
in eigen behoeften, en bleven dit doen zonder dat de Staat er zich mede
bemoeide.
De staatkundige reactie van 1801 en 1802 bracht personen in het bestuur,
die over het geheel de Hervormde Kerk beter gezind waren dan de
voorgangers van 1798; men liet dus de kerkelijke belasting rusten, en
handhaafde den provisioneelen toestand, die den hervormden het genot der
predikantstraktementen verzekerde. Intusschen vond het beginsel der
volstrekte scheiding van Kerk en Staat reeds weinig aanhangers meer. Het
voor de regeering uit een oogpunt van handhaving der publieke orde nog
altijd verreweg gewichtigste kerkgenootschap, het Hervormde, bleek tegen
de taak van volledig zelfbestuur in het geheel niet opgewassen, en aan de
genootschappen die er wel toe opgewassen waren gunde de Staat toch
eigenlijk het volle zelfbestuur niet. Wel desnoods aan de kleinere
protestantsche genootschappen, in wier toestand door de Revolutie
(afgezien van het verwerven der burgerlijke rechten voor hare leden)
eigenlijk weinig verandering gekomen was;—maar, vooral sedert de
invoering van het Concordaat in Frankrijk, wekte de tegen de toestanden
daarginds zoo sterk afstekende volkomen onafhankelijkheid van het
Nederlandsche Katholicisme bedenking.
De Revolutie had in den toestand der Katholieken een inderdaad radicale
verandering gebracht. Te voren alleen geduld, aan recognitiën en
afpersingen blootstaande, afhankelijk in de toelating hunner priesters, in de
plaatsing en inrichting hunner kerkgebouwen, in beginsel onvrij zelfs in de
uitoefening van hunnen eeredienst, waren zij op eenmaal in volle vrijheid
gesteld; eene vrijheid die zij zich ook volkomen waardig toonden. Echter
bleef hunne kerkinrichting zooals die ten tijde der verdrukking was
geweest: de geestelijken hadden het karakter van missionarissen, stonden in
geen vast geordend plaatselijk verband tot elkander, waren ondergeschikt
aan een superior missionis Batavae die buitenslands (tot 1794 te Brussel,
thans te Munster) verblijf hield. De regeering, den grooten invloed der
geestelijken op hunne kudde, ook in zaken van wereldlijken aard, dagelijks
bespeurende, vond niemand om tot te spreken. Met het voorbeeld van
Frankrijk voor oogen, kwam zij al spoedig tot het denkbeeld eener door het
Staatsgezag te erkennen organisatie der Katholieke kerk in Nederland, eene
Page 152
zaak waartoe van der Palm, als voorzitter van den Raad van Binnenlandsche
Zaken onder de staatsregeling van 1801, het eerste ontwerp gevormd
heeft, 260) en waarop navolgende regeeringen nog dikwijls terug zouden
komen. Hing dus eenige verkorting der nieuw verworven vrijheid den
Katholieken boven het hoofd, ook in andere opzichten begonnen de tijden
voor hen te veranderen. In de staatkundige lichamen van 1796 en 1798, uit
de volkskeuze of liever uit die der patriotsche partij voortgekomen, waren
zij ruim vertegenwoordigd geweest, maar bij de benoemingen van 1801 en
1802, van het Staatsbewind uitgaande, ging men hen, althans in de oude
zeven provinciën, bijna geheel voorbij, en het eenige Katholieke lid van het
Staatsbewind zelf werd bij zijn aftreden in 1803 niet door een
geloofsgenoot vervangen.
Tot welk resultaat de praktijk der beginselen van 1798 ten aanzien der
verhouding van Kerk en Staat voorloopig leidde, ziet men uit de artikelen
betreffende deze zaak in de Staatsregelingen van 1805 en 1806. „De materie
zoo gecompliceerd zijnde,” schrijft van der Palm kort vóór de
Staatsregeling van 1805, „is het onmogelijk deswegens één algemeen
werkende maatregel voor te stellen, en moet alleen de weg worden
opengelaten, om daaromtrent al datgene door den Staat te doen verrichten,
wat het algemeen welzijn vordert.” In overeenstemming met deze leer
bepaalt de Staatsregeling van 1805, dat „het gouvernement zoodanige
maatregelen neemt, welke de bijzondere omstandigheden der
Kerkgenootschappen, met betrekking tot de openbare rust en algemeene
welvaart, vereischen,” en die van 1806 nog strenger: „door het gezag van
Koning en Wet wordt bepaald al hetgeen noodzakelijk geoordeeld wordt
betreffende de organisatie, de bescherming, en de uitoefening van alle
eerediensten.”
In 1798 dus volledige vrijheid, aan de Hervormden na ontneming hunner
bijzondere voorrechten opgedrongen, aan de anderen gelaten of verleend; in
1801 bedreiging met staatsdwang, om van die vrijheid het door den staat
beoogde gebruik te maken; in 1805 en '06 afkondiging eener staatsvoogdij.
Een der doeleinden der regeering van Lodewijk Napoleon was de
invoering in Nederland van het Katholiek episcopaat op den Franschen
voet. Hij trad al spoedig met zijn minister Mollerus omtrent die zaak in
overleg, die hij evenwel behandeld wenschte te zien als onderdeel eener
Zaken onder de staatsregeling van 1801, het eerste ontwerp gevormd
heeft, 260) en waarop navolgende regeeringen nog dikwijls terug zouden
komen. Hing dus eenige verkorting der nieuw verworven vrijheid den
Katholieken boven het hoofd, ook in andere opzichten begonnen de tijden
voor hen te veranderen. In de staatkundige lichamen van 1796 en 1798, uit
de volkskeuze of liever uit die der patriotsche partij voortgekomen, waren
zij ruim vertegenwoordigd geweest, maar bij de benoemingen van 1801 en
1802, van het Staatsbewind uitgaande, ging men hen, althans in de oude
zeven provinciën, bijna geheel voorbij, en het eenige Katholieke lid van het
Staatsbewind zelf werd bij zijn aftreden in 1803 niet door een
geloofsgenoot vervangen.
Tot welk resultaat de praktijk der beginselen van 1798 ten aanzien der
verhouding van Kerk en Staat voorloopig leidde, ziet men uit de artikelen
betreffende deze zaak in de Staatsregelingen van 1805 en 1806. „De materie
zoo gecompliceerd zijnde,” schrijft van der Palm kort vóór de
Staatsregeling van 1805, „is het onmogelijk deswegens één algemeen
werkende maatregel voor te stellen, en moet alleen de weg worden
opengelaten, om daaromtrent al datgene door den Staat te doen verrichten,
wat het algemeen welzijn vordert.” In overeenstemming met deze leer
bepaalt de Staatsregeling van 1805, dat „het gouvernement zoodanige
maatregelen neemt, welke de bijzondere omstandigheden der
Kerkgenootschappen, met betrekking tot de openbare rust en algemeene
welvaart, vereischen,” en die van 1806 nog strenger: „door het gezag van
Koning en Wet wordt bepaald al hetgeen noodzakelijk geoordeeld wordt
betreffende de organisatie, de bescherming, en de uitoefening van alle
eerediensten.”
In 1798 dus volledige vrijheid, aan de Hervormden na ontneming hunner
bijzondere voorrechten opgedrongen, aan de anderen gelaten of verleend; in
1801 bedreiging met staatsdwang, om van die vrijheid het door den staat
beoogde gebruik te maken; in 1805 en '06 afkondiging eener staatsvoogdij.
Een der doeleinden der regeering van Lodewijk Napoleon was de
invoering in Nederland van het Katholiek episcopaat op den Franschen
voet. Hij trad al spoedig met zijn minister Mollerus omtrent die zaak in
overleg, die hij evenwel behandeld wenschte te zien als onderdeel eener
Page 153
algemeene wetgeving in zake de eerediensten. De aangelegenheid, die heel
wat voeten in de aarde bleek te hebben, is niet verder gebracht dan tot het
door Tellegen vermelde decreet van 2 Aug. 1808, dat de hervormde
predikanten in het genot hunner tractementen handhaaft, doch bepaalt dat
ook aan de geestelijken van andere gezindten in het vervolg
staatstractement zal worden toegelegd; de kerkelijke goederen en fondsen
thans onder publieke beheering, waaruit tot dusver tractementen aan de
geestelijken werden betaald, gaan over aan de publieke schatkist; ten
aanzien van de kerkgebouwen zullen schikkingen plaats hebben, welke het
„meest overeenkomen met de gesteldheid der onderscheidene godsdienstige
gezindheden in iedere stad of plaats;” geestelijken kunnen niet benoemd
worden tot leden der commissiën van toezicht over het openbaar onderwijs,
of van eenig wereldlijk armbestuur.
Met de toepassing van dit een en ander is het tijdens 's Konings regeering
niet heel ver meer gekomen. Op de begrootingen van 1809 en 1810 komen
inderdaad matige sommen voor ten behoeve van het katholieke en van het
luthersche kerkgenootschap 261); hier en daar is een leegstaand kerkgebouw
(als de Sint-Walburg te Arnhem) aan de katholieken ingeruimd;
consuleerende commissiën uit de geestelijken der verschillende
kerkgenootschappen werden ingesteld om door de regeering bij het
ontwerpen der door den Koning aan ieder genootschap te geven organisatie
te worden geraadpleegd. De katholieke commissie adviseerde o.a. tot
oprichting van staatswege van gymnasia en van een hoogeschool uitsluitend
voor katholieke jongelieden bestemd, terwijl de opleiding van aanstaande
geestelijken geheel buiten staatsinmenging zou blijven. De opvolgende
ministers van eeredienst, Mollerus en van der Capellen, bestreden dit
denkbeeld, en laatstgenoemde stelde voor, liever de theologische faculteit
aan een der bestaande hoogescholen aan de katholieken in te ruimen,
waarbij dan tevens een onder staatstoezicht geplaatst collegium kon worden
opgericht voor de hoogere opleiding der aanstaande geestelijken. Deze
zaak, die zoo brandend zou worden onder de regeering van Willem I, kwam
onder Lodewijk niet tot afdoening; evenmin de in wording zijnde
organisatie van het hervormde kerkgenootschap, die later eveneens Willem
I zich zou aantrekken.
wat voeten in de aarde bleek te hebben, is niet verder gebracht dan tot het
door Tellegen vermelde decreet van 2 Aug. 1808, dat de hervormde
predikanten in het genot hunner tractementen handhaaft, doch bepaalt dat
ook aan de geestelijken van andere gezindten in het vervolg
staatstractement zal worden toegelegd; de kerkelijke goederen en fondsen
thans onder publieke beheering, waaruit tot dusver tractementen aan de
geestelijken werden betaald, gaan over aan de publieke schatkist; ten
aanzien van de kerkgebouwen zullen schikkingen plaats hebben, welke het
„meest overeenkomen met de gesteldheid der onderscheidene godsdienstige
gezindheden in iedere stad of plaats;” geestelijken kunnen niet benoemd
worden tot leden der commissiën van toezicht over het openbaar onderwijs,
of van eenig wereldlijk armbestuur.
Met de toepassing van dit een en ander is het tijdens 's Konings regeering
niet heel ver meer gekomen. Op de begrootingen van 1809 en 1810 komen
inderdaad matige sommen voor ten behoeve van het katholieke en van het
luthersche kerkgenootschap 261); hier en daar is een leegstaand kerkgebouw
(als de Sint-Walburg te Arnhem) aan de katholieken ingeruimd;
consuleerende commissiën uit de geestelijken der verschillende
kerkgenootschappen werden ingesteld om door de regeering bij het
ontwerpen der door den Koning aan ieder genootschap te geven organisatie
te worden geraadpleegd. De katholieke commissie adviseerde o.a. tot
oprichting van staatswege van gymnasia en van een hoogeschool uitsluitend
voor katholieke jongelieden bestemd, terwijl de opleiding van aanstaande
geestelijken geheel buiten staatsinmenging zou blijven. De opvolgende
ministers van eeredienst, Mollerus en van der Capellen, bestreden dit
denkbeeld, en laatstgenoemde stelde voor, liever de theologische faculteit
aan een der bestaande hoogescholen aan de katholieken in te ruimen,
waarbij dan tevens een onder staatstoezicht geplaatst collegium kon worden
opgericht voor de hoogere opleiding der aanstaande geestelijken. Deze
zaak, die zoo brandend zou worden onder de regeering van Willem I, kwam
onder Lodewijk niet tot afdoening; evenmin de in wording zijnde
organisatie van het hervormde kerkgenootschap, die later eveneens Willem
I zich zou aantrekken.
Page 154
Al deze inmenging in kerkelijke zaken geschiedde niet zonder eenige
bezorgdheid op te wekken, vooral bij hervormden maar ook bij katholieken.
Kort na de publicatie van het decreet van 2 Aug. 1808 werd door den
predikant te Velzen in bedekte termen 's Hemels straf over den koning
ingeroepen; terzelfder tijd verscheen eene „Brevis disquisitio circa
constitutionale obedientiae et fidelitatis juramentum regni Hollandici: ik
zweer gehoorzaamheid aan de constitutie en getrouwheid aan den Koning”,
waarin aan het gouvernement de invloed in kerkelijke zaken, waarop het
aanspraak maakte, betwist, de gelijke bescherming aan alle godsdiensten
verleend als misdadig voorgesteld, en derhalve het afleggen van dezen eed
voor katholieken ongeoorloofd genoemd werd. Kleine voorboden van het
verzet dat de suprematie welke het staatsgezag zich over de kerk in al haar
betrekkingen toegekend had, in de toekomst zou opwekken. Maar de groote
meerderheid zag toen in die suprematie volstrekt geen kwaad, en juichte het
toe dat de eenige macht die daartoe in staat scheen, orde stellen ging op de
sedert 1795 zoo hopeloos in het wilde geloopen kerkelijke zaken.
De Koning verzuimde niet, van tijd tot tijd katholieken in ambten te
brengen en daarmede de uitsluiting, die de wet had opgeheven, ook
metterdaad te niet te doen. Na eenigen tijd komen katholieken voor in het
ministerie, in den staatsraad, in hofbetrekking of bij het kabinet des
Konings, in gewestelijke en gemeentelijke bestuursposten ook boven den
Moerdijk. Redacteur der Koninklijke Courant werd na eenigen tijd een Jood
(J. D. Meyer), referendaris aan het ministerie van eerediensten een andere
Jood (C. Asser.) Voor het overgroote deel waren deze benoemingen zoo wel
gegrond, dat men er onmogelijk aanstoot aan nemen kon.
De maatschappelijke verheffing der Joden maakte in dezen tijd groote
vorderingen. Ook te hunnen aanzien had de Revolutie wel het groote
beginsel van gelijkheid uitgesproken, 262) maar was de practijk ver
achtergebleven bij de wet. Gedeeltelijk lag dit aan den onwil der Joden zelf,
waarvan de meerderheid nog angstvallig aan oude gebruiken vasthield. Het
uitverkoren volk mocht niet in de ééne en ondeelbare natie ondergaan. De
meer ontwikkelde Joden, die deel verlangden aan het openbare leven,
werden aanvankelijk door hunne geloofsgenooten verloochend en
uitgestooten. Vooral te Amsterdam was het in de Hoogduitsche synagoge tot
groote oneenigheid gekomen; de liberale Joden scheidden zich af en
bezorgdheid op te wekken, vooral bij hervormden maar ook bij katholieken.
Kort na de publicatie van het decreet van 2 Aug. 1808 werd door den
predikant te Velzen in bedekte termen 's Hemels straf over den koning
ingeroepen; terzelfder tijd verscheen eene „Brevis disquisitio circa
constitutionale obedientiae et fidelitatis juramentum regni Hollandici: ik
zweer gehoorzaamheid aan de constitutie en getrouwheid aan den Koning”,
waarin aan het gouvernement de invloed in kerkelijke zaken, waarop het
aanspraak maakte, betwist, de gelijke bescherming aan alle godsdiensten
verleend als misdadig voorgesteld, en derhalve het afleggen van dezen eed
voor katholieken ongeoorloofd genoemd werd. Kleine voorboden van het
verzet dat de suprematie welke het staatsgezag zich over de kerk in al haar
betrekkingen toegekend had, in de toekomst zou opwekken. Maar de groote
meerderheid zag toen in die suprematie volstrekt geen kwaad, en juichte het
toe dat de eenige macht die daartoe in staat scheen, orde stellen ging op de
sedert 1795 zoo hopeloos in het wilde geloopen kerkelijke zaken.
De Koning verzuimde niet, van tijd tot tijd katholieken in ambten te
brengen en daarmede de uitsluiting, die de wet had opgeheven, ook
metterdaad te niet te doen. Na eenigen tijd komen katholieken voor in het
ministerie, in den staatsraad, in hofbetrekking of bij het kabinet des
Konings, in gewestelijke en gemeentelijke bestuursposten ook boven den
Moerdijk. Redacteur der Koninklijke Courant werd na eenigen tijd een Jood
(J. D. Meyer), referendaris aan het ministerie van eerediensten een andere
Jood (C. Asser.) Voor het overgroote deel waren deze benoemingen zoo wel
gegrond, dat men er onmogelijk aanstoot aan nemen kon.
De maatschappelijke verheffing der Joden maakte in dezen tijd groote
vorderingen. Ook te hunnen aanzien had de Revolutie wel het groote
beginsel van gelijkheid uitgesproken, 262) maar was de practijk ver
achtergebleven bij de wet. Gedeeltelijk lag dit aan den onwil der Joden zelf,
waarvan de meerderheid nog angstvallig aan oude gebruiken vasthield. Het
uitverkoren volk mocht niet in de ééne en ondeelbare natie ondergaan. De
meer ontwikkelde Joden, die deel verlangden aan het openbare leven,
werden aanvankelijk door hunne geloofsgenooten verloochend en
uitgestooten. Vooral te Amsterdam was het in de Hoogduitsche synagoge tot
groote oneenigheid gekomen; de liberale Joden scheidden zich af en
Page 155
vormden een eigen godsdienstige gemeenschap. Ook in Frankrijk was het
vraagstuk van de opneming der Joden in het burgerlijk leven in dezen tijd
aan de orde van den dag. Op verlangen van Napoleon kwam te Parijs in
December 1806 het Groot Sanhedrin bijeen, gevormd door afgevaardigden
van de synagogen in het Fransche keizerrijk en het koninkrijk Italië, en dat
ook door drie vertegenwoordigers der liberale Joden te Amsterdam werd
bijgewoond. Het Groot Sanhedrin besloot onder meer, dat een Israëliet in
Frankrijk of het koninkrijk Italië geboren en opgevoed, godsdienstig
verplicht was die rijken als zijn vaderland te beschouwen, ze te helpen
verdedigen, en zich in al zijn maatschappelijke betrekkingen naar de
bepalingen van het Burgerlijk Wetboek te gedragen. Tevens werden de
geloofsgenooten in andere landen vermaand, zich door dezelfde beginselen
te laten leiden en met hunne Christen-medeburgers als broeders te leven. Op
uitnoodiging van Koning Lodewijk kwam eerlang tusschen de orthodoxe en
de liberale leden der Hoogduitsche synagoge te Amsterdam eene
hereeniging tot stand, die door een koninklijk goedgekeurd reglement
bevestigd werd. Voorts werd bij een koninklijk besluit van 17 Dec. 1808
een opperbestuur over de gezamenlijke Hoogduitsche Israëlieten van het
Koninkrijk ingesteld, waarin de liberale elementen ver de overhand hadden,
en dat op velerlei gebied de aansluiting der Joden aan de hen omringende
burgermaatschappij krachtig bevorderde.
De eerediensten onder het Keizerrijk (hiervóór, bl. 116). De negende titel
van het groote decreet van 18 Oct. 1810 handhaaft den bestaanden toestand.
Daarentegen bepaalt een decreet van 29 Oct. 1811: „en 1812 tous les cultes
seront organisés en Hollande conformément aux lois de l'Empire”. Eene
commissie, uit geestelijken van verschillende gezindten bestaande, zal te
Amsterdam bijeenkomen onder voorzitterschap van een Keizerlijk
commissaris, om de nieuwe organisatie der kerkgenootschappen voor te
bereiden en een ontwerp te maken van kerkelijke indeeling. De commissie
werd benoemd 24 Jan. 1812; zij bestond uit een katholiek 263), een
jansenist 264), twee nederduitsch hervormden 265), een waalsch
hervormde 266), een remonstrant 267), twee lutherschen 268) en een
doopsgezinde 269). Keizerlijk commissaris werd de intendant van
binnenlandsche zaken d'Alphonse. De Joden liet men er buiten, omdat de
vraagstuk van de opneming der Joden in het burgerlijk leven in dezen tijd
aan de orde van den dag. Op verlangen van Napoleon kwam te Parijs in
December 1806 het Groot Sanhedrin bijeen, gevormd door afgevaardigden
van de synagogen in het Fransche keizerrijk en het koninkrijk Italië, en dat
ook door drie vertegenwoordigers der liberale Joden te Amsterdam werd
bijgewoond. Het Groot Sanhedrin besloot onder meer, dat een Israëliet in
Frankrijk of het koninkrijk Italië geboren en opgevoed, godsdienstig
verplicht was die rijken als zijn vaderland te beschouwen, ze te helpen
verdedigen, en zich in al zijn maatschappelijke betrekkingen naar de
bepalingen van het Burgerlijk Wetboek te gedragen. Tevens werden de
geloofsgenooten in andere landen vermaand, zich door dezelfde beginselen
te laten leiden en met hunne Christen-medeburgers als broeders te leven. Op
uitnoodiging van Koning Lodewijk kwam eerlang tusschen de orthodoxe en
de liberale leden der Hoogduitsche synagoge te Amsterdam eene
hereeniging tot stand, die door een koninklijk goedgekeurd reglement
bevestigd werd. Voorts werd bij een koninklijk besluit van 17 Dec. 1808
een opperbestuur over de gezamenlijke Hoogduitsche Israëlieten van het
Koninkrijk ingesteld, waarin de liberale elementen ver de overhand hadden,
en dat op velerlei gebied de aansluiting der Joden aan de hen omringende
burgermaatschappij krachtig bevorderde.
De eerediensten onder het Keizerrijk (hiervóór, bl. 116). De negende titel
van het groote decreet van 18 Oct. 1810 handhaaft den bestaanden toestand.
Daarentegen bepaalt een decreet van 29 Oct. 1811: „en 1812 tous les cultes
seront organisés en Hollande conformément aux lois de l'Empire”. Eene
commissie, uit geestelijken van verschillende gezindten bestaande, zal te
Amsterdam bijeenkomen onder voorzitterschap van een Keizerlijk
commissaris, om de nieuwe organisatie der kerkgenootschappen voor te
bereiden en een ontwerp te maken van kerkelijke indeeling. De commissie
werd benoemd 24 Jan. 1812; zij bestond uit een katholiek 263), een
jansenist 264), twee nederduitsch hervormden 265), een waalsch
hervormde 266), een remonstrant 267), twee lutherschen 268) en een
doopsgezinde 269). Keizerlijk commissaris werd de intendant van
binnenlandsche zaken d'Alphonse. De Joden liet men er buiten, omdat de
Page 156
Fransche wetten op het Joodsche kerkbestuur reeds in Holland waren
afgekondigd en zonder bezwaar bleken te worden toegepast, zoodra men
toegegeven had dat de Portugeesche Joden hun eigen synagoge behielden.
Lebrun had de leden uitgezocht en ze zoo meegaand mogelijk genomen;
daarom had hij zorg gedragen dat er geen enkel dienstdoend nederduitsch
hervormd predikant in kwam: „parmi les ministres réformés hollandais, il
n'y en a pas beaucoup avec lesquels ou puisse aisément traiter”. Hij wist dat
het den Keizer, behalve om de invoering van het Concordaat, vooral om
bezuiniging te doen was: de protestanten moesten tot één of ten minste tot
weinige genootschappen worden vereenigd onder een centraal bestuur dat
geheel van den Staat zou afhangen; hij wist ook, dat het hoogst
onstaatkundig zou zijn dit te willen doordrijven. „Les réformés hollandais
sont tout hollandais; n'en connaissent que le langage et les mœurs; ils n'ont
de communication qu'avec la classe très moyenne de la société, et aucune
influence sur le reste. Ils ne voudraient pas être sous la suprématie des
wallons: par conséquent, de ce côté, il n'y a que désordre à attendre, et une
discorde à laquelle le peuple prendrait part. Le wallon, plus français, se
pique d'une éducation plus distinguée, de liaisons plus élevées, d'une façon
de vivre et de converser plus élégante: il y a plus de tendance vers notre
caractère et nos goûts. Ceux qui se piquent d'esprit et de bien vivre vont à
leurs prêches, et à mesure que notre langue se répandra, on ira davantage. Il
y a donc politique et avantage à ne pas faire une fusion entière, à laisser les
églises séparées, à reconnaître aux uns et aux autres des églises
consistoriales”. 270) De remonstranten bij de hervormden in te lijven zal den
hartstocht der smalle gemeente gaande maken; zij zijn zóó weinig in getal,
dat het veel eenvoudiger is hen te laten bestaan: zij zijn voor het
gouvernement geheel onschadelijk. Ook de doopsgezinden moet men liever
ontzien: „ils ont des principes plus libéraux et plus larges que les
calvinistes. Leur nombre va en augmentant, et si on les laisse faire, ils
pourront absorber une grande partie du culte protestant.” De lutherschen in
Holland met die in Oostfriesland (welke Duitsch spreken) onder één bestuur
te brengen, zal niet lukken: „l'Ems oriental est mal disposé pour tout ce qui
leur vient de la Hollande”. Een gedwongen vereeniging der hersteld- met de
evangelisch-lutherschen is evenmin raadzaam: „ces gens-là se haïssent
cordialement, et je ne crois pas qu'ils se réunissent”. Maar de hersteld-
afgekondigd en zonder bezwaar bleken te worden toegepast, zoodra men
toegegeven had dat de Portugeesche Joden hun eigen synagoge behielden.
Lebrun had de leden uitgezocht en ze zoo meegaand mogelijk genomen;
daarom had hij zorg gedragen dat er geen enkel dienstdoend nederduitsch
hervormd predikant in kwam: „parmi les ministres réformés hollandais, il
n'y en a pas beaucoup avec lesquels ou puisse aisément traiter”. Hij wist dat
het den Keizer, behalve om de invoering van het Concordaat, vooral om
bezuiniging te doen was: de protestanten moesten tot één of ten minste tot
weinige genootschappen worden vereenigd onder een centraal bestuur dat
geheel van den Staat zou afhangen; hij wist ook, dat het hoogst
onstaatkundig zou zijn dit te willen doordrijven. „Les réformés hollandais
sont tout hollandais; n'en connaissent que le langage et les mœurs; ils n'ont
de communication qu'avec la classe très moyenne de la société, et aucune
influence sur le reste. Ils ne voudraient pas être sous la suprématie des
wallons: par conséquent, de ce côté, il n'y a que désordre à attendre, et une
discorde à laquelle le peuple prendrait part. Le wallon, plus français, se
pique d'une éducation plus distinguée, de liaisons plus élevées, d'une façon
de vivre et de converser plus élégante: il y a plus de tendance vers notre
caractère et nos goûts. Ceux qui se piquent d'esprit et de bien vivre vont à
leurs prêches, et à mesure que notre langue se répandra, on ira davantage. Il
y a donc politique et avantage à ne pas faire une fusion entière, à laisser les
églises séparées, à reconnaître aux uns et aux autres des églises
consistoriales”. 270) De remonstranten bij de hervormden in te lijven zal den
hartstocht der smalle gemeente gaande maken; zij zijn zóó weinig in getal,
dat het veel eenvoudiger is hen te laten bestaan: zij zijn voor het
gouvernement geheel onschadelijk. Ook de doopsgezinden moet men liever
ontzien: „ils ont des principes plus libéraux et plus larges que les
calvinistes. Leur nombre va en augmentant, et si on les laisse faire, ils
pourront absorber une grande partie du culte protestant.” De lutherschen in
Holland met die in Oostfriesland (welke Duitsch spreken) onder één bestuur
te brengen, zal niet lukken: „l'Ems oriental est mal disposé pour tout ce qui
leur vient de la Hollande”. Een gedwongen vereeniging der hersteld- met de
evangelisch-lutherschen is evenmin raadzaam: „ces gens-là se haïssent
cordialement, et je ne crois pas qu'ils se réunissent”. Maar de hersteld-
Page 157
lutherschen zijn zóó weinig talrijk, dat zij in het geheel niet van een erkend
bestuur behoeven te worden voorzien: „on pourra ne pas reconnaître leur
existence”. Hetzelfde beveelt Lebrun aan voor de Engelsche en Schotsche
gemeenten. Ook voor de Jansenisten: hun bezittingen en seminarie kan men
aan de Katholieken geven, hun eenigen bisschop naar Frankrijk verwijderen
en op pensioen stellen; „tout le reste serait censé perdu dans le grand
troupeau des catholiques, et s'y éteindrait sous la loi du silence. Puisque les
jansénistes veulent être des catholiques, il faut qu'ils soient mêlés avec la
majorité”. Wat de Katholieken zelf betreft, vindt Lebrun het ongeraden, den
bisschop of de bisschoppen die Z. M. hun wil geven, in Holland te laten
resideeren: „peut-être il en résulterait des inconvéniens. L'évêque de Bois-
le-Duc pourrait l'être de la Hollande”. 271)
Bij de redactie van het decreet van 24 Jan. 1812 was met Lebrun's
bezwaren eenigermate rekening gehouden; de keizerlijke commissaris zou,
naarmate hij het gewenscht oordeelde, de commissie òf in haar geheel
kunnen raadplegen, òf over de zaken van ieder genootschap in het bijzonder
slechts de leden die tot dat genootschap behoorden. D'Alphonse verkoos het
laatste, en liet aan den ambtenaar J. D. Janssen, gewezen chef van divisie
bij het Hollandsche ministerie van eerediensten, het beraad met de
afzonderlijke leden geheel over.—Cramer verlangde voor de katholieken
bisdommen te Utrecht en Groningen en overdracht van verschillende
kerkgebouwen 272).—Van Os, voor het handjevol Jansenisten, kwam met
onmogelijke eischen: herstel van alle bisdommen van 1559 (Utrecht
(aartsbisdom), Haarlem, Leeuwarden, Groningen, Deventer, Middelburg);
de aartsbisschop en bisschoppen door de kapittels te kiezen. Zijn stuk werd
zonder meer ter zijde gelegd.—De Remonstranten, Doopsgezinden,
Lutherschen, verzochten behoud hunner zelfstandigheid; evenzoo de
Waalsch-Hervormden het behoud eener afzonderlijke positie in het
Hervormde Kerkgenootschap.—De Nederduitsch-Hervormden deden een
poging aan de strenge bepalingen der kerkorde, door den Keizer aan hunne
geloofsgenooten in Frankrijk verleend, te ontkomen. Zij verzochten voor
Holland één consistoriale kerk per kanton, mits dit kanton 3000 of meer
Hervormden telde; er zouden dan toch nog 300 predikantsplaatsen komen te
vervallen. Verder verzochten zij verzekering der bestaande tractementen, en
behoud van de bestaande inrichting der diaconieën.
bestuur behoeven te worden voorzien: „on pourra ne pas reconnaître leur
existence”. Hetzelfde beveelt Lebrun aan voor de Engelsche en Schotsche
gemeenten. Ook voor de Jansenisten: hun bezittingen en seminarie kan men
aan de Katholieken geven, hun eenigen bisschop naar Frankrijk verwijderen
en op pensioen stellen; „tout le reste serait censé perdu dans le grand
troupeau des catholiques, et s'y éteindrait sous la loi du silence. Puisque les
jansénistes veulent être des catholiques, il faut qu'ils soient mêlés avec la
majorité”. Wat de Katholieken zelf betreft, vindt Lebrun het ongeraden, den
bisschop of de bisschoppen die Z. M. hun wil geven, in Holland te laten
resideeren: „peut-être il en résulterait des inconvéniens. L'évêque de Bois-
le-Duc pourrait l'être de la Hollande”. 271)
Bij de redactie van het decreet van 24 Jan. 1812 was met Lebrun's
bezwaren eenigermate rekening gehouden; de keizerlijke commissaris zou,
naarmate hij het gewenscht oordeelde, de commissie òf in haar geheel
kunnen raadplegen, òf over de zaken van ieder genootschap in het bijzonder
slechts de leden die tot dat genootschap behoorden. D'Alphonse verkoos het
laatste, en liet aan den ambtenaar J. D. Janssen, gewezen chef van divisie
bij het Hollandsche ministerie van eerediensten, het beraad met de
afzonderlijke leden geheel over.—Cramer verlangde voor de katholieken
bisdommen te Utrecht en Groningen en overdracht van verschillende
kerkgebouwen 272).—Van Os, voor het handjevol Jansenisten, kwam met
onmogelijke eischen: herstel van alle bisdommen van 1559 (Utrecht
(aartsbisdom), Haarlem, Leeuwarden, Groningen, Deventer, Middelburg);
de aartsbisschop en bisschoppen door de kapittels te kiezen. Zijn stuk werd
zonder meer ter zijde gelegd.—De Remonstranten, Doopsgezinden,
Lutherschen, verzochten behoud hunner zelfstandigheid; evenzoo de
Waalsch-Hervormden het behoud eener afzonderlijke positie in het
Hervormde Kerkgenootschap.—De Nederduitsch-Hervormden deden een
poging aan de strenge bepalingen der kerkorde, door den Keizer aan hunne
geloofsgenooten in Frankrijk verleend, te ontkomen. Zij verzochten voor
Holland één consistoriale kerk per kanton, mits dit kanton 3000 of meer
Hervormden telde; er zouden dan toch nog 300 predikantsplaatsen komen te
vervallen. Verder verzochten zij verzekering der bestaande tractementen, en
behoud van de bestaande inrichting der diaconieën.
Page 158
D'Alphonse hield in zijn rapport met de geopperde wenschen rekening.
Hij achtte één Katholiek bisdom (te Utrecht) voldoende; de meeste eischen
der katholieken ten opzichte der kerkgebouwen werden afgewezen. De
denkbeelden van het Hervormde rapport nam hij grootendeels over. De
tractementen stelde hij voor te bepalen op een som, de in Frankrijk
geldende bedragen met ⅕ te boven gaande; de pastoralia zouden op een
hoop worden geworpen en daaruit alle tractementen worden voldaan; voor
zoover zij daartoe niet toereikend waren zou de Staat de middelen moeten
aanwijzen.
Dit rapport van d'Alphonse was gereed in Aug. 1812; hij gaf er toen
kennis van aan Lebrun, die nog veranderingen voorsloeg: geen bisdom in
Holland; aan de predikanten die thans inkomsten uit pastoralia genoten,
deze verzekerd voor hun leven; de scheiding tusschen Hollandsche en
Oostfriesche Lutherschen beter door te voeren, en niet te spreken van de
diaconieën: „elles appartiennent au secours public, et je ne crois pas qu'il
soit dans l'intention de l'Empereur de laisser à chaque culte l'entretien de ses
pauvres.” 273) D'Alphonse bracht van deze vier wijzigingen de twee minst
gewichtige aan, al vreesde hij dat die omtrent de pastoralia geen genade zou
vinden te Parijs. Het ééne bisdom behield hij, om ten minste niet alle
eischen der Katholieken af te wijzen, en van de diaconieën te zwijgen
scheen hem niet wel mogelijk: „Depuis longtems je pense comme V. A. que
difficilement S. M. maintiendra les diaconies dans la charge de soulager
leurs pauvres respectifs, et que probablement ces pauvres seront mis à la
charge des administrations communales. Mais de toutes les propositions que
j'aurais pu faire, c'était celle qui aurait affligé davantage et qui aurait le plus
mécontenté: j'ai donc cru devoir m'en abstenir.”
Eind Aug. 1812 werd dan nu het rapport naar Parijs verzonden, waar het
liggen bleef zonder dat men er verder iets van vernam. De Keizer was te
velde, en bovendien, zoo lang hij zich niet met den Paus had verzoend 274)
was de invoering eener katholieke hiërarchie in Holland een onbegonnen
werk. Wat omtrent de Protestanten was voorgesteld had mede geen haast en
werd in studie gegeven aan den chef der afdeeling voor den niet-
katholieken eeredienst te Parijs, Darbaud, die er vrij wat op aan te merken
had en de Fransche kerkorde letterlijk wilde zien gevolgd. Onderwijl bleef
Hij achtte één Katholiek bisdom (te Utrecht) voldoende; de meeste eischen
der katholieken ten opzichte der kerkgebouwen werden afgewezen. De
denkbeelden van het Hervormde rapport nam hij grootendeels over. De
tractementen stelde hij voor te bepalen op een som, de in Frankrijk
geldende bedragen met ⅕ te boven gaande; de pastoralia zouden op een
hoop worden geworpen en daaruit alle tractementen worden voldaan; voor
zoover zij daartoe niet toereikend waren zou de Staat de middelen moeten
aanwijzen.
Dit rapport van d'Alphonse was gereed in Aug. 1812; hij gaf er toen
kennis van aan Lebrun, die nog veranderingen voorsloeg: geen bisdom in
Holland; aan de predikanten die thans inkomsten uit pastoralia genoten,
deze verzekerd voor hun leven; de scheiding tusschen Hollandsche en
Oostfriesche Lutherschen beter door te voeren, en niet te spreken van de
diaconieën: „elles appartiennent au secours public, et je ne crois pas qu'il
soit dans l'intention de l'Empereur de laisser à chaque culte l'entretien de ses
pauvres.” 273) D'Alphonse bracht van deze vier wijzigingen de twee minst
gewichtige aan, al vreesde hij dat die omtrent de pastoralia geen genade zou
vinden te Parijs. Het ééne bisdom behield hij, om ten minste niet alle
eischen der Katholieken af te wijzen, en van de diaconieën te zwijgen
scheen hem niet wel mogelijk: „Depuis longtems je pense comme V. A. que
difficilement S. M. maintiendra les diaconies dans la charge de soulager
leurs pauvres respectifs, et que probablement ces pauvres seront mis à la
charge des administrations communales. Mais de toutes les propositions que
j'aurais pu faire, c'était celle qui aurait affligé davantage et qui aurait le plus
mécontenté: j'ai donc cru devoir m'en abstenir.”
Eind Aug. 1812 werd dan nu het rapport naar Parijs verzonden, waar het
liggen bleef zonder dat men er verder iets van vernam. De Keizer was te
velde, en bovendien, zoo lang hij zich niet met den Paus had verzoend 274)
was de invoering eener katholieke hiërarchie in Holland een onbegonnen
werk. Wat omtrent de Protestanten was voorgesteld had mede geen haast en
werd in studie gegeven aan den chef der afdeeling voor den niet-
katholieken eeredienst te Parijs, Darbaud, die er vrij wat op aan te merken
had en de Fransche kerkorde letterlijk wilde zien gevolgd. Onderwijl bleef
Page 159
alles voorshands op den ouden voet, maar met ééne, voor de betrokkenen
uiterst gevoelige uitzondering.
Toen de Fransche staatsbegrooting voor 1811 in voorbereiding was, had
de minister van eerediensten, Bigot de Préameneu, daarop de volle som
uitgetrokken waarop volgens de inlichtingen der Hollandsche
gedeputeerden voor tractementen aan godsdienstleeraars in Holland moest
worden gerekend, te weten 2.450.000 francs, zijnde het bedrag, dat op de
Hollandsche begrooting voor 1810 voorkwam, verminderd met de
tractementen der leeraars in het bij tractaat van 16 Maart 1810 afgestane
grondgebied. De Keizer had evenwel de gansche som van de begrooting
geschrapt, zeggende dat de burgerlijke gemeenten deze uitgaven in Holland
moesten dragen. Hij verzuimde echter dezen wil in een decreet uit te
drukken, en nu geschiedde er ... niets. Een merkwaardig voorbeeld van de
stroefheid der hooggeroemde Fransche administratie, zoodra er bij den
Keizer, die toch ook mensch bleef, iets haperde; en dit kwam tegen het eind
zijner regeering hoe langer zoo meer voor. Niemand die zich dan
verantwoordelijk voelde of een hand verlei zoolang die niet door een bevel
der hoogere autoriteit in beweging werd gezet. Het eene kwartaal na het
andere verliep, zonder dat de Hollandsche predikanten een duit uit de
schatkist ontvingen. Lebrun hield niet op den Keizer en den minister om
voorziening te verzoeken; de Keizer antwoordde niet; de minister wel, maar
enkel om te zeggen dat hij geen orders had, en Lebrun's brieven aan den
Keizer voorlegde. Dan schrijft Lebrun nogmaals aan den Keizer, en
dringender: „Les pasteurs réformés sont aux abois; on m'assure qu'il en est
qui mendient leur pain, ils n'ont point comme les prêtres catholiques de
ressources dans le zèle de leurs fidèles. Les protestans sont durs comme leur
religion, et d'ailleurs les biens des églises ont été rendus à l'Etat. 275) Je
supplie encore une fois V. M. de vouloir bien peser ces circonstances dans
sa justice, dans sa bonté, dans sa politique” (18 April 1811). De Keizer
antwoordt verbaasd; de burgerlijke gemeenten zouden immers de
godsdienstleeraars betalen? „C'est ainsi que cela a été arrêté au budget” (21
April 1811). „On ne connaît point ici”, antwoordt Lebrun, „l'article du
budget qui prescrit cette disposition. V. M. jugera sans doute qu'elle doit
être publiée” (25 April 1811). Er volgt niets. Den 2den Juli bericht eindelijk
de minister Bigot, dat hij zich tot een herinnering aan den Keizer vermand
uiterst gevoelige uitzondering.
Toen de Fransche staatsbegrooting voor 1811 in voorbereiding was, had
de minister van eerediensten, Bigot de Préameneu, daarop de volle som
uitgetrokken waarop volgens de inlichtingen der Hollandsche
gedeputeerden voor tractementen aan godsdienstleeraars in Holland moest
worden gerekend, te weten 2.450.000 francs, zijnde het bedrag, dat op de
Hollandsche begrooting voor 1810 voorkwam, verminderd met de
tractementen der leeraars in het bij tractaat van 16 Maart 1810 afgestane
grondgebied. De Keizer had evenwel de gansche som van de begrooting
geschrapt, zeggende dat de burgerlijke gemeenten deze uitgaven in Holland
moesten dragen. Hij verzuimde echter dezen wil in een decreet uit te
drukken, en nu geschiedde er ... niets. Een merkwaardig voorbeeld van de
stroefheid der hooggeroemde Fransche administratie, zoodra er bij den
Keizer, die toch ook mensch bleef, iets haperde; en dit kwam tegen het eind
zijner regeering hoe langer zoo meer voor. Niemand die zich dan
verantwoordelijk voelde of een hand verlei zoolang die niet door een bevel
der hoogere autoriteit in beweging werd gezet. Het eene kwartaal na het
andere verliep, zonder dat de Hollandsche predikanten een duit uit de
schatkist ontvingen. Lebrun hield niet op den Keizer en den minister om
voorziening te verzoeken; de Keizer antwoordde niet; de minister wel, maar
enkel om te zeggen dat hij geen orders had, en Lebrun's brieven aan den
Keizer voorlegde. Dan schrijft Lebrun nogmaals aan den Keizer, en
dringender: „Les pasteurs réformés sont aux abois; on m'assure qu'il en est
qui mendient leur pain, ils n'ont point comme les prêtres catholiques de
ressources dans le zèle de leurs fidèles. Les protestans sont durs comme leur
religion, et d'ailleurs les biens des églises ont été rendus à l'Etat. 275) Je
supplie encore une fois V. M. de vouloir bien peser ces circonstances dans
sa justice, dans sa bonté, dans sa politique” (18 April 1811). De Keizer
antwoordt verbaasd; de burgerlijke gemeenten zouden immers de
godsdienstleeraars betalen? „C'est ainsi que cela a été arrêté au budget” (21
April 1811). „On ne connaît point ici”, antwoordt Lebrun, „l'article du
budget qui prescrit cette disposition. V. M. jugera sans doute qu'elle doit
être publiée” (25 April 1811). Er volgt niets. Den 2den Juli bericht eindelijk
de minister Bigot, dat hij zich tot een herinnering aan den Keizer vermand
Page 160
heeft: „que S. M. avait bien annoncé l'intention que le traitement du clergé
fût à la charge des communes, mals qui il n'y avait point eu de décret pour
ordonner et régulariser cette mesure”. Deze herinnering wordt door den
Keizer om advies gezonden aan den Staatsraad. Den 18den October schrijft
Bigot, dat de Staatsraad geadviseerd heeft dat deze uitgaven in geen geval
ten laste der burgerlijke gemeenten kunnen komen; ook Lebrun had zich in
denzelfden zin uitgelaten. Desniettemin beslist de Keizer bij decreet van 29
Oct. 1811 (gegeven op het Loo), dat de burgerlijke gemeenten gehouden
zijn ⅟15 van hun jaarlijksch inkomen in de centrale agentuur der schatkist te
Amsterdam te storten tot een bijzonder fonds, waaruit de tractementen der
godsdienstleeraars zullen worden voldaan; „il faut soulager”, heet het in een
19 Oct. te Amsterdam gegeven keizerlijk dictaat, „il faut soulager le trésor
de cette dépense qui est bien considérable” 276) Den 30sten Dec. is het
decreet van 29 Oct. eindelijk in handen van d'Alphonse die het aan de
prefecten zenden kan ter uitvoering; ondertusschen is het geheele jaar 1811
verloopen. Maar die uitvoering blijkt zulk een gemakkelijke zaak niet: de
gemeentekassen zijn er niet op voorbereid, en 20 Juni 1811 moet
d'Alphonse, op een vraag van Lebrun, antwoorden dat er nog geen
uitkeering aan de predikanten mogelijk is geweest, wel te verstaan op hun
tractement over 1811! Wel is er iets gestort, maar lang niet genoeg;
trouwens al ware geen der gemeenten nalatig geweest (Amsterdam b.v.
heeft nog niets kunnen storten omdat het in werkelijkheid de som niet
voorhanden heeft), dan zou het geheele bedrag nog niet de helft van het
verschuldigde uitmaken! In Dec. 1812, als Napoleon uit Rusland terugkeert,
wacht Lebrun hem met het bericht op dat de predikanten thans ⅓ van hun
traktement over 1811 ontvangen hebben, en nog niets over 1812. „Si j'avais
eu quelque pouvoir,” luidt de karakteristieke bijvoeging, „nous aurions
trouvé des moyens dans la bonne disposition des Hollandais. Les ministres
ont été sages au milieu de leur déuvement, et ils méritent les bontés V. M.”
Nog eens 31 Maart 1813: „Je supplie V. M. de s'occuper du traitement des
ministres du culte en Hollande: la justice leur est due, et ils la méritent par
leur résignation. Jusqu'ici ils n'ont véritablement donné lieu à aucune
plainte, et leurs réclamations ont toujours été calmes et respectueuses. J'ai
adressé à M. le ministre des cultes un projet de décret qui compléterait les
traitemens de 1811 et de 1812, qui pourrait encore être adopté pour 1813 et
jusqu'à V. M. puisse s'occuper de l'organisation du culte dans ces
fût à la charge des communes, mals qui il n'y avait point eu de décret pour
ordonner et régulariser cette mesure”. Deze herinnering wordt door den
Keizer om advies gezonden aan den Staatsraad. Den 18den October schrijft
Bigot, dat de Staatsraad geadviseerd heeft dat deze uitgaven in geen geval
ten laste der burgerlijke gemeenten kunnen komen; ook Lebrun had zich in
denzelfden zin uitgelaten. Desniettemin beslist de Keizer bij decreet van 29
Oct. 1811 (gegeven op het Loo), dat de burgerlijke gemeenten gehouden
zijn ⅟15 van hun jaarlijksch inkomen in de centrale agentuur der schatkist te
Amsterdam te storten tot een bijzonder fonds, waaruit de tractementen der
godsdienstleeraars zullen worden voldaan; „il faut soulager”, heet het in een
19 Oct. te Amsterdam gegeven keizerlijk dictaat, „il faut soulager le trésor
de cette dépense qui est bien considérable” 276) Den 30sten Dec. is het
decreet van 29 Oct. eindelijk in handen van d'Alphonse die het aan de
prefecten zenden kan ter uitvoering; ondertusschen is het geheele jaar 1811
verloopen. Maar die uitvoering blijkt zulk een gemakkelijke zaak niet: de
gemeentekassen zijn er niet op voorbereid, en 20 Juni 1811 moet
d'Alphonse, op een vraag van Lebrun, antwoorden dat er nog geen
uitkeering aan de predikanten mogelijk is geweest, wel te verstaan op hun
tractement over 1811! Wel is er iets gestort, maar lang niet genoeg;
trouwens al ware geen der gemeenten nalatig geweest (Amsterdam b.v.
heeft nog niets kunnen storten omdat het in werkelijkheid de som niet
voorhanden heeft), dan zou het geheele bedrag nog niet de helft van het
verschuldigde uitmaken! In Dec. 1812, als Napoleon uit Rusland terugkeert,
wacht Lebrun hem met het bericht op dat de predikanten thans ⅓ van hun
traktement over 1811 ontvangen hebben, en nog niets over 1812. „Si j'avais
eu quelque pouvoir,” luidt de karakteristieke bijvoeging, „nous aurions
trouvé des moyens dans la bonne disposition des Hollandais. Les ministres
ont été sages au milieu de leur déuvement, et ils méritent les bontés V. M.”
Nog eens 31 Maart 1813: „Je supplie V. M. de s'occuper du traitement des
ministres du culte en Hollande: la justice leur est due, et ils la méritent par
leur résignation. Jusqu'ici ils n'ont véritablement donné lieu à aucune
plainte, et leurs réclamations ont toujours été calmes et respectueuses. J'ai
adressé à M. le ministre des cultes un projet de décret qui compléterait les
traitemens de 1811 et de 1812, qui pourrait encore être adopté pour 1813 et
jusqu'à V. M. puisse s'occuper de l'organisation du culte dans ces
Page 161
départemens”.—Geen antwoord; de Keizer heeft dringender zaken aan het
hoofd. Den 12den Juni 1813 vraagt de Friesche prefect Verstolk aan
d'Alphonse, of de tractementen mogen worden omgeslagen over de
hervormde gemeenteleden, op voorwaarde van terugbetaling zoodra het
gouvernement gereed is? Antwoord: alles moet blijven bij vrijwillige
bijdragen zonder inmenging van den prefect. In Juni en Juli 1813 komt
eindelijk weer iets beschikbaar, maar nog minder dan verleden jaar:
600.000 francs!... Wat ruime zucht van verlichting zal er in menige pastorie
geslaakt zijn, toen de Souvereine Vorst, bij besluit van 19 Jan. 1814, de
betaling der tractementen uit 's lands kas, als tot 31 Dec. 1810 gebruikelijk,
herstelde! 277) Dat overigens de Vorst van den aanvang af niet vreemd was
van het denkbeeld, de kerkelijke politiek zijner voorgangers voort te zetten,
bewijst het 4de art. van dat besluit, 't welk den C.-G. van Binnenlandsche
Zaken gelast „zorg te dragen dat door combinatiën en afschaffing van
predikantsplaatsen, overal waar zulks zonder nadeel voor de belangen van
de godsdienst kan geschieden, 's lands uitgaven verminderd worden.”
Met ééne uitzondering (hiervóór, bl. 117). Tellegen bedoelt blijkbaar
Heerkens. Hij vergeet evenwel, dat van Maanen remonstrant was.
Haar onderhoud (hiervóór, bl. 118). Wel te verstaan, „in zoo verre de
geestelijke en kerkelijke goederen niet toereiken”. 278)
De stemmen staakten (hiervóór, bl. 119). Allerzonderlingst is de
mededeeling van G. K. aan den S. V. in zijn brief van 4 Febr. 1813 279), dat
omtrent de uitdrukkelijke vermelding der gelijke toelating tot ambten en
bedieningen de stemmen niet hebben gestaakt: volgens hem is die
verworpen met 8 stemmen tegen 6. Het tegendeel blijkt zoowel uit de
aanteekeningen van Röell als uit die van van Maanen. Trouwens waartoe
zou de president de conclusie tot de aanwezigheid van van Heerdt en van
der Duyn hebben uitgesteld, indien de stemmen op 2 Febr. niet hadden
gestaakt? Wanneer dan ook van Maanen 11 Febr. het punt noemt onder die
waarover de stemmen hebben gestaakt, 280) volgt er geen protest van den
hoofd. Den 12den Juni 1813 vraagt de Friesche prefect Verstolk aan
d'Alphonse, of de tractementen mogen worden omgeslagen over de
hervormde gemeenteleden, op voorwaarde van terugbetaling zoodra het
gouvernement gereed is? Antwoord: alles moet blijven bij vrijwillige
bijdragen zonder inmenging van den prefect. In Juni en Juli 1813 komt
eindelijk weer iets beschikbaar, maar nog minder dan verleden jaar:
600.000 francs!... Wat ruime zucht van verlichting zal er in menige pastorie
geslaakt zijn, toen de Souvereine Vorst, bij besluit van 19 Jan. 1814, de
betaling der tractementen uit 's lands kas, als tot 31 Dec. 1810 gebruikelijk,
herstelde! 277) Dat overigens de Vorst van den aanvang af niet vreemd was
van het denkbeeld, de kerkelijke politiek zijner voorgangers voort te zetten,
bewijst het 4de art. van dat besluit, 't welk den C.-G. van Binnenlandsche
Zaken gelast „zorg te dragen dat door combinatiën en afschaffing van
predikantsplaatsen, overal waar zulks zonder nadeel voor de belangen van
de godsdienst kan geschieden, 's lands uitgaven verminderd worden.”
Met ééne uitzondering (hiervóór, bl. 117). Tellegen bedoelt blijkbaar
Heerkens. Hij vergeet evenwel, dat van Maanen remonstrant was.
Haar onderhoud (hiervóór, bl. 118). Wel te verstaan, „in zoo verre de
geestelijke en kerkelijke goederen niet toereiken”. 278)
De stemmen staakten (hiervóór, bl. 119). Allerzonderlingst is de
mededeeling van G. K. aan den S. V. in zijn brief van 4 Febr. 1813 279), dat
omtrent de uitdrukkelijke vermelding der gelijke toelating tot ambten en
bedieningen de stemmen niet hebben gestaakt: volgens hem is die
verworpen met 8 stemmen tegen 6. Het tegendeel blijkt zoowel uit de
aanteekeningen van Röell als uit die van van Maanen. Trouwens waartoe
zou de president de conclusie tot de aanwezigheid van van Heerdt en van
der Duyn hebben uitgesteld, indien de stemmen op 2 Febr. niet hadden
gestaakt? Wanneer dan ook van Maanen 11 Febr. het punt noemt onder die
waarover de stemmen hebben gestaakt, 280) volgt er geen protest van den
Page 162
voorzitter; en 1 Maart noemt deze zelf het artikel een punt „omtrent welk de
stemmen gestaakt hadden”. 281)
Beslissing van den Souvereinen Vorst (hiervóór, bl. 120). Zie Ontstaan I,
482 en II, bl. CXXI, doch vooral Br. en Ged. V, 87: de Vorst besliste voor
opneming der beide bepalingen, hoewel die omtrent zijne religie hem
persoonlijk niet aangenaam was 282). De oude heer van Aylva maakte er
echter eene gemoedszaak van, en zeide dat zoo deze bepaling niet
opgenomen werd, een aantal notabelen alleen daarom de Grondwet zouden
verwerpen. De aanstaande vereeniging met België maakte veel Protestanten
voor de toekomst beducht. 283)
Het is waarschijnlijk (hiervóór, bl. 120). Inderdaad blijkt uit de
beraadslagingen der commissie, dat het besluit van 19 Jan. 1814 van zeer
grooten invloed is geweest, 284) doch er is geen het minste bewijs voor
Tellegen's meening, dat de commissie van redactie art. 137 in de Grondwet
zou hebben gesteld na ruggespraak met den Vorst. In de stukken tusschen
den Vorst en die commissie of tusschen den Vorst en Hogendorp gewisseld
wordt de zaak niet behandeld. Onder invloed van het besluit van 19 Jan. zal
de commissie van redactie tot het inzicht zijn gekomen dat het niet aanging
den waarborg, daarin voor de Hervormden gelegen, in de Grondwet te
bevestigen, en den waarborg voor de anderen niet.
Doode letter (hiervóór, bl. 121). Dit is voor de tweede maal, dat Tellegen
deze uitdrukking gebruikt. 285) Uit de niet-wederopneming van den
„grondregel” van 1798: „Elk burger heeft vrijheid, God te dienen naar de
overtuiging van zijn hart”, in de constitutiën van later tijd, kan ik geenszins
het gevolg trekken dat deze regel sinds 1801 „dood” was. Het wemelt in
den aanhef der staatsregeling van 1798 van „algemeene beginselen” en
„grondregels” wier invloed voortduurde, ook al werden zij in latere
constitutiën niet weder opgenomen.
stemmen gestaakt hadden”. 281)
Beslissing van den Souvereinen Vorst (hiervóór, bl. 120). Zie Ontstaan I,
482 en II, bl. CXXI, doch vooral Br. en Ged. V, 87: de Vorst besliste voor
opneming der beide bepalingen, hoewel die omtrent zijne religie hem
persoonlijk niet aangenaam was 282). De oude heer van Aylva maakte er
echter eene gemoedszaak van, en zeide dat zoo deze bepaling niet
opgenomen werd, een aantal notabelen alleen daarom de Grondwet zouden
verwerpen. De aanstaande vereeniging met België maakte veel Protestanten
voor de toekomst beducht. 283)
Het is waarschijnlijk (hiervóór, bl. 120). Inderdaad blijkt uit de
beraadslagingen der commissie, dat het besluit van 19 Jan. 1814 van zeer
grooten invloed is geweest, 284) doch er is geen het minste bewijs voor
Tellegen's meening, dat de commissie van redactie art. 137 in de Grondwet
zou hebben gesteld na ruggespraak met den Vorst. In de stukken tusschen
den Vorst en die commissie of tusschen den Vorst en Hogendorp gewisseld
wordt de zaak niet behandeld. Onder invloed van het besluit van 19 Jan. zal
de commissie van redactie tot het inzicht zijn gekomen dat het niet aanging
den waarborg, daarin voor de Hervormden gelegen, in de Grondwet te
bevestigen, en den waarborg voor de anderen niet.
Doode letter (hiervóór, bl. 121). Dit is voor de tweede maal, dat Tellegen
deze uitdrukking gebruikt. 285) Uit de niet-wederopneming van den
„grondregel” van 1798: „Elk burger heeft vrijheid, God te dienen naar de
overtuiging van zijn hart”, in de constitutiën van later tijd, kan ik geenszins
het gevolg trekken dat deze regel sinds 1801 „dood” was. Het wemelt in
den aanhef der staatsregeling van 1798 van „algemeene beginselen” en
„grondregels” wier invloed voortduurde, ook al werden zij in latere
constitutiën niet weder opgenomen.
Page 163
Art. 139 der Grondwet (hiervóór, bl. 122). Tellegen vergist zich door te
meenen dat het de S. V. is die de opneming van dit artikel heeft bewerkt. De
vervanging van art. 62 der Schets door het artikel van 2 Febr. is het werk
der volle commissie 286); het artikel van 2 Febr. is tot art. 139 der Grondwet
verscherpt door de commissie van redactie, zonder dat van eenige
tusschenkomst van den Vorst blijkt. Het zal de invloed van Röell zijn die dit
heeft bewerkt: reeds 21 Jan. maakt deze onderscheid tusschen de mate van
inzage waaraan de gesubsidieerde en de niet-gesubsidieerde
genootschappen zullen zijn onderworpen 287).
Heerlijke rechten (hiervóór, bl. 131). Art. 24 der staatsregeling van 1798
had deze zonder schadevergoeding voor altijd vernietigd, doch art. 15 van
die van 1801 had alle wetten die sedert 1795 aan de waarde van
eigendommen of wettig verkregen bezittingen hadden gederogeerd, aan
herziening onderworpen. Ieder benadeelde kon zich tot het Staatsbewind
vervoegen, dat naar bevind van zaken de afschaffing of verbetering dier
wetten, benevens eene billijke schadeloosstelling, aan het Wetgevend
Lichaam zou voordragen. Dientengevolge regende het adressen, en diende
het Staatsbewind eene (bij het Wetgevend Lichaam onafgedaan gebleven)
wet in, waarbij de heerlijke rechten hersteld werden „voor zooverre zij niet
met de staatsregeling of het publiek gezag in strijd waren”, en voor het
gemis van niet herstelde heerlijke rechten, voor zoover daaraan voor den
bezitter geldelijke voordeelen verbonden waren geweest, eene
schadeloosstelling werd toegekend, bestaande in eene recognitie, te voldoen
door de bekleeders der posten waarvan de begeving te voren inkomsten had
opgeleverd aan de ambachtsheeren. Art. 8 der staatsregeling van 1805 nam
art. 15 van die van 1801 met geringe wijzigingen over, zoodat eene
wettelijke regeling nogmaals in uitzicht was gesteld, welke 9 Juni 1806, in
de allerlaatste dagen van Schimmelpenninck's bewind, tot stand kwam, en
die door den minister van binnenlandsche zaken, van Stralen, was
ontworpen. Rechten van aanstelling der leden van gemeentebesturen of
rechtbanken, door eigenaren van heerlijkheden vóór 1795 uitgeoefend,
bleven voor altijd vervallen; alle overige met inbegrip van het kerkelijk
patronaatrecht werden hersteld, voor zoover zij althans niet hun oorsprong
namen uit „het leenrecht”, dat volgens art. 9 der staatsregeling bleef
meenen dat het de S. V. is die de opneming van dit artikel heeft bewerkt. De
vervanging van art. 62 der Schets door het artikel van 2 Febr. is het werk
der volle commissie 286); het artikel van 2 Febr. is tot art. 139 der Grondwet
verscherpt door de commissie van redactie, zonder dat van eenige
tusschenkomst van den Vorst blijkt. Het zal de invloed van Röell zijn die dit
heeft bewerkt: reeds 21 Jan. maakt deze onderscheid tusschen de mate van
inzage waaraan de gesubsidieerde en de niet-gesubsidieerde
genootschappen zullen zijn onderworpen 287).
Heerlijke rechten (hiervóór, bl. 131). Art. 24 der staatsregeling van 1798
had deze zonder schadevergoeding voor altijd vernietigd, doch art. 15 van
die van 1801 had alle wetten die sedert 1795 aan de waarde van
eigendommen of wettig verkregen bezittingen hadden gederogeerd, aan
herziening onderworpen. Ieder benadeelde kon zich tot het Staatsbewind
vervoegen, dat naar bevind van zaken de afschaffing of verbetering dier
wetten, benevens eene billijke schadeloosstelling, aan het Wetgevend
Lichaam zou voordragen. Dientengevolge regende het adressen, en diende
het Staatsbewind eene (bij het Wetgevend Lichaam onafgedaan gebleven)
wet in, waarbij de heerlijke rechten hersteld werden „voor zooverre zij niet
met de staatsregeling of het publiek gezag in strijd waren”, en voor het
gemis van niet herstelde heerlijke rechten, voor zoover daaraan voor den
bezitter geldelijke voordeelen verbonden waren geweest, eene
schadeloosstelling werd toegekend, bestaande in eene recognitie, te voldoen
door de bekleeders der posten waarvan de begeving te voren inkomsten had
opgeleverd aan de ambachtsheeren. Art. 8 der staatsregeling van 1805 nam
art. 15 van die van 1801 met geringe wijzigingen over, zoodat eene
wettelijke regeling nogmaals in uitzicht was gesteld, welke 9 Juni 1806, in
de allerlaatste dagen van Schimmelpenninck's bewind, tot stand kwam, en
die door den minister van binnenlandsche zaken, van Stralen, was
ontworpen. Rechten van aanstelling der leden van gemeentebesturen of
rechtbanken, door eigenaren van heerlijkheden vóór 1795 uitgeoefend,
bleven voor altijd vervallen; alle overige met inbegrip van het kerkelijk
patronaatrecht werden hersteld, voor zoover zij althans niet hun oorsprong
namen uit „het leenrecht”, dat volgens art. 9 der staatsregeling bleef
Page 164
afgeschaft, doch onder schadevergoeding. Eene regeling die de particuliere
belangen zoo zeer ontzag als met de staatshoogheid te nauwernood
bestaanbaar was; voor het oogenblik wel aan de ergste onzekerheid een
einde maakte, maar afstak bij de algemeene strekking der nieuwe
instellingen, en in de negentiende eeuw dan ook niet bleek te kunnen
worden gehandhaafd.
Tellegen vergist zich door te meenen, dat deze wet onder Lodewijk
Napoleon niet heeft gegolden, al is er over hare vervanging door andere
bepalingen wel in den Staatsraad gehandeld. De sectie van wetgeving van
den „Conseil pour les affaires de Hollande” herinnert in haar advies van 21
Aug. 1810 288) aan het beginsel der bestaande wetgeving: alle heerlijke
rechten die in strijd kwamen met bestuursrechten van den Staat, waren
afgeschaft. De tienden (ook soms als accrochement van een
ambachtsheerlijkheid voorkomende) vielen niet onder dit begrip, en waren
nog onlangs bij de adaptatie van het Wetboek Napoleon voor het koninkrijk
Holland gewaarborgd. In overeenstemming met den wensch der sectie
bepalen twee artikelen van het groote decreet van 18 Oct. 1810, dat de
tienden en andere grondrenten in Holland invorderbaar blijven
overeenkomstig de bestaande wetgeving; „il sera statué ultérieurement sur
la faculté de racheter les dites dîmes et rentes”. Deze afkoopbaarstelling is
inderdaad ingevoerd bij keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 (Fortuyn III,
539), doch door den Souvereinen Vorst weder te niet gedaan bij besluit van
22 Oct. 1814 (Staatsblad no. 103).
Onder de Fransche wetten, hier te lande executoir verklaard, zijn er
geene, die de heerlijke rechten betreffen.
Wellicht (hiervóór, bl. 132). Deze onderstelling vindt in de stukken geen
bevestiging. Heerkens, de eenige die eene opmerking maakt waaruit is af te
leiden dat hij zich niet in elke provincie eene ridderschap denkt 289), stemt
vóór de insertie. Tegen de insertie stemt van Lynden, die geen landelijke
stand wil behalve in Friesland.
belangen zoo zeer ontzag als met de staatshoogheid te nauwernood
bestaanbaar was; voor het oogenblik wel aan de ergste onzekerheid een
einde maakte, maar afstak bij de algemeene strekking der nieuwe
instellingen, en in de negentiende eeuw dan ook niet bleek te kunnen
worden gehandhaafd.
Tellegen vergist zich door te meenen, dat deze wet onder Lodewijk
Napoleon niet heeft gegolden, al is er over hare vervanging door andere
bepalingen wel in den Staatsraad gehandeld. De sectie van wetgeving van
den „Conseil pour les affaires de Hollande” herinnert in haar advies van 21
Aug. 1810 288) aan het beginsel der bestaande wetgeving: alle heerlijke
rechten die in strijd kwamen met bestuursrechten van den Staat, waren
afgeschaft. De tienden (ook soms als accrochement van een
ambachtsheerlijkheid voorkomende) vielen niet onder dit begrip, en waren
nog onlangs bij de adaptatie van het Wetboek Napoleon voor het koninkrijk
Holland gewaarborgd. In overeenstemming met den wensch der sectie
bepalen twee artikelen van het groote decreet van 18 Oct. 1810, dat de
tienden en andere grondrenten in Holland invorderbaar blijven
overeenkomstig de bestaande wetgeving; „il sera statué ultérieurement sur
la faculté de racheter les dites dîmes et rentes”. Deze afkoopbaarstelling is
inderdaad ingevoerd bij keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 (Fortuyn III,
539), doch door den Souvereinen Vorst weder te niet gedaan bij besluit van
22 Oct. 1814 (Staatsblad no. 103).
Onder de Fransche wetten, hier te lande executoir verklaard, zijn er
geene, die de heerlijke rechten betreffen.
Wellicht (hiervóór, bl. 132). Deze onderstelling vindt in de stukken geen
bevestiging. Heerkens, de eenige die eene opmerking maakt waaruit is af te
leiden dat hij zich niet in elke provincie eene ridderschap denkt 289), stemt
vóór de insertie. Tegen de insertie stemt van Lynden, die geen landelijke
stand wil behalve in Friesland.
Page 165
Besluit van 26 Maart 1814 (hiervóór, bl. 134). Op wat grond de Bosch
Kemper durft verzekeren, dat het besluit genomen schijnt „op aandrang van
van Hogendorp, toen eerste minister, die het dan ook in de commissie voor
de grondwet verdedigde” 290), is mij onbekend. De mededeeling is in ieder
geval onjuist. Primo was Hogendorp toen geen „eerste minister”, maar
minister van buitenlandsche zaken; secundo is er geen letter over de zaak
gewisseld tusschen hem en den Souvereinen Vorst; tertio is, blijkens de
stukken zelve op het Kabinet der Koningin, trouwens ook reeds blijkens het
boekje van van Akerlaken, het besluit het werk van Hendrik van Stralen,
den auteur der wet van 9 Juni 1806, die thans gelijk toen minister van
binnenlandsche zaken was. In de commissie kan het besluit als zoodanig
natuurlijk niet verdedigd zijn, aangezien het van 26 Maart is en de
commissie hare laatste vergadering hield op den 2den Maart. Bedoelt de
Bosch Kemper de commissie van 1815, dan is de mededeeling evenmin
juist. Ik denk dat hem art. 45 der Schets voor de gedachte heeft gezweefd.
Ook op andere punten (hiervóór, bl. 136).—Zie voor het vroeger overleg
tusschen den Vorst en Hogendorp hiervóór, bl. 96; voor het hier door
Tellegen bedoelde met de commissie van redactie zie Ontstaan II, bl.
CXVIII vv. en I, 438 vv.—Behalve op het punt van den godsdienst was de
inmenging vooral voelbaar op het punt der militie; zie daarvoor de
aanteekeningen op hoofdstuk IX. Op twee punten waar Tellegen invloed
van den Vorst vermoedde, is daarvan niet gebleken (hiervóór, bl. 149 en
150).—Twee belangrijke punten komen bij het volgende hoofdstuk ter
sprake: de Raad van State en de verkiezing van leden der Staten-Generaal.
233) De eerste algemeene volkstelling, die van 1795, gaf eene
bevolking van 1,880,443 zielen. Wanneer men er bij in aanmerking neemt,
wat toen niet, thans wel tot Nederland behoort, dan wordt dit cijfer bij
schatting op 2,100,000 gesteld. D'Alphonse's Aperçu geeft voor 1811 het
aantal inwoners op als 1,724,896; hierin zijn opgenomen 127.959 inw. voor
de Ooster-Eems, maar ontbreken natuurlijk behalve de in 1795 afgestane
landen ook Noord-Brabant, en Gelderland tot de Waal. Hogendorp stelde na
de verdrijving der Franschen de bevolking in een rond cijfer op twee
Kemper durft verzekeren, dat het besluit genomen schijnt „op aandrang van
van Hogendorp, toen eerste minister, die het dan ook in de commissie voor
de grondwet verdedigde” 290), is mij onbekend. De mededeeling is in ieder
geval onjuist. Primo was Hogendorp toen geen „eerste minister”, maar
minister van buitenlandsche zaken; secundo is er geen letter over de zaak
gewisseld tusschen hem en den Souvereinen Vorst; tertio is, blijkens de
stukken zelve op het Kabinet der Koningin, trouwens ook reeds blijkens het
boekje van van Akerlaken, het besluit het werk van Hendrik van Stralen,
den auteur der wet van 9 Juni 1806, die thans gelijk toen minister van
binnenlandsche zaken was. In de commissie kan het besluit als zoodanig
natuurlijk niet verdedigd zijn, aangezien het van 26 Maart is en de
commissie hare laatste vergadering hield op den 2den Maart. Bedoelt de
Bosch Kemper de commissie van 1815, dan is de mededeeling evenmin
juist. Ik denk dat hem art. 45 der Schets voor de gedachte heeft gezweefd.
Ook op andere punten (hiervóór, bl. 136).—Zie voor het vroeger overleg
tusschen den Vorst en Hogendorp hiervóór, bl. 96; voor het hier door
Tellegen bedoelde met de commissie van redactie zie Ontstaan II, bl.
CXVIII vv. en I, 438 vv.—Behalve op het punt van den godsdienst was de
inmenging vooral voelbaar op het punt der militie; zie daarvoor de
aanteekeningen op hoofdstuk IX. Op twee punten waar Tellegen invloed
van den Vorst vermoedde, is daarvan niet gebleken (hiervóór, bl. 149 en
150).—Twee belangrijke punten komen bij het volgende hoofdstuk ter
sprake: de Raad van State en de verkiezing van leden der Staten-Generaal.
233) De eerste algemeene volkstelling, die van 1795, gaf eene
bevolking van 1,880,443 zielen. Wanneer men er bij in aanmerking neemt,
wat toen niet, thans wel tot Nederland behoort, dan wordt dit cijfer bij
schatting op 2,100,000 gesteld. D'Alphonse's Aperçu geeft voor 1811 het
aantal inwoners op als 1,724,896; hierin zijn opgenomen 127.959 inw. voor
de Ooster-Eems, maar ontbreken natuurlijk behalve de in 1795 afgestane
landen ook Noord-Brabant, en Gelderland tot de Waal. Hogendorp stelde na
de verdrijving der Franschen de bevolking in een rond cijfer op twee
Page 166
millioen. De eerste telling na 1813, die van 1829, gaf 2,613,487 zielen
(Algemeene Statistiek van Nederland, II, blz. 18, 22.)
234)
Volgens de volkstelling van 1829 (Algemeene Statistiek van
Nederland, II, blz. 466 vlg.) waren er:
of op de 10,000 zielen:
Protestanten 1,544,888 5,911
Katholieken 1,019,108 3,899
Israëlieten 46,397 178
Onbekend 3,094 12
2,613,487 10,000
235) In de door Röell voorgestelde redactie betrekkelijk dit
onderwerp had deze in plaats van: godsdiensten, wat in Hogendorp's schets
voorkwam, het woord kerkgenootschappen gebruikt. „Dan”, zeide hij, „zijn
er de Joden niet in en niet uit;—zij sustineeren eene natie, niet
kerkgenootschap te zijn”. (Ontstaan I, 277; vgl. aldaar, 273).
236) Op de begrooting van 1809 komt voor de Eerediensten
voor eene som van ƒ 1,098,440 (Lod. Nap. Gedenkschriften, II, blz. 333). In
de door Napoleon na de inlijving bijeengeroepen commissie van eenige
Nederlanders wordt de som, in den laatsten tijd voor dit onderwerp jaarlijks
besteed, opgegeven te hebben bedragen ƒ 1,127,638, aldus verdeeld:
Hervormden ƒ 1,041,788, R.-Katholieken (met Jansenisten) ƒ 76,274,
Lutherschen ƒ 9,226, Mennonieten ƒ 350 (Bijdragen voor Vaderlandsche
Geschiedenis van R. Fruin, 2e reeks IX, blz. 109).
237) Br. en Ged. III, 175, 182.
238) In de door hem den 8sten Februari 1802 opgestelde
voorwaarden der nationale vereeniging, waar men leest: „Het is in den aard
der zaak gelegen, dat de oude publieke kerk onder ons hersteld worde, maar
met alle mogelijke verdraagzaamheid voor alle andere gezindheden.
Ondergeschikte ambten en bedieningen, als de militaire ambten, moeten
zelfs voor alle gezindheden openstaan” (Br. en Ged. III, 208).
239) Ontstaan I, 271–273.
(Algemeene Statistiek van Nederland, II, blz. 18, 22.)
234)
Volgens de volkstelling van 1829 (Algemeene Statistiek van
Nederland, II, blz. 466 vlg.) waren er:
of op de 10,000 zielen:
Protestanten 1,544,888 5,911
Katholieken 1,019,108 3,899
Israëlieten 46,397 178
Onbekend 3,094 12
2,613,487 10,000
235) In de door Röell voorgestelde redactie betrekkelijk dit
onderwerp had deze in plaats van: godsdiensten, wat in Hogendorp's schets
voorkwam, het woord kerkgenootschappen gebruikt. „Dan”, zeide hij, „zijn
er de Joden niet in en niet uit;—zij sustineeren eene natie, niet
kerkgenootschap te zijn”. (Ontstaan I, 277; vgl. aldaar, 273).
236) Op de begrooting van 1809 komt voor de Eerediensten
voor eene som van ƒ 1,098,440 (Lod. Nap. Gedenkschriften, II, blz. 333). In
de door Napoleon na de inlijving bijeengeroepen commissie van eenige
Nederlanders wordt de som, in den laatsten tijd voor dit onderwerp jaarlijks
besteed, opgegeven te hebben bedragen ƒ 1,127,638, aldus verdeeld:
Hervormden ƒ 1,041,788, R.-Katholieken (met Jansenisten) ƒ 76,274,
Lutherschen ƒ 9,226, Mennonieten ƒ 350 (Bijdragen voor Vaderlandsche
Geschiedenis van R. Fruin, 2e reeks IX, blz. 109).
237) Br. en Ged. III, 175, 182.
238) In de door hem den 8sten Februari 1802 opgestelde
voorwaarden der nationale vereeniging, waar men leest: „Het is in den aard
der zaak gelegen, dat de oude publieke kerk onder ons hersteld worde, maar
met alle mogelijke verdraagzaamheid voor alle andere gezindheden.
Ondergeschikte ambten en bedieningen, als de militaire ambten, moeten
zelfs voor alle gezindheden openstaan” (Br. en Ged. III, 208).
239) Ontstaan I, 271–273.
Page 167
240) Ontstaan I, 61.
241) Ontstaan I, 324, 432.
242)
Vóór stemden: Elout, Heerkens, Röell, van Maanen,
van der Duyn, van Zuylen, Humalda.
Tegen „ : van Lynden, Aylva, Lampsins,
Repelaer, Heerdt, Hogendorp, van
Imhoff.
Den 2den Februari waren van Heerdt en van der Duyn niet tegenwoordig;
den volgenden dag voegde de een zich bij de voorstemmers, de andere bij
de tegenstemmers en staakten dus wederom de stemmen.
243)
Voór: van Lynden, Aylva, Lampsins, Repelaer, Heerdt, van
Zuylen, Humalda.
Tegen: Elout, Heerkens, Röell, van Maanen, van der Duyn,
Hogendorp, van Imhoff.
244) Ontstaan I, 302.
245) Ontstaan I, 278. Van Christo Sacrum wordt in den
Staatsalmanak voor 1815 het volgende gezegd: „Onder de kleine Christen
Gemeenten is het genootschap Christo Sacrum te Delft voor weinige jaren
opgerigt. Hetzelve heeft geen bezoldigde leeraars, en neemt de belijders van
alle Christelijke Godsdiensten, welke de geloofbelijdenis bij het
Genootschap vastgesteld willen afleggen, tot leden aan, ook dan wanneer
dezelve verkiezen tevens leden van eene andere gezindheid te blijven.”
246) Ontstaan I, 62.
247) Ontstaan I, 76.
248)
Schets, art. 62: „Alle kerkelijke vergaderingen zijn wettig, mits
dezelve verzoeken om commissarissen-politiek door de souvereinen vorst
aan te stellen, ten einde toe te zien, dat er niets strijdigs met de wetten en de
algemeene rust voorgenomen worde.”
241) Ontstaan I, 324, 432.
242)
Vóór stemden: Elout, Heerkens, Röell, van Maanen,
van der Duyn, van Zuylen, Humalda.
Tegen „ : van Lynden, Aylva, Lampsins,
Repelaer, Heerdt, Hogendorp, van
Imhoff.
Den 2den Februari waren van Heerdt en van der Duyn niet tegenwoordig;
den volgenden dag voegde de een zich bij de voorstemmers, de andere bij
de tegenstemmers en staakten dus wederom de stemmen.
243)
Voór: van Lynden, Aylva, Lampsins, Repelaer, Heerdt, van
Zuylen, Humalda.
Tegen: Elout, Heerkens, Röell, van Maanen, van der Duyn,
Hogendorp, van Imhoff.
244) Ontstaan I, 302.
245) Ontstaan I, 278. Van Christo Sacrum wordt in den
Staatsalmanak voor 1815 het volgende gezegd: „Onder de kleine Christen
Gemeenten is het genootschap Christo Sacrum te Delft voor weinige jaren
opgerigt. Hetzelve heeft geen bezoldigde leeraars, en neemt de belijders van
alle Christelijke Godsdiensten, welke de geloofbelijdenis bij het
Genootschap vastgesteld willen afleggen, tot leden aan, ook dan wanneer
dezelve verkiezen tevens leden van eene andere gezindheid te blijven.”
246) Ontstaan I, 62.
247) Ontstaan I, 76.
248)
Schets, art. 62: „Alle kerkelijke vergaderingen zijn wettig, mits
dezelve verzoeken om commissarissen-politiek door de souvereinen vorst
aan te stellen, ten einde toe te zien, dat er niets strijdigs met de wetten en de
algemeene rust voorgenomen worde.”
Page 168
Redactie der commissie, vastgesteld 2 Febr. 1814: „De regeering zal
altijd zorg dragen, dat de geestelijkheid van geene eene gezindheid zich
eenig deel van de wereldlijke macht aanmatige, en daartoe de noodige
middelen aanwenden.”
Grondwet, art. 139: „Onverminderd het recht en de gehoudenis van den
S. V., om zoodanig toezicht over alle de godsdienstige gezindheden uit te
oefenen, als voor de belangen van den Staat dienstig zal bevonden worden,
heeft Dezelve bovendien in het bijzonder het recht van inzage en
beschikking omtrent de inrichtingen van die gezindheden, welke volgens
een der voorgaande artikelen eenige betaling of toelage uit 's Lands kas
genieten.”
249) Men denke aan van de Spiegel en zijn huwelijk met eene
burgemeestersdochter. „Haar betrekking”, zegt Fruin (Verspr. Geschr. V,
217), „tot de Goesche Regenten-families opende den bruidegom eene
loopbaan, waarvoor zijn talenten en verworven kennis hem bestemden,
maar die hem zonder deze verzwagering toch gesloten zou zijn gebleven”.
250)
U. Huber, Hedend. Rechtsgeleerdheid, I, c. 4, no. 27–31: no. 29:
„In vrije regeeringen wordt zij (de oorzake van den adel) afgenomen uit een
langdurige benaminge van het volk, als bij wijze van prescriptie; gelijk bij
ons in vele geslachten.”
30. „Wij meenen, dat sulk een slach van adel in een vrij land so goed is,
als die in andere landen bij speciale vergunningen wordt verkregen, omdat
het volk alhier 't selve recht heeft, dan elders de princen, ende dewijl
allerhande gerechtigheden door laps van tijd verkregen worden, is er geen
reden, waarom de edeldom in dier voege niet soude konnen verkregen
worden.”
251) Questiones Juris publici, II, c. 25.
252) Decreet van 19 Jan. 1799. Zie ook art. 14 der staatsregeling
van 1798 en art. 8 van het daarbij behoorende reglement B, benevens art. 5
van het reglement C.
253) Geschiedkundige Gedenkstukken, III, 38, 178.
altijd zorg dragen, dat de geestelijkheid van geene eene gezindheid zich
eenig deel van de wereldlijke macht aanmatige, en daartoe de noodige
middelen aanwenden.”
Grondwet, art. 139: „Onverminderd het recht en de gehoudenis van den
S. V., om zoodanig toezicht over alle de godsdienstige gezindheden uit te
oefenen, als voor de belangen van den Staat dienstig zal bevonden worden,
heeft Dezelve bovendien in het bijzonder het recht van inzage en
beschikking omtrent de inrichtingen van die gezindheden, welke volgens
een der voorgaande artikelen eenige betaling of toelage uit 's Lands kas
genieten.”
249) Men denke aan van de Spiegel en zijn huwelijk met eene
burgemeestersdochter. „Haar betrekking”, zegt Fruin (Verspr. Geschr. V,
217), „tot de Goesche Regenten-families opende den bruidegom eene
loopbaan, waarvoor zijn talenten en verworven kennis hem bestemden,
maar die hem zonder deze verzwagering toch gesloten zou zijn gebleven”.
250)
U. Huber, Hedend. Rechtsgeleerdheid, I, c. 4, no. 27–31: no. 29:
„In vrije regeeringen wordt zij (de oorzake van den adel) afgenomen uit een
langdurige benaminge van het volk, als bij wijze van prescriptie; gelijk bij
ons in vele geslachten.”
30. „Wij meenen, dat sulk een slach van adel in een vrij land so goed is,
als die in andere landen bij speciale vergunningen wordt verkregen, omdat
het volk alhier 't selve recht heeft, dan elders de princen, ende dewijl
allerhande gerechtigheden door laps van tijd verkregen worden, is er geen
reden, waarom de edeldom in dier voege niet soude konnen verkregen
worden.”
251) Questiones Juris publici, II, c. 25.
252) Decreet van 19 Jan. 1799. Zie ook art. 14 der staatsregeling
van 1798 en art. 8 van het daarbij behoorende reglement B, benevens art. 5
van het reglement C.
253) Geschiedkundige Gedenkstukken, III, 38, 178.
Page 169
254) Ontstaan I, 59.
255) Ontstaan I, 241–'42.
256) Ontstaan I, 413, 419, 420.
257) Metelerkamp, 123. D'Ablaing van Giessenburg (De
Ridderschappen in het Koningrijk der Nederlanden van 1814–1850, den
Haag, 1875, blz. 3) vergist zich dus, als hij beweert, dat de derde stand, die
der landeigenaren, tegen den oorspronkelijken zin der Grondwet
binnengesmokkeld zou zijn.
258) En die sedert de Hervorming in beheer waren bij den Staat.
Zie voor een kort overzicht van den rechtstoestand dier goederen Buys'
Grondwet II, 523 vv.
259) Zooals G. K. met welgevallen aanhaalt in zijne
Aanmerkingen (Ontstaan I, 61): „De Hervormde Kerk heeft zoo diepe
wortelen onder onze natie geschoten dat het misnoegen van andere
gezindheden haar niet benadeeld heeft, toen er gelegenheid toe geboren
scheen.”
255) Ontstaan I, 241–'42.
256) Ontstaan I, 413, 419, 420.
257) Metelerkamp, 123. D'Ablaing van Giessenburg (De
Ridderschappen in het Koningrijk der Nederlanden van 1814–1850, den
Haag, 1875, blz. 3) vergist zich dus, als hij beweert, dat de derde stand, die
der landeigenaren, tegen den oorspronkelijken zin der Grondwet
binnengesmokkeld zou zijn.
258) En die sedert de Hervorming in beheer waren bij den Staat.
Zie voor een kort overzicht van den rechtstoestand dier goederen Buys'
Grondwet II, 523 vv.
259) Zooals G. K. met welgevallen aanhaalt in zijne
Aanmerkingen (Ontstaan I, 61): „De Hervormde Kerk heeft zoo diepe
wortelen onder onze natie geschoten dat het misnoegen van andere
gezindheden haar niet benadeeld heeft, toen er gelegenheid toe geboren
scheen.”
Page 170
260) Hij ontwierp een bisdom Amsterdam dat de geheele
Republiek zou omvatten. De bisschop, die resideeren zou te Delft, zou
benoemd worden door het Staatsbewind, „mits overeenkomstig de wetten
en voorschriften der Roomsch Catholieke Kerk;” te Breda zou de
opleidingsschool voor geestelijken worden gevestigd, te subsidieeren door
den Staat (Ged. IV, bl. LXXIV.)
261) Vgl. de noot hiervóór, bl. 116.
262) Decreet der Nationale Vergadering tot inlijving der Joden
bij de Bataafsche natie (2 Sept. 1796.)
263) Den Amsterdamschen aartspriester Cramer.
264) Den Amersfoortschen pastoor van Os.
265) Den oud-minister van eerediensten Mollerus, en den
Leidschen hoogleeraar (gewezen predikant) te Water.
266) Den Haagschen predikant Delprat.
267) Martinus Stuart, predikant te Amsterdam.
268) Een uit Holland (Eberbach), en een uit Oost-Friesland
(Kniphausen).
269) Den Amsterdamschen hoogleeraar Koopmans.
270) Eene „église consistoriale” (met een volledige organisatie
van predikant[en] en ouderlingen toegeruste kerk) was in Frankrijk slechts
toegestaan op elke 6000 hervormden.
271) Lebrun aan den minister Bigot de Préameneu, 12 en 28
Nov. 1811 (Ged. VI, 788 vv.).
272) B. v. te Amsterdam de Nieuwe Kerk, Noorderkerk en
Oudezijdskapel; te Utrecht den Dom of de Buurkerk; te Groningen de
Akademiekerk (als voor de Hervormden van geen nut meer, sedert na de
inlijving der hoogeschool bij de Fransche Universiteit het ambt van
akademieprediker was vervallen).—Dit laatste gebouw is inderdaad aan de
katholieken ingeruimd.
Republiek zou omvatten. De bisschop, die resideeren zou te Delft, zou
benoemd worden door het Staatsbewind, „mits overeenkomstig de wetten
en voorschriften der Roomsch Catholieke Kerk;” te Breda zou de
opleidingsschool voor geestelijken worden gevestigd, te subsidieeren door
den Staat (Ged. IV, bl. LXXIV.)
261) Vgl. de noot hiervóór, bl. 116.
262) Decreet der Nationale Vergadering tot inlijving der Joden
bij de Bataafsche natie (2 Sept. 1796.)
263) Den Amsterdamschen aartspriester Cramer.
264) Den Amersfoortschen pastoor van Os.
265) Den oud-minister van eerediensten Mollerus, en den
Leidschen hoogleeraar (gewezen predikant) te Water.
266) Den Haagschen predikant Delprat.
267) Martinus Stuart, predikant te Amsterdam.
268) Een uit Holland (Eberbach), en een uit Oost-Friesland
(Kniphausen).
269) Den Amsterdamschen hoogleeraar Koopmans.
270) Eene „église consistoriale” (met een volledige organisatie
van predikant[en] en ouderlingen toegeruste kerk) was in Frankrijk slechts
toegestaan op elke 6000 hervormden.
271) Lebrun aan den minister Bigot de Préameneu, 12 en 28
Nov. 1811 (Ged. VI, 788 vv.).
272) B. v. te Amsterdam de Nieuwe Kerk, Noorderkerk en
Oudezijdskapel; te Utrecht den Dom of de Buurkerk; te Groningen de
Akademiekerk (als voor de Hervormden van geen nut meer, sedert na de
inlijving der hoogeschool bij de Fransche Universiteit het ambt van
akademieprediker was vervallen).—Dit laatste gebouw is inderdaad aan de
katholieken ingeruimd.
Page 171
273) Ged. VI, 965.
274) De Paus had de inlijving van den Kerkelijken Staat (17 Mei
1809) met excommunicatie beantwoord.
275) Wel te verstaan die bedoeld in het decreet van 1808.
276) Ged. VI, 209.
277) Ontstaan I, 302. De herstelling betrof niet alleen de
tractementen van leeraars der Hervormde Kerk, maar ook „de toelagen
welke tot 31 Dec. 1810 aan eenige leeraars van andere kerkgenootschappen
zijn geaccordeerd geweest.”
278) Ontstaan I, 55.
279) Ontstaan I, 359.
280) Ontstaan I, 428.
281) Ontstaan I, 482.
282) Hij zal daarbij zeker gedacht hebben aan den indruk in
België.
283) „Wanneer wij Brabandsche provinciën tot territoir krijgen,
zullen wij gereformeerden het onderspit delven” (van Lynden in de
vergadering van 21 Jan. 1814; Ontstaan I, 278).
284) Ontstaan I, 296.
285) De eerste maal hiervóór, bl. 115.
286) Ontstaan I, 318–'19.
287) Ontstaan I, 270.
288) Ged. VI, 1442.
289) Ontstaan I, 411.
290) Letterk. Aant. 464.
274) De Paus had de inlijving van den Kerkelijken Staat (17 Mei
1809) met excommunicatie beantwoord.
275) Wel te verstaan die bedoeld in het decreet van 1808.
276) Ged. VI, 209.
277) Ontstaan I, 302. De herstelling betrof niet alleen de
tractementen van leeraars der Hervormde Kerk, maar ook „de toelagen
welke tot 31 Dec. 1810 aan eenige leeraars van andere kerkgenootschappen
zijn geaccordeerd geweest.”
278) Ontstaan I, 55.
279) Ontstaan I, 359.
280) Ontstaan I, 428.
281) Ontstaan I, 482.
282) Hij zal daarbij zeker gedacht hebben aan den indruk in
België.
283) „Wanneer wij Brabandsche provinciën tot territoir krijgen,
zullen wij gereformeerden het onderspit delven” (van Lynden in de
vergadering van 21 Jan. 1814; Ontstaan I, 278).
284) Ontstaan I, 296.
285) De eerste maal hiervóór, bl. 115.
286) Ontstaan I, 318–'19.
287) Ontstaan I, 270.
288) Ged. VI, 1442.
289) Ontstaan I, 411.
290) Letterk. Aant. 464.
Page 172
Page 173
V.
DE REGEERINGSVORM.
Wij slaan de Grondwet open, om, ingelicht door de
beraadslagingen der commissie, de omtrekken van
het staatsgebouw der Vereenigde Nederlanden te
leeren kennen. Een onderwerp, dat bij het bespreken
van den adel en de ridderschappen, bij de
beschouwing van stad en land hier en daar door ons
aangeroerd, eene meer opzettelijke behandeling
verdient. Toen de commissie aan het werk toog, stond
ééne zaak vast: de souvereiniteit gevestigd in het huis
van Oranje-Nassau. Het monarchaal beginsel werd
gehuldigd. De souvereiniteit zoude bij erfopvolging
overgaan en de maxime van het Fransche recht: le
Roi ne meurt pas, zoude, zei Hogendorp 291), ook hier
rechtens zijn. De troon dus geen oogenblik ledig en
de orde in den Staat dus niet door eenig
tusschenbestuur in gevaar gebracht. Wie zoude echter
geroepen zijn, den opengevallen troon te bezetten?
DE REGEERINGSVORM.
Wij slaan de Grondwet open, om, ingelicht door de
beraadslagingen der commissie, de omtrekken van
het staatsgebouw der Vereenigde Nederlanden te
leeren kennen. Een onderwerp, dat bij het bespreken
van den adel en de ridderschappen, bij de
beschouwing van stad en land hier en daar door ons
aangeroerd, eene meer opzettelijke behandeling
verdient. Toen de commissie aan het werk toog, stond
ééne zaak vast: de souvereiniteit gevestigd in het huis
van Oranje-Nassau. Het monarchaal beginsel werd
gehuldigd. De souvereiniteit zoude bij erfopvolging
overgaan en de maxime van het Fransche recht: le
Roi ne meurt pas, zoude, zei Hogendorp 291), ook hier
rechtens zijn. De troon dus geen oogenblik ledig en
de orde in den Staat dus niet door eenig
tusschenbestuur in gevaar gebracht. Wie zoude echter
geroepen zijn, den opengevallen troon te bezetten?
Page 174
Hogendorp—en dit kon op zijn standpunt moeilijk
anders—knoopte het erfrecht vast aan de opdracht
van het Erfstadhouderschap in 1747. Het waren de
afstammelingen van Willem IV, die overeenkomstig
die opdracht achtereenvolgens door hem tot den
troon werden geroepen. Toen die opdracht
geschiedde, had Willem IV nog geen zoon; slechts
éene dochter. Prinses Caroline was geboren den
28sten Februari 1743; eerst den 8sten Maart 1748
aanschouwde de latere Willem V het levenslicht. Zoo
kwam het dat men het erfrecht niet alleen toekende
aan het mannelijk oir, de mannelijke agnaten van
Willem IV, maar bij ontstentenis van dezen ook aan
de dochters van zijn zoon, met haar mannelijk oir, en
daarna op gelijke wijze aan zijne eigene dochters.
Echter onder bijvoeging van zekere bepalingen die de
nadeelen, verbonden aan den overgang van het
Stadhouderschap in een vreemd huis moesten
temperen. Dit ambt mocht niet te gelijk bekleed
worden met de waardigheid van Keurvorst of
Koning; de dochters mochten niet huwen zonder
consent der Staten. In overeenstemming met de
regeling van 1747 wordt dan ook in de Schets (art. 1
en 2) het erfrecht toegekend eerst aan de mannelijke
nakomelingen van den Souvereinen Vorst, het eenige
anders—knoopte het erfrecht vast aan de opdracht
van het Erfstadhouderschap in 1747. Het waren de
afstammelingen van Willem IV, die overeenkomstig
die opdracht achtereenvolgens door hem tot den
troon werden geroepen. Toen die opdracht
geschiedde, had Willem IV nog geen zoon; slechts
éene dochter. Prinses Caroline was geboren den
28sten Februari 1743; eerst den 8sten Maart 1748
aanschouwde de latere Willem V het levenslicht. Zoo
kwam het dat men het erfrecht niet alleen toekende
aan het mannelijk oir, de mannelijke agnaten van
Willem IV, maar bij ontstentenis van dezen ook aan
de dochters van zijn zoon, met haar mannelijk oir, en
daarna op gelijke wijze aan zijne eigene dochters.
Echter onder bijvoeging van zekere bepalingen die de
nadeelen, verbonden aan den overgang van het
Stadhouderschap in een vreemd huis moesten
temperen. Dit ambt mocht niet te gelijk bekleed
worden met de waardigheid van Keurvorst of
Koning; de dochters mochten niet huwen zonder
consent der Staten. In overeenstemming met de
regeling van 1747 wordt dan ook in de Schets (art. 1
en 2) het erfrecht toegekend eerst aan de mannelijke
nakomelingen van den Souvereinen Vorst, het eenige
Page 175
mannelijk oir van Willem IV; daarna aan het
mannelijk oir van wijlen zijne dochter prinses
Caroline, gehuwd geweest met den prins van Nassau-
Weilburg. Het laatste zou ongerijmd zijn geweest,
had Hogendorp niet gemeend het voorbeeld van 1747
te moeten volgen. Vreemd is het echter dat hij in
zoover van die vroegere regeling afweek, dat hij met
stilzwijgen voorbijging de kinderlooze douairière van
Brunswijk-Luneburg, de eenige dochter van Willem
V, die volgens het in 1747 bepaalde, zelfs zou hebben
moeten voorgaan aan het huis van Nassau-Weilburg.
Ik weet daarvoor geene andere reden te vinden dan
deze, dat het bijna ondenkbaar was, dat zij den stam
van den souvereinen vorst zoude overleven, en het
bovendien hoogst onwaarschijnlijk was, dat zij nog
mannelijk oir zoude nalaten. Het was echter een
verzuim, dat door de commissie hersteld werd, en
deze douairière kreeg dan ook met hare wettige
nakomelingen eershalve hare plaats in de Grondwet
(art. 6). Eveneens had Hogendorp nagelaten de orde
der erfopvolging te regelen. De commissie vulde die
leemte aan door te bepalen, dat binnen elk dier drie
huizen de erfopvolging zoude geregeld worden naar
het beginsel van eerstgeboorte en representatie.
mannelijk oir van wijlen zijne dochter prinses
Caroline, gehuwd geweest met den prins van Nassau-
Weilburg. Het laatste zou ongerijmd zijn geweest,
had Hogendorp niet gemeend het voorbeeld van 1747
te moeten volgen. Vreemd is het echter dat hij in
zoover van die vroegere regeling afweek, dat hij met
stilzwijgen voorbijging de kinderlooze douairière van
Brunswijk-Luneburg, de eenige dochter van Willem
V, die volgens het in 1747 bepaalde, zelfs zou hebben
moeten voorgaan aan het huis van Nassau-Weilburg.
Ik weet daarvoor geene andere reden te vinden dan
deze, dat het bijna ondenkbaar was, dat zij den stam
van den souvereinen vorst zoude overleven, en het
bovendien hoogst onwaarschijnlijk was, dat zij nog
mannelijk oir zoude nalaten. Het was echter een
verzuim, dat door de commissie hersteld werd, en
deze douairière kreeg dan ook met hare wettige
nakomelingen eershalve hare plaats in de Grondwet
(art. 6). Eveneens had Hogendorp nagelaten de orde
der erfopvolging te regelen. De commissie vulde die
leemte aan door te bepalen, dat binnen elk dier drie
huizen de erfopvolging zoude geregeld worden naar
het beginsel van eerstgeboorte en representatie.
Page 176
Op een gewichtig punt van verstrekkende gevolgen
week de Grondwet af van de Schets. Hogendorp had
het erfrecht toegekend aan de mannelijke
nakomelingen. Hij had alleen het erfrecht in de
vrouwelijke lijn toegelaten voor zoover de regeling
van 1747 daartoe aanleiding gaf, en was zelfs, wat de
dochter van Willem V betrof, daarvan nog
afgeweken. Dit was niet in strijd met 's mans innige
verkleefdheid aan het huis van Oranje-Nassau.
Integendeel. Dat huis zoude de hooge positie van
Souverein in ons Vaderland innemen, maar dan ook
geen erfrecht in de vrouwelijke lijn,—waardoor ons
vaderland gevaar liep de prooi te worden van allerlei
vreemde vorsten.
In de vergadering der commissie van 28 December
1813 kwam echter uitbreiding van het erfrecht der
vrouwelijke lijn ter sprake. Men vond er bezwaar in
de dochter van den Souvereinen Vorst, prinses
Marianne, uit te sluiten. Dit punt werd met andere
punten verwezen naar eene commissie, bestaande uit
de leden Aylva, Elout en van Maanen, aan welke
commissie werd opgedragen met overleg van den
Souvereinen Vorst de twee artikelen der Schets,
handelende over de troonsopvolging, in meerdere
artikelen gesplitst, in behoorlijken rechtsgeleerden
week de Grondwet af van de Schets. Hogendorp had
het erfrecht toegekend aan de mannelijke
nakomelingen. Hij had alleen het erfrecht in de
vrouwelijke lijn toegelaten voor zoover de regeling
van 1747 daartoe aanleiding gaf, en was zelfs, wat de
dochter van Willem V betrof, daarvan nog
afgeweken. Dit was niet in strijd met 's mans innige
verkleefdheid aan het huis van Oranje-Nassau.
Integendeel. Dat huis zoude de hooge positie van
Souverein in ons Vaderland innemen, maar dan ook
geen erfrecht in de vrouwelijke lijn,—waardoor ons
vaderland gevaar liep de prooi te worden van allerlei
vreemde vorsten.
In de vergadering der commissie van 28 December
1813 kwam echter uitbreiding van het erfrecht der
vrouwelijke lijn ter sprake. Men vond er bezwaar in
de dochter van den Souvereinen Vorst, prinses
Marianne, uit te sluiten. Dit punt werd met andere
punten verwezen naar eene commissie, bestaande uit
de leden Aylva, Elout en van Maanen, aan welke
commissie werd opgedragen met overleg van den
Souvereinen Vorst de twee artikelen der Schets,
handelende over de troonsopvolging, in meerdere
artikelen gesplitst, in behoorlijken rechtsgeleerden
Page 177
stijl te vervatten. In de vergadering van 11 Januari
1814 brengt nu deze commissie eene redactie dier
artikelen ter tafel, welke door den Souvereinen Vorst
geagreëerd was en nog in dezelfde vergadering
zonder eenig debat werd aangenomen.
Deze redactie nu brengt iets geheel nieuws. Bij
uitsterving van het mannelijk oir worden nu ook de
nakomelingen van den Souvereinen Vorst in de
vrouwelijke lijnen zonder eenige beperking tot den
troon geroepen. Dit geschiedt echter niet ten opzichte
van de nakomelingen zijner zuster, evenmin als voor
het huis van Nassau-Weilburg. In die beide huizen
blijft het erfrecht tot den mansstam beperkt 292).
Uit den loop dezer zaak moet men wel afleiden,
dat deze belangrijke uitbreiding van het erfrecht door
den Souvereinen Vorst gewenscht werd. Hierin was
ook niets vreemds gelegen. Als hoofd van een der
beide Nassausche stammen was hij Duitsch Vorst en
moest hij het zeer natuurlijk vinden, dat evenals dit in
Nassau en elders in Duitschland het geval was,
subsidiair de vrouwelijke lijnen tot het erfrecht
geroepen werden. Op het Duitsche standpunt lag dan
ook hierin niets aanstootelijks. Wij waren echter
gedurende meer dan twee eeuwen aan eene andere
1814 brengt nu deze commissie eene redactie dier
artikelen ter tafel, welke door den Souvereinen Vorst
geagreëerd was en nog in dezelfde vergadering
zonder eenig debat werd aangenomen.
Deze redactie nu brengt iets geheel nieuws. Bij
uitsterving van het mannelijk oir worden nu ook de
nakomelingen van den Souvereinen Vorst in de
vrouwelijke lijnen zonder eenige beperking tot den
troon geroepen. Dit geschiedt echter niet ten opzichte
van de nakomelingen zijner zuster, evenmin als voor
het huis van Nassau-Weilburg. In die beide huizen
blijft het erfrecht tot den mansstam beperkt 292).
Uit den loop dezer zaak moet men wel afleiden,
dat deze belangrijke uitbreiding van het erfrecht door
den Souvereinen Vorst gewenscht werd. Hierin was
ook niets vreemds gelegen. Als hoofd van een der
beide Nassausche stammen was hij Duitsch Vorst en
moest hij het zeer natuurlijk vinden, dat evenals dit in
Nassau en elders in Duitschland het geval was,
subsidiair de vrouwelijke lijnen tot het erfrecht
geroepen werden. Op het Duitsche standpunt lag dan
ook hierin niets aanstootelijks. Wij waren echter
gedurende meer dan twee eeuwen aan eene andere
Page 178
zienswijze gewoon geraakt; voor ons was het wel
vreemd dat in de Grondwet dit onbeperkte erfrecht
aan de vrouwelijke lijnen werd gegeven. Ook thans
echter vindt dit stelsel nog zijne verdedigers. Men wil
daardoor het gevaar voorkomen, dat de troon ooit
open zoude kunnen vallen, zonder dat er een
opvolger aanwezig is. Maar ook het voordeel hierin
gelegen kan te duur worden gekocht. Men zou op
dien grond een erfpacht in de vrouwelijke lijn kunnen
verdedigen—mits zoodanig beperkt, dat men niet
behoeft te vreezen de kroon te zien vallen in handen
van iemand, die aan ons land geheel vreemd is. Maar
hierdoor wordt niet gerechtvaardigd dergelijke
sprong in het duister als met het onbeperkte erfrecht
in de vrouwelijke lijn gepaard gaat. Of was wellicht
de veiligheidsklep voldoende, die in art. 8 der
Grondwet geplaatst werd? Wanneer bijzondere
omstandigheden eene verandering in de erfopvolging
ging mochten noodzakelijk maken, was krachtens dit
artikel de souvereine vorst bevoegd daaromtrent eene
wet aan de Staten-Generaal voortedragen. Zou dus te
eeniger tijd iemand aanspraak op den troon
verkrijgen, dien men om deze of gene reden minder
wenschelijk achtte, dan kon dat op deze wijze
worden voorkomen. „Zulk eene verandering”, zeide
vreemd dat in de Grondwet dit onbeperkte erfrecht
aan de vrouwelijke lijnen werd gegeven. Ook thans
echter vindt dit stelsel nog zijne verdedigers. Men wil
daardoor het gevaar voorkomen, dat de troon ooit
open zoude kunnen vallen, zonder dat er een
opvolger aanwezig is. Maar ook het voordeel hierin
gelegen kan te duur worden gekocht. Men zou op
dien grond een erfpacht in de vrouwelijke lijn kunnen
verdedigen—mits zoodanig beperkt, dat men niet
behoeft te vreezen de kroon te zien vallen in handen
van iemand, die aan ons land geheel vreemd is. Maar
hierdoor wordt niet gerechtvaardigd dergelijke
sprong in het duister als met het onbeperkte erfrecht
in de vrouwelijke lijn gepaard gaat. Of was wellicht
de veiligheidsklep voldoende, die in art. 8 der
Grondwet geplaatst werd? Wanneer bijzondere
omstandigheden eene verandering in de erfopvolging
ging mochten noodzakelijk maken, was krachtens dit
artikel de souvereine vorst bevoegd daaromtrent eene
wet aan de Staten-Generaal voortedragen. Zou dus te
eeniger tijd iemand aanspraak op den troon
verkrijgen, dien men om deze of gene reden minder
wenschelijk achtte, dan kon dat op deze wijze
worden voorkomen. „Zulk eene verandering”, zeide
Page 179
Hogendorp 293) op het met artikel 8 overeenkomende
art. 24 der Grondwet van 1815, „kan vele oorzaken
hebben, en daarom is er niet eene aangehaald. De
beslissing is veelmeer geheel overgelaten aan den
koning en de nationale vertegenwoordiging in der
tijd. Maar onder deze oorzaken behoort ook, dat de
kroon eens zou moeten worden overgebracht in een
vreemd huis, weinig daartoe geschikt, maar verder
verwijderd van de opvolging zoude zijn”. Is waarlijk
ons land, evenals Engeland, krachtig genoeg om
althans tegenover een invloedrijk Europeesch
geslacht zich dergelijke vrijheid zonder gevaar te
kunnen veroorloven? Iets anders is het echter of het
in naam onbeperkte erfrecht niet ten gevolge van een
ander voorschrift der Grondwet toch inderdaad
binnen engere grenzen zoude blijken te zijn beperkt.
In 1747 was het erfrecht der dochters van Willem IV
en Willem V hiervan afhankelijk gesteld, dat zij niet
zouden huwen zonder toestemming der Staten.
Hogendorp stelde in zijne Schets ook dergelijke
vereischte voor de mannelijke nakomelingen van den
Souvereinen Vorst. Alleen zij zouden zijn bekwaam
ter opvolging, die gesproten waren uit een huwelijk,
ingegaan met onderling goedvinden van den S. V. en
de Staten-Generaal. Toen nu aan de vrouwelijke lijn
art. 24 der Grondwet van 1815, „kan vele oorzaken
hebben, en daarom is er niet eene aangehaald. De
beslissing is veelmeer geheel overgelaten aan den
koning en de nationale vertegenwoordiging in der
tijd. Maar onder deze oorzaken behoort ook, dat de
kroon eens zou moeten worden overgebracht in een
vreemd huis, weinig daartoe geschikt, maar verder
verwijderd van de opvolging zoude zijn”. Is waarlijk
ons land, evenals Engeland, krachtig genoeg om
althans tegenover een invloedrijk Europeesch
geslacht zich dergelijke vrijheid zonder gevaar te
kunnen veroorloven? Iets anders is het echter of het
in naam onbeperkte erfrecht niet ten gevolge van een
ander voorschrift der Grondwet toch inderdaad
binnen engere grenzen zoude blijken te zijn beperkt.
In 1747 was het erfrecht der dochters van Willem IV
en Willem V hiervan afhankelijk gesteld, dat zij niet
zouden huwen zonder toestemming der Staten.
Hogendorp stelde in zijne Schets ook dergelijke
vereischte voor de mannelijke nakomelingen van den
Souvereinen Vorst. Alleen zij zouden zijn bekwaam
ter opvolging, die gesproten waren uit een huwelijk,
ingegaan met onderling goedvinden van den S. V. en
de Staten-Generaal. Toen nu aan de vrouwelijke lijn
Page 180
het onbeperkte erfrecht werd toegekend, bleef dit
vereischte bestaan, doch werd nu geschreven voor
alle—dus zoowel mannelijke als vrouwelijke—
nakomelingen van den souvereinen vorst. Zooals art.
2 luidt, zouden niet alleen de leden van het huis van
Oranje-Nassau, maar ook de afstammelingen daarvan
door vrouwen de toestemming moeten hebben
erlangd, om het erfrecht in hun geslacht te behouden.
Vreemd was het zeker dergelijke verplichting op te
leggen aan vreemde vorsten, die misschien bij het
sluiten van hun huwelijk nog zeer ver van de
successie verwijderd waren. Thorbecke noemt het
dan ook eene vooral bij mogelijke toepassing op de
huwelijken van vreemde vorsten ongewone
staatsrechtelijke bepaling 294). Nu echter eenmaal
voor de vrouwen en hare afstammelingen de deur
wagenwijd was opengezet, en het dus van het toeval
zoude afhangen, welk vreemd huis binnen korteren of
lateren tijd over Nederland zoude geroepen worden te
regeeren, kon door de inachtneming van dat artikel
dit bezwaar worden getemperd. Voor de hand ligt het
echter bewezen, dat het dan beter ware geweest het
erfrecht in de vrouwelijke lijn òf uittesluiten òf
binnen enge grenzen te beperken 295).
vereischte bestaan, doch werd nu geschreven voor
alle—dus zoowel mannelijke als vrouwelijke—
nakomelingen van den souvereinen vorst. Zooals art.
2 luidt, zouden niet alleen de leden van het huis van
Oranje-Nassau, maar ook de afstammelingen daarvan
door vrouwen de toestemming moeten hebben
erlangd, om het erfrecht in hun geslacht te behouden.
Vreemd was het zeker dergelijke verplichting op te
leggen aan vreemde vorsten, die misschien bij het
sluiten van hun huwelijk nog zeer ver van de
successie verwijderd waren. Thorbecke noemt het
dan ook eene vooral bij mogelijke toepassing op de
huwelijken van vreemde vorsten ongewone
staatsrechtelijke bepaling 294). Nu echter eenmaal
voor de vrouwen en hare afstammelingen de deur
wagenwijd was opengezet, en het dus van het toeval
zoude afhangen, welk vreemd huis binnen korteren of
lateren tijd over Nederland zoude geroepen worden te
regeeren, kon door de inachtneming van dat artikel
dit bezwaar worden getemperd. Voor de hand ligt het
echter bewezen, dat het dan beter ware geweest het
erfrecht in de vrouwelijke lijn òf uittesluiten òf
binnen enge grenzen te beperken 295).
Page 181
Vreemd is het in elk geval, dat, wanneer men zich
voorstelde dat alle wettige afstammelingen van den
souvereinen vorst recht op den troon zouden erlangen
en daarna nog aan het huis van Nassau-Weilburg dit
recht toekende, men de voorzichtigheid zoo ver dreef
van ook nog te bepalen, wat er zoude geschieden,
wanneer geen bevoegde erfopvolging mocht bestaan.
De souvereine vorst zoude dan aan de Staten-
Generaal een opvolger voordragen, en zoo dit bij zijn
leven verzuimd was of de Staten-Generaal de
voordracht niet mochten hebben goedgekeurd,
zouden de Staten-Generaal zelve tot die benoeming
overgaan (art. 9–11).
Voor de duurzaamheid der monarchie was dus naar
eisch gezorgd. De aard der monarchie brengt naar de
algemeen aangenomen zienswijze mede, dat de Vorst
boven allen uitsteekt, boven allen schittert; dat tegen
hem, als het hoofd der samenleving, door allen wordt
opgezien. Dit alles vereischt, dat die Vorst toegerust
zij met middelen, voldoende om zijnen staat
luisterrijk op te houden. Men was daarvan, toen de
regeling van 's Vorsten inkomen aan de orde kwam,
overtuigd. Er was bovendien eene omstandigheid, die
er toe medewerkte, om den Vorst een hooger
inkomen toe te kennen, dan anders met het oog op de
voorstelde dat alle wettige afstammelingen van den
souvereinen vorst recht op den troon zouden erlangen
en daarna nog aan het huis van Nassau-Weilburg dit
recht toekende, men de voorzichtigheid zoo ver dreef
van ook nog te bepalen, wat er zoude geschieden,
wanneer geen bevoegde erfopvolging mocht bestaan.
De souvereine vorst zoude dan aan de Staten-
Generaal een opvolger voordragen, en zoo dit bij zijn
leven verzuimd was of de Staten-Generaal de
voordracht niet mochten hebben goedgekeurd,
zouden de Staten-Generaal zelve tot die benoeming
overgaan (art. 9–11).
Voor de duurzaamheid der monarchie was dus naar
eisch gezorgd. De aard der monarchie brengt naar de
algemeen aangenomen zienswijze mede, dat de Vorst
boven allen uitsteekt, boven allen schittert; dat tegen
hem, als het hoofd der samenleving, door allen wordt
opgezien. Dit alles vereischt, dat die Vorst toegerust
zij met middelen, voldoende om zijnen staat
luisterrijk op te houden. Men was daarvan, toen de
regeling van 's Vorsten inkomen aan de orde kwam,
overtuigd. Er was bovendien eene omstandigheid, die
er toe medewerkte, om den Vorst een hooger
inkomen toe te kennen, dan anders met het oog op de
Page 182
benarde financieele omstandigheden dier dagen
wellicht het geval zoude geweest zijn. Had de
Revolutie, had de tiërceering der schuld door
Napoleon een bres in veler financiën geschoten, het
huis van Oranje was niet het minst in zijne
hulpbronnen gekortwiekt. Ik bedoel de
verbeurdverklaring hunner goederen binnen het
grondgebied der Republiek gelegen, door de
Franschen in 1795 als eene buit beschouwd en door
hen afgestaan aan den Staat. Toen men eindelijk, in
overleg met den Souvereinen Vorst, het inkomen der
Kroon bepaalde op de voor die dagen aanzienlijke
som van anderhalf millioen, was het de bedoeling,
die som voor een deel te beschouwen als eene
vergoeding voor het nadeel door het Vorstenhuis bij
en door de omwenteling geleden.
Zoo werd dan de monarchie hier te lande
gevestigd. De nervus rerum zoude haar niet
ontbreken, waar het de vraag was haren luister op de
bevolking te doen afstralen. Het recht van den
Souvereinen Vorst, om niet alleen ridderorden uit te
deelen, maar ook om zijne onderdanen in den
adelstand te verheffen, wat hem maakte tot de bron
van alle eer, stelde hem bovendien in de gelegenheid,
zich te omringen van mannen, uitblinkende boven
wellicht het geval zoude geweest zijn. Had de
Revolutie, had de tiërceering der schuld door
Napoleon een bres in veler financiën geschoten, het
huis van Oranje was niet het minst in zijne
hulpbronnen gekortwiekt. Ik bedoel de
verbeurdverklaring hunner goederen binnen het
grondgebied der Republiek gelegen, door de
Franschen in 1795 als eene buit beschouwd en door
hen afgestaan aan den Staat. Toen men eindelijk, in
overleg met den Souvereinen Vorst, het inkomen der
Kroon bepaalde op de voor die dagen aanzienlijke
som van anderhalf millioen, was het de bedoeling,
die som voor een deel te beschouwen als eene
vergoeding voor het nadeel door het Vorstenhuis bij
en door de omwenteling geleden.
Zoo werd dan de monarchie hier te lande
gevestigd. De nervus rerum zoude haar niet
ontbreken, waar het de vraag was haren luister op de
bevolking te doen afstralen. Het recht van den
Souvereinen Vorst, om niet alleen ridderorden uit te
deelen, maar ook om zijne onderdanen in den
adelstand te verheffen, wat hem maakte tot de bron
van alle eer, stelde hem bovendien in de gelegenheid,
zich te omringen van mannen, uitblinkende boven
Page 183
hunne medeburgers en geschikt om de decoratie der
monarchie te zijn.
Kon men nog iets meer wenschen? Ja, eene zaak
ontbrak nog aan den luister der Souvereiniteit. De
Vorst moest zich voorloopig tevreden stellen met als
Koninklijke Hoogheid te worden aangesproken. Het
woord Majesteit was nog niet voor hem weggelegd.
Het tijdstip was nog niet aangebroken, waarop de
Goden dezer aarde hem als hun evenknie zouden
erkennen, het geheiligde karakter van het
koningschap ook het zijne zou zijn. Doch alle hoop
bestond, dat Noord en Zuid met elkander zouden
worden vereenigd en de koningstitel dan een deel zou
zijn van den bruidschat, dien België hem zou
aanbrengen. Tot zoolang bleef hij den naam dragen
van Souvereine Vorst, een naam, waarbij het de vraag
is, of hij niet meer een bevoegdheid aanduidde, dan
wel als een eigenlijke titel, in het verkeer der
volkeren erkend, kon worden aangemerkt.
Tot dusver treedt ons de monarchie te gemoet als
instelling, bestemd om te schitteren, bestemd om op
de verbeelding der natie te werken. Wat zoude echter
hare eigenlijke taak zijn? Wat zoude de Vorst doen,
wat zoude zijne macht zijn, vergeleken met die van
monarchie te zijn.
Kon men nog iets meer wenschen? Ja, eene zaak
ontbrak nog aan den luister der Souvereiniteit. De
Vorst moest zich voorloopig tevreden stellen met als
Koninklijke Hoogheid te worden aangesproken. Het
woord Majesteit was nog niet voor hem weggelegd.
Het tijdstip was nog niet aangebroken, waarop de
Goden dezer aarde hem als hun evenknie zouden
erkennen, het geheiligde karakter van het
koningschap ook het zijne zou zijn. Doch alle hoop
bestond, dat Noord en Zuid met elkander zouden
worden vereenigd en de koningstitel dan een deel zou
zijn van den bruidschat, dien België hem zou
aanbrengen. Tot zoolang bleef hij den naam dragen
van Souvereine Vorst, een naam, waarbij het de vraag
is, of hij niet meer een bevoegdheid aanduidde, dan
wel als een eigenlijke titel, in het verkeer der
volkeren erkend, kon worden aangemerkt.
Tot dusver treedt ons de monarchie te gemoet als
instelling, bestemd om te schitteren, bestemd om op
de verbeelding der natie te werken. Wat zoude echter
hare eigenlijke taak zijn? Wat zoude de Vorst doen,
wat zoude zijne macht zijn, vergeleken met die van
Page 184
de andere organen van den Staat? Immers bij ons
werd niet overgenomen het monarchale beginsel in
dien zin, dat Monarch en Staat met elkander
vereenzelvigd werden; dat de Vorst met Lodewijk
XIV zoude kunnen zeggen: l'Etat c'est moi; dat—
zooals ook in Engeland het geval is, de Staat zoude
opgaan in den Vorst. De Grondwet toch
onderscheidde den Staat der Vereenigde Nederlanden
van den Souvereinen Vorst 296); de laatste was een
orgaan van het, hoewel onzichtbare, toch bestaande
lichaam. Hij was echter niet dat lichaam zelf. Welke
nu was zijne macht in dat Staatswezen? Wij zien
allen—ook Hogendorp—eenstemmig daarin, dat de
diplomatie, de defensie en de financiën in zijn hand
vereenigd moesten zijn. De geschiedenis van de
Republiek der Vereenigde Nederlanden had het voor
elk en een iegelijk duidelijk gemaakt, welke
nadeelige gevolgen verbonden waren aan het gemis
van eenheid en diensvolgens van kracht bij het
bestier der buitenlandsche betrekkingen, bij de
beschikking over land- en zeemacht, en over de
geldmiddelen. Zoo ergens centralisatie noodig was,
zoo was dit hier. Zoo ergens moest hier de
Souvereiniteit der gewesten overgaan in eene gemeen
gemaakte macht. Maar evenmin wenschte men in het
werd niet overgenomen het monarchale beginsel in
dien zin, dat Monarch en Staat met elkander
vereenzelvigd werden; dat de Vorst met Lodewijk
XIV zoude kunnen zeggen: l'Etat c'est moi; dat—
zooals ook in Engeland het geval is, de Staat zoude
opgaan in den Vorst. De Grondwet toch
onderscheidde den Staat der Vereenigde Nederlanden
van den Souvereinen Vorst 296); de laatste was een
orgaan van het, hoewel onzichtbare, toch bestaande
lichaam. Hij was echter niet dat lichaam zelf. Welke
nu was zijne macht in dat Staatswezen? Wij zien
allen—ook Hogendorp—eenstemmig daarin, dat de
diplomatie, de defensie en de financiën in zijn hand
vereenigd moesten zijn. De geschiedenis van de
Republiek der Vereenigde Nederlanden had het voor
elk en een iegelijk duidelijk gemaakt, welke
nadeelige gevolgen verbonden waren aan het gemis
van eenheid en diensvolgens van kracht bij het
bestier der buitenlandsche betrekkingen, bij de
beschikking over land- en zeemacht, en over de
geldmiddelen. Zoo ergens centralisatie noodig was,
zoo was dit hier. Zoo ergens moest hier de
Souvereiniteit der gewesten overgaan in eene gemeen
gemaakte macht. Maar evenmin wenschte men in het
Page 185
bestuur van de koloniën en de bezittingen van den
Staat in andere werelddeelen terug te keeren tot het
stelsel der compagnie—zonder dergelijk
tusschenlichaam werd het bestuur daarover geplaatst
in handen van den Vorst. En terwijl Hogendorp—
zooals wij boven 297) gezien hebben—ten opzichte
der justitie nog voor een deel het oude wilde
herstellen, de rechtspraak niet wilde ontdoen van alle
privaatrechtelijke bestanddeelen, bleef toch ten slotte
met aller toestemming het beginsel gehandhaafd, om
in die rechtspraak niets anders te zien dan een tak van
bestuur, uitgeoefend namens den Souverein en
toevertrouwd aan beambten door hem aangesteld.
Zoo was de volheid der executieve macht—om
Hogendorp's woorden te gebruiken 298)—toegekend
aan den Souvereinen Vorst. Hieronder was zelfs
begrepen het recht van oorlog en vrede, het recht om
tractaten te sluiten, onverschillig welke hun inhoud
mocht zijn. Maar bovendien deelde de vorst met de
vertegenwoordiging des volks, met de Staten-
Generaal de wetgevende macht. De leer der elkander
in evenwicht houdende machten, door Montesquieu
aan Europa gepredikt: de leer van de scheiding der
wetgevende en uitvoerende macht, elke aan een
afzonderlijk orgaan toevertrouwd, was niet meer in
Staat in andere werelddeelen terug te keeren tot het
stelsel der compagnie—zonder dergelijk
tusschenlichaam werd het bestuur daarover geplaatst
in handen van den Vorst. En terwijl Hogendorp—
zooals wij boven 297) gezien hebben—ten opzichte
der justitie nog voor een deel het oude wilde
herstellen, de rechtspraak niet wilde ontdoen van alle
privaatrechtelijke bestanddeelen, bleef toch ten slotte
met aller toestemming het beginsel gehandhaafd, om
in die rechtspraak niets anders te zien dan een tak van
bestuur, uitgeoefend namens den Souverein en
toevertrouwd aan beambten door hem aangesteld.
Zoo was de volheid der executieve macht—om
Hogendorp's woorden te gebruiken 298)—toegekend
aan den Souvereinen Vorst. Hieronder was zelfs
begrepen het recht van oorlog en vrede, het recht om
tractaten te sluiten, onverschillig welke hun inhoud
mocht zijn. Maar bovendien deelde de vorst met de
vertegenwoordiging des volks, met de Staten-
Generaal de wetgevende macht. De leer der elkander
in evenwicht houdende machten, door Montesquieu
aan Europa gepredikt: de leer van de scheiding der
wetgevende en uitvoerende macht, elke aan een
afzonderlijk orgaan toevertrouwd, was niet meer in
Page 186
eere. Men begreep, dat hij, die aan het hoofd van den
Staat staat, ook 't best in de gelegenheid is, de
richting aan de wetgeving te geven, dat hem alleen de
voldoende middelen ten dienste staan, noodig om als
grondslagen voor doeltreffende wetten te dienen.
Moge ook al Hogendorp, en op zijn voorbeeld de
commissie, aan de vertegenwoordiging het recht om
wetten voor te stellen, behoudens eenige
uitzonderingen 299) niet hebben onthouden, de
Grondwet toonde genoegzaam aan, dat men het
initiatief in den regel verwachtte van den
Souvereinen Vorst. Het formulier voor de
afkondiging der wet, in de Grondwet opgenomen 300),
ging van het denkbeeld uit, dat de Vorst de wetgever
was, die met gemeen overleg der Staten-Generaal
goedvond en verstond, eene wet uit te vaardigen.
Het lichaam, waaraan niets werd toegekend dan
een aandeel in de wetgevende macht, ontleende den
naam en den vorm aan het machtige collegie van de
Republiek der Vereenigde Nederlanden. De Staten-
Generaal herleefden—alleen werden de leden van
Hun Hoog Mogenden gedegradeerd tot Edelmogende
Heeren. Zij herleefden als één lichaam; aan het
tweekamerstelsel werd door niemand gedacht. Zij
zouden even als vroeger worden gekozen door de
Staat staat, ook 't best in de gelegenheid is, de
richting aan de wetgeving te geven, dat hem alleen de
voldoende middelen ten dienste staan, noodig om als
grondslagen voor doeltreffende wetten te dienen.
Moge ook al Hogendorp, en op zijn voorbeeld de
commissie, aan de vertegenwoordiging het recht om
wetten voor te stellen, behoudens eenige
uitzonderingen 299) niet hebben onthouden, de
Grondwet toonde genoegzaam aan, dat men het
initiatief in den regel verwachtte van den
Souvereinen Vorst. Het formulier voor de
afkondiging der wet, in de Grondwet opgenomen 300),
ging van het denkbeeld uit, dat de Vorst de wetgever
was, die met gemeen overleg der Staten-Generaal
goedvond en verstond, eene wet uit te vaardigen.
Het lichaam, waaraan niets werd toegekend dan
een aandeel in de wetgevende macht, ontleende den
naam en den vorm aan het machtige collegie van de
Republiek der Vereenigde Nederlanden. De Staten-
Generaal herleefden—alleen werden de leden van
Hun Hoog Mogenden gedegradeerd tot Edelmogende
Heeren. Zij herleefden als één lichaam; aan het
tweekamerstelsel werd door niemand gedacht. Zij
zouden even als vroeger worden gekozen door de
Page 187
Staten der provinciën. Maar behalve in naam, in
vorm en in bron was er weinig of geene
overeenkomst. Het waren niet meer de lasthebbers
der souvereine gewesten, maar de zelfstandige
vertegenwoordigers van het geheele Nederlandsche
volk. Ja, welk een klove lag er zelfs tusschen de
Staten-Generaal van de Grondwet van 1814 en het
collegie, hetwelk Hogendorp zich had geschetst, toen
hij na de omwenteling van 1795, ambteloos en
verdrietig, zat te mijmeren over de wijze, waarop—
wanneer eens de Revolutie overwonnen was—de
Unie moest worden hervormd. Toen ik hierboven 301)
de opdracht der Souvereiniteit aan den Prins besprak,
wees ik er reeds op, dat Hogendorp in 1795 eene
hervorming van het Staatsbestuur met het behoud van
het Republikeinsch karakter mogelijk en wenschelijk
achtte. Ook nog in 1799 302) staan in de door hem
ontworpene herziene Unie van Utrecht de Staten-
Generaal aan het hoofd van den Staat, aan het hoofd
van de door de Staten der provincie af te stane,
gemeen gemaakte macht. Aan de Staten-Generaal het
recht, niet alleen om oorlog te verklaren, maar ook
om tractaten te sluiten, aan deze de beslissingen der
geschillen tusschen de provinciën, aan deze de
regeling der financiën. En voor zoover die door de
vorm en in bron was er weinig of geene
overeenkomst. Het waren niet meer de lasthebbers
der souvereine gewesten, maar de zelfstandige
vertegenwoordigers van het geheele Nederlandsche
volk. Ja, welk een klove lag er zelfs tusschen de
Staten-Generaal van de Grondwet van 1814 en het
collegie, hetwelk Hogendorp zich had geschetst, toen
hij na de omwenteling van 1795, ambteloos en
verdrietig, zat te mijmeren over de wijze, waarop—
wanneer eens de Revolutie overwonnen was—de
Unie moest worden hervormd. Toen ik hierboven 301)
de opdracht der Souvereiniteit aan den Prins besprak,
wees ik er reeds op, dat Hogendorp in 1795 eene
hervorming van het Staatsbestuur met het behoud van
het Republikeinsch karakter mogelijk en wenschelijk
achtte. Ook nog in 1799 302) staan in de door hem
ontworpene herziene Unie van Utrecht de Staten-
Generaal aan het hoofd van den Staat, aan het hoofd
van de door de Staten der provincie af te stane,
gemeen gemaakte macht. Aan de Staten-Generaal het
recht, niet alleen om oorlog te verklaren, maar ook
om tractaten te sluiten, aan deze de beslissingen der
geschillen tusschen de provinciën, aan deze de
regeling der financiën. En voor zoover die door de
Page 188
provinciën afgestane, gemeengemaakte macht door
anderen zoude worden uitgeoefend, zoude dit toch
geschieden op naam der Staten-Generaal. In hunnen
naam zouden handelen de Erfgouverneur, Kapitein en
Admiraal-Generaal der Vereenigde Nederlanden, de
Raad van State, de Hooge Raad. En al kende
Hogendorp de onschendbaarheid aan den
Erfgouverneur toe, deze werd toch niet de Souverein.
Hij zoude voorzitten èn in de Staten-Generaal èn in
den Raad van State, het collegie, waaraan met den
Erfgouverneur de uitvoerende of besturende macht
was opgedragen. Op deze wijze zoude er voldoende
gezorgd worden voor de eenheid in het algemeen
bestuur; immers al mochten ook de provinciën hare
souvereiniteit behouden, al mochten ook de Staten-
Generaal door de Staten der provinciën gekozen
worden, de leden van dit collegie zouden, aan geene
lastbrieven gebonden, toch zelfstandig zijn in de
uitoefening der bondgenootschappelijke macht, en
voor zoover noodig zoude dit klem en kracht vinden
in den Hoogen Raad, met de handhaving der Unie
door de constitutie te belasten. Van eene inrichting
als deze moest Hogendorp afstand doen, zoodra hij
tot het monarchale beginsel bekeerd was, en de
souvereiniteit der provinciën op den Vorst zoude
anderen zoude worden uitgeoefend, zoude dit toch
geschieden op naam der Staten-Generaal. In hunnen
naam zouden handelen de Erfgouverneur, Kapitein en
Admiraal-Generaal der Vereenigde Nederlanden, de
Raad van State, de Hooge Raad. En al kende
Hogendorp de onschendbaarheid aan den
Erfgouverneur toe, deze werd toch niet de Souverein.
Hij zoude voorzitten èn in de Staten-Generaal èn in
den Raad van State, het collegie, waaraan met den
Erfgouverneur de uitvoerende of besturende macht
was opgedragen. Op deze wijze zoude er voldoende
gezorgd worden voor de eenheid in het algemeen
bestuur; immers al mochten ook de provinciën hare
souvereiniteit behouden, al mochten ook de Staten-
Generaal door de Staten der provinciën gekozen
worden, de leden van dit collegie zouden, aan geene
lastbrieven gebonden, toch zelfstandig zijn in de
uitoefening der bondgenootschappelijke macht, en
voor zoover noodig zoude dit klem en kracht vinden
in den Hoogen Raad, met de handhaving der Unie
door de constitutie te belasten. Van eene inrichting
als deze moest Hogendorp afstand doen, zoodra hij
tot het monarchale beginsel bekeerd was, en de
souvereiniteit der provinciën op den Vorst zoude
Page 189
worden overgedragen. Zal men daarom zich er over
verwonderen, dat desniettegenstaande in de schets
van Hogendorp sporen zijn overgebleven van die
vroegere zienswijze, zijne Staten-Generaal nog niet
geheel strookten met het monarchaal beginsel, zooals
dat werd aangekleefd door hen, wien, als er van
monarchie gesproken werd, de monarchie van
Napoleon voor den geest kwam. Wanneer men de
beraadslagingen der commissie leest, dan is het
vooral van Maanen, die waarschuwt tegen de
republikeinsche denkbeelden der schets, die zegt:
„zoo iets is ongevoegelijk in eene monarchie”; die
uitroept: „als dit doorgaat, is het monarchaal beginsel
weg”. Dientengevolge zien wij dan ook meer dan
eene bepaling der schets, die hare verklaring vindt in
de herinnering aan de oude Republiek, in de
Grondwet niet overgenomen. De Staten-Generaal
zouden ook volgens de Schets (art. 28) anders dan op
het bij de Grondwet bepaalde tijdstip niet
bijeenkomen, tenzij op beschrijving van den
Souvereinen Vorst; waren zij echter bijeen, dan
zoude, volgens Hogendorp, het goedvinden der
Staten-Generaal vereischt worden, om hen weder te
doen uiteengaan (art. 33). Art. 65 der Grondwet
daarentegen stelde dit laatste geheel en al ter
verwonderen, dat desniettegenstaande in de schets
van Hogendorp sporen zijn overgebleven van die
vroegere zienswijze, zijne Staten-Generaal nog niet
geheel strookten met het monarchaal beginsel, zooals
dat werd aangekleefd door hen, wien, als er van
monarchie gesproken werd, de monarchie van
Napoleon voor den geest kwam. Wanneer men de
beraadslagingen der commissie leest, dan is het
vooral van Maanen, die waarschuwt tegen de
republikeinsche denkbeelden der schets, die zegt:
„zoo iets is ongevoegelijk in eene monarchie”; die
uitroept: „als dit doorgaat, is het monarchaal beginsel
weg”. Dientengevolge zien wij dan ook meer dan
eene bepaling der schets, die hare verklaring vindt in
de herinnering aan de oude Republiek, in de
Grondwet niet overgenomen. De Staten-Generaal
zouden ook volgens de Schets (art. 28) anders dan op
het bij de Grondwet bepaalde tijdstip niet
bijeenkomen, tenzij op beschrijving van den
Souvereinen Vorst; waren zij echter bijeen, dan
zoude, volgens Hogendorp, het goedvinden der
Staten-Generaal vereischt worden, om hen weder te
doen uiteengaan (art. 33). Art. 65 der Grondwet
daarentegen stelde dit laatste geheel en al ter
Page 190
beslissing van den Souvereinen Vorst. De Staten-
Generaal waren zijn raad; waren het collegie, dat
hem bij de wetgeving ter zijde stond, dat niet alleen
door hem in beweging gesteld werd, maar ook op
zijnen wenk weder stilstond. Waar de Staten-
Generaal door art. 34 der Schets geroepen werden, de
tusschen provinciën ontstane geschillen in der minne
bij te leggen, daar gaf art. 48 der Grondwet aan den
Souvereinen Vorst de bevoegdheid, die geschillen,
van welken aard ook, administratieve of
rechtsgeschillen, in eerste en laatste instantie te
beslechten. Er is nog eene andere bepaling der Schets
(art. 29), die uit hetzelfde oogpunt de aandacht trekt.
Wat is op het monarchaal standpunt natuurlijker, dan
dat het hoofd van den Staat, terwijl het de begrooting
van uitgaven opmaakt en aan de goedkeuring der
Vergadering onderwerpt, tevens nagaat en voorstelt,
uit welke middelen die uitgaven zullen worden
bestreden? Neen, zeide Hogendorp, het is het best,
dat het volk zich zelf belaste. En wanneer men hem
op de practische bezwaren wees, die uit de overlating
dezer zaak aan de Staten-Generaal moesten
voortvloeien, antwoordde hij dat de minister van
financiën wel altijd lid van de Staten-Generaal zoude
zijn, en dus voor het opmaken eener voordracht
Generaal waren zijn raad; waren het collegie, dat
hem bij de wetgeving ter zijde stond, dat niet alleen
door hem in beweging gesteld werd, maar ook op
zijnen wenk weder stilstond. Waar de Staten-
Generaal door art. 34 der Schets geroepen werden, de
tusschen provinciën ontstane geschillen in der minne
bij te leggen, daar gaf art. 48 der Grondwet aan den
Souvereinen Vorst de bevoegdheid, die geschillen,
van welken aard ook, administratieve of
rechtsgeschillen, in eerste en laatste instantie te
beslechten. Er is nog eene andere bepaling der Schets
(art. 29), die uit hetzelfde oogpunt de aandacht trekt.
Wat is op het monarchaal standpunt natuurlijker, dan
dat het hoofd van den Staat, terwijl het de begrooting
van uitgaven opmaakt en aan de goedkeuring der
Vergadering onderwerpt, tevens nagaat en voorstelt,
uit welke middelen die uitgaven zullen worden
bestreden? Neen, zeide Hogendorp, het is het best,
dat het volk zich zelf belaste. En wanneer men hem
op de practische bezwaren wees, die uit de overlating
dezer zaak aan de Staten-Generaal moesten
voortvloeien, antwoordde hij dat de minister van
financiën wel altijd lid van de Staten-Generaal zoude
zijn, en dus voor het opmaken eener voordracht
Page 191
zoude kunnen zorgen. Het gelukte hem echter niet de
meerderheid te overtuigen. Want werd eerst al de
redactie slechts in zooverre veranderd, dat de kwestie
in 't midden werd gelaten, ten slotte bepaalde toch de
Grondwet, dat eene voordracht over de middelen
zoude worden ingediend, en bleef dus het initiatief
van de regeling der geldmiddelen geheel in handen
van den Vorst 303).
Maar, behalve de bepalingen, rechtstreeks met het
monarchaal beginsel in strijd, waren er bovendien
andere, die het vermoeden wettigen, dat Hogendorp
in de Staten-Generaal nog iets meer zag, dan een
lichaam, geroepen om wetsontwerpen goed te keuren
en wetsvoorstellen te doen. Deze gissing kwam bij
mij op onder de overweging der vraag: waarom
Hogendorp, met afwijking van het bepaalde in de
constitutiën van 1798, 1805 en 1806, in art. 38 der
Schets het lidmaatschap der Vertegenwoordiging
openstelde voor de Ministers, de Staatsraden enz., in
een woord voor de hoogste dienaren van den Staat.
Of was dit alleen om, zooals hij het in zijne
Aanmerkingen 304) uitdrukte, de Staten-Generaal te
zien samengesteld uit de bloem der natie: niet omdat
hij van oordeel was, dat de dienaren der Besturende
Macht in de Staten-Generaal ook nog eene taak te
meerderheid te overtuigen. Want werd eerst al de
redactie slechts in zooverre veranderd, dat de kwestie
in 't midden werd gelaten, ten slotte bepaalde toch de
Grondwet, dat eene voordracht over de middelen
zoude worden ingediend, en bleef dus het initiatief
van de regeling der geldmiddelen geheel in handen
van den Vorst 303).
Maar, behalve de bepalingen, rechtstreeks met het
monarchaal beginsel in strijd, waren er bovendien
andere, die het vermoeden wettigen, dat Hogendorp
in de Staten-Generaal nog iets meer zag, dan een
lichaam, geroepen om wetsontwerpen goed te keuren
en wetsvoorstellen te doen. Deze gissing kwam bij
mij op onder de overweging der vraag: waarom
Hogendorp, met afwijking van het bepaalde in de
constitutiën van 1798, 1805 en 1806, in art. 38 der
Schets het lidmaatschap der Vertegenwoordiging
openstelde voor de Ministers, de Staatsraden enz., in
een woord voor de hoogste dienaren van den Staat.
Of was dit alleen om, zooals hij het in zijne
Aanmerkingen 304) uitdrukte, de Staten-Generaal te
zien samengesteld uit de bloem der natie: niet omdat
hij van oordeel was, dat de dienaren der Besturende
Macht in de Staten-Generaal ook nog eene taak te
Page 192
vervullen hadden? In de commissie had men er niet
recht vrede mede, doch na eenige oppositie werd toch
Hogendorp's beginsel gehandhaafd 305). Eene andere
bepaling wijst echter met meer zekerheid op de oude
Republiek. Ik bedoel de herstelling van het ambt van
Raadpensionaris, door Hogendorp gewild. Een
Staatsdienaar, die door den Souvereinen Vorst uit
eene door de Staten-Generaal opgemaakte nominatie
voor vijf jaren zoude worden gekozen, en aan het
hoofd van dit collegie zoude staan. Hij kon lid der
Staten-Generaal zijn; noodig was het echter niet (art.
36–38 der Schets). Het is duidelijk, dat de Commissie
geen weg wist met dit ambt. Wat zoude de
Raadpensionaris doen? De leden werden niet veel
wijzer door Hogendorp's woorden: „deze
Raadpensionaris is hetzelfde, dat hij was in de
provincie; men heeft hem van de Provinciale Staten
in de Staten-Generaal overgebracht om den
eerbiedwaardigen naam te behouden.” Was het dan
alleen om den naam te doen? Neen, want hij moest,
volgens Hogendorp, dienen, om „een concert en
communicatie te hebben tusschen de vergadering en
den Vorst”. „Hij moest ministerieele functiën
uitoefenen”. Maar waarin zouden zij bestaan? Elout
zeide: „wat kan de president of Raadpensionaris te
recht vrede mede, doch na eenige oppositie werd toch
Hogendorp's beginsel gehandhaafd 305). Eene andere
bepaling wijst echter met meer zekerheid op de oude
Republiek. Ik bedoel de herstelling van het ambt van
Raadpensionaris, door Hogendorp gewild. Een
Staatsdienaar, die door den Souvereinen Vorst uit
eene door de Staten-Generaal opgemaakte nominatie
voor vijf jaren zoude worden gekozen, en aan het
hoofd van dit collegie zoude staan. Hij kon lid der
Staten-Generaal zijn; noodig was het echter niet (art.
36–38 der Schets). Het is duidelijk, dat de Commissie
geen weg wist met dit ambt. Wat zoude de
Raadpensionaris doen? De leden werden niet veel
wijzer door Hogendorp's woorden: „deze
Raadpensionaris is hetzelfde, dat hij was in de
provincie; men heeft hem van de Provinciale Staten
in de Staten-Generaal overgebracht om den
eerbiedwaardigen naam te behouden.” Was het dan
alleen om den naam te doen? Neen, want hij moest,
volgens Hogendorp, dienen, om „een concert en
communicatie te hebben tusschen de vergadering en
den Vorst”. „Hij moest ministerieele functiën
uitoefenen”. Maar waarin zouden zij bestaan? Elout
zeide: „wat kan de president of Raadpensionaris te
Page 193
doen hebben? de voordragten aannemen van den
Vorst, in deliberatie brengen en te concludeeren. Item
omtrent de voordragten der leden. Als de conclusiën
genomen zijn, is alles afgedaan. Hiertoe borneren
zich de functiën van den moderator en die man
behoeft geen lid van het Gouvernement te zijn, want
de Vorst zal zijne wetten door Commissarissen doen
voordragen of aandringen. Wanneer nu die moderator
zou zijn een minister, dan obsteert, dat of wanneer
zijn Ministerie lang duurt, hij gevaarlijk wordt voor
den Souvereinen Vorst, of wel dat hij niets anders
wordt dan de manus ministra van den Princeps, dat
ook niet deugt”. „Dit alles”, zoo eindigde Elout,
„permoveert mij tot een President. De
Raadpensionaris van Holland was een ander wezen;
hij en de Griffier der Hoog Mogenden waren in
effecte de Staats-Ministers; dit was toen noodig, om
Holland invloed te geven, nu niet meer”. Hogendorp
moest dan ook zien, dat zijn voorstel, waaraan hij,
naar men meent 306), ook om persoonlijke redenen
veel schijnt te hebben gehecht, door de meerderheid
verworpen werd. Met zeven tegen vijf stemmen werd
besloten, dat er niet zou zijn een ministerieel
ambtenaar, de functiën van Raadpensionaris
uitoefenende, maar een president met de gewone
Vorst, in deliberatie brengen en te concludeeren. Item
omtrent de voordragten der leden. Als de conclusiën
genomen zijn, is alles afgedaan. Hiertoe borneren
zich de functiën van den moderator en die man
behoeft geen lid van het Gouvernement te zijn, want
de Vorst zal zijne wetten door Commissarissen doen
voordragen of aandringen. Wanneer nu die moderator
zou zijn een minister, dan obsteert, dat of wanneer
zijn Ministerie lang duurt, hij gevaarlijk wordt voor
den Souvereinen Vorst, of wel dat hij niets anders
wordt dan de manus ministra van den Princeps, dat
ook niet deugt”. „Dit alles”, zoo eindigde Elout,
„permoveert mij tot een President. De
Raadpensionaris van Holland was een ander wezen;
hij en de Griffier der Hoog Mogenden waren in
effecte de Staats-Ministers; dit was toen noodig, om
Holland invloed te geven, nu niet meer”. Hogendorp
moest dan ook zien, dat zijn voorstel, waaraan hij,
naar men meent 306), ook om persoonlijke redenen
veel schijnt te hebben gehecht, door de meerderheid
verworpen werd. Met zeven tegen vijf stemmen werd
besloten, dat er niet zou zijn een ministerieel
ambtenaar, de functiën van Raadpensionaris
uitoefenende, maar een president met de gewone
Page 194
presidiale attributen (art. 66 der Grw.) 307). En alzoo
werd de staf gebroken over eene instelling, die door
het nevelachtige van haar karakter, gepaard met het
prestige van den oud-republikeinschen naam, eene
belemmering had kunnen worden in het monarchaal
Staatsbestuur, vooral dan, wanneer Hogendorp zelf
met dat ambt bekleed zou zijn geworden 308).
Wanneer wij in de Gedenkschriften van Hogendorp
lezen 309), dat onder de oude Republiek het bestuur in
handen was van lieden, aan welke de constitutie de
macht niet gaf; wanneer hij daarop wijst als een der
gebreken van die bondgenootschappelijke regeering,
dan komt de vraag bij ons op: of hij niet gevaar liep
op dezelfde klip te stranden door niet alleen de
Staten-Generaal te willen maken tot eene vergadering
van de hoogste Staatsdienaren, maar vooral door een
ambt in 't leven te roepen, als dat van
Raadpensionaris, wiens werkkring onbepaald was,
doch die na den Souvereinen Vorst de eerste positie
in den lande zou innemen.
Onder den invloed van de beraadslagingen der
commissie werd dus het karakter der Staten-Generaal
beter in harmonie gebracht met de monarchale
beginselen. Zij waren, zooals van Maanen het in zijne
Aanspraak uitdrukte, ongerechtigd om deel te nemen
werd de staf gebroken over eene instelling, die door
het nevelachtige van haar karakter, gepaard met het
prestige van den oud-republikeinschen naam, eene
belemmering had kunnen worden in het monarchaal
Staatsbestuur, vooral dan, wanneer Hogendorp zelf
met dat ambt bekleed zou zijn geworden 308).
Wanneer wij in de Gedenkschriften van Hogendorp
lezen 309), dat onder de oude Republiek het bestuur in
handen was van lieden, aan welke de constitutie de
macht niet gaf; wanneer hij daarop wijst als een der
gebreken van die bondgenootschappelijke regeering,
dan komt de vraag bij ons op: of hij niet gevaar liep
op dezelfde klip te stranden door niet alleen de
Staten-Generaal te willen maken tot eene vergadering
van de hoogste Staatsdienaren, maar vooral door een
ambt in 't leven te roepen, als dat van
Raadpensionaris, wiens werkkring onbepaald was,
doch die na den Souvereinen Vorst de eerste positie
in den lande zou innemen.
Onder den invloed van de beraadslagingen der
commissie werd dus het karakter der Staten-Generaal
beter in harmonie gebracht met de monarchale
beginselen. Zij waren, zooals van Maanen het in zijne
Aanspraak uitdrukte, ongerechtigd om deel te nemen
Page 195
aan de Uitvoerende Macht. Of zooals hij het in de
commissie 310) had gezegd: „de Regeering moet bij
ons alleen bij den Vorst zijn, en alleen de Wetgevende
Macht door hem met de Staten-Generaal gedeeld
worden”. De Souvereine Vorst dus vrij in de
behartiging der algemeene belangen, mits zich
houdende binnen de grenzen der wet. Bij de
beschouwing van de macht van den Vorst komt
echter de vraag op: wat verstond men in 1814 onder
Wetgevende Macht? Waar lagen de grenzen tusschen
de Wet aan de eene en tusschen de macht van den
Souvereinen Vorst aan de andere zijde?
Thorbecke 311) heeft er op gewezen, hoe de Grondwet
van 1814 niet, zooals later die van 1815 (art. 105), de
uitdrukkelijke bepaling inhield, dat de Wetgevende
Macht door den Souvereinen Vorst en de Staten-
Generaal gezamenlijk werd uitgeoefend; hoe de
bepaling ook van de Schets (art. 14) er aan ontbrak,
volgens welke zonder beider goedkeuring geene wet
bestond. Ik meen echter, dat men hieraan niet te veel
moet hechten, daar uit de voorschriften der Grondwet
van 1814 in haar onderling verband toch duidelijk
volgt, dat eene wet beider samenwerking vereischte.
Wat echter meer van belang schijnt te zijn, is de
onbepaalde uitdrukking: daden der souvereine
commissie 310) had gezegd: „de Regeering moet bij
ons alleen bij den Vorst zijn, en alleen de Wetgevende
Macht door hem met de Staten-Generaal gedeeld
worden”. De Souvereine Vorst dus vrij in de
behartiging der algemeene belangen, mits zich
houdende binnen de grenzen der wet. Bij de
beschouwing van de macht van den Vorst komt
echter de vraag op: wat verstond men in 1814 onder
Wetgevende Macht? Waar lagen de grenzen tusschen
de Wet aan de eene en tusschen de macht van den
Souvereinen Vorst aan de andere zijde?
Thorbecke 311) heeft er op gewezen, hoe de Grondwet
van 1814 niet, zooals later die van 1815 (art. 105), de
uitdrukkelijke bepaling inhield, dat de Wetgevende
Macht door den Souvereinen Vorst en de Staten-
Generaal gezamenlijk werd uitgeoefend; hoe de
bepaling ook van de Schets (art. 14) er aan ontbrak,
volgens welke zonder beider goedkeuring geene wet
bestond. Ik meen echter, dat men hieraan niet te veel
moet hechten, daar uit de voorschriften der Grondwet
van 1814 in haar onderling verband toch duidelijk
volgt, dat eene wet beider samenwerking vereischte.
Wat echter meer van belang schijnt te zijn, is de
onbepaalde uitdrukking: daden der souvereine
Page 196
waardigheid, zoowel in de Schets (art. 5) als in de
Grondwet (art. 32) te vinden. Volgens Hogendorp
zoude de Vorst die daden plegen in den Raad van
State, het collegie, hem als adviseur ter zijde gesteld.
Volgens de Grondwet zoude de Vorst kunnen
volstaan met die daden bij dat collegie in overweging
te hebben gebracht; hij behoefde dus niet meer in den
Raad daarvoor tegenwoordig te zijn, zooals
Hogendorp schijnt te hebben gewild. Wat behoorde
nu tot het terrein der wet, wat tot dat van de daden
der souvereine waardigheid? Zoude de gissing zoo
verwerpelijk zijn, dat, overal waar de Grondwet niet
uitdrukkelijk eene wet voorschreef, de souvereine
vorst zoude meenen te kunnen volstaan met het
onderwerp bij besluit te regelen? Eene gissing, die
aan waarschijnlijkheid wint, wanneer men èn zich
herinnert, dat men onder den Keizer aan de decreten-
regeering was gewoon geraakt, èn bij de lezing van
het Staatsblad van 1814–1815 ontwaart, hoe menig
besluit is genomen daar, waar men eene wet zoude
hebben verwacht.
Er is nog een punt, waarop voor het recht verstand
van de macht van den Vorst de aandacht behoort te
worden gevestigd. Ik bedoel de regeling der
financiën: de vaststelling der begrooting van uitgaven
Grondwet (art. 32) te vinden. Volgens Hogendorp
zoude de Vorst die daden plegen in den Raad van
State, het collegie, hem als adviseur ter zijde gesteld.
Volgens de Grondwet zoude de Vorst kunnen
volstaan met die daden bij dat collegie in overweging
te hebben gebracht; hij behoefde dus niet meer in den
Raad daarvoor tegenwoordig te zijn, zooals
Hogendorp schijnt te hebben gewild. Wat behoorde
nu tot het terrein der wet, wat tot dat van de daden
der souvereine waardigheid? Zoude de gissing zoo
verwerpelijk zijn, dat, overal waar de Grondwet niet
uitdrukkelijk eene wet voorschreef, de souvereine
vorst zoude meenen te kunnen volstaan met het
onderwerp bij besluit te regelen? Eene gissing, die
aan waarschijnlijkheid wint, wanneer men èn zich
herinnert, dat men onder den Keizer aan de decreten-
regeering was gewoon geraakt, èn bij de lezing van
het Staatsblad van 1814–1815 ontwaart, hoe menig
besluit is genomen daar, waar men eene wet zoude
hebben verwacht.
Er is nog een punt, waarop voor het recht verstand
van de macht van den Vorst de aandacht behoort te
worden gevestigd. Ik bedoel de regeling der
financiën: de vaststelling der begrooting van uitgaven
Page 197
en de vaststelling der middelen om ze te bestrijden.
Waar de Vorst niet meer staat op het middeleeuwsche
standpunt; waar de uitgaven niet meer uit zijne
middelen behooren te worden bestreden,—daar komt
hij niet meer eene bede richten tot zijne onderdanen,
wanneer die middelen te kort schieten; integendeel
daar zijn het de belastingen, die door het volk tot
instandhouding van den Staat, tot bevordering van
aller belang moeten worden opgebracht. Betaling van
belasting wordt een ieders plicht. Maar op dit
standpunt van den modernen staat zoude het eene
ondragelijke dwingelandij zijn, bijaldien de Vorst
alleen over het quantum en quale der belasting konde
beschikken. De volksvertegenwoordiging, zoo zegt
men, moet de koorden der beurs in handen houden.
Was dit onder de Grondwet van 1814 het geval? De
Grondwet, die, op het voorbeeld der schets, de
uitgaven splitste in twee deelen: het eerste bestaande
in de zekere en bepaalde uitgaven, uit den gewonen
loop der zaken voortvloeiende, en voor eens en voor
altijd vastgesteld; terwijl alleen voor het tweede
gedeelte, voor de buitengewone en onzekere uitgaven
telken jare de toestemming der vertegenwoordiging
vereischt werd. Voeg hierbij nu, dat èn Schets èn
Grondwet de bestaande belastingen—zoolang daarin
Waar de Vorst niet meer staat op het middeleeuwsche
standpunt; waar de uitgaven niet meer uit zijne
middelen behooren te worden bestreden,—daar komt
hij niet meer eene bede richten tot zijne onderdanen,
wanneer die middelen te kort schieten; integendeel
daar zijn het de belastingen, die door het volk tot
instandhouding van den Staat, tot bevordering van
aller belang moeten worden opgebracht. Betaling van
belasting wordt een ieders plicht. Maar op dit
standpunt van den modernen staat zoude het eene
ondragelijke dwingelandij zijn, bijaldien de Vorst
alleen over het quantum en quale der belasting konde
beschikken. De volksvertegenwoordiging, zoo zegt
men, moet de koorden der beurs in handen houden.
Was dit onder de Grondwet van 1814 het geval? De
Grondwet, die, op het voorbeeld der schets, de
uitgaven splitste in twee deelen: het eerste bestaande
in de zekere en bepaalde uitgaven, uit den gewonen
loop der zaken voortvloeiende, en voor eens en voor
altijd vastgesteld; terwijl alleen voor het tweede
gedeelte, voor de buitengewone en onzekere uitgaven
telken jare de toestemming der vertegenwoordiging
vereischt werd. Voeg hierbij nu, dat èn Schets èn
Grondwet de bestaande belastingen—zoolang daarin
Page 198
bij de wet geene verandering gebracht werd—lieten
voortbestaan; dat aldus de Souvereine Vorst
beschikken kon over al de middelen van het Fransche
belastingstelsel, voor zoover dit door hem zelf in het
tijdvak zijner onbeperkte macht niet mocht zijn
gewijzigd, dan valt het mijns inziens moeilijk te
loochenen, dat de macht der Staten-Generaal in dit
opzicht binnen vrij enge grenzen beperkt was.
Voorzeker, wanneer het Nederland aan eene
krachtige Regeering zoude ontbreken, dan lag de
schuld niet aan de Grondwet, niet aan de macht van
den monarch.
In den Regeeringsvorm, dien wij tot dusver hebben
geschetst, wijst alles op eenheid in het Staatsbestuur.
„Het Nederlandsche volk”, zeide van Maanen 312), „is
een volk, dat algemeene wetten en een
Gouvernement heeft”. En in lateren tijd zei
Thorbecke 313): „de Nederlandsche Staat werd op
eenheid, niet van uitvoerende macht slechts, maar
van vertegenwoordiging gegrond”. Men keerde dus
niet terug tot den Statenbond der oude Republiek,
toen een losse band de gewesten vereenigde: toen er
inderdaad geen algemeen bestuur bestond, dat èn het
recht èn de macht had zijnen wil te handhaven; toen
voortbestaan; dat aldus de Souvereine Vorst
beschikken kon over al de middelen van het Fransche
belastingstelsel, voor zoover dit door hem zelf in het
tijdvak zijner onbeperkte macht niet mocht zijn
gewijzigd, dan valt het mijns inziens moeilijk te
loochenen, dat de macht der Staten-Generaal in dit
opzicht binnen vrij enge grenzen beperkt was.
Voorzeker, wanneer het Nederland aan eene
krachtige Regeering zoude ontbreken, dan lag de
schuld niet aan de Grondwet, niet aan de macht van
den monarch.
In den Regeeringsvorm, dien wij tot dusver hebben
geschetst, wijst alles op eenheid in het Staatsbestuur.
„Het Nederlandsche volk”, zeide van Maanen 312), „is
een volk, dat algemeene wetten en een
Gouvernement heeft”. En in lateren tijd zei
Thorbecke 313): „de Nederlandsche Staat werd op
eenheid, niet van uitvoerende macht slechts, maar
van vertegenwoordiging gegrond”. Men keerde dus
niet terug tot den Statenbond der oude Republiek,
toen een losse band de gewesten vereenigde: toen er
inderdaad geen algemeen bestuur bestond, dat èn het
recht èn de macht had zijnen wil te handhaven; toen
Page 199
de Unie geen Unie, maar een chaos was. Werd dan
het beginsel der Revolutie, het beginsel der
Staatsregeling van 1798; de éen- en ondeelbaarheid
van den Staat (art. 1) zonder voorbehoud
overgenomen? Maar waar blijft men dan met den
naam van: Vereenigde Nederlanden? Een naam, die,
zooals wij gezien hebben 314), niet voorkwam in
Kemper's proclamatie van 1 December 1813, waarbij
de Prins tot Souvereine Vorst werd uitgeroepen, wel
echter in die van 6 December 1813, waarbij de Prins
het bestuur aanvaardde. Een naam, op het voorbeeld
der Schets, behouden in de Grondwet (art. 53). Deed
men het wellicht, om aan te toonen, dat het herboren
vaderland hetzelfde was, hetwelk in den Revolutietijd
te gronde was gegaan; was het om tegenover het
buitenland als rechtverkrijgende der oude Republiek
te kunnen optreden? Of lag er in het behoud van den
naam nog iets anders, nog iets dat wees op het
karakter van den Staatsvorm? Dat Hogendorp op die
laatste vraag bevestigend zoude hebben geantwoord,
lijdt mijns inziens geen twijfel. Al wilde ook hij den
Statenbond in geenen deele weder in 't leven roepen,
al wilde ook hij een Souvereinen Vorst over de
Vereenigde Nederlanden, fundamenteele wetten en
Staten-Generaal, die, met afzwering der provinciale
het beginsel der Revolutie, het beginsel der
Staatsregeling van 1798; de éen- en ondeelbaarheid
van den Staat (art. 1) zonder voorbehoud
overgenomen? Maar waar blijft men dan met den
naam van: Vereenigde Nederlanden? Een naam, die,
zooals wij gezien hebben 314), niet voorkwam in
Kemper's proclamatie van 1 December 1813, waarbij
de Prins tot Souvereine Vorst werd uitgeroepen, wel
echter in die van 6 December 1813, waarbij de Prins
het bestuur aanvaardde. Een naam, op het voorbeeld
der Schets, behouden in de Grondwet (art. 53). Deed
men het wellicht, om aan te toonen, dat het herboren
vaderland hetzelfde was, hetwelk in den Revolutietijd
te gronde was gegaan; was het om tegenover het
buitenland als rechtverkrijgende der oude Republiek
te kunnen optreden? Of lag er in het behoud van den
naam nog iets anders, nog iets dat wees op het
karakter van den Staatsvorm? Dat Hogendorp op die
laatste vraag bevestigend zoude hebben geantwoord,
lijdt mijns inziens geen twijfel. Al wilde ook hij den
Statenbond in geenen deele weder in 't leven roepen,
al wilde ook hij een Souvereinen Vorst over de
Vereenigde Nederlanden, fundamenteele wetten en
Staten-Generaal, die, met afzwering der provinciale
Page 200
belangen, het geheele Nederlandsche volk
vertegenwoordigden; de provincie en haar bestuur
zouden toch volgens zijne Schets een karakter
hebben behouden, dat wel niet meer gelijk was aan
den toestand van voorheen, maar kwalijk strookte
met het beginsel van eén- en ondeelbaarheid der
Revolutie. De Staten der provinciën zouden, al zij het
dan ook al niet meer in den ouden luister, uit hunne
asch verrijzen. Zij zouden blijven op den ouden voet.
De adel en de steden zouden, zooals wij vroeger
gezien hebben, blijven hunne bron. De adel zoude
zijn provinciaal karakter niet verliezen. Het is waar:
de souvereiniteit der Staten zoude overgaan op den
Souvereinen Vorst, hunne Wetgevende Macht zoude
overgaan op den Vorst en de Staten-Generaal; de
diplomatie, de financiën en de defensie zouden
blijven buiten hunnen kring. Maar,
desniettegenstaande zoude de Souvereine Vorst,
evenals door de Staten-Generaal, ook door hen
worden gehuldigd; zouden zij, evenals hunne
voorgangers, de keuze hebben van de afgevaardigden
tot de Staten-Generaal. En bovenal zoude het
binnenlandsch bestuur in hunne handen geplaatst
worden. Wanneer men het derde hoofdstuk der
Schets leest, dan springt het in het oog, dat ten
vertegenwoordigden; de provincie en haar bestuur
zouden toch volgens zijne Schets een karakter
hebben behouden, dat wel niet meer gelijk was aan
den toestand van voorheen, maar kwalijk strookte
met het beginsel van eén- en ondeelbaarheid der
Revolutie. De Staten der provinciën zouden, al zij het
dan ook al niet meer in den ouden luister, uit hunne
asch verrijzen. Zij zouden blijven op den ouden voet.
De adel en de steden zouden, zooals wij vroeger
gezien hebben, blijven hunne bron. De adel zoude
zijn provinciaal karakter niet verliezen. Het is waar:
de souvereiniteit der Staten zoude overgaan op den
Souvereinen Vorst, hunne Wetgevende Macht zoude
overgaan op den Vorst en de Staten-Generaal; de
diplomatie, de financiën en de defensie zouden
blijven buiten hunnen kring. Maar,
desniettegenstaande zoude de Souvereine Vorst,
evenals door de Staten-Generaal, ook door hen
worden gehuldigd; zouden zij, evenals hunne
voorgangers, de keuze hebben van de afgevaardigden
tot de Staten-Generaal. En bovenal zoude het
binnenlandsch bestuur in hunne handen geplaatst
worden. Wanneer men het derde hoofdstuk der
Schets leest, dan springt het in het oog, dat ten
Page 201
opzichte van dit laatste onderwerp vooral eene
gedeeltelijke herleving van het oude door Hogendorp
gewenscht wordt. Toen ik hierboven den adel en het
platte land besprak, is het reeds gebleken, hoe de
denkbeelden van Hogendorp in de Commissie geen
onverdeelden bijval vonden, en hoe dat, naarmate
men langer over de zaak nadacht, men steeds meer en
meer begon in te zien, dat eene restauratie, zelfs in
den geest van Hogendorp, niet wenschelijk, ja
onmogelijk was. Waar Hogendorp eene herleving der
oude Staten gewild had, daar werden ten slotte, na
onderscheidene wijzigingen der redactie, de Staten
eene schepping der Grondwet (art. 73), en wordt het
geheel en al aan den Souvereinen Vorst overgelaten,
de wijze van samenstelling dier Staten te bepalen
(art. 74). De vorst moest dit wel doen, „naar
aanleiding dezer Grondwet”, maar deze hield
daarover geene bepaling in. Al mocht dan ook na vele
tegenkanting met eene kleine meerderheid aan den
naam van Staten boven dien van Regeeringen of
besturen de voorkeur zijn gegeven 315), zij keerden
niet jure postliminii terug in het leven. Even als dit
met de Staten-Generaal bepaald was, zoo mochten
ook zij, in afwijking van art. 42 der schets, niet
buitengewoon vergaderen, tenzij door den
gedeeltelijke herleving van het oude door Hogendorp
gewenscht wordt. Toen ik hierboven den adel en het
platte land besprak, is het reeds gebleken, hoe de
denkbeelden van Hogendorp in de Commissie geen
onverdeelden bijval vonden, en hoe dat, naarmate
men langer over de zaak nadacht, men steeds meer en
meer begon in te zien, dat eene restauratie, zelfs in
den geest van Hogendorp, niet wenschelijk, ja
onmogelijk was. Waar Hogendorp eene herleving der
oude Staten gewild had, daar werden ten slotte, na
onderscheidene wijzigingen der redactie, de Staten
eene schepping der Grondwet (art. 73), en wordt het
geheel en al aan den Souvereinen Vorst overgelaten,
de wijze van samenstelling dier Staten te bepalen
(art. 74). De vorst moest dit wel doen, „naar
aanleiding dezer Grondwet”, maar deze hield
daarover geene bepaling in. Al mocht dan ook na vele
tegenkanting met eene kleine meerderheid aan den
naam van Staten boven dien van Regeeringen of
besturen de voorkeur zijn gegeven 315), zij keerden
niet jure postliminii terug in het leven. Even als dit
met de Staten-Generaal bepaald was, zoo mochten
ook zij, in afwijking van art. 42 der schets, niet
buitengewoon vergaderen, tenzij door den
Page 202
Souvereinen Vorst bijeengeroepen (art. 83). Zij waren
niet vrij in de wijze, waarop zij hunne
werkzaamheden zouden regelen; immers de daarvoor
te maken bepalingen vereischten de goedkeuring van
den Souvereinen Vorst (art. 75) 316). Doch
niettegenstaande deze gewichtige wijzigingen bleef
er een groot onderscheid bestaan tusschen de Staten
van de Grondwet van 1814 en de departementale
besturen van den een- en ondeelbaren Staat volgens
de Staatsregeling van 1798, die de besturen had
verklaard tot administratieve lichamen, ondergeschikt
en verantwoordelijk van het uitvoerend bewind, om
niet te spreken van het stelsel van centralisatie onder
Koning Lodewijk met zijn Landdrosten, onder
Napoleon met prefecten gehuldigd. Hoe ging het met
art. 3 der Schets, waarin was voorgeschreven, dat na
den eed door den Vorst afgelegd, deze zoude worden
ingehuldigd door de Staten-Generaal en Provinciaal?
Van Maanen zeide: „ik weet niet, waartoe die
inhuldiging van de zoogenaamde Staten provinciaal
zal dienen;—zij zijn geen Staten:—het is eene
noodelooze en zeer gevaarlijke ceremonie om den
gevolgen wille; men zal er uit argumenteeren”. Elout
zag minder zwarigheid in die ceremonie, mits er
duidelijk uitgedrukt werd, dat die inhuldiging toto
niet vrij in de wijze, waarop zij hunne
werkzaamheden zouden regelen; immers de daarvoor
te maken bepalingen vereischten de goedkeuring van
den Souvereinen Vorst (art. 75) 316). Doch
niettegenstaande deze gewichtige wijzigingen bleef
er een groot onderscheid bestaan tusschen de Staten
van de Grondwet van 1814 en de departementale
besturen van den een- en ondeelbaren Staat volgens
de Staatsregeling van 1798, die de besturen had
verklaard tot administratieve lichamen, ondergeschikt
en verantwoordelijk van het uitvoerend bewind, om
niet te spreken van het stelsel van centralisatie onder
Koning Lodewijk met zijn Landdrosten, onder
Napoleon met prefecten gehuldigd. Hoe ging het met
art. 3 der Schets, waarin was voorgeschreven, dat na
den eed door den Vorst afgelegd, deze zoude worden
ingehuldigd door de Staten-Generaal en Provinciaal?
Van Maanen zeide: „ik weet niet, waartoe die
inhuldiging van de zoogenaamde Staten provinciaal
zal dienen;—zij zijn geen Staten:—het is eene
noodelooze en zeer gevaarlijke ceremonie om den
gevolgen wille; men zal er uit argumenteeren”. Elout
zag minder zwarigheid in die ceremonie, mits er
duidelijk uitgedrukt werd, dat die inhuldiging toto
Page 203
coelo verschilde van die der Staten-Generaal. Dit had
ten gevolge, dat, hoewel Hogendorp er op wees, dat
men de denkbeelden der menschen niet moest
choqueren, alles zoo zacht mogelijk moest
uitdrukken, bijna niet doen gevoelen, dat er een
onderscheid was, er toch ten slotte in de Grondwet
(redactie van 28 Febr. 1814) een formulier van
inhuldiging voor de Staten werd opgenomen, geheel
verschillend van dat der Staten-Generaal, en waarbij
de Staten verklaarden, achtervolgens de
verplichtingen hun bij de Grondwet opgelegd, de
bevelen, door den Souverein of van zijnentwege
gegeven, te zullen gehoorzamen en alles te zullen
doen, wat getrouwe onderzaten aan hunnen souverein
schuldig waren en behoorden te doen. Zoo werd de
vorm behouden, maar het wezen der zaak opgeofferd.
Gelukkiger was Hogendorp met zijn voorstel, om
de Staten der provinciën, evenals voorheen, te
belasten met de keuze van de afgevaardigden der
Staten-Generaal. Van eene oppositie, zooals van J. M.
Kemper in zijn brief aan den Souvereinen Vorst
daartegen uitging 317), vind ik in de beraadslagingen
der commissie geen spoor. Er waren alleen enkelen,
die het recht der Staten tot het opmaken eener
nominatie wenschten te beperken; niemand wilde hen
ten gevolge, dat, hoewel Hogendorp er op wees, dat
men de denkbeelden der menschen niet moest
choqueren, alles zoo zacht mogelijk moest
uitdrukken, bijna niet doen gevoelen, dat er een
onderscheid was, er toch ten slotte in de Grondwet
(redactie van 28 Febr. 1814) een formulier van
inhuldiging voor de Staten werd opgenomen, geheel
verschillend van dat der Staten-Generaal, en waarbij
de Staten verklaarden, achtervolgens de
verplichtingen hun bij de Grondwet opgelegd, de
bevelen, door den Souverein of van zijnentwege
gegeven, te zullen gehoorzamen en alles te zullen
doen, wat getrouwe onderzaten aan hunnen souverein
schuldig waren en behoorden te doen. Zoo werd de
vorm behouden, maar het wezen der zaak opgeofferd.
Gelukkiger was Hogendorp met zijn voorstel, om
de Staten der provinciën, evenals voorheen, te
belasten met de keuze van de afgevaardigden der
Staten-Generaal. Van eene oppositie, zooals van J. M.
Kemper in zijn brief aan den Souvereinen Vorst
daartegen uitging 317), vind ik in de beraadslagingen
der commissie geen spoor. Er waren alleen enkelen,
die het recht der Staten tot het opmaken eener
nominatie wenschten te beperken; niemand wilde hen
Page 204
geheel uitsluiten van die taak 318). Ook in de
omschrijving van de taak der Staten als besturend
lichaam schijnt in vele opzichten Hogendorp een
groot deel van hetgeen hij wenschte te hebben
bereikt. Ik zeg voor een groot deel, niet in alles. Het
recht om dispensatie van wetten te geven werd aan
dit collegie ontnomen en toegekend aan den
Souvereinen Vorst. Maar hun werd niet alleen de
beschikking over hunne huishoudelijke belangen
overgelaten; zij werden, ook als agenten van het
Rijksbestuur, belast met de uitvoering der wetten
betrekkelijk het binnenlandsch bestuur 319). Het punt
van uitgang verschilt echter van dat van Hogendorp.
Bij dezen blijven de Staten—met uitzondering van
hunne wetgevende macht—dat binnenlandsch
bestuur alles naar ouder gewoonte behouden. In de
Grondwet daarentegen is zij het, die, evenals de
Staten hare schepping zijn, ook deze taak aan hen
opdraagt. Van hier ook het denkbeeld van
Hogendorp, dat de Souvereine Vorst tegenover de
Staten zoude staan met dezelfde rechten als vroeger
de Stadhouders (art. 29). Van hier daarentegen de
bepalingen der Grondwet (art. 91, 86), die den
Souvereinen Vorst het onbeperkte recht gaf, de
besluiten der Staten, die met de wet of het algemeen
omschrijving van de taak der Staten als besturend
lichaam schijnt in vele opzichten Hogendorp een
groot deel van hetgeen hij wenschte te hebben
bereikt. Ik zeg voor een groot deel, niet in alles. Het
recht om dispensatie van wetten te geven werd aan
dit collegie ontnomen en toegekend aan den
Souvereinen Vorst. Maar hun werd niet alleen de
beschikking over hunne huishoudelijke belangen
overgelaten; zij werden, ook als agenten van het
Rijksbestuur, belast met de uitvoering der wetten
betrekkelijk het binnenlandsch bestuur 319). Het punt
van uitgang verschilt echter van dat van Hogendorp.
Bij dezen blijven de Staten—met uitzondering van
hunne wetgevende macht—dat binnenlandsch
bestuur alles naar ouder gewoonte behouden. In de
Grondwet daarentegen is zij het, die, evenals de
Staten hare schepping zijn, ook deze taak aan hen
opdraagt. Van hier ook het denkbeeld van
Hogendorp, dat de Souvereine Vorst tegenover de
Staten zoude staan met dezelfde rechten als vroeger
de Stadhouders (art. 29). Van hier daarentegen de
bepalingen der Grondwet (art. 91, 86), die den
Souvereinen Vorst het onbeperkte recht gaf, de
besluiten der Staten, die met de wet of het algemeen
Page 205
belang strijdig waren, te schorsen en buiten effect te
stellen; die hun, als deel der Uitvoerende Macht, den
plicht oplegde de bevelen na te komen, die de
Souvereine Vorst ten opzichte van de uitvoering der
wetten hun mocht geven. Hij zoude dan ook niet
meer in elke provincie, naar ouder gewoonte, een
Stadhouder aanstellen (Schets art. 39), maar een
Commissaris onder zulk eene benaming, als hij zoude
goedvinden en met zoodanige instructie, als hij ter
uitvoering van het gezag, hem bij de Grondwet
toegekend, zoude vermeenen te behooren (art. 76 der
Grw.).
Wilde men het beginsel van Staatseenheid
waarborgen, er diende een dergelijk ambtenaar te
zijn. Maar het valt niet te ontkennen, dat die
Commissarissen het middel konden worden en—
bestempeld met den weidschen titel van Gouverneur
—het middel geworden zijn, om langs eene
achterdeur weder het stelsel van centralisatie te doen
binnensluipen, zooals de traditie van de Napoleons
dit medebracht. Het kwam hier op de verhouding
tusschen drie machten aan: de Gouverneur, de Staten
en de Gedeputeerde Staten. De eerste twee waren
imperatief door de Grondwet voorgeschreven. Wat
echter de derde betreft, evenals Hogendorp, zoo had
stellen; die hun, als deel der Uitvoerende Macht, den
plicht oplegde de bevelen na te komen, die de
Souvereine Vorst ten opzichte van de uitvoering der
wetten hun mocht geven. Hij zoude dan ook niet
meer in elke provincie, naar ouder gewoonte, een
Stadhouder aanstellen (Schets art. 39), maar een
Commissaris onder zulk eene benaming, als hij zoude
goedvinden en met zoodanige instructie, als hij ter
uitvoering van het gezag, hem bij de Grondwet
toegekend, zoude vermeenen te behooren (art. 76 der
Grw.).
Wilde men het beginsel van Staatseenheid
waarborgen, er diende een dergelijk ambtenaar te
zijn. Maar het valt niet te ontkennen, dat die
Commissarissen het middel konden worden en—
bestempeld met den weidschen titel van Gouverneur
—het middel geworden zijn, om langs eene
achterdeur weder het stelsel van centralisatie te doen
binnensluipen, zooals de traditie van de Napoleons
dit medebracht. Het kwam hier op de verhouding
tusschen drie machten aan: de Gouverneur, de Staten
en de Gedeputeerde Staten. De eerste twee waren
imperatief door de Grondwet voorgeschreven. Wat
echter de derde betreft, evenals Hogendorp, zoo had
Page 206
ook de Grondwet in art. 93 het aan de Staten zelve
overgelaten, of zij een collegie van eenige leden uit
hun midden tot beleid van zaken, zoo gedurende den
tijd hunner vergadering als van hunne afwezigheid,
wilden kiezen. Toch was het—in aanmerking
genomen, dat de Staten slechts zelden bijeen zouden
komen—boven allen twijfel verheven, dat dergelijk
collegie in alle provinciën zoude moeten worden
ingesteld. Vooral met het oog op de uitvoering der
wetten was dit noodzakelijk. Repelaer 320) ging zelfs
zoover van te zeggen, dat het zijne bedoeling altijd
geweest was, om de Staten meer honorifieke
qualiteiten te geven, maar de uitvoering der wetten in
den Representant van den Vorst en de
gecommitteerde Raden of gedeputeerde Staten te
verzekeren, in een collegie, dat klein moest zijn en
nooit tegenstand zoude kunnen bieden. Maar Staten
of gedeputeerde Staten: van nog meer belang was de
vraag: op welke wijze de taak van 's Vorsten
Commissaris zoude worden uitgewerkt. Er waren
zooals van Imhoff, die in hem zagen, wat de prefect
onder Napoleon, of de Landdrost onder Lodewijk
geweest was; dit beteekende dus de voortzetting der
Napoleontische centralisatie. Het was dan ook in die
richting, dat de aan de Gouverneurs bij besluit van 23
overgelaten, of zij een collegie van eenige leden uit
hun midden tot beleid van zaken, zoo gedurende den
tijd hunner vergadering als van hunne afwezigheid,
wilden kiezen. Toch was het—in aanmerking
genomen, dat de Staten slechts zelden bijeen zouden
komen—boven allen twijfel verheven, dat dergelijk
collegie in alle provinciën zoude moeten worden
ingesteld. Vooral met het oog op de uitvoering der
wetten was dit noodzakelijk. Repelaer 320) ging zelfs
zoover van te zeggen, dat het zijne bedoeling altijd
geweest was, om de Staten meer honorifieke
qualiteiten te geven, maar de uitvoering der wetten in
den Representant van den Vorst en de
gecommitteerde Raden of gedeputeerde Staten te
verzekeren, in een collegie, dat klein moest zijn en
nooit tegenstand zoude kunnen bieden. Maar Staten
of gedeputeerde Staten: van nog meer belang was de
vraag: op welke wijze de taak van 's Vorsten
Commissaris zoude worden uitgewerkt. Er waren
zooals van Imhoff, die in hem zagen, wat de prefect
onder Napoleon, of de Landdrost onder Lodewijk
geweest was; dit beteekende dus de voortzetting der
Napoleontische centralisatie. Het was dan ook in die
richting, dat de aan de Gouverneurs bij besluit van 23
Page 207
Juni 1814 gegevene instructie hun niet alleen eene
beslissende stem gaf bij staking der stemmen in
Staten en Gedeputeerde Staten (art. 8), maar hun
zelfs de bevoegdheid verleende, in spoedeischende
zaken buiten de Staten of Gedeputeerde Staten om te
beslissen—behoudens de later van deze collegies te
vragen goedkeuring (art. 7). Eene bepaling, die uit
den aard der zaak de kiem van misbruik in zich sloot.
Eene kiem, die, zooals de geschiedenis heeft geleerd,
welig is opgeschoten, zoodat de Gouverneurs der
provinciën de voetstappen der prefecten of
Landdrosten begonnen te drukken en in hen ten slotte
eene soort van onderkoning met een hof in miniatuur
gezien werd. Als ik dit alles overweeg, dan vraag ik
mij zelven af, of het wel juist was, toen ik zeide, dat
voor een groot deel datgene werd bereikt, wat door
Hogendorp bedoeld was, en of niet, al zij het dan in
strijd met de Grondwet, van het beginsel van
zelfregeering der provinciën weinig terecht kwam. In
het algemeen kan men dus zeggen dat de Vereenigde
Nederlanden een naam waren zonder zin, dat het
beginsel van eenheid het geheele Staatswezen
doortrok, en dat in zoover de herboren Staat een kind
was van de Revolutie van 1795, met dit onderscheid,
dat de monarchale vorm dien der Republiek had
beslissende stem gaf bij staking der stemmen in
Staten en Gedeputeerde Staten (art. 8), maar hun
zelfs de bevoegdheid verleende, in spoedeischende
zaken buiten de Staten of Gedeputeerde Staten om te
beslissen—behoudens de later van deze collegies te
vragen goedkeuring (art. 7). Eene bepaling, die uit
den aard der zaak de kiem van misbruik in zich sloot.
Eene kiem, die, zooals de geschiedenis heeft geleerd,
welig is opgeschoten, zoodat de Gouverneurs der
provinciën de voetstappen der prefecten of
Landdrosten begonnen te drukken en in hen ten slotte
eene soort van onderkoning met een hof in miniatuur
gezien werd. Als ik dit alles overweeg, dan vraag ik
mij zelven af, of het wel juist was, toen ik zeide, dat
voor een groot deel datgene werd bereikt, wat door
Hogendorp bedoeld was, en of niet, al zij het dan in
strijd met de Grondwet, van het beginsel van
zelfregeering der provinciën weinig terecht kwam. In
het algemeen kan men dus zeggen dat de Vereenigde
Nederlanden een naam waren zonder zin, dat het
beginsel van eenheid het geheele Staatswezen
doortrok, en dat in zoover de herboren Staat een kind
was van de Revolutie van 1795, met dit onderscheid,
dat de monarchale vorm dien der Republiek had
Page 208
vervangen. Zoo werd in vele opzichten verijdeld, wat
Hogendorp zich had voorgesteld. Toch meenen wij
hem dankbaar te mogen zijn daarvoor, dat hij er in
geslaagd is, in de Grondwet neêr te leggen de kiemen
van zelfbeheer der deelen, kiemen, die in latere
dagen, toen de natie weder tot publiek leven was
ontwaakt, tot wasdom hebben kunnen komen zonder
aan de eenheid van den Staat te kort te doen 321).
Minder dankbaar moet men hem zijn voor hetgeen
hij op een ander gebied dan dat der wetgevende en
besturende Macht beoogde en voorstond. Ik bedoel
de Rechterlijke Macht. Eerbiediging van het beginsel
van eenheid werd ook in zooverre door hem gewild,
dat alle de provinciën een en hetzelfde Wetboek en
dezelfde manier van procedeeren zouden hebben. Op
dit punt dus geene reactie. Maar, terwijl hij geen
onderscheid wenschte in de burgerlijke en
strafwetgeving naar de lokaliteiten, zoude dit ten
opzichte van de inrichting der rechtbanken wel het
geval zijn. „Bij deze inrichting”—zegt hij—„de oude
eerwaardige instellingen te herstellen, en ook hierin
den geest der nieuwigheden, die ons land bedorven
heeft, zooveel mogelijk uit te roeien” 322). En al
mocht hij ook al hebben ingezien, dat de oprichting
van een hoogste rechterlijk collegie, de Hooge Raad,
Hogendorp zich had voorgesteld. Toch meenen wij
hem dankbaar te mogen zijn daarvoor, dat hij er in
geslaagd is, in de Grondwet neêr te leggen de kiemen
van zelfbeheer der deelen, kiemen, die in latere
dagen, toen de natie weder tot publiek leven was
ontwaakt, tot wasdom hebben kunnen komen zonder
aan de eenheid van den Staat te kort te doen 321).
Minder dankbaar moet men hem zijn voor hetgeen
hij op een ander gebied dan dat der wetgevende en
besturende Macht beoogde en voorstond. Ik bedoel
de Rechterlijke Macht. Eerbiediging van het beginsel
van eenheid werd ook in zooverre door hem gewild,
dat alle de provinciën een en hetzelfde Wetboek en
dezelfde manier van procedeeren zouden hebben. Op
dit punt dus geene reactie. Maar, terwijl hij geen
onderscheid wenschte in de burgerlijke en
strafwetgeving naar de lokaliteiten, zoude dit ten
opzichte van de inrichting der rechtbanken wel het
geval zijn. „Bij deze inrichting”—zegt hij—„de oude
eerwaardige instellingen te herstellen, en ook hierin
den geest der nieuwigheden, die ons land bedorven
heeft, zooveel mogelijk uit te roeien” 322). En al
mocht hij ook al hebben ingezien, dat de oprichting
van een hoogste rechterlijk collegie, de Hooge Raad,
Page 209
voor het geheele land noodig was, daaronder zoude
bijna al het oude in 't leven zijn teruggeroepen, en
zelfs, zooals wij vroeger gezien hebben, de
ambachtsheerlijkheden met haar privaatrechterlijk
karakter. Tegen die denkbeelden stak een storm op in
den boezem der Commissie. Elout, Röell, van Imhoff
verhieven daartegen hunne stem. Niet het minst van
Maanen, de president van het Hoog Gerechtshof. Hij
noemde de oude rechtspleging monstrueus en
onbestaanbaar met eene algemeene manier van
procedeeren. „Wij hebben”—zeide hij—„bij
ondervinding gezien, dat de zaken met een hof en
weinig rechters goed gaan en dat de justitie nimmer
beter is geadministreerd geworden dan thans” 323). En
hoewel men zoover niet ging als van Maanen
wenschte, en aan het provincialisme te gemoet
kwam, door in elke provincie een Hof en daarboven
den Hoogen Raad te plaatsen, toch werd er beslist
met het oude gebroken en de rechterlijke macht
geheel gezuiverd van alle privaatrechterlijke
denkbeelden. Er dient echter te worden bijgevoegd,
dat ook zij, die in andere opzichten niet wars waren
van de Napoleontische beginselen van Staatsbestuur,
die ook in de rechterlijke organisatie het eenvoudige
van het Fransche systeem voorstonden, van de andere
bijna al het oude in 't leven zijn teruggeroepen, en
zelfs, zooals wij vroeger gezien hebben, de
ambachtsheerlijkheden met haar privaatrechterlijk
karakter. Tegen die denkbeelden stak een storm op in
den boezem der Commissie. Elout, Röell, van Imhoff
verhieven daartegen hunne stem. Niet het minst van
Maanen, de president van het Hoog Gerechtshof. Hij
noemde de oude rechtspleging monstrueus en
onbestaanbaar met eene algemeene manier van
procedeeren. „Wij hebben”—zeide hij—„bij
ondervinding gezien, dat de zaken met een hof en
weinig rechters goed gaan en dat de justitie nimmer
beter is geadministreerd geworden dan thans” 323). En
hoewel men zoover niet ging als van Maanen
wenschte, en aan het provincialisme te gemoet
kwam, door in elke provincie een Hof en daarboven
den Hoogen Raad te plaatsen, toch werd er beslist
met het oude gebroken en de rechterlijke macht
geheel gezuiverd van alle privaatrechterlijke
denkbeelden. Er dient echter te worden bijgevoegd,
dat ook zij, die in andere opzichten niet wars waren
van de Napoleontische beginselen van Staatsbestuur,
die ook in de rechterlijke organisatie het eenvoudige
van het Fransche systeem voorstonden, van de andere
Page 210
zijde toch van afschrik vervuld waren over de wijze,
waarop door 's Keizers willekeur, door zijne hooge
politie met de burgerlijke vrijheid der ingezetenen
was gespeeld. Terwijl de Grondwet zich in 't
algemeen zorgvuldig onthield van het toekennen van
rechten aan de ingezetenen, van iets, wat naar eene
déclaration des droits van de Revolutie zweemde,
werd in het hoofdstuk der Grondwet over de Justitie
door de commissie toch menige bepaling ingelascht,
met het doel om aan de ingezetenen de burgerlijke
vrijheid te verzekeren. Waarborgen tegen
willekeurige inhechtenisneming, waarborgen tegen
exeptioneele rechtspraak en andere van dezelfde
strekking werden op voorstel van Elout in de
Grondwet opgenomen 324). Voor de onafhankelijkheid
der rechterlijke macht werd door de aanstelling van
de leden van den Hoogen Raad niet alleen, maar ook
van de leden der provinciale Hoven voor het leven,
wat trouwens door Hogendorp ook was voorgesteld,
beter gezorgd, dan volgens de fransche organisatie
het geval was geweest.
Wanneer men het IVe hoofdstuk der Grondwet van
1814 over de Justitie overweegt, dan zal men moeten
erkennen, dat de belofte, door Kemper gedaan, niet
ijdel was gebleven, „Uwe burgerlijke vrijheid”, zoo
waarop door 's Keizers willekeur, door zijne hooge
politie met de burgerlijke vrijheid der ingezetenen
was gespeeld. Terwijl de Grondwet zich in 't
algemeen zorgvuldig onthield van het toekennen van
rechten aan de ingezetenen, van iets, wat naar eene
déclaration des droits van de Revolutie zweemde,
werd in het hoofdstuk der Grondwet over de Justitie
door de commissie toch menige bepaling ingelascht,
met het doel om aan de ingezetenen de burgerlijke
vrijheid te verzekeren. Waarborgen tegen
willekeurige inhechtenisneming, waarborgen tegen
exeptioneele rechtspraak en andere van dezelfde
strekking werden op voorstel van Elout in de
Grondwet opgenomen 324). Voor de onafhankelijkheid
der rechterlijke macht werd door de aanstelling van
de leden van den Hoogen Raad niet alleen, maar ook
van de leden der provinciale Hoven voor het leven,
wat trouwens door Hogendorp ook was voorgesteld,
beter gezorgd, dan volgens de fransche organisatie
het geval was geweest.
Wanneer men het IVe hoofdstuk der Grondwet van
1814 over de Justitie overweegt, dan zal men moeten
erkennen, dat de belofte, door Kemper gedaan, niet
ijdel was gebleven, „Uwe burgerlijke vrijheid”, zoo
Page 211
sprak hij tot „zijne landgenooten” in de door hem en
Fannius Scholten gedane proclamatie van 1
December 1813, „Uwe burgerlijke vrijheid zal door
wetten, door eene die vrijheid waarborgende
constitutie, zekerder dan ooit gegrondvest zijn.” Maar
wat werd er van de politieke vrijheid onder de
handen der commissie? Waren er in de Grondwet van
1814 waarborgen voor een goed en doeltreffend
Staatsbestuur? Wie was verantwoordelijk voor dit
bestuur? De erfelijke monarchie brengt mede de
onschendbaarheid, de onverantwoordelijkheid van
den persoon des Konings. Toch zoeken wij te
vergeefs in de Grondwet naar de bekrachtiging dezer
stelling. De bepaling van de Grondwet van 1806 (art.
20) die dit wel deed, werd niet overgenomen. Zij
ontbrak trouwens ook in de Schets. Moet men
daarom met Thorbecke 325) aannemen, dat de
Souvereine Vorst bij Hogendorp, hoewel erfelijk, het
karakter van eersten ambtenaar bleef behouden, daar
het karakter der verheffing hierboven den Vorst niet
werd geëigend? Ik zoude het niet durven beamen. Ik
mag niet aannemen, dat Hogendorp, die in zijne
herziening der Unie van Utrecht, in 1799
opgesteld 326), aan den Erfstadhouder het karakter van
onschendbaarheid had willen toekennen, dit den
Fannius Scholten gedane proclamatie van 1
December 1813, „Uwe burgerlijke vrijheid zal door
wetten, door eene die vrijheid waarborgende
constitutie, zekerder dan ooit gegrondvest zijn.” Maar
wat werd er van de politieke vrijheid onder de
handen der commissie? Waren er in de Grondwet van
1814 waarborgen voor een goed en doeltreffend
Staatsbestuur? Wie was verantwoordelijk voor dit
bestuur? De erfelijke monarchie brengt mede de
onschendbaarheid, de onverantwoordelijkheid van
den persoon des Konings. Toch zoeken wij te
vergeefs in de Grondwet naar de bekrachtiging dezer
stelling. De bepaling van de Grondwet van 1806 (art.
20) die dit wel deed, werd niet overgenomen. Zij
ontbrak trouwens ook in de Schets. Moet men
daarom met Thorbecke 325) aannemen, dat de
Souvereine Vorst bij Hogendorp, hoewel erfelijk, het
karakter van eersten ambtenaar bleef behouden, daar
het karakter der verheffing hierboven den Vorst niet
werd geëigend? Ik zoude het niet durven beamen. Ik
mag niet aannemen, dat Hogendorp, die in zijne
herziening der Unie van Utrecht, in 1799
opgesteld 326), aan den Erfstadhouder het karakter van
onschendbaarheid had willen toekennen, dit den
Page 212
Souvereinen Vorst zoude hebben willen onthouden.
Wanneer èn in de Schets èn evenzoo in de Grondwet
over de onschendbaarheid des Vorsten werd
gezwegen, zoude dan de reden niet hierin gelegen
zijn, dat de uitdrukkelijke vermelding van iets, dat
van zelf sprak, overbodig geacht werd? Wordt die
gissing niet hierdoor bevestigd, dat in de Grondwet
evenmin als in de Schets eene bepaling voorkwam,
waaruit 's Vorsten verantwoordelijkheid kon worden
afgeleid? Want al mocht men ook al niet zoover gaan
als in het Engelsche Staatsrecht, al mocht het: de
Koning kan geen kwaad doen, daar ook op civiele
zaken worden toegepast, wat volgens art. 9 der
Schets en art. 106 der Grondwet met den Vorst hier
niet het geval was; van eene verantwoordelijkheid
daarentegen voor daden van bestuur is geen schijn of
schaduw te vinden. Maar wie was dan
verantwoordelijk, zoo de Vorst het niet was? Was,
zooals wij het vinden opgemerkt 327), in de Schets het
beginsel der ministerieele verantwoordelijkheid
opgenomen? Het is ons uit het derde deel van
Hogendorp's Gedenkschriften gebleken, dat deze in
1795 de omtrekken had geteekend eener Hooge
Vierschaar, en dat hij daarop in 1799 nader
terugkwam 328). Er zou, wij hebben het hierboven
Wanneer èn in de Schets èn evenzoo in de Grondwet
over de onschendbaarheid des Vorsten werd
gezwegen, zoude dan de reden niet hierin gelegen
zijn, dat de uitdrukkelijke vermelding van iets, dat
van zelf sprak, overbodig geacht werd? Wordt die
gissing niet hierdoor bevestigd, dat in de Grondwet
evenmin als in de Schets eene bepaling voorkwam,
waaruit 's Vorsten verantwoordelijkheid kon worden
afgeleid? Want al mocht men ook al niet zoover gaan
als in het Engelsche Staatsrecht, al mocht het: de
Koning kan geen kwaad doen, daar ook op civiele
zaken worden toegepast, wat volgens art. 9 der
Schets en art. 106 der Grondwet met den Vorst hier
niet het geval was; van eene verantwoordelijkheid
daarentegen voor daden van bestuur is geen schijn of
schaduw te vinden. Maar wie was dan
verantwoordelijk, zoo de Vorst het niet was? Was,
zooals wij het vinden opgemerkt 327), in de Schets het
beginsel der ministerieele verantwoordelijkheid
opgenomen? Het is ons uit het derde deel van
Hogendorp's Gedenkschriften gebleken, dat deze in
1795 de omtrekken had geteekend eener Hooge
Vierschaar, en dat hij daarop in 1799 nader
terugkwam 328). Er zou, wij hebben het hierboven
Page 213
opgemerkt, een Hooge Raad zijn, waaraan de
handhaving der Unie was toevertrouwd. Een Hooge
Raad, waarvoor zoowel de leden der Staten-Generaal,
als die van andere collegiën, eveneens als hunne
ambtenaren zouden worden terechtgesteld, en dit op
aanklacht der Staten-Generaal. Wij vinden dit
denkbeeld nawerken in de Schets. Ook zij geeft aan
de Staten-Generaal het recht, om èn de leden van hun
collegie met den Raadpensionaris, èn de leden van
den Raad van State, èn de Ministers wegens hunne
ambtsverrichtingen aan te klagen bij den Hoogen
Raad (art, 5, 6, 27, 37). Evenzoo staan de leden der
provinciale Staten, op aanklacht van dit collegie,
terecht voor het provinciale Hof (art. 42). Kan men
dit nu de huldiging van het beginsel der ministerieele
verantwoordelijkheid noemen? Het middel, dat
bestemd is, om de onschendbaarheid van den vorst in
overeenstemming te brengen met de eischen van een
goed bestuur, door de verantwoordelijkheid voor de
handelingen van Regeering over te brengen op zijne
Ministers? Eenerzijds reikten die bepalingen verder,
daar niet alleen de Ministers, maar ook andere
dienaren van den Staat onder hare toepassing vielen;
van de andere zijde zal men juist hieruit moeten
afleiden dat Hogendorp met deze bepalingen iets
handhaving der Unie was toevertrouwd. Een Hooge
Raad, waarvoor zoowel de leden der Staten-Generaal,
als die van andere collegiën, eveneens als hunne
ambtenaren zouden worden terechtgesteld, en dit op
aanklacht der Staten-Generaal. Wij vinden dit
denkbeeld nawerken in de Schets. Ook zij geeft aan
de Staten-Generaal het recht, om èn de leden van hun
collegie met den Raadpensionaris, èn de leden van
den Raad van State, èn de Ministers wegens hunne
ambtsverrichtingen aan te klagen bij den Hoogen
Raad (art, 5, 6, 27, 37). Evenzoo staan de leden der
provinciale Staten, op aanklacht van dit collegie,
terecht voor het provinciale Hof (art. 42). Kan men
dit nu de huldiging van het beginsel der ministerieele
verantwoordelijkheid noemen? Het middel, dat
bestemd is, om de onschendbaarheid van den vorst in
overeenstemming te brengen met de eischen van een
goed bestuur, door de verantwoordelijkheid voor de
handelingen van Regeering over te brengen op zijne
Ministers? Eenerzijds reikten die bepalingen verder,
daar niet alleen de Ministers, maar ook andere
dienaren van den Staat onder hare toepassing vielen;
van de andere zijde zal men juist hieruit moeten
afleiden dat Hogendorp met deze bepalingen iets
Page 214
anders bedoelde dan de invoering van het beginsel
der ministerieele verantwoordelijkheid, zooals zich
dit in Engeland had ontwikkeld: een beginsel volgens
hetwelk de Ministers niet alleen aansprakelijk werden
gesteld voor de inachtneming der wet, maar
bovendien voor een doeltreffend bestuur, een bestuur,
waardoor het algemeen belang werd behartigd. Toch
valt het niet te ontkennen, dat dit recht der Staten-
Generaal, om de Ministers aan te klagen, op hunne
zelfstandigheid een gewichtigen invloed had kunnen
uitoefenen, er toe had kunnen leiden, dat zij zich niet
zouden beschouwen louter als dienaren van den
Vorst, als gedekt door zijne bevelen, maar gedachtig
zouden blijven aan het zwaard van Damocles, dat
hun van wege de Staten-Generaal boven het hoofd
hing. Maar die bepalingen vonden—zonder dat mij
het waarom daarvan is gebleken—geene genade in de
oogen der commissie. Het initiatief door de Schets
aan de Staten-Generaal toegekend, verdween uit de
Grondwet. Wat er voor in de plaats kwam, was iets
geheel anders, t. w. dat de in de Schets genoemde
personen, benevens nog eenige andere, niet in
rechten mochten vervolgd worden, tenzij met verlof
der Staten-Generaal. Het was niet alleen iets anders;
het was juist het tegenovergestelde. Wat een wapen
der ministerieele verantwoordelijkheid, zooals zich
dit in Engeland had ontwikkeld: een beginsel volgens
hetwelk de Ministers niet alleen aansprakelijk werden
gesteld voor de inachtneming der wet, maar
bovendien voor een doeltreffend bestuur, een bestuur,
waardoor het algemeen belang werd behartigd. Toch
valt het niet te ontkennen, dat dit recht der Staten-
Generaal, om de Ministers aan te klagen, op hunne
zelfstandigheid een gewichtigen invloed had kunnen
uitoefenen, er toe had kunnen leiden, dat zij zich niet
zouden beschouwen louter als dienaren van den
Vorst, als gedekt door zijne bevelen, maar gedachtig
zouden blijven aan het zwaard van Damocles, dat
hun van wege de Staten-Generaal boven het hoofd
hing. Maar die bepalingen vonden—zonder dat mij
het waarom daarvan is gebleken—geene genade in de
oogen der commissie. Het initiatief door de Schets
aan de Staten-Generaal toegekend, verdween uit de
Grondwet. Wat er voor in de plaats kwam, was iets
geheel anders, t. w. dat de in de Schets genoemde
personen, benevens nog eenige andere, niet in
rechten mochten vervolgd worden, tenzij met verlof
der Staten-Generaal. Het was niet alleen iets anders;
het was juist het tegenovergestelde. Wat een wapen
Page 215
voor de Staten-Generaal had moeten zijn tegen die
personen en tegen hun wanbestuur, werd nu een
privilegie voor dezen. Het waren nu niet meer de
Staten-Generaal, die de dienaren van den Vorst ter
verantwoording konden roepen; maar het was de
Souvereine Vorst, die, mits onder goedkeuring der
Staten-Generaal, dit kon laten doen. Nu behoefden
die dienaren niet meer bevreesd te zijn voor de
Staten-Generaal; nu behoefden zij zich alleen te
richten naar de wenken van den Vorst. Nu kon van
Maanen in zijne Aanspraak naar waarheid zeggen,
dat de Vorst de groote maatregelen, die hij ten dienste
van het behoud der gemeene zaak noodzakelijk
oordeelde, met spoed, kracht en nadruk kon doen
uitvoeren door zijne Raden en dienaars, die van hem
alleen hun gezag ontleenden 329).
Niettegenstaande dit alles ware het toch wellicht
mogelijk, dat de Staten-Generaal invloed op de
richting van het staatsbestuur zouden kunnen
uitoefenen, mits zij overtuiging en kracht genoeg in
zich zelven voelden, om voor het algemeen belang op
te treden. De overweging der jaarlijksche
buitengewone begrooting kon daarvoor een
handvatsel zijn. Maar was die overtuiging, was die
kracht van dit collegie te wachten? Wij herinneren
personen en tegen hun wanbestuur, werd nu een
privilegie voor dezen. Het waren nu niet meer de
Staten-Generaal, die de dienaren van den Vorst ter
verantwoording konden roepen; maar het was de
Souvereine Vorst, die, mits onder goedkeuring der
Staten-Generaal, dit kon laten doen. Nu behoefden
die dienaren niet meer bevreesd te zijn voor de
Staten-Generaal; nu behoefden zij zich alleen te
richten naar de wenken van den Vorst. Nu kon van
Maanen in zijne Aanspraak naar waarheid zeggen,
dat de Vorst de groote maatregelen, die hij ten dienste
van het behoud der gemeene zaak noodzakelijk
oordeelde, met spoed, kracht en nadruk kon doen
uitvoeren door zijne Raden en dienaars, die van hem
alleen hun gezag ontleenden 329).
Niettegenstaande dit alles ware het toch wellicht
mogelijk, dat de Staten-Generaal invloed op de
richting van het staatsbestuur zouden kunnen
uitoefenen, mits zij overtuiging en kracht genoeg in
zich zelven voelden, om voor het algemeen belang op
te treden. De overweging der jaarlijksche
buitengewone begrooting kon daarvoor een
handvatsel zijn. Maar was die overtuiging, was die
kracht van dit collegie te wachten? Wij herinneren
Page 216
ons hoe de Grondwet over de eerste vervulling der
grondwettige lichamen niets bepaald had, hoe ook de
notabelen dit punt met stilzwijgen voorbijgingen, en
hoe daaruit de gevolgtrekking gemaakt werd, dat de
Souvereine Vorst dan maar de eerste keuze moest
doen, dus ook van de Staten-Generaal. Deze door
hem aangewezen leden zouden zitting hebben tot 1
November 1817; eerst van dit tijdstip af begon de
keuze door de provinciale Staten te werken, die
telken jare een derde van het getal zouden kiezen. De
definitieve voor eens vast te stellen begrooting zoude
dus tot stand komen door de toestemming van Staten-
Generaal, die door den Souvereinen Vorst waren
benoemd.
En wat van de Staten-Generaal gold, was eveneens
het geval met de Staten-provinciaal. De eerste
aftreding, voor een derde, van de door den
Souvereinen Vorst aangewezen leden der Staten vond
volgens de door hem den 26sten Augustus 1814
vastgestelde reglementen 330) eerst plaats den 1sten
Mei 1817, zoodat de eerste keuze van leden der
Staten-Generaal zoude geschieden door leden voor
het grootste deel nog door den Vorst benoemd. En
later, wanneer de tijd van zitting van al deze leden
verstreken was, ook dan zoude de invloed van den
grondwettige lichamen niets bepaald had, hoe ook de
notabelen dit punt met stilzwijgen voorbijgingen, en
hoe daaruit de gevolgtrekking gemaakt werd, dat de
Souvereine Vorst dan maar de eerste keuze moest
doen, dus ook van de Staten-Generaal. Deze door
hem aangewezen leden zouden zitting hebben tot 1
November 1817; eerst van dit tijdstip af begon de
keuze door de provinciale Staten te werken, die
telken jare een derde van het getal zouden kiezen. De
definitieve voor eens vast te stellen begrooting zoude
dus tot stand komen door de toestemming van Staten-
Generaal, die door den Souvereinen Vorst waren
benoemd.
En wat van de Staten-Generaal gold, was eveneens
het geval met de Staten-provinciaal. De eerste
aftreding, voor een derde, van de door den
Souvereinen Vorst aangewezen leden der Staten vond
volgens de door hem den 26sten Augustus 1814
vastgestelde reglementen 330) eerst plaats den 1sten
Mei 1817, zoodat de eerste keuze van leden der
Staten-Generaal zoude geschieden door leden voor
het grootste deel nog door den Vorst benoemd. En
later, wanneer de tijd van zitting van al deze leden
verstreken was, ook dan zoude de invloed van den
Page 217
Souvereinen Vorst nog nawerken in de stedelijke
raden en in den adel, de bron in de meeste gewesten
van twee derde der provinciale Staten. Immers de
stedelijke besturen werden ook den eersten keer door
den Souvereinen Vorst aangesteld voor het leven; de
Ridderschap bestond uit personen, door den Vorst in
den adelstand verheven of als zoodanig erkend, en
dus door banden van dankbaarheid aan hem
verknocht. Alleen bij den landelijken stand kon met 1
Mei 1817 van invloed des volks op de keuze der
Staten sprake zijn; trouwens was het geen
rechtstreeksche keuze, maar verkiezing met een trap.
Eigenerfden kozen kiezers, en deze de leden der
Staten. Uit dit alles volgt, dat althans in de eerste
jaren van eene krachtige vertegenwoordiging geen
sprake kon zijn. En zoude ook later de Regeering,
gesteund door de Gouverneurs in de provinciën, niet
middelen in de hand hebben, om de keuze van
onwelgevallige personen tegen te gaan? Men
bedenke toch, dat zij, die door Stad of Ridderschap in
de Staten werden afgevaardigd, meestal wel tot die
klasse der maatschappij zouden behooren, die bij
voorkeur tot vervulling der ambten geroepen was.
Voorwaar de verleiding moest groot zijn, om niet
mede te werken tot de keuze van zelfstandige
raden en in den adel, de bron in de meeste gewesten
van twee derde der provinciale Staten. Immers de
stedelijke besturen werden ook den eersten keer door
den Souvereinen Vorst aangesteld voor het leven; de
Ridderschap bestond uit personen, door den Vorst in
den adelstand verheven of als zoodanig erkend, en
dus door banden van dankbaarheid aan hem
verknocht. Alleen bij den landelijken stand kon met 1
Mei 1817 van invloed des volks op de keuze der
Staten sprake zijn; trouwens was het geen
rechtstreeksche keuze, maar verkiezing met een trap.
Eigenerfden kozen kiezers, en deze de leden der
Staten. Uit dit alles volgt, dat althans in de eerste
jaren van eene krachtige vertegenwoordiging geen
sprake kon zijn. En zoude ook later de Regeering,
gesteund door de Gouverneurs in de provinciën, niet
middelen in de hand hebben, om de keuze van
onwelgevallige personen tegen te gaan? Men
bedenke toch, dat zij, die door Stad of Ridderschap in
de Staten werden afgevaardigd, meestal wel tot die
klasse der maatschappij zouden behooren, die bij
voorkeur tot vervulling der ambten geroepen was.
Voorwaar de verleiding moest groot zijn, om niet
mede te werken tot de keuze van zelfstandige
Page 218
mannen; men liep toch gevaar, daardoor in ongenade
te vallen en de bron van eer en van voordeel voor
zich en de zijnen verstopt te zien.
De bedervende invloed van dit alles zoude te
sterker moeten werken bij het volslagen gemis aan
openbaarheid in het bestuur. Staten-Generaal,
Provinciale Staten, Gemeenteraden vergaderden
achter gesloten deuren. Iets waarin geen bezwaar
werd gezien, niettegenstaande die lichamen ten slotte
een uitvloeisel zouden worden van keuze, en dus alle
mogelijkheid om een oordeel over de verkozenen te
vellen, daardoor werd afgesneden. Het beginsel van
openbaarheid was niet in eere. Zelfs de vrij
onschuldige bepaling van Hogendorp's Schets (art.
30), dat door den druk zoude worden publiek
gemaakt het aan de Staten-Generaal te doen
jaarlijksch verslag van het gebruik der geldmiddelen,
werd geschrapt. De ingezetenen zouden dus van
hetgeen er omging in het bestuur niets anders
behoeven gewaar te worden, dan wat in wet of
vorstelijk besluit, bij provinciale of gemeentelijke
verordening, te hunner kennis moest worden
gebracht. Aan opwekking tot deelneming in de
publieke zaak, aan contrôle van het publiek op het
bestuur, viel onder zulk eene inrichting niet te
te vallen en de bron van eer en van voordeel voor
zich en de zijnen verstopt te zien.
De bedervende invloed van dit alles zoude te
sterker moeten werken bij het volslagen gemis aan
openbaarheid in het bestuur. Staten-Generaal,
Provinciale Staten, Gemeenteraden vergaderden
achter gesloten deuren. Iets waarin geen bezwaar
werd gezien, niettegenstaande die lichamen ten slotte
een uitvloeisel zouden worden van keuze, en dus alle
mogelijkheid om een oordeel over de verkozenen te
vellen, daardoor werd afgesneden. Het beginsel van
openbaarheid was niet in eere. Zelfs de vrij
onschuldige bepaling van Hogendorp's Schets (art.
30), dat door den druk zoude worden publiek
gemaakt het aan de Staten-Generaal te doen
jaarlijksch verslag van het gebruik der geldmiddelen,
werd geschrapt. De ingezetenen zouden dus van
hetgeen er omging in het bestuur niets anders
behoeven gewaar te worden, dan wat in wet of
vorstelijk besluit, bij provinciale of gemeentelijke
verordening, te hunner kennis moest worden
gebracht. Aan opwekking tot deelneming in de
publieke zaak, aan contrôle van het publiek op het
bestuur, viel onder zulk eene inrichting niet te
Page 219
denken. Klinkt het ons dan bijna niet als ironie in de
ooren, wanneer Hogendorp aan het slot zijner
Aanmerkingen er op wijst, hoe een zin voor het
vaderland, een public spirit door al de klassen van
ingezetenen verspreid en in alle gemoederen
opgewekt zal worden 331)?
Wij nemen afscheid van den Regeeringsvorm der
Vereenigde Nederlanden onder de Grondwet van
1814. Was het wel noodig, ons zoo lang bezig te
houden met eene Grondwet, die niet meer dan een
jaar heeft geleefd, om in 1815 door de Grondwet
voor het Koningrijk der Nederlanden te worden
vervangen? Ik meende van ja, omdat het de
Grondwet van 1814 is, waarbij de grondwettige
monarchie in het huis van Oranje-Nassau voor het
eerst in ons vaderland is gevestigd, omdat de
hoofdtrekken en hoofdbeginselen dezer Grondwet
zijn overgegaan in die van 1815, al moge dan deze
haar op enkele punten—zooals door de openbaarheid
van de Tweede Kamer der Staten-Generaal—ten
goede hebben gewijzigd. Immers ook de Grondwet
voor het Koningrijk der Nederlanden hulde voor het
overige het bestuur in een geheimzinnig duister, ook
zij kende aan de natie geen meerderen invloed toe; zij
kenschetste zich vooral—evenals die van 1814—
ooren, wanneer Hogendorp aan het slot zijner
Aanmerkingen er op wijst, hoe een zin voor het
vaderland, een public spirit door al de klassen van
ingezetenen verspreid en in alle gemoederen
opgewekt zal worden 331)?
Wij nemen afscheid van den Regeeringsvorm der
Vereenigde Nederlanden onder de Grondwet van
1814. Was het wel noodig, ons zoo lang bezig te
houden met eene Grondwet, die niet meer dan een
jaar heeft geleefd, om in 1815 door de Grondwet
voor het Koningrijk der Nederlanden te worden
vervangen? Ik meende van ja, omdat het de
Grondwet van 1814 is, waarbij de grondwettige
monarchie in het huis van Oranje-Nassau voor het
eerst in ons vaderland is gevestigd, omdat de
hoofdtrekken en hoofdbeginselen dezer Grondwet
zijn overgegaan in die van 1815, al moge dan deze
haar op enkele punten—zooals door de openbaarheid
van de Tweede Kamer der Staten-Generaal—ten
goede hebben gewijzigd. Immers ook de Grondwet
voor het Koningrijk der Nederlanden hulde voor het
overige het bestuur in een geheimzinnig duister, ook
zij kende aan de natie geen meerderen invloed toe; zij
kenschetste zich vooral—evenals die van 1814—
Page 220
door het gemis van hetgeen het merg der
constitutioneele monarchie uitmaakt, door het gemis
der ministerieele verantwoordelijkheid en de
handhaving mitsdien van het persoonlijk
gouvernement. In zoover heeft de Grondwet van
1814 tot 1840, gedurende de geheele regeering van
Willem I, hare werking doen gevoelen. Zoo er ooit
harmonie heeft bestaan tusschen den regeeringsvorm
en den Vorst, die geroepen was hem toe te passen,
dan is het voorzeker hier het geval geweest. In het
verslag van den toestand des lands, den 7den
November 1814 door den Minister van
Binnenlandsche Zaken, Röell, aan de Staten-
Generaal gedaan 332), wees deze reeds op „de
rustelooze zorgen, waarmede de Souvereine Vorst
van het eerste oogenblik zijner regeering de belangen
zijner onderdanen had behartigd en nog dagelijks
bleef behartigen, zoodat bij diegenen, welke hem van
nabij volgden, wel eens het gevoel van eerbied en
bewondering over eene zoo zeldzame opoffering
door vrees voor de gevolgen van onafgebroken
inspanning werden opgewogen”. Deze woorden
waren geene vleierij, maar de zuivere waarheid. Zoo
iemand het métier de roi ernstig opvatte, zoo iemand
zich afsloofde in de behartiging der publieke zaak,
constitutioneele monarchie uitmaakt, door het gemis
der ministerieele verantwoordelijkheid en de
handhaving mitsdien van het persoonlijk
gouvernement. In zoover heeft de Grondwet van
1814 tot 1840, gedurende de geheele regeering van
Willem I, hare werking doen gevoelen. Zoo er ooit
harmonie heeft bestaan tusschen den regeeringsvorm
en den Vorst, die geroepen was hem toe te passen,
dan is het voorzeker hier het geval geweest. In het
verslag van den toestand des lands, den 7den
November 1814 door den Minister van
Binnenlandsche Zaken, Röell, aan de Staten-
Generaal gedaan 332), wees deze reeds op „de
rustelooze zorgen, waarmede de Souvereine Vorst
van het eerste oogenblik zijner regeering de belangen
zijner onderdanen had behartigd en nog dagelijks
bleef behartigen, zoodat bij diegenen, welke hem van
nabij volgden, wel eens het gevoel van eerbied en
bewondering over eene zoo zeldzame opoffering
door vrees voor de gevolgen van onafgebroken
inspanning werden opgewogen”. Deze woorden
waren geene vleierij, maar de zuivere waarheid. Zoo
iemand het métier de roi ernstig opvatte, zoo iemand
zich afsloofde in de behartiging der publieke zaak,
Page 221
dan is het voorzeker Willem I geweest. De
geschiedenis echter heeft met onuitwischbare trekken
opgeteekend, welke de uitkomsten van dit alles
geweest zijn, in welken ontredderden toestand ons
vaderland bij het einde der regeering van dezen Vorst
was gebracht. En hoewel het nu onbillijk zou zijn, bij
de beschouwing dezer uitkomsten niet in rekening te
brengen de moeilijkheden, waarmede Willem I te
kampen had, in 't bijzonder de bezwaren,
voortvloeiende uit de vereeniging met België, uit de
gedwongen samenleving van Noord en Zuid; zoo
zoude het niet minder eenzijdig zijn te willen
ontkennen, dat dergelijke uitkomsten, ook zelfs bij de
beste bedoelingen, een natuurlijk gevolg waren van
een regeeringstelsel als dat van de Grondwet van
1815, waaronder een volk zijn lot plaatst in handen
van éen persoon, die naar zijnen wil, naar zijn
inzicht, buiten het weten des volks om, het land
regeert. Het kan dan ook alleen uit onbekendheid met
de politieke geschiedenis van ons vaderland
verklaard worden, dat bij dezen en genen soms de
opwelling ontstaat om met terzijdestelling van den
overwegenden invloed der volksvertegenwoordiging
eene vorstelijke macht terug te wenschen, zooals die
onder de regeering van onzen eersten Koning heeft
geschiedenis echter heeft met onuitwischbare trekken
opgeteekend, welke de uitkomsten van dit alles
geweest zijn, in welken ontredderden toestand ons
vaderland bij het einde der regeering van dezen Vorst
was gebracht. En hoewel het nu onbillijk zou zijn, bij
de beschouwing dezer uitkomsten niet in rekening te
brengen de moeilijkheden, waarmede Willem I te
kampen had, in 't bijzonder de bezwaren,
voortvloeiende uit de vereeniging met België, uit de
gedwongen samenleving van Noord en Zuid; zoo
zoude het niet minder eenzijdig zijn te willen
ontkennen, dat dergelijke uitkomsten, ook zelfs bij de
beste bedoelingen, een natuurlijk gevolg waren van
een regeeringstelsel als dat van de Grondwet van
1815, waaronder een volk zijn lot plaatst in handen
van éen persoon, die naar zijnen wil, naar zijn
inzicht, buiten het weten des volks om, het land
regeert. Het kan dan ook alleen uit onbekendheid met
de politieke geschiedenis van ons vaderland
verklaard worden, dat bij dezen en genen soms de
opwelling ontstaat om met terzijdestelling van den
overwegenden invloed der volksvertegenwoordiging
eene vorstelijke macht terug te wenschen, zooals die
onder de regeering van onzen eersten Koning heeft
Page 222
gewerkt. Wanneer men dit overweegt, zal men het
mij eerder vergeven, dat ik bij de beschouwing van
den regeeringsvorm volgens de Grondwet van 29
Maart 1814 zoolang heb stilgestaan.
Hogendorp knoopte het erfrecht vast (hiervóór, bl. 153). Zie over deze
geheele materie het proefschrift van Mr. E. J. Thomassen à Thuessink van
der Hoop, De Orde van Erfopvolging tot den Troon in Nederland
(Amsterdam 1911). bl. 1–84.
Zonder eenige beperking (hiervóór, bl. 155). Dit is juist van art. 5 der
eindredactie, maar niet van art. 5 van 11 Januari, dat bij gemis van
mannelijk oir de souvereiniteit erven laat bij de dochters of derzelver
mannelijke nakomelingen. Het wegvallen van het woord mannelijke uit art.
6, waarover Tellegen zich in zijne noot op bl. 156 zoo verbaast, heeft
denzelfden grond als het wegvallen dier woorden uit art. 5. Zie daarover
van der Hoop, 77 vv. In art. 7 bleef het woord mannelijke staan wegens de
resolutie van 1747 waarin het voorkwam. De woorden „op gelijke wijze als
voren”, die in art. 5 bleven staan, maakten het ten slotte door de Grondwet
aangenomen stelsel ver van helder. Eerst art. 20 der Grondwet van 1815
heeft deze zaak in het reine gebracht.
Vreemd is het in elk geval (hiervóór, bl. 158). Men kan het geval in 1814
moeilijk aanstaande hebben geacht, maar heeft toch de wijze aangegeven
waarop in het toen zeer onwaarschijnlijke geval zou moeten worden
voorzien.
's Vorsten inkomen (hiervóór, bl. 159). Zie hiervóór, bl. 96. „De Prins”,
schrijft G. K. in 1817, „was te vrede geweest met een millioen vast
mij eerder vergeven, dat ik bij de beschouwing van
den regeeringsvorm volgens de Grondwet van 29
Maart 1814 zoolang heb stilgestaan.
Hogendorp knoopte het erfrecht vast (hiervóór, bl. 153). Zie over deze
geheele materie het proefschrift van Mr. E. J. Thomassen à Thuessink van
der Hoop, De Orde van Erfopvolging tot den Troon in Nederland
(Amsterdam 1911). bl. 1–84.
Zonder eenige beperking (hiervóór, bl. 155). Dit is juist van art. 5 der
eindredactie, maar niet van art. 5 van 11 Januari, dat bij gemis van
mannelijk oir de souvereiniteit erven laat bij de dochters of derzelver
mannelijke nakomelingen. Het wegvallen van het woord mannelijke uit art.
6, waarover Tellegen zich in zijne noot op bl. 156 zoo verbaast, heeft
denzelfden grond als het wegvallen dier woorden uit art. 5. Zie daarover
van der Hoop, 77 vv. In art. 7 bleef het woord mannelijke staan wegens de
resolutie van 1747 waarin het voorkwam. De woorden „op gelijke wijze als
voren”, die in art. 5 bleven staan, maakten het ten slotte door de Grondwet
aangenomen stelsel ver van helder. Eerst art. 20 der Grondwet van 1815
heeft deze zaak in het reine gebracht.
Vreemd is het in elk geval (hiervóór, bl. 158). Men kan het geval in 1814
moeilijk aanstaande hebben geacht, maar heeft toch de wijze aangegeven
waarop in het toen zeer onwaarschijnlijke geval zou moeten worden
voorzien.
's Vorsten inkomen (hiervóór, bl. 159). Zie hiervóór, bl. 96. „De Prins”,
schrijft G. K. in 1817, „was te vrede geweest met een millioen vast
Page 223
inkomen, dog begeerde, dat de helft van deze som uit domeinen zoude
voortkomen, en dat hem deze domeinen als patrimoniaal goed werden
afgestaan om desnoods tot een huwelijksgoed van kinderen te worden
gebruikt”. 333). Niet billijk voor de commissie is hetgeen dan verder volgt:
„Of men dit kwalijk begrepen heeft, of heeft willen misvatten, weet ik niet;
maar zeker is het, dat het denkbeeld ontstond en doorging, om de domeinen
toe te voegen boven het millioen”. Hier is voorbijgezien, dat Hogendorp's
eigen nieuwe redactie van art. 9 tot de bepaling van eene som boven het
millioen aanleiding gegeven heeft. Die redactie toch 334) stelt het inkomen
uit drie bestanddeelen samen: 1o. inkomen uit de terug te geven nog
onvervreemde oude goederen van het huis van Oranje; 2o. vruchtgebruik
der overige, aan den Staat verblijvende, domeinen; 3o. zes ton in gereed
geld. Hoe men uit dit gegeven tot de bepaling eener som van anderhalf
millioen gekomen is, leeren de aanteekeningen van Elout. Eerst bleek het
onpractisch een gedeelte van het inkomen in vruchtgebruik der
landsdomeinen te doen bestaan: zij strekten tot onderpand der domeinbons
en men was verlegen daar een andere hypotheek voor aan te wijzen. Men
bracht dus de zes ton op een millioen en sprak niet van het vruchtgebruik
der landsdomeinen, nog wel van teruggave der onvervreemde oude
goederen van het huis. Doch later bleek ook deze onuitvoerbaar te zijn:
immers onder de verhypothekeerde goederen bevonden zich ook die welke
van het huis van Oranje afkomstig waren. Men kon wellicht een andere
hypotheek uitdenken, maar de Grondwet was niet de plaats daarvan te
spreken, en sprak men er niet van, dan kon de enkele bepaling der
teruggave van als hypotheek vastliggende goederen „opzien baren”. Zoo is
men er toe gekomen van anderhalf millioen te spreken, ter gedeeltelijke
voldoening waarvan de wet den S. V., des verkiezende, in vollen eigendom
zou kunnen overgeven zooveel domeinen, als een zuiver inkomen van vijf
tonnen gouds of daaromtrent opbrengen 335).
Aan het tweekamerstelsel werd door niemand gedacht (hiervóór bl. 162).
Door den S. V. aanvankelijk wèl: hiervóór, bl. 97. Ook Repelaer verklaart
zich in de commissie voor het tweekamerstelsel 336), maar komt er niet op
terug als de president het denkbeeld af doet met op te merken dat het „hier
te lande eene volstrekte nieuwigheid” zijn zoude.
voortkomen, en dat hem deze domeinen als patrimoniaal goed werden
afgestaan om desnoods tot een huwelijksgoed van kinderen te worden
gebruikt”. 333). Niet billijk voor de commissie is hetgeen dan verder volgt:
„Of men dit kwalijk begrepen heeft, of heeft willen misvatten, weet ik niet;
maar zeker is het, dat het denkbeeld ontstond en doorging, om de domeinen
toe te voegen boven het millioen”. Hier is voorbijgezien, dat Hogendorp's
eigen nieuwe redactie van art. 9 tot de bepaling van eene som boven het
millioen aanleiding gegeven heeft. Die redactie toch 334) stelt het inkomen
uit drie bestanddeelen samen: 1o. inkomen uit de terug te geven nog
onvervreemde oude goederen van het huis van Oranje; 2o. vruchtgebruik
der overige, aan den Staat verblijvende, domeinen; 3o. zes ton in gereed
geld. Hoe men uit dit gegeven tot de bepaling eener som van anderhalf
millioen gekomen is, leeren de aanteekeningen van Elout. Eerst bleek het
onpractisch een gedeelte van het inkomen in vruchtgebruik der
landsdomeinen te doen bestaan: zij strekten tot onderpand der domeinbons
en men was verlegen daar een andere hypotheek voor aan te wijzen. Men
bracht dus de zes ton op een millioen en sprak niet van het vruchtgebruik
der landsdomeinen, nog wel van teruggave der onvervreemde oude
goederen van het huis. Doch later bleek ook deze onuitvoerbaar te zijn:
immers onder de verhypothekeerde goederen bevonden zich ook die welke
van het huis van Oranje afkomstig waren. Men kon wellicht een andere
hypotheek uitdenken, maar de Grondwet was niet de plaats daarvan te
spreken, en sprak men er niet van, dan kon de enkele bepaling der
teruggave van als hypotheek vastliggende goederen „opzien baren”. Zoo is
men er toe gekomen van anderhalf millioen te spreken, ter gedeeltelijke
voldoening waarvan de wet den S. V., des verkiezende, in vollen eigendom
zou kunnen overgeven zooveel domeinen, als een zuiver inkomen van vijf
tonnen gouds of daaromtrent opbrengen 335).
Aan het tweekamerstelsel werd door niemand gedacht (hiervóór bl. 162).
Door den S. V. aanvankelijk wèl: hiervóór, bl. 97. Ook Repelaer verklaart
zich in de commissie voor het tweekamerstelsel 336), maar komt er niet op
terug als de president het denkbeeld af doet met op te merken dat het „hier
te lande eene volstrekte nieuwigheid” zijn zoude.
Page 224
Gekozen door de Staten der Provinciën (hiervóór bl. 164). 3 Jan. stelt
Aylva voor, dat de electie zal berusten bij den Vorst uit een nominatie van
twee, door de Staten-Provinciaal aan te bieden 337). Hogendorp antwoordt,
„dat de Vorst dit middel van gezag nu niet noodig heeft, zooals in de
stadhouderlijke tijden, toen hij, om zijnen invloed te vermeerderen, zijn
gezag op allerlei wijze moest zoeken uit te breiden”. Aylva komt niet terug,
doch de Vorst verlangt 22 Febr. de electie uit eene nominatie van drie 338).
De commissie van redactie antwoordt kortweg: „Men oordeelt, dat de keuze
aan de Staten-Provinciaal dient te blijven” 339), waarop de Vorst met een
uitvoeriger aanteekening terugkomt. „Het is de vraag”, schrijft hij, „of eene
nominatie van drieën aan den S. V. niet raadzaam zoude zijn. Nu is het niet
noodig, maar in latere tijden konde bij een minder goede geest, zwarigheid
en tweespalt met de Staten-Generaal ontstaan, wanneer op hare electie geen
invloed (des Vorsten) kan verzekerd zijn. De kiezers benoemen de Raden in
de Steden, deze de Leden Provinciaal, deze weer die der Staten-Generaal,
en alle deze instantiën blijven buiten den invloed of inzage van den S.
V.” 340) Nu moest de zaak in de mondelinge conferentie van 25 Febr.
worden afgedaan, waar Hogendorp hem het noodlottig, aan de Republiek
herinnerend en tot de Republiek terugvoerend denkbeeld uit het hoofd
praatte. „Ik stelde den Prins voor, dat de Stadhouders weinig of geen baat
gevonden hadden bij den invloed op de aanstelling der Stedelijke Regenten,
omdat deze zig daardoor niet gebonden achtten; dat zij zig vele vijanden
daarmede hadden gemaakt, en dat de menschen meer vooruit dan achteruit
zagen. De heer Elout ondersteunde met fijn verstand en rondborstige taal
hetgeen hij mijne menschkundige aanmerkingen noemde, en de Prins
berustte in de zaak” 341).
Art. 38 der Schets stelt het lidmaatschap open voor de Ministers, enz.
(hiervóór, bl. 166). Dit is verkeerd uitgedrukt. Art. 38 zegt niet dat de
ministers, enz. lid van de Staten-Generaal kunnen zijn, maar dat de leden
van de Staten-Generaal tevens minister enz. kunnen zijn. Dit is geen
verschil in woordschikking; een der eigenaardigheden van Hogendorp's
voorstelling is er mede gemoeid. Het is geenszins zijn denkbeeld, zooals
Tellegen opgeeft, „dat de dienaren der Besturende Macht in de Staten-
Aylva voor, dat de electie zal berusten bij den Vorst uit een nominatie van
twee, door de Staten-Provinciaal aan te bieden 337). Hogendorp antwoordt,
„dat de Vorst dit middel van gezag nu niet noodig heeft, zooals in de
stadhouderlijke tijden, toen hij, om zijnen invloed te vermeerderen, zijn
gezag op allerlei wijze moest zoeken uit te breiden”. Aylva komt niet terug,
doch de Vorst verlangt 22 Febr. de electie uit eene nominatie van drie 338).
De commissie van redactie antwoordt kortweg: „Men oordeelt, dat de keuze
aan de Staten-Provinciaal dient te blijven” 339), waarop de Vorst met een
uitvoeriger aanteekening terugkomt. „Het is de vraag”, schrijft hij, „of eene
nominatie van drieën aan den S. V. niet raadzaam zoude zijn. Nu is het niet
noodig, maar in latere tijden konde bij een minder goede geest, zwarigheid
en tweespalt met de Staten-Generaal ontstaan, wanneer op hare electie geen
invloed (des Vorsten) kan verzekerd zijn. De kiezers benoemen de Raden in
de Steden, deze de Leden Provinciaal, deze weer die der Staten-Generaal,
en alle deze instantiën blijven buiten den invloed of inzage van den S.
V.” 340) Nu moest de zaak in de mondelinge conferentie van 25 Febr.
worden afgedaan, waar Hogendorp hem het noodlottig, aan de Republiek
herinnerend en tot de Republiek terugvoerend denkbeeld uit het hoofd
praatte. „Ik stelde den Prins voor, dat de Stadhouders weinig of geen baat
gevonden hadden bij den invloed op de aanstelling der Stedelijke Regenten,
omdat deze zig daardoor niet gebonden achtten; dat zij zig vele vijanden
daarmede hadden gemaakt, en dat de menschen meer vooruit dan achteruit
zagen. De heer Elout ondersteunde met fijn verstand en rondborstige taal
hetgeen hij mijne menschkundige aanmerkingen noemde, en de Prins
berustte in de zaak” 341).
Art. 38 der Schets stelt het lidmaatschap open voor de Ministers, enz.
(hiervóór, bl. 166). Dit is verkeerd uitgedrukt. Art. 38 zegt niet dat de
ministers, enz. lid van de Staten-Generaal kunnen zijn, maar dat de leden
van de Staten-Generaal tevens minister enz. kunnen zijn. Dit is geen
verschil in woordschikking; een der eigenaardigheden van Hogendorp's
voorstelling is er mede gemoeid. Het is geenszins zijn denkbeeld, zooals
Tellegen opgeeft, „dat de dienaren der Besturende Macht in de Staten-
Page 225
Generaal ook nog eene taak te vervullen hadden”, maar juist omgekeerd,
dat die dienaren voort zullen komen uit de Staten-Generaal. Hij stelt zich
zelfs voor dat leden der Staten-Generaal, als vóór 1795, op zullen treden als
hoofden van missiën naar het buitenland; ook dat zij een militair commando
kunnen bekleeden. Daartoe moeten de Staten-Provinciaal zorg dragen naar
de Staten-Generaal af te vaardigen „de bloem der natie”, lieden „uit allerlei
standen, uit allerlei collegiën, uit het huis van den Souvereinen Vorst, uit de
vloot en het leger”, zoodat „alle mogelijke kunde en talenten” in die
vergadering vereenigd zijn 342). In zijne gedenkschriften van 1817 beklaagt
hij zich nog, dat dit denkbeeld er „met eenige moeite in de commissie
doorgegaan was, en eer ontkennender wijze, dan stellig uitgedrukt, met de
uitzonderingen alleen te noemen 343)”; ook dat de Vorst bij de eerste
benoeming van de ministers alleen hem, G. K., in de Staten-Generaal had
gebracht, en van de armee alleen Sweerts de Landas; de Staten-Provinciaal
zullen nu maar spoedig door hun keuzen „de egte beginselen” moeten
verlevendigen 344). Het personeel der Staten-Generaal moet bij hem in alle
behoeften van den hoogsten staatsdienst kunnen voorzien. De Vorst zal in
G. K.'s voorstelling niet zijne creaturen in de Staten-Generaal brengen;
integendeel de Staten-Generaal zullen hem helpen aan het hooge
bestuurspersoneel. Ik zeg niet dat dit systeem toen eenige kans van slagen
had; de ondervinding leerde het wel anders; maar het was niettemin
Hogendorp's voorstelling, en men begrijpt den man niet in zijn
eigenaardigheid wanneer men dit voorbijziet.
Naar men meent (hiervóór, bl. 167). De Bosch Kemper zegt dit op gezag
eener aanteekening van Röell: „Niet weinig werkte tot verwerping der
voorgedragene bepaling omtrent het ambt van Raadpensionaris mede de
waarschijnlijkheid van tot de bedoelde functiën een man benoemd te zien,
wiens uitgebreide kennis van 's Lands belangen, warme vaderlandsliefde en
beproefde trouw door alle leden naar waarde geschat werden, doch wiens
regeerziek karakter, verregaande vooringenomenheid met eigene
denkbeelden en stroeve omgang bij sommigen de vrees inboezemden van
weldra de botsing te zullen zien ontstaan, waartoe het ontwerp de strekking
scheen te hebben 345). Dat die man de ontwerper zelf was, liet zich
gereedelijk gevoelen, en het was dan ook niet te verwonderen, dat hij zoo
dat die dienaren voort zullen komen uit de Staten-Generaal. Hij stelt zich
zelfs voor dat leden der Staten-Generaal, als vóór 1795, op zullen treden als
hoofden van missiën naar het buitenland; ook dat zij een militair commando
kunnen bekleeden. Daartoe moeten de Staten-Provinciaal zorg dragen naar
de Staten-Generaal af te vaardigen „de bloem der natie”, lieden „uit allerlei
standen, uit allerlei collegiën, uit het huis van den Souvereinen Vorst, uit de
vloot en het leger”, zoodat „alle mogelijke kunde en talenten” in die
vergadering vereenigd zijn 342). In zijne gedenkschriften van 1817 beklaagt
hij zich nog, dat dit denkbeeld er „met eenige moeite in de commissie
doorgegaan was, en eer ontkennender wijze, dan stellig uitgedrukt, met de
uitzonderingen alleen te noemen 343)”; ook dat de Vorst bij de eerste
benoeming van de ministers alleen hem, G. K., in de Staten-Generaal had
gebracht, en van de armee alleen Sweerts de Landas; de Staten-Provinciaal
zullen nu maar spoedig door hun keuzen „de egte beginselen” moeten
verlevendigen 344). Het personeel der Staten-Generaal moet bij hem in alle
behoeften van den hoogsten staatsdienst kunnen voorzien. De Vorst zal in
G. K.'s voorstelling niet zijne creaturen in de Staten-Generaal brengen;
integendeel de Staten-Generaal zullen hem helpen aan het hooge
bestuurspersoneel. Ik zeg niet dat dit systeem toen eenige kans van slagen
had; de ondervinding leerde het wel anders; maar het was niettemin
Hogendorp's voorstelling, en men begrijpt den man niet in zijn
eigenaardigheid wanneer men dit voorbijziet.
Naar men meent (hiervóór, bl. 167). De Bosch Kemper zegt dit op gezag
eener aanteekening van Röell: „Niet weinig werkte tot verwerping der
voorgedragene bepaling omtrent het ambt van Raadpensionaris mede de
waarschijnlijkheid van tot de bedoelde functiën een man benoemd te zien,
wiens uitgebreide kennis van 's Lands belangen, warme vaderlandsliefde en
beproefde trouw door alle leden naar waarde geschat werden, doch wiens
regeerziek karakter, verregaande vooringenomenheid met eigene
denkbeelden en stroeve omgang bij sommigen de vrees inboezemden van
weldra de botsing te zullen zien ontstaan, waartoe het ontwerp de strekking
scheen te hebben 345). Dat die man de ontwerper zelf was, liet zich
gereedelijk gevoelen, en het was dan ook niet te verwonderen, dat hij zoo
Page 226
lang mogelijk aan het geliefde denkbeeld bleef vasthouden en het eindelijk
niet dan zijn ondanks varen liet.”
Zooals reeds uit den vorm blijkt is deze aanteekening geenszins uit de
notulen van Röell, gelijk de Bosch Kemper Letterk. Aantt. 470 verzekert.
Zij is een der notities die Röell tusschen 1820 en 1830 opstelde ten behoeve
zijner (nimmer voltooide) gedenkschriften.
Eene vergoeding? (hiervóór, bl. 168 noot). Nadat de commissie 5 Jan. het
ambt van Raadspensionaris uit de Schets geschrapt heeft, komt 26 Jan. van
der Duyn, namens den Vorst, Hogendorp vragen of er in de constitutie een
post is die hem aanstaat? De Vorst, zegt hij, is van meening dat G. K. „het
eerste ambt in den Staat” hebben moet. 28 Jan., nog eer Hogendorp
geantwoord heeft, geeft de Vorst het denkbeeld aan de hand, hem te
benoemen tot vice-president van den Raad van State, met rang van
Secretaris van Staat; 30 Jan. neemt Hogendorp aan. Dit ambt, zegt de Vorst,
„zal aan dat van Raadpensionaris subintreeren 346)”.
Raad van State (hiervóór, bl. 169). De Hogendorp steller der
gedenkschriften van 1817 en de Hogendorp voorzittende in de
commissievergadering van 30 Dec. 1813 spreken elkander lijnrecht tegen.
Het artikel der Schets luidt: „De Souvereine Vorst pleegt alle de daden van
souvereine waardigheid in den Raad van Staten”. Tot toelichting verwijst G.
K. in 1817 naar het Engelsche gebruik, dat hij zegt te hebben willen volgen:
„in Engeland wordt het advies van den Raad door den President aan den
Koning gebracht 347) en het besluit des Konings luidt the King in Council.
Op dezen voet had ik in mijn ontwerp van Grondwet geschreven, dat de
Souvereine Vorst zijn gezag uitoefent in den Raad”. 348) Duidelijker kan hij
niet te kennen geven, dat de Vorst volgens zijn oorspronkelijke opvatting
doorgaans niet in den Raad aanwezig zou zijn, integendeel diens adviezen
zou thuisgebracht krijgen. Doch dit wordt geschreven op een oogenblik dat
G. K. van 's Vorsten aanwezigheid in den Raad ervaring heeft en eene
ervaring die hem die aanwezigheid (om het plat maar geheel naar waarheid
uit te drukken) naar den duivel doet wenschen 349). Hij maakt zichzelven nu
wijs dat hij die aanwezigheid nimmer als normaal beschouwd heeft, maar
niet dan zijn ondanks varen liet.”
Zooals reeds uit den vorm blijkt is deze aanteekening geenszins uit de
notulen van Röell, gelijk de Bosch Kemper Letterk. Aantt. 470 verzekert.
Zij is een der notities die Röell tusschen 1820 en 1830 opstelde ten behoeve
zijner (nimmer voltooide) gedenkschriften.
Eene vergoeding? (hiervóór, bl. 168 noot). Nadat de commissie 5 Jan. het
ambt van Raadspensionaris uit de Schets geschrapt heeft, komt 26 Jan. van
der Duyn, namens den Vorst, Hogendorp vragen of er in de constitutie een
post is die hem aanstaat? De Vorst, zegt hij, is van meening dat G. K. „het
eerste ambt in den Staat” hebben moet. 28 Jan., nog eer Hogendorp
geantwoord heeft, geeft de Vorst het denkbeeld aan de hand, hem te
benoemen tot vice-president van den Raad van State, met rang van
Secretaris van Staat; 30 Jan. neemt Hogendorp aan. Dit ambt, zegt de Vorst,
„zal aan dat van Raadpensionaris subintreeren 346)”.
Raad van State (hiervóór, bl. 169). De Hogendorp steller der
gedenkschriften van 1817 en de Hogendorp voorzittende in de
commissievergadering van 30 Dec. 1813 spreken elkander lijnrecht tegen.
Het artikel der Schets luidt: „De Souvereine Vorst pleegt alle de daden van
souvereine waardigheid in den Raad van Staten”. Tot toelichting verwijst G.
K. in 1817 naar het Engelsche gebruik, dat hij zegt te hebben willen volgen:
„in Engeland wordt het advies van den Raad door den President aan den
Koning gebracht 347) en het besluit des Konings luidt the King in Council.
Op dezen voet had ik in mijn ontwerp van Grondwet geschreven, dat de
Souvereine Vorst zijn gezag uitoefent in den Raad”. 348) Duidelijker kan hij
niet te kennen geven, dat de Vorst volgens zijn oorspronkelijke opvatting
doorgaans niet in den Raad aanwezig zou zijn, integendeel diens adviezen
zou thuisgebracht krijgen. Doch dit wordt geschreven op een oogenblik dat
G. K. van 's Vorsten aanwezigheid in den Raad ervaring heeft en eene
ervaring die hem die aanwezigheid (om het plat maar geheel naar waarheid
uit te drukken) naar den duivel doet wenschen 349). Hij maakt zichzelven nu
wijs dat hij die aanwezigheid nimmer als normaal beschouwd heeft, maar
Page 227
dit is met de waarheid in strijd. Den 30sten Dec. 1813 geeft hij, door Röell
en van Maanen geïnterpelleerd, woordelijk ten antwoord, „dat wat de vrage
aanbelangt, of de Vorst zig in den Raad van Staten zelve zal moeten
decideeren, het ongetwijfeld de intentie geweest is 350) dat zulks zoude
plaats hebben, zonder nochtans daardoor aan den Vorst te willen opleggen,
zulks dadelijk na de gehoudene deliberatiën te doen” 351).
Een ander punt waarop G. K. zichzelven niet gelijk blijft, is dat hij zich
in 1817 ernstig beklaagt, dat de Vorst de diplomatieke zaken niet in den
Raad brengt 352), terwijl hij 30 Dec. 1813, „tot opheldering der remarques
van Röell en van Maanen”, te kennen geeft, „dat onder de bewoordingen
daden van Souvereine waardigheid alleenlijk bedoeld worden daden van
wetgeving, en niet hetgeen tot de executive magt behoort.”
Ter verklaring dezer dubbele tegenspraak moeten wij ons helaas te
binnen brengen, dat G. K. de zaken altijd van uit een zeer persoonlijk
standpunt beziet, en dat hij zich 30 Dec. nog voorstelde Raadpensionaris te
zullen worden, en dus het zwaartepunt der regeering niet in den Raad van
State zag liggen, waar hij het wel wenschte toen hij later fungeerde als des
Raads vice-president. 353)
Het vijfde artikel der Schets, art. 20 der aan den Souvereinen Vorst
voorgelegde redactie geworden 354), ontmoette bij dezen een bezwaar
waarop hij het eerst verdacht gemaakt werd door een niet-lid der
Commissie, Mollerus. De uitdrukking: „de S. V. pleegt alle de daden van
souvereine waardigheid in den Raad van State,” schrijft deze 355) „schijnt
mij toe eenige moeilijkheid te bevatten om te definieeren welke daden van
souvereine waardigheid zijn, en welke dus in den Raad van State zouden
moeten worden gepleegd. B.v. het verheffen in den adelstand is eene daad
van souvereiniteit: zal de Vorst die uitoefenen in den Raad van State?” Hij
wil de rol van het college teruggebracht zien tot het adviseeren over zaken
die de Vorst er brengen wil, waartoe moeten behooren voordrachten van
wet. De Vorst draagt nu in de conferentie met de leden der commissie van
redactie op 25 Febr. dit artikel voor: „De S. V. pleegt alle daden van
Souverein gezag na ingenomen te hebben de gedachten van den Raad van
State. Hij alleen besluit, doch geeft kennis van zijn genomen besluit aan den
Raad” 356). Hij gaat dus minder ver dan Mollerus hem geraden had, maar in
ieder geval is de Raad nu niet langer de plaats waar de daden van
en van Maanen geïnterpelleerd, woordelijk ten antwoord, „dat wat de vrage
aanbelangt, of de Vorst zig in den Raad van Staten zelve zal moeten
decideeren, het ongetwijfeld de intentie geweest is 350) dat zulks zoude
plaats hebben, zonder nochtans daardoor aan den Vorst te willen opleggen,
zulks dadelijk na de gehoudene deliberatiën te doen” 351).
Een ander punt waarop G. K. zichzelven niet gelijk blijft, is dat hij zich
in 1817 ernstig beklaagt, dat de Vorst de diplomatieke zaken niet in den
Raad brengt 352), terwijl hij 30 Dec. 1813, „tot opheldering der remarques
van Röell en van Maanen”, te kennen geeft, „dat onder de bewoordingen
daden van Souvereine waardigheid alleenlijk bedoeld worden daden van
wetgeving, en niet hetgeen tot de executive magt behoort.”
Ter verklaring dezer dubbele tegenspraak moeten wij ons helaas te
binnen brengen, dat G. K. de zaken altijd van uit een zeer persoonlijk
standpunt beziet, en dat hij zich 30 Dec. nog voorstelde Raadpensionaris te
zullen worden, en dus het zwaartepunt der regeering niet in den Raad van
State zag liggen, waar hij het wel wenschte toen hij later fungeerde als des
Raads vice-president. 353)
Het vijfde artikel der Schets, art. 20 der aan den Souvereinen Vorst
voorgelegde redactie geworden 354), ontmoette bij dezen een bezwaar
waarop hij het eerst verdacht gemaakt werd door een niet-lid der
Commissie, Mollerus. De uitdrukking: „de S. V. pleegt alle de daden van
souvereine waardigheid in den Raad van State,” schrijft deze 355) „schijnt
mij toe eenige moeilijkheid te bevatten om te definieeren welke daden van
souvereine waardigheid zijn, en welke dus in den Raad van State zouden
moeten worden gepleegd. B.v. het verheffen in den adelstand is eene daad
van souvereiniteit: zal de Vorst die uitoefenen in den Raad van State?” Hij
wil de rol van het college teruggebracht zien tot het adviseeren over zaken
die de Vorst er brengen wil, waartoe moeten behooren voordrachten van
wet. De Vorst draagt nu in de conferentie met de leden der commissie van
redactie op 25 Febr. dit artikel voor: „De S. V. pleegt alle daden van
Souverein gezag na ingenomen te hebben de gedachten van den Raad van
State. Hij alleen besluit, doch geeft kennis van zijn genomen besluit aan den
Raad” 356). Hij gaat dus minder ver dan Mollerus hem geraden had, maar in
ieder geval is de Raad nu niet langer de plaats waar de daden van
Page 228
souvereine waardigheid gepleegd worden. Weinig anders dan 's Vorsten
artikel luidt dat der Grondwet (32): „de S. V. pleegt alle daden van
souvereine waardigheid, na de zaak in overweging te hebben gebragt bij
den Raad van State. Hij alleen beslist, en geeft telkens van zijn genomen
besluit kennis aan den Raad”.
Ook zóó bleef het artikel een onding en moest in 1815 in de reeds in
1814 door Mollerus aangegeven richting worden gewijzigd.
Op het voorbeeld der Schets (hiervóór, bl. 170). Dat is te zeggen, pas van
de Schets in derde redactie (zie hiervóór, bl. 97).
Vereenigde Nederlanden (hiervóór bl. 171).—Art. 53 geeft niet den naam,
maar noemt hem als den bestaanden en algemeen bekenden (zie hiervóór,
bl. 71).
Elout over de Rechterlijke Macht (hiervóór bl. 179).—Het is vooral
Elout's naam, nog meer dan die van van Maanen, die hier verdient te
worden genoemd. Zie zijn uitgewerkt advies ter zake: Ontstaan 1, 512.
291) Ontstaan I, 74.
292) Zonder dat de reden daarvan bekend is, in art. 6 van de
Grondwet het woord mannelijke voor de nakomelingen van de douairière
van Brunswijk-Luneburg weggevallen, terwijl in art. 7 de uitdrukking
mannelijk oir voor het huis van Nassau-Weilburg bleef gehandhaafd.
293) Bijdragen VIII, blz. 228.
294) Aanteekening op de Grondwet, I, blz. 61.
295) Mr. Farncombe Sanders heeft in zijn doorwrocht stuk over
de Troonopvolging (Bijdragen tot het Staatsbestuur, XXVI, blz. 251 en vlg.)
de meening verdedigd, dat dit voorschrift alleen zag op de huwelijken van
de leden van het huis van Oranje-Nassau, niet op die van de leden van
artikel luidt dat der Grondwet (32): „de S. V. pleegt alle daden van
souvereine waardigheid, na de zaak in overweging te hebben gebragt bij
den Raad van State. Hij alleen beslist, en geeft telkens van zijn genomen
besluit kennis aan den Raad”.
Ook zóó bleef het artikel een onding en moest in 1815 in de reeds in
1814 door Mollerus aangegeven richting worden gewijzigd.
Op het voorbeeld der Schets (hiervóór, bl. 170). Dat is te zeggen, pas van
de Schets in derde redactie (zie hiervóór, bl. 97).
Vereenigde Nederlanden (hiervóór bl. 171).—Art. 53 geeft niet den naam,
maar noemt hem als den bestaanden en algemeen bekenden (zie hiervóór,
bl. 71).
Elout over de Rechterlijke Macht (hiervóór bl. 179).—Het is vooral
Elout's naam, nog meer dan die van van Maanen, die hier verdient te
worden genoemd. Zie zijn uitgewerkt advies ter zake: Ontstaan 1, 512.
291) Ontstaan I, 74.
292) Zonder dat de reden daarvan bekend is, in art. 6 van de
Grondwet het woord mannelijke voor de nakomelingen van de douairière
van Brunswijk-Luneburg weggevallen, terwijl in art. 7 de uitdrukking
mannelijk oir voor het huis van Nassau-Weilburg bleef gehandhaafd.
293) Bijdragen VIII, blz. 228.
294) Aanteekening op de Grondwet, I, blz. 61.
295) Mr. Farncombe Sanders heeft in zijn doorwrocht stuk over
de Troonopvolging (Bijdragen tot het Staatsbestuur, XXVI, blz. 251 en vlg.)
de meening verdedigd, dat dit voorschrift alleen zag op de huwelijken van
de leden van het huis van Oranje-Nassau, niet op die van de leden van
Page 229
vreemde huizen, door vrouwen afstammende van Willem I. De hoofdkracht
van zijn betoog zit, indien ik mij niet bedrieg, hierin, dat de gewone
opvatting tot ongerijmdheden zou leiden. Geeft dit echter recht niet
uitgezonderde gevallen aan de werking van een algemeen voorschrift te
onttrekken?
296) Art. 106 Gw.: De Hooge Raad oordeelt over alle actiën,
waarin de Souvereine Vorst, de Leden van het Vorstelijk huis of de Staat als
gedaagden worden aangesproken.
297) Bl. 132.
298) Ontstaan I, 74.
299) Art. 8, 9, 43, 58, 126 der Grondwet.
300) Art. 47.
301) Bl. 45.
302) Br. en Ged. III, 175.
303)
Schets (art. 29, 2e zinsnede:) „Zij (de Staten-Generaal) wijzen
vervolgens de middelen aan, waaruit die uitgaven moeten gevonden
worden.”
Redactie van 4 Januari 1814, 2e zinsnede: „De Staten-Generaal
delibereeren vervolgens over de middelen, waaruit de uitgaven zullen
genomen worden.”
Redactie van 28 Febr. 1814, 2e zinsnede (Grondwet art. 70): „Zij
raadplegen vervolgens over de voorgeslagen middelen tot vinding van
dezelve” (de uitgaven).
304) Ontstaan I, 63.
305) Ontstaan I, 484.
306) De Bosch Kemper, Staatkundige Geschiedenis van
Nederland tot 1830, bl. 414.
307)
van zijn betoog zit, indien ik mij niet bedrieg, hierin, dat de gewone
opvatting tot ongerijmdheden zou leiden. Geeft dit echter recht niet
uitgezonderde gevallen aan de werking van een algemeen voorschrift te
onttrekken?
296) Art. 106 Gw.: De Hooge Raad oordeelt over alle actiën,
waarin de Souvereine Vorst, de Leden van het Vorstelijk huis of de Staat als
gedaagden worden aangesproken.
297) Bl. 132.
298) Ontstaan I, 74.
299) Art. 8, 9, 43, 58, 126 der Grondwet.
300) Art. 47.
301) Bl. 45.
302) Br. en Ged. III, 175.
303)
Schets (art. 29, 2e zinsnede:) „Zij (de Staten-Generaal) wijzen
vervolgens de middelen aan, waaruit die uitgaven moeten gevonden
worden.”
Redactie van 4 Januari 1814, 2e zinsnede: „De Staten-Generaal
delibereeren vervolgens over de middelen, waaruit de uitgaven zullen
genomen worden.”
Redactie van 28 Febr. 1814, 2e zinsnede (Grondwet art. 70): „Zij
raadplegen vervolgens over de voorgeslagen middelen tot vinding van
dezelve” (de uitgaven).
304) Ontstaan I, 63.
305) Ontstaan I, 484.
306) De Bosch Kemper, Staatkundige Geschiedenis van
Nederland tot 1830, bl. 414.
307)
Page 230
Voor een ministerieel ambtenaar stemden:
Hogendorp, van Lynden, Lampsins, Repelaer, van Imhoff.
Tegen: van Zuylen, Aylva, Humalda, Heerdt, Elout, Röell, van Maanen.
—Ontstaan I, 154.
308) Men herinnert zich, dat Hogendorp na de aanneming der
Grondwet benoemd werd tot Vicepresident van den Raad van State, een
ambt in de Schets onbekend, doch tot de instelling waarvan de Souvereine
Vorst bij art. 32 der Grw. de bevoegdheid erlangde. Het was op verlangen
van dezen, dat deze bepaling in de Grondwet werd gelascht (Ontstaan I,
371). Was dit eene vergoeding voor het ambt van Raadpensionaris?
309) III, 96.
310) Ontstaan I, 95.
311) Aanteekening, I, 282.
312) Aanspraak bij Metelerkamp, 114.
313) Rede, gehouden in de Tweede Kamer der Staten-Generaal
den 29 Mei 1845.
314) Bl. 47.
315) Ontstaan I, 170 (zeven tegen vijf).
316)
Schets art. 39, 1e en 2e lid: „De Staten der provinciën en
landschappen blijven op den ouden voet, in zoo verre geene verandering
daarin gebragt is bij deze Grondwet. Zij behouden teffens de volkomen
vrijheid om zoodanige veranderingen in hunne Constitutiën en
Reglementen, als zij goedvinden, met overleg van den Souvereinen Vorst, te
maken behoudens alleen deze Grondwet.”
Redactie der Commissie van 6 Jan. 1814: „De Staten der provinciën of
landschappen blijven in zoo verre geen verandering in dezelve gebragt is bij
deze Grondwet of door hen zelve gemaakt zullen worden; staande het aan
dezelve volkomen vrij om alle die veranderingen te maken als zij noodig
Hogendorp, van Lynden, Lampsins, Repelaer, van Imhoff.
Tegen: van Zuylen, Aylva, Humalda, Heerdt, Elout, Röell, van Maanen.
—Ontstaan I, 154.
308) Men herinnert zich, dat Hogendorp na de aanneming der
Grondwet benoemd werd tot Vicepresident van den Raad van State, een
ambt in de Schets onbekend, doch tot de instelling waarvan de Souvereine
Vorst bij art. 32 der Grw. de bevoegdheid erlangde. Het was op verlangen
van dezen, dat deze bepaling in de Grondwet werd gelascht (Ontstaan I,
371). Was dit eene vergoeding voor het ambt van Raadpensionaris?
309) III, 96.
310) Ontstaan I, 95.
311) Aanteekening, I, 282.
312) Aanspraak bij Metelerkamp, 114.
313) Rede, gehouden in de Tweede Kamer der Staten-Generaal
den 29 Mei 1845.
314) Bl. 47.
315) Ontstaan I, 170 (zeven tegen vijf).
316)
Schets art. 39, 1e en 2e lid: „De Staten der provinciën en
landschappen blijven op den ouden voet, in zoo verre geene verandering
daarin gebragt is bij deze Grondwet. Zij behouden teffens de volkomen
vrijheid om zoodanige veranderingen in hunne Constitutiën en
Reglementen, als zij goedvinden, met overleg van den Souvereinen Vorst, te
maken behoudens alleen deze Grondwet.”
Redactie der Commissie van 6 Jan. 1814: „De Staten der provinciën of
landschappen blijven in zoo verre geen verandering in dezelve gebragt is bij
deze Grondwet of door hen zelve gemaakt zullen worden; staande het aan
dezelve volkomen vrij om alle die veranderingen te maken als zij noodig
Page 231
zullen oordeelen met goedvinden en toestemming van den Souvereinen
Vorst en behoudens deze Grondwet.”
Redactie der Commissie van 11 Januari 1814: „Er zullen Staten van de
provinciën of landschappen zijn, wier zamenstelling en werkzaamheden
geregeld worden in de eerste plaats door de instellingen van deze Grondwet
en in de tweede plaats door alle zoodanige verdere instellingen als de
respectieve Staten noodig zullen oordeelen en door het goedvinden en de
toestemming van den Souvereinen Vorst zullen worden bekrachtigd
behoudens deze Grondwet.
De eerste benoeming en bijeenroeping van deze Staten zal geschieden
door den Souvereinen Vorst overeenkomstig met de omstandigheden;
dezelve maken hun eerste werk van het ontwerpen hunner reglementen.”
Redactie der Commissie van 7 Februari 1814: „Er zullen Staten van de
provinciën of landschappen zijn.
De zamenstelling en werkzaamheden der Staten worden in de eerste
plaats geregeld door de instellingen van deze Grondwet.
De zamenstelling der Staten wordt in de tweede plaats geregeld, naar
aanleiding der omstandigheden, door den Souvereinen Vorst, welke ten dien
einde in eene provincie of landschap eene Commissie benoemt om hem te
dienen van advies, alles behoudens deze Grondwet.
De werkzaamheden worden mede in de tweede plaats geregeld door alle
zoodanige verdere instellingen als de respectieve Staten noodig zullen
oordeelen, en door het goedvinden en de toestemming van den Souvereinen
Vorst zullen worden bekrachtigd, alles behoudens deze Grondwet.
De Staten maken hun eerste werk van het ontwerpen dezer reglementen”.
Grondwet, art. 73: „Er zullen zijn Staten van de provinciën of
landschappen.
Art. 74. Derzelver zamenstelling wordt, naar aanleiding van deze
Grondwet, geregeld door den Souvereinen Vorst, die voor elke provincie of
landschap eene Commissie benoemt, om hem dienaangaande te dienen van
advies.
Vorst en behoudens deze Grondwet.”
Redactie der Commissie van 11 Januari 1814: „Er zullen Staten van de
provinciën of landschappen zijn, wier zamenstelling en werkzaamheden
geregeld worden in de eerste plaats door de instellingen van deze Grondwet
en in de tweede plaats door alle zoodanige verdere instellingen als de
respectieve Staten noodig zullen oordeelen en door het goedvinden en de
toestemming van den Souvereinen Vorst zullen worden bekrachtigd
behoudens deze Grondwet.
De eerste benoeming en bijeenroeping van deze Staten zal geschieden
door den Souvereinen Vorst overeenkomstig met de omstandigheden;
dezelve maken hun eerste werk van het ontwerpen hunner reglementen.”
Redactie der Commissie van 7 Februari 1814: „Er zullen Staten van de
provinciën of landschappen zijn.
De zamenstelling en werkzaamheden der Staten worden in de eerste
plaats geregeld door de instellingen van deze Grondwet.
De zamenstelling der Staten wordt in de tweede plaats geregeld, naar
aanleiding der omstandigheden, door den Souvereinen Vorst, welke ten dien
einde in eene provincie of landschap eene Commissie benoemt om hem te
dienen van advies, alles behoudens deze Grondwet.
De werkzaamheden worden mede in de tweede plaats geregeld door alle
zoodanige verdere instellingen als de respectieve Staten noodig zullen
oordeelen, en door het goedvinden en de toestemming van den Souvereinen
Vorst zullen worden bekrachtigd, alles behoudens deze Grondwet.
De Staten maken hun eerste werk van het ontwerpen dezer reglementen”.
Grondwet, art. 73: „Er zullen zijn Staten van de provinciën of
landschappen.
Art. 74. Derzelver zamenstelling wordt, naar aanleiding van deze
Grondwet, geregeld door den Souvereinen Vorst, die voor elke provincie of
landschap eene Commissie benoemt, om hem dienaangaande te dienen van
advies.
Page 232
Art. 75. De werkzaamheden der Staten worden, behoudens de
voorschriften daaromtrent bij deze Grondwet vastgesteld, geregeld door
zoodanige bepalingen als zij noodig oordeelen en door den Souvereinen
Vorst, ingeval van goedkeuring, bekrachtigd worden. Zij maken hun eerste
werk van het ontwerpen dezer reglementen.”
317) Verhandelingen, III, 95 (brief van 2 Februari 1814 aan den
Souvereinen Vorst).
318) Ontstaan I, 123, 129.
319) Art. 86 der Grondwet. „Dezelve Staten worden belast met
de uitvoering der wetten en bevelen omtrent de bevordering van godsdienst,
openbaar onderwijs en armbestuur, de aanmoediging van den landbouw,
den koophandel, de fabrieken en trafieken en voorts omtrent alle andere
zaken, welke aan hen ten dien einde door den Souvereinen Vorst worden
toegezonden.”
320) Ontstaan I, 243.
321) Falck schrijft den 24sten September 1814 aan Röell: „De
waarschuwingen van van Maanen, Kemper enz. hebben mij op het stuk der
Staten dikwijls doen denken, maar nimmer is een vreeze of beduchtheid
voor verlamming van het Souverein Gezag door middel hunner werking,
het resultaat mijner overwegingen geweest.”
322) Ontstaan I, 75.
323) Ontstaan I, 253.
324) Ontstaan I, 248.
325) Aanteekening, I, 107.
326) Br. en Ged. III, 180.
327) De Bosch Kemper, Geschiedenis, 419.
328) Br. en Ged. III, 108, 178 vlg.
329) Metelerkamp, 211.
voorschriften daaromtrent bij deze Grondwet vastgesteld, geregeld door
zoodanige bepalingen als zij noodig oordeelen en door den Souvereinen
Vorst, ingeval van goedkeuring, bekrachtigd worden. Zij maken hun eerste
werk van het ontwerpen dezer reglementen.”
317) Verhandelingen, III, 95 (brief van 2 Februari 1814 aan den
Souvereinen Vorst).
318) Ontstaan I, 123, 129.
319) Art. 86 der Grondwet. „Dezelve Staten worden belast met
de uitvoering der wetten en bevelen omtrent de bevordering van godsdienst,
openbaar onderwijs en armbestuur, de aanmoediging van den landbouw,
den koophandel, de fabrieken en trafieken en voorts omtrent alle andere
zaken, welke aan hen ten dien einde door den Souvereinen Vorst worden
toegezonden.”
320) Ontstaan I, 243.
321) Falck schrijft den 24sten September 1814 aan Röell: „De
waarschuwingen van van Maanen, Kemper enz. hebben mij op het stuk der
Staten dikwijls doen denken, maar nimmer is een vreeze of beduchtheid
voor verlamming van het Souverein Gezag door middel hunner werking,
het resultaat mijner overwegingen geweest.”
322) Ontstaan I, 75.
323) Ontstaan I, 253.
324) Ontstaan I, 248.
325) Aanteekening, I, 107.
326) Br. en Ged. III, 180.
327) De Bosch Kemper, Geschiedenis, 419.
328) Br. en Ged. III, 108, 178 vlg.
329) Metelerkamp, 211.
Page 233
330) Reglementen op de wijze van samenstelling der Staten
(Bijv. tot het Staatsblad, I, 566).
331) Ontstaan I, 64.
332) Stuart, Jaarboeken van het Koningrijk der Nederlanden,
1814, bl. 250.
333) Br. en Ged. V, 87.
334) Ontstaan I, 46.
335) Ontstaan I, 518 vv.; vgl. Overzicht 19 vv.
336) Ontstaan I, 124.
337) Ontstaan I, 123.—Staten-Generaal aldaar is klaarblijkelijk
een schrijffout voor Staten-Provinciaal.
338) Ontstaan I, 440.
339) Ontstaan I, 443.
340) Ontstaan II, bl. CXX.
341) Br. en Ged. V, 98.
342) Ontstaan I, 63.
343) Art. 60 der grondwet; vgl. voor het ontstaan van dat artikel:
Overzicht 54.
344) Br. en Ged. V, 110.
345) Vgl. Ontstaan I, 150, waar Röell voor een tweede uitgave
van Oldenbarnevelt vreest.
346) Br. en Ged. V, 68, 264, 266, 275.
347) Ik cursiveer.
348) Br. en Ged. V, 98.
349) Zie daarover de aanteekening bij hoofdstuk VIII.
350) Ik cursiveer.
(Bijv. tot het Staatsblad, I, 566).
331) Ontstaan I, 64.
332) Stuart, Jaarboeken van het Koningrijk der Nederlanden,
1814, bl. 250.
333) Br. en Ged. V, 87.
334) Ontstaan I, 46.
335) Ontstaan I, 518 vv.; vgl. Overzicht 19 vv.
336) Ontstaan I, 124.
337) Ontstaan I, 123.—Staten-Generaal aldaar is klaarblijkelijk
een schrijffout voor Staten-Provinciaal.
338) Ontstaan I, 440.
339) Ontstaan I, 443.
340) Ontstaan II, bl. CXX.
341) Br. en Ged. V, 98.
342) Ontstaan I, 63.
343) Art. 60 der grondwet; vgl. voor het ontstaan van dat artikel:
Overzicht 54.
344) Br. en Ged. V, 110.
345) Vgl. Ontstaan I, 150, waar Röell voor een tweede uitgave
van Oldenbarnevelt vreest.
346) Br. en Ged. V, 68, 264, 266, 275.
347) Ik cursiveer.
348) Br. en Ged. V, 98.
349) Zie daarover de aanteekening bij hoofdstuk VIII.
350) Ik cursiveer.
Page 234
351) Ontstaan I, 100.
352) Br. en Ged. V, 99.
353) Noch ik zelf bij een vorige gelegenheid (Onze Eeuw 1903 I,
767 noot 1), noch Mr. Tellegen Az. op bl. 31 Overzicht, hebben de plaats Br.
en Ged. V, 98 juist begrepen.
354) Ontstaan I, 346.
355) Ontstaan II, bl. CXIII.
356) Ontstaan II, bl. CXVIII.
352) Br. en Ged. V, 99.
353) Noch ik zelf bij een vorige gelegenheid (Onze Eeuw 1903 I,
767 noot 1), noch Mr. Tellegen Az. op bl. 31 Overzicht, hebben de plaats Br.
en Ged. V, 98 juist begrepen.
354) Ontstaan I, 346.
355) Ontstaan II, bl. CXIII.
356) Ontstaan II, bl. CXVIII.
Page 235
VI.
DE VEREENIGING MET BELGIË.
Welk een ommekeer! Welk een ommekeer voor
den Vorst, die, uit zijn vaderland verjaagd, had
rondgezworven in den vreemde, en die thans, door de
wisseling der fortuin, als 't ware met éen slag zich
verheven zag tot eene positie, hooger dan ooit door
zijne vaderen was ingenomen; hij, die door zijne
vroegere landgenooten, thans zijne onderdanen, als
een redder werd begroet, op de handen werd
gedragen!
Welk een ommekeer voor den Vorst, die zich
tevens hersteld zag in het bezit zijner Nassausche
erflanden, hem door Napoleon ontnomen bij de
oprichting van het Rijnverbond in 1806. De Vorst had
voorzeker alle redenen om dankbaar te zijn. Maar de
begeerlijkheid wordt niet licht verzadigd—en zoo
begeerlijkheid een echt menschelijke karaktertrek is,
de Vorst was in dit opzicht voorzeker een mensch.
DE VEREENIGING MET BELGIË.
Welk een ommekeer! Welk een ommekeer voor
den Vorst, die, uit zijn vaderland verjaagd, had
rondgezworven in den vreemde, en die thans, door de
wisseling der fortuin, als 't ware met éen slag zich
verheven zag tot eene positie, hooger dan ooit door
zijne vaderen was ingenomen; hij, die door zijne
vroegere landgenooten, thans zijne onderdanen, als
een redder werd begroet, op de handen werd
gedragen!
Welk een ommekeer voor den Vorst, die zich
tevens hersteld zag in het bezit zijner Nassausche
erflanden, hem door Napoleon ontnomen bij de
oprichting van het Rijnverbond in 1806. De Vorst had
voorzeker alle redenen om dankbaar te zijn. Maar de
begeerlijkheid wordt niet licht verzadigd—en zoo
begeerlijkheid een echt menschelijke karaktertrek is,
de Vorst was in dit opzicht voorzeker een mensch.
Page 236
Zijne verbeelding spiegelde hem een nog
uitgestrekter rijk voor, een nog grooter getal
onderdanen. Een rijk zoo groot, dat voor zijn tweeden
zoon de Nassausche erflanden zonder bezwaar als
secundo-genituur zouden kunnen worden weggelegd.
En wat hij in zijne verbeelding zag, vond steun in de
werkelijkheid. De Vorst konde weten, dat reeds in
vroegere jaren, bij elke flikkering van hoop op de
fnuiking van de heerschzucht des Keizers, op het
terugdringen van Frankrijk binnen zijne oude
grenzen, de aandacht der mogendheden op België
was gevestigd, de vraag was gedaan, wat het lot
zoude worden van dat land, te zwak om, met
Frankrijk naast zich, op zich zelf te blijven staan. De
natuurlijkste oplossing zoude zijn, dat het
terugkeerde tot het Oostenrijksche keizershuis, maar
zoude dit niet liever vasten voet willen hebben in het
aangrenzende Italië, liever dan weder te heerschen
over het verwijderde België? Zoo kwam het, dat
reeds vroeger, in 1798, in 1805 de vereeniging van
Holland en België een onderwerp van bespreking
was geweest 357). Toen nu door den slag van Leipzig
de macht van Napoleon gebroken was, moesten uit
den aard der zaak dezelfde denkbeelden op den
voorgrond treden. Vooral bij Engeland, dat, zoolang
uitgestrekter rijk voor, een nog grooter getal
onderdanen. Een rijk zoo groot, dat voor zijn tweeden
zoon de Nassausche erflanden zonder bezwaar als
secundo-genituur zouden kunnen worden weggelegd.
En wat hij in zijne verbeelding zag, vond steun in de
werkelijkheid. De Vorst konde weten, dat reeds in
vroegere jaren, bij elke flikkering van hoop op de
fnuiking van de heerschzucht des Keizers, op het
terugdringen van Frankrijk binnen zijne oude
grenzen, de aandacht der mogendheden op België
was gevestigd, de vraag was gedaan, wat het lot
zoude worden van dat land, te zwak om, met
Frankrijk naast zich, op zich zelf te blijven staan. De
natuurlijkste oplossing zoude zijn, dat het
terugkeerde tot het Oostenrijksche keizershuis, maar
zoude dit niet liever vasten voet willen hebben in het
aangrenzende Italië, liever dan weder te heerschen
over het verwijderde België? Zoo kwam het, dat
reeds vroeger, in 1798, in 1805 de vereeniging van
Holland en België een onderwerp van bespreking
was geweest 357). Toen nu door den slag van Leipzig
de macht van Napoleon gebroken was, moesten uit
den aard der zaak dezelfde denkbeelden op den
voorgrond treden. Vooral bij Engeland, dat, zoolang
Page 237
Antwerpen eene oorlogshaven was, en die haven in 't
bezit was van Frankrijk, zich in zijne veiligheid
bedreigd achtte. Mocht geene der groote Duitsche
mogendheden in 't bezit van België komen, dan
moest het voor een groot deel met Holland worden
vereenigd, althans zoover dat Antwerpen tot ons land
zoude behooren. Zoo lezen wij in het
Memorandum 358), kort na den slag bij Leipzig, nog
vóór de bevrijding van ons vaderland, door Engeland
voor zijne bondgenooten opgesteld. En zoo is het ook
niet vreemd, dat het hoofd van het huis van Oranje,
met den inhoud van deze memorie bekend, dien geest
bij de Engelsche regeering trachtte te versterken.
Terwijl hij zich nog op Engelschen bodem bevond,
was hij er op uit, bij Engelands regeering de
zienswijze ingang te doen vinden, dat geheel België
bij Holland moest worden gevoegd, dat het naar de
zijde van den Rijn moest worden vergroot, en zich
moest uitstrekken tot aan de Moezel en de oude grens
tusschen Frankrijk en de Oostenrijksche
Nederlanden 359). Met de hoop op verwezenlijking
dezer denkbeelden, keerde de Vorst naar zijn
vaderland terug.
Wat zoude men in Nederland van die plannen
denken? Zouden zij ook moeten worden opgegeven,
bezit was van Frankrijk, zich in zijne veiligheid
bedreigd achtte. Mocht geene der groote Duitsche
mogendheden in 't bezit van België komen, dan
moest het voor een groot deel met Holland worden
vereenigd, althans zoover dat Antwerpen tot ons land
zoude behooren. Zoo lezen wij in het
Memorandum 358), kort na den slag bij Leipzig, nog
vóór de bevrijding van ons vaderland, door Engeland
voor zijne bondgenooten opgesteld. En zoo is het ook
niet vreemd, dat het hoofd van het huis van Oranje,
met den inhoud van deze memorie bekend, dien geest
bij de Engelsche regeering trachtte te versterken.
Terwijl hij zich nog op Engelschen bodem bevond,
was hij er op uit, bij Engelands regeering de
zienswijze ingang te doen vinden, dat geheel België
bij Holland moest worden gevoegd, dat het naar de
zijde van den Rijn moest worden vergroot, en zich
moest uitstrekken tot aan de Moezel en de oude grens
tusschen Frankrijk en de Oostenrijksche
Nederlanden 359). Met de hoop op verwezenlijking
dezer denkbeelden, keerde de Vorst naar zijn
vaderland terug.
Wat zoude men in Nederland van die plannen
denken? Zouden zij ook moeten worden opgegeven,
Page 238
om Amsterdam te believen? De vereeniging, meende
men, was te Amsterdam zeer impopulair, om de vrees
voor de mededinging met Antwerpen 360). Bijaldien
de Vorst bezorgd is geweest dat zijn
lievelingsdenkbeeld op den tegenzin zijner
landgenooten zoude afstuiten, zal hij spoedig zijn
gerustgesteld. Immers was niet de man, op wiens
gevoelen het in die dagen vooral aankwam, het
geheel eens met den Vorst? Had niet Hogendorp
reeds in 1812 zich bezig gehouden met de
reconstructie van Europa en alstoen in een opstel de
redenen ontvouwd, waarom Holland en België met
eenige geseculariseerde landen op den linker
Rijnoever tot een rijk als voormuur tegen Frankrijk
moesten worden vereenigd 361)? Die memorie drukte
geheel en al het gevoelen uit van den Souvereinen
Vorst. Zij werd den 14den December 1813 naar
Londen gezonden, om als richtsnoer te dienen voor
Hendrik Fagel, 's Vorsten vertrouwde, nu onzen
gezant aldaar; hij moest ze als leiddraad gebruiken bij
zijne besprekingen met de Engelsche regeering. Het
gold hier, meende Hogendorp, niet alleen ons, maar
ook Engelands belang 362), Engeland was daarvan
niet moeilijk te overtuigen. De Engelsche regeering,
schreef onze gezant kort daarop aan den Souvereinen
men, was te Amsterdam zeer impopulair, om de vrees
voor de mededinging met Antwerpen 360). Bijaldien
de Vorst bezorgd is geweest dat zijn
lievelingsdenkbeeld op den tegenzin zijner
landgenooten zoude afstuiten, zal hij spoedig zijn
gerustgesteld. Immers was niet de man, op wiens
gevoelen het in die dagen vooral aankwam, het
geheel eens met den Vorst? Had niet Hogendorp
reeds in 1812 zich bezig gehouden met de
reconstructie van Europa en alstoen in een opstel de
redenen ontvouwd, waarom Holland en België met
eenige geseculariseerde landen op den linker
Rijnoever tot een rijk als voormuur tegen Frankrijk
moesten worden vereenigd 361)? Die memorie drukte
geheel en al het gevoelen uit van den Souvereinen
Vorst. Zij werd den 14den December 1813 naar
Londen gezonden, om als richtsnoer te dienen voor
Hendrik Fagel, 's Vorsten vertrouwde, nu onzen
gezant aldaar; hij moest ze als leiddraad gebruiken bij
zijne besprekingen met de Engelsche regeering. Het
gold hier, meende Hogendorp, niet alleen ons, maar
ook Engelands belang 362), Engeland was daarvan
niet moeilijk te overtuigen. De Engelsche regeering,
schreef onze gezant kort daarop aan den Souvereinen
Page 239
Vorst 363), wenschte de vereeniging der 17 gewesten:
maar de zaak was nog niet rijp genoeg, om zich er
positief over te verklaren. Ja reeds vroeger had
dezelfde gezant den Souvereinen Vorst berichten van
dezelfde strekking over den geest der Oostenrijksche
diplomatie kunnen mededeelen 364). Alles scheen dus
samen te loopen, om de vervulling zijner wenschen te
verzekeren.
Toen de Engelsche Minister van Buitenlandsche
Zaken, Lord Castlereagh, in de eerste dagen van
1814, op zijne reis naar het hoofdkwartier der
geallieerden, den Haag aandeed, was de vereeniging
met België dan ook een onderwerp van bespreking
tusschen hem, den Souvereinen Vorst, en den
Engelschen gezant bij ons hof, Lord Clancarty. Er
was intusschen een plan tot rijpheid gekomen, dat de
ingenomenheid der Engelsche regeering met die
vereeniging nog meer had versterkt. De
vermoedelijke erfgename der Britsche kroon, het
eenige kind van den Prins-Regent, Prinses Charlotte,
zoude in het huwelijk treden met den oudsten zoon
van den Souvereinen Vorst, en door deze
echtverbintenis zouden de banden tusschen Engeland
en Nederland nog nauwer worden toegehaald.
Engeland mocht zich vleien, dat Nederland—om
maar de zaak was nog niet rijp genoeg, om zich er
positief over te verklaren. Ja reeds vroeger had
dezelfde gezant den Souvereinen Vorst berichten van
dezelfde strekking over den geest der Oostenrijksche
diplomatie kunnen mededeelen 364). Alles scheen dus
samen te loopen, om de vervulling zijner wenschen te
verzekeren.
Toen de Engelsche Minister van Buitenlandsche
Zaken, Lord Castlereagh, in de eerste dagen van
1814, op zijne reis naar het hoofdkwartier der
geallieerden, den Haag aandeed, was de vereeniging
met België dan ook een onderwerp van bespreking
tusschen hem, den Souvereinen Vorst, en den
Engelschen gezant bij ons hof, Lord Clancarty. Er
was intusschen een plan tot rijpheid gekomen, dat de
ingenomenheid der Engelsche regeering met die
vereeniging nog meer had versterkt. De
vermoedelijke erfgename der Britsche kroon, het
eenige kind van den Prins-Regent, Prinses Charlotte,
zoude in het huwelijk treden met den oudsten zoon
van den Souvereinen Vorst, en door deze
echtverbintenis zouden de banden tusschen Engeland
en Nederland nog nauwer worden toegehaald.
Engeland mocht zich vleien, dat Nederland—om
Page 240
eene latere uitdrukking van den Souvereinen
Vorst 365) te gebruiken—de schildwacht van die
mogendheid op het vasteland zoude worden. Lord
Castlereagh ging dan ook uit de residentie met het
vaste voornemen, om, bijaldien het mocht gelukken,
Frankrijk tot zijne oude grenzen te beperken, in het
hoofdkwartier al zijnen invloed te doen gelden, om al
de Nederlanden tot één rijk te vereenigen; een rijk,
krachtig genoeg, om als voormuur tegen Frankrijk
eene belangrijke plaats in het Europeesche
Statenstelsel in te nemen. Want in het hoofdkwartier
der geallieerden en niet in den Haag moest die
kwestie worden beslist.
Toen Lord Castlereagh, na eene reis van 8 dagen,
den 18den Januari 1814 Bazel bereikte, stonden de
kansen voor het welslagen van deze plannen
gunstiger dan ooit te voren. Napoleon had in zijnen
overmoed het gunstige oogenblik laten voorbijgaan,
om door aanneming der voorwaarden, hem in de
maand November uit Frankfort aangeboden, aan
Frankrijk zijne zoogenaamde natuurlijke grenzen te
verzekeren. De tijding van de bevrijding van
Holland, uit een militair oogpunt van zoo groot
gewicht voor de geallieerden, had het hare gedaan,
om dezen berouw te doen gevoelen over de
Vorst 365) te gebruiken—de schildwacht van die
mogendheid op het vasteland zoude worden. Lord
Castlereagh ging dan ook uit de residentie met het
vaste voornemen, om, bijaldien het mocht gelukken,
Frankrijk tot zijne oude grenzen te beperken, in het
hoofdkwartier al zijnen invloed te doen gelden, om al
de Nederlanden tot één rijk te vereenigen; een rijk,
krachtig genoeg, om als voormuur tegen Frankrijk
eene belangrijke plaats in het Europeesche
Statenstelsel in te nemen. Want in het hoofdkwartier
der geallieerden en niet in den Haag moest die
kwestie worden beslist.
Toen Lord Castlereagh, na eene reis van 8 dagen,
den 18den Januari 1814 Bazel bereikte, stonden de
kansen voor het welslagen van deze plannen
gunstiger dan ooit te voren. Napoleon had in zijnen
overmoed het gunstige oogenblik laten voorbijgaan,
om door aanneming der voorwaarden, hem in de
maand November uit Frankfort aangeboden, aan
Frankrijk zijne zoogenaamde natuurlijke grenzen te
verzekeren. De tijding van de bevrijding van
Holland, uit een militair oogpunt van zoo groot
gewicht voor de geallieerden, had het hare gedaan,
om dezen berouw te doen gevoelen over de
Page 241
aanbieding dezer voor Napoleon zoo gunstige
vredesvoorwaarden. De angst om het oude Frankrijk
binnen te trekken, was geweken. Zooals bekend is,
was dan ook in de laatste dagen van December 1813
het hoofdleger, het zoogenaamde leger van Bohemen,
onder den opperbevelhebber Schwartzenberg, den
Boven-Rijn overgetrokken, en was ditzelfde in de
eerste dagen van Januari 1814 onder Blücher, door
het zoogenaamde leger van Silezië aan den Midden-
Rijn geschied. Beide legers zouden, het eerste uit het
oosten, het tweede uit het noorden, in de richting van
Parijs optrekken.
Het ligt buiten mijn bestek, den veldtocht te
schetsen, die in de eerste maanden van 1814 in
Frankrijks velden, aan Seine en Marne, met
afwisselend geluk gevoerd werd, of mij te verdiepen
in den vruchteloozen afloop van het congres van
Châtillon (3 Febr.–15 Maart 1814), waardoor
Napoleon, had hij zich met Frankrijks oude grenzen
tevreden willen stellen, nog den troon had kunnen
behouden. Genoeg zij het, ons hier te herinneren,
hoe, niettegenstaande het veldheersgenie van
Napoleon, in dien veldtocht zoo schitterend
geopenbaard, niettegenstaande de weinige
eensgezindheid, die er heerschte in het kamp der
vredesvoorwaarden. De angst om het oude Frankrijk
binnen te trekken, was geweken. Zooals bekend is,
was dan ook in de laatste dagen van December 1813
het hoofdleger, het zoogenaamde leger van Bohemen,
onder den opperbevelhebber Schwartzenberg, den
Boven-Rijn overgetrokken, en was ditzelfde in de
eerste dagen van Januari 1814 onder Blücher, door
het zoogenaamde leger van Silezië aan den Midden-
Rijn geschied. Beide legers zouden, het eerste uit het
oosten, het tweede uit het noorden, in de richting van
Parijs optrekken.
Het ligt buiten mijn bestek, den veldtocht te
schetsen, die in de eerste maanden van 1814 in
Frankrijks velden, aan Seine en Marne, met
afwisselend geluk gevoerd werd, of mij te verdiepen
in den vruchteloozen afloop van het congres van
Châtillon (3 Febr.–15 Maart 1814), waardoor
Napoleon, had hij zich met Frankrijks oude grenzen
tevreden willen stellen, nog den troon had kunnen
behouden. Genoeg zij het, ons hier te herinneren,
hoe, niettegenstaande het veldheersgenie van
Napoleon, in dien veldtocht zoo schitterend
geopenbaard, niettegenstaande de weinige
eensgezindheid, die er heerschte in het kamp der
Page 242
geallieerden, hij ten slotte voor de overmacht moest
bukken, hoe eindelijk den 30sten Maart 1814 Parijs
werd ingenomen, en die inneming gevolgd werd door
den val des Keizers en door het wederoptreden der
Bourbons.
In die dagen van strijd en onderhandelingen werd
de vraag beslist, die ons hier bezig houdt. Toen Lord
Castlereagh Bazel bereikte, waren de Keizer van
Oostenrijk en de Koning van Pruisen met hunne
ministers Metternich en Hardenberg nog aldaar,
terwijl Keizer Alexander, op dat oogenblik de
invloedrijkste der souvereinen, zich reeds met
Nesselrode op Frankrijks grondgebied bevond, waar
hij eenige dagen later door Lord Castlereagh te
Langres werd aangetroffen. De Engelsche minister
maakte geen geheim van de bestaande plannen. Men
schijnt in Engeland gevreesd te hebben, dat het
voorgenomen huwelijk aanstoot zou verwekken;
doch die vrees bleek ijdel te zijn, wellicht ook ten
gevolge van de verzekering, dat er maatregelen
zouden worden genomen, om de vereeniging der
beide kronen op één hoofd te beletten 366). Wat de
uitbreiding van Holland betreft, bij nota van 27
Januari 1814 367), aan de Ministers der drie
geallieerde mogendheden door Lord Castlereagh ter
bukken, hoe eindelijk den 30sten Maart 1814 Parijs
werd ingenomen, en die inneming gevolgd werd door
den val des Keizers en door het wederoptreden der
Bourbons.
In die dagen van strijd en onderhandelingen werd
de vraag beslist, die ons hier bezig houdt. Toen Lord
Castlereagh Bazel bereikte, waren de Keizer van
Oostenrijk en de Koning van Pruisen met hunne
ministers Metternich en Hardenberg nog aldaar,
terwijl Keizer Alexander, op dat oogenblik de
invloedrijkste der souvereinen, zich reeds met
Nesselrode op Frankrijks grondgebied bevond, waar
hij eenige dagen later door Lord Castlereagh te
Langres werd aangetroffen. De Engelsche minister
maakte geen geheim van de bestaande plannen. Men
schijnt in Engeland gevreesd te hebben, dat het
voorgenomen huwelijk aanstoot zou verwekken;
doch die vrees bleek ijdel te zijn, wellicht ook ten
gevolge van de verzekering, dat er maatregelen
zouden worden genomen, om de vereeniging der
beide kronen op één hoofd te beletten 366). Wat de
uitbreiding van Holland betreft, bij nota van 27
Januari 1814 367), aan de Ministers der drie
geallieerde mogendheden door Lord Castlereagh ter
Page 243
hand gesteld, werd de wenschelijkheid daarvan
aangewezen en tegelijk er op aangedrongen, dat de
Souvereine Vorst zoude worden belast met het
bestuur over België, althans over een gedeelte
daarvan, en dat de heer van Spaen, die als
gemachtigde van den Souvereinen Vorst in het
hoofdkwartier aanwezig was, zoude worden
opgenomen in de centrale commissie voor de
administratie der op den vijand heroverde landen 368).
Lord Castlereagh wenschte die zaak dadelijk in
beginsel beslist te zien. Hij, die de bondgenooten,
hangende het congres van Châtillon, wist te bewegen,
door het tractaat den 1sten Maart 1814 te Chaumont
gesloten, de handen nauwer ineen te slaan, en zich,
voor het geval Frankrijk de vredesvoorwaarden
weigerde, gedurende een tijdvak van twintig jaren ter
handhaving van het Europeesch evenwicht te
verbinden; hij maakte van diezelfde gelegenheid
gebruik, om van de bondgenooten eene verklaring uit
te lokken over de vereeniging van Holland met
België. Oostenrijk had van den aanvang af geen
bezwaar gezien in dit plan. Het bleef aan uitbreiding
naar het zuiden boven het verwijderde België de
voorkeur geven; het zag bovendien zelf in, dat het
belang van Europa het bestaan van België als
aangewezen en tegelijk er op aangedrongen, dat de
Souvereine Vorst zoude worden belast met het
bestuur over België, althans over een gedeelte
daarvan, en dat de heer van Spaen, die als
gemachtigde van den Souvereinen Vorst in het
hoofdkwartier aanwezig was, zoude worden
opgenomen in de centrale commissie voor de
administratie der op den vijand heroverde landen 368).
Lord Castlereagh wenschte die zaak dadelijk in
beginsel beslist te zien. Hij, die de bondgenooten,
hangende het congres van Châtillon, wist te bewegen,
door het tractaat den 1sten Maart 1814 te Chaumont
gesloten, de handen nauwer ineen te slaan, en zich,
voor het geval Frankrijk de vredesvoorwaarden
weigerde, gedurende een tijdvak van twintig jaren ter
handhaving van het Europeesch evenwicht te
verbinden; hij maakte van diezelfde gelegenheid
gebruik, om van de bondgenooten eene verklaring uit
te lokken over de vereeniging van Holland met
België. Oostenrijk had van den aanvang af geen
bezwaar gezien in dit plan. Het bleef aan uitbreiding
naar het zuiden boven het verwijderde België de
voorkeur geven; het zag bovendien zelf in, dat het
belang van Europa het bestaan van België als
Page 244
zelfstandige Staat onder een Oostenrijksch prins
onmogelijk maakte. Ook Pruisen had tegen het
beginsel der vereeniging geene bezwaren. Zijne
bedenkingen betroffen alleen de vraag, of het nieuwe
rijk zich nog verder zoude uitstrekken dan de Maas,
daar Pruisen zelf waarschijnlijk het grondgebied
tusschen Maas en Moezel zoude erlangen, en voor
dat geval tevens aanspraak maakte op de landen
tusschen den rechteroever van de Maas en den
Rijn 369). De grootste moeilijkheden kwamen echter
van de zijde van Rusland. Dit rijk had indertijd door
tusschenkomst van het huis Hope in Holland eene
leening gesloten van ruim 88 millioen gulden,
waarop nog slechts zeer weinig was afgelost.
Ruslands financiën waren in een berooiden
toestand 370). Reeds in 1812, nadat de
vriendschapsbetrekkingen tusschen Engeland en
Rusland weder hersteld waren, had Rusland een
vruchtelooze poging bij Engeland gedaan, om door
dit rijk die schuld te doen overnemen 371). De
Engelsche regeering was waarlijk nooit karig geweest
in het verleenen van subsidiën om zijne
bondgenooten in staat te stellen oorlog te voeren: ook
in het tractaat van Chaumont zoude Engeland
daarvan weder de bewijzen geven; maar voor de
onmogelijk maakte. Ook Pruisen had tegen het
beginsel der vereeniging geene bezwaren. Zijne
bedenkingen betroffen alleen de vraag, of het nieuwe
rijk zich nog verder zoude uitstrekken dan de Maas,
daar Pruisen zelf waarschijnlijk het grondgebied
tusschen Maas en Moezel zoude erlangen, en voor
dat geval tevens aanspraak maakte op de landen
tusschen den rechteroever van de Maas en den
Rijn 369). De grootste moeilijkheden kwamen echter
van de zijde van Rusland. Dit rijk had indertijd door
tusschenkomst van het huis Hope in Holland eene
leening gesloten van ruim 88 millioen gulden,
waarop nog slechts zeer weinig was afgelost.
Ruslands financiën waren in een berooiden
toestand 370). Reeds in 1812, nadat de
vriendschapsbetrekkingen tusschen Engeland en
Rusland weder hersteld waren, had Rusland een
vruchtelooze poging bij Engeland gedaan, om door
dit rijk die schuld te doen overnemen 371). De
Engelsche regeering was waarlijk nooit karig geweest
in het verleenen van subsidiën om zijne
bondgenooten in staat te stellen oorlog te voeren: ook
in het tractaat van Chaumont zoude Engeland
daarvan weder de bewijzen geven; maar voor de
Page 245
overneming van eene bestaande schuld bestonden
geene antecedenten. Toch kwam Ruslands minister
Nesselrode bij deze gelegenheid er op terug en wilde
aan zijne toestemming de voorwaarde verbinden, dat
Engeland en Holland de schuld voor hunne rekening
zouden nemen. Wat nu te doen? Het zou zijn eene
vergoeding voor de opofferingen, door Rusland
gedaan. Maar hadden Oostenrijk en Pruisen dan ook
niet dezelfde aanspraak op dergelijke vergoeding? En
wanneer ook al deze beide mogendheden er geen
bezwaar in mochten zien, dat alleen Rusland
geldelijke tegemoetkoming ontving, hoe dit voor het
Parlement te verdedigen? Van de andere zijde
wenschte Lord Castlereagh met den machtigen
Keizer aller Russen op een goeden voet te blijven;
vooral ook Ruslands geldelijk belang te verbinden
aan de vereeniging van België met Holland. Hij voor
zich zag er geen groot bezwaar in, dat althans van 2/3
der schuld Engeland en Holland de interest en
jaarlijks eene zekere som voor amortisatie zouden
betalen. Holland, voor hetwelk men die rijke
gewesten zoude hebben veroverd, mocht ⅓ der
schuld wel overnemen. Toch deinsde Lord
Castlereagh voor eene uitdrukkelijke verbintenis
terug; Rusland moest vertrouwen stellen in de
geene antecedenten. Toch kwam Ruslands minister
Nesselrode bij deze gelegenheid er op terug en wilde
aan zijne toestemming de voorwaarde verbinden, dat
Engeland en Holland de schuld voor hunne rekening
zouden nemen. Wat nu te doen? Het zou zijn eene
vergoeding voor de opofferingen, door Rusland
gedaan. Maar hadden Oostenrijk en Pruisen dan ook
niet dezelfde aanspraak op dergelijke vergoeding? En
wanneer ook al deze beide mogendheden er geen
bezwaar in mochten zien, dat alleen Rusland
geldelijke tegemoetkoming ontving, hoe dit voor het
Parlement te verdedigen? Van de andere zijde
wenschte Lord Castlereagh met den machtigen
Keizer aller Russen op een goeden voet te blijven;
vooral ook Ruslands geldelijk belang te verbinden
aan de vereeniging van België met Holland. Hij voor
zich zag er geen groot bezwaar in, dat althans van 2/3
der schuld Engeland en Holland de interest en
jaarlijks eene zekere som voor amortisatie zouden
betalen. Holland, voor hetwelk men die rijke
gewesten zoude hebben veroverd, mocht ⅓ der
schuld wel overnemen. Toch deinsde Lord
Castlereagh voor eene uitdrukkelijke verbintenis
terug; Rusland moest vertrouwen stellen in de
Page 246
mildheid van de Engelsche regeering 372). En zoo
werd eindelijk ook door Rusland het stuk geteekend.
Want bij gelegenheid van het verdrag van Chaumont
is er ook eene schriftuur opgemaakt over die
vereeniging. Lord Castlereagh zelf noemt het eene
conventie 373). Wat er in stond, is niet bekend. Uit
hetgeen later is voorgevallen op het Congres van
Weenen, blijkt echter, dat men aan België eene
grootere uitbreiding wilde geven, dan later heeft
plaats gevonden, ja dat Aken en Keulen er bij zouden
worden gevoegd 374). Zoo zoude dan de wensch van
den Souvereinen Vorst worden vervuld. Kon Lord
Clancarty reeds in Februari 1814 op grond van
berichten van Castlereagh ontvangen, den Vorst
mededeelen dat hij vrij zeker op België tot aan de
Maas konde rekenen 375), zoolang er echter geene
uitdrukkelijke verbintenis was aangegaan, had de
hoop nog kunnen worden verijdeld. Doch nu was de
zaak zoo goed als zeker. En niet alleen België tot aan
de Maas, maar zelfs een deel van het grondgebied
aan den rechteroever der Maas zoude hem worden
toegekend. Ook werd zijne vreugde niet vergald door
het gevaar, dat hem wegens de Russische schuld
boven het hoofd hing. De Engelsche minister
begreep, dat de Souvereine Vorst daarvan vooreerst
werd eindelijk ook door Rusland het stuk geteekend.
Want bij gelegenheid van het verdrag van Chaumont
is er ook eene schriftuur opgemaakt over die
vereeniging. Lord Castlereagh zelf noemt het eene
conventie 373). Wat er in stond, is niet bekend. Uit
hetgeen later is voorgevallen op het Congres van
Weenen, blijkt echter, dat men aan België eene
grootere uitbreiding wilde geven, dan later heeft
plaats gevonden, ja dat Aken en Keulen er bij zouden
worden gevoegd 374). Zoo zoude dan de wensch van
den Souvereinen Vorst worden vervuld. Kon Lord
Clancarty reeds in Februari 1814 op grond van
berichten van Castlereagh ontvangen, den Vorst
mededeelen dat hij vrij zeker op België tot aan de
Maas konde rekenen 375), zoolang er echter geene
uitdrukkelijke verbintenis was aangegaan, had de
hoop nog kunnen worden verijdeld. Doch nu was de
zaak zoo goed als zeker. En niet alleen België tot aan
de Maas, maar zelfs een deel van het grondgebied
aan den rechteroever der Maas zoude hem worden
toegekend. Ook werd zijne vreugde niet vergald door
het gevaar, dat hem wegens de Russische schuld
boven het hoofd hing. De Engelsche minister
begreep, dat de Souvereine Vorst daarvan vooreerst
Page 247
onkundig moest worden gelaten 376). Op een ander
punt echter werd de Souvereine Vorst teleurgesteld.
Zijn gemachtigde werd wel toegelaten in de centrale
commissie, maar het bestuur over België of een
gedeelte er van werd hem nog niet toevertrouwd. De
zaak was deze. Men had de tot het leger van
Bernadotte, het zoogenaamde noorderleger,
behoorende korpsen van Bülow en Wintzingerode,
die over Holland en België de Fransche grenzen
waren genaderd, in 't laatst van Februari 1814 onder
het opperbevel van Blücher geplaatst, ten einde
Napoleon, wiens kansen op dat oogenblik gunstig
stonden, met te meer kracht te doen aantasten. Om
Bernadotte hierdoor niet te ontstemmen, werd deze
uitgenoodigd het oppercommando op zich te nemen
van een groot leger in de Nederlanden. Het zou
bestaan, behalve uit het overgebleven deel van het
noorderleger, uit legercorpsen, door Engeland
gevormd of gesubsidieerd, benevens uit Hollandsche
corpsen 377). Met dat aan den Kroonprins van Zweden
in België toe te kennen militair gezag was, naar ik
gis, bezwaarlijk te rijmen de opdracht van het bestuur
aan den Souvereinen Vorst. Er moest dus op eene
andere wijze voor het bestuur over België gezorgd
punt echter werd de Souvereine Vorst teleurgesteld.
Zijn gemachtigde werd wel toegelaten in de centrale
commissie, maar het bestuur over België of een
gedeelte er van werd hem nog niet toevertrouwd. De
zaak was deze. Men had de tot het leger van
Bernadotte, het zoogenaamde noorderleger,
behoorende korpsen van Bülow en Wintzingerode,
die over Holland en België de Fransche grenzen
waren genaderd, in 't laatst van Februari 1814 onder
het opperbevel van Blücher geplaatst, ten einde
Napoleon, wiens kansen op dat oogenblik gunstig
stonden, met te meer kracht te doen aantasten. Om
Bernadotte hierdoor niet te ontstemmen, werd deze
uitgenoodigd het oppercommando op zich te nemen
van een groot leger in de Nederlanden. Het zou
bestaan, behalve uit het overgebleven deel van het
noorderleger, uit legercorpsen, door Engeland
gevormd of gesubsidieerd, benevens uit Hollandsche
corpsen 377). Met dat aan den Kroonprins van Zweden
in België toe te kennen militair gezag was, naar ik
gis, bezwaarlijk te rijmen de opdracht van het bestuur
aan den Souvereinen Vorst. Er moest dus op eene
andere wijze voor het bestuur over België gezorgd
Page 248
worden. Dit noopt ons een blik te slaan op België
zelf.
Wat was er met België gebeurd, sedert de
geallieerden over den Rijn waren getrokken? België
was niet opgestaan. Wanneer het dit ook al gewild
had, zoude België er dan de kracht toe hebben
bezeten? Terwijl ons vaderland op den aantocht der
geallieerden langzamerhand van Fransche
legerbenden ontbloot werd, bleef België geheel in de
macht des Keizers. België werd dan ook in
letterlijken zin door de geallieerden veroverd. Het
waren de corpsen van het leger van het noorden,
onder Wintzingerode, Bülow en den regeerenden
Hertog van Saxen-Weimar, die deze taak vervulden.
Den 8sten Februari 1814 werd Brussel bezet. Spoedig
daarop was het grootste gedeelte van België niet
meer in de handen van Frankrijk. Het bestuur werd
geplaatst in handen van twee Commissarissen-
Generaal der geallieerden, Graaf van Lottum en
Delius, terwijl onder hen een Belg, de Hertog de
Beaufort, tot Gouverneur-Generaal werd
aangesteld 378). De geallieerden traden echter
oorspronkelijk als bevrijders en niet als overwinnaars
op. En zoo laat het zich verklaren, dat de Belgen
werden uitgenoodigd, hunne wenschen betrekkelijk
zelf.
Wat was er met België gebeurd, sedert de
geallieerden over den Rijn waren getrokken? België
was niet opgestaan. Wanneer het dit ook al gewild
had, zoude België er dan de kracht toe hebben
bezeten? Terwijl ons vaderland op den aantocht der
geallieerden langzamerhand van Fransche
legerbenden ontbloot werd, bleef België geheel in de
macht des Keizers. België werd dan ook in
letterlijken zin door de geallieerden veroverd. Het
waren de corpsen van het leger van het noorden,
onder Wintzingerode, Bülow en den regeerenden
Hertog van Saxen-Weimar, die deze taak vervulden.
Den 8sten Februari 1814 werd Brussel bezet. Spoedig
daarop was het grootste gedeelte van België niet
meer in de handen van Frankrijk. Het bestuur werd
geplaatst in handen van twee Commissarissen-
Generaal der geallieerden, Graaf van Lottum en
Delius, terwijl onder hen een Belg, de Hertog de
Beaufort, tot Gouverneur-Generaal werd
aangesteld 378). De geallieerden traden echter
oorspronkelijk als bevrijders en niet als overwinnaars
op. En zoo laat het zich verklaren, dat de Belgen
werden uitgenoodigd, hunne wenschen betrekkelijk
Page 249
de toekomst van hun land bekend te maken in het
hoofdkwartier. Vijf en twintig aanzienlijke Belgen
waren den 12den Februari 1814 opgeroepen eene
deputatie te dien einde te verkiezen. De keuze viel op
den Hertog van Beaufort, den Markies d'Assche en
den Markies de Chasteler; zij zouden worden
bijgestaan door den Pensionaris der Staten van
Brabant vóór de Revolutie, de Jonghe 379). Zij
muntten, om de taal van de Engelsche diplomatie dier
dagen te gebruiken, allen uit door de zuiverheid
hunner staatkundige beginselen; dat is, zij waren
voorstanders van het oude regime. De heeren trokken
op naar het hoofdkwartier, om de vervulling van
België's wenschen te verkrijgen. Wat waren echter
die wenschen? Zoodra—wat uit den aard der zaak het
geval was—de vereeniging met Frankrijk wegviel,
lag het voor de hand, dat, evenals ten onzent het huis
van Oranje was teruggekeerd, de aandacht allereerst
op het Oostenrijksche Keizershuis gevestigd werd.
Niet het minst voorzeker was de terugkeer van dit
huis het verlangen van de op dat oogenblik
bovendrijvende richting, waartoe de deputatie
behoorde 380). Toen zij in het hoofdkwartier
aankwam, was echter de zaak, waarvoor zij op reis
was gegaan, reeds beslist; men kon haar mededeelen,
hoofdkwartier. Vijf en twintig aanzienlijke Belgen
waren den 12den Februari 1814 opgeroepen eene
deputatie te dien einde te verkiezen. De keuze viel op
den Hertog van Beaufort, den Markies d'Assche en
den Markies de Chasteler; zij zouden worden
bijgestaan door den Pensionaris der Staten van
Brabant vóór de Revolutie, de Jonghe 379). Zij
muntten, om de taal van de Engelsche diplomatie dier
dagen te gebruiken, allen uit door de zuiverheid
hunner staatkundige beginselen; dat is, zij waren
voorstanders van het oude regime. De heeren trokken
op naar het hoofdkwartier, om de vervulling van
België's wenschen te verkrijgen. Wat waren echter
die wenschen? Zoodra—wat uit den aard der zaak het
geval was—de vereeniging met Frankrijk wegviel,
lag het voor de hand, dat, evenals ten onzent het huis
van Oranje was teruggekeerd, de aandacht allereerst
op het Oostenrijksche Keizershuis gevestigd werd.
Niet het minst voorzeker was de terugkeer van dit
huis het verlangen van de op dat oogenblik
bovendrijvende richting, waartoe de deputatie
behoorde 380). Toen zij in het hoofdkwartier
aankwam, was echter de zaak, waarvoor zij op reis
was gegaan, reeds beslist; men kon haar mededeelen,
Page 250
dat Oostenrijk zelf België niet terug verlangde; men
bracht haar onder het oog, dat het niet aanging,
België als afzonderlijk rijk onder een Oostenrijksch
prins op zich zelf te laten staan; men kon de deputatie
zelve het besluit laten trekken, dat er dus niets anders
overbleef dan de oplossing in een grooter geheel, en
dat dit zoowel voor de zekerheid van België als voor
het belang van Europa geëischt werd 381). Ik durf niet
beslissen, of men der deputatie uitdrukkelijk gezegd
heeft, dat tot de vereeniging van al de Nederlandsche
gewesten besloten was; toch was die heeren er op
gewezen, dat het ten slotte daarop moest uitloopen.
Om echter den overgang voor de Belgen te
veraangenamen, begreep men, nu het oogenblik voor
de optreding van den Souvereinen Vorst nog niet was
aangebroken, het bestuur van België te moeten
plaatsen in handen van een Gouverneur-Generaal,
door den Keizer van Oostenrijk benoemd. Het
bestuur over België, eerst in handen van de twee
Commissarissen, van Lottum en Delius, was den
23sten Maart 1814 overgegaan op den Baron van
Horst, tot Gouverneur-Generaal door de centrale
commissie aangesteld 382). Deze trad echter af den
5den Mei 1814, om plaats te maken voor den Baron
de Vincent, Luitenant-Generaal in Oostenrijkschen
bracht haar onder het oog, dat het niet aanging,
België als afzonderlijk rijk onder een Oostenrijksch
prins op zich zelf te laten staan; men kon de deputatie
zelve het besluit laten trekken, dat er dus niets anders
overbleef dan de oplossing in een grooter geheel, en
dat dit zoowel voor de zekerheid van België als voor
het belang van Europa geëischt werd 381). Ik durf niet
beslissen, of men der deputatie uitdrukkelijk gezegd
heeft, dat tot de vereeniging van al de Nederlandsche
gewesten besloten was; toch was die heeren er op
gewezen, dat het ten slotte daarop moest uitloopen.
Om echter den overgang voor de Belgen te
veraangenamen, begreep men, nu het oogenblik voor
de optreding van den Souvereinen Vorst nog niet was
aangebroken, het bestuur van België te moeten
plaatsen in handen van een Gouverneur-Generaal,
door den Keizer van Oostenrijk benoemd. Het
bestuur over België, eerst in handen van de twee
Commissarissen, van Lottum en Delius, was den
23sten Maart 1814 overgegaan op den Baron van
Horst, tot Gouverneur-Generaal door de centrale
commissie aangesteld 382). Deze trad echter af den
5den Mei 1814, om plaats te maken voor den Baron
de Vincent, Luitenant-Generaal in Oostenrijkschen
Page 251
dienst, door Keizer Frans reeds den 29sten Maart
1814 daarvoor aangewezen 383). Mocht ook al
Hogendorp bevreesd zijn, dat uit die benoeming in
België de verkeerde gevolgtrekking kon worden
gemaakt, dat Oostenrijk zich toch ten slotte weder
met België zouden willen belasten, bij nader inzien
moet men er eerder het tegenovergestelde uit
afleiden. De Baron de Vincent gaf duidelijk te
kennen, dat het niet het oude voor-revolutionair
bestuur was, 't welk zijne plaats weder innam, maar
dat de Keizer van Oostenrijk slechts uitvoering gaf
aan een besluit, door de bondgenooten genomen,
zoodat ook België zoude bestuurd blijven in den
naam van de geallieerden. Er lag tevens eene
vingerwijzing naar de vereeniging met Holland in de
omstandigheid, dat niet alleen de bondgenooten elk
een Commissaris benoemden bij den Gouverneur-
Generaal, maar dat ditzelfde ook toegestaan werd aan
den Souvereinen Vorst 384). Eindelijk nog verdient het
opmerking, dat de Baron de Vincent niet alleen het
bestuur aanvaardde over België, maar ook over het
daarmede in éénen adem genoemde land van Luik.
Dit was de toestand, toen twee maanden na de
inneming van Parijs, den 30sten Mei 1814, het
tractaat tusschen Frankrijk en de geallieerden
1814 daarvoor aangewezen 383). Mocht ook al
Hogendorp bevreesd zijn, dat uit die benoeming in
België de verkeerde gevolgtrekking kon worden
gemaakt, dat Oostenrijk zich toch ten slotte weder
met België zouden willen belasten, bij nader inzien
moet men er eerder het tegenovergestelde uit
afleiden. De Baron de Vincent gaf duidelijk te
kennen, dat het niet het oude voor-revolutionair
bestuur was, 't welk zijne plaats weder innam, maar
dat de Keizer van Oostenrijk slechts uitvoering gaf
aan een besluit, door de bondgenooten genomen,
zoodat ook België zoude bestuurd blijven in den
naam van de geallieerden. Er lag tevens eene
vingerwijzing naar de vereeniging met Holland in de
omstandigheid, dat niet alleen de bondgenooten elk
een Commissaris benoemden bij den Gouverneur-
Generaal, maar dat ditzelfde ook toegestaan werd aan
den Souvereinen Vorst 384). Eindelijk nog verdient het
opmerking, dat de Baron de Vincent niet alleen het
bestuur aanvaardde over België, maar ook over het
daarmede in éénen adem genoemde land van Luik.
Dit was de toestand, toen twee maanden na de
inneming van Parijs, den 30sten Mei 1814, het
tractaat tusschen Frankrijk en de geallieerden
Page 252
gesloten werd. In art. 6 van het tractaat werd
bevestigd, wat tusschen Engeland en zijne
bondgenooten vroeger was overeengekomen.
Holland, geplaatst onder de souvereiniteit van het
huis van Oranje, zoude eene aanwinst van
grondgebied erlangen. Met het oog op het
voorgenomen huwelijk van den Erfprins met prinses
Charlotte, werd tevens bepaald, dat de Souverein van
Nederland geene vreemde kroon zoude mogen
dragen. Antwerpen zou, volgens art. 15, voortaan
alleen port de commerce zijn. Was dit alles? Was
alles verder overgelaten aan de nadere regeling, te
maken op het Congres, dat, volgens art. 32 van het
tractaat, te Weenen zoude bijeenkomen? Geenszins.
Men begreep zooveel mogelijk reeds dadelijk den
omvang van het nieuwe rijk te moeten bepalen. De
landen, gelegen tusschen de zee, de bij het tractaat
bepaalde grenzen van Frankrijk en de Maas, zouden
ten eeuwige dage met Holland vereenigd worden;
alleen over hetgeen tusschen de Maas en den Rijn
lag, zoude op het Congres nader worden beslist.
Echter werd uitdrukkelijk gezegd, dat de grenzen op
den rechter Maasoever geregeld zouden worden naar
de militaire behoeften van Holland en zijne naburen,
en dat de op Frankrijk heroverde landen op den linker
bevestigd, wat tusschen Engeland en zijne
bondgenooten vroeger was overeengekomen.
Holland, geplaatst onder de souvereiniteit van het
huis van Oranje, zoude eene aanwinst van
grondgebied erlangen. Met het oog op het
voorgenomen huwelijk van den Erfprins met prinses
Charlotte, werd tevens bepaald, dat de Souverein van
Nederland geene vreemde kroon zoude mogen
dragen. Antwerpen zou, volgens art. 15, voortaan
alleen port de commerce zijn. Was dit alles? Was
alles verder overgelaten aan de nadere regeling, te
maken op het Congres, dat, volgens art. 32 van het
tractaat, te Weenen zoude bijeenkomen? Geenszins.
Men begreep zooveel mogelijk reeds dadelijk den
omvang van het nieuwe rijk te moeten bepalen. De
landen, gelegen tusschen de zee, de bij het tractaat
bepaalde grenzen van Frankrijk en de Maas, zouden
ten eeuwige dage met Holland vereenigd worden;
alleen over hetgeen tusschen de Maas en den Rijn
lag, zoude op het Congres nader worden beslist.
Echter werd uitdrukkelijk gezegd, dat de grenzen op
den rechter Maasoever geregeld zouden worden naar
de militaire behoeften van Holland en zijne naburen,
en dat de op Frankrijk heroverde landen op den linker
Page 253
Rijnoever zouden dienen tot vergrooting van Holland
en tot compensatie voor Pruisen en andere Duitsche
Staten. Men maakte echter bezwaar, dit alles op te
nemen in het openbaar te maken tractaat. Daarvoor
dienden de geheime artikelen (artt. 3 en 4). Ook de
bepaling, dat de Schelde vrij zoude zijn, dat is: dat zij
beheerscht zoude worden door het nieuwe recht der
Revolutie betrekkelijk de gemeenschappelijke
rivieren; ook deze bepaling vond in die geheime
artikelen hare plaats. Zoo was dan de vereeniging van
België en Holland opgenomen in het Europeesche
recht.
De omvang van het nieuwe rijk bleef dus naar de
oostzijde onbepaald. Hoever het rijk naar dien kant
zoude reiken, werd eerst geregeld in het tractaat, den
31sten Mei 1815 te Weenen tusschen Nederland en
de bondgenooten gesloten. Doch de nadere
omschrijving van het grondgebied was niet het
eenige, wat nog regeling vereischte. Onder welke
voorwaarden zoude de vereeniging plaats vinden? De
noordelijke en zuidelijke Nederlanden, in de 16e
eeuw voor een kort tijdsbestek onder één scepter
vereenigd, waren sedert ieder huns weegs gegaan. Zij
mochten nog één naam dragen; was er echter anders
tusschen beiden veel overeenkomst? Hier Noord-
en tot compensatie voor Pruisen en andere Duitsche
Staten. Men maakte echter bezwaar, dit alles op te
nemen in het openbaar te maken tractaat. Daarvoor
dienden de geheime artikelen (artt. 3 en 4). Ook de
bepaling, dat de Schelde vrij zoude zijn, dat is: dat zij
beheerscht zoude worden door het nieuwe recht der
Revolutie betrekkelijk de gemeenschappelijke
rivieren; ook deze bepaling vond in die geheime
artikelen hare plaats. Zoo was dan de vereeniging van
België en Holland opgenomen in het Europeesche
recht.
De omvang van het nieuwe rijk bleef dus naar de
oostzijde onbepaald. Hoever het rijk naar dien kant
zoude reiken, werd eerst geregeld in het tractaat, den
31sten Mei 1815 te Weenen tusschen Nederland en
de bondgenooten gesloten. Doch de nadere
omschrijving van het grondgebied was niet het
eenige, wat nog regeling vereischte. Onder welke
voorwaarden zoude de vereeniging plaats vinden? De
noordelijke en zuidelijke Nederlanden, in de 16e
eeuw voor een kort tijdsbestek onder één scepter
vereenigd, waren sedert ieder huns weegs gegaan. Zij
mochten nog één naam dragen; was er echter anders
tusschen beiden veel overeenkomst? Hier Noord-
Page 254
Nederland met zijn eigen taal en letterkunde, met zijn
Protestantsch karakter, bovenal op den handel en
scheepvaart als de hoofdbronnen zijner welvaart
gericht. Ginds België, door taal en zeden aan
Frankrijk verwant, Roomsch-Katholiek in zijn
godsdienst, in landbouw en fabriekwezen zijn
bestaan zoekende. En terwijl Noord-Nederland,
onder den invloed van zijn rijk verleden, met eene
zekere voornaamheid nederzag op België, dat nog
geene rol op het tooneel der wereld had gespeeld,
waren de herinneringen, die de handelspolitiek van
het noorden, in 't bijzonder de sluiting der Schelde in
België hadden achtergelaten, niet geschikt om die
vereeniging met Holland, en dat nog wel onder een
protestantsch Vorst, met ingenomenheid te
beschouwen. En hoewel de tijd er niet naar was, om
veel gewicht te hechten aan de wenschen der volken,
zoo konden toch de machthebbenden de oogen niet
sluiten voor de moeielijkheden, die deze vereeniging
in den weg stonden, eene vereeniging, waarbij een
grooter volk als aanhangsel aan een kleiner werd
toegevoegd. De diplomatie brak zich er het hoofd
mede. „Laat”, zoo schreef Lord Castlereagh aan Lord
Clancarty, den 16den Mei 1814 385), „laat de
Souvereine Vorst eene commissie benoemen, b.v. van
Protestantsch karakter, bovenal op den handel en
scheepvaart als de hoofdbronnen zijner welvaart
gericht. Ginds België, door taal en zeden aan
Frankrijk verwant, Roomsch-Katholiek in zijn
godsdienst, in landbouw en fabriekwezen zijn
bestaan zoekende. En terwijl Noord-Nederland,
onder den invloed van zijn rijk verleden, met eene
zekere voornaamheid nederzag op België, dat nog
geene rol op het tooneel der wereld had gespeeld,
waren de herinneringen, die de handelspolitiek van
het noorden, in 't bijzonder de sluiting der Schelde in
België hadden achtergelaten, niet geschikt om die
vereeniging met Holland, en dat nog wel onder een
protestantsch Vorst, met ingenomenheid te
beschouwen. En hoewel de tijd er niet naar was, om
veel gewicht te hechten aan de wenschen der volken,
zoo konden toch de machthebbenden de oogen niet
sluiten voor de moeielijkheden, die deze vereeniging
in den weg stonden, eene vereeniging, waarbij een
grooter volk als aanhangsel aan een kleiner werd
toegevoegd. De diplomatie brak zich er het hoofd
mede. „Laat”, zoo schreef Lord Castlereagh aan Lord
Clancarty, den 16den Mei 1814 385), „laat de
Souvereine Vorst eene commissie benoemen, b.v. van
Page 255
drie Hollanders en drie Belgen, om een project voor
de vereeniging op te maken, hetwelk aan de
goedkeuring van de Souvereinen kan worden
onderworpen.” Dit denkbeeld lachte echter onze
staatslieden niet toe. Men duide hun dit niet ten
kwade. Het was vooruit te zien, niet alleen dat langs
dezen weg de zaak op de lange baan zoude worden
geschoven, maar bovendien, dat wat de Belgen,
vooral die van de bovendrijvende richting,
wenschten, onmogelijk kon worden ingewilligd. Voor
zoover hierover nog twijfel mocht hebben bestaan, de
Nederlandsche regeering was door haren
commissaris bij den baron de Vincent voldoende op
de hoogte gebracht van de stemming in België. Die
commissaris was G. A. G. P. baron van der Capellen.
In 1778 uit een patriotsch geslacht geboren, zoon van
een slachtoffer der gebeurtenissen van 1787, had hij
posten bekleed onder de Bataafsche Republiek; als
Landdrost van Oost-Friesland en vervolgens als
Minister van Binnenlandsche Zaken in dienst van
Koning Lodewijk gestaan, ja had hij dezen Vorst na
zijnen val te Gratz bezocht, om eerst na de bevrijding
in ons vaderland terug te keeren. Wij zien hem
dadelijk optreden als Commissaris in het departement
der Zuiderzee; kort daarop, na de invoering der
de vereeniging op te maken, hetwelk aan de
goedkeuring van de Souvereinen kan worden
onderworpen.” Dit denkbeeld lachte echter onze
staatslieden niet toe. Men duide hun dit niet ten
kwade. Het was vooruit te zien, niet alleen dat langs
dezen weg de zaak op de lange baan zoude worden
geschoven, maar bovendien, dat wat de Belgen,
vooral die van de bovendrijvende richting,
wenschten, onmogelijk kon worden ingewilligd. Voor
zoover hierover nog twijfel mocht hebben bestaan, de
Nederlandsche regeering was door haren
commissaris bij den baron de Vincent voldoende op
de hoogte gebracht van de stemming in België. Die
commissaris was G. A. G. P. baron van der Capellen.
In 1778 uit een patriotsch geslacht geboren, zoon van
een slachtoffer der gebeurtenissen van 1787, had hij
posten bekleed onder de Bataafsche Republiek; als
Landdrost van Oost-Friesland en vervolgens als
Minister van Binnenlandsche Zaken in dienst van
Koning Lodewijk gestaan, ja had hij dezen Vorst na
zijnen val te Gratz bezocht, om eerst na de bevrijding
in ons vaderland terug te keeren. Wij zien hem
dadelijk optreden als Commissaris in het departement
der Zuiderzee; kort daarop, na de invoering der
Page 256
Grondwet van 1814, als Secretaris van Staat voor
Koophandel en Koloniën. En dit alles
niettegenstaande zijne antecedenten en die van zijn
geslacht; niettegenstaande de Souvereine Vorst hem
nooit gezien had; alleen door den invloed van Falck,
die van der Capellen hoogschatte en vereerde 386). Op
dezen man, die bij de organisatie van Oost-Friesland
de genegenheid der bevolking aldaar had weten te
winnen, was voor deze moeilijke en kiesche zending
de keus gevallen 387). Wanneer men nu de
briefwisseling door van der Capellen in Mei 1814
met onzen Minister van Buitenlandsche Zaken, van
Nagell tot Ampsen gevoerd, naleest 388), dan springt
het in 't oog, welke bezwaren het zoude inhebben,
België te verzoenen met de vereeniging. Weg te
nemen was de slechte indruk, verwekt doordat de
Souverein gepoogd had, het Belgische gepeupel te
zijnen gunste te stemmen, en eene beweging voor de
vereeniging te doen ontstaan. Had dit hem in der tijd
eene berisping van de Engelsche diplomatie
berokkend, ook in België had dit eene zeer
onaangename stemming teweeggebracht 389). Maar
dit was niet het voorname struikelblok, dat uit den
weg geruimd moest worden. Men zoude de Belgen
zeer gunstig stemmen, zeide Vincent, wanneer het
Koophandel en Koloniën. En dit alles
niettegenstaande zijne antecedenten en die van zijn
geslacht; niettegenstaande de Souvereine Vorst hem
nooit gezien had; alleen door den invloed van Falck,
die van der Capellen hoogschatte en vereerde 386). Op
dezen man, die bij de organisatie van Oost-Friesland
de genegenheid der bevolking aldaar had weten te
winnen, was voor deze moeilijke en kiesche zending
de keus gevallen 387). Wanneer men nu de
briefwisseling door van der Capellen in Mei 1814
met onzen Minister van Buitenlandsche Zaken, van
Nagell tot Ampsen gevoerd, naleest 388), dan springt
het in 't oog, welke bezwaren het zoude inhebben,
België te verzoenen met de vereeniging. Weg te
nemen was de slechte indruk, verwekt doordat de
Souverein gepoogd had, het Belgische gepeupel te
zijnen gunste te stemmen, en eene beweging voor de
vereeniging te doen ontstaan. Had dit hem in der tijd
eene berisping van de Engelsche diplomatie
berokkend, ook in België had dit eene zeer
onaangename stemming teweeggebracht 389). Maar
dit was niet het voorname struikelblok, dat uit den
weg geruimd moest worden. Men zoude de Belgen
zeer gunstig stemmen, zeide Vincent, wanneer het
Page 257
niet werd de vereeniging van België met Holland,
maar van Holland met België. Een verschil in
woorden, naar van der Capellen meende; dat echter
van gewicht was, omdat van de te kiezen uitdrukking
afhing, welk van beide deelen de hoofdzaak, welke
het toevoegsel zoude uitmaken. Het tractaat van
Parijs besliste, door in art. 6 te spreken van aanwinst
van grondgebied voor Holland, dit punt tegen den
wensch der Belgen. Eveneens zoude de vraag van de
opening der Schelde hare oplossing vinden in dit
tractaat. Maar twee punten waren er bovenal, die de
gemoederen in België verontrustten; de twee punten,
die overal het meeste gewicht in de schaal leggen: het
geld en de godsdienst. Terwijl Holland in de
vereeniging zoude treden, beladen met een zwaren
schuldenlast, was België zoo goed als daarvan
bevrijd. Eene samensmelting der schulden, en dus
gelijkheid van belastingen in noord en zuid, was een
punt van groot bezwaar. Van nog grooter gewicht
echter was het stuk van den godsdienst. Vooral op
een oogenblik toen uit den aard der zaak de oude
denkbeelden den boventoon voerden, denkbeelden
die zelfs de goedkeuring hadden verworven van hen,
die in naam der geallieerden België bestuurden. In
den brief, den 7den Maart 1814 onder uitdrukkelijke
maar van Holland met België. Een verschil in
woorden, naar van der Capellen meende; dat echter
van gewicht was, omdat van de te kiezen uitdrukking
afhing, welk van beide deelen de hoofdzaak, welke
het toevoegsel zoude uitmaken. Het tractaat van
Parijs besliste, door in art. 6 te spreken van aanwinst
van grondgebied voor Holland, dit punt tegen den
wensch der Belgen. Eveneens zoude de vraag van de
opening der Schelde hare oplossing vinden in dit
tractaat. Maar twee punten waren er bovenal, die de
gemoederen in België verontrustten; de twee punten,
die overal het meeste gewicht in de schaal leggen: het
geld en de godsdienst. Terwijl Holland in de
vereeniging zoude treden, beladen met een zwaren
schuldenlast, was België zoo goed als daarvan
bevrijd. Eene samensmelting der schulden, en dus
gelijkheid van belastingen in noord en zuid, was een
punt van groot bezwaar. Van nog grooter gewicht
echter was het stuk van den godsdienst. Vooral op
een oogenblik toen uit den aard der zaak de oude
denkbeelden den boventoon voerden, denkbeelden
die zelfs de goedkeuring hadden verworven van hen,
die in naam der geallieerden België bestuurden. In
den brief, den 7den Maart 1814 onder uitdrukkelijke
Page 258
goedkeuring van de commissarissen van Lottum en
Delius aan de Belgische geestelijkheid gezonden,
was met zooveel woorden verklaard, dat de
verhouding tusschen den Staat en de Roomsch-
Katholieke kerk zoude geregeld worden naar het
kanonieke recht en de oude constitutioneele wetten
van den lande 390). De handhaving dezer beginselen
was de wensch van allen, die onder den invloed der
geestelijkheid stonden. Zoude men hierop kunnen
rekenen onder een protestantsch Vorst, wien de
Grondwet bovendien in art. 139 het recht had
toegekend, toezicht op alle gezindten uit te oefenen?
Men maakte zich hierover ongerust, en voorzeker
niet ten onrechte. Indien er eenige waarheid is in het
vroeger door mij gezegde, was het niet minder
onmogelijk, in België de Roomsch-Katholieke kerk
als Staatskerk te herstellen, dan in het noorden de
Hervormde kerk. Althans zoo er van eene
vereeniging tusschen beide landen sprake zoude zijn.
Wat zoude bij dergelijke aanspraken het resultaat zijn
van eene gemengde uit Belgen en Hollanders te
benoemen commissie? Neen, laat ons gaan naar
Parijs, zullen de Souvereine Vorst, zijne rechterhand
Falck, en zijn beschermer Lord Clancarty tot
elkander gezegd hebben; laat ons zien de geallieerden
Delius aan de Belgische geestelijkheid gezonden,
was met zooveel woorden verklaard, dat de
verhouding tusschen den Staat en de Roomsch-
Katholieke kerk zoude geregeld worden naar het
kanonieke recht en de oude constitutioneele wetten
van den lande 390). De handhaving dezer beginselen
was de wensch van allen, die onder den invloed der
geestelijkheid stonden. Zoude men hierop kunnen
rekenen onder een protestantsch Vorst, wien de
Grondwet bovendien in art. 139 het recht had
toegekend, toezicht op alle gezindten uit te oefenen?
Men maakte zich hierover ongerust, en voorzeker
niet ten onrechte. Indien er eenige waarheid is in het
vroeger door mij gezegde, was het niet minder
onmogelijk, in België de Roomsch-Katholieke kerk
als Staatskerk te herstellen, dan in het noorden de
Hervormde kerk. Althans zoo er van eene
vereeniging tusschen beide landen sprake zoude zijn.
Wat zoude bij dergelijke aanspraken het resultaat zijn
van eene gemengde uit Belgen en Hollanders te
benoemen commissie? Neen, laat ons gaan naar
Parijs, zullen de Souvereine Vorst, zijne rechterhand
Falck, en zijn beschermer Lord Clancarty tot
elkander gezegd hebben; laat ons zien de geallieerden
Page 259
te bewegen, de voorwaarden der vereeniging
zelfstandig vast te stellen buiten de Belgen om. En
zoo werd even vóór de onderteekening van het
tractaat van Parijs tot de reis naar die stad
besloten 391); daar werd men het voorloopig eens over
de bekende acht artikelen, waaronder de vereeniging
tot stand zou komen. De vereeniging zoude zijn
„entière et complète”; het zoude één Staat zijn,
onderworpen aan de Hollandsche grondwet, die met
onderling overleg zou worden gewijzigd (art. 1). Op
het punt van den godsdienst echter werden de liberale
beginselen onzer grondwet als onvatbaar voor
wijziging verklaard (art. 2). Op het stuk der schuld
werd eveneens de knoop doorgehakt; de eenheid
zoude ook op dit punt gehuldigd worden (art. 6); eene
oplossing, die onzerzijds ook verdedigd kon worden
met te verwijzen naar de voordeelen, die België uit
den handel en de scheepvaart op onze koloniën zoude
kunnen trekken (art. 5), met te wijzen op de kosten
die het stichten van nieuwe en het onderhouden der
oude vestingen op de grenzen van België zouden
veroorzaken (art. 7). Er was echter één voornaam
punt, dat men niet durfde te beslissen: ik bedoel het
aandeel van beide deelen in de vertegenwoordiging.
Uitgaande van het beginsel „eener geheele en
zelfstandig vast te stellen buiten de Belgen om. En
zoo werd even vóór de onderteekening van het
tractaat van Parijs tot de reis naar die stad
besloten 391); daar werd men het voorloopig eens over
de bekende acht artikelen, waaronder de vereeniging
tot stand zou komen. De vereeniging zoude zijn
„entière et complète”; het zoude één Staat zijn,
onderworpen aan de Hollandsche grondwet, die met
onderling overleg zou worden gewijzigd (art. 1). Op
het punt van den godsdienst echter werden de liberale
beginselen onzer grondwet als onvatbaar voor
wijziging verklaard (art. 2). Op het stuk der schuld
werd eveneens de knoop doorgehakt; de eenheid
zoude ook op dit punt gehuldigd worden (art. 6); eene
oplossing, die onzerzijds ook verdedigd kon worden
met te verwijzen naar de voordeelen, die België uit
den handel en de scheepvaart op onze koloniën zoude
kunnen trekken (art. 5), met te wijzen op de kosten
die het stichten van nieuwe en het onderhouden der
oude vestingen op de grenzen van België zouden
veroorzaken (art. 7). Er was echter één voornaam
punt, dat men niet durfde te beslissen: ik bedoel het
aandeel van beide deelen in de vertegenwoordiging.
Uitgaande van het beginsel „eener geheele en
Page 260
volledige vereeniging der beide landen” (art. 1) en
van „de constitutioneele gelijkstelling hunner
bewoners” (art. 4), had men geen onderscheid
moeten maken tusschen Belgen en Hollanders, waar
het gold hun recht om vertegenwoordigers te kiezen.
Toch deinsden onze staatslieden er voor terug, om
aan België, in bevolking talrijker 392), dus een grooter
aandeel in de vertegenwoordiging toe te kennen. Men
behielp zich met de uitdrukking, dat de Belgische
provinciën „convenablement” zouden worden
vertegenwoordigd in de Staten-Generaal (art. 3). Dit
een en ander zoude de wet zijn, die aan de
vereeniging door de Bondgenooten—zooals het
heette—zoude worden opgelegd. Want mag men
Falck gelooven, dan waren die acht artikelen het
voortbrengsel zijner pen; was hij het, die ze de
geallieerden deed aannemen 393). Na dit werk
volbracht te hebben, keerde de Souvereine Vorst, in
hooge mate voldaan, uit Parijs terug; hij was echter,
zeide Lord Clancarty 394), als een jonge bruidegom,
die vurig verlangt in het bezit te komen van zijne
bruid. Zoude wellicht in Londen hiertoe de
toestemming worden gegeven?
Immers niet alleen de souvereinen van Rusland en
Pruisen, maar ook de eerste ministers der drie
van „de constitutioneele gelijkstelling hunner
bewoners” (art. 4), had men geen onderscheid
moeten maken tusschen Belgen en Hollanders, waar
het gold hun recht om vertegenwoordigers te kiezen.
Toch deinsden onze staatslieden er voor terug, om
aan België, in bevolking talrijker 392), dus een grooter
aandeel in de vertegenwoordiging toe te kennen. Men
behielp zich met de uitdrukking, dat de Belgische
provinciën „convenablement” zouden worden
vertegenwoordigd in de Staten-Generaal (art. 3). Dit
een en ander zoude de wet zijn, die aan de
vereeniging door de Bondgenooten—zooals het
heette—zoude worden opgelegd. Want mag men
Falck gelooven, dan waren die acht artikelen het
voortbrengsel zijner pen; was hij het, die ze de
geallieerden deed aannemen 393). Na dit werk
volbracht te hebben, keerde de Souvereine Vorst, in
hooge mate voldaan, uit Parijs terug; hij was echter,
zeide Lord Clancarty 394), als een jonge bruidegom,
die vurig verlangt in het bezit te komen van zijne
bruid. Zoude wellicht in Londen hiertoe de
toestemming worden gegeven?
Immers niet alleen de souvereinen van Rusland en
Pruisen, maar ook de eerste ministers der drie
Page 261
Oostersche mogendheden, Nesselrode, Metternich en
Hardenberg, hadden, evenals Castlereagh, in 't begin
van Juni Parijs verlaten, en waren naar Engeland
overgestoken. Daar was de zaak der vereeniging het
onderwerp van het bekende protocol van 21 Juni
1814 395). Het bezwaar, dat in Maart 1814
waarschijnlijk in den weg had gestaan, om den
Souvereinen Vorst het bestuur over België te geven,
was weggenomen. Reeds vóór den vrede van Parijs,
in 't laatst van April 1814, had het oppercommando
van Bernadotte opgehouden en was hij met zijne
Zweedsche troepen afgetrokken. Doch ook nu was
België nog niet van zijne bevrijders bevrijd. De
Pruisische troepen onder Bülow waren na Napoleon's
val weder in België teruggekomen, en behandelden
het, zonder zich om het gezag van Vincent te
bekommeren, geheel en al als een veroverd land 396).
Nu echter ook dezen in de maand Juni waren
weggetrokken, stond niets meer in den weg om het
bestuur van den Oostenrijkschen Gouverneur-
Generaal te doen overgaan op den Souvereinen Vorst.
Hiertoe strekte het protocol van 21 Juni 1814. Bij dit
protocol verklaarden de geallieerden, met het oog op
de vestiging van het Europeesch evenwicht en
krachtens hun recht van verovering, tot de
Hardenberg, hadden, evenals Castlereagh, in 't begin
van Juni Parijs verlaten, en waren naar Engeland
overgestoken. Daar was de zaak der vereeniging het
onderwerp van het bekende protocol van 21 Juni
1814 395). Het bezwaar, dat in Maart 1814
waarschijnlijk in den weg had gestaan, om den
Souvereinen Vorst het bestuur over België te geven,
was weggenomen. Reeds vóór den vrede van Parijs,
in 't laatst van April 1814, had het oppercommando
van Bernadotte opgehouden en was hij met zijne
Zweedsche troepen afgetrokken. Doch ook nu was
België nog niet van zijne bevrijders bevrijd. De
Pruisische troepen onder Bülow waren na Napoleon's
val weder in België teruggekomen, en behandelden
het, zonder zich om het gezag van Vincent te
bekommeren, geheel en al als een veroverd land 396).
Nu echter ook dezen in de maand Juni waren
weggetrokken, stond niets meer in den weg om het
bestuur van den Oostenrijkschen Gouverneur-
Generaal te doen overgaan op den Souvereinen Vorst.
Hiertoe strekte het protocol van 21 Juni 1814. Bij dit
protocol verklaarden de geallieerden, met het oog op
de vestiging van het Europeesch evenwicht en
krachtens hun recht van verovering, tot de
Page 262
vereeniging van België met Holland te besluiten. Zij
hoopten tevens door eene volkomene samensmelting
van Noord en Zuid het welzijn van beiden te
bevorderen, en meenden het middel daartoe te
vinden, door als grondslag te nemen de acht
bovenvermelde voorwaarden. Dat zij van onze zijde
waren in de pen gegeven, werd niet gezegd. Het
protocol hield integendeel in dat zij waren ontworpen
door Lord Clancarty en goedgekeurd door den
Souvereinen Vorst. Zoodra nu deze zoude hebben
voldaan aan de uitnoodiging om deze acht
voorwaarden ook formeel te bekrachtigen, zoude hij
een Gouverneur-Generaal kunnen aanstellen, die het
bestuur over België uit handen van Vincent zouden
kunnen overnemen. Lord Castlereagh, op wiens
aandrang ook dit protocol tot stand kwam 397),
meende, met dit te doen, zich gedragen te hebben „en
bon Hollandais” 398). Het was er echter ver van af, dat
de Souvereine Vorst dit met hem eens was. Hij zoude
wel in het bezit van België komen; hij zoude wel een
Gouverneur-Generaal kunnen aanstellen; maar het
bestuur zoude nog altijd uit naam der geallieerden
worden gevoerd. Het optreden als Souverein, de
vereeniging met Holland, moesten wachten op de
„arrangements”, te maken op het Congres te Weenen.
hoopten tevens door eene volkomene samensmelting
van Noord en Zuid het welzijn van beiden te
bevorderen, en meenden het middel daartoe te
vinden, door als grondslag te nemen de acht
bovenvermelde voorwaarden. Dat zij van onze zijde
waren in de pen gegeven, werd niet gezegd. Het
protocol hield integendeel in dat zij waren ontworpen
door Lord Clancarty en goedgekeurd door den
Souvereinen Vorst. Zoodra nu deze zoude hebben
voldaan aan de uitnoodiging om deze acht
voorwaarden ook formeel te bekrachtigen, zoude hij
een Gouverneur-Generaal kunnen aanstellen, die het
bestuur over België uit handen van Vincent zouden
kunnen overnemen. Lord Castlereagh, op wiens
aandrang ook dit protocol tot stand kwam 397),
meende, met dit te doen, zich gedragen te hebben „en
bon Hollandais” 398). Het was er echter ver van af, dat
de Souvereine Vorst dit met hem eens was. Hij zoude
wel in het bezit van België komen; hij zoude wel een
Gouverneur-Generaal kunnen aanstellen; maar het
bestuur zoude nog altijd uit naam der geallieerden
worden gevoerd. Het optreden als Souverein, de
vereeniging met Holland, moesten wachten op de
„arrangements”, te maken op het Congres te Weenen.
Page 263
Ik gis, dat de reden van dit uitstel voor een deel
gelegen was in de onmogelijkheid om nu reeds het
grondgebied van het nieuwe rijk te omschrijven. Het
stond vast, dat de Souvereine Vorst zoude heerschen
tot den linkeroever der Maas; hoever het gebied zich
aan de overzijde zoude uitstrekken, dit hing nog in de
lucht. Terwijl Pruisen zelfs er bezwaren in vond, het
gezag van den Souvereinen Vorst te erkennen over
die landen op den rechteroever, welke vóór de
Revolutie aan de Vereenigde Nederlanden hadden
behoord, moest toch ook Lord Castlereagh, hoewel
hij die bedenking niet deelde, inzien, dat de
beschikking over al het andere in verband stond met
de regeling der Europeesche aangelegenheden op het
Congres van Weenen, en dat men tot zoolang zich
tevreden moest stellen met het feitelijk bestuur.
Behalve dit punt was er nog één, dat de definitieve
afsluiting der zaak in den weg stond. Op het Congres
van Weenen zoude volgens het protocol, onder
bemiddeling van Engeland, onderhandeld worden
over de vorderingen der geallieerden ten laste van
Holland en België. Wat bedoelt men hiermede? vroeg
de Souvereine Vorst. En zoo werd hij eindelijk tot
zijne groote teleurstelling gewaar, dat Rusland van
deze gelegenheid wenschte gebruik te maken, om
gelegen was in de onmogelijkheid om nu reeds het
grondgebied van het nieuwe rijk te omschrijven. Het
stond vast, dat de Souvereine Vorst zoude heerschen
tot den linkeroever der Maas; hoever het gebied zich
aan de overzijde zoude uitstrekken, dit hing nog in de
lucht. Terwijl Pruisen zelfs er bezwaren in vond, het
gezag van den Souvereinen Vorst te erkennen over
die landen op den rechteroever, welke vóór de
Revolutie aan de Vereenigde Nederlanden hadden
behoord, moest toch ook Lord Castlereagh, hoewel
hij die bedenking niet deelde, inzien, dat de
beschikking over al het andere in verband stond met
de regeling der Europeesche aangelegenheden op het
Congres van Weenen, en dat men tot zoolang zich
tevreden moest stellen met het feitelijk bestuur.
Behalve dit punt was er nog één, dat de definitieve
afsluiting der zaak in den weg stond. Op het Congres
van Weenen zoude volgens het protocol, onder
bemiddeling van Engeland, onderhandeld worden
over de vorderingen der geallieerden ten laste van
Holland en België. Wat bedoelt men hiermede? vroeg
de Souvereine Vorst. En zoo werd hij eindelijk tot
zijne groote teleurstelling gewaar, dat Rusland van
deze gelegenheid wenschte gebruik te maken, om
Page 264
althans voor een deel van zijne Hollandsche schuld
bevrijd te worden 399). Een en ander deden den
Souverein aarzelen, tot dit protocol toe te treden.
Doch uit den aard der zaak moest toch berusting het
einde zijn; van 's Vorsten aanneming zeker, kon Lord
Clancarty, bij nota van 20 Juli 1814 400), het protocol
officieel aan 's Vorsten Minister van Buitenlandsche
Zaken aanbieden, waarop dan den volgenden dag de
Acte volgde, waarbij die Minister, onder vermelding
der acht voorwaarden, de Souvereiniteit over de
Belgische provinciën uit naam van zijnen meester
aannam 401). Tot die berusting heeft voorzeker nog
eene andere omstandigheid het hare bijgedragen:
terwijl de vereeniging met België te Londen een punt
van bespreking uitmaakte, werd tevens tusschen
Engeland en ons aldaar onderhandeld over de
teruggaaf der koloniën. Ook deze onderhandeling
stuitte—zooals wij later hopen uiteen te zetten—bij
den Souvereinen Vorst op bezwaren. Dit alles zette
kwaad bloed bij de Engelsche regeering, zoodat wij
gevaar liepen, dat ook de koloniale kwestie, in plaats
van tusschen Engeland en ons beslist te worden,
verwezen zou worden naar het Congres van Weenen.
De Souvereine Vorst begreep ten slotte het bij zijnen
machtigen beschermer niet te moeten verkerven.
bevrijd te worden 399). Een en ander deden den
Souverein aarzelen, tot dit protocol toe te treden.
Doch uit den aard der zaak moest toch berusting het
einde zijn; van 's Vorsten aanneming zeker, kon Lord
Clancarty, bij nota van 20 Juli 1814 400), het protocol
officieel aan 's Vorsten Minister van Buitenlandsche
Zaken aanbieden, waarop dan den volgenden dag de
Acte volgde, waarbij die Minister, onder vermelding
der acht voorwaarden, de Souvereiniteit over de
Belgische provinciën uit naam van zijnen meester
aannam 401). Tot die berusting heeft voorzeker nog
eene andere omstandigheid het hare bijgedragen:
terwijl de vereeniging met België te Londen een punt
van bespreking uitmaakte, werd tevens tusschen
Engeland en ons aldaar onderhandeld over de
teruggaaf der koloniën. Ook deze onderhandeling
stuitte—zooals wij later hopen uiteen te zetten—bij
den Souvereinen Vorst op bezwaren. Dit alles zette
kwaad bloed bij de Engelsche regeering, zoodat wij
gevaar liepen, dat ook de koloniale kwestie, in plaats
van tusschen Engeland en ons beslist te worden,
verwezen zou worden naar het Congres van Weenen.
De Souvereine Vorst begreep ten slotte het bij zijnen
machtigen beschermer niet te moeten verkerven.
Page 265
Er verliepen slechts weinige dagen tusschen 21
Juli 1814 en de inbezitneming van België door den
Souvereinen Vorst. Bij proclamatie, gedagteekend 31
Juli, nam de baron Vincent afscheid van de Belgen:
de Souvereine Vorst trad op met eene in 't Hollandsch
en Fransch gestelde publicatie, de dagteekening
dragende van den volgenden dag. Beide stukken
werden geplaatst in het Belgische Journal
officiel 402). In overleg met zijne raadslieden en
volgens den wensch der Engelsche regeering, was de
Vorst zelf naar Brussel getogen, om het bestuur te
organiseeren. Deze organisatie volgde bij besluit van
14 Augustus 1814 403). Wij missen bij die organisatie,
zonder dat de reden daarvan bekend is, de benoeming
van een Gouverneur-Generaal, zooals volgens het
protocol van 21 Juni 1814 had moeten geschieden.
De Souvereine Vorst behield het bestuur in zijne
eigene handen, en liet het uitoefenen door
ministerieele departementen, een Geheimen Raad en
een Secretaris van Staat. Het zoude ons te ver leiden,
zoo wij ons in dit alles wilden verdiepen: alleen zij
opgemerkt, dat de betrekking van Secretaris van Staat
werd opgedragen aan Capellen, die, zoo men een
Hollander wilde, hiervoor op dat oogenblik de
aangewezen persoon was, en die in den eersten
Juli 1814 en de inbezitneming van België door den
Souvereinen Vorst. Bij proclamatie, gedagteekend 31
Juli, nam de baron Vincent afscheid van de Belgen:
de Souvereine Vorst trad op met eene in 't Hollandsch
en Fransch gestelde publicatie, de dagteekening
dragende van den volgenden dag. Beide stukken
werden geplaatst in het Belgische Journal
officiel 402). In overleg met zijne raadslieden en
volgens den wensch der Engelsche regeering, was de
Vorst zelf naar Brussel getogen, om het bestuur te
organiseeren. Deze organisatie volgde bij besluit van
14 Augustus 1814 403). Wij missen bij die organisatie,
zonder dat de reden daarvan bekend is, de benoeming
van een Gouverneur-Generaal, zooals volgens het
protocol van 21 Juni 1814 had moeten geschieden.
De Souvereine Vorst behield het bestuur in zijne
eigene handen, en liet het uitoefenen door
ministerieele departementen, een Geheimen Raad en
een Secretaris van Staat. Het zoude ons te ver leiden,
zoo wij ons in dit alles wilden verdiepen: alleen zij
opgemerkt, dat de betrekking van Secretaris van Staat
werd opgedragen aan Capellen, die, zoo men een
Hollander wilde, hiervoor op dat oogenblik de
aangewezen persoon was, en die in den eersten
Page 266
tijd 404) voor België bij den Souvereinen Vorst eene
wellicht nog invloedrijker positie innam dan zijn
vriend Falck ten opzichte van het Noorden.
Het was niet alles gekomen, zooals de Souvereine
Vorst gewenscht en verwacht had. Hij moest zich nog
geruimen tijd, tot in het voorjaar van 1815, dien
voorloopigen toestand laten welgevallen, en zich er
van spenen, om als Souverein over België op te
treden en dit land met Holland te vereenigen. Ook op
een ander punt werd hij teleurgesteld. In de maand
Juni 1814 was het huwelijk tusschen Prinses
Charlotte met onzen Erfprins afgesprongen 405). Die
teleurstelling was echter te boven te komen, mits het
voor Engeland slechts geene reden werd, zich minder
voor ons in de bres te stellen dan het dit tot dusver
gedaan had. Hiervoor nu scheen vooreerst geen
gevaar te bestaan. De Souvereine Vorst kon zich
blijven vleien met de hoop, dat op het Congres van
Weenen al zijne wenschen zouden worden vervuld;
dat hij zijnen oudsten zoon niet alleen de regeering
zoude kunnen nalaten over een aanzienlijk rijk, maar
dat ook voor den tweeden zoon als regent over de
Nassausche erflanden een positie zoude zijn
geschapen 406). En ééne zaak was op dat oogenblik
reeds zoo goed als zeker. Wat schreef de gezant
wellicht nog invloedrijker positie innam dan zijn
vriend Falck ten opzichte van het Noorden.
Het was niet alles gekomen, zooals de Souvereine
Vorst gewenscht en verwacht had. Hij moest zich nog
geruimen tijd, tot in het voorjaar van 1815, dien
voorloopigen toestand laten welgevallen, en zich er
van spenen, om als Souverein over België op te
treden en dit land met Holland te vereenigen. Ook op
een ander punt werd hij teleurgesteld. In de maand
Juni 1814 was het huwelijk tusschen Prinses
Charlotte met onzen Erfprins afgesprongen 405). Die
teleurstelling was echter te boven te komen, mits het
voor Engeland slechts geene reden werd, zich minder
voor ons in de bres te stellen dan het dit tot dusver
gedaan had. Hiervoor nu scheen vooreerst geen
gevaar te bestaan. De Souvereine Vorst kon zich
blijven vleien met de hoop, dat op het Congres van
Weenen al zijne wenschen zouden worden vervuld;
dat hij zijnen oudsten zoon niet alleen de regeering
zoude kunnen nalaten over een aanzienlijk rijk, maar
dat ook voor den tweeden zoon als regent over de
Nassausche erflanden een positie zoude zijn
geschapen 406). En ééne zaak was op dat oogenblik
reeds zoo goed als zeker. Wat schreef de gezant
Page 267
Nassausche erflanden (hiervóór, bl. 195). Zij werden in December 1813
door H. von Gagern voor den Vorst in bezit genomen; zie Schliephake-
Menzel, Geschichte von Nassau VII, 762. De Prins had reeds in 1813 aan
Hardenberg en Metternich verzocht, dat hij bij het herstel der zaken in
Duitschland wederom als hoofd van het gansche huis Nassau zou worden
erkend. 408) Hoezeer hij ook op die waardigheid gesteld was, hij is niet
vreemd geweest aan het denkbeeld, de Nassausche erflanden tegen ander
gebied te ruilen. Wij hebben gezien 409), dat hij het geheele gebied tusschen
Maas, Moezel en Rijn hoopte te verkrijgen. In dat geval gaf de verwerving
van een gebied op den rechter Rijnoever, doch meer stroomafwaarts
gelegen, veel beter afronding dan het bezit der Nassausche erflanden. Kon
hij dus het hertogdom Berg verkrijgen, hij zou van Nassau afstand hebben
willen doen. 410) Daar echter bleek dat Pruisen dit gebied voor zich
verlangde, hield hij later weer te krampachtiger aan Nassau vast, ook om
een brug te hebben voor het verkeer met de landen waaruit hij Duitsche
huurtroepen voor Nederland hoopte te trekken, en was zeer ontsticht toen
zijn erflanden hem toch nog ontgingen. Pruisen, dat er te Weenen de
beschikking over kreeg, behield Siegen, maar stond Dillenburg, Dietz en
Hadamar aan Nassau-Weilburg af, in ruil voor de door dat huis bezeten
landen tusschen Lahn en Sieg.
De vereeniging te Amsterdam impopulair (hiervóór, bl. 197). Zie het stuk
van den Amsterdammer Röell in Ontstaan II, 5, doch tevens zijne
aanteekening aldaar, bl. LXXXV, waar hij erkennen moet, „dat dezelve in
de toenmalige Vereenigde Nederlanden over het algemeen geene afkeuring
vond. Het innemend denkbeeld eener vergrooting van grondgebied en eener
gelijke draging der publieke schuld konde niet missen de gemoederen der
menigte weg te sleepen.”—„De Hollanders”, schrijft Falck, „konden den
Souverein hunner keuze niet anders dan gaarne zien klimmen in aanzien en
waardigheid. Hoe meer invloed en magt hem verschaft werd naar buiten,
hoe grooter bescherming zij verwachten mogten voor hunne veelzijdige
belangen.” 411)
door H. von Gagern voor den Vorst in bezit genomen; zie Schliephake-
Menzel, Geschichte von Nassau VII, 762. De Prins had reeds in 1813 aan
Hardenberg en Metternich verzocht, dat hij bij het herstel der zaken in
Duitschland wederom als hoofd van het gansche huis Nassau zou worden
erkend. 408) Hoezeer hij ook op die waardigheid gesteld was, hij is niet
vreemd geweest aan het denkbeeld, de Nassausche erflanden tegen ander
gebied te ruilen. Wij hebben gezien 409), dat hij het geheele gebied tusschen
Maas, Moezel en Rijn hoopte te verkrijgen. In dat geval gaf de verwerving
van een gebied op den rechter Rijnoever, doch meer stroomafwaarts
gelegen, veel beter afronding dan het bezit der Nassausche erflanden. Kon
hij dus het hertogdom Berg verkrijgen, hij zou van Nassau afstand hebben
willen doen. 410) Daar echter bleek dat Pruisen dit gebied voor zich
verlangde, hield hij later weer te krampachtiger aan Nassau vast, ook om
een brug te hebben voor het verkeer met de landen waaruit hij Duitsche
huurtroepen voor Nederland hoopte te trekken, en was zeer ontsticht toen
zijn erflanden hem toch nog ontgingen. Pruisen, dat er te Weenen de
beschikking over kreeg, behield Siegen, maar stond Dillenburg, Dietz en
Hadamar aan Nassau-Weilburg af, in ruil voor de door dat huis bezeten
landen tusschen Lahn en Sieg.
De vereeniging te Amsterdam impopulair (hiervóór, bl. 197). Zie het stuk
van den Amsterdammer Röell in Ontstaan II, 5, doch tevens zijne
aanteekening aldaar, bl. LXXXV, waar hij erkennen moet, „dat dezelve in
de toenmalige Vereenigde Nederlanden over het algemeen geene afkeuring
vond. Het innemend denkbeeld eener vergrooting van grondgebied en eener
gelijke draging der publieke schuld konde niet missen de gemoederen der
menigte weg te sleepen.”—„De Hollanders”, schrijft Falck, „konden den
Souverein hunner keuze niet anders dan gaarne zien klimmen in aanzien en
waardigheid. Hoe meer invloed en magt hem verschaft werd naar buiten,
hoe grooter bescherming zij verwachten mogten voor hunne veelzijdige
belangen.” 411)
Page 268
Memorie van van Hogendorp (hiervóór, bl. 197). Deze was meer een
algemeen stuk dat gezonden werd omdat het sedert 1812 gereed lag en de
steller er zooals begrijpelijk was groote waarde aan hechtte. Bijzonder
actueel was zij niet, immers het overleg met de Engelsche regeering over de
zaken, daarin behandeld, was door den Prins vóór zijn vertrek uit Londen
reeds met Castlereagh geopend. Het werkelijke „richtsnoer” voor de
voortzetting van dat overleg was niet het stuk van van Hogendorp, maar een
memorandum van 26 Dec. geheel door den Vorst gesteld en aan Fagel ter
overlegging aan Castlereagh toegezonden: „La réunion de la rive gauche du
Rhin jusques à la Moselle, ainsi que celle des Pays-Bas, y compris
Luxembourg, peut seule donner aux Provinces-Unies, considérées comme
le boulevard de l'Europe contre la France, la consistance nécessaire.” 412)
Nauwelijks Souverein Vorst geworden, vroeg de Prins reeds of hij door
zijn zendelingen België mocht doen bewerken 413). De Engelsche regeering
ontraadde dit: in ieder geval moesten eerst de bondgenooten worden
gehoord. Den 26sten December had de ministerraad plaats, waar
Castlereagh's instructie voor zijne reis naar het vasteland werd vastgesteld.
Men bepaalde, dat hij voor Holland zou vragen een barrière voor het minst
omvattende Antwerpen, Maastricht en Gulik, met een „behoorlijke”
uitbreiding van grondgebied buiten de grenzen van 1792; dat men de Kaap
zou houden, maar „daarvoor” Holland 2 millioen sterling zou bieden om die
barrière te versterken; dat men onderzoeken zou of Oostenrijk oogmerken
had op de rest van België; dat de Souvereine Vorst vooralsnog zijn handen
van België af moest houden 414). Castlereagh nam zijn weg over den Haag,
waar de Vorst hem met een herhaling van zijn vroegere aanspraken
opwachtte. Er kwamen uit België, meende de Vorst, reeds gunstige
stemmen; zelfs waren twee Gentenaars, de „propriétaire” Huyttens en de
katoenspinner Bauwens, in den Haag geweest om zich hem aan te bieden.
Hij moest vooral de koopers van geestelijk goed in hun bezit handhaven,
hadden zij gezegd, de nijverheid beschermen en het midden houden
tusschen de uiterste clericale factie en de verklaarde Franschgezinden 415).
Castlereagh liet den Vorst beloven dat hij zijn administratie vooralsnog tot
het grondgebied der oude Republiek zou beperken, en lichtte hem in van het
voornemen omtrent de Kaap, zonder nog eenige som te noemen. 416)
algemeen stuk dat gezonden werd omdat het sedert 1812 gereed lag en de
steller er zooals begrijpelijk was groote waarde aan hechtte. Bijzonder
actueel was zij niet, immers het overleg met de Engelsche regeering over de
zaken, daarin behandeld, was door den Prins vóór zijn vertrek uit Londen
reeds met Castlereagh geopend. Het werkelijke „richtsnoer” voor de
voortzetting van dat overleg was niet het stuk van van Hogendorp, maar een
memorandum van 26 Dec. geheel door den Vorst gesteld en aan Fagel ter
overlegging aan Castlereagh toegezonden: „La réunion de la rive gauche du
Rhin jusques à la Moselle, ainsi que celle des Pays-Bas, y compris
Luxembourg, peut seule donner aux Provinces-Unies, considérées comme
le boulevard de l'Europe contre la France, la consistance nécessaire.” 412)
Nauwelijks Souverein Vorst geworden, vroeg de Prins reeds of hij door
zijn zendelingen België mocht doen bewerken 413). De Engelsche regeering
ontraadde dit: in ieder geval moesten eerst de bondgenooten worden
gehoord. Den 26sten December had de ministerraad plaats, waar
Castlereagh's instructie voor zijne reis naar het vasteland werd vastgesteld.
Men bepaalde, dat hij voor Holland zou vragen een barrière voor het minst
omvattende Antwerpen, Maastricht en Gulik, met een „behoorlijke”
uitbreiding van grondgebied buiten de grenzen van 1792; dat men de Kaap
zou houden, maar „daarvoor” Holland 2 millioen sterling zou bieden om die
barrière te versterken; dat men onderzoeken zou of Oostenrijk oogmerken
had op de rest van België; dat de Souvereine Vorst vooralsnog zijn handen
van België af moest houden 414). Castlereagh nam zijn weg over den Haag,
waar de Vorst hem met een herhaling van zijn vroegere aanspraken
opwachtte. Er kwamen uit België, meende de Vorst, reeds gunstige
stemmen; zelfs waren twee Gentenaars, de „propriétaire” Huyttens en de
katoenspinner Bauwens, in den Haag geweest om zich hem aan te bieden.
Hij moest vooral de koopers van geestelijk goed in hun bezit handhaven,
hadden zij gezegd, de nijverheid beschermen en het midden houden
tusschen de uiterste clericale factie en de verklaarde Franschgezinden 415).
Castlereagh liet den Vorst beloven dat hij zijn administratie vooralsnog tot
het grondgebied der oude Republiek zou beperken, en lichtte hem in van het
voornemen omtrent de Kaap, zonder nog eenige som te noemen. 416)
Page 269
Toen de Britsche minister bij de bondgenooten te Bazel kwam, bleek
onmiddellijk dat Oostenrijk aan Venetië boven België de voorkeur gaf, en
ook geen aanspraken maakte ten behoeve van aartshertog Karel. In deze
omstandigheden had Castlereagh geen bezwaar geheel België tot de Maas
aan Holland te hechten, maar nu Oostenrijk zich terugtrok wenschte hij
voor het minst de andere groote militaire Duitsche mogendheid, Pruisen,
nevens het vergroote Holland in eerste linie tegen Frankrijk te stellen.
Derhalve wenschte hij Pruisen zoo ver mogelijk zuidwaarts uit te breiden
op den linker Rijnoever, en aan deze macht de beide vestingen Luxemburg
en Mainz toe te vertrouwen, waartegen het dan lager af op den linker
Rijnoever eenig gebied aan Holland kon laten, welks nieuwe grens dan zou
samenvallen met de grens van België tegen Frankrijk van 1792 van de zee
tot de Maas, en voorts zou insluiten de steden Namen, Luik, Maastricht,
Gulik en Keulen, om vervolgens den Rijn te volgen tot de oude grenzen der
Republiek 417). „I should not wish to say that this projet was actually
countenanced, but it did not seem to alarm.... I was induced to throw out the
idea of thus bringing forward Prussia, as I recollect it was a favorite scheme
of Mr. Pitt. By this arrangement Holland would not be enclavé in Prussia,
but stand in joint frontier with her against France. I doubt much the policy
of making Holland a power of the first order, to which she would approach
if she possessed the whole of these territories (tot aan de Moezel)”. 418)
Den 27sten Januari vroeg Castlereagh, of de Souvereine Vorst van dit
hem door Engeland toegedachte gebied, voor zoover het bewesten de Maas
viel, de voorloopige administratie hebben mocht, en of zijn gezant van
Spaen in de centrale commissie tot het bestuur der op Frankrijk heroverde
landen kon worden toegelaten; hij stelde deze vraag „referring to the earnest
desire expressed on the part of his court that Holland may receive on the
side of the Low Countries at a general peace a suitable accession to its
military frontier and territorial resources.” 419) Oostenrijk maakte geen
bezwaar; 420) Pruisen bewilligde, na eenig dralen, alleen in de toelating van
van Spaen; 421) Rusland antwoordde niet. Desniettemin had Castlereagh,
onmiddellijk na het ontvangen van Oostenrijks toestemmend antwoord en
in de verwachting, door gesprekken met Hardenberg en Nesselrode
opgewekt, dat Pruisen en Rusland spoedig volgen zouden, reeds verlof
onmiddellijk dat Oostenrijk aan Venetië boven België de voorkeur gaf, en
ook geen aanspraken maakte ten behoeve van aartshertog Karel. In deze
omstandigheden had Castlereagh geen bezwaar geheel België tot de Maas
aan Holland te hechten, maar nu Oostenrijk zich terugtrok wenschte hij
voor het minst de andere groote militaire Duitsche mogendheid, Pruisen,
nevens het vergroote Holland in eerste linie tegen Frankrijk te stellen.
Derhalve wenschte hij Pruisen zoo ver mogelijk zuidwaarts uit te breiden
op den linker Rijnoever, en aan deze macht de beide vestingen Luxemburg
en Mainz toe te vertrouwen, waartegen het dan lager af op den linker
Rijnoever eenig gebied aan Holland kon laten, welks nieuwe grens dan zou
samenvallen met de grens van België tegen Frankrijk van 1792 van de zee
tot de Maas, en voorts zou insluiten de steden Namen, Luik, Maastricht,
Gulik en Keulen, om vervolgens den Rijn te volgen tot de oude grenzen der
Republiek 417). „I should not wish to say that this projet was actually
countenanced, but it did not seem to alarm.... I was induced to throw out the
idea of thus bringing forward Prussia, as I recollect it was a favorite scheme
of Mr. Pitt. By this arrangement Holland would not be enclavé in Prussia,
but stand in joint frontier with her against France. I doubt much the policy
of making Holland a power of the first order, to which she would approach
if she possessed the whole of these territories (tot aan de Moezel)”. 418)
Den 27sten Januari vroeg Castlereagh, of de Souvereine Vorst van dit
hem door Engeland toegedachte gebied, voor zoover het bewesten de Maas
viel, de voorloopige administratie hebben mocht, en of zijn gezant van
Spaen in de centrale commissie tot het bestuur der op Frankrijk heroverde
landen kon worden toegelaten; hij stelde deze vraag „referring to the earnest
desire expressed on the part of his court that Holland may receive on the
side of the Low Countries at a general peace a suitable accession to its
military frontier and territorial resources.” 419) Oostenrijk maakte geen
bezwaar; 420) Pruisen bewilligde, na eenig dralen, alleen in de toelating van
van Spaen; 421) Rusland antwoordde niet. Desniettemin had Castlereagh,
onmiddellijk na het ontvangen van Oostenrijks toestemmend antwoord en
in de verwachting, door gesprekken met Hardenberg en Nesselrode
opgewekt, dat Pruisen en Rusland spoedig volgen zouden, reeds verlof
Page 270
gegeven dat de Souvereine Vorst aanving, België tot de Maas „op een
bedaarde manier” in zijn voordeel te bewerken. 422)
Hij was er sinds lang mee bezig. Een zijner jonge diplomaten, Hugo van
Zuylen van Nyevelt, was in het gevolg der troepen van Bülow de grens
overgegaan, en trachtte overal betrekkingen aan te knoopen. Hij verspreidde
blaadjes, op twee kolommen in het Hollandsch en Fransch gedrukt, waarbij
het volk tot den opstand werd aangezet om zich vervolgens met het
Noorden te vereenigen. 423) Een sedert eenige jaren te Brussel wonend
Hollander, A. graaf van Bylandt-Palstercamp, schreef een brochure van
dezelfde strekking. 424) Toen Bülow en de hertog van Saksen-Weimar den
8sten Februari Brussel binnentrokken, waren de hertog van Clarence en
prins Frederik, de tweede zoon van den Souvereinen Vorst, aan hunne zijde.
De stad onthaalde de bevrijders in den schouwburg; een der loges was
versierd voor de generaals. Toen na een oogenblik Bülow en de hertog van
Weimar vertrokken waren, verschenen de hertog van Clarence en prins
Frederik; het orkest speelde „God save the King”. De hertog van Clarence
dook in de loge terug, en liet prins Frederik de ovatie in ontvangst nemen.
Het publiek had het zoo niet bedoeld, en had er vrij wat op te zeggen. 425)
Lord Clancarty, nog onder den indruk van het vroegere gebod, dat de
Souvereine Vorst in België nog niets zou ondernemen, maakte zich ernstig
boos. Toen hij vernam dat van Zuylen bezig was een Belgische deputatie
bijeen te trommelen die den Vorst haar opwachting zou gaan maken in den
Haag, eischte (en verkreeg) hij de terugroeping van dezen agent, en gaf, in
tegenwoordigheid van den Vorst, aan van Zuylen's chef, van Hogendorp,
harde woorden. 426)
Intusschen vervloog het geheele voorloopig gouvernement van den
Souvereinen Vorst in rook. Onmiddellijk toen Bülow en de hertog van
Weimar te Brussel kwamen richtten zij er een voorloopig bestuur in 427)
waarbij eerlang namens de centrale commissie twee Pruisen als
commissarissen optraden: von Lottum en Delius. Van den Souvereinen
Vorst werd bij dit alles met geen woord gesproken. Dit was voor dezen te
bedenkelijker, daar Bülow en de hertog van Weimar de Belgen toeriepen,
dat hun onafhankelijkheid niet twijfelachtig meer was. 428) De Belgen
konden hieronder kwalijk anders verstaan, dan dat de toestand van vóór
1795 zou terugkeeren. Hoe zouden Bülow en de hertog van Weimar ook
bedaarde manier” in zijn voordeel te bewerken. 422)
Hij was er sinds lang mee bezig. Een zijner jonge diplomaten, Hugo van
Zuylen van Nyevelt, was in het gevolg der troepen van Bülow de grens
overgegaan, en trachtte overal betrekkingen aan te knoopen. Hij verspreidde
blaadjes, op twee kolommen in het Hollandsch en Fransch gedrukt, waarbij
het volk tot den opstand werd aangezet om zich vervolgens met het
Noorden te vereenigen. 423) Een sedert eenige jaren te Brussel wonend
Hollander, A. graaf van Bylandt-Palstercamp, schreef een brochure van
dezelfde strekking. 424) Toen Bülow en de hertog van Saksen-Weimar den
8sten Februari Brussel binnentrokken, waren de hertog van Clarence en
prins Frederik, de tweede zoon van den Souvereinen Vorst, aan hunne zijde.
De stad onthaalde de bevrijders in den schouwburg; een der loges was
versierd voor de generaals. Toen na een oogenblik Bülow en de hertog van
Weimar vertrokken waren, verschenen de hertog van Clarence en prins
Frederik; het orkest speelde „God save the King”. De hertog van Clarence
dook in de loge terug, en liet prins Frederik de ovatie in ontvangst nemen.
Het publiek had het zoo niet bedoeld, en had er vrij wat op te zeggen. 425)
Lord Clancarty, nog onder den indruk van het vroegere gebod, dat de
Souvereine Vorst in België nog niets zou ondernemen, maakte zich ernstig
boos. Toen hij vernam dat van Zuylen bezig was een Belgische deputatie
bijeen te trommelen die den Vorst haar opwachting zou gaan maken in den
Haag, eischte (en verkreeg) hij de terugroeping van dezen agent, en gaf, in
tegenwoordigheid van den Vorst, aan van Zuylen's chef, van Hogendorp,
harde woorden. 426)
Intusschen vervloog het geheele voorloopig gouvernement van den
Souvereinen Vorst in rook. Onmiddellijk toen Bülow en de hertog van
Weimar te Brussel kwamen richtten zij er een voorloopig bestuur in 427)
waarbij eerlang namens de centrale commissie twee Pruisen als
commissarissen optraden: von Lottum en Delius. Van den Souvereinen
Vorst werd bij dit alles met geen woord gesproken. Dit was voor dezen te
bedenkelijker, daar Bülow en de hertog van Weimar de Belgen toeriepen,
dat hun onafhankelijkheid niet twijfelachtig meer was. 428) De Belgen
konden hieronder kwalijk anders verstaan, dan dat de toestand van vóór
1795 zou terugkeeren. Hoe zouden Bülow en de hertog van Weimar ook
Page 271
van de vereeniging met Holland hebben kunnen spreken? Zij hadden nog
niet de minste orders daaromtrent uit het hoofdkwartier.
Castlereagh begreep, dat nu de Pruisen te Brussel waren, het zaak werd
door te tasten. In het begin van Februari had hij de uitgebreidste
verzekeringen gegeven van Engelands bereidwilligheid tot teruggave van
koloniën, indien Engelands oogmerken op het vasteland konden worden
bereikt. De Deensche koloniën zou Denemarken terugbekomen om het te
doen berusten in het verlies van Noorwegen; tot verdere belooning van
Zweden voor zijn hulp in Duitschland werd het Fransche eiland Guadeloupe
bestemd. De Hollandsche koloniën behalve de Kaap kwamen aan Holland
terug, „provided Holland could be rendered so effectually independent of
France as to make it clear that we were strengthening an ally, and not an
enemy”. Tot beter verzekering van dit doel zal Engeland twee millioen pond
sterling geven voor den opbouw van een nieuw frontier tegen Frankrijk. De
grens van Holland wordt thans voorgesteld geheel zooals Castlereagh zich
die 22 Jan. reeds had gedacht: Noordzee–Givet–loop der Maas tot
Maastricht–Keulen–loop van den Rijn; de toewijzing van wat er tusschen
Maas, Rijn en Moezel overblijft bezuiden de lijn Maastricht–Keulen zal
nader zijn te bepalen. Aan Frankrijk, indien het bewilligt in den door de
bondgenooten te stellen eisch van terugkeer binnen zijn oude grenzen, alle
veroverde eilanden terug behalve Guadeloupe, dat aan Zweden is
toegezegd, en Mauritius en Bourbon, die Engeland behouden wil om
dezelfde reden waarom het de Kaap behoudt: de verzekering van zijn bezit
in Indië 429).
Als 15 Februari de bondgenooten zich nog niet op dit alles verklaard
hebben, en onderwijl met Napoleon onderhandeld wordt te Châtillon,
zoodat het gevaar ontstaat van een vrede met Frankrijk eer Engeland zelf
een vast accoord heeft met de vastelandsmogendheden, wordt Castlereagh
dringend: „it is not reasonable that His Britannic Majesty should be called
upon to make extensive sacrifices of his conquests to France for the general
security of Europe, without being at least assured as to those arrangements
on the continent which most concern the interests of Great Britain”. Hij legt
dus de bondgenooten vier artikelen voor, waarvan er twee voor ons van
belang zijn:
niet de minste orders daaromtrent uit het hoofdkwartier.
Castlereagh begreep, dat nu de Pruisen te Brussel waren, het zaak werd
door te tasten. In het begin van Februari had hij de uitgebreidste
verzekeringen gegeven van Engelands bereidwilligheid tot teruggave van
koloniën, indien Engelands oogmerken op het vasteland konden worden
bereikt. De Deensche koloniën zou Denemarken terugbekomen om het te
doen berusten in het verlies van Noorwegen; tot verdere belooning van
Zweden voor zijn hulp in Duitschland werd het Fransche eiland Guadeloupe
bestemd. De Hollandsche koloniën behalve de Kaap kwamen aan Holland
terug, „provided Holland could be rendered so effectually independent of
France as to make it clear that we were strengthening an ally, and not an
enemy”. Tot beter verzekering van dit doel zal Engeland twee millioen pond
sterling geven voor den opbouw van een nieuw frontier tegen Frankrijk. De
grens van Holland wordt thans voorgesteld geheel zooals Castlereagh zich
die 22 Jan. reeds had gedacht: Noordzee–Givet–loop der Maas tot
Maastricht–Keulen–loop van den Rijn; de toewijzing van wat er tusschen
Maas, Rijn en Moezel overblijft bezuiden de lijn Maastricht–Keulen zal
nader zijn te bepalen. Aan Frankrijk, indien het bewilligt in den door de
bondgenooten te stellen eisch van terugkeer binnen zijn oude grenzen, alle
veroverde eilanden terug behalve Guadeloupe, dat aan Zweden is
toegezegd, en Mauritius en Bourbon, die Engeland behouden wil om
dezelfde reden waarom het de Kaap behoudt: de verzekering van zijn bezit
in Indië 429).
Als 15 Februari de bondgenooten zich nog niet op dit alles verklaard
hebben, en onderwijl met Napoleon onderhandeld wordt te Châtillon,
zoodat het gevaar ontstaat van een vrede met Frankrijk eer Engeland zelf
een vast accoord heeft met de vastelandsmogendheden, wordt Castlereagh
dringend: „it is not reasonable that His Britannic Majesty should be called
upon to make extensive sacrifices of his conquests to France for the general
security of Europe, without being at least assured as to those arrangements
on the continent which most concern the interests of Great Britain”. Hij legt
dus de bondgenooten vier artikelen voor, waarvan er twee voor ons van
belang zijn:
Page 272
„1st. That the Belgian Provinces as far as the Meuse, as comprehended
between the ancient frontier of France and that river, together with the
country in advance of that river, bounded by a line to be drawn from the
said river at Maestricht by Aix-la-Chapelle and Duren to Cologne on the
Rhine, shall be ceded to the Prince of Orange as Sovereign of the United
Netherlands, to be annexed for ever to Holland as an integral part thereof.
2d. That the other territories on the left bank of the Rhine, if not annexed
in whole or in part to Holland, shall be disposed of with a due regard to the
military security and protection of that State and the North of Germany; and
no arrangement of this sort can be made without the full consent of His
Britannic Majesty”. 430)
Oostenrijk verklaarde zich onmiddellijk bereid deze artikelen aan te
nemen 431); Pruisen ook, doch met een voorbehoud: het wilde, zoo het zelf
tusschen Maas en Moezel geplaatst werd, niet al het land benoorden de lijn
Keulen–Maastricht aan Holland laten, opdat de nieuwe Pruisische provincie
niet afgesloten zou komen te liggen van de Pruisische bezittingen rechts van
den Beneden-Rijn 432). Rusland wilde, vóór het zich tot teekening verbond,
door Castlereagh den eisch zien ingewilligd omtrent de Russische schuld;
het stelde dien eisch thans in dezen vorm, dat Engeland en Holland
gezamenlijk die schuld voor hun rekening zouden nemen 433). De Britsche
minister wilde er eerst weinig van hooren: „why pay Russia, rather than
Austria or Prussia? It comes, as a condition, with the worse grace, after our
gratuitous cessions to Denmark to fulfil a Russian engagement”. 434) Doch
Rusland teekende niets, eer het in het bezit was van een mondelinge
toezegging van Castlereagh aan den Tsaar, dat de zaak zou worden
aanbevolen in de welwillende overweging van het Britsche gouvernement,
en men had Ruslands onderteekening noodig, niet slechts voor de
conventie, maar voor de groote alliantie van Chaumont (1 Maart 1814)
waarbij Rusland, Oostenrijk en Pruisen, voor het geval Napoleon de hem te
Châtillon gestelde voorwaarden verwierp, zich verbonden aan den tegen
Frankrijk voort te zetten oorlog ieder met 150,000 man deel te nemen, tegen
het genot van Engelsche subsidiën. De vier mogendheden beloofden
elkander, ook na den vrede verbonden te blijven en een genoegzame
krijgsmacht op de been te houden tot bevestiging der nieuwe Europeesche
orde. Die orde zelf wordt nog slechts in hoofdtrekken geschetst:
between the ancient frontier of France and that river, together with the
country in advance of that river, bounded by a line to be drawn from the
said river at Maestricht by Aix-la-Chapelle and Duren to Cologne on the
Rhine, shall be ceded to the Prince of Orange as Sovereign of the United
Netherlands, to be annexed for ever to Holland as an integral part thereof.
2d. That the other territories on the left bank of the Rhine, if not annexed
in whole or in part to Holland, shall be disposed of with a due regard to the
military security and protection of that State and the North of Germany; and
no arrangement of this sort can be made without the full consent of His
Britannic Majesty”. 430)
Oostenrijk verklaarde zich onmiddellijk bereid deze artikelen aan te
nemen 431); Pruisen ook, doch met een voorbehoud: het wilde, zoo het zelf
tusschen Maas en Moezel geplaatst werd, niet al het land benoorden de lijn
Keulen–Maastricht aan Holland laten, opdat de nieuwe Pruisische provincie
niet afgesloten zou komen te liggen van de Pruisische bezittingen rechts van
den Beneden-Rijn 432). Rusland wilde, vóór het zich tot teekening verbond,
door Castlereagh den eisch zien ingewilligd omtrent de Russische schuld;
het stelde dien eisch thans in dezen vorm, dat Engeland en Holland
gezamenlijk die schuld voor hun rekening zouden nemen 433). De Britsche
minister wilde er eerst weinig van hooren: „why pay Russia, rather than
Austria or Prussia? It comes, as a condition, with the worse grace, after our
gratuitous cessions to Denmark to fulfil a Russian engagement”. 434) Doch
Rusland teekende niets, eer het in het bezit was van een mondelinge
toezegging van Castlereagh aan den Tsaar, dat de zaak zou worden
aanbevolen in de welwillende overweging van het Britsche gouvernement,
en men had Ruslands onderteekening noodig, niet slechts voor de
conventie, maar voor de groote alliantie van Chaumont (1 Maart 1814)
waarbij Rusland, Oostenrijk en Pruisen, voor het geval Napoleon de hem te
Châtillon gestelde voorwaarden verwierp, zich verbonden aan den tegen
Frankrijk voort te zetten oorlog ieder met 150,000 man deel te nemen, tegen
het genot van Engelsche subsidiën. De vier mogendheden beloofden
elkander, ook na den vrede verbonden te blijven en een genoegzame
krijgsmacht op de been te houden tot bevestiging der nieuwe Europeesche
orde. Die orde zelf wordt nog slechts in hoofdtrekken geschetst:
Page 273
„l'Allemagne composée de princes souverains unis par un lien fédéral.........;
la fédération suisse placée sous la garantie des grandes puissances......;
l'Italie partagée en Etats indépendans......; l'Espagne dans ses anciennes
limites......; la Hollande, état libre et indépendant, sous la souveraineté du
Prince d'Orange, avec un accroissement de territoire et l'établissement d'une
frontière convenable” 435). Tegelijk nu met dit tractaat zijn de artikelen van
Troyes ook door Rusland aangenomen, en hierop wisselden, ingevolge de
mondelinge afspraak met Alexander, Nesselrode en Castlereagh 6 Maart
stukken van den volgenden inhoud: Rusland verstaat zijne onderteekening
alzoo, „que lorsque les arrangemens projetés a l'égard des limites de la
Hollande auront reçus leur exécution et auront été cimentés par la paix, le
Prince d'Orange, Souverain de la Hollande, se chargera de la dette de la
Russie dans ce pays”; Engeland is vrij, „en considération des avantages
essentiels que l'agrandissement de la Hollande lui procure”, Holland van
een voeglijk deel van dat bezwaar te ontlasten, door het zelf op zich te
nemen. „Parmi tant de puissances rendues à la vie politique”, heet het ter
motiveering, „non seulement la Hollande est celle dont l'indépendance avait
été le plus complètement abolie, et qui pouvait le moins se flatter de la
recouvrer un jour, mais elle va voir encore par les arrangemens que la sûreté
de l'Europe a fait juger nécessaires, son territoire et sa population s'agrandir
presque de moitié. S. M. Impériale ne regrette point les sacrifices
prodigieux qui ont amené d'aussi heureux résultats, mais elle doit à ses
peuples de leur en alléger le fardeau par tous les moyens auxquels Elle peut
recourir avec justice”. 436) In antwoord verzekert Castlereagh, dat hij voor
het ontvangen stuk bij privaat schrijven de welwillende aandacht verzoekt
van zijn regeering. 437) „You will observe”, schrijft hij aan Lord Liverpool,
„that the request is wholly founded upon the previous successful execution
of our views for uniting Brabant with Holland. I certainly consider the
advantage by no means unimportant of giving Russia a direct interest in the
execution of our views.... The demand in itself appears to me much more
one of policy than of justice”. Verder heeft hij van den Tsaar meenen te
verstaan dat Rusland desnoods genoegen zou nemen met een schikking
waarbij Rusland, Engeland en Holland ieder één derde van den last zouden
dragen 438).
la fédération suisse placée sous la garantie des grandes puissances......;
l'Italie partagée en Etats indépendans......; l'Espagne dans ses anciennes
limites......; la Hollande, état libre et indépendant, sous la souveraineté du
Prince d'Orange, avec un accroissement de territoire et l'établissement d'une
frontière convenable” 435). Tegelijk nu met dit tractaat zijn de artikelen van
Troyes ook door Rusland aangenomen, en hierop wisselden, ingevolge de
mondelinge afspraak met Alexander, Nesselrode en Castlereagh 6 Maart
stukken van den volgenden inhoud: Rusland verstaat zijne onderteekening
alzoo, „que lorsque les arrangemens projetés a l'égard des limites de la
Hollande auront reçus leur exécution et auront été cimentés par la paix, le
Prince d'Orange, Souverain de la Hollande, se chargera de la dette de la
Russie dans ce pays”; Engeland is vrij, „en considération des avantages
essentiels que l'agrandissement de la Hollande lui procure”, Holland van
een voeglijk deel van dat bezwaar te ontlasten, door het zelf op zich te
nemen. „Parmi tant de puissances rendues à la vie politique”, heet het ter
motiveering, „non seulement la Hollande est celle dont l'indépendance avait
été le plus complètement abolie, et qui pouvait le moins se flatter de la
recouvrer un jour, mais elle va voir encore par les arrangemens que la sûreté
de l'Europe a fait juger nécessaires, son territoire et sa population s'agrandir
presque de moitié. S. M. Impériale ne regrette point les sacrifices
prodigieux qui ont amené d'aussi heureux résultats, mais elle doit à ses
peuples de leur en alléger le fardeau par tous les moyens auxquels Elle peut
recourir avec justice”. 436) In antwoord verzekert Castlereagh, dat hij voor
het ontvangen stuk bij privaat schrijven de welwillende aandacht verzoekt
van zijn regeering. 437) „You will observe”, schrijft hij aan Lord Liverpool,
„that the request is wholly founded upon the previous successful execution
of our views for uniting Brabant with Holland. I certainly consider the
advantage by no means unimportant of giving Russia a direct interest in the
execution of our views.... The demand in itself appears to me much more
one of policy than of justice”. Verder heeft hij van den Tsaar meenen te
verstaan dat Rusland desnoods genoegen zou nemen met een schikking
waarbij Rusland, Engeland en Holland ieder één derde van den last zouden
dragen 438).
Page 274
De Engelsche regeering wist nu tot welken prijs de eindelijke bewilliging
van Rusland in de vereeniging van Holland en België alleen was te
verkrijgen. Zij moest zich wel executeeren, maar stelde Rusland natuurlijk
niet tevreden vóór die vereeniging, met Ruslands medewerking, inderdaad
tot stand was gebracht. Als de mogendheden, waaronder Rusland, bij
protocol van 21 Juni 1814, de vereeniging eindelijk uitspreken, wordt van
de zaak nog geen verder gewag gemaakt dan in de vage slotwoorden: „Les
demandes des puissances à la charge de la Hollande et de la Belgique seront
l'objet d'une transaction particulière avec le Prince d'Orange, à laquelle
l'Angleterre prêtera sa médiation. La négociation pour cet objet aura lieu à
Vienne”. 439) Den 11den Juli geeft daarop Castlereagh aan Nesselrode te
kennen, dat te Weenen enkel onderhandeld kan worden op de basis eener
verdeeling van de schuld in drie gelijke deelen, waarvan één voor Rusland
blijft; en hier moet tegenover staan „that the commercial system of Russia
towards Great Britain should be previously placed upon a different and
more friendly footing than has latterly prevailed”. 440) Eerst 19 Mei 1815 is
eindelijk het verdrag geteekend, waarbij Engeland en Nederland elk de
betaling der rente van 25 millioen gulden Russische schuld op zich nemen;
dus minder dan één derde deel ieder; de vergrooting van Holland had ook
niet zulk een omvang gekregen, als Engeland zich te Troyes had
voorgesteld. De betalingen zullen ophouden wanneer de Koning der
Nederlanden de Belgische provinciën zou mogen verliezen. 441)
Moest dus Rusland met geld worden tevreden gesteld, ook Pruisen had
een voorbehoud gemaakt. Wat het daarmede bedoelde, zette Hardenberg 29
April 1814 in een uitvoerig stuk uiteen. Hij vroeg vooreerst alle oude
Pruisische bezittingen, ook die op den linker Rijnoever, terug; voorts het
geheele koninkrijk Saksen; en eindelijk wilde hij den ganschen Rijn van
Mainz tot Emmerik tot een Pruisischen stroom maken; beide oevers
moesten tot den Pruisischen staat behooren. Hiertoe was noodig dat de
verschillende takken van het Nassausche huis (waarvan Nassau-Dillenburg
er één was) hun bezittingen aan Pruisen afstonden. Nassau-Usingen en
Nassau-Weilburg zouden worden schadeloos gesteld op den rechter
Maasoever tusschen Aken en Spa; Nassau-Dillenburg vond zijn
schadeloosstelling in de vergrooting van Holland. Aan dit land zouden
volgens het Pruisische plan op den rechter Maasoever slechts halvemanen
van Rusland in de vereeniging van Holland en België alleen was te
verkrijgen. Zij moest zich wel executeeren, maar stelde Rusland natuurlijk
niet tevreden vóór die vereeniging, met Ruslands medewerking, inderdaad
tot stand was gebracht. Als de mogendheden, waaronder Rusland, bij
protocol van 21 Juni 1814, de vereeniging eindelijk uitspreken, wordt van
de zaak nog geen verder gewag gemaakt dan in de vage slotwoorden: „Les
demandes des puissances à la charge de la Hollande et de la Belgique seront
l'objet d'une transaction particulière avec le Prince d'Orange, à laquelle
l'Angleterre prêtera sa médiation. La négociation pour cet objet aura lieu à
Vienne”. 439) Den 11den Juli geeft daarop Castlereagh aan Nesselrode te
kennen, dat te Weenen enkel onderhandeld kan worden op de basis eener
verdeeling van de schuld in drie gelijke deelen, waarvan één voor Rusland
blijft; en hier moet tegenover staan „that the commercial system of Russia
towards Great Britain should be previously placed upon a different and
more friendly footing than has latterly prevailed”. 440) Eerst 19 Mei 1815 is
eindelijk het verdrag geteekend, waarbij Engeland en Nederland elk de
betaling der rente van 25 millioen gulden Russische schuld op zich nemen;
dus minder dan één derde deel ieder; de vergrooting van Holland had ook
niet zulk een omvang gekregen, als Engeland zich te Troyes had
voorgesteld. De betalingen zullen ophouden wanneer de Koning der
Nederlanden de Belgische provinciën zou mogen verliezen. 441)
Moest dus Rusland met geld worden tevreden gesteld, ook Pruisen had
een voorbehoud gemaakt. Wat het daarmede bedoelde, zette Hardenberg 29
April 1814 in een uitvoerig stuk uiteen. Hij vroeg vooreerst alle oude
Pruisische bezittingen, ook die op den linker Rijnoever, terug; voorts het
geheele koninkrijk Saksen; en eindelijk wilde hij den ganschen Rijn van
Mainz tot Emmerik tot een Pruisischen stroom maken; beide oevers
moesten tot den Pruisischen staat behooren. Hiertoe was noodig dat de
verschillende takken van het Nassausche huis (waarvan Nassau-Dillenburg
er één was) hun bezittingen aan Pruisen afstonden. Nassau-Usingen en
Nassau-Weilburg zouden worden schadeloos gesteld op den rechter
Maasoever tusschen Aken en Spa; Nassau-Dillenburg vond zijn
schadeloosstelling in de vergrooting van Holland. Aan dit land zouden
volgens het Pruisische plan op den rechter Maasoever slechts halvemanen
Page 275
komen om de vestingen Venlo en Roermond heen, en tegenover Maastricht
en Luik; voorts (afgezonderd) Gulik met een rayon, en Luxemburg. Om
deze laatste vesting te kunnen insluiten moest het Hollandsche gebied in
een langen, smallen tong worden uitgerekt langs den geheelen loop der
Fransche grens tusschen Maas en Moezel 442). Terwijl dus Pruisen niet in
eerste linie tegen Frankrijk wilde staan, begeerde het de beide Rijnoevers
tot de oude grens van Nederland toe.
Nog in een ander opzicht liep het den Souvereinen Vorst tegen. Het
voorloopig gouvernement, dat de Pruisen te Brussel hadden opgericht, werd
onder een anderen commissaris gesteld, maar niet onder den zijnen. In het
hoofdkwartier te Chaumont waren de Belgische aanzienlijken verschenen,
om van de bondgenooten te vernemen wat het lot van hun land zou zijn. 443)
Zij hielden bij Keizer Frans aan, dat deze België onder zijn hoede nemen
zou; was het herstel van het Oostenrijksch bestuur zelf onmogelijk, dan
hoopten zij een afzonderlijke mogendheid te mogen worden onder een
Oostenrijksch prins. De Keizer nam alle hoop weg, zoowel op het een als
op het ander, en men gaf aan de deputatie te verstaan, dat de toekomstige
vereeniging met het Noorden een uitgemaakte zaak was. 444) Om de Belgen
echter zooveel mogelijk genoegen te geven werd beloofd dat de Pruisische
commissarissen door een Oostenrijkschen zouden worden vervangen;
tevens gaf men hun schriftelijk de verzekering dat door de bondgenooten op
hunne belangen zou worden gelet, wat betreft godsdienst, handel,
schuldenlast en vertegenwoordiging. 445) Den nieuwen commissaris
Vincent, Belg van geboorte, werd opgedragen de bevolking zoo geleidelijk
mogelijk op de vereeniging met Holland voor te bereiden. 446)
Een gevoel van onbehagen maakte zich van de Belgen meester. Wat hun
het liefst ware geweest, onafhankelijkheid onder een Oostenrijksch prins,
werd hun ontzegd. Buiten hen om was tot de vereeniging met het Noorden
besloten; met een kettersche macht, klaagden de clericalen; met een
overwegend burgerlijke maatschappij, de groote heeren; met lieden die drie
modes ten achter zijn, de Franskiljons. Wie nog het minst tegen de
vereeniging opzagen waren de gezeten liberale burgers, fabrikanten,
„acquéreurs de biens nationaux”, zooals de heeren Huyttens en Bauwens.
Maar hun vrijheid verloor het groote Fransche afzetgebied, en wist niet wat
zij er voor terug zou krijgen. Over de hoogste belangen van het land zou
en Luik; voorts (afgezonderd) Gulik met een rayon, en Luxemburg. Om
deze laatste vesting te kunnen insluiten moest het Hollandsche gebied in
een langen, smallen tong worden uitgerekt langs den geheelen loop der
Fransche grens tusschen Maas en Moezel 442). Terwijl dus Pruisen niet in
eerste linie tegen Frankrijk wilde staan, begeerde het de beide Rijnoevers
tot de oude grens van Nederland toe.
Nog in een ander opzicht liep het den Souvereinen Vorst tegen. Het
voorloopig gouvernement, dat de Pruisen te Brussel hadden opgericht, werd
onder een anderen commissaris gesteld, maar niet onder den zijnen. In het
hoofdkwartier te Chaumont waren de Belgische aanzienlijken verschenen,
om van de bondgenooten te vernemen wat het lot van hun land zou zijn. 443)
Zij hielden bij Keizer Frans aan, dat deze België onder zijn hoede nemen
zou; was het herstel van het Oostenrijksch bestuur zelf onmogelijk, dan
hoopten zij een afzonderlijke mogendheid te mogen worden onder een
Oostenrijksch prins. De Keizer nam alle hoop weg, zoowel op het een als
op het ander, en men gaf aan de deputatie te verstaan, dat de toekomstige
vereeniging met het Noorden een uitgemaakte zaak was. 444) Om de Belgen
echter zooveel mogelijk genoegen te geven werd beloofd dat de Pruisische
commissarissen door een Oostenrijkschen zouden worden vervangen;
tevens gaf men hun schriftelijk de verzekering dat door de bondgenooten op
hunne belangen zou worden gelet, wat betreft godsdienst, handel,
schuldenlast en vertegenwoordiging. 445) Den nieuwen commissaris
Vincent, Belg van geboorte, werd opgedragen de bevolking zoo geleidelijk
mogelijk op de vereeniging met Holland voor te bereiden. 446)
Een gevoel van onbehagen maakte zich van de Belgen meester. Wat hun
het liefst ware geweest, onafhankelijkheid onder een Oostenrijksch prins,
werd hun ontzegd. Buiten hen om was tot de vereeniging met het Noorden
besloten; met een kettersche macht, klaagden de clericalen; met een
overwegend burgerlijke maatschappij, de groote heeren; met lieden die drie
modes ten achter zijn, de Franskiljons. Wie nog het minst tegen de
vereeniging opzagen waren de gezeten liberale burgers, fabrikanten,
„acquéreurs de biens nationaux”, zooals de heeren Huyttens en Bauwens.
Maar hun vrijheid verloor het groote Fransche afzetgebied, en wist niet wat
zij er voor terug zou krijgen. Over de hoogste belangen van het land zou
Page 276
worden beslist, zonder dat één Belg stem in het kapittel had. Onderwijl
werd de weinig militaire natie tegelijk tot het oprichten van een eigen leger,
en tot het onderhouden van talrijke vreemde troepen genoodzaakt. Hadden
wij dan toch eindelijk een souverein, weeklaagt de algemeene raad van het
departement van de Dijle, om ons armen te beschermen! 447) En onderwijl
drongen geruchten door omtrent een aanstaande verdeeling van bij elkander
behoorende landen. Bleef men er bij de Maas tot grens te nemen, dan
werden oud-Luik en oud-Namen in tweeën gereten, waardoor tal van
belangen werden geschaad.
Intusschen hadden de bondgenooten Napoleon overwonnen; zij konden
den vrede voorschrijven te Parijs. Het gansche geheel der nieuwe
regelingen, die de val van het Keizerrijk noodzakelijk maakte, kon daar nog
niet worden getroffen; veel moest worden overgelaten aan het te Weenen te
vergaderen Europeesch congres. De geheime artikelen van het
vredestractaat (30 Mei) bepalen ten aanzien der Hollandsch-Belgische
zaken niet meer, dan dat Holland zou worden vergroot met België tot de
Maas; dat zijn grens op den rechter Maasoever zou worden geregeld „naar
vereisch eener goede verdediging van Holland en van zijn naburen”; dat de
Schelde geopend zal zijn; dat de landen op den linker Rijnoever, die sedert
1792 bij Frankrijk waren ingelijfd, zouden toevallen aan Holland, aan
Pruisen en aan andere Duitsche staten 448). De kwestie tusschen Holland en
Pruisen bleef dus, tot groote ergernis van den Souvereinen Vorst, geheel
open, en het tractaat zeide niet, dat men de provinciën Luxemburg, Namen
en Luik ongedeeld zou laten. Ook van voorwaarden ter verzekering van de
Belgische belangen, aan de deputatie te Chaumont beloofd, was in het
tractaat niets te vinden.
De mogendheden hadden den Souvereinen Vorst om advies gevraagd
omtrent de vervulling hunner aan de Belgen gedane belofte. Hij was daarop
20 Mei naar Parijs vertrokken met eenige artikelen die van hemzelf
afkomstig waren, en bij welker vaststelling hij, behalve met het antwoord
aan de deputatie te Chaumont, rekening gehouden had met bezwaren, die
van Belgische zijde aan zijn commissaris bij het voorloopig bestuur te
Brussel, van der Capellen, waren opgegeven 449). Men had daar, behalve
van de reeds vroeger opgegeven punten van godsdienst, handel, schulden en
vertegenwoordiging, ook van de residentie van den vorst en van het
werd de weinig militaire natie tegelijk tot het oprichten van een eigen leger,
en tot het onderhouden van talrijke vreemde troepen genoodzaakt. Hadden
wij dan toch eindelijk een souverein, weeklaagt de algemeene raad van het
departement van de Dijle, om ons armen te beschermen! 447) En onderwijl
drongen geruchten door omtrent een aanstaande verdeeling van bij elkander
behoorende landen. Bleef men er bij de Maas tot grens te nemen, dan
werden oud-Luik en oud-Namen in tweeën gereten, waardoor tal van
belangen werden geschaad.
Intusschen hadden de bondgenooten Napoleon overwonnen; zij konden
den vrede voorschrijven te Parijs. Het gansche geheel der nieuwe
regelingen, die de val van het Keizerrijk noodzakelijk maakte, kon daar nog
niet worden getroffen; veel moest worden overgelaten aan het te Weenen te
vergaderen Europeesch congres. De geheime artikelen van het
vredestractaat (30 Mei) bepalen ten aanzien der Hollandsch-Belgische
zaken niet meer, dan dat Holland zou worden vergroot met België tot de
Maas; dat zijn grens op den rechter Maasoever zou worden geregeld „naar
vereisch eener goede verdediging van Holland en van zijn naburen”; dat de
Schelde geopend zal zijn; dat de landen op den linker Rijnoever, die sedert
1792 bij Frankrijk waren ingelijfd, zouden toevallen aan Holland, aan
Pruisen en aan andere Duitsche staten 448). De kwestie tusschen Holland en
Pruisen bleef dus, tot groote ergernis van den Souvereinen Vorst, geheel
open, en het tractaat zeide niet, dat men de provinciën Luxemburg, Namen
en Luik ongedeeld zou laten. Ook van voorwaarden ter verzekering van de
Belgische belangen, aan de deputatie te Chaumont beloofd, was in het
tractaat niets te vinden.
De mogendheden hadden den Souvereinen Vorst om advies gevraagd
omtrent de vervulling hunner aan de Belgen gedane belofte. Hij was daarop
20 Mei naar Parijs vertrokken met eenige artikelen die van hemzelf
afkomstig waren, en bij welker vaststelling hij, behalve met het antwoord
aan de deputatie te Chaumont, rekening gehouden had met bezwaren, die
van Belgische zijde aan zijn commissaris bij het voorloopig bestuur te
Brussel, van der Capellen, waren opgegeven 449). Men had daar, behalve
van de reeds vroeger opgegeven punten van godsdienst, handel, schulden en
vertegenwoordiging, ook van de residentie van den vorst en van het
Page 277
onderhoud der Hollandsche dijken gesproken, 't welk men, van plaatselijke
Hollandsche toestanden blijkbaar volstrekt onkundig, vreesde dat aan de
Belgen een zwaren last zou opleggen. Op dit punt was de geruststelling
gemakkelijk: de dijken werden in Holland niet uit de kas van het gemeene
land onderhouden. Wat het punt van den godsdienst betreft, verwees men de
Belgen naar de artikelen der Hollandsche grondwet, die de gelijkstelling der
gezindten uitspraken voor de wet, en de gelijke benoembaarheid van alle
ingezetenen tot staatsambten. Verder verklaarde de Vorst zich voor een
volkomen gemeenmaking van lusten en lasten: vrije Scheldevaart dus en
vrije vaart op de Hollandsche koloniën; amalgama van schulden. De beide
helften zouden in de Staten-Generaal vertegenwoordigd kunnen zijn tot een
gelijk getal. 450) De Vorst zou een gedeelte van elk jaar te Brussel
doorbrengen, en de Staten-Generaal zouden afwisselend bijeenkomen in
een stad van het Noorden en in een stad van het Zuiden. 451) De vereeniging
zal dus zoo innig mogelijk zijn; de Hollandsche grondwet zal voor het
geheele rijk gelden, „modifiée d'un commun accord d'après les nouvelles
circonstances”.
Het oorspronkelijk denkbeeld der mogendheden was geweest, dat de
voorslagen van den Souvereinen Vorst aan een kleine vergadering van
Belgische aanzienlijken zouden worden voorgelegd, om hunne bedenkingen
te vernemen. Een voorstel in dezen geest was 16 Mei door Castlereagh naar
den Haag afgezonden 452). De Souvereine Vorst had er dadelijk zooveel
bezwaar in gezien, dat hij spoorslags naar Parijs was getrokken om het te
verhinderen 453). De Belgische aanzienlijken waren te Chaumont gehoord,
meende hij; dit moest genoeg zijn. Welk nut zou het hebben het resultaat
van het onderzoek der daar vernomen bedenkingen nog eens aan de
goedkeuring van eenige notabelen te onderwerpen die er toch geen
wettigheid aan zouden kunnen verleenen? Vincent meende er voor te
kunnen instaan, dat de notabelen, zoo hij ze kiezen mocht, ja zouden
zeggen; het nut dat men bij mogelijkheid van dit „ja” zou kunnen trekken
kwam niet in vergelijking bij het nadeel dat een altijd mogelijk „neen” zou
toebrengen aan eene zaak waartoe de bondgenooten toch reeds waren
besloten. „Les Belges, loin d'avoir à se plaindre, se féliciteront de voir enfin
le terme de la pénible incertitude où ils sont déjà restés trop longtems, et
d'apprendre que le soin d'assurer leur sort et de hâter la réunion sur des
Hollandsche toestanden blijkbaar volstrekt onkundig, vreesde dat aan de
Belgen een zwaren last zou opleggen. Op dit punt was de geruststelling
gemakkelijk: de dijken werden in Holland niet uit de kas van het gemeene
land onderhouden. Wat het punt van den godsdienst betreft, verwees men de
Belgen naar de artikelen der Hollandsche grondwet, die de gelijkstelling der
gezindten uitspraken voor de wet, en de gelijke benoembaarheid van alle
ingezetenen tot staatsambten. Verder verklaarde de Vorst zich voor een
volkomen gemeenmaking van lusten en lasten: vrije Scheldevaart dus en
vrije vaart op de Hollandsche koloniën; amalgama van schulden. De beide
helften zouden in de Staten-Generaal vertegenwoordigd kunnen zijn tot een
gelijk getal. 450) De Vorst zou een gedeelte van elk jaar te Brussel
doorbrengen, en de Staten-Generaal zouden afwisselend bijeenkomen in
een stad van het Noorden en in een stad van het Zuiden. 451) De vereeniging
zal dus zoo innig mogelijk zijn; de Hollandsche grondwet zal voor het
geheele rijk gelden, „modifiée d'un commun accord d'après les nouvelles
circonstances”.
Het oorspronkelijk denkbeeld der mogendheden was geweest, dat de
voorslagen van den Souvereinen Vorst aan een kleine vergadering van
Belgische aanzienlijken zouden worden voorgelegd, om hunne bedenkingen
te vernemen. Een voorstel in dezen geest was 16 Mei door Castlereagh naar
den Haag afgezonden 452). De Souvereine Vorst had er dadelijk zooveel
bezwaar in gezien, dat hij spoorslags naar Parijs was getrokken om het te
verhinderen 453). De Belgische aanzienlijken waren te Chaumont gehoord,
meende hij; dit moest genoeg zijn. Welk nut zou het hebben het resultaat
van het onderzoek der daar vernomen bedenkingen nog eens aan de
goedkeuring van eenige notabelen te onderwerpen die er toch geen
wettigheid aan zouden kunnen verleenen? Vincent meende er voor te
kunnen instaan, dat de notabelen, zoo hij ze kiezen mocht, ja zouden
zeggen; het nut dat men bij mogelijkheid van dit „ja” zou kunnen trekken
kwam niet in vergelijking bij het nadeel dat een altijd mogelijk „neen” zou
toebrengen aan eene zaak waartoe de bondgenooten toch reeds waren
besloten. „Les Belges, loin d'avoir à se plaindre, se féliciteront de voir enfin
le terme de la pénible incertitude où ils sont déjà restés trop longtems, et
d'apprendre que le soin d'assurer leur sort et de hâter la réunion sur des
Page 278
bases justes et libérales est définitivement et exclusivement confié au
nouveau Souverain dont ils savent bien que les intentions et le caractère 454)
seront à la longue une garantie de leur bonheur bien préférable à des
stipulations convenues dans un moment comme celui-ci entre le Souverain
et quelques-uns de leurs compatriotes” 455).
Noch de Noordnederlandsche souverein, noch het Noordnederlandsche
volk, dat tot dit alles, in de personen van Falck, van Nagell, van Hogendorp,
zijne medewerking verleende, hebben de Belgen voor vol aangezien. Waren
hunne bezwaren, ik zeg niet weerlegd, doch zelfs maar gevat? Wat
beteekende het, hun te verzekeren, dat de Katholieken tot iedere
landsbetrekking benoembaar waren? 456) Een dergelijke verzekering,
gegeven aan een natie voor 99% uit Katholieken bestaande, was alleen al
een beleediging aan het gezond verstand. Met het opperen van hun
religiebezwaar hadden de Belgen voorzeker niet bedoeld te vragen, of
Katholieken in België wel tot landsbetrekkingen benoembaar zouden zijn.
De moeilijkheden werden niet opgelost, zij werden genegeerd. De
bondgenooten onderteekenden alles, in meer of minder goed vertrouwen op
de uitkomst. Eigenlijk kwam een Belgische notabelenvergadering hun toch
zeer ongelegen. Zonder twijfel zou die verzocht hebben dat de Belgische
landen over de Maas niet van het nieuwe rijk werden gescheiden, en de
toewijzing van het gebied tusschen Maas, Rijn en Moezel bleek een der
moeilijkste onderwerpen van alle en bleef nog lang onbeslist. Voorloopig
maakten zij zich van België af door tegelijk met de onderteekening der acht
artikelen te verklaren, dat zij over het land beschikten in het belang van het
evenwicht van Europa en krachtens het recht van verovering, en er, tot de
feitelijke voltrekking der vereeniging toe, het bestuur over opdroegen aan
den Souvereinen Vorst 457). Deze aanvaardde het den 1sten Augustus met
een niet ongeschikte proclamatie, door Falck gesteld, waarin getracht was
elk wat wils te geven. De moeilijkheid van de taak echter, die Willem I en
Noord-Nederland te wachten stond, werd ook door Falck niet doorzien.
Dezelfde gebeurtenis, die het vredestractaat van Parijs had aangekondigd
met de woorden: „La Hollande recevra un accroissement de territoire”,
wordt in deze proclamatie, zooals indertijd Vincent aangeraden had 458),
„l'agrandissement de la Belgique” genoemd. Werd Holland uitgebreid, of
België? In den gedachtengang van hen die de zaak uitgevonden hadden,
nouveau Souverain dont ils savent bien que les intentions et le caractère 454)
seront à la longue une garantie de leur bonheur bien préférable à des
stipulations convenues dans un moment comme celui-ci entre le Souverain
et quelques-uns de leurs compatriotes” 455).
Noch de Noordnederlandsche souverein, noch het Noordnederlandsche
volk, dat tot dit alles, in de personen van Falck, van Nagell, van Hogendorp,
zijne medewerking verleende, hebben de Belgen voor vol aangezien. Waren
hunne bezwaren, ik zeg niet weerlegd, doch zelfs maar gevat? Wat
beteekende het, hun te verzekeren, dat de Katholieken tot iedere
landsbetrekking benoembaar waren? 456) Een dergelijke verzekering,
gegeven aan een natie voor 99% uit Katholieken bestaande, was alleen al
een beleediging aan het gezond verstand. Met het opperen van hun
religiebezwaar hadden de Belgen voorzeker niet bedoeld te vragen, of
Katholieken in België wel tot landsbetrekkingen benoembaar zouden zijn.
De moeilijkheden werden niet opgelost, zij werden genegeerd. De
bondgenooten onderteekenden alles, in meer of minder goed vertrouwen op
de uitkomst. Eigenlijk kwam een Belgische notabelenvergadering hun toch
zeer ongelegen. Zonder twijfel zou die verzocht hebben dat de Belgische
landen over de Maas niet van het nieuwe rijk werden gescheiden, en de
toewijzing van het gebied tusschen Maas, Rijn en Moezel bleek een der
moeilijkste onderwerpen van alle en bleef nog lang onbeslist. Voorloopig
maakten zij zich van België af door tegelijk met de onderteekening der acht
artikelen te verklaren, dat zij over het land beschikten in het belang van het
evenwicht van Europa en krachtens het recht van verovering, en er, tot de
feitelijke voltrekking der vereeniging toe, het bestuur over opdroegen aan
den Souvereinen Vorst 457). Deze aanvaardde het den 1sten Augustus met
een niet ongeschikte proclamatie, door Falck gesteld, waarin getracht was
elk wat wils te geven. De moeilijkheid van de taak echter, die Willem I en
Noord-Nederland te wachten stond, werd ook door Falck niet doorzien.
Dezelfde gebeurtenis, die het vredestractaat van Parijs had aangekondigd
met de woorden: „La Hollande recevra un accroissement de territoire”,
wordt in deze proclamatie, zooals indertijd Vincent aangeraden had 458),
„l'agrandissement de la Belgique” genoemd. Werd Holland uitgebreid, of
België? In den gedachtengang van hen die de zaak uitgevonden hadden,
Page 279
Holland. Maar het was een veeg teeken, dat men hiervoor tegenover de
nieuwe onderdanen niet uit durfde komen. Een fraaie „vergrooting van
België” inderdaad waarbij het, volgens Falck's eigen bekentenis, „te
langdradig zoude geweest zijn, de Belgen te raadplegen”! 459) De
vergrooting was door België bedacht noch goedgekeurd; zij werd
ondergaan.
De grenzen van het nieuwe koninkrijk zijn pas bij tractaat van 31 Mei
1815 bepaald. Willem I verkreeg daarbij verreweg het grootste gedeelte der
over de Maas gelegen oud-Namensche, oud-Luiksche en oud-Limburgsche
landen 460); voorts van Sittard tot Mook de smalle strook, die Pruisen
verhindert tot aan de Maas te reiken. Onder bijzondere bepalingen werd aan
dit gebied Luxemburg toegevoegd, als een vergoeding voor het verlies der
Nassausche erflanden. De verknipping van België was dus voorkomen,
maar Holland won geen duimbreed aan den Rijn. De mogendheden hadden
zich genoodzaakt gezien aan Pruisen de grootste helft van Saksen te
onthouden, doch hadden in ruil aan Pruisens begeerte naar de Rijnlanden in
grooter mate toegegeven dan de conventie van Troyes had kunnen doen
verwachten. In het oorspronkelijk plan om aan den Souvereinen Vorst den
linker Rijnoever toe te deelen van Emmerik tot Keulen, benevens den linker
Maasoever van Maastricht tot de Fransche grens, was het denkbeeld eener
„uitbreiding van Holland” duidelijker uitgedrukt dan in de nieuwe regeling,
die geheel op eene vereeniging van Holland en België nederkwam.
Met het vaste voornemen (hiervóór, bl. 198).—Dit leerden wij hierboven,
bl. 221, anders.
Wat er in stond, is niet bekend (hiervóór, bl. 203).—Zie thans hierboven,
bl. 226.
De wensch van den Souvereinen Vorst (hiervóór bl. 203).—Die ging nog
aanmerkelijk verder dan de conventie van Troyes; zie hierboven, bl. 220.
nieuwe onderdanen niet uit durfde komen. Een fraaie „vergrooting van
België” inderdaad waarbij het, volgens Falck's eigen bekentenis, „te
langdradig zoude geweest zijn, de Belgen te raadplegen”! 459) De
vergrooting was door België bedacht noch goedgekeurd; zij werd
ondergaan.
De grenzen van het nieuwe koninkrijk zijn pas bij tractaat van 31 Mei
1815 bepaald. Willem I verkreeg daarbij verreweg het grootste gedeelte der
over de Maas gelegen oud-Namensche, oud-Luiksche en oud-Limburgsche
landen 460); voorts van Sittard tot Mook de smalle strook, die Pruisen
verhindert tot aan de Maas te reiken. Onder bijzondere bepalingen werd aan
dit gebied Luxemburg toegevoegd, als een vergoeding voor het verlies der
Nassausche erflanden. De verknipping van België was dus voorkomen,
maar Holland won geen duimbreed aan den Rijn. De mogendheden hadden
zich genoodzaakt gezien aan Pruisen de grootste helft van Saksen te
onthouden, doch hadden in ruil aan Pruisens begeerte naar de Rijnlanden in
grooter mate toegegeven dan de conventie van Troyes had kunnen doen
verwachten. In het oorspronkelijk plan om aan den Souvereinen Vorst den
linker Rijnoever toe te deelen van Emmerik tot Keulen, benevens den linker
Maasoever van Maastricht tot de Fransche grens, was het denkbeeld eener
„uitbreiding van Holland” duidelijker uitgedrukt dan in de nieuwe regeling,
die geheel op eene vereeniging van Holland en België nederkwam.
Met het vaste voornemen (hiervóór, bl. 198).—Dit leerden wij hierboven,
bl. 221, anders.
Wat er in stond, is niet bekend (hiervóór, bl. 203).—Zie thans hierboven,
bl. 226.
De wensch van den Souvereinen Vorst (hiervóór bl. 203).—Die ging nog
aanmerkelijk verder dan de conventie van Troyes; zie hierboven, bl. 220.
Page 280
De zaak was deze (hiervóór, bl. 204).—Wat dan volgt is onjuist. De
uitnoodiging aan Bernadotte is van 27 Februari; toen was reeds door de
feiten beslist dat Castlereagh's verzoek van 27 Januari, den Souvereinen
Vorst met het voorloopig bestuur over België te belasten, geen gevolg zou
hebben. Dat verzoek was gedaan eer men België bezat; vóór er op beschikt
kon worden was België door de Pruisen veroverd en het door hun generaals
ingestelde voorloopig bestuur was reeds door de centrale commissie onder
Pruisische commissarissen gesteld (zie hierboven, bl. 224). De centrale
commissie was evenzeer door de gebeurtenissen verrast als de verschillende
mogendheden zelve. Stein's oorspronkelijk plan (in Januari) was geweest,
dat de Souvereine Vorst het bestuur zou voeren over de beide Vlaanderens
en Antwerpen, Pruisen over Zuid-Brabant en de rest 461). Toen in Maart
bleek dat het bestuur van Lottum en Delius in België weinig populair was,
verklaarde Stein zich bereid den Souvereinen Vorst het bestuur over geheel
België tot de Maas te laten, op voorwaarde dat een gedeelte der
landsinkomsten aan Pruisen werd uitgekeerd 462); dit is juist tijdens
Bernadotte's militair commando, dat geheel tijdelijk is en met de
bestuurszaak niets te maken heeft. Sedert 27 Jan. echter was gebleken
welke voorwaarden Rusland en Pruisen aan de goedkeuring der „uitbreiding
van Holland” verbonden. Dat de aanspraken van den Souvereinen Vorst
voor een zoo groot deel met die van Pruisen bleken te concurreeren maakte
het onraadzaam 't zij Pruisen 't zij den Vorst in België te veel de vrije hand
te laten, of door 's Vorsten bestuur over het nog vol Pruisische troepen
gebleven land de mogelijkheid te openen van dagelijksche conflicten.
Bovendien wilde men, zooals in Juni gebleken is, den Souvereinen Vorst
zelfs niet voorloopig in België plaatsen voor hij zich geschikt zou hebben in
de overname der Russische schuld; eene zaak die Castlereagh hem thans
niet voorleggen kon daar zij nog in onderzoek was bij de regeering te
Londen. In deze omstandigheden was het gouvernement van een
Oostenrijker een tijdelijk noodbehelp waarmede ieder zich vereenigen kon,
en waarmede men tevens de Belgen in een betere stemming kon
terugbrengen dan het bewind der Pruisische commissarissen bij hen had
opgewekt. Ziehier de werkelijke redenen waarom de Vorst eerst zoo laat in
België is toegelaten.
uitnoodiging aan Bernadotte is van 27 Februari; toen was reeds door de
feiten beslist dat Castlereagh's verzoek van 27 Januari, den Souvereinen
Vorst met het voorloopig bestuur over België te belasten, geen gevolg zou
hebben. Dat verzoek was gedaan eer men België bezat; vóór er op beschikt
kon worden was België door de Pruisen veroverd en het door hun generaals
ingestelde voorloopig bestuur was reeds door de centrale commissie onder
Pruisische commissarissen gesteld (zie hierboven, bl. 224). De centrale
commissie was evenzeer door de gebeurtenissen verrast als de verschillende
mogendheden zelve. Stein's oorspronkelijk plan (in Januari) was geweest,
dat de Souvereine Vorst het bestuur zou voeren over de beide Vlaanderens
en Antwerpen, Pruisen over Zuid-Brabant en de rest 461). Toen in Maart
bleek dat het bestuur van Lottum en Delius in België weinig populair was,
verklaarde Stein zich bereid den Souvereinen Vorst het bestuur over geheel
België tot de Maas te laten, op voorwaarde dat een gedeelte der
landsinkomsten aan Pruisen werd uitgekeerd 462); dit is juist tijdens
Bernadotte's militair commando, dat geheel tijdelijk is en met de
bestuurszaak niets te maken heeft. Sedert 27 Jan. echter was gebleken
welke voorwaarden Rusland en Pruisen aan de goedkeuring der „uitbreiding
van Holland” verbonden. Dat de aanspraken van den Souvereinen Vorst
voor een zoo groot deel met die van Pruisen bleken te concurreeren maakte
het onraadzaam 't zij Pruisen 't zij den Vorst in België te veel de vrije hand
te laten, of door 's Vorsten bestuur over het nog vol Pruisische troepen
gebleven land de mogelijkheid te openen van dagelijksche conflicten.
Bovendien wilde men, zooals in Juni gebleken is, den Souvereinen Vorst
zelfs niet voorloopig in België plaatsen voor hij zich geschikt zou hebben in
de overname der Russische schuld; eene zaak die Castlereagh hem thans
niet voorleggen kon daar zij nog in onderzoek was bij de regeering te
Londen. In deze omstandigheden was het gouvernement van een
Oostenrijker een tijdelijk noodbehelp waarmede ieder zich vereenigen kon,
en waarmede men tevens de Belgen in een betere stemming kon
terugbrengen dan het bewind der Pruisische commissarissen bij hen had
opgewekt. Ziehier de werkelijke redenen waarom de Vorst eerst zoo laat in
België is toegelaten.
Page 281
Ik durf niet beslissen (hiervóór, bl. 206).—Mondeling heeft men het wèl
gezegd. „The Emperor”, schrijft Castlereagh den 13den aan Clancarty, „has
told them plainly that he cannot take them back, and that an Archduke
would be no motive with him to risk a war for their sakes; he therefore
advised them to look to an incorporation with Holland upon a fair
understanding to be guaranteed to them as to religion, commerce, debt,
etc”. 463) In het schriftelijk stuk daarentegen van den 14den staat over
Holland geen woord, en de Belgen bleven hopen tegen hope. 464)
Lang tijdsverloop (hiervóór, bl. 206).—De volte van zaken was aan het
hoofdkwartier zóó enorm dat, gelijk herhaaldelijk blijkt, aan velerlei
beslissingen eerst uitvoering gegeven werd wanneer de omstandigheden
onderwijl al weder veranderd waren. Het besluit om een Oostenrijkschen
commissaris te zenden is van den 14den Maart; de opdracht van Metternich
aan Vincent is pas van 29 Maart 465); intusschen was Horst, een tweede en
slechter uitgaaf van Lottum en Delius, al in functie. Vincent bevond zich te
Luik en schrijft 7 April nog van die plaats 466); toen hij zich kort daarna te
Brussel vertoonde maakte Horst gebruik van een of andere
onregelmatigheid in de papieren om de overgave van het bestuur te
weigeren. Dientengevolge moest de zaak voor de tweede maal voor de
mogendheden komen, en eerst 1 Mei kan Metternich aan Vincent schrijven
dat er stellig bevel aan Horst is gezonden tot onmiddellijke
bestuursoverdracht 467).
Te Gratz bezocht (hiervóór, bl. 210).—Capellen bleef, als alle
Hollandsche ministers, tot 31 Dec. 1810 in functie; daarna weigerde hij een
plaats in het Wetgevend Lichaam te Parijs 468) en ging te Maarsen
„vegeteeren”, zooals Lebrun het uitdrukt 469). In den zomer van 1811 gaf hij
gehoor aan eene uitnoodiging van den graaf van Saint-Leu om dezen te
Gratz te bezoeken, bleef er nagenoeg een jaar, en corrigeerde er, tot zijn
verdriet, de proeven van Lodewijks zouteloozen roman Marie ou les Peines
de l'Amour. Toen hij naar huis begon te verlangen verdacht de ex-koning
hem dat hij toch zijn hof zou gaan maken bij de Franschen, zoodat de
vrienden in onmin scheidden. Het tweede halfjaar van 1812 en het grootste
gezegd. „The Emperor”, schrijft Castlereagh den 13den aan Clancarty, „has
told them plainly that he cannot take them back, and that an Archduke
would be no motive with him to risk a war for their sakes; he therefore
advised them to look to an incorporation with Holland upon a fair
understanding to be guaranteed to them as to religion, commerce, debt,
etc”. 463) In het schriftelijk stuk daarentegen van den 14den staat over
Holland geen woord, en de Belgen bleven hopen tegen hope. 464)
Lang tijdsverloop (hiervóór, bl. 206).—De volte van zaken was aan het
hoofdkwartier zóó enorm dat, gelijk herhaaldelijk blijkt, aan velerlei
beslissingen eerst uitvoering gegeven werd wanneer de omstandigheden
onderwijl al weder veranderd waren. Het besluit om een Oostenrijkschen
commissaris te zenden is van den 14den Maart; de opdracht van Metternich
aan Vincent is pas van 29 Maart 465); intusschen was Horst, een tweede en
slechter uitgaaf van Lottum en Delius, al in functie. Vincent bevond zich te
Luik en schrijft 7 April nog van die plaats 466); toen hij zich kort daarna te
Brussel vertoonde maakte Horst gebruik van een of andere
onregelmatigheid in de papieren om de overgave van het bestuur te
weigeren. Dientengevolge moest de zaak voor de tweede maal voor de
mogendheden komen, en eerst 1 Mei kan Metternich aan Vincent schrijven
dat er stellig bevel aan Horst is gezonden tot onmiddellijke
bestuursoverdracht 467).
Te Gratz bezocht (hiervóór, bl. 210).—Capellen bleef, als alle
Hollandsche ministers, tot 31 Dec. 1810 in functie; daarna weigerde hij een
plaats in het Wetgevend Lichaam te Parijs 468) en ging te Maarsen
„vegeteeren”, zooals Lebrun het uitdrukt 469). In den zomer van 1811 gaf hij
gehoor aan eene uitnoodiging van den graaf van Saint-Leu om dezen te
Gratz te bezoeken, bleef er nagenoeg een jaar, en corrigeerde er, tot zijn
verdriet, de proeven van Lodewijks zouteloozen roman Marie ou les Peines
de l'Amour. Toen hij naar huis begon te verlangen verdacht de ex-koning
hem dat hij toch zijn hof zou gaan maken bij de Franschen, zoodat de
vrienden in onmin scheidden. Het tweede halfjaar van 1812 en het grootste
Page 282
gedeelte van 1813 verbleef Capellen weer te Maarsen, maar toen hij
bemerkte door de politie op last van de Celles te worden gesurveilleerd,
nam hij het besluit het land voorgoed vaarwel te zeggen en ging met zijne
vrouw te Mannheim wonen (Sept. 1813) 470). Op het bericht der
omwenteling keerde hij naar Holland terug, waar hij midden December
aankwam.
Alleen door den invloed van Falck (hiervóór, bl. 210).—Neen, ook van
Capellens zwager van der Duyn 471).
Eene gemengde commissie (hiervóór, bl. 212).—Daarvan spreekt
inderdaad Castlereagh in zijn brief van 16 Mei: „a commission to prepare
for the approbation of the Sovereigns a project 472) for the reunion of the
Belgic Provinces with Holland; this commission may be assembled
according to mutual convenience either at Brussels or the Hague, and
should consist of an equal number of Dutch and Belgian members; possibly
three of each might be sufficient”.—Clancarty daarentegen in zijn stuk van
den 25sten zegt: „Si ces principes [de door hem uit van Nagell's stuk
getrokken, bekende principes van den Vorst] paraissent fondés, on pense
qu'il serait convenable de transmettre au gouverneur général de la Belgique
[Vincent] les articles qui en résultent, et dont la rédaction ne peut pas avoir
de grandes difficultés. Le gouverneur devra les communiquer à ceux des
notables de ce pays 473) qu'il trouvera bon de choisir, et dans la vue d'obtenir
leur adhésion qui, dans l'opinion du gouverneur général lui-même, n'est pas
douteuse”. Het is tegen dezen voorslag dat de Vorst bij zijn hiervóór, bl. 233
aangehaalde woorden van 30 Mei opkomt.
De dépêche van Vincent aan Metternich, waarop Clancarty zijne
verzekering grondt dat de aanneming in België volgens Vincent zelven niet
twijfelachtig is, indien hij maar de notabelen mag kiezen, geeft inderdaad
tot die verzekering geen recht; eer het tegendeel. Vincent toch schrijft
letterlijk het volgende (21 Mei): „J'avouerai à V. A. qu'il m'eût paru
préférable qui la réunion fût prononcée et définie par les plénipotentiaires
des alliés plutôt que préparée par le concours des deux nations. Vingt-cinq
années d'exagération et de fausse direction dans les esprits ont remué trop
bemerkte door de politie op last van de Celles te worden gesurveilleerd,
nam hij het besluit het land voorgoed vaarwel te zeggen en ging met zijne
vrouw te Mannheim wonen (Sept. 1813) 470). Op het bericht der
omwenteling keerde hij naar Holland terug, waar hij midden December
aankwam.
Alleen door den invloed van Falck (hiervóór, bl. 210).—Neen, ook van
Capellens zwager van der Duyn 471).
Eene gemengde commissie (hiervóór, bl. 212).—Daarvan spreekt
inderdaad Castlereagh in zijn brief van 16 Mei: „a commission to prepare
for the approbation of the Sovereigns a project 472) for the reunion of the
Belgic Provinces with Holland; this commission may be assembled
according to mutual convenience either at Brussels or the Hague, and
should consist of an equal number of Dutch and Belgian members; possibly
three of each might be sufficient”.—Clancarty daarentegen in zijn stuk van
den 25sten zegt: „Si ces principes [de door hem uit van Nagell's stuk
getrokken, bekende principes van den Vorst] paraissent fondés, on pense
qu'il serait convenable de transmettre au gouverneur général de la Belgique
[Vincent] les articles qui en résultent, et dont la rédaction ne peut pas avoir
de grandes difficultés. Le gouverneur devra les communiquer à ceux des
notables de ce pays 473) qu'il trouvera bon de choisir, et dans la vue d'obtenir
leur adhésion qui, dans l'opinion du gouverneur général lui-même, n'est pas
douteuse”. Het is tegen dezen voorslag dat de Vorst bij zijn hiervóór, bl. 233
aangehaalde woorden van 30 Mei opkomt.
De dépêche van Vincent aan Metternich, waarop Clancarty zijne
verzekering grondt dat de aanneming in België volgens Vincent zelven niet
twijfelachtig is, indien hij maar de notabelen mag kiezen, geeft inderdaad
tot die verzekering geen recht; eer het tegendeel. Vincent toch schrijft
letterlijk het volgende (21 Mei): „J'avouerai à V. A. qu'il m'eût paru
préférable qui la réunion fût prononcée et définie par les plénipotentiaires
des alliés plutôt que préparée par le concours des deux nations. Vingt-cinq
années d'exagération et de fausse direction dans les esprits ont remué trop
Page 283
de passions pour qu'il ne soit pas plus facile de commander d'en haut
l'accord des volontés que de le faire sortir de tout concours de représentans.
En partant de cette persuasion je regarderais du moins comme un devoir de
hâter cette mesure transitoire, en désignant (s'il en est question) tout de suite
et directement les personnes, pour ne pas s'exposer à des inconvéniens trop
graves en faisant un appel dangereux à des délibérations tumultueuses.” 474)
—7 Juni schrijft hij: „En considérant la disposition générale de esprits, qui
n'est que trop contraire à la Hollande, soite par un suite de l'esprit de parti
constitutionnaire 475) réveillé par la réaction contre la France, soit par une
exubérance des prétentions nationales de la Belgique, il me devient de plus
en plus évident que les clauses de la réunion des deux pays doivent être
décidées d'autorité et de la part des hautes puissances. Il importe que les
clauses portant garantie en faveur des Belges de leur sûreté, de leur religion
et de leur commerce, soient toutes définies dans la transaction qui
transmettra la souveraineté au Prince d'Orange, car si l'on permet de
s'établir une délibération, on peut être assuré que le nouvel état n'aura ni
l'unité 476) ni la force nécessaire pour exclure les machinations françaises, et
qu'ainsi le but que les hautes puissances alliées ont en vue sera contrarié par
les prétentions d'isolement et de provincialisme des Belges 477).”
Het bezwaar (Bernadotte) (hiervóór, bl. 214).—Niet juist; het bezwaar
was de Russische schuld, tegen de overname waarvan Lord Liverpool tot in
Juni bezwaar maakte.
Ik gis (hiervóór, bl. 215).—Juist, maar het is maar één der redenen.
Pruisen zou niets geteekend hebben vóór de grens vaststond; Rusland niets,
eer het zijn tractaat van schuldoverdracht in den zak had. Trouwens „les
arrangemens qui doivent compléter les dispositions du présent traité”,
waaronder de oprichting van het koninkrijk der Nederlanden stellig
behoorde, waren uitdrukkelijk bij art. 32 van het tractaat van Parijs aan het
congres van Weenen voorbehouden. De vaststelling der acht artikelen te
Londen beantwoordde aan het eerste geheim artikel van het Parijsche
tractaat: „Les dispositions à faire des territoires auxquels Sa Majesté très
l'accord des volontés que de le faire sortir de tout concours de représentans.
En partant de cette persuasion je regarderais du moins comme un devoir de
hâter cette mesure transitoire, en désignant (s'il en est question) tout de suite
et directement les personnes, pour ne pas s'exposer à des inconvéniens trop
graves en faisant un appel dangereux à des délibérations tumultueuses.” 474)
—7 Juni schrijft hij: „En considérant la disposition générale de esprits, qui
n'est que trop contraire à la Hollande, soite par un suite de l'esprit de parti
constitutionnaire 475) réveillé par la réaction contre la France, soit par une
exubérance des prétentions nationales de la Belgique, il me devient de plus
en plus évident que les clauses de la réunion des deux pays doivent être
décidées d'autorité et de la part des hautes puissances. Il importe que les
clauses portant garantie en faveur des Belges de leur sûreté, de leur religion
et de leur commerce, soient toutes définies dans la transaction qui
transmettra la souveraineté au Prince d'Orange, car si l'on permet de
s'établir une délibération, on peut être assuré que le nouvel état n'aura ni
l'unité 476) ni la force nécessaire pour exclure les machinations françaises, et
qu'ainsi le but que les hautes puissances alliées ont en vue sera contrarié par
les prétentions d'isolement et de provincialisme des Belges 477).”
Het bezwaar (Bernadotte) (hiervóór, bl. 214).—Niet juist; het bezwaar
was de Russische schuld, tegen de overname waarvan Lord Liverpool tot in
Juni bezwaar maakte.
Ik gis (hiervóór, bl. 215).—Juist, maar het is maar één der redenen.
Pruisen zou niets geteekend hebben vóór de grens vaststond; Rusland niets,
eer het zijn tractaat van schuldoverdracht in den zak had. Trouwens „les
arrangemens qui doivent compléter les dispositions du présent traité”,
waaronder de oprichting van het koninkrijk der Nederlanden stellig
behoorde, waren uitdrukkelijk bij art. 32 van het tractaat van Parijs aan het
congres van Weenen voorbehouden. De vaststelling der acht artikelen te
Londen beantwoordde aan het eerste geheim artikel van het Parijsche
tractaat: „Les dispositions à faire des territoires auxquels Sa Majesté très
Page 284
chrétienne renonce seront réglées au congrès, sur les bases arrêtées par les
puissances alliées entre elles.”
Terwijl Pruisen (hiervóór, bl. 216).—Bij conventie tusschen de
geallieerden (Bazel, 12 Jan. 1814) was nl. het voorloopig bestuur der landen
tot de Maas aan Pruisen toevertrouwd, dat daartoe een gouvernement-
generaal vormde te Aken. In plaatsen als Maastricht en Venlo kwam dit
gouvernement-generaal in botsing met de commissarissen van den
Souvereinen Vorst, die in last hadden onmiddellijk weder bezit te nemen
van alles wat eenmaal tot de Vereenigde Nederlanden behoord had 478).
357) Hiervóór, bl. 13 en 27.
358) Hiervóór, bl. 28.
359) Hiervóór, bl. 30.
360) Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 14 Dec. 1813 (Ged.
VII, 9).
361) Br. en Ged. V, 448.
362) Hogendorp aan Hendrik Fagel, 14 Dec. 1813 (G. K. van
Hogendorp in 1813, bl. 31).
363) Hendrik Fagel aan den Souvereinen Vorst, 22 Dec. 1813.—
Dit en het in de volgende noot vermelde stuk, door Tellegen aan de ms.-
mémoires van Grovestins ontleend, zullen door mij in Ged. VII worden
medegedeeld, maar zijn thans nog niet afgedrukt, zoodat ik ze niet met de
bladzijde kan aanhalen.
364) Hendrik Fagel aan den Souvereinen Vorst, 3 Dec. 1813 (bij
Grovestins).
365) S.V. aan Lord Clancarty, 11 Nov. 1814 (Ged. VII, 211).
366) Lord Castlereagh aan den Minister van Oorlog en Koloniën
Lord Bathurst, Bazel 22 Januari 1814 (Castlereagh's Corr. IX, 181). Dit
puissances alliées entre elles.”
Terwijl Pruisen (hiervóór, bl. 216).—Bij conventie tusschen de
geallieerden (Bazel, 12 Jan. 1814) was nl. het voorloopig bestuur der landen
tot de Maas aan Pruisen toevertrouwd, dat daartoe een gouvernement-
generaal vormde te Aken. In plaatsen als Maastricht en Venlo kwam dit
gouvernement-generaal in botsing met de commissarissen van den
Souvereinen Vorst, die in last hadden onmiddellijk weder bezit te nemen
van alles wat eenmaal tot de Vereenigde Nederlanden behoord had 478).
357) Hiervóór, bl. 13 en 27.
358) Hiervóór, bl. 28.
359) Hiervóór, bl. 30.
360) Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 14 Dec. 1813 (Ged.
VII, 9).
361) Br. en Ged. V, 448.
362) Hogendorp aan Hendrik Fagel, 14 Dec. 1813 (G. K. van
Hogendorp in 1813, bl. 31).
363) Hendrik Fagel aan den Souvereinen Vorst, 22 Dec. 1813.—
Dit en het in de volgende noot vermelde stuk, door Tellegen aan de ms.-
mémoires van Grovestins ontleend, zullen door mij in Ged. VII worden
medegedeeld, maar zijn thans nog niet afgedrukt, zoodat ik ze niet met de
bladzijde kan aanhalen.
364) Hendrik Fagel aan den Souvereinen Vorst, 3 Dec. 1813 (bij
Grovestins).
365) S.V. aan Lord Clancarty, 11 Nov. 1814 (Ged. VII, 211).
366) Lord Castlereagh aan den Minister van Oorlog en Koloniën
Lord Bathurst, Bazel 22 Januari 1814 (Castlereagh's Corr. IX, 181). Dit
Page 285
punt was in den Haag door Hogendorp met Lord Castlereagh besproken:
„My attention”, schrijft deze den 8sten Januari 1814 aan Engelands eersten
minister Lord Liverpool, „was called to this [the succession] by an
observation of that Minister [Hogendorp] as to the expediency of making
provision for the separation of the two Crowns in the Act, which would
shortly be proposed for regulating the succession to the crown of Holland
under the new Constitution.” (Ged. VII, 24). Dit is de aanleiding geweest
tot de vaststelling van art. 8 der Grondwet van 1814, waardoor verandering
in de troonsopvolging mogelijk werd gemaakt (Ontstaan I, 433; II, 418,
423).
367) Ged. VII, 39.
368) Onder voorzitterschap van Stein ingesteld den 21sten Oct.
1813.
369) Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, Châtillon 20 Febr.
1814 (Ged. VII, 61).
370) Brief van den gezant Lord Walpole aan Lord Castlereagh,
St. Petersburg, 9 Aug. 1814: „The Finances and Interior are in a dreadful
state; the exchange falls every post day; yesterday it was below 11 d. the
rouble” (Castlereagh's Corr. X, 83).
371) Hiervóór, bl. 27.
372) Lord Castlereagh aan Lord Liverpool, Chaumont 8 Maart
1814 (Ged. VII 85).
373) Ged. VII, 86.
374) Gagern's Antheil II, bijlage X.
375) Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 1 Febr. 1814 (Ged.
VII, 38);—Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 18 Febr. 1814 (Ged. VII,
61).
376) „I have not said a syllable here of the Russian debt” (Lord
Clancarty aan Lord Castlereagh, 22 Maart 1814, Ged. VII, 96).
„My attention”, schrijft deze den 8sten Januari 1814 aan Engelands eersten
minister Lord Liverpool, „was called to this [the succession] by an
observation of that Minister [Hogendorp] as to the expediency of making
provision for the separation of the two Crowns in the Act, which would
shortly be proposed for regulating the succession to the crown of Holland
under the new Constitution.” (Ged. VII, 24). Dit is de aanleiding geweest
tot de vaststelling van art. 8 der Grondwet van 1814, waardoor verandering
in de troonsopvolging mogelijk werd gemaakt (Ontstaan I, 433; II, 418,
423).
367) Ged. VII, 39.
368) Onder voorzitterschap van Stein ingesteld den 21sten Oct.
1813.
369) Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, Châtillon 20 Febr.
1814 (Ged. VII, 61).
370) Brief van den gezant Lord Walpole aan Lord Castlereagh,
St. Petersburg, 9 Aug. 1814: „The Finances and Interior are in a dreadful
state; the exchange falls every post day; yesterday it was below 11 d. the
rouble” (Castlereagh's Corr. X, 83).
371) Hiervóór, bl. 27.
372) Lord Castlereagh aan Lord Liverpool, Chaumont 8 Maart
1814 (Ged. VII 85).
373) Ged. VII, 86.
374) Gagern's Antheil II, bijlage X.
375) Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 1 Febr. 1814 (Ged.
VII, 38);—Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 18 Febr. 1814 (Ged. VII,
61).
376) „I have not said a syllable here of the Russian debt” (Lord
Clancarty aan Lord Castlereagh, 22 Maart 1814, Ged. VII, 96).
Page 286
377) Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 27 Febr, 1814 (Ged.
VII, 67).—Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 7 Maart 1814 (Ged. VII,
80).—Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 14 Maart 1814 (Ged. VII, 90).
—Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 22 Maart 1814 (Ged. VII, 95).
378) Journal officiel du Gouvernement de la Belgique, 1814, I,
no. 9 (15 Febr. 1814).
379) Journal officiel, 1814, I, no. 45.
380) Engelands agent in België, Johnson, aan Lord Aberdeen, 20
Febr. 1814 (Ged. VII, 88); Lord Aberdeen aan Lord Castlereagh, 12 Maart
1814 (ibidem); Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 13 en 14 Maart 1814
(Ged. VII, 90).
381) Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 14 Maart 1814 (Ged.
VII, 90).
382) Journal officiel, 1814, I. no. 82.
383) Journal officiel, 1814, I, no. 171. Een lang tijdsverloop van
29 Maart tot 5 Mei. Het was toe te schrijven aan de zucht van Baron van
Horst om Gouverneur-Generaal te blijven, ten einde door requisitiën uit
België te halen wat er uit te halen was. Zie Johnson aan Clancarty, 20 April
1814 (Ged. VII, 111); Clancarty aan Castlereagh, 25 April 1814 (Ged. VII,
109).
384) Journal officiel, 1814, I, no. 171, 174; Castlereagh aan
Clancarty, 14 Maart 1814 (Ged. VII, 92); Clancarty aan Castlereagh, 22
Maart 1814 (Ged. VII, 96).
385) Ontstaan II, 16.
386) Falck aan Fabius, 17 Dec. 1813; aan D. J. van Lennep, 24
Dec. 1813 (Brieven, no. 96, 97).
387) Gagern (Antheil II, 99), beschrijft hem als „verständig,
angenehm, kalt, ruhig”.
388) Ontstaan II, 10, 12.
VII, 67).—Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 7 Maart 1814 (Ged. VII,
80).—Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 14 Maart 1814 (Ged. VII, 90).
—Lord Clancarty aan Lord Castlereagh, 22 Maart 1814 (Ged. VII, 95).
378) Journal officiel du Gouvernement de la Belgique, 1814, I,
no. 9 (15 Febr. 1814).
379) Journal officiel, 1814, I, no. 45.
380) Engelands agent in België, Johnson, aan Lord Aberdeen, 20
Febr. 1814 (Ged. VII, 88); Lord Aberdeen aan Lord Castlereagh, 12 Maart
1814 (ibidem); Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 13 en 14 Maart 1814
(Ged. VII, 90).
381) Lord Castlereagh aan Lord Clancarty, 14 Maart 1814 (Ged.
VII, 90).
382) Journal officiel, 1814, I. no. 82.
383) Journal officiel, 1814, I, no. 171. Een lang tijdsverloop van
29 Maart tot 5 Mei. Het was toe te schrijven aan de zucht van Baron van
Horst om Gouverneur-Generaal te blijven, ten einde door requisitiën uit
België te halen wat er uit te halen was. Zie Johnson aan Clancarty, 20 April
1814 (Ged. VII, 111); Clancarty aan Castlereagh, 25 April 1814 (Ged. VII,
109).
384) Journal officiel, 1814, I, no. 171, 174; Castlereagh aan
Clancarty, 14 Maart 1814 (Ged. VII, 92); Clancarty aan Castlereagh, 22
Maart 1814 (Ged. VII, 96).
385) Ontstaan II, 16.
386) Falck aan Fabius, 17 Dec. 1813; aan D. J. van Lennep, 24
Dec. 1813 (Brieven, no. 96, 97).
387) Gagern (Antheil II, 99), beschrijft hem als „verständig,
angenehm, kalt, ruhig”.
388) Ontstaan II, 10, 12.
Page 287
389) Capellen aan van Nagel, 10 Mei 1814: „L'opinion pour la
réunion aurait gagné davantage et serait devenue plus générale, si dans les
commencemens on ne s'était pas servi de petits moyens et d'intrigues pour
la propager d'une manière à ce que l'on m'assure au-dessous de la dignité
d'un gouvernement loyal et libéral comme est celui de mon Souverain”. Dit
slaat op de zending van H. van Zuylen van Nyevelt naar België in het begin
van 1814. Zie hierover Clancarty aan Castlereagh 8, 11, 12 Februari en 1
Maart 1814 (Ged. VII, 52, 56, 57, 74). Den 23sten April 1814 schrijft
Johnson, Engelands commissaris in België, aan Lord Clancarty: „I presume
the Dutch Government is thinking of sending some commissioner here, but
I trust it will not make choice of Mr. Zuylen de Nyevelt, who will find some
difficulty in getting rid of the disreputable connexions, he thought it for the
interest of his Sovereign to form in this country”.
390) Journal officiel, 1814, I, no. 45: „Lettre adressée par le
gouvernement provisoire à monsieur l'évêque de Namur et à messieurs les
vicaires généraux de différens diocèses de la Belgique.”—Ook gedrukt bij
Terlinden, Guillaume Ier et l'Eglise catholique, I, 10.
391) De Souvereine Vorst vertrok den 20sten Mei 1814 uit den
Haag en keerde den 5den Juni aldaar terug.
392) Hogendorp (Bijdragen I, 10) stelde de bevolking van
België op 3.200.000 zielen.
393) Falck aan D. J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (Brieven no.
105).
394) Clancarty aan Castlereagh, 7 Juni 1814 (Ged. VII, 136).
395) Ontstaan II, 32.
396) Ged. VII, 136, 147, 153.—Reeds 10 Mei 1814 schrijft
Capellen aan van Nagell: „Les Prussiens à ce que j'ai pu remarquer, sont
ceux qu'on craint le plus ici et qui se sont le plus mal conduits”.
397) Castlereagh aan Clancarty, 26 Juni 1814 (Ged. VII, 153): „I
have prevailed upon the Ministers of the Powers to give him forthwith the
provisional administration of Belgium”.
réunion aurait gagné davantage et serait devenue plus générale, si dans les
commencemens on ne s'était pas servi de petits moyens et d'intrigues pour
la propager d'une manière à ce que l'on m'assure au-dessous de la dignité
d'un gouvernement loyal et libéral comme est celui de mon Souverain”. Dit
slaat op de zending van H. van Zuylen van Nyevelt naar België in het begin
van 1814. Zie hierover Clancarty aan Castlereagh 8, 11, 12 Februari en 1
Maart 1814 (Ged. VII, 52, 56, 57, 74). Den 23sten April 1814 schrijft
Johnson, Engelands commissaris in België, aan Lord Clancarty: „I presume
the Dutch Government is thinking of sending some commissioner here, but
I trust it will not make choice of Mr. Zuylen de Nyevelt, who will find some
difficulty in getting rid of the disreputable connexions, he thought it for the
interest of his Sovereign to form in this country”.
390) Journal officiel, 1814, I, no. 45: „Lettre adressée par le
gouvernement provisoire à monsieur l'évêque de Namur et à messieurs les
vicaires généraux de différens diocèses de la Belgique.”—Ook gedrukt bij
Terlinden, Guillaume Ier et l'Eglise catholique, I, 10.
391) De Souvereine Vorst vertrok den 20sten Mei 1814 uit den
Haag en keerde den 5den Juni aldaar terug.
392) Hogendorp (Bijdragen I, 10) stelde de bevolking van
België op 3.200.000 zielen.
393) Falck aan D. J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (Brieven no.
105).
394) Clancarty aan Castlereagh, 7 Juni 1814 (Ged. VII, 136).
395) Ontstaan II, 32.
396) Ged. VII, 136, 147, 153.—Reeds 10 Mei 1814 schrijft
Capellen aan van Nagell: „Les Prussiens à ce que j'ai pu remarquer, sont
ceux qu'on craint le plus ici et qui se sont le plus mal conduits”.
397) Castlereagh aan Clancarty, 26 Juni 1814 (Ged. VII, 153): „I
have prevailed upon the Ministers of the Powers to give him forthwith the
provisional administration of Belgium”.
Page 288
398) Hendrik Fagel aan van Nagell, 23 Juni 1814.
399) Op het Congres van Weenen heeft dan ook de Souvereine
Vorst een deel dier schuld ten laste van Nederland moeten nemen.
400) Ontstaan II, 44.
401) Ontstaan II, 46.
402) 1814, I, no. 244. no. 245.
403) Journal officiel, 1814, I, no. 250.
404) Capellen, „dien”, zooals Falck zeide (brief aan Elout van 9
Sept. 1814, Brieven no. 106) „de Brabanders kennen en eerbiedigen”, werd
in Oct. 1814 uit Brussel teruggeroepen, om zich voor te bereiden voor het
Gouverneur-Generaalschap van Nederlandsch-Indië. Hij trad echter na de
terugkomst van Napoleon uit Elba, in 't voorjaar van 1815, weder tijdelijk
als Secretaris van Staat voor het Zuiden op en bleef dit totdat in Augustus
1815 Falck ook voor België zijne plaats innam.
405) Ged. VII, 149.
406) Den 4den April 1814, dus kort na de afspraken te
Chaumont, had de oudste zoon van den Souvereinen Vorst ten behoeve van
zijnen broeder afstand gedaan van zijn recht van erfopvolging in de
Nassausche erflanden. Ik herinner dat door den afstand dezer landen aan
Pruisen bij de onderhandelingen van het Weener Congres de wensch van
den Souvereinen Vorst niet is vervuld en prins Frederik voor de verijdeling
zijner hoop schadeloos is gesteld door de hem bij de wet van 25 Mei 1816
(Staatsblad no. 25) toegekende domeingoederen.
407) Men vergelijke de proclamatie van Willem I van 16 Maart
1815 (Staatsblad no. 27), waarbij dit denkbeeld is gevolgd.
408) Ged. VI, 1870–'71.
409) Hiervóór, bl. 30.
410) Heinrich von Gagern, Leben des Generals Friedrich von
Gagern I, 137.
399) Op het Congres van Weenen heeft dan ook de Souvereine
Vorst een deel dier schuld ten laste van Nederland moeten nemen.
400) Ontstaan II, 44.
401) Ontstaan II, 46.
402) 1814, I, no. 244. no. 245.
403) Journal officiel, 1814, I, no. 250.
404) Capellen, „dien”, zooals Falck zeide (brief aan Elout van 9
Sept. 1814, Brieven no. 106) „de Brabanders kennen en eerbiedigen”, werd
in Oct. 1814 uit Brussel teruggeroepen, om zich voor te bereiden voor het
Gouverneur-Generaalschap van Nederlandsch-Indië. Hij trad echter na de
terugkomst van Napoleon uit Elba, in 't voorjaar van 1815, weder tijdelijk
als Secretaris van Staat voor het Zuiden op en bleef dit totdat in Augustus
1815 Falck ook voor België zijne plaats innam.
405) Ged. VII, 149.
406) Den 4den April 1814, dus kort na de afspraken te
Chaumont, had de oudste zoon van den Souvereinen Vorst ten behoeve van
zijnen broeder afstand gedaan van zijn recht van erfopvolging in de
Nassausche erflanden. Ik herinner dat door den afstand dezer landen aan
Pruisen bij de onderhandelingen van het Weener Congres de wensch van
den Souvereinen Vorst niet is vervuld en prins Frederik voor de verijdeling
zijner hoop schadeloos is gesteld door de hem bij de wet van 25 Mei 1816
(Staatsblad no. 25) toegekende domeingoederen.
407) Men vergelijke de proclamatie van Willem I van 16 Maart
1815 (Staatsblad no. 27), waarbij dit denkbeeld is gevolgd.
408) Ged. VI, 1870–'71.
409) Hiervóór, bl. 30.
410) Heinrich von Gagern, Leben des Generals Friedrich von
Gagern I, 137.
Page 289
411) Falck's Gedenkschriften, 142.
412) Ged. VII, 19.
413) Clancarty aan Castlereagh, 17 Dec. 1813: „whether I saw
any objection to the employment of emissaries on the part of the Dutch
Government, at Antwerp particularly, and in other parts of the Austrian
Netherlands, for the purpose of inducing the inhabitants to declare for the
Government of H. R. H. the Prince of Orange” (Ged. VII, 11).
414) „Should Austria propose the settlement of the Archduke
Charles in the Netherlands, the proposition to be favourably received. By
connecting a considerable part of the German territory on the left bank of
the Rhine with Brabant etc., an intermediary Power of considerable
importance might be created, and one which supported by Austria would
form a most important barrier both for Holland and Germany. The Prince of
Orange to be discouraged from any attempt to extend Holland on the side of
the Netherlands beyond its ancient limits, without the express consent of the
Allies” (Ged. VII, 17). Er is dus thans nog een geweldig verschil tusschen
Castlereagh en den Souvereinen Vorst: de eerste denkt zich een
„intermediary Power” tusschen Holland en Frankrijk en bestemt ook den
linker Rijnoever voor dezen staat; de Vorst wil èn België èn den linker
Rijnoever voor zich.
415) Br. en Ged. V, 52, 208; het antwoord van den Vorst aldaar,
480. Vgl. ook Fauchille, Une chouannerie flamande (Paris 1905), 122 vv.
Huyttens was de ondernemer der stadsverlichting te Gent.
416) „I had the satisfaction of finding that, without specifying
any sum, the nature of the arrangement intended with respect to the Cape is
likely to prove very satisfactory; the idea of obtaining a barrier without
funds to render it effectual to its purpose, has long been an object of
anxiety” (Castlereagh aan Liverpool 8 Jan 1814; Ged. VII, 25).
417) Het was in de onderstelling dat deze grens zou worden
verkregen, dat de Vorst, tot beter afronding, Nassau zou willen ruilen tegen
Berg.
418) Castlereagh aan Liverpool, 22 Jan. 1814 (Ged. VII, 33).
412) Ged. VII, 19.
413) Clancarty aan Castlereagh, 17 Dec. 1813: „whether I saw
any objection to the employment of emissaries on the part of the Dutch
Government, at Antwerp particularly, and in other parts of the Austrian
Netherlands, for the purpose of inducing the inhabitants to declare for the
Government of H. R. H. the Prince of Orange” (Ged. VII, 11).
414) „Should Austria propose the settlement of the Archduke
Charles in the Netherlands, the proposition to be favourably received. By
connecting a considerable part of the German territory on the left bank of
the Rhine with Brabant etc., an intermediary Power of considerable
importance might be created, and one which supported by Austria would
form a most important barrier both for Holland and Germany. The Prince of
Orange to be discouraged from any attempt to extend Holland on the side of
the Netherlands beyond its ancient limits, without the express consent of the
Allies” (Ged. VII, 17). Er is dus thans nog een geweldig verschil tusschen
Castlereagh en den Souvereinen Vorst: de eerste denkt zich een
„intermediary Power” tusschen Holland en Frankrijk en bestemt ook den
linker Rijnoever voor dezen staat; de Vorst wil èn België èn den linker
Rijnoever voor zich.
415) Br. en Ged. V, 52, 208; het antwoord van den Vorst aldaar,
480. Vgl. ook Fauchille, Une chouannerie flamande (Paris 1905), 122 vv.
Huyttens was de ondernemer der stadsverlichting te Gent.
416) „I had the satisfaction of finding that, without specifying
any sum, the nature of the arrangement intended with respect to the Cape is
likely to prove very satisfactory; the idea of obtaining a barrier without
funds to render it effectual to its purpose, has long been an object of
anxiety” (Castlereagh aan Liverpool 8 Jan 1814; Ged. VII, 25).
417) Het was in de onderstelling dat deze grens zou worden
verkregen, dat de Vorst, tot beter afronding, Nassau zou willen ruilen tegen
Berg.
418) Castlereagh aan Liverpool, 22 Jan. 1814 (Ged. VII, 33).
Page 290
419) Castlereagh aan Metternich, Nesselrode en Hardenberg, 27
Jan. 1814 (Ged. VII, 39).
420) Metternich aan Castlereagh, 1 Febr. 1814 (Ged. VII, 39).
421) Hardenberg aan Castlereagh, 12 Febr. 1814 (Ged. VII, 60).
Pruisen heeft blijkbaar den loop der krijgsverrichtingen in België
afgewacht, en gaf dit antwoord op het oogenblik dat zijne troepen te Brussel
stonden en daar reeds een voorloopig bestuur hadden ingericht.
422) „With respect to political connection, altho' no adjudication
of new territory can take place till a Peace, I see no reason why the Prince
of Orange should not by emissaries or other means quietly encourage the
people of the Low Countries to look to him as their future Sovereign. As far
as the Meuse I think he is quite safe” (Castlereagh aan Clancarty, 1 Febr.
1814; Ged. VII, 38).
423) „Que sous Guillaume VI il nous soit réserve de réaliser les
vastes projets du premier Guillaume. Surtout ne laissons pas à des
négociations de paix, toujours incertaines, le soin de fixer notre sort” (een
van van Zuylen's blaadjes, gevoegd bij Clancarty aan Castlereagh, 5 Febr.
1814, Ged. VII, 43).
424) Br. en Ged. V, 84; overzicht van den inhoud bij Hijmans,
Hist. de la Belgique I, 53, 71.
425) „Les bons Bruxellois croyaient fêter l'Angleterre, et ne
pensaient nullement complimenter le jeune Prince d'Orange. Cette scène a
fait une fâcheuse sensation” (brief uit Brussel aan Nesselrode, 8 Febr. 1814,
door dezen overgelegd aan Castlereagh 17 Febr. Ged. VII, 65). Vgl. Feltz
aan Metternich 11 Febr. 1814 (Ged. VII, 327).
426) Br. en Ged. V, 54; Falck's Gedenkschriften 137; Fauchille
130; Ged. VII, 52, 55 (Clancarty aan Hamilton, onder-staatssecretaris, van
buitenlandsche zaken te Londen, 9 Febr. 1814: „The Prince of Orange has
been playing the very devil in attempting to agitate the public mind in the
Low Countries to tender the sovereignty to him; in some parts among the
very lowest rabble he has succeeded, but as these efforts have been directly
against the opinions of the better and more respectable inhabitants, who are
Jan. 1814 (Ged. VII, 39).
420) Metternich aan Castlereagh, 1 Febr. 1814 (Ged. VII, 39).
421) Hardenberg aan Castlereagh, 12 Febr. 1814 (Ged. VII, 60).
Pruisen heeft blijkbaar den loop der krijgsverrichtingen in België
afgewacht, en gaf dit antwoord op het oogenblik dat zijne troepen te Brussel
stonden en daar reeds een voorloopig bestuur hadden ingericht.
422) „With respect to political connection, altho' no adjudication
of new territory can take place till a Peace, I see no reason why the Prince
of Orange should not by emissaries or other means quietly encourage the
people of the Low Countries to look to him as their future Sovereign. As far
as the Meuse I think he is quite safe” (Castlereagh aan Clancarty, 1 Febr.
1814; Ged. VII, 38).
423) „Que sous Guillaume VI il nous soit réserve de réaliser les
vastes projets du premier Guillaume. Surtout ne laissons pas à des
négociations de paix, toujours incertaines, le soin de fixer notre sort” (een
van van Zuylen's blaadjes, gevoegd bij Clancarty aan Castlereagh, 5 Febr.
1814, Ged. VII, 43).
424) Br. en Ged. V, 84; overzicht van den inhoud bij Hijmans,
Hist. de la Belgique I, 53, 71.
425) „Les bons Bruxellois croyaient fêter l'Angleterre, et ne
pensaient nullement complimenter le jeune Prince d'Orange. Cette scène a
fait une fâcheuse sensation” (brief uit Brussel aan Nesselrode, 8 Febr. 1814,
door dezen overgelegd aan Castlereagh 17 Febr. Ged. VII, 65). Vgl. Feltz
aan Metternich 11 Febr. 1814 (Ged. VII, 327).
426) Br. en Ged. V, 54; Falck's Gedenkschriften 137; Fauchille
130; Ged. VII, 52, 55 (Clancarty aan Hamilton, onder-staatssecretaris, van
buitenlandsche zaken te Londen, 9 Febr. 1814: „The Prince of Orange has
been playing the very devil in attempting to agitate the public mind in the
Low Countries to tender the sovereignty to him; in some parts among the
very lowest rabble he has succeeded, but as these efforts have been directly
against the opinions of the better and more respectable inhabitants, who are
Page 291
equally hostile to French rule, but who wish for the return of their old
Government, or in default of this to be disposed of by the Allies with the
consent of the Emperor who they think will consult their interests, these
movements have had little effect, and indeed except in the immediate
neighbourhood of General Bülow's force have scarcely appeared at all”).
427) Coremans, Ephémérides Belges (in: Compte-rendu Comm.
Royale 1847), bl. 135. De te Brussel wonende oud-Oostenrijksche
diplomaat, geboren Luxemburger, baron Feltz, schrijft aan Metternich 11
Febr. 1814, dat de Pruisische generaal Borstell bij het binnentrekken van
Brussel links en rechts verklaarde „que les Pays-Bas retourneraient sous la
domination autrichienne, si pas immédiatement au moins à titre de
suzeraineté, ces provinces passant selon toute probabilité à l'archiduc
Charles.” Feltz vraagt hier den hertog van Weimar naar, die antwoordt:
„qu'il croyait que chacune des puissances reprendrait ce qu'elle avait perdu,
que tel était le principe général de l'alliance; que les événemens s'étant
précipités contre toute attente, on ne connaissait pas de disposition
particulière sur les Pays-Bas; qu'il serait urgent que des députés de la
Belgique allassent en solliciter une au quartier général des puissances
alliées; qu'en attendant il fallait composer un gouvernement provisoire”
(Ged. VII, 326).
428) „Qu'elle renaisse cette Belgique jadis si florissante....;
l'indépendance n'en est plus douteuse” (proclamatie van 4 Febr.; Coremans
133).
429) Castlereagh aan Liverpool, 6 Febr. 1814 (Ged. VII, 44):
„The explanation throughout was received with general satisfaction. The
possibility of something being found to give France in exchange for
Guadeloupe and the Mauritius was thrown out, and prince Metternich
suggested the idea of such a sacrifice on the part of Spain and Holland. I
observed that this was a proposition which could not originate with the
British government; that it was not their practice to call upon their allies to
pay the price of acquisitions made by Great Britain; that I saw no reason
why France after such a war should be relieved from all direct sacrifice”.
430) Ged. VII, 63. Naar de plaats waar zij voorgesteld en door
Oostenrijk en Pruisen aangenomen zijn, hebben deze artikelen den naam
Government, or in default of this to be disposed of by the Allies with the
consent of the Emperor who they think will consult their interests, these
movements have had little effect, and indeed except in the immediate
neighbourhood of General Bülow's force have scarcely appeared at all”).
427) Coremans, Ephémérides Belges (in: Compte-rendu Comm.
Royale 1847), bl. 135. De te Brussel wonende oud-Oostenrijksche
diplomaat, geboren Luxemburger, baron Feltz, schrijft aan Metternich 11
Febr. 1814, dat de Pruisische generaal Borstell bij het binnentrekken van
Brussel links en rechts verklaarde „que les Pays-Bas retourneraient sous la
domination autrichienne, si pas immédiatement au moins à titre de
suzeraineté, ces provinces passant selon toute probabilité à l'archiduc
Charles.” Feltz vraagt hier den hertog van Weimar naar, die antwoordt:
„qu'il croyait que chacune des puissances reprendrait ce qu'elle avait perdu,
que tel était le principe général de l'alliance; que les événemens s'étant
précipités contre toute attente, on ne connaissait pas de disposition
particulière sur les Pays-Bas; qu'il serait urgent que des députés de la
Belgique allassent en solliciter une au quartier général des puissances
alliées; qu'en attendant il fallait composer un gouvernement provisoire”
(Ged. VII, 326).
428) „Qu'elle renaisse cette Belgique jadis si florissante....;
l'indépendance n'en est plus douteuse” (proclamatie van 4 Febr.; Coremans
133).
429) Castlereagh aan Liverpool, 6 Febr. 1814 (Ged. VII, 44):
„The explanation throughout was received with general satisfaction. The
possibility of something being found to give France in exchange for
Guadeloupe and the Mauritius was thrown out, and prince Metternich
suggested the idea of such a sacrifice on the part of Spain and Holland. I
observed that this was a proposition which could not originate with the
British government; that it was not their practice to call upon their allies to
pay the price of acquisitions made by Great Britain; that I saw no reason
why France after such a war should be relieved from all direct sacrifice”.
430) Ged. VII, 63. Naar de plaats waar zij voorgesteld en door
Oostenrijk en Pruisen aangenomen zijn, hebben deze artikelen den naam
Page 292
behouden van conventie van Troyes; door Rusland zijn zij eerst 1 Maart te
Chaumont geteekend.—Eigenlijk heeft men niet met eene conventie in
forma te doen, maar met een wisseling van nota's waarbij men zich verbindt
de artikelen als deel van een eventueel tractaat te zullen accepteeren.
431) Metternich aan Castlereagh, 15 Febr. 1814 (Ged. VII, 63).
432) Hardenberg aan Castlereagh, 15 Febr. 1814 (Ged. VII, 65;
vgl. aldaar, 61).
433) Nesselrode aan Castlereagh, 17 Febr. 1814 (Ged. VII 65;
vgl. aldaar, 62).
434) Castlereagh aan Clancarty, 20 Febr. 1814 (Ged. VII, 62).
435) F. de Martens, Recueil III, 194.
436) Ged. VII, 80.
437) Ged. VII, 87.
438) Castlereagh aan Liverpool, 8 Maart 1814 (Ged. VII, 86).
439) Ontstaan II, 33.
440) Ged. VII, 160.
441) Lagemans I, 72.
442) Ged. VII, 113.
443) Hiervóór, bl. 205.
444) Castlereagh aan Clancarty, 13 Maart 1814, (Ged. VII, 90).
445) „Les souverains alliés auront à cœur de maintenir la
religion du peuple belgique, de protéger son commerce contre toute entrave
contraire à la raison et à la nature de sa position, et d'empêcher qu'on ne le
charge de dettes dont en justice il ne saurait être grevé. Ils employeront leur
haute influence et autorité pour lui procurer une existence politique propre à
lui assurer les avantages d'un systême de gouvernement sage et libéral,
jointe à une étendue de pouvoir et de ressources qui lui permette de jouir
Chaumont geteekend.—Eigenlijk heeft men niet met eene conventie in
forma te doen, maar met een wisseling van nota's waarbij men zich verbindt
de artikelen als deel van een eventueel tractaat te zullen accepteeren.
431) Metternich aan Castlereagh, 15 Febr. 1814 (Ged. VII, 63).
432) Hardenberg aan Castlereagh, 15 Febr. 1814 (Ged. VII, 65;
vgl. aldaar, 61).
433) Nesselrode aan Castlereagh, 17 Febr. 1814 (Ged. VII 65;
vgl. aldaar, 62).
434) Castlereagh aan Clancarty, 20 Febr. 1814 (Ged. VII, 62).
435) F. de Martens, Recueil III, 194.
436) Ged. VII, 80.
437) Ged. VII, 87.
438) Castlereagh aan Liverpool, 8 Maart 1814 (Ged. VII, 86).
439) Ontstaan II, 33.
440) Ged. VII, 160.
441) Lagemans I, 72.
442) Ged. VII, 113.
443) Hiervóór, bl. 205.
444) Castlereagh aan Clancarty, 13 Maart 1814, (Ged. VII, 90).
445) „Les souverains alliés auront à cœur de maintenir la
religion du peuple belgique, de protéger son commerce contre toute entrave
contraire à la raison et à la nature de sa position, et d'empêcher qu'on ne le
charge de dettes dont en justice il ne saurait être grevé. Ils employeront leur
haute influence et autorité pour lui procurer une existence politique propre à
lui assurer les avantages d'un systême de gouvernement sage et libéral,
jointe à une étendue de pouvoir et de ressources qui lui permette de jouir
Page 293
avec sécurité de la liberté et de l'indépendance qu'il est décidé à conquérir”
(Note verbale adressée aux députés belges, 14 Maart 1814; Ged. VII, 92).
446) Metternich aan Vincent, 1 Mei 1814 (Ged. VII, 334).
447) „Qu'il nous soit enfin permis de nous jeter aux pieds du
Souverain que la Providence et Vos Majestés doivent nous donner, en le
conjurant de sauver son peuple prêt à périr”! (Le conseil général du
département de la Dyle aux Souverains alliés, 27 April 1814; Ged. VII,
123).
448) Lagemans I, 15.
449) Er bestaan van de bekende „acht artikelen” vier staten. Zij
zijn, na het inkomen der brieven van Capellen van 10 en 11 Mei (Ontstaan
II, 10 vv.) in alle hoofdpunten ontworpen door den Souvereinen Vorst zelf,
in een brief aan van Nagell van 16 Mei (Ontstaan II, 14); vervolgens door
van Nagell in den vorm van een diplomatiek stuk gebracht 20 Mei
(Ontstaan II, 18). De Souvereine Vorst neemt dit stuk mede naar Parijs,
waar Clancarty den inhoud overgiet en tevens beredeneert in een uitvoerige,
voor de bondgenooten bestemde memorie, die hij 25 Mei aan de
goedkeuring van den Souvereinen Vorst onderwerpt (Ontstaan II, 19),
welke hem, in antwoord, 30 Mei de acht artikelen toezendt in hun
definitieven vorm, als artikelen die hij gereed is ten uitvoer te leggen
wanneer zij bij tractaat zullen zijn bekrachtigd (Ontstaan II, 26). Zij waren,
naar 's Vorsten aanwijzingen, door Falck geredigeerd (Falck's Brieven no.
105; Falck's Gedenkschriften, 138 vv.) en zijn, zonder verandering, 21 Juni
te Londen door de bondgenooten gearresteerd (Ontstaan II, 32), en
vervolgens 21 Juli door hun werkelijken auteur, den Souvereinen Vorst,
officieel aangenomen (Ontstaan II, 46).
450) Zoo in het stuk van 20 Mei.—In de acht artikelen: „les
provinces belges seront convenablement représentées”.
451) Het stuk van 20 Mei bepaalt, dat het Zuiden een
afzonderlijken Raad van State zal hebben.—Niet in de acht artikelen
overgenomen.
452) Ontstaan II, 16.
(Note verbale adressée aux députés belges, 14 Maart 1814; Ged. VII, 92).
446) Metternich aan Vincent, 1 Mei 1814 (Ged. VII, 334).
447) „Qu'il nous soit enfin permis de nous jeter aux pieds du
Souverain que la Providence et Vos Majestés doivent nous donner, en le
conjurant de sauver son peuple prêt à périr”! (Le conseil général du
département de la Dyle aux Souverains alliés, 27 April 1814; Ged. VII,
123).
448) Lagemans I, 15.
449) Er bestaan van de bekende „acht artikelen” vier staten. Zij
zijn, na het inkomen der brieven van Capellen van 10 en 11 Mei (Ontstaan
II, 10 vv.) in alle hoofdpunten ontworpen door den Souvereinen Vorst zelf,
in een brief aan van Nagell van 16 Mei (Ontstaan II, 14); vervolgens door
van Nagell in den vorm van een diplomatiek stuk gebracht 20 Mei
(Ontstaan II, 18). De Souvereine Vorst neemt dit stuk mede naar Parijs,
waar Clancarty den inhoud overgiet en tevens beredeneert in een uitvoerige,
voor de bondgenooten bestemde memorie, die hij 25 Mei aan de
goedkeuring van den Souvereinen Vorst onderwerpt (Ontstaan II, 19),
welke hem, in antwoord, 30 Mei de acht artikelen toezendt in hun
definitieven vorm, als artikelen die hij gereed is ten uitvoer te leggen
wanneer zij bij tractaat zullen zijn bekrachtigd (Ontstaan II, 26). Zij waren,
naar 's Vorsten aanwijzingen, door Falck geredigeerd (Falck's Brieven no.
105; Falck's Gedenkschriften, 138 vv.) en zijn, zonder verandering, 21 Juni
te Londen door de bondgenooten gearresteerd (Ontstaan II, 32), en
vervolgens 21 Juli door hun werkelijken auteur, den Souvereinen Vorst,
officieel aangenomen (Ontstaan II, 46).
450) Zoo in het stuk van 20 Mei.—In de acht artikelen: „les
provinces belges seront convenablement représentées”.
451) Het stuk van 20 Mei bepaalt, dat het Zuiden een
afzonderlijken Raad van State zal hebben.—Niet in de acht artikelen
overgenomen.
452) Ontstaan II, 16.
Page 294
453) Ontstaan II, 17.
454) „Hopende verder eenig personeel vertrouwen te verdienen,
en kennis te hebben hoe ver een Protestantsch vorst gaan kan, door mijn
oponthoud te Fulda alwaar alles zoo te zeggen de Roomsche godsdienst
toegedaan was, en nooit de minste aanstoot of zwarigheid ontstaan is” (S. V.
aan van Nagell, 16 Mei 1814; Ontstaan II, 15). Maar Fulda was Vlaanderen
niet!
455) Uit het stuk van den Vorst aan Clancarty van 30 Mei
(Ontstaan II, 27).
456) „Les Belges jouiront de toute la tolérance religieuse que la
constitution des Provinces-Unies établit. Les catholiques sont par là même
éligibles à tous les postes”. (Uit van Nagell's stuk van 20 Mei).
457) Protocol van 21 Juni.
458) Hiervóór, bl. 211.
459) Aan D.J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (Falck's Brieven, no.
105.)
460) Van Namen waren reeds bij den vrede van Parijs enkele
kantons aan Frankrijk gebleven, evenals van Henegouwen. Zij werden
terugverworven bij den tweeden vrede van Parijs.—Stavelot kwam aan de
Nederlanden maar Malmédy aan Pruisen; eveneens Eupen, Daalhem, 's-
Hertogenrade.
461) Stein aan Castlereagh, 27 Jan. en 11 Febr. 1814 (Ged. VII,
38, 60).
462) Stein aan Castlereagh, 6 Maart 1814 (Ged. VII, 78).
463) Ged. VII, 90.
464) Capellen 10 Mei (Ontstaan II, 10).
465) Ged. VII, 329.
466) Ged. VII, 331.
467) Ged. VII, 333.
454) „Hopende verder eenig personeel vertrouwen te verdienen,
en kennis te hebben hoe ver een Protestantsch vorst gaan kan, door mijn
oponthoud te Fulda alwaar alles zoo te zeggen de Roomsche godsdienst
toegedaan was, en nooit de minste aanstoot of zwarigheid ontstaan is” (S. V.
aan van Nagell, 16 Mei 1814; Ontstaan II, 15). Maar Fulda was Vlaanderen
niet!
455) Uit het stuk van den Vorst aan Clancarty van 30 Mei
(Ontstaan II, 27).
456) „Les Belges jouiront de toute la tolérance religieuse que la
constitution des Provinces-Unies établit. Les catholiques sont par là même
éligibles à tous les postes”. (Uit van Nagell's stuk van 20 Mei).
457) Protocol van 21 Juni.
458) Hiervóór, bl. 211.
459) Aan D.J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (Falck's Brieven, no.
105.)
460) Van Namen waren reeds bij den vrede van Parijs enkele
kantons aan Frankrijk gebleven, evenals van Henegouwen. Zij werden
terugverworven bij den tweeden vrede van Parijs.—Stavelot kwam aan de
Nederlanden maar Malmédy aan Pruisen; eveneens Eupen, Daalhem, 's-
Hertogenrade.
461) Stein aan Castlereagh, 27 Jan. en 11 Febr. 1814 (Ged. VII,
38, 60).
462) Stein aan Castlereagh, 6 Maart 1814 (Ged. VII, 78).
463) Ged. VII, 90.
464) Capellen 10 Mei (Ontstaan II, 10).
465) Ged. VII, 329.
466) Ged. VII, 331.
467) Ged. VII, 333.
Page 295
468) Grovestins, Notice 418.
469) Ged. VI, 110.
470) Vgl. over de Hollanders aldaar en elders aan den Rijn
Falck's Gedenkschriften, 67 en 335.
471) Falck's Gedenkschriften, 126.—„M. van der Duyn me
présenta au Prince” (Notice, 428).
472) In Ontstaan II, 16 is voor „project” verkeerdelijk gedrukt
„subject”.
473) Ik cursiveer.
474) Ged. VII, 335.
475) Zoo noemt Vincent de voorkeur voor de oude constitutie,
die hij opmerkt bij de aanzienlijken waar hij meest mede omging. Maar ook
de talrijke Franschen en Franschgezinden in België waren tegen de
vereeniging.
476) Ik cursiveer.—Vgl. het antwoord van van Hogendorp aan
Röell, toen deze hem de afzonderlijke huishouding onder één hoofd
aanbeval: „het doel der vereeniging, kracht en sterkte voor den nieuwen
staat, kan niet bereikt worden dan door éénheid” (Ontstaan II, 8).
477) Ged. VII, 337.
478) Vgl. von Geusau in Publications de Limbourg XXXVI, 233
vv.
469) Ged. VI, 110.
470) Vgl. over de Hollanders aldaar en elders aan den Rijn
Falck's Gedenkschriften, 67 en 335.
471) Falck's Gedenkschriften, 126.—„M. van der Duyn me
présenta au Prince” (Notice, 428).
472) In Ontstaan II, 16 is voor „project” verkeerdelijk gedrukt
„subject”.
473) Ik cursiveer.
474) Ged. VII, 335.
475) Zoo noemt Vincent de voorkeur voor de oude constitutie,
die hij opmerkt bij de aanzienlijken waar hij meest mede omging. Maar ook
de talrijke Franschen en Franschgezinden in België waren tegen de
vereeniging.
476) Ik cursiveer.—Vgl. het antwoord van van Hogendorp aan
Röell, toen deze hem de afzonderlijke huishouding onder één hoofd
aanbeval: „het doel der vereeniging, kracht en sterkte voor den nieuwen
staat, kan niet bereikt worden dan door éénheid” (Ontstaan II, 8).
477) Ged. VII, 337.
478) Vgl. von Geusau in Publications de Limbourg XXXVI, 233
vv.
Page 296
VII.
DE TERUGGAAF DER KOLONIËN.
(Tractaat van 13 Augustus 1814).
Ik heb er vroeger op gewezen, hoe van den
aanvang onzer bevrijding de aandacht van
Hogendorp op dit voor de toekomst van ons
vaderland zoo gewichtig onderwerp gevestigd was.
Zooals blijkt uit den brief, door hem den 28
November 1813 aan Hendrik Fagel geschreven, was
het naar zijne meening eene zaak, die van zelve
sprak, dat Engeland ons weder in 't bezit van al onze
koloniën zoude stellen 479). Ook de Souvereine Vorst
had reeds vroeger—getuige zijn schrijven uit Londen
aan H. von Gagern van 11 November 1813 480)—dit
punt met de Engelsche regeering besproken, al ging
hij ook niet zoo ver als Hogendorp; al vleide hij zich
toen nog niet met het volledig herstel van ons
koloniaal bezit. Wij hadden toch bijna alles verloren.
Had Engeland bij het vredesverdrag, 27 Maart 1802
DE TERUGGAAF DER KOLONIËN.
(Tractaat van 13 Augustus 1814).
Ik heb er vroeger op gewezen, hoe van den
aanvang onzer bevrijding de aandacht van
Hogendorp op dit voor de toekomst van ons
vaderland zoo gewichtig onderwerp gevestigd was.
Zooals blijkt uit den brief, door hem den 28
November 1813 aan Hendrik Fagel geschreven, was
het naar zijne meening eene zaak, die van zelve
sprak, dat Engeland ons weder in 't bezit van al onze
koloniën zoude stellen 479). Ook de Souvereine Vorst
had reeds vroeger—getuige zijn schrijven uit Londen
aan H. von Gagern van 11 November 1813 480)—dit
punt met de Engelsche regeering besproken, al ging
hij ook niet zoo ver als Hogendorp; al vleide hij zich
toen nog niet met het volledig herstel van ons
koloniaal bezit. Wij hadden toch bijna alles verloren.
Had Engeland bij het vredesverdrag, 27 Maart 1802
Page 297
te Amiens gesloten, zich verbonden, met uitzondering
van Ceilon, alles terug te geven wat het na de
revolutie van 1795 ons had ontnomen, de vreugde
was van korten duur geweest, daar met 1803 de
oorlog weder was uitgebarsten, en Engeland zich
langzamerhand, evenals van de Fransche, ook van
onze koloniën meester had gemaakt. Alleen de
nederzetting te Desima in Japan en de forten op de
kust van Guinea maakten hierop eene uitzondering.
Zoude Engeland genegen zijn, wat het met zijn
zwaard had veroverd, geheel of ten deele terug te
geven? Het begeerde althans niet alles te behouden.
Men leze slechts het Engelsche memorandum kort na
den slag van Leipzig, nog vóór onze bevrijding
opgesteld 481). De geheele of gedeeltelijke teruggaaf
was echter afhankelijk van ééne voorwaarde. Holland
moest krachtig genoeg zijn, om zijn koloniaal bezit te
kunnen verdedigen. En in zoover bestond er van den
aanvang een nauw verband tusschen dit onderwerp
en de vergrooting van Holland, de vereeniging van
Noord en Zuid. Van hier, dat de onderhandelingen
over de teruggaaf der koloniën eerst werden geopend
na de sluiting van het vredesverdrag van Parijs van
30 Mei 1814, ja eerst nadat den 21 Juni 1814 te
Londen het protocol over de voorwaarden der
van Ceilon, alles terug te geven wat het na de
revolutie van 1795 ons had ontnomen, de vreugde
was van korten duur geweest, daar met 1803 de
oorlog weder was uitgebarsten, en Engeland zich
langzamerhand, evenals van de Fransche, ook van
onze koloniën meester had gemaakt. Alleen de
nederzetting te Desima in Japan en de forten op de
kust van Guinea maakten hierop eene uitzondering.
Zoude Engeland genegen zijn, wat het met zijn
zwaard had veroverd, geheel of ten deele terug te
geven? Het begeerde althans niet alles te behouden.
Men leze slechts het Engelsche memorandum kort na
den slag van Leipzig, nog vóór onze bevrijding
opgesteld 481). De geheele of gedeeltelijke teruggaaf
was echter afhankelijk van ééne voorwaarde. Holland
moest krachtig genoeg zijn, om zijn koloniaal bezit te
kunnen verdedigen. En in zoover bestond er van den
aanvang een nauw verband tusschen dit onderwerp
en de vergrooting van Holland, de vereeniging van
Noord en Zuid. Van hier, dat de onderhandelingen
over de teruggaaf der koloniën eerst werden geopend
na de sluiting van het vredesverdrag van Parijs van
30 Mei 1814, ja eerst nadat den 21 Juni 1814 te
Londen het protocol over de voorwaarden der
Page 298
vereeniging was vastgesteld. Tot zoolang was wel
over deze zaak bij de eene of andere opkomende
gelegenheid gesproken; eene eigenlijke
onderhandeling was er nog niet gevoerd, en de
Engelschen hadden den indruk gekregen, dat de
Souvereine Vorst tevreden zoude zijn ook dan,
wanneer een gedeelte der koloniën hem niet
teruggegeven werd. Bij de komst van Lord
Castlereagh in den Haag in 't begin van 1814 werd
het behoud van de Kaap door Engeland besproken,
waartegen door dit land aan den Souvereinen Vorst
eene geldsom zoude worden verstrekt, noodig om bij
uitbreiding van grondgebied dit tegenover Frankrijk
te versterken. De Souvereine Vorst scheen daartegen
geen bezwaar te hebben; hij vond het billijk en
redelijk 482). Het bleef echter hierbij niet. Reeds bij de
onderhandelingen te Chaumont zien wij het
denkbeeld opkomen, dat wij ook in de West niet alles
terug zouden erlangen. De aanleiding hiertoe was het
eiland Guadeloupe. Door de Engelschen in 1810 op
Frankrijk veroverd, was dit eiland bij art. 5 van het
tusschen Engeland en Zweden den 3 Maart 1813 te
Stockholm tegen Frankrijk gesloten tractaat aan
Zweden afgestaan. Daar het echter, bijaldien het
congres te Châtillon eenen vredelievenden afloop
over deze zaak bij de eene of andere opkomende
gelegenheid gesproken; eene eigenlijke
onderhandeling was er nog niet gevoerd, en de
Engelschen hadden den indruk gekregen, dat de
Souvereine Vorst tevreden zoude zijn ook dan,
wanneer een gedeelte der koloniën hem niet
teruggegeven werd. Bij de komst van Lord
Castlereagh in den Haag in 't begin van 1814 werd
het behoud van de Kaap door Engeland besproken,
waartegen door dit land aan den Souvereinen Vorst
eene geldsom zoude worden verstrekt, noodig om bij
uitbreiding van grondgebied dit tegenover Frankrijk
te versterken. De Souvereine Vorst scheen daartegen
geen bezwaar te hebben; hij vond het billijk en
redelijk 482). Het bleef echter hierbij niet. Reeds bij de
onderhandelingen te Chaumont zien wij het
denkbeeld opkomen, dat wij ook in de West niet alles
terug zouden erlangen. De aanleiding hiertoe was het
eiland Guadeloupe. Door de Engelschen in 1810 op
Frankrijk veroverd, was dit eiland bij art. 5 van het
tusschen Engeland en Zweden den 3 Maart 1813 te
Stockholm tegen Frankrijk gesloten tractaat aan
Zweden afgestaan. Daar het echter, bijaldien het
congres te Châtillon eenen vredelievenden afloop
Page 299
mocht hebben, weder aan Frankrijk zoude moeten
terugkeeren, was reeds in Februari 1814 de vraag
gerezen, op welk eene wijze Zweden dan zoude
moeten worden schadeloos gesteld. Door eene
Hollandsche kolonie in de West, was het antwoord
geweest: Holland, dat zoozeer zoude worden
vergroot, moest die opoffering zich laten getroosten.
Tegelijk met de mededeeling van Ruslands toetreding
tot de vergrooting van Holland, terwijl men—zooals
wij vroeger hebben gezien—nog de zaak der
Russische schuld verzweeg, werd door Clancarty met
den Souvereinen Vorst Guadeloupe aangeroerd. De
laatste nam den afstand eener kolonie in de West
beter op, dan Clancarty zich had voorgesteld; de
Souvereine Vorst wenschte alleen, dat de private
eigendom in de af te stane kolonie zouden worden
geëerbiedigd, en dat die zijner onderdanen, welke
aldaar plantages bezaten, rechtstreeks met het
moederland handel zouden mogen drijven 483). Toen
dus bij art. 9 van het tractaat van Parijs, onder
toestemming van Zweden tengevolge van met zijne
geallieerden gemaakte arrangementen, Guadeloupe
weder aan Frankrijk werd teruggegeven, kon het voor
den Souvereinen Vorst niet onverwacht zijn, bijaldien
het bleek dat deze zaak invloed zou uitoefenen op de
terugkeeren, was reeds in Februari 1814 de vraag
gerezen, op welk eene wijze Zweden dan zoude
moeten worden schadeloos gesteld. Door eene
Hollandsche kolonie in de West, was het antwoord
geweest: Holland, dat zoozeer zoude worden
vergroot, moest die opoffering zich laten getroosten.
Tegelijk met de mededeeling van Ruslands toetreding
tot de vergrooting van Holland, terwijl men—zooals
wij vroeger hebben gezien—nog de zaak der
Russische schuld verzweeg, werd door Clancarty met
den Souvereinen Vorst Guadeloupe aangeroerd. De
laatste nam den afstand eener kolonie in de West
beter op, dan Clancarty zich had voorgesteld; de
Souvereine Vorst wenschte alleen, dat de private
eigendom in de af te stane kolonie zouden worden
geëerbiedigd, en dat die zijner onderdanen, welke
aldaar plantages bezaten, rechtstreeks met het
moederland handel zouden mogen drijven 483). Toen
dus bij art. 9 van het tractaat van Parijs, onder
toestemming van Zweden tengevolge van met zijne
geallieerden gemaakte arrangementen, Guadeloupe
weder aan Frankrijk werd teruggegeven, kon het voor
den Souvereinen Vorst niet onverwacht zijn, bijaldien
het bleek dat deze zaak invloed zou uitoefenen op de
Page 300
teruggaaf der West-Indische koloniën. En dit was dan
ook het geval, hoewel op eene andere wijze dan men
oorspronkelijk zich had voorgesteld. Zweden zoude
in geld, door Engeland te betalen, de vergoeding
vinden; Engeland zoude daarvoor erlangen de West-
Indische koloniën, oorspronkelijk voor Zweden
bestemd. Essequebo, Demerary en Berbice, het
westelijk gedeelte van Nederlandsch Guyana, waren
daarvoor uitgekozen. De omstandigheid, dat in deze
kolonie of koloniën veel Britsch kapitaal was
vastgezet en tevens dat hier vooral de katoen, noodig
voor de Britsche fabrieken, geteeld werd, schijnt de
Engelsche regeering te hebben bewogen, nevens de
Kaap de Goede Hoop ook deze koloniën te willen
behouden 484). Toen dan de Engelsche regeering het
oogenblik gekomen achtte, om tot de regeling van dit
onderwerp over te gaan, heeft zij waarschijnlijk niet
verwacht, dat die regeling met moeilijkheden zoude
gepaard gaan. Ja nog op den vooravond der
onderhandelingen meent Lord Clancarty, dat onze
minister van buitenlandsche zaken, van Nagell, geen
bezwaar zoude vinden in den afstand van alle West-
Indische koloniën, mits eene schadeloosstelling in
geld daarvoor in de plaats kwam 485). Het zoude
echter spoedig blijken, dat Engelands gezant zich
ook het geval, hoewel op eene andere wijze dan men
oorspronkelijk zich had voorgesteld. Zweden zoude
in geld, door Engeland te betalen, de vergoeding
vinden; Engeland zoude daarvoor erlangen de West-
Indische koloniën, oorspronkelijk voor Zweden
bestemd. Essequebo, Demerary en Berbice, het
westelijk gedeelte van Nederlandsch Guyana, waren
daarvoor uitgekozen. De omstandigheid, dat in deze
kolonie of koloniën veel Britsch kapitaal was
vastgezet en tevens dat hier vooral de katoen, noodig
voor de Britsche fabrieken, geteeld werd, schijnt de
Engelsche regeering te hebben bewogen, nevens de
Kaap de Goede Hoop ook deze koloniën te willen
behouden 484). Toen dan de Engelsche regeering het
oogenblik gekomen achtte, om tot de regeling van dit
onderwerp over te gaan, heeft zij waarschijnlijk niet
verwacht, dat die regeling met moeilijkheden zoude
gepaard gaan. Ja nog op den vooravond der
onderhandelingen meent Lord Clancarty, dat onze
minister van buitenlandsche zaken, van Nagell, geen
bezwaar zoude vinden in den afstand van alle West-
Indische koloniën, mits eene schadeloosstelling in
geld daarvoor in de plaats kwam 485). Het zoude
echter spoedig blijken, dat Engelands gezant zich
Page 301
deerlijk had vergist. Den 24sten Juni 1814 zond van
Nagell aan onzen gezant te Londen zijne instructiën
voor de onderhandelingen betrekkelijk de teruggaaf
der koloniën. Onze minister van buitenlandsche
zaken was bij het ontwerpen der instructiën uitgegaan
van het denkbeeld, dat wij op al de door ons vóór de
Revolutie van 1795 bezetene koloniën, zelfs op het
bij vredesverdrag afgestane Ceilon, aanspraak
konden maken. Het beginsel was dus de teruggaaf
van al de koloniën, en voor zoover dit niet mocht
geschieden, zooals met de Kaap, moest daarvoor
eene schadeloosstelling in geld in de plaats treden.
Waarop echter boven alles prijs moest worden
gesteld, was de teruggaaf van geheel Nederlandsch
Guyana en dus ook van Essequebo, Demerary en
Berbice. 486)
Fagel, die met de inzichten der Engelsche
bewindslieden nauwkeurig bekend was en zijnen chef
daarvan ook niet onkundig had gelaten, schrikte, toen
hij die instructiën met de daarbij gevoegde
toelichtende missive van 24 Juni 1814 ontving. Hij
kon dan ook niet nalaten bij brief van 30 Juni 1814
aan van Nagell te kennen te geven, dat van Ceilon,
afgestaan bij den vrede van Amiens, in 't geheel geen
sprake kon zijn, en dat Engeland evenmin de
Nagell aan onzen gezant te Londen zijne instructiën
voor de onderhandelingen betrekkelijk de teruggaaf
der koloniën. Onze minister van buitenlandsche
zaken was bij het ontwerpen der instructiën uitgegaan
van het denkbeeld, dat wij op al de door ons vóór de
Revolutie van 1795 bezetene koloniën, zelfs op het
bij vredesverdrag afgestane Ceilon, aanspraak
konden maken. Het beginsel was dus de teruggaaf
van al de koloniën, en voor zoover dit niet mocht
geschieden, zooals met de Kaap, moest daarvoor
eene schadeloosstelling in geld in de plaats treden.
Waarop echter boven alles prijs moest worden
gesteld, was de teruggaaf van geheel Nederlandsch
Guyana en dus ook van Essequebo, Demerary en
Berbice. 486)
Fagel, die met de inzichten der Engelsche
bewindslieden nauwkeurig bekend was en zijnen chef
daarvan ook niet onkundig had gelaten, schrikte, toen
hij die instructiën met de daarbij gevoegde
toelichtende missive van 24 Juni 1814 ontving. Hij
kon dan ook niet nalaten bij brief van 30 Juni 1814
aan van Nagell te kennen te geven, dat van Ceilon,
afgestaan bij den vrede van Amiens, in 't geheel geen
sprake kon zijn, en dat Engeland evenmin de
Page 302
bedoeling had, al de etablissementen van Guyana
terug te geven. Bij dergelijk verschil van inzichten
wanhoopte hij aan den goeden uitslag der
onderhandelingen 487). En hij had hierin niet
misgezien. Terwijl, zooals wij vroeger hebben
medegedeeld, Engeland reeds ontevreden was over
de wijze waarop hetgeen de geallieerden over België
besloten hadden, door den Souvereinen Vorst was
opgenomen, werd die ontevredenheid vermeerderd
door onze eischen betrekkelijk de koloniën. Fagel
moest dan ook den 15den Juli 1814 aan van Nagell
schrijven, dat de onderhandelingen daarover om zoo
te zeggen waren afgebroken, voordat zij begonnen
waren, en dat Lord Castlereagh zich genoopt zag ons
te verwijzen naar het congres van Weenen. Het doet
mij leed, schrijft Fagel, maar bevreemden doet het
mij niet. Gij zult, zegt hij, u herinneren, dat ik er een
voorgevoel van heb gehad, en het zelfs bijna heb
voorspeld, toen de instructiën van 24 Juni mij zijn
geworden. Moge, voegt hij niet zonder ironie er bij,
deze zaak te Weenen aan bekwamer handen dan de
mijne toevertrouwd en met een beteren uitslag
bekroond worden: te Weenen, waar de
onderhandelingen niet meer tusschen de beide
gouvernementen alleen in een geest van
terug te geven. Bij dergelijk verschil van inzichten
wanhoopte hij aan den goeden uitslag der
onderhandelingen 487). En hij had hierin niet
misgezien. Terwijl, zooals wij vroeger hebben
medegedeeld, Engeland reeds ontevreden was over
de wijze waarop hetgeen de geallieerden over België
besloten hadden, door den Souvereinen Vorst was
opgenomen, werd die ontevredenheid vermeerderd
door onze eischen betrekkelijk de koloniën. Fagel
moest dan ook den 15den Juli 1814 aan van Nagell
schrijven, dat de onderhandelingen daarover om zoo
te zeggen waren afgebroken, voordat zij begonnen
waren, en dat Lord Castlereagh zich genoopt zag ons
te verwijzen naar het congres van Weenen. Het doet
mij leed, schrijft Fagel, maar bevreemden doet het
mij niet. Gij zult, zegt hij, u herinneren, dat ik er een
voorgevoel van heb gehad, en het zelfs bijna heb
voorspeld, toen de instructiën van 24 Juni mij zijn
geworden. Moge, voegt hij niet zonder ironie er bij,
deze zaak te Weenen aan bekwamer handen dan de
mijne toevertrouwd en met een beteren uitslag
bekroond worden: te Weenen, waar de
onderhandelingen niet meer tusschen de beide
gouvernementen alleen in een geest van
Page 303
wederzijdsche inschikkelijkheid zullen kunnen
gevoerd worden, maar onder den invloed van aan
deze zaak vreemde belangen. Maar mag ik dan,
schreef de Souvereine Vorst den 22 Juli 1814 aan
Fagel, onze beste koloniën opofferen of bederven en
de blaam op mij laden, dit gedaan te hebben als prijs
voor de vereeniging met België en alzoo de glorie
van mijn huis hooger te hebben gesteld dan het
welzijn van den Staat 488)?
Wellicht dat het op den lezer een vreemden indruk
maakt, zoo te hooren spreken over onze bezittingen
op het vasteland van Zuid-Amerika. Wij zijn er zoo
gewoon aan geraakt, de waarde van ons koloniaal
bezit hoofdzakelijk, zoo niet alleen, in de Oost te
zoeken; ja zijn er niet, die al onze West-Indische
koloniën als een lastpost beschouwen? Dit was echter
in vroegere tijden de overtuiging niet. Mocht men al
in 1814 twijfel hebben gekoesterd over de vraag, of
het bezit der West-Indische eilanden voor ons nog
wel van zooveel belang was als vroeger, ten opzichte
van Guyana bestond die twijfel niet. Wat de schrijver
van Le Commerce de la Hollande 489) in 't midden der
vorige eeuw, en na hem, nog even vóór de revolutie,
Kluit 490) beweerd hadden, dat alleen Suriname van
meer nut zou zijn voor de Republiek der Vereenigde
gevoerd worden, maar onder den invloed van aan
deze zaak vreemde belangen. Maar mag ik dan,
schreef de Souvereine Vorst den 22 Juli 1814 aan
Fagel, onze beste koloniën opofferen of bederven en
de blaam op mij laden, dit gedaan te hebben als prijs
voor de vereeniging met België en alzoo de glorie
van mijn huis hooger te hebben gesteld dan het
welzijn van den Staat 488)?
Wellicht dat het op den lezer een vreemden indruk
maakt, zoo te hooren spreken over onze bezittingen
op het vasteland van Zuid-Amerika. Wij zijn er zoo
gewoon aan geraakt, de waarde van ons koloniaal
bezit hoofdzakelijk, zoo niet alleen, in de Oost te
zoeken; ja zijn er niet, die al onze West-Indische
koloniën als een lastpost beschouwen? Dit was echter
in vroegere tijden de overtuiging niet. Mocht men al
in 1814 twijfel hebben gekoesterd over de vraag, of
het bezit der West-Indische eilanden voor ons nog
wel van zooveel belang was als vroeger, ten opzichte
van Guyana bestond die twijfel niet. Wat de schrijver
van Le Commerce de la Hollande 489) in 't midden der
vorige eeuw, en na hem, nog even vóór de revolutie,
Kluit 490) beweerd hadden, dat alleen Suriname van
meer nut zou zijn voor de Republiek der Vereenigde
Page 304
Nederlanden, dan de handel op de Oost, schijnt ook
nog in 1814 ten opzichte van Suriname met
Essequebo, Demerary en Berbice de zienswijze van
velen te zijn geweest. Dit is zeker, dat de Souvereine
Vorst niet alleen, maar ook zijn minister van
buitenlandsche zaken al hunne krachten meenden te
moeten inspannen, om den afstand van Essequebo,
Demerary en Berbice en dus de verbrokkeling van
Nederlandsch Guyana te beletten. Men deinsde
vooral voor de ontevredenheid terug, die deze
maatregel te Amsterdam zoude veroorzaken.
Wij waren echter machteloos tegenover Engeland.
De Engelsche regeering had, nadat de Souvereine
Vorst getoond had, in het protocol van 21 Juni 1814
over België te willen berusten, zich genegen
verklaard, de onderhandelingen over de koloniën te
hervatten, geenszins echter van de eens gedane
eischen afstand te doen. Het staat, zeide Lord
Castlereagh, aan ons te beoordeelen, wat het ons
belieft te behouden, wat terug te geven 491). En nu
heeft er eene gebeurtenis plaats, die men, lettende
zoowel op de Grondwet als op de latere geschiedenis
van de regeering van Willem I, niet zoude hebben
verwacht. Van Nagell laat de onderhandelingen uit
zijne handen glippen, en het is Falck, de Algemeene
nog in 1814 ten opzichte van Suriname met
Essequebo, Demerary en Berbice de zienswijze van
velen te zijn geweest. Dit is zeker, dat de Souvereine
Vorst niet alleen, maar ook zijn minister van
buitenlandsche zaken al hunne krachten meenden te
moeten inspannen, om den afstand van Essequebo,
Demerary en Berbice en dus de verbrokkeling van
Nederlandsch Guyana te beletten. Men deinsde
vooral voor de ontevredenheid terug, die deze
maatregel te Amsterdam zoude veroorzaken.
Wij waren echter machteloos tegenover Engeland.
De Engelsche regeering had, nadat de Souvereine
Vorst getoond had, in het protocol van 21 Juni 1814
over België te willen berusten, zich genegen
verklaard, de onderhandelingen over de koloniën te
hervatten, geenszins echter van de eens gedane
eischen afstand te doen. Het staat, zeide Lord
Castlereagh, aan ons te beoordeelen, wat het ons
belieft te behouden, wat terug te geven 491). En nu
heeft er eene gebeurtenis plaats, die men, lettende
zoowel op de Grondwet als op de latere geschiedenis
van de regeering van Willem I, niet zoude hebben
verwacht. Van Nagell laat de onderhandelingen uit
zijne handen glippen, en het is Falck, de Algemeene
Page 305
Secretaris, die ze weder opneemt. Onwillekeurig
herinnert men zich bij dit feit, wat van Nagell als
voorzitter der groote vergadering bij de inhuldiging
van den Souvereinen Vorst gezegd had. Gedachtig
aan hetgeen hij in den tijd zijner ballingschap in
Engeland gezien had, en niet aan den inhoud der
Grondwet, meende hij, dat de vorst in zijne
betrekkingen tot zijn volk nimmer verdacht kon
worden, daar de ministers voor al hunne
verrichtingen verantwoordelijk bleven 492). Zoo kan
ook hier het besef zijner verantwoordelijkheid de
reden zijn geweest, waarom hij de verdere
behandeling dezer zaak aan een ander overliet. Falck,
die, om de woorden van Lord Castlereagh te
gebruiken 493), de „bekrompen inzichten” van van
Nagell niet deelde, zag er geen bezwaar in, de
verantwoordelijkheid voor het sluiten van een tractaat
met Engeland op de door dit land bepaalde
grondslagen op zich te nemen, al voorzag hij ook het
geschreeuw dat de afstand van de West-Indische
koloniën op de beurs zoude veroorzaken. Want,
meende hij, de teruggave van dit alles zoude van de
Engelschen een effort de générosité zijn geweest, dat
men niet konde verwachten, noch in redelijkheid kon
vergen 494). Wij zien dan ook dat bij brief van Falck
herinnert men zich bij dit feit, wat van Nagell als
voorzitter der groote vergadering bij de inhuldiging
van den Souvereinen Vorst gezegd had. Gedachtig
aan hetgeen hij in den tijd zijner ballingschap in
Engeland gezien had, en niet aan den inhoud der
Grondwet, meende hij, dat de vorst in zijne
betrekkingen tot zijn volk nimmer verdacht kon
worden, daar de ministers voor al hunne
verrichtingen verantwoordelijk bleven 492). Zoo kan
ook hier het besef zijner verantwoordelijkheid de
reden zijn geweest, waarom hij de verdere
behandeling dezer zaak aan een ander overliet. Falck,
die, om de woorden van Lord Castlereagh te
gebruiken 493), de „bekrompen inzichten” van van
Nagell niet deelde, zag er geen bezwaar in, de
verantwoordelijkheid voor het sluiten van een tractaat
met Engeland op de door dit land bepaalde
grondslagen op zich te nemen, al voorzag hij ook het
geschreeuw dat de afstand van de West-Indische
koloniën op de beurs zoude veroorzaken. Want,
meende hij, de teruggave van dit alles zoude van de
Engelschen een effort de générosité zijn geweest, dat
men niet konde verwachten, noch in redelijkheid kon
vergen 494). Wij zien dan ook dat bij brief van Falck
Page 306
aan Fagel, van 4 Augustus 1814, deze gemachtigd
wordt in den afstand van Essequebo, Demerary en
Berbice toe te stemmen en tot de sluiting van het
tractaat op de grondslagen, door Fagel in zijne laatste
depêche van 29 Juli 495) neergelegd, over te gaan.
Onzerzijds worden nog over eenige ondergeschikte
punten eenige wenken medegedeeld, zonder dat van
hunne inwilliging de sluiting van het tractaat
afhankelijk werd gemaakt. En zoo werd dan na
eenige dagen, den 13den Augustus 1814, het tractaat
tusschen Groot-Brittanië en de Vereenigde
Nederlanden over hunne koloniën te Londen
geteekend 496).
Wat zouden wij dientengevolge van ons vroeger
koloniaal bezit behouden, wat zou door ons worden
afgestaan? In Afrika waren en bleven de forten op de
kust van Guinea van zelf in ons bezit. Wij verloren
echter de Kaap de Goede Hoop. In de Oost werd ons
alles teruggeven. Niet alleen de eilanden, maar ook
de kantoren op het vasteland van Azië keerden tot
ons terug. Eene uitzondering maakte daarop het
kleine district Bernagore in de buurt van Calcutta, dat
aan Engeland verbleef; eveneens Cochin op de kust
van Malabar, waarvoor wij echter het tinrijke eiland
Banka in ruil erlangden. Het is eenigszins
wordt in den afstand van Essequebo, Demerary en
Berbice toe te stemmen en tot de sluiting van het
tractaat op de grondslagen, door Fagel in zijne laatste
depêche van 29 Juli 495) neergelegd, over te gaan.
Onzerzijds worden nog over eenige ondergeschikte
punten eenige wenken medegedeeld, zonder dat van
hunne inwilliging de sluiting van het tractaat
afhankelijk werd gemaakt. En zoo werd dan na
eenige dagen, den 13den Augustus 1814, het tractaat
tusschen Groot-Brittanië en de Vereenigde
Nederlanden over hunne koloniën te Londen
geteekend 496).
Wat zouden wij dientengevolge van ons vroeger
koloniaal bezit behouden, wat zou door ons worden
afgestaan? In Afrika waren en bleven de forten op de
kust van Guinea van zelf in ons bezit. Wij verloren
echter de Kaap de Goede Hoop. In de Oost werd ons
alles teruggeven. Niet alleen de eilanden, maar ook
de kantoren op het vasteland van Azië keerden tot
ons terug. Eene uitzondering maakte daarop het
kleine district Bernagore in de buurt van Calcutta, dat
aan Engeland verbleef; eveneens Cochin op de kust
van Malabar, waarvoor wij echter het tinrijke eiland
Banka in ruil erlangden. Het is eenigszins
Page 307
bevreemdend, dat, terwijl Engeland zich genegen
betoonde, aan ons dat belangrijke eiland wegens de
nabijheid van Java en de Molukken af te staan, het er
niet op aandrong al onze etablissementen op het
vasteland te behouden, en dat te meer, omdat
onzerzijds, vooral wanneer er geldelijke vergoeding
voor gegeven werd, tegen den afstand daarvan niet
veel bezwaar zoude zijn gemaakt, gelijk wij dan ook
later, in 1824, in dien afstand hebben toegestemd.
Engeland vergenoegde zich echter met de bepaling,
waarbij de Souvereine Vorst zich verbond in die
etablissementen geene versterkingen op te richten,
ten einde de goede verstandhouding tusschen beide
landen niet zoude worden verstoord. In Amerika
eindelijk moesten wij alleen het westelijk gedeelte
van Nederlandsch Guyana derven; voor het overige
zoude de Hollandsche vlag weder wapperen zoowel
op het vasteland als op de eilanden. Aan den wensch
van Engeland, om Essequebo, Demerary en Berbice
te behouden, was alzoo voldaan. Het gelukte echter
onze diplomatie, voor de onderdanen van den
Souvereinen Vorst, bezitters van plantages aldaar, te
bedingen, dat hun zoude worden veroorloofd de
naviguer et de trafiquer entre les dits etablissements
en het moederland. Eene bepaling, die bij het tractaat
betoonde, aan ons dat belangrijke eiland wegens de
nabijheid van Java en de Molukken af te staan, het er
niet op aandrong al onze etablissementen op het
vasteland te behouden, en dat te meer, omdat
onzerzijds, vooral wanneer er geldelijke vergoeding
voor gegeven werd, tegen den afstand daarvan niet
veel bezwaar zoude zijn gemaakt, gelijk wij dan ook
later, in 1824, in dien afstand hebben toegestemd.
Engeland vergenoegde zich echter met de bepaling,
waarbij de Souvereine Vorst zich verbond in die
etablissementen geene versterkingen op te richten,
ten einde de goede verstandhouding tusschen beide
landen niet zoude worden verstoord. In Amerika
eindelijk moesten wij alleen het westelijk gedeelte
van Nederlandsch Guyana derven; voor het overige
zoude de Hollandsche vlag weder wapperen zoowel
op het vasteland als op de eilanden. Aan den wensch
van Engeland, om Essequebo, Demerary en Berbice
te behouden, was alzoo voldaan. Het gelukte echter
onze diplomatie, voor de onderdanen van den
Souvereinen Vorst, bezitters van plantages aldaar, te
bedingen, dat hun zoude worden veroorloofd de
naviguer et de trafiquer entre les dits etablissements
en het moederland. Eene bepaling, die bij het tractaat
Page 308
van den 12den Augustus 1815 497) nader werd
uitgewerkt. Eene concessie van de zijde van
Engeland, die niet zonder gewicht was, als men in
aanmerking neemt, dat naar de zienswijze dier dagen
het voordeel der koloniën hoofdzakelijk geacht werd
te bestaan in de mogelijkheid, om van de vaart
daarop en den handel daarmede de vreemdelingen te
kunnen uitsluiten. Lord Clancarty meende zelfs, dat
door dergelijke inbreuk op het koloniaal stelsel de
afstand eener kolonie eerder een voordeel dan een
nadeel was, daar men in 't genot bleef van de vaart en
den handel en bevrijd werd van de kosten noodig
voor de verdediging en het bestuur 498).
Tegenover het behoud dier koloniën door
Engeland, stonden geldelijke opofferingen van
grooten omvang. Een millioen pond sterling door
Engeland te betalen aan Zweden voor Guadeloupe;
twee millioen, om met een gelijk bedrag, dat de
Souvereine Vorst zoude geven, te dienen voor den
vestingbouw in België; eindelijk de helft—tot een
maximum van 3 millioen pond—van de kosten door
Holland te betalen dans le but de consolider et
d'établir finalement d'une manière satisfaisante
l'union des Pays-Bas avec la Hollande sous la
domination de la Maison d'Orange Nassau. Met
uitgewerkt. Eene concessie van de zijde van
Engeland, die niet zonder gewicht was, als men in
aanmerking neemt, dat naar de zienswijze dier dagen
het voordeel der koloniën hoofdzakelijk geacht werd
te bestaan in de mogelijkheid, om van de vaart
daarop en den handel daarmede de vreemdelingen te
kunnen uitsluiten. Lord Clancarty meende zelfs, dat
door dergelijke inbreuk op het koloniaal stelsel de
afstand eener kolonie eerder een voordeel dan een
nadeel was, daar men in 't genot bleef van de vaart en
den handel en bevrijd werd van de kosten noodig
voor de verdediging en het bestuur 498).
Tegenover het behoud dier koloniën door
Engeland, stonden geldelijke opofferingen van
grooten omvang. Een millioen pond sterling door
Engeland te betalen aan Zweden voor Guadeloupe;
twee millioen, om met een gelijk bedrag, dat de
Souvereine Vorst zoude geven, te dienen voor den
vestingbouw in België; eindelijk de helft—tot een
maximum van 3 millioen pond—van de kosten door
Holland te betalen dans le but de consolider et
d'établir finalement d'une manière satisfaisante
l'union des Pays-Bas avec la Hollande sous la
domination de la Maison d'Orange Nassau. Met
Page 309
andere woorden: Engeland zoude, voor het geval
Rusland van zijne Hollandsche schuld geheel of ten
deele werd bevrijd, een deel daarvan voor zijne
rekening nemen.
Ontstond er nu geschreeuw op de beurs? Dit kon
moeilijk, daar aan het tractaat geen ruchtbaarheid
werd gegeven; een deel der overeenkomst was zelfs
in geheime artikelen opgenomen. In het hoofdtractaat
zelf werd de teruggaaf van al de koloniën en de ruil
van Cochin tegen Banka uitgesproken; alleen werd
ten opzichte van de Kaap de Goede Hoop en van
Demerary, Essequebo en Berbice verwezen naar eene
supplementaire overeenkomst, die, zooals het heette,
later zoude worden gesloten. En om den goeden
indruk niet te verzwakken, was zelfs de afstand van
het onbeteekenende Bernagore naar de geheime
artikelen verwezen. In die geheime artikelen vond
men voorts nader geregeld wat er met de Kaap en
Guyana zoude geschieden, en waren tevens de
geldelijke verbintenissen opgenomen, die Engeland
daartegenover op zich nam. Engeland had, wanneer
men het verlangde, geen bezwaar in de
openbaarmaking van het tractaat, mits de inhoud der
geheime artikelen geheim bleef. Waarom? Die
artikelen stonden in een te nauw verband met de nog
Rusland van zijne Hollandsche schuld geheel of ten
deele werd bevrijd, een deel daarvan voor zijne
rekening nemen.
Ontstond er nu geschreeuw op de beurs? Dit kon
moeilijk, daar aan het tractaat geen ruchtbaarheid
werd gegeven; een deel der overeenkomst was zelfs
in geheime artikelen opgenomen. In het hoofdtractaat
zelf werd de teruggaaf van al de koloniën en de ruil
van Cochin tegen Banka uitgesproken; alleen werd
ten opzichte van de Kaap de Goede Hoop en van
Demerary, Essequebo en Berbice verwezen naar eene
supplementaire overeenkomst, die, zooals het heette,
later zoude worden gesloten. En om den goeden
indruk niet te verzwakken, was zelfs de afstand van
het onbeteekenende Bernagore naar de geheime
artikelen verwezen. In die geheime artikelen vond
men voorts nader geregeld wat er met de Kaap en
Guyana zoude geschieden, en waren tevens de
geldelijke verbintenissen opgenomen, die Engeland
daartegenover op zich nam. Engeland had, wanneer
men het verlangde, geen bezwaar in de
openbaarmaking van het tractaat, mits de inhoud der
geheime artikelen geheim bleef. Waarom? Die
artikelen stonden in een te nauw verband met de nog
Page 310
tusschen de mogendheden te sluiten overeenkomst
over het nieuwe Rijk der Nederlanden; maar
bovendien was het wenschelijk dat Rusland niet wist,
tot welk eene som Engeland zich verbond voor de
overname der Russische schuld. Wanneer, zooals
later het geval bleek te zijn 499), de edelmoedige
keizer aller Russen met eene mindere som dan 6
millioen pond sterling tevreden kon worden gesteld,
dan behoefde ook Engeland minder dan 3 millioen
voor die zaak bij te passen. Ook was het wenschelijk
dat het Parlement vooreerst onkundig werd gelaten
van de zware geldelijke verplichtingen, die Engeland
op zich nam. De Souvereine Vorst was waarschijnlijk
evenmin op openbaarheid gesteld. Hij die krachtens
art. 38 der Grondwet voor geen tractaat hoegenaamd
de toestemming der Vertegenwoordiging noodig had,
schijnt zelfs geene behoefte hebben gevoeld het
hoofdtractaat ter kennis des volks te brengen. Eerst
den 7den November 1814 500) in de aanspraak, door
den Souvereinen Vorst bij de opening van de
vergadering der Staten-Generaal gedaan, wordt
gezinspeeld op dit tractaat en op de teruggaaf van het
aanzienlijkste gedeelte van Nederlands aloude
bezittingen, in 't bijzonder van het onschatbare Java.
In het verslag, gedurende dezelfde zitting uitgebracht
over het nieuwe Rijk der Nederlanden; maar
bovendien was het wenschelijk dat Rusland niet wist,
tot welk eene som Engeland zich verbond voor de
overname der Russische schuld. Wanneer, zooals
later het geval bleek te zijn 499), de edelmoedige
keizer aller Russen met eene mindere som dan 6
millioen pond sterling tevreden kon worden gesteld,
dan behoefde ook Engeland minder dan 3 millioen
voor die zaak bij te passen. Ook was het wenschelijk
dat het Parlement vooreerst onkundig werd gelaten
van de zware geldelijke verplichtingen, die Engeland
op zich nam. De Souvereine Vorst was waarschijnlijk
evenmin op openbaarheid gesteld. Hij die krachtens
art. 38 der Grondwet voor geen tractaat hoegenaamd
de toestemming der Vertegenwoordiging noodig had,
schijnt zelfs geene behoefte hebben gevoeld het
hoofdtractaat ter kennis des volks te brengen. Eerst
den 7den November 1814 500) in de aanspraak, door
den Souvereinen Vorst bij de opening van de
vergadering der Staten-Generaal gedaan, wordt
gezinspeeld op dit tractaat en op de teruggaaf van het
aanzienlijkste gedeelte van Nederlands aloude
bezittingen, in 't bijzonder van het onschatbare Java.
In het verslag, gedurende dezelfde zitting uitgebracht
Page 311
door den Secretaris van Staat voor de
Binnenlandsche Zaken, wordt medegedeeld, dat het
nog van nadere onderhandelingen moet afhangen,
welke van de West-Indische koloniën aan ons zouden
terugkomen 501). Nog in Mei van het volgende jaar
was de inhoud van het tractaat onbekend, en moest
Hogendorp van den Souvereinen Vorst de machtiging
vragen het mede te deelen aan de leden der
commissie voor het ontwerpen der Grondwet voor
het nieuwe koninkrijk 502). Eerst in Juni 1815 werd de
inhoud der overeenkomst van 13 Augustus 1814
wereldkundig door de overlegging er van aan het
Parlement 503). De redenen van geheimhouding waren
vervallen. Immers op het Congres van Weenen waren
de grenzen van het nieuwe Rijk bij tractaat van 31
Mei 1815 voor goed vastgesteld, terwijl bij tractaat
den 19 Mei 1815 te Londen door Rusland met ons en
Engeland gesloten de zaak der Russische schuld
geregeld was 504).
Men had zich echter vergist in het tijdstip, waarop
de conventie van 13 Augustus 1814 tot uitvoering
zoude komen. Binnen drie weken zoude het tractaat
door den Prins-Regent en den Souvereinen Vorst
worden geratificeerd (art. 9) en binnen drie maanden
daarna de bezittingen in de West, binnen zes
Binnenlandsche Zaken, wordt medegedeeld, dat het
nog van nadere onderhandelingen moet afhangen,
welke van de West-Indische koloniën aan ons zouden
terugkomen 501). Nog in Mei van het volgende jaar
was de inhoud van het tractaat onbekend, en moest
Hogendorp van den Souvereinen Vorst de machtiging
vragen het mede te deelen aan de leden der
commissie voor het ontwerpen der Grondwet voor
het nieuwe koninkrijk 502). Eerst in Juni 1815 werd de
inhoud der overeenkomst van 13 Augustus 1814
wereldkundig door de overlegging er van aan het
Parlement 503). De redenen van geheimhouding waren
vervallen. Immers op het Congres van Weenen waren
de grenzen van het nieuwe Rijk bij tractaat van 31
Mei 1815 voor goed vastgesteld, terwijl bij tractaat
den 19 Mei 1815 te Londen door Rusland met ons en
Engeland gesloten de zaak der Russische schuld
geregeld was 504).
Men had zich echter vergist in het tijdstip, waarop
de conventie van 13 Augustus 1814 tot uitvoering
zoude komen. Binnen drie weken zoude het tractaat
door den Prins-Regent en den Souvereinen Vorst
worden geratificeerd (art. 9) en binnen drie maanden
daarna de bezittingen in de West, binnen zes
Page 312
maanden die in de Oost weder worden gesteld in ons
bezit. Het geheele jaar 1815 moest echter
voorbijgaan, zonder dat van dit alles iets kwam. De
vertraging was voor een deel teweeggebracht door
den langen duur van het Weener Congres, voor een
deel ook door Napoleons terugkomst uit Elba, die het
noodzakelijk maakte, dat de troepen voor de Indiën
bestemd, vooreerst hier bleven ter verdediging van
het Rijk in Europa. Eerst in Januari 1816 ging de
West, in Augustus 1816 de Oost uit de handen van
Engeland in de onze over.
Wij zagen, dat van Nagell en anderen niet tevreden
waren over de gedragslijn van Engeland, omdat het
niet alles teruggaf. Opmerkelijk is het, dat, terwijl
men niet het minste bezwaar zag in de toepassing van
het recht van verovering op België en in het beroep
op dat recht door de geallieerden bij het Londensche
protocol van 21 Juni 1814 gedaan, men het Engeland
ten kwade duidde, toen het iets wilde behouden van
hetgeen het in den tienjarigen oorlog van 1803 tot
1814 met zijn zwaard had verkregen. Wanneer men
echter let op de opofferingen, die Engeland zich in
den langdurigen oorlogstijd had getroost, dan zoude
de volledige teruggaaf, ik ben het met Falck eens, een
buitengemeen, niet te vergen en niet te verwachten
bezit. Het geheele jaar 1815 moest echter
voorbijgaan, zonder dat van dit alles iets kwam. De
vertraging was voor een deel teweeggebracht door
den langen duur van het Weener Congres, voor een
deel ook door Napoleons terugkomst uit Elba, die het
noodzakelijk maakte, dat de troepen voor de Indiën
bestemd, vooreerst hier bleven ter verdediging van
het Rijk in Europa. Eerst in Januari 1816 ging de
West, in Augustus 1816 de Oost uit de handen van
Engeland in de onze over.
Wij zagen, dat van Nagell en anderen niet tevreden
waren over de gedragslijn van Engeland, omdat het
niet alles teruggaf. Opmerkelijk is het, dat, terwijl
men niet het minste bezwaar zag in de toepassing van
het recht van verovering op België en in het beroep
op dat recht door de geallieerden bij het Londensche
protocol van 21 Juni 1814 gedaan, men het Engeland
ten kwade duidde, toen het iets wilde behouden van
hetgeen het in den tienjarigen oorlog van 1803 tot
1814 met zijn zwaard had verkregen. Wanneer men
echter let op de opofferingen, die Engeland zich in
den langdurigen oorlogstijd had getroost, dan zoude
de volledige teruggaaf, ik ben het met Falck eens, een
buitengemeen, niet te vergen en niet te verwachten
Page 313
effort de générosité van de zijde van Engeland zijn
geweest. Ik kan dan ook in die afkeuring van
Engelands gedrag niet deelen, en dit te minder, als ik
denk aan de zware geldelijke verplichtingen, die
Engeland als equivalent voor de door ons afgestane
koloniën op zich nam. Eerder zoude de vraag kunnen
gedaan worden, waaraan wij het te danken hebben,
dat wij zonder eenige inspanning onzerzijds weder in
't bezit kwamen van het grootste gedeelte onzer
koloniën?
Men heeft beweerd, dat Engeland door zijne
bondgenooten tot die teruggaaf genoopt was. Ik meen
ten onrechte. Het blijkt niet, dat eene der andere
mogendheden op de sluiting van het tractaat van 13
Augustus 1814 eenigen invloed had uitgeoefend;
integendeel bestond juist, zooals wij vroeger gezien
hebben, bij Fagel de groote vrees, dat de koloniale
kwestie niet tusschen Engeland en ons alleen zoude
worden beslist, maar dat zij, ter behandeling
verwezen naar het Congres van Weenen, vermengd
zou worden met al de netelige vraagstukken der
Europeesche politiek. Alleen in zoover hebben de
geallieerden invloed ten onzen gunste uitgeoefend,
dat Engeland door te veel te behouden zijne reputatie
op het continent vreesde te zullen bederven en
geweest. Ik kan dan ook in die afkeuring van
Engelands gedrag niet deelen, en dit te minder, als ik
denk aan de zware geldelijke verplichtingen, die
Engeland als equivalent voor de door ons afgestane
koloniën op zich nam. Eerder zoude de vraag kunnen
gedaan worden, waaraan wij het te danken hebben,
dat wij zonder eenige inspanning onzerzijds weder in
't bezit kwamen van het grootste gedeelte onzer
koloniën?
Men heeft beweerd, dat Engeland door zijne
bondgenooten tot die teruggaaf genoopt was. Ik meen
ten onrechte. Het blijkt niet, dat eene der andere
mogendheden op de sluiting van het tractaat van 13
Augustus 1814 eenigen invloed had uitgeoefend;
integendeel bestond juist, zooals wij vroeger gezien
hebben, bij Fagel de groote vrees, dat de koloniale
kwestie niet tusschen Engeland en ons alleen zoude
worden beslist, maar dat zij, ter behandeling
verwezen naar het Congres van Weenen, vermengd
zou worden met al de netelige vraagstukken der
Europeesche politiek. Alleen in zoover hebben de
geallieerden invloed ten onzen gunste uitgeoefend,
dat Engeland door te veel te behouden zijne reputatie
op het continent vreesde te zullen bederven en
Page 314
daardoor zijne zedelijke kracht te zullen
verzwakken 505).
Er moge zijn bijgekomen, dat in die dagen
uitbreiding van het koloniaal bezit quand même bij
Engeland niet op den voorgrond stond. Er waren nog
andere zaken, waaraan het vooral niet minder waarde
hechtte. De beginselen van de gewapende neutraliteit,
in het laatst der vorige eeuw door Rusland
verkondigd, ten einde in den oorlog ter zee den
handel der neutralen te beschermen, de handhaving
vooral van den nieuwen volkenrechtelijken regel: vrij
schip, vrij goed, waren altijd Engeland een doorn in
het oog geweest. De Engelschen meenden, om
meester ter zee te blijven, de wapenen van het oude
Engelsche zeerecht niet te kunnen missen, en de
ondervinding der Napoleontische oorlogen had hen in
die zienswijze bevestigd. Van hier, dat bij de regeling
van het Europeesche Statenstelsel na den val van
Napoleon over het zeerecht niets werd bepaald, de
beginselen der gewapende neutraliteit werden
doodgezwegen en alzoo het oude zeerecht bleef
bestaan 506).
Het omgekeerde was het geval met een ander punt,
dat de Engelsche staatslieden niet minder ter harte
verzwakken 505).
Er moge zijn bijgekomen, dat in die dagen
uitbreiding van het koloniaal bezit quand même bij
Engeland niet op den voorgrond stond. Er waren nog
andere zaken, waaraan het vooral niet minder waarde
hechtte. De beginselen van de gewapende neutraliteit,
in het laatst der vorige eeuw door Rusland
verkondigd, ten einde in den oorlog ter zee den
handel der neutralen te beschermen, de handhaving
vooral van den nieuwen volkenrechtelijken regel: vrij
schip, vrij goed, waren altijd Engeland een doorn in
het oog geweest. De Engelschen meenden, om
meester ter zee te blijven, de wapenen van het oude
Engelsche zeerecht niet te kunnen missen, en de
ondervinding der Napoleontische oorlogen had hen in
die zienswijze bevestigd. Van hier, dat bij de regeling
van het Europeesche Statenstelsel na den val van
Napoleon over het zeerecht niets werd bepaald, de
beginselen der gewapende neutraliteit werden
doodgezwegen en alzoo het oude zeerecht bleef
bestaan 506).
Het omgekeerde was het geval met een ander punt,
dat de Engelsche staatslieden niet minder ter harte
Page 315
ging: ik bedoel de afschaffing van den slavenhandel.
Onwillekeurig doet men de vraag, wat toch wel de
bovendrijvende partij in Engeland, de Tories,
bewoog, een strijd op leven en dood te voeren tegen
dat menschonteerende bedrijf. Humaniteit was anders
niet het zwak van die staatslieden met hun
ingeworteld conservatisme. De reden was, dat in de
Engelsche natie langzamerhand eene beweging voor
de afschaffing van dien handel was ontstaan, zoo
sterk, dat de regeering om politieke redenen het
geraden achtte, voor haar partij te kiezen. Dit is
zeker, dat reeds vóór den val van Napoleon Engeland
van Portugal en Zweden de veroordeeling van den
slavenhandel wist te verkrijgen, en dat na den val van
Napoleon geene gelegenheid ongebruikt werd
voorbijgegaan, om van de andere mogendheden
hetzelfde te bedingen. Zoo zien wij dan ook den
Souvereinen Vorst ter voldoening aan eene nota van
Engeland van 15 Juni 1814 een besluit nemen tot
wering van den slavenhandel, terwijl ook het verdrag
van 13 Augustus 1814 in art. 8 eene uitdrukkelijke
verbintenis onzerzijds tenzelfden einde bevat.
Er waren dus andere zaken, waarop Engeland nog
grooteren prijs stelde dan op de uitbreiding van het
koloniaal bezit. Wellicht dat Frankrijk nog meer van
Onwillekeurig doet men de vraag, wat toch wel de
bovendrijvende partij in Engeland, de Tories,
bewoog, een strijd op leven en dood te voeren tegen
dat menschonteerende bedrijf. Humaniteit was anders
niet het zwak van die staatslieden met hun
ingeworteld conservatisme. De reden was, dat in de
Engelsche natie langzamerhand eene beweging voor
de afschaffing van dien handel was ontstaan, zoo
sterk, dat de regeering om politieke redenen het
geraden achtte, voor haar partij te kiezen. Dit is
zeker, dat reeds vóór den val van Napoleon Engeland
van Portugal en Zweden de veroordeeling van den
slavenhandel wist te verkrijgen, en dat na den val van
Napoleon geene gelegenheid ongebruikt werd
voorbijgegaan, om van de andere mogendheden
hetzelfde te bedingen. Zoo zien wij dan ook den
Souvereinen Vorst ter voldoening aan eene nota van
Engeland van 15 Juni 1814 een besluit nemen tot
wering van den slavenhandel, terwijl ook het verdrag
van 13 Augustus 1814 in art. 8 eene uitdrukkelijke
verbintenis onzerzijds tenzelfden einde bevat.
Er waren dus andere zaken, waarop Engeland nog
grooteren prijs stelde dan op de uitbreiding van het
koloniaal bezit. Wellicht dat Frankrijk nog meer van
Page 316
de verlorene koloniën had kunnen terug erlangen, zoo
het, evenals wij, eene uitdrukkelijke verbintenis tot
wering van den slavenhandel had willen aangaan 507).
Maar ook zonder dat kreeg zelfs dit land bij het
Tractaat van Parijs van 30 Mei 1814 de meeste zijner
koloniën terug. Hoeveel te meer moest Engeland dan
genegen zijn, dezelfde gedragslijn tegenover ons te
volgen, die vroeger wel de verbondenen van
Frankrijk waren geweest, maar toch voor en na de
inlijving als het slachtoffer van Napoleons
heerschzucht moesten worden beschouwd; tegenover
ons, die, zoodra de gelegenheid daar was, het
Fransche juk hadden afgeschud; tegenover ons, die
door de herstelling van het huis van Oranje ons
berouw hadden getoond over de afdwalingen der
revolutie, en den band met den voorrevolutionairen
tijd weder hadden trachten vast te knoopen.
Onze wenschen moesten dus bij Engeland een
geopend oor vinden. Wat echter dit land had kunnen
weerhouden, terug te geven wat het had veroverd,
zoude de vrees zijn geweest, dat wij te zwak waren
de heerschappij over de koloniën te handhaven. Maar
die vrees trad op den achtergrond, zoodra het zoo
goed als zeker was dat door de vereeniging met
België een naar men meende krachtig rijk zoude
het, evenals wij, eene uitdrukkelijke verbintenis tot
wering van den slavenhandel had willen aangaan 507).
Maar ook zonder dat kreeg zelfs dit land bij het
Tractaat van Parijs van 30 Mei 1814 de meeste zijner
koloniën terug. Hoeveel te meer moest Engeland dan
genegen zijn, dezelfde gedragslijn tegenover ons te
volgen, die vroeger wel de verbondenen van
Frankrijk waren geweest, maar toch voor en na de
inlijving als het slachtoffer van Napoleons
heerschzucht moesten worden beschouwd; tegenover
ons, die, zoodra de gelegenheid daar was, het
Fransche juk hadden afgeschud; tegenover ons, die
door de herstelling van het huis van Oranje ons
berouw hadden getoond over de afdwalingen der
revolutie, en den band met den voorrevolutionairen
tijd weder hadden trachten vast te knoopen.
Onze wenschen moesten dus bij Engeland een
geopend oor vinden. Wat echter dit land had kunnen
weerhouden, terug te geven wat het had veroverd,
zoude de vrees zijn geweest, dat wij te zwak waren
de heerschappij over de koloniën te handhaven. Maar
die vrees trad op den achtergrond, zoodra het zoo
goed als zeker was dat door de vereeniging met
België een naar men meende krachtig rijk zoude
Page 317
verrijzen. De vrees verdween geheel door de
overweging, dat wij voortaan de bondgenooten van
Engeland zouden zijn en dus altijd op de Engelsche
bescherming zouden kunnen rekenen. Het zal, zeide
Lord Castlereagh aan Fagel, een groot voordeel voor
het vereenigde Holland en België zijn, dat het
zoozeer onder het bereik van Engeland ligt. Bij het
minste gevaar kan het Engelsche leger den
Souvereinen Vorst te hulp snellen. De Souvereine
Vorst kan, meent hij, dat leger beschouwen als te
zijner beschikking staande, zonder tot zijnen last te
zijn 508). Toen Engeland aan ons de koloniën teruggaf,
deed het dit in de verwachting, dat beide landen door
een innigen band zouden zijn en blijven omstrengeld.
Eene alliantie zoude reeds toen zijn aangegaan, was
men van de Engelsche zijde niet bevreesd geweest,
hierdoor den naijver der andere mogendheden op te
wekken en daardoor een nadeeligen invloed uit te
oefenen op de onderhandelingen, die over de
vereeniging van al de Nederlanden nog op het
Congres van Weenen moesten worden gevoerd. Maar
was dit congres eens afgeloopen, dan zoude er,
hierover was men het eens, een alliantie-verdrag
worden geteekend 509).
overweging, dat wij voortaan de bondgenooten van
Engeland zouden zijn en dus altijd op de Engelsche
bescherming zouden kunnen rekenen. Het zal, zeide
Lord Castlereagh aan Fagel, een groot voordeel voor
het vereenigde Holland en België zijn, dat het
zoozeer onder het bereik van Engeland ligt. Bij het
minste gevaar kan het Engelsche leger den
Souvereinen Vorst te hulp snellen. De Souvereine
Vorst kan, meent hij, dat leger beschouwen als te
zijner beschikking staande, zonder tot zijnen last te
zijn 508). Toen Engeland aan ons de koloniën teruggaf,
deed het dit in de verwachting, dat beide landen door
een innigen band zouden zijn en blijven omstrengeld.
Eene alliantie zoude reeds toen zijn aangegaan, was
men van de Engelsche zijde niet bevreesd geweest,
hierdoor den naijver der andere mogendheden op te
wekken en daardoor een nadeeligen invloed uit te
oefenen op de onderhandelingen, die over de
vereeniging van al de Nederlanden nog op het
Congres van Weenen moesten worden gevoerd. Maar
was dit congres eens afgeloopen, dan zoude er,
hierover was men het eens, een alliantie-verdrag
worden geteekend 509).
Page 318
De Engelsche Regeering schijnt niet te hebben
gevreesd, dat—zooals later is gebleken—uitstel wel
eens afstel zoude kunnen zijn.
Met het oog op dit alles heeft Engeland er geen
bezwaar in gezien, zich bij de formuleering van het
tractaat op dit standpunt te plaatsen, dat het, met
uitzondering van Ceilon, alles teruggaf, hetzij in
natura, hetzij in andere equivalenten. Tegenover de
vereeniging van België stond de afstand van een deel
van Guyana aan Zweden, en, daar dit Rijk van
Engeland daarvoor een millioen pond sterling
ontving, de overdracht daarvan aan Engeland.
Tegenover de Kaap de Goede Hoop stonden de 5
millioen pond als maximum te betalen voor den
vestingbouw en de Russische schuld. De draad, die
door alles liep, was dus de vereeniging met België.
Na 1830 is ten onzent gezegd, dat „de gedwongene
Belgische bruid ons reeds, als beginsel der smarten,
vier allerbelangrijkste koloniën kostte” 510). Als men
het tractaat van 13 Augustus 1814 alleen leest, is dit
beweren juist. Wanneer men echter meer achter de
schermen ziet, dan wordt met meer recht de zaak
aldus voorgesteld, dat de vereeniging met België de
prijs is geweest, waarvoor wij de teruggaaf der
koloniën hebben gekocht.
gevreesd, dat—zooals later is gebleken—uitstel wel
eens afstel zoude kunnen zijn.
Met het oog op dit alles heeft Engeland er geen
bezwaar in gezien, zich bij de formuleering van het
tractaat op dit standpunt te plaatsen, dat het, met
uitzondering van Ceilon, alles teruggaf, hetzij in
natura, hetzij in andere equivalenten. Tegenover de
vereeniging van België stond de afstand van een deel
van Guyana aan Zweden, en, daar dit Rijk van
Engeland daarvoor een millioen pond sterling
ontving, de overdracht daarvan aan Engeland.
Tegenover de Kaap de Goede Hoop stonden de 5
millioen pond als maximum te betalen voor den
vestingbouw en de Russische schuld. De draad, die
door alles liep, was dus de vereeniging met België.
Na 1830 is ten onzent gezegd, dat „de gedwongene
Belgische bruid ons reeds, als beginsel der smarten,
vier allerbelangrijkste koloniën kostte” 510). Als men
het tractaat van 13 Augustus 1814 alleen leest, is dit
beweren juist. Wanneer men echter meer achter de
schermen ziet, dan wordt met meer recht de zaak
aldus voorgesteld, dat de vereeniging met België de
prijs is geweest, waarvoor wij de teruggaaf der
koloniën hebben gekocht.
Page 319
Over de zaak van de teruggave der koloniën bestaat thans een uitgebreide
literatuur: van Deventer, Ned. gezag over Java sedert 1811 (den Haag,
1891); Heeres, De afstand der Kaap de Goede Hoop aan Engeland (Hand.
en Meded. Ned. Mij. van Letterk., 1896–'97); Heeres, De overgang der
Kaapkolonie van Nederlands in Engelands bezit (Ind. Genootschap, verg.
van 29 Oct. 1901); van der Kemp, De sluiting van het Londensch tractaat
van 13 Aug. 1814 (Bijdr. Ind. Inst. 6e volgreeks, deel III); van der Kemp,
De teruggave der O. I. Koloniën (den Haag, 1910). De heldere voorstelling
van Tellegen kan echter bijna op alle punten worden gehandhaafd.
Demerary etc. (hiervóór, bl. 243).—Reeds in eene brochure van 1806,
toen er sterke geruchten van vrede liepen: „Letter to the Right Hon. Charles
James Fox on the importance of the Colonies situated on the Coast of
Guiana, by a British Merchant 511)”, wordt, met cijfers, op de groote waarde
gewezen welke deze koloniën reeds voor Engeland verkregen hebben. „You
cannot be ignorant, Sir, that the colonies of Surinam, Berbice and Demerary
even in their present unimproved state, contain more estates and negroes,
and send more produce of sugars, coffee, cotton, and cocoa to Europe, than
all the old British islands in the West Indies together, Jamaica excepted; that
in case these colonies should unfortunately be restored to the Dutch, we
should be obliged to receive from them nearly three-fourths of the cotton
produced by these colonies for the use of our own manufactories, who have
introduced them, since the first possession last war, into so many branches
of that lucrative trade, that they cannot do without them. The revenue will
tell you what immense duties the produce of these colonies pay.... Threi-
fourthe of the colony of Demerary, and nearly as much of the colony of
Berbice, belong to British owners. In Surinam, the most important of these
colonies, British capital in less engaged, but soon will be so, whenever this
colony will continue to be a part of the British Empire. I may venture to
add, from what happened during the last short interval of peace, that the
French and Dutch, who are destitute of ships and seamen, will be obliged to
deprive us of our ships, by purchase or a freightment, and engage our
seamen into their service to carry on their trade; whereas now we navigate
literatuur: van Deventer, Ned. gezag over Java sedert 1811 (den Haag,
1891); Heeres, De afstand der Kaap de Goede Hoop aan Engeland (Hand.
en Meded. Ned. Mij. van Letterk., 1896–'97); Heeres, De overgang der
Kaapkolonie van Nederlands in Engelands bezit (Ind. Genootschap, verg.
van 29 Oct. 1901); van der Kemp, De sluiting van het Londensch tractaat
van 13 Aug. 1814 (Bijdr. Ind. Inst. 6e volgreeks, deel III); van der Kemp,
De teruggave der O. I. Koloniën (den Haag, 1910). De heldere voorstelling
van Tellegen kan echter bijna op alle punten worden gehandhaafd.
Demerary etc. (hiervóór, bl. 243).—Reeds in eene brochure van 1806,
toen er sterke geruchten van vrede liepen: „Letter to the Right Hon. Charles
James Fox on the importance of the Colonies situated on the Coast of
Guiana, by a British Merchant 511)”, wordt, met cijfers, op de groote waarde
gewezen welke deze koloniën reeds voor Engeland verkregen hebben. „You
cannot be ignorant, Sir, that the colonies of Surinam, Berbice and Demerary
even in their present unimproved state, contain more estates and negroes,
and send more produce of sugars, coffee, cotton, and cocoa to Europe, than
all the old British islands in the West Indies together, Jamaica excepted; that
in case these colonies should unfortunately be restored to the Dutch, we
should be obliged to receive from them nearly three-fourths of the cotton
produced by these colonies for the use of our own manufactories, who have
introduced them, since the first possession last war, into so many branches
of that lucrative trade, that they cannot do without them. The revenue will
tell you what immense duties the produce of these colonies pay.... Threi-
fourthe of the colony of Demerary, and nearly as much of the colony of
Berbice, belong to British owners. In Surinam, the most important of these
colonies, British capital in less engaged, but soon will be so, whenever this
colony will continue to be a part of the British Empire. I may venture to
add, from what happened during the last short interval of peace, that the
French and Dutch, who are destitute of ships and seamen, will be obliged to
deprive us of our ships, by purchase or a freightment, and engage our
seamen into their service to carry on their trade; whereas now we navigate
Page 320
to these very colonies with some of the ships captured from them, and have
many hundreds of Dutch seamen in our merchant service, to supply the
want of British.... By giving up these colonies, we lose first a very large
revenue to the State; second, the employ of 30.000 tons of shipping
annually, and more: third, employ of 2500 to 3000 seamen; fourth, an
export annually of £ 5 or 600.000 of British merchandise to these colonies
only; fifth, the immense re-exportation of coffee and sugar to the continent;
and sixth, the additional employ of shipping for these re-exports and the
profits attached to the same....”
Deze beschouwingen worden herhaald in een request aan Castlereagh
van John Robert Gladstone en 42 andere Liverpoolsche firma's, door
Canning, afgevaardigde voor Liverpool in het Lagerhuis, 9 Juni 1814 bij
den minister ingezonden met een krachtig woord van aanbeveling: „they
venture to derive some hopes of its success from the very generally
prevailing notion among the inhabitants that it has been long intended
finally to annex these colonies to the British Empire.” Het request vestigt er
de aandacht op, dat alles in Demerary, Essequebo en Berbice Engelsch is
geworden, dat de Nederlandsche taal er bij de rechtbanken reeds is
afgeschaft. „Should H. M. think it right to restore the important colony of
Surinam to Holland, the same disadvantages wil not be felt there in that
event, as the population and capital remain chiefly Dutch”. 512)
De verovering van Essequebo en de in 1746 door den energieken
commandeur Storm van 's-Gravesande gestichte dochterkolonie Demerary
(die weldra de moeder over het hoofd zou groeien) door Engelsch kapitaal
en Engelsche werkkrachten, was aan de militaire verovering voorafgegaan.
De bodem, vooral in Demerary, bleek voor de cultuur van suiker en koffie
zóó geschikt, dat de waarde van den grond er tusschen 1759 en 1769 meer
dan vertienvoudigde. Maar het waren meer en meer Engelschen van de
naburige eilanden, die op deze cultures afkwamen. In 1762 telt het oudere
Essequebo 68 plantages, waarvan er 8 in Engelsche handen zijn; het
voorspoediger Demerary 93, waarvan er 34 aan Engelschen toebehooren. In
1769 zijn er in Demerary reeds 206 plantages, waarvan er 56 aan
Engelschen toekomen. Op de plantages die eigendom van Nederlanders
waren, moeten vele Engelschen als administrateurs enz. zijn werkzaam
geweest; immers Storm bericht in een brief van 1760, dat onder de blanke
many hundreds of Dutch seamen in our merchant service, to supply the
want of British.... By giving up these colonies, we lose first a very large
revenue to the State; second, the employ of 30.000 tons of shipping
annually, and more: third, employ of 2500 to 3000 seamen; fourth, an
export annually of £ 5 or 600.000 of British merchandise to these colonies
only; fifth, the immense re-exportation of coffee and sugar to the continent;
and sixth, the additional employ of shipping for these re-exports and the
profits attached to the same....”
Deze beschouwingen worden herhaald in een request aan Castlereagh
van John Robert Gladstone en 42 andere Liverpoolsche firma's, door
Canning, afgevaardigde voor Liverpool in het Lagerhuis, 9 Juni 1814 bij
den minister ingezonden met een krachtig woord van aanbeveling: „they
venture to derive some hopes of its success from the very generally
prevailing notion among the inhabitants that it has been long intended
finally to annex these colonies to the British Empire.” Het request vestigt er
de aandacht op, dat alles in Demerary, Essequebo en Berbice Engelsch is
geworden, dat de Nederlandsche taal er bij de rechtbanken reeds is
afgeschaft. „Should H. M. think it right to restore the important colony of
Surinam to Holland, the same disadvantages wil not be felt there in that
event, as the population and capital remain chiefly Dutch”. 512)
De verovering van Essequebo en de in 1746 door den energieken
commandeur Storm van 's-Gravesande gestichte dochterkolonie Demerary
(die weldra de moeder over het hoofd zou groeien) door Engelsch kapitaal
en Engelsche werkkrachten, was aan de militaire verovering voorafgegaan.
De bodem, vooral in Demerary, bleek voor de cultuur van suiker en koffie
zóó geschikt, dat de waarde van den grond er tusschen 1759 en 1769 meer
dan vertienvoudigde. Maar het waren meer en meer Engelschen van de
naburige eilanden, die op deze cultures afkwamen. In 1762 telt het oudere
Essequebo 68 plantages, waarvan er 8 in Engelsche handen zijn; het
voorspoediger Demerary 93, waarvan er 34 aan Engelschen toebehooren. In
1769 zijn er in Demerary reeds 206 plantages, waarvan er 56 aan
Engelschen toekomen. Op de plantages die eigendom van Nederlanders
waren, moeten vele Engelschen als administrateurs enz. zijn werkzaam
geweest; immers Storm bericht in een brief van 1760, dat onder de blanke
Page 321
bevolking van Demerary de Engelsch-sprekenden in de meerderheid zijn.
Na Storm's tijd (hij vertrok in 1772) is hierin geen verandering gekomen;
eerder is het verergerd.
Het wordt, bij deze wetenschap, beter verklaarbaar, dat Demerary en
Essequebo zoo zonder slag of stoot, in 1781, in 1796, in 1803, aan de
Engelsche krijgsmacht zijn overgegeven, terwijl Suriname, dat zuiver
Nederlandsch was, zich toch altijd nog eenigermate verdedigde. Dat in 1814
Demerary feitelijk geheel Engelsch geweest moet zijn, is reeds af te leiden
uit de bevolkingscijfers van de hoofdplaats Stabroek, in 1812 verdoopt in
Georgetown. Kort vóór de Engelsche occupatie in 1796 woonden daar 250
blanken; in 1807, na tien jaar slechts even onderbroken Engelsch bestuur,
1500 513). Ik geloof dat het Nederland van 1814 geheel onmachtig zou zijn
gebleken, tegelijk deze Engelschen in Demerary weer te overvleugelen en
de Engelschen uit den Maleischen Archipel te werken. Het is voor onze
toekomst een groot voordeel geweest, dat Engeland een stuk van de West
behield en niet de Oost; maar het verval van de West was toen onmogelijk
te voorzien.
Het belang dat Nederland nog bij Demerary had, bestond hierin dat een
goed deel der vóór 1796 reeds bestaande plantages waren verhypothekeerd
aan Amsterdamsche geldschieters, die, ware de kolonie weder Nederlandsch
geworden, het dus wel in de macht zouden hebben gehad, het vervoer der
producten voor een deel naar Nederland te leiden. Doch ook het Engelsche
kapitaal was sedert 1796 in die mate direct bij Demerary betrokken geraakt,
dat het den strijd nimmer zou hebben opgegeven, en het had, door het
overwicht der Engelsche bevolking ginds en de veel hooger ontwikkeling
der Engelsche scheepvaart, de betere kansen vóór zich.
Van Nagell laat de onderhandelingen glippen (hiervóór, bl. 246).—De
koerier die Fagel's schrijven van 30 Juli aan van Nagell overbracht, was een
Engelsche koerier, met dépêches van Castlereagh aan Clancarty belast, die
zich, evenals de Vorst en Falck, te Brussel bevond. De koerier nam zijn weg
over den Haag, om daar Fagel's brief aan van Nagell af te geven, maar had
ook een afschrift daarvan bij zich voor den Vorst, en zou, naar Fagel
meldde, in ieder geval direct van Brussel met het antwoord moeten
Na Storm's tijd (hij vertrok in 1772) is hierin geen verandering gekomen;
eerder is het verergerd.
Het wordt, bij deze wetenschap, beter verklaarbaar, dat Demerary en
Essequebo zoo zonder slag of stoot, in 1781, in 1796, in 1803, aan de
Engelsche krijgsmacht zijn overgegeven, terwijl Suriname, dat zuiver
Nederlandsch was, zich toch altijd nog eenigermate verdedigde. Dat in 1814
Demerary feitelijk geheel Engelsch geweest moet zijn, is reeds af te leiden
uit de bevolkingscijfers van de hoofdplaats Stabroek, in 1812 verdoopt in
Georgetown. Kort vóór de Engelsche occupatie in 1796 woonden daar 250
blanken; in 1807, na tien jaar slechts even onderbroken Engelsch bestuur,
1500 513). Ik geloof dat het Nederland van 1814 geheel onmachtig zou zijn
gebleken, tegelijk deze Engelschen in Demerary weer te overvleugelen en
de Engelschen uit den Maleischen Archipel te werken. Het is voor onze
toekomst een groot voordeel geweest, dat Engeland een stuk van de West
behield en niet de Oost; maar het verval van de West was toen onmogelijk
te voorzien.
Het belang dat Nederland nog bij Demerary had, bestond hierin dat een
goed deel der vóór 1796 reeds bestaande plantages waren verhypothekeerd
aan Amsterdamsche geldschieters, die, ware de kolonie weder Nederlandsch
geworden, het dus wel in de macht zouden hebben gehad, het vervoer der
producten voor een deel naar Nederland te leiden. Doch ook het Engelsche
kapitaal was sedert 1796 in die mate direct bij Demerary betrokken geraakt,
dat het den strijd nimmer zou hebben opgegeven, en het had, door het
overwicht der Engelsche bevolking ginds en de veel hooger ontwikkeling
der Engelsche scheepvaart, de betere kansen vóór zich.
Van Nagell laat de onderhandelingen glippen (hiervóór, bl. 246).—De
koerier die Fagel's schrijven van 30 Juli aan van Nagell overbracht, was een
Engelsche koerier, met dépêches van Castlereagh aan Clancarty belast, die
zich, evenals de Vorst en Falck, te Brussel bevond. De koerier nam zijn weg
over den Haag, om daar Fagel's brief aan van Nagell af te geven, maar had
ook een afschrift daarvan bij zich voor den Vorst, en zou, naar Fagel
meldde, in ieder geval direct van Brussel met het antwoord moeten
Page 322
terugkeeren. De eenige manier dus voor van Nagell om invloed op de
beslissing uit te oefenen, ware geweest onmiddellijk naar Brussel mede te
reizen; hij zendt echter alles aan den Vorst door, „sans se permettre aucune
réflexion” 514) (2 Aug.) en blijft in den Haag. Den 4den schrijft hij dan wel
een langen brief van bezwaar aan den Vorst, maar op denzelfden 4den
Augustus is te Brussel de beslissing reeds gevallen en de koerier met het
door Falck op last van den Vorst gesteld toestemmend antwoord aan Fagel
teruggezonden.
Banka (hiervóór, bl. 247).—Clancarty aan Castlereagh, 4 Aug. 1814: „M.
Falck as well as the Prince is of opinion that the exchange of Cochin for the
island of Banca will be advantageous to the Dutch, but the Secretary of
State doubts (not invidiously however) our title to Banca, and has waited
upon me to enquire upon what it is founded. I have answered him: „upon
unlitigated possession”, which he admits to be sufficient if the fact of
possession is established” 515). Van Deventer 516) en van der Kemp 517)
werpen Falck naar het hoofd, dat hij niet wist dat Banka en Billiton zich bij
contract van 10 Juli 1668 onder de bescherming van het Nederlandsch
gezag hadden gesteld. Clancarty, de Vorst en Falck vormden op 4 Aug.
1814 evenwel geen studieclub ter beoefening van de geschiedenis der O. I.
C., maar een gezelschap dat de voorwaarden besprak waaronder de sedert 1
Jan. 1803 op Nederland veroverde bezittingen zouden worden
teruggegeven. Hieronder vielen nòch Banka nòch Billiton, waar in 1803
geen spoor van Nederlandsche gezagsuitoefening viel te ontdekken. De
Engelschen bezaten beide eilanden krachtens hun contract met den sultan
van Palembang van 17 Mei 1812. Wèl is het een fout geweest, dat niet
gesproken is van „Banka en onderhoorigheden”, zoodat de Engelschen bij
de onderhandeling van 1824 zich nog eene verdienste van hun afzien van
Billiton hebben kunnen maken.
Geschreeuw op de beurs? (hiervóór, bl. 249).—Jawel, want de Engelsche
couranten hadden aanstonds berichten ingehouden, waaruit de afstand van
Demerary, Essequebo en Berbice aan Engeland met genoegzame zekerheid
viel af te leiden. „La nouvelle donnée par le Times”, schrijft Falck aan
beslissing uit te oefenen, ware geweest onmiddellijk naar Brussel mede te
reizen; hij zendt echter alles aan den Vorst door, „sans se permettre aucune
réflexion” 514) (2 Aug.) en blijft in den Haag. Den 4den schrijft hij dan wel
een langen brief van bezwaar aan den Vorst, maar op denzelfden 4den
Augustus is te Brussel de beslissing reeds gevallen en de koerier met het
door Falck op last van den Vorst gesteld toestemmend antwoord aan Fagel
teruggezonden.
Banka (hiervóór, bl. 247).—Clancarty aan Castlereagh, 4 Aug. 1814: „M.
Falck as well as the Prince is of opinion that the exchange of Cochin for the
island of Banca will be advantageous to the Dutch, but the Secretary of
State doubts (not invidiously however) our title to Banca, and has waited
upon me to enquire upon what it is founded. I have answered him: „upon
unlitigated possession”, which he admits to be sufficient if the fact of
possession is established” 515). Van Deventer 516) en van der Kemp 517)
werpen Falck naar het hoofd, dat hij niet wist dat Banka en Billiton zich bij
contract van 10 Juli 1668 onder de bescherming van het Nederlandsch
gezag hadden gesteld. Clancarty, de Vorst en Falck vormden op 4 Aug.
1814 evenwel geen studieclub ter beoefening van de geschiedenis der O. I.
C., maar een gezelschap dat de voorwaarden besprak waaronder de sedert 1
Jan. 1803 op Nederland veroverde bezittingen zouden worden
teruggegeven. Hieronder vielen nòch Banka nòch Billiton, waar in 1803
geen spoor van Nederlandsche gezagsuitoefening viel te ontdekken. De
Engelschen bezaten beide eilanden krachtens hun contract met den sultan
van Palembang van 17 Mei 1812. Wèl is het een fout geweest, dat niet
gesproken is van „Banka en onderhoorigheden”, zoodat de Engelschen bij
de onderhandeling van 1824 zich nog eene verdienste van hun afzien van
Billiton hebben kunnen maken.
Geschreeuw op de beurs? (hiervóór, bl. 249).—Jawel, want de Engelsche
couranten hadden aanstonds berichten ingehouden, waaruit de afstand van
Demerary, Essequebo en Berbice aan Engeland met genoegzame zekerheid
viel af te leiden. „La nouvelle donnée par le Times”, schrijft Falck aan
Page 323
Fagel, 12 Sept. 1814, „de la cession de quelques-unes de nos colonies a fait
à la Bourse d'Amsterdam une plus grande sensation qu'on ne devait attendre
d'un article de gazette. Une députation des principaux intéressés est venue
jusqu'à Bruxelles pour solliciter qu'une cession éventuelle fût du moins
accompagnée de stipulations favorables à leurs intérêts 518)”. Hiertoe strekte
de conventie van 12 Aug. 1815, door Tellegen vermeld hiervóór, bl. 248.
Russische schuld (hiervóór, bl. 250).—Engelands eerste minister tilde
hieraan nog zeer zwaar. „The continuance of the American war 519)”, schrijft
hij 2 Nov. 1814 aan Castlereagh, „will entail upon us a prodigious expense,
much more than we had any idea of; and I cannot, therefore, avoid pressing
upon you the importance of not entailing upon us any part of the Russian
debt to Holland if you can avoid it. Consider only what this charge will be
in addition to our war expenditure and to our pecuniary obligations to
Holland and Sweden. It would be in principle one of the most difficult
questions to defend that ever was brought forward in Parliament. If we had
been in peace with all the world, and the arrangements to be made at Vienna
were likely to contain anything very gratifying to the feelings of this
country, we might have met the question with some degree of confidence;
but as matters now stand, everything that is really valuable will be
considered as having been gained before 520), and we shall be asked
whether we can really meet such a charge in addition to all the burthens
which the American war will bring upon us 521)”.
Of het ook in ons voordeel is geweest dat de koloniën-zaak vóór Weenen
is afgedaan! Daar Rusland van de schuldoverdracht niet afzag en Ruslands
handteekening onvermijdelijk noodig was voor de oprichting van het
Koninkrijk der Nederlanden, zouden wij gevaar geloopen hebben dat in
deze stemming Engeland b.v. ook nog op Suriname aanspraak had gemaakt.
Genoopt was (hiervóór, bl. 252). Engeland behoefde niet meer te worden
genoopt: het had zich verbonden. Wij weten dat Engeland van het begin af
de zaak uit aldus had voorgesteld, dat de teruggave van koloniën, op
Frankrijk, Nederland, Denemarken veroverd, in ruil zou moeten staan
tegenover het verkrijgen eener zoodanige regeling van zaken op het
à la Bourse d'Amsterdam une plus grande sensation qu'on ne devait attendre
d'un article de gazette. Une députation des principaux intéressés est venue
jusqu'à Bruxelles pour solliciter qu'une cession éventuelle fût du moins
accompagnée de stipulations favorables à leurs intérêts 518)”. Hiertoe strekte
de conventie van 12 Aug. 1815, door Tellegen vermeld hiervóór, bl. 248.
Russische schuld (hiervóór, bl. 250).—Engelands eerste minister tilde
hieraan nog zeer zwaar. „The continuance of the American war 519)”, schrijft
hij 2 Nov. 1814 aan Castlereagh, „will entail upon us a prodigious expense,
much more than we had any idea of; and I cannot, therefore, avoid pressing
upon you the importance of not entailing upon us any part of the Russian
debt to Holland if you can avoid it. Consider only what this charge will be
in addition to our war expenditure and to our pecuniary obligations to
Holland and Sweden. It would be in principle one of the most difficult
questions to defend that ever was brought forward in Parliament. If we had
been in peace with all the world, and the arrangements to be made at Vienna
were likely to contain anything very gratifying to the feelings of this
country, we might have met the question with some degree of confidence;
but as matters now stand, everything that is really valuable will be
considered as having been gained before 520), and we shall be asked
whether we can really meet such a charge in addition to all the burthens
which the American war will bring upon us 521)”.
Of het ook in ons voordeel is geweest dat de koloniën-zaak vóór Weenen
is afgedaan! Daar Rusland van de schuldoverdracht niet afzag en Ruslands
handteekening onvermijdelijk noodig was voor de oprichting van het
Koninkrijk der Nederlanden, zouden wij gevaar geloopen hebben dat in
deze stemming Engeland b.v. ook nog op Suriname aanspraak had gemaakt.
Genoopt was (hiervóór, bl. 252). Engeland behoefde niet meer te worden
genoopt: het had zich verbonden. Wij weten dat Engeland van het begin af
de zaak uit aldus had voorgesteld, dat de teruggave van koloniën, op
Frankrijk, Nederland, Denemarken veroverd, in ruil zou moeten staan
tegenover het verkrijgen eener zoodanige regeling van zaken op het
Page 324
continent waarmede Engeland genoegen zou kunnen nemen. Zie hiervóór
bl. 225 het medegedeelde uit Castlereagh's correspondentie met Liverpool.
Wel eens afstel zou kunnen zijn (hiervóór, bl. 256). In het systeem der
Heilige Alliantie, waartoe Engeland na den tweeden vrede van Parijs
toetrad, was voor een bijzondere alliantie tusschen Engeland en Nederland
geen ruimte; zij is dan ook in het geheel niet meer ter sprake gekomen.
bl. 225 het medegedeelde uit Castlereagh's correspondentie met Liverpool.
Wel eens afstel zou kunnen zijn (hiervóór, bl. 256). In het systeem der
Heilige Alliantie, waartoe Engeland na den tweeden vrede van Parijs
toetrad, was voor een bijzondere alliantie tusschen Engeland en Nederland
geen ruimte; zij is dan ook in het geheel niet meer ter sprake gekomen.
Page 325
479) Br. en Ged. IV, 269 (de datum is daar misdrukt tot 25 Nov.).
480) Ged. VI, 1958.
481) Hiervóór, bl. 29.
482) Castlereagh aan Liverpool, 8 Jan. 1814 (Ged. VII, 25); S.
V. aan Hendrik Fagel, 8 Jan. 1814 (Ged. VII).
483) Clancarty aan Castlereagh, 13 Maart 1814 (Ged. VII, 89).
484) Edward Cooke onder-staatssecretaris van buitenlandsche
zaken, aan Lord Castlereagh (17 Febr. 1814): „The cessions will be much
felt, chiefly Demerary and Berbice, which are Anglicized” (Ged. VII, 61).
Lord Liverpool aan Wellington, 23 Sept. 1814: „These settlements are most
valuable to us, not only as they are occupied almost exclusively by British
proprietors, but likewise as they contain the principal cotton establishments
in America for the use of our manufactures” (Ged. VII, 185).
485) Clancarty aan Castlereagh, 17 Juni 1814 (Ged. VII, 150).
486) De instructie zelve is gedrukt bij van der Kemp, Tractaat
1814, bl. 60; de begeleidende missive aldaar, 64.
487) Van der Kemp, Tractaat 1814, bl. 22.
488) De brieven van 15 Juli en 22 Juli 1814 worden afgedrukt in
Ged. VII.
489) I, 256.
490) Historia foederum, § 390.
491) Fagel aan van Nagell, 30 Juli 1814 (Falck's
Gedenkschriften, 354).
492) Van Nagell bij Metelerkamp.
493) Aan Clancarty, 14 Aug. 1814 (Ged. VII, 176).
494) Falck aan D. J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (Brieven no.
105); Falck aan Röell, 20 Aug. 1814 (Falck's Gedenkschriften, 366).
480) Ged. VI, 1958.
481) Hiervóór, bl. 29.
482) Castlereagh aan Liverpool, 8 Jan. 1814 (Ged. VII, 25); S.
V. aan Hendrik Fagel, 8 Jan. 1814 (Ged. VII).
483) Clancarty aan Castlereagh, 13 Maart 1814 (Ged. VII, 89).
484) Edward Cooke onder-staatssecretaris van buitenlandsche
zaken, aan Lord Castlereagh (17 Febr. 1814): „The cessions will be much
felt, chiefly Demerary and Berbice, which are Anglicized” (Ged. VII, 61).
Lord Liverpool aan Wellington, 23 Sept. 1814: „These settlements are most
valuable to us, not only as they are occupied almost exclusively by British
proprietors, but likewise as they contain the principal cotton establishments
in America for the use of our manufactures” (Ged. VII, 185).
485) Clancarty aan Castlereagh, 17 Juni 1814 (Ged. VII, 150).
486) De instructie zelve is gedrukt bij van der Kemp, Tractaat
1814, bl. 60; de begeleidende missive aldaar, 64.
487) Van der Kemp, Tractaat 1814, bl. 22.
488) De brieven van 15 Juli en 22 Juli 1814 worden afgedrukt in
Ged. VII.
489) I, 256.
490) Historia foederum, § 390.
491) Fagel aan van Nagell, 30 Juli 1814 (Falck's
Gedenkschriften, 354).
492) Van Nagell bij Metelerkamp.
493) Aan Clancarty, 14 Aug. 1814 (Ged. VII, 176).
494) Falck aan D. J. van Lennep, 16 Aug. 1814 (Brieven no.
105); Falck aan Röell, 20 Aug. 1814 (Falck's Gedenkschriften, 366).
Page 326
495) Falck's Gedenkschriften, 351.
496) Lagemans I, no. 9.
497) Lagemans I, no. 31.
498) Aan Castlereagh, 13 Maart 1814 (Ged. VII, 89).
499) Tractaat van 19 Mei 1815 (Lagemans, I, no. 27).
500) Stuart, Jaarboeken van 1814, bl. 245.
501) Stuart, bl. 252–253.
502) Ontstaan II, 77.
503) Stuart, 391.—Volgens de Times van 12 Juni 1815 had die
overlegging plaats den 9den Juni.
504) Lagemans, I, no. 28, 27.
505) Lord Castlereagh uit Parijs aan Lord Liverpool, 19 April
1814. (Ged. VII, 108): „I still feel great doubts about the acquisition of so
many Dutch Colonies. I am sure our reputation on the continent, as a
feature of strength, power, and confidence, is of more real moment to us
than an acquisition thus made. The British merchant ought to be satisfied, if
we secure them a direct import. Holland cannot well refuse this, nor
Sweden if she acquires Berbice, which ought to satisfy. More than this I
think Holland ought not to lose, even though compensated on the side of the
Netherlands.”
506) Clancarty aan Castlereagh, 14 Dec. 1813 (Castlereagh's
Corr. IX, 97).—Treitschke (Deutsche Geschichte I, 543) wijst er op, hoe het
„glorreiche Albion” reeds op het congres van Châtillon wist gedaan te
krijgen, dat het zeerecht niet tot een onderwerp van gemeenschappelijk
overleg zou gemaakt worden. Pruisen en Rusland hadden gaarne de
grondbeginselen van een menschelijk zeerecht erkend gezien. Maar hunne
humaniteit zwichtte voor hunne behoefte aan subsidiën van het niet alleen
„glorreiche” maar ook goudrijke Engeland.
507) Lord Liverpool aan Wellington, 23 Sept. 1814: „It would
be desirable to have some producible record that we had offered to France a
496) Lagemans I, no. 9.
497) Lagemans I, no. 31.
498) Aan Castlereagh, 13 Maart 1814 (Ged. VII, 89).
499) Tractaat van 19 Mei 1815 (Lagemans, I, no. 27).
500) Stuart, Jaarboeken van 1814, bl. 245.
501) Stuart, bl. 252–253.
502) Ontstaan II, 77.
503) Stuart, 391.—Volgens de Times van 12 Juni 1815 had die
overlegging plaats den 9den Juni.
504) Lagemans, I, no. 28, 27.
505) Lord Castlereagh uit Parijs aan Lord Liverpool, 19 April
1814. (Ged. VII, 108): „I still feel great doubts about the acquisition of so
many Dutch Colonies. I am sure our reputation on the continent, as a
feature of strength, power, and confidence, is of more real moment to us
than an acquisition thus made. The British merchant ought to be satisfied, if
we secure them a direct import. Holland cannot well refuse this, nor
Sweden if she acquires Berbice, which ought to satisfy. More than this I
think Holland ought not to lose, even though compensated on the side of the
Netherlands.”
506) Clancarty aan Castlereagh, 14 Dec. 1813 (Castlereagh's
Corr. IX, 97).—Treitschke (Deutsche Geschichte I, 543) wijst er op, hoe het
„glorreiche Albion” reeds op het congres van Châtillon wist gedaan te
krijgen, dat het zeerecht niet tot een onderwerp van gemeenschappelijk
overleg zou gemaakt worden. Pruisen en Rusland hadden gaarne de
grondbeginselen van een menschelijk zeerecht erkend gezien. Maar hunne
humaniteit zwichtte voor hunne behoefte aan subsidiën van het niet alleen
„glorreiche” maar ook goudrijke Engeland.
507) Lord Liverpool aan Wellington, 23 Sept. 1814: „It would
be desirable to have some producible record that we had offered to France a
Page 327
pecuniary compensation, or an island, for the immediate abolition of the
Slave Trade. Some such proposition is certainly expected by the
Abolitionists. I have the less disinclination to the offer of an island for this
object, since it has been determined to retain Demerary, Essequibo and
Berbice. The retention of them will add in some degree to the colonial
jealousy which exists on the continent of Great Britain; and I have reason to
believe that the planters and merchants interested in the settlements in
question did not expect that we should keep them. Under these
circumstances, I think we can afford to offer a West India colony for the
accomplishment of an object which the nation has certainly so much at
heart” (Ged. VII, 184).
508) Hendrik Fagel aan den S. V., 12 Aug. 1814: „Le Prince
Régent et Lord Castlereagh me firent remarquer tous les avantages que ce
nouvel Etat va réunir, et dont ce ne sera pas l'une des moindres, qu'étant
pour ainsi dire à la portée de ce pays-ci, l'armée anglaise entière pourra au
besoin s'y porter à la moindre apparence de danger. Lord Castlereagh fit
l'observation que V. A. R. pourrait considérer toute cette armée comme étant
à sa disposition sans être à sa charge”.
509) Hendrik Fagel aan Falck, 13 Aug. 1814: „C'est à son retour
dans ce pays après le congrès de Vienne que Lord Castlereagh propose de
renvoyer la conclusion d'un traité d'alliance entre les deux Etats, un tel
traité, s'il avait lieu dès à présent, pouvant produire des jalousies et des
ombrages qui pourraient être nuisibles aux négociations dont la Hollande et
la Belgique réunies doivent être l'objet au prochain congrès”.
510) Van Kampen, Geschiedenis der Nederlanders buiten
Europa, III (1833), bl. 516.
511) Naar den hoofdinhoud overgedrukt, Ged. VII, 146.
512) Ged. VII, 142 vv.
513) Harris en de Villiers, Storm van 's-Gravesande (London
1911).
514) Falck's Gedenkschriften, 355.
515) Ged. VII, 172.
Slave Trade. Some such proposition is certainly expected by the
Abolitionists. I have the less disinclination to the offer of an island for this
object, since it has been determined to retain Demerary, Essequibo and
Berbice. The retention of them will add in some degree to the colonial
jealousy which exists on the continent of Great Britain; and I have reason to
believe that the planters and merchants interested in the settlements in
question did not expect that we should keep them. Under these
circumstances, I think we can afford to offer a West India colony for the
accomplishment of an object which the nation has certainly so much at
heart” (Ged. VII, 184).
508) Hendrik Fagel aan den S. V., 12 Aug. 1814: „Le Prince
Régent et Lord Castlereagh me firent remarquer tous les avantages que ce
nouvel Etat va réunir, et dont ce ne sera pas l'une des moindres, qu'étant
pour ainsi dire à la portée de ce pays-ci, l'armée anglaise entière pourra au
besoin s'y porter à la moindre apparence de danger. Lord Castlereagh fit
l'observation que V. A. R. pourrait considérer toute cette armée comme étant
à sa disposition sans être à sa charge”.
509) Hendrik Fagel aan Falck, 13 Aug. 1814: „C'est à son retour
dans ce pays après le congrès de Vienne que Lord Castlereagh propose de
renvoyer la conclusion d'un traité d'alliance entre les deux Etats, un tel
traité, s'il avait lieu dès à présent, pouvant produire des jalousies et des
ombrages qui pourraient être nuisibles aux négociations dont la Hollande et
la Belgique réunies doivent être l'objet au prochain congrès”.
510) Van Kampen, Geschiedenis der Nederlanders buiten
Europa, III (1833), bl. 516.
511) Naar den hoofdinhoud overgedrukt, Ged. VII, 146.
512) Ged. VII, 142 vv.
513) Harris en de Villiers, Storm van 's-Gravesande (London
1911).
514) Falck's Gedenkschriften, 355.
515) Ged. VII, 172.
Page 328
516) Ned. Gezag, CCVII.
517) Tractaat 1814, bl. 78.
518) Falck's Gedenkschriften, 366.
519) De vrede van Gent werd geteekend 24 Dec. 1814, maar in
November scheen er op de totstandkoming van dien vrede weinig kans.
520) Ik cursiveer.
521) Ged. VII, 210.
517) Tractaat 1814, bl. 78.
518) Falck's Gedenkschriften, 366.
519) De vrede van Gent werd geteekend 24 Dec. 1814, maar in
November scheen er op de totstandkoming van dien vrede weinig kans.
520) Ik cursiveer.
521) Ged. VII, 210.
Page 329
VIII.
DE INVOERING DER GRONDWET.
Zoo was dan Nederland niet alleen weder
opgenomen in de rij der onafhankelijke volken; het
herrees ook als koloniale mogendheid; ja het was
bovendien zoo goed als verzekerd van een
aanzienlijke uitbreiding van grondgebied. Een gevoel
van verademing, een gevoel van dankbaarheid
doortintelde de geheele natie. „Zij erkende”, zoo
sprak men in die dagen, „in den Vorst den redder
door de Voorzienigheid gegeven. Oranje was het
middenpunt, waarom allen zich schaarden, het eenige
rustpunt, waarop men de toekomst veilig kon te
gemoet zien.” „Onze redding”, riep men uit, „is
volkomen; een algemeene vrede schenkt rust aan de
aarde, opent al onze bronnen van welvaart en
hergeeft ons niet alleen landen sedert twintig jaren
van ons afgescheurd, maar verzekert ons zelfs eene
vermeerdering van grondgebied en macht, waardoor
DE INVOERING DER GRONDWET.
Zoo was dan Nederland niet alleen weder
opgenomen in de rij der onafhankelijke volken; het
herrees ook als koloniale mogendheid; ja het was
bovendien zoo goed als verzekerd van een
aanzienlijke uitbreiding van grondgebied. Een gevoel
van verademing, een gevoel van dankbaarheid
doortintelde de geheele natie. „Zij erkende”, zoo
sprak men in die dagen, „in den Vorst den redder
door de Voorzienigheid gegeven. Oranje was het
middenpunt, waarom allen zich schaarden, het eenige
rustpunt, waarop men de toekomst veilig kon te
gemoet zien.” „Onze redding”, riep men uit, „is
volkomen; een algemeene vrede schenkt rust aan de
aarde, opent al onze bronnen van welvaart en
hergeeft ons niet alleen landen sedert twintig jaren
van ons afgescheurd, maar verzekert ons zelfs eene
vermeerdering van grondgebied en macht, waardoor
Page 330
deze nauwelijks herboren Staat, tot een hoogeren
rang onder de Mogendheden verheven, de krachten
zal erlangen, om dien rang, onder Goddelijken zegen,
tot ons behoud en de rust van Europa met waarde te
handhaven” 522).
Zag de natie alzoo hare wenschen vervuld, niet
minder was dit het geval met den Souvereinen Vorst,
die bovendien in zijne verbeelding zich reeds getooid
zag met de koninklijke kroon. Gelukkig echter voor
hem, dat werken en zwoegen zijn lust en zijn leven
was, want het was er verre van af, dat de tijd van rust
en ontspanning voor hem zou zijn gekomen. Den
29sten Maart 1814 was de Grondwet aangenomen.
Hiermede was het tusschentijdvak van 's Vorsten
onbeperkte heerschappij geëindigd en was de nieuwe
orde van zaken verbindend geworden voor Vorst en
volk. Maar tusschen de vaststelling eener Grondwet
en haar in werking treden ligt nog eene breede kloof.
Het was de taak van den Souvereinen Vorst, dat wat
op het papier stond, te doen overgaan in het leven.
Dat dit zijne taak was, volgde voor een deel uit de
uitdrukkelijke bepalingen der Grondwet. Doch ook
wanneer de Grondwet hierover zweeg, meende de
Souvereine Vorst, dat hij geroepen was om de
maatregelen te nemen en de benoemingen te doen,
rang onder de Mogendheden verheven, de krachten
zal erlangen, om dien rang, onder Goddelijken zegen,
tot ons behoud en de rust van Europa met waarde te
handhaven” 522).
Zag de natie alzoo hare wenschen vervuld, niet
minder was dit het geval met den Souvereinen Vorst,
die bovendien in zijne verbeelding zich reeds getooid
zag met de koninklijke kroon. Gelukkig echter voor
hem, dat werken en zwoegen zijn lust en zijn leven
was, want het was er verre van af, dat de tijd van rust
en ontspanning voor hem zou zijn gekomen. Den
29sten Maart 1814 was de Grondwet aangenomen.
Hiermede was het tusschentijdvak van 's Vorsten
onbeperkte heerschappij geëindigd en was de nieuwe
orde van zaken verbindend geworden voor Vorst en
volk. Maar tusschen de vaststelling eener Grondwet
en haar in werking treden ligt nog eene breede kloof.
Het was de taak van den Souvereinen Vorst, dat wat
op het papier stond, te doen overgaan in het leven.
Dat dit zijne taak was, volgde voor een deel uit de
uitdrukkelijke bepalingen der Grondwet. Doch ook
wanneer de Grondwet hierover zweeg, meende de
Souvereine Vorst, dat hij geroepen was om de
maatregelen te nemen en de benoemingen te doen,
Page 331
noodig voor de invoering der Grondwet. Eene
meening, die geene tegenspraak uitlokte. Ja er was,
zooals wij gezien hebben 523), alle grond om aan te
nemen, dat ook de Notabelen bij de aanneming der
Grondwet van deze voorstelling waren uitgegaan.
Eene gewichtige taak stond alzoo den Souvereinen
Vorst te wachten. Eéne zaak moest allereerst zijne
aandacht trekken. De Grondwet droeg den
Souvereinen Vorst op, te bepalen in welke
hoofdtakken het Staatsbestuur zoude worden
verdeeld; aan te wijzen, welke personen hem bij elk
dier takken ter zijde zouden staan. „De Souvereine
Vorst”, zoo luidde art. 35 der Grondwet, „stelt
ministeriëele Departementen in, benoemt derzelver
hoofden en ontslaat die naar goedvinden”. Aan het
hoofd van den Staat één persoon, de Monarch; aan
het hoofd van elk der onderscheidene takken van
Staatszorg één persoon, de Minister.
Eene inrichting van Staatsbestuur, waaraan wij zoo
gewoon zijn geraakt, dat wij ze ons bijna niet anders
kunnen denken. Toch was ze—wanneer men let op de
organisatie van de Republiek der Vereenigde
Nederlanden, en haar daarmede vergelijkt—eene
nieuwigheid: zoo iets eigen was aan de oude
meening, die geene tegenspraak uitlokte. Ja er was,
zooals wij gezien hebben 523), alle grond om aan te
nemen, dat ook de Notabelen bij de aanneming der
Grondwet van deze voorstelling waren uitgegaan.
Eene gewichtige taak stond alzoo den Souvereinen
Vorst te wachten. Eéne zaak moest allereerst zijne
aandacht trekken. De Grondwet droeg den
Souvereinen Vorst op, te bepalen in welke
hoofdtakken het Staatsbestuur zoude worden
verdeeld; aan te wijzen, welke personen hem bij elk
dier takken ter zijde zouden staan. „De Souvereine
Vorst”, zoo luidde art. 35 der Grondwet, „stelt
ministeriëele Departementen in, benoemt derzelver
hoofden en ontslaat die naar goedvinden”. Aan het
hoofd van den Staat één persoon, de Monarch; aan
het hoofd van elk der onderscheidene takken van
Staatszorg één persoon, de Minister.
Eene inrichting van Staatsbestuur, waaraan wij zoo
gewoon zijn geraakt, dat wij ze ons bijna niet anders
kunnen denken. Toch was ze—wanneer men let op de
organisatie van de Republiek der Vereenigde
Nederlanden, en haar daarmede vergelijkt—eene
nieuwigheid: zoo iets eigen was aan de oude
Page 332
Republiek, het was dit, dat niet alleen het stedelijk,
niet alleen het provinciaal, maar ook het algemeen
bestuur niet geplaatst was in handen van één persoon,
maar in die van een collegie. De Staten-Generaal aan
het hoofd—maar toch staande onder den invloed van
de Staten der gewesten en van de vroedschappen der
steden. Collegiën toegerust met wetgevende en
uitvoerende macht tevens. Onder die Staten-Generaal
stonden voorts collegiën van bestuur alleen, zooals de
vijf Admiraliteiten, de Raad van State, de
Rekenkamer. Dat er, bij de verbrokkeling der
Souvereiniteit, onder de collegiën, die aan het hoofd
stonden, en bij de verdere verdeeling van de
bestuurstaak onder die ondergeschikte collegiën, nog
van het algemeen bestuur iets terecht kwam, was
bijna een wonder in de oogen van den
Raadpensionaris Slingelandt en andere staatslieden
der Republiek. Hogendorp 524), na de revolutie van
1795 nadenkende over die vroegere organisatie, zocht
de verklaring van dat wonder hierin, dat er zeer veel
geschiedde, wat staatsrechtelijk niet was te
verdedigen. Hij spreekt, als van iets onbekend bij de
constitutie, van een geheimen raad van het
bondgenootschap, bestaande uit den Stadhouder, uit
den Raadpensionaris van Holland, uit de ministers of
niet alleen het provinciaal, maar ook het algemeen
bestuur niet geplaatst was in handen van één persoon,
maar in die van een collegie. De Staten-Generaal aan
het hoofd—maar toch staande onder den invloed van
de Staten der gewesten en van de vroedschappen der
steden. Collegiën toegerust met wetgevende en
uitvoerende macht tevens. Onder die Staten-Generaal
stonden voorts collegiën van bestuur alleen, zooals de
vijf Admiraliteiten, de Raad van State, de
Rekenkamer. Dat er, bij de verbrokkeling der
Souvereiniteit, onder de collegiën, die aan het hoofd
stonden, en bij de verdere verdeeling van de
bestuurstaak onder die ondergeschikte collegiën, nog
van het algemeen bestuur iets terecht kwam, was
bijna een wonder in de oogen van den
Raadpensionaris Slingelandt en andere staatslieden
der Republiek. Hogendorp 524), na de revolutie van
1795 nadenkende over die vroegere organisatie, zocht
de verklaring van dat wonder hierin, dat er zeer veel
geschiedde, wat staatsrechtelijk niet was te
verdedigen. Hij spreekt, als van iets onbekend bij de
constitutie, van een geheimen raad van het
bondgenootschap, bestaande uit den Stadhouder, uit
den Raadpensionaris van Holland, uit de ministers of
Page 333
dienaren der Hooge Vergaderingen en Collegiën, en
eindelijk uit eenige voorname leden der Staten-
Generaal en van de groote Hollandsche steden, welke
laatsten, daar zij voortdurend door anderen werden
vervangen, echter in invloed bij al de
eerstgenoemden achterstonden. Zoo stond de
Stadhouder met eenige bekwame ambtenaren
eigenlijk aan het hoofd van dezen Raad. Ja, zegt
Hogendorp, zoo de Raadpensionaris een man van
vernuft en van moed was, kon hij met den
Stadhouder schier alles op zich nemen. En dit
niettegenstaande deze laatste zelfs geene stem had in
de vergadering der Staten-Generaal, en de
Raadpensionaris van Holland niets anders was dan de
dienaar van één lid van het bondgenootschap en een
der gedeputeerden van dit lid in die hoogste
vergadering der Unie: de Staten-Generaal. Al wat
men echter deed, moest nog de sanctie dezer hoogste
Vergadering erlangen of althans door haar niet
worden afgekeurd, van die hoogste Vergadering,
welke op hare beurt weder afhankelijk was van de
zienswijze der provinciale en stedelijke besturen.
Werd nu door de revolutie van 1795, die het
beginsel van staatseenheid invoerde, tevens de
collegiale vorm van bestuur verlaten? Ik spreek hier
eindelijk uit eenige voorname leden der Staten-
Generaal en van de groote Hollandsche steden, welke
laatsten, daar zij voortdurend door anderen werden
vervangen, echter in invloed bij al de
eerstgenoemden achterstonden. Zoo stond de
Stadhouder met eenige bekwame ambtenaren
eigenlijk aan het hoofd van dezen Raad. Ja, zegt
Hogendorp, zoo de Raadpensionaris een man van
vernuft en van moed was, kon hij met den
Stadhouder schier alles op zich nemen. En dit
niettegenstaande deze laatste zelfs geene stem had in
de vergadering der Staten-Generaal, en de
Raadpensionaris van Holland niets anders was dan de
dienaar van één lid van het bondgenootschap en een
der gedeputeerden van dit lid in die hoogste
vergadering der Unie: de Staten-Generaal. Al wat
men echter deed, moest nog de sanctie dezer hoogste
Vergadering erlangen of althans door haar niet
worden afgekeurd, van die hoogste Vergadering,
welke op hare beurt weder afhankelijk was van de
zienswijze der provinciale en stedelijke besturen.
Werd nu door de revolutie van 1795, die het
beginsel van staatseenheid invoerde, tevens de
collegiale vorm van bestuur verlaten? Ik spreek hier
Page 334
niet van de wetgevende macht, die van de
uitvoerende of besturende macht werd gescheiden.
Het is de laatste, die hier ter sprake moet komen.
Werd nu het voorbeeld gevolgd van Noord-Amerika,
en één persoon, de president, aan het hoofd der
uitvoerende macht geplaatst? Evenals de vrees voor
de monarchie in 1795 in Frankrijk geleid had tot de
instelling van het Directoire, zoo was ook hier de
vrees voor het eenhoofdig bestuur levendig en wilde
men van een president niets weten. De uitvoerende
macht werd volgens de staatsregeling van 1798
gesteld in handen van een collegie van 5 leden: het
Uitvoerend Bewind. Met den collegialen vorm van
bestuur werd alzoo niet gebroken. Het moet hierbij
echter worden erkend, dat al de moeilijkheden,
verbonden aan het bestuur van de Unie, niet zoozeer
een gevolg waren van het collegiale van het bestuur,
als van de verbrokkeling van het gezag tusschen de
leden van het bondgenootschap en de daarmede
gepaard gaande onzelfstandigheid van het hoogste
collegie: de Staten-Generaal. Men behoefde die
bezwaren niet meer te duchten, nu het beginsel van
staatseenheid was ingevoerd en de uitvoerende macht
in haar geheel in handen van één collegie geplaatst
was. Doch er waren er, die nog verder wilden gaan.
uitvoerende of besturende macht werd gescheiden.
Het is de laatste, die hier ter sprake moet komen.
Werd nu het voorbeeld gevolgd van Noord-Amerika,
en één persoon, de president, aan het hoofd der
uitvoerende macht geplaatst? Evenals de vrees voor
de monarchie in 1795 in Frankrijk geleid had tot de
instelling van het Directoire, zoo was ook hier de
vrees voor het eenhoofdig bestuur levendig en wilde
men van een president niets weten. De uitvoerende
macht werd volgens de staatsregeling van 1798
gesteld in handen van een collegie van 5 leden: het
Uitvoerend Bewind. Met den collegialen vorm van
bestuur werd alzoo niet gebroken. Het moet hierbij
echter worden erkend, dat al de moeilijkheden,
verbonden aan het bestuur van de Unie, niet zoozeer
een gevolg waren van het collegiale van het bestuur,
als van de verbrokkeling van het gezag tusschen de
leden van het bondgenootschap en de daarmede
gepaard gaande onzelfstandigheid van het hoogste
collegie: de Staten-Generaal. Men behoefde die
bezwaren niet meer te duchten, nu het beginsel van
staatseenheid was ingevoerd en de uitvoerende macht
in haar geheel in handen van één collegie geplaatst
was. Doch er waren er, die nog verder wilden gaan.
Page 335
Er waren er, die, uit een overdreven vrees voor het
eenhoofdig gezag, ook nog den collegialen vorm
wilden toepassen op de dienaren der uitvoerende
macht, bij de verdeeling der verschillende takken van
staatsbestuur. Er waren er, die het uitvoerend bewind
door comités wenschten te zien geadsisteerd. De
meerderheid der Nationale Vergadering verklaarde
zich echter voor ministers. Dit beginsel werd
eveneens in de staatsregeling van 1798 gehuldigd.
Alleen aan het hoofd werd een collegie geplaatst. Het
denkbeeld was, dat dit collegie bedaard, ernstig zou
raadplegen over de te nemen maatregelen, terwijl de
werkelijke uitvoering, de eigenlijke bediening der
uitvoerende macht voor elken hoofdtak van
staatsbestuur zoude worden opgedragen aan één
persoon, aan één minister. Deze had, meende men,
niet te beoordeelen de wijsheid of verkeerdheid van
de maatregelen der uitvoerende macht, hij had ze
alleen uit te voeren in den geest van het collegie.
Voor deze uitvoering nu was het wenschelijk één
persoon voor zich te hebben, zoowel omdat hij
tegenover het uitvoerend bewind zich niet kon
verschuilen achter het scherm van een comité en
alzoo zijne verantwoordelijkheid illusoir zoude
worden, als omdat, waar het op snelheid en
eenhoofdig gezag, ook nog den collegialen vorm
wilden toepassen op de dienaren der uitvoerende
macht, bij de verdeeling der verschillende takken van
staatsbestuur. Er waren er, die het uitvoerend bewind
door comités wenschten te zien geadsisteerd. De
meerderheid der Nationale Vergadering verklaarde
zich echter voor ministers. Dit beginsel werd
eveneens in de staatsregeling van 1798 gehuldigd.
Alleen aan het hoofd werd een collegie geplaatst. Het
denkbeeld was, dat dit collegie bedaard, ernstig zou
raadplegen over de te nemen maatregelen, terwijl de
werkelijke uitvoering, de eigenlijke bediening der
uitvoerende macht voor elken hoofdtak van
staatsbestuur zoude worden opgedragen aan één
persoon, aan één minister. Deze had, meende men,
niet te beoordeelen de wijsheid of verkeerdheid van
de maatregelen der uitvoerende macht, hij had ze
alleen uit te voeren in den geest van het collegie.
Voor deze uitvoering nu was het wenschelijk één
persoon voor zich te hebben, zoowel omdat hij
tegenover het uitvoerend bewind zich niet kon
verschuilen achter het scherm van een comité en
alzoo zijne verantwoordelijkheid illusoir zoude
worden, als omdat, waar het op snelheid en
Page 336
gemakkelijkheid van handelen aankwam, de macht in
handen van één persoon verre de voorkeur verdiende.
Het springt in het oog, dat veel van hetgeen voor het
bestaan van ministers pleitte, ook kon worden
aangevoerd voor de samentrekking der uitvoerende
macht in de handen van één persoon, en dat
omgekeerd zoo aan het hoofd een collegie de
vereischte taak kon verrichten, er ook argumenten
waren aan te voeren voor het collegiaal karakter der
meer ondergeschikte macht. Immers de voorstelling
was eenzijdig, dat alleen op de hoogste sport
deliberatie te pas kwam; ook de handeling van den
minister was in de meeste gevallen niet machinaal.
„Wilde men,” zoo vroeg men in de Nationale
Vergadering, „eene vloot doen uitzeilen, eene armee
doen marcheeren, zonder te overwegen, of de eerste
de noodige victualie en de laatste de vereischte
sterkte had 525)?” Het kon dan ook niet bevreemden,
dat, toen in 1801 de revolutiekoorts had uitgewoed en
er weder heimwee ontstond naar veel van het oude,
ook het nieuwe hoofd der uitvoerende macht: het
Staatsbewind, de vrijheid kreeg, om, met
uitzondering van Buitenlandsche Zaken, zich door
collegiën te laten bijstaan (art. 32). Dit was echter
iets voorbijgaands. Op 't voorbeeld van Frankrijk
handen van één persoon verre de voorkeur verdiende.
Het springt in het oog, dat veel van hetgeen voor het
bestaan van ministers pleitte, ook kon worden
aangevoerd voor de samentrekking der uitvoerende
macht in de handen van één persoon, en dat
omgekeerd zoo aan het hoofd een collegie de
vereischte taak kon verrichten, er ook argumenten
waren aan te voeren voor het collegiaal karakter der
meer ondergeschikte macht. Immers de voorstelling
was eenzijdig, dat alleen op de hoogste sport
deliberatie te pas kwam; ook de handeling van den
minister was in de meeste gevallen niet machinaal.
„Wilde men,” zoo vroeg men in de Nationale
Vergadering, „eene vloot doen uitzeilen, eene armee
doen marcheeren, zonder te overwegen, of de eerste
de noodige victualie en de laatste de vereischte
sterkte had 525)?” Het kon dan ook niet bevreemden,
dat, toen in 1801 de revolutiekoorts had uitgewoed en
er weder heimwee ontstond naar veel van het oude,
ook het nieuwe hoofd der uitvoerende macht: het
Staatsbewind, de vrijheid kreeg, om, met
uitzondering van Buitenlandsche Zaken, zich door
collegiën te laten bijstaan (art. 32). Dit was echter
iets voorbijgaands. Op 't voorbeeld van Frankrijk
Page 337
zette men in 1805 de vrees voor het eenhoofdig
gezag ter zijde. Wanneer nu aan het hoofd der
uitvoerende macht eerst een Raadpensionaris, daarna
in 1806 een erfelijk Koning geplaatst werd, lag het
voor de hand, dat ook de bediening van elk der
onderscheidene deelen der uitvoerende macht aan één
persoon werd opgedragen. Had voorts de
staatsregeling van 1805—evenals die van 1798 en
1801—nog zelve de wijze van verdeeling van het
staatsbestuur geformuleerd (art. 48), koning
Lodewijk besliste zelf over die verdeeling. Hij
benoemde niet alleen zijne ministers, hij bepaalde
ook hun getal en hunne werkzaamheden (art. 27).
Ik keer nu tot 1814 terug. Wat zij in art. 35
opdroeg aan den Souvereinen Vorst, had zich alzoo
uit het staatswezen der Revolutie ontwikkeld en had
onder koning Lodewijk den vorm gekregen, dien het
onderwerp ook nu behield. Toen echter de
Souvereine Vorst tot de uitvoering van art. 35 wilde
overgaan, vond hij geene tabula rasa meer. Hij had te
rekenen met hetgeen er sedert de Novemberdagen
van 1813, sedert de optreding van het Algemeen
Bestuur en zijne daarop gevolgde aanvaarding der
Souvereiniteit, geschied was.
gezag ter zijde. Wanneer nu aan het hoofd der
uitvoerende macht eerst een Raadpensionaris, daarna
in 1806 een erfelijk Koning geplaatst werd, lag het
voor de hand, dat ook de bediening van elk der
onderscheidene deelen der uitvoerende macht aan één
persoon werd opgedragen. Had voorts de
staatsregeling van 1805—evenals die van 1798 en
1801—nog zelve de wijze van verdeeling van het
staatsbestuur geformuleerd (art. 48), koning
Lodewijk besliste zelf over die verdeeling. Hij
benoemde niet alleen zijne ministers, hij bepaalde
ook hun getal en hunne werkzaamheden (art. 27).
Ik keer nu tot 1814 terug. Wat zij in art. 35
opdroeg aan den Souvereinen Vorst, had zich alzoo
uit het staatswezen der Revolutie ontwikkeld en had
onder koning Lodewijk den vorm gekregen, dien het
onderwerp ook nu behield. Toen echter de
Souvereine Vorst tot de uitvoering van art. 35 wilde
overgaan, vond hij geene tabula rasa meer. Hij had te
rekenen met hetgeen er sedert de Novemberdagen
van 1813, sedert de optreding van het Algemeen
Bestuur en zijne daarop gevolgde aanvaarding der
Souvereiniteit, geschied was.
Page 338
Toen Hogendorp en van der Duyn den 21sten
November 1813 het Algemeen Bestuur op zich
hadden genomen, waren door hen den 29sten
November 1813, dus even vóór de terugkomst van
den Prins van Oranje, Commissarissen-Generaal
aangesteld voor financien, binnenlandsche zaken,
oorlog en politie 526). Hunne aandacht was gevallen
op Elias Canneman, Mr. Hendrik van Stralen, B. H.
Bentinck tot Buckhorst en Mr. A. Hoynck van
Papendrecht.
Canneman werd Commissaris-Generaal van
financien. In 1777 in nederigen stand te Amsterdam
geboren, had hij na 1795 de aandacht getrokken van
den financier der Revolutie, Gogel, en was hij in
1798 door dezen, toen Agent of Minister van
financien, tot chef de bureau benoemd. Sedert was hij
door zijne verdiensten tot hoogere betrekkingen
geroepen en diende hij na de inlijving het Keizerrijk
als directeur der belastingen in het departement van
de Monden van de Maas 527). Dit laatste had hem
echter niet belet met Hogendorp bij de omwenteling
gemeene zaak te maken. Hij was immers ook de
steller der proclamatie van 21 November 1813,
waarbij het Algemeen Bestuur de Nederlanders van
den eed van trouw en gehoorzaamheid aan den
November 1813 het Algemeen Bestuur op zich
hadden genomen, waren door hen den 29sten
November 1813, dus even vóór de terugkomst van
den Prins van Oranje, Commissarissen-Generaal
aangesteld voor financien, binnenlandsche zaken,
oorlog en politie 526). Hunne aandacht was gevallen
op Elias Canneman, Mr. Hendrik van Stralen, B. H.
Bentinck tot Buckhorst en Mr. A. Hoynck van
Papendrecht.
Canneman werd Commissaris-Generaal van
financien. In 1777 in nederigen stand te Amsterdam
geboren, had hij na 1795 de aandacht getrokken van
den financier der Revolutie, Gogel, en was hij in
1798 door dezen, toen Agent of Minister van
financien, tot chef de bureau benoemd. Sedert was hij
door zijne verdiensten tot hoogere betrekkingen
geroepen en diende hij na de inlijving het Keizerrijk
als directeur der belastingen in het departement van
de Monden van de Maas 527). Dit laatste had hem
echter niet belet met Hogendorp bij de omwenteling
gemeene zaak te maken. Hij was immers ook de
steller der proclamatie van 21 November 1813,
waarbij het Algemeen Bestuur de Nederlanders van
den eed van trouw en gehoorzaamheid aan den
Page 339
Keizer ontsloeg. Evenmin verhinderde hem de nauwe
betrekking waarin hij stond tot Gogel 528), toen
Intendant-Generaal van financien hier te lande, om
voor Hogendorp een brief te ontwerpen, waarin deze
van Gogel onder inroeping zijner
verantwoordelijkheid aan de Hollandsche Natie
eischte, in dienst van het Algemeen Bestuur over te
gaan 529). Onder deze omstandigheden en bij de
weigering van Gogel om den eed aan den Keizer
gedaan te verbreken, was het niet vreemd, dat
Canneman tot Commissaris-Generaal van financien
benoemd werd: Canneman, die, na Gogel, wegens
zijne kunde wellicht het meest in aanmerking kwam,
en die zich noch door gemoedsbezwaren, noch door
vrees had laten terughouden tot het vestigen der
onafhankelijkheid mede te werken.
Gewichtig was—vooral bij eene ledige schatkist—
het Commissariaat-Generaal van financien. Niet
minder dat voor binnenlandsche zaken. De man, die
hiermede werd belast, Mr. Hendrik van Stralen, was
geen medewerker tot de omwenteling geweest. En dit
niettegenstaande door haar zijne vurigste wenschen
zouden worden vervuld. In 1751 te Hoorn uit eene
patricische familie geboren, behoorde hij met
Hogendorp vóór 1795 tot de meest verkleefde
betrekking waarin hij stond tot Gogel 528), toen
Intendant-Generaal van financien hier te lande, om
voor Hogendorp een brief te ontwerpen, waarin deze
van Gogel onder inroeping zijner
verantwoordelijkheid aan de Hollandsche Natie
eischte, in dienst van het Algemeen Bestuur over te
gaan 529). Onder deze omstandigheden en bij de
weigering van Gogel om den eed aan den Keizer
gedaan te verbreken, was het niet vreemd, dat
Canneman tot Commissaris-Generaal van financien
benoemd werd: Canneman, die, na Gogel, wegens
zijne kunde wellicht het meest in aanmerking kwam,
en die zich noch door gemoedsbezwaren, noch door
vrees had laten terughouden tot het vestigen der
onafhankelijkheid mede te werken.
Gewichtig was—vooral bij eene ledige schatkist—
het Commissariaat-Generaal van financien. Niet
minder dat voor binnenlandsche zaken. De man, die
hiermede werd belast, Mr. Hendrik van Stralen, was
geen medewerker tot de omwenteling geweest. En dit
niettegenstaande door haar zijne vurigste wenschen
zouden worden vervuld. In 1751 te Hoorn uit eene
patricische familie geboren, behoorde hij met
Hogendorp vóór 1795 tot de meest verkleefde
Page 340
aanhangers van het huis van Oranje; evenals
Hogendorp was ook hij aan de zege der Oranjepartij
in 1787 veel verschuldigd. Door de Revolutie van
1795 ambteloos burger geworden, was hij in 1799 bij
den inval der Russen en Engelschen in Noord-
Holland en bij de aankomst van den toenmaligen
Erfprins, de raadsman van dezen geweest, en was het
alleen aan een gelukkige samenloop van
omstandigheden te danken, dat een tegen hem te dier
zake aangevangen strafproces gesmoord werd. Maar
hij was sedert—wat met Hogendorp wel het geval
was—niet ambteloos gebleven; integendeel, met
autorisatie van den voormaligen Stadhouder was hij,
evenals zoovele anderen zijner partijgenooten, in
1802 in den dienst der Bataafsche Republiek
overgegaan. Onder Schimmelpenninck is hij zelfs
Secretaris van Staat voor binnenlandsche zaken.
Lodewijk benoemt hem tot lid van het wetgevend
lichaam; onder het keizerrijk trekt hij een pensioen
van fr. 6000. Hij was voorzeker niet minder dan
Hogendorp gestemd voor de afschudding van het
fransche juk en den terugkeer van het huis van
Oranje. Toch behoorde hij onder dat groote getal van
oud-regenten, die voor eene kloeke daad
terugdeinsden. Zeker niet om gemoedsbezwaren;
Hogendorp was ook hij aan de zege der Oranjepartij
in 1787 veel verschuldigd. Door de Revolutie van
1795 ambteloos burger geworden, was hij in 1799 bij
den inval der Russen en Engelschen in Noord-
Holland en bij de aankomst van den toenmaligen
Erfprins, de raadsman van dezen geweest, en was het
alleen aan een gelukkige samenloop van
omstandigheden te danken, dat een tegen hem te dier
zake aangevangen strafproces gesmoord werd. Maar
hij was sedert—wat met Hogendorp wel het geval
was—niet ambteloos gebleven; integendeel, met
autorisatie van den voormaligen Stadhouder was hij,
evenals zoovele anderen zijner partijgenooten, in
1802 in den dienst der Bataafsche Republiek
overgegaan. Onder Schimmelpenninck is hij zelfs
Secretaris van Staat voor binnenlandsche zaken.
Lodewijk benoemt hem tot lid van het wetgevend
lichaam; onder het keizerrijk trekt hij een pensioen
van fr. 6000. Hij was voorzeker niet minder dan
Hogendorp gestemd voor de afschudding van het
fransche juk en den terugkeer van het huis van
Oranje. Toch behoorde hij onder dat groote getal van
oud-regenten, die voor eene kloeke daad
terugdeinsden. Zeker niet om gemoedsbezwaren;
Page 341
maar de herinnering aan de bange dagen van 1799, de
vrees voor de gevolgen weerhielden den 62-jarigen
man, een werkzaam aandeel aan de omwenteling te
nemen. Dit belette Hogendorp niet, van Stralen, die
in het binnenlandsch bestuur doorkneed was, de
betrekking van Commissaris-Generaal op te
dragen 530).
Wat te zeggen van de Commissarissen voor Oorlog
en de Politie? Minder gewichtig was het ambt van
den laatste. Immers het kon de bedoeling niet zijn, de
geheime politie, onder welke men gedurende de
fransche heerschappij zoo gezucht had, te laten
voortduren; men meende echter, terwijl de vijand nog
in het land was en men wellicht niet overal van den
geest der bevolking zeker was, vooreerst een
algemeenen Commissaris van politie noodig te
hebben. Waarom daartoe Mr. Antony Hoynck van
Papendrecht werd uitgekozen, is mij onbekend.
Gewichtiger dan deze betrekking was voorzeker het
Commissariaat van Oorlog. Deze taak werd aanvaard
door een Overijselsch edelman, B. H. Bentinck van
Buckhorst. Geboren in 1751, page van Willem V,
later officier, in 1795 uitgeweken, in 1801
teruggekeerd, was hij zijne oude liefde voor het huis
van Oranje getrouw gebleven en ontsnapte hij tijdens
vrees voor de gevolgen weerhielden den 62-jarigen
man, een werkzaam aandeel aan de omwenteling te
nemen. Dit belette Hogendorp niet, van Stralen, die
in het binnenlandsch bestuur doorkneed was, de
betrekking van Commissaris-Generaal op te
dragen 530).
Wat te zeggen van de Commissarissen voor Oorlog
en de Politie? Minder gewichtig was het ambt van
den laatste. Immers het kon de bedoeling niet zijn, de
geheime politie, onder welke men gedurende de
fransche heerschappij zoo gezucht had, te laten
voortduren; men meende echter, terwijl de vijand nog
in het land was en men wellicht niet overal van den
geest der bevolking zeker was, vooreerst een
algemeenen Commissaris van politie noodig te
hebben. Waarom daartoe Mr. Antony Hoynck van
Papendrecht werd uitgekozen, is mij onbekend.
Gewichtiger dan deze betrekking was voorzeker het
Commissariaat van Oorlog. Deze taak werd aanvaard
door een Overijselsch edelman, B. H. Bentinck van
Buckhorst. Geboren in 1751, page van Willem V,
later officier, in 1795 uitgeweken, in 1801
teruggekeerd, was hij zijne oude liefde voor het huis
van Oranje getrouw gebleven en ontsnapte hij tijdens
Page 342
de fransche heerschappij alleen door den invloed van
Schimmelpenninck aan eene vervolging wegens eene
geheime briefwisseling met den Prins. Hij behoorde
dan ook tot de eedgenooten, die na den oorlog met
Rusland zich hadden verbonden om voor de
afschudding van het vreemde juk werkzaam te zijn.
Ik vermoed, dat meer de naam en de gezindheid van
Bentinck, dan de kunde van den man de aandacht op
hem hebben doen vestigen.
Zoo vond de Prins den toestand, toen hij den 2den
December 1813 de Souvereiniteit aanvaardde en den
6den December 1813 het bestuur overnam. Hij liet de
titularissen in functie, doch benoemde Hogendorp tot
zijnen Secretaris van Staat voor Buitenlandsche
Zaken, en den 71-jarigen oud-regent Mr. J. C. van der
Hoop tot Commissaris-Generaal voor de Marine.
Vroeger Raad en Advocaat-fiscaal van de
Admiraliteit te Amsterdam, had hij sedert de
revolutie van 1795 zich geheel van het werkzame
leven teruggetrokken. In de Novemberdagen van
1813 ontmoet men hem weder en nu als voorzitter
van het provisioneel bestuur te Amsterdam. Onttrok
hij zich alzoo niet, zooals van Stralen, aan de
beweging, het was niet om de vaan des opstands
omhoog te heffen, integendeel om in een stillen geest
Schimmelpenninck aan eene vervolging wegens eene
geheime briefwisseling met den Prins. Hij behoorde
dan ook tot de eedgenooten, die na den oorlog met
Rusland zich hadden verbonden om voor de
afschudding van het vreemde juk werkzaam te zijn.
Ik vermoed, dat meer de naam en de gezindheid van
Bentinck, dan de kunde van den man de aandacht op
hem hebben doen vestigen.
Zoo vond de Prins den toestand, toen hij den 2den
December 1813 de Souvereiniteit aanvaardde en den
6den December 1813 het bestuur overnam. Hij liet de
titularissen in functie, doch benoemde Hogendorp tot
zijnen Secretaris van Staat voor Buitenlandsche
Zaken, en den 71-jarigen oud-regent Mr. J. C. van der
Hoop tot Commissaris-Generaal voor de Marine.
Vroeger Raad en Advocaat-fiscaal van de
Admiraliteit te Amsterdam, had hij sedert de
revolutie van 1795 zich geheel van het werkzame
leven teruggetrokken. In de Novemberdagen van
1813 ontmoet men hem weder en nu als voorzitter
van het provisioneel bestuur te Amsterdam. Onttrok
hij zich alzoo niet, zooals van Stralen, aan de
beweging, het was niet om de vaan des opstands
omhoog te heffen, integendeel om in een stillen geest
Page 343
werkzaam te zijn tot behoud van orde en rust 531).
Had men, bij de weigerachtigheid van Gogel, tot
Canneman zijne toevlucht moeten nemen, de
halsstarrigheid van den Vice-Admiraal Verhuell in
het getrouw blijven aan den Keizer mag de reden zijn
geweest dat de keuze werd gevestigd op een man,
aanbevelenswaardig, door zijne Oranjegezindheid
zoowel als door zijne vroegere betrekkingen bij de
Marine, maar die in de laatste 18 jaar buiten alle
rechtstreeksche aanraking met dit vak gebleven was.
Alzoo waren de hoofdtakken van Staatsbestuur:
Binnenlandsche Zaken, Financien, Oorlog, Marine,
benevens Politie, elk onder een eigen hoofd gesteld.
Waar bleef de Justitie? De hoogste rechterlijke
ambtenaar hier te lande was Mr. C. F. van Maanen,
de eerste president van het Hoog Gerechtshof, de
man, die hoewel een kind der revolutie, evenals
Gogel, den Keizer met groote toewijding gediend
had.—Van Maanen had tot aan de komst van den
Prins hier te lande van deelneming aan de
omwenteling niets willen weten. Is er in die dagen
recht gesproken, 't moet geweest zijn in naam des
Keizers. Toen de Prins echter den 30sten November
1813 was teruggekomen, volgde het besluit van het
Algemeen Bestuur van 1 December 1813, waarbij al
Had men, bij de weigerachtigheid van Gogel, tot
Canneman zijne toevlucht moeten nemen, de
halsstarrigheid van den Vice-Admiraal Verhuell in
het getrouw blijven aan den Keizer mag de reden zijn
geweest dat de keuze werd gevestigd op een man,
aanbevelenswaardig, door zijne Oranjegezindheid
zoowel als door zijne vroegere betrekkingen bij de
Marine, maar die in de laatste 18 jaar buiten alle
rechtstreeksche aanraking met dit vak gebleven was.
Alzoo waren de hoofdtakken van Staatsbestuur:
Binnenlandsche Zaken, Financien, Oorlog, Marine,
benevens Politie, elk onder een eigen hoofd gesteld.
Waar bleef de Justitie? De hoogste rechterlijke
ambtenaar hier te lande was Mr. C. F. van Maanen,
de eerste president van het Hoog Gerechtshof, de
man, die hoewel een kind der revolutie, evenals
Gogel, den Keizer met groote toewijding gediend
had.—Van Maanen had tot aan de komst van den
Prins hier te lande van deelneming aan de
omwenteling niets willen weten. Is er in die dagen
recht gesproken, 't moet geweest zijn in naam des
Keizers. Toen de Prins echter den 30sten November
1813 was teruggekomen, volgde het besluit van het
Algemeen Bestuur van 1 December 1813, waarbij al
Page 344
de rechterlijke autoriteiten werden ontbonden, doch
te gelijkertijd weder bij provisie in werking gebracht,
om nu in naam der Hooge Overheid in plaats van in
naam des Keizers recht te spreken. Ook van Maanen
ging nu over in dienst van het nieuwe bestuur. Doch
niet alleen dit. Hij kreeg ook van den Souvereinen
Vorst zonder den titel de functie van Minister van
Justitie, zoodat al de voordrachten, het justitiewezen
betreffende, voortaan door hem zouden gedaan
worden 532). Daarentegen werd het afzonderlijke
Departement van Politie na de bevestiging van den
staat van zaken bij besluit van 2 Februari 1814 hier te
lande opgeheven, en de Procureur-Generaal bij het
Hoog Gerechtshof 533) met de zorg voor de Politie
belast 534).
Alzoo was in het tijdvak van December 1813 tot
30 Maart 1814, het gewichtige tusschentijdvak,
waarin de Prins als Souvereine Vorst de onbeperkte
macht uitoefende, het bestuur onder den Vorst
geplaatst in handen van van Hogendorp, van Stralen,
van Maanen, Canneman, Bentinck en van der Hoop.
Naast, zoo niet boven die allen, stond nog A. R.
Falck, die, in 1777 geboren, en dus in 1813 nog
slechts 36 jaren oud, door zijn kloekmoedig gedrag in
de dagen der omwenteling op den voorgrond was
te gelijkertijd weder bij provisie in werking gebracht,
om nu in naam der Hooge Overheid in plaats van in
naam des Keizers recht te spreken. Ook van Maanen
ging nu over in dienst van het nieuwe bestuur. Doch
niet alleen dit. Hij kreeg ook van den Souvereinen
Vorst zonder den titel de functie van Minister van
Justitie, zoodat al de voordrachten, het justitiewezen
betreffende, voortaan door hem zouden gedaan
worden 532). Daarentegen werd het afzonderlijke
Departement van Politie na de bevestiging van den
staat van zaken bij besluit van 2 Februari 1814 hier te
lande opgeheven, en de Procureur-Generaal bij het
Hoog Gerechtshof 533) met de zorg voor de Politie
belast 534).
Alzoo was in het tijdvak van December 1813 tot
30 Maart 1814, het gewichtige tusschentijdvak,
waarin de Prins als Souvereine Vorst de onbeperkte
macht uitoefende, het bestuur onder den Vorst
geplaatst in handen van van Hogendorp, van Stralen,
van Maanen, Canneman, Bentinck en van der Hoop.
Naast, zoo niet boven die allen, stond nog A. R.
Falck, die, in 1777 geboren, en dus in 1813 nog
slechts 36 jaren oud, door zijn kloekmoedig gedrag in
de dagen der omwenteling op den voorgrond was
Page 345
gekomen, en alzoo was geroepen om eerst het
Algemeen Bestuur, later den Souvereinen Vorst als
Secretaris ter zijde te staan, totdat hij 31 December
1813 benoemd werd tot Algemeen Secretaris van
Staat 535), eene betrekking, waarop ik later terugkom.
Welke verandering zoude in dit alles komen door
de uitvoering, die de Souvereine Vorst moest geven
aan art. 35 der Grondwet? Vóór hare aanneming was
die vraag reeds beslist. Immers reeds den 20sten
Maart 1814 wist Mr. H. van Stralen, dat hij het veld
moest ruimen voor een ander, en reeds den 23sten
Maart 1814 was het zeker, wie zijn opvolger zoude
zijn 536). De besluiten van de benoeming der
Ministers dragen echter de dagteekening van 6 April
1814 537). Behalve van Stralen, werden ook
Hogendorp, Canneman en Bentinck door anderen
vervangen. In de inrichting van het Staatsbestuur
kwam overigens geene verandering dan dat de
Waterstaat van het departement van Binnenlandsche
Zaken afgescheiden en een afzonderlijke tak van
bestuur werd, terwijl met het oog op de te verwachten
teruggaaf der Koloniën een nieuw departement voor
Koophandel en Koloniën werd opgericht.
Algemeen Bestuur, later den Souvereinen Vorst als
Secretaris ter zijde te staan, totdat hij 31 December
1813 benoemd werd tot Algemeen Secretaris van
Staat 535), eene betrekking, waarop ik later terugkom.
Welke verandering zoude in dit alles komen door
de uitvoering, die de Souvereine Vorst moest geven
aan art. 35 der Grondwet? Vóór hare aanneming was
die vraag reeds beslist. Immers reeds den 20sten
Maart 1814 wist Mr. H. van Stralen, dat hij het veld
moest ruimen voor een ander, en reeds den 23sten
Maart 1814 was het zeker, wie zijn opvolger zoude
zijn 536). De besluiten van de benoeming der
Ministers dragen echter de dagteekening van 6 April
1814 537). Behalve van Stralen, werden ook
Hogendorp, Canneman en Bentinck door anderen
vervangen. In de inrichting van het Staatsbestuur
kwam overigens geene verandering dan dat de
Waterstaat van het departement van Binnenlandsche
Zaken afgescheiden en een afzonderlijke tak van
bestuur werd, terwijl met het oog op de te verwachten
teruggaaf der Koloniën een nieuw departement voor
Koophandel en Koloniën werd opgericht.
Page 346
Het Staatsbestuur was alsnu op de volgende wijze
verdeeld: Oorlog: Mr. J. H. Mollerus, onder de
opperdirectie van den Erfprins, Generaal en Chef der
Nederlandsche Armee; Buitenlandsche Zaken: A. W.
C. van Nagell tot Ampsen; Marine: Mr. J. C. van der
Hoop; Binnenlandsche Zaken: Mr. W. F. Röell;
Financiën: Mr. C. C. Six tot Oterleek; Koophandel en
Koloniën: G. A. G. P. van der Capellen; Waterstaat:
Mr. O. Repelaer van Driel. De zorg voor de Justitie
bleef opgedragen aan 's Hofs Eersten president,
evenals die voor de Politie aan den procureur-
generaal 538). Falck bleef eveneens Algemeen
Secretaris van Staat.
Er waren er dus, die 't zij door het Algemeen
Bestuur, hetzij door den Souvereinen Vorst benoemd,
niet overgingen in het nieuwe Ministerie. Dat
Hogendorp als Minister van Buitenlandsche Zaken
vervangen werd, laat zich gereedelijk hieruit
verklaren, dat de hem opgedragene betrekking van
vice-president van den Raad van State moeilijk met
het beheer der Buitenlandsche Zaken vereenigbaar
was. Aan Bentinck viel de taak van Minister van
Oorlog te zwaar; hij was dankbaar naar Overijsel,
naar zijn geboorteland te kunnen verhuizen, om
aldaar als Gouverneur aan het hoofd te worden
verdeeld: Oorlog: Mr. J. H. Mollerus, onder de
opperdirectie van den Erfprins, Generaal en Chef der
Nederlandsche Armee; Buitenlandsche Zaken: A. W.
C. van Nagell tot Ampsen; Marine: Mr. J. C. van der
Hoop; Binnenlandsche Zaken: Mr. W. F. Röell;
Financiën: Mr. C. C. Six tot Oterleek; Koophandel en
Koloniën: G. A. G. P. van der Capellen; Waterstaat:
Mr. O. Repelaer van Driel. De zorg voor de Justitie
bleef opgedragen aan 's Hofs Eersten president,
evenals die voor de Politie aan den procureur-
generaal 538). Falck bleef eveneens Algemeen
Secretaris van Staat.
Er waren er dus, die 't zij door het Algemeen
Bestuur, hetzij door den Souvereinen Vorst benoemd,
niet overgingen in het nieuwe Ministerie. Dat
Hogendorp als Minister van Buitenlandsche Zaken
vervangen werd, laat zich gereedelijk hieruit
verklaren, dat de hem opgedragene betrekking van
vice-president van den Raad van State moeilijk met
het beheer der Buitenlandsche Zaken vereenigbaar
was. Aan Bentinck viel de taak van Minister van
Oorlog te zwaar; hij was dankbaar naar Overijsel,
naar zijn geboorteland te kunnen verhuizen, om
aldaar als Gouverneur aan het hoofd te worden
Page 347
geplaatst. Dat van Stralen en Canneman het veld
moesten ruimen, was zeker niet een gevolg hunner
politieke antecedenten, want de eerste was een der
slachtoffers van 1795, de tweede had wel alles aan de
omwenteling te danken, maar hij was in 1795 te jong
om onder de patriotten te kunnen worden gerekend.
In verschil tusschen den Souvereinen Vorst en deze
beide Staatslieden over de beginselen van
Staatsbestuur schijnt de oorzaak te moeten worden
gezocht. Waarom nu juist Mollerus, van Nagell,
Röell, Six, Repelaer en van der Capellen werden
benoemd, lag, behalve in de bekwaamheid en
ondervinding van de meesten hunner, wellicht hierin,
dat met uitzondering van van der Capellen, een loot
uit een aanzienlijk patriottisch geslacht, allen
behoorden tot de oude Oranjepartij, al waren dan ook
slechts twee hunner, van der Hoop en van Nagell, in
de bange jaren 1795–1813 ambteloos gebleven. Dat
de overigen zich hadden verzoend met de
revolutionaire besturen, was echter geen bezwaar,
daar dit geschied was onder uitdrukkelijke of
stilzwijgende goedkeuring van 's Vorsten vader. Bij
allen echter trekt het de aandacht, dat zij zich
kenschetsen door adellijke of patricische geboorte,
van Maanen alleen uitgezonderd, die, evenals
moesten ruimen, was zeker niet een gevolg hunner
politieke antecedenten, want de eerste was een der
slachtoffers van 1795, de tweede had wel alles aan de
omwenteling te danken, maar hij was in 1795 te jong
om onder de patriotten te kunnen worden gerekend.
In verschil tusschen den Souvereinen Vorst en deze
beide Staatslieden over de beginselen van
Staatsbestuur schijnt de oorzaak te moeten worden
gezocht. Waarom nu juist Mollerus, van Nagell,
Röell, Six, Repelaer en van der Capellen werden
benoemd, lag, behalve in de bekwaamheid en
ondervinding van de meesten hunner, wellicht hierin,
dat met uitzondering van van der Capellen, een loot
uit een aanzienlijk patriottisch geslacht, allen
behoorden tot de oude Oranjepartij, al waren dan ook
slechts twee hunner, van der Hoop en van Nagell, in
de bange jaren 1795–1813 ambteloos gebleven. Dat
de overigen zich hadden verzoend met de
revolutionaire besturen, was echter geen bezwaar,
daar dit geschied was onder uitdrukkelijke of
stilzwijgende goedkeuring van 's Vorsten vader. Bij
allen echter trekt het de aandacht, dat zij zich
kenschetsen door adellijke of patricische geboorte,
van Maanen alleen uitgezonderd, die, evenals
Page 348
Canneman, door de revolutie zijn fortuin had
gemaakt.
Bij eene oppervlakkige beschouwing zoude men
meenen, dat ten opzichte van de uitvoering van art.
35 der Grondwet nu alles gezegd was. Immers het
Staatsbestuur was in onderscheidene takken verdeeld
en aan het hoofd van elk dier takken was één persoon
geplaatst. Het gewichtige van een ambt, denkt men
wellicht, is gelegen in de taak er aan verbonden. De
naam, dien het ambt draagt, zal toch wel
onverschillig zijn. Is dit echter wel juist? Ook
volwassen mannen blijven groote kinderen. Men
hecht aan een naam, aan een titel. Zoowel hij die het
ambt bekleedt, als de menigte, die u met dien naam
aanspreekt. En naarmate de macht minder is, is de
behoefte grooter aan pronk en praal. De Ministers
waren volgens de Grondwet van 1814 geen
zelfstandige Staatsdienaren: zij voerden den wil van
den Vorst uit. Het denkbeeld van ministerieele
verantwoordelijkheid in Engelschen zin was vreemd
aan ons land. Zoowel onder de Staatsregelingen der
Bataafsche Republiek, als onder koning Lodewijk
waren de Ministers niets anders geweest dan de
dienaren der uitvoerende macht en jegens die macht
alleen verantwoordelijk. Aan den aard van dit ambt
gemaakt.
Bij eene oppervlakkige beschouwing zoude men
meenen, dat ten opzichte van de uitvoering van art.
35 der Grondwet nu alles gezegd was. Immers het
Staatsbestuur was in onderscheidene takken verdeeld
en aan het hoofd van elk dier takken was één persoon
geplaatst. Het gewichtige van een ambt, denkt men
wellicht, is gelegen in de taak er aan verbonden. De
naam, dien het ambt draagt, zal toch wel
onverschillig zijn. Is dit echter wel juist? Ook
volwassen mannen blijven groote kinderen. Men
hecht aan een naam, aan een titel. Zoowel hij die het
ambt bekleedt, als de menigte, die u met dien naam
aanspreekt. En naarmate de macht minder is, is de
behoefte grooter aan pronk en praal. De Ministers
waren volgens de Grondwet van 1814 geen
zelfstandige Staatsdienaren: zij voerden den wil van
den Vorst uit. Het denkbeeld van ministerieele
verantwoordelijkheid in Engelschen zin was vreemd
aan ons land. Zoowel onder de Staatsregelingen der
Bataafsche Republiek, als onder koning Lodewijk
waren de Ministers niets anders geweest dan de
dienaren der uitvoerende macht en jegens die macht
alleen verantwoordelijk. Aan den aard van dit ambt
Page 349
paste zeer goed de naam van Agent, een naam,
voorkomende in de Staatsregeling van 1798. Ook nog
de naam, gebruikt in de constitutie van 1806, de
naam van Minister; dit beteekent immers dienaar. Of
men zoude ze ook Commissarissen-Generaal hebben
kunnen noemen. De Souvereine Vorst koos echter
een anderen, een meer weidschen titel: den titel van
Secretaris van Staat. Een titel, die niet voor het eerst
hier te lande werd toegekend. Men had reeds in het
ontwerp der Staatsregeling van 1797 deze dienaren
der uitvoerende macht aldus genoemd, doch in de
Staatsregeling van 1798 aan den meer eenvoudigen
naam van agent de voorkeur gegeven. In de
Staatsregelingen van 1801 en 1805 komen die
dienaren echter voor als Secretarissen van Staat. En
zoo had de Souvereine Vorst, zooals wij vroeger
hebben opgemerkt, Hogendorp onder dezen titel aan
het hoofd der Buitenlandsche Zaken geplaatst.
Volgens art. 32 van de Grondwet van 1814 zoude ook
de Vice-President van den Raad van State een
Secretaris van Staat zijn. Een titel, die hooger geacht
werd—zooals ook hieruit blijkt, dat aan Mollerus,
die, omdat hij stond onder den Erfprins, den naam
kreeg van Commissaris-Generaal voor Oorlog,
desniettegenstaande de rang van Secretaris van Staat
voorkomende in de Staatsregeling van 1798. Ook nog
de naam, gebruikt in de constitutie van 1806, de
naam van Minister; dit beteekent immers dienaar. Of
men zoude ze ook Commissarissen-Generaal hebben
kunnen noemen. De Souvereine Vorst koos echter
een anderen, een meer weidschen titel: den titel van
Secretaris van Staat. Een titel, die niet voor het eerst
hier te lande werd toegekend. Men had reeds in het
ontwerp der Staatsregeling van 1797 deze dienaren
der uitvoerende macht aldus genoemd, doch in de
Staatsregeling van 1798 aan den meer eenvoudigen
naam van agent de voorkeur gegeven. In de
Staatsregelingen van 1801 en 1805 komen die
dienaren echter voor als Secretarissen van Staat. En
zoo had de Souvereine Vorst, zooals wij vroeger
hebben opgemerkt, Hogendorp onder dezen titel aan
het hoofd der Buitenlandsche Zaken geplaatst.
Volgens art. 32 van de Grondwet van 1814 zoude ook
de Vice-President van den Raad van State een
Secretaris van Staat zijn. Een titel, die hooger geacht
werd—zooals ook hieruit blijkt, dat aan Mollerus,
die, omdat hij stond onder den Erfprins, den naam
kreeg van Commissaris-Generaal voor Oorlog,
desniettegenstaande de rang van Secretaris van Staat
Page 350
werd toegekend 539). Wanneer nu echter, zooals ik
geloof, die titel zijnen oorsprong vindt in de
Engelsche Monarchie, waar de Secretarissen van
Staat geroepen zijn door hunne mede-onderteekening
aan de handelingen van de Kroon authenticiteit en
kracht te verzekeren, dan betwijfel ik, of wel een van
die Ministers tusschen wie het Staatsbestuur verdeeld
was, recht op dien titel had. Ja ik zoude meenen, dat
dit alleen het geval was met Falck, die, zooals wij
gezien hebben, de betrekking van Algemeen
Secretaris van Staat bekleedde.
Bij deze betrekking wensch ik nu een oogenblik te
blijven stilstaan. Wij vinden haar onder den naam van
Algemeen Secretaris in de Staatsregelingen van 1798
(art. 91) en 1801 (art. 32), en onder dien van
Algemeen Secretaris van Staat in de Staatsregeling
van 1805 (art. 47). Een ambtenaar, die het Uitvoerend
Gezag in zijn geheel ter zijde stond en wiens mede-
onderteekening voor de geldigheid van de akten van
het gouvernement vereischt werd. Wanneer men de
instructie van 1 Mei 1805 naleest, zal men zien, dat
het na den Raadpensionaris het gewichtigste ambt der
Republiek mocht genoemd worden. Mr. C. G.
Hultman bekleedde die betrekking onder de
Staatsregelingen van 1801 en 1805. Toen koning
geloof, die titel zijnen oorsprong vindt in de
Engelsche Monarchie, waar de Secretarissen van
Staat geroepen zijn door hunne mede-onderteekening
aan de handelingen van de Kroon authenticiteit en
kracht te verzekeren, dan betwijfel ik, of wel een van
die Ministers tusschen wie het Staatsbestuur verdeeld
was, recht op dien titel had. Ja ik zoude meenen, dat
dit alleen het geval was met Falck, die, zooals wij
gezien hebben, de betrekking van Algemeen
Secretaris van Staat bekleedde.
Bij deze betrekking wensch ik nu een oogenblik te
blijven stilstaan. Wij vinden haar onder den naam van
Algemeen Secretaris in de Staatsregelingen van 1798
(art. 91) en 1801 (art. 32), en onder dien van
Algemeen Secretaris van Staat in de Staatsregeling
van 1805 (art. 47). Een ambtenaar, die het Uitvoerend
Gezag in zijn geheel ter zijde stond en wiens mede-
onderteekening voor de geldigheid van de akten van
het gouvernement vereischt werd. Wanneer men de
instructie van 1 Mei 1805 naleest, zal men zien, dat
het na den Raadpensionaris het gewichtigste ambt der
Republiek mocht genoemd worden. Mr. C. G.
Hultman bekleedde die betrekking onder de
Staatsregelingen van 1801 en 1805. Toen koning
Page 351
Lodewijk optrad, benoemde hij in zijne plaats onder
den titel van Minister, Secretaris van Staat, Mr. W. F.
Röell, dien wij nu hebben zien optreden als Secretaris
van Staat voor Binnenlandsche Zaken. Het is
opmerkelijk, dat koning Lodewijk langzamerhand
begon te vreezen, door Röell te zullen worden
overschaduwd. Hij vreesde, dat Röell als eerste
minister zoude worden beschouwd, en eerste minister
wenschte hij zelf te zijn. Zoo werd in 1808 na het
aftreden van Röell de heer Appelius, die hem
opvolgde, geen Minister Algemeene Secretaris, maar
Staatsraad-Secretaris des Konings, terwijl na diens
ontslag in 1809 de geheele betrekking verviel en met
een deel der werkzaamheden de Minister van Justitie
en Politie belast werd, terwijl een ander deel werd
opgedragen aan den heer Verheyen, als Eersten
Secretaris van 's Konings Kabinet 540). Toen dit
geschiedde, was Falck, volgens Lodewijk: „un jeune
homme très instruit et d'une grande espérance”,
reeds in betrekking, 't laatst Secretaris-Generaal bij
het Ministerie van Marine en Koloniën. Was het de
herinnering aan hetgeen met Röell was voorgevallen,
die hem in 1813, toen hem dit ambt zou worden
opgedragen, eerst deed terugdeinzen voor den titel
van Algemeen Secretaris van Staat, en hem de
den titel van Minister, Secretaris van Staat, Mr. W. F.
Röell, dien wij nu hebben zien optreden als Secretaris
van Staat voor Binnenlandsche Zaken. Het is
opmerkelijk, dat koning Lodewijk langzamerhand
begon te vreezen, door Röell te zullen worden
overschaduwd. Hij vreesde, dat Röell als eerste
minister zoude worden beschouwd, en eerste minister
wenschte hij zelf te zijn. Zoo werd in 1808 na het
aftreden van Röell de heer Appelius, die hem
opvolgde, geen Minister Algemeene Secretaris, maar
Staatsraad-Secretaris des Konings, terwijl na diens
ontslag in 1809 de geheele betrekking verviel en met
een deel der werkzaamheden de Minister van Justitie
en Politie belast werd, terwijl een ander deel werd
opgedragen aan den heer Verheyen, als Eersten
Secretaris van 's Konings Kabinet 540). Toen dit
geschiedde, was Falck, volgens Lodewijk: „un jeune
homme très instruit et d'une grande espérance”,
reeds in betrekking, 't laatst Secretaris-Generaal bij
het Ministerie van Marine en Koloniën. Was het de
herinnering aan hetgeen met Röell was voorgevallen,
die hem in 1813, toen hem dit ambt zou worden
opgedragen, eerst deed terugdeinzen voor den titel
van Algemeen Secretaris van Staat, en hem de
Page 352
voorkeur deed geven aan dien van Raad-Secretaris?
Falck, wien het meer om de zaak, dan om den titel te
doen was, dacht hierdoor minder naijver op te
wekken; hij meende ook, dat deze naam beter
overeenkwam met de ideeën van eenvoudigheid en
economie, die hij ook elders voortplanten wilde 541).
Onbekend zijn de redenen, die ten slotte toch den titel
van Algemeenen Secretaris van Staat hebben doen
herleven. Hij stond dus in rang met de overige
Ministers gelijk. Het maakt een vreemden indruk,
wanneer wij zien, dat Falck's grootste vereerder dit
ambt beschouwt als eene ondergeschikte
betrekking 542). Het tijdvak 1813–1818, waarin Falck
als zoodanig optreedt, is integendeel het gewichtigste
deel van zijn ambtelijk leven. Want hoewel bij het
ontbreken der ministerieele verantwoordelijkheid, bij
het geheel persoonlijk gouvernement van Willem I de
Algemeene Secretaris in gewichtige zaken niets te
bevelen had, zoo werd hij toch wegens den aard
zijner betrekking in alles gekend, en moesten zijne
inzichten in alle zaken van aanbelang ter kennis van
den Vorst komen. Zoowel in de buitenlandsche als in
de binnenlandsche politiek moest hij meer dan
iemand anders invloed uitoefenen. Hij was toch voor
een groot deel de trechter tusschen den Vorst en zijne
Falck, wien het meer om de zaak, dan om den titel te
doen was, dacht hierdoor minder naijver op te
wekken; hij meende ook, dat deze naam beter
overeenkwam met de ideeën van eenvoudigheid en
economie, die hij ook elders voortplanten wilde 541).
Onbekend zijn de redenen, die ten slotte toch den titel
van Algemeenen Secretaris van Staat hebben doen
herleven. Hij stond dus in rang met de overige
Ministers gelijk. Het maakt een vreemden indruk,
wanneer wij zien, dat Falck's grootste vereerder dit
ambt beschouwt als eene ondergeschikte
betrekking 542). Het tijdvak 1813–1818, waarin Falck
als zoodanig optreedt, is integendeel het gewichtigste
deel van zijn ambtelijk leven. Want hoewel bij het
ontbreken der ministerieele verantwoordelijkheid, bij
het geheel persoonlijk gouvernement van Willem I de
Algemeene Secretaris in gewichtige zaken niets te
bevelen had, zoo werd hij toch wegens den aard
zijner betrekking in alles gekend, en moesten zijne
inzichten in alle zaken van aanbelang ter kennis van
den Vorst komen. Zoowel in de buitenlandsche als in
de binnenlandsche politiek moest hij meer dan
iemand anders invloed uitoefenen. Hij was toch voor
een groot deel de trechter tusschen den Vorst en zijne
Page 353
Ministers; hij is het, die, bij 't overbrengen van 's
Vorsten wil, de pen voert. Ik heb er vroeger op
gewezen 543), hoe, toen in 1814 de onderhandelingen
met Engeland over de teruggaaf der koloniën gevaar
liepen te mislukken, Falck de man was, die den
wagen weder in het rechte spoor bracht. Het was,
althans wat de eerste jaren na 1813 betreft, geene
ijdele lofuiting, dat Willem I, Falck voorstellende aan
Keizer Alexander, tot dezen zeide: „ziehier mijne
rechterhand” 544). Zoo er dus onder de dienaren van
den Vorst iemand was, die aanspraak had op den
weidschen titel van Secretaris van Staat, dan was het
Falck;—Falck, wiens taak het was door mede-
onderteekening aan de handelingen van het
Souverein Gezag authenticiteit te verzekeren; Falck,
die in 't middenpunt van alles stond en dus den gang
van zaken in zijn geheel 't best kon overzien. Of was
dit wellicht ook het geval met de andere Secretarissen
van Staat, had er ook tusschen hen onderlinge
raadpleging plaats? De Staatsregeling van 1798 had
in art. 96 het vormen van een afzonderlijken Raad
door de Agenten uitdrukkelijk verboden; dit nu had
de Grondwet van 1814 niet gedaan. Toch lag een
dergelijke Raad niet in den geest dezer Grondwet. De
Ministers hadden ieder alleen voor zijn eigen
Vorsten wil, de pen voert. Ik heb er vroeger op
gewezen 543), hoe, toen in 1814 de onderhandelingen
met Engeland over de teruggaaf der koloniën gevaar
liepen te mislukken, Falck de man was, die den
wagen weder in het rechte spoor bracht. Het was,
althans wat de eerste jaren na 1813 betreft, geene
ijdele lofuiting, dat Willem I, Falck voorstellende aan
Keizer Alexander, tot dezen zeide: „ziehier mijne
rechterhand” 544). Zoo er dus onder de dienaren van
den Vorst iemand was, die aanspraak had op den
weidschen titel van Secretaris van Staat, dan was het
Falck;—Falck, wiens taak het was door mede-
onderteekening aan de handelingen van het
Souverein Gezag authenticiteit te verzekeren; Falck,
die in 't middenpunt van alles stond en dus den gang
van zaken in zijn geheel 't best kon overzien. Of was
dit wellicht ook het geval met de andere Secretarissen
van Staat, had er ook tusschen hen onderlinge
raadpleging plaats? De Staatsregeling van 1798 had
in art. 96 het vormen van een afzonderlijken Raad
door de Agenten uitdrukkelijk verboden; dit nu had
de Grondwet van 1814 niet gedaan. Toch lag een
dergelijke Raad niet in den geest dezer Grondwet. De
Ministers hadden ieder alleen voor zijn eigen
Page 354
departement te zorgen; zij hadden, elk voor zijn eigen
departement, uitvoering te geven aan de besluiten van
den Vorst. En wanneer Falck spreekt van een
Ministers-Conseil, dan is het een raad, waarin de
Souvereine Vorst presideert 545). Het was, zooals men
het later noemde, een Kabinetsraad. Daarin hadden,
behalve de Ministers, ook andere hooge
Staatsdienaren zitting, althans de Vice-President van
den Raad van State 546). Is er in de eerste jaren reeds
bovendien een Ministerraad geweest? Ik heb daarvan
vóór 1823 geene sporen gevonden 547). Maar dit is
zeker: de taak van dien, 't zij Kabinets-, 't zij
Ministerraad, is in elk geval niet van dien aard
geweest, dat de Ministers daardoor bekend werden
met den gang van het geheele Staatsbestuur. Hoe
weinig de Ministers onder de regeering van Willem I
met de algemeene staatsbelangen bekend waren,
blijkt uit menige omstandigheid. Van Maanen, die
meer dan iemand anders in lateren tijd voor het
regeeringsstelsel van Willem I aansprakelijk werd
gesteld, komt er in 1817 rond voor uit, in de
Financiën onwetender te zijn dan de minste leek, en
schijnt dit zeer natuurlijk te vinden 548). Nog sterker
is hetgeen voorviel met den Minister van
Buitenlandsche Zaken, van Nagell, die, toen in 1818
departement, uitvoering te geven aan de besluiten van
den Vorst. En wanneer Falck spreekt van een
Ministers-Conseil, dan is het een raad, waarin de
Souvereine Vorst presideert 545). Het was, zooals men
het later noemde, een Kabinetsraad. Daarin hadden,
behalve de Ministers, ook andere hooge
Staatsdienaren zitting, althans de Vice-President van
den Raad van State 546). Is er in de eerste jaren reeds
bovendien een Ministerraad geweest? Ik heb daarvan
vóór 1823 geene sporen gevonden 547). Maar dit is
zeker: de taak van dien, 't zij Kabinets-, 't zij
Ministerraad, is in elk geval niet van dien aard
geweest, dat de Ministers daardoor bekend werden
met den gang van het geheele Staatsbestuur. Hoe
weinig de Ministers onder de regeering van Willem I
met de algemeene staatsbelangen bekend waren,
blijkt uit menige omstandigheid. Van Maanen, die
meer dan iemand anders in lateren tijd voor het
regeeringsstelsel van Willem I aansprakelijk werd
gesteld, komt er in 1817 rond voor uit, in de
Financiën onwetender te zijn dan de minste leek, en
schijnt dit zeer natuurlijk te vinden 548). Nog sterker
is hetgeen voorviel met den Minister van
Buitenlandsche Zaken, van Nagell, die, toen in 1818
Page 355
op aandrang der vreemde mogendheden een
wetsontwerp zoude voorgesteld worden tot
beteugeling der drukpers, een paar dagen vóór de
indiening er van aan den Engelschen gezant moest
bekennen, dat hij van dat ontwerp nog niets gezien
had, en dat de geheele zaak, met uitsluiting van ieder
ander, tusschen den Koning en van Maanen was
afgesproken en in orde gebracht 549). Soms wordt een
dergelijke wijze van handelen zelfs van Maanen te
kras, en zoo klaagt hij, als de Belgische Revolutie in
aantocht is, dat de Vorst zijne Ministers niet
bijeenroept tot onderling overleg, zoodat ieder geheel
op zich zelven werkt, en zij niets weten van
elkander 550).
Welk een verschil tusschen den staatsrechtelijken
toestand van de Republiek der Vereenigde
Nederlanden, zonder voldoende kracht in het centrum
en met de verdeeling van macht tusschen allerlei
collegiën, en den toestand, zooals hij door deze
nieuwe orde van zaken werd gevestigd. De Vorst
mocht der Revolutie van 1795 dankbaar zijn, die al
deze hindernissen had opgeruimd en het terrein voor
hem had effen gemaakt. Maar welk een afstand lag er
ook tusschen het tijdvak der Bataafsche Republiek,
toen men uit vrees voor de overmacht van één
wetsontwerp zoude voorgesteld worden tot
beteugeling der drukpers, een paar dagen vóór de
indiening er van aan den Engelschen gezant moest
bekennen, dat hij van dat ontwerp nog niets gezien
had, en dat de geheele zaak, met uitsluiting van ieder
ander, tusschen den Koning en van Maanen was
afgesproken en in orde gebracht 549). Soms wordt een
dergelijke wijze van handelen zelfs van Maanen te
kras, en zoo klaagt hij, als de Belgische Revolutie in
aantocht is, dat de Vorst zijne Ministers niet
bijeenroept tot onderling overleg, zoodat ieder geheel
op zich zelven werkt, en zij niets weten van
elkander 550).
Welk een verschil tusschen den staatsrechtelijken
toestand van de Republiek der Vereenigde
Nederlanden, zonder voldoende kracht in het centrum
en met de verdeeling van macht tusschen allerlei
collegiën, en den toestand, zooals hij door deze
nieuwe orde van zaken werd gevestigd. De Vorst
mocht der Revolutie van 1795 dankbaar zijn, die al
deze hindernissen had opgeruimd en het terrein voor
hem had effen gemaakt. Maar welk een afstand lag er
ook tusschen het tijdvak der Bataafsche Republiek,
toen men uit vrees voor de overmacht van één
Page 356
persoon, van geen president, alleen van een collegie
van bestuur wilde weten, en tusschen dit oogenblik,
toen de geheele macht van bestuur geconcentreerd
werd in één en nog wel in een door het toeval der
geboorte aangewezen persoon? Het waren de gulden
dagen van het monarchaal bijgeloof. Meende men
dan bij de uitoefening van het Staatsbestuur
inderdaad alles aan dien eenen persoon te kunnen
overlaten? Dit te beweren, zoude niet vrij van
overdrijving zijn. Men greep naar een middel, dat,
evenals het ministerieel bestuur, door de Bataafsche
Republiek was in praktijk gebracht. Ik bedoel den
Raad van State. Zoolang de uitvoerende macht aan
één collegie, eerst het Uitvoerend, later het
Staatsbewind (1798, 1801) was toevertrouwd en
onderlinge raadpleging en besluit in een en 't zelfde
lichaam waren vereenigd, zoolang kon geen
afzonderlijke Raad van State te pas komen. Toen
echter in 1805 en 1806 het gouvernement onder
Franschen invloed eenhoofdig werd, werd ook hier
op het voorbeeld van Frankrijk een Staatsraad
ingesteld, ter bevordering van het overleg, dat de
gewichtigste daden van Staatsbestuur behoorde
vooraf te gaan. Een collegie, dat echter niet het
gewicht had, 't welk het in Frankrijk bezat, waar het
van bestuur wilde weten, en tusschen dit oogenblik,
toen de geheele macht van bestuur geconcentreerd
werd in één en nog wel in een door het toeval der
geboorte aangewezen persoon? Het waren de gulden
dagen van het monarchaal bijgeloof. Meende men
dan bij de uitoefening van het Staatsbestuur
inderdaad alles aan dien eenen persoon te kunnen
overlaten? Dit te beweren, zoude niet vrij van
overdrijving zijn. Men greep naar een middel, dat,
evenals het ministerieel bestuur, door de Bataafsche
Republiek was in praktijk gebracht. Ik bedoel den
Raad van State. Zoolang de uitvoerende macht aan
één collegie, eerst het Uitvoerend, later het
Staatsbewind (1798, 1801) was toevertrouwd en
onderlinge raadpleging en besluit in een en 't zelfde
lichaam waren vereenigd, zoolang kon geen
afzonderlijke Raad van State te pas komen. Toen
echter in 1805 en 1806 het gouvernement onder
Franschen invloed eenhoofdig werd, werd ook hier
op het voorbeeld van Frankrijk een Staatsraad
ingesteld, ter bevordering van het overleg, dat de
gewichtigste daden van Staatsbestuur behoorde
vooraf te gaan. Een collegie, dat echter niet het
gewicht had, 't welk het in Frankrijk bezat, waar het
Page 357
niet alleen optrad als adviseur in zaken van bestuur,
maar ook tevens de hoeksteen was der
administratieve rechtspraak, en bovendien een
beslissenden invloed op de samenstelling der wetten
en reglementen uitoefende, ja welks adviezen, mits
door den Keizer goedgekeurd, in rechtskracht de wet
evenaarden. Niet alzoo bij ons. In de constitutie van
1805 en 1806 was het hoofd van het uitvoerend
gezag alleen verplicht het collegie te hooren over
ontwerpen van wet, en was het hooren er van verder
aan zijn goedvinden overgelaten (1805 art. 45; 1806
art. 31). Werd nu het eene of het andere voorbeeld
door de Grondwet van 1814 gevolgd? Ik meen geen
van beide. De Raad van State kreeg een zuiver
adviseerend karakter, en in zoover onderscheidde hij
zich van den Franschen Staatsraad, maar hij moest
gehoord worden over alle daden der Souvereine
waardigheid, en alzoo was zijne taak ruimer dan die
van den Staatsraad onder Schimmelpenninck of
onder koning Lodewijk. Bij het ontbreken der
ministerieele verantwoordelijkheid en in de
vooronderstelling dat een Vorst het goede wil en dat
hij tevens wat goed is, weet te onderscheiden, kon in
een dergelijk collegie voorzeker een waarborg liggen
voor een goed Staatsbestuur, een collegie, dat zijn
maar ook tevens de hoeksteen was der
administratieve rechtspraak, en bovendien een
beslissenden invloed op de samenstelling der wetten
en reglementen uitoefende, ja welks adviezen, mits
door den Keizer goedgekeurd, in rechtskracht de wet
evenaarden. Niet alzoo bij ons. In de constitutie van
1805 en 1806 was het hoofd van het uitvoerend
gezag alleen verplicht het collegie te hooren over
ontwerpen van wet, en was het hooren er van verder
aan zijn goedvinden overgelaten (1805 art. 45; 1806
art. 31). Werd nu het eene of het andere voorbeeld
door de Grondwet van 1814 gevolgd? Ik meen geen
van beide. De Raad van State kreeg een zuiver
adviseerend karakter, en in zoover onderscheidde hij
zich van den Franschen Staatsraad, maar hij moest
gehoord worden over alle daden der Souvereine
waardigheid, en alzoo was zijne taak ruimer dan die
van den Staatsraad onder Schimmelpenninck of
onder koning Lodewijk. Bij het ontbreken der
ministerieele verantwoordelijkheid en in de
vooronderstelling dat een Vorst het goede wil en dat
hij tevens wat goed is, weet te onderscheiden, kon in
een dergelijk collegie voorzeker een waarborg liggen
voor een goed Staatsbestuur, een collegie, dat zijn
Page 358
advies moest geven, voordat de Souvereine Vorst
eenig besluit nam. Was de benoeming der
Secretarissen van Staat eene zaak geweest, die met
nauwgezetheid behoorde te worden behandeld, het
was zeker geen minder gewichtige taak de instructie
voor den Raad van State te ontwerpen en tevens aan
te wijzen, wie in dit collegie zitting zouden nemen.
De instructie werd den 6den April 1814, denzelfden
dag, waarop de ministers benoemd werden,
vastgesteld 551). Zij regelde de wijze van werken van
het collegie en maakte geen inbreuk op het zuiver
adviseerend karakter door de Grondwet daaraan
toegekend. Het zoude den Vorst dienen van
consideratiën en advies over alle stukken en zaken,
door hem aan hetzelve toegezonden (art. 5).
Opmerkelijk alleen is de bepaling van art. 18, waarbij
de Souvereine Vorst zich de bevoegdheid
voorbehield, een of meer leden dienstbaar te maken
aan het Staatsbestuur, door hun de uitvoering van
eene commissie op te dragen; eene taak, die eerder
viel binnen den werkkring der ministers.
Doch, zooals ik reeds heb opgemerkt, het kwam bij
de samenstelling van dezen grondwettigen
regeeringsraad niet minder dan bij de benoeming der
ministers, op de keuze der leden aan. De Souvereine
eenig besluit nam. Was de benoeming der
Secretarissen van Staat eene zaak geweest, die met
nauwgezetheid behoorde te worden behandeld, het
was zeker geen minder gewichtige taak de instructie
voor den Raad van State te ontwerpen en tevens aan
te wijzen, wie in dit collegie zitting zouden nemen.
De instructie werd den 6den April 1814, denzelfden
dag, waarop de ministers benoemd werden,
vastgesteld 551). Zij regelde de wijze van werken van
het collegie en maakte geen inbreuk op het zuiver
adviseerend karakter door de Grondwet daaraan
toegekend. Het zoude den Vorst dienen van
consideratiën en advies over alle stukken en zaken,
door hem aan hetzelve toegezonden (art. 5).
Opmerkelijk alleen is de bepaling van art. 18, waarbij
de Souvereine Vorst zich de bevoegdheid
voorbehield, een of meer leden dienstbaar te maken
aan het Staatsbestuur, door hun de uitvoering van
eene commissie op te dragen; eene taak, die eerder
viel binnen den werkkring der ministers.
Doch, zooals ik reeds heb opgemerkt, het kwam bij
de samenstelling van dezen grondwettigen
regeeringsraad niet minder dan bij de benoeming der
ministers, op de keuze der leden aan. De Souvereine
Page 359
Vorst was hierin niet geheel vrij. Zooveel mogelijk
moesten zij uit al de provinciën of landschappen
gekozen worden, en hun getal mocht dat van 12 niet
te boven gaan. De Souvereine Vorst bepaalde zich
voorshands tot de keuze van elf. Het waren A. F. van
der Duyn van Maasdam, F. S. van Bylandt-Halt, Mr.
C. T. Elout, E. Canneman, J. H. van Lynden van
Lunenburg, W. H. van Hambroick van Weleveld,
Jacob Fagel, Mr. W. Queysen, G. W. J. van
Lamsweerde, E. J. Alberda en S. J. G. J. van
Burmania Rengers.—Althans de meesten hunner
waren slachtoffers geweest van de omwenteling van
1795; onder hen waren echter slechts enkelen, zooals
Jacob Fagel en van der Duyn, die de opvolgende
besturen niet hadden gediend. Dat het behoord
hebben tot de oude Oranjepartij niet een volstrekt
vereischte voor de benoeming was geweest, bewijst
de keuze van den patriot Queysen en van Canneman.
En de keuze van dezen laatste bewijst tevens, dat
oppositie tegen de zienswijze van den Vorst, mits
daarvan slechts niets bleek in 't openbaar, geene
reden was voor volslagen ongenade. Doch behalve
die elf leden, behoorde tot dit collegie ook de vice-
president; 't is waar, de Souvereine Vorst kon zijn
Raad presideeren, maar het zou hem wel niet
moesten zij uit al de provinciën of landschappen
gekozen worden, en hun getal mocht dat van 12 niet
te boven gaan. De Souvereine Vorst bepaalde zich
voorshands tot de keuze van elf. Het waren A. F. van
der Duyn van Maasdam, F. S. van Bylandt-Halt, Mr.
C. T. Elout, E. Canneman, J. H. van Lynden van
Lunenburg, W. H. van Hambroick van Weleveld,
Jacob Fagel, Mr. W. Queysen, G. W. J. van
Lamsweerde, E. J. Alberda en S. J. G. J. van
Burmania Rengers.—Althans de meesten hunner
waren slachtoffers geweest van de omwenteling van
1795; onder hen waren echter slechts enkelen, zooals
Jacob Fagel en van der Duyn, die de opvolgende
besturen niet hadden gediend. Dat het behoord
hebben tot de oude Oranjepartij niet een volstrekt
vereischte voor de benoeming was geweest, bewijst
de keuze van den patriot Queysen en van Canneman.
En de keuze van dezen laatste bewijst tevens, dat
oppositie tegen de zienswijze van den Vorst, mits
daarvan slechts niets bleek in 't openbaar, geene
reden was voor volslagen ongenade. Doch behalve
die elf leden, behoorde tot dit collegie ook de vice-
president; 't is waar, de Souvereine Vorst kon zijn
Raad presideeren, maar het zou hem wel niet
Page 360
mogelijk zijn in de dikwijls te houden vergaderingen
tegenwoordig te zijn. Vandaar dat de Grondwet de
bevoegdheid gaf een vice-president met den titel van
Secretaris van Staat aan te stellen. Ik heb reeds
vroeger er op gewezen, dat aan die bepaling
uitvoering gegeven werd en dat de keuze viel op
Hogendorp. Het was een geniaal en energiek, eer- en
heerschzuchtig man als Gijsbert Karel, de man
bovendien, wiens verdiensten ten opzichte van de
herleving van ons volksbestaan die van alle anderen
in de schaduw stelden; het was dezen niet kwalijk te
nemen, zoo hij er meende aanspraak op te hebben
eene gewichtige plaats in het Nederlandsche
Staatsbestuur in te nemen. Het ambt van
Raadpensionaris, in zijne Schets eener Grondwet
opgenomen, was door het niet overnemen daarvan in
de Grondwet, hem reeds ontgaan. Hij kwam nu aan
het hoofd te staan van den grondwettigen
Regeeringsraad: den Raad van State. Hij werd
bovendien de president van de eerste gewone
vergadering der Staten-Generaal. Hij heeft zich
voorzeker gevleid eene plaats te zullen innemen, die,
zoo zij al niet gelijk stond met die van den
Souvereinen Vorst, toch van eene zelfstandige en
invloedrijke natuur was. Evenals de Vorst gaf ook
tegenwoordig te zijn. Vandaar dat de Grondwet de
bevoegdheid gaf een vice-president met den titel van
Secretaris van Staat aan te stellen. Ik heb reeds
vroeger er op gewezen, dat aan die bepaling
uitvoering gegeven werd en dat de keuze viel op
Hogendorp. Het was een geniaal en energiek, eer- en
heerschzuchtig man als Gijsbert Karel, de man
bovendien, wiens verdiensten ten opzichte van de
herleving van ons volksbestaan die van alle anderen
in de schaduw stelden; het was dezen niet kwalijk te
nemen, zoo hij er meende aanspraak op te hebben
eene gewichtige plaats in het Nederlandsche
Staatsbestuur in te nemen. Het ambt van
Raadpensionaris, in zijne Schets eener Grondwet
opgenomen, was door het niet overnemen daarvan in
de Grondwet, hem reeds ontgaan. Hij kwam nu aan
het hoofd te staan van den grondwettigen
Regeeringsraad: den Raad van State. Hij werd
bovendien de president van de eerste gewone
vergadering der Staten-Generaal. Hij heeft zich
voorzeker gevleid eene plaats te zullen innemen, die,
zoo zij al niet gelijk stond met die van den
Souvereinen Vorst, toch van eene zelfstandige en
invloedrijke natuur was. Evenals de Vorst gaf ook
Page 361
Hogendorp elke week audientie 552). Hij zal echter
spoedig hebben ontwaard, dat er naast Willem I, den
regent door geboorte, voor hem den geboren regent
geene ruimte was. Hij heeft het spoedig moeten
ondervinden, dat aan de bepaling den Raad van State
over alle daden der Souvereine waardigheid te
hooren, de hand niet gehouden werd; dat integendeel
de Souvereine Vorst ten opzichte hiervan naar zijn
welgevallen te werk ging. Over diplomatieke
aangelegenheden werd de Raad van State niet
gehoord; over zaken van specialen aard evenmin.
Wat er overbleef waren zaken van algemeene
strekking, betreffende het binnenlandsch en koloniaal
bestuur 553), en dan waarschijnlijk nog alleen voor
zoover de Souvereine Vorst het oirbaar achtte. Doch
ook al ware aan dit onbeperkte, in de praktijk
moeilijk op te volgen voorschrift de hand gehouden,
zou het de vraag zijn geweest, of Hogendorp zich op
den duur had kunnen schikken in een toestand,
waarin hij toch volgens de Grondwet niets anders kon
zijn dan het invloedrijkste lid van een zuiver
adviseerend collegie, waarin hij alzoo geene actieve
rol konde spelen. Die positie veranderde niet van
aard door zijne deelneming aan den Kabinetsraad,
waarvan hij tevens, zooals wij gezien hebben, lid
spoedig hebben ontwaard, dat er naast Willem I, den
regent door geboorte, voor hem den geboren regent
geene ruimte was. Hij heeft het spoedig moeten
ondervinden, dat aan de bepaling den Raad van State
over alle daden der Souvereine waardigheid te
hooren, de hand niet gehouden werd; dat integendeel
de Souvereine Vorst ten opzichte hiervan naar zijn
welgevallen te werk ging. Over diplomatieke
aangelegenheden werd de Raad van State niet
gehoord; over zaken van specialen aard evenmin.
Wat er overbleef waren zaken van algemeene
strekking, betreffende het binnenlandsch en koloniaal
bestuur 553), en dan waarschijnlijk nog alleen voor
zoover de Souvereine Vorst het oirbaar achtte. Doch
ook al ware aan dit onbeperkte, in de praktijk
moeilijk op te volgen voorschrift de hand gehouden,
zou het de vraag zijn geweest, of Hogendorp zich op
den duur had kunnen schikken in een toestand,
waarin hij toch volgens de Grondwet niets anders kon
zijn dan het invloedrijkste lid van een zuiver
adviseerend collegie, waarin hij alzoo geene actieve
rol konde spelen. Die positie veranderde niet van
aard door zijne deelneming aan den Kabinetsraad,
waarvan hij tevens, zooals wij gezien hebben, lid
Page 362
was. Het zij hoe het zij, spoedig kon het worden
voorzien, dat er eene botsing moest ontstaan tusschen
de beide overheerschende persoonlijkheden, den
Vorst en het hoofd der omwenteling—en dat
Hogendorp voor een meer kneedbaar individu zoude
moeten plaats maken. Zijn presidium der Staten-
Generaal duurt slechts voor ééne zitting; het vice-
presidentschap van den Raad van State overleeft
slechts korten tijd de vereeniging met België; het
houdt op met den herfst van 1816 554). In eene
monarchie als die van Willem I was voor een man als
Hogendorp geene plaats dan in de rijen der oppositie.
Zoo hebben wij dan de aandacht gevestigd op de
benoeming der Ministers en op de samenstelling van
den Raad van State.
Dezelfde 6 April 1814 zoude zich echter hiertoe
niet bepalen. Er werd ook gezorgd voor het bestuur
der deelen. Onder het Fransche régime bestonden
voor de departementen een préfet, een conseil de
préfecture en een conseil général du département 555).
De taak dezer beide collegiën was echter van zeer
ondergeschikten aard. Het geheele bestuur was
toevertrouwd aan den prefect. Onder het Keizerrijk
was Frankrijk een aan de krijgstucht onderworpen
voorzien, dat er eene botsing moest ontstaan tusschen
de beide overheerschende persoonlijkheden, den
Vorst en het hoofd der omwenteling—en dat
Hogendorp voor een meer kneedbaar individu zoude
moeten plaats maken. Zijn presidium der Staten-
Generaal duurt slechts voor ééne zitting; het vice-
presidentschap van den Raad van State overleeft
slechts korten tijd de vereeniging met België; het
houdt op met den herfst van 1816 554). In eene
monarchie als die van Willem I was voor een man als
Hogendorp geene plaats dan in de rijen der oppositie.
Zoo hebben wij dan de aandacht gevestigd op de
benoeming der Ministers en op de samenstelling van
den Raad van State.
Dezelfde 6 April 1814 zoude zich echter hiertoe
niet bepalen. Er werd ook gezorgd voor het bestuur
der deelen. Onder het Fransche régime bestonden
voor de departementen een préfet, een conseil de
préfecture en een conseil général du département 555).
De taak dezer beide collegiën was echter van zeer
ondergeschikten aard. Het geheele bestuur was
toevertrouwd aan den prefect. Onder het Keizerrijk
was Frankrijk een aan de krijgstucht onderworpen
Page 363
leger, gecommandeerd door burgerlijke officieren,
die jegens niemand anders dan jegens den Keizer
plichten te vervullen hadden. Dit gold van de
gemeente, dit gold ook van de departementen. Toen
nu de Franschen waren afgetrokken, werden door den
Souvereinen Vorst Commissarissen-Generaal voor de
departementen aangesteld, die in de plaats traden der
vroegere prefecten. Wat had echter de Grondwet
bepaald? Zij had, in de verte navolgende de Schets
van Hogendorp, aan de deelen zelfbestuur willen
toekennen; maar een zelfbestuur gecontroleerd door
het algemeen bestuur, en, voor zoover het gewestelijk
bestuur belast werd met de behartiging van het
algemeen rijksbelang, handelende naar de zienswijze
van het centraal gezag. Een noodzakelijk gevolg
hiervan was, dat er een ambtenaar des Vorsten in elk
gewest diende te zijn, die kon waken voor de
algemeene belangen. Art. 76 had dan ook, zooals wij
gezien hebben 556), bepaald, dat er in alle provinciën
of landschappen Commissarissen van den
Souvereinen Vorst zouden zijn, op eene instructie
door dezen vast te stellen. Hogendorp had hun in
zijne schets den titel van Stadhouder gegeven. Maar
die naam herinnerde te veel aan het ambt, door de
Prinsen van Oranje zelven bekleed. De Grondwet liet
die jegens niemand anders dan jegens den Keizer
plichten te vervullen hadden. Dit gold van de
gemeente, dit gold ook van de departementen. Toen
nu de Franschen waren afgetrokken, werden door den
Souvereinen Vorst Commissarissen-Generaal voor de
departementen aangesteld, die in de plaats traden der
vroegere prefecten. Wat had echter de Grondwet
bepaald? Zij had, in de verte navolgende de Schets
van Hogendorp, aan de deelen zelfbestuur willen
toekennen; maar een zelfbestuur gecontroleerd door
het algemeen bestuur, en, voor zoover het gewestelijk
bestuur belast werd met de behartiging van het
algemeen rijksbelang, handelende naar de zienswijze
van het centraal gezag. Een noodzakelijk gevolg
hiervan was, dat er een ambtenaar des Vorsten in elk
gewest diende te zijn, die kon waken voor de
algemeene belangen. Art. 76 had dan ook, zooals wij
gezien hebben 556), bepaald, dat er in alle provinciën
of landschappen Commissarissen van den
Souvereinen Vorst zouden zijn, op eene instructie
door dezen vast te stellen. Hogendorp had hun in
zijne schets den titel van Stadhouder gegeven. Maar
die naam herinnerde te veel aan het ambt, door de
Prinsen van Oranje zelven bekleed. De Grondwet liet
Page 364
de keuze van de benaming aan den Vorst zelven over,
en zoo werden zij getooid met den weidschen, ook in
de Republiek der Vereenigde Nederlanden
gebruikelijken titel van Gouverneur. Hoewel de
Grondwet er van zweeg, liet de Souvereine Vorst bij
de vervulling dezer betrekkingen zich zooveel
mogelijk leiden door het beginsel, aan het hoofd van
elke provincie een gewestgenoot te plaatsen. J. C. E.
van Lynden trad op in Gelderland, F. van Leyden van
Westbarendrecht in Zuid-Holland, J. H. Schorer in
Zeeland 557), J. M. van Tuyll van Serooskerken in
Utrecht, I. Aebinga van Humalda in Friesland, B. H.
Bentinck van Buckhorst in Overijsel, G. W. van
Imhoff in Groningen, P. Hofstede in Drente. Alleen
de keuze van Mr. A. W. N. van Tets van Goudriaan,
geboren te Dordrecht, voor Noord-Holland, en die
van Mr. C. G. Hultman, geboren te Zutphen, voor
Brabant, maakten hierop eene uitzondering. Het trekt
de aandacht, dat nog meer dan bij den Raad van State
aanzienlijke geboorte bij de keuze op den voorgrond
heeft gestaan. Niet vreemd, als men in aanmerking
neemt, dat deze Gouverneurs den Vorst in de
provincie moesten vertegenwoordigen.
Ik noem hen vertegenwoordigers van den Vorst.
De residentie kon zich vermeien in al den praal en
en zoo werden zij getooid met den weidschen, ook in
de Republiek der Vereenigde Nederlanden
gebruikelijken titel van Gouverneur. Hoewel de
Grondwet er van zweeg, liet de Souvereine Vorst bij
de vervulling dezer betrekkingen zich zooveel
mogelijk leiden door het beginsel, aan het hoofd van
elke provincie een gewestgenoot te plaatsen. J. C. E.
van Lynden trad op in Gelderland, F. van Leyden van
Westbarendrecht in Zuid-Holland, J. H. Schorer in
Zeeland 557), J. M. van Tuyll van Serooskerken in
Utrecht, I. Aebinga van Humalda in Friesland, B. H.
Bentinck van Buckhorst in Overijsel, G. W. van
Imhoff in Groningen, P. Hofstede in Drente. Alleen
de keuze van Mr. A. W. N. van Tets van Goudriaan,
geboren te Dordrecht, voor Noord-Holland, en die
van Mr. C. G. Hultman, geboren te Zutphen, voor
Brabant, maakten hierop eene uitzondering. Het trekt
de aandacht, dat nog meer dan bij den Raad van State
aanzienlijke geboorte bij de keuze op den voorgrond
heeft gestaan. Niet vreemd, als men in aanmerking
neemt, dat deze Gouverneurs den Vorst in de
provincie moesten vertegenwoordigen.
Ik noem hen vertegenwoordigers van den Vorst.
De residentie kon zich vermeien in al den praal en
Page 365
luister, aan een hofhouding verbonden. Zoude het
voor het monarchaal beginsel niet wenschelijk zijn,
zoo de provincie zich ook kon verheugen in iets dat
op eene hofhouding geleek? Daarom werd de
Gouverneur ruim bezoldigd en bewoonde hij een
paleisje. En in dat paleisje kon men gaan buigen en
met eenigen goeden wil zich inbeelden, dat men ten
hove was. Zoo kon het gebeuren, dat de menigte in
dezen ambtenaar bij voorkeur iemand zag, die door
costuum had te schitteren en door nederbuigende
goedheid de menschen aan zich had te verbinden.
Zoo kon het licht gebeuren, dat men voorbijzag, hoe
deze ambtenaar ook eene gewichtige taak te
verrichten had. Was dit laatste ook den Souvereinen
Vorst bij het vervullen dezer betrekking ontgaan? Ik
meen van neen. Van Imhoff, vóór 1795 oranjeman, in
1813 lid van het Fransche Wetgevend Lichaam, werd
gouverneur van Groningen; Hofstede, eveneens
oranjeman, maar in den Franschen tijd 's Keizers
prefect, werd gouverneur van Drente; Hultman, een
dienaar van de Bataafsche Republiek reeds in hare
eerste jaren, en tot het einde der Fransche
heerschappij eveneens prefect, werd gouverneur van
Brabant. Moet bij deze benoemingen niet hunne
bekwaamheid den doorslag hebben gegeven?
voor het monarchaal beginsel niet wenschelijk zijn,
zoo de provincie zich ook kon verheugen in iets dat
op eene hofhouding geleek? Daarom werd de
Gouverneur ruim bezoldigd en bewoonde hij een
paleisje. En in dat paleisje kon men gaan buigen en
met eenigen goeden wil zich inbeelden, dat men ten
hove was. Zoo kon het gebeuren, dat de menigte in
dezen ambtenaar bij voorkeur iemand zag, die door
costuum had te schitteren en door nederbuigende
goedheid de menschen aan zich had te verbinden.
Zoo kon het licht gebeuren, dat men voorbijzag, hoe
deze ambtenaar ook eene gewichtige taak te
verrichten had. Was dit laatste ook den Souvereinen
Vorst bij het vervullen dezer betrekking ontgaan? Ik
meen van neen. Van Imhoff, vóór 1795 oranjeman, in
1813 lid van het Fransche Wetgevend Lichaam, werd
gouverneur van Groningen; Hofstede, eveneens
oranjeman, maar in den Franschen tijd 's Keizers
prefect, werd gouverneur van Drente; Hultman, een
dienaar van de Bataafsche Republiek reeds in hare
eerste jaren, en tot het einde der Fransche
heerschappij eveneens prefect, werd gouverneur van
Brabant. Moet bij deze benoemingen niet hunne
bekwaamheid den doorslag hebben gegeven?
Page 366
Tot dusver heb ik gehandeld over de invoering der
Grondwet, voor zoover die, volgens uitdrukkelijke
bepalingen, aan den Souvereinen Vorst was
opgedragen. Doch er waren andere keuzen te doen,
waarbij dit niet het geval was. De collegiën moesten
worden samengesteld, die, nog meer dan de Raad van
State, de waarborg moesten zijn voor een goed
staatsbestuur. Allereerst komen in aanmerking de
Staten-Generaal. Niet de Staten-Generaal van
voorheen, niet meer de afgezanten der Souvereine
gewesten, maar eene vergadering, door welker
oprichting geofferd werd aan de goden van den
nieuwen tijd. Eene vergadering, die evenals het
hoogste collegie in de staatsregeling van 1798, het
volk zoude vertegenwoordigen, en welker leden
eveneens vrij en onafhankelijk zouden zijn in het
uitbrengen hunner stem (art. 52, 62). Zonder haar
zouden geene wetten worden vastgesteld; met haar
zouden de financiën worden geregeld (art. 46, 70,
72). Bij de samenstelling van dit lichaam kwam het
dus op personen aan, die het vertrouwen des volks,
juist niet dat des Vorsten, genoten. De Grondwet had
de keuze aan de Staten der gewesten opgedragen.
Maar deze Staten moesten nog geboren worden. Wie
zoude nu de eerste keuze doen? Zoo er nog eenig
Grondwet, voor zoover die, volgens uitdrukkelijke
bepalingen, aan den Souvereinen Vorst was
opgedragen. Doch er waren andere keuzen te doen,
waarbij dit niet het geval was. De collegiën moesten
worden samengesteld, die, nog meer dan de Raad van
State, de waarborg moesten zijn voor een goed
staatsbestuur. Allereerst komen in aanmerking de
Staten-Generaal. Niet de Staten-Generaal van
voorheen, niet meer de afgezanten der Souvereine
gewesten, maar eene vergadering, door welker
oprichting geofferd werd aan de goden van den
nieuwen tijd. Eene vergadering, die evenals het
hoogste collegie in de staatsregeling van 1798, het
volk zoude vertegenwoordigen, en welker leden
eveneens vrij en onafhankelijk zouden zijn in het
uitbrengen hunner stem (art. 52, 62). Zonder haar
zouden geene wetten worden vastgesteld; met haar
zouden de financiën worden geregeld (art. 46, 70,
72). Bij de samenstelling van dit lichaam kwam het
dus op personen aan, die het vertrouwen des volks,
juist niet dat des Vorsten, genoten. De Grondwet had
de keuze aan de Staten der gewesten opgedragen.
Maar deze Staten moesten nog geboren worden. Wie
zoude nu de eerste keuze doen? Zoo er nog eenig
Page 367
bewijs voor het gemis van alle publiek leven noodig
was, het zou wel dit zijn, dat de Vorst zich bij het
zwijgen der Grondwet geroepen achtte de eerste
keuze te doen, en dat dit denkbeeld bij niemand
eenige afkeuring ontmoette. Hoe heeft nu Willem I
die taak vervuld? Welke leidende beginselen zijn bij
deze keuze gevolgd? Wij vinden onder de leden
Hogendorp, die moeilijk kon worden voorbijgegaan.
Wij vinden er onder vier leden der
grondwetcommissie: van Aylva, van Heerdt, van
Lynden tot Blitterswijk, van Tuyll van Serooskerken.
Ook de overige leden zijn bijna allen mannen van
aanzienlijke geboorte, die een jaar later op de lijst der
edelen staan geboekt. Het was menschelijk, dat de
Vorst hierop meer lette dan op kunde en
zelfstandigheid. Men beschouwde die benoeming dan
ook als de ontvangst eener weldaad. Het was een
begeerlijk baantje. Versierd met den titel van
Edelmogende, begiftigd met eene bezoldiging van
ƒ 2500, had men niets anders te doen, dan een paar
maanden des jaars genoegelijk in de residentie door
te brengen. Toen van Stralen de portefeuille van
Binnenlandsche Zaken moest vaarwel zeggen,
verkreeg hij als pleister op de wonde eene plaats in 't
gerechtshof voor zijnen zoon, een pensioen van
was, het zou wel dit zijn, dat de Vorst zich bij het
zwijgen der Grondwet geroepen achtte de eerste
keuze te doen, en dat dit denkbeeld bij niemand
eenige afkeuring ontmoette. Hoe heeft nu Willem I
die taak vervuld? Welke leidende beginselen zijn bij
deze keuze gevolgd? Wij vinden onder de leden
Hogendorp, die moeilijk kon worden voorbijgegaan.
Wij vinden er onder vier leden der
grondwetcommissie: van Aylva, van Heerdt, van
Lynden tot Blitterswijk, van Tuyll van Serooskerken.
Ook de overige leden zijn bijna allen mannen van
aanzienlijke geboorte, die een jaar later op de lijst der
edelen staan geboekt. Het was menschelijk, dat de
Vorst hierop meer lette dan op kunde en
zelfstandigheid. Men beschouwde die benoeming dan
ook als de ontvangst eener weldaad. Het was een
begeerlijk baantje. Versierd met den titel van
Edelmogende, begiftigd met eene bezoldiging van
ƒ 2500, had men niets anders te doen, dan een paar
maanden des jaars genoegelijk in de residentie door
te brengen. Toen van Stralen de portefeuille van
Binnenlandsche Zaken moest vaarwel zeggen,
verkreeg hij als pleister op de wonde eene plaats in 't
gerechtshof voor zijnen zoon, een pensioen van
Page 368
ƒ 3000 en het lidmaatschap van de Staten-Generaal
voor zich zelven. Hij betuigt aan den Souvereinen
Vorst, dat door het een zoowel als door het ander de
dankbaarheid en verplichting jegens dezen
vermeerderd zijn 558). Het was dan ook te
verwachten, dat dit collegie den Souvereinen Vorst
geene bezwaren in den weg zou leggen. Is die
verwachting beschaamd? De Staten-Generaal
vergaderden achter gesloten deuren; hierdoor wordt
het moeilijk een juist oordeel over dit lichaam te
vellen. Mij is echter niet bekend, dat het ooit eene
wet heeft afgestemd, terwijl de stormpas, waarmede
de gewichtigste ontwerpen werden aangenomen, doet
vermoeden, dat er weinig kracht in dit collegie zat.
Een sterk sprekend voorbeeld van zijne
volgzaamheid vindt men in de regeling der Nationale
Schuld; eene regeling, waardoor onze financiën voor
eeuwen zouden worden verbonden. Den 6den Mei
1814 werd het ontwerp ingediend; den 14den Mei
verscheen het als wet in het Staatsblad. Dat het een
collegie was, zooals een Vorst die zelf in alles zijn zin
wilde hebben zich zoude wenschen, wordt bevestigd
door het oordeel, dat een jaar later door Falck is
uitgesproken. Toen tengevolge der vereeniging met
België het tweekamerstelsel werd ingevoerd, en de
voor zich zelven. Hij betuigt aan den Souvereinen
Vorst, dat door het een zoowel als door het ander de
dankbaarheid en verplichting jegens dezen
vermeerderd zijn 558). Het was dan ook te
verwachten, dat dit collegie den Souvereinen Vorst
geene bezwaren in den weg zou leggen. Is die
verwachting beschaamd? De Staten-Generaal
vergaderden achter gesloten deuren; hierdoor wordt
het moeilijk een juist oordeel over dit lichaam te
vellen. Mij is echter niet bekend, dat het ooit eene
wet heeft afgestemd, terwijl de stormpas, waarmede
de gewichtigste ontwerpen werden aangenomen, doet
vermoeden, dat er weinig kracht in dit collegie zat.
Een sterk sprekend voorbeeld van zijne
volgzaamheid vindt men in de regeling der Nationale
Schuld; eene regeling, waardoor onze financiën voor
eeuwen zouden worden verbonden. Den 6den Mei
1814 werd het ontwerp ingediend; den 14den Mei
verscheen het als wet in het Staatsblad. Dat het een
collegie was, zooals een Vorst die zelf in alles zijn zin
wilde hebben zich zoude wenschen, wordt bevestigd
door het oordeel, dat een jaar later door Falck is
uitgesproken. Toen tengevolge der vereeniging met
België het tweekamerstelsel werd ingevoerd, en de
Page 369
keuze der Tweede Kamer voor de eerste reis ook
weder aan den Koning was toevertrouwd, verzocht
Falck zijnen vriend D. J. van Lennep hem eenige
knappe lieden op te geven, die hij den Koning kon
aanbevelen, lieden, die niet alleen in naam het volk
vertegenwoordigden, zooals „de zwijgende Staten-
Generaal”, waarvan men toen stond afscheid te
nemen. „Patriciërs”, zegt Falck, „zijn er genoeg, en
ook adellijken. Op Plebejers komt het aan, of ten
minste op menschen, die het volk kennen en van
hetzelve gekend worden” 559).
Zoo werd door Falck de volksvertegenwoordiging
geteekend, waarmede Willem I zijne regeering
aanving.
Wat er, met deze inzichten, van de besturen, van de
vertegenwoordiging der deelen worden zou, valt
gemakkelijk te gissen. Ook de eerste keuze van de
Provinciale Staten ging eveneens—hoewel 't niet was
bepaald—van den Vorst uit. Eerst met 1817 zoude
toch het beginsel van verkiezing door
Ridderschappen, stedelijke besturen en eigenerfden
of landeigenaren beginnen te werken 560). Hier kon
dus de Vorst een nog grooter aantal zijner onderdanen
door dankbaarheid aan zich verbinden. Hetzelfde was
weder aan den Koning was toevertrouwd, verzocht
Falck zijnen vriend D. J. van Lennep hem eenige
knappe lieden op te geven, die hij den Koning kon
aanbevelen, lieden, die niet alleen in naam het volk
vertegenwoordigden, zooals „de zwijgende Staten-
Generaal”, waarvan men toen stond afscheid te
nemen. „Patriciërs”, zegt Falck, „zijn er genoeg, en
ook adellijken. Op Plebejers komt het aan, of ten
minste op menschen, die het volk kennen en van
hetzelve gekend worden” 559).
Zoo werd door Falck de volksvertegenwoordiging
geteekend, waarmede Willem I zijne regeering
aanving.
Wat er, met deze inzichten, van de besturen, van de
vertegenwoordiging der deelen worden zou, valt
gemakkelijk te gissen. Ook de eerste keuze van de
Provinciale Staten ging eveneens—hoewel 't niet was
bepaald—van den Vorst uit. Eerst met 1817 zoude
toch het beginsel van verkiezing door
Ridderschappen, stedelijke besturen en eigenerfden
of landeigenaren beginnen te werken 560). Hier kon
dus de Vorst een nog grooter aantal zijner onderdanen
door dankbaarheid aan zich verbinden. Hetzelfde was
Page 370
het geval met de samenstelling der Ridderschappen
en met de eerste vervulling der stedelijke besturen, ja
met de eerste benoeming der kiezers voor den
stedelijken raad. Dat de Vorst dit alles deed, sprak,
meende men, van zelf 561).
Dat men alzoo niet alleen de benoeming van
griffier als eene gunst beschouwde, maar eveneens
het lidmaatschap zelf, blijkt uit de menigte
rekwesten, ingekomen om lid der Staten, om
Gedeputeerde Staat te worden 562). De nieuw
benoemde Gouverneurs waren de mannen, die
hierover den Minister van Binnenlandsche Zaken
moesten adviseeren. Wanneer men nu op de personen
let, die tot Gouverneur benoemd waren, dan is het
natuurlijk, dat men in de Provinciale Staten dezelfde
klasse in hoofdzaak zou zien vertegenwoordigd, die
de grondstof voor de Staten-Generaal had
opgeleverd. Men werd door gunst vertegenwoordiger
der Provincie, ja zelfs erlangde men langs dezen weg
het bezoldigde ambt van Gedeputeerden Staat. Van
dergelijke collegiën was wel volgzaamheid, geene
zelfstandigheid te verwachten, en zoo laat het zich
dan ook verklaren, dat de kiemen van zelfregeering
der deelen in de Grondwet van 1814 nedergelegd, en
en met de eerste vervulling der stedelijke besturen, ja
met de eerste benoeming der kiezers voor den
stedelijken raad. Dat de Vorst dit alles deed, sprak,
meende men, van zelf 561).
Dat men alzoo niet alleen de benoeming van
griffier als eene gunst beschouwde, maar eveneens
het lidmaatschap zelf, blijkt uit de menigte
rekwesten, ingekomen om lid der Staten, om
Gedeputeerde Staat te worden 562). De nieuw
benoemde Gouverneurs waren de mannen, die
hierover den Minister van Binnenlandsche Zaken
moesten adviseeren. Wanneer men nu op de personen
let, die tot Gouverneur benoemd waren, dan is het
natuurlijk, dat men in de Provinciale Staten dezelfde
klasse in hoofdzaak zou zien vertegenwoordigd, die
de grondstof voor de Staten-Generaal had
opgeleverd. Men werd door gunst vertegenwoordiger
der Provincie, ja zelfs erlangde men langs dezen weg
het bezoldigde ambt van Gedeputeerden Staat. Van
dergelijke collegiën was wel volgzaamheid, geene
zelfstandigheid te verwachten, en zoo laat het zich
dan ook verklaren, dat de kiemen van zelfregeering
der deelen in de Grondwet van 1814 nedergelegd, en
Page 371
in die van 1815 overgenomen, eerst in veel lateren
tijd, vooral na 1848, tot wasdom zijn gekomen.
Vóór het einde van 1814 was het groote werk
volbracht. De Grondwet van 1814 was zoowel wat
betreft het algemeen bestuur, als dat der deelen,
ingevoerd. Er was niet alleen eene uitvoerende of
besturende macht, er was ook eene
vertegenwoordiging van Rijk, Provincie en Stad—al
was het er ook eene, die gekozen was door hen, wien
zij geroepen was te controleeren. Dit was vreemd,
maar 't was nu eenmaal niet anders, en wie vond er
eenig bezwaar in? Evenmin was dit het geval met de
samenstelling der Rekenkamer, het collegie, dat
waken moest tegen financieel wanbeheer. Zoo ergens
zelfstandigheid tegenover de Regeering een eerste
vereischte was, 't was voorzeker hier.
Overeenkomstig art. 120 der Grondwet zoude de
Souvereine Vorst dan ook de leden van dit collegie
kiezen uit eene door de Staten-Generaal op te maken
nominatie. Toch werd voor de eerste samenstelling
van dit collegie geene nominatie opgemaakt. Waarom
niet? Omdat de Grondwet in art. 120 alleen van
nominatie bij eene vacature gesproken had; hier nu
was geene vacature—er kwam een geheel nieuw
collegie. Dit was nu de reden dat, niettegenstaande de
tijd, vooral na 1848, tot wasdom zijn gekomen.
Vóór het einde van 1814 was het groote werk
volbracht. De Grondwet van 1814 was zoowel wat
betreft het algemeen bestuur, als dat der deelen,
ingevoerd. Er was niet alleen eene uitvoerende of
besturende macht, er was ook eene
vertegenwoordiging van Rijk, Provincie en Stad—al
was het er ook eene, die gekozen was door hen, wien
zij geroepen was te controleeren. Dit was vreemd,
maar 't was nu eenmaal niet anders, en wie vond er
eenig bezwaar in? Evenmin was dit het geval met de
samenstelling der Rekenkamer, het collegie, dat
waken moest tegen financieel wanbeheer. Zoo ergens
zelfstandigheid tegenover de Regeering een eerste
vereischte was, 't was voorzeker hier.
Overeenkomstig art. 120 der Grondwet zoude de
Souvereine Vorst dan ook de leden van dit collegie
kiezen uit eene door de Staten-Generaal op te maken
nominatie. Toch werd voor de eerste samenstelling
van dit collegie geene nominatie opgemaakt. Waarom
niet? Omdat de Grondwet in art. 120 alleen van
nominatie bij eene vacature gesproken had; hier nu
was geene vacature—er kwam een geheel nieuw
collegie. Dit was nu de reden dat, niettegenstaande de
Page 372
Staten-Generaal er reeds waren, de wet van 9 Juli
1814 (Staatsblad no. 76) den Vorst voor de eerste
benoeming aan geene nominatie bond. Evenmin
geschiedde dit met de eerste benoeming van Raden
en Generaalmeesters van de Munt, voor wie art. 119
der Grondwet hetzelfde had bepaald. Ook hier gaf de
wet van 11 Juli 1814 (Staatsblad no. 78) voor de
eerste benoeming de vrije keus aan den Souvereinen
Vorst.
Ik zoude hier mijne beschouwingen over de
maatregelen genomen ter invoering der Grondwet
van 1814 kunnen eindigen, ware het niet, dat de adel
een aandeel aan het Staatsbestuur zoude hebben, en
dat dus over de organisatie dezer instelling een woord
dient gezegd te worden. Uitdrukkelijk, zooals vroeger
reeds is vermeld 563), had de Grondwet in art. 58
bepaald, dat het aan den Souvereinen Vorst bleef
voorbehouden eene wet voor te dragen, waardoor aan
de edelen of Ridderschappen een evenredig aandeel
onder het getal der leden van de Staten-Generaal
zoude worden verzekerd. Doch voor de toepassing
dezer bepaling was alzoo eerst eene wet noodig, eene
wet, die niet is tot stand gekomen, zelfs niet is
voorgesteld. Dit aandeel in het Staatsbestuur ontging
dus den adel. Wat echter de Grondwet wel niet
1814 (Staatsblad no. 76) den Vorst voor de eerste
benoeming aan geene nominatie bond. Evenmin
geschiedde dit met de eerste benoeming van Raden
en Generaalmeesters van de Munt, voor wie art. 119
der Grondwet hetzelfde had bepaald. Ook hier gaf de
wet van 11 Juli 1814 (Staatsblad no. 78) voor de
eerste benoeming de vrije keus aan den Souvereinen
Vorst.
Ik zoude hier mijne beschouwingen over de
maatregelen genomen ter invoering der Grondwet
van 1814 kunnen eindigen, ware het niet, dat de adel
een aandeel aan het Staatsbestuur zoude hebben, en
dat dus over de organisatie dezer instelling een woord
dient gezegd te worden. Uitdrukkelijk, zooals vroeger
reeds is vermeld 563), had de Grondwet in art. 58
bepaald, dat het aan den Souvereinen Vorst bleef
voorbehouden eene wet voor te dragen, waardoor aan
de edelen of Ridderschappen een evenredig aandeel
onder het getal der leden van de Staten-Generaal
zoude worden verzekerd. Doch voor de toepassing
dezer bepaling was alzoo eerst eene wet noodig, eene
wet, die niet is tot stand gekomen, zelfs niet is
voorgesteld. Dit aandeel in het Staatsbestuur ontging
dus den adel. Wat echter de Grondwet wel niet
Page 373
uitdrukkelijk bepaald had, maar toch in de bedoeling
zoowel van den Souvereinen Vorst als van de
Commissie had gelegen, was dat de adel een aandeel
zoude hebben in de verkiezing van de leden der
Provinciale Staten. Van Maanen wees in zijne
toespraak aan de Notabelen er op, hoe in de Staten
der Provinciën onze oude, edele, aanzienlijke
geslachten naast de vertegenwoordigers der steden en
die van het platteland plaats zouden nemen. Het was
dus geheel en al overeenkomstig die bedoeling, toen
de Souvereine Vorst in de Reglementen, den 26sten
Augustus 1814 over de samenstelling der provinciale
Staten ter uitvoering van art. 74 der Grondwet
vastgesteld, aan den adel in elke provincie een
aandeel in de verkiezing van of verkiesbaarheid voor
de Staten toekende. Bij die reglementen werd tevens
de vraag beslist, in welke provincie de Edelen op zich
zelven zouden staan, in welke zij eene Ridderschap,
een lichaam van Edelen zouden uitmaken.
Voorshands werden hiervan alleen uitgesloten
Zeeland en Friesland. In Zeeland was—zooals
bekend is—vóór de revolutie van 1795 het hoofd van
het Huis van Oranje de eenige Edele. Er was dus in
1814 in Zeeland weinig stof voor een lichaam van
Edelen. Dit zal wel de reden zijn geweest, dat men
zoowel van den Souvereinen Vorst als van de
Commissie had gelegen, was dat de adel een aandeel
zoude hebben in de verkiezing van de leden der
Provinciale Staten. Van Maanen wees in zijne
toespraak aan de Notabelen er op, hoe in de Staten
der Provinciën onze oude, edele, aanzienlijke
geslachten naast de vertegenwoordigers der steden en
die van het platteland plaats zouden nemen. Het was
dus geheel en al overeenkomstig die bedoeling, toen
de Souvereine Vorst in de Reglementen, den 26sten
Augustus 1814 over de samenstelling der provinciale
Staten ter uitvoering van art. 74 der Grondwet
vastgesteld, aan den adel in elke provincie een
aandeel in de verkiezing van of verkiesbaarheid voor
de Staten toekende. Bij die reglementen werd tevens
de vraag beslist, in welke provincie de Edelen op zich
zelven zouden staan, in welke zij eene Ridderschap,
een lichaam van Edelen zouden uitmaken.
Voorshands werden hiervan alleen uitgesloten
Zeeland en Friesland. In Zeeland was—zooals
bekend is—vóór de revolutie van 1795 het hoofd van
het Huis van Oranje de eenige Edele. Er was dus in
1814 in Zeeland weinig stof voor een lichaam van
Edelen. Dit zal wel de reden zijn geweest, dat men
Page 374
aan de Edelen in Zeeland geen kiesrecht toekende,
maar alleen bepaalde dat de kiezers 6 leden der
Staten uit den stand der Edelen moesten kiezen. Voor
Friesland kan zoo iets de reden niet geweest zijn. Er
waren oude Edelen in voldoenden getale; edelen,
wier recht wel niet rustte op brieven van adeldom,
wier recht alleen in verjaring gegrond was, maar die
daarom vóór de revolutie van 1795 niet minder als
zoodanig waren erkend. Immers elke grietenij
vaardigde één edele en één eigenerfde ter
Statenvergadering af. Waarom dan in Friesland niet,
in het daarnaast gelegen Groningen wel eene
Ridderschap ingesteld? In Groningen wel, waar vóór
1795 wel de bezitters der regeeringsrechten ten
platten lande uit courtoisie jonkers genoemd werden,
maar waar aan eenen adel als zoodanig geene rechten
waren toegekend, waar iets dergelijks noch krachtens
vorstelijke opdracht, noch krachtens verjaring had
bestaan? Zoude de reden niet deze geweest zijn, dat
men de gehechtheid der Friezen aan hunne vroegere
instellingen wilde eerbiedigen en daarom in plaats
van eene afzonderlijke Ridderschap in te stellen, de
stemgerechtigden in elke grietenij, evenals van ouds,
een edelman en een eigenerfde liet verkiezen? Daar
nu in de overige gewesten eene Ridderschap als
maar alleen bepaalde dat de kiezers 6 leden der
Staten uit den stand der Edelen moesten kiezen. Voor
Friesland kan zoo iets de reden niet geweest zijn. Er
waren oude Edelen in voldoenden getale; edelen,
wier recht wel niet rustte op brieven van adeldom,
wier recht alleen in verjaring gegrond was, maar die
daarom vóór de revolutie van 1795 niet minder als
zoodanig waren erkend. Immers elke grietenij
vaardigde één edele en één eigenerfde ter
Statenvergadering af. Waarom dan in Friesland niet,
in het daarnaast gelegen Groningen wel eene
Ridderschap ingesteld? In Groningen wel, waar vóór
1795 wel de bezitters der regeeringsrechten ten
platten lande uit courtoisie jonkers genoemd werden,
maar waar aan eenen adel als zoodanig geene rechten
waren toegekend, waar iets dergelijks noch krachtens
vorstelijke opdracht, noch krachtens verjaring had
bestaan? Zoude de reden niet deze geweest zijn, dat
men de gehechtheid der Friezen aan hunne vroegere
instellingen wilde eerbiedigen en daarom in plaats
van eene afzonderlijke Ridderschap in te stellen, de
stemgerechtigden in elke grietenij, evenals van ouds,
een edelman en een eigenerfde liet verkiezen? Daar
nu in de overige gewesten eene Ridderschap als
Page 375
kiescollegie werd ingesteld, bleven Zeeland en
Friesland in dit opzicht voorloopig een bijzondere
positie innemen 564).
Wie zouden echter tot die Edelen of
Ridderschappen behooren? Het antwoord ligt voor de
hand. Men moest van adel zijn. Maar wie was van
adel? De Grondwet bepaalde in art. 42, dat de
Souvereine Vorst in den adelstand verhief. En art. 77
bepaalde, dat de eerste bijeenroeping en admissie tot
de Edelen of Ridderschappen door den Vorst
overeenkomstig de omstandigheden zoude
geschieden. Toen men, om aan de bepalingen van de
reglementen van 26 Augustus 1814 werking te
verzekeren, zoude overgaan tot de uitvoering van dit
art. 77, kwam de vraag op, of de Souvereine Vorst
niet eerst gebruik moest maken van zijn prerogatief,
vervat in art. 42, en daarna de alzoo geadelden moest
oproepen en admitteeren. De Minister van
Binnenlandsche Zaken, Röell, toen hij zag, dat men
die verheffing in den adelstand niet wilde laten
voorafgaan, deed die vraag aan den Algemeenen
Secretaris van Staat. Waarom zoude dit noodig zijn?
antwoordde Falck. Admissie tot de Ridderschap was
volgens hem verheffing in den adelstand, gelijk het
mindere in het meerdere was begrepen. Men zoude,
Friesland in dit opzicht voorloopig een bijzondere
positie innemen 564).
Wie zouden echter tot die Edelen of
Ridderschappen behooren? Het antwoord ligt voor de
hand. Men moest van adel zijn. Maar wie was van
adel? De Grondwet bepaalde in art. 42, dat de
Souvereine Vorst in den adelstand verhief. En art. 77
bepaalde, dat de eerste bijeenroeping en admissie tot
de Edelen of Ridderschappen door den Vorst
overeenkomstig de omstandigheden zoude
geschieden. Toen men, om aan de bepalingen van de
reglementen van 26 Augustus 1814 werking te
verzekeren, zoude overgaan tot de uitvoering van dit
art. 77, kwam de vraag op, of de Souvereine Vorst
niet eerst gebruik moest maken van zijn prerogatief,
vervat in art. 42, en daarna de alzoo geadelden moest
oproepen en admitteeren. De Minister van
Binnenlandsche Zaken, Röell, toen hij zag, dat men
die verheffing in den adelstand niet wilde laten
voorafgaan, deed die vraag aan den Algemeenen
Secretaris van Staat. Waarom zoude dit noodig zijn?
antwoordde Falck. Admissie tot de Ridderschap was
volgens hem verheffing in den adelstand, gelijk het
mindere in het meerdere was begrepen. Men zoude,
Page 376
meende Falck, door den anderen weg in te slaan, ook
stuiten op het bezwaar, dat eenigen, hij noemde van
der Dussen, van Leyden, zouden beweren, die
verheffing niet noodig te hebben, dat wil zeggen: zij
zouden beweren reeds van adel te zijn. Daar lag dus
in de erkenning van Falck, dat, wanneer de Grondwet
den Souverein het recht toekende, iemand in den
adelstand te verheffen, er reeds buiten de Grondwet
zoodanige stand bestond, en dat die er toe behoorden,
geene verheffing meer noodig hadden.
Dit was ook in den geest van de wetgeving van
koning Lodewijk. Toen deze bij de wet van 22 April
1809 de instelling van den adel in het Koninkrijk
invoerde, had hij vooral den ouden adel van ons land
op het oog. Deze had—in tegenstelling tot de
personen, die de Koning in den adelstand zou
verheffen—alleen bevestiging noodig. Daaronder
zouden volgens het besluit van 1 October 1809 niet
alleen vallen de geslachten, vóór de Revolutie van
1795 in de Ridderschap beschreven, maar ook de
zoodanigen, die bewijzen konden, steeds voor
inlandschen adel te zijn gehouden, ja zelfs die, welke
vroeger tot den adel van het land hadden behoord,
doch later er geen effect van hadden genoten. Er
waren dus twee categoriën; geslachten, die in den
stuiten op het bezwaar, dat eenigen, hij noemde van
der Dussen, van Leyden, zouden beweren, die
verheffing niet noodig te hebben, dat wil zeggen: zij
zouden beweren reeds van adel te zijn. Daar lag dus
in de erkenning van Falck, dat, wanneer de Grondwet
den Souverein het recht toekende, iemand in den
adelstand te verheffen, er reeds buiten de Grondwet
zoodanige stand bestond, en dat die er toe behoorden,
geene verheffing meer noodig hadden.
Dit was ook in den geest van de wetgeving van
koning Lodewijk. Toen deze bij de wet van 22 April
1809 de instelling van den adel in het Koninkrijk
invoerde, had hij vooral den ouden adel van ons land
op het oog. Deze had—in tegenstelling tot de
personen, die de Koning in den adelstand zou
verheffen—alleen bevestiging noodig. Daaronder
zouden volgens het besluit van 1 October 1809 niet
alleen vallen de geslachten, vóór de Revolutie van
1795 in de Ridderschap beschreven, maar ook de
zoodanigen, die bewijzen konden, steeds voor
inlandschen adel te zijn gehouden, ja zelfs die, welke
vroeger tot den adel van het land hadden behoord,
doch later er geen effect van hadden genoten. Er
waren dus twee categoriën; geslachten, die in den
Page 377
adelstand bevestigd, en geslachten, die er in verheven
werden. Hierbij kwam nu nog eene derde categorie:
de vreemde adeldom. Geslachten, hier, te lande
gevestigd, die konden aantoonen van een uitheemsch
adellijk geslacht te zijn of brieven van adeldom van
uitheemsche Keizers en Koningen minstens 25 jaar
geleden te hebben verkregen, konden door den
Koning in den adel worden ingelijfd. Er was dus
bevestiging, verheffing en inlijving.
In denzelfden geest werd gehandeld door den
Souvereinen Vorst onder de Grondwet van 1814. Den
24sten Juni 1814 werd een Hooge Raad van Adel
opgericht. Hij zoude den Souvereinen Vorst als
adviseerend lichaam ter zijde staan. Op zijn advies
werd uitvoering gegeven aan art. 77 der Grondwet en
werden bij onderscheidene besluiten de personen
aangewezen, die—zonder dat er eene uitdrukkelijke
verheffing in den adelstand plaats vond—tot de
Edelen of Ridderschappen in elke provincie
geadmitteerd werden 565). Dat echter voor de
toekomst de beginselen van de wetgeving van koning
Lodewijk zouden gevolgd worden, bleek uit het
besluit van den Souvereinen Vorst van 13 Februari
1815 (Staatsblad no. 15). Het werd genomen op
voordracht van den Hoogen Raad van Adel en op
werden. Hierbij kwam nu nog eene derde categorie:
de vreemde adeldom. Geslachten, hier, te lande
gevestigd, die konden aantoonen van een uitheemsch
adellijk geslacht te zijn of brieven van adeldom van
uitheemsche Keizers en Koningen minstens 25 jaar
geleden te hebben verkregen, konden door den
Koning in den adel worden ingelijfd. Er was dus
bevestiging, verheffing en inlijving.
In denzelfden geest werd gehandeld door den
Souvereinen Vorst onder de Grondwet van 1814. Den
24sten Juni 1814 werd een Hooge Raad van Adel
opgericht. Hij zoude den Souvereinen Vorst als
adviseerend lichaam ter zijde staan. Op zijn advies
werd uitvoering gegeven aan art. 77 der Grondwet en
werden bij onderscheidene besluiten de personen
aangewezen, die—zonder dat er eene uitdrukkelijke
verheffing in den adelstand plaats vond—tot de
Edelen of Ridderschappen in elke provincie
geadmitteerd werden 565). Dat echter voor de
toekomst de beginselen van de wetgeving van koning
Lodewijk zouden gevolgd worden, bleek uit het
besluit van den Souvereinen Vorst van 13 Februari
1815 (Staatsblad no. 15). Het werd genomen op
voordracht van den Hoogen Raad van Adel en op
Page 378
advies van den Raad van State. Volgens dat besluit
zouden niet alleen tot den adelstand behooren die
door den Souvereinen Vorst in de Ridderschappen of
Edelen benoemd en geadmitteerd waren, maar
bovendien, die bij vervolg door Hem in den adelstand
zouden worden erkend, ingelijfd of verheven. Tevens
zouden, wat volgens de regeling van koning
Lodewijk niet het geval was, alle hunne wettelijke
afstammelingen ook tot den adelstand behooren.
Hiermede had dan ook de instelling van den adel
hare organisatie ontvangen. Terwijl de Grondwet—
behoudens de eerste admissie volgens art. 77—alleen
sprak van verheffing in den adelstand, zag men er
geen bezwaar in de deur open te stellen voor twee
andere categoriën. De eerste werd gevormd door de
personen uit de oude adellijke geslachten van ons
land, die bij de eerste admissie konden geacht
worden vergeten te zijn. Daartegen bestond weinig of
geen bezwaar. Meer bedenkelijk was de toelating der
tweede categorie, waardoor de nationale adeldom
toegankelijk is gemaakt voor zoovelen, die hun recht
ontleenden aan het gunstbetoon van een of ander
vreemden Souverein. Bedenkelijk vooral om deze
reden. Wanneer men in den adelstand verheven werd,
zoude men verwachten, dat dit geschiedde wegens
zouden niet alleen tot den adelstand behooren die
door den Souvereinen Vorst in de Ridderschappen of
Edelen benoemd en geadmitteerd waren, maar
bovendien, die bij vervolg door Hem in den adelstand
zouden worden erkend, ingelijfd of verheven. Tevens
zouden, wat volgens de regeling van koning
Lodewijk niet het geval was, alle hunne wettelijke
afstammelingen ook tot den adelstand behooren.
Hiermede had dan ook de instelling van den adel
hare organisatie ontvangen. Terwijl de Grondwet—
behoudens de eerste admissie volgens art. 77—alleen
sprak van verheffing in den adelstand, zag men er
geen bezwaar in de deur open te stellen voor twee
andere categoriën. De eerste werd gevormd door de
personen uit de oude adellijke geslachten van ons
land, die bij de eerste admissie konden geacht
worden vergeten te zijn. Daartegen bestond weinig of
geen bezwaar. Meer bedenkelijk was de toelating der
tweede categorie, waardoor de nationale adeldom
toegankelijk is gemaakt voor zoovelen, die hun recht
ontleenden aan het gunstbetoon van een of ander
vreemden Souverein. Bedenkelijk vooral om deze
reden. Wanneer men in den adelstand verheven werd,
zoude men verwachten, dat dit geschiedde wegens
Page 379
diensten, aan het vaderland bewezen. Wanneer men
tot den Nederlandschen adel bracht die geslachten,
die ook vroeger als zoodanig erkend waren, dan was
het de herstelling van een vroegeren toestand, en
bestond er althans een vermoeden, dat de verdiensten
van de voorouders de grond daarvan waren geweest.
Maar nu men ook vreemden adeldom als grond van
verheffing boven zijne medeburgers ging erkennen,
nu werd de adel geheel en al losgemaakt van
verdienste. Een poging in de commissie voor het
ontwerpen der Grondwet van 1815 gedaan, om
althans de verheffing in den adelstand met diensten,
aan den Staat bewezen, in verband te brengen, stuitte
dan ook af op de beslissing van den Vorst 566).
Tot dit alles heeft voorzeker medegewerkt het
voorbeeld van koning Lodewijk. Wellicht echter nog
meer het politiek recht aan den adel verbonden. De
oude adel was in sommige gewesten bijna
uitgestorven, in andere had hij niet bestaan. In elke
provincie moest nu een aanzienlijk getal edelen
aanwezig zijn, hetzij om als kiescollegie dienst te
doen, hetzij om er uit te kunnen kiezen. Daarom
moesten de deuren zoo wijd mogelijk worden
opengezet. Daardoor laat zich ook de mildheid
verklaren, waarmede Willem I in het verleenen dezer
tot den Nederlandschen adel bracht die geslachten,
die ook vroeger als zoodanig erkend waren, dan was
het de herstelling van een vroegeren toestand, en
bestond er althans een vermoeden, dat de verdiensten
van de voorouders de grond daarvan waren geweest.
Maar nu men ook vreemden adeldom als grond van
verheffing boven zijne medeburgers ging erkennen,
nu werd de adel geheel en al losgemaakt van
verdienste. Een poging in de commissie voor het
ontwerpen der Grondwet van 1815 gedaan, om
althans de verheffing in den adelstand met diensten,
aan den Staat bewezen, in verband te brengen, stuitte
dan ook af op de beslissing van den Vorst 566).
Tot dit alles heeft voorzeker medegewerkt het
voorbeeld van koning Lodewijk. Wellicht echter nog
meer het politiek recht aan den adel verbonden. De
oude adel was in sommige gewesten bijna
uitgestorven, in andere had hij niet bestaan. In elke
provincie moest nu een aanzienlijk getal edelen
aanwezig zijn, hetzij om als kiescollegie dienst te
doen, hetzij om er uit te kunnen kiezen. Daarom
moesten de deuren zoo wijd mogelijk worden
opengezet. Daardoor laat zich ook de mildheid
verklaren, waarmede Willem I in het verleenen dezer
Page 380
gunst te werk ging. Eindelijk ook, met afwijking van
het beginsel van koning Lodewijk, de bepaling, dat
de adel op al de wettelijke afstammelingen zoude
overgaan. Ware de toestand geweest, zooals hij nu is,
er zoude met deze sociale distinctie niet zoo zijn
gemorst, als onder de werking der Grondwet van
1814 en vooral onder die van 1815 het geval is
geweest.
Zoo waren dan binnen het tijdsverloop van één jaar
de maatregelen genomen, noodig voor de invoering
der staatsregeling van het herboren vaderland. Eene
zaak van gewicht moet hiervan echter worden
uitgezonderd. Het geheele vierde hoofdstuk: van de
Justitie, bleef onuitgevoerd. Niet alleen wat de
beloofde nieuwe burgerlijke- en strafwetgeving, maar
tevens wat de eveneens voorgeschreven nieuwe
samenstelling der Rechterlijke Macht betreft. Ten
opzichte van het laatste onderwerp had men zich dit
niet voorgesteld. Had toch niet de
grondwetcommissie bij art. 4 van het besluit van 21
December 1813 de opdracht gekregen reeds vóór de
indiening van het ontwerp der Grondwet een
voorloopig rapport over de regeling der judicieele
administratie aan den Souvereinen Vorst in te dienen;
blijkbaar met het doel dezen in staat te stellen de
het beginsel van koning Lodewijk, de bepaling, dat
de adel op al de wettelijke afstammelingen zoude
overgaan. Ware de toestand geweest, zooals hij nu is,
er zoude met deze sociale distinctie niet zoo zijn
gemorst, als onder de werking der Grondwet van
1814 en vooral onder die van 1815 het geval is
geweest.
Zoo waren dan binnen het tijdsverloop van één jaar
de maatregelen genomen, noodig voor de invoering
der staatsregeling van het herboren vaderland. Eene
zaak van gewicht moet hiervan echter worden
uitgezonderd. Het geheele vierde hoofdstuk: van de
Justitie, bleef onuitgevoerd. Niet alleen wat de
beloofde nieuwe burgerlijke- en strafwetgeving, maar
tevens wat de eveneens voorgeschreven nieuwe
samenstelling der Rechterlijke Macht betreft. Ten
opzichte van het laatste onderwerp had men zich dit
niet voorgesteld. Had toch niet de
grondwetcommissie bij art. 4 van het besluit van 21
December 1813 de opdracht gekregen reeds vóór de
indiening van het ontwerp der Grondwet een
voorloopig rapport over de regeling der judicieele
administratie aan den Souvereinen Vorst in te dienen;
blijkbaar met het doel dezen in staat te stellen de
Page 381
noodige maatregelen voor eene nieuwe samenstelling
der Rechterlijke Macht voor te bereiden? Aan die
opdracht had de commissie door de afzonderlijke
aanbieding van het vierde hoofdstuk voldaan 567).
Doch na de invoering der Grondwet en onder hare
werking kwam er niets tot stand. Behoudens de bij
het besluit van 11 December 1813 reeds ingevoerde
wijzigingen, bleven de Fransche rechterlijke
instellingen bestaan, en het duurde tot 1 October
1838 voordat de belofte, ook gedaan door de
Grondwet van 1815, vervuld werd en het daarin
voorkomende vijfde hoofdstuk: van de Justitie, tot
uitvoering kwam—altijd nog zonder de vaststelling
van een Nederlandsch Strafwetboek. Is het behoud
der Fransche rechterlijke organisatie gedurende zoo
langen tijd alleen een gevolg geweest van de
moeilijkheid van het onderwerp, of lag de reden ook
tevens hierin, dat men tegen de afschaffing van het
sedert de inlijving hier bestaande stelsel opzag? De
man, die als hoofd der justitie den meesten invloed
op dit onderwerp uitoefende, van Maanen, was een
verklaard voorstander van dat stelsel. In de zitting der
grondwetcommissie van 19 Januari 1814 hoorden wij
hem zeggen, dat de oude rechtspleging monstrueus
was en dat de justitie zeker nimmer beter was
der Rechterlijke Macht voor te bereiden? Aan die
opdracht had de commissie door de afzonderlijke
aanbieding van het vierde hoofdstuk voldaan 567).
Doch na de invoering der Grondwet en onder hare
werking kwam er niets tot stand. Behoudens de bij
het besluit van 11 December 1813 reeds ingevoerde
wijzigingen, bleven de Fransche rechterlijke
instellingen bestaan, en het duurde tot 1 October
1838 voordat de belofte, ook gedaan door de
Grondwet van 1815, vervuld werd en het daarin
voorkomende vijfde hoofdstuk: van de Justitie, tot
uitvoering kwam—altijd nog zonder de vaststelling
van een Nederlandsch Strafwetboek. Is het behoud
der Fransche rechterlijke organisatie gedurende zoo
langen tijd alleen een gevolg geweest van de
moeilijkheid van het onderwerp, of lag de reden ook
tevens hierin, dat men tegen de afschaffing van het
sedert de inlijving hier bestaande stelsel opzag? De
man, die als hoofd der justitie den meesten invloed
op dit onderwerp uitoefende, van Maanen, was een
verklaard voorstander van dat stelsel. In de zitting der
grondwetcommissie van 19 Januari 1814 hoorden wij
hem zeggen, dat de oude rechtspleging monstrueus
was en dat de justitie zeker nimmer beter was
Page 382
geadministreerd dan op dat oogenblik 568). Wij mogen
dus aannemen, dat de drang naar de invoering der
grondwettelijke bepalingen bij de machthebbenden
niet sterk is geweest.
Op één punt echter begreep de Souvereine Vorst,
dat door de invoering der Grondwet wijziging in de
Fransche wetgeving gekomen was. De Fransche
constitutie van het jaar VIII had in art. 75 bepaald,
dat geen agenten van het gouvernement wegens
daden betrekkelijk hunne functiën konden worden
vervolgd dan krachtens eene beslissing van den
Staatsraad. De Souvereine Vorst gaf bij besluit van 22
September 1814 te kennen, dat door de invoering der
Grondwet deze bepaling der Fransche constitutie
vervallen was. Men zoude dus voortaan bij
ondervonden willekeur een ambtenaar zonder
vergunning van het hooge bestuur voor den rechter
kunnen dagen. Eene bescherming tegen willekeur,
die echter meer zoude gebaat hebben wanneer de
Fransche wetgeving over de rechterlijke macht tevens
was vervallen. Zoo bleef het hier te lande executoir
verklaarde art. 13 der wet van 24 Augustus 1790 van
kracht, hetwelk luidde: „Les fonctions judiciaires
sont distinctes et demeureront toujours séparées des
fonctions administratives. Les juges ne pourront, à
dus aannemen, dat de drang naar de invoering der
grondwettelijke bepalingen bij de machthebbenden
niet sterk is geweest.
Op één punt echter begreep de Souvereine Vorst,
dat door de invoering der Grondwet wijziging in de
Fransche wetgeving gekomen was. De Fransche
constitutie van het jaar VIII had in art. 75 bepaald,
dat geen agenten van het gouvernement wegens
daden betrekkelijk hunne functiën konden worden
vervolgd dan krachtens eene beslissing van den
Staatsraad. De Souvereine Vorst gaf bij besluit van 22
September 1814 te kennen, dat door de invoering der
Grondwet deze bepaling der Fransche constitutie
vervallen was. Men zoude dus voortaan bij
ondervonden willekeur een ambtenaar zonder
vergunning van het hooge bestuur voor den rechter
kunnen dagen. Eene bescherming tegen willekeur,
die echter meer zoude gebaat hebben wanneer de
Fransche wetgeving over de rechterlijke macht tevens
was vervallen. Zoo bleef het hier te lande executoir
verklaarde art. 13 der wet van 24 Augustus 1790 van
kracht, hetwelk luidde: „Les fonctions judiciaires
sont distinctes et demeureront toujours séparées des
fonctions administratives. Les juges ne pourront, à
Page 383
peine de forfaiture, troubler de quelque manière que
ce soit les opérations des corps administratifs, ni citer
devant eux les administrateurs pour raison de leurs
fonctions”. Het slot van dit artikel nam veel weg van
de waarde van het besluit van 22 September 1814. De
annalen onzer rechtspleging zouden, indien ik mij
niet bedrieg, dit kunnen bewijzen.
Doch ik loop vooruit op hetgeen ik in de volgende
bladzijden wensch te behandelen.
Ministers van het Algemeen Bestuur (hiervóór, bl. 268).—18 November,
als hij hoopt omringd te worden door zijne Staten-Generaal, heeft Gijsbert
Karel het volgende lijstje van door dit lichaam te doene politieke
aanstellingen in den zak:
President van de Staten-Generaal: van der Duyn.
Raadpensionaris van de Staten-Generaal: Hogendorp.
Secretaris van de Staten-Generaal: Falck.
Minister van Buitenlandsche Zaken: Hendrik Fagel.
Minister van Binnenlandsche Zaken: .................. (blank).
Minister van Oorlog en Marine: Bentinck van Buckhorst; onder hem
Jacob May als commissaris-generaal voor marine, C. F. de Jonge als dito
voor oorlog.
Minister van Financiën: Repelaer.
Minister van Koophandel en Koloniën: .................. (blank).
Ambassadeur in Engeland: Jacob Fagel 569).
De Staten-Generaal dacht hij zich dus majestueus genoeg, om „ministers”
aan te stellen ook in afwezigheid van den Prins.—Maar er kwam niet van;
ce soit les opérations des corps administratifs, ni citer
devant eux les administrateurs pour raison de leurs
fonctions”. Het slot van dit artikel nam veel weg van
de waarde van het besluit van 22 September 1814. De
annalen onzer rechtspleging zouden, indien ik mij
niet bedrieg, dit kunnen bewijzen.
Doch ik loop vooruit op hetgeen ik in de volgende
bladzijden wensch te behandelen.
Ministers van het Algemeen Bestuur (hiervóór, bl. 268).—18 November,
als hij hoopt omringd te worden door zijne Staten-Generaal, heeft Gijsbert
Karel het volgende lijstje van door dit lichaam te doene politieke
aanstellingen in den zak:
President van de Staten-Generaal: van der Duyn.
Raadpensionaris van de Staten-Generaal: Hogendorp.
Secretaris van de Staten-Generaal: Falck.
Minister van Buitenlandsche Zaken: Hendrik Fagel.
Minister van Binnenlandsche Zaken: .................. (blank).
Minister van Oorlog en Marine: Bentinck van Buckhorst; onder hem
Jacob May als commissaris-generaal voor marine, C. F. de Jonge als dito
voor oorlog.
Minister van Financiën: Repelaer.
Minister van Koophandel en Koloniën: .................. (blank).
Ambassadeur in Engeland: Jacob Fagel 569).
De Staten-Generaal dacht hij zich dus majestueus genoeg, om „ministers”
aan te stellen ook in afwezigheid van den Prins.—Maar er kwam niet van;
Page 384
en als hij 21 Nov. met van der Duyn het Algemeen Bestuur in eigen handen
genomen heeft maakt hij een nieuw lijstje:
Intendant van Financiën: Canneman.
Commissaris-generaal voor oorlog: C. F. de Jonge; dito voor marine: Job
May.
Secretaris van Binnenlandsche Zaken: Changuion.
Secretaris van het Algemeen Bestuur: Falck 570).
Deze „provisioneele aanstellingen” gelijk hij er boven schrijft, zijn niet
alle aldus geschied, daar de omstandigheden ieder oogenblik veranderden.
Gaan wij ze intusschen één voor één na.
Voor minister van financiën is 18 Nov. Repelaer bestemd. Deze is 21
Nov. niet meer beschikbaar, daar hij met een zelfgegeven opdracht
veiligheid had gezocht in Engeland. Daarentegen heeft zich 20 Nov. bij
geschrifte met G. K. in betrekking gesteld de ex-patriot en Keizerlijke
ambtenaar Canneman 571); hij wordt op den 21sten 's ochtends door G. K.
ontvangen 572), stelt voor hem de proclamatie van ontslag uit den eed van
trouw aan Napoleon en de brieven waarbij Gogel en Falck worden
opgeroepen zich ter beschikking te stellen van het A.B.
Tusschen die proclamatie van 21 Nov. 573) en het plakkaat dat G.K. den
18den had willen doen uitvaardigen door zijne Staten-Generaal 574), ligt
eene wereld. In het Plakkaat verzinkt het Keizerlijk Nederland in het niet en
duikt dat van vóór 1795 „provisioneel” weder op: „in alle de steden
vergaderen de oude Regenten......, ten platten lande de oude Geregten......;
alle de Hoven Provintiaal, zooals dezelven bestonden in 1794 en 1795,
aanvaarden hun oud Regtsgebied......” Behouden blijven slechts
(voorshands) de bestaande belastingen, en er zal worden recht gesproken
niet naar de in 1795 gevolgde wetten, maar naar die van 1809. Aan dit
plakkaat zullen de hand houden „onze Ministers, Commissarissen,
Ambtenaren......”; andere dan die aan de Staten-Generaal hun aanwezen
ontleenen zullen er niet meer zijn.
Canneman's stuk daarentegen ontslaat slechts van den eed en verbiedt
correspondentie met de Franschen; het beveelt „alle Hollandsche
ambtenaren” (dat is, op enkele weggeloopen Fransche hoofden na, de
genomen heeft maakt hij een nieuw lijstje:
Intendant van Financiën: Canneman.
Commissaris-generaal voor oorlog: C. F. de Jonge; dito voor marine: Job
May.
Secretaris van Binnenlandsche Zaken: Changuion.
Secretaris van het Algemeen Bestuur: Falck 570).
Deze „provisioneele aanstellingen” gelijk hij er boven schrijft, zijn niet
alle aldus geschied, daar de omstandigheden ieder oogenblik veranderden.
Gaan wij ze intusschen één voor één na.
Voor minister van financiën is 18 Nov. Repelaer bestemd. Deze is 21
Nov. niet meer beschikbaar, daar hij met een zelfgegeven opdracht
veiligheid had gezocht in Engeland. Daarentegen heeft zich 20 Nov. bij
geschrifte met G. K. in betrekking gesteld de ex-patriot en Keizerlijke
ambtenaar Canneman 571); hij wordt op den 21sten 's ochtends door G. K.
ontvangen 572), stelt voor hem de proclamatie van ontslag uit den eed van
trouw aan Napoleon en de brieven waarbij Gogel en Falck worden
opgeroepen zich ter beschikking te stellen van het A.B.
Tusschen die proclamatie van 21 Nov. 573) en het plakkaat dat G.K. den
18den had willen doen uitvaardigen door zijne Staten-Generaal 574), ligt
eene wereld. In het Plakkaat verzinkt het Keizerlijk Nederland in het niet en
duikt dat van vóór 1795 „provisioneel” weder op: „in alle de steden
vergaderen de oude Regenten......, ten platten lande de oude Geregten......;
alle de Hoven Provintiaal, zooals dezelven bestonden in 1794 en 1795,
aanvaarden hun oud Regtsgebied......” Behouden blijven slechts
(voorshands) de bestaande belastingen, en er zal worden recht gesproken
niet naar de in 1795 gevolgde wetten, maar naar die van 1809. Aan dit
plakkaat zullen de hand houden „onze Ministers, Commissarissen,
Ambtenaren......”; andere dan die aan de Staten-Generaal hun aanwezen
ontleenen zullen er niet meer zijn.
Canneman's stuk daarentegen ontslaat slechts van den eed en verbiedt
correspondentie met de Franschen; het beveelt „alle Hollandsche
ambtenaren” (dat is, op enkele weggeloopen Fransche hoofden na, de
Page 385
gansche toestel des Keizerlijken bestuurs) op hunne posten (die van 1811
dagteekenen) te blijven, en stelt hen in de uitoefening hunner
ambtsverrichtingen onder de bescherming van alle rechtschapen
Nederlanders. Waar een hoofdambtenaar vertrokken is, moet de
eerstvolgende in rang diens plaats innemen, en wordt verantwoordelijk
gesteld voor alle nadeelen welke, door zijn dralen of verzuimen, uit
langeren stilstand der (ex-Keizerlijke) administratie kunnen voortvloeien.
De justitie is uit te oefenen volgens de wetten, thans in vigueur.
Of Gijsbert Karel de volle draagwijdte van wat hij onderteekende
aanstonds begrepen heeft? Men zou er aan willen twijfelen, gelet op eene
aanschrijving als hij b.v. 25 Nov. aan een „gewezen baljuw van Delfland”
doet, om de stukken van het A. B. te doen publiceeren en affigeeren „waar
zulks in Delfland gebruikelijk was 575)”. In een stelsel dat de prefecturen en
onderprefecturen handhaaft, komt geen baljuwschap Delfland te pas. Doch
dit zijn kleine onregelmatigheden, in verband staande met omstandigheden
van plaats en oogenblik die wij natuurlijk niet alle meer kunnen nagaan. De
algemeene gang van het werk is duidelijk genoeg, en die is niet in de
richting dier aanschrijving van 25 Nov. Als Kemper en Scholten
informeeren hoever hun gezag als „commissarissen voor Amsterdam en
verdere Noordhollandsche steden” eigenlijk gaat, is het ommegaand
antwoord: „Heeren commissarissen hebben de macht van den Prefect en
stellen aan een onder-commissaris in iedere sous-prefectuur 576)”. Zoodra
Falck zijne functiën aanvaard heeft en het A. B. voor het eerst over een
geordend bureau beschikt, wordt deze wederopneming der Keizerlijke
administratie met groote snelheid en regelmaat tot stand gebracht zoover het
gezag van het bestuur reikt. Trouwens wie hebben zij aanstonds uit
Amsterdam ontboden om hun in zaken van het binnenlandsch bestuur bij te
staan? Janssen, chef van divisie, Schneither, chef de bureau der intendance
van binnenlandsche zaken, de twee bekwaamste Hollandsche ambtenaren
van d'Alphonse; eerstgenoemde diens rechterhand, bewerker van het
Aperçu 577)!
Men bespeurt dus dat Gijsbert Karel tegelijk zeer illusionnair is en zeer
realistisch. Op zijn studeerkamer laat hij zich makkelijk gaan, maar als hij
handelen moet weet hij zich zeer wel naar bestaande noodzaak te voegen.
Het eerste belang is voor hem de bevrijding des lands, en als hij erkennen
dagteekenen) te blijven, en stelt hen in de uitoefening hunner
ambtsverrichtingen onder de bescherming van alle rechtschapen
Nederlanders. Waar een hoofdambtenaar vertrokken is, moet de
eerstvolgende in rang diens plaats innemen, en wordt verantwoordelijk
gesteld voor alle nadeelen welke, door zijn dralen of verzuimen, uit
langeren stilstand der (ex-Keizerlijke) administratie kunnen voortvloeien.
De justitie is uit te oefenen volgens de wetten, thans in vigueur.
Of Gijsbert Karel de volle draagwijdte van wat hij onderteekende
aanstonds begrepen heeft? Men zou er aan willen twijfelen, gelet op eene
aanschrijving als hij b.v. 25 Nov. aan een „gewezen baljuw van Delfland”
doet, om de stukken van het A. B. te doen publiceeren en affigeeren „waar
zulks in Delfland gebruikelijk was 575)”. In een stelsel dat de prefecturen en
onderprefecturen handhaaft, komt geen baljuwschap Delfland te pas. Doch
dit zijn kleine onregelmatigheden, in verband staande met omstandigheden
van plaats en oogenblik die wij natuurlijk niet alle meer kunnen nagaan. De
algemeene gang van het werk is duidelijk genoeg, en die is niet in de
richting dier aanschrijving van 25 Nov. Als Kemper en Scholten
informeeren hoever hun gezag als „commissarissen voor Amsterdam en
verdere Noordhollandsche steden” eigenlijk gaat, is het ommegaand
antwoord: „Heeren commissarissen hebben de macht van den Prefect en
stellen aan een onder-commissaris in iedere sous-prefectuur 576)”. Zoodra
Falck zijne functiën aanvaard heeft en het A. B. voor het eerst over een
geordend bureau beschikt, wordt deze wederopneming der Keizerlijke
administratie met groote snelheid en regelmaat tot stand gebracht zoover het
gezag van het bestuur reikt. Trouwens wie hebben zij aanstonds uit
Amsterdam ontboden om hun in zaken van het binnenlandsch bestuur bij te
staan? Janssen, chef van divisie, Schneither, chef de bureau der intendance
van binnenlandsche zaken, de twee bekwaamste Hollandsche ambtenaren
van d'Alphonse; eerstgenoemde diens rechterhand, bewerker van het
Aperçu 577)!
Men bespeurt dus dat Gijsbert Karel tegelijk zeer illusionnair is en zeer
realistisch. Op zijn studeerkamer laat hij zich makkelijk gaan, maar als hij
handelen moet weet hij zich zeer wel naar bestaande noodzaak te voegen.
Het eerste belang is voor hem de bevrijding des lands, en als hij erkennen
Page 386
moet dat het op zijne wijze niet gaat, gaat hij zonder mokken over tot een
andere.
Nu de bestaande bestuurstoestel overeind was gebleven, was het voor de
leiders van den opstand een groot belang, zich de medewerking der
financieele ambtenaren te verzekeren. De Franschen hadden bij hun vertrek
de kassen zooveel mogelijk geleegd; kon men de bestaande organisatie in
werking houden, dan zouden zij geheel automatisch weer worden gevuld.
Nu bleek, wat een goed gedrild, goed bezoldigd ambtenarencorps voor een
regeering waard was, mits die regeering bevelen kon. De keizerlijke
ambtenaren hadden het gehoorzamen geleerd en verlangden niet beter dan
zich voor de macht te buigen, maar zij waren er niet op gesteld hun
aanzienlijke posten te verliezen of de geperfectionneerde techniek hunner
administratie te verruilen voor de gebrekkige oud-vaderlandsche methoden
uit een tijd waarin het centrale regeeringsgezag òf ontbrak òf slecht
bewerktuigd was. Er zijn een vrij groot aantal brieven uit de
Novemberdagen bewaard, waarbij ambtenaren aan van Maanen of aan
Gogel verslag doen van de moeilijkheden waarin zij verkeeren, en
daaronder drie van Canneman zelf. „De positie der publieke ambtenaren is
belabberd in deze conjoncture”, is het thema van een brief van hem van den
18den aan zijn chef Gogel 578). Den 19den schrijft hij hem: „Uit vele
bijzonderheden is op te maken, dat de Franschen geen plan hebben om
terug te keeren. Hier als elders hebben zij alles in confusie gelaten, wie zal
de boel aanpakken? Het verwondert mij, dat het provisioneel gouvernement
nog geen orders gegeven heeft, want specie is altoos de eerste
behoefte... 579)”. Die zoo schrijft is in de beste stemming om een bevel te
ontvangen; Canneman heeft het zelfs niet afgewacht, maar zich zelf 20 Nov.
tot Gijsbert Karel gewend met een opwekking tot het vestigen eener
regeering en inrichting eener volkswapening; „nu maar alles opgezet”, is
zijn gedachtengang geweest, „om de Franschen er beslist uit te houden 580)”.
Naar aanleiding van zijn stuk, laat G. K. hem 21 Nov. roepen 581) en biedt
hem het opperbestuur der financiën aan. Canneman's persoonlijke
verhouding tot Gogel laat niet toe, zulk een post aan te nemen zoolang
Gogel zelf dien niet geweigerd heeft; hij stelt dus een oproepingsbrief aan
Gogel die door G. K. wordt geteekend 582). Als den 23sten Gogel's bericht is
ontvangen dat hij op die oproeping „de orders vraagt van het (Fransche)
andere.
Nu de bestaande bestuurstoestel overeind was gebleven, was het voor de
leiders van den opstand een groot belang, zich de medewerking der
financieele ambtenaren te verzekeren. De Franschen hadden bij hun vertrek
de kassen zooveel mogelijk geleegd; kon men de bestaande organisatie in
werking houden, dan zouden zij geheel automatisch weer worden gevuld.
Nu bleek, wat een goed gedrild, goed bezoldigd ambtenarencorps voor een
regeering waard was, mits die regeering bevelen kon. De keizerlijke
ambtenaren hadden het gehoorzamen geleerd en verlangden niet beter dan
zich voor de macht te buigen, maar zij waren er niet op gesteld hun
aanzienlijke posten te verliezen of de geperfectionneerde techniek hunner
administratie te verruilen voor de gebrekkige oud-vaderlandsche methoden
uit een tijd waarin het centrale regeeringsgezag òf ontbrak òf slecht
bewerktuigd was. Er zijn een vrij groot aantal brieven uit de
Novemberdagen bewaard, waarbij ambtenaren aan van Maanen of aan
Gogel verslag doen van de moeilijkheden waarin zij verkeeren, en
daaronder drie van Canneman zelf. „De positie der publieke ambtenaren is
belabberd in deze conjoncture”, is het thema van een brief van hem van den
18den aan zijn chef Gogel 578). Den 19den schrijft hij hem: „Uit vele
bijzonderheden is op te maken, dat de Franschen geen plan hebben om
terug te keeren. Hier als elders hebben zij alles in confusie gelaten, wie zal
de boel aanpakken? Het verwondert mij, dat het provisioneel gouvernement
nog geen orders gegeven heeft, want specie is altoos de eerste
behoefte... 579)”. Die zoo schrijft is in de beste stemming om een bevel te
ontvangen; Canneman heeft het zelfs niet afgewacht, maar zich zelf 20 Nov.
tot Gijsbert Karel gewend met een opwekking tot het vestigen eener
regeering en inrichting eener volkswapening; „nu maar alles opgezet”, is
zijn gedachtengang geweest, „om de Franschen er beslist uit te houden 580)”.
Naar aanleiding van zijn stuk, laat G. K. hem 21 Nov. roepen 581) en biedt
hem het opperbestuur der financiën aan. Canneman's persoonlijke
verhouding tot Gogel laat niet toe, zulk een post aan te nemen zoolang
Gogel zelf dien niet geweigerd heeft; hij stelt dus een oproepingsbrief aan
Gogel die door G. K. wordt geteekend 582). Als den 23sten Gogel's bericht is
ontvangen dat hij op die oproeping „de orders vraagt van het (Fransche)
Page 387
gouvernement”, wordt Canneman 24 Nov. benoemd tot „commissaris voor
de financiën, om ons bij alle voorkomende zaken van advies te dienen 583)”,
en 29 Nov., op een door hemzelf geschreven instructie, tot commissaris-
generaal van financiën 584). Een overleg met Hogendorp omtrent de
wederinvoering van het oude tarief brengt hem 30 Nov. op diens
studeerkamer, op het belangrijk oogenblik der nadering van den Prins 585).
Voor oorlog en marine zien wij 18 Nov. Bentinck van Buckhorst
aangewezen, van wien Hogendorp in den zomer van 1813 „een belangrijk
bezoek” ontvangen had; „wandelende in mijnen tuin gaf hij mij ongemeen
veel licht door losse woorden, met dat onbepaald vertrouwen, welk de
vrienden van het Vaderland toen aan elkander bond” 586). Bentinck was toen
juist uit de gevangenis ontslagen, waarin de Fransche politie hem geworpen
had wegens de onderschepping van een brief, waarbij Willem VI hem
kennis gaf van zijn vertrek naar Engeland 587). De Russen hadden hem kort
na hun verschijning te Zwolle tot gouverneur van Overijsel aangesteld,
waar hij zich nu vooralsnog onmisbaar hield. Dat hij op het lijstje van 21
Nov. niet voorkomt beteekent niet dat Gijsbert Karel hem niet langer tot
minister bestemde; dat lijstje is er een van oogenblikkelijk te doene
aanstellingen, en Bentinck was nog niet aanwezig.
Onder hem worden op het lijstje van 18 Nov. aangewezen de gewezen
majoor C. F. de Jonge als commissaris van oorlog en de gewezen kapitein
ter zee Job May als commissaris van marine. De Jonge was de broeder van
F. C. de Jonge, het weldra naar Engeland uitgeweken lid van het Haagsche
opstandscomité. De hem op het lijstje van 21 Nov. wederom toegedachte
bestemming van commissaris van oorlog wordt tenzelfden dage vervangen
door eene benoeming tot „generaal van het leger tegen Utrecht”, in welke
kwaliteit hij te Woerden in den vroegen morgen van den 24sten de bekende
nederlaag lijdt. Het A.B. heeft hem toen 25 Nov. inderdaad tot commissaris
van oorlog benoemd en Krayenhoff tot generaal van het leger tegen Utrecht;
daar Kemper en Scholten echter meenen, Krayenhoff te Amsterdam te
moeten houden, blijft de Jonge in zijn commando en treedt niet aan het
hoofd van het bureau van oorlog op, dat inmiddels toch gevormd wordt
onder van Stirum, bijgestaan (zonder titel) door Piepers, den gewezen
secretaris-generaal van het oorlogsdepartement onder koning Lodewijk 588).
Den 29sten Nov. wordt Bentinck van Buckhorst formeel benoemd tot
de financiën, om ons bij alle voorkomende zaken van advies te dienen 583)”,
en 29 Nov., op een door hemzelf geschreven instructie, tot commissaris-
generaal van financiën 584). Een overleg met Hogendorp omtrent de
wederinvoering van het oude tarief brengt hem 30 Nov. op diens
studeerkamer, op het belangrijk oogenblik der nadering van den Prins 585).
Voor oorlog en marine zien wij 18 Nov. Bentinck van Buckhorst
aangewezen, van wien Hogendorp in den zomer van 1813 „een belangrijk
bezoek” ontvangen had; „wandelende in mijnen tuin gaf hij mij ongemeen
veel licht door losse woorden, met dat onbepaald vertrouwen, welk de
vrienden van het Vaderland toen aan elkander bond” 586). Bentinck was toen
juist uit de gevangenis ontslagen, waarin de Fransche politie hem geworpen
had wegens de onderschepping van een brief, waarbij Willem VI hem
kennis gaf van zijn vertrek naar Engeland 587). De Russen hadden hem kort
na hun verschijning te Zwolle tot gouverneur van Overijsel aangesteld,
waar hij zich nu vooralsnog onmisbaar hield. Dat hij op het lijstje van 21
Nov. niet voorkomt beteekent niet dat Gijsbert Karel hem niet langer tot
minister bestemde; dat lijstje is er een van oogenblikkelijk te doene
aanstellingen, en Bentinck was nog niet aanwezig.
Onder hem worden op het lijstje van 18 Nov. aangewezen de gewezen
majoor C. F. de Jonge als commissaris van oorlog en de gewezen kapitein
ter zee Job May als commissaris van marine. De Jonge was de broeder van
F. C. de Jonge, het weldra naar Engeland uitgeweken lid van het Haagsche
opstandscomité. De hem op het lijstje van 21 Nov. wederom toegedachte
bestemming van commissaris van oorlog wordt tenzelfden dage vervangen
door eene benoeming tot „generaal van het leger tegen Utrecht”, in welke
kwaliteit hij te Woerden in den vroegen morgen van den 24sten de bekende
nederlaag lijdt. Het A.B. heeft hem toen 25 Nov. inderdaad tot commissaris
van oorlog benoemd en Krayenhoff tot generaal van het leger tegen Utrecht;
daar Kemper en Scholten echter meenen, Krayenhoff te Amsterdam te
moeten houden, blijft de Jonge in zijn commando en treedt niet aan het
hoofd van het bureau van oorlog op, dat inmiddels toch gevormd wordt
onder van Stirum, bijgestaan (zonder titel) door Piepers, den gewezen
secretaris-generaal van het oorlogsdepartement onder koning Lodewijk 588).
Den 29sten Nov. wordt Bentinck van Buckhorst formeel benoemd tot
Page 388
commissaris-generaal van oorlog, en tot hij uit Overijsel over zal komen de
waarneming van het departement opgedragen aan de Jonge, die 30 Nov.
aanschrijving krijgt, zijn bevel te Leiden over te dragen aan den in rang
volgenden officier, gelijk hij 1 Dec. doet; hij is echter nimmer in zijn post
van waarnemend minister opgetreden, maar 6 Dec. met een nieuw
commando te Alkmaar, tegen Verhuell belast. Onderwijl heeft van Stirum
het departement van oorlog waargenomen tot de komst van Bentinck op 12
December.
Job May, zoowel 18 als 21 Nov. tot commissaris van marine bestemd, is
niet als zoodanig opgetreden; hij verschijnt 21 Nov. in den Haag maar
wordt den volgenden dag uitgezonden om de Engelsche oorlogsschepen, die
in zee mochten zijn, naar de Maas te dirigeeren. Deze zending brengt hem
tot in Engeland, vanwaar hij in December terugkeert om dan den post op
zich te nemen van secretaris-generaal van het inmiddels (7 Dec.) opgerichte
departement van marine onder van der Hoop. Dat deze de benoeming
aannam was eigenlijk een tegenvaller; de Vorst meende hem niet voorbij te
kunnen gaan maar was niet aangenaam verrast toen op Falck's polsingsbrief
per omgaande een toestemmend antwoord inliep. 589) Canneman had Falck
zelven den aangewezen minister van marine genoemd (hij was secretaris-
generaal van dit departement geweest onder Lodewijk), en Falck zou bij
weigering van van der Hoop de benoeming wel niet zijn ontloopen, daar de
Vorst Falck's naam onder zijn besluiten (om de woorden van G. K. te
gebruiken) 590) aanvankelijk „te gemeen” vond, en eigenlijk den nog in
Engeland verblijvenden Jacob Fagel tot Algemeenen Secretaris van Staat
doodverfde. Toen deze echter, uit Engeland terug, gansch niet belust bleek
op dien drukken post, nam de Vorst Falck voor goed aan, wiens
buitengemeene talenten hij onderwijl had leeren op prijs stellen.
Zoowel op 18 als op 21 Nov. neemt G. K. zich voor, een departement van
binnenlandsche zaken in te richten. De naam van den titularis is 18 Nov.
niet ingevuld; voor een voorloopige benoeming brengt G. K. 21 Nov. in
aanmerking Changuion, den eenige van het comité van 17 Nov., die, met
van der Duyn, hem onder alle omstandigheden was trouw gebleven.
Changuion was een even bescheiden als standvastig man, en kende zich tot
den post niet geschikt. Hij vergenoegde zich het Bestuur tot de aankomst
van Falck als secretaris te dienen, en is vervolgens 29 Nov. benoemd tot
waarneming van het departement opgedragen aan de Jonge, die 30 Nov.
aanschrijving krijgt, zijn bevel te Leiden over te dragen aan den in rang
volgenden officier, gelijk hij 1 Dec. doet; hij is echter nimmer in zijn post
van waarnemend minister opgetreden, maar 6 Dec. met een nieuw
commando te Alkmaar, tegen Verhuell belast. Onderwijl heeft van Stirum
het departement van oorlog waargenomen tot de komst van Bentinck op 12
December.
Job May, zoowel 18 als 21 Nov. tot commissaris van marine bestemd, is
niet als zoodanig opgetreden; hij verschijnt 21 Nov. in den Haag maar
wordt den volgenden dag uitgezonden om de Engelsche oorlogsschepen, die
in zee mochten zijn, naar de Maas te dirigeeren. Deze zending brengt hem
tot in Engeland, vanwaar hij in December terugkeert om dan den post op
zich te nemen van secretaris-generaal van het inmiddels (7 Dec.) opgerichte
departement van marine onder van der Hoop. Dat deze de benoeming
aannam was eigenlijk een tegenvaller; de Vorst meende hem niet voorbij te
kunnen gaan maar was niet aangenaam verrast toen op Falck's polsingsbrief
per omgaande een toestemmend antwoord inliep. 589) Canneman had Falck
zelven den aangewezen minister van marine genoemd (hij was secretaris-
generaal van dit departement geweest onder Lodewijk), en Falck zou bij
weigering van van der Hoop de benoeming wel niet zijn ontloopen, daar de
Vorst Falck's naam onder zijn besluiten (om de woorden van G. K. te
gebruiken) 590) aanvankelijk „te gemeen” vond, en eigenlijk den nog in
Engeland verblijvenden Jacob Fagel tot Algemeenen Secretaris van Staat
doodverfde. Toen deze echter, uit Engeland terug, gansch niet belust bleek
op dien drukken post, nam de Vorst Falck voor goed aan, wiens
buitengemeene talenten hij onderwijl had leeren op prijs stellen.
Zoowel op 18 als op 21 Nov. neemt G. K. zich voor, een departement van
binnenlandsche zaken in te richten. De naam van den titularis is 18 Nov.
niet ingevuld; voor een voorloopige benoeming brengt G. K. 21 Nov. in
aanmerking Changuion, den eenige van het comité van 17 Nov., die, met
van der Duyn, hem onder alle omstandigheden was trouw gebleven.
Changuion was een even bescheiden als standvastig man, en kende zich tot
den post niet geschikt. Hij vergenoegde zich het Bestuur tot de aankomst
van Falck als secretaris te dienen, en is vervolgens 29 Nov. benoemd tot
Page 389
commissaris bij de te dien dage gelande Engelsche hulptroepen. Onderwijl
bracht Canneman 591) Hendrik van Stralen aan voor den post van
commissaris-generaal van binnenlandsche zaken; hij is er 1 Dec. toe
benoemd. Dit departement omvat ook den waterstaat 592), die echter 8 Jan.
1814 door den S. V. weder zelfstandig gemaakt is en in April tot een
ministerieel departement werd verheven. „De C.-G.” heet het in het besluit
van 1 Dec., „zal zorg dragen dat de eeredienst, het hooger en lager
onderwijs, de kunsten en wetenschappen, de geneeskundige staatsregeling,
de landbouw, de fabrieken en trafieken, het armwezen, provisioneel beheerd
blijven op den tegenwoordigen voet” 593). Op de vergadering van den 18den
had Hogendorp zich over de medewerking van van Stralen niet zeer te
verheugen gehad, die toen met den onsterfelijken voorslag gekomen was,
Hogendorp's voorstellen...... „commissoriaal te maken”! 594) Doch dit was
geschied om zijn bezwaar tegen Hogendorp's opzet: „moest er tegen
regeeringloosheid worden gezorgd, dan behoorde daaromtrent te worden
gehandeld met notabele leden zonder onderscheid van staatkundige of
godsdienstige gevoelens” 595). Minder te verdedigen was zijn houding
geweest den 20sten, toen aan die voorwaarde voldaan was: ook toen had hij
niet dan uitstel weten te pleiten 596). Maar Hogendorp hield niemand zijn
houding op dien dag na, tevreden zoo zij medewerken wilden nu het A. B.
er was. Van Stralen was iemand die reeds tijdens Schimmelpenninck wel
met de nieuwe beginselen van regeeringsbeleid verzoend was geraakt, maar
in zijn persoonlijk optreden nog alles van de oude breedsprakige
regentengewichtigheid had behouden, zoodat het niet verwonderen kan dat
Canneman liever Capellen zou hebben gehad, ware deze reeds beschikbaar
geweest. Wij hebben reeds vermeld dat ambtenaren van d'Alphonse's
bureau naar den Haag waren ontboden, zoodat van Stralen aanstonds goede
en met de administratie der laatste jaren vertrouwde hulp had.
Tot secretaris van de Staten-Generaal had G. K. den 18den Falck
bestemd, geen oud-regent, maar plachten ook niet tijdens de Republiek juist
door de poort der penvoerderij homines novi hun intrede te doen in den
geheiligden kring? Hogendorp had Falck nooit ontmoet, maar had reeds
eenigen tijd verstandhouding met hem door Repelaer, een zwager van
Falck's zwager Singendonck, die vóór 15 Nov. eenige malen tusschen den
Haag en Amsterdam heen en weer ging 597). Repelaer, staatsraad onder
bracht Canneman 591) Hendrik van Stralen aan voor den post van
commissaris-generaal van binnenlandsche zaken; hij is er 1 Dec. toe
benoemd. Dit departement omvat ook den waterstaat 592), die echter 8 Jan.
1814 door den S. V. weder zelfstandig gemaakt is en in April tot een
ministerieel departement werd verheven. „De C.-G.” heet het in het besluit
van 1 Dec., „zal zorg dragen dat de eeredienst, het hooger en lager
onderwijs, de kunsten en wetenschappen, de geneeskundige staatsregeling,
de landbouw, de fabrieken en trafieken, het armwezen, provisioneel beheerd
blijven op den tegenwoordigen voet” 593). Op de vergadering van den 18den
had Hogendorp zich over de medewerking van van Stralen niet zeer te
verheugen gehad, die toen met den onsterfelijken voorslag gekomen was,
Hogendorp's voorstellen...... „commissoriaal te maken”! 594) Doch dit was
geschied om zijn bezwaar tegen Hogendorp's opzet: „moest er tegen
regeeringloosheid worden gezorgd, dan behoorde daaromtrent te worden
gehandeld met notabele leden zonder onderscheid van staatkundige of
godsdienstige gevoelens” 595). Minder te verdedigen was zijn houding
geweest den 20sten, toen aan die voorwaarde voldaan was: ook toen had hij
niet dan uitstel weten te pleiten 596). Maar Hogendorp hield niemand zijn
houding op dien dag na, tevreden zoo zij medewerken wilden nu het A. B.
er was. Van Stralen was iemand die reeds tijdens Schimmelpenninck wel
met de nieuwe beginselen van regeeringsbeleid verzoend was geraakt, maar
in zijn persoonlijk optreden nog alles van de oude breedsprakige
regentengewichtigheid had behouden, zoodat het niet verwonderen kan dat
Canneman liever Capellen zou hebben gehad, ware deze reeds beschikbaar
geweest. Wij hebben reeds vermeld dat ambtenaren van d'Alphonse's
bureau naar den Haag waren ontboden, zoodat van Stralen aanstonds goede
en met de administratie der laatste jaren vertrouwde hulp had.
Tot secretaris van de Staten-Generaal had G. K. den 18den Falck
bestemd, geen oud-regent, maar plachten ook niet tijdens de Republiek juist
door de poort der penvoerderij homines novi hun intrede te doen in den
geheiligden kring? Hogendorp had Falck nooit ontmoet, maar had reeds
eenigen tijd verstandhouding met hem door Repelaer, een zwager van
Falck's zwager Singendonck, die vóór 15 Nov. eenige malen tusschen den
Haag en Amsterdam heen en weer ging 597). Repelaer, staatsraad onder
Page 390
Lodewijk Napoleon, kende Falck's reeds toen vermaarde buitengemeene
penvaardigheid 598), en uit Singendonck vernam men zijn goeden geest en
voornemen, om te Amsterdam te doen wat hij kon. Het optreden der
provisioneele regeering in de groote stad is dan ook bovenal Falck's werk
geweest, maar hij wist dat lichaam niet met zijn eigen voortvarendheid te
bezielen. Grootendeels was het vrees voor Molitor die de Amsterdammers
weerhield, kleur te bekennen; gedeeltelijk ook wantrouwen in „het
Haagsche werk”. Uit wat hij van Singendonck vernam, was het ook Falck
reeds vóór den opstand duidelijk geworden dat hij van Hogendorp in
denkbeelden veel verschilde en diens plannen niet geheel zou kunnen
ondersteunen. Het amalgama van partijen waartegen Hogendorp geen
bezwaar had mits het geschiedde onder den zegen zijner Staten-Generaal,
had Falck in zijn Amsterdamsche regeering aanstonds tot stand gebracht.
„Vereeniging van alle weldenkenden welke ook de Staatspartij wezen mogt
waartoe men vroeger behoord had, was bij Hogendorp, evenzeer als bij ons
te Amsterdam, een voornaam oogmerk: maar tengevolge van dat gebrek aan
menschenkennis dat zijne uitmuntende gaven en zuivere bedoelingen zoo
dikwijls nutteloos heeft gemaakt voor de maatschappij, had hij èn zich
zelven èn zijn Haagsche medestanders overreed dat dit doel bereikbaar
zoude zijn ook zonder een onverwijld en onmiddellijk ineenslaan aller
handen 599)”. Het geviel echter dat toen Falck op de vergadering van den
18den verscheen, hij Hogendorp op dit punt niet sterk meer behoefde tegen
te spreken: het Staten-Generaalplan was door de flauwhartigheid der
opgeroepen regenten toen reeds van zelf verdwenen. Daarentegen viel hij
Hogendorp bij in alles wat strekken kon om den opstand zelf door te zetten
en algemeen te maken, en keerde naar Amsterdam terug in den hoop deze
stad tot toetreding te zullen bewegen, zoodra uit de vergadering van 20 Nov.
een algemeene landsregeering, uit prinsgezinden en patriotten
samengesteld, was voortgekomen. Daar hij vóór zijn vertrek wist dat tot die
vergadering zijn vrienden Kemper en Elout zouden worden genoodigd, zal
hij het minder betreurd hebben, toen den 19den bleek dat hij daar zelf niet
aanwezig kon zijn: de Amsterdammers, in vrees voor Molitor bevangen,
waren „volstrekt onbeweegbaar”, en liever dan van hun stemming verslag te
moeten doen, bleef hij geheel weg 600). Doch ook Kemper en Elout hadden
den 20sten geen wonderen verricht; het allegaartje bleek geen zier moediger
dan de oude heeren van twee dagen geleden. Nu bleek eindelijk dat nòch in
penvaardigheid 598), en uit Singendonck vernam men zijn goeden geest en
voornemen, om te Amsterdam te doen wat hij kon. Het optreden der
provisioneele regeering in de groote stad is dan ook bovenal Falck's werk
geweest, maar hij wist dat lichaam niet met zijn eigen voortvarendheid te
bezielen. Grootendeels was het vrees voor Molitor die de Amsterdammers
weerhield, kleur te bekennen; gedeeltelijk ook wantrouwen in „het
Haagsche werk”. Uit wat hij van Singendonck vernam, was het ook Falck
reeds vóór den opstand duidelijk geworden dat hij van Hogendorp in
denkbeelden veel verschilde en diens plannen niet geheel zou kunnen
ondersteunen. Het amalgama van partijen waartegen Hogendorp geen
bezwaar had mits het geschiedde onder den zegen zijner Staten-Generaal,
had Falck in zijn Amsterdamsche regeering aanstonds tot stand gebracht.
„Vereeniging van alle weldenkenden welke ook de Staatspartij wezen mogt
waartoe men vroeger behoord had, was bij Hogendorp, evenzeer als bij ons
te Amsterdam, een voornaam oogmerk: maar tengevolge van dat gebrek aan
menschenkennis dat zijne uitmuntende gaven en zuivere bedoelingen zoo
dikwijls nutteloos heeft gemaakt voor de maatschappij, had hij èn zich
zelven èn zijn Haagsche medestanders overreed dat dit doel bereikbaar
zoude zijn ook zonder een onverwijld en onmiddellijk ineenslaan aller
handen 599)”. Het geviel echter dat toen Falck op de vergadering van den
18den verscheen, hij Hogendorp op dit punt niet sterk meer behoefde tegen
te spreken: het Staten-Generaalplan was door de flauwhartigheid der
opgeroepen regenten toen reeds van zelf verdwenen. Daarentegen viel hij
Hogendorp bij in alles wat strekken kon om den opstand zelf door te zetten
en algemeen te maken, en keerde naar Amsterdam terug in den hoop deze
stad tot toetreding te zullen bewegen, zoodra uit de vergadering van 20 Nov.
een algemeene landsregeering, uit prinsgezinden en patriotten
samengesteld, was voortgekomen. Daar hij vóór zijn vertrek wist dat tot die
vergadering zijn vrienden Kemper en Elout zouden worden genoodigd, zal
hij het minder betreurd hebben, toen den 19den bleek dat hij daar zelf niet
aanwezig kon zijn: de Amsterdammers, in vrees voor Molitor bevangen,
waren „volstrekt onbeweegbaar”, en liever dan van hun stemming verslag te
moeten doen, bleef hij geheel weg 600). Doch ook Kemper en Elout hadden
den 20sten geen wonderen verricht; het allegaartje bleek geen zier moediger
dan de oude heeren van twee dagen geleden. Nu bleek eindelijk dat nòch in
Page 391
een regentenbewind qua talis, nòch in een pijnlijk afgewogen politiek
amalgama qua talis, heil gelegen was, maar slechts in het naar voren treden
van mannen die verantwoordelijkheid aandurfden en door daden toonen
zouden dat zij niets dan het nationaal belang bedoelden. Die mannen zijn
Hogendorp en van der Duyn geweest, en zoowel oud-oranjelui als oud-
patriotten hebben zich onder hen geschaard: van Stirum en Changuion en
Fannius Scholten, maar ook Canneman en Kemper en Falck.
De oproeping om zich als secretaris bij het A.B. te vervoegen kwam den
22sten in zijn handen. Hij gaf er niet aanstonds gevolg aan. Er was op het
oogenblik iets dringenders te doen: Amsterdam om te zetten. In overleg met
den naar die stad overgekomen van der Duyn en zijn metgezel Fannius
Scholten besluit Falck een laatste poging te doen tot overreding der
provisioneelen; als die mislukt doordat de commandant der nationale garde,
van Brienen, hem niet ondersteunt, moet er op dwang worden gezind.
Daartoe zijn wel middelen voorhanden. Op zijn eigen compagnie kan Falck
vertrouwen, ook wel op enkele medeofficieren. Als zij weten dat het voor
Oranje gaat, zullen de Bijltjes zich niet onbetuigd laten, en het patriotsche
Doctrina, waar de kern van den Amsterdamschen middenstand vergadert,
van Hall, Wiselius en de hunnen, zegt dat het van die leus niet zal
verschrikken, nu die, naar Scholten's verzekering, niet leiden zal tot een
stadhouderlijke restauratie, maar tot het constitutioneele koningschap.
Valckenaer heeft zijne vindingrijkheid, Krayenhoff zijn militaire ervaring,
ten behoeve van iedere energieke poging gereed. Den 23sten begeeft zich
Falck naar den Haag, om van de hoopvolle verwachting kennis te geven.
Als hij aankomt, hoort hij dat Kemper en Scholten reeds als commissarissen
van het Bestuur naar Amsterdam vertrokken zijn; hij keert nu terug om
hunne pogingen met zijne compagnie de noodige kracht te kunnen bijzetten.
Na een laatste overleg met Valckenaer laat hij haar aantreden op het
Koningsplein en begeeft zich naar het hôtel waar Kemper en Scholten
gelogeerd zijn, om hun kennis te geven dat hij tot hun beschikking staat
voor de „onaangename middelen” waarmede de Amsterdamsche Raad
alleen tot rede kan worden gebracht 601). Onderweg stuit hij op het troepje
kozakken, dat thans de eer genoot van der Hoop c.s. de schroomvalligheid
te doen afleggen die beraden Hollanders gereed stonden hun uit te kloppen.
amalgama qua talis, heil gelegen was, maar slechts in het naar voren treden
van mannen die verantwoordelijkheid aandurfden en door daden toonen
zouden dat zij niets dan het nationaal belang bedoelden. Die mannen zijn
Hogendorp en van der Duyn geweest, en zoowel oud-oranjelui als oud-
patriotten hebben zich onder hen geschaard: van Stirum en Changuion en
Fannius Scholten, maar ook Canneman en Kemper en Falck.
De oproeping om zich als secretaris bij het A.B. te vervoegen kwam den
22sten in zijn handen. Hij gaf er niet aanstonds gevolg aan. Er was op het
oogenblik iets dringenders te doen: Amsterdam om te zetten. In overleg met
den naar die stad overgekomen van der Duyn en zijn metgezel Fannius
Scholten besluit Falck een laatste poging te doen tot overreding der
provisioneelen; als die mislukt doordat de commandant der nationale garde,
van Brienen, hem niet ondersteunt, moet er op dwang worden gezind.
Daartoe zijn wel middelen voorhanden. Op zijn eigen compagnie kan Falck
vertrouwen, ook wel op enkele medeofficieren. Als zij weten dat het voor
Oranje gaat, zullen de Bijltjes zich niet onbetuigd laten, en het patriotsche
Doctrina, waar de kern van den Amsterdamschen middenstand vergadert,
van Hall, Wiselius en de hunnen, zegt dat het van die leus niet zal
verschrikken, nu die, naar Scholten's verzekering, niet leiden zal tot een
stadhouderlijke restauratie, maar tot het constitutioneele koningschap.
Valckenaer heeft zijne vindingrijkheid, Krayenhoff zijn militaire ervaring,
ten behoeve van iedere energieke poging gereed. Den 23sten begeeft zich
Falck naar den Haag, om van de hoopvolle verwachting kennis te geven.
Als hij aankomt, hoort hij dat Kemper en Scholten reeds als commissarissen
van het Bestuur naar Amsterdam vertrokken zijn; hij keert nu terug om
hunne pogingen met zijne compagnie de noodige kracht te kunnen bijzetten.
Na een laatste overleg met Valckenaer laat hij haar aantreden op het
Koningsplein en begeeft zich naar het hôtel waar Kemper en Scholten
gelogeerd zijn, om hun kennis te geven dat hij tot hun beschikking staat
voor de „onaangename middelen” waarmede de Amsterdamsche Raad
alleen tot rede kan worden gebracht 601). Onderweg stuit hij op het troepje
kozakken, dat thans de eer genoot van der Hoop c.s. de schroomvalligheid
te doen afleggen die beraden Hollanders gereed stonden hun uit te kloppen.
Page 392
Zoodra Utrecht ontruimd was zeide Falck den schutterlijken dienst
vaarwel en ging zijn post innemen bij het Bestuur (28 Nov.). Changuion had
secretariaat gehouden zoo goed het ging, in het beneden zijkamertje van
Hogendorp's huis, tegelijk „tot zoeten inval strekkende aan allen die belust
waren op eenig nieuws, en ook tot wachtplaats voor hen, die aan het
Bestuur iets te berigten of voor te stellen hadden” 602). Falck nam wat er aan
papieren was, van hem over, en vestigde zijn bureau in het logement van
Rotterdam op het Plein, waar hij van den 29sten af zetelt. Onmiddellijk
vallen nu in de zaken van het Bestuur eene regelmaat en snelheid van
afdoening op, die tot dusver uit verklaarbare oorzaken hadden ontbroken.
Het eerste werk waaraan hij zich zet, is de organisatie der departementen
van algemeen bestuur; 29 Nov. worden financiën en oorlog ingericht, 1
Dec. binnenlandsche zaken. Falck's titel is: „Algemeen Secretaris van het
Bestuur”.
De aanstelling van A. Hoynck van Papendrecht, oud-baljuw van Zuid-
Holland, tot commissaris-generaal van politie, is van 30 Nov. Het is geheel
een tijdelijke maatregel. Van uit Gorkum waren nog herhaaldelijk
aanschrijvingen door de Fransche autoriteiten gedaan; men had op
verdachten te letten en het briefverkeer te bewaken. Er waren bij de
Franschen ook Hollanders als politie-ambtenaren aangesteld geweest,
waarvan sommigen thans den opstand dienden als de bekende Ampt in den
Haag, een man die door zijn tijdigen overgang een oogenblik een
importantie kreeg ver boven zijn bekwaamheden. Hij was alleen voor
plaatselijken dienst geschikt doch had, na 23 Nov. te zijn aangesteld tot
„directeur van politie in het ressort van den Haag”, den 25sten den titel
verkregen van „provisioneel intendant-generaal van politie”, daar men de
behoefte gevoelde aan een centraal punt. Hij wordt nu 30 Nov. tot zijn niet
geringe woede vervangen door iemand van hooger maatschappelijken rang,
oud-rechterlijk ambtenaar. Handhaving der politie als een zelfstandig
Staatsdepartement heeft nimmer in de bedoeling gelegen; 2 Febr. 1814
reeds keert men tot de vaderlandsche traditie terug door de algemeene
politie ondergeschikt te maken aan den procureur-generaal.
Summa summarum mag men vaststellen, dat reeds vóór de Prins de
regeering aanvaardde, alle belangrijke takken van algemeen bestuur
benevens de justitie in handen waren van lieden òf na de revolutie
vaarwel en ging zijn post innemen bij het Bestuur (28 Nov.). Changuion had
secretariaat gehouden zoo goed het ging, in het beneden zijkamertje van
Hogendorp's huis, tegelijk „tot zoeten inval strekkende aan allen die belust
waren op eenig nieuws, en ook tot wachtplaats voor hen, die aan het
Bestuur iets te berigten of voor te stellen hadden” 602). Falck nam wat er aan
papieren was, van hem over, en vestigde zijn bureau in het logement van
Rotterdam op het Plein, waar hij van den 29sten af zetelt. Onmiddellijk
vallen nu in de zaken van het Bestuur eene regelmaat en snelheid van
afdoening op, die tot dusver uit verklaarbare oorzaken hadden ontbroken.
Het eerste werk waaraan hij zich zet, is de organisatie der departementen
van algemeen bestuur; 29 Nov. worden financiën en oorlog ingericht, 1
Dec. binnenlandsche zaken. Falck's titel is: „Algemeen Secretaris van het
Bestuur”.
De aanstelling van A. Hoynck van Papendrecht, oud-baljuw van Zuid-
Holland, tot commissaris-generaal van politie, is van 30 Nov. Het is geheel
een tijdelijke maatregel. Van uit Gorkum waren nog herhaaldelijk
aanschrijvingen door de Fransche autoriteiten gedaan; men had op
verdachten te letten en het briefverkeer te bewaken. Er waren bij de
Franschen ook Hollanders als politie-ambtenaren aangesteld geweest,
waarvan sommigen thans den opstand dienden als de bekende Ampt in den
Haag, een man die door zijn tijdigen overgang een oogenblik een
importantie kreeg ver boven zijn bekwaamheden. Hij was alleen voor
plaatselijken dienst geschikt doch had, na 23 Nov. te zijn aangesteld tot
„directeur van politie in het ressort van den Haag”, den 25sten den titel
verkregen van „provisioneel intendant-generaal van politie”, daar men de
behoefte gevoelde aan een centraal punt. Hij wordt nu 30 Nov. tot zijn niet
geringe woede vervangen door iemand van hooger maatschappelijken rang,
oud-rechterlijk ambtenaar. Handhaving der politie als een zelfstandig
Staatsdepartement heeft nimmer in de bedoeling gelegen; 2 Febr. 1814
reeds keert men tot de vaderlandsche traditie terug door de algemeene
politie ondergeschikt te maken aan den procureur-generaal.
Summa summarum mag men vaststellen, dat reeds vóór de Prins de
regeering aanvaardde, alle belangrijke takken van algemeen bestuur
benevens de justitie in handen waren van lieden òf na de revolutie
Page 393
opgekomen òf met de resultaten der revolutie in vroeger ambt vertrouwen
geraakt: Canneman, Piepers, van Stralen, van Maanen; terwijl het algemeen
secretariaat mede aan een man van na '95 was toevertrouwd.
Eedgenooten (hiervóór, bl. 271).—Dit woord is veel te deftig voor de
zaak. Hogendorp's „losse woorden op een wandeling in den tuin” klinkt
veel echter 603).
Meer de naam en gezindheid, dan de kunde (hiervóór, bl. 271).—Daar is
waars in, maar er is een nuance. De keus moest gedaan worden uit
officieren van vóór '95, want de andere waren er niet! De Hollanders die
onder Napoleon dienden waren mijlen ver, en—zij dienden Napoleon!
Hoogstens waren er eenige generaals uit Lodewijk's tijd, waar Napoleon
niet van had willen weten, zooals Bruce en van Sandick, thans beiden te
Leiden wonende. Hun gedrag aldaar op 22 Nov. toen zij niet te bewegen
waren hun diensten aan de goede zaak te verleenen, en den nieuwbakken
generaal de Jonge tegen zijn zin naar Woerden lieten trekken, doet niet
betreuren dat Hogendorp niet naar hen heeft omgezien. Dan was er
Krayenhoff, maar van diens gezindheid kon G. K. op den 18den niets
bekend zijn; het is de vraag, of zij het Krayenhoff zelf op dien dag reeds
was 604). Sommige militairen van vóór '95 zijn in den opstand goud waard
gebleken: van Stirum en Sweerts, maar de eerste had zijn aangewezen rol in
den Haag eerst als plaatselijk gouverneur, vervolgens als commandant-
generaal van den opstand en hoofddirecteur der algemeene wapening 605),
functiën waartoe hij even wel berekend is gebleken als hij het weinig heeten
mocht of wilde voor een ministerspost. Sweerts komt eerst 20 Nov. uit zijn
afgelegen landhuis in den Haag opdagen, en neemt dan aanstonds het
gewichtig commando tegen Gorkum op zich, waarin hij goed op zijn plaats
blijkt. Ik geloof niet dat G. K. uit het personeel dat hem 18 Nov. voor oogen
kon staan, een betere keus zou hebben kunnen treffen dan Bentinck, die een
goeden naam had zoowel om kunde als om karaktervastheid; hij had in
1794 met onderscheiding gediend, en men wist dat hij bij den Prins gunstig
bekend was. Hij is dan ook, toen hij eenmaal in functie was, vooral
tegengevallen om de buitengewone moeilijkheid waarin hij was geplaatst:
geraakt: Canneman, Piepers, van Stralen, van Maanen; terwijl het algemeen
secretariaat mede aan een man van na '95 was toevertrouwd.
Eedgenooten (hiervóór, bl. 271).—Dit woord is veel te deftig voor de
zaak. Hogendorp's „losse woorden op een wandeling in den tuin” klinkt
veel echter 603).
Meer de naam en gezindheid, dan de kunde (hiervóór, bl. 271).—Daar is
waars in, maar er is een nuance. De keus moest gedaan worden uit
officieren van vóór '95, want de andere waren er niet! De Hollanders die
onder Napoleon dienden waren mijlen ver, en—zij dienden Napoleon!
Hoogstens waren er eenige generaals uit Lodewijk's tijd, waar Napoleon
niet van had willen weten, zooals Bruce en van Sandick, thans beiden te
Leiden wonende. Hun gedrag aldaar op 22 Nov. toen zij niet te bewegen
waren hun diensten aan de goede zaak te verleenen, en den nieuwbakken
generaal de Jonge tegen zijn zin naar Woerden lieten trekken, doet niet
betreuren dat Hogendorp niet naar hen heeft omgezien. Dan was er
Krayenhoff, maar van diens gezindheid kon G. K. op den 18den niets
bekend zijn; het is de vraag, of zij het Krayenhoff zelf op dien dag reeds
was 604). Sommige militairen van vóór '95 zijn in den opstand goud waard
gebleken: van Stirum en Sweerts, maar de eerste had zijn aangewezen rol in
den Haag eerst als plaatselijk gouverneur, vervolgens als commandant-
generaal van den opstand en hoofddirecteur der algemeene wapening 605),
functiën waartoe hij even wel berekend is gebleken als hij het weinig heeten
mocht of wilde voor een ministerspost. Sweerts komt eerst 20 Nov. uit zijn
afgelegen landhuis in den Haag opdagen, en neemt dan aanstonds het
gewichtig commando tegen Gorkum op zich, waarin hij goed op zijn plaats
blijkt. Ik geloof niet dat G. K. uit het personeel dat hem 18 Nov. voor oogen
kon staan, een betere keus zou hebben kunnen treffen dan Bentinck, die een
goeden naam had zoowel om kunde als om karaktervastheid; hij had in
1794 met onderscheiding gediend, en men wist dat hij bij den Prins gunstig
bekend was. Hij is dan ook, toen hij eenmaal in functie was, vooral
tegengevallen om de buitengewone moeilijkheid waarin hij was geplaatst:
Page 394
een leger te voorschijn te roepen uit het niet, en in een zóó korten tijd dat
het, zooals de bondgenooten verlangden en ook ons eigen belang raadzaam
maakte, nog aan de verovering van België deel kon nemen. „Wordt er
beweerd dat hij niet voldaan heeft”, schrijft Falck, „men bedenke, alvorens
liefdeloos te oordeelen, wat het zeggen wil uit zoo ongelijksoortige
bestanddeelen als zich bij ons opdeden een leger met zijn toebehooren te
vormen, en dat een man talenten hebben kan van geen gewonen stempel
zonder juist berekend te zijn voor een werk van dien omvang, en waarbij
niet eens ruimte van tijd gegund werd” 606).
Dit voor de keus van Bentinck—op 18 Nov. Intusschen werd kort daarna
in den Haag bekend dat hij als gouverneur van Overijsel was opgetreden
onder de Russen. Als zoodanig nam hij tegenover de Haagsche heeren een
zeer zelfstandige houding aan; hij wilde zich volstrekt niet onder het A.B.
schikken, integendeel als de volkomen gelijke van dat Bestuur beschouwd
worden tot de Prins in het land zou zijn 607). Juist deze omstandigheid droeg
er toe bij, dat hij ondanks zijn afwezigheid 29 Nov. zonder verder verwijl
tot commissaris-generaal van oorlog benoemd werd; men hoopte op deze
wijze hem naar den Haag te lokken, en zoo te voorkomen dat zijn voorbeeld
een ongunstigen invloed had op Friesland en Groningen, die ook nog
aarzelden zich bij het A. B. aan te sluiten. Tegelijk met Bentinck's
aanstelling werden twee commissarissen benoemd om de provincie
Overijsel op naam van het A. B. van hem over te nemen 608). Hij weigerde
ze te erkennen en beschouwde ook zijn aanstelling tot commissaris-generaal
als nul en van geener waarde 609). Eerst toen de Vorst de aanschrijving van
het Bestuur herhaalde heeft hij zich onderworpen en is naar den Haag
gekomen.
Secretaris van Staat voor Buitenlandsche Zaken (hiervóór, bl. 271).—Ten
onrechte is het voorgesteld 610) alsof dit een zeer zonderlinge benoeming
was van den Vorst en een man als G. K. natuurlijk Binnenlandsche Zaken
had moeten hebben. Ten eerste was dit departement al voorzien; maar
bovendien was de combinatie van zaken die G. K. nu in handen kreeg: 1o.
het presidiaat der commissie die over zijne Schets zou beraadslagen, en 2o.
de leiding der buitenlandsche betrekkingen van den pas herboren staat op
het, zooals de bondgenooten verlangden en ook ons eigen belang raadzaam
maakte, nog aan de verovering van België deel kon nemen. „Wordt er
beweerd dat hij niet voldaan heeft”, schrijft Falck, „men bedenke, alvorens
liefdeloos te oordeelen, wat het zeggen wil uit zoo ongelijksoortige
bestanddeelen als zich bij ons opdeden een leger met zijn toebehooren te
vormen, en dat een man talenten hebben kan van geen gewonen stempel
zonder juist berekend te zijn voor een werk van dien omvang, en waarbij
niet eens ruimte van tijd gegund werd” 606).
Dit voor de keus van Bentinck—op 18 Nov. Intusschen werd kort daarna
in den Haag bekend dat hij als gouverneur van Overijsel was opgetreden
onder de Russen. Als zoodanig nam hij tegenover de Haagsche heeren een
zeer zelfstandige houding aan; hij wilde zich volstrekt niet onder het A.B.
schikken, integendeel als de volkomen gelijke van dat Bestuur beschouwd
worden tot de Prins in het land zou zijn 607). Juist deze omstandigheid droeg
er toe bij, dat hij ondanks zijn afwezigheid 29 Nov. zonder verder verwijl
tot commissaris-generaal van oorlog benoemd werd; men hoopte op deze
wijze hem naar den Haag te lokken, en zoo te voorkomen dat zijn voorbeeld
een ongunstigen invloed had op Friesland en Groningen, die ook nog
aarzelden zich bij het A. B. aan te sluiten. Tegelijk met Bentinck's
aanstelling werden twee commissarissen benoemd om de provincie
Overijsel op naam van het A. B. van hem over te nemen 608). Hij weigerde
ze te erkennen en beschouwde ook zijn aanstelling tot commissaris-generaal
als nul en van geener waarde 609). Eerst toen de Vorst de aanschrijving van
het Bestuur herhaalde heeft hij zich onderworpen en is naar den Haag
gekomen.
Secretaris van Staat voor Buitenlandsche Zaken (hiervóór, bl. 271).—Ten
onrechte is het voorgesteld 610) alsof dit een zeer zonderlinge benoeming
was van den Vorst en een man als G. K. natuurlijk Binnenlandsche Zaken
had moeten hebben. Ten eerste was dit departement al voorzien; maar
bovendien was de combinatie van zaken die G. K. nu in handen kreeg: 1o.
het presidiaat der commissie die over zijne Schets zou beraadslagen, en 2o.
de leiding der buitenlandsche betrekkingen van den pas herboren staat op
Page 395
het oogenblik dat diens erkenning en het lot van België aan de orde moesten
komen, veel gewichtiger dan de opvolging, voor eenige maanden, van van
Stralen het in de omstandigheden van medio December 1813 met
mogelijkheid kon worden. Natuurlijk was alles provisioneel en nam G. K.
zich niet voor op den duur in dien post te blijven. Hij hoopte dat de
Grondwet hem het Raadpensionarisschap zou bezorgen en heeft later, als
vergoeding, ontvangen wat daar het dichtste bij kwam: het voorzitterschap
der Staten-Generaal vereenigd met het vice-voorzitterschap van den Raad
van State.
Verschil over de beginselen van Staatsbestuur (hiervóór, bl. 274).—Dit is
weer veel te deftig uitgedrukt. Waaruit is dat verschil in „beginselen” dan
gebleken? De zaak was lager bij den grond. „Wij waren nog niet aan het
einde der eerste maand”, schrijft Falck, „of het was voor mij al duidelijk dat
Z. H. noch met Canneman in zijn schik was noch met Heintje van Stralen.
Deze, te dier tijd door Changuion met den bijnaam van de Baker vereerd,
omdat hij een ieder met wien hij te doen had, den Prins niet uitgezonderd,
met zijne onmetelijke armen omvademde en als het ware inpakte onder de
breedsprakige verzekering, dat hij voor alles zorgen, den boel aan kant
helpen zoude—van Stralen, zeg ik, was Minister van Binnenlandsche Zaken
zonder dat iemand de eer of de verantwoordelijkheid wilde aannemen van
hem te hebben aanbevolen 611). In oogenblikken zoo oneindig kostbaar voor
het in orde brengen der algemeene zaken was hij gestadig in de weer voor
allerlei kleine belangen. Daar ik wel zag dat wij niet lang met hem
opgescheept zouden zijn, begon ik al vroeg de aandacht van Z. H. op Röell
te vestigen, door wiens keuze tot een Ministerie, om nu niet van de
aanwinst van zoo beproefde bekwaamheden te gewagen, te gemoet zou
worden gekomen aan het bezwaar dat de eerste stad van het land bij het
algemeen bestuur geen invloed of aanblijvenden woordvoerder had.
Canneman, namelijk, wilde men niet als Amsterdammer laten gelden, en de
Souverein was niet van zins hem lang aan het hoofd der Financiën te laten.
Zijne knapheid was onbetwistbaar, maar hij benadeelde zich zelven door al
te veel praten. Vluchtige denkbeelden werden dus geopperd waaraan
geenerhande gevolg gegeven werd; half bekookte ontwerpen van welke
men naderhand niets meer hoorde. Elk travail met den Prins wist hij wel te
komen, veel gewichtiger dan de opvolging, voor eenige maanden, van van
Stralen het in de omstandigheden van medio December 1813 met
mogelijkheid kon worden. Natuurlijk was alles provisioneel en nam G. K.
zich niet voor op den duur in dien post te blijven. Hij hoopte dat de
Grondwet hem het Raadpensionarisschap zou bezorgen en heeft later, als
vergoeding, ontvangen wat daar het dichtste bij kwam: het voorzitterschap
der Staten-Generaal vereenigd met het vice-voorzitterschap van den Raad
van State.
Verschil over de beginselen van Staatsbestuur (hiervóór, bl. 274).—Dit is
weer veel te deftig uitgedrukt. Waaruit is dat verschil in „beginselen” dan
gebleken? De zaak was lager bij den grond. „Wij waren nog niet aan het
einde der eerste maand”, schrijft Falck, „of het was voor mij al duidelijk dat
Z. H. noch met Canneman in zijn schik was noch met Heintje van Stralen.
Deze, te dier tijd door Changuion met den bijnaam van de Baker vereerd,
omdat hij een ieder met wien hij te doen had, den Prins niet uitgezonderd,
met zijne onmetelijke armen omvademde en als het ware inpakte onder de
breedsprakige verzekering, dat hij voor alles zorgen, den boel aan kant
helpen zoude—van Stralen, zeg ik, was Minister van Binnenlandsche Zaken
zonder dat iemand de eer of de verantwoordelijkheid wilde aannemen van
hem te hebben aanbevolen 611). In oogenblikken zoo oneindig kostbaar voor
het in orde brengen der algemeene zaken was hij gestadig in de weer voor
allerlei kleine belangen. Daar ik wel zag dat wij niet lang met hem
opgescheept zouden zijn, begon ik al vroeg de aandacht van Z. H. op Röell
te vestigen, door wiens keuze tot een Ministerie, om nu niet van de
aanwinst van zoo beproefde bekwaamheden te gewagen, te gemoet zou
worden gekomen aan het bezwaar dat de eerste stad van het land bij het
algemeen bestuur geen invloed of aanblijvenden woordvoerder had.
Canneman, namelijk, wilde men niet als Amsterdammer laten gelden, en de
Souverein was niet van zins hem lang aan het hoofd der Financiën te laten.
Zijne knapheid was onbetwistbaar, maar hij benadeelde zich zelven door al
te veel praten. Vluchtige denkbeelden werden dus geopperd waaraan
geenerhande gevolg gegeven werd; half bekookte ontwerpen van welke
men naderhand niets meer hoorde. Elk travail met den Prins wist hij wel te
Page 396
vullen met zaken van meer of minder aanbelang, maar zelden met die welke
Z. H. verwachtte of waarvoor hij gestemd was, en zoo kreeg zijn doen en
laten een schijn van wanorde, de fout die aan dat hooge kantoor van alle
fouten de onbehagelijkste was” 612).
Mollerus en Six waren oude kennissen van den Vorst: Mollerus vóór '95
als secretaris van den Raad van State met den toenmaligen Erfprins als
opperbevelhebber van het leger in gedurige aanraking; Six had dien
opperbevelhebber in den veldtocht van 1794 ter zijde gestaan als
commissaris der Staten-Generaal. Zij waren bij het uitbreken van den
opstand beiden in Franschen dienst, de eerste als directeur-generaal van
bruggen en wegen, de tweede als directeur der publieke schuld, en Kemper
en Scholten hadden vrij veel moeite gehad hen tot aansluiting bij het
Bestuur te bewegen. Beiden werden zeer duidelijk aangewezen in de
brochures die Valckenaer in December schrijven liet om Vorst en volk tegen
de gewezen Keizerlijke ambtenaren op te zetten 613). Die beweging liep
evenwel op niets uit; de leus: uitsluiting van Napoleonsdienaars, pakte niet,
en de Vorst was te minder geneigd er gehoor aan te geven, wijl zulk een
uitsluiting zoovelen treffen zou die hem persoonlijk van vroeger bekend
waren en als zoodanig hem aangenamer moesten zijn dan anderen. Zoodra
het geschreeuw dan ook wat verstomd was zien wij hem Mollerus en Six
naar voren brengen, waartoe de invoering der Grondwet goede gelegenheid
gaf. Mollerus was wel iemand die verdiend had in de grondwetcommissie te
zitten eerder dan b.v. Lampsins of van Heerdt; maar juist toen de commissie
benoemd werd was het geschreeuw tegen hem op het hoogst. Officieus
heeft de Vorst Mollerus wèl over de Grondwet geraadpleegd: zie Ontstaan
II, CXI vv.
Ook van Nagell, gezant der oude Republiek te Londen op het oogenblik
der aankomst van de stadhouderlijke familie in 1795, en gedurende eenige
jaren tusschenpersoon tusschen die familie en de Engelsche regeering, was
een oude kennis van den Vorst. Hogendorp had als zijn opvolger van Spaen
van Voorstonde voorgedragen, maar de Vorst verkoos van Nagell ook omdat
deze hem zoo goed voldaan had door zijn vast in de hand houden der
notabelenvergadering te Amsterdam 614).
Z. H. verwachtte of waarvoor hij gestemd was, en zoo kreeg zijn doen en
laten een schijn van wanorde, de fout die aan dat hooge kantoor van alle
fouten de onbehagelijkste was” 612).
Mollerus en Six waren oude kennissen van den Vorst: Mollerus vóór '95
als secretaris van den Raad van State met den toenmaligen Erfprins als
opperbevelhebber van het leger in gedurige aanraking; Six had dien
opperbevelhebber in den veldtocht van 1794 ter zijde gestaan als
commissaris der Staten-Generaal. Zij waren bij het uitbreken van den
opstand beiden in Franschen dienst, de eerste als directeur-generaal van
bruggen en wegen, de tweede als directeur der publieke schuld, en Kemper
en Scholten hadden vrij veel moeite gehad hen tot aansluiting bij het
Bestuur te bewegen. Beiden werden zeer duidelijk aangewezen in de
brochures die Valckenaer in December schrijven liet om Vorst en volk tegen
de gewezen Keizerlijke ambtenaren op te zetten 613). Die beweging liep
evenwel op niets uit; de leus: uitsluiting van Napoleonsdienaars, pakte niet,
en de Vorst was te minder geneigd er gehoor aan te geven, wijl zulk een
uitsluiting zoovelen treffen zou die hem persoonlijk van vroeger bekend
waren en als zoodanig hem aangenamer moesten zijn dan anderen. Zoodra
het geschreeuw dan ook wat verstomd was zien wij hem Mollerus en Six
naar voren brengen, waartoe de invoering der Grondwet goede gelegenheid
gaf. Mollerus was wel iemand die verdiend had in de grondwetcommissie te
zitten eerder dan b.v. Lampsins of van Heerdt; maar juist toen de commissie
benoemd werd was het geschreeuw tegen hem op het hoogst. Officieus
heeft de Vorst Mollerus wèl over de Grondwet geraadpleegd: zie Ontstaan
II, CXI vv.
Ook van Nagell, gezant der oude Republiek te Londen op het oogenblik
der aankomst van de stadhouderlijke familie in 1795, en gedurende eenige
jaren tusschenpersoon tusschen die familie en de Engelsche regeering, was
een oude kennis van den Vorst. Hogendorp had als zijn opvolger van Spaen
van Voorstonde voorgedragen, maar de Vorst verkoos van Nagell ook omdat
deze hem zoo goed voldaan had door zijn vast in de hand houden der
notabelenvergadering te Amsterdam 614).
Page 397
Falck in rang met de overige ministers gelijk (hiervóór, bl. 278). Dit is
onjuist; Tellegen heeft den brief van Falck aan D. J. van Lennep van 24
Dec. 1813 niet begrepen. Falck schrijft daar, dat hij, „om bij een
eventueelen val zich minder te bezeeren”, den titel Raad Secretaris [van
Staat] boven dien van Minister Secretaris van Staat verkiest. Welnu, hij
wordt 31 Dec. ook niet benoemd tot Minister Secretaris van Staat, maar tot
„Algemeen Secretaris van Staat”, zooals hij 21 Nov. benoemd was tot
„Algemeen Secretaris van het A. B.” Deze titel sluit den ministersrang niet
in; Falck heeft toegang tot den Kabinetsraad, maar alleen als
„penvoerder” 615). Ook bij de correspondentie tusschen Falck en den
Koning in 1817 en 1818 gevoerd 616) over zijn door Z. M. gewenschte
verwijdering van de Staatssecretarie, blijkt duidelijk dat zoowel de Koning
als Falck zelf den overgang tot het ministersambt formeel als een
bevordering beschouwen, ook al is Falck op die bevordering niet gesteld.
Falck wist zijne positie inderdaad tot een zeer belangrijke te maken. Dit
lag niet aan het ambt zelf, dat na hem (aanvankelijk onder een bescheidener
titel) door de Mey van Streefkerk bekleed, nimmer meer politiek gewicht
verkregen heeft. Het trechter zijn tusschen een alles regelend vorst en
ministers wien de koninklijke beslissingen worden ingegoten is op zich zelf
niets gewichtigs. Dat Falck meer was dan trechter ligt aan drie oorzaken:
1o. dat de Vorst aanvankelijk vreemd tegenover zaken en personen stond en
zich in 1813 en 1814 lang niet zoo zeker van zichzelf voelen kon als in
1818; 2o. aan den aard der voorkomende zaken, die toen alles nog moest
worden ingericht veel meer noodzaakten tot overleg dan toen op gelegde
grondslagen werd voortgearbeid; 3o. aan het aanpassingsvermogen, de
vlugheid en staatsmansgaven van Falck zelf. Na de geringschatting der
allereerste dagen is de Vorst, „die knap bediend wilde zijn” 617), zeer
spoedig met hem ingenomen; in 1814 en 1815 stijgt zijn invloed zeer hoog
naarmate die van den als minister onder een man als Willem I onbruikbaren
Hogendorp afneemt. Als alles gereed is krijgt de Koning argwaan; wanneer
Falck in 1816 voor een badkuur naar Aken vertrekt zijn zijn vrienden al
bevreesd dat hij bij zijn terugkeer zijn plaats door een ander ingenomen zal
vinden 618). Falck lacht hen dan uit; intusschen zal de volgzame de Mey, die
Falck gedurende zijn verlof vervangen had, den koning meer naar de hand
zijn geweest; hij had het onderscheid nu kunnen voelen, en een paar
onjuist; Tellegen heeft den brief van Falck aan D. J. van Lennep van 24
Dec. 1813 niet begrepen. Falck schrijft daar, dat hij, „om bij een
eventueelen val zich minder te bezeeren”, den titel Raad Secretaris [van
Staat] boven dien van Minister Secretaris van Staat verkiest. Welnu, hij
wordt 31 Dec. ook niet benoemd tot Minister Secretaris van Staat, maar tot
„Algemeen Secretaris van Staat”, zooals hij 21 Nov. benoemd was tot
„Algemeen Secretaris van het A. B.” Deze titel sluit den ministersrang niet
in; Falck heeft toegang tot den Kabinetsraad, maar alleen als
„penvoerder” 615). Ook bij de correspondentie tusschen Falck en den
Koning in 1817 en 1818 gevoerd 616) over zijn door Z. M. gewenschte
verwijdering van de Staatssecretarie, blijkt duidelijk dat zoowel de Koning
als Falck zelf den overgang tot het ministersambt formeel als een
bevordering beschouwen, ook al is Falck op die bevordering niet gesteld.
Falck wist zijne positie inderdaad tot een zeer belangrijke te maken. Dit
lag niet aan het ambt zelf, dat na hem (aanvankelijk onder een bescheidener
titel) door de Mey van Streefkerk bekleed, nimmer meer politiek gewicht
verkregen heeft. Het trechter zijn tusschen een alles regelend vorst en
ministers wien de koninklijke beslissingen worden ingegoten is op zich zelf
niets gewichtigs. Dat Falck meer was dan trechter ligt aan drie oorzaken:
1o. dat de Vorst aanvankelijk vreemd tegenover zaken en personen stond en
zich in 1813 en 1814 lang niet zoo zeker van zichzelf voelen kon als in
1818; 2o. aan den aard der voorkomende zaken, die toen alles nog moest
worden ingericht veel meer noodzaakten tot overleg dan toen op gelegde
grondslagen werd voortgearbeid; 3o. aan het aanpassingsvermogen, de
vlugheid en staatsmansgaven van Falck zelf. Na de geringschatting der
allereerste dagen is de Vorst, „die knap bediend wilde zijn” 617), zeer
spoedig met hem ingenomen; in 1814 en 1815 stijgt zijn invloed zeer hoog
naarmate die van den als minister onder een man als Willem I onbruikbaren
Hogendorp afneemt. Als alles gereed is krijgt de Koning argwaan; wanneer
Falck in 1816 voor een badkuur naar Aken vertrekt zijn zijn vrienden al
bevreesd dat hij bij zijn terugkeer zijn plaats door een ander ingenomen zal
vinden 618). Falck lacht hen dan uit; intusschen zal de volgzame de Mey, die
Falck gedurende zijn verlof vervangen had, den koning meer naar de hand
zijn geweest; hij had het onderscheid nu kunnen voelen, en een paar
Page 398
maanden na Falck's gerusten brief aan van Lennep, hiervóór bl. 278 noot
door Tellegen aangehaald, poogt de Koning reeds hem kwijt te raken; hij
ontsnapt er aan, doch voor niet langer dan een half jaar, wanneer het aanbod
van een ministerie wordt herhaald in een vorm die, zoo al weigering, in
ieder geval geen behoud van het bezeten ambt meer toelaat, immers de
Koning verklaart dit op te heffen 619).
Kabinetsraad; Raad van State (hiervóór, bl. 279 vv).—Er is vóór 1823
geen Ministerraad geweest: die is juist ingesteld na de afschaffing van den
Kabinetsraad, waarin de Koning presideerde. Falck schrijft omtrent dien
Kabinetsraad het volgende:
„Moeite had ik, den Prins over te halen tot het geregeld houden van een
Kabinetsraad 620). Veelligt hinderde hem het denkbeeld dat hij aldaar de
plichten van Voorzitter zoude te vervullen hebben. Doch een paar proeven
waren genoegzaam om hem te doen zien dat deze taak zoo moeilijk niet
was. Wij hadden dus sedert alle Woensdagen Kabinetsraad 621), maar mijne
hoop om door dit middel aan de zaken eene eenparige behandeling en gang
te verzekeren en de Ministers zoowel als den Vorst gelegenheid te
verschaffen om zich onderling te orienteeren en zich over en weder een
algemeen overzigt te geven van hetgene ieder vak van bestuur
merkwaardigs opleverde—deze hoop is nimmer verwezenlijkt geworden.
De notulen van die vergaderingen bevinden zich onder de papieren die ik
als mijn eigendom beschouw 622), omdat ik, bij mijn scheiden van de Staats-
Secretarie, geen blijk heb willen achterlaten van al het onbeduidende met
welk ambtenaren van dat kaliber zich gemeenschappelijk bezig hielden en
van het gebrek dat zij doorgaans geleden hebben aan onderwerpen van
waarachtig belang. Röell weet ik dat zich heeft uitgelaten alsof de schuld
daarvan bij mij gezocht worden moest, die liever de zaken met den Prins
tusschen vier oogen afdeed en meer kans had om ze dus naar mijn zin te
krijgen, dan indien men er eerst stellig over beraadslaagd had en gestemd.
Maar deze zijne meening is niet juist. Heb ik, nu en dan, over opkomende
voordragten of vragen een besluit doen nemen, welk het meer eigenaardig
geweest ware door eene discussie in den Kabinetsraad te doen voorafgaan,
zoo ben ik daartoe waarschijnlijk verleid geworden door de, ik zoude haast
door Tellegen aangehaald, poogt de Koning reeds hem kwijt te raken; hij
ontsnapt er aan, doch voor niet langer dan een half jaar, wanneer het aanbod
van een ministerie wordt herhaald in een vorm die, zoo al weigering, in
ieder geval geen behoud van het bezeten ambt meer toelaat, immers de
Koning verklaart dit op te heffen 619).
Kabinetsraad; Raad van State (hiervóór, bl. 279 vv).—Er is vóór 1823
geen Ministerraad geweest: die is juist ingesteld na de afschaffing van den
Kabinetsraad, waarin de Koning presideerde. Falck schrijft omtrent dien
Kabinetsraad het volgende:
„Moeite had ik, den Prins over te halen tot het geregeld houden van een
Kabinetsraad 620). Veelligt hinderde hem het denkbeeld dat hij aldaar de
plichten van Voorzitter zoude te vervullen hebben. Doch een paar proeven
waren genoegzaam om hem te doen zien dat deze taak zoo moeilijk niet
was. Wij hadden dus sedert alle Woensdagen Kabinetsraad 621), maar mijne
hoop om door dit middel aan de zaken eene eenparige behandeling en gang
te verzekeren en de Ministers zoowel als den Vorst gelegenheid te
verschaffen om zich onderling te orienteeren en zich over en weder een
algemeen overzigt te geven van hetgene ieder vak van bestuur
merkwaardigs opleverde—deze hoop is nimmer verwezenlijkt geworden.
De notulen van die vergaderingen bevinden zich onder de papieren die ik
als mijn eigendom beschouw 622), omdat ik, bij mijn scheiden van de Staats-
Secretarie, geen blijk heb willen achterlaten van al het onbeduidende met
welk ambtenaren van dat kaliber zich gemeenschappelijk bezig hielden en
van het gebrek dat zij doorgaans geleden hebben aan onderwerpen van
waarachtig belang. Röell weet ik dat zich heeft uitgelaten alsof de schuld
daarvan bij mij gezocht worden moest, die liever de zaken met den Prins
tusschen vier oogen afdeed en meer kans had om ze dus naar mijn zin te
krijgen, dan indien men er eerst stellig over beraadslaagd had en gestemd.
Maar deze zijne meening is niet juist. Heb ik, nu en dan, over opkomende
voordragten of vragen een besluit doen nemen, welk het meer eigenaardig
geweest ware door eene discussie in den Kabinetsraad te doen voorafgaan,
zoo ben ik daartoe waarschijnlijk verleid geworden door de, ik zoude haast
Page 399
zeggen, plichtmatige zucht om met den stroom der dagelijksche bezigheden
gelijk te blijven, en zoo kort mogelijk in mijn portefeuille te houden wat
voor beslissing en afdoening rijp scheen. De hoofden der departementen
zullen om soortgelijke redenen hunne respective maatregelen bespoedigd,
en voor den Kabinetsraad slechts zoodanige vraagpunten ter zijde gelegd
hebben omtrent welker vertraging en eindelijke beantwoording zij zich
onverschillig gevoelden; en de Souvereine Vorst zelve mag de ruime
toelichting en nauwkeurig onderzoek, voor welke het hem zeker niet aan
smaak ontbrak, liever in schrifturen aangetroffen hebben die hij op den hem
gelegen tijd met koelen hoofde overwegen kon, dan in de gedachten- en
woordenwisseling zijner meest vertrouwde raadslieden. Kortom, anderen
beschuldig ik even weinig als ik zelve beschuldigd worden wil. De
daadzaak slechts heb ik willen vermelden. De Mey's notulen zullen van
geen belangrijker inhoud geweest zijn dan de mijne, en na eene verveling
van bijkans tien jaren heeft de Koning opgehouden den Kabinetsraad bij te
wonen en denzelven afgeschaft 623)”.
Uit G. K.'s gedenkschriften blijkt dat zeer belangrijke zaken buiten den
Kabinetsraad zijn afgedaan; zoo is b.v. van Nagell's ontwerp van instructiën
aan Hendrik Fagel omtrent de teruggave der koloniën niet daar behandeld,
maar in een door den Vorst bijeengeroepen conseil, uit G. K., van Nagell,
Falck en Janssens (als oud-gouverneur-generaal) bestaande 624); zoo is de
lijst van tot lid der Staten-Generaal te benoemen personen in Maart 1814
(reeds vóór de reis naar Amsterdam) opgemaakt door den Vorst, G. K. en
Falck 625).
De Vorst schrijft aan Hogendorp, 8 April 1814: „Woensdags zal ordinaire
zitting van den Kabinetsraad kunnen zijn, welke vervolgens mij schijnt
voldoende te zijn eens in de week, om zulke objecten daarin voor te dragen,
waar meerdere Departementen bij betrokken zijn, of materies van groot
gewicht, waarop het wenschelijk is dat de geheele Raad gehoord worde, eer
het stuk aan den Raad van State afgegeven wordt. Met de Chefs van
Departementen [afzonderlijk] zal ik daarentegen eens of tweemaal in de
week arbeiden, waar zij mij alsdan mondelinge berichten kunnen maken en
projectbesluiten afgeven, waardoor mij voorkomt tijd bespaard te worden,
zonder nadeel voor de zaak. In bijzondere gevallen wordt de Raad of eenige
der Ministers beroepen tot eene buitengewone conferentie 626)”.
gelijk te blijven, en zoo kort mogelijk in mijn portefeuille te houden wat
voor beslissing en afdoening rijp scheen. De hoofden der departementen
zullen om soortgelijke redenen hunne respective maatregelen bespoedigd,
en voor den Kabinetsraad slechts zoodanige vraagpunten ter zijde gelegd
hebben omtrent welker vertraging en eindelijke beantwoording zij zich
onverschillig gevoelden; en de Souvereine Vorst zelve mag de ruime
toelichting en nauwkeurig onderzoek, voor welke het hem zeker niet aan
smaak ontbrak, liever in schrifturen aangetroffen hebben die hij op den hem
gelegen tijd met koelen hoofde overwegen kon, dan in de gedachten- en
woordenwisseling zijner meest vertrouwde raadslieden. Kortom, anderen
beschuldig ik even weinig als ik zelve beschuldigd worden wil. De
daadzaak slechts heb ik willen vermelden. De Mey's notulen zullen van
geen belangrijker inhoud geweest zijn dan de mijne, en na eene verveling
van bijkans tien jaren heeft de Koning opgehouden den Kabinetsraad bij te
wonen en denzelven afgeschaft 623)”.
Uit G. K.'s gedenkschriften blijkt dat zeer belangrijke zaken buiten den
Kabinetsraad zijn afgedaan; zoo is b.v. van Nagell's ontwerp van instructiën
aan Hendrik Fagel omtrent de teruggave der koloniën niet daar behandeld,
maar in een door den Vorst bijeengeroepen conseil, uit G. K., van Nagell,
Falck en Janssens (als oud-gouverneur-generaal) bestaande 624); zoo is de
lijst van tot lid der Staten-Generaal te benoemen personen in Maart 1814
(reeds vóór de reis naar Amsterdam) opgemaakt door den Vorst, G. K. en
Falck 625).
De Vorst schrijft aan Hogendorp, 8 April 1814: „Woensdags zal ordinaire
zitting van den Kabinetsraad kunnen zijn, welke vervolgens mij schijnt
voldoende te zijn eens in de week, om zulke objecten daarin voor te dragen,
waar meerdere Departementen bij betrokken zijn, of materies van groot
gewicht, waarop het wenschelijk is dat de geheele Raad gehoord worde, eer
het stuk aan den Raad van State afgegeven wordt. Met de Chefs van
Departementen [afzonderlijk] zal ik daarentegen eens of tweemaal in de
week arbeiden, waar zij mij alsdan mondelinge berichten kunnen maken en
projectbesluiten afgeven, waardoor mij voorkomt tijd bespaard te worden,
zonder nadeel voor de zaak. In bijzondere gevallen wordt de Raad of eenige
der Ministers beroepen tot eene buitengewone conferentie 626)”.
Page 400
Over den aanvang van 's Vorsten regeering onder de Grondwet schrijft
Hogendorp in 1817:
„Het beginsel om het geheel van het Bestuur, het overzigt van alle
deelen, voor zig alleen te houden, was nog niet tot volkomen rijpheid bij
den Prins gekomen, maar het lag in zijn karakter, en moest zig met den tijd
ontwikkelen. Hij begon met de mindere zaken en klom op tot de
meerdere....
De Prins schreef mij, dat Hij nu maar eens in de week den Kabinetsraad
houden zou; dat Hij er slechts die zaken brengen wilde, waar meer dan een
ministerie in gemengd was, en dat de zaken voorts in den Raad van State
zouden komen 627). Hij gaf eene instructie aan dezen Raad, die mij goed
voorkwam, en die denkelijk door Falck ontworpen was 628). Hij opende
denzelven en las er eene aanspraak voor, waarbij de Leden aangemoedigd
werden om vrij te adviseeren. Ik droeg zorg, dat 's Prinsen aanspraak in de
notulen kwam. Dien eersten dag was er niets anders te doen, dan zaken
commissoriaal te maken, zoodat de vergadering schielijk afgeloopen was. Ik
bemerkte egter wel, dat de Prins de deliberatiën wilde bijwonen, dat Hij een
tweeden Kabinetsraad beoogde. Zijne verdere bezigheden, audientiën enz.
lieten Hem egter niet toe er altijd te komen, en zoo moest Hij wel den draad
verliezen. Daar kwam bij, dat Hij mij het beleid opdroeg, zig
voorbehoudende om tusschen in te spreken; maar dan behandelde ik alles
zoo volledig, dat er weinig te zeggen viel. Vervolgens kwam Hij ook maar
bij gewigtige deliberatiën, en eigentlijk met een voornemen om de zaken
naar zijnen zin te doen uitvallen. Was ik het eens met Hem, zoo was dit niet
noodig, en zoo bepaalden zig eindelijk zijne verschijningen tot gevallen,
waar Hij niet zeker van mij was, of wist dat ik anders dagt. Dan zeide Hij
mij van te voren: ik zal komen om aan te hooren, ik wil wel eens de
gedagten vernemen. Dog niemand was er in bedrogen.... In Engeland wordt
het advies van den Raad door den President aan den Koning gebragt en het
besluit des Konings luidt the King in Council. Op dezen voet had ik mijn
ontwerp van de Grondwet geschreven, dat de Souvereine Vorst zijn gezag
uitoefent in den Raad. Dit had men zoo veranderd, dat Hij den Raad
hoort 629), juist omdat zijne tegenwoordigheid niet noodzakelijk voorkwam.
In den Kabinetsraad is het wat anders; daar hoort Hij de adviezen en doet
wat Hij wil, zonder eenig besluit op te maken, zonder dat er notulen
Hogendorp in 1817:
„Het beginsel om het geheel van het Bestuur, het overzigt van alle
deelen, voor zig alleen te houden, was nog niet tot volkomen rijpheid bij
den Prins gekomen, maar het lag in zijn karakter, en moest zig met den tijd
ontwikkelen. Hij begon met de mindere zaken en klom op tot de
meerdere....
De Prins schreef mij, dat Hij nu maar eens in de week den Kabinetsraad
houden zou; dat Hij er slechts die zaken brengen wilde, waar meer dan een
ministerie in gemengd was, en dat de zaken voorts in den Raad van State
zouden komen 627). Hij gaf eene instructie aan dezen Raad, die mij goed
voorkwam, en die denkelijk door Falck ontworpen was 628). Hij opende
denzelven en las er eene aanspraak voor, waarbij de Leden aangemoedigd
werden om vrij te adviseeren. Ik droeg zorg, dat 's Prinsen aanspraak in de
notulen kwam. Dien eersten dag was er niets anders te doen, dan zaken
commissoriaal te maken, zoodat de vergadering schielijk afgeloopen was. Ik
bemerkte egter wel, dat de Prins de deliberatiën wilde bijwonen, dat Hij een
tweeden Kabinetsraad beoogde. Zijne verdere bezigheden, audientiën enz.
lieten Hem egter niet toe er altijd te komen, en zoo moest Hij wel den draad
verliezen. Daar kwam bij, dat Hij mij het beleid opdroeg, zig
voorbehoudende om tusschen in te spreken; maar dan behandelde ik alles
zoo volledig, dat er weinig te zeggen viel. Vervolgens kwam Hij ook maar
bij gewigtige deliberatiën, en eigentlijk met een voornemen om de zaken
naar zijnen zin te doen uitvallen. Was ik het eens met Hem, zoo was dit niet
noodig, en zoo bepaalden zig eindelijk zijne verschijningen tot gevallen,
waar Hij niet zeker van mij was, of wist dat ik anders dagt. Dan zeide Hij
mij van te voren: ik zal komen om aan te hooren, ik wil wel eens de
gedagten vernemen. Dog niemand was er in bedrogen.... In Engeland wordt
het advies van den Raad door den President aan den Koning gebragt en het
besluit des Konings luidt the King in Council. Op dezen voet had ik mijn
ontwerp van de Grondwet geschreven, dat de Souvereine Vorst zijn gezag
uitoefent in den Raad. Dit had men zoo veranderd, dat Hij den Raad
hoort 629), juist omdat zijne tegenwoordigheid niet noodzakelijk voorkwam.
In den Kabinetsraad is het wat anders; daar hoort Hij de adviezen en doet
wat Hij wil, zonder eenig besluit op te maken, zonder dat er notulen
Page 401
gehouden worden 630). In den Raad van State wordt er op elke zaak een
advies bij de meerderheid opgemaakt, aan den Prins gezonden en in de
notulen bewaard. De Raad van State is een lichaam bij de Grondwet
ingesteld en moet gehoord worden; de Kabinetsraad niet. De Grondwet
bepaalde, dat alle zaken tot het Souverein gezag behoorende, in den Raad
van State kwamen, en dus ook de buitenlandsche. De Prins verstond dit ook
zoo, alzoo Hij mij eens zeide, dat [Jacob] Fagel voor de buitenlandsche
zaken dienen zou. Nogtans heeft Hij er de buitenlandsche zaken niet
gebragt, zooals hij die ook gaarne buiten den Kabinetsraad hield. In mijnen
tijd 631) zeide ik Hem meermalen, dat ik iets in den Kabinetsraad brengen
wilde, en Hij belette het. Een vast plan van bestuur was dit alles niet, maar
het lag in zijn karakter om alleen te regeeren....
De zaken kregen dezen loop. Een minister leverde een rapport in, hetzij
uit eigen beweging of op last; dit rapport werd òf aanstonds goedgekeurd en
in een besluit veranderd, òf het kwam in den Kabinetsraad, en werd daar
eerst goedgekeurd; òf het ging hetzij uit den Kabinetsraad, hetzij aanstonds,
naar den Raad van State. Het advies van den Raad van State gaf dan
aanleiding tot een besluit, of werd ook altemets wederom in den
Kabinetsraad gebragt. Dit laatste egter zelden of nooit... In alle gevallen
bleef de laatste beslissing aan den Prins. De minister wiens rapport
aanleiding tot een besluit gegeven had, wist niet of de veranderingen in
zijne voordragt van den Raad van State of van den Prins kwamen. De Raad
van State had nogal de meeste kennis van de zaken, maar de Kabinetsraad
veel minder, en de eene minister vernam hoe langer hoe minder van de
werkzaamheden der anderen. Deze afzondering der Ministeriën nam
vervolgens gedurig toe, en de deliberatiën in den Kabinetsraad liepen
eindelijk genoegzaam te niet. Vóór de invoering der Grondwet was de
Kabinetsraad de eenige vergadering geweest, en hij zat altemets vijf uren. In
de laatste tijden gebeurde het, dat er niets voorgedragen werd; dat de Prins
een kwartiertje praatte en opstond......
De eerste zaak van zeer groot gewigt [na de invoering der Grondwet] is
de vermaarde financieele wet van 14 Mei 1814 geweest 632)... In den Raad
van State vond de zaak grooten tegenstand, vooral omdat men daarin
zooveel aanleiding tot spel met uitgestelde schuld vond, hetwelk door de
uitkomst bewaarheid is. Bij mij bleef de zwarigheid over, dat renteniers, die
advies bij de meerderheid opgemaakt, aan den Prins gezonden en in de
notulen bewaard. De Raad van State is een lichaam bij de Grondwet
ingesteld en moet gehoord worden; de Kabinetsraad niet. De Grondwet
bepaalde, dat alle zaken tot het Souverein gezag behoorende, in den Raad
van State kwamen, en dus ook de buitenlandsche. De Prins verstond dit ook
zoo, alzoo Hij mij eens zeide, dat [Jacob] Fagel voor de buitenlandsche
zaken dienen zou. Nogtans heeft Hij er de buitenlandsche zaken niet
gebragt, zooals hij die ook gaarne buiten den Kabinetsraad hield. In mijnen
tijd 631) zeide ik Hem meermalen, dat ik iets in den Kabinetsraad brengen
wilde, en Hij belette het. Een vast plan van bestuur was dit alles niet, maar
het lag in zijn karakter om alleen te regeeren....
De zaken kregen dezen loop. Een minister leverde een rapport in, hetzij
uit eigen beweging of op last; dit rapport werd òf aanstonds goedgekeurd en
in een besluit veranderd, òf het kwam in den Kabinetsraad, en werd daar
eerst goedgekeurd; òf het ging hetzij uit den Kabinetsraad, hetzij aanstonds,
naar den Raad van State. Het advies van den Raad van State gaf dan
aanleiding tot een besluit, of werd ook altemets wederom in den
Kabinetsraad gebragt. Dit laatste egter zelden of nooit... In alle gevallen
bleef de laatste beslissing aan den Prins. De minister wiens rapport
aanleiding tot een besluit gegeven had, wist niet of de veranderingen in
zijne voordragt van den Raad van State of van den Prins kwamen. De Raad
van State had nogal de meeste kennis van de zaken, maar de Kabinetsraad
veel minder, en de eene minister vernam hoe langer hoe minder van de
werkzaamheden der anderen. Deze afzondering der Ministeriën nam
vervolgens gedurig toe, en de deliberatiën in den Kabinetsraad liepen
eindelijk genoegzaam te niet. Vóór de invoering der Grondwet was de
Kabinetsraad de eenige vergadering geweest, en hij zat altemets vijf uren. In
de laatste tijden gebeurde het, dat er niets voorgedragen werd; dat de Prins
een kwartiertje praatte en opstond......
De eerste zaak van zeer groot gewigt [na de invoering der Grondwet] is
de vermaarde financieele wet van 14 Mei 1814 geweest 632)... In den Raad
van State vond de zaak grooten tegenstand, vooral omdat men daarin
zooveel aanleiding tot spel met uitgestelde schuld vond, hetwelk door de
uitkomst bewaarheid is. Bij mij bleef de zwarigheid over, dat renteniers, die
Page 402
niet hadden om bij te leggen, met zware schade zouden moeten verkoopen,
zooals ook gebleken is. De heer Six rekende uit van neen, omdat de fondsen
zouden blijven staan: maar zij vielen, zooals ik voorzegd had. Ik stemde dus
tegen, in bijzijn van den Prins, en de stemmen staakten, alzoo er eene
twijfelagtig was. Nu moest deze zig voor of tegen verklaren; zij viel uit
voor de wet...... De Prins kon zijn gelaat niet meester blijven, en met
blikken, ja met woorden, ondersteunde Hij die met Hem, en schrikte Hij af,
die tegen Hem waren. Ik at bij Hem dien dag, en genoot geen goed
onthaal 633). Door al het gebeurde was ik overtuigd, dat de vrijheid van
deliberatiën verloren was 634), dat mijn werk niet meer bestond in het
overbrengen van het advies van den Raad van State aan den Prins, maar dat
deze van mij vergde om zijne denkbeelden aan te nemen en in den Raad
door te zetten. De Raad kon nooit regt vrij delibereren over de gewigtigste
zaken, vooral van Financiën, en zijn werkzaamheid bepaalde zich hoe
langer zoo meer tot mindere zaken. Het gebeurde zelfs dat er eene zaak in
den Kabinetsraad verhandeld zijnde, de Prins mij zeide, dat ik nu wist hoe
men het begrepen had, en dat Hij de stukken aan den Raad zenden zou. Op
deze wijze moest deze eindelijk een schaduw worden, een bloote vorm, een
naam, die indruk maakte op het publiek, op de Staten-Generaal in de eerste
plaats; maar geen aanzienlijk werktuig blijven van de Regering, daar hij bij
de Grondwet toe ingesteld was”.
Bij de Grondwet van 1815 (art. 73) werd de rol van den Raad van State
teruggebracht tot het adviseeren over voorstellen door den Koning aan de
Staten-Generaal te doen of door dezen aan Hem gedaan, alsmede over alle
algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat en van deszelfs
bezittingen in andere werelddeelen.
Geen president (hiervóór, bl. 281). Als in 1801 de Fransche gezant
Sémonville, fijn kenner van onzen volksaard, uit Parijs over het denkbeeld
gepolst wordt, een presidentschap der Bataafsche Republiek in te stellen,
raadt hij het beslist af. „Tel homme n'existe point ici, à qui on permette de
prendre un pareil titre à vie ou pour l'espace de dix ans; dans ce cas on
préférerait le Stathoudérat. Une famille princière froisserait moins l'amour
propre. Le peuple s'acharnerait par tous les moyens à renverser celui que la
zooals ook gebleken is. De heer Six rekende uit van neen, omdat de fondsen
zouden blijven staan: maar zij vielen, zooals ik voorzegd had. Ik stemde dus
tegen, in bijzijn van den Prins, en de stemmen staakten, alzoo er eene
twijfelagtig was. Nu moest deze zig voor of tegen verklaren; zij viel uit
voor de wet...... De Prins kon zijn gelaat niet meester blijven, en met
blikken, ja met woorden, ondersteunde Hij die met Hem, en schrikte Hij af,
die tegen Hem waren. Ik at bij Hem dien dag, en genoot geen goed
onthaal 633). Door al het gebeurde was ik overtuigd, dat de vrijheid van
deliberatiën verloren was 634), dat mijn werk niet meer bestond in het
overbrengen van het advies van den Raad van State aan den Prins, maar dat
deze van mij vergde om zijne denkbeelden aan te nemen en in den Raad
door te zetten. De Raad kon nooit regt vrij delibereren over de gewigtigste
zaken, vooral van Financiën, en zijn werkzaamheid bepaalde zich hoe
langer zoo meer tot mindere zaken. Het gebeurde zelfs dat er eene zaak in
den Kabinetsraad verhandeld zijnde, de Prins mij zeide, dat ik nu wist hoe
men het begrepen had, en dat Hij de stukken aan den Raad zenden zou. Op
deze wijze moest deze eindelijk een schaduw worden, een bloote vorm, een
naam, die indruk maakte op het publiek, op de Staten-Generaal in de eerste
plaats; maar geen aanzienlijk werktuig blijven van de Regering, daar hij bij
de Grondwet toe ingesteld was”.
Bij de Grondwet van 1815 (art. 73) werd de rol van den Raad van State
teruggebracht tot het adviseeren over voorstellen door den Koning aan de
Staten-Generaal te doen of door dezen aan Hem gedaan, alsmede over alle
algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den Staat en van deszelfs
bezittingen in andere werelddeelen.
Geen president (hiervóór, bl. 281). Als in 1801 de Fransche gezant
Sémonville, fijn kenner van onzen volksaard, uit Parijs over het denkbeeld
gepolst wordt, een presidentschap der Bataafsche Republiek in te stellen,
raadt hij het beslist af. „Tel homme n'existe point ici, à qui on permette de
prendre un pareil titre à vie ou pour l'espace de dix ans; dans ce cas on
préférerait le Stathoudérat. Une famille princière froisserait moins l'amour
propre. Le peuple s'acharnerait par tous les moyens à renverser celui que la
Page 403
veille il aurait vu son égal. Vous pouvez (s'il est nécessaire) placer un
pouvoir plus étendu et plus durable sur une seule tête du gouvernement,
pourvu que vous la décoriez d'un titre modeste comme celui de greffier.
Mais ce sera beaucoup faire que de donner deux années d'existence à votre
président” 635).
Nog wel door het toeval der geboorte aangewezen (hiervóór, bl. 281). Dit
„toeval” dat de man Oranje heette en niet b.v. Schimmelpenninck maakte
voor het volksgevoel juist het verschil (zie vorige aanteekening).
Monarchaal bijgeloof (hiervóór, bl. 281). Ik zou eerder zeggen:
volstrekte politieke afmatting en ontgoocheling. De natie was blijde iemand
te hebben die haar van de zorg, over zaken van regeering na te denken,
ontsloeg. Een mystiek gevoel voor de monarchie als zoodanig is er in
Nederland nooit geweest; ook toen niet; het gevoel voor Oranje is geheel
iets anders.
Leden van den Raad van State (hiervóór, bl. 283). De samenstelling is
iets minder overwegend oud-orangistisch als Tellegen te verstaan wil geven.
Hij wil Elout, dien hij niet bij de ex-patriotten noemt, toch niet bij de
„slachtoffers” tellen? 636) En van Lamsweerde was een katholiek, ex-lid der
Nationale Vergadering.
Oppositie tegen de zienswijze van den Vorst (hiervóór, bl. 283). Daaraan
was Canneman's ontslag als minister niet te wijten, maar aan 's Vorsten
overtuiging van zijn mindere geschiktheid voor dien post 637). Eerst zijn
gedrag in den Raad van State bij de financieele wet was oppositie, niet in
het openbaar, en echter reden tot ongenade.
Werden door den Souvereinen Vorst commissarissen-generaal aangesteld
(hiervóór, bl. 285). Dit was reeds aanstonds geschied door het A. B.: 23
Nov. Kemper en Scholten naar Amsterdam, die weldra gemachtigd worden
pouvoir plus étendu et plus durable sur une seule tête du gouvernement,
pourvu que vous la décoriez d'un titre modeste comme celui de greffier.
Mais ce sera beaucoup faire que de donner deux années d'existence à votre
président” 635).
Nog wel door het toeval der geboorte aangewezen (hiervóór, bl. 281). Dit
„toeval” dat de man Oranje heette en niet b.v. Schimmelpenninck maakte
voor het volksgevoel juist het verschil (zie vorige aanteekening).
Monarchaal bijgeloof (hiervóór, bl. 281). Ik zou eerder zeggen:
volstrekte politieke afmatting en ontgoocheling. De natie was blijde iemand
te hebben die haar van de zorg, over zaken van regeering na te denken,
ontsloeg. Een mystiek gevoel voor de monarchie als zoodanig is er in
Nederland nooit geweest; ook toen niet; het gevoel voor Oranje is geheel
iets anders.
Leden van den Raad van State (hiervóór, bl. 283). De samenstelling is
iets minder overwegend oud-orangistisch als Tellegen te verstaan wil geven.
Hij wil Elout, dien hij niet bij de ex-patriotten noemt, toch niet bij de
„slachtoffers” tellen? 636) En van Lamsweerde was een katholiek, ex-lid der
Nationale Vergadering.
Oppositie tegen de zienswijze van den Vorst (hiervóór, bl. 283). Daaraan
was Canneman's ontslag als minister niet te wijten, maar aan 's Vorsten
overtuiging van zijn mindere geschiktheid voor dien post 637). Eerst zijn
gedrag in den Raad van State bij de financieele wet was oppositie, niet in
het openbaar, en echter reden tot ongenade.
Werden door den Souvereinen Vorst commissarissen-generaal aangesteld
(hiervóór, bl. 285). Dit was reeds aanstonds geschied door het A. B.: 23
Nov. Kemper en Scholten naar Amsterdam, die weldra gemachtigd worden
Page 404
voor het geheele departement der Zuiderzee; 29 Nov. Monden van den
IJsel, 1 Dec. Monden van de Maas, 2 Dec. Friesland, 3 Dec. Wester-Eems, 4
Dec. Boven-IJsel. De Vorst completeert het voor Monden van de Schelde,
Generaliteitslanden, Drente.
Praal en luister (hiervóór, bl. 287). Deze was heel wat minder dan onder
Lodewijk Napoleon; de Souvereine Vorst, burgerlijk van leven en
voorkomen, was er ook geheel de man niet naar. Alles wat het hof betrof
werd zeer eenvoudig ingericht, en dit viel ook in den smaak der natie.
Mij is niet bekend (hiervóór, bl. 289). Toch wel: er is eene wet verworpen
op eene quotisatie voor de landprovinciën in plaats van het gemaal, om
reden dat de quotisatie te hoog voorkwam. De Raad van State was ook
tegen geweest 638). Maar dit is dan ook het eenige voorbeeld. Een wet op de
jacht ging door met één stem meerderheid (zie de aanteekeningen op het
volgende hoofdstuk).
„Onder het bijwonen der eerste vergaderingen”, schrijft G. K., „was ik
getroffen over het gemak, waarmede alle voordragten doorgingen. Er was
geen schijn van oppositie. Deze stemming kwam overeen met hetgeen ik in
het algemeen bij de Natie bemerkt had. Zij was de revolutiën en de onlusten
zoo moede, dat zij alles aan den Prins overliet. Ik werd er door bevestigd in
mijn opgevat denkbeeld, dat zij slegts allengs weer aan eene vrije Regering
kon gewend worden...
Het karakter van den Prins was bekend; men wist dat hij de zaken wilde
doorzetten, zonder er den schijn van te hebben. Hij zag er vriendelijk uit,
zoo lang het naar zijnen zin ging. Iedereen moest er even vriendelijk
uitzien. Dog men verstond elkander zonder te spreken.....”
G. K. verhaalt dan, hoe hij, als president 639), aan de commissiën 640) aan
de hand deed, de ministers om inlichtingen te vragen, en toen van den Vorst
„den wind van voren” kreeg. „Ik wilde alle de Collegies nader bij elkander
brengen; Hij wilde alle dezelven afgezonderd houden. Ik zogt de ware
eenheid van de Regering 641). Hij wilde de eenheid voor zig alleen houden.
IJsel, 1 Dec. Monden van de Maas, 2 Dec. Friesland, 3 Dec. Wester-Eems, 4
Dec. Boven-IJsel. De Vorst completeert het voor Monden van de Schelde,
Generaliteitslanden, Drente.
Praal en luister (hiervóór, bl. 287). Deze was heel wat minder dan onder
Lodewijk Napoleon; de Souvereine Vorst, burgerlijk van leven en
voorkomen, was er ook geheel de man niet naar. Alles wat het hof betrof
werd zeer eenvoudig ingericht, en dit viel ook in den smaak der natie.
Mij is niet bekend (hiervóór, bl. 289). Toch wel: er is eene wet verworpen
op eene quotisatie voor de landprovinciën in plaats van het gemaal, om
reden dat de quotisatie te hoog voorkwam. De Raad van State was ook
tegen geweest 638). Maar dit is dan ook het eenige voorbeeld. Een wet op de
jacht ging door met één stem meerderheid (zie de aanteekeningen op het
volgende hoofdstuk).
„Onder het bijwonen der eerste vergaderingen”, schrijft G. K., „was ik
getroffen over het gemak, waarmede alle voordragten doorgingen. Er was
geen schijn van oppositie. Deze stemming kwam overeen met hetgeen ik in
het algemeen bij de Natie bemerkt had. Zij was de revolutiën en de onlusten
zoo moede, dat zij alles aan den Prins overliet. Ik werd er door bevestigd in
mijn opgevat denkbeeld, dat zij slegts allengs weer aan eene vrije Regering
kon gewend worden...
Het karakter van den Prins was bekend; men wist dat hij de zaken wilde
doorzetten, zonder er den schijn van te hebben. Hij zag er vriendelijk uit,
zoo lang het naar zijnen zin ging. Iedereen moest er even vriendelijk
uitzien. Dog men verstond elkander zonder te spreken.....”
G. K. verhaalt dan, hoe hij, als president 639), aan de commissiën 640) aan
de hand deed, de ministers om inlichtingen te vragen, en toen van den Vorst
„den wind van voren” kreeg. „Ik wilde alle de Collegies nader bij elkander
brengen; Hij wilde alle dezelven afgezonderd houden. Ik zogt de ware
eenheid van de Regering 641). Hij wilde de eenheid voor zig alleen houden.
Page 405
Dit bleek hoe langer hoe meer, en verwekte in mij den weerzin, die op
mijne retraite uit het ministerie uitgeloopen is..... 642)”.
Om in de beoordeeling dezer gansche zaak billijk te blijven, moet men
zich wèl te binnen brengen dat Hogendorp zich in zijn hart nog altijd de
„Raadpensionaris” voelde, en dat, wanneer b.v. de Raad van State alles in
handen gekregen had wat hij er gebracht wilde hebben, en de Vorst slechts
te onderteekenen had wat die Raad hem voorlegde, 's lands regeering een
collegiale zou zijn geweest in plaats van een monarchale. Als hij 30 Jan.
1814 den voor hem uitgedachten post van vice-president van den Raad van
State aanneemt, schrijft hij: „Ik zal in dien post zelfs al het wezenlijke van
mijn tegenwoordigen post kunnen verrigten [aangenaam vooruitzicht voor
zijn opvolger aan Buitenlandsche Zaken!], dat is te zeggen, ik zal de
tijdingen kunnen vernemen en beoordeelen” 643). Hij verbeeldt zich dus dat
zelfs de buitenlandsche dépêches in den Raad moeten komen, zooals vóór
1795 in de Staten-Generaal! En zoo hij het van Willem I gewonnen had,
zouden de „collegies” dan niet vervallen zijn in de (door den Vorst en Falck
gevreesde) zonde, van „een zeer geruimen tijd naar den oud-Hollandschen
trant in herhaalde commissorialen, beschouwingen, overwegingen, zal ik
zeggen te besteden of te verkwisten?” 644) Dat zij nog vol zaten van
herinneringen uit den provincialen tijd getuigt Hogendorp zelf. Dáárvoor
was de Prins geen Vorst gemaakt, maar voor het doel door d'Yvoy zoo goed
geformuleerd, wanneer hij hem in een brief van 29 Nov. 1813 toeroept:
„Aucun de Vos ancêtres eut un moment si beau et si propre à donner enfin à
la patrie ce qui lui a manqué jusqu'ici pour être à l'abri des factions, des
délibérations sans fin et des irrésolutions”. 645)
mijne retraite uit het ministerie uitgeloopen is..... 642)”.
Om in de beoordeeling dezer gansche zaak billijk te blijven, moet men
zich wèl te binnen brengen dat Hogendorp zich in zijn hart nog altijd de
„Raadpensionaris” voelde, en dat, wanneer b.v. de Raad van State alles in
handen gekregen had wat hij er gebracht wilde hebben, en de Vorst slechts
te onderteekenen had wat die Raad hem voorlegde, 's lands regeering een
collegiale zou zijn geweest in plaats van een monarchale. Als hij 30 Jan.
1814 den voor hem uitgedachten post van vice-president van den Raad van
State aanneemt, schrijft hij: „Ik zal in dien post zelfs al het wezenlijke van
mijn tegenwoordigen post kunnen verrigten [aangenaam vooruitzicht voor
zijn opvolger aan Buitenlandsche Zaken!], dat is te zeggen, ik zal de
tijdingen kunnen vernemen en beoordeelen” 643). Hij verbeeldt zich dus dat
zelfs de buitenlandsche dépêches in den Raad moeten komen, zooals vóór
1795 in de Staten-Generaal! En zoo hij het van Willem I gewonnen had,
zouden de „collegies” dan niet vervallen zijn in de (door den Vorst en Falck
gevreesde) zonde, van „een zeer geruimen tijd naar den oud-Hollandschen
trant in herhaalde commissorialen, beschouwingen, overwegingen, zal ik
zeggen te besteden of te verkwisten?” 644) Dat zij nog vol zaten van
herinneringen uit den provincialen tijd getuigt Hogendorp zelf. Dáárvoor
was de Prins geen Vorst gemaakt, maar voor het doel door d'Yvoy zoo goed
geformuleerd, wanneer hij hem in een brief van 29 Nov. 1813 toeroept:
„Aucun de Vos ancêtres eut un moment si beau et si propre à donner enfin à
la patrie ce qui lui a manqué jusqu'ici pour être à l'abri des factions, des
délibérations sans fin et des irrésolutions”. 645)
Page 406
522) Besluit van 22 Juni 1814, bevelende een algemeenen
dankdag.—Verslag den 7 November 1813 door den Minister van
Binnenlandsche Zaken, Mr. W. F. Röell, gedaan aan de Staten-Generaal
(Stuart, Jaarboeken van 1814, bl. 211, 248.)
523) Hiervóór, bl. 90.
524) Br. en Ged. III, 95.
525) Van Zonsbeek in de zitting van 9 Febr. 1797.
526) Falck, Brieven no. 91.—Staatscourant no. 1.—Hogendorp
aan Fagel, 29 Nov. 1813 (Br. en Ged. IV, 272): „Nous organisons
aujourd'hui les Ministères de la Guerre, de la Marine, des Finances, de
l'Intérieur, parce que physiquement nous ne pouvons pas tarder davantage.
Nous plaçons à la tête sous le nom de Commissaires Généraux, afin de
laisser au Prince l'honneur de nommer des Ministres, M. M. Bentinck, Job
May, Canneman, van Stralen”. De benoeming van May is echter
achterwege gebleven.
527) Toen tengevolge van de staatsregeling van 1801 Gogel
voorloopig van het staatstooneel aftrad, werd Canneman griffier van den
Raad van Financiën. Dit verstoorde echter beider vriendschap niet. Men
vindt Canneman onder koning Lodewijk als secretaris-generaal aan het
departement van Financiën, terwijl Gogel minister is.
528) Sillem, Gogel, 314.
529) Br. en Ged. IV, 337; V, 27.—Sillem, Gogel, 111.
530) Van Akerlaken, Hendrik van Stralen, 253 vv.
531) Br. en Ged. IV, 309.
532) Falck aan Canneman, 7 Dec. 1813 (Brieven, no. 92; de
uitgever dateert verkeerdelijk 23 Nov.)—Staatscourant 1814, no. 1, 2.
533) A. W. Philipse, Advocaat-Generaal onder Napoleon.
534) Staatscourant 1814, no. 36.
535) Staatscourant 1814, no. 4.
dankdag.—Verslag den 7 November 1813 door den Minister van
Binnenlandsche Zaken, Mr. W. F. Röell, gedaan aan de Staten-Generaal
(Stuart, Jaarboeken van 1814, bl. 211, 248.)
523) Hiervóór, bl. 90.
524) Br. en Ged. III, 95.
525) Van Zonsbeek in de zitting van 9 Febr. 1797.
526) Falck, Brieven no. 91.—Staatscourant no. 1.—Hogendorp
aan Fagel, 29 Nov. 1813 (Br. en Ged. IV, 272): „Nous organisons
aujourd'hui les Ministères de la Guerre, de la Marine, des Finances, de
l'Intérieur, parce que physiquement nous ne pouvons pas tarder davantage.
Nous plaçons à la tête sous le nom de Commissaires Généraux, afin de
laisser au Prince l'honneur de nommer des Ministres, M. M. Bentinck, Job
May, Canneman, van Stralen”. De benoeming van May is echter
achterwege gebleven.
527) Toen tengevolge van de staatsregeling van 1801 Gogel
voorloopig van het staatstooneel aftrad, werd Canneman griffier van den
Raad van Financiën. Dit verstoorde echter beider vriendschap niet. Men
vindt Canneman onder koning Lodewijk als secretaris-generaal aan het
departement van Financiën, terwijl Gogel minister is.
528) Sillem, Gogel, 314.
529) Br. en Ged. IV, 337; V, 27.—Sillem, Gogel, 111.
530) Van Akerlaken, Hendrik van Stralen, 253 vv.
531) Br. en Ged. IV, 309.
532) Falck aan Canneman, 7 Dec. 1813 (Brieven, no. 92; de
uitgever dateert verkeerdelijk 23 Nov.)—Staatscourant 1814, no. 1, 2.
533) A. W. Philipse, Advocaat-Generaal onder Napoleon.
534) Staatscourant 1814, no. 36.
535) Staatscourant 1814, no. 4.
Page 407
536) Van Akerlaken, Hendrik van Stralen, 278.
537) Staatscourant 1814, no. 84.
538) Hierdoor laat zich ook verklaren, dat op de begrooting der
uitgaven over 1815 geen afzonderlijke post voor de Justitie voorkomt. Deze
uitgaven komen voor onder die van het Departement van Binnenlandsche
Zaken.
539) Staatscourant 1814, no. 85.
540) Lodewijk Bonaparte, Gedenkstukken I, 152, III, 89; vgl.
Röell in Ged. V, 572.
541) Aan D. J. van Lennep, 24 Dec. 1813 (Brieven, no. 97).
542) O. W. Hora Siccama in de voorrede der Ambtsbrieven, blz.
XVI.
543) Bl. 247.
544) Brieven, 23.—In den ruim een jaar vóór zijn aftreden aan
D. J. van Lennep den 26sten Februari 1817 gerichten brief schrijft Falck
over zijne verhouding tot Willem I: „Mijne positie is, òf onveranderd
gebleven, òf zelfs nog verbeterd. Dezelfde onderscheidende goedheid,
dezelfde welwillendheid van de zijde des meesters. Wel geene
overeenstemming op alle punten en geen toegeven aan alle mijne
denkbeelden of tegenwerpingen, maar dezelfde blijken van innig en
onbeperkt vertrouwen, en moet ik mijne meening ronduit uitdrukken, ik ben
in te veel en in te velerlei dingen van aanbelang gebruikt om ooit onder
deze regeering het slachtoffer te kunnen zijn van iets anders dan van eigene
onvoorzichtigheden of van nalatigheid in mijne plichtsbetrachting.”
545) Brief van 7 Dec. 1813 (Brieven, no. 92); van 2 Maart 1814
(no. 100).
546) „M. de Hogendorp, (vice)-president of the council of state,
and one of the cabinet ministers” (Chad aan Castlereagh, 12 Juli 1816; Ged.
VIII, 38).
537) Staatscourant 1814, no. 84.
538) Hierdoor laat zich ook verklaren, dat op de begrooting der
uitgaven over 1815 geen afzonderlijke post voor de Justitie voorkomt. Deze
uitgaven komen voor onder die van het Departement van Binnenlandsche
Zaken.
539) Staatscourant 1814, no. 85.
540) Lodewijk Bonaparte, Gedenkstukken I, 152, III, 89; vgl.
Röell in Ged. V, 572.
541) Aan D. J. van Lennep, 24 Dec. 1813 (Brieven, no. 97).
542) O. W. Hora Siccama in de voorrede der Ambtsbrieven, blz.
XVI.
543) Bl. 247.
544) Brieven, 23.—In den ruim een jaar vóór zijn aftreden aan
D. J. van Lennep den 26sten Februari 1817 gerichten brief schrijft Falck
over zijne verhouding tot Willem I: „Mijne positie is, òf onveranderd
gebleven, òf zelfs nog verbeterd. Dezelfde onderscheidende goedheid,
dezelfde welwillendheid van de zijde des meesters. Wel geene
overeenstemming op alle punten en geen toegeven aan alle mijne
denkbeelden of tegenwerpingen, maar dezelfde blijken van innig en
onbeperkt vertrouwen, en moet ik mijne meening ronduit uitdrukken, ik ben
in te veel en in te velerlei dingen van aanbelang gebruikt om ooit onder
deze regeering het slachtoffer te kunnen zijn van iets anders dan van eigene
onvoorzichtigheden of van nalatigheid in mijne plichtsbetrachting.”
545) Brief van 7 Dec. 1813 (Brieven, no. 92); van 2 Maart 1814
(no. 100).
546) „M. de Hogendorp, (vice)-president of the council of state,
and one of the cabinet ministers” (Chad aan Castlereagh, 12 Juli 1816; Ged.
VIII, 38).
Page 408
547) Thorbecke, Aanteekening I, 186.—Handleiding tot de
kennis van het Staatsbestuur, II, 5.
548) Brief van 28 Aug. 1817 aan Röell, toen lid der Eerste
Kamer.
549) Clancarty aan Castlereagh, 3 Febr. 1818 (Ged. VIII, 90).
550) Brief van van Maanen aan Röell van 8 Febr. 1829.
551) Voor het eerst gedrukt in den Tijdgenoot, III, 707.
552) Staatscourant 1814, no. 106.
553) Elout in de grondwetcommissie van 1815, zitting van 20
Mei: „de Koning consulteert thans den Raad van State over koloniezaken”
(Ontstaan II, 185).
554) Uit een brief van Chad aan Lord Castlereagh van 12 Juli
1816 (Ged. VIII, 38), blijkt, dat Hogendorp zich niet ontzag instructies aan
den gezant te Weenen te geven, wat natuurlijk niet op zijnen weg lag.—Vgl.
over deze zaak Br. en Ged. VI, 363; Hogendorp had aan van Spaen
geschreven over eene particuliere zaak die niet aan hem doch aan van
Nagell gerenvoyeerd was.
555) Loi du 17 févr. 1800 (28 pluv. an VIII); Fortuyn II, 101.
556) Bl. 177.
557) Schorer werd, daar Zeeland eerst in Mei van de Franschen
verlost werd, eenigen tijd later benoemd.
558) Van Akerlaken, Hendrik van Stralen, 279.
559) 11 Aug. 1815, (Brieven, no. 116).
560) Hiervóór, bl. 185.
561) Vgl. de circulaire van den Gouverneur van Zuid-Holland
van 9 Aug. 1814, Bijv. t. h. Staatsblad 1814, bl. 1623.
562) Brief van Falck aan Röell van 10 Aug. 1814.
563) Bl. 129.
kennis van het Staatsbestuur, II, 5.
548) Brief van 28 Aug. 1817 aan Röell, toen lid der Eerste
Kamer.
549) Clancarty aan Castlereagh, 3 Febr. 1818 (Ged. VIII, 90).
550) Brief van van Maanen aan Röell van 8 Febr. 1829.
551) Voor het eerst gedrukt in den Tijdgenoot, III, 707.
552) Staatscourant 1814, no. 106.
553) Elout in de grondwetcommissie van 1815, zitting van 20
Mei: „de Koning consulteert thans den Raad van State over koloniezaken”
(Ontstaan II, 185).
554) Uit een brief van Chad aan Lord Castlereagh van 12 Juli
1816 (Ged. VIII, 38), blijkt, dat Hogendorp zich niet ontzag instructies aan
den gezant te Weenen te geven, wat natuurlijk niet op zijnen weg lag.—Vgl.
over deze zaak Br. en Ged. VI, 363; Hogendorp had aan van Spaen
geschreven over eene particuliere zaak die niet aan hem doch aan van
Nagell gerenvoyeerd was.
555) Loi du 17 févr. 1800 (28 pluv. an VIII); Fortuyn II, 101.
556) Bl. 177.
557) Schorer werd, daar Zeeland eerst in Mei van de Franschen
verlost werd, eenigen tijd later benoemd.
558) Van Akerlaken, Hendrik van Stralen, 279.
559) 11 Aug. 1815, (Brieven, no. 116).
560) Hiervóór, bl. 185.
561) Vgl. de circulaire van den Gouverneur van Zuid-Holland
van 9 Aug. 1814, Bijv. t. h. Staatsblad 1814, bl. 1623.
562) Brief van Falck aan Röell van 10 Aug. 1814.
563) Bl. 129.
Page 409
564) In Zeeland werd echter reeds in 1816, in Friesland in 1825
eene Ridderschap ingesteld.
565) Besluiten van den Souvereinen Vorst van 28 Augustus, 17
September, 7 en 22 October, 1, 9 en 11 December 1814 (Stuart, Jaarboeken
1814, bl. 220).
566) Ontstaan II, 110, 117, 152 (waar voor „voegelijk” het
woord „niet” is uitgevallen), 412, 417, 420, 426.—„Omtrent de verheffing
in den adel”, schrijft de Koning, „dient geen conditie gesteld te worden. Het
spreekt van zelvers, dat gecenseerd wordt dat het alleen geschiedt om
bewezen diensten te beloonen, dog daar deze van verschillenden aart
kunnen zijn, die niet altoos erkend worden, zoude het niet voeglijk zijn, den
Koning te exponeeren van aan de Grondwet te mankeeren, wanneer zijne
keuzen niet goed waren”.
567) Zie hierboven bl. 81.
568) Bl. 180.
569) Br. en Ged. IV, 250.—Jacob Fagel is 19 Nov. vertrokken
met een geloofsbrief van het Haagsche comité van den 17den, doch had niet
het minste voornemen zijn broeder Hendrik te verdringen die niet uit
Engeland weg wilde en dus de aangewezen ambassadeur was voor later.
570) Ged. VI, inl. 3e stuk, CLXXXVIII.
571) Br. en Ged. V, 26; met „eene memorie betoogende de
noodzakelijkheid van eene regeering en wapening en de middelen daartoe
aanwijzende”. Dit stuk is helaas nergens teruggevonden.
572) Vgl. met de in de vorige noot genoemde plaats Ged. VII,
1742, welke brief niet van 22 doch van 21 Nov. is (zie Ged. VII, inl. 3e
stuk, CCXXV).
573) Br. en Ged. IV, 258.
574) Br. en Ged. IV, 245.
575) Ged. VI, inl. 3e stuk, LXXXIV.
eene Ridderschap ingesteld.
565) Besluiten van den Souvereinen Vorst van 28 Augustus, 17
September, 7 en 22 October, 1, 9 en 11 December 1814 (Stuart, Jaarboeken
1814, bl. 220).
566) Ontstaan II, 110, 117, 152 (waar voor „voegelijk” het
woord „niet” is uitgevallen), 412, 417, 420, 426.—„Omtrent de verheffing
in den adel”, schrijft de Koning, „dient geen conditie gesteld te worden. Het
spreekt van zelvers, dat gecenseerd wordt dat het alleen geschiedt om
bewezen diensten te beloonen, dog daar deze van verschillenden aart
kunnen zijn, die niet altoos erkend worden, zoude het niet voeglijk zijn, den
Koning te exponeeren van aan de Grondwet te mankeeren, wanneer zijne
keuzen niet goed waren”.
567) Zie hierboven bl. 81.
568) Bl. 180.
569) Br. en Ged. IV, 250.—Jacob Fagel is 19 Nov. vertrokken
met een geloofsbrief van het Haagsche comité van den 17den, doch had niet
het minste voornemen zijn broeder Hendrik te verdringen die niet uit
Engeland weg wilde en dus de aangewezen ambassadeur was voor later.
570) Ged. VI, inl. 3e stuk, CLXXXVIII.
571) Br. en Ged. V, 26; met „eene memorie betoogende de
noodzakelijkheid van eene regeering en wapening en de middelen daartoe
aanwijzende”. Dit stuk is helaas nergens teruggevonden.
572) Vgl. met de in de vorige noot genoemde plaats Ged. VII,
1742, welke brief niet van 22 doch van 21 Nov. is (zie Ged. VII, inl. 3e
stuk, CCXXV).
573) Br. en Ged. IV, 258.
574) Br. en Ged. IV, 245.
575) Ged. VI, inl. 3e stuk, LXXXIV.
Page 410
576) Ged. VI, inl. 3e stuk, LXXXVI (27 Nov.; minuut van van
der Duyn.)
577) Aldaar, XL en LVIII.
578) Ged. VII, 1523.
579) Aldaar, 1525.
580) Aldaar, 1526.
581) „Zondagmorgen ben ik geroepen bij den heer G. K. van
Hogendorp”, schrijft Canneman 24 Nov. aan Gogel (aldaar, 1541); G. K.
schrijft: „ik ontving hem”, doch hij schrijft dit eerst in 1817.
582) Br. en Ged. IV, 337.
583) Ged. VI, inl. 3e stuk, LXXXII.
584) Aldaar, XCII.
585) Hiervóór, bl. 67.
586) Br. en Ged. V, 14.
587) Deze ontdekking had plaats op een oogenblik dat de naam
Bentinck bij de politie in een kwaad gerucht stond wegens de gedragingen
van den bekenden graaf Bentinck van Rhoon, toen maire van Varel, bij den
boerenopstand in Oostfriesland (Ged. VI, 264).—Bentinck van Buckhorst
kwam vrij door de voorspraak van zijn provinciegenoot R. J.
Schimmelpenninck bij den minister van politie te Parijs (aldaar, 662).
588) „Piepers wil volstrekt niet paraisseeren maar gaarne
medewerken en is de ziel van alles” (Falck aan Kemper, 29 Nov. 1813;
Brieven no. 91).—Piepers, zoon van een huisschilder uit Middelburg, was
in den bureaudienst opgeklommen. „Mij is verhaald”, schrijft de Bosch
Kemper, „dat hem die afkomst eens door een adellijke, in den nog zeer
patricischen tijd van 1815, op onaangename wijze werd herinnerd, hetgeen
Willem I zeer kwalijk nam” (Letterk. Aant., 504).
589) Falck's Gedenkschriften, 125.
590) Br. en Ged. V, 44.
der Duyn.)
577) Aldaar, XL en LVIII.
578) Ged. VII, 1523.
579) Aldaar, 1525.
580) Aldaar, 1526.
581) „Zondagmorgen ben ik geroepen bij den heer G. K. van
Hogendorp”, schrijft Canneman 24 Nov. aan Gogel (aldaar, 1541); G. K.
schrijft: „ik ontving hem”, doch hij schrijft dit eerst in 1817.
582) Br. en Ged. IV, 337.
583) Ged. VI, inl. 3e stuk, LXXXII.
584) Aldaar, XCII.
585) Hiervóór, bl. 67.
586) Br. en Ged. V, 14.
587) Deze ontdekking had plaats op een oogenblik dat de naam
Bentinck bij de politie in een kwaad gerucht stond wegens de gedragingen
van den bekenden graaf Bentinck van Rhoon, toen maire van Varel, bij den
boerenopstand in Oostfriesland (Ged. VI, 264).—Bentinck van Buckhorst
kwam vrij door de voorspraak van zijn provinciegenoot R. J.
Schimmelpenninck bij den minister van politie te Parijs (aldaar, 662).
588) „Piepers wil volstrekt niet paraisseeren maar gaarne
medewerken en is de ziel van alles” (Falck aan Kemper, 29 Nov. 1813;
Brieven no. 91).—Piepers, zoon van een huisschilder uit Middelburg, was
in den bureaudienst opgeklommen. „Mij is verhaald”, schrijft de Bosch
Kemper, „dat hem die afkomst eens door een adellijke, in den nog zeer
patricischen tijd van 1815, op onaangename wijze werd herinnerd, hetgeen
Willem I zeer kwalijk nam” (Letterk. Aant., 504).
589) Falck's Gedenkschriften, 125.
590) Br. en Ged. V, 44.
Page 411
591) Br. en Ged. V, 38. „Naarmate de heer Canneman aan het
werk ging, ondervond hij de noodzakelijkheid van een binnenlandsch
ministerie, en bragt mij den heer van Stralen, als den eenigsten bekwamen
man daartoe bij afwezigheid van den heer van der Capellen”. Van Stralen
was de minister van dit departement geweest onder Schimmelpenninck; van
der Capellen onder koning Lodewijk. Van Stralen zal aan Canneman hierom
vooral welkom zijn geweest, wijl hij zich een warm voorstander had
betoond der belastinghervorming van Gogel, en in 1805 de reorganisatie der
departementale en gemeentebesturen had tot stand gebracht die tot het
welslagen van Gogels plannen de noodzakelijke voorwaarde was (zie mijn
Schimmelpenninck en Koning Lodewijk, 43).
592) Onder continuatie der bestaande directie (Mollerus).
593) Ged. VI, inl. 3e stuk, XCVII.
594) Aanteekening van Falck op van der Palm (bl. XXXIII der
inleiding op mijn uitgave van diens Gedenkschrift); vgl. Falck's
Gedenkschriften, 99.
595) Ged. VI, inl. 3e stuk, LXXII.
596) Aldaar, LXXIII.
597) Br. en Ged. V, 20, waar voor „Repelaer vond hem bij mij”
gelezen moet worden „zond hem bij mij”; Falck's Gedenkschriften, 76.
598) Deze is inderdaad bijna onbegrensd geweest. In minuten
van zijne hand, ook over de ingewikkeldste zaken, vindt men bijna nooit
een doorhaling.
599) Falck's Gedenkschriften, 99.
600) Br. en Ged. IV, 256.
601) Falck's Gedenkschriften, 110.
602) Aldaar, 113.
603) „Ik had ingewilligd dat elk vier vertrouwden zoude kiezen,
die van hem alleen weten zouden, en dat elk van die vier wederom
denzelfden gang zoude gaan. Maar ik zelf stelde geen prijs hoegenaamd op
werk ging, ondervond hij de noodzakelijkheid van een binnenlandsch
ministerie, en bragt mij den heer van Stralen, als den eenigsten bekwamen
man daartoe bij afwezigheid van den heer van der Capellen”. Van Stralen
was de minister van dit departement geweest onder Schimmelpenninck; van
der Capellen onder koning Lodewijk. Van Stralen zal aan Canneman hierom
vooral welkom zijn geweest, wijl hij zich een warm voorstander had
betoond der belastinghervorming van Gogel, en in 1805 de reorganisatie der
departementale en gemeentebesturen had tot stand gebracht die tot het
welslagen van Gogels plannen de noodzakelijke voorwaarde was (zie mijn
Schimmelpenninck en Koning Lodewijk, 43).
592) Onder continuatie der bestaande directie (Mollerus).
593) Ged. VI, inl. 3e stuk, XCVII.
594) Aanteekening van Falck op van der Palm (bl. XXXIII der
inleiding op mijn uitgave van diens Gedenkschrift); vgl. Falck's
Gedenkschriften, 99.
595) Ged. VI, inl. 3e stuk, LXXII.
596) Aldaar, LXXIII.
597) Br. en Ged. V, 20, waar voor „Repelaer vond hem bij mij”
gelezen moet worden „zond hem bij mij”; Falck's Gedenkschriften, 76.
598) Deze is inderdaad bijna onbegrensd geweest. In minuten
van zijne hand, ook over de ingewikkeldste zaken, vindt men bijna nooit
een doorhaling.
599) Falck's Gedenkschriften, 99.
600) Br. en Ged. IV, 256.
601) Falck's Gedenkschriften, 110.
602) Aldaar, 113.
603) „Ik had ingewilligd dat elk vier vertrouwden zoude kiezen,
die van hem alleen weten zouden, en dat elk van die vier wederom
denzelfden gang zoude gaan. Maar ik zelf stelde geen prijs hoegenaamd op
Page 412
die aardigheden, en deed er niets aan” (Br. en Ged. V, 17).—„Alles bepaalde
zich tot de vertrouwelijke woorden welke Singendonck nu en dan over en
weer droeg. Het was niet eens een stellige afspraak, veel min een stellige
samenzwering” (Falck's Gedenkschriften, 77).
604) Zijn afzegbrief aan Napoleon is eerst van den 19den.
605) Zoodra er 21 Nov. generaals zijn aangesteld krijgt van
Stirum (22 Nov.) eene plaats boven hen, als „gouverneur-generaal over de
gewapende magt in Holland” (Ged. VI, inl. 3e stuk, LXXIX).
606) Falck's Gedenkschriften, 124.
607) Bentinck aan C. F. de Jonge, 21 Nov. 1813 (Ged. VI, inl. 3e
stuk, CXC).
608) Ged. VI, inl. 3e stuk, XCII.
609) Aldaar, CLXVII en CLXXVI; vgl. Br. en Ged. IV, 389.
610) Door Byvanck in Gids 1890, II, 296.
611) Dit had Canneman gedaan (hiervóór, bl. 305), die hem dus
weldra moet zijn afgevallen.
612) Falck's Gedenkschriften, 120–'21.—„Zijn eigen ambtenaren
klaagden, dat hij altemets in geen drie dagen voor hen zichtbaar was” (Br.
en Ged. V, 193).
613) Falck's Gedenkschriften, 120; vgl. Sillem, Valckenaer II,
340 vv. en Ged. VII.
614) Br. en Ged. V, 68.
615) Br. en Ged. V, 46.—„Zijn titel”, schrijft G. K. in 1817,
„was eerst Algemeen Secretaris [van het Bestuur], hij werd later
[Algemeen] Secretaris van Staat en is nog niet Minister” (Br. en Ged. V,
45).
616) Falck's Gedenkschriften, 404 vv.
617) Br. en Ged. V, 44.
zich tot de vertrouwelijke woorden welke Singendonck nu en dan over en
weer droeg. Het was niet eens een stellige afspraak, veel min een stellige
samenzwering” (Falck's Gedenkschriften, 77).
604) Zijn afzegbrief aan Napoleon is eerst van den 19den.
605) Zoodra er 21 Nov. generaals zijn aangesteld krijgt van
Stirum (22 Nov.) eene plaats boven hen, als „gouverneur-generaal over de
gewapende magt in Holland” (Ged. VI, inl. 3e stuk, LXXIX).
606) Falck's Gedenkschriften, 124.
607) Bentinck aan C. F. de Jonge, 21 Nov. 1813 (Ged. VI, inl. 3e
stuk, CXC).
608) Ged. VI, inl. 3e stuk, XCII.
609) Aldaar, CLXVII en CLXXVI; vgl. Br. en Ged. IV, 389.
610) Door Byvanck in Gids 1890, II, 296.
611) Dit had Canneman gedaan (hiervóór, bl. 305), die hem dus
weldra moet zijn afgevallen.
612) Falck's Gedenkschriften, 120–'21.—„Zijn eigen ambtenaren
klaagden, dat hij altemets in geen drie dagen voor hen zichtbaar was” (Br.
en Ged. V, 193).
613) Falck's Gedenkschriften, 120; vgl. Sillem, Valckenaer II,
340 vv. en Ged. VII.
614) Br. en Ged. V, 68.
615) Br. en Ged. V, 46.—„Zijn titel”, schrijft G. K. in 1817,
„was eerst Algemeen Secretaris [van het Bestuur], hij werd later
[Algemeen] Secretaris van Staat en is nog niet Minister” (Br. en Ged. V,
45).
616) Falck's Gedenkschriften, 404 vv.
617) Br. en Ged. V, 44.
Page 413
618) Falck's Gedenkschriften, 175–176.
619) Loutere schijn, want de Mey krijgt onder den titel van
„Staatsraad belast met directie der Staatssecretarie” precies hetzelfde als
Falck te doen. (Aldaar, 203 en 408).
620) De eerste blijkt gehouden 8 Dec. 1813 (Falck's Brieven, no.
90, welke brief, enkel gedateerd „Dinsdagavond”, door den uitgever ten
onrechte op 23 Nov. gebracht is in plaats van op 7 Dec.)
621) In den aanvang vaker; zie hierachter den brief van den S. V.
aan Hogendorp van 8 April 1814.
622) Zij zijn een tien- of twaalftal jaren geleden door wijlen
Mevrouw de weduwe Falck-Crommelin te Utrecht aan het Kabinet der
Koningin ten geschenke gegeven waar zij nog berusten, en bevestigen wat
Falck omtrent het karakter van den Kabinetsraad mededeelt; bovendien zijn
zij zóó summier dat een ander dan de man die ze schreef er nagenoeg niets
aan heeft.—Voorbeeld Falck's Gedenkschriften, 348; ander voorbeeld:
Ontstaan II, bl. XCI. Het waren dan ook geen notulen die in de volgende
vergadering werden gelezen en goedgekeurd; zie Hogendorp hierachter.
623) Falck's Gedenkschriften, 127–128.
624) Br. en Ged. V, 72.
625) Aldaar, V, 93.—Te Amsterdam werden er veranderingen in
gemaakt.
626) Br. en Ged. V, 362.
627) Zie bovenstaanden brief.
628) Dit was inderdaad het geval.—Over de instructie hiervóór,
bl. 282.
629) Hiervóór, bl. 169 en 193.
630) Vgl. echter hiervóór, bl. 315; Falck's notulen waren dus
aanteekeningen ten eigen behoeve.
631) Als minister van buitenlandsche zaken.
619) Loutere schijn, want de Mey krijgt onder den titel van
„Staatsraad belast met directie der Staatssecretarie” precies hetzelfde als
Falck te doen. (Aldaar, 203 en 408).
620) De eerste blijkt gehouden 8 Dec. 1813 (Falck's Brieven, no.
90, welke brief, enkel gedateerd „Dinsdagavond”, door den uitgever ten
onrechte op 23 Nov. gebracht is in plaats van op 7 Dec.)
621) In den aanvang vaker; zie hierachter den brief van den S. V.
aan Hogendorp van 8 April 1814.
622) Zij zijn een tien- of twaalftal jaren geleden door wijlen
Mevrouw de weduwe Falck-Crommelin te Utrecht aan het Kabinet der
Koningin ten geschenke gegeven waar zij nog berusten, en bevestigen wat
Falck omtrent het karakter van den Kabinetsraad mededeelt; bovendien zijn
zij zóó summier dat een ander dan de man die ze schreef er nagenoeg niets
aan heeft.—Voorbeeld Falck's Gedenkschriften, 348; ander voorbeeld:
Ontstaan II, bl. XCI. Het waren dan ook geen notulen die in de volgende
vergadering werden gelezen en goedgekeurd; zie Hogendorp hierachter.
623) Falck's Gedenkschriften, 127–128.
624) Br. en Ged. V, 72.
625) Aldaar, V, 93.—Te Amsterdam werden er veranderingen in
gemaakt.
626) Br. en Ged. V, 362.
627) Zie bovenstaanden brief.
628) Dit was inderdaad het geval.—Over de instructie hiervóór,
bl. 282.
629) Hiervóór, bl. 169 en 193.
630) Vgl. echter hiervóór, bl. 315; Falck's notulen waren dus
aanteekeningen ten eigen behoeve.
631) Als minister van buitenlandsche zaken.
Page 414
632) Zie Tellegen's volgende hoofdstuk.
633) Hieruit blijkt dat Falck (die zijn gedenkschriften zooveel
later schrijft) van de zaak een minder juiste voorstelling geeft, wanneer hij
meldt (Gedenkschr. 133) dat Hogendorp vóór de behandeling in den Raad,
„na een ernstig onderhoud”, de belofte had moeten afleggen niet te zullen
tegenwerken. Hij zal naderhand hebben beloofd niet te zullen tegenwerken
in de Staten-Generaal, waaruit hij wegbleef toen de wet in behandeling
kwam.
634) Inderdaad werden van Bylandt-Halt en Canneman om hun
adviezen bij deze gelegenheid uitgebracht, uit den Raad gezet (Falck,
Gedenkschr. 133; Br. en Ged. V, 104, 193).
635) Ged. III, 183 (20 Jan. 1801).
636) Zie hiervóór, bl. 104.
637) Zie hiervóór, bl. 312.
638) Br. en Ged. V, 112.
639) Voor elk tijdvak dat de Staten-Generaal bijeen waren, werd
een nieuwe president benoemd. De eerste (in Mei) was een Gelderschman
geweest, van Lynden van Hoevelaken, die aanstonds begon met de stemmen
op te nemen, zooals in de collegiën der oude Republiek. „Had dan iemand
iets in te brengen, die tot de laatste helft behoorde, zoo was dit verloren
voor de eerste helft, die al gestemd had”, m. a. w. beraadslaging en
stemming waren niet gescheiden. Dit was te bedenkelijker daar de leden
zaten en stemden volgens de orde der provinciën, zoodat de eerste provincie
een groot voordeel had. Hogendorp veranderde dit tijdens zijn presidium in
November: hij liet de leden het woord vragen en na afloop der
beraadslaging stemmen, zooals het sedert in gebruik is gebleven.
640) Er waren zooveel commissiën in de Staten-Generaal
gevormd als er ministeriën waren.
641) Maar in zijn eigen boezem!
642) Br. en Ged. V, 111 vv.
633) Hieruit blijkt dat Falck (die zijn gedenkschriften zooveel
later schrijft) van de zaak een minder juiste voorstelling geeft, wanneer hij
meldt (Gedenkschr. 133) dat Hogendorp vóór de behandeling in den Raad,
„na een ernstig onderhoud”, de belofte had moeten afleggen niet te zullen
tegenwerken. Hij zal naderhand hebben beloofd niet te zullen tegenwerken
in de Staten-Generaal, waaruit hij wegbleef toen de wet in behandeling
kwam.
634) Inderdaad werden van Bylandt-Halt en Canneman om hun
adviezen bij deze gelegenheid uitgebracht, uit den Raad gezet (Falck,
Gedenkschr. 133; Br. en Ged. V, 104, 193).
635) Ged. III, 183 (20 Jan. 1801).
636) Zie hiervóór, bl. 104.
637) Zie hiervóór, bl. 312.
638) Br. en Ged. V, 112.
639) Voor elk tijdvak dat de Staten-Generaal bijeen waren, werd
een nieuwe president benoemd. De eerste (in Mei) was een Gelderschman
geweest, van Lynden van Hoevelaken, die aanstonds begon met de stemmen
op te nemen, zooals in de collegiën der oude Republiek. „Had dan iemand
iets in te brengen, die tot de laatste helft behoorde, zoo was dit verloren
voor de eerste helft, die al gestemd had”, m. a. w. beraadslaging en
stemming waren niet gescheiden. Dit was te bedenkelijker daar de leden
zaten en stemden volgens de orde der provinciën, zoodat de eerste provincie
een groot voordeel had. Hogendorp veranderde dit tijdens zijn presidium in
November: hij liet de leden het woord vragen en na afloop der
beraadslaging stemmen, zooals het sedert in gebruik is gebleven.
640) Er waren zooveel commissiën in de Staten-Generaal
gevormd als er ministeriën waren.
641) Maar in zijn eigen boezem!
642) Br. en Ged. V, 111 vv.
Page 415
643) Br. en Ged. V, 275.
644) Falck's Gedenkschriften, 133.
645) Ged. VI, inl. 3e stuk, CXLVII.
644) Falck's Gedenkschriften, 133.
645) Ged. VI, inl. 3e stuk, CXLVII.
Page 416
IX.
DE VERVANGING OF WIJZIGING DER
FRANSCHE WETGEVING.
De sporen der vreemde overheersching waren in
zoover uitgewischt, dat eene nieuwe Grondwet was
tot stand gekomen niet alleen, maar dat zij ook was
ingevoerd. De regeeringsvorm van het Keizerrijk was
door eene nationale regeling vervangen. Souvereine
Vorst, Staten-Generaal, Raad van State, Rekenkamer,
Staten Provinciaal treden in de plaats van de
instellingen der Fransche constitutie. De Franschen
hadden ons echter nog iets anders gebracht dan hun
regeeringsvorm. De beginselen van staatsbestuur
uitgewerkt in Wetten en Decreten waren eveneens uit
den vreemde overgeplant op Nederlandschen
grond 646). Werden wij ook hiervan bevrijd tegelijk
met de afwerping van het vreemde juk?
Dat in de dagen van November 1813, toen alle
kracht gericht moest worden op de herwinning onzer
DE VERVANGING OF WIJZIGING DER
FRANSCHE WETGEVING.
De sporen der vreemde overheersching waren in
zoover uitgewischt, dat eene nieuwe Grondwet was
tot stand gekomen niet alleen, maar dat zij ook was
ingevoerd. De regeeringsvorm van het Keizerrijk was
door eene nationale regeling vervangen. Souvereine
Vorst, Staten-Generaal, Raad van State, Rekenkamer,
Staten Provinciaal treden in de plaats van de
instellingen der Fransche constitutie. De Franschen
hadden ons echter nog iets anders gebracht dan hun
regeeringsvorm. De beginselen van staatsbestuur
uitgewerkt in Wetten en Decreten waren eveneens uit
den vreemde overgeplant op Nederlandschen
grond 646). Werden wij ook hiervan bevrijd tegelijk
met de afwerping van het vreemde juk?
Dat in de dagen van November 1813, toen alle
kracht gericht moest worden op de herwinning onzer
Page 417
onafhankelijkheid, de bestaande wetten en
verordeningen van kracht bleven, was vooral bij de
afwezigheid van den Prins van Oranje niet te
verwonderen. Het Staatsbestuur kon niet stilstaan.
Toen Hogendorp, bijgestaan door van der Duyn, den
knoop doorhakte en zij in naam van den Prins zich
stelden aan het hoofd der Regeering, werd in hunne
daartoe strekkende proclamatie van 21 November
1813 zoowel op het stuk der belastingen als op dat
van het bestuur en de justitie de bestaande wetgeving
gehandhaafd. Alleen werd bij hun besluit van 1
December 1813 bepaald, dat er voortaan niet meer in
naam des Keizers, maar in naam der Hooge Overheid
recht gesproken zoude worden; dat de titulaturen der
rechterlijke collegiën in harmonie zouden gebracht
worden met de nieuwe orde van zaken, en dat alleen
de Nederduitsche moedertaal bij die collegiën zou
worden gebruikt 647). Het eerste was een noodzakelijk
gevolg van de vernietiging der vreemde heerschappij;
het tweede kon bij de herleving van ons volksbestaan
niet achterwege blijven.
Toen dit besluit genomen werd was de Prins van
Oranje reeds teruggekeerd, doch was het Algemeen
Bestuur nog in werking. Welke gedragslijn volgde nu
de Souvereine Vorst, nadat hij den 6den December
verordeningen van kracht bleven, was vooral bij de
afwezigheid van den Prins van Oranje niet te
verwonderen. Het Staatsbestuur kon niet stilstaan.
Toen Hogendorp, bijgestaan door van der Duyn, den
knoop doorhakte en zij in naam van den Prins zich
stelden aan het hoofd der Regeering, werd in hunne
daartoe strekkende proclamatie van 21 November
1813 zoowel op het stuk der belastingen als op dat
van het bestuur en de justitie de bestaande wetgeving
gehandhaafd. Alleen werd bij hun besluit van 1
December 1813 bepaald, dat er voortaan niet meer in
naam des Keizers, maar in naam der Hooge Overheid
recht gesproken zoude worden; dat de titulaturen der
rechterlijke collegiën in harmonie zouden gebracht
worden met de nieuwe orde van zaken, en dat alleen
de Nederduitsche moedertaal bij die collegiën zou
worden gebruikt 647). Het eerste was een noodzakelijk
gevolg van de vernietiging der vreemde heerschappij;
het tweede kon bij de herleving van ons volksbestaan
niet achterwege blijven.
Toen dit besluit genomen werd was de Prins van
Oranje reeds teruggekeerd, doch was het Algemeen
Bestuur nog in werking. Welke gedragslijn volgde nu
de Souvereine Vorst, nadat hij den 6den December
Page 418
1813 de Regeering had overgenomen? Toen de
Keurvorst van Hessen in 1813 tot zijne getrouwe
onderdanen terugkeerde, haalde hij de pen door alles
wat sedert het oogenblik zijner verdrijving, sedert
1806 was ingevoerd 648). Dezen weg kon de
Souvereine Vorst niet inslaan, ook al had hij—wat
niet geval was—dit gewenscht. Waar met opdracht
der Souvereiniteit zijn gezag zoude berusten op,
zoude omschreven worden in eene vast te stellen
Grondwet, kon restauratie van hetgeen in 1795
bestaan had niet in aanmerking komen. Een terugkeer
tot de instellingen van de Republiek der Vereenigde
Nederlanden was onmogelijk, nu eenmaal het besluit
genomen was den ouden regeeringsvorm niet te
herstellen. Iets anders was het echter, zoo men
terugkeerde tot de wetgeving, zooals die op het
oogenblik der inlijving, bij het verdwijnen van het
koninkrijk Holland bestond. Doch ook dit is niet
geschied. Dat de Souvereine Vorst hiertoe niet
overging, is voorzeker niet hieraan toe te schrijven,
dat hij door den drang der omstandigheden tijdelijk
met de onbeperkte macht bekleed, van deze macht
alleen gebruik wenschte te maken in afwachting van
het tot stand komen der Grondwet. De Souvereine
Vorst werd, getuige menige diep ingrijpende
Keurvorst van Hessen in 1813 tot zijne getrouwe
onderdanen terugkeerde, haalde hij de pen door alles
wat sedert het oogenblik zijner verdrijving, sedert
1806 was ingevoerd 648). Dezen weg kon de
Souvereine Vorst niet inslaan, ook al had hij—wat
niet geval was—dit gewenscht. Waar met opdracht
der Souvereiniteit zijn gezag zoude berusten op,
zoude omschreven worden in eene vast te stellen
Grondwet, kon restauratie van hetgeen in 1795
bestaan had niet in aanmerking komen. Een terugkeer
tot de instellingen van de Republiek der Vereenigde
Nederlanden was onmogelijk, nu eenmaal het besluit
genomen was den ouden regeeringsvorm niet te
herstellen. Iets anders was het echter, zoo men
terugkeerde tot de wetgeving, zooals die op het
oogenblik der inlijving, bij het verdwijnen van het
koninkrijk Holland bestond. Doch ook dit is niet
geschied. Dat de Souvereine Vorst hiertoe niet
overging, is voorzeker niet hieraan toe te schrijven,
dat hij door den drang der omstandigheden tijdelijk
met de onbeperkte macht bekleed, van deze macht
alleen gebruik wenschte te maken in afwachting van
het tot stand komen der Grondwet. De Souvereine
Vorst werd, getuige menige diep ingrijpende
Page 419
maatregel, door dergelijk gemoedsbezwaar niet
gekweld. Hij was voor het oogenblik onbeperkt
heerscher, en hij gebruikte zijne macht zonder
schroom. Had het hem oorbaar geschenen, hij had
den toestand kunnen herstellen, zooals koning
Lodewijk dien bij zijn afstand gelaten had.
Toch is dit niet geschied. Heeft de Souvereine
Vorst het nagelaten, omdat het geheele tijdvak van
1795 tot 1810 toch ook onder den invloed der
Fransche denkbeelden gestaan had, en dus de
instellingen, bij de inlijving bestaande, evenmin
nationaal konden genoemd worden? Ik bedoel hier
niet het streven naar politieke vrijheid, dat in 1795 op
den voorgrond stond, doch in 1810 reeds lang had
gebleken ijdel te zijn; ik heb op het oog het streven
naar eenheid van Volk en Staat, met vernietiging van
de voorrechten, toegekend aan geboorte, kerkelijke
belijdenis of woonplaats. Men had dit beginsel wel
nu en dan trachten te beknibbelen, doch in de
hoofdzaak had het toch gezegevierd. Ook op dit stuk
was de Fransche wetgeving geen terugtred geweest;
zij had de opwellingen in tegenovergestelden zin den
kop ingedrukt. Ook hierin was dus geene voldoende
reden gelegen om de in 1813 bestaande instellingen
door die van 1810 te vervangen.
gekweld. Hij was voor het oogenblik onbeperkt
heerscher, en hij gebruikte zijne macht zonder
schroom. Had het hem oorbaar geschenen, hij had
den toestand kunnen herstellen, zooals koning
Lodewijk dien bij zijn afstand gelaten had.
Toch is dit niet geschied. Heeft de Souvereine
Vorst het nagelaten, omdat het geheele tijdvak van
1795 tot 1810 toch ook onder den invloed der
Fransche denkbeelden gestaan had, en dus de
instellingen, bij de inlijving bestaande, evenmin
nationaal konden genoemd worden? Ik bedoel hier
niet het streven naar politieke vrijheid, dat in 1795 op
den voorgrond stond, doch in 1810 reeds lang had
gebleken ijdel te zijn; ik heb op het oog het streven
naar eenheid van Volk en Staat, met vernietiging van
de voorrechten, toegekend aan geboorte, kerkelijke
belijdenis of woonplaats. Men had dit beginsel wel
nu en dan trachten te beknibbelen, doch in de
hoofdzaak had het toch gezegevierd. Ook op dit stuk
was de Fransche wetgeving geen terugtred geweest;
zij had de opwellingen in tegenovergestelden zin den
kop ingedrukt. Ook hierin was dus geene voldoende
reden gelegen om de in 1813 bestaande instellingen
door die van 1810 te vervangen.
Page 420
Dit alles neemt niet weg, dat men hier te lande
voorliefde koesterde voor hetgeen vóór de inlijving
had gegolden, zoodat, hadden er geen practische
bezwaren bestaan, het niet onwaarschijnlijk is dat de
Souvereine Vorst den vroegeren toestand zoude
hebben hersteld. Doch daartegen bestonden wel
praktische bezwaren. Men vestige slechts de
aandacht op de burgerlijke en strafwetgeving. Den
1sten Februari 1809 was het crimineel wetboek, den
1sten Mei 1809 het burgerlijk wetboek, het
zoogenaamde wetboek Lodewijk Napoleon
ingevoerd. De rechterlijke inrichting en de regeling
der burgerlijke rechtsvordering en der strafvordering
waren daarentegen, hoewel vastgesteld, niet in
werking getreden. De Fransche Codes daarentegen
met al hetgeen er bij behoorde, waren alle den 1sten
Maart 1811 ingevoerd en hadden dus meer dan twee
jaren gewerkt. Het ging niet aan, de beide wetboeken
van koning Lodewijk weder te doen herleven en
daarnaast de Fransche burgerlijke en strafvordering
en de Fransche rechterlijke organisatie te laten
bestaan. En het was eveneens zoo goed als
onmogelijk, wat die laatste onderwerpen betreft, de
regeling van koning Lodewijk, die nog nooit had
gewerkt, in 't leven te doen treden. Alles moest er dus
voorliefde koesterde voor hetgeen vóór de inlijving
had gegolden, zoodat, hadden er geen practische
bezwaren bestaan, het niet onwaarschijnlijk is dat de
Souvereine Vorst den vroegeren toestand zoude
hebben hersteld. Doch daartegen bestonden wel
praktische bezwaren. Men vestige slechts de
aandacht op de burgerlijke en strafwetgeving. Den
1sten Februari 1809 was het crimineel wetboek, den
1sten Mei 1809 het burgerlijk wetboek, het
zoogenaamde wetboek Lodewijk Napoleon
ingevoerd. De rechterlijke inrichting en de regeling
der burgerlijke rechtsvordering en der strafvordering
waren daarentegen, hoewel vastgesteld, niet in
werking getreden. De Fransche Codes daarentegen
met al hetgeen er bij behoorde, waren alle den 1sten
Maart 1811 ingevoerd en hadden dus meer dan twee
jaren gewerkt. Het ging niet aan, de beide wetboeken
van koning Lodewijk weder te doen herleven en
daarnaast de Fransche burgerlijke en strafvordering
en de Fransche rechterlijke organisatie te laten
bestaan. En het was eveneens zoo goed als
onmogelijk, wat die laatste onderwerpen betreft, de
regeling van koning Lodewijk, die nog nooit had
gewerkt, in 't leven te doen treden. Alles moest er dus
Page 421
toe leiden om de Fransche wetgeving voorloopig te
handhaven. Dit ging ook met mindere bezwaren
gepaard, omdat de Keizer zelf niet de geheele
Fransche wetgeving met één pennestreek hier te
lande had ingevoerd: hij had de wetten, die hier
zouden gelden, afzonderlijk genoemd; hij had de
bestaande regeling van sommige onderwerpen
geëerbiedigd 649).
De Souvereine Vorst deed dus wat het algemeen
bestuur had gedaan: hij liet, behoudens de
wijzigingen die hij wenschelijk achtte, de wetgeving
zooals hij die vond in wezen. Er waren echter hier te
lande, die dit niet hadden begrepen. De Fransche
wetgeving had ons iets gebracht, dat reeds onder
koning Lodewijk beloofd was, maar nog niet in
werking was getreden: de akten van den burgerlijken
stand; niet alleen een doeltreffend middel tot
verzekering van den staat der personen, maar tevens
een niet genoeg te waardeeren wapen tegen de
heerschzucht der geestelijkheid. Nu waren er die
meenden, dat met de verdrijving van den
vreemdeling te dezen opzichte de oude toestand was
herleefd. Bij besluit van 16 Februari 1814 (Staatsblad
no. 26) moest de Souvereine Vorst een naderen
termijn verleenen aan hen, die verzuimd hadden,
handhaven. Dit ging ook met mindere bezwaren
gepaard, omdat de Keizer zelf niet de geheele
Fransche wetgeving met één pennestreek hier te
lande had ingevoerd: hij had de wetten, die hier
zouden gelden, afzonderlijk genoemd; hij had de
bestaande regeling van sommige onderwerpen
geëerbiedigd 649).
De Souvereine Vorst deed dus wat het algemeen
bestuur had gedaan: hij liet, behoudens de
wijzigingen die hij wenschelijk achtte, de wetgeving
zooals hij die vond in wezen. Er waren echter hier te
lande, die dit niet hadden begrepen. De Fransche
wetgeving had ons iets gebracht, dat reeds onder
koning Lodewijk beloofd was, maar nog niet in
werking was getreden: de akten van den burgerlijken
stand; niet alleen een doeltreffend middel tot
verzekering van den staat der personen, maar tevens
een niet genoeg te waardeeren wapen tegen de
heerschzucht der geestelijkheid. Nu waren er die
meenden, dat met de verdrijving van den
vreemdeling te dezen opzichte de oude toestand was
herleefd. Bij besluit van 16 Februari 1814 (Staatsblad
no. 26) moest de Souvereine Vorst een naderen
termijn verleenen aan hen, die verzuimd hadden,
Page 422
geboorten, sterfgevallen enz. aan te geven, een
verzuim, dat, zeide de Souvereine Vorst, een gevolg
was van het „dwalend denkbeeld, dat alle instellingen
zonder onderscheid, uit de inlijving met Frankrijk
afkomstig, door de gezegende verandering van zaken
in dit land, waren komen te vervallen.”
Zoo bleef dan de Fransche wetgeving bestaan,
voorzoover ze niet door het algemeen bestuur
gewijzigd was en later door den Souvereinen Vorst,
vóór de aanneming der Grondwet van 29 Maart 1814
door hem alleen, daarna in overleg met de Staten-
Generaal, gewijzigd zoude worden.
In hoever heeft vóór en onder de Grondwet van
1814 dit laatste plaats gehad? Het is niet mijne
bedoeling deze vraag volledig te beantwoorden; ik
wensch mij tot enkele hoofdpunten te bepalen.
Het Staatsbestuur heeft, zal het zijne taak kunnen
vervullen, uitgaven te doen. Zij moeten in den
nieuwen tijd grootendeels gevonden worden uit de
bijdragen der ingezetenen. Een belangrijk gedeelte
van de Staatszorg heeft dus betrekking tot de
financiën, en in 't bijzonder tot de heffing van
belastingen. Men was vóór de inlijving er in geslaagd
de belastingen van de Republiek der Vereenigde
verzuim, dat, zeide de Souvereine Vorst, een gevolg
was van het „dwalend denkbeeld, dat alle instellingen
zonder onderscheid, uit de inlijving met Frankrijk
afkomstig, door de gezegende verandering van zaken
in dit land, waren komen te vervallen.”
Zoo bleef dan de Fransche wetgeving bestaan,
voorzoover ze niet door het algemeen bestuur
gewijzigd was en later door den Souvereinen Vorst,
vóór de aanneming der Grondwet van 29 Maart 1814
door hem alleen, daarna in overleg met de Staten-
Generaal, gewijzigd zoude worden.
In hoever heeft vóór en onder de Grondwet van
1814 dit laatste plaats gehad? Het is niet mijne
bedoeling deze vraag volledig te beantwoorden; ik
wensch mij tot enkele hoofdpunten te bepalen.
Het Staatsbestuur heeft, zal het zijne taak kunnen
vervullen, uitgaven te doen. Zij moeten in den
nieuwen tijd grootendeels gevonden worden uit de
bijdragen der ingezetenen. Een belangrijk gedeelte
van de Staatszorg heeft dus betrekking tot de
financiën, en in 't bijzonder tot de heffing van
belastingen. Men was vóór de inlijving er in geslaagd
de belastingen van de Republiek der Vereenigde
Page 423
Nederlanden, die met eene enkele uitzondering, de
convooien en licenten, een provinciaal karakter
droegen, te doen vervangen door algemeene
belastingen en alzoo uitvoering te geven aan de
beloften, reeds gedaan door de Staatsregeling van
1798 (art. 200). Iets wat door Hogendorp nog na de
omwenteling van 1798 zoo goed als onmogelijk
beschouwd werd 650), was onder Schimmelpenninck
door de kunde en energie van den financier der
Revolutie, Gogel, tot stand gekomen 651). Het
beginsel der Staatseenheid was dus op dit gebied
verwezenlijkt.
De groote maatregel was geslaagd, alleen had de
opbrengst der belastingen niet hoog genoeg kunnen
worden om de uitgaven te dekken. Men stond onder
koning Lodewijk nog telken jare voor een aanzienlijk
tekort. Toen nu ons land in het groote Rijk werd
ingelijfd, kon een afzonderlijk belastingstelsel
moeilijk blijven bestaan. Maar de Fransche
belastingen waren lichter; ze zouden dus eene
mindere opbrengst geven. De moeilijkheid werd
opgelost door de schrapping van ⅔ van de rente der
staatsschuld door de zoogenaamde tierceering. Was
die maatregel voor de renteheffers een financieele
ramp, de daardoor met ongeveer 24 millioen
convooien en licenten, een provinciaal karakter
droegen, te doen vervangen door algemeene
belastingen en alzoo uitvoering te geven aan de
beloften, reeds gedaan door de Staatsregeling van
1798 (art. 200). Iets wat door Hogendorp nog na de
omwenteling van 1798 zoo goed als onmogelijk
beschouwd werd 650), was onder Schimmelpenninck
door de kunde en energie van den financier der
Revolutie, Gogel, tot stand gekomen 651). Het
beginsel der Staatseenheid was dus op dit gebied
verwezenlijkt.
De groote maatregel was geslaagd, alleen had de
opbrengst der belastingen niet hoog genoeg kunnen
worden om de uitgaven te dekken. Men stond onder
koning Lodewijk nog telken jare voor een aanzienlijk
tekort. Toen nu ons land in het groote Rijk werd
ingelijfd, kon een afzonderlijk belastingstelsel
moeilijk blijven bestaan. Maar de Fransche
belastingen waren lichter; ze zouden dus eene
mindere opbrengst geven. De moeilijkheid werd
opgelost door de schrapping van ⅔ van de rente der
staatsschuld door de zoogenaamde tierceering. Was
die maatregel voor de renteheffers een financieele
ramp, de daardoor met ongeveer 24 millioen
Page 424
verminderde uitgaven zouden nu door de opbrengst
der Fransche belastingen kunnen worden gedekt.
Waarom echter met de invoering dezer belastingen
gewacht tot 1 Januari 1812? 652). Dit geschiedde niet
alleen om de Hollandsche ambtenaren in staat te
stellen, op de hoogte te komen der Fransche
inrichtingen; het geschiedde ook, omdat de behoeften
van het jaar 1810 en 1811 anders niet voldoende
konden worden gedekt. Alleen werden reeds met 1
Januari 1811 de directe belasting op het meubilair en
de accijnzen op zeep en vleesch afgeschaft, en
werden ook in andere opzichten de belastingen
verminderd. Toen nu op 1 Januari 1812 het Fransche
belastingstelsel werd ingevoerd, verdwenen daardoor
tevens de accijns op het gemaal en die op de
brandstoffen. De geldelijke uitkomst van de Fransche
belastingen was deze, dat, terwijl de opbrengst der
belastingen in 1810 ongeveer 42 millioen gulden had
bedragen, zij in 1811 verminderde tot 33 4/10 millioen
gulden, om in 1812 tot 61½ millioen franc te
dalen 653).
Toen de Souvereine Vorst het bestuur overnam,
was hier alzoo het Fransche belastingstelsel in
werking. Niettegenstaande hij de kassen ledig vond,
meende hij toch maatregelen te mogen nemen, die
der Fransche belastingen kunnen worden gedekt.
Waarom echter met de invoering dezer belastingen
gewacht tot 1 Januari 1812? 652). Dit geschiedde niet
alleen om de Hollandsche ambtenaren in staat te
stellen, op de hoogte te komen der Fransche
inrichtingen; het geschiedde ook, omdat de behoeften
van het jaar 1810 en 1811 anders niet voldoende
konden worden gedekt. Alleen werden reeds met 1
Januari 1811 de directe belasting op het meubilair en
de accijnzen op zeep en vleesch afgeschaft, en
werden ook in andere opzichten de belastingen
verminderd. Toen nu op 1 Januari 1812 het Fransche
belastingstelsel werd ingevoerd, verdwenen daardoor
tevens de accijns op het gemaal en die op de
brandstoffen. De geldelijke uitkomst van de Fransche
belastingen was deze, dat, terwijl de opbrengst der
belastingen in 1810 ongeveer 42 millioen gulden had
bedragen, zij in 1811 verminderde tot 33 4/10 millioen
gulden, om in 1812 tot 61½ millioen franc te
dalen 653).
Toen de Souvereine Vorst het bestuur overnam,
was hier alzoo het Fransche belastingstelsel in
werking. Niettegenstaande hij de kassen ledig vond,
meende hij toch maatregelen te mogen nemen, die
Page 425
eene mindere opbrengst der belastingen ten gevolge
moesten hebben. Op denzelfden dag, dat hij de
Regeering aanvaardde, nam hij een besluit tot
verlaging van het recht op de dranken en een en
ander van nog grooter gewicht, waarbij het
Staatsmonopolie van de tabak, de zoogenaamde
regie, werd afgeschaft 654). Welke denkbeelden den
Vorst bezielden, blijke uit den aanhef van dit besluit,
waarin hij den koophandel beschouwde, „als de bron
van vroegeren luister”, elk monopolie verklaarde te
zijn onbestaanbaar met zijne grondbeginselen en
„strijdig met de liberale denkbeelden, welke de
Nederlandsche Regeering steeds hadden
gekenmerkt.”
Een besluit van den volgenden dag werkte in
diezelfde richting 655). Het betrof de afschaffing van
„het principe” der gehate Fransche douanes en de
wederinvoering van de Convooien en Licenten,
tegelijk met het buitenlandsch lastgeld op de schepen.
De in den tijd der Spaansche troebelen geheven
Licenten wegens den handel op den vijand, en de
Convooien of geleidegelden, toen geheven voor de
bescherming der zeevaart of als afkoop voor
plundering en kaperij, waren, nadat de redenen voor
de heffing niet meer bestonden, als belasting op den
moesten hebben. Op denzelfden dag, dat hij de
Regeering aanvaardde, nam hij een besluit tot
verlaging van het recht op de dranken en een en
ander van nog grooter gewicht, waarbij het
Staatsmonopolie van de tabak, de zoogenaamde
regie, werd afgeschaft 654). Welke denkbeelden den
Vorst bezielden, blijke uit den aanhef van dit besluit,
waarin hij den koophandel beschouwde, „als de bron
van vroegeren luister”, elk monopolie verklaarde te
zijn onbestaanbaar met zijne grondbeginselen en
„strijdig met de liberale denkbeelden, welke de
Nederlandsche Regeering steeds hadden
gekenmerkt.”
Een besluit van den volgenden dag werkte in
diezelfde richting 655). Het betrof de afschaffing van
„het principe” der gehate Fransche douanes en de
wederinvoering van de Convooien en Licenten,
tegelijk met het buitenlandsch lastgeld op de schepen.
De in den tijd der Spaansche troebelen geheven
Licenten wegens den handel op den vijand, en de
Convooien of geleidegelden, toen geheven voor de
bescherming der zeevaart of als afkoop voor
plundering en kaperij, waren, nadat de redenen voor
de heffing niet meer bestonden, als belasting op den
Page 426
in-, uit- en doorvoer van waren blijven bestaan. Het
was tegelijk met het buitenlandsch lastgeld de eenige
belasting, die onder de Republiek der Vereenigde
Nederlanden voor de Generaliteit werd geheven 656).
Het laatst vastgestelde tarief, dat van 1725 657), was
nimmer door een nieuw tarief vervangen; alleen werd
het jaarlijks herzien en dan soms gewijzigd. Ook
Gogel had deze belasting onaangeroerd gelaten. Zij
werd nu door den Souvereinen Vorst hersteld, zooals
zij volgens de Wet van 29 December 1809 het laatst
was herzien. Men dient bij dat punt niet te vergeten,
dat het onder de Fransche overheersching zoo
uitgestrekte tolgebied nu weder tot de oude grenzen
was ingekrompen, en dat alzoo het behoud van het
hooge Fransche tarief dubbel drukkend zoude
geweest zijn. Bij hetzelfde besluit, eenige dagen later
aangevuld 658), werden tevens hersteld de niet tot de
Convooien en Licenten behoorende imposten op
onderscheidene buitenlandsche producten, die
geheven werden volgens de Wet van 18 December
1805 en hoofdzakelijk moesten dienen tot equivalent
van de hier te lande op die goederen gelegde
accijnzen.
De Souvereine Vorst moest echter spoedig inzien,
dat althans in de eerste tijden niet aan een verlichting
was tegelijk met het buitenlandsch lastgeld de eenige
belasting, die onder de Republiek der Vereenigde
Nederlanden voor de Generaliteit werd geheven 656).
Het laatst vastgestelde tarief, dat van 1725 657), was
nimmer door een nieuw tarief vervangen; alleen werd
het jaarlijks herzien en dan soms gewijzigd. Ook
Gogel had deze belasting onaangeroerd gelaten. Zij
werd nu door den Souvereinen Vorst hersteld, zooals
zij volgens de Wet van 29 December 1809 het laatst
was herzien. Men dient bij dat punt niet te vergeten,
dat het onder de Fransche overheersching zoo
uitgestrekte tolgebied nu weder tot de oude grenzen
was ingekrompen, en dat alzoo het behoud van het
hooge Fransche tarief dubbel drukkend zoude
geweest zijn. Bij hetzelfde besluit, eenige dagen later
aangevuld 658), werden tevens hersteld de niet tot de
Convooien en Licenten behoorende imposten op
onderscheidene buitenlandsche producten, die
geheven werden volgens de Wet van 18 December
1805 en hoofdzakelijk moesten dienen tot equivalent
van de hier te lande op die goederen gelegde
accijnzen.
De Souvereine Vorst moest echter spoedig inzien,
dat althans in de eerste tijden niet aan een verlichting
Page 427
der belastingen, eerder aan verzwaring daarvan zou
moeten gedacht worden. Voor de verdrijving der
Franschen van het grondgebied waren niet alleen
soldaten, er was daarvoor bovendien geld noodig.
Toen de Souvereine Vorst bij besluit van 6 December
1813 (Staatsblad no. 6) de Nederlanders te wapen
riep, deed hij tegelijk een beroep op hunne beurzen.
„Gedwongen leeningen voegden niet aan een volk,
dat zijn eigene belangen vrijwillig op zich had
genomen”. Door vrijwillige bijdragen moest de
schatkist worden gevuld. De bron vloeide echter niet
ruim genoeg om daarmede de behoefte te kunnen
dekken 659). Evenmin kon aan het oogmerk voldoen,
dat de ingezetenen bij besluit van 18 December 1813
(Staatsblad no. 13) werden uitgenoodigd tegen genot
van ½% per maand voorschotten te doen op de
belastingen, door hen over 1814 te betalen. Ook al
ware deze maatregel beter geslaagd dan het geval
schijnt te zijn geweest, kon hij alleen voor het
oogenblik helpen, en dit nog wel ten koste van de
inkomsten van het volgende jaar. De Souvereine
Vorst moest dus wel zijne toevlucht nemen tot eene
nieuwe regeling der belastingen.
„In aanmerking nemende de noodzakelijkheid om
ten spoedigste aan 's lands schatkist te verzekeren de
moeten gedacht worden. Voor de verdrijving der
Franschen van het grondgebied waren niet alleen
soldaten, er was daarvoor bovendien geld noodig.
Toen de Souvereine Vorst bij besluit van 6 December
1813 (Staatsblad no. 6) de Nederlanders te wapen
riep, deed hij tegelijk een beroep op hunne beurzen.
„Gedwongen leeningen voegden niet aan een volk,
dat zijn eigene belangen vrijwillig op zich had
genomen”. Door vrijwillige bijdragen moest de
schatkist worden gevuld. De bron vloeide echter niet
ruim genoeg om daarmede de behoefte te kunnen
dekken 659). Evenmin kon aan het oogmerk voldoen,
dat de ingezetenen bij besluit van 18 December 1813
(Staatsblad no. 13) werden uitgenoodigd tegen genot
van ½% per maand voorschotten te doen op de
belastingen, door hen over 1814 te betalen. Ook al
ware deze maatregel beter geslaagd dan het geval
schijnt te zijn geweest, kon hij alleen voor het
oogenblik helpen, en dit nog wel ten koste van de
inkomsten van het volgende jaar. De Souvereine
Vorst moest dus wel zijne toevlucht nemen tot eene
nieuwe regeling der belastingen.
„In aanmerking nemende de noodzakelijkheid om
ten spoedigste aan 's lands schatkist te verzekeren de
Page 428
geldmiddelen, welke dezelve in staat kunnen stellen
om gedurende 1814 te voorzien in de vaste en
gewone uitgaven, die, ter voldoening der
verschuldigde renten van de nationale schuld, ter
bestrijding van de onkosten voor het inwendig
Bestuur, voor den Waterstaat, voor de Zeemacht,
mitsgaders voor de defensie en de armee van den
Staat en derhalve ook, om een krachtdadig deel te
nemen in den oorlog, welke voor de
onafhankelijkheid der Staten van Europa gevoerd
wordt, benoodigd zijn.” Zoo luidde de aanhef van 's
Vorsten besluit van 23 December 1813 660),
aanwijzende de belastingen in 1814 te heffen. Bij dit
besluit ging de Souvereine Vorst een stap verder in de
richting van de afschaffing der Fransche belastingen
en de vervanging daarvan door belastingen volgens
het stelsel van Gogel. De zoogenaamde vereenigde
rechten maakten plaats voor de accijnzen, op het
oogenblik van de inlijving bestaande. Zout,
gedistilleerd en wijn werden weder volgens de
Hollandsche wetgeving belast; de accijnzen op turf,
zeep en gemaal, in het Fransche stelsel niet bekend,
traden weder uit het niet te voorschijn. De domaniale,
provinciale en watertollen traden in de plaats der
droits de navigation, eveneens een der vereenigde
om gedurende 1814 te voorzien in de vaste en
gewone uitgaven, die, ter voldoening der
verschuldigde renten van de nationale schuld, ter
bestrijding van de onkosten voor het inwendig
Bestuur, voor den Waterstaat, voor de Zeemacht,
mitsgaders voor de defensie en de armee van den
Staat en derhalve ook, om een krachtdadig deel te
nemen in den oorlog, welke voor de
onafhankelijkheid der Staten van Europa gevoerd
wordt, benoodigd zijn.” Zoo luidde de aanhef van 's
Vorsten besluit van 23 December 1813 660),
aanwijzende de belastingen in 1814 te heffen. Bij dit
besluit ging de Souvereine Vorst een stap verder in de
richting van de afschaffing der Fransche belastingen
en de vervanging daarvan door belastingen volgens
het stelsel van Gogel. De zoogenaamde vereenigde
rechten maakten plaats voor de accijnzen, op het
oogenblik van de inlijving bestaande. Zout,
gedistilleerd en wijn werden weder volgens de
Hollandsche wetgeving belast; de accijnzen op turf,
zeep en gemaal, in het Fransche stelsel niet bekend,
traden weder uit het niet te voorschijn. De domaniale,
provinciale en watertollen traden in de plaats der
droits de navigation, eveneens een der vereenigde
Page 429
rechten. Zoo herleefden ook het recht op de waag en
op de ronde maat, van oudsher in ons land bekende
belastingen, drukkende, met vrijstelling van den
kleinhandel, op den verkoop van goederen 't zij bij de
maat, 't zij bij het gewicht. Tevens werd weder
ingevoerd de belasting op de binnenlandsche
scheepvaart, geheven onder den naam van het
binnenlandsch last-, water-, plaisier- en passagegeld.
De wederinvoering van Gogel's wet op de successie
was eenerzijds eene verlichting, doordat het
successierecht in de nederdalende lijn, in Frankrijk
geheven, hierdoor verdween; anderzijds was het eene
verzwaring, daar het tarief van Gogel veel hooger
was dan het Fransche 661).
In vele opzichten keerde men dus tot de
Hollandsche wetgeving terug. Van de belastingen
bleven vooreerst de grondbelasting, een deel der
personeele en patentbelasting, benevens de rechten
op den waarborg 662) aan de Fransche wetgeving
onderworpen, terwijl ook de zegel-, registratie-,
griffie- en hypotheekrechten, de drie laatste onbekend
in Gogel's stelsel, op denzelfden voet als tot dusver
zouden worden geheven.
op de ronde maat, van oudsher in ons land bekende
belastingen, drukkende, met vrijstelling van den
kleinhandel, op den verkoop van goederen 't zij bij de
maat, 't zij bij het gewicht. Tevens werd weder
ingevoerd de belasting op de binnenlandsche
scheepvaart, geheven onder den naam van het
binnenlandsch last-, water-, plaisier- en passagegeld.
De wederinvoering van Gogel's wet op de successie
was eenerzijds eene verlichting, doordat het
successierecht in de nederdalende lijn, in Frankrijk
geheven, hierdoor verdween; anderzijds was het eene
verzwaring, daar het tarief van Gogel veel hooger
was dan het Fransche 661).
In vele opzichten keerde men dus tot de
Hollandsche wetgeving terug. Van de belastingen
bleven vooreerst de grondbelasting, een deel der
personeele en patentbelasting, benevens de rechten
op den waarborg 662) aan de Fransche wetgeving
onderworpen, terwijl ook de zegel-, registratie-,
griffie- en hypotheekrechten, de drie laatste onbekend
in Gogel's stelsel, op denzelfden voet als tot dusver
zouden worden geheven.
Page 430
Het valt niet gemakkelijk na te gaan, wat den
Souvereinen Vorst heeft bewogen van de Fransche
belastingen deze te behouden, gene af te schaffen.
Voorzeker waren het niet altijd redenen uit het belang
der schatkist geput, die tot het een of ander hadden
doen besluiten. Dat bij de afschaffing der tabaksregie
een ander doel beoogd werd, sprong ook, al ware dit
niet uitdrukkelijk gezegd, duidelijk in het oog.
Soortgelijke redenen werkten ook mede bij de
wederinvoering van de Convooien en Licenten. Zij
waren, voorzoover dit van eenige belasting kan
gezegd worden, steeds populair geweest. Was de
reden hiervan gelegen in de lage rechten? Maar toen
de Souvereine Vorst de Convooien en Licenten
herstelde, trad daardoor weder in 't leven het tarief,
zooals dit bij de wet van 1809 herzien was. En dit
tarief ademde een protectionistisch karakter. „De
zee”, zegt Hogendorp 663), „was toen gesloten, de
koophandel scheen vernietigd en men zocht eenige
vonken van welvaart op te wekken uit fabrieken, die
om verbod of bezwaar van invoer van vreemde
goederen verzochten. De vergunningen toen verleend
en op de wijze van den tijd verleend, d. i. met drift en
zonder vooruitzicht, bleken thans, bij den herrezen
koophandel, zeer nadeelig te zijn. De belemmeringen
Souvereinen Vorst heeft bewogen van de Fransche
belastingen deze te behouden, gene af te schaffen.
Voorzeker waren het niet altijd redenen uit het belang
der schatkist geput, die tot het een of ander hadden
doen besluiten. Dat bij de afschaffing der tabaksregie
een ander doel beoogd werd, sprong ook, al ware dit
niet uitdrukkelijk gezegd, duidelijk in het oog.
Soortgelijke redenen werkten ook mede bij de
wederinvoering van de Convooien en Licenten. Zij
waren, voorzoover dit van eenige belasting kan
gezegd worden, steeds populair geweest. Was de
reden hiervan gelegen in de lage rechten? Maar toen
de Souvereine Vorst de Convooien en Licenten
herstelde, trad daardoor weder in 't leven het tarief,
zooals dit bij de wet van 1809 herzien was. En dit
tarief ademde een protectionistisch karakter. „De
zee”, zegt Hogendorp 663), „was toen gesloten, de
koophandel scheen vernietigd en men zocht eenige
vonken van welvaart op te wekken uit fabrieken, die
om verbod of bezwaar van invoer van vreemde
goederen verzochten. De vergunningen toen verleend
en op de wijze van den tijd verleend, d. i. met drift en
zonder vooruitzicht, bleken thans, bij den herrezen
koophandel, zeer nadeelig te zijn. De belemmeringen
Page 431
aan den algemeenen handel toegebracht, strekten veel
meer tot verachtering der nationale welvaart, dan de
flauwe opbeuring van eenige fabrieken er goed aan
doen kon.” Dit was dan ook de reden dat men niet
staan bleef bij de in December 1813 weder
ingevoerde Convooien en Licenten, zooals die
volgens de wet van 1809 geheven werden. De zucht
„om den herlevenden koophandel te begunstigen”,
leidde er toe om na de invoering der Grondwet van
1814 en dus nu in overleg met de Staten-Generaal bij
de wet van 25 Juni 1814 (Staatsblad no. 70) het tarief
in vele opzichten te verlagen. Er was echter iets
anders wat bij de Convooien en Licenten opgemerkt
dient te worden. „Het was”, zegt Hogendorp, „eene
oude gewoonte, dat de koopman verklaarde onzeker
te zijn omtrent de hoeveelheid en waarde der
goederen, en dat diensvolgens eene overeenkomst
werd getroffen tusschen hem en den ontvanger
aangaande de verschuldigde som.” Hiervan was het
gevolg, dat in werkelijkheid de betaalde rechten
minder bedroegen dan volgens het tarief verschuldigd
was. Dit vooral was het, wat deze belasting populair
bij den handel had gemaakt; het was echter geen
noodzakelijk gevolg van deze heffing. Men zag dan
ook spoedig in, dat dit misbruik niet mocht blijven
meer tot verachtering der nationale welvaart, dan de
flauwe opbeuring van eenige fabrieken er goed aan
doen kon.” Dit was dan ook de reden dat men niet
staan bleef bij de in December 1813 weder
ingevoerde Convooien en Licenten, zooals die
volgens de wet van 1809 geheven werden. De zucht
„om den herlevenden koophandel te begunstigen”,
leidde er toe om na de invoering der Grondwet van
1814 en dus nu in overleg met de Staten-Generaal bij
de wet van 25 Juni 1814 (Staatsblad no. 70) het tarief
in vele opzichten te verlagen. Er was echter iets
anders wat bij de Convooien en Licenten opgemerkt
dient te worden. „Het was”, zegt Hogendorp, „eene
oude gewoonte, dat de koopman verklaarde onzeker
te zijn omtrent de hoeveelheid en waarde der
goederen, en dat diensvolgens eene overeenkomst
werd getroffen tusschen hem en den ontvanger
aangaande de verschuldigde som.” Hiervan was het
gevolg, dat in werkelijkheid de betaalde rechten
minder bedroegen dan volgens het tarief verschuldigd
was. Dit vooral was het, wat deze belasting populair
bij den handel had gemaakt; het was echter geen
noodzakelijk gevolg van deze heffing. Men zag dan
ook spoedig in, dat dit misbruik niet mocht blijven
Page 432
bestaan. Toen kort daarna, bij de wet van 1 December
1814 (Staatsblad no. 109) de zoogenaamde premie
bedragende 2% van de inkomende en 1% van de
uitgaande goederen werd afgeschaft, maakte men van
de gelegenheid gebruik om tevens de bepalingen van
het placcaat van 1725 (art. 40–42) waarin dat
misbruik geworteld was, te doen vervallen.
Zoo was dan voor het jaar 1814, grootendeels door
maatregelen van den Souvereinen Vorst alleen
uitgegaan, het belastingstelsel geregeld. Had de
inlijving ons vermindering van belasting gebracht, de
herstelling deed het tegenovergestelde. „De droits
réunis,” zegt Hogendorp 664), „waren afgeschaft, het
monopolie van den tabak was vernietigd; maar men
stelde in de plaats vroegere belastingen, (waaronder
het gemaal), die veel meer opbrachten. Doch alzoo er
een geduchte oorlog te voeren, de troepen der
bondgenooten te voorzien, een leger op de been te
brengen en een ruim materieel aan te schaffen waren,
begreep de natie, dat er ook geduchte oorlogslasten
tot bescherming der onafhankelijkheid moesten
gedragen worden”. In den loop van het jaar 1814 was
echter aan den oorlog een einde gekomen en mocht
men zich vleien, dat een toestand van vrede ons
voortaan beschoren zoude zijn. Zoo kon men dan ook
1814 (Staatsblad no. 109) de zoogenaamde premie
bedragende 2% van de inkomende en 1% van de
uitgaande goederen werd afgeschaft, maakte men van
de gelegenheid gebruik om tevens de bepalingen van
het placcaat van 1725 (art. 40–42) waarin dat
misbruik geworteld was, te doen vervallen.
Zoo was dan voor het jaar 1814, grootendeels door
maatregelen van den Souvereinen Vorst alleen
uitgegaan, het belastingstelsel geregeld. Had de
inlijving ons vermindering van belasting gebracht, de
herstelling deed het tegenovergestelde. „De droits
réunis,” zegt Hogendorp 664), „waren afgeschaft, het
monopolie van den tabak was vernietigd; maar men
stelde in de plaats vroegere belastingen, (waaronder
het gemaal), die veel meer opbrachten. Doch alzoo er
een geduchte oorlog te voeren, de troepen der
bondgenooten te voorzien, een leger op de been te
brengen en een ruim materieel aan te schaffen waren,
begreep de natie, dat er ook geduchte oorlogslasten
tot bescherming der onafhankelijkheid moesten
gedragen worden”. In den loop van het jaar 1814 was
echter aan den oorlog een einde gekomen en mocht
men zich vleien, dat een toestand van vrede ons
voortaan beschoren zoude zijn. Zoo kon men dan ook
Page 433
voor het jaar 1815 op vermindering van belasting
bedacht zijn. Bij de wet 1 December 1814
(Staatsblad no. 109) werd niet alleen de premie of het
veilgeld afgeschaft, maar werden tevens de
transitorechten in 1802 ingevoerd, weder op de helft
gebracht, en de rechten op den indigo verlaagd. Een
andere vermindering betrof de belasting op de
dienstboden en paarden ten bedrage van 10%, en de
afschaffing van het proportioneele recht op de
patenten. Tevens werd in de eerste maanden van 1815
de belasting op paarden en dienstboden, en op de
patenten, door eene geheel nieuwe regeling
vervangen, waarbij weder de wetgeving van Gogel
tot voorbeeld werd genomen 665).
Zoo was dan de Fransche wetgeving ten opzichte
der belastingen voor verreweg het grootste deel
weder vervangen door hetgeen hier te lande in 1805
en 1806 of vroeger was ingevoerd. Het waren alzoo
nog alleen de grondbelasting, de belasting op den
waarborg en de zegel-, registratie-, griffie- en
hypotheekrechten, die aan de vreemde
overheersching bleven herinneren. 666)
Voordat ik van dit onderwerp afstap, wensch ik
nog op één punt de aandacht te vestigen, dat met den
bedacht zijn. Bij de wet 1 December 1814
(Staatsblad no. 109) werd niet alleen de premie of het
veilgeld afgeschaft, maar werden tevens de
transitorechten in 1802 ingevoerd, weder op de helft
gebracht, en de rechten op den indigo verlaagd. Een
andere vermindering betrof de belasting op de
dienstboden en paarden ten bedrage van 10%, en de
afschaffing van het proportioneele recht op de
patenten. Tevens werd in de eerste maanden van 1815
de belasting op paarden en dienstboden, en op de
patenten, door eene geheel nieuwe regeling
vervangen, waarbij weder de wetgeving van Gogel
tot voorbeeld werd genomen 665).
Zoo was dan de Fransche wetgeving ten opzichte
der belastingen voor verreweg het grootste deel
weder vervangen door hetgeen hier te lande in 1805
en 1806 of vroeger was ingevoerd. Het waren alzoo
nog alleen de grondbelasting, de belasting op den
waarborg en de zegel-, registratie-, griffie- en
hypotheekrechten, die aan de vreemde
overheersching bleven herinneren. 666)
Voordat ik van dit onderwerp afstap, wensch ik
nog op één punt de aandacht te vestigen, dat met den
Page 434
omvang der toenmalige belastingen in nauw verband
staat. Men had in 1814 noodig gehad ƒ 59.800.000,
terwijl de gewone inkomsten ƒ 38.400.000 hadden
bedragen. Dit moest dus over het jaar 1814 hebben
gegeven een tekort van meer dan 10 millioen. Toch
was er bij den aanvang van het volgend jaar een
overschot van ruim 10 millioen. Van waar dit
verschijnsel? Het liet zich slechts voor een klein deel
verklaren door hetgeen aan vrijwillige giften was
binnengekomen. De hoofdzaak lag in de 28 millioen,
die ten gevolge van de wet van 14 Mei 1814
(Staatsblad no. 58) in de kas waren gevloeid; de wet,
die tot opschrift had: herstel der Nationale schuld en
vinding der fondsen, benoodigd tot stijving van 's
lands kas. De titel wijst aan, dat deze wet in
betrekking stond tot den harden maatregel door
Napoleon genomen, tot de tierceering der rente, en
dat het hare bedoeling was, daarop terug te komen.
Echter niet voor het geheel, maar in zoover, zeide de
wet, „als de billijkheid in de tegenwoordige
omstandigheden gedoogde en medebracht.” Van
onderscheidene zijden is sedert lang erkend, dat, had
de inlijving geene plaats gevonden, het
Staatsbankroet toch had moeten worden
uitgesproken. Het bestond feitelijk reeds lang. Men is
staat. Men had in 1814 noodig gehad ƒ 59.800.000,
terwijl de gewone inkomsten ƒ 38.400.000 hadden
bedragen. Dit moest dus over het jaar 1814 hebben
gegeven een tekort van meer dan 10 millioen. Toch
was er bij den aanvang van het volgend jaar een
overschot van ruim 10 millioen. Van waar dit
verschijnsel? Het liet zich slechts voor een klein deel
verklaren door hetgeen aan vrijwillige giften was
binnengekomen. De hoofdzaak lag in de 28 millioen,
die ten gevolge van de wet van 14 Mei 1814
(Staatsblad no. 58) in de kas waren gevloeid; de wet,
die tot opschrift had: herstel der Nationale schuld en
vinding der fondsen, benoodigd tot stijving van 's
lands kas. De titel wijst aan, dat deze wet in
betrekking stond tot den harden maatregel door
Napoleon genomen, tot de tierceering der rente, en
dat het hare bedoeling was, daarop terug te komen.
Echter niet voor het geheel, maar in zoover, zeide de
wet, „als de billijkheid in de tegenwoordige
omstandigheden gedoogde en medebracht.” Van
onderscheidene zijden is sedert lang erkend, dat, had
de inlijving geene plaats gevonden, het
Staatsbankroet toch had moeten worden
uitgesproken. Het bestond feitelijk reeds lang. Men is
Page 435
er echter dankbaar voor, dat het noodlot den Keizer
en niet een onzer eigen vorsten tot die uitspraak
dwong 667). Men keurt het echter af, dat toen de
Keizer Holland met zijne lusten opnam in het groote
Rijk, hij ook niet de lasten, d. i. de volle rente voor
Frankrijks rekening nam 668). Doch dat hij dit niet
gedaan had, ook daarvoor mocht de Souvereine Vorst
hem dankbaar zijn. Immers zoo tijdens de Fransche
heerschappij de volle rente betaald was, zoude de
financieele toestand bij onze herleving veel
moeielijker voor den Souvereinen Vorst zijn geweest.
Dan had deze moeten voortgaan òf die volle rente te
betalen, wat onmogelijk was, òf zelf een
soortgelijken maatregel als dien van Napoleon
moeten nemen, en dus zijne regeering met een
staatsbankroet moeten inwijden 669). De tierceering
van Napoleon stelde hem nu echter in de
gelegenheid, of, om zonder ergernis te verwekken,
het eenmaal bestaande te eerbiedigen, of, indien hij,
ook maar voor een gedeelte, op dien harden
maatregel terugkwam, als hersteller van onrecht op te
treden. Wat anders spoliatie zoude zijn geweest, zou
nu eene weldaad worden. En als zoodanig werd dan
nu beschouwd de wet van 14 Mei 1814. Zij sprak als
hare bedoeling uit, de ramp te verzachten, die de
en niet een onzer eigen vorsten tot die uitspraak
dwong 667). Men keurt het echter af, dat toen de
Keizer Holland met zijne lusten opnam in het groote
Rijk, hij ook niet de lasten, d. i. de volle rente voor
Frankrijks rekening nam 668). Doch dat hij dit niet
gedaan had, ook daarvoor mocht de Souvereine Vorst
hem dankbaar zijn. Immers zoo tijdens de Fransche
heerschappij de volle rente betaald was, zoude de
financieele toestand bij onze herleving veel
moeielijker voor den Souvereinen Vorst zijn geweest.
Dan had deze moeten voortgaan òf die volle rente te
betalen, wat onmogelijk was, òf zelf een
soortgelijken maatregel als dien van Napoleon
moeten nemen, en dus zijne regeering met een
staatsbankroet moeten inwijden 669). De tierceering
van Napoleon stelde hem nu echter in de
gelegenheid, of, om zonder ergernis te verwekken,
het eenmaal bestaande te eerbiedigen, of, indien hij,
ook maar voor een gedeelte, op dien harden
maatregel terugkwam, als hersteller van onrecht op te
treden. Wat anders spoliatie zoude zijn geweest, zou
nu eene weldaad worden. En als zoodanig werd dan
nu beschouwd de wet van 14 Mei 1814. Zij sprak als
hare bedoeling uit, de ramp te verzachten, die de
Page 436
renteheffers getroffen had. De maatregel, waardoor
dit beoogd werd, kwam in 't kort hierop neder. De
nationale schuld zoude voortaan alleen bestaan uit
ééne soort effecten, 2½% rente dragende. Zij die b.v.
in 't bezit waren van effecten op dat oogenblik
gevende ƒ 45 rente, konden daarvoor krijgen een
kapitaal van ƒ 6000, waarvan ƒ 2000 werkelijke, d. i.
dadelijk rentegevende schuld zoude zijn, terwijl
ƒ 4000 onder de uitgestelde schuld zoude behooren.
Dat is: deze zoude geene rente dragen, zoolang zij
niet in de Werkelijke Schuld was overgegaan. Dit
laatste zoude door middel van uitloting jaarlijks tot
een bedrag van minstens 4 millioen gulden plaats
vinden; iets wat tot voortdurende vermeerdering der
rentegevende schuld zoude hebben moeten leiden,
ware het niet, dat van deze ook jaarlijks tot een gelijk
bedrag zoude worden geamortiseerd. Nu zou het
alleen ten gevolge hebben, dat niettegenstaande de
voortdurende amortisatie de rentedragende schuld op
dezelfde hoogte bleef 670).
Hoe bracht echter deze maatregel geld in kas?
Hierdoor, dat aan de bezitters der Nederlandsche
effecten de bezwarende voorwaarde was opgelegd,
om, ter verkrijging van eene hoeveelheid schuld,
dadelijk rentedragende ƒ 45, eene som van ƒ 100 in
dit beoogd werd, kwam in 't kort hierop neder. De
nationale schuld zoude voortaan alleen bestaan uit
ééne soort effecten, 2½% rente dragende. Zij die b.v.
in 't bezit waren van effecten op dat oogenblik
gevende ƒ 45 rente, konden daarvoor krijgen een
kapitaal van ƒ 6000, waarvan ƒ 2000 werkelijke, d. i.
dadelijk rentegevende schuld zoude zijn, terwijl
ƒ 4000 onder de uitgestelde schuld zoude behooren.
Dat is: deze zoude geene rente dragen, zoolang zij
niet in de Werkelijke Schuld was overgegaan. Dit
laatste zoude door middel van uitloting jaarlijks tot
een bedrag van minstens 4 millioen gulden plaats
vinden; iets wat tot voortdurende vermeerdering der
rentegevende schuld zoude hebben moeten leiden,
ware het niet, dat van deze ook jaarlijks tot een gelijk
bedrag zoude worden geamortiseerd. Nu zou het
alleen ten gevolge hebben, dat niettegenstaande de
voortdurende amortisatie de rentedragende schuld op
dezelfde hoogte bleef 670).
Hoe bracht echter deze maatregel geld in kas?
Hierdoor, dat aan de bezitters der Nederlandsche
effecten de bezwarende voorwaarde was opgelegd,
om, ter verkrijging van eene hoeveelheid schuld,
dadelijk rentedragende ƒ 45, eene som van ƒ 100 in
Page 437
contanten te moeten bijpassen. Het gevolg hiervan
was, dat alzoo eene som van 28 millioen gulden in de
schatkist vloeide. Maar het gevolg was tevens, dat
door de conversie, in eenerlei effect van 2½ pct., het
kapitaal der schuld van 1250 millioen steeg tot 1726
millioen, waarvan ƒ 575.350.000 werkelijke en
ƒ 1.150.700.000 uitgestelde schuld. Aan eene latere
verlaging der rente zou nu voortaan niet meer te
denken zijn. Er zoude echter ten gevolge der
verplichte jaarlijksche amortisatie, nooit meer rente
behoeven betaald te worden dan van de 575 millioen.
Na verloop van hoogstens 290 jaren zoude dan de
uitgestelde schuld zijn verdwenen en alleen de
werkelijke schuld tot dat bedrag overblijven. Het is
hier de plaats niet, over de uitkomsten van dien
maatregel te spreken; alleen zij herinnerd, dat, terwijl
onder de regeering van Willem I er voortdurend
nieuwe schuld werd aangegaan, van de uitgestelde
schuld eene grootere hoeveelheid vernietigd werd,
dan waartoe men volgens de wet van 1814 verplicht
was, zoodat, toen men in 1841 zich genoodzaakt zag
op den maatregel van 1814 terug te komen, en men
de houders der uitgestelde schuld noodzaakte zich
met dadelijke betaling van „de innerlijke waarde”
tevreden te stellen, er van die schuld niet meer dan
was, dat alzoo eene som van 28 millioen gulden in de
schatkist vloeide. Maar het gevolg was tevens, dat
door de conversie, in eenerlei effect van 2½ pct., het
kapitaal der schuld van 1250 millioen steeg tot 1726
millioen, waarvan ƒ 575.350.000 werkelijke en
ƒ 1.150.700.000 uitgestelde schuld. Aan eene latere
verlaging der rente zou nu voortaan niet meer te
denken zijn. Er zoude echter ten gevolge der
verplichte jaarlijksche amortisatie, nooit meer rente
behoeven betaald te worden dan van de 575 millioen.
Na verloop van hoogstens 290 jaren zoude dan de
uitgestelde schuld zijn verdwenen en alleen de
werkelijke schuld tot dat bedrag overblijven. Het is
hier de plaats niet, over de uitkomsten van dien
maatregel te spreken; alleen zij herinnerd, dat, terwijl
onder de regeering van Willem I er voortdurend
nieuwe schuld werd aangegaan, van de uitgestelde
schuld eene grootere hoeveelheid vernietigd werd,
dan waartoe men volgens de wet van 1814 verplicht
was, zoodat, toen men in 1841 zich genoodzaakt zag
op den maatregel van 1814 terug te komen, en men
de houders der uitgestelde schuld noodzaakte zich
met dadelijke betaling van „de innerlijke waarde”
tevreden te stellen, er van die schuld niet meer dan
Page 438
een kapitaal van 893 millioen in wezen was, waarvan
de aflossing den Staat op 71 millioen te staan
kwam 671). „Hoe lofwaardig”, zeide de memorie van
toelichting op de wet van 17 September 1841, „ook
de bedoeling moge geweest zijn, de ondervinding
heeft geleerd, dat de genomen maatregel het
voorgestelde doel niet heeft bereikt.” Ook niet ten
opzichte van de door de herziening getroffen
renteheffers. „Zij die het meest door de herziening
der rentebetaling geleden hadden, waren doorgaans
het minst bij machte het aan hen gegeven renteloos
fonds tot eene eventueele uitloting onaangeroerd te
laten liggen; ja velen waren genoodzaakt hetzelve
voor een gedeelte al dadelijk te gelde te maken, om
hun aandeel in de aan de conversie verbondene
bijlage te voldoen.” Alleen in zoover trof die
maatregel wel doel, dat hij, zonder dat men tot eene
gedwongene leening de toevlucht behoefde te nemen,
28 millioen in kas bracht 672).
Ik neem afscheid van het onderwerp, waarbij—hoe
onmisbaar ook—de Staat zich niet van de meest
populaire zijde laat kennen. Doch het onderwerp dat
ik nu ga bespreken, valt zeker niet meer in den
smaak. Ik bedoel het krijgswezen. Vooral in die
dagen was het met eene zwarte kool geteekend. Zoo
de aflossing den Staat op 71 millioen te staan
kwam 671). „Hoe lofwaardig”, zeide de memorie van
toelichting op de wet van 17 September 1841, „ook
de bedoeling moge geweest zijn, de ondervinding
heeft geleerd, dat de genomen maatregel het
voorgestelde doel niet heeft bereikt.” Ook niet ten
opzichte van de door de herziening getroffen
renteheffers. „Zij die het meest door de herziening
der rentebetaling geleden hadden, waren doorgaans
het minst bij machte het aan hen gegeven renteloos
fonds tot eene eventueele uitloting onaangeroerd te
laten liggen; ja velen waren genoodzaakt hetzelve
voor een gedeelte al dadelijk te gelde te maken, om
hun aandeel in de aan de conversie verbondene
bijlage te voldoen.” Alleen in zoover trof die
maatregel wel doel, dat hij, zonder dat men tot eene
gedwongene leening de toevlucht behoefde te nemen,
28 millioen in kas bracht 672).
Ik neem afscheid van het onderwerp, waarbij—hoe
onmisbaar ook—de Staat zich niet van de meest
populaire zijde laat kennen. Doch het onderwerp dat
ik nu ga bespreken, valt zeker niet meer in den
smaak. Ik bedoel het krijgswezen. Vooral in die
dagen was het met eene zwarte kool geteekend. Zoo
Page 439
iets nog meer gehaat was dan het Fransche
douanestelsel, was het zeker de conscriptie. Een last,
te drukkender, omdat hij dienstbaar was gemaakt aan
de heerschzucht van den vreemdeling. In den
aanvang wilde men dan ook hier te lande van
gedwongen krijgsdienst niets weten. Men schijnt
zelfs begrepen te hebben, dat de daartoe betrekkelijke
regeling door de bevrijding van zelve was vervallen.
Zoo trachtte dan ook het hierboven vermelde besluit
van 6 Dec. 1813 (Staatsblad no. 6), hetwelk de
ingezetenen uitnoodigde tot het geven van bijdragen,
door de oproeping van vrijwilligers in de behoefte te
voorzien. Maar die bron vloeide te schaars om eene
gewapende macht samen te stellen, in staat om het
grondgebied te bevrijden. Men ziet dan ook reeds
veertien dagen later den Souvereinen Vorst de
toevlucht nemen tot het opleggen van dwang. Bij een
Reglement van 20 December 1813 (Staatsblad no.
14) werd een algemeene volkswapening ingevoerd.
Alle weerbare mannen van 17–50 jaren zouden den
landstorm uitmaken, die bestemd was om
naastbijgelegen vestingen te bezetten, en om de nog
door den vijand bezetene vestingen in te sluiten en
zijne aanvallen af te slaan. Uit dien landstorm zoude
tevens, voor zoover het vereischte getal door
douanestelsel, was het zeker de conscriptie. Een last,
te drukkender, omdat hij dienstbaar was gemaakt aan
de heerschzucht van den vreemdeling. In den
aanvang wilde men dan ook hier te lande van
gedwongen krijgsdienst niets weten. Men schijnt
zelfs begrepen te hebben, dat de daartoe betrekkelijke
regeling door de bevrijding van zelve was vervallen.
Zoo trachtte dan ook het hierboven vermelde besluit
van 6 Dec. 1813 (Staatsblad no. 6), hetwelk de
ingezetenen uitnoodigde tot het geven van bijdragen,
door de oproeping van vrijwilligers in de behoefte te
voorzien. Maar die bron vloeide te schaars om eene
gewapende macht samen te stellen, in staat om het
grondgebied te bevrijden. Men ziet dan ook reeds
veertien dagen later den Souvereinen Vorst de
toevlucht nemen tot het opleggen van dwang. Bij een
Reglement van 20 December 1813 (Staatsblad no.
14) werd een algemeene volkswapening ingevoerd.
Alle weerbare mannen van 17–50 jaren zouden den
landstorm uitmaken, die bestemd was om
naastbijgelegen vestingen te bezetten, en om de nog
door den vijand bezetene vestingen in te sluiten en
zijne aanvallen af te slaan. Uit dien landstorm zoude
tevens, voor zoover het vereischte getal door
Page 440
vrijwilligers niet verkregen werd, door middel van
loting tusschen de ingezetenen van 17–45 jaren eene
landmilitie worden getrokken. De plaatsvervanging
werd daarbij toegelaten. Langs dezen weg dacht men
een militie van 20.000 man (16.000 man infanterie en
4000 man artillerie) te verkrijgen. De krijgsmacht
bestond dan ook in de maand April, de eigenlijke
landstorm niet medegerekend, uit ongeveer 25.000
man, eene macht waarmede men, zoo Parijs zich
intusschen niet had overgegeven, de geallieerden te
hulp had kunnen komen 673).
Wat zou nu echter de Grondwet over dit onderwerp
bepalen? Zoude zij, evenals de Schets van
Hogendorp dit deed, daarover zwijgen? Dit scheen
eerst wel het geval te zullen zijn; toen echter het
ontwerp der Grondwet zoo goed als gereed was,
kwam Repelaer in de zitting van 11 Februari 1814
met het voorstel voor den dag, een of meer artikelen
omtrent de landmilitie en de landmacht vast te
stellen 674). Met Röell belast die artikelen te
ontwerpen, werd het Hoofdstuk over de defensie, het
6e van de Grondwet van 1814, na eerst aan de
goedkeuring van den Souvereinen Vorst onderworpen
te zijn 675), in de daaropvolgende zitting, die van 28
loting tusschen de ingezetenen van 17–45 jaren eene
landmilitie worden getrokken. De plaatsvervanging
werd daarbij toegelaten. Langs dezen weg dacht men
een militie van 20.000 man (16.000 man infanterie en
4000 man artillerie) te verkrijgen. De krijgsmacht
bestond dan ook in de maand April, de eigenlijke
landstorm niet medegerekend, uit ongeveer 25.000
man, eene macht waarmede men, zoo Parijs zich
intusschen niet had overgegeven, de geallieerden te
hulp had kunnen komen 673).
Wat zou nu echter de Grondwet over dit onderwerp
bepalen? Zoude zij, evenals de Schets van
Hogendorp dit deed, daarover zwijgen? Dit scheen
eerst wel het geval te zullen zijn; toen echter het
ontwerp der Grondwet zoo goed als gereed was,
kwam Repelaer in de zitting van 11 Februari 1814
met het voorstel voor den dag, een of meer artikelen
omtrent de landmilitie en de landmacht vast te
stellen 674). Met Röell belast die artikelen te
ontwerpen, werd het Hoofdstuk over de defensie, het
6e van de Grondwet van 1814, na eerst aan de
goedkeuring van den Souvereinen Vorst onderworpen
te zijn 675), in de daaropvolgende zitting, die van 28
Page 441
Februari, door beide heeren voorgesteld en door de
commissie aangenomen.
Wat was de drijfveer der commissie om dit nieuwe
Hoofdstuk in de Grondwet te plaatsen? Wanneer men
het eerste artikel (art. 121), waarin op voorstel van
Hogendorp 676) naar 's lands oude gewoonte en het
grondbeginsel der Unie van Utrecht verwezen werd,
leest, zou men denken dat het de bedoeling was om
de ingezetenen aan hunnen plicht te herinneren, de
wapenen op te vatten tot handhaving van de
onafhankelijkheid van den Staat. Wanneer men echter
in het volgende artikel (122) den Souvereinen Vorst
de plicht ziet opgelegd, te zorgen voor eene
toereikende zee- en landmacht, door werving van
inboorlingen of vreemdelingen te verkrijgen, dan
wordt het duidelijk, dat men dien last zoo weinig
mogelijk drukkend wenschte te maken. Eerst als
aanvulling komt de militie en de schutterij (art. 123–
126). De militie, door loting samengesteld uit de
ingezetenen van 18–22 jaren, die vijf jaar zullen
dienen en in den regel 1 maand 's jaars in den
wapenhandel geoefend worden, behoudens het recht
van den Souvereinen Vorst om ¼ van het geheele
getal te doen samenblijven, en om in buitengewone
omstandigheden dit te doen met de geheele militie; in
commissie aangenomen.
Wat was de drijfveer der commissie om dit nieuwe
Hoofdstuk in de Grondwet te plaatsen? Wanneer men
het eerste artikel (art. 121), waarin op voorstel van
Hogendorp 676) naar 's lands oude gewoonte en het
grondbeginsel der Unie van Utrecht verwezen werd,
leest, zou men denken dat het de bedoeling was om
de ingezetenen aan hunnen plicht te herinneren, de
wapenen op te vatten tot handhaving van de
onafhankelijkheid van den Staat. Wanneer men echter
in het volgende artikel (122) den Souvereinen Vorst
de plicht ziet opgelegd, te zorgen voor eene
toereikende zee- en landmacht, door werving van
inboorlingen of vreemdelingen te verkrijgen, dan
wordt het duidelijk, dat men dien last zoo weinig
mogelijk drukkend wenschte te maken. Eerst als
aanvulling komt de militie en de schutterij (art. 123–
126). De militie, door loting samengesteld uit de
ingezetenen van 18–22 jaren, die vijf jaar zullen
dienen en in den regel 1 maand 's jaars in den
wapenhandel geoefend worden, behoudens het recht
van den Souvereinen Vorst om ¼ van het geheele
getal te doen samenblijven, en om in buitengewone
omstandigheden dit te doen met de geheele militie; in
Page 442
't laatste geval echter in nader overleg met de Staten-
Generaal. De wet zoude voorts het getal en de
inrichting der militie bepalen. En eveneens zoude
eene wet gemaakt worden voor de naast of achter de
militie geplaatste schutterij, vooral bestemd tot
behoud der inwendige rust. Ik leid uit een en ander
af, dat het opnemen van dit hoofdstuk in de
Grondwet ten doel heeft gehad, het recht van den
Staat binnen zekere grenzen te beperken, om tevens
daardoor de ingezetenen gerust te stellen, dat het met
die gedwongen dienstneming wel zoo'n vaart niet zou
loopen.
In dien geest handelde dan ook de Souvereine
Vorst, toen hij de werving niet alleen bepaalde tot de
ingezetenen, maar ook krachtige pogingen in het
werk stelde tot indienstneming van vreemde troepen.
Ook hierbij kan men spreken van „als van ouds”. Het
oog werd daarvoor op Duitschland en Zwitserland
gericht. De Nassausche erflanden, in 1813 weder in 't
bezit van den Souvereinen Vorst gekomen, leverden
2000 man; het door den anderen tak bezeten Nassau
3000; eenige Zwitsersche kantons 8000. De belangen
der soldaten werden door hunne overheid in zoover
niet uit het oog verloren, dat zij alleen in geval van
nood in Zeeland zouden mogen verblijven en in geen
Generaal. De wet zoude voorts het getal en de
inrichting der militie bepalen. En eveneens zoude
eene wet gemaakt worden voor de naast of achter de
militie geplaatste schutterij, vooral bestemd tot
behoud der inwendige rust. Ik leid uit een en ander
af, dat het opnemen van dit hoofdstuk in de
Grondwet ten doel heeft gehad, het recht van den
Staat binnen zekere grenzen te beperken, om tevens
daardoor de ingezetenen gerust te stellen, dat het met
die gedwongen dienstneming wel zoo'n vaart niet zou
loopen.
In dien geest handelde dan ook de Souvereine
Vorst, toen hij de werving niet alleen bepaalde tot de
ingezetenen, maar ook krachtige pogingen in het
werk stelde tot indienstneming van vreemde troepen.
Ook hierbij kan men spreken van „als van ouds”. Het
oog werd daarvoor op Duitschland en Zwitserland
gericht. De Nassausche erflanden, in 1813 weder in 't
bezit van den Souvereinen Vorst gekomen, leverden
2000 man; het door den anderen tak bezeten Nassau
3000; eenige Zwitsersche kantons 8000. De belangen
der soldaten werden door hunne overheid in zoover
niet uit het oog verloren, dat zij alleen in geval van
nood in Zeeland zouden mogen verblijven en in geen
Page 443
geval naar de Koloniën gezonden mochten
worden 677). Men had dus wel eenige zorg voor de
gezondheid der troepen. Alleen de Vorst van Inn- en
Kniphausen leverde ± 1000 man voor de Koloniën,
tegen ƒ 130 per stuk.
Doch geheel en al konden de ingezetenen toch van
den dienstplicht niet worden bevrijd. Noch het in
dienst nemen van vreemde troepen, noch het werven
van soldaten was in staat eene voldoende legermacht
te vormen. Het was dus gelukkig dat de Grondwet
eene achterdeur had opengelaten voor de invoering
van den gedwongen dienst. De wetten van 27
Februari 1815 (Staatsblad nos. 19, 20) gaven
uitvoering aan het zesde hoofdstuk der Grondwet. De
eerste betrof de nationale militie, de tweede de
schutterijen. De militie werd ongeveer op dezelfde
leest geschoeid als de landmilitie van 1813. Het land
verdeeld in districten van 100.000 zielen: op elk
district een bataillon infanterie en eene afdeeling
artillerie, te zamen 1000 man. Dit getal te verkrijgen
allereerst door vrijwilligers en daarna door loting uit
de ongehuwde ingezetenen van 18 tot 22 jaren. Zij,
die niet vrijgeloot waren, hadden, zoo zij zelven niet
wilden dienen, het recht, òf hun nummer met dat van
een vrijgelote te verwisselen, òf een plaatsvervanger
worden 677). Men had dus wel eenige zorg voor de
gezondheid der troepen. Alleen de Vorst van Inn- en
Kniphausen leverde ± 1000 man voor de Koloniën,
tegen ƒ 130 per stuk.
Doch geheel en al konden de ingezetenen toch van
den dienstplicht niet worden bevrijd. Noch het in
dienst nemen van vreemde troepen, noch het werven
van soldaten was in staat eene voldoende legermacht
te vormen. Het was dus gelukkig dat de Grondwet
eene achterdeur had opengelaten voor de invoering
van den gedwongen dienst. De wetten van 27
Februari 1815 (Staatsblad nos. 19, 20) gaven
uitvoering aan het zesde hoofdstuk der Grondwet. De
eerste betrof de nationale militie, de tweede de
schutterijen. De militie werd ongeveer op dezelfde
leest geschoeid als de landmilitie van 1813. Het land
verdeeld in districten van 100.000 zielen: op elk
district een bataillon infanterie en eene afdeeling
artillerie, te zamen 1000 man. Dit getal te verkrijgen
allereerst door vrijwilligers en daarna door loting uit
de ongehuwde ingezetenen van 18 tot 22 jaren. Zij,
die niet vrijgeloot waren, hadden, zoo zij zelven niet
wilden dienen, het recht, òf hun nummer met dat van
een vrijgelote te verwisselen, òf een plaatsvervanger
Page 444
te stellen. Verboden werd het zenden van de militie
naar de koloniën, en voor het zenden daarvan buiten
de grenzen der Vereenigde Nederlanden was de
toestemming der Staten-Generaal noodig. Van 15
Mei tot 15 Juni zoude de militie geoefend worden.
Terugkeer tot de haardsteden van minstens ¾ na
afloop dezer oefening. Zoo verkreeg men eene macht
van ongeveer 20.000 man, waarvan het
waarschijnlijk was, dat een vierde steeds onder de
wapenen zoude worden gehouden. Het was de
bedoeling, dat van het ¾ 't welk naar huis ging, ook
de militie-officieren en onderofficieren, die voor het
overige met die van de staande armee werden gelijk
gesteld, verlof zouden bekomen.
De wet van dezelfde dagteekening betrekkelijk de
schutterijen, bracht hare sterkte op 3% der bevolking,
beschouwde ze als een plaatselijke instelling en
verdeelde ze in dienstdoende en rustende, de eerste in
plaatsen boven de 2500 zielen op te richten, en beide
samen te stellen uit de ingezetenen, die den vollen
ouderdom van 18 jaren zouden hebben bereikt en het
51ste nog niet waren ingetreden. In tijd van vrede
strekten de dienstdoende tot behoud der inwendige
rust, en in tijd van oorlog gezamenlijk met de
rustende tot verdediging van het vaderland. Om
naar de koloniën, en voor het zenden daarvan buiten
de grenzen der Vereenigde Nederlanden was de
toestemming der Staten-Generaal noodig. Van 15
Mei tot 15 Juni zoude de militie geoefend worden.
Terugkeer tot de haardsteden van minstens ¾ na
afloop dezer oefening. Zoo verkreeg men eene macht
van ongeveer 20.000 man, waarvan het
waarschijnlijk was, dat een vierde steeds onder de
wapenen zoude worden gehouden. Het was de
bedoeling, dat van het ¾ 't welk naar huis ging, ook
de militie-officieren en onderofficieren, die voor het
overige met die van de staande armee werden gelijk
gesteld, verlof zouden bekomen.
De wet van dezelfde dagteekening betrekkelijk de
schutterijen, bracht hare sterkte op 3% der bevolking,
beschouwde ze als een plaatselijke instelling en
verdeelde ze in dienstdoende en rustende, de eerste in
plaatsen boven de 2500 zielen op te richten, en beide
samen te stellen uit de ingezetenen, die den vollen
ouderdom van 18 jaren zouden hebben bereikt en het
51ste nog niet waren ingetreden. In tijd van vrede
strekten de dienstdoende tot behoud der inwendige
rust, en in tijd van oorlog gezamenlijk met de
rustende tot verdediging van het vaderland. Om
Page 445
uittemaken, wie tot den schutterlijken dienst zoude
worden aangewezen, werd niet de toevlucht genomen
tot het lot: de aanwijzing werd overgelaten aan eene
commissie, die, daarbij lettende op leeftijd en
ongehuwden staat, de meest geschikten moest
uitkiezen.
Zoo werden dan, overeenkomstig de Grondwet,
ook op het gebied der landsverdediging de Fransche
instellingen door nationale vervangen. Ook nog ten
opzichte van een hiertoe eveneens behoorend
onderwerp. Ik bedoel het militair strafrecht en zijne
toepassing.
Zij die, hetzij te land, hetzij te water, geroepen zijn
voor de onafhankelijkheid van den Staat te waken,
vormen een bijzondere maatschappij. Eene
maatschappij, die men in orde tracht te houden door
een haar eigen gevoel van eer en een daarmede in
verband staand esprit de corps. Men moet
„eenstemmig tot het welzijn en de eer van een ieder
in het bijzonder, van het Korps in het algemeen en
dus ook tot het wel betrachten van 's lands dienst
medewerken” 678). Voorzoover dit bij de zwakheid
der menschheid niet afdoende werkt, moeten strenge
tucht en streng recht het ontbrekende aanvullen. Zoo
worden aangewezen, werd niet de toevlucht genomen
tot het lot: de aanwijzing werd overgelaten aan eene
commissie, die, daarbij lettende op leeftijd en
ongehuwden staat, de meest geschikten moest
uitkiezen.
Zoo werden dan, overeenkomstig de Grondwet,
ook op het gebied der landsverdediging de Fransche
instellingen door nationale vervangen. Ook nog ten
opzichte van een hiertoe eveneens behoorend
onderwerp. Ik bedoel het militair strafrecht en zijne
toepassing.
Zij die, hetzij te land, hetzij te water, geroepen zijn
voor de onafhankelijkheid van den Staat te waken,
vormen een bijzondere maatschappij. Eene
maatschappij, die men in orde tracht te houden door
een haar eigen gevoel van eer en een daarmede in
verband staand esprit de corps. Men moet
„eenstemmig tot het welzijn en de eer van een ieder
in het bijzonder, van het Korps in het algemeen en
dus ook tot het wel betrachten van 's lands dienst
medewerken” 678). Voorzoover dit bij de zwakheid
der menschheid niet afdoende werkt, moeten strenge
tucht en streng recht het ontbrekende aanvullen. Zoo
Page 446
hebben het leger zoowel als de marine behoefte aan
bijzondere regelen ter handhaving van de orde in die
militaire maatschappij. Dat in de Fransche wetgeving
dergelijke regelen niet ontbraken, sprak van zelf; dat
zij voldoende waren, was ook niet te ontkennen; men
zou dus verwacht hebben, dat men zich voorloopig
met het Fransche militaire strafrecht zoude hebben
beholpen. Het schijnt echter, dat, evenals men de
wetten op de conscriptie als vervallen beschouwd
had, ditzelfde ook het geval is geweest met het
militaire strafrecht. Dergelijke ongeregelde toestand
kon niet blijven. Men zou hebben gevangenen,
gearresteerden, zonder wetboek, zonder rechter. Van
hier dat reeds bij besluit van 30 December 1813
(Staatsblad no. 19), voor zoover de qualificatie van
misdaden en strafbepalingen aanging, weder
ingevoerd werd het Reglement van krijgstucht of
Crimineel Wetboek voor de Militie van den Staat van
26 Juni 1799. Met de marine zou men zich intusschen
zonder wettelijke regelen trachten te behelpen, in het
vertrouwen, dat binnen zeer korten tijd het onderwerp
in zijn vollen omvang zoude zijn geregeld. Eene
verwachting die hierin haren grond had, dat op het
oogenblik der inlijving eene geheel nieuwe militaire
strafwetgeving zoo goed als gereed was geweest. De
bijzondere regelen ter handhaving van de orde in die
militaire maatschappij. Dat in de Fransche wetgeving
dergelijke regelen niet ontbraken, sprak van zelf; dat
zij voldoende waren, was ook niet te ontkennen; men
zou dus verwacht hebben, dat men zich voorloopig
met het Fransche militaire strafrecht zoude hebben
beholpen. Het schijnt echter, dat, evenals men de
wetten op de conscriptie als vervallen beschouwd
had, ditzelfde ook het geval is geweest met het
militaire strafrecht. Dergelijke ongeregelde toestand
kon niet blijven. Men zou hebben gevangenen,
gearresteerden, zonder wetboek, zonder rechter. Van
hier dat reeds bij besluit van 30 December 1813
(Staatsblad no. 19), voor zoover de qualificatie van
misdaden en strafbepalingen aanging, weder
ingevoerd werd het Reglement van krijgstucht of
Crimineel Wetboek voor de Militie van den Staat van
26 Juni 1799. Met de marine zou men zich intusschen
zonder wettelijke regelen trachten te behelpen, in het
vertrouwen, dat binnen zeer korten tijd het onderwerp
in zijn vollen omvang zoude zijn geregeld. Eene
verwachting die hierin haren grond had, dat op het
oogenblik der inlijving eene geheel nieuwe militaire
strafwetgeving zoo goed als gereed was geweest. De
Page 447
commissie, door den Souvereinen Vorst reeds den
18den December 1813 voor de Armee benoemd, en
den 27sten December 1813 voor de Marine
aangevuld, gebruikte de aanwezige bouwstoffen, en
was zoo spoedig met haar werk gereed, dat de
Souvereine Vorst reeds den 10den Juli 1814 aan de
Staten-Generaal eene wet over dit onderwerp kon
inzenden 679), die, door dit lichaam aangenomen,
onder de dagteekening van 20 Juli 1814 in het
Staatsblad verscheen. Zij behelsde de vaststelling
van vijf wetboeken 680).
Deze regelden echter niet het geheele onderwerp.
De Wet van 1799 bleef voorloopig gehandhaafd. De
ontwerpen betrekkelijk het crimineel wetboek voor
het krijgsvolk te lande, en het reglement van
discipline voor hetzelfde krijgsvolk, moesten nog aan
een nader onderzoek worden onderworpen. Waarom?
De moeilijkheid zat niet in de vraag, of ook de
gemeene misdrijven aan de militaire jurisdictie
zouden worden onderworpen. Dit onder de Republiek
der Vereenigde Nederlanden zoo betwiste punt was
na de omwenteling van 1795 681) in ontkennenden zin
beslist. Reeds koning Lodewijk had gewenscht, dat
hierop zoude worden teruggekomen 682); zijne
aftreding verhinderde echter de uitvoering van dit
18den December 1813 voor de Armee benoemd, en
den 27sten December 1813 voor de Marine
aangevuld, gebruikte de aanwezige bouwstoffen, en
was zoo spoedig met haar werk gereed, dat de
Souvereine Vorst reeds den 10den Juli 1814 aan de
Staten-Generaal eene wet over dit onderwerp kon
inzenden 679), die, door dit lichaam aangenomen,
onder de dagteekening van 20 Juli 1814 in het
Staatsblad verscheen. Zij behelsde de vaststelling
van vijf wetboeken 680).
Deze regelden echter niet het geheele onderwerp.
De Wet van 1799 bleef voorloopig gehandhaafd. De
ontwerpen betrekkelijk het crimineel wetboek voor
het krijgsvolk te lande, en het reglement van
discipline voor hetzelfde krijgsvolk, moesten nog aan
een nader onderzoek worden onderworpen. Waarom?
De moeilijkheid zat niet in de vraag, of ook de
gemeene misdrijven aan de militaire jurisdictie
zouden worden onderworpen. Dit onder de Republiek
der Vereenigde Nederlanden zoo betwiste punt was
na de omwenteling van 1795 681) in ontkennenden zin
beslist. Reeds koning Lodewijk had gewenscht, dat
hierop zoude worden teruggekomen 682); zijne
aftreding verhinderde echter de uitvoering van dit
Page 448
voornemen; nu was het de Fransche wetgeving die
het na de Revolutie gehuldigde beginsel weder ter zij
zette. Hierin bracht de verdrijving der Fransche
heerschappij geene wijziging. Immers art. 115 der
Grondwet van 1814 onderwierp ook de gemeene
delicten aan de militaire rechtspleging. Dit kon dus
bij de vaststelling der nieuwe regeling geene
aanleiding tot bezwaar opleveren. Waarin zat het
bezwaar dan? In de vraag, of krijgstucht kon
gehandhaafd worden zonder lichamelijke tuchtiging;
iets, wat door velen werd betwijfeld. Bij de Marine
meende men vrij algemeen het kielhalen en laarzen,
het uit de ra vallen en laarzen, het slaan met
handdaggen niet te kunnen missen. Zij kregen dan
ook hunne plaats in het Crimineel Wetboek voor de
zeemacht (art. 22). Ten opzichte van de Armee had
echter Koning Lodewijk de stokslagen en de slagen
met de sabel afgeschaft 683). Overeenkomstig de
ontwerpen van Koning Lodewijk en met
toestemming van den Souvereinen Vorst had men dan
ook in de Commissie deze straffen bij de Armee
weggelaten. De Erfprins, wiens militaire
ondervinding gewicht in de schaal moest leggen en
die dit middel bij het Engelsche leger had zien
werken, vreesde dat de discipline zonder die
het na de Revolutie gehuldigde beginsel weder ter zij
zette. Hierin bracht de verdrijving der Fransche
heerschappij geene wijziging. Immers art. 115 der
Grondwet van 1814 onderwierp ook de gemeene
delicten aan de militaire rechtspleging. Dit kon dus
bij de vaststelling der nieuwe regeling geene
aanleiding tot bezwaar opleveren. Waarin zat het
bezwaar dan? In de vraag, of krijgstucht kon
gehandhaafd worden zonder lichamelijke tuchtiging;
iets, wat door velen werd betwijfeld. Bij de Marine
meende men vrij algemeen het kielhalen en laarzen,
het uit de ra vallen en laarzen, het slaan met
handdaggen niet te kunnen missen. Zij kregen dan
ook hunne plaats in het Crimineel Wetboek voor de
zeemacht (art. 22). Ten opzichte van de Armee had
echter Koning Lodewijk de stokslagen en de slagen
met de sabel afgeschaft 683). Overeenkomstig de
ontwerpen van Koning Lodewijk en met
toestemming van den Souvereinen Vorst had men dan
ook in de Commissie deze straffen bij de Armee
weggelaten. De Erfprins, wiens militaire
ondervinding gewicht in de schaal moest leggen en
die dit middel bij het Engelsche leger had zien
werken, vreesde dat de discipline zonder die
Page 449
tuchtmiddelen niet kon worden gehandhaafd.
Eveneens de Raad van State, in wiens handen de
ontwerpen om advies waren gesteld. Men wees op de
nauwe betrekking tusschen deze zaak en den geest
der tijden; in de laatste helft der vorige eeuw was het
slaan in zwang geraakt, uit Duitschland in Frankrijk
overgebracht en tot een uiterste gedreven. Na de
Fransche revolutie werd het afgeschaft uit vrees dat
de militaire geest er door zoude worden uitgedoofd.
De Raad meende echter zeker te weten, dat men zelfs
in de Fransche armee daarop was teruggekomen; een
kapitein kon een soldaat binnensmuurs met rietjes
doen slaan, onder den naam van correction
paternelle, en als 't ware met zijne toestemming, ten
einde een toegewezen onteerende straf te
ontgaan 684). Het gevolg was, dat in de bij de wet van
15 Maart 1815 (Staatsblad no. 26) bekrachtigde twee
ontwerpen 685), overeenkomstig het Reglement van
1799 de slagen onder zekere waarborgen in eere
hersteld werden. Zij bleven bestaan totdat de wetten
van 14 November 1879 (Staatsblad no. 191–194)
zoowel voor het krijgsvolk te water als te lande
lichamelijke tuchtiging afschaften.
Uit het voorgaande blijkt tevens, dat bij de
wetgeving van 20 Juli 1814 tevens uitvoering was
Eveneens de Raad van State, in wiens handen de
ontwerpen om advies waren gesteld. Men wees op de
nauwe betrekking tusschen deze zaak en den geest
der tijden; in de laatste helft der vorige eeuw was het
slaan in zwang geraakt, uit Duitschland in Frankrijk
overgebracht en tot een uiterste gedreven. Na de
Fransche revolutie werd het afgeschaft uit vrees dat
de militaire geest er door zoude worden uitgedoofd.
De Raad meende echter zeker te weten, dat men zelfs
in de Fransche armee daarop was teruggekomen; een
kapitein kon een soldaat binnensmuurs met rietjes
doen slaan, onder den naam van correction
paternelle, en als 't ware met zijne toestemming, ten
einde een toegewezen onteerende straf te
ontgaan 684). Het gevolg was, dat in de bij de wet van
15 Maart 1815 (Staatsblad no. 26) bekrachtigde twee
ontwerpen 685), overeenkomstig het Reglement van
1799 de slagen onder zekere waarborgen in eere
hersteld werden. Zij bleven bestaan totdat de wetten
van 14 November 1879 (Staatsblad no. 191–194)
zoowel voor het krijgsvolk te water als te lande
lichamelijke tuchtiging afschaften.
Uit het voorgaande blijkt tevens, dat bij de
wetgeving van 20 Juli 1814 tevens uitvoering was
Page 450
gegeven aan art. 115 van de Grondwet, hetwelk
voorschreef de oprichting van een Hoog Militair
Gerechtshof.
Zoo waren dan het militaire strafrecht en de
militaire rechtspleging binnen één jaar na de
invoering der Grondwet opnieuw geregeld, in
harmonie met de op dat tijdstip hier te lande
bovendrijvende meening 686).
Het is meteen een geschikte overgang tot hetgeen
ik nu wensch uiteen te zetten. Ook de gewone
maatschappij heeft behoefte aan wetgeving en
rechtspraak. Dit onderwerp, reeds vroeger meer dan
eens door mij aangeroerd, verdient eenige nadere
bespreking.
Had het beginsel der staatseenheid moeite gehad
vóór 1810 op het gebied der belastingen te
zegevieren, op het oogenblik der inlijving was het
nog niet gelukt, eenheid van recht en rechtspraak hier
te lande te vestigen. Had koning Lodewijk een paar
jaren langer kunnen regeeren, hij zoude dit hebben
tot stand gebracht. Nu waren, zooals reeds hierboven
is opgemerkt 687), alleen ingevoerd het Crimineel
Wetboek en het Burgerlijk Wetboek, het eerste den
1sten Februari 1809, het tweede den 1sten Mei 1809.
voorschreef de oprichting van een Hoog Militair
Gerechtshof.
Zoo waren dan het militaire strafrecht en de
militaire rechtspleging binnen één jaar na de
invoering der Grondwet opnieuw geregeld, in
harmonie met de op dat tijdstip hier te lande
bovendrijvende meening 686).
Het is meteen een geschikte overgang tot hetgeen
ik nu wensch uiteen te zetten. Ook de gewone
maatschappij heeft behoefte aan wetgeving en
rechtspraak. Dit onderwerp, reeds vroeger meer dan
eens door mij aangeroerd, verdient eenige nadere
bespreking.
Had het beginsel der staatseenheid moeite gehad
vóór 1810 op het gebied der belastingen te
zegevieren, op het oogenblik der inlijving was het
nog niet gelukt, eenheid van recht en rechtspraak hier
te lande te vestigen. Had koning Lodewijk een paar
jaren langer kunnen regeeren, hij zoude dit hebben
tot stand gebracht. Nu waren, zooals reeds hierboven
is opgemerkt 687), alleen ingevoerd het Crimineel
Wetboek en het Burgerlijk Wetboek, het eerste den
1sten Februari 1809, het tweede den 1sten Mei 1809.
Page 451
Vastgesteld waren de wetboeken betreffende de
rechterlijke instellingen en de burgerlijke rechts- en
strafvordering, maar zij waren nog niet in werking
getreden. Het door van Gennep, Asser en van der
Linden ontworpen Wetboek van Koophandel was
ontwerp gebleven. Midden in dien wetgevenden
arbeid was de inlijving gekomen en zij had ons de
Fransche Codes gebracht: le Code Napoléon, le Code
de procédure civile, le Code de commerce, le Code
d'instruction criminelle en le Code pénal. Deze
wetboeken waren den 1sten Maart 1811 ingevoerd en
zij hadden dus meer dan twee jaren gewerkt. Een
wederinvoering van het Wetboek Lodewijk Napoleon
kwam minder in aanmerking, daar het in de
hoofdzaak overeenkwam met den Code Napoléon.
Meer voorliefde schijnt men gehad te hebben voor
het Crimineel Wetboek, doch om dit te doen werken
zoude ook de Code d'instruction criminelle hebben
moeten worden vervangen door de Strafvordering
van koning Lodewijk, die eene doode letter was
gebleven. Daar het Crimineel Wetboek de Fransche
verdeeling in misdaden, wanbedrijven en
overtredingen niet kende, zou men de Fransche
Instruction Criminelle niet hebben kunnen laten
bestaan naast dat Crimineel Wetboek. Hetzelfde was
rechterlijke instellingen en de burgerlijke rechts- en
strafvordering, maar zij waren nog niet in werking
getreden. Het door van Gennep, Asser en van der
Linden ontworpen Wetboek van Koophandel was
ontwerp gebleven. Midden in dien wetgevenden
arbeid was de inlijving gekomen en zij had ons de
Fransche Codes gebracht: le Code Napoléon, le Code
de procédure civile, le Code de commerce, le Code
d'instruction criminelle en le Code pénal. Deze
wetboeken waren den 1sten Maart 1811 ingevoerd en
zij hadden dus meer dan twee jaren gewerkt. Een
wederinvoering van het Wetboek Lodewijk Napoleon
kwam minder in aanmerking, daar het in de
hoofdzaak overeenkwam met den Code Napoléon.
Meer voorliefde schijnt men gehad te hebben voor
het Crimineel Wetboek, doch om dit te doen werken
zoude ook de Code d'instruction criminelle hebben
moeten worden vervangen door de Strafvordering
van koning Lodewijk, die eene doode letter was
gebleven. Daar het Crimineel Wetboek de Fransche
verdeeling in misdaden, wanbedrijven en
overtredingen niet kende, zou men de Fransche
Instruction Criminelle niet hebben kunnen laten
bestaan naast dat Crimineel Wetboek. Hetzelfde was
Page 452
het geval met de Rechterlijke Organisatie, tusschen
welke en de Wetboeken een nauw verband bestond;
ook die van koning Lodewijk, hoewel nimmer
ingevoerd, had dan moeten in werking treden. Het
was dus zeer verklaarbaar, dat, welk eene innige
betrekking er ook geacht worde te bestaan tusschen
het rechtswezen en den nationalen geest, de Fransche
wetgeving bleef voortbestaan, althans tot punt van
uitgang werd genomen. Want geheel ongewijzigd
bleef zij niet. Het beroep op het Hof van Cassatie te
Parijs vervallende, bleef het Hooggerechtshof in den
Haag het hoogste rechterlijk collegie hier te lande.
Het besluit van 11 December 1813 (Staatsblad no.
10) maakte van dit Hooggerechtshof het eenig
collegie van hooger beroep voor het geheele land; het
beroep in cassatie verviel dus, behoudens dat bij de
berechting van misdaden dit Hof ongeveer dezelfde
taak te vervullen kreeg, die vroeger rustte op de Cour
de Cassation te Parijs (art. 19, 20, 26). Soortgelijke
regeling—benevens eenige overgangsbepalingen—
was niet te vermijden. Men ging echter verder. Bij
datzelfde besluit toch werd de jury afgeschaft; de
Hoven van assises, bestaande uit leden der rechtbank
en uit een lid van het Hooggerechtshof, zouden
voortaan niet alleen over de toepassing der wet, maar
welke en de Wetboeken een nauw verband bestond;
ook die van koning Lodewijk, hoewel nimmer
ingevoerd, had dan moeten in werking treden. Het
was dus zeer verklaarbaar, dat, welk eene innige
betrekking er ook geacht worde te bestaan tusschen
het rechtswezen en den nationalen geest, de Fransche
wetgeving bleef voortbestaan, althans tot punt van
uitgang werd genomen. Want geheel ongewijzigd
bleef zij niet. Het beroep op het Hof van Cassatie te
Parijs vervallende, bleef het Hooggerechtshof in den
Haag het hoogste rechterlijk collegie hier te lande.
Het besluit van 11 December 1813 (Staatsblad no.
10) maakte van dit Hooggerechtshof het eenig
collegie van hooger beroep voor het geheele land; het
beroep in cassatie verviel dus, behoudens dat bij de
berechting van misdaden dit Hof ongeveer dezelfde
taak te vervullen kreeg, die vroeger rustte op de Cour
de Cassation te Parijs (art. 19, 20, 26). Soortgelijke
regeling—benevens eenige overgangsbepalingen—
was niet te vermijden. Men ging echter verder. Bij
datzelfde besluit toch werd de jury afgeschaft; de
Hoven van assises, bestaande uit leden der rechtbank
en uit een lid van het Hooggerechtshof, zouden
voortaan niet alleen over de toepassing der wet, maar
Page 453
ook over schuld of onschuld uitspraak doen (art. 16).
Dat men nu, zonder eenige ontevredenheid te
wekken, de jury kon ter zijde zetten, is niet alleen
hieraan toe te schrijven, dat de vreemdeling ons die
instelling had gebracht. De latere geschiedenis heeft
toch het tegendeel bewezen. Terwijl wij van alle
zijden omringd zijn door volken, die zelven
deelnemen in de strafrechtspraak, heeft de jury ook in
lateren tijd bij ons geen ingang kunnen vinden—
hetzij dan om het groote vertrouwen dat men stelt in
den Nederlandschen rechter, hetzij wegens de
weinige opgewektheid hier te lande, om zich met de
publieke zaak te bemoeien. Eveneens kon men
zonder bezwaar de publiciteit bij de straf zittingen
besnoeien. Alleen de pleidooien zouden voortaan in
het openbaar gehouden worden, en de vonnissen in
het openbaar worden uitgesproken. Doch wat aan de
pleidooien en aan het vonnis voorafging, datgene dus
waaraan zoowel het een als het ander moest worden
getoetst, werd, in strijd met de Fransche regeling, aan
de kennisneming van het publiek onttrokken. Eerst de
Wet op de Rechterlijke Inrichting voerde 1 October
1838 de openbaarheid der terechtzittingen ook in
strafzaken weder in. Deze beperking der
openbaarheid schijnt evenmin als de afschaffing der
Dat men nu, zonder eenige ontevredenheid te
wekken, de jury kon ter zijde zetten, is niet alleen
hieraan toe te schrijven, dat de vreemdeling ons die
instelling had gebracht. De latere geschiedenis heeft
toch het tegendeel bewezen. Terwijl wij van alle
zijden omringd zijn door volken, die zelven
deelnemen in de strafrechtspraak, heeft de jury ook in
lateren tijd bij ons geen ingang kunnen vinden—
hetzij dan om het groote vertrouwen dat men stelt in
den Nederlandschen rechter, hetzij wegens de
weinige opgewektheid hier te lande, om zich met de
publieke zaak te bemoeien. Eveneens kon men
zonder bezwaar de publiciteit bij de straf zittingen
besnoeien. Alleen de pleidooien zouden voortaan in
het openbaar gehouden worden, en de vonnissen in
het openbaar worden uitgesproken. Doch wat aan de
pleidooien en aan het vonnis voorafging, datgene dus
waaraan zoowel het een als het ander moest worden
getoetst, werd, in strijd met de Fransche regeling, aan
de kennisneming van het publiek onttrokken. Eerst de
Wet op de Rechterlijke Inrichting voerde 1 October
1838 de openbaarheid der terechtzittingen ook in
strafzaken weder in. Deze beperking der
openbaarheid schijnt evenmin als de afschaffing der
Page 454
jury in 1813 afkeuring gevonden te hebben. Vreemd
is het niet, wanneer men zich herinnert, dat de Staten-
Generaal volgens de kort daarna vastgestelde
Grondwet eveneens in het geheim vergaderen
zouden, en dat, toen in 1815 de openbaarheid van de
zittingen der Tweede Kamer werd voorgesteld, deze
nieuwigheid het eenige bezwaar was, dat de Staten-
Generaal tegen de Grondwet van 1815
inbrachten 688). Publiciteit was in die dagen niet
nationaal.
Bleven de wijzigingen, ingevoerd bij het besluit
van 11 Dec. 1813, zich hiertoe bepalen? In geenen
deele. Het Crimineel Wetboek van Lodewijk
Napoleon werd opengeslagen en meer dan eene
bepaling daaruit weder ingevoerd. De Code pénal
was op sommige punten—hoe zal ik het uitdrukken?
—minder ouderwetsch dan het Crimineel Wetboek.
Beiden kenden de doodstraf. Dat nu de Fransche
guillotine weder vervangen werd door de strop en het
zwaard, deed minder af: het was eene kwestie van
slagerstechniek. Waarom echter niet de strop alleen?
Zij werd voor sommige gevallen te schandelijk
gehouden; in die gevallen trad—volgens oud gebruik
—het onthalzen daarvoor in de plaats (art. 5) 689);
iets, wat echter bij gebrek aan voor die verrichting
is het niet, wanneer men zich herinnert, dat de Staten-
Generaal volgens de kort daarna vastgestelde
Grondwet eveneens in het geheim vergaderen
zouden, en dat, toen in 1815 de openbaarheid van de
zittingen der Tweede Kamer werd voorgesteld, deze
nieuwigheid het eenige bezwaar was, dat de Staten-
Generaal tegen de Grondwet van 1815
inbrachten 688). Publiciteit was in die dagen niet
nationaal.
Bleven de wijzigingen, ingevoerd bij het besluit
van 11 Dec. 1813, zich hiertoe bepalen? In geenen
deele. Het Crimineel Wetboek van Lodewijk
Napoleon werd opengeslagen en meer dan eene
bepaling daaruit weder ingevoerd. De Code pénal
was op sommige punten—hoe zal ik het uitdrukken?
—minder ouderwetsch dan het Crimineel Wetboek.
Beiden kenden de doodstraf. Dat nu de Fransche
guillotine weder vervangen werd door de strop en het
zwaard, deed minder af: het was eene kwestie van
slagerstechniek. Waarom echter niet de strop alleen?
Zij werd voor sommige gevallen te schandelijk
gehouden; in die gevallen trad—volgens oud gebruik
—het onthalzen daarvoor in de plaats (art. 5) 689);
iets, wat echter bij gebrek aan voor die verrichting
Page 455
bevoegde personen, nimmer schijnt te zijn
toegepast 690). Behalve de doodstraf kende de Code
pénal slechts nog ééne lijfstraf: die van het
brandmerk. Art. 7 van het Besluit voerde tevens
weder in de straf van geeseling; en dit niet alleen
voor mannen, maar ook voor vrouwen 691).
Ik weet niet of het verhaal waar is, dat, toen men te
Leeuwarden voor het eerst weder een misdadiger
geeselde, het volk „Oranje boven!” riep; dit is echter
zeker, dat de meest ervaren mannen in het vak der
strafvervolging in latere jaren met angst en beving de
gevolgen van de afschaffing dier straf, wat, evenals
met het brandmerk, bij de wet van 29 Juni 1854
plaats vond, te gemoet zagen. Alleen voor de
geeseling hadden, meenden zij, de boosdoeners een
heilzamen schrik. Onschuldiger was zeker de nu ook
weder ingevoerde straf van het zwaaien van het
zwaard over het hoofd. Was voor den een weggelegd
de straf van geeseling met den strop om den hals aan
de galg vastgemaakt, benevens die van brandmerk,
op een ander kon de rechter ter zake van hetzelfde
misdrijf toepassen „de comedievertooning met
zwaard, blinddoek en zand”.
toegepast 690). Behalve de doodstraf kende de Code
pénal slechts nog ééne lijfstraf: die van het
brandmerk. Art. 7 van het Besluit voerde tevens
weder in de straf van geeseling; en dit niet alleen
voor mannen, maar ook voor vrouwen 691).
Ik weet niet of het verhaal waar is, dat, toen men te
Leeuwarden voor het eerst weder een misdadiger
geeselde, het volk „Oranje boven!” riep; dit is echter
zeker, dat de meest ervaren mannen in het vak der
strafvervolging in latere jaren met angst en beving de
gevolgen van de afschaffing dier straf, wat, evenals
met het brandmerk, bij de wet van 29 Juni 1854
plaats vond, te gemoet zagen. Alleen voor de
geeseling hadden, meenden zij, de boosdoeners een
heilzamen schrik. Onschuldiger was zeker de nu ook
weder ingevoerde straf van het zwaaien van het
zwaard over het hoofd. Was voor den een weggelegd
de straf van geeseling met den strop om den hals aan
de galg vastgemaakt, benevens die van brandmerk,
op een ander kon de rechter ter zake van hetzelfde
misdrijf toepassen „de comedievertooning met
zwaard, blinddoek en zand”.
Page 456
De straf van dwangarbeid in de bagno's, hetzij
altijddurend, hetzij voor een bepaalden tijd, maakte
weder plaats voor confinement in een rasp- of tucht-
of werkhuis voor niet meer dan 20 of 15 jaren. Ook
het Crimineel Wetboek kende geene langere
gevangenis dan van 20 jaren. Was dus op dit punt het
besluit van den Souvereinen Vorst humaner dan de
Code pénal, van nog grooter gewicht in dit opzicht
was de bevoegdheid den rechter gegeven, om ook bij
misdaden de straf beneden het vastgestelde minimum
van 5 jaren, op grond van het bestaan van
verzachtende omstandigheden, te bepalen. In zoover
een terugkeer tot de beginselen van het Crimineel
Wetboek, hetwelk alleen een maximum—geen
minimum—van gevangenisstraf kende. Hoe men ook
voor het overige over het besluit van 11 December
1813 moge denken, hetgeen er verkeerds in was,
werd door deze bepaling van art. 12 voor een goed
deel opgewogen. Daarbij moet dan nog gevoegd
worden de afschaffing van de door den Code pénal
weder ingevoerde algemeene verbeurdverklaring van
goederen (art. 2).
Zoo had dan de herwinning onzer
onafhankelijkheid niet de afschaffing van het
Fransche rechtswezen ten gevolge, al bleef dit dan
altijddurend, hetzij voor een bepaalden tijd, maakte
weder plaats voor confinement in een rasp- of tucht-
of werkhuis voor niet meer dan 20 of 15 jaren. Ook
het Crimineel Wetboek kende geene langere
gevangenis dan van 20 jaren. Was dus op dit punt het
besluit van den Souvereinen Vorst humaner dan de
Code pénal, van nog grooter gewicht in dit opzicht
was de bevoegdheid den rechter gegeven, om ook bij
misdaden de straf beneden het vastgestelde minimum
van 5 jaren, op grond van het bestaan van
verzachtende omstandigheden, te bepalen. In zoover
een terugkeer tot de beginselen van het Crimineel
Wetboek, hetwelk alleen een maximum—geen
minimum—van gevangenisstraf kende. Hoe men ook
voor het overige over het besluit van 11 December
1813 moge denken, hetgeen er verkeerds in was,
werd door deze bepaling van art. 12 voor een goed
deel opgewogen. Daarbij moet dan nog gevoegd
worden de afschaffing van de door den Code pénal
weder ingevoerde algemeene verbeurdverklaring van
goederen (art. 2).
Zoo had dan de herwinning onzer
onafhankelijkheid niet de afschaffing van het
Fransche rechtswezen ten gevolge, al bleef dit dan
Page 457
ook niet ongewijzigd bestaan. Niet dat men hierin
een blijvenden toestand zag; de Souvereine Vorst
noemde immers zelf de bepalingen van het besluit
van 11 December „provisioneel”. Een nationale
wetgeving zou spoedig de Fransche vervangen. Zoo
zien wij dan ook in de Grondwet van 1814 eene
nieuwe wetgeving beloofd (hoofdstuk III, van de
Justitie, art. 100). De Grondwet gaf bovendien eenige
aanwijzingen betrekkelijk de inrichting der
Rechterlijke Macht. Niettegenstaande de man, die
aan het hoofd der Justitie stond, en die als eerste
president van het Hof in den Haag de Fransche
organisatie in de praktijk had zien werken, verklaard
had, dat de justitie nimmer beter was geadministreerd
dan na de inlijving 692), gebood toch de Grondwet de
Fransche instellingen door Nederlandsche te doen
vervangen; ja beloofde zij zelfs aan elke provincie
een Hof van appèl, in afwijking van de niet
ingevoerde wet van koning Lodewijk van 14 Juli
1809; deze had toch het getal Hoven tot slechts vijf
bepaald. Het provincialisme liet hier zijnen invloed
gelden.
Waar ik de vraag behandel, in hoever de
herwinning onzer onafhankelijkheid ons tevens
verloste van de Fransche beginselen van
een blijvenden toestand zag; de Souvereine Vorst
noemde immers zelf de bepalingen van het besluit
van 11 December „provisioneel”. Een nationale
wetgeving zou spoedig de Fransche vervangen. Zoo
zien wij dan ook in de Grondwet van 1814 eene
nieuwe wetgeving beloofd (hoofdstuk III, van de
Justitie, art. 100). De Grondwet gaf bovendien eenige
aanwijzingen betrekkelijk de inrichting der
Rechterlijke Macht. Niettegenstaande de man, die
aan het hoofd der Justitie stond, en die als eerste
president van het Hof in den Haag de Fransche
organisatie in de praktijk had zien werken, verklaard
had, dat de justitie nimmer beter was geadministreerd
dan na de inlijving 692), gebood toch de Grondwet de
Fransche instellingen door Nederlandsche te doen
vervangen; ja beloofde zij zelfs aan elke provincie
een Hof van appèl, in afwijking van de niet
ingevoerde wet van koning Lodewijk van 14 Juli
1809; deze had toch het getal Hoven tot slechts vijf
bepaald. Het provincialisme liet hier zijnen invloed
gelden.
Waar ik de vraag behandel, in hoever de
herwinning onzer onafhankelijkheid ons tevens
verloste van de Fransche beginselen van
Page 458
staatsbestuur, heb ik, wat de Justitie betreft, het
meeste gezegd. Hoewel de Souvereine Vorst reeds
den 18den April 1814 eene Commissie benoemde tot
het ontwerpen eener nationale Wetgeving, met
Kemper aan het hoofd, zoo bleef eerst door de
vereeniging met België, later door het verschil van
gevoelen tusschen Noord en Zuid over dit onderwerp,
deze zaak op de lange baan, om eerst na de scheiding
met 1 October 1838 den eindpaal te bereiken, met
uitzondering nog van het eerst in 1881 vastgestelde,
in 1886 ingevoerde Wetboek van Strafrecht.
Bijzondere vermelding verdienen echter twee
besluiten van den Souvereinen Vorst, het eene van 26
Maart 1814 (Staatsblad no. 46), het andere van 22
October 1814 (Staatsblad no. 103), die beide met dit
onderwerp in verband staan. Het eerste, dat tot herstel
der voormalige heerlijke rechten, is reeds vroeger
door mij besproken 693). Het herstelde onder anderen
de heerlijke rechten van de jacht en visscherij. Deze
inbreuk op de vrijheid van den grond, eene van de
weldaden der revolutie, werd vooral wat het
jachtrecht betreft nader uitgewerkt door de in overleg
met de Staten-Generaal vastgestelde wet van 11 Juli
1814 (Staatsblad no. 79) op het stuk der jacht en
visscherij. Een ieder, die zich het jachtgebied niet had
meeste gezegd. Hoewel de Souvereine Vorst reeds
den 18den April 1814 eene Commissie benoemde tot
het ontwerpen eener nationale Wetgeving, met
Kemper aan het hoofd, zoo bleef eerst door de
vereeniging met België, later door het verschil van
gevoelen tusschen Noord en Zuid over dit onderwerp,
deze zaak op de lange baan, om eerst na de scheiding
met 1 October 1838 den eindpaal te bereiken, met
uitzondering nog van het eerst in 1881 vastgestelde,
in 1886 ingevoerde Wetboek van Strafrecht.
Bijzondere vermelding verdienen echter twee
besluiten van den Souvereinen Vorst, het eene van 26
Maart 1814 (Staatsblad no. 46), het andere van 22
October 1814 (Staatsblad no. 103), die beide met dit
onderwerp in verband staan. Het eerste, dat tot herstel
der voormalige heerlijke rechten, is reeds vroeger
door mij besproken 693). Het herstelde onder anderen
de heerlijke rechten van de jacht en visscherij. Deze
inbreuk op de vrijheid van den grond, eene van de
weldaden der revolutie, werd vooral wat het
jachtrecht betreft nader uitgewerkt door de in overleg
met de Staten-Generaal vastgestelde wet van 11 Juli
1814 (Staatsblad no. 79) op het stuk der jacht en
visscherij. Een ieder, die zich het jachtgebied niet had
Page 459
voorbehouden en dit niet had laten registreeren,
moest gedoogen, dat op zijn grond de jacht door
derden werd uitgeoefend, ook dan wanneer een
heerlijk jachtrecht op dien grond niet kleefde. Eerst
na de herziening der Grondwet in 1848 werd bij de
nieuwe jachtwet van 6 Maart 1852 niet alleen het
reeds in art. 641 van het Burgerlijk Wetboek
verscholen beginsel gehuldigd, dat het jachtrecht en
ook het vischrecht niet mochten worden afgescheiden
van den grond, maar werd tevens bepaald, dat
niemand op eens anders grond zonder diens
toestemming mocht jagen of visschen, terwijl de
gelegenheid tot afkoop van de rechten door derden
bezeten door de wet werd geopend.
Niet minder bedenkelijk was het tweede besluit.
Daarbij verviel het Keizerlijk Decreet van 22 Januari
1813, waarbij de tiendplichtige de bevoegdheid
erlangde de tienden aftekoopen. Het Wetboek
Lodewijk Napoleon had dit niet toegestaan, het had
alleen eenig uitzicht geopend op soortgelijke regeling
(art. 528). In den „Conseil pour les affaires de
Hollande” den 22sten Juli 1810 door den Keizer
ingesteld, om hem te dienen van advies over de
maatregelen ten gevolge der inlijving te nemen, was
door van Maanen uit naam der sectie van wetgeving
moest gedoogen, dat op zijn grond de jacht door
derden werd uitgeoefend, ook dan wanneer een
heerlijk jachtrecht op dien grond niet kleefde. Eerst
na de herziening der Grondwet in 1848 werd bij de
nieuwe jachtwet van 6 Maart 1852 niet alleen het
reeds in art. 641 van het Burgerlijk Wetboek
verscholen beginsel gehuldigd, dat het jachtrecht en
ook het vischrecht niet mochten worden afgescheiden
van den grond, maar werd tevens bepaald, dat
niemand op eens anders grond zonder diens
toestemming mocht jagen of visschen, terwijl de
gelegenheid tot afkoop van de rechten door derden
bezeten door de wet werd geopend.
Niet minder bedenkelijk was het tweede besluit.
Daarbij verviel het Keizerlijk Decreet van 22 Januari
1813, waarbij de tiendplichtige de bevoegdheid
erlangde de tienden aftekoopen. Het Wetboek
Lodewijk Napoleon had dit niet toegestaan, het had
alleen eenig uitzicht geopend op soortgelijke regeling
(art. 528). In den „Conseil pour les affaires de
Hollande” den 22sten Juli 1810 door den Keizer
ingesteld, om hem te dienen van advies over de
maatregelen ten gevolge der inlijving te nemen, was
door van Maanen uit naam der sectie van wetgeving
Page 460
de wensch uitgesproken, dat dergelijke bevoegdheid
tot afkoop niet mocht worden toegestaan 694). Dit
rapport was echter niet zonder tegenspraak gebleven.
Men wees op het belang van den landbouw en op de
beginselen der Fransche wetgeving die het tegendeel
vereischten 695). Napoleon hakte bij zijn decreet van
22 Januari 1813 den knoop door en regelde de
afkoopbaarheid der tienden. Dit besluit, zeide in
lateren tijd een onzer rechtsgeleerden 696), behoorde
tot de belangrijkste en voortreffelijkste verordeningen
onder Napoleons bestuur uitgevaardigd. Daar het
eene regeling betrof betrekkelijk het burgerlijk recht,
hetwelk volgens art. 100 der Grondwet bij de wet
moest worden vastgesteld, zoude men verwacht
hebben, dat in dit onderwerp alleen bij de wet
verandering kon gebracht worden. De Souvereine
Vorst echter, met de ruime opvatting zijner
bevoegdheid, stelde het decreet zonder gemeen
overleg met de Staten-Generaal buiten werking,
terwijl hij voor de nadere regeling verwees naar het
vast te stellen Burgerlijk Wetboek. Dit Wetboek
heeft, zooals bekend is, dit onderwerp geen stap
verder gebracht. Eerst bij de wet van 11 April 1872
(Staatsblad no. 25) gelukte het, door het recht van
afkoop den tiendplichtige gegeven, den landbouw
tot afkoop niet mocht worden toegestaan 694). Dit
rapport was echter niet zonder tegenspraak gebleven.
Men wees op het belang van den landbouw en op de
beginselen der Fransche wetgeving die het tegendeel
vereischten 695). Napoleon hakte bij zijn decreet van
22 Januari 1813 den knoop door en regelde de
afkoopbaarheid der tienden. Dit besluit, zeide in
lateren tijd een onzer rechtsgeleerden 696), behoorde
tot de belangrijkste en voortreffelijkste verordeningen
onder Napoleons bestuur uitgevaardigd. Daar het
eene regeling betrof betrekkelijk het burgerlijk recht,
hetwelk volgens art. 100 der Grondwet bij de wet
moest worden vastgesteld, zoude men verwacht
hebben, dat in dit onderwerp alleen bij de wet
verandering kon gebracht worden. De Souvereine
Vorst echter, met de ruime opvatting zijner
bevoegdheid, stelde het decreet zonder gemeen
overleg met de Staten-Generaal buiten werking,
terwijl hij voor de nadere regeling verwees naar het
vast te stellen Burgerlijk Wetboek. Dit Wetboek
heeft, zooals bekend is, dit onderwerp geen stap
verder gebracht. Eerst bij de wet van 11 April 1872
(Staatsblad no. 25) gelukte het, door het recht van
afkoop den tiendplichtige gegeven, den landbouw
Page 461
deze weldaad, elders reeds lang bewezen, deelachtig
te doen worden.
Zal men hetzelfde ongunstig oordeel moeten
uitspreken over de regeling van een onderwerp van
eene geheel andere natuur, dan waarover in het laatst
is gehandeld? Ik bedoel de wet van 1 Maart 1815
(Staatsblad no. 21) 697), houdende voorschriften ter
viering der dagen aan den openbaren Christelijken
Godsdienst toegewijd. Eene wet, die moest strekken
om „op het voetspoor onzer godsdienstige
voorvaderen, de pligtmatige viering van den dag des
Heeren en andere dagen, den openbaren Christelijken
Godsdienst toegewijd, te verzekeren”. Uit dezen
aanhef der wet blijkt reeds, dat men op het oog had
de herstelling van een vroegeren toestand. De
vrijheid der ingezetenen moest weder aan banden
worden gelegd; de bedoeling was, hen
dientengevolge tot kerkgang te nopen. Onder de
Fransche heerschappij, wellicht reeds sedert de
staatsregeling van 1798, had op dit stuk—in
tegenoverstelling van vroeger—volledige vrijheid
geheerscht. Zoo iets was niet in den geest van de in
1814 hier en elders bovendrijvende denkbeelden.
Mocht men al niet terugkeeren tot eene staatskerk,
mocht ook al in hoofdzaak aan alle
te doen worden.
Zal men hetzelfde ongunstig oordeel moeten
uitspreken over de regeling van een onderwerp van
eene geheel andere natuur, dan waarover in het laatst
is gehandeld? Ik bedoel de wet van 1 Maart 1815
(Staatsblad no. 21) 697), houdende voorschriften ter
viering der dagen aan den openbaren Christelijken
Godsdienst toegewijd. Eene wet, die moest strekken
om „op het voetspoor onzer godsdienstige
voorvaderen, de pligtmatige viering van den dag des
Heeren en andere dagen, den openbaren Christelijken
Godsdienst toegewijd, te verzekeren”. Uit dezen
aanhef der wet blijkt reeds, dat men op het oog had
de herstelling van een vroegeren toestand. De
vrijheid der ingezetenen moest weder aan banden
worden gelegd; de bedoeling was, hen
dientengevolge tot kerkgang te nopen. Onder de
Fransche heerschappij, wellicht reeds sedert de
staatsregeling van 1798, had op dit stuk—in
tegenoverstelling van vroeger—volledige vrijheid
geheerscht. Zoo iets was niet in den geest van de in
1814 hier en elders bovendrijvende denkbeelden.
Mocht men al niet terugkeeren tot eene staatskerk,
mocht ook al in hoofdzaak aan alle
Page 462
kerkgenootschappen gelijke bescherming blijven
verleend, het scheen toch tot de roeping van den Staat
te behooren, op de belijders der onderscheidene
Christelijke Genootschappen een zachten dwang uit
te oefenen in 't belang van het vieren van den
openbaren eeredienst. Had men vroeger in vele
opzichten Frankrijk als voorbeeld gevolgd, men deed
het ook thans weder; echter nu in tegenovergestelde
richting. Reeds bij ordonnance de police van 7 Juni
1814 698) werden in Frankrijk bepalingen gemaakt,
ten einde de viering van den Zondag enz. te
bevorderen. Eveneens had dit de Souvereine Vorst
voor België gedaan. Den 1sten October 1814 had hij
zoodanig besluit genomen—zooals de aanhef luidde
—„tot herstel van de zedelijkheid en de openbare
orde”. Zoo kon men verwachten, dat ook hier te
lande iets dergelijks zoude plaatsvinden. Er bestond
daarvoor nog deze bijzondere reden, dat na de
verdrijving der Franschen reeds in onderscheidene
provinciën en steden dergelijke verordeningen waren
vastgesteld, zoodat het wenschelijk was, deze door
ééne algemeene regeling te vervangen. Zoo kwam
dan ook zonder tegenstand de wet van 1 Maart 1815
tot stand. In die wet zal niemand het wraken, dat alle
hinderlijke geruchten in de nabijheid der kerken op
verleend, het scheen toch tot de roeping van den Staat
te behooren, op de belijders der onderscheidene
Christelijke Genootschappen een zachten dwang uit
te oefenen in 't belang van het vieren van den
openbaren eeredienst. Had men vroeger in vele
opzichten Frankrijk als voorbeeld gevolgd, men deed
het ook thans weder; echter nu in tegenovergestelde
richting. Reeds bij ordonnance de police van 7 Juni
1814 698) werden in Frankrijk bepalingen gemaakt,
ten einde de viering van den Zondag enz. te
bevorderen. Eveneens had dit de Souvereine Vorst
voor België gedaan. Den 1sten October 1814 had hij
zoodanig besluit genomen—zooals de aanhef luidde
—„tot herstel van de zedelijkheid en de openbare
orde”. Zoo kon men verwachten, dat ook hier te
lande iets dergelijks zoude plaatsvinden. Er bestond
daarvoor nog deze bijzondere reden, dat na de
verdrijving der Franschen reeds in onderscheidene
provinciën en steden dergelijke verordeningen waren
vastgesteld, zoodat het wenschelijk was, deze door
ééne algemeene regeling te vervangen. Zoo kwam
dan ook zonder tegenstand de wet van 1 Maart 1815
tot stand. In die wet zal niemand het wraken, dat alle
hinderlijke geruchten in de nabijheid der kerken op
Page 463
die dagen worden verboden (art. 5). Velen zijn er, die
evenmin bezwaar hebben tegen de bepalingen,
waarbij de vrijheid van arbeid op die dagen wordt
aan banden gelegd (art. 1, 2), uitgaande van het
denkbeeld, dat één dag rust op de zeven door het
belang der maatschappij, vooral door dat der
arbeidende klasse, wordt gevorderd; en dat zonder
den steun der wet die arbeidende klasse geene kracht
genoeg in zich zelve bezit, om zich die rust te
verzekeren. Maar aan die consideratie dacht, geloof
ik, in die dagen niemand. Had men daaraan wel
gedacht, men had, tegelijk met den arbeid, de vrijheid
om zich te ontspannen niet belemmerd. Men had
geen oog voor hetgeen de Sismondi korten tijd
daarna (1818) schreef: „Ce repos a été prescrit à
l'homme pour qu'il connût le délassement et la joie,
pour que la douce gaîté, pour que la danse, le chant,
tous les plaisirs honnêtes dont l'homme sent le
besoin, fussent aussi de temps en temps à portée de
l'esclave et de l'ouvrier” 699).
Had men daarvoor eenig oog gehad, men had niet
bepaald, dat de openbare vermakelijkheden op die
dagen in den regel niet zouden worden gedoogd (art.
4); men had evenmin verboden het kolven, balslaan,
enz., gedurende den tijd voor de openbare
evenmin bezwaar hebben tegen de bepalingen,
waarbij de vrijheid van arbeid op die dagen wordt
aan banden gelegd (art. 1, 2), uitgaande van het
denkbeeld, dat één dag rust op de zeven door het
belang der maatschappij, vooral door dat der
arbeidende klasse, wordt gevorderd; en dat zonder
den steun der wet die arbeidende klasse geene kracht
genoeg in zich zelve bezit, om zich die rust te
verzekeren. Maar aan die consideratie dacht, geloof
ik, in die dagen niemand. Had men daaraan wel
gedacht, men had, tegelijk met den arbeid, de vrijheid
om zich te ontspannen niet belemmerd. Men had
geen oog voor hetgeen de Sismondi korten tijd
daarna (1818) schreef: „Ce repos a été prescrit à
l'homme pour qu'il connût le délassement et la joie,
pour que la douce gaîté, pour que la danse, le chant,
tous les plaisirs honnêtes dont l'homme sent le
besoin, fussent aussi de temps en temps à portée de
l'esclave et de l'ouvrier” 699).
Had men daarvoor eenig oog gehad, men had niet
bepaald, dat de openbare vermakelijkheden op die
dagen in den regel niet zouden worden gedoogd (art.
4); men had evenmin verboden het kolven, balslaan,
enz., gedurende den tijd voor de openbare
Page 464
godsdienstoefening bestemd (art. 3). Was voor het
eerste nog aan het plaatselijk bestuur toegestaan, bij
uitzondering daarvan dispensatie te verleenen, het
tweede was een onverbiddelijke regel. De bedoeling
was duidelijk: èn door belemmering van den arbeid,
èn door het niet toelaten van eenige openbare
uitspanning, zoude men de ingezetenen nopen ter
kerke te gaan. Het valt mij bezwaarlijk op deze wet
als op een gelukkig voortbrengsel van wetgeving te
wijzen; alleen moet men erkennen, dat
niettegenstaande al de vellen druks, die in betrekking
tot deze wet later zijn volgeschreven,
niettegenstaande de maatschappij zelve aan die wet
geheel en al is ontgroeid, dat niettegenstaande dit
alles de Nederlandsche wetgever tot dusver
onmachtig is gebleven haar òf af schaffen, òf door
eene betere wet te vervangen. Moge het oogenblik
daarvoor niet te laat zijn!
Zal ik nu de pen nederleggen en den lezer wellicht
onder een ongunstigen indruk van hetgeen toen ter
tijd geschied is, laten gaan? Of zijn er andere
onderwerpen, tot dusver niet besproken, op welker
regeling in die dagen men met welgevallen kan
wijzen?
eerste nog aan het plaatselijk bestuur toegestaan, bij
uitzondering daarvan dispensatie te verleenen, het
tweede was een onverbiddelijke regel. De bedoeling
was duidelijk: èn door belemmering van den arbeid,
èn door het niet toelaten van eenige openbare
uitspanning, zoude men de ingezetenen nopen ter
kerke te gaan. Het valt mij bezwaarlijk op deze wet
als op een gelukkig voortbrengsel van wetgeving te
wijzen; alleen moet men erkennen, dat
niettegenstaande al de vellen druks, die in betrekking
tot deze wet later zijn volgeschreven,
niettegenstaande de maatschappij zelve aan die wet
geheel en al is ontgroeid, dat niettegenstaande dit
alles de Nederlandsche wetgever tot dusver
onmachtig is gebleven haar òf af schaffen, òf door
eene betere wet te vervangen. Moge het oogenblik
daarvoor niet te laat zijn!
Zal ik nu de pen nederleggen en den lezer wellicht
onder een ongunstigen indruk van hetgeen toen ter
tijd geschied is, laten gaan? Of zijn er andere
onderwerpen, tot dusver niet besproken, op welker
regeling in die dagen men met welgevallen kan
wijzen?
Page 465
Er is zeker geen onderwerp dat na de Justitie meer
verdient de aandacht te trekken, dan dat van het
Onderwijs—het lager zoowel als het hooger. De wet
van 3 April 1806 op het Lager Schoolwezen was in
hoofdzaak onder het Fransche bestuur blijven
werken. De Souvereine Vorst had dan ook niet anders
te doen, dan dat hij bij besluit van 20 Maart 1814
(Staatsblad no. 39) die wet verklaarde bij voortduring
te zullen zijn de grondslag der Nederlandsche
schoolinrichtingen, met invoering daarvan in die
gedeelten van den Staat, welke na 1806 zich daarvan
afgescheurd hadden bevonden. Op dit stuk alzoo—
zoo verwaarloosd onder de Republiek—bleef men de
vruchten van de omwenteling plukken. Zooals de
minister Röell het in zijn verslag van 7 November
1814 uitdrukte: „men wilde de nagedachtenis der
voorvaderen niet beleedigen, maar terwijl men op
hunne wijsheid staarde, mocht men voor alle nieuw
licht het oog niet sluiten, maar moest men daar waar
verbetering te vinden was, verbetering zoeken” 700).
Het openbaar onderwijs bleef alzoo een onderwerp
van overheidszorg, bleef onttrokken aan den invloed
der kerk. Het is de vraag of de Souvereine Vorst in de
behartiging dezer zaak nog niet een stap verder zoude
hebben willen gaan. In datzelfde verslag werd er op
verdient de aandacht te trekken, dan dat van het
Onderwijs—het lager zoowel als het hooger. De wet
van 3 April 1806 op het Lager Schoolwezen was in
hoofdzaak onder het Fransche bestuur blijven
werken. De Souvereine Vorst had dan ook niet anders
te doen, dan dat hij bij besluit van 20 Maart 1814
(Staatsblad no. 39) die wet verklaarde bij voortduring
te zullen zijn de grondslag der Nederlandsche
schoolinrichtingen, met invoering daarvan in die
gedeelten van den Staat, welke na 1806 zich daarvan
afgescheurd hadden bevonden. Op dit stuk alzoo—
zoo verwaarloosd onder de Republiek—bleef men de
vruchten van de omwenteling plukken. Zooals de
minister Röell het in zijn verslag van 7 November
1814 uitdrukte: „men wilde de nagedachtenis der
voorvaderen niet beleedigen, maar terwijl men op
hunne wijsheid staarde, mocht men voor alle nieuw
licht het oog niet sluiten, maar moest men daar waar
verbetering te vinden was, verbetering zoeken” 700).
Het openbaar onderwijs bleef alzoo een onderwerp
van overheidszorg, bleef onttrokken aan den invloed
der kerk. Het is de vraag of de Souvereine Vorst in de
behartiging dezer zaak nog niet een stap verder zoude
hebben willen gaan. In datzelfde verslag werd er op
Page 466
gewezen, hoe de Souvereine Vorst, als regent van
Corvey en Fulda, aldaar den leerplicht, en naar het
schijnt ook kosteloos onderwijs, had ingevoerd. Noch
van het een, noch van het ander is intusschen hier te
lande iets gekomen. Evenmin echter—wat ons in den
tijd dien wij beleven, vreemd in de ooren klinkt—is
de vrijheid van onderwijs gehuldigd. Niemand schijnt
haar in die dagen te hebben verlangd 701).
Met niet minder welgevallen rust de blik op de
regeling van het andere gedeelte van dit onderwerp:
het Hooger Onderwijs. Te dezen opzichte ging de
regeling met grootere bezwaren gepaard. Had de
Revolutie ten opzichte van het Lager Onderwijs ons
de wet van 1806 geschonken, ten opzichte van het
Hooger had zij de oude organisatie laten bestaan. Er
waren in wezen gebleven de vijf provinciale
Hoogescholen: Leiden, Utrecht, Groningen, Franeker
en Harderwijk. De Fransche inlijving maakte van
Leiden en Groningen faculteitsscholen, van Utrecht
eene école secondaire, alle ondergeschikt aan het
alles centraliseerende lichaam van Onderwijs: l'
Université. Franeker en Harderwijk werden
opgeheven. Deze Fransche inrichting kon niet
blijven. Evenmin was het met het beginsel van
staatseenheid te rijmen, de vroegere provinciale
Corvey en Fulda, aldaar den leerplicht, en naar het
schijnt ook kosteloos onderwijs, had ingevoerd. Noch
van het een, noch van het ander is intusschen hier te
lande iets gekomen. Evenmin echter—wat ons in den
tijd dien wij beleven, vreemd in de ooren klinkt—is
de vrijheid van onderwijs gehuldigd. Niemand schijnt
haar in die dagen te hebben verlangd 701).
Met niet minder welgevallen rust de blik op de
regeling van het andere gedeelte van dit onderwerp:
het Hooger Onderwijs. Te dezen opzichte ging de
regeling met grootere bezwaren gepaard. Had de
Revolutie ten opzichte van het Lager Onderwijs ons
de wet van 1806 geschonken, ten opzichte van het
Hooger had zij de oude organisatie laten bestaan. Er
waren in wezen gebleven de vijf provinciale
Hoogescholen: Leiden, Utrecht, Groningen, Franeker
en Harderwijk. De Fransche inlijving maakte van
Leiden en Groningen faculteitsscholen, van Utrecht
eene école secondaire, alle ondergeschikt aan het
alles centraliseerende lichaam van Onderwijs: l'
Université. Franeker en Harderwijk werden
opgeheven. Deze Fransche inrichting kon niet
blijven. Evenmin was het met het beginsel van
staatseenheid te rijmen, de vroegere provinciale
Page 467
inrichtingen weder in 't leven te roepen. Zoo zien wij
dan ook den Souvereinen Vorst reeds bij besluit van
18 Januari 1814 eene Commissie benoemen, met last
om eene organisatie van het Hooger Onderwijs te
ontwerpen. Naar aanleiding van haar rapport werd
door den Souvereinen Vorst den 2den Augustus 1815
de nieuwe organisatie van het Hooger Onderwijs
vastgesteld, inhoudende zoowel eene regeling der
Latijnsche scholen als van het Hooger Onderwijs in
engeren zin.
De Commissie had volgens hare opdracht moeten
letten zoowel op onzen landaard en de gehechtheid
aan voorouderlijke instellingen, als op de
maatregelen van den nieuweren tijd. Aan het eerste
was het voorzeker toe te schrijven, dat zij de drie
Hoogescholen, Leiden, Utrecht en Groningen, in
wezen liet, en ook Franeker en Harderwijk als
Athenaea met een meer bescheiden werkkring deed
voortleven. Wat was echter het nieuwe, dat meer in 't
bijzonder de aandacht trekt? Eene schaduwzijde van
de vroegere inrichtingen was voorzeker geweest de
band, die ze vastklonk aan de denkbeelden van
Calvijn. De rechtzinnigheid drukte als eene
nachtmerrie op den beoefenaar der wetenschap. Niet
alleen dat hierdoor uitstekende mannen van den
dan ook den Souvereinen Vorst reeds bij besluit van
18 Januari 1814 eene Commissie benoemen, met last
om eene organisatie van het Hooger Onderwijs te
ontwerpen. Naar aanleiding van haar rapport werd
door den Souvereinen Vorst den 2den Augustus 1815
de nieuwe organisatie van het Hooger Onderwijs
vastgesteld, inhoudende zoowel eene regeling der
Latijnsche scholen als van het Hooger Onderwijs in
engeren zin.
De Commissie had volgens hare opdracht moeten
letten zoowel op onzen landaard en de gehechtheid
aan voorouderlijke instellingen, als op de
maatregelen van den nieuweren tijd. Aan het eerste
was het voorzeker toe te schrijven, dat zij de drie
Hoogescholen, Leiden, Utrecht en Groningen, in
wezen liet, en ook Franeker en Harderwijk als
Athenaea met een meer bescheiden werkkring deed
voortleven. Wat was echter het nieuwe, dat meer in 't
bijzonder de aandacht trekt? Eene schaduwzijde van
de vroegere inrichtingen was voorzeker geweest de
band, die ze vastklonk aan de denkbeelden van
Calvijn. De rechtzinnigheid drukte als eene
nachtmerrie op den beoefenaar der wetenschap. Niet
alleen dat hierdoor uitstekende mannen van den
Page 468
leerstoel geweerd werden; het was bovendien een
blok aan het been voor hen, met wie dit niet het geval
was. Zij moesten zich in allerlei bochten wringen, om
de ketterjacht van predikanten en kerkeraden te
ontkomen. Dat zij, die daarvoor te zelfstandig waren,
dit met het verlies van hun ambt moesten boeten,
bewijst nog de afzetting van den Groningschen
hoogleeraar in de rechten, Frederik Adolf van der
Marck, in 1773. Deze slavernij der wetenschap was
met de beginselen der revolutie, met de scheiding van
Kerk en Staat in strijd. De vrijheid der professoren
was alzoo aan de nieuwe beginselen te danken 702), en
nu mogen wij er dankbaar voor zijn, dat ook de
nieuwe regeling volgens het besluit van 2 Augustus
1815 in waarheid gaf eene vrije Universiteit. „Het
was”, zegt een bevoegd beoordeelaar, „op liberale
grondslagen gebouwd” 703). Noch de professoren,
noch de studenten werden ten opzichte van de
resultaten hunner studiën aan banden gelegd. Het zou
ons te ver leiden, wanneer wij dit geheele besluit uit
het oogpunt van de vrijheid docendi en discendi
gingen beschouwen en waardeeren. Ik heb echter
gemeend, niet met stilzwijgen te mogen voorbijgaan,
dat wat de revolutie ons gebracht had, in dat besluit is
overgegaan. Deze regeling is sedert vervangen door
blok aan het been voor hen, met wie dit niet het geval
was. Zij moesten zich in allerlei bochten wringen, om
de ketterjacht van predikanten en kerkeraden te
ontkomen. Dat zij, die daarvoor te zelfstandig waren,
dit met het verlies van hun ambt moesten boeten,
bewijst nog de afzetting van den Groningschen
hoogleeraar in de rechten, Frederik Adolf van der
Marck, in 1773. Deze slavernij der wetenschap was
met de beginselen der revolutie, met de scheiding van
Kerk en Staat in strijd. De vrijheid der professoren
was alzoo aan de nieuwe beginselen te danken 702), en
nu mogen wij er dankbaar voor zijn, dat ook de
nieuwe regeling volgens het besluit van 2 Augustus
1815 in waarheid gaf eene vrije Universiteit. „Het
was”, zegt een bevoegd beoordeelaar, „op liberale
grondslagen gebouwd” 703). Noch de professoren,
noch de studenten werden ten opzichte van de
resultaten hunner studiën aan banden gelegd. Het zou
ons te ver leiden, wanneer wij dit geheele besluit uit
het oogpunt van de vrijheid docendi en discendi
gingen beschouwen en waardeeren. Ik heb echter
gemeend, niet met stilzwijgen te mogen voorbijgaan,
dat wat de revolutie ons gebracht had, in dat besluit is
overgegaan. Deze regeling is sedert vervangen door
Page 469
de wet van 28 April 1876 (Staatsblad no. 102). Moge
het oordeel van den nakomeling over de wet even
gunstig luiden, als aan het besluit van 1815 nog na
verloop van eene halve eeuw is ten deel gevallen 704).
Het was mij aangenaam op deze lichtpunten in de
wetgeving van 1814 en 1815 te kunnen wijzen. Met
het onderwijs staat echter nog in nauw verband de
drukpers. Feitelijk had zij onder de oude Republiek
eene grootere mate van vrijheid genoten, dan elders
op het vasteland haar was geschonken, maar dit was
meer een gevolg van de verbrokkeling der
Souvereiniteit en van de toegevendheid der regenten,
dan van de wetgeving; de censuur immers bestond
ook hier te lande. Door de Staatsregeling van 1798
(Inl. art. 16) en die van 1801 (art. 3) werd zij
veroordeeld. Dit bleef echter meer op het papier
uitgesproken, dan dat het in de werkelijkheid veel
gaf. Met de inlijving daarenboven werd de toestand
nog veel erger dan hij ooit te voren geweest was. Van
een vrije drukpers was schijn noch schaduw
overgebleven. Wat zou de onafhankelijkheid ons
brengen? Reeds bij besluit van 24 Januari 1814
(Staatsblad no. 17) werden de Fransche wetten en
besluiten betrekkelijk de boekdrukkerij en den
boekhandel, daaronder de nieuwspapieren begrepen,
het oordeel van den nakomeling over de wet even
gunstig luiden, als aan het besluit van 1815 nog na
verloop van eene halve eeuw is ten deel gevallen 704).
Het was mij aangenaam op deze lichtpunten in de
wetgeving van 1814 en 1815 te kunnen wijzen. Met
het onderwijs staat echter nog in nauw verband de
drukpers. Feitelijk had zij onder de oude Republiek
eene grootere mate van vrijheid genoten, dan elders
op het vasteland haar was geschonken, maar dit was
meer een gevolg van de verbrokkeling der
Souvereiniteit en van de toegevendheid der regenten,
dan van de wetgeving; de censuur immers bestond
ook hier te lande. Door de Staatsregeling van 1798
(Inl. art. 16) en die van 1801 (art. 3) werd zij
veroordeeld. Dit bleef echter meer op het papier
uitgesproken, dan dat het in de werkelijkheid veel
gaf. Met de inlijving daarenboven werd de toestand
nog veel erger dan hij ooit te voren geweest was. Van
een vrije drukpers was schijn noch schaduw
overgebleven. Wat zou de onafhankelijkheid ons
brengen? Reeds bij besluit van 24 Januari 1814
(Staatsblad no. 17) werden de Fransche wetten en
besluiten betrekkelijk de boekdrukkerij en den
boekhandel, daaronder de nieuwspapieren begrepen,
Page 470
afgeschaft, en zoo verdween hierdoor de censuur
voor goed van onzen bodem.
Men moge er over glimlachen, wanneer in het
besluit gezegd wordt, dat de bestaande regeling ten
eenenmale strijdig was met de liberale denkwijze, die
het gouvernement dezer landen steeds had
gekenmerkt. Men moge er op wijzen, dat het stellen
van het repressieve toezicht in de plaats van de
censuur geen Nederlandsch denkbeeld was, maar dat
het te danken was aan de beginselen, in de 18de eeuw
verkondigd. Dit alles neemt echter niet weg, dat men
dankbaar moet zijn aan de ontwerpers van dit besluit,
die in de censuur zagen een beletsel voor den
voortgang der verlichting, en in hare afschaffing een
uitvloeisel van de liberale denkwijze.
Het trekt de aandacht hoe in die dagen,
niettegenstaande de in vele opzichten bestaande
voorliefde voor het oude, toch het woord liberaal als
't ware vanzelf op de lippen kwam, wanneer men op
iets goeds, iets aanbevelenswaardigs, iets
onbekrompens wilde wijzen.
Liberaal is de maatregel, waarbij het
tabaksmonopolie wordt afgeschaft. Liberaal is de
afschaffing der censuur. Wanneer de Souvereine
voor goed van onzen bodem.
Men moge er over glimlachen, wanneer in het
besluit gezegd wordt, dat de bestaande regeling ten
eenenmale strijdig was met de liberale denkwijze, die
het gouvernement dezer landen steeds had
gekenmerkt. Men moge er op wijzen, dat het stellen
van het repressieve toezicht in de plaats van de
censuur geen Nederlandsch denkbeeld was, maar dat
het te danken was aan de beginselen, in de 18de eeuw
verkondigd. Dit alles neemt echter niet weg, dat men
dankbaar moet zijn aan de ontwerpers van dit besluit,
die in de censuur zagen een beletsel voor den
voortgang der verlichting, en in hare afschaffing een
uitvloeisel van de liberale denkwijze.
Het trekt de aandacht hoe in die dagen,
niettegenstaande de in vele opzichten bestaande
voorliefde voor het oude, toch het woord liberaal als
't ware vanzelf op de lippen kwam, wanneer men op
iets goeds, iets aanbevelenswaardigs, iets
onbekrompens wilde wijzen.
Liberaal is de maatregel, waarbij het
tabaksmonopolie wordt afgeschaft. Liberaal is de
afschaffing der censuur. Wanneer de Souvereine
Page 471
Vorst over de Schets van Hogendorp een gunstig
oordeel uitspreekt, noemt hij haar een uitvloeisel van
's mans liberale denkwijze. Zoo meent ook Falck èn
Hogendorp èn den Souvereinen Vorst niet beter te
kunnen prijzen, dan door te wijzen op hun
liberalisme. „Hogendorp is de liberaliteit zelve”,
schrijft hij 6 December 1813 aan D. J. van Lennep.
En van den Souvereinen Vorst zegt hij eenige dagen
later: „Al wat goed en liberaal is, neemt hij
gereedelijk over, en meestal is hij de eerste om dit te
bedenken” 705).
Liberaal. Beteekende het alleen alles wat
lofwaardig was; of had het voor de mannen van dat
tijdvak ook nog een meer bepaalden zin? Ik meen
van ja en dit wel om de volgende reden. Er waren er
ook in die dagen, die er geen eerenaam maar het
tegenovergestelde in zagen. Voor Raepsaet, den
Belgischen katholiek, gehecht aan het oude régime,
zijn de liberalen de vijanden van troon en altaar 706).
Daaronder rangschikte hij onder anderen een man als
Falck 707). Het zijn dan de voorstanders der nieuwe
begrippen, die daaronder vallen. En nog meer treft
men, meen ik, den spijker op den kop, wanneer men
onder de tegenstanders der liberalen hen rangschikt,
die meenen, dat evenals naar hunne zienswijze de
oordeel uitspreekt, noemt hij haar een uitvloeisel van
's mans liberale denkwijze. Zoo meent ook Falck èn
Hogendorp èn den Souvereinen Vorst niet beter te
kunnen prijzen, dan door te wijzen op hun
liberalisme. „Hogendorp is de liberaliteit zelve”,
schrijft hij 6 December 1813 aan D. J. van Lennep.
En van den Souvereinen Vorst zegt hij eenige dagen
later: „Al wat goed en liberaal is, neemt hij
gereedelijk over, en meestal is hij de eerste om dit te
bedenken” 705).
Liberaal. Beteekende het alleen alles wat
lofwaardig was; of had het voor de mannen van dat
tijdvak ook nog een meer bepaalden zin? Ik meen
van ja en dit wel om de volgende reden. Er waren er
ook in die dagen, die er geen eerenaam maar het
tegenovergestelde in zagen. Voor Raepsaet, den
Belgischen katholiek, gehecht aan het oude régime,
zijn de liberalen de vijanden van troon en altaar 706).
Daaronder rangschikte hij onder anderen een man als
Falck 707). Het zijn dan de voorstanders der nieuwe
begrippen, die daaronder vallen. En nog meer treft
men, meen ik, den spijker op den kop, wanneer men
onder de tegenstanders der liberalen hen rangschikt,
die meenen, dat evenals naar hunne zienswijze de
Page 472
Vorst zijn recht ontleent aan eene bovenmenschelijke
Macht, hij ook geroepen is, Gods wetten te doen
eerbiedigen: de leer, die in dien tijd door Bonald en
de Maistre in Frankrijk, door Bilderdijk ten onzent,
later door Stahl in Duitschland verkondigd werd. Van
hier, dat ook in onze dagen voor hunnen leerling
Groen van Prinsterer het liberalisme de worm was,
die ook na de herstelling onzer onafhankelijkheid aan
ons volksbestaan bleef knagen. Ook het tijdvak
1813–1830 was voor hem het tijdvak van het
liberalisme 708). Waardeert hij het in den Souvereinen
Vorst, dat de wet tot heiliging van den Zondag in 't
belang van Godsvrucht en zedelijkheid wordt
ingevoerd 709), over 't algemeen wijst hij er op, hoe de
regeering zich ongeroepen gevoelt tot de handhaving
van de Wetten Gods 710). De Wetten Gods, die voor
Bonald en de zijnen beteekenen, de leeringen der
Roomsch-katholieke geestelijkheid; hier te lande
daarentegen vervat zijn in het stelsel van Calvijn.
De tegenstelling tusschen het Goddelijke recht aan
de eene en het menschelijk recht aan de andere zijde,
kenmerkt mijns inziens hen, die in het liberalisme
hunnen vijand zagen en nog zien.
Macht, hij ook geroepen is, Gods wetten te doen
eerbiedigen: de leer, die in dien tijd door Bonald en
de Maistre in Frankrijk, door Bilderdijk ten onzent,
later door Stahl in Duitschland verkondigd werd. Van
hier, dat ook in onze dagen voor hunnen leerling
Groen van Prinsterer het liberalisme de worm was,
die ook na de herstelling onzer onafhankelijkheid aan
ons volksbestaan bleef knagen. Ook het tijdvak
1813–1830 was voor hem het tijdvak van het
liberalisme 708). Waardeert hij het in den Souvereinen
Vorst, dat de wet tot heiliging van den Zondag in 't
belang van Godsvrucht en zedelijkheid wordt
ingevoerd 709), over 't algemeen wijst hij er op, hoe de
regeering zich ongeroepen gevoelt tot de handhaving
van de Wetten Gods 710). De Wetten Gods, die voor
Bonald en de zijnen beteekenen, de leeringen der
Roomsch-katholieke geestelijkheid; hier te lande
daarentegen vervat zijn in het stelsel van Calvijn.
De tegenstelling tusschen het Goddelijke recht aan
de eene en het menschelijk recht aan de andere zijde,
kenmerkt mijns inziens hen, die in het liberalisme
hunnen vijand zagen en nog zien.
Page 473
Blijkt het dus, dat ook in die dagen het woord
liberaal als een eerenaam beschouwd werd 711), dan
is dit weder een bewijs te meer, dat ook hier te lande
met de Revolutie niet werd gebroken; integendeel,
dat men, bewust of onbewust, in de hoofdzaak
voortbouwde op de grondslagen, gelegd in de
achttiende eeuw.
Het valt niet gemakkelijk, enz. (hiervóór, bl. 334).—Afgeschaft zijn de
belastingen die impopulair waren: de Fransche douanerechten, benevens het
tabaksmonopolie en de overige vereenigde rechten. Van alle zijden gaan
onmiddellijk na den opstand de stemmen daartoe op, en bij de instelling van
het departement van financiën (29 Nov.) wordt aan Canneman de
onverwijlde voordracht van maatregelen tot hun intrekking en de
wederinvoering van het oude tarief opgedragen 712). Het was om deze
wederinvoering met den Amsterdamschen handel te bespreken dat
Canneman reeds den eigen avond zijn bezoek daar op den 30sten laat
aankondigen 713). De grondbelasting daarentegen bleef op den Franschen
voet in stand, daar deze de grondeigenaars minder drukte dan die van
Gogel, welke onder koning Lodewijk niet dan onder hevig verzet vooral uit
de landprovinciën was ingevoerd 714). Turf, zeep, gemaal en dergelijke
kwamen gemakkelijk terug omdat men er vanouds aan gewend was; zij
waren door de Franschen afgeschaft niet omdat zij in Holland moeilijk
werden gedragen, maar omdat zij in hun stelsel onbekend waren.
Wet van 14 Mei 1814 (hiervóór, bl. 337).—Vgl. hiervóór, bl. 319.—Over
de behandeling in de Staten-Generaal schrijft Gijsbert Karel: „Over de wet
van 14 Mei werd nogal uitvoerig geadviseerd. Er waren meen ik 17
stemmen op de 50 tegen. Daaronder de meeste Hollanders, alzoo in Holland
liberaal als een eerenaam beschouwd werd 711), dan
is dit weder een bewijs te meer, dat ook hier te lande
met de Revolutie niet werd gebroken; integendeel,
dat men, bewust of onbewust, in de hoofdzaak
voortbouwde op de grondslagen, gelegd in de
achttiende eeuw.
Het valt niet gemakkelijk, enz. (hiervóór, bl. 334).—Afgeschaft zijn de
belastingen die impopulair waren: de Fransche douanerechten, benevens het
tabaksmonopolie en de overige vereenigde rechten. Van alle zijden gaan
onmiddellijk na den opstand de stemmen daartoe op, en bij de instelling van
het departement van financiën (29 Nov.) wordt aan Canneman de
onverwijlde voordracht van maatregelen tot hun intrekking en de
wederinvoering van het oude tarief opgedragen 712). Het was om deze
wederinvoering met den Amsterdamschen handel te bespreken dat
Canneman reeds den eigen avond zijn bezoek daar op den 30sten laat
aankondigen 713). De grondbelasting daarentegen bleef op den Franschen
voet in stand, daar deze de grondeigenaars minder drukte dan die van
Gogel, welke onder koning Lodewijk niet dan onder hevig verzet vooral uit
de landprovinciën was ingevoerd 714). Turf, zeep, gemaal en dergelijke
kwamen gemakkelijk terug omdat men er vanouds aan gewend was; zij
waren door de Franschen afgeschaft niet omdat zij in Holland moeilijk
werden gedragen, maar omdat zij in hun stelsel onbekend waren.
Wet van 14 Mei 1814 (hiervóór, bl. 337).—Vgl. hiervóór, bl. 319.—Over
de behandeling in de Staten-Generaal schrijft Gijsbert Karel: „Over de wet
van 14 Mei werd nogal uitvoerig geadviseerd. Er waren meen ik 17
stemmen op de 50 tegen. Daaronder de meeste Hollanders, alzoo in Holland
Page 474
de meeste renteniers zijn, en deze de bijlage moesten doen. Ik had dien dag
Raad van State en was blij met fatsoen te kunnen wegblijven. In het publiek
was de vleug ook niet voor dezen maatregel, en de fondsen daalden gedurig.
Naderhand hebben de financiers zich voor den maatregel verklaard, en
bekend dat zij de zaak kwalijk ingezien hadden. Toen zijn ook de fondsen
merkelijk gerezen. Bij deze deliberatiën stond de heer van Stralen aan het
hoofd der oppositie” 715).
Ook Falck schrijft later, dat hij, hoewel voorstander van „betering van het
lot der renteheffers,” van het „eeuwigdurend bezwaar op de schatkist,” uit
de wet van Six voortvloeiende, zeer geschrokken was. Hij troost zich met
„het getal millioenen dat het arrosement van 1814 in den loop van weinige
maanden in de circulatie en eindelijk in de schatkist bracht” 716).
O. W. Hora Siccama teekent een 9 Nov. 1834 met oom Falck gehouden
gesprek aldus op:
„Ik vroeg Oom of er werkelijk noodzaak bestaan had in 1814 om de
geheele oude en getiërceerde schuld te erkennen, en in hoeverre het
voorgeven gegrond was, dat toch de eigenlijk bij de tiërceering verloren
hebbenden, geene vergoeding daarvoor gekregen hadden?
Het antwoord was: „Het is gemakkelijk na zooveel jaren te zeggen: je
hebt verkeerd gedaan, maar op 't oogenblik zelf te decideeren, dat 's
anders.” Dat men vooral noodig had, bij de herstelling der zaken, het crediet
weder te winnen; dat de kapitalisten zeer ten achteren waren; dat hoewel
vele familiën, den slag der tiërceering vreezende, een gedeelte hunner
bezittingen ook in vreemde effecten belegd hadden, velen echter uit
gehechtheid aan het bestaande, uit te groot vertrouwen enz. het meerendeel
hunner fortuinen in Hollandsche fondsen hadden; dat vooral de openbare
instellingen, weeshuizen, armengestichten enz. alle 717) Hollandsche
effecten bezeten hadden; dat ieder die effecten na de tiërceering wel had
moeten houden, omdat ze bijna geen waarde meer hadden. De verlegenheid
om geld had dus de verpligting opgelegd om de getiërceerde schuld te
erkennen, waardoor die effecten dadelijk weder in waarde rezen en het lot
der houders op staanden voet verbeterde. Wel had men vooruitgezien dat
men zich in geen 80 jaren van deze ontzaglijke schuld zou kunnen
ontheffen, maar de volgende geslachten mogten wel iets tot de
Raad van State en was blij met fatsoen te kunnen wegblijven. In het publiek
was de vleug ook niet voor dezen maatregel, en de fondsen daalden gedurig.
Naderhand hebben de financiers zich voor den maatregel verklaard, en
bekend dat zij de zaak kwalijk ingezien hadden. Toen zijn ook de fondsen
merkelijk gerezen. Bij deze deliberatiën stond de heer van Stralen aan het
hoofd der oppositie” 715).
Ook Falck schrijft later, dat hij, hoewel voorstander van „betering van het
lot der renteheffers,” van het „eeuwigdurend bezwaar op de schatkist,” uit
de wet van Six voortvloeiende, zeer geschrokken was. Hij troost zich met
„het getal millioenen dat het arrosement van 1814 in den loop van weinige
maanden in de circulatie en eindelijk in de schatkist bracht” 716).
O. W. Hora Siccama teekent een 9 Nov. 1834 met oom Falck gehouden
gesprek aldus op:
„Ik vroeg Oom of er werkelijk noodzaak bestaan had in 1814 om de
geheele oude en getiërceerde schuld te erkennen, en in hoeverre het
voorgeven gegrond was, dat toch de eigenlijk bij de tiërceering verloren
hebbenden, geene vergoeding daarvoor gekregen hadden?
Het antwoord was: „Het is gemakkelijk na zooveel jaren te zeggen: je
hebt verkeerd gedaan, maar op 't oogenblik zelf te decideeren, dat 's
anders.” Dat men vooral noodig had, bij de herstelling der zaken, het crediet
weder te winnen; dat de kapitalisten zeer ten achteren waren; dat hoewel
vele familiën, den slag der tiërceering vreezende, een gedeelte hunner
bezittingen ook in vreemde effecten belegd hadden, velen echter uit
gehechtheid aan het bestaande, uit te groot vertrouwen enz. het meerendeel
hunner fortuinen in Hollandsche fondsen hadden; dat vooral de openbare
instellingen, weeshuizen, armengestichten enz. alle 717) Hollandsche
effecten bezeten hadden; dat ieder die effecten na de tiërceering wel had
moeten houden, omdat ze bijna geen waarde meer hadden. De verlegenheid
om geld had dus de verpligting opgelegd om de getiërceerde schuld te
erkennen, waardoor die effecten dadelijk weder in waarde rezen en het lot
der houders op staanden voet verbeterde. Wel had men vooruitgezien dat
men zich in geen 80 jaren van deze ontzaglijke schuld zou kunnen
ontheffen, maar de volgende geslachten mogten wel iets tot de
Page 475
wederverkregen onafhankelijkheid bijdragen. De vooruitzigten op de
toekomst mogten hoop inboezemen. De wet van 1814 heeft dan ook
behalve de dadelijke hulp dit voordeel aangebracht, dat men bij de
vereeniging met België dit niet dadelijk heeft behoeven aantespreken, en
[er] twee volle jaren geene verhooging van belasting op te leggen, hetgeen
toen van veel belang was om in dit opzigt niet van den beginne af
ontevredenheid op te wekken. Ook moet men in 't oog houden welk eene
zware kosten er noodig waren tot in stand brengen van leger en vloot, en
voorziening in zoo menigerlei behoefte op zulk een tijdstip 718).”
Vooral in die dagen was het met een zwarte kool geteekend (hiervóór, bl.
341).—In het liberale Groningen van 1884 ook nog, naar men uit Tellegen's
toon kan opmaken.
Algemeene volkswapening (hiervóór, bl. 341).—Tellegen begaat hier de
fout, het voor te stellen alsof deze min of meer voor het leger in de plaats
kwam, en wel als „toevlucht” omdat het met het leger niets werd. Dit nu is
geheel onjuist. Beide denkbeelden: leger en militie, hebben reeds vóór de
regeeringsaanvaarding van den S. V. bestaan, maar natuurlijk is het
militieplan eerst veel later tot uitvoering gekomen, daar de invoering eener
militie een uitgebreid stel van administratieve maatregelen vereischt, die uit
den aard der zaak eerst mogelijk werden toen de nieuwe bestuursorganisatie
zich voldoende over het geheele land had kunnen vertakken. Tot het
bijeenbrengen van een vrijwilligersleger daarentegen is niets dan werving
noodig; daarmede kon men onmiddellijk beginnen;—met de militie niet.
De werving begint 20 Nov. in den Haag 719); overal waar het gezag van
het A. B. wordt erkend ziet men er onmiddellijk mede aanvangen. 25 Nov.
publiceert het A. B.: „Wij doen van nu af gereed maken de organisatie van
een leger van 25.000 man; dezer dagen zullen wij alomme de wervingen
openen 720)”. Dagelijks gaan deze maatregelen voort; nog 5 Dec., den dag
vóór zijn aftreden, gelast het A. B. Bentinck van Buckhorst, om vóór zijn
overkomst naar den Haag in de provinciën aan gene zijde van den IJsel een
corps infanterie op te richten en werfofficiers aan te stellen 721). Het zijn
deze maatregelen van het A. B. die de S. V. 6 Dec. bevestigt en uitbreidt, en
toekomst mogten hoop inboezemen. De wet van 1814 heeft dan ook
behalve de dadelijke hulp dit voordeel aangebracht, dat men bij de
vereeniging met België dit niet dadelijk heeft behoeven aantespreken, en
[er] twee volle jaren geene verhooging van belasting op te leggen, hetgeen
toen van veel belang was om in dit opzigt niet van den beginne af
ontevredenheid op te wekken. Ook moet men in 't oog houden welk eene
zware kosten er noodig waren tot in stand brengen van leger en vloot, en
voorziening in zoo menigerlei behoefte op zulk een tijdstip 718).”
Vooral in die dagen was het met een zwarte kool geteekend (hiervóór, bl.
341).—In het liberale Groningen van 1884 ook nog, naar men uit Tellegen's
toon kan opmaken.
Algemeene volkswapening (hiervóór, bl. 341).—Tellegen begaat hier de
fout, het voor te stellen alsof deze min of meer voor het leger in de plaats
kwam, en wel als „toevlucht” omdat het met het leger niets werd. Dit nu is
geheel onjuist. Beide denkbeelden: leger en militie, hebben reeds vóór de
regeeringsaanvaarding van den S. V. bestaan, maar natuurlijk is het
militieplan eerst veel later tot uitvoering gekomen, daar de invoering eener
militie een uitgebreid stel van administratieve maatregelen vereischt, die uit
den aard der zaak eerst mogelijk werden toen de nieuwe bestuursorganisatie
zich voldoende over het geheele land had kunnen vertakken. Tot het
bijeenbrengen van een vrijwilligersleger daarentegen is niets dan werving
noodig; daarmede kon men onmiddellijk beginnen;—met de militie niet.
De werving begint 20 Nov. in den Haag 719); overal waar het gezag van
het A. B. wordt erkend ziet men er onmiddellijk mede aanvangen. 25 Nov.
publiceert het A. B.: „Wij doen van nu af gereed maken de organisatie van
een leger van 25.000 man; dezer dagen zullen wij alomme de wervingen
openen 720)”. Dagelijks gaan deze maatregelen voort; nog 5 Dec., den dag
vóór zijn aftreden, gelast het A. B. Bentinck van Buckhorst, om vóór zijn
overkomst naar den Haag in de provinciën aan gene zijde van den IJsel een
corps infanterie op te richten en werfofficiers aan te stellen 721). Het zijn
deze maatregelen van het A. B. die de S. V. 6 Dec. bevestigt en uitbreidt, en
Page 476
het denkbeeld, op deze wijze een vrijwilligersleger van 25.000 man te
verkrijgen, is door het reglement van 20 Dec. volstrekt niet op den
achtergrond geschoven: bij besluit van 9 Jan. 1814 wordt voor dit leger eene
organisatie bepaald, op de genoemde sterkte berekend 722). Natuurlijk werd
die sterkte niet aanstonds bereikt: de volkselementen die voor vrijwillige
dienstneming bij een staand leger in aanmerking kwamen waren reeds voor
het overgroote deel door Napoleons conscriptie (waarbij plaatsvervanging
toegelaten was) opgezogen, en voor zoover zij niet in den oorlog
omgekomen waren, kwamen er van deze lieden in Noordduitschland,
Boheme en elders wel dag voor dag vrij, maar zij waren niet in een
oogwenk weder in Holland terug. Desniettemin waren er van de bij de
organisatie van 9 Jan. 1814 verlangde 22 bataljons infanterie van linie voor
het einde van 1813 reeds 6 compleet en 4 in formatie; van de 4 regimenten
cavalerie bestonden er reeds 2 723). Eind Februari wezen de sterktelijsten
aan 21.415 man in totaal 724), waarvan 5.755 militie en 1.062 vreemdelingen
(Nassauers), de rest Nederlandsche vrijwilligers, waarvan 11.884 geworven
in Nederland zelf en 2.714 in Duitschland 725). De in Nederland geworvenen
waren echter over het algemeen van een slecht gehalte; ook was de troep
ongeoefend, gebrekkig uitgerust, ellendig geëncadreerd; een werkelijk leger
viel nu eenmaal in een van zijn beste krachten beroofd land niet uit den
grond te stampen. Als de minister van oorlog, door de bondgenooten
aangepord, eind Februari verzekert, op 1 April aan den oorlog te velde te
zullen kunnen deelnemen met 25.000 man 726), komt deze verwachting
bedrogen uit; als April in het land is zijn er nog maar 11 à 12.000 werkelijk
gereed over de grenzen te trekken 727), al hoopt men eerlang, naarmate de
militie beschikbaar komt, dit getal te kunnen vergrooten.
Dat men nu het Bestuur aanvankelijk uitsluitend met de vorming van een
staand leger bezig ziet, beteekent niet dat men zich niet tevens een militie
en landstorm als noodzakelijke aanvulling voorstelde. Zóóveel hadden de
tijden ook aan Nederland goddank wel geleerd, dat men de
landsverdediging niet op huurlingen alleen meer mocht laten aankomen.
Reeds 20 Nov. brengt Canneman de zaak der volkswapening bij Gijsbert
Karel ter sprake 728); en nauwelijks is 6 Dec. de Kabinetsraad gevormd, of
Canneman wordt, bij afwezigheid van Bentinck, met het ontwerpen eener
wettelijke regeling belast, die evenwel, toen zij gereed was, te draconisch
verkrijgen, is door het reglement van 20 Dec. volstrekt niet op den
achtergrond geschoven: bij besluit van 9 Jan. 1814 wordt voor dit leger eene
organisatie bepaald, op de genoemde sterkte berekend 722). Natuurlijk werd
die sterkte niet aanstonds bereikt: de volkselementen die voor vrijwillige
dienstneming bij een staand leger in aanmerking kwamen waren reeds voor
het overgroote deel door Napoleons conscriptie (waarbij plaatsvervanging
toegelaten was) opgezogen, en voor zoover zij niet in den oorlog
omgekomen waren, kwamen er van deze lieden in Noordduitschland,
Boheme en elders wel dag voor dag vrij, maar zij waren niet in een
oogwenk weder in Holland terug. Desniettemin waren er van de bij de
organisatie van 9 Jan. 1814 verlangde 22 bataljons infanterie van linie voor
het einde van 1813 reeds 6 compleet en 4 in formatie; van de 4 regimenten
cavalerie bestonden er reeds 2 723). Eind Februari wezen de sterktelijsten
aan 21.415 man in totaal 724), waarvan 5.755 militie en 1.062 vreemdelingen
(Nassauers), de rest Nederlandsche vrijwilligers, waarvan 11.884 geworven
in Nederland zelf en 2.714 in Duitschland 725). De in Nederland geworvenen
waren echter over het algemeen van een slecht gehalte; ook was de troep
ongeoefend, gebrekkig uitgerust, ellendig geëncadreerd; een werkelijk leger
viel nu eenmaal in een van zijn beste krachten beroofd land niet uit den
grond te stampen. Als de minister van oorlog, door de bondgenooten
aangepord, eind Februari verzekert, op 1 April aan den oorlog te velde te
zullen kunnen deelnemen met 25.000 man 726), komt deze verwachting
bedrogen uit; als April in het land is zijn er nog maar 11 à 12.000 werkelijk
gereed over de grenzen te trekken 727), al hoopt men eerlang, naarmate de
militie beschikbaar komt, dit getal te kunnen vergrooten.
Dat men nu het Bestuur aanvankelijk uitsluitend met de vorming van een
staand leger bezig ziet, beteekent niet dat men zich niet tevens een militie
en landstorm als noodzakelijke aanvulling voorstelde. Zóóveel hadden de
tijden ook aan Nederland goddank wel geleerd, dat men de
landsverdediging niet op huurlingen alleen meer mocht laten aankomen.
Reeds 20 Nov. brengt Canneman de zaak der volkswapening bij Gijsbert
Karel ter sprake 728); en nauwelijks is 6 Dec. de Kabinetsraad gevormd, of
Canneman wordt, bij afwezigheid van Bentinck, met het ontwerpen eener
wettelijke regeling belast, die evenwel, toen zij gereed was, te draconisch
Page 477
voorkwam, en moest worden „verzacht” 729). Eerst het opstellen van dit stuk
(een militie- en landstormregeling in 63 artikelen), vervolgens het
onderzoek door Vorst en militairen, zal eenigen tijd gevorderd hebben, maar
althans 17 Dec. heeft het reglement van 20 Dec. in alle hoofdtrekken reeds
vastgestaan 730). Van de geheele voorstelling, als zou dat reglement het
gevolg zijn van teleurstelling over de resultaten der oproeping van den
6den, blijft dus niets over. Die resultaten kunnen eerst bekend zijn geweest
op een oogenblik waarop de voorbereiding der andere zaak reeds in vollen
gang was.
Dat, in navolging der Fransche conscriptie, bij de militie de
plaatsvervanging was toegelaten, wreekte zich natuurlijk onmiddellijk op
den toeloop voor het staande leger. De kolonel S. J. graaf van Limburg
Stirum, met de werving te Arnhem belast, schrijft 19 Jan. 1814 aan Oorlog:
„Sedert de loting een aanvang genomen heeft, staat de Werving niet alleen
stil, maar de desertie neemt toe. De luiden worden verleid door groote
premies om als remplaçanten zich te engageeren” 731). Het begin der
ondervinding, dat het militiebeginsel, eens aangenomen, geen staand leger
nevens zich verdraagt!
Zesde hoofdstuk der Grondwet (hiervóór, bl. 342). Toen Hogendorp in
1812 de Schets opstelde, heeft hij aan eene militie stellig nog niet gedacht,
doch nu deze was ingevoerd kwam het wenschelijk voor aan de zaak een
„grondwettigen ondergrond” te geven, tot verzekering der nieuwe instelling
zoowel als tot bescherming der ingezetenen. Als men dus de Grondwet door
is en de president vraagt of iemand nog iets te proponeeren heeft, komt
Repelaer met de opmerking, „dat de Staten-Generaal zich zullen verlegen
vinden, indien omtrent de landmilitie en den landstorm niets in de
Grondwet gevonden wordt”. De bedoeling dezer opmerking blijkt uit den
inhoud van het voorstel dat hij er op volgen laat, en dat den hoofdinhoud
van het reglement van 20 Dec. (landmilitie uit vrijwilligers, bij
ongenoegzaam aanbod loting uit de ongehuwden van 17–45 jaar, met
plaatsvervanging) in de Grondwet brengt, doch tevens bepaalt dat de 20.000
man een fixum zijn, „voor geene vermeerdering of vermindering vatbaar
dan in gevalle van vermeerdering of vermindering van territoir.” De
(een militie- en landstormregeling in 63 artikelen), vervolgens het
onderzoek door Vorst en militairen, zal eenigen tijd gevorderd hebben, maar
althans 17 Dec. heeft het reglement van 20 Dec. in alle hoofdtrekken reeds
vastgestaan 730). Van de geheele voorstelling, als zou dat reglement het
gevolg zijn van teleurstelling over de resultaten der oproeping van den
6den, blijft dus niets over. Die resultaten kunnen eerst bekend zijn geweest
op een oogenblik waarop de voorbereiding der andere zaak reeds in vollen
gang was.
Dat, in navolging der Fransche conscriptie, bij de militie de
plaatsvervanging was toegelaten, wreekte zich natuurlijk onmiddellijk op
den toeloop voor het staande leger. De kolonel S. J. graaf van Limburg
Stirum, met de werving te Arnhem belast, schrijft 19 Jan. 1814 aan Oorlog:
„Sedert de loting een aanvang genomen heeft, staat de Werving niet alleen
stil, maar de desertie neemt toe. De luiden worden verleid door groote
premies om als remplaçanten zich te engageeren” 731). Het begin der
ondervinding, dat het militiebeginsel, eens aangenomen, geen staand leger
nevens zich verdraagt!
Zesde hoofdstuk der Grondwet (hiervóór, bl. 342). Toen Hogendorp in
1812 de Schets opstelde, heeft hij aan eene militie stellig nog niet gedacht,
doch nu deze was ingevoerd kwam het wenschelijk voor aan de zaak een
„grondwettigen ondergrond” te geven, tot verzekering der nieuwe instelling
zoowel als tot bescherming der ingezetenen. Als men dus de Grondwet door
is en de president vraagt of iemand nog iets te proponeeren heeft, komt
Repelaer met de opmerking, „dat de Staten-Generaal zich zullen verlegen
vinden, indien omtrent de landmilitie en den landstorm niets in de
Grondwet gevonden wordt”. De bedoeling dezer opmerking blijkt uit den
inhoud van het voorstel dat hij er op volgen laat, en dat den hoofdinhoud
van het reglement van 20 Dec. (landmilitie uit vrijwilligers, bij
ongenoegzaam aanbod loting uit de ongehuwden van 17–45 jaar, met
plaatsvervanging) in de Grondwet brengt, doch tevens bepaalt dat de 20.000
man een fixum zijn, „voor geene vermeerdering of vermindering vatbaar
dan in gevalle van vermeerdering of vermindering van territoir.” De
Page 478
president wordt door Repelaer's opmerking niet verrast; immers hij zelf
blijkt ook reeds een hoofdstuk over de defensie in petto te hebben. Dit
verschilt van Repelaer's voorstel in hoofdzaak hierin, dat het eene
herinnering aan het bekende artikel der Unie van Utrecht in den voorgevel
heeft, en ook, wat Repelaer aan de wet overliet, den diensttijd der militie
bepaalt (op vijf jaar, te verlengen bij de wet in geval van nood). Na een niet
zeer diepgaande maar niet onwelwillende beraadslaging worden de
voorstellen-Repelaer en Hogendorp in bewerking gegeven aan Repelaer en
Röell. Wat zij er van gemaakt hebben is niet bewaard, doch op te maken uit
de aanmerkingen van den Souvereinen Vorst 732). Hun hoofdstuk moet
hebben ingehouden:
1o. Vaste zee- en landmacht, bestaande uit vrijwilligers, 't zij
inboorlingen of vreemden, voor den dienst zoowel in als buiten Europa.
2o. Landmilitie, bestemd uitsluitend ter verdediging van het grondgebied,
bestaande 1o. uit vrijwilligers; 2o. uit lotelingen uit de ongehuwden van 17–
45 jaar. Sterkte 20.000 man; dienstplicht 5 jaar. In vredestijd doet slechts
een klein gedeelte dienst.
3o. In de steden herstel der schutterijen; in oorlogstijd ook schutterijen op
het platteland, die dan, met de stedelijke schutterijen vereenigd, een
landstorm vormen.
4o. Overige voorschriften betreffende deze materie te geven bij de wet.
De Souvereine Vorst stelt hier tegen over:
1o, 3o en 4o als boven.
2o. Militie uit de mannen van 18–22 jaar; sterkte niet in de Grondwet.
Dienst 5 jaar; jaarlijks valt ⅕ af, dat door nieuwe loting wordt aangevuld.
De geheele militie komt jaarlijks éénmaal samen om gedurende een maand
of daaromtrent geoefend te worden; en de S. V. heeft de bevoegdheid, zoo
lang hij zulks noodig oordeelt ¼ van het geheel te doen samenblijven. De
geheele militie blijft niet samen dan op machtiging der Staten-Generaal.
Geen vrijwilligers; en de plaatsvervanging niet in de Grondwet te noemen.
De commissie van redactie (Aylva, Repelaer, Elout, Röell) die dit
tegenvoorstel van den S. V. ontvangt, heeft tegen de beperking tot de
mannen van 18–22 jaar en de jaarlijksche aanvulling en oefening groot
blijkt ook reeds een hoofdstuk over de defensie in petto te hebben. Dit
verschilt van Repelaer's voorstel in hoofdzaak hierin, dat het eene
herinnering aan het bekende artikel der Unie van Utrecht in den voorgevel
heeft, en ook, wat Repelaer aan de wet overliet, den diensttijd der militie
bepaalt (op vijf jaar, te verlengen bij de wet in geval van nood). Na een niet
zeer diepgaande maar niet onwelwillende beraadslaging worden de
voorstellen-Repelaer en Hogendorp in bewerking gegeven aan Repelaer en
Röell. Wat zij er van gemaakt hebben is niet bewaard, doch op te maken uit
de aanmerkingen van den Souvereinen Vorst 732). Hun hoofdstuk moet
hebben ingehouden:
1o. Vaste zee- en landmacht, bestaande uit vrijwilligers, 't zij
inboorlingen of vreemden, voor den dienst zoowel in als buiten Europa.
2o. Landmilitie, bestemd uitsluitend ter verdediging van het grondgebied,
bestaande 1o. uit vrijwilligers; 2o. uit lotelingen uit de ongehuwden van 17–
45 jaar. Sterkte 20.000 man; dienstplicht 5 jaar. In vredestijd doet slechts
een klein gedeelte dienst.
3o. In de steden herstel der schutterijen; in oorlogstijd ook schutterijen op
het platteland, die dan, met de stedelijke schutterijen vereenigd, een
landstorm vormen.
4o. Overige voorschriften betreffende deze materie te geven bij de wet.
De Souvereine Vorst stelt hier tegen over:
1o, 3o en 4o als boven.
2o. Militie uit de mannen van 18–22 jaar; sterkte niet in de Grondwet.
Dienst 5 jaar; jaarlijks valt ⅕ af, dat door nieuwe loting wordt aangevuld.
De geheele militie komt jaarlijks éénmaal samen om gedurende een maand
of daaromtrent geoefend te worden; en de S. V. heeft de bevoegdheid, zoo
lang hij zulks noodig oordeelt ¼ van het geheel te doen samenblijven. De
geheele militie blijft niet samen dan op machtiging der Staten-Generaal.
Geen vrijwilligers; en de plaatsvervanging niet in de Grondwet te noemen.
De commissie van redactie (Aylva, Repelaer, Elout, Röell) die dit
tegenvoorstel van den S. V. ontvangt, heeft tegen de beperking tot de
mannen van 18–22 jaar en de jaarlijksche aanvulling en oefening groot
Page 479
bezwaar: „de populatie schijnt zulks weinig toe te laten, vooral bij herleving
van zeevaart en koophandel, alsook bij het terugbekomen der koloniën” 733).
Haar president Aylva ontvangt dan, bij schrijven van 23 Februari, een
uitvoerige uiteenzetting van 's Vorsten denkbeelden. „Om de verdediging
van 't land op de medewerking der Landmilitie te gronden, moet dezelve bij
het begin van oorlog in den kortst mogelijken tijd op de been en disponibel
zijn. Wanneer alsdan eerst tot completeering derzelve vrijwilligers
opgeroepen worden, eene loting voorgenomen en remplaçanten afgewacht,
kan een gedeelte des grondgebieds de rampen des oorlogs ondervinden,
voor wij in staat zijn de noodige middelen te verzamelen om hetzelve te
beschermen. Ik ken daartoe geen ander middel, dan in tijd van vrede eene
permanente militie te hebben, even sterk als in tijd van oorlog. Gedurende
eenige weken in 't jaar blijft dezelve te zamen om geoefend te worden. Een
vijfde der manschappen wordt jaarlijks ontslagen, en de noodige
manschappen tot completeering uit de aankomende jeugd door loting
genomen. Tot een diergelijke permanente mesure kan niet van de 17 tot 45
jaar geloot worden. Eenen militairen geest aan te kweeken, de grootste
economie voor de financiën, en het verzekeren der middelen van
verdediging, is al wat ik beooge. De situatie van Europa moeten wij daarbij
in 't oog houden; bij het militair zijn van alle natiën is de rust der naburen in
grooter gevaar, en vereischt middelen welke vroeger niet noodig waren”.
Bij de mondelinge conferentie op 25 Februari, waarin de nog uitstaande
punten moesten worden „geapplaneerd”, heeft de S. V., op de vrijwilligers
na, er zijn denkbeelden door gekregen. Op de woorden „zooveel mogelijk
uit vrijwilligers” na, zijn artt. 123 en 124 der Grondwet dus van hèm. De
Vorst zal voorzien hebben, dat die „vrijwilligers” verkapte remplaçanten
zouden zijn, zooals het volgende jaar ook uitgekomen is. „Gij weet”,
schrijft 4 April 1815 Kemper aan Falck, „dat bij de wet op de
landmilitie 734) de vrijheid aan de stedelijke besturen wordt gelaten, om
eene zekere som te besteden tot bekomen van vrijwilligers en alzoo de
loting overbodig te maken. Men heeft in het vorig jaar deze premiën
gevonden door vrijwillige inschrijvingen 735), en in kalme tijden is deze
mesure zeker de beste om de gemoederen langzamerhand aan dezen hier te
lande nieuwen maatregel te gewennen, maar in een oogenblik als dit,
waarop menschen van alle standen verklaren zich vrijwillig aan te bieden,
van zeevaart en koophandel, alsook bij het terugbekomen der koloniën” 733).
Haar president Aylva ontvangt dan, bij schrijven van 23 Februari, een
uitvoerige uiteenzetting van 's Vorsten denkbeelden. „Om de verdediging
van 't land op de medewerking der Landmilitie te gronden, moet dezelve bij
het begin van oorlog in den kortst mogelijken tijd op de been en disponibel
zijn. Wanneer alsdan eerst tot completeering derzelve vrijwilligers
opgeroepen worden, eene loting voorgenomen en remplaçanten afgewacht,
kan een gedeelte des grondgebieds de rampen des oorlogs ondervinden,
voor wij in staat zijn de noodige middelen te verzamelen om hetzelve te
beschermen. Ik ken daartoe geen ander middel, dan in tijd van vrede eene
permanente militie te hebben, even sterk als in tijd van oorlog. Gedurende
eenige weken in 't jaar blijft dezelve te zamen om geoefend te worden. Een
vijfde der manschappen wordt jaarlijks ontslagen, en de noodige
manschappen tot completeering uit de aankomende jeugd door loting
genomen. Tot een diergelijke permanente mesure kan niet van de 17 tot 45
jaar geloot worden. Eenen militairen geest aan te kweeken, de grootste
economie voor de financiën, en het verzekeren der middelen van
verdediging, is al wat ik beooge. De situatie van Europa moeten wij daarbij
in 't oog houden; bij het militair zijn van alle natiën is de rust der naburen in
grooter gevaar, en vereischt middelen welke vroeger niet noodig waren”.
Bij de mondelinge conferentie op 25 Februari, waarin de nog uitstaande
punten moesten worden „geapplaneerd”, heeft de S. V., op de vrijwilligers
na, er zijn denkbeelden door gekregen. Op de woorden „zooveel mogelijk
uit vrijwilligers” na, zijn artt. 123 en 124 der Grondwet dus van hèm. De
Vorst zal voorzien hebben, dat die „vrijwilligers” verkapte remplaçanten
zouden zijn, zooals het volgende jaar ook uitgekomen is. „Gij weet”,
schrijft 4 April 1815 Kemper aan Falck, „dat bij de wet op de
landmilitie 734) de vrijheid aan de stedelijke besturen wordt gelaten, om
eene zekere som te besteden tot bekomen van vrijwilligers en alzoo de
loting overbodig te maken. Men heeft in het vorig jaar deze premiën
gevonden door vrijwillige inschrijvingen 735), en in kalme tijden is deze
mesure zeker de beste om de gemoederen langzamerhand aan dezen hier te
lande nieuwen maatregel te gewennen, maar in een oogenblik als dit,
waarop menschen van alle standen verklaren zich vrijwillig aan te bieden,
Page 480
publica autoritate inschrijvingsbiljetten te laten rondbrengen, niet tot
stijving van 's lands kas, niet tot verdediging onzer grenzen, niet tot
voorziening in het lot der vrouwen en kinderen van hen die uittrekken, maar
tot kooping van remplaçanten voor eenloopende jonge menschen, die door
de wet tot de wapenen geroepen worden, is toch waarlijk wat heel gek. Het
geheele doel eener nationale militie gaat er door verloren, en alle wervingen
voor de staande armee worden er òf krachteloos òf ten minste veel
kostbaarder door gemaakt” 736).
Wetboek van Koophandel (hiervóór, bl. 350).—Het ontwerp-van Gennep
c.s. onderscheidde zich van den Franschen Code de Commerce van 1807 op
het belangrijk punt der (in den Franschen Code verboden, in den
Hollandschen, in navolging der stedelijke ordonnantiën van Amsterdam,
toegelaten) verzekering op ingebeelde winst. Het ontwerp is, met inbegrip
van dit punt, grootendeels herleefd in het nog geldende Wetboek van
Koophandel van 1838.
Meer voorliefde (hiervóór, bl. 350).—Deze meerdere voorliefde voor het
Crimineel Wetboek was zeer natuurlijk, als men de voorgeschiedenis der
wetgeving van Lodewijk Napoleon nagaat. Het Crimineel Wetboek was in
veel grootere mate dan het Wetboek Lodewijk Napoleon een Nederlandsch
product.
De Staatsregeling van 1798 had, in haar 28ste artikel, een nationaal
wetboek verlangd „zoowel van burgerlijke, als van lijfstraffelijke wetten,
tegelijk met de wijze van rechtsvordering”, en de invoering daarvan
voorgeschreven uiterlijk binnen twee jaren. Ter uitvoering van dit
voorschrift had het Vertegenwoordigend Lichaam bij besluit van 5 Sept.
1798 het Uitvoerend Bewind gelast, eene commissie van twaalf
rechtsgeleerden te benoemen om dit algemeen wetboek te ontwerpen. Deze
commissie (Bondt, Walraven, Farjon, Cras, Elout, Donker Curtius e.a.)
kwam het eerst met de manier van procedeeren gereed, die daarop bij
decreet 22 Augustus 1799 is vastgesteld, doch waarvan de invoering
wachten moest op de nieuwe organisatie der rechterlijke macht, die nimmer
heeft plaats gehad. Met het algemeen burgerlijk en lijfstraffelijk wetboek
stijving van 's lands kas, niet tot verdediging onzer grenzen, niet tot
voorziening in het lot der vrouwen en kinderen van hen die uittrekken, maar
tot kooping van remplaçanten voor eenloopende jonge menschen, die door
de wet tot de wapenen geroepen worden, is toch waarlijk wat heel gek. Het
geheele doel eener nationale militie gaat er door verloren, en alle wervingen
voor de staande armee worden er òf krachteloos òf ten minste veel
kostbaarder door gemaakt” 736).
Wetboek van Koophandel (hiervóór, bl. 350).—Het ontwerp-van Gennep
c.s. onderscheidde zich van den Franschen Code de Commerce van 1807 op
het belangrijk punt der (in den Franschen Code verboden, in den
Hollandschen, in navolging der stedelijke ordonnantiën van Amsterdam,
toegelaten) verzekering op ingebeelde winst. Het ontwerp is, met inbegrip
van dit punt, grootendeels herleefd in het nog geldende Wetboek van
Koophandel van 1838.
Meer voorliefde (hiervóór, bl. 350).—Deze meerdere voorliefde voor het
Crimineel Wetboek was zeer natuurlijk, als men de voorgeschiedenis der
wetgeving van Lodewijk Napoleon nagaat. Het Crimineel Wetboek was in
veel grootere mate dan het Wetboek Lodewijk Napoleon een Nederlandsch
product.
De Staatsregeling van 1798 had, in haar 28ste artikel, een nationaal
wetboek verlangd „zoowel van burgerlijke, als van lijfstraffelijke wetten,
tegelijk met de wijze van rechtsvordering”, en de invoering daarvan
voorgeschreven uiterlijk binnen twee jaren. Ter uitvoering van dit
voorschrift had het Vertegenwoordigend Lichaam bij besluit van 5 Sept.
1798 het Uitvoerend Bewind gelast, eene commissie van twaalf
rechtsgeleerden te benoemen om dit algemeen wetboek te ontwerpen. Deze
commissie (Bondt, Walraven, Farjon, Cras, Elout, Donker Curtius e.a.)
kwam het eerst met de manier van procedeeren gereed, die daarop bij
decreet 22 Augustus 1799 is vastgesteld, doch waarvan de invoering
wachten moest op de nieuwe organisatie der rechterlijke macht, die nimmer
heeft plaats gehad. Met het algemeen burgerlijk en lijfstraffelijk wetboek
Page 481
was men na jaren nog niet verder gevorderd, dan dat daarvan 25 April 1801
een „plan van verdeeling” aan het Bewind kon worden opgegeven,
krachtens hetwelk het wetboek zou worden geopend met „eene inleiding
nopens het recht in het algemeen”, en vervolgens in vier deelen zou zijn
gesplitst, „in welker eerste van het recht der personen, in het tweede van het
recht omtrent zaken, in het derde van de rechtsmacht en rechtspleging, en in
het vierde van misdaden en straffen zou gehandeld worden”. Spoedig
daarna werd de staatsregeling van 1798 door die van 1801 vervangen,
welke het Staatsbewind belastte met de zorg, een algemeen civiel en
crimineel wetboek, nadat op de daarvan gemaakte ontwerpen der
consideratiën van het Hoog Nationaal Gerechtshof zouden zijn ingenomen,
ten spoedigste aan het Wetgevend Lichaam ter bekrachtiging aan te bieden.
Nadat opnieuw eenige jaren waren voorbijgegaan zonder dat de nog altijd
bestaande en zich in leerstellige kwestiën verdiepende commissie-Cras met
haar werk gereed kwam, gaf het Staatsbewind haar bij besluit van 26 April
1803 den wensch te kennen allereerst een ontwerp van crimineel wetboek te
mogen ontvangen. De commissie, thans inziende „dat het verband tusschen
alle de deelen van het geheel wetboek eenigszints wierd verstoord,” was
bedacht „op welke wijze zij dit gebrek zou verhelpen.” Zij bood, 3 Oct.
1804, niet slechts het verlangde lijfstraffelijk wetboek aan, maar ook die
gedeelten van het gedroomde algemeen wetboek, „die tot het straffend recht
eene onmiddellijke betrekking hadden,” zijnde de inleiding, „van het recht
in het algemeen,” en uit de derde hoofdafdeeling een ontwerp van „wetten
omtrent het bewijs.” Dit alles werd, overeenkomstig het voorschrift der
Staatsregeling, in handen van het Hoog Nationaal Gerechtshof (president:
Reuvens) gesteld, dat met zijn onderzoek nog niet gereed was toen
Schimmelpenninck het Staatsbewind, en evenmin, toen Lodewijk
Schimmelpenninck verving. Eerst 24 Oct. 1806 werd zijn advies bij den
koning ingezonden; het was in alle hoofdzaken van Reuvens afkomstig.
Het advies keurt af, dat de commissie „aan afgetrokken denkbeelden of
regelen uiterlijke kracht van wet wil geven, zoolang niet tegelijk de
toepassing daarvan op het vastgesteld recht in alle gevolgen kan doorzien
en overwogen worden...... Het is ons voorgekomen, dat aan de commissie
opgedragen geweest zijnde het ontwerpen van een wetboek, hetzelve niet
meer noch minder had behooren te bevatten dan stellige wetten, en
een „plan van verdeeling” aan het Bewind kon worden opgegeven,
krachtens hetwelk het wetboek zou worden geopend met „eene inleiding
nopens het recht in het algemeen”, en vervolgens in vier deelen zou zijn
gesplitst, „in welker eerste van het recht der personen, in het tweede van het
recht omtrent zaken, in het derde van de rechtsmacht en rechtspleging, en in
het vierde van misdaden en straffen zou gehandeld worden”. Spoedig
daarna werd de staatsregeling van 1798 door die van 1801 vervangen,
welke het Staatsbewind belastte met de zorg, een algemeen civiel en
crimineel wetboek, nadat op de daarvan gemaakte ontwerpen der
consideratiën van het Hoog Nationaal Gerechtshof zouden zijn ingenomen,
ten spoedigste aan het Wetgevend Lichaam ter bekrachtiging aan te bieden.
Nadat opnieuw eenige jaren waren voorbijgegaan zonder dat de nog altijd
bestaande en zich in leerstellige kwestiën verdiepende commissie-Cras met
haar werk gereed kwam, gaf het Staatsbewind haar bij besluit van 26 April
1803 den wensch te kennen allereerst een ontwerp van crimineel wetboek te
mogen ontvangen. De commissie, thans inziende „dat het verband tusschen
alle de deelen van het geheel wetboek eenigszints wierd verstoord,” was
bedacht „op welke wijze zij dit gebrek zou verhelpen.” Zij bood, 3 Oct.
1804, niet slechts het verlangde lijfstraffelijk wetboek aan, maar ook die
gedeelten van het gedroomde algemeen wetboek, „die tot het straffend recht
eene onmiddellijke betrekking hadden,” zijnde de inleiding, „van het recht
in het algemeen,” en uit de derde hoofdafdeeling een ontwerp van „wetten
omtrent het bewijs.” Dit alles werd, overeenkomstig het voorschrift der
Staatsregeling, in handen van het Hoog Nationaal Gerechtshof (president:
Reuvens) gesteld, dat met zijn onderzoek nog niet gereed was toen
Schimmelpenninck het Staatsbewind, en evenmin, toen Lodewijk
Schimmelpenninck verving. Eerst 24 Oct. 1806 werd zijn advies bij den
koning ingezonden; het was in alle hoofdzaken van Reuvens afkomstig.
Het advies keurt af, dat de commissie „aan afgetrokken denkbeelden of
regelen uiterlijke kracht van wet wil geven, zoolang niet tegelijk de
toepassing daarvan op het vastgesteld recht in alle gevolgen kan doorzien
en overwogen worden...... Het is ons voorgekomen, dat aan de commissie
opgedragen geweest zijnde het ontwerpen van een wetboek, hetzelve niet
meer noch minder had behooren te bevatten dan stellige wetten, en
Page 482
geenszins eene opgave en ontwikkeling van wijsgeerige of rechtsgeleerde
grondbeginselen, bepalingen en verdeelingen, over welke in de scholen der
geleerden wordt gehandeld. Wij meenen dat dit alles in een wetboek
behoort vermijd te worden, zoo omdat zulks veelal de vatbaarheid van het
grootste aantal menschen te boven gaat, als omdat hetzelve bezwaarlijk zoo
kan worden uitgedrukt, dat het in alle gevallen tot richtsnoer kan
verstrekken, en niet integendeel lichtelijk aanleiding geven tot
overtredingen of spitsvondige twisten. Over het geheel komt het ons
ongeraden voor het oordeel van den rechter aan afgetrokken voorschriften
(in plaats van aan concrete bepalingen) te binden.”
Deze voor den geheelen opzet van het werk van 1798 vernietigende
kritiek maakte in den Staatsraad grooten indruk. Den 14den en 19den
Februari 1807 werd zij daar, onder voorzitterschap des konings, besproken.
Donker Curtius, in de vergadering aanwezig, gaf eene verklaring hoe de
commissie, onder leiding van Cras, tot haar doctrinaire omdolingen was
gekomen: zij had zich oorspronkelijk niet voorgesteld een crimineel
wetboek te zullen schrijven, „maar een Rechtsboek, geschreven
voornamelijk voor den rechter, en in het algemeen voor alle denkende
koppen; voor wijsgeeren en voor rechtskundigen, en niet zoozeer voor den
gemeenen man; waarom dan ook de commissie had begrepen, dat daarin
behoorde een systema juris, en wijsgeerige regels en principes.”
De Staatsraad was van een ander gevoelen, stelde aanstonds de geheele
inleiding, „van het recht in het algemeen,” ter zijde, en begon het ontwerp-
lijfstraffelijk wetboek van alle leerstellige artikelen te zuiveren. Het gevolg
was de benoeming, bij koninklijk besluit van 18 Nov. 1807, eener kleine
commissie (Reuvens, Elout, van Musschenbroek), om met inachtneming
der critiek van den Staatsraad een nieuw ontwerp van lijfstraffelijk wetboek
in te dienen. Reeds 25 Jan. 1808 kon deze commissie de hoofdtrekken van
haar ontwerp den koning ter goedkeuring aanbieden, welke goedkeuring
onthouden werd aan één der onderdeelen: de bekrachtiging die het ontwerp
gaf aan het oud-vaderlandsche stelsel van transactie, „van afkoop en
verdrag, niet wegens misdaden en overtredingen waarover reeds eene
rechterlijke veroordeeling zoude gegaan zijn, maar wegens beschuldigingen
welker uitslag nog onzeker kon geacht worden.” De commissie wilde aan
dit stelsel, waaraan de officieren van justitie hier te lande buitengemeen
grondbeginselen, bepalingen en verdeelingen, over welke in de scholen der
geleerden wordt gehandeld. Wij meenen dat dit alles in een wetboek
behoort vermijd te worden, zoo omdat zulks veelal de vatbaarheid van het
grootste aantal menschen te boven gaat, als omdat hetzelve bezwaarlijk zoo
kan worden uitgedrukt, dat het in alle gevallen tot richtsnoer kan
verstrekken, en niet integendeel lichtelijk aanleiding geven tot
overtredingen of spitsvondige twisten. Over het geheel komt het ons
ongeraden voor het oordeel van den rechter aan afgetrokken voorschriften
(in plaats van aan concrete bepalingen) te binden.”
Deze voor den geheelen opzet van het werk van 1798 vernietigende
kritiek maakte in den Staatsraad grooten indruk. Den 14den en 19den
Februari 1807 werd zij daar, onder voorzitterschap des konings, besproken.
Donker Curtius, in de vergadering aanwezig, gaf eene verklaring hoe de
commissie, onder leiding van Cras, tot haar doctrinaire omdolingen was
gekomen: zij had zich oorspronkelijk niet voorgesteld een crimineel
wetboek te zullen schrijven, „maar een Rechtsboek, geschreven
voornamelijk voor den rechter, en in het algemeen voor alle denkende
koppen; voor wijsgeeren en voor rechtskundigen, en niet zoozeer voor den
gemeenen man; waarom dan ook de commissie had begrepen, dat daarin
behoorde een systema juris, en wijsgeerige regels en principes.”
De Staatsraad was van een ander gevoelen, stelde aanstonds de geheele
inleiding, „van het recht in het algemeen,” ter zijde, en begon het ontwerp-
lijfstraffelijk wetboek van alle leerstellige artikelen te zuiveren. Het gevolg
was de benoeming, bij koninklijk besluit van 18 Nov. 1807, eener kleine
commissie (Reuvens, Elout, van Musschenbroek), om met inachtneming
der critiek van den Staatsraad een nieuw ontwerp van lijfstraffelijk wetboek
in te dienen. Reeds 25 Jan. 1808 kon deze commissie de hoofdtrekken van
haar ontwerp den koning ter goedkeuring aanbieden, welke goedkeuring
onthouden werd aan één der onderdeelen: de bekrachtiging die het ontwerp
gaf aan het oud-vaderlandsche stelsel van transactie, „van afkoop en
verdrag, niet wegens misdaden en overtredingen waarover reeds eene
rechterlijke veroordeeling zoude gegaan zijn, maar wegens beschuldigingen
welker uitslag nog onzeker kon geacht worden.” De commissie wilde aan
dit stelsel, waaraan de officieren van justitie hier te lande buitengemeen
Page 483
gehecht waren doch dat aanleiding had gegeven tot diep ingevreten
misbruiken, vasthouden; „de ondervinding leert,” zeide zij, „dat langs dien
weg vele overtredingen geboet worden, waarover de beschuldigde, hoezeer
waarlijk schuldig, bij gebrek aan bewijs wellicht niet zoude kunnen worden
veroordeeld, behalve dat in sommige zaken de oplegging van straffen bij
rechterlijk vonnis, hoe zacht dezelve ook zouden mogen zijn,
inconvenienten na zich sleept, welke ten nutte der maatschappij beter
vermijd worden.” De Staatsraad, aan welken dit punt vervolgens in het
bijzonder werd onderworpen, was van een gelijk gevoelen, maar de koning,
die het beginsel van rechtsgelijkheid boven alles stelde en van de
schromelijke misbruiken, welke de transactie veelal hadden vergezeld,
volkomen was ingelicht, gaf aan de commissie kortweg te kennen, „dat
geenerhande afkoop ter zake van misdaden zal kunnen plaats hebben” (5
Febr. 1808). Den 29sten Maart 1808 werd nu het definitief ontwerp der drie
heeren aan den koning ingediend, die aan het onderzoek daarvan door den
Staatsraad persoonlijk deelnam 737) en de deliberatiën, over het ontwerp
gevoerd, in openbaren druk liet uitgaan. De koning verdedigde daarbij zeer
energiek en levendig de beginselen van rechtsgelijkheid, in die mate dat hij
zich (zonder gevolg) tegen het opnemen der geldboete in de straffenreeks
verzette, uit vrees dat daaruit aanleiding zou worden genomen tot
gunstbetoon aan door de fortuin bevoorrechten. Hij bereikte, dat de vrijheid
om geldboeten op te leggen beperkt bleef tot gevallen uitdrukkelijk in de
wet genoemd.
Zeer was de koning gekant tegen het behoud der doodstraf, doch zonder
de staatsraden tot zijn humanitaire gevoelens te kunnen bekeeren. Hij
verkreeg echter de schrapping van het afzichtelijk afschrikkingsmiddel, de
tentoonstelling der lijken op het galgenveld; ook eene verlaging van het
strafmaximum voor kinderen.
Het Crimineel Wetboek, 30 Nov. 1808 bij het Wetgevend Lichaam
ingediend, werd 1 Febr. 1809 ingevoerd. Het onderscheidde zich van den
Franschen Code Pénal door eenvoud in het stelsel der vrijheidsstraffen
(enkel opsluiting, geen deportatie of dwangarbeid), en ruime bevoegdheid
van den rechter in de bepaling der strafmaat 738). Het sloot zich aan bij
Nederlandsche traditiën, doch corrigeerde deze in belangrijke mate.
misbruiken, vasthouden; „de ondervinding leert,” zeide zij, „dat langs dien
weg vele overtredingen geboet worden, waarover de beschuldigde, hoezeer
waarlijk schuldig, bij gebrek aan bewijs wellicht niet zoude kunnen worden
veroordeeld, behalve dat in sommige zaken de oplegging van straffen bij
rechterlijk vonnis, hoe zacht dezelve ook zouden mogen zijn,
inconvenienten na zich sleept, welke ten nutte der maatschappij beter
vermijd worden.” De Staatsraad, aan welken dit punt vervolgens in het
bijzonder werd onderworpen, was van een gelijk gevoelen, maar de koning,
die het beginsel van rechtsgelijkheid boven alles stelde en van de
schromelijke misbruiken, welke de transactie veelal hadden vergezeld,
volkomen was ingelicht, gaf aan de commissie kortweg te kennen, „dat
geenerhande afkoop ter zake van misdaden zal kunnen plaats hebben” (5
Febr. 1808). Den 29sten Maart 1808 werd nu het definitief ontwerp der drie
heeren aan den koning ingediend, die aan het onderzoek daarvan door den
Staatsraad persoonlijk deelnam 737) en de deliberatiën, over het ontwerp
gevoerd, in openbaren druk liet uitgaan. De koning verdedigde daarbij zeer
energiek en levendig de beginselen van rechtsgelijkheid, in die mate dat hij
zich (zonder gevolg) tegen het opnemen der geldboete in de straffenreeks
verzette, uit vrees dat daaruit aanleiding zou worden genomen tot
gunstbetoon aan door de fortuin bevoorrechten. Hij bereikte, dat de vrijheid
om geldboeten op te leggen beperkt bleef tot gevallen uitdrukkelijk in de
wet genoemd.
Zeer was de koning gekant tegen het behoud der doodstraf, doch zonder
de staatsraden tot zijn humanitaire gevoelens te kunnen bekeeren. Hij
verkreeg echter de schrapping van het afzichtelijk afschrikkingsmiddel, de
tentoonstelling der lijken op het galgenveld; ook eene verlaging van het
strafmaximum voor kinderen.
Het Crimineel Wetboek, 30 Nov. 1808 bij het Wetgevend Lichaam
ingediend, werd 1 Febr. 1809 ingevoerd. Het onderscheidde zich van den
Franschen Code Pénal door eenvoud in het stelsel der vrijheidsstraffen
(enkel opsluiting, geen deportatie of dwangarbeid), en ruime bevoegdheid
van den rechter in de bepaling der strafmaat 738). Het sloot zich aan bij
Nederlandsche traditiën, doch corrigeerde deze in belangrijke mate.
Page 484
Ook de redactie van een Burgerlijk Wetboek werd aan een kleine
commissie opgedragen (van Gennep, van Wesele Scholten en Loke), doch
deze kreeg in opdracht zich tot eene omwerking van den code Napoleon te
bepalen, daar de Keizer zich reeds zeer ongeduldig had betoond dat men
dezen niet eenvoudig voor Holland overnam. Het „Wetboek Napoleon,
ingerigt voor het koninkrijk Holland” (9 Dec. 1808 ingediend bij het
Wetgevend Lichaam, 1 Mei 1809 ingevoerd), vertoont dan ook slechts
geringe afwijkingen van het Fransche origineel.
Jachtwet van 11 Juli 1814 (hiervóór, bl. 356).—Br. en Ged. V, 111: „Er
was bij gelegenheid van deze wet zeer veel te doen, zooals altijd op dit stuk,
omdat de liefhebbers zig driftig maken. Deze reis was er levendigheid onder
de Staten-Generaal, en elk had in den mond, dat de wet zou verworpen
worden. Het rapport van de commissie was tegen. Ik merkte aan den Prins
in den Kabinetsraad, dat het hem verdroot. Ik nam daarop voor de wet te
verdedigen, en deed dit met zulk een onverwagten uitslag, dat zij met de
meerderheid van ééne stem doorging”.
Afkoopbaarstelling van tienden (hiervóór, bl. 357).—Tot mijn leedwezen
heb ik hiervóór, bl. 151, het keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 over het
hoofd gezien. De woorden: „Tot zoodanige afkoopbaarstelling is het
evenwel onder het Fransche bestuur niet meer gekomen,” moeten worden
geschrapt, en vervangen door deze andere: „Deze afkoopbaarstelling is
inderdaad ingevoerd bij keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 (Fortuyn III,
539), doch door den Souvereinen Vorst weder te niet gedaan bij besluit van
22 Oct. 1814 (Staatsblad no. 103).”
Onderwijs (hiervóór, bl. 360).—Over dit onderwerp was onder Lodewijk
vrij wat te doen geweest. Wat het lager onderwijs betreft viel slechts op de
wet van Schimmelpenninck voort te bouwen, maar het hooger onderwijs,
misschien het meest de veel te talrijke, latijnsche scholen, eischte dringend
herziening. De koning is aanvankelijk niet vreemd geweest aan het
denkbeeld de Leidsche hoogeschool (aan welke hij het praedicaat van
commissie opgedragen (van Gennep, van Wesele Scholten en Loke), doch
deze kreeg in opdracht zich tot eene omwerking van den code Napoleon te
bepalen, daar de Keizer zich reeds zeer ongeduldig had betoond dat men
dezen niet eenvoudig voor Holland overnam. Het „Wetboek Napoleon,
ingerigt voor het koninkrijk Holland” (9 Dec. 1808 ingediend bij het
Wetgevend Lichaam, 1 Mei 1809 ingevoerd), vertoont dan ook slechts
geringe afwijkingen van het Fransche origineel.
Jachtwet van 11 Juli 1814 (hiervóór, bl. 356).—Br. en Ged. V, 111: „Er
was bij gelegenheid van deze wet zeer veel te doen, zooals altijd op dit stuk,
omdat de liefhebbers zig driftig maken. Deze reis was er levendigheid onder
de Staten-Generaal, en elk had in den mond, dat de wet zou verworpen
worden. Het rapport van de commissie was tegen. Ik merkte aan den Prins
in den Kabinetsraad, dat het hem verdroot. Ik nam daarop voor de wet te
verdedigen, en deed dit met zulk een onverwagten uitslag, dat zij met de
meerderheid van ééne stem doorging”.
Afkoopbaarstelling van tienden (hiervóór, bl. 357).—Tot mijn leedwezen
heb ik hiervóór, bl. 151, het keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 over het
hoofd gezien. De woorden: „Tot zoodanige afkoopbaarstelling is het
evenwel onder het Fransche bestuur niet meer gekomen,” moeten worden
geschrapt, en vervangen door deze andere: „Deze afkoopbaarstelling is
inderdaad ingevoerd bij keizerlijk decreet van 22 Jan. 1813 (Fortuyn III,
539), doch door den Souvereinen Vorst weder te niet gedaan bij besluit van
22 Oct. 1814 (Staatsblad no. 103).”
Onderwijs (hiervóór, bl. 360).—Over dit onderwerp was onder Lodewijk
vrij wat te doen geweest. Wat het lager onderwijs betreft viel slechts op de
wet van Schimmelpenninck voort te bouwen, maar het hooger onderwijs,
misschien het meest de veel te talrijke, latijnsche scholen, eischte dringend
herziening. De koning is aanvankelijk niet vreemd geweest aan het
denkbeeld de Leidsche hoogeschool (aan welke hij het praedicaat van
Page 485
Koninklijke verleende) tot de centrale hoogeronderwijsinstelling van het
land te maken, maar liet dit plan spoedig varen toen zich daartegen, uit
Utrecht en Franeker vooral, een krachtig verzet openbaarde. Bij besluit van
15 Aug. 1809 werd aan eene commissie van vier leden (van Swinden,
Bennet, Valckenaer, van Beeck Calkoen) de indiening van een algemeen
reorganisatieplan van het onderwijs in al zijn geledingen opgedragen. Haar
rapport (22 April 1809) is vooral merkwaardig wegens de daarin ontworpen
schakel tusschen lager en hooger onderwijs. De Commissie denkt zich
tusschen die beide een „tweede of middelbaar onderwijs,” dat niet enkel de
voorbereiding tot het hooger onderwijs (en dus de latijnsche scholen)
omvat, maar ook bestemd moet zijn „tot vorming en opvoeding van den
meer beschaafden mensch.” Ten tijde dat de latijnsche scholen voor het
eerst werden opgericht, zegt de commissie, „waren de menschen, om zoo te
spreken, verdeeld in twee zeer onderscheiden klassen, in die der geleerden
en der ongeleerden. Deze laatsten bemoeiden zich niet om kundigheden te
verkrijgen die eenige oefening vereischten; de handwerken, fabrieken,
kunsten en vele andere beroepen bestonden slechts in het blind volgen van
een oud gebruik. Thans echter heeft men er zich toe gezet over alle
voorwerpen onzer kundigheden in hedendaagsche talen te schrijven; de
natuurkundige wetenschappen zijn beoefend geworden; oude gewoonten
hebben plaats gemaakt voor beredeneerde handelwijze en inrichtingen.
Alles rondom ons is veranderd, behalve het onderwijs op de latijnsche
scholen, 't welk hetzelfde gebleven is, geschikt voor één enkele klasse van
menschen. Maar het is thans niet langer te doen om alleen grieksch en latijn
te verstaan, het komt er op aan op de hoogte zijner eeuw te zijn, en die
kundigheden te bezitten, welke den mensch geschikt maken voor allerlei
slag van zaken.”
Het rapport ging naar den Staatsraad, die 14 Dec. 1809 gunstig verslag
uitbracht; tot wetgeving is het tijdens 's konings regeering niet meer
gekomen.
Het rapport der beide commissarissen, na de inlijving naar Holland
gezonden om de aansluiting bij de Fransche Universiteit voor te bereiden,
Cuvier en Noël, luidt voor de latijnsche scholen ook zeer ongunstig, en
concludeert tot hunne vervanging door middelbare scholen van het
land te maken, maar liet dit plan spoedig varen toen zich daartegen, uit
Utrecht en Franeker vooral, een krachtig verzet openbaarde. Bij besluit van
15 Aug. 1809 werd aan eene commissie van vier leden (van Swinden,
Bennet, Valckenaer, van Beeck Calkoen) de indiening van een algemeen
reorganisatieplan van het onderwijs in al zijn geledingen opgedragen. Haar
rapport (22 April 1809) is vooral merkwaardig wegens de daarin ontworpen
schakel tusschen lager en hooger onderwijs. De Commissie denkt zich
tusschen die beide een „tweede of middelbaar onderwijs,” dat niet enkel de
voorbereiding tot het hooger onderwijs (en dus de latijnsche scholen)
omvat, maar ook bestemd moet zijn „tot vorming en opvoeding van den
meer beschaafden mensch.” Ten tijde dat de latijnsche scholen voor het
eerst werden opgericht, zegt de commissie, „waren de menschen, om zoo te
spreken, verdeeld in twee zeer onderscheiden klassen, in die der geleerden
en der ongeleerden. Deze laatsten bemoeiden zich niet om kundigheden te
verkrijgen die eenige oefening vereischten; de handwerken, fabrieken,
kunsten en vele andere beroepen bestonden slechts in het blind volgen van
een oud gebruik. Thans echter heeft men er zich toe gezet over alle
voorwerpen onzer kundigheden in hedendaagsche talen te schrijven; de
natuurkundige wetenschappen zijn beoefend geworden; oude gewoonten
hebben plaats gemaakt voor beredeneerde handelwijze en inrichtingen.
Alles rondom ons is veranderd, behalve het onderwijs op de latijnsche
scholen, 't welk hetzelfde gebleven is, geschikt voor één enkele klasse van
menschen. Maar het is thans niet langer te doen om alleen grieksch en latijn
te verstaan, het komt er op aan op de hoogte zijner eeuw te zijn, en die
kundigheden te bezitten, welke den mensch geschikt maken voor allerlei
slag van zaken.”
Het rapport ging naar den Staatsraad, die 14 Dec. 1809 gunstig verslag
uitbracht; tot wetgeving is het tijdens 's konings regeering niet meer
gekomen.
Het rapport der beide commissarissen, na de inlijving naar Holland
gezonden om de aansluiting bij de Fransche Universiteit voor te bereiden,
Cuvier en Noël, luidt voor de latijnsche scholen ook zeer ongunstig, en
concludeert tot hunne vervanging door middelbare scholen van het
Page 486
Fransche model 739), die ook bij decreet van 22 Oct. 1811 werden
voorgeschreven maar bij den opstand nog nergens waren tot stand gekomen.
De commissie van 18 Jan. 1814 heeft zoowel het rapport-van Swinden
als dat van Cuvier en Noël gebruikt. Haar voorstellen tot reorganisatie der
latijnsche scholen zijn aan het lid D. J. van Lennep te danken 740).
Over de practijk van dit gedeelte van het reglement van 2 Aug. 1815 deelt
Falck, die als minister van onderwijs jaren lang daarmede te maken had, het
volgende mede:
„De verbetering der Latijnsche scholen ging zeer langzaam. Hoewel er
allengskens meerdere ruimte kwam voor de keuze van meesters, men bleef
echter verlegen met de verwijdering der in functie zijnde welke van den
ouden slenter òf niet wilden òf niet meer konden afgaan. Al was dus op een
paar klassen het onderwijs doelmatig ingerigt en vrugtbaar, wat op dezelven
aangeleerd en gewonnen was bleef op de volgende meestal zonder
ontwikkeling. Ministerieele aanschrijvingen, op de rapporten en
voordragten van den inspecteur gegrond, vermogten weinig ten goede, want
evenals de bezorging der benoodigde gelden was ook het eigentlijke beheer,
het dagelijksche toezicht een plaatselijke aangelegenheid, en zelden mogt
het ons gebeuren Curatoren te ontmoeten die met echte en duurzame
belangstelling werkzaam verkozen te zijn in den geest van het reglement. Ik
weet, dat door gedurig aanhouden en vermanen de resultaten in de laatste
jaren 741) gunstiger zijn geworden dan in mijnen tijd, maar komt het eens tot
de wettelijke bepaling van een algemeen stelsel van onderwijs, dan zal al
hetgene tot het Lagere en Hoogere behoort minder moeilijk vallen dan de
regeling van dit tusschenvak” 742).
Voor de hoogescholen trachtte de commissie, die in hoofdzaak uit
professoren bestond, zooveel zelfstandigheid te verwerven als bij de nieuwe
verhouding tot het centrale gezag maar eenigszins oirbaar was:
„De waarheid is (schrijft Falck) dat schier een ieder toen leefde onder den
invloed van eenen geest van reactie die men, daar hij personen spaarde, des
te vrijer met zaken en instellingen begaan liet. Napoleon's regeering had den
stand der onderwijzers verwaarloosd. Natuurlijk dus dat men na haren val
niet te veel meende te kunnen doen om denzelven te verheffen en als het
ware schadeloos te stellen. De vreemdelingen hadden de hand geligt met de
voorgeschreven maar bij den opstand nog nergens waren tot stand gekomen.
De commissie van 18 Jan. 1814 heeft zoowel het rapport-van Swinden
als dat van Cuvier en Noël gebruikt. Haar voorstellen tot reorganisatie der
latijnsche scholen zijn aan het lid D. J. van Lennep te danken 740).
Over de practijk van dit gedeelte van het reglement van 2 Aug. 1815 deelt
Falck, die als minister van onderwijs jaren lang daarmede te maken had, het
volgende mede:
„De verbetering der Latijnsche scholen ging zeer langzaam. Hoewel er
allengskens meerdere ruimte kwam voor de keuze van meesters, men bleef
echter verlegen met de verwijdering der in functie zijnde welke van den
ouden slenter òf niet wilden òf niet meer konden afgaan. Al was dus op een
paar klassen het onderwijs doelmatig ingerigt en vrugtbaar, wat op dezelven
aangeleerd en gewonnen was bleef op de volgende meestal zonder
ontwikkeling. Ministerieele aanschrijvingen, op de rapporten en
voordragten van den inspecteur gegrond, vermogten weinig ten goede, want
evenals de bezorging der benoodigde gelden was ook het eigentlijke beheer,
het dagelijksche toezicht een plaatselijke aangelegenheid, en zelden mogt
het ons gebeuren Curatoren te ontmoeten die met echte en duurzame
belangstelling werkzaam verkozen te zijn in den geest van het reglement. Ik
weet, dat door gedurig aanhouden en vermanen de resultaten in de laatste
jaren 741) gunstiger zijn geworden dan in mijnen tijd, maar komt het eens tot
de wettelijke bepaling van een algemeen stelsel van onderwijs, dan zal al
hetgene tot het Lagere en Hoogere behoort minder moeilijk vallen dan de
regeling van dit tusschenvak” 742).
Voor de hoogescholen trachtte de commissie, die in hoofdzaak uit
professoren bestond, zooveel zelfstandigheid te verwerven als bij de nieuwe
verhouding tot het centrale gezag maar eenigszins oirbaar was:
„De waarheid is (schrijft Falck) dat schier een ieder toen leefde onder den
invloed van eenen geest van reactie die men, daar hij personen spaarde, des
te vrijer met zaken en instellingen begaan liet. Napoleon's regeering had den
stand der onderwijzers verwaarloosd. Natuurlijk dus dat men na haren val
niet te veel meende te kunnen doen om denzelven te verheffen en als het
ware schadeloos te stellen. De vreemdelingen hadden de hand geligt met de
Page 487
van ouds bestaande wetten en inrichtingen; wat wonder dat men van hen
ontslagen zijnde, schier onwillekeurig en juist omdat die wetten en
inrigtingen oud waren, tot dezelve terug kwam? Ut vitent homines vitia in
contraria currunt. A. G. Camper ijverde niet minder om Franeker wederom
met eene hoogeschool te begiftigen dan Hofstede aangedrongen had om
Drenthe als een afzonderlijke provincie behandeld te zien. Ten laatste liet
hij zich met een Rijks-Athenaeum tevreden stellen. Billijkheidshalve had
men begrepen voor Harderwijk niet minder te mogen doen dan voor
Franeker, maar daar bleef alles zoo achterlijk dat ik mij al in de eerste
maanden na de aanvaarding van het ministerie onbezwaard vond om de
afschaffing van het Geldersche Athenaeum aan te raden, en deze vond dan
ook plaats nemine contradicente. Zelfs verzuimde ik, zooals ik nu onlangs
gewaar worden ben, om den Koning het advies te doen vragen van den
Raad van State. Welk een leven zoude er daarentegen geweest zijn, en wat
al bedenkingen bij Z. M., indien mijn voorstel de vrije Friezen betroffen
had!......
Weinigen van onze professoren verwaarloozen hunnen plicht geheel en
al, maar weinigen ook kwijten zich van denzelven in zijn geheelen omvang.
De meesten leven en leeren naar hunnen zin, bekorten hunne lessen en den
geheelen cursus zooals het hun goeddunkt, en besteden de altijd eenige
dagen vervroegde en verlengde vacantiën tot alles behalve het voortbrengen
van zulke geschriften en het doen van zulke nasporingen als waardoor
hunne Duitsche ambtgenooten zoo gestadig aan grondige wetenschap
bevorderlijk zijn, en zoo vaak zich zelven een Europeeschen naam
verwerven. Ten deele is zulks toe te schrijven—en hier meen ik dat het
Reglement meest voor berisping vatbaar is—aan de onafhankelijkheid
waarmede het hoogleeraarsambt is begiftigd geworden. De professor, eens
benoemd, is zeker van zijn niet onaanzienlijke jaarwedde; zeker van
collegie- en promotiegelden die in meer dan ééne faculteit tot een alterum
tantum der jaarwedde oploopen; zeker eindelijk van na dertigjarigen dienst
eene verhooging van een vierde te bekomen, van welk voorregt in geene
andere loopbaan eenig voorbeeld bestaat. Het genot van zoodanige
voordeelen had ten minste behooren te worden in verband gebracht met de
redenen van tevredenheid die de bevoordeelden door aanhoudende vlijt en
werkzaamheid aan Curatoren geven zouden. Edoch deze Curatoren zelve!
ontslagen zijnde, schier onwillekeurig en juist omdat die wetten en
inrigtingen oud waren, tot dezelve terug kwam? Ut vitent homines vitia in
contraria currunt. A. G. Camper ijverde niet minder om Franeker wederom
met eene hoogeschool te begiftigen dan Hofstede aangedrongen had om
Drenthe als een afzonderlijke provincie behandeld te zien. Ten laatste liet
hij zich met een Rijks-Athenaeum tevreden stellen. Billijkheidshalve had
men begrepen voor Harderwijk niet minder te mogen doen dan voor
Franeker, maar daar bleef alles zoo achterlijk dat ik mij al in de eerste
maanden na de aanvaarding van het ministerie onbezwaard vond om de
afschaffing van het Geldersche Athenaeum aan te raden, en deze vond dan
ook plaats nemine contradicente. Zelfs verzuimde ik, zooals ik nu onlangs
gewaar worden ben, om den Koning het advies te doen vragen van den
Raad van State. Welk een leven zoude er daarentegen geweest zijn, en wat
al bedenkingen bij Z. M., indien mijn voorstel de vrije Friezen betroffen
had!......
Weinigen van onze professoren verwaarloozen hunnen plicht geheel en
al, maar weinigen ook kwijten zich van denzelven in zijn geheelen omvang.
De meesten leven en leeren naar hunnen zin, bekorten hunne lessen en den
geheelen cursus zooals het hun goeddunkt, en besteden de altijd eenige
dagen vervroegde en verlengde vacantiën tot alles behalve het voortbrengen
van zulke geschriften en het doen van zulke nasporingen als waardoor
hunne Duitsche ambtgenooten zoo gestadig aan grondige wetenschap
bevorderlijk zijn, en zoo vaak zich zelven een Europeeschen naam
verwerven. Ten deele is zulks toe te schrijven—en hier meen ik dat het
Reglement meest voor berisping vatbaar is—aan de onafhankelijkheid
waarmede het hoogleeraarsambt is begiftigd geworden. De professor, eens
benoemd, is zeker van zijn niet onaanzienlijke jaarwedde; zeker van
collegie- en promotiegelden die in meer dan ééne faculteit tot een alterum
tantum der jaarwedde oploopen; zeker eindelijk van na dertigjarigen dienst
eene verhooging van een vierde te bekomen, van welk voorregt in geene
andere loopbaan eenig voorbeeld bestaat. Het genot van zoodanige
voordeelen had ten minste behooren te worden in verband gebracht met de
redenen van tevredenheid die de bevoordeelden door aanhoudende vlijt en
werkzaamheid aan Curatoren geven zouden. Edoch deze Curatoren zelve!
Page 488
Hebben zij zich genoegzaam toegelegd op het gadeslaan van den gang der
studiën, bestendig op de oordeelkundige naleving van het Reglement
gewaakt, hun gezag tegen nalatige of eigenzinnige hoogleeraren naar
behooren doen gelden? Ik vrees van neen; ik vrees meer: ik vrees dat deze
collegiën niet zijn wat zij zijn moesten: een doelmatig intermediair tusschen
de regeering en de hoogescholen. Dezelve werden oudtijds samengesteld uit
leden van den Provincialen Souverein. Zij beschikten over de inkomsten.
Bij hun was de bevoegdheid tot beroepen, tot bevorderen. In eene
monarchie, wanneer de universiteiten staatsinstellingen zijn in welker
geldelijke behoeften uit de schatkist moet worden voorzien, is dit alles
geheel anders. Het wezen der zaak moest worden opgegeven; waarom dan
de benaming behouden? Om den onwillekeurigen indruk der zucht voor het
oude, die ik zeide dat in de eerste jaren van 's lands herstelling allerwege
heerschende was......” 743).
Dit bleef echter meer, enz. (hiervóór, bl. 363).—Hier meen ik dat
Tellegen zich vergist. Censuur, d.w.z. preventief toezicht, is bij mijn weten
tusschen 1795 en de inlijving hier te lande niet uitgeoefend. Wel af en toe
sterke repressie, tot verbod van bepaalde bladen toe 744); maar dit is iets
anders dan censuur.
Liberaal (hiervóór, bl. 365).—In Frankrijk en België, waar een hevige
katholieke reactie aan den gang is, wordt er bovenal mede bedoeld anti-
clericaal; in dit Belgische spraakgebruik wordt eerlang ook Koning Willem
I bij de liberalen ingelijfd op een tijd dat Falck hem reeds minder „liberaal”
begint te vinden. Bij Falck is het een vage term voor „ruimdenkend”; zelfs
de bisschop van Namen heet bij hem in 1814, in tegenstelling tot de
Broglie, „braaf en liberaal” 745); (in het volgende jaar teekende hij het
Jugement doctrinal). Het woord beteekent bij Falck dunkt mij zooveel als
„niet blind voor de voordeelen van het nieuwe; niet doodblijvend op de
oude letter.” Men was dus bij ons in 1813–'14 liberaal, door zoo weinig
mogelijk af te knibbelen van de nalatenschap van Bonaparte. Later gaan
andere begrippen, van politieken en economischen aard, den leeg geworden
term vullen, maar in 1813–'14 heeft die nòch met de quaestie van
studiën, bestendig op de oordeelkundige naleving van het Reglement
gewaakt, hun gezag tegen nalatige of eigenzinnige hoogleeraren naar
behooren doen gelden? Ik vrees van neen; ik vrees meer: ik vrees dat deze
collegiën niet zijn wat zij zijn moesten: een doelmatig intermediair tusschen
de regeering en de hoogescholen. Dezelve werden oudtijds samengesteld uit
leden van den Provincialen Souverein. Zij beschikten over de inkomsten.
Bij hun was de bevoegdheid tot beroepen, tot bevorderen. In eene
monarchie, wanneer de universiteiten staatsinstellingen zijn in welker
geldelijke behoeften uit de schatkist moet worden voorzien, is dit alles
geheel anders. Het wezen der zaak moest worden opgegeven; waarom dan
de benaming behouden? Om den onwillekeurigen indruk der zucht voor het
oude, die ik zeide dat in de eerste jaren van 's lands herstelling allerwege
heerschende was......” 743).
Dit bleef echter meer, enz. (hiervóór, bl. 363).—Hier meen ik dat
Tellegen zich vergist. Censuur, d.w.z. preventief toezicht, is bij mijn weten
tusschen 1795 en de inlijving hier te lande niet uitgeoefend. Wel af en toe
sterke repressie, tot verbod van bepaalde bladen toe 744); maar dit is iets
anders dan censuur.
Liberaal (hiervóór, bl. 365).—In Frankrijk en België, waar een hevige
katholieke reactie aan den gang is, wordt er bovenal mede bedoeld anti-
clericaal; in dit Belgische spraakgebruik wordt eerlang ook Koning Willem
I bij de liberalen ingelijfd op een tijd dat Falck hem reeds minder „liberaal”
begint te vinden. Bij Falck is het een vage term voor „ruimdenkend”; zelfs
de bisschop van Namen heet bij hem in 1814, in tegenstelling tot de
Broglie, „braaf en liberaal” 745); (in het volgende jaar teekende hij het
Jugement doctrinal). Het woord beteekent bij Falck dunkt mij zooveel als
„niet blind voor de voordeelen van het nieuwe; niet doodblijvend op de
oude letter.” Men was dus bij ons in 1813–'14 liberaal, door zoo weinig
mogelijk af te knibbelen van de nalatenschap van Bonaparte. Later gaan
andere begrippen, van politieken en economischen aard, den leeg geworden
term vullen, maar in 1813–'14 heeft die nòch met de quaestie van
Page 489
volksrechten tegen oppermacht, nòch met die van particulier initiatief
tegenover staatsvoogdij, iets in het minst te maken.
tegenover staatsvoogdij, iets in het minst te maken.
Page 490
646) Het is bekend, dat de Fransche wetgeving eerder is ingevoerd in de landen,
afgestaan bij tractaat van 16 Maart 1810, dan in het bij decreet van 9 Juli 1810 ingelijfde
grondgebied. Voor zoover in den tekst de invoering van Wetten of Decreten wordt vermeld, ziet
dit alleen op de invoering in het vóór de inlijving overgebleven grondgebied. Het was, meen ik,
voor mijn onderwerp minder noodig, afzonderlijk melding te maken van de invoering dier
wetgeving in het bij tractaat vroeger afgestane deel.
647) Art. 21 van het Keizerlijk Decreet van 18 October 1810: „La langue
hollandaise pourra être employée concurremment avec la langue française dans les tribunaux,
dans les actes d'administration, dans ceux des notaires en dans ceux sous signature privée.”
648) Gervinus, Geschichte des XIX Jahrhunderts, II, 434.
649) Zoo werden onder anderen bij decreet van 14 November 1810 gehandhaafd de
wet van 31 Januari 1810 op het onderhoud der dijken en het daarbij behoorende reglement van
15 Juni 1810. Zoo bleven ook van kracht de wetten, die niet uitdrukkelijk waren afgeschaft, of
door eene nieuwe regeling niet waren vervangen. De vraag is betwist, maar later door den
Hoogen Raad in bovenvermelden zin beantwoord.
650) Br. en Ged. III, 105.
651) Sillem, Gogel, 54.—„Men zou bijna kunnen zeggen: wat thans op financieel
gebied te doen valt, bestaat in de consequente toepassing der beginselen, die Gogel heeft
uitgesproken, in het doortrekken der groote lijnen van het stelsel van 1805” (N. G. Pierson in
Gids 1881, III, 28).
652) Decreet van 21 October 1811.
653) Sickenga, Geschiedenis der Nederlandsche belastingen sedert 1810, I, 10 vv.
654) Besluiten van 6 December 1813 (Staatsblad no. 5 en 7).
655) Besluit van 7 December 1813 (Staatsblad no. 9).
656) Fruin, Tien jaren (6e druk), 51; Sickenga, Belastingen der Republiek, 102, 132;
Sillem, Gogel, 159.
657) Groot Placcaatboek, VI, blz. 1338.
658) Besluit van 16 December 1813 (Staatsblad no. 12).
659) Aan vrijwillige giften werd in December 1813 en in de eerste maand van 1814
ruim ƒ 1.200.000 ontvangen (Stuart, Jaarboek voor 1814, bl. 194).
660) Staatsblad no. 17.
661) Wet van 4 October 1805. Het recht was 10% van 't saldo der nalatenschap;
vrijgesteld waren de nederdalende lijn, en de ouders voor zoover hun aandeel bij versterf
betrof; verminderd werd dit recht eveneens voor het aandeel bij versterf, tot 5% voor
grootouders en broeders en zusters, tot 7½% voor bloedverwanten in den derden graad.
Volgens de wet van 22 frimaire jaar VII bedroeg het recht in de rechte lijn ¼% van roerende,
afgestaan bij tractaat van 16 Maart 1810, dan in het bij decreet van 9 Juli 1810 ingelijfde
grondgebied. Voor zoover in den tekst de invoering van Wetten of Decreten wordt vermeld, ziet
dit alleen op de invoering in het vóór de inlijving overgebleven grondgebied. Het was, meen ik,
voor mijn onderwerp minder noodig, afzonderlijk melding te maken van de invoering dier
wetgeving in het bij tractaat vroeger afgestane deel.
647) Art. 21 van het Keizerlijk Decreet van 18 October 1810: „La langue
hollandaise pourra être employée concurremment avec la langue française dans les tribunaux,
dans les actes d'administration, dans ceux des notaires en dans ceux sous signature privée.”
648) Gervinus, Geschichte des XIX Jahrhunderts, II, 434.
649) Zoo werden onder anderen bij decreet van 14 November 1810 gehandhaafd de
wet van 31 Januari 1810 op het onderhoud der dijken en het daarbij behoorende reglement van
15 Juni 1810. Zoo bleven ook van kracht de wetten, die niet uitdrukkelijk waren afgeschaft, of
door eene nieuwe regeling niet waren vervangen. De vraag is betwist, maar later door den
Hoogen Raad in bovenvermelden zin beantwoord.
650) Br. en Ged. III, 105.
651) Sillem, Gogel, 54.—„Men zou bijna kunnen zeggen: wat thans op financieel
gebied te doen valt, bestaat in de consequente toepassing der beginselen, die Gogel heeft
uitgesproken, in het doortrekken der groote lijnen van het stelsel van 1805” (N. G. Pierson in
Gids 1881, III, 28).
652) Decreet van 21 October 1811.
653) Sickenga, Geschiedenis der Nederlandsche belastingen sedert 1810, I, 10 vv.
654) Besluiten van 6 December 1813 (Staatsblad no. 5 en 7).
655) Besluit van 7 December 1813 (Staatsblad no. 9).
656) Fruin, Tien jaren (6e druk), 51; Sickenga, Belastingen der Republiek, 102, 132;
Sillem, Gogel, 159.
657) Groot Placcaatboek, VI, blz. 1338.
658) Besluit van 16 December 1813 (Staatsblad no. 12).
659) Aan vrijwillige giften werd in December 1813 en in de eerste maand van 1814
ruim ƒ 1.200.000 ontvangen (Stuart, Jaarboek voor 1814, bl. 194).
660) Staatsblad no. 17.
661) Wet van 4 October 1805. Het recht was 10% van 't saldo der nalatenschap;
vrijgesteld waren de nederdalende lijn, en de ouders voor zoover hun aandeel bij versterf
betrof; verminderd werd dit recht eveneens voor het aandeel bij versterf, tot 5% voor
grootouders en broeders en zusters, tot 7½% voor bloedverwanten in den derden graad.
Volgens de wet van 22 frimaire jaar VII bedroeg het recht in de rechte lijn ¼% van roerende,
Page 491
1% van onroerende goederen, en in de zijlinie 1¼% van roerende, 5% van onroerende
goederen. Daar het recht werd geheven van al het goed, zonder aftrek der schulden, zoo was de
verzwaring door de wederinvoering der Hollandsche wet niet zoo groot, als het oppervlakkig
zou schijnen.
662) Besluit van 26 December 1813 (Staatsblad no. 18).
663) Bijdragen, I, 9.
664) Bijdragen, I, 7.
665) Wetten van 10 Februari (Staatsbl. no. 12, 13) en wet van 10 Maart 1815
(Staatsbl. no. 22).
666) De Fransche bepalingen op den waarborg verdwenen eerst geheel en al door de
wet van 18 September 1852, die op de grondbelasting door de wet van 26 Mei 1870, die op het
zegel door de wet van 3 October 1843. De griffierechten verdwenen bij de wet van 31
December 1856. Bij de registratie- en hypotheekrechten zijn de laatste sporen der vreemde
overheersching eerst in 1893 uitgewischt.
667) Buys, Nederlandsche Staatsschuld, 17.
668) Betz, Bijdragen tot het Staatsbestuur, IV, 241.
669) Van Akerlaken, Hendrik van Stralen, 281.
670) Wat de wijze van uitloting door middel der zoogenaamde kansbilletten betreft,
verwijs ik naar Betz, Bijdragen V, 17.
671)
Wet van 27 September 1841 (Staatsblad no. 35). Voor duizend gulden uitgestelde
schuld, benevens een nog onuitgeloot kansbillet, ook van ƒ 1000, kreeg men in contanten ƒ 68.
Ik kan niet nalaten op te merken, dat bij deze gelegenheid van Hall en Thorbecke voor het
eerst met elkander in botsing kwamen. De eerste verdedigde de wet van 1841, de andere zag er
eene rechtsschennis in (De Bosch Kemper, Geschiedenis na 1830, IV, aant. 48).
672) In een onuitgegeven memorie van den beroemden Amsterdamschen advokaat
J. D. Meyer, in Sept. 1830 door tusschenkomst van Mr. W. F. Röell aan Koning Willem I
medegedeeld en handelende over de Belgische onlusten, wordt van de wet van 1814 gezegd:
„Het is buiten bedenking, dat reeds twintig jaren geleden Holland onder een bijna
ondragelijken schuldenlast gebukt ging. Het Fransche bestuur had den last door de tiercering
verminderd, doch de Hollandsche eerlijkheid droeg die wijze om zich van schulden te ontdoen
niet dan met moeite. Na het herstel der onafhankelijkheid wierd de algemeene wensch
vereenigd met een financieelen maatregel om zich voor het oogenblik uit den geldelijken nood
te redden, en het onzalig denkbeeld van de wet van Juli 1814 belastte het Rijk niet alleen met
eene aanzienlijk vermeerderde werkelijke schuld, maar ook nog met den invretenden kanker
der uitgestelde schuld, die jaarlijks het bedrag der werkelijke schuld komt vergrooten en de
rentebetalingen moeilijker maakt” (Archief van Mr. W. F. Röell).
673) Hogendorp, Bijdragen I, 5.—(Zie echter de aanteekening hierachter).
goederen. Daar het recht werd geheven van al het goed, zonder aftrek der schulden, zoo was de
verzwaring door de wederinvoering der Hollandsche wet niet zoo groot, als het oppervlakkig
zou schijnen.
662) Besluit van 26 December 1813 (Staatsblad no. 18).
663) Bijdragen, I, 9.
664) Bijdragen, I, 7.
665) Wetten van 10 Februari (Staatsbl. no. 12, 13) en wet van 10 Maart 1815
(Staatsbl. no. 22).
666) De Fransche bepalingen op den waarborg verdwenen eerst geheel en al door de
wet van 18 September 1852, die op de grondbelasting door de wet van 26 Mei 1870, die op het
zegel door de wet van 3 October 1843. De griffierechten verdwenen bij de wet van 31
December 1856. Bij de registratie- en hypotheekrechten zijn de laatste sporen der vreemde
overheersching eerst in 1893 uitgewischt.
667) Buys, Nederlandsche Staatsschuld, 17.
668) Betz, Bijdragen tot het Staatsbestuur, IV, 241.
669) Van Akerlaken, Hendrik van Stralen, 281.
670) Wat de wijze van uitloting door middel der zoogenaamde kansbilletten betreft,
verwijs ik naar Betz, Bijdragen V, 17.
671)
Wet van 27 September 1841 (Staatsblad no. 35). Voor duizend gulden uitgestelde
schuld, benevens een nog onuitgeloot kansbillet, ook van ƒ 1000, kreeg men in contanten ƒ 68.
Ik kan niet nalaten op te merken, dat bij deze gelegenheid van Hall en Thorbecke voor het
eerst met elkander in botsing kwamen. De eerste verdedigde de wet van 1841, de andere zag er
eene rechtsschennis in (De Bosch Kemper, Geschiedenis na 1830, IV, aant. 48).
672) In een onuitgegeven memorie van den beroemden Amsterdamschen advokaat
J. D. Meyer, in Sept. 1830 door tusschenkomst van Mr. W. F. Röell aan Koning Willem I
medegedeeld en handelende over de Belgische onlusten, wordt van de wet van 1814 gezegd:
„Het is buiten bedenking, dat reeds twintig jaren geleden Holland onder een bijna
ondragelijken schuldenlast gebukt ging. Het Fransche bestuur had den last door de tiercering
verminderd, doch de Hollandsche eerlijkheid droeg die wijze om zich van schulden te ontdoen
niet dan met moeite. Na het herstel der onafhankelijkheid wierd de algemeene wensch
vereenigd met een financieelen maatregel om zich voor het oogenblik uit den geldelijken nood
te redden, en het onzalig denkbeeld van de wet van Juli 1814 belastte het Rijk niet alleen met
eene aanzienlijk vermeerderde werkelijke schuld, maar ook nog met den invretenden kanker
der uitgestelde schuld, die jaarlijks het bedrag der werkelijke schuld komt vergrooten en de
rentebetalingen moeilijker maakt” (Archief van Mr. W. F. Röell).
673) Hogendorp, Bijdragen I, 5.—(Zie echter de aanteekening hierachter).
Page 492
674) Ontstaan I, 423.
675) Ontstaan I, 440, 445.
676) Ontstaan I, 424.
677) De conventies, door den Souvereinen Vorst in 1814 en in de eerste helft van
1815 gesloten, vindt men bij Lagemans. Zie ook zijne Inleiding, § 59.
678) § 3 van de Inleiding tot het Reglement van krijgstucht voor het krijgsvolk te
lande, van 15 Maart 1815.
679) De man, die den grootsten invloed op deze zaak heeft uitgeoefend, was F. H.
Moorrees, vroeger onder koning Lodewijk lid der Hooge Militaire Vierschaar, thans lid van het
Hooggerechtshof en benoemd tot president der Commissie. De man was geen optimist. In een
advies aan van Maanen van 28 December 1813 schrijft hij: „Nu wil alles vegten, elk loopt te
wapen, kundig of onkundig, en pas op, het geringste, dat er gebeurt, gaan ze loopen als hazen;
den eenen Commandant zondigt uit doldriftigheid, den ander uit onkunde, den derden, omdat
hij nog geen genoegzame kennis met de kogels gemaakt heeft, een vierde pleegt groote
verzuimen uit onagtzaamheid, enz.; dus ik zie binnen weinig tijd, als de vijand ons meer
ontrust, handen vol werk, en hoe dan? dan zul je misdaden hebben—gevangenen,
gearresteerden—zonder Wetboek, zonder Regter; waar zal dat heen? Ik houde dus het
acheveren van dit stuk in 't ogenblik waarin wij zijn, alzoo pressant als de constitutie, want ik
voorzie nog wel, dat er een krabbelvuistje zal voorvallen” (te vinden bij Mr. H. van der
Hoeven, Onze Militaire Strafwetgeving, 28).
680) 1. Een crimineel wetboek voor het krijgsvolk te water; 2. een reglement van
discipline voor het krijgsvolk te water; 3. de rechtspleging voor het krijgsvolk te water; 4. de
rechtspleging voor het krijgsvolk te lande; 5. eene provisioneele instructie voor het Hoog
Militair gerechtshof.
681) Art. 298 Staatsr. van 1798, art. 86 Staatsr. van 1801, art. 75 Staatsr. van 1805,
art. 70 Constitutie van 1806. Zoo ook Reglement van 1799, afd. 2, Hoofdstuk b, art. 1.
682) Van der Hoeven, bl. 6. Art. 70 der Constitutie had dan moeten worden
gewijzigd.
683) Van der Hoeven, 8.
684) Van der Hoeven, 62, 173.
685) Bij deze wet werden vastgesteld: 1. een crimineel wetboek voor het krijgsvolk
te lande; 2. een reglement van discipline voor hetzelve krijgsvolk.
686) Bij dit onderwerp behoort nog de strafwet van 25 Juni 1814 (Staatsbl. no. 72),
aangevuld door de wet van 19 November 1814 (Staatsbl. no. 107) tegen de begunstiging van
desertie van het krijgsvolk van den Staat. Het werd uitgevaardigd tegelijk met het generaal
pardon voor de deserteurs der landmacht (besluit van 25 Juni 1814, Staatsbl. no. 71). Men
denkt aan het gezegde van Moorrees (hierboven bl. 347), wanneer men in den aanhef van dit
besluit hoort spreken van „menigvuldige manspersonen, welke in de eerste dagen van de
675) Ontstaan I, 440, 445.
676) Ontstaan I, 424.
677) De conventies, door den Souvereinen Vorst in 1814 en in de eerste helft van
1815 gesloten, vindt men bij Lagemans. Zie ook zijne Inleiding, § 59.
678) § 3 van de Inleiding tot het Reglement van krijgstucht voor het krijgsvolk te
lande, van 15 Maart 1815.
679) De man, die den grootsten invloed op deze zaak heeft uitgeoefend, was F. H.
Moorrees, vroeger onder koning Lodewijk lid der Hooge Militaire Vierschaar, thans lid van het
Hooggerechtshof en benoemd tot president der Commissie. De man was geen optimist. In een
advies aan van Maanen van 28 December 1813 schrijft hij: „Nu wil alles vegten, elk loopt te
wapen, kundig of onkundig, en pas op, het geringste, dat er gebeurt, gaan ze loopen als hazen;
den eenen Commandant zondigt uit doldriftigheid, den ander uit onkunde, den derden, omdat
hij nog geen genoegzame kennis met de kogels gemaakt heeft, een vierde pleegt groote
verzuimen uit onagtzaamheid, enz.; dus ik zie binnen weinig tijd, als de vijand ons meer
ontrust, handen vol werk, en hoe dan? dan zul je misdaden hebben—gevangenen,
gearresteerden—zonder Wetboek, zonder Regter; waar zal dat heen? Ik houde dus het
acheveren van dit stuk in 't ogenblik waarin wij zijn, alzoo pressant als de constitutie, want ik
voorzie nog wel, dat er een krabbelvuistje zal voorvallen” (te vinden bij Mr. H. van der
Hoeven, Onze Militaire Strafwetgeving, 28).
680) 1. Een crimineel wetboek voor het krijgsvolk te water; 2. een reglement van
discipline voor het krijgsvolk te water; 3. de rechtspleging voor het krijgsvolk te water; 4. de
rechtspleging voor het krijgsvolk te lande; 5. eene provisioneele instructie voor het Hoog
Militair gerechtshof.
681) Art. 298 Staatsr. van 1798, art. 86 Staatsr. van 1801, art. 75 Staatsr. van 1805,
art. 70 Constitutie van 1806. Zoo ook Reglement van 1799, afd. 2, Hoofdstuk b, art. 1.
682) Van der Hoeven, bl. 6. Art. 70 der Constitutie had dan moeten worden
gewijzigd.
683) Van der Hoeven, 8.
684) Van der Hoeven, 62, 173.
685) Bij deze wet werden vastgesteld: 1. een crimineel wetboek voor het krijgsvolk
te lande; 2. een reglement van discipline voor hetzelve krijgsvolk.
686) Bij dit onderwerp behoort nog de strafwet van 25 Juni 1814 (Staatsbl. no. 72),
aangevuld door de wet van 19 November 1814 (Staatsbl. no. 107) tegen de begunstiging van
desertie van het krijgsvolk van den Staat. Het werd uitgevaardigd tegelijk met het generaal
pardon voor de deserteurs der landmacht (besluit van 25 Juni 1814, Staatsbl. no. 71). Men
denkt aan het gezegde van Moorrees (hierboven bl. 347), wanneer men in den aanhef van dit
besluit hoort spreken van „menigvuldige manspersonen, welke in de eerste dagen van de
Page 493
gelukkige omwenteling dienst genomen hebben of ook tot de landmilitie opgeroepen zijnde,
veelal door onbedachtzaamheid en losheid hun corps hebben verlaten.”
687) Bl. 327.
688) Ontstaan II, 606.
689) Volgens den Utrechtschen professor Matthaeus (de Criminibus, bl. 901) was de
strop voor de plebeji, het zwaard voor de nobiles. Het laatste was een honestius supplicium (bl.
835). Op het voorbeeld van het Crimineel Wetboek was echter ook in dit besluit de wijze van
uitoefening der doodstraf van den stand losgemaakt, doch aan het min of meer schandelijke van
het misdrijf vastgeknoopt.
690) Volgens Modderman, Hervorming onzer Strafwetgeving, bl. 140, is wel een
enkele maal de veroordeeling tot onthoofding uitgesproken, maar, naar hij vooronderstelt, om
den schuldige daardoor zijne begenadiging te verzekeren.
691) H. V. A. (Mr. A. W. Engelen) Herinneringen, bl. 51 schrijft: „Er was in dien
tijd (tusschen 1820/25) door het Cour d'Assises te Groningen eene vrouw, eene nog zeer
jeugdige vrouw, tot openbare geeseling veroordeeld. De vrouw, een teer en zwak schepsel—
wie kan er tegenwoordig zonder siddering aan denken?—onderging dan op de Groote Markt
hare straf, en de talrijke toeschouwers, die bij dusdanige gelegenheid nooit ontbraken, hadden
allen duidelijk opgemerkt, dat de ongelukkige, die, hoe misdadig zij ook zijn mocht, toch nog
een levendig gevoel van eerbaarheid schijnt bezeten te hebben, machtelooze moeite in het werk
stelde om hare door den scherprechter ontbloote borst met hare handen te bedekken.”
692) Hiervóór, bl. 180.
693) Bl. 134.
694) Ged. VI, 1443.
695) Jorissen in Fruin's Bijdragen, 2e reeks IX, 90.
696) Fortuyn, Verzameling van Fransche Wetten III, 538.
697) Proefschrift van F. W. Smit over de Zondagswet, Leiden, 1867.
698) Kort daarna vervangen door de wet van 18 November 1814.
699) Smit, bl. 142.
700) Stuart, Jaarboeken 1814, bl. 265.
701) Ontstaan I, 300.
702) Zoo werd in 1801 onder de werking der staatsregeling van 1798 te Groningen
de verplichting der professoren afgeschaft, om vóór de aanvaarding van hun vak de
Nederlandsche Geloofsbelijdenis, den Heidelbergschen Catechismus en de Canones der
Dordtsche Synode te onderteekenen. Curatoren overwogen den 16den Augustus 1801, dat, nu
„bij den veranderden staat van zaken is gedecreteerd de afscheiding der Kerk van den Staat”,
zij van oordeel waren, „dat even hierdoor de verplichting bij het vorig Gouvernement
veelal door onbedachtzaamheid en losheid hun corps hebben verlaten.”
687) Bl. 327.
688) Ontstaan II, 606.
689) Volgens den Utrechtschen professor Matthaeus (de Criminibus, bl. 901) was de
strop voor de plebeji, het zwaard voor de nobiles. Het laatste was een honestius supplicium (bl.
835). Op het voorbeeld van het Crimineel Wetboek was echter ook in dit besluit de wijze van
uitoefening der doodstraf van den stand losgemaakt, doch aan het min of meer schandelijke van
het misdrijf vastgeknoopt.
690) Volgens Modderman, Hervorming onzer Strafwetgeving, bl. 140, is wel een
enkele maal de veroordeeling tot onthoofding uitgesproken, maar, naar hij vooronderstelt, om
den schuldige daardoor zijne begenadiging te verzekeren.
691) H. V. A. (Mr. A. W. Engelen) Herinneringen, bl. 51 schrijft: „Er was in dien
tijd (tusschen 1820/25) door het Cour d'Assises te Groningen eene vrouw, eene nog zeer
jeugdige vrouw, tot openbare geeseling veroordeeld. De vrouw, een teer en zwak schepsel—
wie kan er tegenwoordig zonder siddering aan denken?—onderging dan op de Groote Markt
hare straf, en de talrijke toeschouwers, die bij dusdanige gelegenheid nooit ontbraken, hadden
allen duidelijk opgemerkt, dat de ongelukkige, die, hoe misdadig zij ook zijn mocht, toch nog
een levendig gevoel van eerbaarheid schijnt bezeten te hebben, machtelooze moeite in het werk
stelde om hare door den scherprechter ontbloote borst met hare handen te bedekken.”
692) Hiervóór, bl. 180.
693) Bl. 134.
694) Ged. VI, 1443.
695) Jorissen in Fruin's Bijdragen, 2e reeks IX, 90.
696) Fortuyn, Verzameling van Fransche Wetten III, 538.
697) Proefschrift van F. W. Smit over de Zondagswet, Leiden, 1867.
698) Kort daarna vervangen door de wet van 18 November 1814.
699) Smit, bl. 142.
700) Stuart, Jaarboeken 1814, bl. 265.
701) Ontstaan I, 300.
702) Zoo werd in 1801 onder de werking der staatsregeling van 1798 te Groningen
de verplichting der professoren afgeschaft, om vóór de aanvaarding van hun vak de
Nederlandsche Geloofsbelijdenis, den Heidelbergschen Catechismus en de Canones der
Dordtsche Synode te onderteekenen. Curatoren overwogen den 16den Augustus 1801, dat, nu
„bij den veranderden staat van zaken is gedecreteerd de afscheiding der Kerk van den Staat”,
zij van oordeel waren, „dat even hierdoor de verplichting bij het vorig Gouvernement
Page 494
opgelegd, geheel en al kwam te cesseren, en dus deze onderteekening in het vervolg niet meer
behoorde te worden geëischt”. (Jonckbloet, Gedenkboek, 268). Aan de andere hoogescholen
had hetzelfde plaats. Voor Franeker zie men Boelens, Frieslands Hoogeschool, I, 327.
703) Vissering in Gids 1867, III, 196.
704) Vissering in Gids 1867, III, 194: „Ik schat de deugden van het Besluit zoo
hoog, dat ik uit den grond des harten wensch, maar nauwelijks durf hopen, dat de nieuwe
wettelijke regeling, die wij nu in het vooruitzicht hebben, niet ongunstig daarbij afsteken zal.”
705) Besluiten van den Souvereinen Vorst van 6 December 1813, 21 December
1813 en 24 Januari 1814. Brieven van Falck aan D. J. van Lennep van 6 December en 24
December 1813. (Brieven, nos. 95, 97).
706) Oeuvres, VI, 45: „Libéraux est un nom que les philosophes et les Jacobins ont
pris, depuis qu'ayant sous le nom de philosophes bouleversé le trône et l'autel, ce nom est
devenu en horreur dans toute l'Europe. Le célèbre lord Castlereagh, premier d'Angleterre, qui
avait été à même de bien connaître ce parti, en rendant compte en 1816 au parlement des traités
de Paris et du Congrès de Vienne, a dit, que les libéraux étaient de francs jacobins”. Elders
schrijft hij: „Je me rappelle encore que ces mots (idées libérales) n'ont acquis leur grande
vogue que depuis ce fameux 18 brumaire, parce qu'il semble qu'alors c'était le mot de parti
pour se reconnaître. Le but était de donner à la France un gouvernement libéral; le nom de
philosophe avait perdu de son crédit, et parce qu'on n'osait plus le prononcer et que cependant
on était bien déterminé de ne pas renoncer à ce système, il fallait de toute nécessité inventer un
mot inintelligible, au moins pour le peuple, et donner ainsi le change à l'opinion, à la faveur
d'un mot plus doux et plus agréable. Le mot libéral fut donc adopté”. (Ontstaan I, bl. XXVII.)
707) Ontstaan II, bl. XXXVII: „Falck, le confident principal du Roi, mais du parti
des libéraux.”
708) Geschiedenis des Vaderlands, § 987 vv.
709) Aldaar, § 1001.
710) Aldaar, § 1071.
711) Aldaar, § 998: „Bijkans iedereen was liberaal, gelijk bijkans iedereen
Oranjegezind was.”
712) Ged. VI, inl. 3e stuk, bl. XCII.
713) Ged. VI, inl. 3e stuk, bl. XCIII.—„Onze opinie”, schrijft reeds 28 Nov. het
Algemeen Bestuur aan Kemper en Scholten, „is dat de douanes geheel weg moeten; dat de lijst
van 1725 wederom moet worden ingevoerd” (aldaar, LXXXIX).
714) Zie mijn Schimmelpenninck en Koning Lodewijk, 102–'03.
715) Br. en Ged. V, 112.
716) Gedenkschriften, 132.
717) „Alle” niet te verbinden met „effecten”, maar met „instellingen.”
behoorde te worden geëischt”. (Jonckbloet, Gedenkboek, 268). Aan de andere hoogescholen
had hetzelfde plaats. Voor Franeker zie men Boelens, Frieslands Hoogeschool, I, 327.
703) Vissering in Gids 1867, III, 196.
704) Vissering in Gids 1867, III, 194: „Ik schat de deugden van het Besluit zoo
hoog, dat ik uit den grond des harten wensch, maar nauwelijks durf hopen, dat de nieuwe
wettelijke regeling, die wij nu in het vooruitzicht hebben, niet ongunstig daarbij afsteken zal.”
705) Besluiten van den Souvereinen Vorst van 6 December 1813, 21 December
1813 en 24 Januari 1814. Brieven van Falck aan D. J. van Lennep van 6 December en 24
December 1813. (Brieven, nos. 95, 97).
706) Oeuvres, VI, 45: „Libéraux est un nom que les philosophes et les Jacobins ont
pris, depuis qu'ayant sous le nom de philosophes bouleversé le trône et l'autel, ce nom est
devenu en horreur dans toute l'Europe. Le célèbre lord Castlereagh, premier d'Angleterre, qui
avait été à même de bien connaître ce parti, en rendant compte en 1816 au parlement des traités
de Paris et du Congrès de Vienne, a dit, que les libéraux étaient de francs jacobins”. Elders
schrijft hij: „Je me rappelle encore que ces mots (idées libérales) n'ont acquis leur grande
vogue que depuis ce fameux 18 brumaire, parce qu'il semble qu'alors c'était le mot de parti
pour se reconnaître. Le but était de donner à la France un gouvernement libéral; le nom de
philosophe avait perdu de son crédit, et parce qu'on n'osait plus le prononcer et que cependant
on était bien déterminé de ne pas renoncer à ce système, il fallait de toute nécessité inventer un
mot inintelligible, au moins pour le peuple, et donner ainsi le change à l'opinion, à la faveur
d'un mot plus doux et plus agréable. Le mot libéral fut donc adopté”. (Ontstaan I, bl. XXVII.)
707) Ontstaan II, bl. XXXVII: „Falck, le confident principal du Roi, mais du parti
des libéraux.”
708) Geschiedenis des Vaderlands, § 987 vv.
709) Aldaar, § 1001.
710) Aldaar, § 1071.
711) Aldaar, § 998: „Bijkans iedereen was liberaal, gelijk bijkans iedereen
Oranjegezind was.”
712) Ged. VI, inl. 3e stuk, bl. XCII.
713) Ged. VI, inl. 3e stuk, bl. XCIII.—„Onze opinie”, schrijft reeds 28 Nov. het
Algemeen Bestuur aan Kemper en Scholten, „is dat de douanes geheel weg moeten; dat de lijst
van 1725 wederom moet worden ingevoerd” (aldaar, LXXXIX).
714) Zie mijn Schimmelpenninck en Koning Lodewijk, 102–'03.
715) Br. en Ged. V, 112.
716) Gedenkschriften, 132.
717) „Alle” niet te verbinden met „effecten”, maar met „instellingen.”
Page 495
718) Appendix achter Falck's Gedenkschriften, bl. 652.
719) Ged. VI, inl. 3e stuk LXXVIII.
720) Aldaar, LXXXV.—Werving in Friesland, aldaar, XXV; te Alkmaar, aldaar
CLIII; te Amsterdam, aldaar CLXXVI enz., enz.
721) Aldaar, XCIX.
722) Koolemans Beynen in Gedenkboek 1813, I, 179.
723) Aldaar, 218.
724) Ged. VII, 73.
725) Het Oranje-legioen vermeld hiervóór, bl. 31–32.
726) Br. en Ged. V, 458; vgl. Ged. VII, 74.
727) Ged. VII, 97–103.
728) Br. en Ged. V, 26.
729) Br. en Ged. V, 46.—Canneman's ontwerp, schrijft G. K., „eischte vier maal
zooveel volk als eene Fransche conscriptie.”
730) Falck's Brieven, no. 96.
731) Bij Koolemans Beynen, Gedenkboek I, 219.
732) Ontstaan I, 440, 444; II, bl. CXXI.
733) Ontstaan I, 444.
734) Van 27 Febr. 1815 (hiervóór, bl. 344).
735) Vgl. de wijze waarop men zich in den zomer van 1813 in den Haag door
„vrijwilligers” vervangen liet voor de nationale garde: Ged. VI, 1664.
736) Falck's Gedenkschriften, 375.
737) Van Hamel in Tijdschrift voor Strafrecht, III, 1–23.
738) In deze beide opzichten keert het besluit van 11 Dec. 1813 tot de
vaderlandsche traditie terug: zie hiervóór, bl. 354.—Zie over dit besluit (van van Maanen,
Philipse en van Gennep afkomstig) van der Hoeven in Verh. K.Akad. afd. Letterkunde 4e reeks
VII, 245 vv.
739) Ged. VI, inl. 2e stuk, XLV.—Het rapport verscheen bij den drukker der
Universiteit en werd in Holland bekend.
740) Leven van D. J. van Lennep II, 1.—Eischen gesteld aan de benoembaarheid tot
leeraar (onder het oude regime hing de aanstelling alleen af van de gunst van onkundige
curatoren); staatsinspectie; verruiming van het leerplan.
741) Falck schrijft dit in 1835.
719) Ged. VI, inl. 3e stuk LXXVIII.
720) Aldaar, LXXXV.—Werving in Friesland, aldaar, XXV; te Alkmaar, aldaar
CLIII; te Amsterdam, aldaar CLXXVI enz., enz.
721) Aldaar, XCIX.
722) Koolemans Beynen in Gedenkboek 1813, I, 179.
723) Aldaar, 218.
724) Ged. VII, 73.
725) Het Oranje-legioen vermeld hiervóór, bl. 31–32.
726) Br. en Ged. V, 458; vgl. Ged. VII, 74.
727) Ged. VII, 97–103.
728) Br. en Ged. V, 26.
729) Br. en Ged. V, 46.—Canneman's ontwerp, schrijft G. K., „eischte vier maal
zooveel volk als eene Fransche conscriptie.”
730) Falck's Brieven, no. 96.
731) Bij Koolemans Beynen, Gedenkboek I, 219.
732) Ontstaan I, 440, 444; II, bl. CXXI.
733) Ontstaan I, 444.
734) Van 27 Febr. 1815 (hiervóór, bl. 344).
735) Vgl. de wijze waarop men zich in den zomer van 1813 in den Haag door
„vrijwilligers” vervangen liet voor de nationale garde: Ged. VI, 1664.
736) Falck's Gedenkschriften, 375.
737) Van Hamel in Tijdschrift voor Strafrecht, III, 1–23.
738) In deze beide opzichten keert het besluit van 11 Dec. 1813 tot de
vaderlandsche traditie terug: zie hiervóór, bl. 354.—Zie over dit besluit (van van Maanen,
Philipse en van Gennep afkomstig) van der Hoeven in Verh. K.Akad. afd. Letterkunde 4e reeks
VII, 245 vv.
739) Ged. VI, inl. 2e stuk, XLV.—Het rapport verscheen bij den drukker der
Universiteit en werd in Holland bekend.
740) Leven van D. J. van Lennep II, 1.—Eischen gesteld aan de benoembaarheid tot
leeraar (onder het oude regime hing de aanstelling alleen af van de gunst van onkundige
curatoren); staatsinspectie; verruiming van het leerplan.
741) Falck schrijft dit in 1835.
Page 496
742) Falck's Gedenkschriften, 217.
743) Falck's Gedenkschriften, 231–'22.
744) Zie b.v. Falck's Gedenkschriften, 427.
745) Falck's Brieven, no. 105.
743) Falck's Gedenkschriften, 231–'22.
744) Zie b.v. Falck's Gedenkschriften, 427.
745) Falck's Brieven, no. 105.
Page 497
DRUKFOUTEN EN VERBETERINGEN.
Bl. 12 12 staat Ambonia; lees Amboina.
reg. v.
b.
„ 1 „ te Allies; „ the Allies.
28 v.
„ o.
„ 17 „ Barier; „ Barrier.
30 v.
„ o.
„ 4 „ parhaps; „ perhaps.
34 v.
„ o.
„ noot.—Het werk, hier betiteld
34 „Ondergang en Herstel”, zal
uitkomen onder den titel:
„Inlijving en Opstand.”
„ 35 6 staat aso; lees ago.
reg. v.
b.
„ 5 „ stry; „ shy.
36 v.
„ o.
„ 1 „ stuk; „ het stuk.
42 v.
Bl. 12 12 staat Ambonia; lees Amboina.
reg. v.
b.
„ 1 „ te Allies; „ the Allies.
28 v.
„ o.
„ 17 „ Barier; „ Barrier.
30 v.
„ o.
„ 4 „ parhaps; „ perhaps.
34 v.
„ o.
„ noot.—Het werk, hier betiteld
34 „Ondergang en Herstel”, zal
uitkomen onder den titel:
„Inlijving en Opstand.”
„ 35 6 staat aso; lees ago.
reg. v.
b.
„ 5 „ stry; „ shy.
36 v.
„ o.
„ 1 „ stuk; „ het stuk.
42 v.
Page 498
„ o.
„ 19 „ staatskundige; „ staatkundige.
63 v.
„ o.
„ 14 „ aangenomen; „ aangeboden.
69 v.
„ o.
„ 5 „ den vrijheid; „ de vrijheid.
134 v.
„ o.
„ 7 „ Schrap de woorden:
151 v.
„ o.
„Tot... gekomen”, en vervang
ze door die, vermeld op bl.
377.
„ 154 14 staat leven; lees huwen.
reg. v.
b.
„ 7 „ tweedekamerstelsel; „ tweekamerstelsel.
162 v.
„ o.
Overzicht aangebrachte correcties
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:
Plaats Bron Correctie
Blz. 2 tuschen tusschen
„ 19 „ staatskundige; „ staatkundige.
63 v.
„ o.
„ 14 „ aangenomen; „ aangeboden.
69 v.
„ o.
„ 5 „ den vrijheid; „ de vrijheid.
134 v.
„ o.
„ 7 „ Schrap de woorden:
151 v.
„ o.
„Tot... gekomen”, en vervang
ze door die, vermeld op bl.
377.
„ 154 14 staat leven; lees huwen.
reg. v.
b.
„ 7 „ tweedekamerstelsel; „ tweekamerstelsel.
162 v.
„ o.
Overzicht aangebrachte correcties
De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:
Plaats Bron Correctie
Blz. 2 tuschen tusschen
Page 499
Plaats Bron Correctie
Blz. 9 wereldrijke wereldlijke
Blz. 16 [Niet in Bron.] ,
(voetnoot)
Blz. 25 gaat gaat gaat
Blz. 28 independant independent
(voetnoot)
Blz. 27 zaak zaak zaak
Blz. 31 Castleraegh's Castlereagh's
Blz. 34 1I 11
(voetnoot)
Blz. 62 aur au
Blz. 66 dei die
Blz. 68 , .
(voetnoot)
Blz. 78 àpres après
(voetnoot)
Blz. 84 indivuduëele individuëele
Blz. 88 Roëll Röell
(voetnoot)
Blz. 88 Roëll Röell
(voetnoot)
Blz. 92 Schetsontvangen Schets ontvangen
Blz. 92 Ontstaan, Ontstaan
(voetnoot)
Blz. 95 vlg. vgl.
(voetnoot)
Blz. 100 onrangistische orangistische
Blz. 103 ontrekken onttrekken
Blz. 105 voornalijk voornamelijk
Blz. 105 ven van
Blz. 105 presideer ender presideeren der
Blz. 108 [Niet in Bron.] .
Blz. 110 aanleiden aanleiding
Blz. 111 [Niet in Bron.] .
Blz. 114 vlg. vgl.
(voetnoot)
Blz. 9 wereldrijke wereldlijke
Blz. 16 [Niet in Bron.] ,
(voetnoot)
Blz. 25 gaat gaat gaat
Blz. 28 independant independent
(voetnoot)
Blz. 27 zaak zaak zaak
Blz. 31 Castleraegh's Castlereagh's
Blz. 34 1I 11
(voetnoot)
Blz. 62 aur au
Blz. 66 dei die
Blz. 68 , .
(voetnoot)
Blz. 78 àpres après
(voetnoot)
Blz. 84 indivuduëele individuëele
Blz. 88 Roëll Röell
(voetnoot)
Blz. 88 Roëll Röell
(voetnoot)
Blz. 92 Schetsontvangen Schets ontvangen
Blz. 92 Ontstaan, Ontstaan
(voetnoot)
Blz. 95 vlg. vgl.
(voetnoot)
Blz. 100 onrangistische orangistische
Blz. 103 ontrekken onttrekken
Blz. 105 voornalijk voornamelijk
Blz. 105 ven van
Blz. 105 presideer ender presideeren der
Blz. 108 [Niet in Bron.] .
Blz. 110 aanleiden aanleiding
Blz. 111 [Niet in Bron.] .
Blz. 114 vlg. vgl.
(voetnoot)
Page 500
Plaats Bron Correctie
Blz. 115 indivudueele individueele
Blz. 120 gelijkstellig gelijkstelling
Blz. 120 I,76 I, 76
(voetnoot)
Blz. 125 [Niet in Bron.] .
(voetnoot)
Blz. 140 1806 1805
Blz. 141 alhaar al haar
Blz. 145 een en
Blz. 147 preserit prescrit
Blz. 148 ancune aucune
Blz. 158 vg. vlg.
(voetnoot)
Blz. 163 de te
Blz. 168 [Niet in Bron.] .
(voetnoot)
Blz. 173 [Niet in Bron.] .
Blz. 173 [Niet in Bron.] .
(voetnoot)
Blz. 175 Soureinen Souvereinen
(voetnoot)
Blz. 183 verantantwoording verantwoording
Blz. 189 [Niet in Bron.] ,
Blz. 190 [Niet in Bron.] „
Blz. 190 invoed invloed
Blz. 200 seperation separation
(voetnoot)
Blz. 205 hoodkwartier hoofdkwartier
Blz. 205 Castereagh Castlereagh
(voetnoot)
Blz. 211 s'ètait s'était
(voetnoot)
Blz. 211 Governement Government
(voetnoot)
Blz. 212 provisioire provisoire
(voetnoot)
Blz. 115 indivudueele individueele
Blz. 120 gelijkstellig gelijkstelling
Blz. 120 I,76 I, 76
(voetnoot)
Blz. 125 [Niet in Bron.] .
(voetnoot)
Blz. 140 1806 1805
Blz. 141 alhaar al haar
Blz. 145 een en
Blz. 147 preserit prescrit
Blz. 148 ancune aucune
Blz. 158 vg. vlg.
(voetnoot)
Blz. 163 de te
Blz. 168 [Niet in Bron.] .
(voetnoot)
Blz. 173 [Niet in Bron.] .
Blz. 173 [Niet in Bron.] .
(voetnoot)
Blz. 175 Soureinen Souvereinen
(voetnoot)
Blz. 183 verantantwoording verantwoording
Blz. 189 [Niet in Bron.] ,
Blz. 190 [Niet in Bron.] „
Blz. 190 invoed invloed
Blz. 200 seperation separation
(voetnoot)
Blz. 205 hoodkwartier hoofdkwartier
Blz. 205 Castereagh Castlereagh
(voetnoot)
Blz. 211 s'ètait s'était
(voetnoot)
Blz. 211 Governement Government
(voetnoot)
Blz. 212 provisioire provisoire
(voetnoot)
Page 501
Plaats Bron Correctie
Blz. 215 fortwith forthwith
(voetnoot)
Blz. 216 Onstaan Ontstaan
(voetnoot)
Blz. 220 Castleraegh Castlereagh
Blz. 222 uot not
Blz. 224 im in
(voetnoot)
Blz. 224 tonte toute
(voetnoot)
Blz. 224 ppur sur
(voetnoot)
Blz. 224 du au
(voetnoot)
Blz. 224 provisoireu provisoire
(voetnoot)
Blz. 227 partageé partagée
Blz. 227 etat état
Blz. 228 witth with
Blz. 235 202 203
Blz. 238 préferable préférable
Blz. 239 dipositions dispositions
Blz. 240 [Niet in Bron.] .
(voetnoot)
Blz. 244 er niet niet
Blz. 244 [Niet in Bron.] ,
(voetnoot)
Blz. 245 Snriname Suriname
Blz. 249 onbeteekende onbeteekenende
Blz. 256 nature natura
Blz. 256 d'untraité d'un traité
(voetnoot)
Blz. 257 revencee revenue
Blz. 257 ald add
Blz. 257 [Niet in Bron.] ,
(voetnoot)
Blz. 215 fortwith forthwith
(voetnoot)
Blz. 216 Onstaan Ontstaan
(voetnoot)
Blz. 220 Castleraegh Castlereagh
Blz. 222 uot not
Blz. 224 im in
(voetnoot)
Blz. 224 tonte toute
(voetnoot)
Blz. 224 ppur sur
(voetnoot)
Blz. 224 du au
(voetnoot)
Blz. 224 provisoireu provisoire
(voetnoot)
Blz. 227 partageé partagée
Blz. 227 etat état
Blz. 228 witth with
Blz. 235 202 203
Blz. 238 préferable préférable
Blz. 239 dipositions dispositions
Blz. 240 [Niet in Bron.] .
(voetnoot)
Blz. 244 er niet niet
Blz. 244 [Niet in Bron.] ,
(voetnoot)
Blz. 245 Snriname Suriname
Blz. 249 onbeteekende onbeteekenende
Blz. 256 nature natura
Blz. 256 d'untraité d'un traité
(voetnoot)
Blz. 257 revencee revenue
Blz. 257 ald add
Blz. 257 [Niet in Bron.] ,
(voetnoot)
Page 502
Plaats Bron Correctie
Blz. 260 bezitingen bezittingen
Blz. 275 în in
Blz. 278 . ,
Blz. 289 f ƒ
Blz. 293 zoodaning zoodanig
Blz. 294 van tot
Blz. 303 [Niet in Bron.] .
(voetnoot)
Blz. 304 treed treedt
Blz. 304 [Niet in Bron.] .
Blz. 304 te te te
Blz. 313 [Niet in Bron.] ,
Blz. 320 hiervoor hiervóór
Blz. 320 baucoup beaucoup
Blz. 320 [Niet in Bron.] ,
Blz. 320 [Niet in Bron.] .
(voetnoot)
Blz. 321 beraaadslaging beraadslaging
(voetnoot)
Blz. 322 ) ]
Blz. 322 ] )
Blz. 322 [Niet in Bron.] ,
(voetnoot)
Blz. 332 f ƒ
(voetnoot)
Blz. 339 milloen millioen
Blz. 342 daaaropvolgende daaropvolgende
Blz. 346 [Niet in Bron.] den
Blz. 349 dicipline discipline
(voetnoot)
Blz. 356 22sten. 22sten
Blz. 358 kerkgenootschapen kerkgenootschappen
Blz. 364 kunen kunnen
Blz. 365 philosophle philosophe
(voetnoot)
Blz. 369 25 000 25.000
Blz. 260 bezitingen bezittingen
Blz. 275 în in
Blz. 278 . ,
Blz. 289 f ƒ
Blz. 293 zoodaning zoodanig
Blz. 294 van tot
Blz. 303 [Niet in Bron.] .
(voetnoot)
Blz. 304 treed treedt
Blz. 304 [Niet in Bron.] .
Blz. 304 te te te
Blz. 313 [Niet in Bron.] ,
Blz. 320 hiervoor hiervóór
Blz. 320 baucoup beaucoup
Blz. 320 [Niet in Bron.] ,
Blz. 320 [Niet in Bron.] .
(voetnoot)
Blz. 321 beraaadslaging beraadslaging
(voetnoot)
Blz. 322 ) ]
Blz. 322 ] )
Blz. 322 [Niet in Bron.] ,
(voetnoot)
Blz. 332 f ƒ
(voetnoot)
Blz. 339 milloen millioen
Blz. 342 daaaropvolgende daaropvolgende
Blz. 346 [Niet in Bron.] den
Blz. 349 dicipline discipline
(voetnoot)
Blz. 356 22sten. 22sten
Blz. 358 kerkgenootschapen kerkgenootschappen
Blz. 364 kunen kunnen
Blz. 365 philosophle philosophe
(voetnoot)
Blz. 369 25 000 25.000
Page 503
Plaats Bron Correctie
Blz. 370 hiervoor hiervóór
Blz. 377 [Niet in Bron.] ”
Blz. 377 latijnschescholen latijnsche scholen
Blz. 380 zicht zich
Blz. 380 d.w z. d.w.z.
Blz. 370 hiervoor hiervóór
Blz. 377 [Niet in Bron.] ”
Blz. 377 latijnschescholen latijnsche scholen
Blz. 380 zicht zich
Blz. 380 d.w z. d.w.z.
Page 504
*** END OF THE PROJECT GUTENBERG
EBOOK DE WEDERGEBOORTE VAN
NEDERLAND ***
Updated editions will replace the previous one—the
old editions will be renamed.
Creating the works from print editions not protected
by U.S. copyright law means that no one owns a
United States copyright in these works, so the
Foundation (and you!) can copy and distribute it in
the United States without permission and without
paying copyright royalties. Special rules, set forth in
the General Terms of Use part of this license, apply
to copying and distributing Project Gutenberg™
electronic works to protect the PROJECT
GUTENBERG™ concept and trademark. Project
Gutenberg is a registered trademark, and may not be
used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying
royalties for use of the Project Gutenberg trademark.
If you do not charge anything for copies of this
EBOOK DE WEDERGEBOORTE VAN
NEDERLAND ***
Updated editions will replace the previous one—the
old editions will be renamed.
Creating the works from print editions not protected
by U.S. copyright law means that no one owns a
United States copyright in these works, so the
Foundation (and you!) can copy and distribute it in
the United States without permission and without
paying copyright royalties. Special rules, set forth in
the General Terms of Use part of this license, apply
to copying and distributing Project Gutenberg™
electronic works to protect the PROJECT
GUTENBERG™ concept and trademark. Project
Gutenberg is a registered trademark, and may not be
used if you charge for an eBook, except by following
the terms of the trademark license, including paying
royalties for use of the Project Gutenberg trademark.
If you do not charge anything for copies of this
Page 505
eBook, complying with the trademark license is very
easy. You may use this eBook for nearly any purpose
such as creation of derivative works, reports,
performances and research. Project Gutenberg
eBooks may be modified and printed and given away
—you may do practically ANYTHING in the United
States with eBooks not protected by U.S. copyright
law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
easy. You may use this eBook for nearly any purpose
such as creation of derivative works, reports,
performances and research. Project Gutenberg
eBooks may be modified and printed and given away
—you may do practically ANYTHING in the United
States with eBooks not protected by U.S. copyright
law. Redistribution is subject to the trademark
license, especially commercial redistribution.
START: FULL LICENSE
Page 506
THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR
USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of
promoting the free distribution of electronic works,
by using or distributing this work (or any other work
associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms
of the Full Project Gutenberg License available with
this file or online at www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and
Redistributing Project Gutenberg electronic
works
1.A. By reading or using any part of this Project
Gutenberg electronic work, you indicate that you
have read, understand, agree to and accept all the
terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree
to abide by all the terms of this agreement, you must
cease using and return or destroy all copies of Project
Gutenberg electronic works in your possession. If
you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR
USE THIS WORK
To protect the Project Gutenberg™ mission of
promoting the free distribution of electronic works,
by using or distributing this work (or any other work
associated in any way with the phrase “Project
Gutenberg”), you agree to comply with all the terms
of the Full Project Gutenberg License available with
this file or online at www.gutenberg.org/license.
Section 1. General Terms of Use and
Redistributing Project Gutenberg electronic
works
1.A. By reading or using any part of this Project
Gutenberg electronic work, you indicate that you
have read, understand, agree to and accept all the
terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement. If you do not agree
to abide by all the terms of this agreement, you must
cease using and return or destroy all copies of Project
Gutenberg electronic works in your possession. If
you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
Page 507
Project Gutenberg electronic work and you do not
agree to be bound by the terms of this agreement, you
may obtain a refund from the person or entity to
whom you paid the fee as set forth in paragraph
1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It
may only be used on or associated in any way with
an electronic work by people who agree to be bound
by the terms of this agreement. There are a few things
that you can do with most Project Gutenberg
electronic works even without complying with the
full terms of this agreement. See paragraph 1.C
below. There are a lot of things you can do with
Project Gutenberg electronic works if you follow the
terms of this agreement and help preserve free future
access to Project Gutenberg electronic works. See
paragraph 1.E below.
1.C. The Project Gutenberg Literary Archive
Foundation (“the Foundation” or PGLAF), owns a
compilation copyright in the collection of Project
Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in
the United States. If an individual work is
agree to be bound by the terms of this agreement, you
may obtain a refund from the person or entity to
whom you paid the fee as set forth in paragraph
1.E.8.
1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It
may only be used on or associated in any way with
an electronic work by people who agree to be bound
by the terms of this agreement. There are a few things
that you can do with most Project Gutenberg
electronic works even without complying with the
full terms of this agreement. See paragraph 1.C
below. There are a lot of things you can do with
Project Gutenberg electronic works if you follow the
terms of this agreement and help preserve free future
access to Project Gutenberg electronic works. See
paragraph 1.E below.
1.C. The Project Gutenberg Literary Archive
Foundation (“the Foundation” or PGLAF), owns a
compilation copyright in the collection of Project
Gutenberg electronic works. Nearly all the individual
works in the collection are in the public domain in
the United States. If an individual work is
Page 508
unprotected by copyright law in the United States and
you are located in the United States, we do not claim
a right to prevent you from copying, distributing,
performing, displaying or creating derivative works
based on the work as long as all references to Project
Gutenberg are removed. Of course, we hope that you
will support the Project Gutenberg mission of
promoting free access to electronic works by freely
sharing Project Gutenberg works in compliance with
the terms of this agreement for keeping the Project
Gutenberg name associated with the work. You can
easily comply with the terms of this agreement by
keeping this work in the same format with its
attached full Project Gutenberg License when you
share it without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are
located also govern what you can do with this work.
Copyright laws in most countries are in a constant
state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the
terms of this agreement before downloading,
copying, displaying, performing, distributing or
creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes
you are located in the United States, we do not claim
a right to prevent you from copying, distributing,
performing, displaying or creating derivative works
based on the work as long as all references to Project
Gutenberg are removed. Of course, we hope that you
will support the Project Gutenberg mission of
promoting free access to electronic works by freely
sharing Project Gutenberg works in compliance with
the terms of this agreement for keeping the Project
Gutenberg name associated with the work. You can
easily comply with the terms of this agreement by
keeping this work in the same format with its
attached full Project Gutenberg License when you
share it without charge with others.
1.D. The copyright laws of the place where you are
located also govern what you can do with this work.
Copyright laws in most countries are in a constant
state of change. If you are outside the United States,
check the laws of your country in addition to the
terms of this agreement before downloading,
copying, displaying, performing, distributing or
creating derivative works based on this work or any
other Project Gutenberg work. The Foundation makes
Page 509
no representations concerning the copyright status of
any work in any country other than the United States.
1.E. Unless you have removed all references to
Project Gutenberg:
1.E.1. The following sentence, with active links to, or
other immediate access to, the full Project Gutenberg
License must appear prominently whenever any copy
of a Project Gutenberg work (any work on which the
phrase “Project Gutenberg” appears, or with which
the phrase “Project Gutenberg” is associated) is
accessed, displayed, performed, viewed, copied or
distributed:
This eBook is for the use of anyone anywhere
in the United States and most other parts of
the world at no cost and with almost no
restrictions whatsoever. You may copy it, give
it away or re-use it under the terms of the
Project Gutenberg™ License included with
this eBook or online at www.gutenberg.org. If
you are not located in the United States, you
will have to check the laws of the country
any work in any country other than the United States.
1.E. Unless you have removed all references to
Project Gutenberg:
1.E.1. The following sentence, with active links to, or
other immediate access to, the full Project Gutenberg
License must appear prominently whenever any copy
of a Project Gutenberg work (any work on which the
phrase “Project Gutenberg” appears, or with which
the phrase “Project Gutenberg” is associated) is
accessed, displayed, performed, viewed, copied or
distributed:
This eBook is for the use of anyone anywhere
in the United States and most other parts of
the world at no cost and with almost no
restrictions whatsoever. You may copy it, give
it away or re-use it under the terms of the
Project Gutenberg™ License included with
this eBook or online at www.gutenberg.org. If
you are not located in the United States, you
will have to check the laws of the country
Page 510
where you are located before using this
eBook.
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic
work is derived from texts not protected by U.S.
copyright law (does not contain a notice indicating
that it is posted with permission of the copyright
holder), the work can be copied and distributed to
anyone in the United States without paying any fees
or charges. If you are redistributing or providing
access to a work with the phrase “Project Gutenberg”
associated with or appearing on the work, you must
comply either with the requirements of paragraphs
1.E.1 through 1.E.7 or obtain permission for the use
of the work and the Project Gutenberg trademark as
set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic
work is posted with the permission of the copyright
holder, your use and distribution must comply with
both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder.
Additional terms will be linked to the Project
Gutenberg License for all works posted with the
eBook.
1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic
work is derived from texts not protected by U.S.
copyright law (does not contain a notice indicating
that it is posted with permission of the copyright
holder), the work can be copied and distributed to
anyone in the United States without paying any fees
or charges. If you are redistributing or providing
access to a work with the phrase “Project Gutenberg”
associated with or appearing on the work, you must
comply either with the requirements of paragraphs
1.E.1 through 1.E.7 or obtain permission for the use
of the work and the Project Gutenberg trademark as
set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic
work is posted with the permission of the copyright
holder, your use and distribution must comply with
both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
additional terms imposed by the copyright holder.
Additional terms will be linked to the Project
Gutenberg License for all works posted with the
Page 511
permission of the copyright holder found at the
beginning of this work.
1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full
Project Gutenberg License terms from this work, or
any files containing a part of this work or any other
work associated with Project Gutenberg.
1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or
redistribute this electronic work, or any part of this
electronic work, without prominently displaying the
sentence set forth in paragraph 1.E.1 with active links
or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.
1.E.6. You may convert to and distribute this work in
any binary, compressed, marked up, nonproprietary
or proprietary form, including any word processing
or hypertext form. However, if you provide access to
or distribute copies of a Project Gutenberg work in a
format other than “Plain Vanilla ASCII” or other
format used in the official version posted on the
official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional
cost, fee or expense to the user, provide a copy, a
beginning of this work.
1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full
Project Gutenberg License terms from this work, or
any files containing a part of this work or any other
work associated with Project Gutenberg.
1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or
redistribute this electronic work, or any part of this
electronic work, without prominently displaying the
sentence set forth in paragraph 1.E.1 with active links
or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg License.
1.E.6. You may convert to and distribute this work in
any binary, compressed, marked up, nonproprietary
or proprietary form, including any word processing
or hypertext form. However, if you provide access to
or distribute copies of a Project Gutenberg work in a
format other than “Plain Vanilla ASCII” or other
format used in the official version posted on the
official Project Gutenberg website
(www.gutenberg.org), you must, at no additional
cost, fee or expense to the user, provide a copy, a
Page 512
means of exporting a copy, or a means of obtaining a
copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format
must include the full Project Gutenberg License as
specified in paragraph 1.E.1.
1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing,
displaying, performing, copying or distributing any
Project Gutenberg works unless you comply with
paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of
or providing access to or distributing Project
Gutenberg electronic works provided that:
• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the
use of Project Gutenberg works calculated using the method you
already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the
owner of the Project Gutenberg trademark, but he has agreed to donate
royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days
following each date on which you prepare (or are legally required to
prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly
marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation at the address specified in Section 4, “Information about
donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.”
• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does
not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You
must require such a user to return or destroy all copies of the works
copy upon request, of the work in its original “Plain
Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format
must include the full Project Gutenberg License as
specified in paragraph 1.E.1.
1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing,
displaying, performing, copying or distributing any
Project Gutenberg works unless you comply with
paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of
or providing access to or distributing Project
Gutenberg electronic works provided that:
• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the
use of Project Gutenberg works calculated using the method you
already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the
owner of the Project Gutenberg trademark, but he has agreed to donate
royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days
following each date on which you prepare (or are legally required to
prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly
marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation at the address specified in Section 4, “Information about
donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.”
• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does
not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You
must require such a user to return or destroy all copies of the works
Page 513
possessed in a physical medium and discontinue all use of and all
access to other copies of Project Gutenberg™ works.
• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.
• You comply with all other terms of this agreement for free distribution
of Project Gutenberg™ works.
1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a
Project Gutenberg™ electronic work or group of
works on different terms than are set forth in this
agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation, the manager of the Project Gutenberg™
trademark. Contact the Foundation as set forth in
Section 3 below.
1.F.
1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees
expend considerable effort to identify, do copyright
research on, transcribe and proofread works not
protected by U.S. copyright law in creating the
Project Gutenberg™ collection. Despite these efforts,
Project Gutenberg™ electronic works, and the
medium on which they may be stored, may contain
access to other copies of Project Gutenberg™ works.
• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.
• You comply with all other terms of this agreement for free distribution
of Project Gutenberg™ works.
1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a
Project Gutenberg™ electronic work or group of
works on different terms than are set forth in this
agreement, you must obtain permission in writing
from the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation, the manager of the Project Gutenberg™
trademark. Contact the Foundation as set forth in
Section 3 below.
1.F.
1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees
expend considerable effort to identify, do copyright
research on, transcribe and proofread works not
protected by U.S. copyright law in creating the
Project Gutenberg™ collection. Despite these efforts,
Project Gutenberg™ electronic works, and the
medium on which they may be stored, may contain
Page 514
“Defects,” such as, but not limited to, incomplete,
inaccurate or corrupt data, transcription errors, a
copyright or other intellectual property infringement,
a defective or damaged disk or other medium, a
computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.
1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF
DAMAGES - Except for the “Right of Replacement
or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of
the Project Gutenberg™ trademark, and any other
party distributing a Project Gutenberg™ electronic
work under this agreement, disclaim all liability to
you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO
REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR
BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE
THAT THE FOUNDATION, THE TRADEMARK
OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER
THIS AGREEMENT WILL NOT BE LIABLE TO
YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT,
CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL
inaccurate or corrupt data, transcription errors, a
copyright or other intellectual property infringement,
a defective or damaged disk or other medium, a
computer virus, or computer codes that damage or
cannot be read by your equipment.
1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF
DAMAGES - Except for the “Right of Replacement
or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of
the Project Gutenberg™ trademark, and any other
party distributing a Project Gutenberg™ electronic
work under this agreement, disclaim all liability to
you for damages, costs and expenses, including legal
fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO
REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR
BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE
THAT THE FOUNDATION, THE TRADEMARK
OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER
THIS AGREEMENT WILL NOT BE LIABLE TO
YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT,
CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL
Page 515
DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF
THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE.
1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR
REFUND - If you discover a defect in this electronic
work within 90 days of receiving it, you can receive a
refund of the money (if any) you paid for it by
sending a written explanation to the person you
received the work from. If you received the work on
a physical medium, you must return the medium with
your written explanation. The person or entity that
provided you with the defective work may elect to
provide a replacement copy in lieu of a refund. If you
received the work electronically, the person or entity
providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu
of a refund. If the second copy is also defective, you
may demand a refund in writing without further
opportunities to fix the problem.
1.F.4. Except for the limited right of replacement or
refund set forth in paragraph 1.F.3, this work is
provided to you ‘AS-IS’, WITH NO OTHER
WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR
IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE.
1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR
REFUND - If you discover a defect in this electronic
work within 90 days of receiving it, you can receive a
refund of the money (if any) you paid for it by
sending a written explanation to the person you
received the work from. If you received the work on
a physical medium, you must return the medium with
your written explanation. The person or entity that
provided you with the defective work may elect to
provide a replacement copy in lieu of a refund. If you
received the work electronically, the person or entity
providing it to you may choose to give you a second
opportunity to receive the work electronically in lieu
of a refund. If the second copy is also defective, you
may demand a refund in writing without further
opportunities to fix the problem.
1.F.4. Except for the limited right of replacement or
refund set forth in paragraph 1.F.3, this work is
provided to you ‘AS-IS’, WITH NO OTHER
WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR
IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
Page 516
WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR
FITNESS FOR ANY PURPOSE.
1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain
implied warranties or the exclusion or limitation of
certain types of damages. If any disclaimer or
limitation set forth in this agreement violates the law
of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum
disclaimer or limitation permitted by the applicable
state law. The invalidity or unenforceability of any
provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.
1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and
hold the Foundation, the trademark owner, any agent
or employee of the Foundation, anyone providing
copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers
associated with the production, promotion and
distribution of Project Gutenberg™ electronic works,
harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly
from any of the following which you do or cause to
occur: (a) distribution of this or any Project
FITNESS FOR ANY PURPOSE.
1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain
implied warranties or the exclusion or limitation of
certain types of damages. If any disclaimer or
limitation set forth in this agreement violates the law
of the state applicable to this agreement, the
agreement shall be interpreted to make the maximum
disclaimer or limitation permitted by the applicable
state law. The invalidity or unenforceability of any
provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.
1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and
hold the Foundation, the trademark owner, any agent
or employee of the Foundation, anyone providing
copies of Project Gutenberg™ electronic works in
accordance with this agreement, and any volunteers
associated with the production, promotion and
distribution of Project Gutenberg™ electronic works,
harmless from all liability, costs and expenses,
including legal fees, that arise directly or indirectly
from any of the following which you do or cause to
occur: (a) distribution of this or any Project
Page 517
Gutenberg work, (b) alteration, modification, or
additions or deletions to any Project Gutenberg work,
and (c) any Defect you cause.
Section 2. Information about the Mission of
Project Gutenberg
Project Gutenberg is synonymous with the free
distribution of electronic works in formats readable
by the widest variety of computers including
obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of
volunteers and donations from people in all walks of
life.
Volunteers and financial support to provide
volunteers with the assistance they need are critical to
reaching Project Gutenberg’s goals and ensuring that
the Project Gutenberg collection will remain freely
available for generations to come. In 2001, the
Project Gutenberg Literary Archive Foundation was
created to provide a secure and permanent future for
Project Gutenberg and future generations. To learn
more about the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation and how your efforts and donations can
additions or deletions to any Project Gutenberg work,
and (c) any Defect you cause.
Section 2. Information about the Mission of
Project Gutenberg
Project Gutenberg is synonymous with the free
distribution of electronic works in formats readable
by the widest variety of computers including
obsolete, old, middle-aged and new computers. It
exists because of the efforts of hundreds of
volunteers and donations from people in all walks of
life.
Volunteers and financial support to provide
volunteers with the assistance they need are critical to
reaching Project Gutenberg’s goals and ensuring that
the Project Gutenberg collection will remain freely
available for generations to come. In 2001, the
Project Gutenberg Literary Archive Foundation was
created to provide a secure and permanent future for
Project Gutenberg and future generations. To learn
more about the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation and how your efforts and donations can
Page 518
help, see Sections 3 and 4 and the Foundation
information page at www.gutenberg.org.
Section 3. Information about the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation
The Project Gutenberg Literary Archive Foundation
is a non-profit 501(c)(3) educational corporation
organized under the laws of the state of Mississippi
and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal
tax identification number is 64-6221541.
Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full
extent permitted by U.S. federal laws and your state’s
laws.
The Foundation’s business office is located at 41
Watchung Plaza #516, Montclair NJ 07042, USA, +1
(862) 621-9288. Email contact links and up to date
contact information can be found at the Foundation’s
website and official page at
www.gutenberg.org/contact
Section 4. Information about Donations to the
Project Gutenberg Literary Archive
information page at www.gutenberg.org.
Section 3. Information about the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation
The Project Gutenberg Literary Archive Foundation
is a non-profit 501(c)(3) educational corporation
organized under the laws of the state of Mississippi
and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal
tax identification number is 64-6221541.
Contributions to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation are tax deductible to the full
extent permitted by U.S. federal laws and your state’s
laws.
The Foundation’s business office is located at 41
Watchung Plaza #516, Montclair NJ 07042, USA, +1
(862) 621-9288. Email contact links and up to date
contact information can be found at the Foundation’s
website and official page at
www.gutenberg.org/contact
Section 4. Information about Donations to the
Project Gutenberg Literary Archive
Page 519
Foundation
Project Gutenberg™ depends upon and cannot
survive without widespread public support and
donations to carry out its mission of increasing the
number of public domain and licensed works that can
be freely distributed in machine-readable form
accessible by the widest array of equipment including
outdated equipment. Many small donations ($1 to
$5,000) are particularly important to maintaining tax
exempt status with the IRS.
The Foundation is committed to complying with the
laws regulating charities and charitable donations in
all 50 states of the United States. Compliance
requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees
to meet and keep up with these requirements. We do
not solicit donations in locations where we have not
received written confirmation of compliance. To
SEND DONATIONS or determine the status of
compliance for any particular state visit
www.gutenberg.org/donate.
Project Gutenberg™ depends upon and cannot
survive without widespread public support and
donations to carry out its mission of increasing the
number of public domain and licensed works that can
be freely distributed in machine-readable form
accessible by the widest array of equipment including
outdated equipment. Many small donations ($1 to
$5,000) are particularly important to maintaining tax
exempt status with the IRS.
The Foundation is committed to complying with the
laws regulating charities and charitable donations in
all 50 states of the United States. Compliance
requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees
to meet and keep up with these requirements. We do
not solicit donations in locations where we have not
received written confirmation of compliance. To
SEND DONATIONS or determine the status of
compliance for any particular state visit
www.gutenberg.org/donate.
Page 520
While we cannot and do not solicit contributions
from states where we have not met the solicitation
requirements, we know of no prohibition against
accepting unsolicited donations from donors in such
states who approach us with offers to donate.
International donations are gratefully accepted, but
we cannot make any statements concerning tax
treatment of donations received from outside the
United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
Please check the Project Gutenberg web pages for
current donation methods and addresses. Donations
are accepted in a number of other ways including
checks, online payments and credit card donations.
To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.
Section 5. General Information About Project
Gutenberg electronic works
Professor Michael S. Hart was the originator of the
Project Gutenberg concept of a library of electronic
works that could be freely shared with anyone. For
forty years, he produced and distributed Project
Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.
from states where we have not met the solicitation
requirements, we know of no prohibition against
accepting unsolicited donations from donors in such
states who approach us with offers to donate.
International donations are gratefully accepted, but
we cannot make any statements concerning tax
treatment of donations received from outside the
United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
Please check the Project Gutenberg web pages for
current donation methods and addresses. Donations
are accepted in a number of other ways including
checks, online payments and credit card donations.
To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate.
Section 5. General Information About Project
Gutenberg electronic works
Professor Michael S. Hart was the originator of the
Project Gutenberg concept of a library of electronic
works that could be freely shared with anyone. For
forty years, he produced and distributed Project
Gutenberg eBooks with only a loose network of
volunteer support.
Page 521
Project Gutenberg eBooks are often created from
several printed editions, all of which are confirmed as
not protected by copyright in the U.S. unless a
copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any
particular paper edition.
Most people start at our website which has the main
PG search facility: www.gutenberg.org.
This website includes information about Project
Gutenberg, including how to make donations to the
Project Gutenberg Literary Archive Foundation, how
to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new
eBooks.
several printed editions, all of which are confirmed as
not protected by copyright in the U.S. unless a
copyright notice is included. Thus, we do not
necessarily keep eBooks in compliance with any
particular paper edition.
Most people start at our website which has the main
PG search facility: www.gutenberg.org.
This website includes information about Project
Gutenberg, including how to make donations to the
Project Gutenberg Literary Archive Foundation, how
to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new
eBooks.