Herfsttij der Middeleeuwen (Dutch) Johan Huizinga 1973 downloads.pdf

522 pages · Make another flipbook

Page 1

Page 2

Page 3

The Project Gutenberg eBook of Herfsttij der Middeleeuwen
This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most
other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of
the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will
have to check the laws of the country where you are located before using
this eBook.

Title: Herfsttij der Middeleeuwen

Author: Johan Huizinga

Release date: October 8, 2005 [eBook #16829]
Most recently updated: December 12, 2020

Language: Dutch

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/16829

Credits: Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HERFSTTIJ DER
MIDDELEEUWEN ***

HERFSTTIJ DER
MIDDELEEUWEN

Page 4

STUDIE OVER LEVENS- EN GEDACHTENVORMEN DER
VEERTIENDE EN VIJFTIENDE EEUW IN FRANKRIJK EN
DE NEDERLANDEN

door

J. HUIZINGA

1919

VOORBERICHT

Het is meestal de oorsprong van het nieuwe, wat onze geest in het verleden
zoekt. Men wil weten, hoe de nieuwe gedachten en nieuwe levensvormen,
die in later tijden in hun volheid stralen, ontloken zijn; men beziet elken tijd
bovenal om de beloften, die hij bergt voor de volgende. Hoe ijverig heeft
men in de middeleeuwsche beschaving naar de kiemen der moderne cultuur
gespeurd; zoo ijverig, dat het soms schijnen moest, alsof de
geestesgeschiedenis der Middeleeuwen nauwelijks iets anders was geweest
dan de advent der Renaissance. Immers, overal zag men in die tijden, die
eenmaal als star en doodsch gegolden hadden, het nieuwe reeds ontspruiten,
en alles scheen te wijzen naar toekomstige volmaking. Doch bij het zoeken
naar het nieuwe leven, dat opkwam, vergat men licht, dat in de geschiedenis
als in de natuur het sterven en het geboren worden eeuwig gelijken tred

Page 5

houden. Oude beschavingsvormen sterven af terzelfdertijd en op denzelfden
bodem, waarin het nieuwe voedsel vindt om op te bloeien.
Hier is beproefd om de veertiende en vijftiende eeuw te zien, niet als de
aankondiging der Renaissance, maar als het einde der Middeleeuwen, de
middeleeuwsche beschaving in haar laatste levensgetij, als een boom met
overrijpe vruchten, algeheel ontplooid en ontwikkeld. Het woekeren van
oude, dwingende denkvormen over de levende kern der gedachte, het
verdorren en verstijven van een rijke beschaving,—dat is de hoofdinhoud
van deze bladzijden. De blik is bij het schrijven van dit boek gericht
geweest als in de diepten van een avondhemel,—maar van een hemel vol
bloedig rood, zwaar en woest van dreigend loodgrijs, vol valschen koperen
schijn.
Overzie ik het geschrevene, dan rijst de vraag, of niet, wanneer de blik nog
langer op dien avondhemel had gerust, de troebele kleuren zich toch nog
zouden hebben opgelost in louter klaarheid. Het schijnt wel, dat het beeld,
nu ik het lijn en kleur gegeven heb, toch somberder en minder sereen is
geworden, dan ik het meende te ontwaren, toen ik den arbeid begon. Het
kan licht gebeuren, dat men, de opmerkzaamheid steeds gericht op
neergaan, uitleven en verwelken, te veel van de schaduw des doods over het
werk laat vallen.

Het uitgangspunt van het werk is geweest de behoefte, om de kunst der Van
Eyck's en hun volgers beter te verstaan, ze te begrijpen in haar samenhang
met het gansche leven van den tijd. De Bourgondische samenleving was de
eenheid, die ik in het oog wilde vatten: het scheen mogelijk, deze te zien als
een even afgeronde beschavingskring als het Italiaansche quattrocento, en
de titel van het boek was eerst bestemd te luiden: De eeuw van Bourgondië.
Doch naarmate de strekking der beschouwingen algemeener werd, moest
die begrenzing worden opgegeven; slechts in zeer beperkten zin viel er een
eenheid van Bourgondische cultuur te postuleeren; het niet-Bourgondische
Frankrijk eischte minstens evenveel aandacht. Zoo kwam in de plaats van
Bourgondië de tweeledigheid: Frankrijk en de Nederlanden, en dat een zeer
ongelijke. Want in een beschouwing over de afstervende middeleeuwsche
cultuur in het algemeen moest het Nederlandsche element bij het Fransche
verre achter blijven; slechts op die gebieden, waar het eigen beteekenis

Page 6

heeft: dat van het godsdienstig leven en dat der kunst, komt het uitvoeriger
ter sprake. Dat in het tiende hoofdstuk de gestelde aardrijkskundige grenzen
even zijn overschreden, om naast Ruusbroec en Dionysius den Kartuizer
ook Eckhart, Suso en Tauler tot getuigen te kunnen roepen, zal wel geen
verdediging behoeven.
Hoe gering lijkt mij het getal der doorgelezen geschriften uit de veertiende
en vijftiende eeuw, vergeleken bij alles, wat ik nog wel had willen lezen.
Hoe gaarne had ik naast de reeks van hoofdtypen der verschillende
geestesrichtingen, op welke de voorstelling veelal is gebaseerd, nog tal van
andere gesteld. Doch indien het onder de geschiedschrijvers meer dan
anderen Froissart en Chastellain zijn, die ik aanhaal, onder de dichters
Eustache Deschamps, onder de theologen Jean Gerson en Dionysius de
Kartuizer, onder de schilders Jan van Eyck,—dan ligt dit niet enkel aan
beperktheid van mijn materiaal, maar meer nog aan het feit, dat dezen door
den rijkdom en het scherp eigenaardige van hun uitingen bij uitstek de
spiegel zijn van den geest dier tijden.
Vormen van het leven en van de gedachte zijn het, wier beschrijving hier
beproefd is. Den wezenlijken inhoud te benaderen, die in die vormen heeft
gerust,—zal het ooit het werk zijn van geschiedkundig onderzoek?
Leiden, 31 Januari 1919.

INHOUD

I. 's Levens felheid

II. De zucht naar schooner leven

III. De heldendroom

IV. De vormen der liefde

Page 7

V. Het beeld van den dood

VI. De teugellooze verbeelding van het heilige

VII. De godsdienstige persoonlijkheid

VIII. Aandoening en verbeelding

IX. Verbeelding en gedachte

X. Het falen der verbeelding

XI. De denkvormen in de praktijk

XII. De kunst in het leven

XIII. Het beeld en het woord

XIV. Het komen van den nieuwen vorm

Register.

Page 8

I
'S LEVENS FELHEID

Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel
scherper uiterlijke vormen dan nu. Tusschen leed en vreugde, tusschen
rampen en geluk scheen de afstand grooter dan voor ons; al wat men
beleefde had nog dien graad van onmiddellijkheid en absoluutheid, dien de
vreugd en het leed nu nog hebben in den kindergeest. Elke
levensgebeurtenis, elke daad was omringd met nadrukkelijke en
uitdrukkelijke vormen, was getild op de verhevenheid van een strakken,
vasten levensstijl. De groote dingen: de geboorte, het huwelijk, het sterven,
stonden door het sacrament in den glans van het mysterie. Maar ook de
geringer gevallen: een reis, een arbeid, een bezoek, waren begeleid door
duizend zegens, ceremonies, spreuken, omgangsvormen.
Tegen rampen en gebrek was minder verzachting dan nu; zij kwamen
geduchter en kwellender. Ziekte stak sterker af bij gezondheid; de barre
koude en het bange duister van den winter waren een wezenlijker kwaad.
Eer en rijkdom werden inniger en gretiger genoten, want zij staken nog
feller dan nu af bij de jammerende armoede en verworpenheid. Een bonten
tabbert, een helder haardvuur, dronk en scherts en een zacht bed hadden nog
dat hooge genotsgehalte, dat misschien door de Engelsche novelle in de
beschrijving der levensvreugde het langst is beleden en het levendigst
ingeboezemd. En al de dingen des levens hadden een pronkende en
gruwelijke openbaarheid. De leprozen klepten met hun ratel, en hielden
ommetochten, de bedelaars jammerden in de kerken en stalden er hun
wanstaltigheid uit. Elke stand, elke orde, elk bedrijf was kenbaar aan zijn
kleed. De groote heeren bewogen zich nooit zonder pralend vertoon van
wapens en livreien, ontzagwekkend en benijd. Rechtspleging, venten van
koopwaar, bruiloft en begrafenis, het kondigde zich alles luide aan met
ommegang, kreet, klaagroep en muziek. De verliefde droeg het teeken van

Page 9

zijn dame, de genooten het embleem van hun broederschap, de partij de
kleuren en blazoenen van hun heer.
Ook in het uiterlijk aanschijn van stad en land heerschte die tegenstelling en
die bontheid. De stad verliep niet zooals onze steden in slordig aangelegde
buitenwijken van dorre fabrieken en onnoozele landhuisjes, maar lag in
haar muur besloten, een afgerond beeld, stekelig van tallooze torens. Zoo
hoog en zwaar de steenen huizen van edelen of koopheeren mochten zijn,
de kerken bleven met hun hoogte en ruimte den aanblik der stad
beheerschen.
Zooals de tegenstelling van zomer en winter sterker was dan in ons leven,
zoo was het die van licht en duister, van stilte en gedruisch. De moderne
stad kent nauwelijks meer het zuivere donker en de zuivere stilte, het effekt
van een enkel lichtje of een enkelen verren roep.
Door het voortdurend contrast, door de bonte vormen, waarmee alles zich
aan den geest opdrong, ging er van het alledaagsche leven een prikkeling,
een hartstochtelijke suggestie uit, welke zich openbaart in die wankele
stemming van ruwe uitgelatenheid, hevige wreedheid, innige verteedering,
waartusschen het middeleeuwsche stadsleven zich beweegt.
Er was één geluid, dat al het gedruisch van het drukke leven steeds weer
overstemde, en dat, hoe bont dooreen-klinkend, toch nooit verward, alles
tijdelijk ophief in een sfeer van orde: de klokken. De klokken waren in het
dagelijksch leven als waarschuwende goede geesten, die met bekende stem
dan rouw, dan blijdschap, dan rust, dan onrust kondigden, dan opriepen, dan
vermaanden. Men kende hen bij gemeenzame namen: de dikke Jacqueline,
klokke Roelant; men wist de beteekenis van kleppen of luiden. Men was
ondanks het overmatig klokgelui niet verstompt voor den klank. Gedurende
het beruchte burgerlijke tweegevecht te Valenciennes, dat in 1455 de stad en
het geheele Bourgondische hof in buitengewone spanning heeft gehouden,
luidde de groote klok, zoolang de strijd duurde, "laquelle fait hideux à oyr",
zegt Chastellain[1]. "Sonner l'effroy", "faire l'effroy" heet het luiden der
alarmklok[2]. Welk een ontzaglijke bedwelming moet het zijn geweest, als
alle kerken en kloosters van Parijs de klokken luidden van den morgen tot
den avond, en zelfs den geheelen nacht, omdat er een paus gekozen was, die

Page 10

een einde aan het schisma zou maken, of om een vrede tusschen
Bourguignon en Armagnac[3].
Van een diep roerende werking moeten ook de processies zijn geweest.
Wanneer het bange tijden waren, en die waren het dikwijls, liepen ze soms
dag aan dag, weken achtereen. In 1412, zoodra men te Parijs wist, dat de
koning zich op vijandelijk gebied bevond, werden er dagelijksche
processies verordend, die van eind Mei tot in Juli duurden, telkens van
andere groepen, orden of gilden, langs andere wegen, met andere relieken:
"les plus piteuses (aandoenlijke) processions qui oncques eussent été veues
de aage de homme." Allen liepen barrevoets en met nuchtere maag, de
heeren van het Parlement zoogoed als de arme burgers, elk die kon met een
kaars of een toorts; er waren steeds veel kleine kinderen bij. Ook uit de
dorpen rondom Parijs kwamen de arme landlieden blootsvoets van ver
geloopen. Men ging of keek het aan "en grant pleur, en grans lermes, en
grant devocion." En bijna al die dagen regende het hard[4].
Dan waren er de vorstelijke intochten. En in nooit onderbroken
veelvuldigheid de terechtstellingen. De wreede prikkeling en de grove
verteedering van het schavot waren een gewichtig element in de geestelijke
voeding van het volk. Het was kijkspel met moraal. Tegen gruwelijke
rooverijen verzon de justitie gruwelijke straffen; een jonge brandstichter en
moordenaar wordt te Brussel met een ketting, die aan een ring om een staak
kan draaien, binnen een kring van brandende takkebossen geplaatst. Hij
stelt zichzelf aan het volk in roerende woorden ten voorbeeld, "et tellement
fit attendrir les coeurs que tout le monde fondoit en larmes de compassion."
"Et fut sa fin recommandée la plus belle que l'on avoit oncques vue"[5].
Messire Manssart du Bois geeft niet alleen den beul gaarne de vergiffenis,
die deze hem vraagt, maar verzoekt hem, hem te kussen. "Foison de peuple
y avoit, qui quasi tous ploroient à chaudes larmes"[6]. Dikwijls waren het
groote heeren; dan genoot het volk de voldoening over het strenge recht en
de ernstige vermaning over de wisselvalligheid van aardsche grootheid
levendiger, dan eenig geschilderd exempel of doodendans het hun geven
kon. De overheid zorgde, dat aan den indruk van het schouwspel niets
ontbrak: in de teekenen van hun grootheid deden de heeren hun droevigen
tocht. Jean de Montaigu, grand maître d'hôtel van den koning, slachtoffer
van den haat van Jan zonder Vrees, rijdt naar het schavot, hoog op een kar

Page 11

gezeten, twee trompetters vooruit; hij draagt zijn staatsiekleed, kaproen,
houppelande en hozen half wit half rood, en gouden sporen aan de voeten;
met die gouden sporen hangt het onthoofde lijk aan de galg. De rijke
kanunnik Nicolas d'Orgemont, le Boiteux d'Orgemont genoemd, wordt in
een vuilniskar door Parijs gevoerd, in een grooten violetten mantel en
kaproen, om de onthoofding van twee genooten aan te zien, vóór hij zelf
veroordeeld werd tot levenslange opsluiting "au pain de doleur et à eaue
d'angoisse". Het hoofd van maître Oudart de Bussy, die een plaats in 't
Parlement geweigerd had, werd op bijzonderen last van Lodewijk XI weer
opgegraven en in een scharlaken kaproen met bont gevoerd "selon la mode
des conseillers de parlement" op de markt te Hesdin tentoongesteld, met een
verklarend rijmpje. De koning zelf schrijft over het geval met grimmige
grappigheid[7].
Zeldzamer dan de processies en de terechtstellingen waren de preeken van
de reizende predikers, die af en toe het volk kwamen schokken met hun
woord. Wij krantenlezers kunnen ons nauwelijks meer de geweldige
werking van het woord op een onverzadigden en onwetenden geest
voorstellen. De volksprediker broer Richard, die als biechtvader Jeanne
d'Arc heeft mogen bijstaan, preekte te Parijs in 1429 tien achtereenvolgende
dagen. Hij begon des morgens om vijf uur en eindigde tusschen tien en elf
uur, meest op het kerkhof der Innocents, onder welks galerijen de beroemde
doodendans geschilderd stond, met den rug naar de open knekelhuizen,
waarin, boven de booggang rondom, de schedels voor het gezicht lagen
opgestapeld. Toen hij na zijn tiende preek meedeelde, dat het de laatste zou
zijn, daar hij geen verlof voor meer had, "les gens grans et petiz plouroient
si piteusement et si fondement, comme s'ilz veissent porter en terre leurs
meilleurs amis, et lui aussi." Als hij eindelijk Parijs gaat verlaten, meent het
volk, dat hij den Zondag nog te St. Denis zal preeken; in groote troepen,
wel zes duizend, zegt de burger van Parijs, trekken zij Zaterdags-avonds uit
de stad, om zich een goede plaats te verzekeren, en overnachten op het
veld[8].
Ook aan den franciscaan Antoine Fradin werd te Parijs het preeken
verboden, omdat hij hevig uitvoer tegen de slechte regeering. Maar juist
daarom was hij het volk lief. Zij bewaakten hem dag en nacht in het
klooster der Cordeliers; de vrouwen stonden er op wacht, met haar munitie
van asch en steenen gereed. Om de proclamatie, die deze wacht verbiedt,

Page 12

lacht men: de koning weet er niets van! Als eindelijk Fradin, verbannen,
toch de stad verlaten moet, doet het volk hem uitgeleide, "crians et
soupirans moult fort son departement"[9].
Wanneer de heilige dominicaan Vincent Ferrer komt preeken, trekt uit alle
steden het volk, de magistraat, de geestelijkheid, tot bisschoppen en
prelaten toe, hem met lofzangen tegemoet, om hem in te halen. Hij reist met
een talrijke schare van volgers, die iederen avond na zonsondergang in
processie rondtrekken met geeseling en zingen. Uit iedere stad vergezellen
hem nieuwe scharen. Hij heeft de verzorging en herberging van al die
volgelingen zorgvuldig geregeld door het aanstellen van onbesproken
mannen tot kwartiermeesters. Tal van priesters uit verschillende orden
reizen mee, om hem voortdurend bij te staan in het hooren der biecht en de
bediening der mis. Een paar notarissen vergezellen hem, om terstond acte
op te maken van de bijlegging der geschillen, die de heilige prediker overal
tot stand brengt. Waar hij preekt, moet een houten getimmerte hem en zijn
gevolg beschutten tegen den aandrang der menigte, die hem hand of kleed
willen kussen. Het handwerk staat stil, zoolang hij preekt. Zelden was het,
dat hij zijn hoorders niet tot weenen bracht, en als hij sprak van het oordeel
en de hellestraffen of van het lijden des Heeren, dan braken zoowel hij als
de hoorders altijd uit in zulk een groot geween, dat hij geruimen tijd moest
zwijgen, totdat het weenen bedaarde. Boosdoeners kwamen zich voor alle
aanwezigen ter aarde werpen, en hun groote zonden met tranen belijden[10].
Het is de stemming der Engelsch-Amerikaansche revivals en van het leger
des heils, maar in het ongemetene en veel meer in het openbaar. Men
behoeft hier aan geen vrome overdrijving van den levensbeschrijver van
Vincent Ferrer te denken; de nuchtere, droge Monstrelet geeft op bijna
gelijke wijze de werking weer, die de karmeliet broeder Thomas in 1428
met zijn preeken in Noord-Frankrijk en Vlaanderen teweegbracht. Ook hem
haalde de magistraat in, terwijl edelen den teugel van zijn muildier hielden;
ook om hem verlieten velen, waaronder heeren, die Monstrelet met name
noemt, huis en gezin, om hem overal te volgen. De aanzienlijke burgers
versierden het hooge gestoelte, dat zij voor hem oprichtten, met de
kostbaarste hangtapijten, die men betalen kon.
Het was naast de lijdensstof en de laatste dingen vooral de bestrijding van
weelde en ijdelheid, waarmee de volkspredikers zoo diep de menschen

Page 13

aangrepen. Het volk, zegt Monstrelet, was broeder Thomas vooral dankbaar
en genegen voor het neerwerpen van praal en opschik en in het bijzonder
voor den blaam, waarmee hij adel en geestelijkheid overlaadde. Hij placht,
wanneer aanzienlijke dames zich met hun hooge puntige kapsels onder zijn
gehoor waagden, de kleine jongens op haar aan te hitsen (met belofte van
aflaat, beweert Monstrelet), met den kreet: au hennin, au hennin! zoodat de
vrouwen gedurende al dien tijd geen hennins meer durfden dragen en
gehuifd gingen als begijnen, "Mais à l'exemple du lymeçon—zegt de
gemoedelijke chroniqueur—lequel quand on passe près de luy retrait ses
cornes par dedens et quand il ne ot (hoort) plus riens les reboute dehors,
ainsy firent ycelles. Car en assez brief terme après que ledit prescheur se
fust départy du pays, elles mesmes recommencèrent comme devant et
oublièrent sa doctrine, et reprinrent petit à petit leur viel estat, tel ou plus
grant qu'elles avoient accoustumé de porter[11]."
Zoowel broer Richard als broer Thomas deden de mutserts der ijdelheden
vlammen, zooals Florence die zestig jaar later op enorme schaal en met
onherstelbaar verlies voor de kunst voor Savonarola ontsteken zou. In Parijs
en Artois in 1428 en 1429 bleef het bij kaarten, verkeerborden,
dobbelsteenen, kapsels en sieradiën, die mannen en vrouwen gewillig
aanbrachten. Deze verbrandingen waren in de 15e eeuw zoowel in Frankrijk
als Italië een zeer veelvuldig element in de groote opwinding, die de
predikers teweegbrachten[12]. De hevige uiting van den afkeer van
ijdelheden en vermaken was reeds een vorm geworden, zooals alles in dien
tijd steeds neigt, vorm te worden.
In deze ontvankelijkheid van gemoed, deze vatbaarheid voor tranen en
geestelijken ommekeer, deze prikkelbaarheid moet men zich indenken, om
te beseffen, welke kleur en felheid het leven had.
Een publieke rouw had toen nog het uiterlijk van een calamiteit. Bij de
begrafenis van Karel VII geraakt het volk buiten zich zelf van aandoening,
als het den stoet ziet: al de hofbeambten "vestus de dueil angoisseux,
lesquelz il faisoit moult piteux veoir; et de la grant tristesse et courroux
qu'on leur veoit porter pour la mort de leurdit maistre, furent grant pleurs et
lamentacions faictes parmy toute ladicte ville." Er waren zes pages van den
koning op geheel in zwart fluweel gedoste paarden. "Et Dieu scet le
doloreux et piteux dueil qu'ilz faisoient pour leur dit maistre!" Een van de

Page 14

knapen had van verdriet in vier dagen niets gegeten of gedronken, vertelde
het volk verteederd. [13]
Het is niet alleen de aandoening van een grooten rouw of over een hevige
predikatie of over de mysteriën van het geloof, die een overvloed van tranen
wekt. Ook bij elke wereldlijke plechtigheid wordt een vloed van tranen
gestort. Een beleefdheidsgezant van den koning van Frankrijk aan Philips
den Goede breekt bij zijn aanspraak herhaaldelijk in tranen uit. Bij het
afscheid van den jongen Jan van Coïmbra van het Bourgondische hof weent
alles luide, evenzoo bij de verwelkoming van den dauphin, bij de
samenkomst der koningen van Engeland en Frankrijk te Ardres. Men zag
Lodewijk XI tranen storten bij zijn intocht in Atrecht; tijdens zijn verblijf
als dauphin aan het Bourgondische hof beschrijft Chastellain hem
herhaaldelijk in snikken en tranen[14]. Er is natuurlijk overdrijving in die
beschrijvingen, het "geen oog bleef droog" van een dagbladbericht. De
bisschop Jean Germain verhaalt, hoe na de treffende aanspraken der
gezanten op het vredescongres te Atrecht in 1435 de toehoorders plat op
den grond vallen, sprakeloos, met zuchten, snikken en gehuil[15]. Doch in
de overdrijving ziet men den achtergrond van waarheid. Het is ermee als
met de tranenvloeden der 18e eeuwsche sentimenteelen. Het weenen was
verheffend en schoon. Wie kent ook nu niet de sterke ontroering, tot
huivering en tranen toe, die een intocht kan teweegbrengen, ook al is de
vorst, dien de praal geldt, ons volkomen onverschillig. Toen werd die
onmiddellijke aandoening gevuld door een half-religieuze vereering van
staatsie en grootheid, en brak zich vrij baan in echte tranen.

Wie het verschil in prikkelbaarheid tusschen de 15e eeuw en onzen tijd niet
ziet, kan het leeren uit een klein voorbeeld op een ander gebied dan dat der
tranen, namelijk dat der heethoofdigheid. Wij kunnen ons waarschijnlijk
moeilijk een vreedzamer en rustiger spel denken dan het schaakspel. La
Marche zegt, dat het dikwijls gebeurt, dat er bij 't schaakspel geschillen
rijzen, "et que le plus saige y pert patience" [16]. Twist van koningszonen
over een spel schaak was in de 15e eeuw nog een even gangbaar motief als
in de Karelromans.

Page 15

Er was in het dagelijksch leven voortdurend een onbegrensde ruimte voor
gloeienden hartstocht en kinderlijke fantazie. De hedendaagsche
wetenschappelijke historie der middeleeuwen, die wegens de
onbetrouwbaarheid der kronieken bij voorkeur zooveel mogelijk uit
officieele oorkonden put, vervalt daardoor wel eens in een gevaarlijke fout.
De oorkonden toonen ons weinig van het verschil in levenstoon, dat ons van
die tijden scheidt. Zij doen ons het felle pathos van het middeleeuwsche
leven vergeten. Van al de hartstochten, die het kleuren, spreken de
oorkonden doorgaans slechts van twee: de hebzucht en den strijdlust, maar
deze zelf zijn in hun felheid niet te begrijpen buiten het verband met de
algemeene hartstochtelijkheid. Daarom blijven de kroniekschrijvers, zij
mogen op het stuk van feitelijkheden nog zoo oppervlakkig zijn en nog zoo
dikwijls dwalen, onmisbaar om den tijd goed te zien.
Het leven had in menig opzicht nog de kleur van het sprookje. Merk op, hoe
archaïsch de hofchronisten, geleerde, aanzienlijke mannen, de vorsten, met
wie zij verkeeren, zien, en stel u dan voor, wat het koningschap in de
volksverbeelding moet zijn geweest. Hier is de jonge Karel de Stoute, nog
graaf van Charolais, die van Sluis te Gorkum aangekomen, daar verneemt,
dat zijn vader de hertog zijn pensie en al zijn beneficiën heeft ingetrokken.
Chastellain beschrijft, hoe nu de graaf zijn gansche hofhouding, tot de
keukenjongens toe, voor zich laat verschijnen, en hun zijn rampspoed
meedeelt in een roerende toespraak, waarin hij zijn eerbied voor den
misleiden vader, zijn zorg voor het wel der zijnen en zijn liefde voor hen
allen betuigt. Die zelf middelen hebben, spoort hij aan, met hem zijn fortuin
af te wachten; die arm zijn, laat hij vrij om heen te gaan, en als zij mochten
hooren, dat 's graven fortuin zich gekeerd heeft, "komt dan terug, en gij zult
allen uw plaats open vinden en zult mij welkom zijn, en ik zal het geduld
beloonen dat gij om mijnentwil hebt gehad."—"Lors oyt-l'on voix lever et
larmes espandre et clameur ruer par commun accord: "Nous tous, nous tous,
monseigneur, vivrons avecques vous et mourrons."—Diep geroerd
aanvaardt Karel hun trouw: "Or vivez doncques et souffrez; et moy je
souffreray pour vous, premier que vous ayez faute." Dan komen de edelen
en bieden hem aan, wat zij bezitten, "disant l'un: j'ay mille, l'autre: dix
mille, l'autre: j'ay cecy, j'ay cela pour mettre pour vous et pour attendre tout
vostre advenir." En zoo ging alles zijn gewonen gang, en er kwam geen kip
minder om in de keuken[17].

Page 16

De uitpenseeling van het tafereel is natuurlijk van Chastellain. Wij weten
niet, in hoeverre zijn verhaal hier het werkelijk gebeurde styleert. Doch
waar het op aankomt: hij ziet den vorst in de eenvoudige vormen van de
volksballade; het geval wordt voor hem geheel beheerscht door de meest
primitieve roerselen van wederzijdsche trouw.
Terwijl het mechanisme van het staatsbestuur en de staatshuishouding in
werkelijkheid reeds gecompliceerde vormen had aangenomen, projecteert
zich het staatsbeleid in den geest des volks in enkele vaste, eenvoudige
figuren. De politieke voorstellingen, waarin men leeft, zijn die van het
volkslied en den ridderroman. Er zijn een beperkt getal koningstypen: de
edele, rechtvaardige vorst, de door booze raden misleide vorst, de vorst
wreker van de eer van zijn geslacht, de vorst in het ongeluk door de trouw
der zijnen gesteund. Het eeuwige wantrouwen, of het geld door de kroon
wel in het algemeen welzijn wordt besteed, vindt zijn uitdrukking in de
steeds terugkeerende voorstellingen: de koning wordt omringd door
hebzuchtige, sluwe raadgevers, of de weelde en overdaad van 's konings
hofhouding is er schuld aan, dat het slecht gaat met het land. Zoo
reduceeren zich de politieke kwesties voor het volk tot de gevallen van de
sproke. Philips de Goede begreep, welke taal het volk verstond. Tijdens zijn
feesten in den Haag in 1456 heeft hij, om indruk te maken op de Hollanders
en Friezen, die zouden meenen, dat het hem aan geld ontbrak om het
bisdom Utrecht te vermeesteren, in een kamer naast de ridderzaal dertig
duizend mark zilver aan kostelijk vaatwerk laten uitstallen. Iedereen mag er
naar komen kijken. Bovendien zijn er uit Rijssel twee geldkisten
meegebracht met tweehonderdduizend gouden leeuwen. Men mag
beproeven, ze op te lichten, maar het is moeite vergeefsch[18]. Kan er
opvoedkundiger vermenging van staatscrediet en kermisvermaak bedacht
worden?
Het vorstelijk leven en bedrijf had nog menigmaal een fantastisch element,
dat ons aan den khalief uit Duizend en één Nacht herinnert. Zij handelen te
midden van de koel berekende politieke ondernemingen soms met een
roekelooze onstuimigheid, die om een persoonlijke gril hun leven en hun
werk in gevaar brengt. Eduard III waagt er zichzelf, den prins van Wales en
de zaak van zijn land aan, om een vloot van spaansche koopvaarders aan te
vallen, ter vergelding van eenige zeerooverij [19].—Philips de Goede heeft
er zijn zinnen op gezet, een zijner archers te huwen aan een rijke

Page 17

brouwersdochter uit Rijssel. Toen de vader dit tegenwerkt en er het
Parlement van Parijs inhaalt, breekt de hertog, in woede ontstoken, de
gewichtige staatsbesognes, die hem in Holland hielden, plotseling af, en
onderneemt, in den heiligen tijd vlak voor Paschen nog wel, een gevaarlijke
zeereis van Rotterdam naar Sluis, om zijn zin door te drijven[20]. Een
andermaal is hij in zinneloozen toorn om een twist met zijn zoon als een
weggeloopen schooljongen stil uit Brussel gereden, en verdwaalt 's nachts
in het bosch. Als hij weer terecht is, valt de hachelijke taak, om hem weer in
zijn gewone doen te brengen, den ridder Philippe Pot te beurt. De handige
hoveling vindt het rechte woord: "Bonjour monseigneur, bonjour, qu'est
cecy? Faites-vous du roy Artus maintenant ou de messire Lancelot?"[21]
Hoe khaliefachtig doet het aan, wanneer dezelfde hertog, als de
geneesheeren hem hebben voorgeschreven, zich het hoofd kaal te laten
scheren, gelast, dat alle edelen zullen doen als hij, en Peter van Hagenbach
opdraagt, om waar hij een edelman ongeschoren vond, hem van zijn
haardos te ontdoen[22]. Of wanneer de jonge koning van Frankrijk Karel VI,
met een vriend op één paard, vermomd den intocht van zijn eigen bruid,
Isabella van Beieren, gaat zien, en in 't gedrang klappen oploopt van de
dienders[23].—Een dichter uit de XVe eeuw laakt het, dat de vorsten hun nar
of speelman tot hofraad en minister verheffen, gelijk Coquinet le fou de
Bourgogne[24].
Een andere gewoonte herinnert aan figuren, die tot in de laatste dagen van
het tsarisme hun invloed aan het Russische hof hadden: de vorsten der XVe
eeuw zoeken herhaaldelijk raad in staatszaken bij de visionaire asceten en
de geëxalteerde volkspredikers. Dionysius de Kartuizer, Vincent Ferrer
traden als politieke raadgevers op; de luidruchtige prediker Olivier
Maillard, een Fransche Brugman, was in de heimelijkste onderhandelingen
van vorstenhoven gemengd[25]. Een element van godsdienstige spanning
werd zoodoende levend gehouden in de hooge staatkunde.
Het was niet door roekeloos avontuurlijke daden en woeste grillen alleen,
dat het vorstenleven voortdurend in de sfeer van het romantische bleef. De
bloedige tragiek van het koningschap heeft zelden zoo aanhoudend het
tooneel van Europa vervuld met den aanblik van aangrijpende lotswisseling
als in de XIVe en XVe eeuw. In het Duitsche Rijk en in Engeland in één jaar

Page 18

tijds een koning onttroond. De wildste verhalen liepen van Wenzel, den
dronkaard, die de Duitsche landen verwaarloosde, terwijl de Turken steeds
dreigender naderden. De koningin zou des nachts door zijn woeste
losgebroken honden zijn verscheurd. De geheimzinnige dood van Richard
II van Engeland, na zijn verbazenden val, riep dien van Eduard II, zeventig
jaren eerder, in het geheugen terug. In Frankrijk een waanzinnige op den
troon, en 't land door wilde partijtwist verscheurd. En de gansche
christenheid verdeeld door het groote schisma: twee pausen, drie welhaast,
die om de macht streden. "Le Pappe de la Lune" noemde men in Frankrijk
den paus van Avignon, Benedictus XIII, den Aragonees Peter van Luna: het
moet voor het volk een half ijlhoofdigen klank hebben gehad. De twee
schreeuwende moorden van 1407 en 1419: op Lodewijk van Orleans en op
Jan zonder Vrees, hebben met hun eindeloozen nasleep van wraakzucht en
oorlog aan de Fransche geschiedenis eener gansche eeuw een grondtoon
van somberen haat gegeven.
Men kon de wisselvalligheid der vorstelijke fortuin, zooals ieder haar voor
oogen had in het beeld van het wiel, waar zij aftuimelen met hun schepters
en kronen, niet beter belichaamd zien dan in René van Anjou, die altijd
weer de hoogste kansen had gemist, die getracht had naar de kronen van
Hongarije, Sicilië en Jeruzalem, en niet anders vond dan nederlagen,
moeilijke ontvluchtingen, lange gevangenschappen. De dichter-koning
zonder troon, die zich vermeide in herderdicht en miniatuurkunst, moet wel
van een diep gewortelde frivoliteit zijn geweest, of het lot zou hem hebben
genezen. Bijna al zijn kinderen had hij zien sterven, en de dochter, die hem
gebleven was, had een lot, dat in zwarte droefheid het zijne overtrof.
Margareta van Anjou, vol geest, eerzucht en hartstocht, had, zestien jaar
oud, den koning van Engeland gehuwd, Hendrik VI, een onnoozele. Het
Engelsche hof was een hel van haat. Toen eindelijk de groote familiestrijd
in de phase van bloedig geweld was gekomen, verloor Margareta kroon en
rijkdom. Zij had het ergste gevaar en den bittersten nood gekend; aan de
erbarming van een struikroover had zij zich en haar zoon moeten
toevertrouwen. Zij had bij de mis een Schotschen boogschutter om een
penning moeten vragen voor een offer, "qui demy à dur et à regret luy tira
un gros d'Escosse de sa bourse et le luy presta". Toen Chastellain het
aandoenlijk verhaal van haar rampspoed en zwerftochten uit haar mond
vernam, en haar tot troost een Temple de Bocace[26] wijdde, "aucun petit

Page 19

traité de fortune, prenant pied sur son inconstance et déceveuse nature", een
sombere galerij van vorstenongeluk, toen stond haar het ergste nog te
wachten: bij Tewkesbury in 1471 de Lancaster's voorgoed verslagen, haar
eenige zoon in den slag gevallen of na den slag vermoord, haar gemaal
heimelijk omgebracht, zijzelf vijf jaren in den Tower, om tenslotte door
Eduard IV aan Lodewijk XI te worden verkocht, wien zij tot dank voor haar
bevrijding afstand moest doen van de erfenis van haar vader, koning René.
Waar de echte koningskinderen zulk een lot beleefden, hoe zou daar een
burger van Parijs anders dan geloof schenken aan het verhaal, waarmee in
1427 een troep Zigeuners in de stad kwam? Zij kwamen als boetelingen,
"ung duc et ung conte et dix hommes tous à cheval", de rest, een 120 sterk,
moest buiten blijven. Uit Egypte waren zij, de paus had hun als boete voor
hun afval van het christelijk geloof opgelegd om zeven jaar te zwerven,
zonder in een bed te slapen. Zij waren wel 1200 geweest, maar hun koning
en koningin en al de anderen waren onderweg gestorven. Tot eenig solaas
had de paus gelast, dat ieder bisschop en abt hun tien pond tournoois zou
geven. De Parijzenaars kwamen in groote menigte naar het vreemde volkje
kijken, en lieten zich de hand lezen door de vrouwen, die den lieden het
geld uit hun beurzen in de hare deden verhuizen "par art magicque au
autrement"[27].
Er lag om het vorstenleven een sfeer van avontuur en van hartstocht. Het
was niet louter de volksverbeelding, die het die kleur leende. De moderne
mensch maakt zich doorgaans geen voorstelling van de teugellooze
buitensporigheid en ontvlambaarheid van het middeleeuwsch gemoed. Men
kan uit de oorkonden een beeld ontwerpen van een stuk middeleeuwsche
geschiedenis, dat er juist zoo uitziet als achttiendeëeuwsche ministers- en
gezanten-politiek. Maar zulk een beeld mist één gewichtig element: de felle
kleur van den geweldigen hartstocht, die èn de volken èn de vorsten heeft
bezield. Zonder twijfel is dat element ook nú nog in de staatkunde
aanwezig, maar het vindt meer remmen en beletselen, het is op honderden
wijzen door het ingewikkelde mechanisme van het gemeenschapsleven in
vaste banen geleid. In de vijftiende eeuw komt in de politieke daad nog een
mate van onmiddellijk affect tot uiting, waardoor nut en berekening telkens
worden doorbroken. Gaat dat affect gepaard met machtsgevoel, zooals bij
de vorsten, dan werkt het dubbel heftig. Chastellain drukt het in zijn deftige
termen bondig uit. Het is geen wonder, zegt hij, dat vorsten dikwijls met

Page 20

elkaar in vijandschap leven, "puisque les princes sont hommes, et leurs
affaires sont haulx et agus, et leurs natures sont subgettes à passions
maintes comme à haine et envie, et sont leurs coeurs vray habitacle d'icelles
(des passions) à cause de leur gloire en régner"[28]. Dit is, wat Burckhardt
"das Pathos der Herrschaft" noemt.
Wie de geschiedenis van Bourgondië wilde schrijven, moest steeds weer
een wraakmotief kunnen doen klinken, zoo zwart als een katafalk, dat u bij
elke daad in den raad en te velde, den bitteren smaak gaf te proeven van
hun geest vol sombere wraakgierigheid en verscheurden hoogmoed. Zeker,
het zou onnoozel zijn, om weer te willen terugkeeren tot het gezicht, dat de
vijftiende eeuw zelf op de geschiedenis had. Het gaat niet aan, de geheele
machtstegenstelling, waaruit de eeuwenlange strijd van Frankrijk en de
Habsburgers is gegroeid, te willen afleiden uit de bloedwraak tusschen
Orleans en Bourgondië, de twee takken van het huis Valois. Wanneer men
zich maar bewust blijft, dat voor den tijdgenoot die bloedwraak het
beheerschende moment van de lotgevallen hunner landen was. Philips de
Goede is voor hen in de eerste plaats de wreker, "celluy qui pour vengier
l'outraige fait sur la personne du duc Jehan soustint la gherre seize ans"[29].
Als een heilige taak had Philips het op zich genomen: "en toute criminelle
et mortelle aigreur, il tireroit à la vengeance du mort, si avant que Dieu luy
vouldroit permettre; et y mettroit corps et âme, substance et pays tout en
l'aventure et en la disposition de fortune, plus réputant oeuvre salutaire et
agréable à Dieu de y entendre que de le laisser". Het was den Dominicaan,
die bij den lijkdienst voor den vermoorden hertog de predikatie hield, euvel
aangerekend, dat hij op den christenplicht om niet te wreken gewezen had
[30]. Al de staten van zijn landen riepen met hem om wraak, zegt La

Marche[31].
Het tractaat van Atrecht, dat in 1435 den vrede tusschen Frankrijk en
Bourgondië schijnt te zullen brengen, begint met de boete voor den moord
van Montereau; een kapel te stichten in de kerk van Montereau, waar Jan
het eerst begraven was, waar ten eeuwige dage een requiem zal gezongen
worden iederen dag; desgelijks in dezelfde stad een Kartuizerklooster, een
kruis op de brug zelf, waar het feit was bedreven, een mis in de
Kartuizerkerk te Dijon, waar de Bourgondische hertogen begraven liggen
[32]
. Het was maar een deel van al de openbare boete en schande, die de

Page 21

kanselier Rolin namens den hertog geëischt had: kerken met kapittels niet
alleen te Montereau, maar ook te Rome, Gent, Dijon, Parijs, Santiago de
Compostella en Jeruzalem, met opschriften in steen, die het feit verhalen
moesten[33].
Een wraakbehoefte, die zich in zoo wijdloopige vormen kleedde, moet wel
vooraan in den geest hebben gestaan. En wat zou het volk van de
staatkunde hunner vorsten beter hebben begrepen dan deze eenvoudige,
primitieve motieven van haat en wraak? De aanhankelijkheid aan den vorst
was van een kinderlijk impulsief karakter, een onmiddellijk gevoel van
trouw en gemeenschap. Het is een uitbreiding van het oude sterke besef, dat
de eedhelpers aan den klager, de mannen aan hun heer bond, en dat in veete
en strijd tot allesvergetenden hartstocht aangloeide. Het is partijgevoel,
geen staatsgevoel. De latere middeleeuwen zijn de tijd der groote
partijstrijden. In Italië consolideeren de partijen zich reeds in de 13e eeuw,
in Frankrijk en de Nederlanden rijzen ze overal omhoog in de 14e. Iedereen,
die de geschiedenis van die tijden bestudeert, moet wel eens getroffen zijn
door de gebrekkigheid, waarmee die partijschappen door de moderne
geschiedvorsching uit economisch-politieke oorzaken worden verklaard. De
economische tegenstellingen, die men eraan ten grondslag legt, zijn veelal
louter schematische constructies, die men met den besten wil niet uit de
bronnen kan aflezen. Zonder de aanwezigheid van economische oorzaken te
loochenen, is men geneigd te vragen, of ter verklaring van den laat-
middeleeuwschen partijstrijd een politisch-psychologisch gezichtspunt niet
meer profijt oplevert dan een politisch- economisch. Op de onmiddellijke
basis van hartstochtelijke trouw, van familietrots en wraakzucht kan men de
partijen als 't ware zien agglomereeren uit de beperkte veeten van den
zuiver-feodalen tijd. Met de versterking van de staatsmacht, met de
uitbreiding van de geldmacht nemen de primitieve gevoelens van
solidariteit en gemeenschapseer breeder, openlijker vormen aan. Wanneer
een scherpziend tijdgenoot verklaart, dat voor den haat van Hoekschen en
Kabeljauwschen geen redelijke gronden waren te bespeuren[34], moet men
niet minachtend de schouders ophalen en wijzer willen zijn dan hij.
Hoe hevig de gemoedsbeweging van vorstentrouw werken kon, leest men
op elke bladzijde der middeleeuwsche geschiedenis. De dichter van het
mirakelspel Marieken van Nimwegen vertoont ons, hoe Marieken's kwade

Page 22

moei, na zich met de buurvrouwen half razend gekeven te hebben over den
twist van Arnold en Adolf van Gelre, zich ophangt uit spijt, dat de oude
hertog uit zijn gevangenis is verlost. Blijkbaar was dit dus voor hem een
waarschijnlijk motief. Midden in den nacht laten de schepenen van
Abbeville de klokken luiden, omdat er een bode gekomen is van Karel van
Charolais met verzoek om te bidden voor de genezing zijns vaders. De
verschrikte burgers stroomen ter kerke, ontsteken honderden kaarsen, liggen
geknield of neergeworpen, in tranen, den ganschen nacht, terwijl de
klokken aldoor luiden[35].
Als het volk van Parijs, in 1429 nog Engelsch-Bourgondischgezind,
verneemt, dat broeder Richard, die hen nog pas zoo innig had aangegrepen
met zijn preeken, een Armagnac is, en de steden heimelijk ompraat, dan
vervloeken zij hem bij God en de heiligen; voor den tinnen penning met den
naam van Jezus, dien hij hun gegeven had, nemen zij het Andrieskruis, het
partijteeken van Bourgondië. Zelfs het hervatten van de dobbelspelen,
waartegen broer Richard geijverd had, geschiedde, meent de burger van
Parijs, "en despit de luy"[36].
Men zou meenen, dat het schisma tusschen Avignon en Rome, dat geen
dogmatischen grond had, geen geloofshartstocht kon hebben gewekt in de
landen, ver van de beide centra verwijderd. Toch ontwikkelt zich ook daar
het schisma onmiddellijk tot een felle en hevig bewogen partijzaak, tot een
tegenstelling als van geloovigen en ongeloovigen. Wanneer Brugge
overgaat van den paus te Rome tot dien van Avignon, verlaten tal van lieden
huis en stad, bedrijf of prebende, om in Utrecht, Luik of een ander gebied
der urbanistische obedientie naar hún partij te kunnen leven[37]. Te
Rozebeke in 1382 is de Fransche legeraanvoering in twijfel, of men tegen
de opstandige Vlamingen de oriflamme, de heilige koningsvaan, zal
ontplooien of niet. De beslissing valt: ja, want die Vlamingen zijn
urbanisten, dus ongeloovigen[38]. Pierre Salmon kon te Utrecht geen
priester vinden, die hem zijn paasch wil laten vieren, "pour ce qu'ils disoient
que je estoie scismatique et que je créoie en Benedic l'antipape", zoodat hij
alleen in een kapel gaat biechten, alsof hij 't voor een priester deed, en de
mis hoort in het Kartuizerklooster [39].
Het sterk bewogen karakter van partijgevoel en vorstentrouw werd nog
verhoogd door de machtige suggestieve werking, die er uitging van al de

Page 23

partijteekens, kleuren, emblemen, deviezen, kreten, die elkander somtijds in
bonte wisseling opvolgden, meestal zwanger van moord en doodslag, een
enkele maal teeken van blijder dingen. Wel twee duizend personen trokken
in 1380 den jongen Karel VI bij zijn intocht in Parijs tegemoet, allen gelijk
gekleed in half groen half wit. Tot driemaal toe zag men in de jaren 1411 tot
1413 heel Parijs plotseling met ander kenteeken getooid: paarse kaproenen
met het Andrieskruis, witte kaproenen, dan weer violette. Geestelijken,
vrouwen en kinderen droegen ze. Tijdens het schrikbewind der
Bourguignons te Parijs in 1411 werden iederen Zondag de Armagnacs
onder klokgelui geëxcommuniceerd; men behing de heiligenbeelden met
het Andrieskruis, ja, sommige priesters wilden bij de mis en bij den doop
het kruisteeken niet recht maken, zooals de Heer gekruist was, maar
maakten het schuins[40].
De blinde hartstocht, waarmee men zijn partij, zijn heer of ook zijn eigen
zaak volgde, was mede een uitingsvorm van het muurvaste, steenharde
rechtsgevoel, de onwrikbare verzekerdheid, dat elke daad haar uiterste
vergelding eischt. Het middeleeuwsche gerechtigheidsgevoel was voor drie
kwart heidensch. Het was wraakbehoefte. De kerk had wel de
rechtsgewoonten getracht te verzachten door aandrang op zachtmoedigheid,
vrede, vergevensgezindheid, maar het eigenlijke rechtsgevoel had zij
daarmee niet veranderd. Integendeel, zij had het geëxaspereerd, door aan de
vergeldingsbehoefte den haat tegen de zonde toe te voegen. De zonde nu,
dat was al te vaak: wat mijn vijand doet. Er was een enorme spanning
gekomen van barbaarsch-religieus gerechtigheidsgevoel; onder invloed van
de zonde-opvatting was de afkoopbaarheid van het misdrijf meer en meer
teruggedrongen, en zoo is het einde der middeleeuwen de bedwelmende
bloeitijd van pijnlijke gerechtigheid en justitieele wreedheid geworden.
Daar was geen oogenblik van twijfel, of de boosdoener zijn recht verdiend
had. Daar was innige voldoening over treffende daden van justitie, door den
vorst zelf verricht. Daar waren vlagen van straffe gerechtigheid, dan tegen
roovers en geboefte, dan tegen heksen en toovenaars, dan tegen sodomie.
Wat in de justitieele wreedheid der late middeleeuwen treft, is geen
ziekelijke perversiteit maar het dierlijke, verstompte jolijt, dat het volk erin
had, de kermisvreugde ervan. Die van Mons koopen een rooverhoofdman
tegen veel te hoogen prijs, voor het genoegen van hem te vierendeelen,
"dont le peuple fust plus joyeulx que si un nouveau corps sainct estoit

Page 24

ressuscité"[41]. Tijdens de gevangenschap van Maximiliaan te Brugge in
1488 staat op de markt, waar de gevangen koning het kan zien, de pijnbank
op een hooge estrade, en het volk krijgt er niet genoeg van, de van verraad
verdachte magistraatspersonen telkens weer te zien pijnigen, en weerhoudt
de executie, waar dezen om smeeken, om nieuwe kwellingen te
genieten[42].
Tot welke onchristelijke uitersten juist de vermenging van geloof en
wraakzucht leidde, bewijst de gewoonte, die in Frankrijk en Engeland
heerschte, om den terdoodveroordeelde niet alleen het viaticum maar ook
de biecht te weigeren. Men wilde hun ziel niet redden, men wilde hun
doodsangst verzwaren met de zekerheid der hellestraf. Vergeefs had paus
Clemens V in 1311 gelast, althans het boetsacrament toe te staan. De
politieke idealist Philippe de Mézières drong er opnieuw op aan, eerst bij
Karel V van Frankrijk, toen bij Karel VI. Doch de kanselier Pierre
d'Orgemont, wiens "forte cervelle", zegt Mézières, moeilijker om te keeren
was dan een molensteen, verzette er zich tegen, en Karel V, de wijze,
vreedzame koning, verklaarde, dat bij zijn leven de gewoonte niet
veranderd zou worden. Eerst toen de stem van Jean Gerson zich bij die van
Mézières voegde met een vijftal consideraties tegen het misbruik, gelastte
een koninklijk edict van 12 febr. 1397 den veroordeelde de biecht toe te
staan. Pierre de Craon, aan wiens bemoeiing het besluit te danken was,
richtte een steenen kruis op bij de galg van Parijs, waar de Minderbroeders
de berouwvolle misdadigers konden bijstaan[43]. Toch verdween ook toen
de oude gewoonte nog niet uit de volkszeden; nog kort na 1500 moet de
bisschop van Parijs, Etienne Ponchier, het statuut van Clemens V
hernieuwen. In 1427 wordt een roofziek jonker te Parijs gehangen. Bij de
terechtstelling komt een aanzienlijk ambtenaar, groot tresorier in dienst van
den regent, zijn haat tegen den veroordeelde luchten; hij belet, dat hem de
confessie wordt toegestaan, die hij vraagt; hij klimt scheldende achter hem
de ladder op, slaat hem met een stok, ranselt den beul, omdat die hem naar
de redding van zijn ziel vraagt. De beul, verschrikt, overhaast zich, de strop
breekt, de arme misdadiger valt, breekt been en ribben, en moet zoo de
ladder weer op [44].
In de middeleeuwen ontbreken al de gevoelens, die ons besef van justitie
schuchter en weifelend hebben gemaakt: het inzicht in halve

Page 25

toerekenbaarheid, het besef van 's rechters feilbaarheid, het besef, dat de
maatschappij mee schuld heeft aan het misdrijf van den enkele, de vraag, of
men hem niet kan verbeteren in plaats van hem te doen lijden. Of misschien
beter gezegd: die gevoelens ontbraken niet, maar waren onuitgedrukt
vereenigd in een onmiddellijke aandoening van barmhartigheid en
vergiffenis, die, onafhankelijk van de schuld, telkens weer de wreede
voldoening over het gedane recht komt breken. Waar wij een aarzelend en
half schuldbewust toemeten van verzachte straffen kennen, daar kent de
middeleeuwsche justitie slechts de twee uitersten: de volle maat van wreede
straf en de genade. Bij het schenken van genade wordt veel minder dan
thans gevraagd, of de schuldige om bijzondere redenen de gratie verdient:
voor elke schuld, ook de klaarblijkelijkste, is volle kwijtschelding te allen
tijde gepast. In de praktijk gaf bij die kwijtscheldingen niet altijd de zuivere
barmhartigheid den doorslag. Het is verbazend, met welk een
gelijkmoedigheid de tijdgenooten vertellen, hoe de tusschenkomst van
aanzienlijke verwanten een misdadiger "lettres de rémission" bezorgen.
Niettemin gelden de meeste van die brieven geen aanzienlijken overtreders
maar armen lieden uit het volk, die geen hooge voorspraak gehad
hebben[45].
De onmiddellijke tegenstelling van hardvochtigheid en barmhartigheid
beheerscht ook buiten de rechtspleging de zeden. Aan de eene zijde de
vreeselijkste hardvochtigheid tegen misdeelden en gebrekkigen, aan de
andere die ontzaglijke verteedering, dat innig gevoel van verwantschap
voor zieken, armen en gekken, zooals wij het, samen met de wreedheid, nog
uit de Russische litteratuur kennen. Het genot in terechtstellingen wordt
althans nog begeleid en tot zekere hoogte gerechtvaardigd door een sterk
bevredigd rechtsgevoel. In de ongeloofelijke, naïeve hardheid,
onkieschheid, den wreeden spot, het leedvermaak, waarmee men het
ongeluk der ellendigen beschouwt, ontbreekt zelfs het veredelend element
van het bevredigd rechtsgevoel. De kroniekschrijver Pierre de Fenin besluit
het verhaal van het omkomen eener rooverbende met de woorden: "et
faisoit-on grant risée, pour ce que c'estoient tous gens de povre estat"[46].
Te Parijs wordt in 1425 een "esbatement" gehouden van vier geharnaste
blinden, die om een big vechten. Daags te voren trekken zij geharnast door

Page 26

de stad, voorop een doedelzakspeler en een man met een groote vlag,
waarop de big geschilderd staat[47].
Velazquez heeft ons de innig droevige tronies bewaard van de
dwerginnetjes, die als zottinnen aan het Spaansche hof in zijn tijd nog in
eere waren. Zij waren een gezocht voorwerp van vermaak aan de
vorstenhoven der 15e eeuw. Bij de kunstige "entremets" der groote
hoffeesten vertoonden zij haar kunsten en haar mismaaktheid. Madame
d'Or, de goudblonde dwergin van Philips van Bourgondië, was algemeen
bekend. Men liet haar worstelen met den acrobaat Hans[48]. Bij de
huwelijksfeesten van 1468 komt Madame de Beaugrant, "la naine de
Mademoiselle de Bourgogne", gedost als herderin, binnenrijden op een
gouden leeuw, grooter dan een paard. De leeuw kan den bek open en dicht
doen en zingt een welkomstliedje; het herderinnetje wordt cadeau gedaan
aan de jonge hertogin en op tafel gezet[49]. Wij kennen geen klachten over
het lot van die vrouwtjes, wel posten uit rekeningen, die ons nog iets meer
zeggen. Zij spreken ervan, hoe een hertogin zulk een dwergje liet halen uit
haar ouderlijk huis, hoe de moeder of de vader haar kwamen brengen, hoe
ze haar ook later af en toe kwamen bezoeken, en dan een fooi kregen. "Au
pere de Belon la folle, qui estoit venu veoir sa fille...." Ging de vader
verheugd en hoogvereerd over den hofdienst van zijn dochter naar huis? In
hetzelfde jaar leverde een slotemaker te Blois twee ijzeren halsbanden, één
"pour attacher Belon la folle et l'autre pour mettre au col de la cingesse de
Madame la Duchesse"[50].
Hoe de krankzinnigen behandeld werden, kan men afmeten naar een bericht
omtrent de verzorging van Karel VI, die als koning toch een verpleging
genoot, die gunstig afweek van wat anderen ondervonden. Om den armen
waanzinnige te verschoonen, wist men niets beters te bedenken, dan hem te
laten verrassen door twaalf zwartgemaakte mannen, alsof de duivelen hem
kwamen halen[51].
Er is in de hardvochtigheid van die tijden een mate van "ingénu", die ons de
veroordeeling op de lippen doet besterven. Temidden van een pestepidemie,
die Parijs teisterde, verzoeken de hertogen van Bourgondië en Orleans, om
terwille der verstrooiing een cour d'amours in te stellen [52]. In een pauze
van de gruwelijke moordpartijen op de Armagnacs in 1418, sticht het volk

Page 27

van Parijs in de kerk van Sint Eustathius de broederschap van Sint Andries;
iedereen, priester of leek, draagt een krans van roode rozen; de kerk is er
vol van en geurt "comme s'il fust lavé d'eau rose"[53]. Wanneer de
heksenprocessen, die Atrecht in 1461 als een helsche plaag hadden
geteisterd, tenslotte vernietigd worden, viert de burgerij die zege van het
recht met een wedstrijd in het opvoeren van "folies moralisées", eerste prijs
een zilveren lelie, vierde prijs een paar kapoenen; de gemartelde
slachtoffers waren lang dood[54].
Zoo fel en bont was het leven, zoo verdroeg het den geur van bloed en
rozen dooreen. Tusschen helsche benauwingen en de kinderlijkste pret,
tusschen gruwelijke hardvochtigheid en snikkende verteedering slingert het
als een reus met een kinderhoofd. Tusschen de volstrekte verzaking van alle
wereldsche vreugde en een waanzinnige gehechtheid aan goed en genot,
tusschen duisteren haat en de meest goedlachsche goedmoedigheid leeft het
volk in uitersten.
Van de heldere helft van dat leven is ons maar luttel bewaard: het is, of al de
blijde zachtheid en sereniteit van de ziel der vijftiende eeuw is verzonken in
haar schilderkunst en gekristalliseerd in de ijle reinheid van haar hooge
muziek. De lach van dat geslacht is verstorven, zijn gulle levenslust en
onbekommerde vreugde leeft enkel nog in volkslied en klucht. Er is genoeg,
om bij ons heimwee naar vervlogen schoon van andere tijden ook een
verlangen naar de zonnigheid van de eeuw der van Eyck's te voegen. Maar
wie zich waarlijk in dien tijd verdiept, heeft dikwijls moeite, om het blijde
aspect vast te houden. Want overal buiten de sfeer der kunst heerscht het
donker. In het dreigend waarschuwen der sermoenen, in de moede zuchten
der hoogere litteratuur, in het eentonig relaas der kronieken en oorkonden,
overal schreeuwen de bonte zonden en jammert de ellende.
De tijden na de reformatie hebben de hoofdzonden van hoogmoed, toorn en
hebzucht niet meer gezien in die purperen volbloedigheid en onbeschaamde
vrijpostigheid, waarmee zij wandelden onder de menschheid der vijftiende
eeuw. De onmetelijke hoogmoed van Bourgondië! De gansche geschiedenis
van dat geslacht, van de daad van ridderlijke bravoure, waarvan het
hooggroeiende fortuin van den eersten Philips zijn oorsprong neemt, over
den fellen naijver van Jan zonder Vrees en de zwarte wraakzucht na zijn
dood, over den langen zomer van dien anderen Magnifico, Philips den

Page 28

Goede, tot de waanzinnige halsstarrigheid, waarin de hoogwillende Karel
de Stoute ondergaat, is het niet een poëem van heroïeken hoogmoed? Hun
landen waren de sterkst levende van het Westen: Bourgondië, zwaar van
kracht als zijn wijn, "la colérique Picardie", het gulzige, rijke Vlaanderen.
Het zijn dezelfde landen, waar de pracht van schilderkunst, sculptuur en
muziek opbloeit, en waar het felste wraakrecht heerscht en de
gewelddadigste barbaarschheid zich botviert onder adel en burgers [55].
Geen kwaad is dien tijden meer bewust geweest dan de hebzucht. Men kan
den hoogmoed en de hebzucht tegenover elkander zien als de zonde van
den ouden en van den nieuwen tijd. De hoogmoed is de zonde van het
feodale en hiërarchische tijdperk, waarin bezit en rijkdom weinig mobiel
zijn. Het machtsgevoel zit nog niet in de eerste plaats vast aan den rijkdom;
het is persoonlijker, en de macht moet, om erkend te worden, zich
manifesteeren door groot vertoon, van talrijk gevolg van getrouwen, van
kostbare versiering en indrukwekkend optreden van den machtige. Het
besef van meer te zijn dan een ander mensch wordt door de feodale en
hiërarchische gedachte voortdurend gevoed met levenden vorm; die
meerderheid wordt gevoeld als iets zeer wezenlijks en gerechtvaardigds.
De hoogmoed is een symbolische zonde en een theologische; haar wortels
zitten diep in den grond van alle levens- en wereldbeschouwing. Superbia
was de oorsprong van alle kwaad; Lucifer's hoogmoed was het begin en de
oorzaak van alle verderf. Zoo had Augustinus het gezien, zoo bleef de
voorstelling der lateren: de hoogmoed is de bron van alle zonden, zij
groeien uit hem als wortel en stam[56].
Doch naast het schriftwoord, dat deze opvatting staafde: A superbia initium
sumpsit omnis perditio[57], stond een ander: Radix omnium malorum est
cupiditas[58]. In aansluiting daaraan kon men ook de hebzucht zien als den
wortel van alle kwaad. Want onder cupiditas, dat als zoodanig in de rij der
hoofdzonden geen plaats had, werd hier avaritia verstaan, gelijk zelfs een
andere lezing van den tekst inhield [59]. En het schijnt wel, alsof vooral
sedert de dertiende eeuw de overtuiging, dat het de teugellooze hebzucht is,
die de wereld verderft, in de schatting der geesten den hoogmoed van zijn
plaats als eerste en noodlottigste der zonden verdringt. De oude
theologische vooraanstelling van Superbia wordt overstemd door het steeds
aanzwellend koor van stemmen, die al de ellende der tijden wijten aan de

Page 29

steeds toenemende hebzucht. Hoe heeft niet Dante haar vervloekt: la cieca
cupidigia!
De hebzucht nu mist het symbolisch en theologisch karakter van den
hoogmoed; zij is de natuurlijke en materieele zonde, de zuiver aardsche
drift. Zij is de zonde van het tijdperk, waarin het geldverkeer de
voorwaarden van machtsontwikkeling heeft verplaatst en losgemaakt. De
schatting van menschelijke waardigheid wordt een rekensommetje. Er is
een veel onbegrensder veld geopend voor de bevrediging van toomelooze
begeerten en opeenhooping van schatten. En die schatten hebben nog niet
de spookachtige ontastbaarheid, die het moderne credietwezen aan het
kapitaal heeft gegeven; het is nog het gele goud zelf, dat vooraan in de
voorstelling staat. En de besteding van den rijkdom heeft nog niet het
automatische en mechanische van voortgezette belegging: de bevrediging
ligt nog in de felle uitersten van gierigheid en verspilling. In de laatste
vooral gaat de hebzucht het huwelijk aan met den ouden hoogmoed. Die
was nog zoo sterk en levend: de hierarchisch-feodale gedachte had nog
niets van haar bloei verloren, de lust aan pracht en praal, opschik en staatsie
was nog zoo purperrood.
Juist de verbinding met een primitieven hoogmoed geeft aan de hebzucht
der latere middeleeuwen dat onmiddellijke, hartstochtelijke,
geëxaspereerde, wat latere tijden verloren schijnen te hebben. Het
Protestantisme en de Renaissance hebben in de hebzucht ethischen inhoud
gebracht: haar gelegaliseerd als nuttige voortbrenging van welvaart. Haar
stigma verflauwde, naarmate de loffelijkheid van de verzaking der aardsche
goederen minder overtuigd beleden werd. In de late middeleeuwen
daarentegen kon de geest nog enkel de onopgeloste tegenstelling bevatten
van hebzucht tegenover milddadigheid en vrijwillige armoede.
Overal klinkt uit de litteratuur en de kronieken van dien tijd de bittere haat
tegen de rijken, de klacht over de hebzucht der grooten, van het
spreekwoord tot het vrome tractaat. Het is soms als een vaag besef van
klassenstrijd, uitgedrukt met de middelen van zedelijke verontwaardiging.
Op dit gebied kunnen evengoed de oorkonden als de verhalende bronnen
ons het gevoel van den levenstoon van dien tijd geven, want in alle
bescheiden van processen blinkt de meest onbeschaamde hebzucht.

Page 30

In 1436 was het mogelijk, dat de dienst in een der drukst bezochte kerken
van Parijs 22 dagen stilstond, omdat de bisschop de kerk niet wilde
herwijden, voor hij zekere som van penningen daarvoor ontving van twee
bedelaars, wier handgemeen door een bloedige schram de kerk had ontwijd;
en de stakkers hadden het niet. De bisschop, Jacques du Châtelier, stond dan
ook bekend als "ung homme très pompeux, convoicteux, plus mondain que
son estat ne requeroit". Maar onder zijn opvolger, Denys de Moulins, was
het in 1441 al weer zoo: nu kon er vier maanden lang op het kerkhof "des
Innocents", het vermaardste en gezochtste van Parijs, niet begraven worden
noch ommegang gehouden, omdat de bisschop een hooger recht daarvan
eischte, dan de kerk kon opbrengen. Deze bisschop heette "homme très pou
piteux à quelque personne, s'il ne recevoit argent ou aucun don qui le
vaulsist, et pour vray on disoit qu'il avait plus de cinquante procès en
Parlement, car de lui n'avoit on rien sans procès"[60]. Men moet de
geschiedenis van de "nouveaux riches" van dien tijd, een familie
d'Orgemont bijvoorbeeld, in al de laagheden van hun schraapzucht en
proceszucht vervolgen, om den geweldigen haat van het volk, den toorn van
predikers en dichters te begrijpen, die zonder ophouden over de rijken werd
uitgestort[61].
Het volk kan zijn eigen lot en het gebeuren van den tijd niet anders zien dan
als een altijddurende opeenvolging van wanbestuur en uitzuiging, oorlog en
rooverij, duurte, gebrek en pestilentie. De chronische vormen, die de oorlog
placht aan te nemen, de voortdurende verontrusting van stad en land door
allerlei gevaarlijk geboefte, de eeuwige bedreiging van een harde en
onbetrouwbare justitie, en daarboven nog de druk van helleangst, duivel- en
heksenvrees, hielden een gevoel van algemeene onveiligheid levend, dat
wel geschikt was, den achtergrond van het leven zwart te kleuren. Het zijn
niet alleen de kleinen en armen, wier leven verliep in die hachelijke
onveiligheid, ook in dat van edelen en magistraten zijn de sterkste
lotswisselingen en voortdurende gevaren bijna regel. Mathieu d'Escouchy,
een Picardiër, is een geschiedschrijver, zooals de vijftiende eeuw er zoo
velen oplevert: zijn kroniek, eenvoudig, nauwkeurig, onpartijdig, vervuld
van de gewone vereering voor het ridderideaal en de gewone
moraliseerende strekking, zou ons een eerzaam auteur doen vermoeden, die
aan nauwgezetten historischen arbeid zijn gaven wijdde. Maar welk een
leven is het geweest, dat de uitgever van dit geschiedwerk van den auteur

Page 31

uit de oorkonden aan het licht heeft gebracht![62] Mathieu d'Escouchy
begint zijn magistratenloopbaan als raad, schepen, gezworene, schout
(prévôt) van de stad Péronne tusschen 1440 en 1450. Van den aanvang af
vindt men hem in een soort van veete met de familie van den procureur dier
stad, Jean Froment, een veete, die met processen wordt uitgevochten. Dan is
het de procureur, die d'Escouchy vervolgt wegens valschheid en moord, dan
wegens "excès et attemptaz". De schout op zijn beurt belaagt de weduwe
van zijn vijand met een onderzoek naar tooverij, waarvan zij verdacht
stond; maar de vrouw weet een mandaat te verkrijgen, krachtens hetwelk
d'Escouchy zijn onderzoek in handen der justitie moet stellen. De zaak
komt voor het Parlement van Parijs, en d'Escouchy geraakt voor de eerste
maal in gevangenschap. Nog zesmaal daarna vinden wij hem als
beschuldigde in hechtenis, en eenmaal in krijgsgevangenschap. 't Zijn
telkens ernstige crimineele zaken en meer dan eens zit hij in zware ijzers.
De wedstrijd van wederzijdsche aanklachten tusschen de familie Froment
en d'Escouchy wordt afgewisseld door een gewelddadige ontmoeting,
waarbij de zoon Froment hem wondt. Beiden huren rabauwen, om elkaar
naar 't leven te staan. Nadat deze lange veete uit onzen gezichtskring
verdwenen is, zijn het nieuwe aanslagen; ditmaal wordt de schout verwond
door een monnik; nieuwe klachten, dan in 1461 d'Escouchy's verhuizing
naar Nesle, onder verdenking van euveldaden, naar het schijnt. Dit belet
hem niet, om carrière te maken: hij wordt baljuw, prévôt van Ribemont,
procureur du roi te Saint Quentin; hij wordt geadeld. Na nieuwe
verwondingen, opsluitingen, boeten, vindt men hem in krijgsdienst: hij
strijdt voor den koning bij Montlhéry in 1465 tegen Karel den Stoute, en
wordt er krijgsgevangen gemaakt. Uit een volgenden veldtocht keert hij
verminkt terug. Dan trouwt hij, maar het beduidt niet de intrede in een
rustig leven. Men vindt hem onder de beschuldiging van zegelvervalsching,
gevankelijk naar Parijs gevoerd "comme larron et murdrier", in nieuwe
veete met een magistraat van Compiègne, naar wiens daden hij een
onderzoek moet doen, door pijniging tot bekentenis gebracht en van appel
teruggehouden, veroordeeld, gerehabiliteerd, weer veroordeeld, totdat het
spoor van dit bestaan van haat en vervolging uit de bescheiden verdwijnt.
Overal waar men de lotgevallen naspeurt van de personen, in de bronnen
van dien tijd vermeld, verrijst zulk een beeld van heftig bewogen levens.
Lees bijvoorbeeld de bijzonderheden, die Pierre Champion verzameld heeft

Page 32

over allen, die door Villon in zijn Testament zijn bedacht of genoemd[63], of
de aanteekeningen van Tuetey op het dagboek van den burger van Parijs.
Het zijn processen, misdrijven, twisten en vervolgingen zonder eind, die
ons treffen. En dit zijn de levens van willekeurige lieden, uit rechterlijke,
kerkelijke of andere bescheiden opgediept. Kronieken als die van Jacques
du Clercq, een verzameling van euveldaden, kunnen een te zwart beeld van
den tijd geven; zelfs de lettres de rémission, die het dagelijksch leven in zoo
levendige nauwkeurigheid voor oogen brengen, kunnen uithoofde van hun
crimineel onderwerp te uitsluitend de booze zijden van het leven belichten.
Doch elke proef, genomen uit willekeurig materiaal, bevestigt de donkerste
voorstellingen.
Het is een booze wereld. Het vuur van haat en geweld brandt hoog, het
onrecht is machtig, de duivel dekt met zijn zwarte vlerken een duistere
aarde. En spoedig wacht der menschheid het eind van alle dingen. Maar de
menschheid bekeert zich niet; de kerk strijdt, predikers en dichters klagen
en vermanen vergeefs.

Page 33

II
DE ZUCHT NAAR SCHOONER LEVEN

Iedere tijd smacht naar een schoonere wereld. Hoe dieper de wanhoop en
verslagenheid over het verwarde heden, des te inniger dat smachten. In het
laatst der middeleeuwen is de grondtoon van het leven die van bittere
zwaarmoedigheid. De toon van moedige levensvreugde en van het
vertrouwen in kracht tot groote daden, zooals die klinkt door de
geschiedenis der Renaissance en door die der Verlichting, wordt in de
Fransch-Bourgondische sfeer der vijftiende eeuw nauwelijks gehoord. Is die
samenleving dan werkelijk ongelukkiger geweest dan andere? Men zou het
soms gelooven. Waar men zoekt in de overlevering van dien tijd: de
geschiedschrijvers, de dichters, de sermoenen en godsdienstige tractaten, en
evengoed de oorkonden, er is haast niet anders in bezonken dan de
herinnering aan twist, haat en boosaardigheid, hebzucht, woestheid en
ellende. Men vraagt zich af: heeft die tijd geen andere vreugden gekend dan
die uit wreedheid, hoogmoed en onmatigheid, is daar nergens zachte
blijdschap en rustig levensgeluk? Het is waar, elke tijd laat in de
overlevering meer sporen na van zijn leed dan van zijn geluk. Het zijn de
rampen, die historie worden. Een onberedeneerde overtuiging zegt ons, dat
de som van alle levensgeluk en blijde vreugde en zoete rust, welke den
menschen ooit beschoren is, in het eene tijdperk niet veel kan verschillen
van het andere. En de glans van het laat-middeleeuwsche geluk is ook niet
geheel vergaan: het herleeft nog in het volkslied, in de muziek, in de stille
verschieten van het landschap en de ernstige aangezichten van het portret.
Doch hier is het verschil: terwijl de achttiende eeuw en de Renaissance de
geluksstemming ook jubelend hebben uitgesproken, en het leven en de
wereld luid hebben geprezen, ziet de Bourgondische tijd, zich zelf en de
wereld beschouwend, schier enkel leed en vertwijfeling. Neem als de uiting
van het Renaissance-gevoel Ulrich von Hutten's enthousiasten uitroep: O
saeculum, o literae! juvat vivere! Of wel deze enkele regels van Poliziano,

Page 34

waarin de heerlijkheid van christelijk geloof en heidensch geluk in één
jubeltoon samensmelten:
"Vergine rilucente
Per te sola si sente
Quanto bene è nel mondo"[64].
Die stemming is aan het Fransche leven van de veertiende en vijftiende
eeuw nog vreemd. Het zijn niet alleen zij, die zich voorgoed van de wereld
hebben afgewend, maar de kroniekschrijvers en modedichters der hoven,
die altijd weer de afgeleefdheid der wereld beklagen en vertwijfelen aan
vrede en gerechtigheid. Niemand heeft zoo eindeloos de klacht herhaald,
dat alle goede dingen de wereld verlaten hebben, als Eustache Deschamps.
"Temps de doleur et de temptacion,
Aages de plour, d'envie et de tourment,
Temps de langour et de dampnacion,
Aages meneur près du definement,
Temps plains d'orreur qui tout fait faussement,
Aages menteur, plain d'orgueil et d'envie,
Temps sanz honeur et sanz vray jugement,
Aage en tristour qui abrege la vie"[65].
In dien toon heeft hij zijn balladen bij tientallen gedicht, eentonige, matte
variaties op één dof thema. Er moet toch wel een sterke zwaarmoedigheid
onder de hoogere standen hebben geheerscht, dat de adel zijn brooddichter
dat geluid zoo dikwijls deed herhalen.
"Toute léesse deffaut,
Tous cueurs ont prins par assaut
Tristesse et merencolie"[66].
Jean Meschinot zingt drie kwart eeuw later dan Deschamps nog in
volkomen denzelfden toon.
"O miserable et très dolente vie!...
La guerre avons, mortalité, famine;
Le froid, le chaud, le jour, la nuit nous mine;
Puces, cirons et tant d'autre vermine

Page 35

Nous guerroyent. Bref, miserere domine
Noz meschans corps, dont le vivre est très court."
Ook deze spreekt steeds weer de bittere overtuiging uit, dat alles slecht gaat
in de wereld: gerechtigheid is zoek, de grooten plunderen de kleinen, en de
kleinen elkander. Zijn hypochondrie brengt hem zelfs, naar zijn zeggen, tot
den rand van den zelfmoord. Hij beschrijft zich zelf:
"Et je, le pouvre escrivain,
Au cueur triste, faible et vain,
Voyant de chascun le dueil,
Soucy me tient en sa main;
Toujours les larmes à l'oeil,
Rien fors mourir je ne vueil"[67].
Alle uitingen van de levensstemming der aanzienlijken bevestigen de
sentimenteele behoefte aan een zwarten dos der ziel. Bijna iedereen komt
getuigen, dat hij niets dan ellende heeft gezien, en dat nog erger te wachten
staat, dat hij den afgelegden levensweg niet zou willen teruggaan. "Moi
douloreux homme, né en eclipse de ténèbres es espesses bruynes de
lamentation", aldus dient Chastellain zich aan[68]. "Tant a souffert La
Marche" heeft de hofpoëet en kroniekschrijver van Karel den Stoute zich tot
devies gekozen; een bitteren smaak vindt hij aan 't leven, en zijn portret
vertoont ons die morose trekken, welke op zooveel beeltenissen van dien
tijd onzen blik boeien[69].
Schijnt er een leven zoo vervuld van aardschen hoogmoed en pralende
genotzucht, en zoo bekroond met welslagen als dat van Philips den Goede?
Toch schuilt ook daaronder de levensmoeheid van den tijd. Als hem de
dood van zijn eenjarig zoontje wordt bericht, zegt hij: "had het God
behaagd, dat ik ook zoo jong gestorven ware, ik zou mij wel gelukkig
achten"[70].
Is het niet opmerkelijk, dat in dezen tijd in het woord melancholie de
beteekenissen van droefgeestigheid, ernstig nadenken en fantazie ineen
vloeien? Zoozeer scheen elke ernstige bezigheid van den geest in het
sombere te moeten overzweven. Froissart zegt van Philips van Artevelde,
die nadenkt over een pas ontvangen tijding: "quant il eut merancoliet une

Page 36

espasse, il s'avisa que il rescriproit aus commissaires dou roi de France"
enz. Deschamps zegt van iets, wat in leelijkheid de verbeelding te boven
gaat: geen schilder is zoo "merencolieux", dat hij het zou kunnen
schilderen[71].
In het pessimisme van deze verzadigden, ontgoochelden, vermoeiden is een
religieus element, doch slechts een gering. Door hun levensmoeheid speelt
zeker ook de verwachting van het naderend einde der wereld, die door de
bloeiend herleefde volksprediking der bedelorden overal met versche
dreiging en verhoogde kleur van verbeelding in het gemoed was gestort. De
duistere en verwarde tijden, de chronische oorlogsellende waren wel
geschikt, die gedachte te versterken. Er schijnt in de laatste jaren der
veertiende eeuw een volksgeloof te zijn geweest, dat sedert het groote
schisma niemand meer in het paradijs was opgenomen[72]. De afkeer van
den ijdelen schijn van het hofleven maakte van zelf rijp, om de wereld
vaarwel te zeggen. Toch is die stemming van depressie, zooals bijna al die
vorstendienaars en hovelingen haar uiten, nauwelijks van godsdienstig
gehalte. Op zijn hoogst hebben de godsdienstige voorstellingen wat kleur
afgegeven op een vlak van eenvoudige levensmoeheid. Het is de zucht, om
het leven en de wereld te smaden, die van wezenlijk godsdienstig besef ver
afstaat. De wereld, zegt Deschamps, is als een kindsche grijsaard; eerst was
hij onschuldig, toen wijs langen tijd, rechtvaardig, deugdzaam en dapper:
"Or est laches, chetis et molz,
Vieulx, convoiteus et mal parlant:
Je ne voy que foles et folz....
La fin s'approche, en verité....
Tout va mal"....[73]
Het is niet alleen levensmoeheid maar ook levensbangheid, het
terugschrikken voor het leven om de onvermijdelijke smarten, die het
begeleiden, de houding van den geest, die in het Boeddhisme de basis der
levensbeschouwing uitmaakt: bange afkeer van de moeiten van het
dagelijksch leven, vrees en afschuw voor zorg, ziekte en ouderdom. Deze
levensbangheid deelen de geblaseerden met hen, die nooit voor de
verlokkingen der wereld bezweken waren, omdat zij altijd het leven
geschuwd hadden.

Page 37

De gedichten van Deschamps vloeien over van dien kleinzieligen smaad
tegen het leven. Gelukkig wie geen kinderen heeft, want kleine kinderen, 't
is al geschreeuw en stank, en moeite en zorg; zij moeten gekleed,
geschoeid, gevoed worden; altijd zijn zij in gevaar van te vallen en zich te
bezeeren. Zij worden ziek en sterven, of zij worden groot en slecht; zij
komen in de gevangenis. Niets dan lasten en verdriet, geen geluk vergoedt
de zorgen, moeiten en kosten van de opvoeding. Geen grooter ongeluk, dan
mismaakte kinderen te hebben. De dichter wijdt er geen woord van liefde
aan: de mismaakte is slecht van hart, laat hij de schrift zeggen. Gelukkig
wie ongetrouwd is, want met een kwade vrouw is het slecht leven, en een
goede vreest men voortdurend te verliezen. Met het ongeluk wordt ook het
geluk geschuwd. Van den ouderdom ziet deze dichter niet dan kwaads en
weerzinwekkends, het jammerlijk lichamelijk en geestelijk verval, de
belachelijkheid en onsmakelijkheid. Vroeg is de mensch oud, de vrouw met
dertig, de man met vijftig jaren, en zestig is hun perk[74].—Hoe ver is men
hier van de serene idealiteit, waarmee Dante in zijn Convivio de
waardigheid van den edelen grijsaard beschreven had[75].
Een vrome strekking, die bij Deschamps nauwelijks aanwezig is, kan deze
bespiegelingen van levensbangheid eenigszins verheffen, maar wezenlijk
veranderen niet. In tal van vermaningen tot een heilig leven proeft men als
grondstemming dit moedeloos versagen. Wanneer de onberispelijke
kanselier der Parijsche universiteit en licht der godgeleerdheid Jean Gerson
voor zijn zusters een vertoog schrijft over de voortreffelijkheid van den
maagdelijken staat, dan dient onder zijn argumenten een lange lijst van leed
en rampen, aan den huwelijken staat verbonden. Wellicht zou een
echtgenoot een dronkaard zijn, of een verkwister, of een gierigaard. Of is hij
braaf en goed, dan kan er misgewas komen, veesterfte of schipbreuk, die
hem van al zijn have berooven. Welk een ellende is niet de zwangerschap,
hoevele vrouwen sterven er in het kraambed! Wat heeft de zoogende
moeder voor rustigen slaap, wat voor blijdschap en vreugde? Misschien
zullen de kinderen mismaakt zijn of ongehoorzaam; misschien zal de man
sterven en de moeder als weduwe in zorg en armoe achterblijven[76].
Diepe verslagenheid over de aardsche ellende is de stemming, waarmee de
dagelijksche werkelijkheid wordt beschouwd, zoodra de kinderlijke

Page 38

levensvreugde of het blind genieten wijkt voor overpeinzing. Waar is de
schoonere wereld, waar iedere tijd naar smachten moet?
De zucht naar een schooner leven heeft te allen tijd drie paden voor zich
naar het verre doel zien wijzen. Het eerste leidde regelrecht uit de wereld:
het pad van de verzaking der wereld. Hier schijnt het schoonere leven enkel
te bereiken aan de overzijde, kan het enkel een verlossing zijn uit al het
aardsche; alle aandacht aan de wereld besteed, vertraagt slechts het
beloofde heil. Alle hoogere beschaving heeft dit pad bewandeld; het
Christendom had dit streven èn als individueelen levensinhoud èn als
cultuurgrondslag zoo machtig in de geesten geprent, dat het langen tijd het
betreden van het tweede pad bijna geheel heeft belet.
Dat tweede was de weg, die wees naar verbetering en volmaking van de
wereld zelf. De middeleeuwen hebben dit streven nog nauwelijks gekend.
Voor hen was de wereld zoo goed en zoo slecht als zij zijn kon, dat wil
zeggen, al de instellingen, door God gewild immers, waren goed; het is de
zonde der menschen, die de wereld in ellende houdt. De tijd kent geen
bewust streven naar verbetering en hervorming van maatschappelijke of
staatkundige instellingen als drijfveer van denken en handelen. De deugd te
betrachten in eigen beroep is het eenige, wat de wereld baten kan, en ook
daarbij is het eigenlijke doel toch het andere leven. Ook waar inderdaad een
nieuwe maatschappelijke vorm geschapen wordt, beschouwt men het steeds
als een herstel van het goede oude recht; het recht wordt gevonden of
verduidelijkt, maar niet veranderd.
Niets heeft zoozeer meegewerkt tot die stemming van levensbangheid en
vertwijfeling aan de komende tijden als deze afwezigheid van den vasten
wil van allen, om de wereld zelf beter en gelukkiger te maken. In de wereld
zelf was geen belofte van beter dingen. Wie naar beter smachtte, en toch
geen afscheid kon nemen van de wereld en al haar heerlijkheid, kon enkel
tot vertwijfeling vervallen; hij zag nergens hoop of blijdschap meer; der
wereld rest nog maar een korte tijd, en wat haar daarin wacht, is ellende.
Wanneer eenmaal ook de weg naar positieve verbetering van de wereld zelf
zal zijn ingeslagen, begint een nieuwe tijd, waarin de levensbangheid plaats
maakt voor moed en hoop. De Renaissance luidt de energische
levensaanvaarding in, de achttiende eeuw verheft de volmaakbaarheid van

Page 39

mensch en samenleving tot haar grondleerstuk, en het economische en
sociale streven der volgende eeuw verliest daarvan enkel de naïveteit, niet
den moed en het optimisme.
Het derde pad naar een schoonere wereld is dat van den droom. Het is de
gemakkelijkste weg, maar een, die het doel altijd even ver laat. Als dan de
aardsche werkelijkheid zoo hopeloos ellendig is, en de verzaking der wereld
zoo moeilijk, laat ons dan het leven kleuren met schoonen schijn, wegleven
in het droomland van heldere verbeeldingen, de werkelijkheid temperen
met de verrukking van het ideaal. Er is maar een eenvoudig thema, een
enkel akkoord noodig, om de hartvervoerende fuga te doen klinken: een
uitzicht op het gedroomd geluk van een schooner verleden is genoeg, een
blik op zijn heldendom en zijn deugd, of anders de glans van het blijde
zonlicht van het natuurlijk leven. Op die enkele thema's: het heldenthema,
het wijzenthema en het bucolische thema is van de Oudheid af de gansche
litteraire cultuur gebouwd. De Middeleeuwen, de Renaissance, de
achttiende eeuw en de negentiende, zij vinden alle slechts nieuwe variaties
op het oude lied.
Is echter dit derde pad naar een schooner leven: het ontvlieden van de harde
werkelijkheid in een schoonen schijn, enkel een zaak van litteraire cultuur?
Stellig is het meer dan dat. Het raakt den vorm en den inhoud van het
gemeenschapsleven zelf even goed als de beide andere strevens, en dat des
te sterker, naarmate de beschaving primitiever is.
De uitwerking van de drie genoemde geesteshoudingen op het werkelijke
leven zelf is zeer ongelijk. Natuurlijk heeft de idee, waaruit men streeft naar
de verbetering en volmaking van de wereld zelf, het nauwste en
voortdurendste contact met het dagelijksche leven. Zij stort bijna alle kracht
en allen moed in den stoffelijken arbeid zelf; zij vervult de directe
werkelijkheid met energie. Als men wil, is ook hier een geluksdroom het
bezielende motief. Tot zekere hoogte streeft iedere cultuur naar de
verwezenlijking van een droomwereld binnen de werkelijke, door het
herscheppen van de vormen der samenleving. Doch het object van den
droom is hier de werkelijkheid zelve, enkel nog wat gezuiverd en verbeterd,
met andere woorden: men acht de wereld op den goeden weg naar het
ideaal. En daarom is de spanning tusschen den idealen levensvorm en dien
van het werkende bestaan gering. Het ideaal van de hoogste productie en de

Page 40

billijke verdeeling der goederen stelt aan de levenskunst betrekkelijk
geringe eischen: in den dagelijkschen arbeid nadert men het ideaal.
Heel anders is de invloed op het werkelijk leven bij de eerste der drie
geesteshoudingen: die van de verzaking der wereld. Het heimwee naar een
eeuwig heil maakt den gang en den vorm van het aardsch bestaan
onverschillig, mits daarin de deugd wordt gekweekt en onderhouden. Men
laat de levensvormen en maatschappijvormen voor wat zij zijn, maar tracht
ze te doordringen van transcendentale zedelijkheid. Hierdoor werkt de
afkeer van de wereld op de aardsche maatschappij niet louter negatief door
verloochening en afwending, maar straalt ook op haar terug in zegenrijken
arbeid en praktische barmhartigheid.
Hoe werkt nu op het leven de derde houding: de zucht naar het schoonere
leven volgens een gedroomd ideaal? Zij herschept de vormen van het leven
in kunstvormen. Maar het zijn niet enkel de kunstwerken als zoodanig,
waarin zij haar schoonheidsdroom uitdrukt, zij wil het leven zelf veredelen
met schoonheid, en vult de samenleving zelf met spel en vormen. Hier
worden juist aan de persoonlijke levenskunst de hoogste eischen gesteld,
eischen, die alleen kunnen worden nagestreefd door een élite, in een kunstig
levensspel. Het naleven van den held en den wijze is niet ieders zaak; het is
een kostbaar vermaak om het leven te kleuren met heroïsche of idyllische
verven, en het slaagt bovendien doorgaans nog heel slecht. Aan het streven
naar de verwezenlijking van den schoonheidsdroom in de vormen van de
samenleving zelf is als vitium originis een aristocratisch karakter
opgedrukt.
Hiermee zijn wij genaderd tot het aspect, waaronder de beschaving van het
einde der Middeleeuwen thans moet worden gezien: de verfraaiing van het
aristocratische leven met de vormen van het ideaal, het kunstlicht van de
ridderlijke romantiek over het leven, de wereld vermomd in den dos der
Tafelronde. De spanning tusschen levensvorm en werkelijkheid is bijster
groot; het licht is valsch en schel.
De zucht naar het schoone leven geldt als het eigenste kenmerk van de
Renaissance. Hier ziet men de volste harmonie tusschen de bevrediging van
den schoonheidsdorst in het kunstwerk en in het leven zelf, hier dient de
kunst het leven en het leven de kunst als nooit te voren. Maar de grens

Page 41

tusschen Middeleeuwen en Renaissance is ook in dezen te scherp
getrokken. De hartstochtelijke zin, om het leven zelf met schoonheid te
bekleeden, de verfijnde levenskunst, de bonte uitwerking van een
levensideaal, zij zijn alle veel ouder dan het Italiaansche quattrocento. De
motieven van levensverfraaiing zelf, waarop de Florentijnen doorgaan, zijn
niet anders dan de oude middeleeuwsche vormen: Lorenzo de' Medici
huldigt nog even goed als Karel de Stoute het oude ridderideaal als den
edelen levensvorm; hij ziet zelfs in den laatste, ondanks zijn barbaarsche
pracht, in zekere opzichten het model. Italië heeft nieuwe horizonten van
levensschoonheid ontdekt, het leven gestemd in een nieuwen toon, doch de
houding zelf van den Renaissance-mensch tegenover het leven: de
opwerking ervan tot een kunstvorm, is niet nieuw.
De groote scheiding in de opvatting der levensschoonheid valt veeleer
tusschen de Renaissance en den nieuweren tijd. Het kenteringspunt ligt
daar, waar kunst en leven beginnen uiteen te gaan, waar men begint, de
kunst niet meer te genieten midden in het leven, als een edel deel van de
levensvreugde zelf, maar buiten het leven, als een hooge
vereerenswaardigheid, waarheen men zich wendt in oogenblikken van
verheffing of van verpoozing. Het oude dualisme, dat God en wereld
scheidde, is daarmede in een anderen vorm, als scheiding van kunst en
leven, teruggekeerd. Er is een streep getrokken midden door de genietingen
des levens. Zij zijn in twee helften, een lagere en een hoogere, gescheiden.
Voor den Middeleeuwer waren zij al te zamen zondig; thans gelden zij alle
als geoorloofd, maar van zeer verschillende waardigheid, al naar hun
meerdere of mindere geestelijkheid.
De dingen, die het leven tot genieten kunnen maken, blijven dezelfde. Nu
als vroeger zijn het: lectuur, muziek, beeldende kunst, reizen, natuurgenot,
sport, mode, maatschappelijke ijdelheid (ridderorden, eerambten,
vergaderingen) en bedwelming der zinnen. De grens tusschen het hoogere
en het lagere schijnt thans nog voor de meesten te vallen tusschen
natuurgenot en sport. Maar die grens is niet vast. Waarschijnlijk zal de sport
eerlang, althans voorzoover zij de kunst van lichaamskracht en moed is,
weer algemeen tot het hoogere gerekend worden. Voor den Middeleeuwer
viel de grens hoogstens terstond achter lectuur; zelfs het genot van het lezen
kon slechts geheiligd worden door het streven naar deugd of wijsheid, en in
muziek en beeldende kunst werd uitsluitend de dienstbaarheid aan het

Page 42

geloof als goed erkend; het genot er aan op zichzelf was zondig. De
Renaissance had zich ontworsteld aan de verwerping der levensvreugde als
in zich zelf zondig, en een nieuwe scheiding tusschen hooger en lager
levensgenot had zij nog niet aangebracht; zij wilde het gansche leven
onbekommerd genieten. De nieuwe scheiding is het resultaat van het
compromis tusschen Renaissance en Puritanisme, waarop de moderne
geesteshouding berust. Het was een wederzijdsche capitulatie, waarbij de
een zich de redding der schoonheid en de ander de veroordeeling der zonde
bedong. Voor het strenge Puritanisme trof de veroordeeling als zondig en
wereldsch in den grond nog evengoed als voor den Middeleeuwer de
gansche sfeer der levensverfraaiing, tenzij deze uitgesproken godsdienstige
vormen aannam en zich heiligde door een directe toepassing op het geloof.
Eerst naarmate de Puriteinsche wereldbeschouwing afsleet, won de
Renaissancistische aanvaarding van alle levensvreugde weer veld; ja zelfs
meer dan het oude terrein, want in het natuurlijke op zich zelf werd nu een
element van het ethisch goede gezien. Een rechte scheidingslijn zou thans
niet meer de kunst van het zingenot, het natuurgenot van de
lichaamsoefening, het verhevene van het natuurlijke scheiden, maar enkel
het egoïstische, het leugenachtige en het ijdele van het zuivere.
In het laatst der Middeleeuwen, toen het kenterde naar een nieuwen geest,
was in beginsel nog slechts de oude keuze mogelijk tusschen God en de
wereld: een algeheele versmading van alle heerlijkheid en schoonheid des
aardschen levens of de roekelooze aanvaarding ervan op perijkel der ziel.
De schoonheid der wereld kreeg door haar erkende zondigheid een dubbele
verlokking; gaf men zich over, dan genoot men haar ook met een
bodemlooze hartstochtelijkheid. Maar die de schoonheid niet konden
ontberen, en zich toch niet aan de wereld wilden overgeven, moesten de
schoonheid adelen. De geheele groep van de kunst en litteratuur, waar het
wezen der genieting bewondering was, konden zij heiligen, door ze in
dienst te stellen van het geloof. Ook al was het inderdaad de vreugde aan
kleur en lijn, die de minnaars van schilderij en miniatuur bezielde, het heilig
onderwerp ontnam aan de kunstgenieting het stempel der zonde.
Maar de schoonheid met een hoog zondegehalte: de lichaamsvergoding van
ridderlijke sport en hoofsche mode, de hoogmoed en de hebzucht van ambt
en eere, de verrukkende onpeilbaarheden der liefde, hoe dit alles, dat door
het geloof veroordeeld en uitgestooten was, te veredelen en te verheffen?—

Page 43

Hier diende die middenweg, die in het droomland leidde: door ze te
bekleeden met den schoonen schijn van oude, fantastische idealen.

Dit is de trek, die de Fransch-ridderlijke cultuur van de 12e eeuw af
verbindt met de Renaissance: de sterke cultiveering van het schoone leven
in de vormen van een heldenideaal. De vereering der natuur was nog te
zwak, dan dat men met volle overtuiging de schoonheid van het aardsche in
haar naaktheid zou hebben gediend, zooals de Grieksche geest het had
gedaan; het zondebesef was daartoe te geweldig; slechts door zich te hullen
in de gewaden der deugd kon de schoonheid cultuur worden.
Het geheele aristocratische leven van de latere Middeleeuwen, om 't even of
men denkt aan Frankrijk en Bourgondië of aan Florence, is een poging, om
een droom te spelen. Altijd denzelfden droom, dien van de oude helden en
wijzen, van den ridder en de maagd, van de eenvoudige en vergenoegde
herders. Frankrijk en Bourgondië spelen het stuk nog altijd in den ouden
trant; Florence dicht op hetzelfde thema een nieuw en mooier spel.
Het adellijk en vorstelijk leven is opgetooid tot een maximum van
uitdrukkelijkheid; alle levensvormen zijn als 't ware verheven tot mysteriën,
versierd met kleur en praal, vermomd als deugd. De levensgebeurtenissen
en de aandoeningen daarover zijn geëncadreerd in schoone en verheffende
vormen. Ik weet wel, dit alles is niet specifiek laat-middeleeuwsch; het is
reeds gegroeid in de primitieve stadiën der beschaving; men kan het ook
chinoiserie en byzantinisme noemen, en het sterft niet af met de
Middeleeuwen, getuige de zonnekoning.
De hofstaat is het terrein, waarop zich de aesthetiek van den levensvorm ten
volle kan ontplooien. Het is bekend, hoeveel gewicht de Bourgondische
hertogen hebben gehecht aan alles wat de praal en staatsie van hun hof
betrof. Na den oorlogsroem, zegt Chastellain, is de hofstaat de eerste zaak,
waarop men het oog richt, en welks regeling en goede handhaving van de
hoogste noodzaak is[77]. Olivier de la Marche, de ceremoniemeester van
Karel den Stoute, schreef op verzoek van den Engelschen koning Eduard IV
zijn tractaat over den hofstaat des hertogen, ten einde den koning het model
van ceremonieel en etikette ter navolging te bieden[78]. Van Bourgondië
hebben de Habsburgers het fraai uitgewerkte hofleven geërfd en
overgebracht naar Spanje en Oostenrijk, die er tot den huidigen dag het

Page 44

bolwerk van waren gebleven. Het hof van Bourgondië werd door allen
genoemd als het rijkste en best geordende, dat men vond[79]. Vooral Karel
de Stoute, de man met den gewelddadigen geest van orde en regel, die niets
dan wanorde achterliet, had den hartstocht van het hoog vormelijke leven.
De oude illusie, dat de vorst zelf de klachten der armen en kleinen aanhoort
en terstond berecht, was door hem in een fraaien vorm gekleed. Twee of
driemaal per week na den maaltijd hield hij een openlijk gehoor, waar
elkeen hem met verzoekschriften kon naderen. Al de edelen van zijn huis
moesten tegenwoordig zijn; niemand waagde er weg te blijven. Zorgvuldig
gescheiden naar hun rangen zaten zij ter weerszijden van den doorgang, die
naar 's hertogen hoogen zetel leidde. Aan zijn voeten lagen geknield de twee
maistres des requestes, de audiencier en een secretaris, die de
verzoekschriften voorlazen en afdeden, naar de vorst gebood. Achter
balustraden rondom de zaal stond de lagere hofhouding. Het was, zegt
Chastellain, in schijn "une chose magnifique et de grand los", maar de
gedwongen toeschouwers verveelden zich geducht, en aan de goede
vruchten van deze rechtspraak twijfelt hij; het was een zaak, die hij in zijn
tijd van geen anderen vorst had gezien[80].
Ook de ontspanning moest voor Karel den Stoute dien fraaien vorm hebben.
"Tournoit toutes ses manières et ses moeurs à sens[81] une part du jour, et
avecques jeux et ris entremeslés, se délitoit en beau parler et en amonester
ses nobles à vertu, comme un orateur. Et en cestuy regart, plusieurs fois,
s'est trouvé assis en un hautdos paré[82], et ses nobles devant luy, là où il
leur fit diverses remonstrances selon les divers temps et causes. Et toujours,
comme prince et chef sur tous, fut richement et magnifiquement habitué[83]
sur tous les autres"[84]. Deze bewuste levenskunst is ondanks de stijve en
naïeve vormen eigenlijk volkomen Renaissance. Het is, wat Chastellain
noemt zijn "haute magnificence de coeur pour estre vu et regardé en
singulières choses", de kenmerkendste eigenschap van Burckhardt's
Renaissance-mensch.
De hiërarchische ordinanties van de hofhuishouding zijn van een
pantagrueleske sappigheid, waar zij betrekking hebben op den maaltijd en
de keuken. De hofmaaltijd van Karel den Stoute, met al de met bijkans
liturgische waardigheid geregelde diensten van panetiers en voorsnijders en
schenkers en keukenmeesters, was als de opvoering van een groot en

Page 45

ernstig schouwtooneel. Het geheele hof at in groepen van tien in
afzonderlijke kamers, bediend en onthaald gelijk de heer, alles zorgvuldig
naar rang en stand geordend. Alles was zoo goed geregeld, dat al de
groepen bijtijds na hun maaltijd den hertog, die nog aan zijn tafel zat,
konden komen begroeten "pour luy donner gloire"[85].
In de keuken (men denke zich de heroïsche keuken, nu de eenig bewaarde
rest van het hertogenpaleis te Dijon, met haar zeven reusachtige
schoorsteenen), in de keuken zit de dienstdoende kok in een zetel tusschen
schoorsteen en buffet, vanwaar hij het geheele vertrek kan overzien. In zijn
hand moet hij een grooten houten lepel hebben, "die hem dient tot twee
doeleinden: het eene om soep en sausen te proeven, en het andere om de
keukenjongens uit de keuken te drijven, om hun plicht te doen, en zoo
noodig erop te slaan". Bij zeldzame gelegenheden komt de kok wel eens
zelf opdienen, een toorts in de hand, bij voorbeeld de eerste truffels of den
eersten nieuwen haring.
Voor den gewichtigen hoveling, die ons dit alles beschrijft, zijn het heilige
mysteriën, waar hij met ontzag en met een soort van scholastische
wetenschappelijkheid van spreekt. Toen ik page was, zegt La Marche, was
ik nog te jong om vragen van préséance en ceremonieel te begrijpen[86]. Hij
legt zijn lezers gewichtige vragen van voorrang en hofdienst voor, om ze
met zijn rijpe kennis op te lossen. Waarom zit bij 's heeren maaltijd de kok
en niet de jonker van der keukene? Hoe moet de kok worden aangesteld?
Wie moet hem bij afwezigheid vervangen: de gebraadmeester (hateur) of de
soepmeester (potagier)? Hierop antwoord ik, zegt de wijze man: wanneer er
een kok moet zijn aan 's vorsten hof, zullen de hofmeesters (maitres d'hôtel)
de jonkers van der keukene (escuiers de cuisine) en alle degenen, die ter
keukene dienen, den een na den ander oproepen; en bij plechtige keuze,
door ieder onder eede gedaan, zal de kok worden aangesteld. En op de
tweede vraag: noch de gebraadmeester noch de soepmeester, maar eveneens
bij keuze zal de plaatsvervanger van den kok worden aangewezen.—
Waarom staan de panetiers en schenkers als eerste en tweede rang boven de
voorsnijders en koks? Omdat hun ambt het brood en den wijn betreft, de
heilige dingen, waarop de waardigheid van het sacrament afstraalt[87].
Men ziet, er is hier een werkelijke verbinding tusschen de gedachtensferen
van het geloof en van de hofetikette. Het is niet teveel gezegd, dat er in dien

Page 46

toestel van de schoone, edele levensvormen een liturgisch element schuilt,
dat de waardeering van die vormen als 't ware is opgetrokken in een quasi-
religieuze sfeer. Alleen dit verklaart de buitengewone belangrijkheid, die
(niet alleen in de latere Middeleeuwen) aan alle kwesties van voorrang en
beleefdheid wordt toegekend.
In het oude Russische rijk vóór de Romanov's had zich de strijd om den
voorrang bij den troon ontwikkeld tot een vast departement van den
staatsdienst. Dien vorm kennen de Westersche staten der Middeleeuwen
niet, maar ook hier neemt toch de naijver om den voorrang een groote
plaats in. Het zou gemakkelijk zijn, daarvan de voorbeelden te verzamelen.
Hier evenwel is het er om te doen, de versiering der levensvormen tot een
schoon en verheffend spel, en de woekering dier vormen tot een hol
vertoon, te doen blijken. Daartoe eenige voorbeelden. De fraaie vorm kan
somtijds de doelmatige handeling geheel op zij dringen. Vlak voor den slag
bij Crécy hebben vier Fransche ridders de slagorde der Engelschen verkend.
De koning, die met ongeduld hun bericht verwacht, langzaam voortrijdend
over het veld, houdt stil, toen hij hen ziet terugkomen. Zij dringen door het
gedrang der krijgslieden heen tot voor den koning. Wat nieuws, heeren?
vraagt de koning. "Zij zagen elkander aan, zonder een woord te spreken,
want geen wilde spreken vóór zijn makker. En zij zeiden den een tot den
ander: "Heer, zeg gij het, spreek gij tot den koning, ik zal niet vóór u
spreken." Zoo waren zij een tijd in strijd, dat geen "par honneur" wou
beginnen te spreken." Totdat de koning het een hunner beveelt[88].—Nog
vollediger moest de doelmatigheid voor den fraaien vorm wijken in het
geval van messire Gaultier Rallart, chevalier du guet te Parijs in 1418. Dit
hoofd der politie placht nooit de ronde te doen, of er gingen drie of vier
muzikanten voorop, die lustig bliezen, zoodat het volk zei, dat hij als 't ware
de boeven waarschuwde: vlucht, want ik kom.[89] Het geval staat niet op
zich zelf. In 1465 vindt men opnieuw, hoe de bisschop van Evreux, Jean
Balue, de nachtelijke ronde in Parijs doet met klaroenen, trompetten en
andere muziekinstrumenten, "qui n'estoit pas acoustumé de faire à gens
faisans guet"[90].—Zelfs op het schavot wordt de eer van rang en stand
streng in acht genomen: dat van den connétable de Saint Pol is rijk
getapisseerd met leliën, het bidkussen en de blinddoek zijn van karmozijn
fluweel, en de beul is iemand, die nog nooit een ander heeft
geëxecuteerd[91].

Page 47

De wedijver in beleefdheid, die nu een kleinburgerlijk karakter heeft
gekregen, was in het hofleven der vijftiende eeuw buitengewoon sterk
ontwikkeld. Men beschouwde het als een ondragelijke schande voor zich
zelf, als men den meerdere niet de plaats liet, die hem toekwam. De
Bourgondische hertogen geven angstvallig den voorrang aan hun
koninklijke verwanten van Frankrijk. Jan zonder Vrees bewees zijn jonge
schoondochter Michelle de France altijd overdreven eer; hij noemde haar
Madame, knielde altijd voor haar tot den grond, en wilde haar altijd
bedienen, maar zij wilde het niet hebben[92]. Als Philips de Goede hoort, dat
zijn neef, de dauphin, naar Brabant is uitgeweken in den twist met zijn
vader, breekt hij het beleg van Deventer, dat de inleiding moest zijn voor
een expeditie, die Friesland onder zijn macht zou brengen, af, en haast zich
naar Brussel terug, om den hoogen gast te verwelkomen. Naarmate de
ontmoeting nadert, wordt het een wedloop, wie den ander in eerbetoon voor
zal zijn. Philips is in groote angst, dat de dauphin hem tegemoet zal rijden;
spoorslags rijdt hij door, en zendt bode op bode om den dauphin te
bewegen, hem toch te wachten waar hij is. Kwam de koningszoon hem
tegemoet, dan bezwoer hij, zelf te willen terugkeeren, achterwaarts
rijdende, zoo ver, dat deze hem nergens zou vinden, want het zou hem, den
hertog, een spot en een blaam zijn, die hem door de gansche wereld eeuwig
zouden worden nagehouden. Met nederig afstel van de gewone staatsie rijdt
Philips Brussel binnen; haastig stijgt hij af buiten het paleis, gaat binnen en
loopt snel door. Daar ziet hij den dauphin, die met de hertogin zijn vertrek
heeft verlaten, en hem op het binnenplein met open armen tegemoetkomt.
Terstond ontbloot de oude hertog het hoofd, valt even op zijn knieën, en
loopt dan haastig weer verder. De hertogin houdt den dauphin vast, dat deze
geen stap zal doen, de dauphin houdt vergeefs den hertog vast, om hem het
knielen te beletten, en tracht vruchteloos hem te doen opstaan. Beiden
weenden van aandoening, zegt Chastellain, en alle omstanders mede.
Gedurende het gansche gastverblijf van dezen man, die spoedig als koning
de ergste vijand van zijn huis zou worden, put de hertog zich uit in
Chineesche nederigheid. Hij noemt zich en zijn zoon "de si meschans
gens", hij laat zijn zestigjarig hoofd nat regenen, hij biedt den dauphin al
zijn landen aan[93].—"Celuy qui se humilie devant son plus grand, celuy
accroist et multiplie son honneur envers soy-mesme, et de quoy la bonté
mesme luy resplend et redonde en face". Met die woorden besluit

Page 48

Chastellain het verhaal, hoe de graaf van Charolais hardnekkig weigerde, te
zamen met koningin Margareta van Engeland en haar jongen zoon het
waschbekken vóór den maaltijd te gebruiken. De edelen spraken er den
ganschen dag van; het geval werd den ouden hertog voorgelegd, die door
twee edelen het voor en tegen van Karel's houding liet bepleiten. Het
feodaal eergevoel was nog zoo levend, dat men deze dingen blijkbaar
werkelijk nog belangrijk, schoon en verheffend heeft gevonden. Hoe anders
te begrijpen, dat de tegenstribbelingen, om den voorrang te nemen, geregeld
wel een kwartier lang worden voortgezet?[94] Hoe langer men blijft
weigeren, hoe meer gesticht de omstanders zijn. Iemand, wien de handkus
toekomt, verbergt zijn hand, om die eer te ontgaan. De koningin van Spanje
verbergt zoo haar hand voor den jongen aartshertog Philips den Schoone;
deze wacht eenigen tijd, maar als hij de kans schoon ziet, grijpt hij de hand
bij verrassing en kust haar. En ditmaal lachte het ernstige Spaansche hof,
want de koningin had er niet meer aan gedacht[95].
Al de spontane teederheden van den omgang zijn zorgvuldig
geformaliseerd. Het is nauwkeurig voorgeschreven, welke hofdames hand
aan hand hebben te gaan. En dit niet alleen, maar ook of de een de andere
tot die gemeenzaamheid heeft aan te moedigen of niet. Deze aanmoediging,
het elkaar wenken of roepen (hucher) om mee te gaan, is voor de oude
hofdame, die het Bourgondisch ceremonieel beschrijft, een technisch
begrip.[96] De vorm, dat men een vertrekkenden gast niet wil laten gaan,
wordt tot in de lastigste uitersten doorgevoerd. De gemalin van Lodewijk
XI is voor enkele dagen de gast van Philips van Bourgondië; de koning
heeft een bepaalden dag gesteld voor haar terugkomst, maar de hertog
weigert haar te laten gaan, ondanks de smeekbeden van haar gevolg en
hoewel zij zelve beeft voor den toorn van haar gemaal.[97]—Goethe heeft
gezegd: "es gibt kein äusseres Zeichen der Höflichkeit, das nicht einen
tiefen sittlichen Grund hätte";[98] "virtue gone to seed" heeft Emerson de
beleefdheid genoemd. Men kan misschien niet met volle recht zeggen, dat
die zedelijke grond in de 15e eeuw nog gevoeld werd, maar zeker werd het
de aesthetische waarde, die tusschen de oprechte betuiging van genegenheid
en den dorren omgangsvorm ligt.
Het spreekt vanzelf, dat deze wijdloopige levensversiering vooral haar
plaats heeft aan de vorstenhoven, waar men er den tijd en de ruimte voor

Page 49

kon nemen. Dat zij ook de lagere sferen der samenleving vervulden, bewijst
reeds het feit, dat thans van die vormen juist bij de kleine burgerij (afgezien
van de hoven zelf) nog het meest is overgebleven. Het herhaald noodigen,
om nog wat van een gerecht te nemen, het aanmoedigen om nog wat te
blijven, het weigeren om voor te gaan, is in de laatste halve eeuw uit de
hoogere burgerlijke omgangsvormen grootendeels verdwenen. In de 15e
eeuw zijn die vormen in den volsten bloei. Evenwel, terwijl zij angstvallig
in acht worden genomen, treft niettemin de satire ze met levendigen spot.
Het is vooral de kerk, die het tooneel van fraaie en langdurige
plichtplegingen behoort te zijn. Eerst bij de "offrande". Niemand wil het
eerst zijn aalmoes op het altaar brengen.
"Passez.—Non feray.—Or avant!
Certes si ferez, ma cousine.
—Non feray.—Huchez (roept) no voisine,
Qu'elle doit mieux devant offrir.
—Vous ne le devriez souffrir,"
Dist la voisine; "n'appartient
A moy: offrez, qu'a vous ne tient
Que li prestres ne se delivre."[99]
Wanneer eindelijk de aanzienlijkste is voorgegaan, onder de nederige
betuiging dit enkel te doen om er een eind aan te maken, volgt dezelfde
strijd opnieuw bij het kussen van het "paesberd", "la paix", dat is het
houten, zilveren of ivoren bordje, dat in de latere Middeleeuwen bij de mis
na het Agnus Dei in zwang was gekomen ter vervanging van den vredeskus
van mond tot mond.[100] Het was een vaste en langdurige stoornis van den
dienst geworden, dat de paes onder de aanzienlijken van hand tot hand ging
onder beleefde weigering, haar het eerst te kussen.
"Respondre doit la juene fame:
—Prenez, je ne prendray pas, dame.
—Si ferez, prenez, douce amie.
—Certes, je ne le prandray mie;
L'en me tendroit pour une sote.
—Baillez, damoiselle Marote.
—Non feray, Jhesucrist m'en gart!
Portez a ma dame Ermagart.

Page 50

— Dame, prenez.—Saincte Marie,
Portez la paix a la baillie[101]
— Non, mais a la gouverneresse".[102]
Deze neemt haar eindelijk.—Zelfs een heilig en van de wereld afgestorven
man als François de Paule acht het zijn plicht, aan deze fraaiigheden mee te
doen,[103] en het wordt hem door zijn vrome vereerders als echte
nederigheid aangerekend, waaruit blijkt, dat de ethische inhoud uit deze
vormen nog niet geheel en al geweken was. De beteekenis van die vormen
wordt overigens eerst recht duidelijk door het feit, dat zij de keerzijde
waren van heftige en hardnekkige twisten om dienzelfden voorrang in de
kerk, dien men elkander zoo hoffelijk wilde opdringen.[104] Het was een
schoone en loffelijke verzaking van nog levendig gevoelden adellijken of
burgerlijken hoogmoed.
De gansche kerkgang werd zoodoende als een menuet, want bij het uitgaan
herhaalde zich de strijd; dan kwam de wedijver om den meerdere rechts te
laten, het voorgaan over een vonder of door een steeg. Bij huis gekomen
moet men, gelijk nog de Spaansche zede het eischt, het geheele gezelschap
uitnoodigen, mee binnen te gaan om te drinken, waarvan de anderen zich
beleefd hebben te verontschuldigen; dan moet men de anderen een
eindweegs wegbrengen, alles onder beleefde tegenstribbeling.[105]
Al die schoone vormen krijgen iets roerends, wanneer men bedenkt, dat zij
opbloeien uit den ernstigen strijd van een woest en hartstochtelijk geslacht
tegen zijn eigen hoogmoed en toorn. Dikwijls faalt de vormelijke verzaking
van den trots. Telkens breekt de felle ruwheid door de versierde vormen
heen. Jan van Beieren is te gast in Parijs; de groote heeren geven feesten,
waarop de elect van Luik hun bij het spel al hun geld afwint. Een der
prinsen houdt het niet langer uit en roept: "Wat duivel van een priester is dat
hier? Hoe? zal hij ons al ons geld afwinnen?" Waarop Jan: "Ik ben geen
priester en ik heb uw geld niet van noode". "En hij nam het en smeet het
overal in 't rond. Dont y pluseurs orent grant mervelle de sa grant
liberaliteit".[106]—Hue de Lannoy slaat een ander met een ijzeren
handschoen, terwijl hij voor den hertog geknield ligt om hem aan te klagen;
de kardinaal van Bar heet voor het aangezicht des konings een prediker
liegen en noemt hem gemeene hond. [107]

Page 51

Het formeele eergevoel is zoo sterk, dat een vergrijp tegen de etikette,
zooals nu nog bij vele Oostersche volken, wondt als een doodelijke
beleediging, want het gooit omver die schoone illusie van een eigen hoog
en zuiver leven, die voor elke onverhulde werkelijkheid bezwijkt. Het is
voor Jan zonder Vrees een onuitwischbare smaad, dat hij Capeluche, den
beul van Parijs, die hem in staatsie tegemoet reed, als een edelman heeft
begroet en zijn hand heeft aangeraakt; slechts de dood van den beul kan
dien smaad boeten.[108] Bij den staatsiemaaltijd op den wijdingsdag van
Karel VI in 1380 dringt Philips van Bourgondië zich met geweld tusschen
den koning en den hertog van Anjou op de plaats, die hem als doyen des
pairs toekomt; hun wederzijdsch gevolg dringt reeds met roepen en dreigen
op, om den twist gewelddadig te beslechten, toen de koning hem sust, door
toe te geven aan 's Bourgondiërs eisch.[109] Ook in den ernst van het
kampleven wordt geen veronachtzaming van de vormen geduld: de koning
van Engeland neemt het hoog op, dat L'Isle Adam voor hem verschijnt in
een gewaad van "blanc gris" en hem in het gelaat ziet. [110] Een Engelsch
aanvoerder zendt den parlementair uit het belegerde Sens eerst heen, om
zich te laten scheren.[111]
De prachtige orde aan het hof van Bourgondië, die de tijdgenooten prijzen,
[112]
krijgt eerst haar ware beteekenis naast de verwarring, die aan het
zooveel oudere Fransche hof placht te heerschen. Deschamps beklaagt zich
in tal van balladen over de ellende van het hofleven, en zijn klachten zijn
iets meer dan de geijkte misprijzingen van het hovelingsbestaan, waarover
later. Slechte kost en slecht logies, altijd gedruisch en verwarring, vloeken
en twisten, nijd en hoon, het is een poel van zonden, een poort der hel.[113]
Ondanks de heilige vereering voor het koningschap en den trotschen opzet
van grootsche ceremoniën gaat zelfs bij de plechtigste gelegenheden het
decorum meer dan eens jammerlijk te loor. Bij de begrafenis van Karel VI
te Saint Denis in 1422 ontstaat groote twist tusschen de monniken der abdij
en het gilde der zoutmeters (henouars) van Parijs, om het staatsiekleed en
andere bekleedingen, die het koninklijke lijk dekken; elk der partijen
beweert er recht op te hebben; zij trekken er om, en raken bijna
handgemeen, maar de hertog van Bedford geeft het geschil in handen van
het gerecht, "et fut le corps enterré".[114] Hetzelfde geval herhaalt zich in
1461 bij de begrafenis van Karel VII. Op weg naar Saint Denis bij het Croix
aux Fiens gekomen, weigeren de henouars, na een woordenwisseling met

Page 52

de monniken der abdij, het koninklijk lichaam verder te dragen, als men
hun niet tien pond parijsch betaalt, waarop zij recht beweren te hebben. Zij
laten de baar midden op den weg staan, en de stoet blijft geruimen tijd
steken. Reeds willen de burgers van Saint Denis zich met de taak belasten,
toen de grand écuyer uit eigen zak den henouars betaling belooft, waarop de
tocht kan worden voortgezet, om eerst tegen acht uur 's avonds in de kerk
aan te komen. Terstond na de teraardebestelling volgt nog een nieuwe twist
tusschen den koninklijken grand écuyer zelf en de monniken over het
staatsiekleed.[115] Dergelijke tumulten om het bezit van de utensiliën eener
plechtigheid behoorden er zelfs eenigermate bij; de verstoring van den
vorm was zelf vorm geworden. [116]
De algemeene openbaarheid, die, immers ook nog in de zeventiende eeuw,
bij alle belangrijke gebeurtenissen in het koninklijk leven voorgeschreven
was, maakte, dat juist bij de grootste plechtigheden dikwijls elke orde
ontbrak. Bij het kroningsmaal van 1380 is het gedrang van toeschouwers,
deelnemers en dienenden zoo groot, dat de daartoe aangewezen dienaren
der kroon, de connétable en de maarschalk de Sancerre, te paard de
gerechten opdienen.[117] Wanneer Hendrik VI van Engeland in 1431 te
Parijs als koning van Frankrijk is gekroond, dringt het volk reeds in den
vroegen morgen de groote zaal van het paleis binnen, waar het
kroningsmaal gehouden zal worden, om er te kijken, te grissen en te
schransen. De heeren van het Parlement, van de Universiteit, de prévôt des
marchands en de schepenen kunnen nauwelijks door het gedrang de eetzaal
bereiken, en eenmaal daar, vinden zij de voor hen bestemde tafels
ingenomen door allerlei handwerkslieden. Men tracht dezen te verwijderen,
"mais quant on en faisoit lever ung ou deux, il s'en asseoit VI ou VIII
d'autre costé".[118]—Bij de koningswijding van Lodewijk XI in 1461 heeft
men de voorzorg genomen, de ingangen van de kathedraal van Reims tijdig
te sluiten en te bewaken, zoodat er niet meer menschen in de kerk zijn, dan
het koor gemakkelijk kon bevatten. Dezen evenwel dringen zoodanig op
rondom het hoogaltaar, waar de zalving plaats heeft, dat de prelaten zelf, die
den aartsbisschop ter zijde stonden, nauwelijks plaats hadden om zich te
bewegen, en de prinsen van den bloede op hun eerezetels geducht in
verdrukking komen.[119]

Page 53

De kerk van Parijs verdroeg het noode, dat zij nog altijd (tot 1622)
suffragaan was van het aartsbisdom Sens. Men laat het den metropoliet op
alle wijzen merken, dat men van zijn gezag niet gediend is, en beroept zich
op de exemptie door den paus. Op 2 Februari 1492 heeft de aartsbisschop
van Sens in de Notre Dame te Parijs de mis gecelebreerd in
tegenwoordigheid van den koning. Terwijl de koning de kerk nog niet heeft
verlaten, trekt de aartsbisschop, het volk zegenend, zich terug,
voorafgegaan door het priesterkruis. Twee der kanunniken dringen met een
groote schaar van kerkedienaren op, slaan de hand aan het kruis en
beschadigen het, verrekken 's dragers hand, en maken een tumult, waarbij
den dienaren van den aartsbisschop de haren uit het hoofd getrokken
worden. Toen de aartsbisschop den twist tracht te bedaren, "sans lui mot
dire, vinrent près de lui; Lhuillier (deken van het kapittel) lui baille du
coude dans l'estomac, les autres rompirent le chapeau pontifical et les
cordons d'icelluy." De andere kanunnik vervolgt den aartsbisschop "disant
plusieurs injures en luy mectant le doigt au visage, et prenant son bras tant
que dessira son rochet; et n'eust esté que n'eust mis sa main au devant, l'eust
frappe au visage." Het werd een proces van 13 jaar.[120]
De hartstochtelijke en gewelddadige geest, hard en tevens tranenrijk, altijd
wankelend tusschen de zwarte vertwijfeling aan de wereld en het zwelgen
in haar bonte schoonheid, kon niet buiten de strengste vormen van het
leven. Het was noodig, dat de aandoeningen waren gevat in een vast raam
van geijkte vormen; zoodoende kreeg het samenleven althans in den regel
orde. Zoo werden de levensgebeurtenissen van zichzelf en anderen tot een
schoon schouwspel voor den geest; men genoot de pathetische
uitmonstering van leed en geluk onder kunstlicht. Voor een zuivere
gemoedsuitdrukking ontbreken nog de middelen; het gemoed kan slechts in
aesthetische uitbeelding dien hoogen graad van uitdrukkelijkheid bereiken,
waar de tijd naar schreeuwt.
Het is natuurlijk niet zoo gemeend, dat deze levensvormen, vooral die
rondom de groote oude heiligheden van geboorte, huwelijk en sterven, met
zulk een bedoeling zouden zijn ingesteld. Gebruiken en staatsie zijn
gegroeid uit primitief geloof en cultus. Maar de oorspronkelijke zin van dat
alles, die er het aanzijn aan gaf, is reeds lang onbewust geworden, en in
plaats daarvan hebben die vormen zich gevuld met nieuwe aesthetische
waarde.

Page 54

De rouw is het, waar de aankleeding van de aandoening in een suggestieven
vorm de hoogste ontwikkeling vond. Daar was een onbeperkt gegeven voor
die prachtige hyperboliseering van de smart, die het wederpart is van de
hyperboliseering der vreugde in de ontzaglijke hoffeesten. Hier volge geen
uitvoerige beschrijving van al den somberen praal van zwarte gewaden, al
de staatsie van lijkdiensten, die het afsterven van iederen vorst begeleidden.
Zij zijn niet in het bijzonder aan de latere Middeleeuwen eigen; de
monarchieën bewaren ze tot den huidigen dag, en ook de burgerlijke
lijkkoets is er nog de aflegger van. De suggestie van al het zwart, waarin bij
een vorstelijk sterfgeval niet enkel de hofhouding, maar ook magistraten,
gilden en volk gedost ging, moet bij de bonte kleurigheid van het
middeleeuwsche stadsleven nog veel grooter zijn geweest door de
tegenstelling. De rouwpraal over den vermoorden Jan zonder Vrees is met
den kennelijksten toeleg op een sterk (en ten deele politiek) effekt opgezet.
Het krijgsgevolg, waarmee Philips optrekt, om de koningen van Frankrijk
en Engeland te ontmoeten, prijkt met twee duizend zwarte vaantjes, met
zwarte standaarden en vaandels van zeven ellen, de franje van zwarte zijde,
alles bestikt of beschilderd met gouden wapens. De staatsiezetels, de
reiswagen van den hertog zijn voor die gelegenheid zwart geschilderd.[121]
Bij de plechtige samenkomst te Troyes begeleidt Philips de koninginnen
van Frankrijk en Engeland in een fluweelen rouwkleed, dat over den rug
van zijn paard afhangt tot op den grond.[122] Nog geruimen tijd daarna
verschijnt niet alleen hij, maar ook zijn gevolg in 't zwart.[123]
Soms verhoogde een afwijking van al het zwart den indruk nog; terwijl het
geheele hof, ook de koningin, zwart draagt, rouwt de koning van Frankrijk
in het rood.[124] En in 1393 zagen de Parijzenaars met verbazing de geheel
en al witte lijkstaatsie van den in ballingschap gestorven koning van
Armenië, Léon de Lusignan.[125]
Zonder twijfel omhulde dat zwart dikwijls een hevigheid van echte,
hartstochtelijke smart. De groote afschuw van den dood, het sterke
verwantschapsgevoel, de innige aanhankelijkheid aan den heer, maakten
een vorstelijk sterfgeval tot een waarlijk schokkende gebeurtenis. En als
het, zooals in 1419 de moord op den hertog van Bourgondië deed, daarbij
nog de eer van een trotsch geslacht scheurde en de wraak opriep als een
heiligen plicht, dan kon de hyperbolische uiting van smart wel evenredig

Page 55

zijn in staatsie en in gemoed. Chastellain heeft in de aesthetiek van deze
doodstijding zich wijdloopig verlustigd; hij verzint in den zwaren,
slependen stijl van zijn deftige rhetoriek de lange rede, waarmee de
bisschop van Doornik te Gent den jongen hertog langzaam op het
vreeselijke bericht voorbereidt, de statige jammerklachten van Philips zelf,
en van zijn gemalin Michelle de France. Maar de kern van zijn verhaal: hoe
de tijding bij den jongen hertog een zenuwtoeval teweegbrengt, hoe ook
zijn gemalin in onmacht valt, de wilde verwarring van het hof, de luide
rouwkreten van de stad, kortom de woeste uitbundigheid van smart,
waarmee het bericht ontvangen werd, vallen niet te betwijfelen.[126] Ook
Chastellain's verhaal van het smartbetoon van Karel den Stoute bij het
sterven van Philips in 1467 draagt de kenmerken van waarheid. Hier was de
schok veel minder hevig; de oude hertog, vrijwel kindsch, was reeds lang
achteruitgaande; de verstandhouding tusschen hem en zijn zoon was in de
laatste jaren ver van hartelijk geweest, zoodat Chastellain zelf opmerkt, dat
het verbazing wekte, toen men Karel bij het sterfbed zag weenen, krijten,
handenwringen en nedervallen, "et ne tenoit régle, ne mesure, et tellement
qu'il fit chacun s'esmerveiller de sa démesurée douleur". Ook in de stad
Brugge, waar de hertog stierf, "estoit pitié de oyr toutes manières de gens
crier et plorer et faire leurs diverses lamentations et regrets".[127]
Het is moeilijk uit te maken, hoever in deze en dergelijke berichten de
hofstijl gaat, die een luidruchtig leedbetoon gepast en fraai vindt, en hoever
de werkelijke hevige aandoenlijkheid, die den tijd eigen was. Er loopt zeker
een sterk element van primitieven vorm onder: het luide weenen over den
doode, dat geformaliseerd was in klaagvrouwen, en artistiek uitgedrukt in
de "plourants", die juist in dezen tijd aan de grafsculptuur zulk een sterke
bewogenheid verleenen, is een overoud beschavingselement.
Die vereeniging van primitivisme, hevige aandoenlijkheid en fraaien vorm
valt ook te zien in de groote vrees voor het meedeelen van een
doodsbericht. Men houdt voor de gravin van Charolais, wanneer zij
zwanger gaat van Maria van Bourgondië, den dood van haar vader langen
tijd geheim; men durft Philips den Goede, die ziek ligt, geen enkel
sterfgeval, dat hem eenigszins raakt, meedeelen, zoodat Adolf van Cleef
geen rouw mag dragen over zijn echtgenoote. Toen de hertog toch van den
dood van zijn kanselier Nicolaas Rolin de lucht gekregen had (Chastellain
gebruikt zelf die uitdrukking: "avoit esté en vent un peu de ceste mort"),

Page 56

vraagt hij den bisschop van Doornik, die hem aan zijn ziekbed komt
bezoeken, of het waar is, dat de kanselier gestorven is.—Monseigneur,—
zegt de bisschop—: naar waarheid dood is hij wel, want hij is oud en
gebroken, en kan niet lang meer leven.—Déa!—zegt de hertog,—dat vraag
ik niet, ik vraag of hij is "mort de mort et trespassé".—Ha! monseigneur,—
zegt de bisschop weer—, hij is niet gestorven, maar aan één kant verlamd,
dus hij is zoo goed als dood.—De hertog wordt boos:—Vechy merveilles!
zeg mij nu duidelijk, of hij dood is. Toen eerst zegt de bisschop: Ja,
waarlijk, monseigneur, hij is werkelijk gestorven".[128] Is er niet in deze
zonderlinge wijze van een doodsbericht mee te deelen meer van een ouden,
bijgeloovigen vorm dan van een ontzien van een zieke, dien dit aarzelen
slechts kon prikkelen? Het hoort in de sfeer der gedachte, die Lodewijk XI
bewoog, om zich nooit weer te bedienen van de kleeren, die hij droeg, of
het paard, dat hij bereed, toen hem eenig slecht bericht bereikte, en zelfs om
een heel stuk van het bosch van Loches te doen omhakken, waar hem de
dood van zijn pasgeboren zoontje werd bericht.[129] "M. le chancellier—
schrijft hij 25 Mei 1483—je vous mercye des lettres etc. mais je vous pry
que ne m'en envoyés plus par celluy qui les m'a aportées, car je luy ay
trouvé le visage terriblement changé depuis que je ne le vitz, et vous
prometz par ma foy qu'il m'a fait grant peur; et adieu".[130]

Page 57

Wat er ook in de rouwgebruiken aan oude taboevoorstellingen mag
schuilen, de levende cultuurwaarde ervan is, dat zij vorm geven aan het
leed, het als iets schoons en verhevens ontplooien. Zij rythmiseeren de
smart. Zij brengen het werkelijke leven over in de sfeer van het drama, en
doen het cothurnen aan. In primitiever beschaving, ik denk bij voorbeeld
aan de Iersche, zijn rouwgebruiken en dichterlijke lijkklacht nog één
geheel; ook den hofrouw van den Bourgondischen tijd kan men slechts
verstaan, door hem verwant te zien aan de elegie. De rouwpraal vertoont in
schoonen vorm de machteloosheid van smart. Hoe hooger de rang, hoe
heroïscher het smartbetoon moet prijken. De koningin van Frankrijk moet
een vol jaar in de kamer blijven, waar men haar den dood haars gemaals
heeft aangezegd. Voor prinsessen geldt zes weken. Wanneer men Madame
de Charolais, Isabelle de Bourbon, den dood van haar vader heeft
medegedeeld, woont zij eerst nog den lijkdienst bij te Couwenberg, en blijft
daarna zes weken in haar kamer, altijd te bed liggende, door kussens
gesteund, maar gekleed met barbette, kap en mantel. De kamer is geheel
met zwart behangen, op den grond ligt in de plaats van een zacht tapijt een
groot zwart laken, en een groot voorvertrek is eveneens met zwart
behangen. Edelvrouwen blijven alleen voor haar man zes weken te bed,
voor vader of moeder slechts negen dagen, terwijl zij de rest der zes weken
gezeten zijn voor het bed op het groote zwarte kleed. Voor den oudsten
broeder houdt men zes weken de kamer doch niet het bed. [131]—Men
begrijpt, hoe in een tijd, die zulk een hoog ceremonieel in eere hield, als een
der ergste omstandigheden bij den moord van 1419 telkens weer herinnerd
wordt, dat Jan zonder Vrees zoo maar in buis, hozen en schoenen begraven
was.[132]
De aandoening, in die fraaie vormen getooid en verwerkt, gaat er licht in te
loor; de zucht naar de dramatiseering van het leven laat een achter-de-
schermen over, waarin het edel opgemaakte pathos verloochend wordt. Er is
een naïeve scheiding tusschen "staat" en werkelijk leven, welke in het
geschrift van de oude hofdame, Alienor de Poitiers, die al dien "staat" toch
als hooge mysteriën vereert, kenmerkend aan den dag komt. Op de
beschrijving van Isabella van Bourbon's prachtigen rouw laat zij volgen:
"Quand Madame estoit en son particulier, elle n'estoit point toujours
couchée, ni en une chambre". De prinses ontvangt in dien staat, doch enkel
als schoone vorm. Zoo zegt Alienor ook: voor een echtgenoot behoort men

Page 58

twee jaar het rouwkleed te dragen, "indien men althans niet hertrouwt".
Juist de hoogste standen, de vorsten met name, hertrouwden dikwijls zeer
spoedig; de hertog van Bedford, regent van Frankrijk voor den jongen
Hendrik VI, reeds na vijf maanden.
Naast den rouw biedt de kraamkamer een ruim veld voor strenge staatsie en
hiërarchisch verschil van uitmonstering. Er gelden vaste kleuren. Het groen,
dat nog in de 19e eeuw de geijkte kleur was van het burgerlijk ledikant en
de vuurmand, was in de 15e het prerogatief van koningin en prinsessen. De
kraamkamer van de koningin van Frankrijk is van groene zijde; vroeger was
zij geheel in wit. Zelfs gravinnen mogen niet "la chambre verde" hebben.
Stof, bont en kleur van dekens en spreien is voorgeschreven. Op het
dressoir branden voortdurend twee groote lichten in zilveren kandelaars,
want de blinden van de kraamkamer worden eerst na veertien dagen
geopend! Het opmerkelijkste evenwel zijn de staatsieledikanten, ledig
evenals de koetsen bij de begrafenis van den koning van Spanje. De jonge
moeder ligt op een couchette voor het vuur, en het kind, Maria van
Bourgondië, in een wieg in de kinderkamer, maar bovendien staan er in de
kraamkamer twee groote bedden in een kunstig samenstel van groene
gordijnen, opgemaakt en opgeslagen, als om erin te gaan slapen, en in de
kinderkamer opnieuw twee groote bedden, alles met groen en violet, en
nogmaals één groot bed in een voorvertrek of "chambre de parement",
geheel getapisseerd in karmozijn satijn. Zij was vroeger door die van
Utrecht aan Jan zonder Vrees vereerd, en heette "la chambre d'Utrecht". Bij
de doopplechtigheid dienen die bedden tot ceremonieus gebruik.[133]
Die aesthetiek der levensvormen deed zich gelden in het dagelijksch aspect
van stad en land: de strenge hiërarchie van stoffen, kleuren en pelzen gaf
aan de verschillende standen een uiterlijke omlijsting, die het
waardigheidsgevoel verhief en behoedde. De aesthetiek der
gemoedsbewegingen beperkte zich niet tot de plechtige vreugden en
smarten bij geboorte, huwelijk en sterven, waar de parade door de
noodzakelijke ceremoniën geboden was. Elk ethisch gebeuren wordt gaarne
gezien in een fraai opgemaakten vorm. Er is zulk een element in de
bewondering voor de nederigheid en de zelfkastijding van den heilige, voor
het berouw van den zondaar, zooals de "moult belle contrition de ses
péchés" van Agnes Sorel.[134] Elke levensverhouding wordt in stijl

Page 59

gebracht; in de plaats van de moderne zucht tot verbergen en effaceeren van
intieme betrekkingen en sterke aandoeningen geldt het streven, om ze tot
een vorm en een schouwspel ook voor anderen te maken. Zoo heeft ook de
vriendschap in het leven der 15e eeuw haar schoon uitgewerkten vorm.
Naast de oude bloedbroederschap en wapenbroederschap, die in de kringen
zoowel van het volk als van den adel in eere was,[135] kent men een vorm
van sentimenteele vriendschap, die uitgedrukt wordt door het woord
mignon. De vorstelijke mignon is een geformaliseerd instituut, dat zich
gedurende de geheele 16e en een deel der 17e eeuw handhaaft. Het is de
verhouding van Jacobus I van Engeland tot Robert Carr en George Villiers;
ook Willem van Oranje bij den afstand van Karel V moet onder dit aspect
gezien worden. Twelfth Night is slechts te begrijpen, als men bij de
verhouding van den hertog tot den gewaanden Cesario dezen geijkten vorm
van sentimenteele vriendschap voor oogen heeft. De verhouding wordt
gezien als een parallel tot de hoofsche liefde: "Sy n'as dame ne mignon",
zegt Chastellain.[136] Doch elke toespeling, die haar op één lijn met de
Grieksche vriendschap zou brengen, ontbreekt ten eenenmale. De
openlijkheid, waarmee het mignonschap behandeld wordt in een tijd, die
het crimen nefandum zoo verfoeide, moet elken argwaan doen zwijgen.
Bernardino van Siena stelt aan zijn Italiaansche landgenooten, onder wie de
sodomie zeer verbreid was, Frankrijk en Duitschland, waar men haar niet
kent, ten voorbeeld.[137] Commines vertelt zelf, hoe hij de eer genoot, door
Lodewijk XI onderscheiden te worden met 's konings behagen, dat hij gelijk
gekleed ging als deze.[138] Want dit is het vaste teeken van de verhouding.
De koning heeft steeds een mignon en titre, in dezelfde kleederen gedost als
hij, op wien hij steunt bij ontvangsten.[139] Dikwijls zijn het ook twee
vrienden van gelijken leeftijd, doch verschillenden rang, die zich gelijk
kleeden, in één kamer, soms ook in één bed slapen.[140] Zulk een
onafscheidelijke vriendschap bestaat er tusschen den jongen Gaston de Foix
en zijn bastaardbroeder, waar zij een tragisch einde neemt, tusschen
Lodewijk van Orleans (toen nog van Touraine) en Pierre de Craon,[141]
tusschen den jongen hertog van Cleef en Jacques de Lalaing. Op dezelfde
wijze hebben vorstinnen een vertrouwde vriendin, die zich gelijk kleedt,[142]
en mignonne genoemdt wordt.

Page 60

Al deze schoon gestyleerde levensvormen, die de ruwe werkelijkheid
moesten verheffen in een sfeer van edele harmonie, waren deelen van de
groote levenskunst, zonder onmiddellijken neerslag te geven in de kunst in
engeren zin. De omgangsvormen met hun vriendelijken schijn van
ongedwongen altruïsme en heusche erkenning van anderen, de hofpraal en
hofetikette met hun hieratische statigheid en ernst, de blijde tooi van
bruiloft en kraamkamer, hun schoonheid is voorbijgegaan zonder directe
sporen na te laten in kunst en litteratuur. Het uitdrukkingsmiddel, dat hen
verbindt, is niet de kunst, maar de mode. Nu staat de mode in het algemeen
veel nader tot de kunst, dan de academische aesthetica wil toegeven. Als
kunstmatige accentueering van de lichaamsschoonheid en de
lichaamsbeweging is zij met een der kunsten, die van den dans, innig
verbonden. Maar ook daarbuiten grenst in de 15e eeuw het domein der
mode, of wil men liever der kleederdracht, veel nader aan dat der kunst dan
wij geneigd zijn ons voor te stellen. Niet enkel doordat het veelvuldig
gebruik van juweelen en de metaalbewerking van het krijgsgewaad in het
costuum een direct element van kunsthandwerk brengt. De mode deelt met
de kunst zelve essentieele eigenschappen: stijl en rythme zijn haar even
onmisbaar als voor de kunst. De late Middeleeuwen hebben voortdurend in
de kleederdracht een mate van levensstijl uitgedrukt, waarvan tegenwoordig
zelfs een kroningsplechtigheid slechts meer een flauwe afschaduwing kan
geven. In het leven van iederen dag vertoonden de verschillen van pelzen en
kleuren, kappen en huiven de strenge ordonnantie der standen, de
pronkende waardigheden, den staat van blijdschap of smart, de teedere
betrekking van vrienden en verliefden.
Van alle levensverhoudingen was de aesthetiek zoo uitdrukkelijk mogelijk
uitgewerkt. Hoe hooger het schoonheids- en zedelijkheidsgehalte van zulk
een verhouding was, hoe meer de uitdrukking ervan tot zuivere kunst kon
worden. Beleefdheid, etikette vinden hun schoone uiting enkel in het leven
zelf, in kleed en praal. De rouw echter heeft haar sterke uitdrukking
bovendien in een duurzamen en machtigen kunstvorm: het grafmonument;
de cultuurwaarde van den rouw was verheven door zijn verband met den
godsdienst. Maar nog rijker was de aesthetische bloei van deze drie
levenselementen: dapperheid, eer en liefde.

Page 61

Page 62

III
DE HELDENDROOM

Toen men tegen het einde der achttiende eeuw begon middeleeuwsche
cultuurvormen als eigen nieuwe levenswaarden op te nemen, met andere
woorden bij den aanvang der romantiek, heeft men in de Middeleeuwen
allereerst het ridderwezen ontwaard. De romantiek was geneigd
Middeleeuwen en riddertijd kortweg te vereenzelvigen. Zij zag overal
slechts wuivende vederbossen. En hoe paradoxaal het thans klinkt, zij had
in zeker opzicht gelijk. Een grondiger studie heeft ons geleerd, dat het
ridderwezen slechts een onderdeel is van de cultuur van dat tijdperk, dat de
staatkundige en maatschappelijke ontwikkeling grootendeels buiten dien
vorm om gaat. Het tijdperk van echte feodaliteit en bloeiend ridderwezen
loopt reeds in de dertiende eeuw ten einde; wat daarna komt is de stedelijk-
vorstelijke periode der Middeleeuwen, waarin de beheerschende factoren
van staat en maatschappij de handelsmacht der burgerijen en de daarop
berustende geldmacht der vorsten zijn. Wij lateren hebben ons gewend, en
terecht, om veel meer naar Gent en Augsburg te zien, veel meer naar het
opkomende kapitalisme en de nieuwe staatsvormen dan naar den adel, die
immers, hier meer daar minder, overal reeds "gefnuikt" was. De
geschiedvorsching zelf heeft zich sedert de dagen der romantiek
gedemocratiseerd. Het moet evenwel hem, die gewoon is, de latere
Middeleeuwen te zien in hun staatkundig- economisch aspect, zooals wij
dat begrijpen, telkens opvallen, dat de bronnen zelf, met name de
verhalende bronnen, aan den adel en zijn bedrijf een zooveel ruimer plaats
geven, dan bij onze voorstelling past. Dit geldt zelfs niet enkel van de late
Middeleeuwen, maar ook nog van de zeventiende eeuw.
De reden daarvan is, dat de adellijke levensvorm zijn heerschappij over de
samenleving heeft behouden lang nadat de adel als maatschappelijke
structuur zijn overheerschende beteekenis verloren had. In den geest der
vijftiende eeuw neemt de adel als maatschappelijk element nog onbetwist

Page 63

de eerste plaats in; zijn beteekenis wordt door den tijdgenoot veel te hoog,
die van de burgerij veel te laag geschat. Zij zelf zien niet, dat de werkelijke
beweegkrachten der maatschappelijke ontwikkeling elders lagen dan in het
leven en bedrijf van een oorlogvoerenden adel. Dus, zal men zeggen: de
fout zit bij de tijdgenooten zelf en bij de romantiek, die hun voorstelling
zonder kritiek volgde, terwijl de moderne geschiedvorsching de ware
verhoudingen van het laat-middeleeuwsche leven aan het licht heeft
gebracht. Van het staatkundige en economische leven, ja. Maar voor het
kennen van het cultuurleven behoudt de waan zelf, waarin de tijdgenooten
leefden, de waarde van een waarheid. Ook al was de adellijke levensvorm
niet anders dan een vernis over het leven geweest, dan nog zou het
noodzakelijk zijn, dat de geschiedenis dat leven mèt den glans van dat
vernis wist te zien.
Het is overigens veel meer geweest dan een vernis. Het begrip van de
geleding der maatschappij in standen doordringt in de Middeleeuwen alle
theologische en politische beschouwingen tot in haar vezelen. Het bepaalt
zich volstrekt niet tot de geijkte drie: geestelijkheid, adel en derde stand.
Het begrip stand heeft niet alleen een veel sterker waarde maar ook een veel
verder strekking. In het algemeen wordt iedere groepeering, iedere functie,
ieder beroep gezien als een stand, zoodat naast de indeeling der
maatschappij in drie standen een in twaalf kan voorkomen.[143] Want stand
is staat, "estat", of "ordo"; er ligt de gedachte in van een door God gewilde
wezenlijkheid. De woorden "estat" en "ordre" dekken in de Middeleeuwen
een groot aantal van menschelijke groepeeringen, die voor ons begrip zeer
ongelijksoortig zijn: de standen in onzen zin, de beroepen, den huwelijken
staat naast den maagdelijken, den staat van zondigheid "estat de péchié", de
vier "estats de corps et de bouche" aan het hof: panetiers, schenkers,
voorsnijders en keukenmeesters, de geestelijke wijdingen: priester, diaken,
subdiaken enz., de kloosterorden, de ridderorden. In de middeleeuwsche
gedachte wordt het begrip "staat" of "orde" in al die gevallen
bijeengehouden door het besef, dat elk dezer groepen een goddelijke
inzetting vertegenwoordigt, een orgaan is in den wereldbouw, even
wezenlijk en even hierarchisch-eerbiedwaardig als de hemelsche tronen en
machten der engelenhierarchie.
In het schoone beeld, dat men zich maakte van staat en maatschappij, werd
aan elk der standen zijn functie aangewezen niet overeenkomstig zijn

Page 64

beproefde nuttigheid, maar overeenkomstig zijn heiligheid of zijn
schitterenden glans. Men kon daarbij de ontaarding der geestelijkheid, het
verval van de ridderlijke deugden bejammeren, zonder daarom het ideale
beeld ook maar eenigszins prijs te geven; de zonden der menschen mogen
de verwezenlijking van het ideaal beletten, toch blijft het grondslag en
richtsnoer der maatschappelijke gedachte. Het middeleeuwsche beeld der
maatschappij is statisch, niet dynamisch.
Het is een wonderlijke schijn, waarin Chastellain, de hofhistoriograaf van
Philips den Goede en Karel den Stoute, wiens rijke werk ook hier weer de
beste spiegel is van de tijdsgedachte, de maatschappij van zijn dagen ziet.
Hier is een man, in de velden van Vlaanderen getogen, die in zijn
Nederlanden de schitterendste ontplooiing van burgermacht voor oogen
had, en die niettemin, verblind door den uiterlijksten glans van het
Bourgondische prachtleven, in den staat slechts riddermoed en ridderdeugd
als de bron van kracht ziet.
God heeft het volk doen geboren worden om te arbeiden, om den grond te
bewerken, om door den handel duurzaam levensonderhoud te verschaffen,
de geestelijkheid voor de werken des geloofs, maar den adel, om de deugd
te verheffen en de gerechtigheid te handhaven, om met de daden en de
zeden van hun schoone personen den anderen een spiegel te zijn. De
hoogste taak in den staat, de bescherming der kerk, de vermeerdering van
het geloof, de bewaring van het volk voor verdrukking, de handhaving van
het gemeen welzijn, bestrijding van geweld en tirannie, versterking van den
vrede, Chastellain wijst ze alle den adel toe. Waarheid, dapperheid,
zedelijkheid en mildheid zijn zijn eigenschappen. En de adel van Frankrijk,
zegt deze hoogdravende lofredenaar, beantwoordt aan dat ideale beeld.[144]
Door het geheele werk van Chastellain heen bemerkt men, dat hij ook
werkelijk de gebeurtenissen van zijn tijd door dat gekleurde glaasje ziet.
De onderschatting van de burgerij spruit hieruit voort, dat het type,
waaronder men zich den derden stand voorstelde, zich nog geenszins
gecorrigeerd had naar de werkelijkheid. Dat type was eenvoudig en beknopt
als zulk een kalenderplaatje of bas-relief, dat de werken des jaars afbeeldde:
de zwoegende veldarbeider, de vlijtige handwerker of de bedrijvige
koopman. De figuur van den machtigen patriciër, die den adel zelf van zijn
plaats drong, het feit, dat de adel zich voortdurend aanvulde met het bloed

Page 65

en de kracht der burgerij, vond in dat lapidaire type evenmin plaats als de
figuur van den strijdbaren gildebroeder en zijn vrijheidsideaal. In het begrip
van den derden stand bleven, immers zelf tot de Revolutie toe, burgerij en
arbeiders ongescheiden; afwisselend dringt in de voorstelling de figuur van
den armen boer of van den vadsigen rijken burger[145] naar voren, maar een
omlijning volgens zijn werkelijke economisch-politische functie kreeg dat
begrip derde stand niet. Een reformprogram van een Augustijner monnik in
1412 kan in ernst verlangen, dat ieder niet-edele in Frankrijk gedwongen
zou worden, hand- of veldarbeid te doen, of uit het land gejaagd worden.
[146]

Zoo is het te begrijpen, dat iemand als Chastellain, wiens vatbaarheid voor
ethische illusie geëvenaard wordt door zijn politische naïveteit, naast de
hooge eigenschappen van den adel den derden stand slechts lage en
slaafsche deugden toekent. "Pour venir au tiers membre qui fait le royaume
entier, c'est l'estat des bonnes villes, des marchans et des gens de labeur,
desquels il ne convient faire si longue exposition que des autres, pour cause
que de soy il n'est gaires capable de hautes attributions, parce qu'il est au
degré servile". (O kerels van Vlaanderen!) Zijn deugd is nederigheid en
vlijt, gehoorzaamheid aan hun koning en gewilligheid, om genoegen te
verschaffen aan de heeren.[147]
Werkte wellicht ook dat volslagen gemis aan het gezicht op een komenden
tijd van burgervrijheid en macht er toe mee, dat Chastellain en
gelijkgezinden, die enkel van den adel heil verwachtten, het met de tijden
duister inzagen?

Ook de rijke stedelingen heeten bij Chastellain nog kortweg "vilains". [148]
Hij heeft niet het geringste begrip voor burgereer. Philips de Goede had de
gewoonte, zijn macht te misbruiken, om zijn "archers", lagere edelen veelal,
of andere dienaren van zijn huis te huwen aan rijke poortersweduwen of
dochters. De ouders huwelijkten hun dochters zoo vroeg mogelijk uit, om
die aanzoeken te ontgaan; een weduwe hertrouwde erom twee dagen na
haars mans begrafenis.[149] Eens stuitte de hertog daarbij op het hardnekkig
verzet van een rijken bierbrouwer te Rijsel, die zijn dochter niet voor een
dergelijke verbintenis wil geven. De hertog laat het meisje in verzekerde
bewaring stellen; de gekrenkte vader verhuist met zijn hebben en houden
naar Doornik, om daar buiten 's hertogen gebied te zijn, en ongehinderd de

Page 66

zaak voor het Parlement van Parijs te kunnen brengen. Het brengt hem niet
dan zorg en moeite; hij wordt ziek van verdriet, en het eind van het geval,
dat in hooge mate kenschetsend is voor Philips' impulsief karakter[150] en
hem naar onze begrippen niet tot eer strekt, is, dat de hertog de moeder, die
als smeekelinge tot hem komt, haar dochter teruggeeft, maar aan de
vergiffenis hoon en vernedering toevoegt. Chastellain, die anders volstrekt
niet vreest, zijn heer te misprijzen, staat met zijn sympathie geheel aan de
zijde van den hertog; voor den beleedigden vader heeft hij geen andere
woorden dan "ce rebelle brasseur rustique", "et encore si meschant vilain."
[151]

In zijn Temple de Bocace, een hol galmende hal van adellijken roem en
ongeluk, laat Chastellain den grooten financier Jacques Coeur niet zonder
een woord van verontschuldiging toe, terwijl de verfoeilijke Gilles de Rais
er ondanks zijn ontzettende misdaden gereedelijk toegang vindt van wege
zijn hooge geboorte.[152] Hij acht het onnoodig, de namen van de burgers te
vermelden, die in den grooten strijd voor Gent vielen.[153]
Ondanks deze geringschatting van den derden stand ligt er in het
ridderideaal zelf en in de beoefening van de deugden en de taak, die den
adel werden voorgehouden, een dubbel element van een minder
hoogmoedig aristocratische volksverachting. Naast den spot over de
dorpers, vol haat en verachting, zooals die klinkt uit het Vlaamsche
Kerelslied en de Proverbes del vilain loopt in de Middeleeuwen een
tegengestelde uiting van medelijden met het arme volk, dat het zoo kwaad
heeft.
"Si fault de faim perir les innocens
Dont les grans loups font chacun jour ventrée,
Qui amassent a milliers et a cens
Les faulx tresors; c'est le grain, c'est la blée,
Le sang, les os qui ont la terre arée
Des povres gens, dont leur esperit crie
Vengence à Dieu, vé à la seignourie...."[154]
Het zijn altijd dezelfde klaagtonen: het arme volk, geteisterd door de
oorlogen, uitgezogen door de ambtenaren, leeft in gebrek en ellende;
iedereen teert op den boer. Zij lijden geduldig: "le prince n'en sçait riens",

Page 67

en als zij soms murmureeren en de overheid smaden: "povres brebis, povre
fol peuple", de heer zal hen met een woord weer tot rust en tot rede
brengen. In Frankrijk komt onder den indruk van de jammerlijke
verwoesting en onveiligheid, waaraan de honderdjarige oorlog gaandeweg
het geheele land overleverde, één trek in die klacht op den voorgrond: de
boer geplunderd, gebrandschat en mishandeld door de krijgsbenden van
vriend en vijand, beroofd van zijn ploegdieren, van huis en hof verjaagd. In
dien vorm neemt de klacht geen einde meer. Men hoort haar van de groote
reform-gezinde geestelijken omstreeks 1400: Nicolaas van Clemanges in
zijn Liber de lapsu et reparatione justitiae,[155] van Gerson in zijn moedige
en aangrijpende politieke preek voor de regenten en het hof op het thema
Vivat rex, 7 November 1405 in het paleis der koningin te Parijs gehouden,
[156]
Jean Jouvenel, de bisschop van Beauvais, houdt in bittere klachten de
ellende van het volk voor aan de Staten te Blois in 1433, te Orleans in 1439.
[157] Gepaard aan het beklag der andere standen over hun moeilijkheden, in

den vorm van een twistgesprek, vindt men het thema van de volksellende in
Alain Chartier's Quadriloge invectif,[158] en in Robert Gaguin's daarop
geïnspireerd Debat du laboureur, du prestre et du gendarme. [159] De
kroniekschrijvers kunnen niet anders dan telkens erop terugkomen; hun stof
bracht het mee.[160] Molinet dicht een Resource du petit peuple,[161] de
ernstige Meschinot herhaalt de waarschuwingen over de verwaarloozing
van het volk keer op keer:
"O Dieu, voyez du commun l'indigence,
Pourvoyez-y à toute diligence:
Las! par faim, froid, paour et misere tremble.
S'il a peché ou commis negligence
Encontre vous, il demande indulgence.
N'est-ce pitié des biens que l'on lui emble?
Il n'a plus bled pour porter au molin,
On lui oste draps de laine et de lin,
L'eaue, sans plus, lui demeure pour boire".[162]
In een cahier, den koning aangeboden ter gelegenheid van de Staten te
Tours in 1484, neemt de klacht regelrecht het karakter aan van een politiek
vertoog.[163] Toch blijft het een volkomen stereotyp en negatief medelijden,
niets van een program. Er is nog geen spoor van weloverlegden socialen

Page 68

hervormingszin in, en zoo wordt er op het thema doorgezongen, door La
Bruyère, door Fénélon, tot diep in de achttiende eeuw, want nog de klachten
van den ouden Mirabeau, "l'ami des hommes", zijn weinig anders, al klinkt
daarin het geluid van het komende verzet.
Het is te verwachten, dat de verheerlijkers van het laat-middeleeuwsche
ridderideaal instemmen met deze betuigingen van medelijden met het volk:
immers de toepassing van den ridderplicht, om de zwakken te beschermen,
eischte het. Evenzeer inhaerent aan het wezen van het ridderideaal, en
evenzeer stereotyp en theoretisch, is ook het besef, dat de ware adeldom
slechts berust in de deugd, en dat in den grond alle menschen gelijk zijn.
Deze beide gevoelens worden wel eens in hun cultuurhistorische beteekenis
overschat. Men beschouwt de erkenning van den waren adel in het hart als
een triomf der Renaissance, erop wijzende, dat Poggio die gedachte
uitspreekt in zijn De nobilitate. Men hoort gewoonlijk dat oude egalitarisme
in het revolutionaire geluid van John Ball's "When Adam delved and Eve
span, where was then the gentleman?"—En men stelt zich voor, dat de adel
sidderde op dien tekst.
Beide gedachten waren reeds lang gemeenplaatsen in de hoofsche
litteratuur zelve, evenals zij het waren in de salons van het ancien régime.
Het denkbeeld van den waren adel in het hart was voortgekomen uit de
verheffing van de hoofsche liefde in de poëzie der troubadours. Het blijft
een zedelijke bespiegeling zonder sociaal-actieve werking.
"Dont vient a tous souveraine noblesce?
Du gentil cuer, paré de nobles mours.
... Nulz n'est villains se du cuer ne lui muet".[164]
De gelijkheidsgedachte was reeds door de kerkvaders ontleend aan Cicero
en Seneca. Gregorius de Groote had den komenden Middeleeuwen het
"Omnes namque homines natura aequales sumus" reeds meegegeven. Het
was in allerlei klank en nadruk steeds herhaald, zonder de werkelijke
ongelijkheid te verminderen. Want voor den Middeleeuwer keerde de
gedachte haar pointe naar de spoedige gelijkheid in den dood, niet naar een
hopeloos verre gelijkheid in het leven. Bij Eustache Deschamps vinden wij
haar in een duidelijke verbinding met de doodendans- voorstelling, die aan

Page 69

de late Middeleeuwen den troost moest geven over het onrecht van de
wereld. Het is Adam zelf, die zijn kroost toespreekt:
"Enfans, enfans, de moy, Adam, venuz,
Qui après Dieu suis peres premerain (eerste)
Créé de lui, tous estes descenduz
Naturelment de ma coste et d'Evain;
Vo mere fut. Comment est l'un villain
Et l'autre prant le nom de gentillesce
De vous, freres? dont vient tele noblesce?
Je ne le sçay, se ce n'est des vertus,
Et les villains de tout vice qui blesce:
Vous estes tous d'une pel revestus.
Quant Dieu me fist de la boe ou je fus,
Homme mortel, faible, pesant et vain,
Eve de moy, il nous crea tous nuz,
Mais l'esperit nous inspira a plain
Perpetuel, puis eusmes soif et faim,
Labour, dolour, et enfans en tristesce;
Pour noz pechiez enfantent a destresce
Toutes femmes; vilment estes conçuz.
Dont vient ce nom, villain, qui les cuers blesce?
Vous estes tous d'une pel revestuz.
Les roys puissans, les contes et les dus,
Li gouverneur du peuple et souverain,
Quant ilz naissent, de quoy sont ilz vestuz?
D'une orde pel.
... Prince, pensez, sanz avoir en desdain
Les povres gens, que la mort tient le frain".[165]
Het is in overeenstemming met deze gedachten, wanneer geestdriftige
vereerders van het ridderideaal somtijds opzettelijk de daden van boersche
helden opteekenen, om den adel te leeren, "dat bij wijlen zij, die zij dorpers
achten, van de grootste dapperheid bezield zijn".[166]
Want dit is de grond van al deze gedachten: dat de adel geroepen is, om
door de naleving van het ridderideaal de wereld te schragen en te zuiveren.

Page 70

Het rechte leven en de rechte deugd der edelen is het heilmiddel der slechte
tijden; daarvan hangt af het welzijn en de rust van kerk en koninkrijk, de
gelding der gerechtigheid.[167] De oorlog is in de wereld gekomen met Caïn
en Abel, en sedert vertakt onder goeden en slechten. Hem te beginnen is
niet goed. Daarom is de zeer edele en zeer uitstekende stand der ridderschap
ingesteld, om het volk, dat gemeenlijk het meest geteisterd wordt door de
rampen van den krijg, te bewaren, te verdedigen en in rust te houden.[168]
Twee zaken, luidt het in het leven van een der zuiverste vertegenwoordigers
van het laat-middeleeuwsche ridderideaal, Boucicaut, zijn door God's wil in
de wereld gezet als twee pijlers om de orde der goddelijke en menschelijke
wetten te onderhouden; zonder hen zou de wereld niet dan verwarring zijn;
die twee pijlers zijn ridderschap en wetenschap, "chevalerie et science, qui
moult bien conviennent ensemble".[169] "Science, Foy et Chevalerie" zijn de
drie leliën van Le Chapel des fleurs de lis van Philippe de Vitri; zij
vertegenwoordigen de drie standen; de ridderschap is geroepen, om de
beide andere te behoeden en te beschermen.[170] Die gelijkwaardigheid van
ridderschap en wetenschap, die ook spreekt uit de neiging om aan den
doctorstitel dezelfde rechten toe te kennen als aan den riddertitel [171]
getuigt van het hooge ethische gehalte van het ridderideaal. Het is de
vereering van een hooger willen en durven naast die van een hooger weten
en kunnen; men heeft de behoefte, om den mensch in een hoogere potentie
te zien, en wil die uitdrukken in den vasten vorm van twee wijdingen tot
hooger levenstaak, onderling gelijkwaardig. Maar van die twee had het
ridderideaal een veel algemeener en sterker werking, omdat daarin met het
ethische zooveel aesthetische elementen waren vereenigd, die voor iederen
geest begrijpelijk waren.
De middeleeuwsche gedachtenwereld in het algemeen is in al haar deelen
doortrokken en doorzult met de geloofsvoorstellingen. Op soortgelijke
wijze is de gedachtenwereld van die beperkter groep, welke in de sfeer van
hof en adel leeft, gedrenkt in het ridderideaal. Zelfs geloofsvoorstellingen
worden op haar beurt in den ban der ridderidee getrokken: Michael's
wapenfeit was "la première milicie et prouesse chevaleureuse qui oncques
fut mise en exploict"; van hem neemt de ridderlijkheid haar oorsprong; als
"milicie terrienne et chevalerie humaine" is zij een aardsche navolging van
de engelenscharen om Gods troon.[172]

Page 71

Leidt de hooge verwachting, die men bouwt op de plichtsvervulling van den
adel, tot eenige nadere omschrijving van politieke denkbeelden omtrent
hetgeen den adel te doen staat? Ja, die van een streven naar den
universeelen vrede, gegrondvest op de eendracht der koningen, de
verovering van Jeruzalem en verdrijving der Turken. De onvermoeide
plannenmaker Philippe de Mézières, die droomde van een ridderorde, welke
al de oude kracht van Tempel en Hospitaal zou overtreffen, heeft in zijn
Songe du vieil pelerin een plan uitgewerkt, dat het heil der wereld in de
naaste toekomst scheen te waarborgen. De jonge koning van Frankrijk,—
het is geschreven omstreeks 1388, toen op den ongelukkigen Karel VI nog
zooveel hoop was gebouwd—, zal gemakkelijk vrede kunnen sluiten met
Richard van Engeland, even jong en onschuldig aan ouden strijd als hij. Zij
moesten persoonlijk over dien vrede met elkander spreken, elkander
verhalen van de wonderlijke openbaringen, die hem hadden aangekondigd,
afzien van al de kleine belangen, die een beletsel zouden opleveren, als de
onderhandeling aan geestelijken, rechtsgeleerden of legerhoofden werd
toevertrouwd. Laat de koning van Frankrijk maar wat grenssteden en
kasteelen afstaan. Terstond na den vrede zou de kruistocht worden
voorbereid. Overal zal alle strijd en veete beslecht worden, het tiranniek
bestuur der staten zal hervormd worden, een algemeen concilie zal de
vorsten der christenheid opwekken, om ten oorlog te trekken, indien de
prediking niet helpen mocht, om Tartaren, Turken, Joden en Saracenen te
bekeeren.[173] Niet onwaarschijnlijk was er van zulke ver strekkende
plannen nog sprake in het vriendschappelijk verkeer van Mézières met den
jongen Lodewijk van Orleans in het klooster der Celestijnen te Parijs. Ook
Orleans leefde, zij het met meer bijmenging van praktische en baatzuchtige
politiek, in die droomen van vrede en kruistocht.[174]
Het is een wonderlijke kleuring van de wereld, dat beeld van de
maatschappij gedragen door het ridderideaal. Het is een kleur, die niet goed
houden wil. Wien men ook neemt van de bekende fransche chronisten der
veertiende en vijftiende eeuw: de scherpe Froissart, de droge Monstrelet en
d'Escouchy, de plechtstatige Chastellain, de hoofsche Olivier de la Marche,
de bombastische Molinet, allen met uitzondering van Commines en Thomas
Basin beginnen met hoogdravende verklaringen, dat zij schrijven ter
verheerlijking van ridderdeugd en roemrijke wapenfeiten.[175] Maar
niemand kan het geheel volhouden, Chastellain nog het best. Terwijl

Page 72

Froissart, zelf dichter van een hyperromantischen aflegger der ridder-epiek:
Méliador, met zijn geest zwelgt in ideale "prouesse" en "grans apertises
d'armes", schrijft zijn journalistenpen voortdurend van verraad en
wreedheid, sluwe baatzucht en overmacht, een krijgsbedrijf, dat geheel een
zaak van winstbejag is geworden. Molinet vergeet doorloopend zijn
chevaleresken opzet en vertelt, afgezien van zijn taal en stijl, de
gebeurtenissen helder en eenvoudig, om zich af en toe den edelen zwier te
herinneren, dien hij zich had opgelegd. Nog uiterlijker is de ridderlijke
strekking bij Monstrelet.
Het is alsof de geest van deze schrijvers,—een ondiepe geest, moet men
zeggen—, de ridderlijke fictie aanwendt als een correctief op de
onbegrijpelijkheid, die hun tijd voor hen had. Het was de eenige vorm,
waarin zij de gebeurtenissen konden begrijpen. In de werkelijkheid waren
zoowel de oorlogen als de staatkunde van hun tijd uiterst vormloos,
schijnbaar onsamenhangend. De krijg doorgaans een chronisch proces van
geïsoleerde strooptochten over een groot gebied verspreid, de diplomatie
een zeer omslachtig en gebrekkig instrument, voor een deel beheerscht door
zeer algemeene traditioneele ideeën en voor een deel door een
onontwarbaar complex van afzonderlijke, kleine rechtskwesties. Niet in
staat om in dat alles een reëele maatschappelijke ontwikkeling te erkennen,
nam de historie de fictie van het ridderideaal te baat, en herleidde daarmee
alles tot een schoon beeld van vorsteneer en ridderdeugd, een fraai spel van
edele regels, en schiep de illusie van orde. Vergelijkt men dezen
historischen maatstaf met bijvoorbeeld het inzicht van Thucydides, dan is
het een buitengewoon laag standpunt. De geschiedenis verdort tot een relaas
van schoone of schijnschoone wapenfeiten en solemneele
staatshandelingen. Wie zijn dan ook van dit gezichtspunt beschouwd de
rechte geschiedgetuigen? De herauten en wapenkoningen, meent Froissart;
zij wonen immers die edele verrichtingen bij, en hebben ze officieel te
beoordeelen; zij zijn experts in zaken van roem en eer, en roem en eer zijn
het motief der geschiedschrijving. [176] De statuten van het Gulden Vlies
geboden het opteekenen van ridderlijke wapenfeiten; Lefèvre de Saint
Remy, genaamd Toison d'or, of de heraut Berry kunnen als voorbeelden van
den wapenkoning- geschiedschrijver genoemd worden.

Page 73

Als ideaal van schoon leven is de ridderlijke gedachte van zeer bijzondere
gedaante. Het is een in zijn wezen aesthetisch ideaal, opgebouwd uit bonte
fantazie en verheffende aandoening. Maar het wil zijn een ethisch ideaal:
het middeleeuwsche denken kon aan een levensideaal slechts een edele
plaats geven, door het in betrekking te stellen tot vroomheid en deugd. In
die ethische functie schiet het ridder wezen steeds te kort; het wordt
omlaaggetrokken door zijn zondigen oorsprong. Want de kern van het
ideaal blijft de tot schoonheid verheven hoogmoed. Dit heeft Chastellain
volkomen begrepen, wanneer hij zegt: "La gloire des princes pend en orguel
et en haut péril emprendre; toutes principales puissances conviengnent en
un point estroit qui se dit orgueil."[177] Uit den hoogmoed, gestyleerd en
verheven, is de eer geboren, die de pool is van het adellijk leven. Terwijl in
de middelmatige of ondergeschikte maatschappelijke verhoudingen—zegt
Taine [178]—de voornaamste drijfveer het belang is, is de groote beweger bij
de aristocratie de hoogmoed: "or, parmi les sentiments profonds de
l'homme, il n'en est pas qui soit plus propre a se transformer en probité,
patriotisme et conscience, car l'homme fier a besoin de son propre respect,
et, pour l'obtenir, il est tenté de le mériter." Taine heeft zonder twijfel de
neiging, om de aristocratie te fraai te zien. De werkelijke geschiedenis der
aristocratieën geeft overal een beeld, waarin de hoogmoed gedoubleerd is
met onbeschaamd eigenbelang. Des ondanks blijft—als omschrijving van
het aristocratisch levensideaal —Taine's woord treffend. Het is verwant aan
Burckhardt's bepaling van het Renaissance-eergevoel. "Es ist die rätselhafte
Mischung aus Gewissen und Selbstsucht, welche dem modernen Menschen
noch übrig bleibt, auch wenn er durch oder ohne seine Schuld alles übrige,
Glauben, Liebe und Hoffnung eingebüsst hat. Dieses Ehrgefühl verträgt
sich mit vielem Egoismus und grossen Lastern und ist ungeheurer
Täuschungen fähig; aber auch alles Edle, das in einer Persönlichkeit übrig
geblieben, kann sich daran anschliessen und aus diesem Quell neue Kräfte
schöpfen".[179]
De persoonlijke eerzucht en roemzucht, die dan eens uitingen van een hoog
eergevoel, dan weer veel meer uit onveredelden hoogmoed gesproten
schijnen, zijn door Burckhardt in beeld gebracht als de kenmerkende
eigenschappen van den Renaissance-mensch.[180] In tegenstelling met de
afzonderlijke standseer en standenroem, zooals zij de echt-middeleeuwsche
samenleving buiten Italië nog bezielden, beschrijft hij de algemeen-

Page 74

menschelijke eer en roem, waarnaar, onder sterken invloed van antieke
voorstellingen, de Italiaansche geest sedert Dante streeft. Het schijnt mij
toe, dat dit een der punten is, waarop Burckhardt den afstand tusschen
Middeleeuwen en Renaissance, tusschen West-Europa en Italië te groot
gezien heeft. Die roemliefde en eerzucht der Renaissance is in haar kern de
ridderlijke eerzucht van vroeger tijd en Fransche herkomst, de standseer
uitgebreid tot wijder gelding, ontdaan van het feodale sentiment en bevrucht
met antieke gedachte. Het hartstochtelijk verlangen, om door het nageslacht
geprezen te worden, is den hoofschen ridder der twaalfde eeuw, den
onverfijnden Franschen of Duitschen soudenier der veertiende eeuw even
weinig vreemd als den schoonen geest van het quattrocento. De afspraak
voor het Combat des trente tusschen messires Robert de Beaumanoir en den
kapitein Brandebourch wordt door den laatste besloten met de woorden: "en
zoo zullen wij maken, dat men ervan spreken zal in komende tijden in zaal
en paleis, in pleinen en andere plaatsen over de wereld."[181] Chastellain, in
zijn waardeering van het ridderideaal toch volkomen middeleeuwsch, drukt
niettemin volkomen den geest der Renaissance uit, als hij zegt:
"Honneur semont toute noble nature
D'aimer tout ce qui noble est en son estre.
Noblesse aussi y adjoint sa droiture".[182]
Elders zegt hij, dat bij joden en heidenen de eer dierbaarder was en nauwer
werd gehouden, omdat zij enkel werd betracht om haars zelfs wil en in
verwachting van aardschen lof, terwijl de christenen de eer ontvangen
hebben door het geloof en het licht, in verwachting van hemelsch loon.[183]
Reeds bij Froissart wordt de dapperheid aanbevolen zonder eenige
religieuze of direct moreele motiveering, om roem en eer, en—enfant
terrible als hij is—om carrière.[184]
Het streven naar ridderlijken roem en eer is onafscheidelijk verbonden aan
een heldenvereering, waarin middeleeuwsche en renaissance-elementen
ineenvloeien. Het ridderlijke leven is een navolging. Of het de helden van
den Artur-kring zijn of de antieke helden, maakt weinig verschil. Alexander
was immers reeds in den bloeitijd van den ridderroman volkomen in de
ideeënsfeer van het ridderwezen opgenomen. De antieke fantaziesfeer was
nog niet gescheiden van die der tafelronde. Koning René ziet bont dooreen

Page 75

de met hun blazoenen versierde grafteekens van Lancelot, Caesar, David,
Hercules, Paris, Troïlus.[185] Het ridderwezen zelf gold voor Romeinsch.
"Et bien entretenoit—heet het van Hendrik V van Engeland—la discipline
de chevalerie, comme jadis faisoient les Rommains".[186] Het toenemende
classicisme brengt eenige zuivering in het historische beeld der Oudheid; de
Portugeesche edelman Vasco de Lucena, die voor Karel den Stoute Quintus
Curtius vertaalt, verklaart, gelijk Maerlant het reeds anderhalve eeuw eerder
had gedaan, hem daarin te bieden een authentieken Alexander, ontdaan van
de leugens, waarmee al de gangbare historiën diens geschiedenis
ontsierden.[187] Doch de bedoeling is sterker dan ooit, den vorst een
voorbeeld ter navolging te bieden, en bij weinig vorsten is de zucht, om
door groote en schitterende daden de Ouden te evenaren, zoo bewust als bij
Karel den Stoute. Van jongsaf had hij zich de heldendaden van Walewein en
Lancelot laten voorlezen; later wonnen het de Ouden. Voor het slapen gaan
werd er geregeld een paar uur gelezen in "les haultes histoires de Romme".
[188] Zijn hoogste behagen gold den helden der oudheid: Caesar, Hannibal

en Alexander, "lesquelz il vouloit ensuyre et contrefaire".[189] Alle
tijdgenooten hebben aan die opzettelijke navolging als drijfveer van zijn
daden groot gewicht gehecht. "Il désiroit grand gloire,—zegt Commines—
qui estoit ce qui plus le mettoit en ses guerres que nulle autre chose; et eust
bien voulu ressembler à ses anciens princes dont il a esté tant parlé après
leur mort."[190] Chastellain zag hem dien hoogen zin voor groote daden en
voor het schoone antieke gebaar de eerste maal in praktijk brengen. Het was
bij zijn eerste komst als hertog binnen Mechelen in 1467. Hij had er een
oproer te straffen; de zaak werd in alle vormen onderzocht en berecht, een
der leiders ter dood veroordeeld, anderen voor eeuwig verbannen. Het
schavot wordt op de markt opgericht, de hertog zit er tegenover; de
schuldige ligt reeds geknield, de beul ontbloot het zwaard; toen roept Karel,
die tot dusver zijn bedoeling verborgen had: "Houd op! Doe hem den
blinddoek af en laat hem opstaan."
"Et me pareus de lors—zegt Chastellain—que le coeur luy estoit en haut
singulier propos pour le temps à venir, et pour acquérir gloire et renommée
en singulière oeuvre."[191]
Het voorbeeld van Karel den Stoute is geschikt, om te doen zien, hoe de
geest der Renaissance, de zucht naar het schoone antieke leven, direct

Page 76

wortelt in het ridderideaal. Het is, als men hem met den Italiaanschen
virtuoso vergelijkt, slechts een verschil van belezenheid en van smaak.
Karel las zijn klassieken nog in vertaling, en zijn levensvorm is nog
flamboyant-gothiek.
Dezelfde onscheidbaarheid van het ridderlijke en het renaissance-element
vertoont de cultus der negen dapperen, "les neuf preux". Die groep van
negen helden, drie heidenen, drie joden, drie christenen, komt op in de
ridderlijke litteratuur; zij wordt het eerst aangetroffen in de Voeux du paon
van Jacques de Longuyon omstreeks 1312.[192] De keus der helden verraadt
den nauwen samenhang met de ridderlijke romantiek: Hector, Caesar,
Alexander—Jozua, David, Judas Maccabaeus—Artur, Karel de Groote en
Godfried van Bouillon. Van zijn leermeester Guillaume de Machaut neemt
Eustache Deschamps de gedachte over; hij wijdt er tal van gedichten aan.
[193]
Waarschijnlijk is hij het geweest, die aan de behoefte aan symmetrie,
welke den laat-middeleeuwschen geest zoo sterk eigen is, voldeed, door aan
de 9 preux 9 preuses toe te voegen. Hij zocht er eenige, ten deele vrij
zonderlinge, klassieke figuren voor bijeen uit Justinus en andere litteratuur:
o.a. Penthesilea, Tomyris, Semiramis, en verhaspelde de meeste namen
geducht. Dit belette het denkbeeld niet, om opgang te maken, en zoo vindt
men preux en preuses bij de lateren, zooals in Le Jouvencel, terug. Zij staan
afgebeeld op tapijten, men verzint hun blazoenen; bij den intocht van
Hendrik VI van Engeland te Parijs in 1431 gaan alle achttien hem voorop.
[194]

Hoe levend de voorstelling gedurende de 15e eeuw en nog daarna gebleven
is, bewijst het feit, dat men haar parodieerde: Molinet beproeft zijn luim aan
een negental "preux de gourmandise".[195] Nog Frans I kleedde zich af en
toe "à l'antique" om een der preux voor te stellen.[196]
Deschamps heeft evenwel nog op een andere wijze dan door de aanvulling
met vrouwelijke pendanten de voorstelling uitgebreid. Hij verbond die
vereering van oude heldendeugd aan het heden, plaatste haar in de sfeer van
het opkomende Fransche militaire nationalisme, door aan de negen een tijd-
en landgenoot als tienden preux toe te voegen: Bertrand du Guesclin.[197]
Ook dat denkbeeld had succes; Lodewijk van Orleans liet in de groote zaal
van Coucy het beeld van den dapperen connétable als tiende der preux

Page 77

opnemen.[198] Het was met reden, dat Orleans de gedachtenis van du
Guesclin een bijzondere zorg wijdde; hij zelf was door den connétable ten
doop gehouden, en deze had hem daarbij een zwaard in de hand gegeven.
Van de figuur van den dapperen en berekenenden Bretonschen krijgsman
neemt een nationaal-militaire heldenvereering haar uitgang. Het valt op te
merken, dat deze in de 15e eeuw nog niet in de eerste plaats Jeanne Darc
geldt. Allerlei veldoversten, die naast of tegen haar hadden gestreden,
nemen in de verbeelding der tijdgenooten veel grooter en eervoller plaats in
dan het boerenmeisje uit Domrémy. Velen spreken van haar nog zonder
aandoening of vereering, meer als een curiositeit. Chastellain, die zijn
Bourgondische gevoelens, als het pas gaf, merkwaardig op zij wist te zetten
voor een pathetisch Fransch loyalisme, dicht een "mystère" op den dood
van Karel VII, waarin al de aanvoerders, die voor hem de Engelschen
bestreden hebben, als een eeregalerij van dapperen, een strofe zeggen, die
hun daden vermeldt: Dunois, Jean de Bueil, Xaintrailles, La Hire zijn er bij,
en tal van minder bekenden.[199] Het doet even aan als een reeks van
Napoleontische generaals. Maar la Pucelle ontbreekt.
De Bourgondische vorsten bewaarden in hun schatkamer een aantal
heldenrelieken van romantischen aard: een zwaard van Sint Joris, met diens
wapen versierd, een zwaard, dat behoord had aan "messire Bertran de
Claiquin" (du Guesclin), een tand van het everzwijn van Garin le Loherain,
het souter, waaruit de heilige Lodewijk leerde in zijn kindsheid.[200] Hoe
loopen de fantaziesferen van het ridderlijke en het religieuze hier ineen!
Nog een schrede, en men is bij het armbeen van Livius, dat, plechtig als
gold het een reliek, in ontvangst genomen werd door paus Leo X.[201]
De laat-middeleeuwsche heldenvereering heeft haar litterairen vorm in de
biografie van den volmaakten ridder. Soms zijn het reeds legendaire figuren
geworden, zooals Gilles de Trazegnies. De belangrijkste evenwel zijn die
van tijdgenooten, zooals Boucicaut, Jean de Bueil, Jacques de Lalaing.
Jean le Meingre, gewoonlijk genoemd le maréchal Boucicaut, heeft zijn
land gediend in groote rampen. Hij was met Jan zonder Vrees in 1396 bij
Nicopolis geweest, waar het Fransche ridderleger, roekeloos uitgetrokken
om den Turk weer uit Europa te drijven, door Sultan Bajazid vernietigd
werd. Hij is opnieuw gevangen gemaakt bij Azincourt in 1415, en zes jaren
later in gevangenschap gestorven. Een bewonderaar heeft nog bij zijn leven

Page 78

in 1409 zijn daden te boek gesteld, op grond van zeer goede inlichting en
documenten,[202] doch niet als een stuk tijdsgeschiedenis maar als het beeld
van den idealen ridder. De realiteit van dit veelbewogen leven verdwijnt
achter den schoonen schijn van het ridderbeeld. De vreeselijke katastrofe
van Nicopolis heeft in Le Livre des faicts maar een flauwe kleur. Boucicaut
wordt geschilderd als het type van den soberen, vromen en tegelijk
hoofschen en geletterden ridder. De afkeer van rijkdommen, die den waren
ridder eigen moest zijn, spreekt uit het woord van Boucicaut's vader, die
zijn erfgoed had willen vergrooten noch verkleinen, zeggende: als mijn
kinderen rechtschapen en dapper zijn, zullen zij genoeg hebben; en als zij
niets waard zijn, zou het jammer wezen, dat hun zooveel bleef nagelaten.
[203]
Boucicaut's vroomheid is van een streng puriteinsch karakter. Hij staat
vroeg op, en blijft wel drie uren in gebeden. Hoe gehaast of bezig ook,
hoort hij iederen dag geknield twee missen. Vrijdags kleedt hij zich in het
zwart, op Zon- en feestdagen doet hij te voet een bedevaart of laat zich
voorlezen uit het leven der heiligen, of uit de geschiedenissen "des vaillans
trespassez, soit Romains ou autres", of hij spreekt met anderen van devote
dingen. Hij is matig en sober, spreekt weinig en meest over God, de
heiligen, de deugd of de ridderlijkheid. Ook al zijn dienaren heeft hij
gewend aan devotie en betamelijkheid, en hun het vloeken afgeleerd.[204]
Hij is een ijverig voorstander van den edelen, kuischen vrouwendienst; hij
eert allen om eene, en sticht de orde "de l'écu verd à la dame blanche", ter
verdediging der vrouwen, wat hem den lof schonk van Christine de Pisan.
[205] Te Genua, waar hij in 1401 het bestuur kwam voeren voor Karel VI,

beantwoordde hij eens hoffelijk de révérences van twee dames, die hij
ontmoette. "Monseigneur," zei zijn schildknaap, "qui sont ces deux femmes
à qui vous avez si grans reverences faictes?"—"Huguenin, dit-il, je ne
sçay". Lors luy dist: "Monseigneur, elles sont filles communes".—"Filles
communes, dist-il, Huguenin, j'ayme trop mieulx faire reverence à dix filles
communes que avoir failly à une femme de bien."[206]—In zijn devies "Ce
que vous vouldrez" kan men evengoed den dolenden ridder hooren, die zijn
trouw aan zijn dame wijdt, als den renaissance-mensch, die zich overgeeft
aan het leven, zooals het tot hem komt.
Zoo is het schoone beeld van den ridder. Weliswaar blijkt uit andere
gegevens, dat de werkelijke Boucicaut er niet in alle opzichten aan kan

Page 79

hebben beantwoord: hij deelde de gewelddadigheid en de geldzucht, in zijn
stand zoo gewoon.[207]
In een geheel andere nuance ziet men den modelridder in den biografischen
roman over Jean de Bueil, Le Jouvencel. Deze kapitein, die onder het
vaandel van Jeanne Darc gestreden had, later gemengd was in den opstand
der Praguerie en den oorlog "du bien public", en in 1477 stierf, heeft, in
ongenade bij den koning, omstreeks 1465 aan drie van zijn dienaren een
verhaal van zijn leven geïnspireerd, getiteld Le Jouvencel.[208] In
tegenstelling met het leven van Boucicaut, waarin de historische vorm een
romantischen geest bergt, draagt Le Jouvencel bij een gefingeerden vorm
een sterk reëel karakter, althans in het eerste gedeelte. Het staat misschien
in verband met het veelvoudig auteurschap, dat het werk verderop verloopt
in een bloemzoete romantiek. Daar is de gruwelijke tocht van de Fransche
krijgsbenden op Zwitsersch gebied in 1444, en de slag bij Sankt Jakob an
der Birs, waar de boeren van het Bazelsche land hun Thermopylae vonden,
vermomd in den ijdelen opschik van een afgezaagd bedenksel van
herderlijke min.
In sterk contrast daarmee geeft het eerdere gedeelte van Le Jouvencel van
de werkelijkheid van den toenmaligen krijg een beeld zoo sober en echt, als
nauwelijks elders te vinden is. Ook deze auteurs spreken overigens niet van
Jeanne Darc, met wie hun meester toch in wapenbroederschap had gestaan;
het zijn zijn eigen heldendaden, die zij verheerlijken. Doch hoe goed moet
deze hun zijn krijgsbedrijf verteld hebben. Hier kondigt zich de geest van
het militaire Frankrijk aan, dat later de figuren van den mousquetaire, den
grognard en den poilu zal opleveren. Den ridderlijken opzet verraadt alleen
de aanhef, die de jonge lieden aanspoort, uit dit geschrift het leven in de
wapenen te leeren, dat hen waarschuwt tegen hoogmoed, nijd en hebzucht.
Zoowel het vrome als het amoureuze element van Boucicaut ontbreken in
het eerste gedeelte van Le Jouvencel. Wat ons hier tegen komt, is de
armzaligheid van den oorlog, zijn ontberingen en de frissche moed om
gebrek te lijden en gevaren te bestaan. Een slotvoogd verzamelt zijn
garnizoen en telt maar vijftien paarden, magere beestjes, de meesten zijn
onbeslagen. Hij zet twee mannen op elk, maar ook van de mannen zijn de
meesten eenoogig of kreupel. Om de kleeren van den kapitein te kunnen
verstellen, gaat men de wasch van den vijand buitmaken. Een geroofde koe
wordt den vijandelijken kapitein op zijn verzoek hoffelijk teruggegeven. In

Page 80

de beschrijving van een nachtelijken tocht over de velden ademt de
nachtlucht en de stilte u tegen.[209] In Le Jouvencel ziet men het riddertype
overgaan in dat van den nationalen militair: de held van het boek laat de
arme gevangenen vrij, mits zij goed-fransch worden. Tot hooge
waardigheden gekomen, verlangt hij terug naar dat leven van avontuur en
vrijheid.
Zulk een realistisch riddertype (overigens, gelijk gezegd, in het werk zelf
niet ten einde toe volgehouden) kon de Bourgondische litteratuur, veel
ouderwetscher, veel solemneeler en meer in de feodale vormen bekneld dan
de zuiver Fransche, nog niet opleveren. Jacques de Lalaing is naast le
Jouvencel een antieke curiositeit, naar het cliché van oudere dolende ridders
als Gillon de Trazegnies beschreven. Het boek van de daden van dezen
vereerden held der Bourgondiërs spreekt meer van romantische tournooien
dan van den echten krijg.[210]
De psychologie van den oorlogsmoed is wellicht vroeger noch later zoo
eenvoudig en treffend uitgedrukt als in de volgende woorden van Le
Jouvencel:[211] "C'est joyeuse chose que la guerre.... On s'entr'ayme tant à la
guerre. Quant on voit sa querelle bonne et son sang bien combatre, la larme
en vient à l'ueil. Il vient une doulceur au cueur de loyaulté et de pitié de
veoir son amy, qui si vaillamment expose son corps pour faire et acomplir
le commandement de nostre createur. Et puis on se dispose d'aller mourir ou
vivre avec luy, et pour amour ne l'abandonner point. En cela vient une
délectation telle que, qui ne l'a essaiié, il n'est homme qui sceust dire quel
bien c'est. Pensez-vous que homme qui face cela craingne la mort? Nennil;
car il est tant reconforté, il est si ravi, qu'il ne scet où il est. Vraiement il n'a
paour de rien."
Dit kon evengoed gezegd zijn door den modernen soldaat als door een
ridder der vijftiende eeuw. Het heeft met het ridderlijk ideaal als zoodanig
niets te maken. Het vertoont den gevoelsgrond van den zuiveren strijdmoed
zelf: de huiverende uittreding uit het enge egoïsme in de aandoening van
het levensgevaar, de ontzaglijke verteedering over de dapperheid van den
makker, den wellust van de trouw en de zelfopoffering. Deze primitieve
ascetische aandoening is de basis, waarop het ridderideaal is opgebouwd tot
een edele verbeelding van mannelijke volmaaktheid, nauw verwant aan de
Grieksche kalokagathia, een hevige aspiratie naar schoon leven, de

Page 81

energische bezieling van een reeks van eeuwen ... en ook het masker,
waarachter een wereld van baatzucht en geweld zich hullen kon.
Overal waar het ridderideaal het zuiverst beleden wordt, valt de nadruk op
het ascetische element ervan. In zijn eersten opbloei paarde het zich
ongedwongen, noodwendig zelfs, aan het monniksideaal: in de geestelijke
ridderorden uit den kruistochtentijd. En waar de werkelijkheid steeds het
ideaal gruwelijk logenstrafte, week het naar de sferen der verbeelding: de
dolende ridder is evenals de Tempelier vrij van aardsche banden en arm.
Dat ideaal van den edelen strijder zonder bezittingen, zegt William James,
beheerscht nog "sentimentally if not practically, the military and aristocratic
view of life. We glorify the soldier as the man absolutely unincumbered.
Owning nothing but his bare life, and willing to toss that up at any moment
when the cause commands him, he is the representative of unhampered
freedom in ideal directions."[212]
De verbindingen van het ridderideaal met hooge elementen van het
godsdienstig bewustzijn: medelijden, rechtvaardigheid, trouw, zijn dus
geenszins kunstmatig of oppervlakkig. Toch zijn het niet deze, die de
ridderschap tot den schoonen levensvorm bij uitnemendheid maken. En ook
haar onmiddellijke wortels in den mannelijken strijdmoed hadden haar
daartoe niet kunnen verheffen, als niet vrouwenliefde de brandende gloed
was geweest, die aan dat complex van gevoel en idee de levenswarmte gaf.
De diepe trek van askese, van moedige zelfopoffering, die het ridderideaal
eigen is, hangt met den erotischen grond van die levenshouding ten nauwste
samen, is misschien slechts de ethische verwerking van onbevredigd
verlangen. De vormgeving, de styleering van het liefdeverlangen beperkt
zich volstrekt niet tot de litteratuur. Zij vindt evengoed een ruim veld om
zich te ontplooien in de levensvormen zelf: hoofschen omgang,
gezelschapsspel, scherts en sport. Ook daar wordt de liefde voortdurend
gesublimeerd en geromantiseerd; het leven volgt daarin de litteratuur na,
maar deze leert tenslotte toch alles van het leven. Het ridderlijke aspect der
liefde is in den grond niet in de litteratuur maar in het leven opgekomen. In
de werkelijke levensverhoudingen was het motief van den ridder en de
geliefde gegeven.

Page 82

De ridder en de geliefde, de held om liefde, is het meest primaire,
onveranderlijke romantische motief, dat overal opnieuw weer ontspringt en
ontspringen zal. Het is de meest onmiddellijke omzetting van de zinnelijke
drift in een ethische of quasi-ethische zelfverloochening. Zij ontspringt
direct uit de behoefte, om ten aanschouwe van de vrouw zijn moed te
toonen, gevaar te loopen en sterk te zijn, te lijden en te bloeden, die iedere
jongen van zestien jaar kent. De uiting en de vervulling van het verlangen,
die onbereikbaar schijnen, worden vervangen en opgeheven door de
heldendaad uit liefde. Daarmee is terstond de dood als alternatief der
vervulling gesteld, de bevrediging om zoo te zeggen naar beide zijden
verzekerd.
Maar de droom van de heldendaad uit liefde, die nu het smachtend hart vult
en bedwelmt, groeit en woekert als een welige plant. Het eerste eenvoudige
thema heeft spoedig uitgewerkt; de geest vraagt nieuwe verbeeldingen op
hetzelfde thema. En de passie zelf dringt sterker kleuren op aan den droom
van lijden en verzaking. De heldendaad moet bestaan in de bevrijding of
redding van de vrouw zelf uit het dreigendste gevaar. Daarmee is een feller
prikkel aan het oorspronkelijke motief toegevoegd. Eerst is het het subject
zelf, dat lijden wil voor de vrouw; maar spoedig paart zich daaraan de
wensch, om de begeerde zelf uit lijden te redden. Of in den grond die
redding altijd is te herleiden tot de redding der maagdelijkheid, het weren
van den andere dus, de bewaring van de vrouw voor zich? In ieder geval is
daarmee het ridderlijk-erotische motief bij uitnemendheid gegeven: de
jonge held, die de maagd bevrijdt. De belager moge bij wijlen een argelooze
draak zijn, het sexueele moment ligt toch steeds onmiddellijk eronder. Hoe
naïef-oprecht spreekt het bij voorbeeld in de bekende schilderij van Burne
Jones, waar de moderne damesfiguur van het meisje juist door haar
kuischheid de onmiddellijkste sensualiteit verraadt.
De bevrijding van de maagd is het meest oorspronkelijke en altijd jonge
romantische motief. Hoe is het mogelijk, dat een thans verouderde
mythenverklaring er de weergave van een natuurphenomeen in heeft gezien,
terwijl de onmiddellijkheid van de gedachte dagelijks door ieder kan
worden beproefd! In de litteratuur moge het bij wijlen wegens overmatige
herhaling een tijdlang worden vermeden, telkens komt het motief weer in
nieuwe vormen op, bij voorbeeld in de bioscoop-cowboy-romantiek. En in

Page 83

het persoonlijke liefdedenken buiten de litteratuur blijft het ongetwijfeld
altijd even sterk.
Het is moeilijk te bepalen, in hoeverre in de voorstelling van den held-
minnaar het mannelijk en in hoeverre het vrouwelijk aspect der liefde zich
openbaart. In het algemeen komt in de verbeelding der liefde tot
cultuurvorm bijna uitsluitend de mannelijke opvatting tot uitdrukking,
althans tot in zeer jongen tijd. Het gezicht der vrouw op de liefde blijft altijd
omsluierd en verborgen; het is teerder en dieper geheim. En het behoeft niet
de romantische sublimeering tot het heldhaftige, want door zijn karakter
van overgave en zijn onverbrekelijken samenhang met het moederschap
verheft het zich van zelf reeds zonder fantazie van dapperheid en opoffering
boven het zelfzuchtig-erotische. Niet alleen omdat de mannen de litteratuur
gemaakt hebben, ontbreekt de vrouwelijke liefdesuitdrukking grootendeels,
maar ook omdat voor de vrouw in de liefde het litteraire veel minder
onmisbaar is.
De figuur van den edelen redder, die om der wille van de geliefde lijdt, is de
voorstelling van den man, zooals hij zich zelf zien wil. De spanning van
zijn bevrijdersdroom wordt verhoogd, doordat hij onbekend optreedt, en
eerst na de heldendaad wordt herkend. In deze onbekendheid van den held
ligt voorzeker ook een van de vrouwelijke liefdeverbeelding uitgegaan
romantisch motief. In de geheele apotheose van mannelijke kracht en moed
in den vorm van den strijder te paard vloeien de vrouwelijke behoefte aan
krachtvereering en de mannelijke physieke hoogmoed samen.
De middeleeuwsche samenleving heeft met een jongensachtige
onverzadelijkheid deze primitief-romantische motieven gecultiveerd.
Terwijl de hoogere litteratuurvormen zich hebben verfijnd tot ijler en
soberder, of geestiger en nog prikkelender uitdrukking van het verlangen,
blijft de ridderroman zich altijd weer verjongen en behoudt met zijn
eindeloos herhaalde uitwerking van het romantische geval een bekoring, die
ons schier onbegrijpelijk is. Wij wanen den tijd lang ontgroeid aan die
kinderlijke fantazieën, en noemen Froissart's Méliador of de Perceforest, de
nabloeiers der ridderlijke avontuurverhalen, anachronismen in hun tijd. Zij
zijn het evenmin als de sensatieroman het heden ten dage is; alleen dit alles
is geen zuivere litteratuur, maar om zoo te zeggen toegepaste kunst. Het is
de behoefte aan modellen voor de erotische verbeelding, die steeds weer die

Page 84

litteratuur levend houdt en vernieuwt. Midden in de Renaissance herleven
ze immers in de Amadis-romans. Wanneer nog na het midden der zestiende
eeuw De la Noue ons kan verzekeren, dat de Amadis-romans een "esprit de
vertige" teweegbrachten onder het geslacht, dat toch de staling van
Renaissance en Humanisme had ondergaan, hoe groot moet dan de
romantische ontvankelijkheid zijn geweest in het bij uitstek
ongeëquilibreerde geslacht van 1400!
De zinsverrukking van de liefdesromantiek was niet in de eerste plaats om
lezende ondergaan te worden, maar om gespeeld en aanschouwd te worden.
Er zijn twee vormen, waarin dat spel kan gebeuren: de dramatische
vertooning en de sport. In de Middeleeuwen is de laatste verreweg het
voornaamste. Het drama was nog grootendeels gevuld met andere, heilige
stof; bij uitzondering behandelt het nog het romantische geval. De
middeleeuwsche sport daarentegen, en dat is in de eerste plaats het
tournooi, was zelf in hooge mate dramatisch en tegelijk van een sterk
erotisch gehalte. De sport behoudt te allen tijde zulk een dramatisch en een
erotisch element: in een hedendaagschen roei- of voetbalwedstrijd zit veel
meer van de gevoelswaarden van een middeleeuwsch tournooi, dan den
athleten en toeschouwers zelf misschien bewust is. Maar terwijl de moderne
sport teruggekeerd is tot natuurlijken, bijna Griekschen eenvoud en
schoonheid, is het middeleeuwsche, althans het laat-middeleeuwsche
tournooi, een met versiering overladen, zwaar gedrapeerde sport, waarin het
dramatisch en romantisch element zóo opzettelijk is uitgewerkt, dat het de
functie van het drama zelf regelrecht vervult.
De latere Middeleeuwen zijn een van die eindperioden, waarin het
cultuurleven der hoogere kringen bijna geheel tot gezelschapsspel is
geworden. De werkelijkheid is hevig, hard en wreed; men herleidt haar tot
den schoonen droom van het ridderideaal en bouwt daarop het levensspel.
Men speelt met het masker van Lancelot voor; het is een reusachtig
zelfbedrog, maar de schrijnende onwaarheid ervan kan gedragen worden,
doordat een vleug van spot de eigen leugen verzaakt. In de geheele
ridderlijke cultuur der vijftiende eeuw is een labiel evenwicht tusschen
sentimenteelen ernst en luchtigen spot, dat eerst omslaat naar de parodie in
dien blij en hoog levenden kring van Lorenzo's hof: in Pulci's Morgante.

Page 85

Bij de Franschen van een halve eeuw vroeger overweegt nog de ernst. In
den edelen Boucicaut, litterair type van den modelridder, is de romantische
grond van het ridderlijke levensideaal nog zoo sterk als bij wien ook. De
liefde, zegt hij, is het, die het sterkst in de jonge harten de begeerte naar het
edele ridderlijke strijdbejag doet groeien. Hij zelf dient zijn dame in de
oude hoofsche vormen: "toutes servoit, toutes honnoroit pour l'amour d'une.
Son parler estoit gracieux, courtois et craintif devant sa dame."[213]
Er is voor ons een bijna onbegrijpelijk contrast tusschen de litteraire
levenshouding van een man als Boucicaut en de bittere werkelijkheid van
zijn loopbaan. Hij was als handelende en leidende figuur voortdurend
werkzaam in de hardste staatkunde van zijn tijd. In 1388 doet hij een eerste
politieke reis naar het Oosten. Op dien tocht kort hij zich den tijd, door met
twee of drie wapenbroeders: Philippe d'Artois, diens seneschalk en een
zekeren Cresecque, een dichterlijke verdediging te geven van de edele,
trouwe minne, zooals zij den volmaakten ridder betaamt: Le livre des Cent
ballades.[214] Goed, waarom niet? Maar zeven jaren later, wanneer hij als
mentor van den jongen hertog van Nevers (later Jan zonder Vrees) het
roekelooze ridderavontuur heeft meegemaakt van den krijgstocht tegen
sultan Bajazid: wanneer hij de ontzettende ramp van Nicopolis heeft
beleefd, waar al zijn drie vroegere dichtgezellen het leven verloren,
wanneer hij de krijgsgevangen adellijke jeugd van Frankrijk voor zijn
oogen heeft zien slachten, zou men dan een ernstig krijgsman niet bekoeld
wanen voor dat hoofsche spel en dien ridderlijken waan? Het moest hem
leeren, dunkt ons, de wereld niet langer door dat gekleurde glaasje te zien.
Doch neen, ook verder blijft zijn zin aan het cultiveeren van de
ouderwetsche ridderlijkheid gewijd, getuige zijn stichting van de orde "de
la dame blanche a l'escu verd", ter verdediging van verdrukte vrouwen,
waarmee hij partij koos in het fraaie tijdverdrijf van den litterairen strijd
tusschen het strenge en het frivole liefdesideaal, die sedert 1400 de
Fransche hofkringen opwond.
De gansche aankleeding van de edele liefde in litteratuur en
gezelschapsleven schijnt ons dikwijls ondragelijk fade en louter belachelijk.
Het is het lot van elken romantischen vorm, die als instrument der passie
versleten is. In het werk der velen, de gekunstelde versjes, de kostbaar
gearrangeerde tournooien, heeft de passie uitgeklonken; zij klinkt enkel nog
door de stem van de zeer enkelen. Maar welke beteekenis al dat werk, als

Page 86

litteratuur of kunst minderwaardig, gehad heeft als levenstooi, als
gevoelsuitdrukking, kan men enkel beseffen door de levende passie zelf er
weer in te blazen. Wat helpt bij het lezen der minnedichten en
tournooibeschrijvingen alle kennis en levendige voorstelling der historische
détails, zonder het zien van de oogen, licht en duister, onder de
meeuwenvlucht der wenkbrauwen en de smalle voorhoofden, die al eeuwen
tot stof zijn geworden, en die eenmaal belangrijker zijn geweest dan al de
litteratuur, die als puin blijft opgehoopt?
Thans kan slechts meer een toevallig glimplicht ons even de gepassioneerde
beteekenis van die cultuurvormen duidelijk doen zien. In het gedicht Les
voeux du héron spreekt Jan van Beaumont, tot het afleggen van zijn
ridderlijke strijdgelofte aangespoord:
"Quant sommes ès tavernes, de ces fors vins buvant,
Et ces dames delès (naast ons) qui nous vont regardant,
A ces gorgues polies, ces coliés tirant,
Chil oeil vair resplendissent de biauté souriant.
Nature nous semont d'avoir coeur désirant,
... Adonc conquerons-nous Yaumont et Agoulant[215]
Et li autre conquierrent Olivier et Rollant.
Mais, quant sommes as camps sus nos destriers courans,
Nos escus à no col et nos lansses bais(s)ans,
Et le froidure grande nous va tout engelant,
Li membres nous effondrent, et derrière et devant.
Et nos ennemis sont envers nous approchant,
Adonc vorrièmes estre en un chélier (kelder) si grant
Que jamais ne fussions veu tant ne quant."[216]
"Hélas—schrijft Philippe de Croy uit Karel de Stoute's kamp voor Neuss—,
où sont dames pour nous entretenir, pour nous amonester de bien faire, ne
pour nous enchargier emprinses, devises, volets ne guimpes!" [217]
In het dragen van den sluier of het kleed van de geliefde vrouw, die den
geur van het haar en het lichaam overbrengt, openbaart zich het erotische
moment van het ridderlijke tournooi zoo onmiddellijk mogelijk. In de
opwinding van het gevecht schenken de vrouwen den eenen tooi na den
anderen weg: als het spel is afgeloopen, zitten zij blootshoofds, zonder

Page 87

mouwen.[218] Het is tot een motief van scherpe prikkeling uitgewerkt in een
sproke uit de tweede helft der dertiende eeuw, Van de drie ridders en het
hemd.[219] Een dame, wier echtgenoot niet tot den strijd geneigd maar
overigens vol edele largesse is, zendt aan de drie ridders, die haar in minne
dienen, haar hemd, om in het steekspel, dat haar man geven zal, het als
wapenrok te dragen, zonder pantser of andere bedekking dan alleen helm en
beenstukken. De eerste en tweede ridder schrikken ervoor terug. De derde,
die arm is, neemt het hemd 's nachts in zijn armen en kust het
hartstochtelijk. In het steekspel verschijnt hij met het hemd als wapenrok,
zonder pantser daaronder; het wordt verscheurd en met zijn bloed bevlekt;
hij wordt zwaar gewond. Men bemerkt zijn buitengewone dapperheid en
schenkt hem den prijs; de dame schenkt hem haar hart. Nu eischt de
minnaar de tegendaad. Hij zendt haar het bloedige hemd terug, om het zóo
als het is over haar kleederen te dragen bij het feestmaal, dat het tournooi
besluit. Zij omhelst het teeder en verschijnt in het bloedige kleedingstuk; de
meesten laken haar, de echtgenoot is verlegen, en de verteller vraagt: wie
van de beide minnenden deed het meest voor den ander?
De sfeer van passie, waarin het tournooi enkel zijn beteekenis had, verklaart
ook de beslistheid, waarmee de kerk sedert lang het gebruik bestreed. Dat
zij inderdaad aanleiding werden tot geruchtmakend overspel, getuigt bij
voorbeeld van een tournooi van 1389 de monnik van Saint Denis en op zijn
gezag Jean Juvenal des Ursins.[220] Het kerkelijke recht had ze sinds lang
verboden: aanvankelijk ingesteld voor oefening in den strijd, heette het,
waren ze wegens misbruiken onduldbaar geworden.[221] De moralisten
misprezen ze.[222] Petrarca vroeg pedant: waar leest men, dat Cicero en
Scipio tournooien gehouden hebben? En de burger haalde de schouders op:
"prindrent par ne sçay quelle folle entreprinse champ de bataille" zegt de
burger van Parijs [223] van een befaamd tournooi.
De adellijke wereld daarentegen vat alles, wat tournooi en ridderlijke
wedkamp is, op met een gewichtigheid, die door geen modern sportbedrijf
wordt geëvenaard. Zooals nog kort geleden vorstelijke wansmaak
gedenksteenen oprichtte op de plek, waar de hooge jager zijn duizendste
slachtoffer had neergelegd, zoo stichtte de vijftiende eeuw gedenkteekens
aan beroemde ridderlijke tweegevechten. Bij Saint Omer herinnerde "la
Croix Pélerine" aan den kamp van Hautbourdin, den bastaard van Saint Pol,

Page 88

met een Spaanschen ridder tijdens den verwaarden Pas d'armes de la
Pélerine. Nog een halve eeuw later ging Bayard vóór een tournooi dat kruis
als in bedevaart vromelijk bezoeken.[224] De decors en de plunje, die
gediend hadden bij den Pas d'armes de la Fontaine des Pleurs werden na
afloop van het feest plechtig opgedragen aan Onze Lieve Vrouw van
Boulogne en in de kerk opgehangen.[225]
De middeleeuwsche vechtsport onderscheidt zich, gelijk zooeven reeds
aangeduid werd, van de Grieksche en de moderne athletiek door haar veel
geringer natuurlijkheid. Zij heeft tot verhooging van den prikkel van den
kamp dien van aristocratische trots en eer, dien van het romantisch-
erotische en dien van den kunstvaardigen pronk. Zij is overladen met praal
en versiering, gevuld met bonte fantazie. Het is behalve spel en
lichaamsoefening nog bovendien toegepaste litteratuur. De wensch en de
droom van het dichtende hart zoeken een dramatische voorstelling, een
gespeelde vervulling in het leven zelf. Het werkelijke leven was niet schoon
genoeg, het was hard, wreed en valsch; er was in de hof- en militaire
carrière luttel plaats voor de sentimenten van moed-om-liefde, maar de ziel
is er vol van, men wil ze beleven en schept zich een schooner leven van
kostbaar spel. Het element van echten moed is voorzeker in het ridderlijk
tournooi niet van geringer waarde dan in het pentathlon. Juist het
uitgesproken erotisch karakter eischte bloedige felheid. In zijn motieven is
het tournooi het naast verwant aan de wedstrijden van het oud-indische
epos; ook in het Mahâbhârata is de strijd om de vrouw de centrale gedachte.
De fantazie, waarmee het vechtspel werd aangekleed, was die van de Artur-
romans, dat wil zeggen de kinderlijke verbeeldingen van het sprookje: het
droomavontuur met zijn verschuiving der afmetingen in reuzen en dwergen,
verbonden aan het sentimentalisme der hoofsche liefde.
Voor een Pas d'armes der vijftiende eeuw wordt een fictief romantisch geval
kunstig opgebouwd. Het middelpunt is een romandécor met een treffenden
naam: la fontaine des pleurs, l'arbre Charlemagne. De bron wordt
opzettelijk gebouwd.[226] Gedurende een geheel jaar zal een ongenoemde
ridder ieder eersten van de maand voor de bron een tent spannen, waarin
een dame zit (het is een beeld), die een eenhoorn houdt, welke drie schilden
draagt. Elke ridder, die een der schilden aanraakt of door zijn heraut laat
aanraken, verbindt zich tot een bepaalden tweekamp, waarvan de

Page 89

voorwaarden nauwkeurig worden omschreven in de uitvoerige "chapitres",
die tegelijk oproepingsbrief en reglement van den wedstrijd zijn.[227] Het
aanraken der schilden moet te paard geschieden, waartoe de ridders steeds
paarden ter beschikking zullen vinden.
Of wel: bij de Emprise du dragon houden vier ridders zich op een kruisweg
op; geen dame mag dien kruisweg voorbij zonder ridder, die voor haar twee
lansen breekt, of zij moet pand geven.[228] Inderdaad is het kinderlijke
pandverbeuren niet anders dan een lager vorm van hetzelfde overoude
strijd- en minnespel. Hoe duidelijk getuigt van die verwantschap niet een
voorschrift als dit artikel van de Chapitres de la Fontaine des pleurs: wie in
den kamp ter aarde wordt geworpen, moet een heel jaar een gouden
armband dragen met een slot, totdat hij de dame vindt, die er het sleuteltje
van heeft, en hem kan bevrijden, als hij haar zijn dienst opdraagt. Elders
weer is het geval gebaseerd op een reus, dien een dwerg gevangen leidt, met
een gouden boom erbij en een "dame de l'isle celée", of op een "noble
chevalier esclave et serviteur à la belle géande a la blonde perruque, la plus
grande du monde."[229] De onbekendheid van den ridder is een vaste fictie;
hij heet "le blanc chevalier", "le chevalier mesconnu", "le chevalier à la
pélerine", of wel hij treedt op als een held uit den roman en heet
zwaanridder, of draagt het wapen van Lancelot, Tristan of Palamedes.[230]
Meestal wordt over het geval een uiterlijk waas van melancholie gespreid;
la Fontaine des pleurs zegt het al in den naam; de schilden zijn wit, violet
en zwart, alle bezaaid met witte tranen; men raakt ze aan uit medelijden met
de "Dame de pleurs". Bij de Emprise du dragon komt koning René in
rouwend zwart (wel mocht hij), om het afscheid van zijn dochter Margareta,
die koningin van Engeland werd. Het paard is zwart, met een
rouwdekkleed, de lans is zwart, het schild is sabel met zilveren tranen. Ook
bij de Arbre Charlemagne zijn de schilden zwart en violet met gouden en
zwarte tranen.[231] Niet altijd echter is het in den somberen toon gezet: een
andermaal houdt de onverzadelijke schoonheidsvriend koning René de
Joyeuse garde bij Saumur. Veertig dagen viert hij feest in het houten kasteel
"de la joyeuse garde" met zijn gemalin en dochter en met Jeanne de Laval,
die zijn tweede echtgenoot zou worden. Voor haar is heimelijk het feest
bereid. Het kasteel is opzettelijk gebouwd, geschilderd en getapisseerd;
alles is in rood en wit. Bij zijn Pas d'armes de la bergère is alles gestoffeerd

Page 90

in herderstrant, de ridders en dames als herders en herderinnen met staf en
doedelzak, allen in grijs met goud en zilver.[232]
Het groote spel van het schoone leven als droom van edelen moed en trouw
had niet alleen dien vorm van het kampgevecht. Er is een tweede vorm,
even belangrijk: de ridderorde. Al zou het niet gemakkelijk vallen, een
regelrecht verband te bewijzen, het kan voor niemand, die eenigszins
bekend is met de gebruiken van primitieve volken, twijfelachtig zijn, dat
evenzeer de ridderorde als het tournooi en de ridderwijding zelf hun sterkste
wortels hebben in heilige gebruiken van een verren voortijd. De ridderslag
is een ethisch en sociaal uitgewerkte puberteitsritus, het aanleggen van de
wapenen aan den jongen krijger. Het kampspel is als zoodanig overoud, en
eertijds vervuld van heilige beteekenis. De ridderorde kan niet gescheiden
worden van de mannenbonden der wilde volken.
Dit verband kan hier echter slechts als een onbewezen stelling
vooropgesteld worden; het is hier niet te doen om een ethnologische
hypothese te staven, maar om de ideeënwaarde van het vol-ontwikkelde
ridderwezen voor oogen te brengen; en dat in die waarde nog iets van die
primitieve elementen is overgebleven, wie zal het ontkennen?
Weliswaar is in de ridderorde het christelijk element van de voorstelling zoo
sterk, dat ook een verklaring uit louter kerkelijke en politische, zuiver
middeleeuwsche grondslagen op zich zelf overtuigend zou kunnen zijn, als
men niet wist, dat algemeen verbreide, primitieve parallelen als
verklaringsgrond daarachter stonden.
De eerste ridderorden, de drie groote van het Heilige land en de drie
Spaansche, waren als een zuiverste belichaming van middeleeuwschen
geest ontsproten uit de verbinding van het monniks- en het ridderideaal, in
den tijd toen de strijd tegen den islam wonderlijke werkelijkheid was
geworden. Zij waren gegroeid tot groote staatkundige en economische
instellingen, ontzaglijke vermogenscomplexen en financieele machten. Hun
politieke nuttigheid had zoowel hun geestelijk karakter als het ridderspel-
element op den achtergrond gedrongen, en hun economische verzadiging at
weer hun politieke nuttigheid op. Toen de Tempeliers en de Johanniters
bloeiden en nog in het Heilige land zelf werkten, had het ridderwezen een

Page 91

reëele politische functie vervuld, en waren de ridderorden als 't ware
vakorganisaties van groote beteekenis geweest.
Doch in de veertiende en vijftiende eeuw was het ridderwezen enkel meer
hoogere levensvorm, en daarmee was ook in de ridderorden het element van
edel spel, dat in hun kern besloten lag, weer op den voorgrond gekomen.
Niet dat zij enkel spel waren geworden. Als ideaal zijn zij nog altijd vervuld
van hoog ethisch en politiek streven. Maar het is waan en droom, ijdele
plannenmakerij. De merkwaardige idealist Philippe de Mézières ziet het
heilmiddel der tijden in een nieuwe ridderorde, die hij de Ordre de la
passion heeft genoemd.[233] Hij wil er alle standen in opnemen. Trouwens
ook de groote ridderorden der kruistochten hadden zich reeds de
deelneming van niet-edelen ten nutte gemaakt. De adel zal den
grootmeester en de ridders leveren, de geestelijkheid den patriarch en zijn
suffraganen, de poorters zullen broeders zijn en de landlieden en
handwerkers servanten. Zoo zal de orde een hechte samensmelting der
standen zijn voor het groote doel der Turkenbestrijding. Er zullen vier
geloften zijn. Twee zijn de oude, die monniken en geestelijke ridders
deelden: armoede en gehoorzaamheid. Maar voor het volstrekte celibaat
stelt Philippe de Mézières de echtelijke kuischheid in de plaats; hij wilde
het huwelijk veroorloven om de praktische redenen, dat het Oostersche
klimaat het eischte en dat de orde begeerlijker zou zijn. De vierde gelofte,
aan vroegere orden onbekend, is summa perfectio, de hoogste individueele
zedelijke volmaking. Zoo vloeiden hier in het bonte beeld van een
ridderorde al de idealen ineen, van politieke plannenmakerij af tot het
streven naar de verlossing toe.
In het woord "Ordre" waren een menigte beteekenissen, van de hoogste
heiligheid tot het nuchterste groepsbesef, ongescheiden vereenigd. Het
beduidde zoowel maatschappelijken stand als priesterwijding, monniks- en
ridderorde. Dat inderdaad aan ordre in de beteekenis van ridderorde nog iets
van geestelijke waarde eigen was, blijkt uit het feit, dat men er ook het
woord religion voor gebruikte, dat men allicht tot de kloosterorden beperkt
zou wanen. Chastellain noemt het Gulden Vlies "une religion", zooals hij 't
ook een kloosterorde doet, en spreekt er altijd van in den toon van een
heilig mysterie.[234] Olivier de la Marche spreekt van een Portugees als een
"chevalier de la religion de Avys." [235] En niet alleen de eerbiedige

Page 92

sidderingen van den pompeuzen Polonius Chastellain getuigen van den
vromen inhoud van het Gulden Vlies; in het geheele ritueel der orde nemen
kerkgang en mis een overwegende plaats in: de ridders zitten in
kanunnikstoelen, de ernstige cultus van de afgestorven leden beweegt zich
geheel in kerkelijke sfeer.
Geen wonder dus, dat het lidmaatschap van een ridderorde gevoeld wordt
als een sterke, heilige band. De ridders van de Sterorde van koning Jan II
zijn verplicht, andere orden, waartoe zij mochten behooren, zoo mogelijk
prijs te geven.[236] De hertog van Bedford wil aan den jongen Philips van
Bourgondië de orde van den kouseband opdringen, om hem daardoor vaster
aan Engeland te binden, maar de Bourgondiër begrijpt, dat hij dan voor
altijd aan den Engelschen koning gebonden zal zijn, en weet de eer beleefd
te ontgaan.[237] Wanneer dan ook later Karel de Stoute den kouseband wel
aanneemt, en zelfs draagt, beschouwt Lodewijk XI dit als een breuk van het
verdrag van Péronne, dat den hertog verbood, zonder 's konings
toestemming een verbond met Engeland aan te gaan.[238] Men kan de
Engelsche gewoonte, om buitenlandsche orden niet aan te nemen,
beschouwen als een traditioneele rest van het besef, dat de orde verplicht tot
trouw aan den vorst, die haar schenkt.
Ondanks die heiligheid voelt men toch den twijfel aan den ernst van al die
fraai opgezette vormen. Waartoe anders steeds weer die uitdrukkelijke
verzekeringen, dat het alles was voor hooge, wijdstrekkende doeleinden?
Philips van Bourgondië, de edele hertog, heeft zijn Toison d'or gesticht, zegt
de rijmer Michault:
"Non point pour jeu ne pour esbatement
Mais à la fin que soit attribuée
Loenge à Dieu trestout premierement
Et aux bons gloire et haulte renommée."[239]
Ook Guillaume Fillastre betoogt in den aanhef van zijn werk over het
Gulden Vlies, de beteekenis daarvan te zullen verklaren, opdat men
bevinde, dat de orde geen ijdelheid is of een zaak van weinig gewicht. Uw
vader, spreekt hij Karel den Stoute toe, "n'a pas, comme dit est, en vain
instituée ycelle ordre."[240]

Page 93

Het was noodig, die hooge bedoelingen te accentueeren, wilde het Gulden
Vlies die eerste plaats veroveren, die de hoogmoed van Philips begeerde.
Want het stichten van ridderorden was sedert lang een ware mode. Ieder
vorst moest zijn orde hebben, zelfs aanzienlijke edelen bleven niet achter.
Daar is Boucicaut met zijn Ordre de la Dame blanche à l'escu verd, ter
verdediging van de hoofsche minne en van verdrukte vrouwen. Daar is
koning Jan met zijn Chevaliers Nostre Dame de la Noble Maison (1351),
gewoonlijk naar hun insigne de orde van de Ster genoemd. In het Edele
Huis te Saint Ouen bij Saint Denis hadden zij een "table d'oneur", waaraan
bij de plechtigheden moesten plaatsnemen de drie dapperste prinsen, de drie
dapperste baanroedsen (bannerets) en de drie dapperste ridders (bachelers).
Daar is Pierre de Lusignan met de orde van het Zwaard, die van zijn leden
een zuiver leven eischte en hun het zinrijk symbool omhing van een gouden
keten, waarvan de letter S de schakels vormde, en zij beduidde "silence".
Daar was Amadeus van Savoie met de Annonciade, Louis de Bourbon met
het Gouden Schild, Coucy, die een keizerskroon gehoopt had, met de
omgekeerde Kroon, de Beiersche hertogen van Holland-Henegouwen met
hun Antonius-orde, het T-kruis met klokje, dat op sommige portretten de
aandacht trekt.[241]
Eustache Deschamps parodieert die zucht naar ridderorden met een Ordre
des fumeux, een Ordre de la baboue, een Ordre du collier, dat is de strop.
[242]

De oorzaak, dat het Gulden Vlies boven allen opgang heeft gemaakt, is niet
ver te zoeken. Het was de rijkdom der Bourgondiërs, die er achter zat.
Misschien droeg er ook de bijzondere praal toe bij, waarmee de orde was
uitgerust, en de gelukkige vinding van het symbool. Aanvankelijk was bij
het Gulden Vlies alleen aan dat van Colchis gedacht. De vertelling van
Jason was algemeen bekend; Froissart laat haar in een Pastourelle door een
herder verhalen.[243] Maar aan Jason als fabelheld was een luchtje; hij had
zijn trouw gebroken, en dit thema leende zich tot onaangename
toespelingen op de politiek der Bourgondiërs jegens Frankrijk. Alain
Chartier dichtte:
"A Dieu et aux gens detestable
Est menterie et trahison,
Pour ce n'est point mis à la table

Page 94

Des preux l'image de Jason,
Qui pour emporter la toison
De Colcos se veult parjurer.
Larrecin ne se peult celer."[244]
Nu maakte Jean Germain, de geleerde bisschop van Chalons en kanselier
der orde, Philips opmerkzaam op het vlies, dat Gideon spreidde en waar des
hemels dauw op viel.[245] Het was een bijzonder gelukkige gedachte, want
dit vlies van Gideon was een der treffendste symbolen van de bevruchting
van Maria's schoot. Zoo verdrong de bijbelsche held den heiden als patroon
van het Gulden Vlies, zoodat Jacques du Clercq zelfs kon beweren, dat
Philips opzettelijk Jason niet gekozen had, omdat deze zijn trouw brak.[246]
"Gedeonis signa" noemt een lofdichter van Karel den Stoute de orde,[247]
maar anderen zooals de kroniekschrijver Theodericus Pauli blijven spreken
van Vellus Jasonis. De opvolger van Jean Germain als kanselier der orde,
bisschop Guillaume Fillastre, overtrof zijn voorganger en vond in de heilige
schrift nog vier vliezen daarenboven: van Jacob, koning Mesa van Moab,
Job en David.[248] Elk daarvan liet hij een deugd verbeelden, en aan elk der
zes zou hij een boek wijden. Dit was ongetwijfeld "overdoing it"; Fillastre
liet de gevlekte schapen van Jacob als symbool van justitia figureeren;[249]
hij had eenvoudig alle plaatsen genomen, waar de Vulgaat het woord
"vellus" heeft, een merkwaardig staaltje van de gewilligheid der allegorie.
Men vindt niet, dat zijn denkbeeld blijvend opgang heeft gemaakt.
De staatsie en plechtigheden van het Gulden Vlies zijn dikwijls genoeg
beschreven; ze hier te vermelden zou enkel stof toevoegen aan wat
hierboven in hoofdstuk II over den praal van het hofleven is gezegd. Een
enkele trek uit de gebruiken der orde verdient hier vermelding, omdat hij
zoo sterk het karakter van een primitief en heilig spel suggereert. Behalve
de ridders telt de orde haar ambtenaren: den kanselier, den tresorier, den
griffier, en voorts den wapenkoning met zijn staf van herauten en
poursuivants. Deze laatste groep, meer in het bijzonder belast met het
dienen van het edele ridderspel, draagt symbolische namen. De
wapenkoning zelf heet Toison d'or, zoo Jean Lefèvre de Saint Remy, zoo
nog Nicolaas de Hames, bekend van het Verbond der edelen in 1565. De
herauten dragen landnamen: Charolais, Zélande. De eerste der poursuivants
heet Fusil, naar den vuurslag in de ordeketen, het embleem van Philips den

Page 95

Goede. De anderen dragen namen van romantischen klank als Montreal, of
van deugden als Persévérance, of namen ontleend aan de allegorie van den
Roman de la rose, als Humble Requeste, Doulce Pensée, Léal Poursuite. Bij
de groote feesten worden zulke poursuivants plechtig door een
besprenkeling met wijn met die namen gedoopt door den grootmeester, of
wel hij verandert hun namen bij hun verheffing tot hoogeren rang.[250]
De geloften, die de ridderorde oplegt, zijn slechts een vaste, collectieve
vorm van de persoonlijke ridderlijke gelofte, om een of ander heldenstuk te
volbrengen. Dit is wellicht het punt, waar men de grondslagen van het
ridderideaal het best in hun samenhang ziet. Wie geneigd mocht zijn, het
verband van ridderslag, tournooi en ridderorde met primitieve gebruiken
voor een inval te houden, vindt bij de ridderlijke gelofte het barbaarsche
karakter zoo aan de oppervlakte, dat geen twijfel mogelijk is. Het zijn echte
survivals, waarvoor de parallellen te vinden zijn in het oud-indische vratam,
in het Nazireeërschap der Joden, en het meest onmiddellijk wellicht in de
gewoonten der Noormannen uit hun sagentijd.
Hier evenwel is niet het ethnologische vraagstuk aan de orde, maar de
vraag, welke waarde die geloften hadden in het laat-middeleeuwsche
geestesleven zelf. Er zijn drie waarden mogelijk: een godsdienstig-
ethische, een romantisch-erotische en een hoofsch-speelsche. Alle drie zijn
ongescheiden aanwezig; het denkbeeld der gelofte schommelt tusschen de
hoogste levenswijding in dienst van het ernstigste ideaal en den ijdelsten
spot over het kostbare gezelschapsspel, dat met moed en liefde en
staatsbelang zich maar wat vermaakt. Het spel-element overweegt; de
geloften zijn goeddeels opluistering geworden van het hoffeest. Toch
worden zij nog altijd verbonden aan de ernstigste oorlogsondernemingen:
den inval van Eduard III in Frankrijk, het kruistochtplan van Philips den
Goede.
Hier geldt hetzelfde als bij de tournooien: zoo smakeloos en versleten als
ons de opgemaakte romantiek der Pas d'armes scheen, zoo ijdel en
leugenachtig schijnen ons die "voeux du faisan". Tenzij ook hier ons de
passie zelf bewust is, die dit alles heeft vervuld. Het is de droom van het
schoone leven, zoo goed als de feesten en de vormen van het Florentijnsche
leven van Cosimo en Lorenzo die droom zijn geweest. Daar in Italië is hij

Page 96

bezonken in eeuwige schoonheid, hier is zijn betoovering vervlogen met de
menschen, die hem droomden.
De verbinding van askese en erotiek, die ten grondslag ligt aan de fantazie
van den held, die de maagd bevrijdt, of voor haar bloedt, het kernmotief van
de tournooi-romantiek, vertoont zich in anderen vorm en bijna nog
onmiddellijker gedaante bij de ridderlijke gelofte. De ridder De la Tour
Landry verhaalt in de leering aan zijn dochters van een zonderlinge orde
van minnende edelen en vrouwen, die in zijn jeugd in Poitou en elders had
bestaan. Zij noemden zich Galois et Galoises, en hielden "une ordonnance
moult sauvaige", waarvan het voornaamste was, dat zij in den zomer zich
warm moesten kleeden in pelzen en gevoerde kaproenen, en vuur in de
schouw branden, terwijl zij in den winter niets mochten dragen dan een rok
zonder bont, geen mantels of andere beschutting, geen hoed, handschoenen
of mof, hoe 't ook vroor. 's Winters strooiden zij groene bladeren op den
grond en verborgen den schoorsteen achter groene takken, en op hun bed
mocht slechts een dunne deken zijn. Men kan in deze wonderlijke
afdwaling,—zoo zonderling, dat de schrijver haar kwalijk verzonnen kan
hebben—, moeilijk iets anders zien dan een ascetische verhooging van den
prikkel der liefde, ofschoon het niet geheel duidelijk wordt. Het primitief
karakter van de Galois en Galoises wordt nog geaccentueerd door hun
regel, dat een echtgenoot den Galois, die bij hem te gast kwam, zijn geheele
huis en zijn vrouw moest overlaten, om zelf naar zíjn Galoise te gaan; deed
hij het niet, dan strekte het hem tot groote schande. Velen van de orde waren
volgens den ridder De la Tour Landry van koude gestorven: "Si doubte
moult que ces Galois et Galoises qui moururent en cest estat et en cestes
amouretes furent martirs d'amours."[251]
Er zijn meer voorbeelden te noemen, die het primitief karakter van de
ridderlijke gelofte verraden. Zoo het gedicht, dat de geloften beschrijft,
waartoe Robert van Artois den koning van Engeland, Eduard III, en zijn
edelen uitlokte, ten einde den oorlog tegen Frankrijk te beginnen: Le Voeu
du Héron. Het is een verhaal van geringe historische waarde, maar de geest
van barbaarsche woestheid, die er uit spreekt, is wel geschikt, om het wezen
der ridderlijke gelofte te leeren kennen.
De graaf van Salisbury zit bij het feestmaal aan de voeten van zijn dame.
Als zijn beurt om een gelofte te doen gekomen is, verzoekt hij de geliefde,

Page 97

om één vinger op zijn rechteroog te leggen. Wel twee, antwoordt zij, en
drukt met twee vingers het rechteroog van den ridder toe. "Belle, est-il bien
clos?" vraagt deze. "Oyl, certainement." "Welaan dan," zegt Salisbury, "dan
gelove ik aan God almachtig en zijn zoete Moeder, dit oog niet weer te
openen, om geen smart of kwelling, eer ik in Frankrijk den brand gestoken
heb in 's vijands land en de mannen van koning Philips bestreden":
"Or aviegne qu'aviegne, car il n'est autrement.
—Adonc osta son doit la puchelle au cors gent,
Et li iex clos demeure, si que virent la gent."[252]
De werkelijkheid, die dit geval weerspiegelt, blijkt uit Froissart: hij zag
inderdaad Engelsche heeren, die één oog met een lap bedekt hielden ter
voldoening aan de gelofte, om slechts met één oog te zien, totdat zij
dapperheid in Frankrijk hadden verricht.[253]
De bijzondere wildheid spreekt in Le Voeu du Héron nog sterker uit de
gelofte van Jehan de Faukemont, die klooster noch altaar, zwangere vrouw
noch kind, vriend noch maag wil sparen, om koning Eduard te dienen.
Tenslotte verzoekt de koningin, Philippa van Henegouwen, haar gemaal,
ook een gelofte te mogen doen.

"Adonc, dist la roine, je sai bien, que piecha[254]
Que sui grosse d'enfant, que mon corps senti l'a.
Encore n'a il gaires, qu'en mon corps se tourna.
Et je voue et prometh a Dieu qui me créa....
Que ja li fruis de moi de mon corps n'istera,[255]
Si m'en arès menée ou païs par de-là
Pour avanchier le veu que vo corps voué a;
Et s'il en voelh isir, quant besoins n'en sera,
D'un grant coutel d'achier li miens corps s'ochira;
Serai m'asme perdue et li fruis perira!"
Een huiverend stilzwijgen ontvangt de godslasterlijke gelofte. De dichter
zegt enkel:
"Et quant li rois l'entent, moult forment l'en pensa,
Et dist: certainement, nuls plus ne vouera."

Page 98

Haar en baard, overal immers de dragers van magische potentie, hebben
nog bij de geloften der Middeleeuwen een bijzondere beteekenis.
Benedictus XIII, de paus van Avignon, en daar feitelijk opgesloten, zweert,
ten teeken van droefheid zijn baard niet te laten scheren, aleer hij de
vrijheid herkregen heeft.[256] Als Lumey dezelfde gelofte doet met
betrekking tot de wraak voor Egmond, hebben wij te doen met een laatsten
uitlooper eener zede, die in den verren voortijd heilige beteekenis had
gehad.
De zin der gelofte is in den regel, dat men zich een onthouding oplegt als
prikkel om het volbrengen der geloofde daad te verhaasten. Veelal is het een
onthouding in verband met spijzen. De eerste, dien Philippe de Mézières als
ridder opnam in zijn Chevalerie de la Passion, was een Pool, die in negen
jaar niet zittende gegeten of gedronken had.[257] Bertrand du Guesclin is
zeer haastig met zulke geloften. De eene maal geldt het een uitdaging van
een Engelsch krijgsman: Bertrand verklaart, slechts drie wijnsoepen te
zullen gebruiken in naam der heilige Drieëenheid, totdat hij den uitdager
bestreden heeft. Een ander maal is het, dat hij geen vleesch zal eten en zich
niet zal uitkleeden, eer hij Montcontour heeft genomen. Of zelfs, dat hij niet
eten zal, eer hij met de Engelschen tot een treffen gekomen is.[258]
De magische bedoeling, die bij dat vasten op den achtergrond ligt, was
natuurlijk een edelman der veertiende eeuw niet meer bewust. Voor ons
spreekt zulk een ondergrond vooral zeer direct uit het veelvuldig gebruik
van kluisters als teeken van een gelofte. Op 1 Januari 1415 doet hertog Jean
de Bourbon, "désirant eschiver oisiveté, pensant y acquérir bonne
renommée et la grâce de la très-belle de qui nous sommes serviteurs", de
gelofte om met zestien andere ridders en knapen gedurende twee jaar elken
Zondag aan het linkerbeen een boei als van een gevangene te dragen, de
ridders in goud, de knapen in zilver, totdat hij zestien ridders vindt, die het
gezelschap willen bestrijden in een gevecht te voet "à outrance".[259]
Jacques de Lalaing ontmoet te Antwerpen in 1445 een Siciliaanschen ridder
Jean de Boniface, die als "chevalier aventureux" van het hof van Arragon
gekomen is. Hij draagt aan het linkerbeen een ijzer, zooals de slaven het
dragen, hangende aan een gouden keten, een "emprise" ten teeken dat hij
vechten wou.[260] In den roman van den Petit Jehan de Saintré draagt de
ridder Loiselench twee gouden ringen aan arm en been, elk aan een gouden

Page 99

keten, totdat hij een ridder vindt, die hem "verlost" van zijn emprise.[261]
Want zoo heet het: "délivrer"; men raakt het teeken aan, als het gaat "pour
chevalerie"; men rukt het af, als het om 't leven gaat.—Reeds La Curne de
Sainte Palaye heeft opgemerkt, dat bij de oude Chatti volgens Tacitus
volkomen hetzelfde gebruik werd aangetroffen[262]. Ook de kluisters, die
boetelingen op hun bedevaart droegen, of die vrome asceten zich zelf
aanlegden, zijn van de emprises der laat-middeleeuwsche ridders niet te
scheiden.
Wat de beroemde feestelijke geloften der vijftiende eeuw, met name de
Voeux du Faisan bij het hoffeest van Philips den Goede te Rijsel in 1454,
ter voorbereiding van den kruistocht ons van dit alles nog te zien geven, is
niet veel meer dan een fraaie hoofsche vorm. Niet dat de spontane
gewoonte, om in nood of sterke gemoedsbeweging een gelofte te doen, iets
van haar kracht zou hebben verloren. Zij heeft zoo diepe psychologische
wortelen, dat zij aan beschaving noch geloof gebonden is. Doch de
ridderlijke gelofte als cultuurvorm, als een tot levenstooi verheven zede,
beleeft in die pralende buitensporigheid van het Bourgondische hof haar
laatste phase.
Het thema van de handeling is nog altijd het onmiskenbaar overoude. Men
doet de geloften aan het feestmaal, en zweert bij een vogel, die opgedragen
en later gegeten wordt. Ook de Noormannen kennen de met elkaar
wedijverende geloften bij het feestmaal in dronkenschap; een der vormen is
die, waarbij men het everzwijn aanraakt, dat opgedragen wordt. [263] De
fazant van het beroemde feest te Rijsel schijnt wel een levende te zijn
geweest.[264] De geloften worden afgelegd aan God en Onze Lieve Vrouw,
aan de dames en aan den vogel. Het schijnt niet gewaagd, te
veronderstellen, dat de godheid hier niet de oorspronkelijke ontvanger der
geloften is: inderdaad geloven velen alleen aan de dames en den vogel.[265]
In de onthoudingen, die men zich oplegt, is weinig afwisseling. De meeste
hebben betrekking op eten en slapen. Deze ridder zal Zaterdags niet in een
bed slapen, eêr hij een Saraceen bevochten heeft, noch ook vijftien dagen
achtereen in dezelfde stad vertoeven. Een ander zal Vrijdags geen dierlijk
voedsel nuttigen, eêr hij den banier van den Grooten Turk heeft aangetast.
Weer een ander stapelt askese op askese: hij zal in het geheel geen harnas
dragen, Zaterdags geen wijn drinken, niet in een bed slapen, niet aan tafel

Page 100

zitten, en een harige pij dragen. Men omschrijft nauwkeurig de wijze,
waarop men de geloofde heldendaad zal uitvoeren.[266]
Hoeveel ernst is er in? Wanneer messire Philippe Pot de gelofte doet, op
den Turkentocht zijn rechterarm onbedekt te laten door eenige
wapenrusting, laat de hertog onder de (schriftelijk geregistreerde) gelofte
aanteekenen: "Ce n'est pas le plaisir de mon très redoubté seigneur, que
messire Phelippe Pot voise en sa compaingnie ou saint voyage qu'il a voué,
le bras désarmé; mais il est content qu'il voist aveuc lui armé bien et
soufisamment, ainsy qu'il appartient."[267] Blijkbaar werd er dus nog ernst
en gevaar in gezien. Over de gelofte van den hertog zelf heerscht algemeene
aandoening.[268]
Sommigen doen voorzichtig voorwaardelijke geloften, die tegelijk getuigen
van de ernstige bedoeling en van het voldaan zijn met den schoonen schijn.
[269] Soms naderen de geloften reeds tot de "philippine", die er een bleeke

rest van is.[270] Een spottend element ontbreekt zelfs niet bij den grimmigen
Voeu du héron; immers Robert van Artois biedt den koning, hier
voorgesteld als minder belust op den krijg, den reiger aan, als den bangsten
der vogels. Als Eduard zijn gelofte heeft gedaan, lachen allen. Jan van
Beaumont, wien de Voeu du héron de vroeger reeds vermelde woorden[271]
in den mond legt, die met fijnen spot het gepassioneerde karakter onthullen
van de geloften, bij den wijn en onder de oogen der vrouwen gedaan, doet
volgens een ander verhaal bij den reiger de cynische gelofte, dat hij dien
heer zou dienen, van wien hij 't meest aan geld en goed te wachten had.
Waarop de Engelsche heeren lachten.[272]—Hoe moet, ondanks alle
pompeuze gewichtigheid, waarmee de Voeux du faisan werden opgenomen,
de tafelstemming zijn geweest, wanneer Jennet de Rebreviettes de gelofte
kon doen, om, als hij niet vóór den krijgstocht de gunsten van zijn dame
deelachtig werd, bij den terugkeer uit het Oosten de eerste vrouw of
jonkvrouw te huwen, die twintig duizend kronen heeft ... "se elle veult".[273]
Toch trekt diezelfde Rebreviettes de wereld in, om als "povre escuier"
avontuur te zoeken, en strijdt bij Ceuta en Granada tegen de Mooren.
Zoo lacht de moede aristocratie om haar eigen ideaal. Wanneer zij met alle
middelen van fantazie en kunstvaardigheid en rijkdom haar
hartstochtelijken droom van het schoone leven had getooid en gekleurd en

Page 101

tot plastischen vorm gebracht, dan bezon zij zich, dat het leven toch
eigenlijk niet zoo schoon was, en lachte. IJdele waan, die
ridderheerlijkheid, mode en ceremonie, een fraai en leugenachtig spel! De
werkelijke geschiedenis der laatste Middeleeuwen, zegt de historicus, die
uit de acta de ontwikkeling van staat en bedrijf naspeurt, heeft met die
valsche ridderlijke Renaissance weinig te maken; het was een oud vernis,
dat reeds afbladderde. De mannen, die die geschiedenis maakten, waren
waarlijk geen droomers, maar zeer berekenende, nuchtere staatslieden en
kooplieden, 't zij vorsten, edelen, prelaten of burgers.
Zeker, dat waren zij ook. Maar de geschiedenis der beschaving heeft
evenveel te maken met de droomen van schoonheid en den waan des edelen
levens als met de cijfers van bevolking en belasting. Een onderzoeker, die
de hedendaagsche maatschappij bestudeert uit den groei van banken en
verkeer, uit de politieke en militaire conflicten, zou aan het eind van zijn
studiën kunnen zeggen: ik heb van de muziek heel weinig gemerkt, die
heeft blijkbaar in dezen tijd weinig voor de cultuur beteekend.
Zoo is het eenigermate, wanneer men ons de geschiedenis der
Middeleeuwen uit de staatkundige en economische bescheiden beschrijft.
Bovendien zou het kunnen zijn, dat het ridderideaal, zoo gekunsteld en
versleten als het was, op de zuiver staatkundige geschiedenis der laatste
Middeleeuwen toch nog voortdurend machtiger invloed had uitgeoefend,
dan men zich gewoonlijk voorstelt.
De bekoring van den adellijken levensvorm was zoo groot, dat ook de
burgers hem aannemen, waar zij kunnen. Wij stellen ons de Artevelde's
voor als echte mannen van den derden stand, fier op hun burgerlijkheid en
hun eenvoud. Integendeel: Philips van Artevelde hield vorstelijken staat, hij
liet alle dagen voor zijn hôtel de speellieden blazen, als hij aan tafel ging,
liet zich bedienen uit zilveren vaatwerk, of hij de graaf van Vlaanderen was,
ging gekleed in scharlaken en menu vair als een hertog van Brabant of graaf
van Henegouwen, reed uit als een vorst, het ontrolde vaantje voor hem
gedragen met zijn blazoen van sabel met drie zilveren hoeden.[274] Wie
schijnt ons moderner dan de geldmagnaat der vijftiende eeuw, Jacques
Coeur, de voortreffelijke financier van Karel VII? Als men de
levensbeschrijving van Jacques de Lalaing mag gelooven, heeft de groote

Page 102

bankier hartelijk belang gesteld in het ouderwetsche dolende-ridderschap
van den Henegouwschen held.[275]
Alle hoogere vormen van het burgerlijke leven van den nieuweren tijd
berusten op navolging van adellijke levensvormen. Evengoed als het brood
in het servet en het woord "serviette" zelf hun herkomst hebben uit den
middeleeuwschen hofstaat,[276] zijn de burgerlijkste bruiloftsaardigheden
afstammelingen van de grandioze "entremets" van Rijsel. Om de cultuur-
historische beteekenis van het ridderideaal ten volle te begrijpen, zou men
het moeten volgen in Shakespeare's en Molière's tijd tot aan den modernen
gentleman.
Hier echter is het er om te doen, de werking van dat ideaal op de
werkelijkheid in de laatste Middeleeuwen zelf aan te wijzen. Lieten
staatkunde en oorlogvoering zich inderdaad eenigermate beheerschen door
ridderlijke voorstellingen? Ongetwijfeld, zoo niet in haar deugden, dan toch
in haar fouten. Zooals de tragische vergissingen van den hedendaagschen
tijd voortspruiten uit den waan van het nationalisme en den
cultuurhoogmoed, zoo sproten die van de Middeleeuwen meer dan eens
voort uit de chevalereske gedachte. Ligt niet het motief voor de schepping
van den nieuwen Bourgondischen staat, die grootste fout, die Frankrijk kon
begaan, in een ridderlijk moment? Koning Jan, het ridderlijke warhoofd,
schenkt het hertogdom in 1363 aan den jongen zoon, die bij Poitiers naast
hem stand had gehouden, toen de oudere vluchtte. Evenzoo is de bewuste
gedachte, die de latere anti-fransche politiek voor de geesten der
tijdgenooten moet rechtvaardigen: de wraak voor Montereau, de
verdediging van ridderlijke eer. Ik weet wel, men kan dat alles ook
verklaren uit berekenende, zelfs vooruitziende politiek, maar dat neemt niet
weg, dat de waarde van het feit, het beeld van het feit van 1363 voor de
tijdgenooten was en bleef: de ridderlijke moed, vorstelijk beloond. Die
Bourgondische staat in zijn snelle ontplooiing is een gebouw van politiek
overleg en geslaagde nuchtere berekening. Maar wat men de Bourgondische
idee zou kunnen noemen, kleedt zich steeds in de vormen van het
ridderideaal. De bijnamen der hertogen: het Sans peur, le Hardi, het Qui
qu'en hongne, dat voor Philips door le Bon verdrongen werd, zijn alle
opzettelijke vindingen van de hoflittérateurs, om den vorst te plaatsen onder
de stralen van het ridderlijke ideaal.[277]

Page 103

Daar was één groot politiek streven, dat onverbrekelijk verbonden was aan
het ridderideaal: de kruistocht, Jeruzalem! Want Jeruzalem, zoo heette nog
altijd de gedachte, die als hoogste politieke idee allen vorsten van Europa
voor oogen stond, en hen voor en na tot handelen dreef. Er was hier een
zonderling contrast tusschen het reëele politieke belang en de politieke idee.
Er bestond voor de Christenheid der veertiende en vijftiende eeuw een
Oostersche kwestie van de uiterste urgentie: het afweren der Turken, die
reeds Adrianopel genomen (1378) en het Servische rijk vernietigd hadden
(1389). Op den Balkan lag het gevaar. Doch Europa's eerste en
noodzakelijkste staatkunde kon zich nog niet losmaken van de
kruistochtidee. Zij kon de Turksche kwestie slechts zien als een onderdeel
van de groote heilige taak, waarin de voorvaders waren te kort geschoten:
de bevrijding van Jeruzalem.
Bij deze gedachte nu stond het ridderlijk ideaal op den voorgrond; hier kon
en moest het een bijzonder nadrukkelijke werking uitoefenen. Immers het
godsdienstig gehalte van het ridderideaal vond hier zijn hoogste belofte, en
de bevrijding van Jeruzalem kon niet anders zijn dan heilig, edel
ridderwerk. Juist doordat nu het godsdienstig-ridderlijke ideaal zich bij het
bepalen der Oostersche staatkunde in zoo sterke mate deed gelden, kan tot
zekere hoogte het geringe succes der Turkenbestrijding worden verklaard.
De expedities, die bovenal nauwkeurige berekening en geduldige
voorbereiding eischten, werden ontworpen en opgezet onder een hoogere
spanning, die niet leidde tot een rustige overweging van het bereikbare,
maar tot een verromantiseering van het plan, die ijdel kon zijn of noodlottig
kon worden. De katastrofe van Nicopolis in 1396 had getoond, hoe
gevaarlijk het was, een nuttige expeditie tegen een zeer strijdbaren vijand
op te zetten in den ouden trant van een dier ridderlijke reizen naar Pruisen
of Litauen, om wat arme heidenen dood te slaan. Wie zijn het, die de
kruistochtplannen ontwerpen? De droomers als Philippe de Mézières, die er
zijn leven aan wijdde, de politieke fantasten, zooals Philips de Goede het
met al zijn sluwe berekening was.
Alle koningen hadden de bevrijding van Jeruzalem nog altijd tot een
obligate levenstaak. In 1422 is Hendrik V van Engeland stervende. De
jonge veroveraar van Rouen en Parijs wordt weggerukt midden uit het
werk, waarmee hij Frankrijk in ellende had gestort. De geneesheeren
hebben hem aangezegd, dat hij geen twee uur meer heeft te leven; de

Page 104

biechtvader en andere geestelijken zijn verschenen, de zeven boetpsalmen
worden gelezen. Als het woord klinkt: Benigne fac, Domine, in bona
voluntate tua Sion, ut aedificentur muri Jerusalem,[278] laat de koning
stilhouden en zegt luide, dat het zijn voornemen was geweest, om na het
herstellen van den vrede in Frankrijk Jeruzalem te gaan veroveren, "se ce
eust esté le plaisir de Dieu son créateur de le laisser vivre son aage". En
daarna laat hij de lezing der boetpsalmen voltooien, en sterft weldra.[279]
De kruistocht was sedert lang ook een voorwendsel geworden om
bijzondere opbrengsten te heffen; ook Philips de Goede heeft van die
gelegenheid ruimschoots gebruik gemaakt. Doch enkel veinzerij uit
winstbejag zal bij hem het plan toch niet zijn geweest.[280] Het schijnt een
mengeling van ernstig streven en den toeleg, om door dit bij uitstek nuttige
en tevens bij uitstek ridderlijke plan zich als den redder der Christenheid
een glorie te verzekeren boven zijn meerderen in rang, de koningen van
Frankrijk en Engeland. Le voyage de Turquie bleef een troefkaart, die niet
werd uitgespeeld. Chastellain bevlijtigt zich om toch vooral te doen
uitkomen, dat het den hertog wel ernst was, maar ... er waren gewichtige
bezwaren, de tijd was er nog niet rijp voor, de invloedrijke lieden schudden
het hoofd, dat de vorst op zijn leeftijd nog zulk een gevaarlijken tocht zou
ondernemen; zoowel de landen als de dynastie zouden gevaar loopen.
Terwijl de paus de kruisvaan zond, door Philips met eerbied ontvangen in
Den Haag en in plechtige processie ontplooid, terwijl bij het feest te Rijssel
en daarna de geloften tot de reize verzameld werden, terwijl Joffroy de
Toisy de Syrische havens onderzocht, Jean Chevrot, de bisschop van
Doornik, de collecten leidde en Guillaume Fillastre zijn gansche uitrusting
reeds klaar had, en er reeds schepen voor den tocht in beslag waren
genomen, heerschte er toch een vage verwachting, dat de tocht niet zou
doorgaan.[281] Des hertogen eigen gelofte te Rijssel klonk dan ook wel zeer
voorwaardelijk: hij zou gaan, mits de landen, die God hem had
toevertrouwd om te regeeren, in vrede en veiligheid zijn.[282]
Uitvoerig voorbereide en luidruchtig aangekondigde krijgsexpedities, waar
niets van komt, schijnen overigens, ook afgescheiden van het
kruistochtideaal, in dezen tijd als politieke renommage in trek te zijn
geweest: zoo de voorgenomen tocht der Engelschen tegen Vlaanderen in
1383, die van Philips den Stoute tegen Engeland in 1387, waartoe de

Page 105

prachtige vloot zeilree lag in de haven van Sluis, die van Karel VI tegen
Italië in 1391.
Een zeer bijzondere vorm van ridderlijke fictie met het doel van politieke
reclame was het altijd weer aangekondigde en nimmer verwezenlijkte
vorstenduel. Ik heb vroeger elders uiteengezet, hoe de staatsgeschillen der
vijftiende eeuw nog als een twist van partijen, een persoonlijke querelle
werden opgevat.[283] Men dient "la querelle des Bourguignons". Wat was
natuurlijker, dan dat de vorsten het zelf gingen uitvechten, gelijk nu nog in
het politieke spoorweggesprek wordt verzucht?—Inderdaad was deze
oplossing, die zoowel een primitief rechtsgevoel als de ridderlijke fantazie
bevredigde, telkens aan de orde. Wanneer men leest van de uitvoerige
toebereidselen tot die vorstelijke tweegevechten, vraagt men zich twijfelend
af, of dit alles enkel een fraai spel van bewust veinzen is geweest, de zucht
naar een schoon leven alweer, of wel dat de vorstelijke kampvechters
werkelijk den strijd hebben verwacht. Zeker is het, dat de
geschiedschrijvers van dien tijd het even ernstig opnemen als de
kamplustige vorsten zelf. Monstrelet wijdt terstond in den aanvang van zijn
kroniek een ruime plaats aan de uitdaging van koning Hendrik IV van
Engeland door Lodewijk van Orleans.[284] In het woeste en schitterende
brein van dien Orleans, waar plaats was voor vurige devotie, kunstzin en
fantastische idealen van ridderstrijd en hoofsche liefde naast débauche,
cynisme en tooverpraktijken, kan ook zulk een strijd wel een hartstochtelijk
voornemen zijn geweest. En evengoed geldt dat van den pompeuzen geest
van Philips den Goede. Hij is het alweer, die het thema met al de middelen
van zijn rijkdom en prachtliefde het statigst uitwerkt. Het was Humphrey
van Glocester, dien hij in edelen vorm uitdaagde (1425). In de uitdaging
wordt duidelijk als motief vermeld: "pour éviter effusion de sang chrestien
et la destruction du peuple, dont en mon cuer ay compacion", "que par mon
corps sans plus ceste querelle soit menée à fin, sans y aler avant par voies
de guerres, dont il convendroit mains gentilz hommes et aultres, tant de
vostre ost comme du mien, finer leurs jours piteusement."[285] Alles werd
voor den strijd in gereedheid gebracht: het kostbare harnas en de prachtige
kleederen, die de hertog dragen zou, waren vervaardigd; er werd gewerkt
aan tenten, standaarden en vanen, wapenrokken voor de herauten en
poursuivants, alles bezaaid met de blazoenen van 's hertogen landen, met
den vuurslag en het Sint Andrieskruis. Philips was in training: "tant en

Page 106

abstinence de sa bouche comme en prenant painne pour luy mettre en
alainne."[286] In zijn park te Hesdin oefende hij zich dagelijks onder leiding
van ervaren vechtmeesters.[287] De rekeningen vermelden de kosten, aan dat
alles besteed, en nog in 1460 was de kostbare tent, voor deze gelegenheid
vervaardigd, te Rijssel te zien.[288] Maar van het gevecht kwam niets.
Dit belette niet, dat hij later in het geschil met den hertog van Saksen over
Luxemburg, dezen opnieuw kamp aanbood, en dat bij het feest van Rijssel,
toen Philips bijna zestig jaar oud was, zijn kruisgelofte inhield, dat hij
gaarne bereid was, den Grooten Turk corps à corps te bestrijden, als deze
dat verkoos.[289] Men vindt den weerklank van die hardnekkige kampliefde
van Philips den Goede nog in een verhaaltje van Bandello, hoe hij eens met
de grootste moeite weerhouden zou zijn van een eereduel met een zijner
edelen.[290]
De vorm handhaaft zich nog in de volle Italiaansche Renaissance.
Francesco Gonzaga biedt kamp aan Cesare Borgia: met zwaard en dolk wil
hij Italië van den gevreesde en gehate bevrijden. De bemiddeling van den
koning van Frankrijk, Lodewijk XII, voorkomt het tweegevecht, en een
roerende verzoening besluit het geval.[291] Zelfs Karel V heeft nog in allen
vorm aangeboden, den strijd met Frans I door een persoonlijk tweegevecht
te beslechten.
De gerechtelijke en de spontane tweekamp leefde juist in de Bourgondische
landen en in het twistzieke Noorden van Frankrijk nog bijzonder sterk in
zeden en denkbeelden. Van hoog tot laag huldigde men hem als de
beslissing bij uitnemendheid. Met het ridderideaal hadden deze begrippen
op zich zelf weinig te maken. Zoodra de strijd geen edelen geldt, ziet men
al de ruwe wreedheid van den tijd, ontdaan van het masker der hooghartige
chevalerie.
Niets is in dit opzicht merkwaardiger dan de verbazende belangstelling,
door de edelen en door de geschiedschrijvers aan den dag gelegd voor een
gerechtelijken kamp van twee burgers te Valenciennes in 1455.[292] Het was
een groote zeldzaamheid; in geen honderd jaar was zoo iets voorgekomen.
Die van Valenciennes wilden het tot elken prijs laten doorgaan, want het
betrof voor hen de handhaving van een oud privilege, maar de graaf van
Charolais, die het bewind voerde tijdens Philips' afwezigheid in

Page 107

Duitschland, wilde het niet, en stelde de voltrekking van maand tot maand
uit, terwijl de beide partijen, Jacotin Plouvier en Mahuot, als kostbare
vechthanen werden vastgehouden. Toen de oude hertog van zijn reis naar
den keizer terug was, werd terstond beslist, dat de strijd doorgaan zou.
Philips wilde hem met alle geweld zelf zien; daartoe alleen koos hij van
Brugge naar Leuven den weg over Valenciennes. Terwijl nu de ridderlijke
geesten als Chastellain en La Marche bij hun beschrijvingen van de
feestelijke Pas d'armes van ridders en edelen met alle inspanning van hun
verbeelding geen enkele maal een realiteit kunnen schilderen, geven zij hier
het scherpst geziene beeld. Hier komt de ruwe, felle Vlaming, die
Chastellain was, onder de prachtige houppelande van goud en rood
granaatpatroon te voorschijn. Geen bijzonderheid ontgaat hem van de
"moult belle serimonie"; hij beschrijft nauwkeurig het krijt en de banken
rondom. De arme slachtoffers hebben elk hun vechtmeester bij zich. Jacotin
als klager treedt het eerst binnen, blootshoofds met kort geknipt haar en
heel bleek. Hij is geheel genaaid in een kleeding van corduwaanleder uit
één stuk, zonder iets daaronder. Na eenige vrome kniebuigingen en
begroeting van den hertog, die achter een traliewerk gezeten is, wachten de
kampvechters het oogenblik af, zittende in twee met zwart bekleede stoelen
tegenover elkaar. De heeren in het rond maken zacht hun opmerkingen over
de kansen: alles wordt opgemerkt: Mahuot wordt aschbleek, toen hij het
evangelie kust! Dan komen twee knechten en wrijven de kampvechters van
den hals tot de enkels in met vet. Bij Jacotin trekt het vet terstond in het
leer, bij Mahuot niet: wien zou dat teeken gunstig zijn? De handen worden
met asch gewreven; zij nemen suiker in den mond; dan brengt men hun de
knotsen en schilden, waarop heiligenfiguren staan geschilderd, die zij
kussen. Zij dragen de schilden met de punt omhoog, en hebben in de hand
"une bannerolle de devocion", een strook met een vrome spreuk.
Mahuot, die klein was, begint het gevecht door met de punt van zijn schild
zand te scheppen en het Jacotin in de oogen te werpen. Een woedend
knotsgevecht volgt, het eindigt met den val van Mahuot; de ander werpt
zich boven op hem, en wrijft hem het zand in mond en oogen, maar Mahuot
krijgt een vinger van zijn vijand tusschen zijn tanden. Om zich te bevrijden
drukt deze hem den duim in de oogkassen, en ondanks zijn geroep om
genade draait hij hem de armen naar achteren en springt op den rug, om
hem te breken. Stervende schreeuwt Mahuot vergeefs om te mogen

Page 108

biechten; dan roept hij: "O monseigneur de Bourgongne, je vous ay si bien
servi en vostre guerre de Gand! O monseigneur, pour Dieu, je vous prie
mercy, sauvez-moy la vie!"... Hier breekt het verhaal van Chastellain af; er
zijn eenige bladen weg; van anderen weten wij, hoe de halfdoode Mahuot
door den beul gehangen werd.
Zou Chastellain het besloten hebben met een edele ridderlijke bespiegeling,
na dezen ellendigen gruwel met zooveel verve te hebben verteld? La
Marche deed het: hij bericht ons van de schaamte, die toch achterna den
adel beving, dat men dit had aangezien. En daarom, zegt de onverbeterlijke
hofpoëet, liet God een ridderlijk tweegevecht volgen, dat onschadelijk
afliep.
Het conflict tusschen riddergeest en werkelijkheid vertoont zich het
duidelijkst, waar het ridderideaal zich tracht te doen gelden te midden van
den ernstigen krijg. Hoezeer ook het ridderideaal vorm en kracht moge
hebben gegeven aan den oorlogsmoed, het werkte toch in den regel op de
krijgvoering meer belemmerend dan bevorderend, daar het de eischen der
strategie opofferde aan die der levensschoonheid. Herhaaldelijk stellen zich
de beste aanvoerders, ja de koningen zelf, bloot aan de gevaren van een
romantisch krijgsavontuur. Eduard III waagt zijn leven in een hachelijken
aanslag op een convooi van Spaansche schepen.[293] De ridders van koning
Jan's orde van de Ster moeten zweren, dat zij in den slag nooit verder zullen
vluchten dan vier "arpents", anders hebben zij te sterven of zich over te
geven, welke zonderlinge spelregel volgens Froissart terstond aan wel
negentig het leven kostte.[294] Wanneer Hendrik V van Engeland in 1415
den Franschen tegemoet gaat vóór den slag bij Azincourt, trekt hij bij
vergissing op een avond het dorp, dat zijn fouriers hem als nachtverblijf
bestemd hadden, voorbij. Nu had de koning, "comme celuy qui gardoit le
plus les cérimonies d'honneur très loable", juist te voren gelast, dat de
ridders, op verkenning uit, hun wapenrok moesten afleggen, om niet in
strijdgewaad terug te behoeven te gaan. Toen hij nu zelf in wapenrok te ver
vooruit was gegaan, kon hij niet terug; hij overnachtte dus, waar hij
gekomen was, en liet de voorhoede dienovereenkomstig opschikken.[295]

Page 109

Bij de beraadslaging over den grooten Franschen inval in Vlaanderen in
1382 verzet zich voortdurend ridderzin tegen krijgskunde: "Se nous querons
autres chemins que le droit,—voert men aan tegen de adviezen van Clisson
en Coucy, om langs onverwachte omwegen binnen te dringen,—"nous ne
monsterons pas que nous soions droites gens d'armes." [296] Evenzoo gaat
het bij een inval van Franschen aan de Engelsche kust bij Dartmouth in
1404. De eene aanvoerder, Guillaume du Châtel, wil de Engelschen in de
flank vallen, daar dezen zich door een gracht op het strand hebben beschut.
Maar de sire de Jaille noemt de verdedigers een troep dorpers; het zou een
schande zijn, voor zulke tegenstanders uit den weg te gaan; hij spoort den
ander aan, niet te vreezen. Dat woord treft Du Châtel in het vleesch: "Dat
zij verre van het edele hart van een Breton, dat hij vreezen zou; nu zal ik,
ofschoon ik eêr den dood voorzie dan de zege, de hachelijke fortuin
beproeven." Hij voegt er de gelofte aan toe, dat hij geen kwartier zal
vragen, valt daarop aan, en sneuvelt zelf, terwijl zijn bende deerlijk wordt
verslagen.[297] Bij den tocht naar Vlaanderen is er steeds groot gedrang, om
in de voorhoede te komen; een ridder, die met de achterhoede wordt belast,
stribbelt hardnekkig tegen.[298]
De meest eigenlijke toepassing van het ridderideaal op den oorlog bestond
in de afgesproken aristieën, 't zij van twee strijders of van gelijke groepen.
Het befaamde Combat des Trente is er het type van. Froissart vond het
geweldig mooi, maar teekent toch tenslotte aan; "Li aucun le tenoient à
proèce, et li aucun à outrage et grant outrecuidance."[299] Een tweegevecht
van Guy de la Trémoïlle en den Engelschen edelman Pierre de Courtenay in
1386, dat strekken zou om de superioriteit van Engelschen of Franschen te
bewijzen, wordt door de Fransche regenten Bourgondië en Berry verboden
en nog op 't laatste oogenblik verhinderd.[300] De afkeuring van dezen
nutteloozen vorm van dapperheidsbetoon wordt ook gedeeld door Le
Jouvencel, van wien wij reeds vroeger in 't licht stelden, hoe bij hem de
ridder plaats maakt voor den kapitein. Wanneer de hertog van Bedford een
gevecht aanbiedt van twaalf tegen twaalf, laat de schrijver van Le Jouvencel
den Franschen aanvoerder antwoorden: er is een algemeene spreekwijze,
dat men niets moet doen op aanstichten van zijn vijand. Wij zijn hier, om
hen uit hun stelling te verdrijven, en dat geeft ons werk genoeg. En de
uitdaging wordt geweigerd. Elders laat hij Le Jouvencel een van zijn

Page 110

officieren zulk een wedkamp weigeren met de verklaring (waarop hij
overigens tenslotte terugkomt), dat hij tot zoo iets nooit verlof zou geven.
Het zijn verboden dingen. Wie zulk een tweegevecht begeert, wil aan een
ander iets ontnemen, namelijk zijn eer, om zich een ijdele glorie toe te
kennen, die van geringe waarde is, terwijl hij intusschen den dienst van zijn
koning en van de publieke zaak verwaarloost.[301]
Dat klinkt als een stem van den nieuwen tijd. Niettemin bleef de gewoonte
van die tweegevechten tusschen de fronten tot na de Middeleeuwen
voortduren; uit den tachtigjarigen oorlog kent men den strijd van Breauté en
Lekkerbeetje op de Vughtsche heide in 1600 en van Lodewijk van de
Kethulle tegen een grooten Albaneeschen ruiter voor Deventer in 1591.
Het krijgsbelang en de tactiek drongen meestal de ridderlijke opvattingen
naar den achtergrond. De voorstelling, dat ook de veldslag zelf niet anders
is dan een eerlijk afgesproken kamp om het recht, komt nog telkens naar
voren, maar vindt zelden gehoor tegenover de eischen van het krijgsbeleid.
Het Engelsche leger stelt den Schotten voor, om uit hun gunstige positie af
te dalen in de vlakte, opdat men elkander kan bestrijden. Wanneer de
koning van Frankrijk geen toegang vindt om Calais te ontzetten, stelt hij
den Engelschen beleefd voor, ergens een slagveld te bepalen. Willem van
Henegouwen gaat nog verder: hij doet den Franschen koning het voorstel,
drie dagen wapenstilstand te houden, ten einde in dien tijd een brug te
bouwen, waardoor de legers elkaar kunnen bereiken om slag te leveren.[302]
In al die gevallen wordt het ridderlijke aanbod geweigerd; het strategisch
belang behield de overhand, ook bij Philips den Goede, toen hij een zwaren
strijd te voeren had met zijn riddereer, omdat hem op één dag driemaal de
veldslag is aangeboden, en hij dien niet heeft aanvaard.[303]
Er bleef, ook al moest voor de werkelijke belangen het ridderideaal
zwichten, nog gelegenheid genoeg, om den oorlog fraai aan te kleeden.
Welk een bedwelming van fierheid moet er niet zijn uitgegaan van het bonte
en pralende krijgsdecoratief zelf! In den nacht vóór Azincourt sterken de
beide legers, in de duisternis tegenover elkaar gelegen, hun moed met de
muziek der trompetten en bazuinen, en het wordt ernstig beklaagd, dat de
Franschen er niet genoeg hadden "pour eulx resjouyr", en daardoor in lager
stemming bleven.[304] In het laatst der vijftiende eeuw komen de
landsknechten met de groote trommels,[305] een ontleening aan het Oosten.

Page 111

De trom met haar direct hypnotische, onmuzikale werking beduidt treffend
den overgang van het ridderlijke tijdperk naar het modern-militaire; zij is
een element in de mechaniseering van den krijg. Omstreeks 1400 is al de
schoone en half spelende suggestie van persoonlijken wedijver in roem en
eer nog in vollen fleur: door helmteekens en blazoenen, vanen en
wapenkreten behoudt de strijd een individueel karakter en een element van
sport. Den geheelen dag hoort men de kreten der verschillende heeren
uitroepen in een wedspel van hoogmoed.[306] Vóór en na het gevecht
bezegelen de ridderslagen en de rangverhoogingen het spel: ridders worden
tot bannerets verheven door het afsnijden van den wimpel van hun vaantjes.
[307]
Het beroemde kamp van Karel den Stoute voor Neuss is ingericht met
al den feestelijken praal van een hofstaatsie: sommigen hebben hun tent
laten bouwen "par plaisance" in den vorm van een kasteel, met galerijen en
tuinen eromheen.[308]
De krijgsbedrijven moesten bij de opteekening worden gevat in het raam
van ridderlijke opvattingen. Men wilde op technische gronden
onderscheiden, wat een slag en wat een treffen was, want elk gevecht moest
in de annalen van den roem zijn vaste plaats en naam hebben. Zoo zegt
Monstrelet: "Si fut de ce jour en avant ceste besongne appellée la rencontre
de Mons en Vimeu. Et ne fu déclairée à estre bataille, pour ce que les
parties rencontrèrent l'un l'autre aventureusement, et qu'il n'y avoit comme
nulles bannières desploiées".[309] Hendrik V van Engeland doopt zijn groote
overwinning, "pour tant que toutes batailles doivent porter le nom de la
prochaine forteresse où elles sont faictes", plechtig als den slag van
Azincourt.[310] Het overnachten op het slagveld gold als het erkende teeken
der overwinning.[311]
De persoonlijke dapperheid van den vorst in den slag heeft somtijds een
bedenkelijk kunstmatig karakter. Froissart beschrijft een strijd van Eduard
III tegen een Fransch edelman bij Calais in termen, die zouden doen
vermoeden, dat het geen bittere ernst was. "Là se combati li rois à
monsigneur Ustasse moult longuement et messires Ustasse à lui, et tant que
il les faisoit moult plaisant veoir". Tenslotte geeft de Franschman zich over,
en wordt het geval besloten met een souper, dat de koning zijn gevangene
aanbiedt.[312]—In het gevecht van Saint Richier laat Philips van Bourgondië
wegens het gevaar zijn prachtige wapenrusting door een ander dragen, maar

Page 112

het heet, dat het is, om als een gewoon krijgsman zichzelf beter te
beproeven.[313] Wanneer de jonge hertogen van Berry en Bretagne Karel
den Stoute volgen in zijn guerre du bien public, dragen zij, naar aan
Commines werd verteld, schijnharnassen van satijn met vergulde
spijkertjes.[314]
Overal steekt de leugen door de gaten van het ridderlijke staatsiekleed. De
werkelijkheid verloochent voortdurend het ideaal. Vandaar dat het steeds
meer zich terugtrekt in de sfeer van litteratuur, feest en spel: daar alleen was
de illusie van het schoone ridderlijke leven te handhaven; daar is men onder
elkaar in de kaste, waarbinnen al die sentimenten enkel gelding hebben.
Het is verbazend, zooals de ridderlijkheid onmiddellijk in gebreke blijft,
waar zij zou moeten gelden jegens niet-gelijkwaardigen. Zoodra het lageren
in stand betreft, ontbreekt elke behoefte aan ridderlijke hoogheid. De edele
Chastellain heeft niet het geringste begrip voor de koppige burgereer van
den rijken brouwer, die zijn dochter niet aan 's hertogen soldaat wil geven,
en er lijf en goed aan waagt, om den hertog te weerstreven.[315] Froissart
vertelt zonder een zweem van eerbied, hoe Karel VI het lijk van Philips van
Artevelde wilde zien. "Quand on l'eust regardé une espasse on le osta de là
et fu pendus à un arbre. Velà le darraine fin de che Philippe d'Artevelle."
[316] De koning zou zich zelfs niet ontzien hebben, het lijk te schoppen, "en

le traitant de vilain".[317] De gruwelijkste wreedheden van de edelen tegen
de burgers van Gent in den oorlog van 1382, wanneer zij veertig
graanschippers verminkt en met uitgestoken oogen naar de stad
terugzenden, bekoelen Froissart geen oogenblik in zijn geestdrift voor de
ridderij.[318] Chastellain, die zwelgt in de heldendaden van Jacques de
Lalaing en zijns gelijken, vermeldt zonder eenige sympathie die van een
onbekenden Gentschen knaap, die alleen op Lalaing aanviel.[319] La Marche
zegt althans naïef van heldenfeiten, door een Gentenaar uit het volk
verricht, dat het van belang zou zijn geweest, als het "un homme de bien"
geweest was.[320]
Op alle wijzen drong anders de werkelijkheid de negatie van het ridderlijke
ideaal aan de geesten op. De veldheerskunst had sedert lang de
tournooihouding opgegeven: de oorlog van de veertiende en vijftiende eeuw
was er een van besluipen en verrassen, van strooptochten en raids. De

Page 113

Engelschen hadden het eerst het afstijgen van de ridders in den slag
ingevoerd, en het werd aan Fransche zijde overgenomen.[321] Eustache
Deschamps meent spottend, dat het dient om het vluchten te beletten. [322]
Op zee, zegt Froissart, is het ijselijk vechten, want daar kan men niet wijken
en vluchten.[323] Buitengewoon naïef komt de ontoereikendheid der
ridderlijke opvattingen als militair beginsel uit in het Debat des hérauts
d'armes de France et d'Angleterre, een tractaat van omstreeks 1455, waarin
in den vorm van een twistgesprek de voorrang van Frankrijk boven
Engeland wordt betoogd. De Engelsche heraut heeft den Franschen
gevraagd, waarom zijn koning niet een groote scheepsmacht onderhoudt,
gelijk die van Engeland. Wel, antwoordt de Fransche heraut, dat heeft hij
niet noodig, en bovendien: de Fransche adel houdt meer van den oorlog te
land dan ter zee, om verschillende redenen: "car il y a danger et perdicion
de vie, et Dieu scet quelle pitié quant il fait une tourmente (storm), et si est
la malladie de la mer forte à endurer à plusieurs gens. Item, et la dure vie
dont il fault vivre, qui n'est pas bien consonante à noblesse."[324] Hoe gering
van uitwerking ook nog, reeds kondigde het kanon de toekomstige
veranderingen van den oorlog aan. Het was als een ironische symboliek, dat
het puik der dolende ridders "à la mode de Bourgogne," Jacques de Lalaing,
gedood werd door een kanonschot.[325]
Er was aan de adellijk-militaire carrière een financieele kant, die dikwijls
zeer vrijmoedig wordt bekend. Elke bladzijde der laat-middeleeuwsche
krijgsgeschiedenis geeft te verstaan, hoe zeer het daarbij aankwam op het
maken van aanzienlijke gevangenen, terwille van den losprijs. Froissart
verzuimt niet te vermelden, hoeveel de bedrijver van een geslaagde
overrompeling bij de zaak verdiende.[326] Maar behalve de directe baten van
den oorlog spelen ook de pensioenen en renten en gouverneursposten in het
leven van den ridder een groote rol. Het vooruitkomen wordt grif als doel
aanvaard. "Je sui uns povres homs qui desire mon avancement", zegt
Eustache de Ribeumont. Froissart vertelt zijn eindelooze faits divers van
den ridderkrijg onder andere tot voorbeeld van de dapperen, "qui se désirent
à avanchier par armes." [327] Deschamps heeft een ballade, waarin de
ridders, knapen en sergianten van het hof van Bourgondië staan te hunkeren
naar den betaaldag, met het refrein:

"Et quant venra le tresorier?"[328]

Page 114

Chastellain vindt het natuurlijk en gepast, dat iemand die naar aardschen
roem streeft, gierig en berekenend is, "fort veillant et entendant à grand
somme de deniers, soit en pensions, soit en rentes, soit en gouvernemens ou
en pratiques."[329] En inderdaad schijnt zelfs de edele Boucicaut, die allen
ridders ten voorbeeld werd gesteld, van bijzondere geldzucht niet vrij te zijn
geweest.[330] De nuchtere Commines begroot een edelman naar zijn salaris
als "ung gentilhomme de vingt escuz."[331]
Tusschen al de luide verheerlijking van het ridderlijke leven en den
ridderlijken krijg klinkt af en toe de bewuste negatie van het ridderideaal:
soms nuchter, soms hoonend. De edelen zelf zagen bijwijlen de opgepoetste
ellende en de valschheid van zulk een leven van krijg en tournooien.[332]
Het was niet te verwonderen, dat de twee sarcastische geesten, die voor het
ridderdom niet dan spot en minachting hadden, elkaar gevonden hebben:
Lodewijk XI en Philippe de Commines. De beschrijving van den slag bij
Montlhéry bij Commines is in haar nuchter realisme volkomen modern.
Hier geen schoone heldendaden, geen fictief dramatisch verloop, maar
slechts het relaas van een voortdurend komen en gaan, een twijfelen en
vreezen, steeds verteld met een licht sarcasme. Hij schijnt erin te genieten,
als hij van smadelijk vluchten kan vertellen en van den moed, die
terugkeert, als het gevaar geweken is. Hij gebruikt weinig het woord
"honneur", en behandelt de eer bijna als een noodzakelijk kwaad. "Mon
advis est que s'il eust voulu s'en aller ceste nuyt, il eust bien faict.... Mais
sans doubte, là où il avoit de l'honneur, il n'eust point voulu estre reprins de
couardise". Zelfs waar hij bloedige ontmoetingen verhaalt, zoekt men
vergeefs de terminologie der ridderschap: het woord dapperheid of
ridderlijkheid kent hij niet. [333]
Zou het zijn Zeeuwsche moeder Margaretha van Arnemuiden zijn geweest,
van wie Commines zijn nuchteren geest had? Het schijnt immers wel, dat in
Holland, ondanks den Henegouwschen Willem IV, den ijdelen avonturier,
de riddergeest vroegtijdig aan het afsterven was, terwijl juist Henegouwen,
waarmee het vereenigd was, altijd het echte land van den ridderlijken adel
is geweest. Bij het Combat des Trente was de beste aan Engelsche zijde een
zekere Crokart, een voormalige knecht van de heeren van Arkel. Hij had in
den oorlog groot fortuin gemaakt: wel 60.000 kronen en een stal met dertig
paarden; daarbij had hij grooten roep van dapperheid verworven, zoodat de

Page 115

koning van Frankrijk hem ridderschap en een aanzienlijk huwelijk
beloofde, als hij Fransch wilde worden. Deze Crokart kwam met zijn roem
en zijn rijkdom in Holland terug, en hield er grooten staat; maar de
Hollandsche heeren wisten nog wel, wie hij was, en namen geen notitie van
hem, zoodat hij terugkeerde naar het land, waar men ridderlijke faam beter
waardeerde.[334]
Wanneer Jan van Nevers zich gereedmaakt, om de reis naar Turkije te
ondernemen, waar hij Nicopolis zou vinden, laat Froissart hertog Albrecht
van Beieren, den graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen, tot zijn zoon
Willem zeggen: "Guillemme, puisque tu as la voulenté de voyagier et aler
en Honguerie et en Turquie et quérir les armes sur gens et pays qui oncques
riens ne nous fourfirent, ne nul article de raison tu n'y as d'y aler fors que
pour la vayne gloire de ce monde, laisse Jean de Bourgoigne et nos cousins
de France faire leurs emprises, et fay la tienne à par toy, et t'en va en Frise
et conquiers nostre héritage." [335]
Van al de landen van Bourgondië was de adel van Holland bij de
kruisgeloften van het feest te Rijssel verreweg het slechtst
vertegenwoordigd. Toen na het feest nog meer geloften schriftelijk in de
verschillende landen werden ingezameld, kwamen er uit Artois nog 27, uit
Vlaanderen 54, uit Henegouwen 27, en uit Holland 4, en deze luiden nog
zeer voorwaardelijk en voorzichtig.[336]

De chevalerie zou niet het levensideaal van eeuwen zijn geweest, indien
daarin niet hooge waarden aanwezig waren geweest voor de ontwikkeling
der samenleving, indien het niet sociaal, ethisch en aesthetisch noodzakelijk
was geweest. Juist in de schoone overdrijving had eenmaal de kracht van dit
ideaal gelegen. Het is, alsof de middeleeuwsche geest in haar bloedige
hartstochtelijkheid slechts te leiden was, door het ideaal veel te hoog te
stellen: zoo deed het de kerk, zoo deed het de ridderlijke gedachte. "Without
this violence of direction, which men and women have, without a spice of
bigot and fanatic, no excitement, no efficiency. We aim above the mark to
hit the mark. Every act hath some falsehood of exaggeration in it."[337]
Doch naarmate een cultuurideaal meer gevuld is met de aanspraak op de
hoogste deugden, is de disharmonie tusschen levensvorm en werkelijkheid

Page 116

grooter. Het ridderideaal met zijn nog half-religieuzen inhoud kon slechts
worden beleden door een tijd, die nog voor zeer sterke realiteiten de oogen
kon sluiten, die vatbaar was voor de volstrekte illusie. De zich
vernieuwende beschaving dwingt, dat uit den ouden levensvorm de al te
hooge aspiraties worden prijsgegeven. De ridder gaat over in den virtuoso
der Renaissance, in den Franschen gentilhomme der 17e eeuw, tenslotte in
den modernen gentleman, en bij elke transformatie schijnt een hulsel van
leugen af te vallen.
De ridderlijke levensvorm was al te zwaar beladen met idealen van
schoonheid, deugd en nuttigheid. Bezag men hem met nuchteren
werkelijkheidszin, zooals Commines, dan leek al die hooggeroemde
chevalerie zoo nutteloos en onecht, een opgemaakte vertooning, een
belachelijk anachronisme: de werkelijke roerselen, die de menschen deden
handelen en het lot van staten en gemeenschappen bepaalden, lagen er
buiten. Was de sociale bruikbaarheid van het ridderlijk ideaal uiterst zwak,
nog zwakker stond het met de deugdverwezenlijking, de ethische zijde, die
immers ook door het ridderideaal werd gepretendeerd. Van een waarlijk
geestelijk streven uit gezien was al dat edele leven louter zonde en
ijdelheid. Doch zelfs van het louter aesthetische gezichtspunt bezweek het
ideaal: zelfs de schoonheid van dien levensvorm was aan alle kanten open
voor ontkenning. Al mocht het ridderlijke leven soms burgers begeerlijk
schijnen, uit den adel zelf kwam de groote moeheid en onvoldaanheid
voort. Het schoone spel van het hoofsche leven was zoo bont, zoo valsch,
zoo druk. Weg uit die moeizaam opgezette levenskunst naar veiligen
eenvoud en rust.
Er waren dan twee wegen van het ridderlijk ideaal af: die naar het
werkelijke, actieve leven en den modernen geest van onderzoek, en die naar
de wereldverzaking. Maar deze laatste weg splitste zich als de Y van
Pythagoras in tweeën: de hoofdlijn was die van het echte geestelijk leven,
de zijlijn hield den rand van de wereld met haar genietingen. De zucht naar
het schoone leven was zoo sterk, dat ook waar de ijdelheid en
verwerpelijkheid van het hof- en strijdleven was erkend, nog een uitweg
open scheen naar aardsche levensschoonheid, naar een nog zoeter en lichter
droom. De oude illusie van het herdersleven straalde nog altijd als een
belofte van natuurlijk geluk met al den glans, waarmee zij sinds Theocritus
geschenen had. De groote bevrediging scheen mogelijk zonder strijd, door

Page 117

een vlucht, weg van den wedijver vol haat en nijd om ijdele eer en rang,
weg van de drukkende, overladen weelde en staatsie en van den wreeden,
gevaarlijken krijg.
De lof van het eenvoudig leven was een thema, dat de middeleeuwsche
litteratuur reeds van de Oudheid had meegekregen. Het dekt zich niet
volkomen met de pastorale; men heeft te doen met een positieve en een
negatieve uiting van hetzelfde sentiment: de eerste is de pastorale, de laatste
de hofvlucht, de lof der aurea mediocritas, de verloochening van het
aristocratische levensideaal. Doch beide vloeien voortdurend ineen. Op het
thema van de misère van het hofleven hadden reeds in de twaalfde eeuw
Johannes van Salisbury en Walter Mapes hun tractaten De nugis curialum
geschreven. In het veertiendeëeuwsche Frankrijk had het zijn klassieke
uitdrukking gekregen in het gedicht van Philippe de Vitri, bisschop van
Meaux, musicus en poëet beide, door Petrarca geprezen: Le Dit de Franc
Gontier.[338] De versmelting met de pastorale is hier volkomen.
"Soubz feuille vert, sur herbe delitable
Lez ru bruiant et prez clere fontaine
Trouvay fichee une borde portable,
Ilec mengeoit Gontier o dame Helayne
Fromage frais, laict, burre fromaigee,
Craime, matton, pomme, nois, prune, poire,
Aulx et oignons, escaillongne froyee
Sur crouste bise, au gros sel, pour mieulx boire."[339]
Na den maaltijd kussen zij elkander "et bouche et nez, polie et bien barbue";
vervolgens gaat Gontier in het bosch een boom hakken, terwijl dame
Helayne aan het wasschen gaat.
"J'oy Gontier en abatant son arbre
Dieu mercier de sa vie seüre:
"Ne sçay—dit-il—que sont pilliers de marbre,
Pommeaux luisans, murs vestus de paincture;
Je n'ay paour de traïson tissue
Soubz beau semblant, ne qu'empoisonné soye
En vaisseau d'or. Je n'ay la teste nue
Devant thirant, ne genoil qui s'i ploye.

Page 118

Verge d'uissier jamais ne me deboute,
Car jusques la ne m'esprent convoitise,
Ambicion, ne lescherie gloute.
Labour me paist en joieuse franchise;
Moult j'ame Helayne et elle moy sans faille,
Et c'est assez. De tombel n'avons cure."
Lors je dy: "Las! serf de court ne vault maille,
Mais Franc Gontier vault en or jame pure."[340]
Dat bleef voor de volgende geslachten de klassieke uitdrukking van het
ideaal des eenvoudigen levens, met zijn veiligheid en onafhankelijkheid,
met de geneuchten van matigheid, gezondheid, arbeid en natuurlijke,
onverwikkelde liefde in het huwelijk.
Eustache Deschamps zong den lof van het eenvoudig leven en den afkeer
van het hof in tal van balladen na. Hij geeft onder andere één trouwe
nabootsing van Franc Gontier:
"En retournant d'une court souveraine
Où j'avoie longuement sejourné,
En un bosquet, dessus une fontaine
Trouvay Robin le franc, enchapelé,
Chapeauls de flours avoit cilz afublé
Dessus son chief, et Marion sa drue...."[341]
Hij breidt het thema uit met de bespotting van krijgsmansleven en
ridderschap. In soberen ernst beklaagt hij de ellende en wreedheid van den
oorlog: geen slechter stand dan die van den krijgsman: de zeven
hoofdzonden zijn zijn dagelijksch werk, hebzucht en ijdele roemzucht zijn
het wezen van den krijg.
... "Je vueil mener d'or en avant
Estat moien, c'est mon oppinion,
Guerre laissier et vivre en labourant:
Guerre mener n'est que dampnacion."[342]
Of wel hij verwenscht spottend dengeen, die hem zou willen uitdagen, of
laat zich door zijn dame het duel, dat men hem om haar opdringt,

Page 119

uitdrukkelijk verbieden.[343] Doch meestal is het het thema der aurea
mediocritas op zich zelf.
"Je ne requier à Dieu fors qu'il me doint
En ce monde lui servir et loer,
Vivre pour moy, cote entiere ou pourpoint,
Aucun cheval pour mon labour porter,
Et que je puisse mon estat gouverner
Moiennement, en grace, sanz envie,
Sanz trop avoir et sanz pain demander,
Car au jour d'ui est la plus seure vie."[344]
Roemzucht en winstbejag brengen niets dan ellende, de arme is tevreden en
gelukkig, en leeft ongestoord en lang:
... "Un ouvrier et uns povres chartons
Va mauvestuz, deschirez et deschaulx
Mais en ouvrant prant en gré ses travaulx
Et liement fait son euvre fenir.
Par nuit dort bien; pour ce uns telz cueurs loiaulx
Voit quatre roys et leur regne fenir."[345]
De gedachte, dat de eenvoudige werker vier koningen overleeft, beviel den
dichter zoo goed, dat hij haar herhaaldelijk te pas bracht.[346]
De uitgever van Deschamps' poëzie, Gaston Raynaud, neemt aan, dat al de
gedichten van deze strekking,[347] veelal onder de beste, die Deschamps
maakte, zijn toe te schrijven aan zijn laatsten tijd, toen hij, ontzet van zijn
ambten, verlaten en teleurgesteld, de ijdelheid van het hofleven zou hebben
begrepen.[348] Een inkeer zou het dus zijn. Zou het niet veeleer een reactie,
een moeheidsverschijnsel zijn? De adel zelf, midden in zijn leven van
jagenden hartstocht en overdaad heeft, stel ik mij voor, deze producten
begeerd en genoten van zijn brooddichter, die een andermaal zijn gaven
prostitueerde, om hun grofsten lachlust te bevredigen.
Omstreeks 1400 is het de kring van vroegste Fransche humanisten, tendeele
samenvallend met de reformpartij der groote conciliën, die op het thema der
misprijzing van het hofleven voortwerkt. Pierre d'Ailly zelf, de groote

Page 120

theoloog en kerkpoliticus, dicht een pendant bij Franc Gontier, het beeld
van den tiran in zijn slavenleven vol van vreezen. [349] Zijn geestverwanten
gebruiken den nieuw opgefrischten Latijnschen briefvorm ertoe: zoo
Nicolaas de Clemanges,[350] zoo zijn correspondent Jean de Montreuil.[351]
Tot dien kring behoorde de Milanees Ambrosius de Miliis, secretaris van
den hertog van Orleans, die aan Gontier Col een litterairen brief schreef,
waarin een hoveling zijn vriend waarschuwt voor de intrede in den
hofdienst.[352] Deze brief, zelf in vergetelheid geraakt, werd vertaald door,
of kwam althans in vertaling onder den titel Le Curial op naam van Alain
Chartier, den befaamden hofdichter.[353] Le Curial werd weer in het latijn
overgebracht door den humanist Robert Gaguin.[354]
In den vorm van een allegorisch gedicht, trant Roman de la rose,
behandelde zekere Charles de Rochefort het thema. Zijn L'abuzé en court
kwam op naam van koning René.[355] Jean Meschinot dicht als al zijn
voorgangers:
"La cour est une mer, dont sourt
Vagues d'orgueil, d'envie orages....
Ire esmeut debats et outrages,
Qui les nefs jettent souvent bas;
Traison y fait son personnage.
Nage aultre part pour tes ebats."[356]
Nog in de zestiende eeuw had het oude thema zijn bekoring niet verloren.
[357]

Veiligheid, rust en onafhankelijkheid, dat zijn de goede dingen, waarom
men het hof wil ontvlieden voor het eenvoudig leven in arbeid en
matigheid, temidden der natuur. Dat is de negatieve kant van het ideaal.
Doch de positieve kant is niet zoo zeer de vreugde aan arbeid en eenvoud
zelf als wel het welbehagen aan de natuurlijke liefde. Het herdersideaal
leidt ons onmiddellijk over tot de vormen der erotische cultuur.

Page 121

IV

DE VORMEN DER LIEFDE

Sedert de Provençaalsche troubadours der twaalfde eeuw het eerst de
melodie van het onbevredigd verlangen hadden aangeheven, hadden de
violen van het liefdelied al hooger en hooger gezongen, totdat alleen Dante
het instrument meer zuiver bespelen kon.
Het was een der gewichtigste wendingen van den middeleeuwschen geest
geweest, toen hij voor het eerst een liefdesideaal ontwikkelde met een
negatieven grondtoon. De Oudheid had voorzeker ook het smachten en de
smarten der liefde bezongen; maar was toch eigenlijk daar het smachten
niet enkel gezien als het uitstel en de prikkel der zekere vervulling? En in
het droef-eindend liefdeverhaal der Oudheid was niet de verijdeling van het
verlangen het stemmingsmoment, maar het dramatisch door den dood
afbreken der reeds vervulde min, zooals van Cephalus en Procris, van
Pyramus en Thisbe. De aandoening van droefheid lag er niet in de erotische
onbevredigdheid, maar in het treurig lotgeval. Eerst in de hoofsche minne
der troubadours is de onbevredigdheid zelf hoofdzaak geworden. Er was
een erotische gedachtenvorm geschapen, die vatbaar was om een overvloed
van ethisch gehalte in zich op te nemen, zonder daarom ooit het verband
met de natuurlijke vrouwenliefde geheel op te geven. Uit de zinnelijke
liefde zelf was de edele vrouwendienst zonder aanspraak op vervulling
voortgesproten. De liefde moest nu het veld zijn, waarop alle aesthetische
en zedelijke volmaking des menschen bloeien moest. Zuiver vergeestelijkt
"vulde zij zich met de heiligste vroomheid: la vita nuova.
Toen moest een nieuwe wending komen. In den dolce stil nuovo van Dante
en zijn tijdgenooten was een uiterste bereikt. Petrarca staat alweer
weifelend tusschen het ideaal der vergeestelijkte hoofsche liefde en de
nieuwe inspiratie der Oudheid. En van Petrarca naar Lorenzo de Medici
neemt in Italië het minnelied den weg terug naar de natuurlijke
zinnelijkheid, die ook de bewonderde antieke modellen doordrong. Het
kunstig uitgewerkte systeem der hoofsche min was weder prijsgegeven.

Page 122

In Frankrijk en de landen, die onder den ban van Frankrijk's geest stonden,
was de wending anders gekomen. De ontwikkeling der erotische gedachte
sedert den hoogsten bloei der hoofsche lyriek is er minder eenvoudig. De
vormen van het systeem blijven van kracht, maar vullen zich met anderen
geest. Daar had, nog voordat de Vita nova de eeuwige harmonie vond van
een vergeestelijkte passie, de Roman de la rose nieuwen inhoud gegoten in
de vormen der hoofsche min. Ongeveer twee eeuwen lang heeft het werk
van Guillaume de Lorris en Jean Clopinel (of Chopinel)[358] de Meun,
begonnen vóór 1240 en vóór 1280 voltooid, niet alleen de vormen der
aristocratische liefde volkomen beheerscht, maar bovendien door zijn
encyclopaedischen rijkdom aan uitweidingen op alle mogelijke gebieden de
schatkamer opgeleverd, waaruit de beschaafde leeken het levendste van hun
geestelijke ontwikkeling putten. Het kan niet gewichtig genoeg worden
geschat, dat aldus de heerschende klasse van een gansch tijdperk haar
levenskennis en haar eruditie kreeg in het raam van een ars amandi. In geen
anderen tijd heeft zich het ideaal van wereldlijke beschaving zoodanig
geamalgameerd met dat der vrouwenliefde als in de twaalfde tot vijftiende
eeuw. Alle christelijke en maatschappelijke deugden, alle volmaking van
levensvormen waren in het systeem der min geschikt in het kader der
trouwe liefde. De erotische levensbeschouwing, 't zij in haar ouderen zuiver
hoofschen vorm, 't zij in haar belichaming in den Roman de la rose, kan op
één lijn gesteld worden met de gelijktijdige scholastiek. Beide
vertegenwoordigen een grootsche poging van den middeleeuwschen geest,
om onder één gezichtspunt alles wat des levens is te begrijpen.
In de bonte uitbeelding van de vormen der liefde concentreerde zich al het
streven naar levensschoonheid. Wie die schoonheid zocht in eer en rang,
zijn leven wilde tooien met praal en staatsie, kortom wie de schoonheid des
levens in den hoogmoed zocht, zag zich altijd weer geplaatst voor het
inzicht in de ijdelheid dier dingen. Maar in de liefde scheen, tenzij men
afscheid had genomen van alle aardsch geluk, het doel en het wezen de
genieting der schoonheid zelve. Hier was geen levensschoonheid te
scheppen uit edele vormen ter begeleiding van een hoogen staat, hier
woonde de diepste schoonheid en het hoogste geluk zelf, en wachtte slechts
om versierd te worden met kleur en stijl. Elk ding van schoonheid, elke
bloem en elke klank, kon dienst doen om den levensvorm der liefde op te
bouwen.

Page 123

Het streven naar de styleering der liefde was meer dan een ijdel spel. Het
was de geweldigheid van den hartstocht zelf, die aan deze felle samenleving
der late Middeleeuwen gebood, het liefdeleven te verheffen tot een schoon
spel van edele regels. Hier bovenal was op straffe van barbaarschheid de
behoefte, om de aandoeningen te encadreeren in vaste vormen. Onder de
lagere standen was de beteugeling der ongebondenheid aan de Kerk
overgelaten, die daarin slaagde zoo goed en zoo kwaad als een kerk dat
vermag. In de aristocratie, die zich onafhankelijker voelde van de Kerk,
omdat zij een stuk cultuur had buiten het kerkelijke, vormde zich in de
veredele erotiek zelf een rem op de teugelloosheid; litteratuur, mode en
omgangsvormen oefenden er een normeerenden invloed op het liefdeleven
uit.
Of althans, zij schiepen een schoonen schijn, waarnaar men waande te
leven. Want in den grond bleef ook onder de hoogere standen het
liefdeleven bijster ruw. De dagelijksche zeden waren daarbij nog van een
vrijmoedige onbeschaamdheid, die latere tijden verloren hebben. De hertog
van Bourgondië laat voor het Engelsche gezantschap, dat hij te
Valenciennes verwacht, de badstoven der stad in orde maken "pour eux et
pour quiconque avoient de famille, voire bains estorés de tout ce qu'il faut
au mestier de Vénus, à prendre par choix et par élection ce que on désiroit
mieux, et tout aux frais du duc."[359] De ingetogenheid van zijn zoon Karel
den Stoute wordt hem door velen euvel geduid als voor een vorst niet
passend.[360] Onder de mechanieke vermakelijkheden van den lusthof te
Hesdin vermelden de rekeningen "ung engien pour moullier les dames en
marchant par dessoubz."[361]
Doch het is geen tekortschieten aan het ideaal alleen. Naast den stijl der
veredele liefde had ook de ongebondenheid zelf haar stijl, en wel een zeer
ouden. Men kan hem den epithalamischen stijl noemen. Op het gebied van
de verbeeldingen der liefde erft een verfijnde samenleving als die der laatste
Middeleeuwen zooveel overoude motieven, dat de erotische stijlen met
elkaar wedijveren of zich onderling vermengen. Veel ouder wortels en een
even vitale beteekenis als de stijl der hoofsche min had die primitieve vorm
der erotiek, die de geslachtsgemeenschap zelf verheerlijkt, door de
christelijke cultuur verdrongen uit zijn waarde van heilig mysterie, maar
niettemin altijd even levend.

Page 124

De geheele epithalamische toestel, met zijn onbeschaamden lach en zijn
phallische symboliek, had eens deel uitgemaakt van de heilige riten zelf der
bruiloftsviering. Huwelijksplechtigheid en bruiloftsfeest waren éénmaal
ongescheiden geweest: één groot mysterie, dat zich concentreerde op de
copulatie. Toen was de Kerk gekomen en had de heiligheid en het mysterie
voor zich genomen, door ze te verleggen naar het sacrament der plechtige
verbintenis. De accessoires van het mysterie, de stoet en het lied en de
juichkreet, had zij overgelaten aan het bruiloftsfeest. Maar daar leefden zij
nu, ontdaan van hun sacraal karakter, in des te wulpscher ongebondenheid
voort, en de Kerk was machteloos gebleven, die daar te keeren. Geen
kerkelijke zedigheid kon den heftigen levenskreet van het Hymen o
Hymenaee! dempen. Geen puriteinsche zin heeft de schaamtelooze
publiciteit van den huwelijksnacht uit de zeden doen verdwijnen, immers
onze zeventiende eeuw kent haar nog in vollen fleur. Eerst het moderne
individueele sentiment, dat in stilte en duister hullen wilde, wat van twee
alleen was, heeft die zede gebroken.
Wanneer men zich herinnert, dat nog in 1641 bij de bruiloft van den jongen
prins van Oranje met Maria van Engeland de practical jokes niet ontbraken,
om den bruidegom, een knaap nog, de consummatie van het huwelijk quasi
te beletten, dan verbaast men zich niet over de onbeschaamde
uitgelatenheid, waarmee vorstelijke en adellijke huwelijken omstreeks 1400
plachten gevierd te worden. Het obsceen gegrinnik, waarmee Froissart de
bruiloft van Karel VI met Isabeau van Beieren, oorsprong van groote
tragediën, verhaalt, of het epithalamium, dat Deschamps aan Antonie van
Bourgondië wijdde, kunnen als voorbeelden strekken.[362] De Cent
nouvelles nouvelles vertellen als iets heel gewoons van een bruidspaar, dat
met de vroegmis trouwt, en na een lichten maaltijd terstond te bed gaat.[363]
Al de grappen, die hetzij bij de bruiloft of bij het liefdeleven in 't algemeen
hoorden, werden ook voor het gezelschap van dames passend geacht. De
Cent nouvelles nouvelles dienen zich aan, zij het met eenige ironie, als
"glorieuse et édifiant euvre", als verhalen "moult plaisants à raconter en
toute bonne compagnie". Een adellijke rijmer maakt een lascive ballade op
verzoek van Madame de Bourgogne en al de dames en jufferen van haar
hof.[364]

Page 125

Het is duidelijk, dat al deze dingen niet gevoeld zijn als tekortkomingen aan
het hooge en stijve ideaal van eer en welvoegelijkheid. Er is hier een
tegenstrijdigheid, die niet mag worden verklaard door de edele vormen en
de groote mate van preutschheid, die de Middeleeuwen op ander gebied
vertoonen, als hypocrisie te beschouwen. Evenmin is de schaamteloosheid
een saturnalisch uit den band springen. Nog onjuister is het, om de
epithalamische obsceniteiten als een teeken van décadence, van
aristocratische overbeschaving te beschouwen, zooals ten opzichte van onze
zeventiende eeuw is geschied.[365] De dubbelzinnigheden, de obscene
woordspelingen, de lascive verzwijgingen hooren in den epithalamischen
stijl thuis, ze zijn er overoud. Ze worden begrijpelijk, als men ze beschouwt
tegen hun ethnologischen achtergrond: als de tot omgangsvormen
verzwakte resten van het phallische symbolisme der primitieve cultuur. Als
ontmunt mysterie derhalve. Wat eenmaal, toen de grenzen van spel en ernst
nog niet door de cultuur heen waren getrokken, de heiligheid van het
ritueele verbond met de uitgelatenheid der levensvreugde, kon in een
christelijke samenleving slechts meer gangbaarheid hebben als prikkelende
luim en spot. Dwars tegen vroomheid en courtoisie in handhaafden zich in
de bruiloftsgebruiken de sexueele verbeeldingen met al hun levende kracht.
Men kan, als men wil, het geheele komisch-erotische genre beschouwen als
wilde loten uit den stam van het epithalamium: de vertelling, de klucht, het
liedje. Doch het verband met dien mogelijken oorsprong is lang verloren;
het is een litteratuurgenre op zich zelf geworden; de komische werking is
het zelfstandig doel geworden. Alleen de aard der komiek is nog altijd
dezelfde als die van het epithalamium: zij berust doorgaans op de
symbolische aanduiding der sexueele dingen, of de travesti der
geslachtsliefde in de begrippen van eenig maatschappelijk bedrijf. Bijna elk
werk of ambacht leende zijn termen tot erotische allegorie, toen als altijd.
Het ligt voor de hand, dat in de veertiende en vijftiende eeuw vooral het
tournooi, de jacht en de muziek[366] er de stof toe leverden. De behandeling
van liefdegevallen in de vormen van het rechtsgeding, zooals de Arrestz
d'amour, hoort feitelijk niet onder de categorie der travesti. Doch er was
een ander gebied, dat voor de inkleeding van het erotische bijzonder geliefd
was, en wel het kerkelijke. De uitdrukking van het sexueele in kerkelijke
termen werd in de Middeleeuwen toegepast met een buitengewone
vrijmoedigheid. In de Cent nouvelles nouvelles is het enkel het gebruik van

Page 126

woorden als bénir of confesser in obscenen zin, of de woordspeling van
saints en seins, die men niet moede werd te herhalen. Doch in gekuischter
opvatting ontwikkelt zich de kerkelijk- erotische allegorie tot een litterairen
vorm op zich zelf. Het is de dichterkring van den fijnen Charles d'Orléans,
die de droeve liefde verbeeldt onder de gedaante der kloosterlijke askese,
der liturgie en van het martelaarschap. In navolging van de strenge
hervorming van het Franciscaansche kloosterleven omstreeks 1400 noemen
zij zich Les amoureux de l'observance. Het is als een ironische pendant van
den strakken ernst van den dolce stil nuovo. De heiligschennende strekking
wordt half geboet door de innigheid van het amoureuze sentiment.
"Ce sont ici les dix commandemens,
Vray Dieu d'amours....
Lors m'appella, et me fist les mains mettre
Sur ung livre, en me faisant promettre
Que feroye loyaument mon devoir
Des points d'amour".[367]
Hij zegt van een gestorven minnaar:
"Et j'ay espoir que brief ou (au) paradis
Des amoureux sera moult hault assis,
Comme martir et très honnoré saint."
En van de eigen doode geliefde:
"J'ay fait l'obseque de ma dame
Dedens le moustier amoureux,
Et le service pour son ame
A chanté Penser doloreux.
Mains sierges de soupirs piteux
Ont esté en son luminaire,
Aussi j'ay fait la tombe faire
De regrets...."[368]
In het zuivere gedicht L'amant rendu cordelier de l'observance d'amour, dat
de opneming van een troosteloozen minnaar in het klooster van de
martelaars der liefde in den breede beschrijft, is al het zacht-komische
effekt, dat de kerkelijke travesti beloofde, tot het uiterste uitgewerkt. Is het

Page 127

niet, alsof de erotiek telkens weer, zelfs op perverse wijze, met het heilige
een aanraking moest zoeken, die zij lang te voren verloren had?
De erotiek moest, om cultuur te zijn, tot elken prijs een stijl zoeken, een
vorm die haar bond, een uitdrukking, die haar bedekte. En zelfs waar zij
dien vorm versmaadde en afdaalde van scabreuze allegorie tot de
regelrechte en ongesluierde behandeling van het geslachtsleven, blijft zij
haars ondanks toch nog gestyleerd. Het geheele genre, dat door een groven
geest licht voor erotisch naturalisme gehouden wordt, dat, waar de mannen
nimmer uitgeput en de vrouwen altijd willig zijn, is evengoed als de edelste
hoofsche min een romantische fictie. Wat anders dan romantiek is de laffe
verwaarloozing van alle natuurlijke en maatschappelijke complicaties der
liefde, de bemanteling van al het leugenachtige, het zelfzuchtige en het
tragische in het geslachtsleven met den schoonen schijn van een ongestoord
jolijt? Ook hier is het de groote cultuuraandrift: de zucht naar het schoone
leven, de behoefte om het leven schooner te zien dan de werkelijkheid het
bood, de forceering van het liefdeleven in den vorm van een fantastischen
wensch, maar thans door overdrijving naar den dierlijken kant. Ook hier een
levensideaal: het ideaal der onkuischheid.
De werkelijkheid is te allen tijde slechter en ruwer geweest dan het verfijnd
litteraire liefdesideaal haar zag, maar ook zuiverder en ingetogener dan de
platte erotiek, die veelal als naturalistisch geldt, haar voorstelde. Eustache
Deschamps, de brooddichter, pleegt in tal van komische balladen, waarin hij
sprekend optreedt, zich tot de liederlijkste gemeenheid te verlagen. Maar hij
is niet de werkelijke held van die obscene gevallen, en te midden ervan treft
een teer versje, waarin hij zijn dochter op de voortreffelijkheid van haar
gestorven moeder wijst.[369]
Als bron van litteratuur en cultuur moest het gansche epithalamische genre
met al zijn uitloopers en vertakkingen steeds op de tweede plaats blijven.
Het heeft tot thema de uiterste en volledige bevrediging zelve, het is directe
erotiek. Maar datgene, wat tot levensvorm en levensversiering dienen kan,
is de indirecte erotiek, die tot thema heeft de mogelijkheid der bevrediging,
de belofte, het verlangen, het ontberen, de nadering van het geluk. Hier
wordt de opperste bevrediging verschoven in het onuitgesprokene, omhuld
met al de lichte sluiers der verwachting. De indirecte erotiek is daardoor
alleen reeds van veel langer adem, bedekt een veel wijder levensveld. En zij

Page 128

kent de liefde niet alleen en majeur of met het lachende masker, maar is ook
in staat, de smarten der liefde te verwerken tot schoonheid, en heeft
daardoor een oneindig hooger levenswaarde. Zij kan in zich opnemen de
ethische elementen van de trouw, den moed, de edele zachtmoedigheid, en
zich zoodoende verbinden met andere strevingen naar het ideale dan naar
dat der liefde alleen.
Geheel in overeenstemming met den algemeenen geest der latere
Middeleeuwen, die al het denken tot het uitvoerigste wilde verbeelden en in
systeem brengen, had nu de Roman de la rose aan de gansche erotische
cultuur een vorm gegeven, zoo bont, zoo wel-sluitend en zoo rijk, dat hij
was als een schat van profane liturgie, leer en legende. En juist het
tweeslachtige van den Roman de la rose, werk van twee dichters van geheel
verschillenden aard en opvatting, maakte hem nog bruikbaarder als
bijbelboek der erotische cultuur: men vond er teksten in voor verschillend
gebruik.
Guillaume de Lorris, de eerste dichter, had nog het oude hoofsche ideaal
gehuldigd. Van hem was de bekorende opzet en de blijde, zoete verbeelding
van het onderwerp. Het is het steeds gebruikte thema van een droom. De
dichter ziet zich vroeg in een meimorgen uitgegaan, om den nachtegaal en
den leeuwerik te hooren. Zijn pad brengt hem langs een rivier tot den muur
van den geheimzinnigen tuin der liefde. Op dien muur ziet hij de
beeltenissen geschilderd van Haat, Verraad, Dorperheid, Hebzucht,
Gierigheid, Nijd, Droefgeestigheid, Ouderdom, Kwezelarij (Papelardie) en
Armoede: de anti-hoofsche eigenschappen. Maar Dame Oiseuse
(Ledigheid), de vriendin van Déduit (Vermaak), opent hem de poort.
Daarbinnen leidt Liesse (Blijheid) den dans. De Liefdegod danst er met
Schoonheid in de rei, waarin Rijkdom, Mildheid, Vrijmoedigheid
(Franchise), Hoofschheid (Courtoisie) en Jeugd deelen. Terwijl de dichter
bij de Narcissusfontein verzonken is in bewondering van den rozeknop, die
hij daar ontwaart, schiet de Liefdegod hem met zijn pijlen: Beauté,
Simplesse, Courtoisie, Compagnie en Beau-Semblant. De dichter verklaart
zich Liefde's dienstman (homme lige), Amour sluit hem het hart met een
sleutel, en ontvouwt hem liefde's geboden, liefde's kwaden (maux) en haar
goed (biens). Esperance, Doux-Penser, Doux-Parler, Doux-Regard heeten
de laatste.

Page 129

Bel-Accueil, de zoon van Courtoisie, noodt hem tot de rozen, maar dan
komen de bewakers van de roos: Danger, Male-Bouche, Peur en Honte, en
verdrijven hem. Nu begint de verwikkeling. Raison daalt van haar hoogen
toren, om den minnaar te belezen, Ami troost hem, Venus spant haar
kunsten tegen Chasteté, Franchise en Pitié brengen hem naar Bel-Accueil
terug, die hem toestaat, de roos te kussen. Maar Male-Bouche vertelt het,
Jalousie komt aanloopen, en nu wordt om de rozen een sterke muur
gebouwd. Bel-Accueil wordt in een toren opgesloten. Danger en zijn
gezellen bewaken de poorten. Met een klacht van den minnaar eindigde het
werk van Guillaume de Lorris.
Toen is Jean de Meun gekomen, vrij wat later waarschijnlijk, en heeft het
voortgezet met een veel omvangrijker vervolg en slot. Het verder verloop
van de handeling, de aanval en vermeestering van het kasteel der rozen door
Amour met al zijn bondgenooten, de hoofsche deugden, maar ook Bien
Celer, Faux-Semblant, verdrinkt bijna in den vloed van uitweidingen,
beschouwingen, verhalen, waarmee de tweede dichter het werk tot een ware
encyclopaedie heeft gemaakt. Maar wat vooral van gewicht is: hier sprak
een geest, zoo onbevangen, zoo sceptisch-koel en cynisch-wreed, als de
Middeleeuwen zelden hebben opgeleverd, daarbij een hanteerder der
Fransche taal als weinigen. De naïeve, lichte idealiteit van Guillaume de
Lorris werd overschaduwd door den ontkennenden geest van Jean de Meun,
die niet aan spoken en toovenaars en ook niet aan trouwe liefde en
vrouwelijke eerbaarheid geloofde, die voor pathologische problemen oog
had, die aan Venus, Nature en Genius de stoutste verdediging van
zinnelijken levensdrang in den mond legde.
Wanneer Amor vreest, met zijn leger de nederlaag te zullen lijden, zendt hij
Franchise en Doux-Regard naar Venus, zijn moeder, die aan den oproep
gehoor geeft, en op haar duivenwagen te hulp komt. Als Amor haar den
staat van zaken meedeelt, zweert zij, geen kuischheid ooit meer bij eenige
vrouw te zullen laten, en spoort Amor aan, denzelfden eed ten aanzien der
mannen te doen, en het gansche leger zweert mede.
Intusschen is Nature in haar smidse bezig met haar werk, het onderhouden
der soorten, haar eeuwige worsteling tegen den Dood. Zij beklaagt zich
bitter, dat van al de schepselen alleen de mensch haar geboden overtreedt,
en zich onthoudt van de voortteling. Op haar last begeeft zich Genius, haar

Page 130

priester, na de lange biecht, waarin Nature hem haar werken ontvouwt, naar
het leger der Liefde, om daar Nature's vloek te slingeren over de versmaders
van haar geboden. Amor dost Genius uit met een kazuifel, een ring, een staf
en een mijter; Venus geeft hem schaterlachende een brandende kaars in de
hand,
"Qui ne fu pas de cire vierge".
De excommunicatie wordt ingeleid door de verwerping der maagdelijkheid
in een drieste symboliek, die uitloopt op een wonderlijk mysticisme. De hel
voor hen, die de geboden der natuur en der liefde niet in acht nemen, voor
de anderen de bebloemde weide, waar de Zoon der Maagd zijn blanke
schaapjes hoedt, die daar in eeuwige geneuchte de bloemen en het kruid
grazen, dat daar onverderfelijk bloeit.
Wanneer Genius in de veste de kaars geslingerd heeft, wier vlam de
gansche wereld ontsteekt, begint de eindstrijd om den toren. Ook Venus zelf
slingert haar fakkel, dan vluchten Honte en Peur, en Bel-Accueil staat den
minnaar toe, de roos te plukken.
Hier was derhalve met volle bewustheid het sexueele motief opnieuw in het
middelpunt geplaatst, en het was omkleed met zulk een kunstig mysterie, ja
met zooveel heiligheid, dat een grooter uitdaging aan het kerkelijk
levensideaal niet mogelijk was. In zijn volkomen heidensche strekking kan
men den Roman de la rose als een schrede naar de Renaissance
beschouwen. In den uiterlijken vorm is hij schijnbaar echt middeleeuwsch.
Immers wat is middeleeuwscher dan de tot het uiterste doorgevoerde
personificatie der gemoedsaandoeningen en omstandigheden der liefde? De
figuren van den Roman de la rose: Bel accueil, Doux-Regard, Faux
Semblant, Male Bouche, Danger, Honte, Peur, staan op één lijn met de echt-
middeleeuwsche verbeeldingen van de deugden en zonden in menschelijke
gedaante: allegorieën of iets meer dan dat, half-geloofde mythologemen.
Doch waar is de de grens tusschen deze voorstellingen en de herleefde
nimfen, saters en geesten der Renaissance? Ze zijn aan een andere sfeer
ontleend, maar hun verbeeldingswaarde is dezelfde, en de aankleeding van
de figuren der Rose doet dikwijls denken aan de fantastisch bebloemde
gestalten van Botticelli.

Page 131

Hier was dan de liefdedroom verbeeld in een vorm, tegelijk gekunsteld en
gepassioneerd. De uitvoerige allegorie bevredigde alle eischen der
middeleeuwsche verbeelding. Zonder de personificaties had de geest de
gemoedsbewegingen niet kunnen uitdrukken en navoelen. Al de bonte kleur
en elegante lijn van dat onvergelijkelijke poppenspel was noodig, om een
begrippenstelsel der liefde te vormen, waarmee men elkander begreep. Men
hanteerde de figuren van Danger, Nouvel Penser, Male Bouche als de
gangbare termen van een wetenschappelijke psychologie. Het grondthema
hield den hartstocht levend. Want voor den bleeken dienst van een
getrouwde dame, die door de troubadours als onbereikbaar voorwerp van
smachtende vereering in de wolken was geschoven, was nu weer het
natuurlijkste erotische motief in de plaats gesteld: de hevige prikkel van het
geheim der maagdelijkheid, gesymboliseerd als de roos, en die te winnen
met kunst en volharding.
In theorie was de liefde van den Roman de la rose hoofsch en edel
gebleven. De tuin der levensvreugde is slechts voor uitverkorenen, en door
liefde toegankelijk. Wie hem betreden wil, moet vrij zijn van haat,
trouweloosheid, dorperheid, hebzucht, gierigheid, nijd, ouderdom,
huichelarij. Doch de positieve deugden, die hij daartegenover moet stellen,
toonen, dat het ideaal niet meer ethisch, als in de hoofsche minne, maar
enkel aristocratisch is. Het zijn: onbezorgdheid, vatbaarheid voor vermaak,
blijde zin, liefde, schoonheid, rijkdom, mildheid, vrije zin (franchise) en
courtoisie. Het zijn niet meer evenzooveel veredelingen van den persoon
door de afstraling der geliefde, maar deugdelijke middelen om haar te
winnen. En het is niet meer de, zij het ook valsche, vereering der vrouw, die
het werk bezielt, maar, althans bij den tweeden dichter Jean Clopinel, de
wreede verachting voor haar zwakheid, de verachting, die in het zinnelijk
karakter dezer liefde zelf haar oorsprong heeft.
Ondanks zijn groote heerschappij over de geesten had de Roman de la rose
toch de oudere opvatting der liefde niet geheel kunnen verdringen. Naast de
verheerlijking van de flirt handhaafde zich ook de voorstelling van de
zuivere, ridderlijke, trouwe en zelfverzakende liefde, want deze was een
essentieel onderdeel van het ridderlijke levensideaal. Het was een hoofsche
twistvraag geworden in dien bonten kring van weelderig- aristocratisch
leven rondom den Franschen koning en zijn ooms van Berry en
Bourgondië, welke opvatting der liefde voor den waren edelman de

Page 132

voorkeur verdiende; die van de echte courtoisie met haar smachtende trouw
en eerbaren dienst aan één dame, of die van den Roman de la rose, waar de
trouw slechts het middel was in dienst der jacht op de vrouw. De edele
ridder Boucicaut had zich met zijn tochtgenooten op een reis naar het
Oosten in 1388 tot den pleitbezorger der ridderlijke trouw gemaakt, en met
het dichten van het Livre des cent ballades zich den tijd gekort. De
beslissing tusschen flirt en trouw wordt er den beaux-esprits van het hof
voorgelegd.
Uit een dieper ernst welde het woord, waarmee eenige jaren later Christine
de Pisan zich in den strijd waagde. Deze moedige verdedigster van
vrouweneer en vrouwenrechten wendde zich tot den liefdegod met een
dichterlijken brief, die de klacht der vrouwen behelsde tegen al het bedrog
en al den smaad der mannen.[370] Zij wees de leer van den Roman de la rose
met verontwaardiging van de hand. Sommigen vielen haar bij, maar het
werk van Jean de Meun had nog altijd een schaar van hartstochtelijke
vereerders en verdedigers. Er volgde een litteraire strijd, waarin tal van
voor- en tegenstanders het woord namen. En geen geringe voorstanders
waren het, die de Rose hoog hielden. Vele knappe, wetenschappelijke,
doorgeleerde mannen,—verzekerde de proost van Rijssel, Jean de
Montreuil—, stelden den Roman de la rose zoo hoog, dat zij hem bijna
vereerden (paene ut colerent), en dat zij liever hun hemd zouden missen dan
dat boek.[371]
Het is voor ons niet gemakkelijk, de geestes- en gemoedssfeer te begrijpen,
waaruit de verdediging voortkwam. Want het waren geen wufte hofjonkers,
maar ernstige hooge ambtenaren, geestelijken zelfs tendeele, zooals de
genoemde proost van Rijssel Jean de Montreuil, secretaris van den dauphin,
later van den hertog van Bourgondië, die er met zijn vrienden Gontier en
Pierre Col in dichterlijke of latijnsche brieven over correspondeerde, en
anderen aanspoorde, om toch de verdediging van Jean de Meun op zich te
nemen. Het eigenaardigste is, dat deze kring, die zich aldus kampioen stelde
voor dat bonte, wulpsche, middeleeuwsche werk, dezelfde is, waar de eerste
kiemen van het Fransche humanisme gekweekt werden. Jean de Montreuil
is de schrijver van een groot aantal Ciceroniaansche brieven vol
humanistenwendingen, humanistenrhetoriek en humanistenijdelheid. Hij en
zijn vrienden Gontier en Pierre Col staan in briefwisseling met den
ernstigen reformgezinden theoloog Nicolaas de Clemanges.

Page 133

Het was Jean de Montreuil zeker ernst met zijn litterair standpunt. Hoe
meer ik,—schrijft hij aan een ongenoemd rechtsgeleerde, die den Roman
bestreden had,—het gewicht der mysteriën en de mysteriën van het gewicht
van dat diepe en beroemde werk van meester Jean de Meun doorvorsch, hoe
meer ik mij verbaas over uwe afkeuring. Tot zijn laatsten snik zal hij het
verdedigen, en er zijn er velen, zooals hij, die met geschrift, met stem en
hand die zaak zullen dienen.[372]
En als om te bewijzen, dat er in dien strijd over den Roman de la rose toch
meer stak dan een stuk uit het groote gezelschapsspel van het hofleven, nam
tenslotte een man het woord, die wat hij sprak, terwille van de hoogste
zedelijkheid en zuiverste leer sprak, de beroemde theoloog en kanselier der
Parijsche universiteit Jean Gerson. Uit zijn boekvertrek, des avonds 18 Mei
1402, dateerde hij een tractaat tegen den Roman de la rose. Het is een
antwoord op de bestrijding van een vorig schrijven van Gerson door Pierre
Col,[373] en ook dit was niet het eerste geschrift, dat Gerson aan den Roman
wijdde; het boek scheen hem de gevaarlijkste pest, de bron van alle
onzedelijkheid; hij wilde het bij elke gelegenheid bestrijden. Herhaaldelijk
trekt hij te velde tegen den verderfelijken invloed "du vicieux romant de la
rose."[374] Als hij er een exemplaar van had,—zegt hij—, dat het eenige
was, en duizend pond waard, dan zou hij het liever verbranden, dan het te
verkoopen om in het licht te worden gegeven.
Gerson ontleende den vorm van zijn betoog aan den tegenstander zelf: een
allegorisch vizioen. Op een morgen ontwakende voelt hij zijn hart hem
ontvlieden, "moyennant les plumes et les eles de diverses pensees, d'un lieu
en autre jusques a la court saincte de crestienté." Daar ontmoet het Justice,
Conscience en Sapience, en hoort, hoe Chasteté den Fol amoureux, dat is
Jean de Meun, aanklaagt, die haar van de aarde met al haar volgelingen
verbannen heeft. Haar "bonnes gardes" zijn juist de booze figuren van den
roman: "Honte, Paour et Dangier le bon portier, qui ne oseroit ne daigneroit
ottroyer neïs (pas même) un vilain baisier ou dissolu regart ou ris attraiant
ou parole legiere." Een reeks van verwijten slingert Kuischheid den Fol
amoureux tegen: hij laat door de vermaledijde oude vrouw leeren,
"comment toutes jeunes filles doivent vendre leurs corps tost et chierement
sans paour et sans vergoigne, et qu'elles ne tiengnent compte de decevoir ou
parjurer." Hij hoont het huwelijk en het kloosterleven; hij richt al de

Page 134

fantazie op de vleeschelijke lusten, en wat het ergste is, hij laat door Venus,
door Nature, zelfs door Dame Raison de begrippen van het Paradijs en de
christelijke mysteriën vermengen met die van het zingenot.
Inderdaad, daar school het gevaar. Het groote werk met zijn vereeniging
van felle zinnelijkheid, hoonend cynisme en elegant symbolisme wekte in
de geesten een sensueel mysticisme, dat den ernstigen theoloog een afgrond
van zondigheid moest schijnen. Wat had niet Gerson's tegenstander, Pierre
Col, durven beweren![375] Alleen de fol amoureux zelf kan over de waarde
van die dolle passie oordeelen; wie haar niet kent, ziet haar slechts in een
spiegel en een raadsel. Hij leende dus voor de aardsche liefde het heilige
woord van den brief aan de Corinthen, om van haar te spreken, zooals de
mysticus het van zijn ekstase doet! Hij waagde het, te verklaren, dat
Salomo's hoogheid tot lof van Pharao's dochter is gedicht. Zij die het boek
van de Rose hebben gesmaad, hebben voor Baal hun knieën gebogen. De
Natuur wil niet, dat één man één vrouw genoeg zij, en de Genius der Natuur
is God. Ja, hij durft Lucas II 23 misbruiken, om uit het evangelie zelf te
bewijzen, dat eertijds de vrouwelijke geslachtsorganen, de roos van den
roman, heilig zijn geweest. En vol vertrouwen in al die blasphemie roept hij
de verdedigers van het werk op, een turbe van getuigen, en dreigt Gerson,
dat deze zelf vervallen zal in een zinnelooze liefde, zooals het anderen
godgeleerden vóór hem is gebeurd.
Het gezag van den Roman de la rose is door Gerson's aanval niet getaand.
In 1444 biedt een kanunnik van Lisieux, Estienne Legris, aan Jean Lebègue,
griffier van de rekenkamer te Parijs, een Répertoire du roman de la rose van
zijn hand.[376] Nog in het laatst der vijftiende eeuw kan Jean Molinet
verklaren, dat de uitspraken van de Rose gangbaar waren als algemeene
spreekwoorden.[377] Hij voelt zich geroepen, om van den geheelen roman
een moraliseerenden commentaar te geven, waar de bron uit het begin van
het gedicht tot symbool van den doop wordt, de nachtegaal, die tot de liefde
roept, de stem van predikers en godgeleerden, en de roos Jezus zelf. Zelfs
Clément Marot heeft nog een moderniseering van het werk gegeven.
Terwijl de deftige geletterden hun pennestrijd voerden, vond de aristocratie
in den strijd een welkome aanleiding tot feestelijke conversatie en pompeus
vermaak. Boucicaut, geprezen door Christine de Pisan om zijn hooghouden
van het oude ideaal van ridderlijke trouw in de liefde, vond wellicht in haar

Page 135

woord weer de aanleiding tot het stichten van zijn Ordre de l'écu verd à la
dame blanche, ter verdediging van verdrukte vrouwen. Maar hij kon niet
wedijveren met den hertog van Bourgondië, en zijn orde werd terstond in de
schaduw gesteld door de grootsch opgezette Cour d'amours, die op 14
Februari 1401 werd opgericht in het hôtel d'Artois te Parijs. Het was een
luisterrijk aangekleed litterair salon. Philips de Stoute, hertog van
Bourgondië, de oude berekenende staatsman, had met Lodewijk van
Bourbon den koning verzocht, het liefdehof in te stellen tot afleiding tijdens
de pestepidemie, die er heerschte, "pour passer partie du tempz plus
gracieusement et affin de trouver esveil de nouvelle joye."[378] Het liefdehof
was gegrond op de deugden van nederigheid en trouw, "à l'onneur, loenge et
recommandacion et service de toutes dames et damoiselles." De talrijke
leden waren getooid met de wijdluftigste titels: de beide oprichters en Karel
VI waren Grands conservateurs, onder de Conservateurs waren Jan zonder
Vrees, zijn broeder Antonie van Brabant, zijn jonge zoon Philips. Er is een
Prince d'amour: Pierre de Hauteville, een Henegouwer; er zijn Ministres,
Auditeurs, Chevaliers d'honneur conseillers, Chevaliers trésoriers, Grands
Veneurs, Ecuyers d'amour, Maîtres des requêtes, Secrétaires, kortom de
geheele toestel van hofhouding en regeering is er nagebootst. Men vindt er
naast prinsen en prelaten ook burgers en lagere geestelijken. Werkzaamheid
en ceremonieel waren nauwkeurig geregeld: er werden refreinen opgegeven
om te behandelen, en "ballades couronnées ou chapelées", en "amoureuses
chansons de cinq couplets", en "sirventois, distiers, complaintes, rondeaux,
lais, virelais." Er zouden debatten worden gehouden "en forme d'amoureux
procès, pour différentes opinions soustenir." De dames zouden de prijzen
uitreiken, en het was verboden om verzen te maken, die de eer van het
vrouwelijk geslacht aantastten.
Hoe geweldig Bourgondisch is die pompeuze en statige opzet, die ernstige
vormen voor een gracieus vermaak. Het is opmerkelijk, doch verklaarbaar,
dat het hof het strenge ideaal van de edele trouw beleed. Doch als men zou
verwachten, dat nu ook de 700 leden, die bekend zijn uit de ongeveer
vijftien jaren, dat men van het bestaan van het gezelschap verneemt, allen
als Boucicaut de oprechte medestanders van Christine de Pisan, de vijanden
dus van den Roman de la rose zijn geweest, komt men in strijd met de
feiten. Wat men van de zeden van Antonie van Brabant en andere hooge
heeren weet, maakt hen weinig geschikt tot verdedigers van vrouweneer.

Page 136

Een der leden, een zekere Regnault d'Azincourt, is de aanlegger van een
mislukte schaking in grooten stijl, met twintig paarden en een priester, van
een jonge kramersweduwe.[379] Een ander lid, de graaf van Tonnerre, staat
schuldig aan een dergelijk vergrijp. En als om afdoende te bewijzen, dat het
alles slechts een schoon gezelschapsspel was: de bestrijders van Christine
de Pisan zelf in den letterkundigen twist over den Roman de la rose vindt
men onder de leden: Jean de Montreuil, Gontier en Pierre Col.[380]

Het is uit de litteratuur, dat men de liefdevormen van den tijd moet leeren
kennen, maar het is in het leven zelf, dat men ze zich moet voorstellen.
Daar was een heel stelsel van geijkte vormen, om een jong leven van
aristocratischen omgang mee te vullen. Wat al teekens en figuren der liefde,
die de latere eeuwen gaandeweg hebben prijsgegeven. In plaats van Amor
alleen had men de gansche zonderling persoonlijke mythologie van den
Roman de la rose. Zonder twijfel immers hebben Bel accueil, Doux-penser,
Faux semblant en de rest ook buiten de directe litteratuurproducten in de
verbeelding geleefd. Dan was er al de teedere beteekenis der kleuren in
kleeding, bloemen en sieraad. Voor Rabelais was het een voorwerp van spot
geworden, dat men naar de symbolische beteekenis der kleuren vroeger zijn
pages kleedde, zijn handschoen borduurde en wat niet al.[381] In de
veertiende en vijftiende eeuw nam die kleurensymboliek in het amoureuze
leven een gewichtige plaats in.
Wanneer Guillaume de Machaut voor het eerst zijn onbekende geliefde ziet,
is hij verrukt, dat zij bij een wit kleed een kaproen draagt van hemelsblauwe
stof met groene papegaaien, want groen is de kleur der nieuwe liefde en
blauw van de trouw. Later als het hooggetij van zijn dichterliefde voorbij is,
droomt hij, dat haar beeltenis, die boven zijn bed hangt, het hoofd afwendt,
en geheel in het groen gekleed is, "qui nouvelleté signifie". Hij dicht een
verwijtende ballade:

"En lieu de bleu, dame, vous vestez vert."[382]
De ringen, de sluiers, al de kleinooden en geschenken der liefde hadden hun
bijzondere functie, met hun geheimzinnige deviezen en emblemen, dikwijls
in de gekunsteldste rebussen ontaard. De dauphin trekt in 1414 ten strijde
met een standaard, waarop in goud een K, een zwaan (cygne) en een L, dat

Page 137

beduidde den naam van een hofdame zijner moeder Isabeau, die la
Cassinelle werd genoemd.[383] Rabelais bespot nog een eeuw later de
"glorieux de court et transporteurs de noms," die in hun deviezen "espoir"
door een "sphere", "peine" door "pennes d'oiseaux", "melancholie" door een
akelei (ancholie) aanduiden.[384] Coquillart spreekt van een
"Mignonne de haulte entreprise,
Qui porte des devises à tas."[385]
Dan waren er de amoureuze vernuftspelletjes, zooals Le Roi qui ne ment,
Le chastel d'amours, Ventes d'amour, Jeux à vendre. Het meisje noemt den
naam van een bloem of iets anders; de jongeling moet er op rijmen met een
compliment:
"Je vous vensla passerose.
—Belle, dire ne vous ose
Comment Amours vers vous me tire,
Si l'apercevez tout sanz dire".[386]
Het Chastel d'amours was zulk een vraag- en antwoordspel, gebaseerd op
de figuren van den Roman de la rose:
"Du chastel d'Amours vous demant:
Dites le premier fondement!
—Amer loyaument.
Dites moi qui sont li crenel,
Les fenestres et li carrel!
—Regart atraiant.
Amis, nommez moy le portier!
—Dangier mauparlant.
Qui est la clef qui le puet deffermer?
—Prier courtoisement."[387]
Een groote plaats in de hoofsche conversatie werd sinds de dagen der
troubadours ingenomen door de casuïstiek der liefde. Het was als 't ware de
veredeling van de nieuwsgierigheid en kwaadsprekerij tot een litterairen
vorm. Naast "beaulx livres, dits, ballades" wordt de maaltijd aan het hof van

Page 138

Lodewijk van Orleans opgeluisterd door "demandes gracieuses".[388] Men
legt ze vooral den dichter ter beslissing voor. Een gezelschap dames en
heeren komt bij Machaut met een reeks "partures d'amours et de ses
aventures."[389] Hij had in zijn Jugement d'amour de stelling verdedigd, dat
de dame, die door den dood haar minnaar verliest, minder te beklagen is
dan de minnaar eener trouwelooze geliefde. Elk liefdegeval werd op die
wijze naar strenge normen gediscuteerd—"Beau sire, wat zoudt ge liever
willen: dat men kwaad sprak van uw geliefde en gij haar goed bevondt, of
dat men goed van haar sprak en gij haar slecht vondt?"—Waarop
overeenkomstig het hooge formeele eerbegrip en de dure plicht van den
minnaar om voor de uiterlijke eer der geliefde te waken, het antwoord
luiden moest: "Dame, j'aroie plus chier que j'en oïsse bien dire et y
trouvasse mal." —Wanneer een dame door haar eersten minnaar wordt
veronachtzaamd, handelt zij dan trouweloos, door een tweeden te nemen,
die oprechter is? Mag een ridder, die elke hoop heeft opgegeven, zijn dame
te zien, daar een jaloersche echtgenoot haar opgesloten houdt, zich eindelijk
tot een nieuwe liefde wenden? Wanneer een ridder zich van zijn geliefde
keert tot een vrouw van hoog aanzien, en daarop, teruggewezen, opnieuw
haar genade inroept, laat haar eer haar dan toe, hem te vergeven?[390] Van
deze casuïstiek is het maar een schrede naar de behandeling der
liefdevragen geheel in procesvorm, zooals Martial d'Auvergne ze geeft in
de Arrestz d'amour.
Al deze omgangsvormen der liefde kennen wij slechts uit hun neerslag in
de litteratuur. Zij hoorden thuis in het werkelijk leven. De code van
hoofsche begrippen, regels en vormen diende niet uitsluitend, om er versjes
mee te maken, maar om ze toe te passen in het aristocratische leven, of
althans in de conversatie. Het is evenwel heel moeilijk, om door de sluiers
der poëzie heen het leven van den tijd te zien. Want ook waar een
werkelijke liefde zoo nauwkeurig mogelijk wordt beschreven, is het toch
van uit den waan van het geijkte ideaal, met den technischen toestel der
gangbare liefdesbegrippen, in de styleering van het litteraire geval. Zoo is
het met het, al te lange, relaas van een dichterliefde tusschen een ouden
poëet en een veertiendeëeuwsche Bettina, Le livre du Voit-Dit (d.w.z. Ware
geschiedenis) van Guillaume de Machaut.[391] Hij moet ongeveer zestig jaar
oud zijn geweest, toen de ongeveer achttienjarige Peronnelle
d'Armentières[392], uit een aanzienlijk geslacht in Champagne, hem in 1362

Page 139

haar eerste rondel zond, waarin zij den onbekenden beroemden dichter haar
hart aanbood, terwijl zij hem liet verzoeken, een dichterlijke
liefdescorrespondentie met haar te beginnen. De arme dichter, ziekelijk, aan
één oog blind, geplaagd door de jicht, is onmiddellijk in vlam. Hij
beantwoordt haar rondel, en een wisseling van brieven en gedichten begint.
Peronnelle is trotsch op haar litteraire verbintenis; zij maakt er aanvankelijk
geen geheim van. Zij wil, dat hij hun gansche liefde naar waarheid zal te
boek stellen, met inlassching van hun brieven en gedichten. Hij volbrengt
die taak met vreugde; "je feray, à vostre gloire et loenge, chose dont il sera
bon memoire".[393] "Et, mon très-dous cuer,—schrijft hij haar—, vous estes
courrecié de ce que nous avons si tart commencié? (hoe had zij eerder
gekund?) par Dieu aussi suis-je (met meer reden); mais ves-cy le remede:
menons si bonne vie que nous porrons, en lieu et en temps, que nous
recompensons le temps que nous avons perdu; et qu'on parle de nos amours
jusques à cent ans cy après, en tout bien et en toute honneur; car s'il y avoit
mal, vous le celeriés à Dieu, se vous poviés".[394]
Wat er met een eerbare liefde bestaanbaar was, leert het verhaal, waarmee
Machaut de brieven en gedichten aaneenrijgt. Hij krijgt, op zijn verzoek,
haar geschilderd portret, dat hij eer bewijst als zijn God op aarde. Vol angst
over zijn eigen gebreken gaat hij de eerste samenkomst tegemoet, en zijn
geluk is uitbundig, wanneer zijn voorkomen de jonge geliefde niet
afschrikt. Zij legt zich onder een kerseboom in zijn schoot te slapen, of
kwansuis te slapen. Zij schenkt hem grooter gunsten. Een pelgrimage naar
Saint Denis en de Foire du Lendit geeft de gelegenheid, om eenige dagen te
zamen te zijn. Op een middag is het gezelschap doodmoe van de drukte en
de zomerhitte; het was midden Juni. Zij vinden in de overvolle stad een
onderkomen bij een man, die hun een kamer met twee bedden afstaat. Op
het eene legt zich in de donker gemaakte kamer ter middagrust Peronnelle's
schoonzuster, op het andere zij zelf met haar kamenier. Zij dringt den
schuchteren dichter, om zich tusschen haar beiden te leggen; hij ligt
doodstil uit vrees van haar te storen, en als zij ontwaakt, beveelt zij hem,
haar te omhelzen. Als het einde van het reisje nadert, en zij zijn droefheid
bespeurt, staat zij hem toe, haar tot afscheid te komen wekken. En ofschoon
hij ook bij die gelegenheid blijft spreken van "onneur" en "onnesté", is het
bij zijn vrij onomwonden verhaal niet duidelijk, wat zij hem nog geweigerd
kan hebben. Zij geeft hem het gouden sleuteltje van haar eer, haar schat, om

Page 140

die zorgvuldig te behoeden, maar het moet wel opgevat worden als haar
eerbaarheid voor de menschen, wat er nog te bewaren viel.[395]
Meer geluk was den dichter niet weggelegd, en bij gebrek aan verdere
lotgevallen, vult hij de tweede helft van zijn boek met eindelooze verhalen
uit de mythologie. Tenslotte bericht zij hem, dat hun verhouding een einde
moet nemen, blijkbaar wegens haar huwelijk. Maar hij besluit, haar altijd te
blijven liefhebben en vereeren, en na hun beider dood zal zijn geest aan
God verzoeken, om haar ziel in glorie nog te blijven noemen: Toute-belle.
[396]

Zoowel voor de zeden als voor de sentimenten leert ons Le Voir-Dit meer
dan de meeste liefdeslitteratuur van den tijd. Vooreerst de buitengewone
vrijheid, die zich dit jonge meisje veroorloven kon, zonder aanstoot te
geven. Dan de naïeve onverstoorbaarheid, waarmee alles, tot het intiemste,
zich afspeelt in tegenwoordigheid van anderen, 't zij de schoonzuster, de
kamenier of den secretaris. Bij het samenzijn onder den kerseboom verzint
deze laatste zelfs een bevallige list: terwijl zij sluimert, legt hij een groen
blad op Peronnelle's mond, en zegt tot Machaut, dat hij dat blad moet
kussen. Als deze het eindelijk waagt, trekt de secretaris het blad weg,
zoodat hij even haar mond aanraakt. [397] Even opmerkelijk is het
samengaan van liefdes- en godsdienstplichten. Het feit, dat Machaut als
kanunnik van de kerk van Reims tot den geestelijken stand behoorde, moet
niet al te zwaar worden opgevat. De lagere wijdingen, die voor het
kanunnikschap voldoende waren, brachten in dien tijd den eisch van het
coelibaat niet gebiedend mede. Ook Petrarca was kanunnik. Dat een
bedevaart gekozen wordt, om elkaar te ontmoeten, is ook niets
buitengewoons. De bedevaarten waren zeer in trek voor liefdesavonturen.
Maar de pelgrimage wordt desondanks met ernst verricht, "très
devotement."[398] Bij een vorig samenzijn hooren zij samen de mis, hij
achter haar gezeten:
"... Quant on dist: Agnus dei,
Foy que je doy à Saint Crepais,
Doucement me donna la pais,
Entre deux pilers du moustier (kerk).
Et j'en avoie bien mestier,
Car mes cuers amoureus estoit

Page 141

Troublés, quant si tost se partoit."[399]
De paix was het bordje, dat rondging om gekust te worden ter vervanging
van den vredeskus van mond tot mond.[400] Hier is natuurlijk de bedoeling,
dat Peronnelle hem haar eigen lippen bood. Hij wacht haar in den tuin
onder het zeggen van zijn getijden. Bij het aangaan van een novene (een
negendaagsche verrichting van bepaalde gebeden) doet hij, als hij de kerk
binnentreedt, binnensmonds de gelofte, dat hij ieder van die dagen een
nieuw gedicht op de liefste zou maken, wat hem niet belet, van de groote
devotie te spreken, waarmee hij bad.[401]
Men moet bij dit alles niet denken aan een frivole of profane bedoeling;
Guillaume de Machaut is tenslotte een ernstig en hooggestemd dichter. Het
is de ons haast onbegrijpelijke onbevangenheid, waarmee in de dagen vóór
Trente de geloofsverrichtingen door het dagelijksche leven heen waren
gevlochten. Wij zullen er spoedig meer van moeten zeggen.
Het sentiment, dat uit de brieven en de beschrijving van dit historische
liefdegeval spreekt, is week, zoet, een weinig ziekelijk. De uitdrukking der
gevoelens blijft gewikkeld in den langen omhaal van raisonneerende
bespiegeling en de aankleeding met allegorische verbeeldingen en droomen.
Er is iets roerends in de innigheid, waardoor de grijze dichter, de
heerlijkheid van zijn geluk en de voortreffelijkheid van Toute-belle
beschrijvende, zich niet bewust wordt, dat zij toch eigenlijk met hem en met
haar eigen hart maar heeft gespeeld.
Uit ongeveer denzelfden tijd als Machaut's Voit-Dit stamt een ander werk,
dat in zeker opzicht als tegenhanger zou kunnen dienen: Le livre du
chevalier de la Tour Landry pour l'enseignement de ses filles.[402] Het is een
geschrift uit adellijken kring evenals de roman van Machaut en Peronnelle
d'Armentières; speelde deze in Champagne en in en om Parijs, de ridder de
la Tour Landry verplaatst ons naar Anjou en Poitou. Doch hier geen oude
dichter, die zelf bemint, maar een vrij prozaïsche vader, die herinneringen
uit zijn jonge jaren, anecdoten en verhalen ten beste geeft "pour mes filles
aprandre à roumancier". Wij zouden zeggen: om haar de beschaafde vormen
in liefdezaken te leeren. Die leering valt echter in het geheel niet romantisch
uit. De strekking der exempelen en vermaningen, die de zorgvuldige
edelman zijn dochters voorhoudt, is veeleer, haar te waarschuwen voor de

Page 142

gevaren van romantische flirt. Past op voor die welbespraakte lieden, die
altijd klaar staan met "faulx regars longs et pensifs et petis soupirs et de
merveilleuses contenances affectées (aangedane) et ont plus de paroles à
main que autres gens." [403] Weest niet te toeschietelijk. Hij was als
jongeling eens door zijn vader op een kasteel gebracht, om met het oog op
een gewenschte verloving kennis te maken met de dochter. Het meisje had
hem bijzonder vriendelijk ontvangen. Om te ervaren, wat er in haar was,
sprak hij met haar over allerlei dingen. Het gesprek kwam op gevangenen,
en de jonker maakte een deftig compliment: "Ma demoiselle, il vaudroit
mieulx cheoir à estre vostre prisonnier que à tout plain d'autres, et pense
que vostre prison ne seroit pas si dure comme celle des Angloys."—Si me
respondit qu'elle avoyt veu nagaires cel qu'elle vouldroit bien qu'il feust son
prisonnier. Et lors je luy demanday se elle luy feroit male prison, et elle ne
dit que nennil et qu'elle le tandroit ainsi chier comme son propre corps, et je
lui dis que celui estoit bien eureux d'avoir si doulce et si noble prison. Que
vous dirai-je? Elle avoit assez de langaige et lui sambloit bien, selon ses
parolles, qu'elle savoit assez, et si avoit l'ueil bien vif et legier." Bij het
afscheid vroeg zij hem wel twee of drie maal, om spoedig weerom te
komen, alsof zij hem al lang gekend had. "Et quant nous fumes partis,
monseigneur de père me dist: 'Que te samble de celle que tu as veue. Dy
m'en ton avis'." Maar haar al te gereede aanmoediging had hem elken lust
tot een nadere kennismaking benomen. "'Mon seigneur, elle me samble
belle et bonne, maiz je ne luy seray jà plus de près que je suis, si vous
plaist". Van de verloving kwam niets, en de ridder vond natuurlijk reden,
daar later geen berouw van te hebben.[404] Dergelijke stukjes zóó uit het
leven opgeteekende herinnering, die ons doen zien, hoe de zeden zich
paarden aan het ideaal, zijn ongelukkig in de eeuwen, waarvan hier sprake
is, nog uitermate zeldzaam. Had de ridder de la Tour Landry ons maar wat
meer uit zijn eigen leven verteld. Het meeste zijn ook bij hem
bespiegelingen van algemeenen aard. Hij denkt voor zijn dochters in de
eerste plaats aan een goed huwelijk. En het huwelijk had met de liefde
weinig te maken. Hij geeft een breedvoerig "debat" tusschen hemzelf en
zijn vrouw over het geoorloofde der liefde, "le fait d'amer par amours". Hij
meent, dat een meisje in zekere gevallen wel in eere kan beminnen, bij
voorbeeld "en esperance de mariage". De vrouw is daar tegen. Een meisje
moet liever in het geheel niet verliefd worden, ook niet op haar verloofde.
Het houdt haar maar af van de ware vroomheid. "Car j'ay ouy dire à

Page 143

plusieurs, qui avoient esté amoureuses en leur juenesce, que, quant elles
estoient à l'eglise, que la pensée et la merencolie[405] leur faisoit plus
souvent penser à ces estrois pensiers et deliz de leurs amours que ou (au)
service de Dieu,[406] et est l'art d'amours de telle nature que quant l'en (on)
est plus au divin office, c'est tant comme le prestre tient nostre seigneur sur
l'autel, lors leur venoit plus de menus pensiers".[407]—Deze diepe
zielkundige observatie konden Machaut en Peronnelle beamen. Doch
overigens welk een verschil in opvatting tusschen den dichter en den ridder!
Hoe nu met deze austeriteit weer te rijmen, dat de vader zijn dochters ter
leering herhaaldelijk vertelsels opdischt, die om hun scabreuzen inhoud in
de Cent nouvelles nouvelles niet misplaatst zouden zijn geweest?
Juist het gering verband van de schoone vormen van het hoofsche
liefdesideaal met de realiteit van verloving en huwelijk maakte, dat het
element van spel, van conversatie, van litterair vermaak in alles wat het
verfijnde liefdeleven betrof, zich te ongehinderder kon ontplooien. Het
ideaal der liefde, de schoone fictie van trouw en opoffering had geen plaats
in de zeer materieele overleggingen, waarmee een huwelijk, en bovenal een
adellijk huwelijk tot stand kwam. Het kon slechts worden beleefd in de
gedaante van een bekorend of hartverheffend spel. Het tournooi gaf dat spel
der romantische liefde in zijn heroïeken vorm. De pastorale idee leverde
den idyllischen vorm ertoe.
De pastorale is in haar wezenlijkste beteekenis iets meer dan een litterair
genre. Het is niet te doen om de beschrijving van het herdersleven met zijn
eenvoudige en natuurlijke geneuchten, maar om het naleven ervan. Het is
een Imitatio. Er was een fictie, dat in het herdersleven de ongestoorde
natuurlijkheid der liefde verwezenlijkt was. Daarheen wou men vlieden,
zoo niet in werkelijkheid, dan in droom. Telkens weer heeft het
herdersideaal moeten dienen als geneesmiddel, om de geesten te bevrijden
uit de kramp van een opgeschroefde dogmatiseering en formaliseering der
liefde. Men snakte naar verlossing uit de knellende begrippen van
ridderlijke trouw en dienst, uit den bonten toestel der allegorie. En ook uit
de ruwheid, de baatzucht en de maatschappelijke zonden van het
liefdeleven der werkelijkheid. Een gemakkelijk bevredigde, eenvoudige
liefde, temidden van onschuldig natuurgenot. Dat scheen het deel van Robin

Page 144

en Marion, van Gontier en Helayne. Zij waren de gelukkigen, de
benijdbaren; de veelgesmade dorper wordt op zijn beurt het ideaal.
De late Middeleeuwen evenwel zijn nog zoo echt aristocratisch en zoo
weerloos tegenover een schoonen waan, dat de cultuur het niet verder
brengt dan het toepassen van een zeer gekunstelde versiering op de
hoofsche zeden. Wanneer de adel der vijftiende eeuw herder en herderin
speelt, dan is het gehalte van echte natuurvereering en bewondering van
eenvoud en arbeid nog heel zwak. Wanneer Marie Antoinette drie eeuwen
later melkt en karnt in Trianon, dan is het ideaal reeds gevuld met den ernst
van de physiocraten: natuur en arbeid zijn reeds de groote slapende
godheden van den tijd geworden; toch maakt de aristocratische cultuur er
nog spel van. Wanneer omstreeks 1870 de Russische intellectueele jeugd
zich onder het volk begeeft, om zelf als boeren voor de boeren te leven: het
narodnitsjestwo, dan is het ideaal bittere ernst geworden. En ook toen bleek
de verwezenlijking een waan.
Er was één poëtische vorm, die den overgang vertegenwoordigt tusschen de
eigenlijke pastorale en de werkelijkheid, namelijk de Pastourelle, het korte
gedicht, dat het gemakkelijk avontuur van den ridder met het landmeisje
bezingt. Daar vond de directe erotiek een frisschen, eleganten vorm, die
haar boven het platte verhief en toch al de bekoring van het natuurlijke
behield. Men moet er sommige schetsen van Guy de Maupassant mee
vergelijken.
Werkelijk pastoraal is echter het sentiment eerst, als ook de minnaar zelf
zich als herder denkt. Daarmee verzinkt elke aanraking met de
werkelijkheid. Alle elementen der hoofsche liefdesopvatting worden
eenvoudig getransponeerd in het herderlijke; een zonnig droomland hult het
verlangen in een waas van fluitspel en vogelgeschal. Het is een blij geluid;
ook de droefheden der liefde: het smachten en klagen, het leed van de
verlatene, worden opgenomen in dien zoeten toon. In de pastorale vindt
telkens weer de erotiek de aanraking terug met het natuurgenot, dat haar
onmisbaar was. Zoo wordt de pastorale het veld, waarop zich de litteraire
uitdrukking van het natuurgevoel ontwikkelt. Aanvankelijk is het haar nog
niet te doen om het beschrijven van natuurschoonheid, maar om het
onmiddellijk welbehagen aan zon en zomer, schaduw en frisch water,
bloemen en vogels. Natuurobservatie en schildering komt eerst in de tweede

Page 145

plaats; de hoofdbedoeling blijft de liefdedroom; als bijproduct levert de
herderlijke poëzie allerlei bevallig realisme. De schildering van het
landleven in een gedicht als Le dit de la pastoure van Christine de Pisan
opent een genre.
Eenmaal als hoofsch ideaal opgenomen wordt de herderij een masker. Alles
laat zich dossen in de herderlijke travesti. De fantaziesferen van de
pastorale en van de ridderlijke romantiek vermengen zich. Een tournooi
wordt opgevoerd in de aankleeding van een herdersspel. Koning René
houdt zijn Pas d'armes de la bergère.
De tijdgenooten schijnen toch werkelijk in deze vertooning iets echts gezien
te hebben; een ongenoemde dichter geeft koning René's herdersleven een
plaats onder de Merveilles du monde:
"J'ay un roi de Cécille
Vu devenir berger
Et sa femme gentille
De ce mesme mestier,
Portant la pannetière,
La houlette et chappeau,
Logeans sur la bruyère
Auprès de leur trouppeau."[408]
Een andermaal moet de pastorale dienen, om de lasterlijkste politieke satire
een dichterlijk kleed te verleenen: een Bourgondisch partijganger steekt al
den haat tegen den vermoorden hertog van Orleans in het gewaad van een
aanminnig herdersdicht: le Pastoralet.[409] Bij de hoffeesten ontbreekt nooit
het pastorale element. Het leende zich uitstekend voor de maskerades, die
als entremets de feestmaaltijden opluisterden, en het was bovendien
bijzonder geschikt voor politieke allegorie. Het beeld van den vorst als
herder en het volk als zijn kudde was immers reeds van een andere zijde
den geest binnengekomen: uit de kerkvaderlijke voorstellingen van den
oorspronkelijken staatsvorm: als herders hadden de aartsvaders geleefd, het
rechte overheidsambt, zoo goed het wereldlijke als het geestelijke, was geen
heerschen maar een hoeden.
"Seigneur, tu es de Dieu bergier;
Garde ses bestes loyaument,

Page 146

Mets les en champ ou en vergier,
Mais ne les perds aucunement,
Pour ta peine auras bon paiement
En bien le gardant, et se non,
A male heure reçus ce nom."[410]
In deze verzen uit Jean Meschinot's Lunettes des princes is geen sprake van
eigenlijk pastorale voorstelling. Maar zoodra men dat ging verbeelden,
vloeide het daarmee van zelf ineen. Een entremets bij het feest van Brugge
in 1468 verheerlijkte de vroegere vorstinnen als de "nobles bergieres qui par
cy devant ont esté pastoures et gardes des brebis de pardeça."[411] Een spel
te Valenciennes bij de terugkomst van Margareta van Oostenrijk uit
Frankrijk in 1493 vertoonde, hoe het land herstelt van zijn verwoesting "le
tout en bergerie".[412] Wij kennen allen de politieke pastorale in de
Leeuwendalers. De voorstelling van den vorst als herder klinkt ook in het
Wilhelmus:
"Oirlof mijn arme schapen
Die sijt in grooter noot,
Uw herder sal niet slapen,
Al sijt gij nu verstroyt."
Zelfs in den echten oorlog speelt men met de pastorale verbeelding. De
bombardes van Karel den Stoute voor Granson heeten "le berger et la
bergère". Wanneer de Franschen hoonend zeggen, dat de Vlamingen slechts
herders zijn en onbekwaam tot het krijgshandwerk, trekt Philips van
Ravestein met vierentwintig edelen te velde, uitgedost als herders, met
herdersstaf en broodkorfje.[413]
Evenals de trouwe ridderlijke liefde tegenover de opvattingen van den
Roman de la rose de stof leverde tot een eleganten litterairen twist, zoo
werd ook het herdersideaal het onderwerp van zulk een strijd. Ook hier
proefde men de leugen te sterk op de tong, en moest men haar bespotten.
Hoe weinig geleek het hyperbolisch gekunstelde, overdadig bonte leven van
de laat-middeleeuwsche aristocratie op het ideaal van eenvoud, vrijheid en
zorgeloos trouwe liefde te midden der natuur! Op het thema van Philippe de
Vitri's Franc Gontier, type van den gouden- eeuwschen eenvoud, had men
eindeloos gevarieerd. Iedereen verklaarde te hongeren naar Franc Gontier's

Page 147

maal op het gras onder 't lommer met dame Helayne, zijn menu van kaas,
boter, room, appelen, uien en bruin brood, zijn lustig houthakkerswerk, zijn
vrijheidszin en onbezorgdheid:
"Mon pain est bon; ne faut que nulz me veste;
L'eaue est saine qu'à boire sui enclin,
Je ne doubte ne tirant ne venin."[414]
Soms viel men wel eens even uit de rol. Dezelfde Eustache Deschamps, die
het leven van Robin en Marion en den lof van den natuurlijken eenvoud en
het werkzaam leven herhaaldelijk bezingt, betreurt het, dat het hof danst bij
de cornemuse, "cet instrument des hommes bestiaulx".[415] Maar het
vereischte de veel dieper gevoeligheid en scherpe skepsis van François
Villon, om al de onwaarheid van dien schoonen levensdroom te zien. Er ligt
een onbarmhartige bespotting in de ballade Les contrediz Franc Gontier.
Cynisch stelt Villon tegenover de zorgeloosheid van dien idealen buitenman
met zijn maal van uien "qui causent fort alaine" en zijn liefde onder de
rozen, het gemak van den vetten kanunnik, die de zorgeloosheid en de
liefde geniet in een wel behangen kamer met een haardvuur, goeden wijn en
een zacht bed. Het bruine brood en het water van Franc Gontier? "Tous les
oyseaulx d'ici en Babiloine" zouden Villon geen morgen bij zulk een kost
kunnen houden.[416]
Evenals de schoone droom van het ridderideaal moesten ook de andere
vormen, waarin het liefdeleven cultuur wilde worden, als onecht en
leugenachtig worden verzaakt. Noch het dwepende ideaal van edele,
kuische riddertrouw, noch de wreed-verfijnde wellust van den Roman de la
rose, noch de zoete, gemakkelijke fantazie der pastorale, konden bestaan
voor den storm van het leven zelf. Die storm blies van alle kanten. Van het
geestelijk leven uit klinkt de vervloeking van alles wat der liefde is, als de
zonde, die de wereld verderft. Onder in den schitterenden kelk van den
Roman de la rose ziet de moralist al den bitteren droesem. "Vanwaar,—
roept Gerson uit—vanwaar de bastaarden, vanwaar de kindermoorden, de
afdrijvingen, vanwaar de haat en de vergiftiging van echtgenooten?"[417]
Van den kant der vrouwen zelf klinkt een andere aanklacht. Al die
conventioneele vormen der liefde zijn mannenwerk. Ook waar zij in
geïdealiseerde vormen gegoten is, blijft die gansche erotische cultuur door

Page 148

en door mannelijk-zelfzuchtig. Wat is de altijd herhaalde smaad tegen het
huwelijk en over de zwakheden van de vrouw: haar ontrouw en haar
ijdelheid, anders dan de dekmantel der mannelijke zelfzucht? Op al dien
smaad antwoord ik enkel, zegt Christine de Pisan: het zijn niet de vrouwen,
die de boeken gemaakt hebben.[418]
Er is inderdaad noch in de erotische, noch in de vrome litteratuur der
Middeleeuwen een spoor van echt medelijden met de vrouw, met haar
zwakheid en de gevaren en smarten, die haar de liefde bereidt. Het
medelijden had zich geformaliseerd in het fictieve ridderlijke ideaal van de
bevrijding der maagd, waar het eigenlijk enkel sensueele prikkeling en
zelfvoldoening was. Nadat de schrijver van de Quinze joyes de mariage al
de zwakheden der vrouwen in een mat en fijn gekleurde satire heeft
opgesomd, biedt hij wel aan, om nu ook de verongelijking der vrouwen te
beschrijven,[419] maar hij doet het niet. Om een teere, vrouwelijke stemming
uitgedrukt te vinden, moet men het Christine zelf vragen, zooals in haar
versje, dat begint:
"Doulce chose est que mariage,
Je le puis bien par moy prouver"....[420]
Doch hoe zwak klinkt het geluid van een enkele vrouw tegen dat koor van
hoon, waarin de platte bandeloosheid instemt met de zedepreek. Want er is
maar een geringe afstand tusschen de homiletische vrouwenverachting en
de ruwe ontkenning der ideale liefde door de prozaïsche zinnelijkheid, door
de wijsheid van de bittertafel.
Het schoone spel van de liefde als levensvorm bleef gespeeld in den
ridderlijken trant, in den herderlijken en in den kunstigen opzet van de
rozen-allegorie, en al klonk van alle kanten de verloochening van al die
conventie, toch behielden die vormen hun levens- en cultuurwaarde tot lang
na de Middeleeuwen. Want de vormen, waarin het ideaal der liefde zich nu
eenmaal hullen moet, zijn maar enkele voor alle tijden.

Page 149

V
HET BEELD VAN DEN DOOD

Geen tijd heeft de doodsgedachte met zooveel nadruk voortdurend aan allen
opgedrongen als de vijftiende eeuw. Zonder ophouden klinkt door het leven
de roep van het memento mori. In zijn Levensrichtsnoer voor den edelman
vermaant Dionysius de Kartuizer: "En wanneer hij zich te bed legt, bedenke
hij, dat, gelijk hij nu zichzelven neerlegt in het bed, spoedig zoo zijn
lichaam door anderen in het graf zal worden gelegd." [421] Het geloof had
ook vroeger de bestendige gedachte aan den dood met ernst ingeprent, doch
de vrome tractaten der eerdere Middeleeuwen bereikten enkel de toch reeds
van de wereld gescheidenen. Eerst sedert door de opkomst der bedelorden
de volksprediking groot was geworden, zwol die vermaning aan tot een
dreigend koor, dat met fugatische hevigheid door de wereld klonk. Tegen
het laatst der Middeleeuwen voegde zich bij het woord van den prediker de
afbeelding voor allen, de houtsnee in het bijzonder. Deze beide massale
uitdrukkingsmiddelen, de preek en de afbeelding, konden de doodsgedachte
slechts weergeven in een zeer eenvoudige, directe en levendige
voorstelling, scherp en fel. Alles wat de kloosterling van vroeger tijden over
den dood gemediteerd had, verdichtte zich nu tot een uiterst primitief,
populair en lapidair doodsbeeld, en in die gedaante wordt in woord en
figuur de gedachte aan de menigte voorgehouden. Dat doodsbeeld heeft uit
het groote gedachtencomplex, dat zich om het sterven weeft, eigenlijk
slechts één element kunnen opnemen: het besef der vergankelijkheid. Het
is, alsof de laat-middeleeuwsche geest den dood onder geen ander aspect
heeft weten te zien dan enkel dat der vergankelijkheid.
Drie thema's waren het, die de melodie leverden voor die nooit volzongen
klacht over het einde van alle aardsche heerlijkheid. Daar was vooreerst het
motief: waar zijn allen gebleven, die vroeger de wereld vulden met hun
heerlijkheid? Dan was er het motief van de huiverende aanschouwing der
verrotting van al wat eenmaal menschelijke schoonheid was. Tenslotte het

Page 150

motief van den doodendans, de dood de menschen met zich sleurende uit
elk bedrijf, uit elken leeftijd.
Vergeleken bij de twee laatste motieven met hun beklemmend afgrijzen was
het eerste der drie slechts een lichte, elegische verzuchting. Men vindt het
reeds aangeheven in de zware leoninische verzen van den Cluniacenser
monnik Bernard van Morlay omstreeks 1140:
"Est ubi gloria nunc Babylonia? nunc ubi dirus
Nabugodonosor, et Darii vigor, illeque Cyrus?
Qualiter orbita viribus inscita (?) praeterierunt,
Fama relinquitur, illaque figitur, hi putruerunt.
Nunc ubi curia, pompaque Julia? Caesar abisti!
Te truculentior, orbe potentior ipse fuisti.
...........................................................................
Nunc ubi Marius atque Fabricius inscius auri?
Mors ubi nobilis et memorabilis actio Pauli?
Diva philippica vox ubi coelica nunc Ciceronis?
Pax ubi civibus atque rebellibus ira Catonis?
Nunc ubi Regulus? aut ubi Romulus, aut ubi Remus?
Stat rosa pristina nomine, nomina nuda tenemus."[422]
Het klinkt opnieuw, minder schoolsch, in verzen, die ondanks hun korteren
bouw toch nog den dreun van den leoninischen hexameter behouden
hebben: in de Franciscaansche poëzie der dertiende eeuw. Jacopone van
Todi, de joculator Domini, is naar alle waarschijnlijkheid de dichter geweest
van de strofen, die onder den titel Cur mundus militat sub vana gloria de
regels bevatten:
"Dic ubi Salomon, olim tam nobilis
Vel Sampson ubi est, dux invincibilis,
Et pulcher Absalon, vultu mirabilis,
Aut dulcis Jonathas, multum amabilis?
Quo Cesar abiit, celsus imperio?
Quo Dives splendidus totus in prandio?
Die ubi Tullius, clarus eloquio,
Vel Aristoteles, summus ingenio"?[423]

Page 151

Deschamps heeft hetzelfde thema verscheiden malen berijmd; Gerson
brengt het te pas in een preek, Dionysius de Kartuizer in het tractaat over de
Vier uitersten. Chastellain spint het uit in een lang gedicht Le Pas de la
mort, om van anderen te zwijgen.[424] Villon weet er een nieuw accent in te
leggen: dat van zachten weemoed, in de Ballade des dames du temps jadis
met het refrein:

"Mais où sont les neiges d'antan"?[425]
En vervolgens sprenkelt hij het met ironie in de ballade der heeren, waar
tusschen de koningen, pausen, vorsten van zijn tijd hem invalt:
"Helas! et le bon roy d'Espaigne
Duquel je ne sçay pas le nom"?[426]
Dat zou de brave hoveling Olivier de la Marche zich niet veroorloofd
hebben, waar hij in zijn Parement et triumphe des dames al de gestorven
vorstinnen van zijn tijd op het bekende thema beklaagt.
Wat is er over van al die menschelijke schoonheid en heerlijkheid?
Herinnering, een naam. Maar de weemoed van die gedachte is niet genoeg,
om de behoefte aan felle huivering voor den dood te bevredigen. Dus houdt
de tijd zich den spiegel voor van een zichtbaarder verschrikking, de
vergankelijkheid op korten termijn: de verrotting van het lijk.
De geest van den wereldverzakenden Middeleeuwer had altijd reeds gaarne
verwijld bij stof en wormen: in de kerkelijke tractaten over de verachting
der wereld waren al de verschrikkingen der ontbinding reeds opgeroepen.
Maar de uitwerking van de détails dier voorstelling komt later. Eerst tegen
het einde der veertiende eeuw maakt de beeldende kunst zich van dit motief
meester;[427] er was een zekere graad van realistische uitdrukking noodig,
om het in sculptuur of schilderij treffend te verwerken, en dat vermogen
was omstreeks 1400 bereikt. Tegelijk verbreidt zich het motief van de
kerkelijke litteratuur naar die van het volk. Tot diep in de zestiende eeuw
ziet men aan de grafteekens de afschuwelijk gevarieerde voorstellingen van
het naakte lijk, rottend of verschrompeld, met de krampachtige handen en
voeten en den gapenden mond, met de kronkelende wormen in het
ingewand. Bij die vreeselijkheid wil de gedachte altijd weer stilstaan. Is het

Page 152

niet vreemd, dat zij zich nooit één schrede verder waagt, om te zien, hoe
ook die rottenis zelve weer vergaat, en aarde en bloemen wordt?
Is het een werkelijk vrome gedachte, die zich zoo verstrikt in den afkeer
van de aardsche zijde des doods? Of is het de reactie van een allerfelste
zinnelijkheid, die slechts zóo uit haar bedwelming van levensdrift ontwaken
kan? Is het de levensbangheid, die den tijd zoo sterk doortrekt, de stemming
van teleurgesteldheid en ontmoediging, die neigen wil naar de ware
overgave van wie volstreden en gewonnen heeft, maar die toch nog zoo
dicht staat bij al wat aardsche hartstocht is? Al die gevoelsmomenten zijn in
deze uiting van de doodsgedachte ongescheiden vereenigd.
Levensbangheid: het verloochenen van de schoonheid en het geluk, omdat
er rampen en smart mee verbonden zijn. Er is een buitengewone gelijkenis
tusschen de Oud-indische, met name de boeddhistische, en de christelijk-
middeleeuwsche uitdrukking van dat sentiment. Ook daar altijd weer die
afschuw van ouderdom, ziekte en dood, ook daar de dik opgelegde kleuren
der verrotting. De naïeve Indische aesthetici hadden er zelfs een eigen
poëtisch genre, bîbhatsa-rasa of de stemming van het walgelijke, van
gemaakt, onderscheiden in drie onderafdeelingen, al naar de afschuw wordt
gewekt door het afzichtelijke, het gruwelijke of het wellustige, gelijk
vrouwenborsten den asceet doen walgen,[428] De monnik meende het zoo
goed te hebben gezegd, als hij de oppervlakkigheid van het lichamelijk
schoon aanwees. "Corporea pulchritudo in pelle solummodo constat. Nam
si viderent homines hoc quod subtus pellem est, sicut lynces in Boeotia
cernere interiora dicuntur, mulieres videre nausearent. Iste decor in flegmate
et sanguine et humore ac felle consistit. Si quis enim considerat quae intra
nares, et quae intra fauces et quae intra ventrem lateant, sordes utique
reperiet. Et si nec extremis digitis flegma vel stercus tangere patimur,
quomodo ipsum stercoris saccum amplecti desideramus?"[429]
Het moedelooze refrein van de verachting der wereld was voor de latere
Middeleeuwen vastgelegd in het tractaat van dien naam van Innocentius III.
Wonderlijk, die machtigste en voorspoedigste staatsman op den stoel van
Petrus, in zooveel aardsche zaken en belangen gemengd en opgaand, en die
in deze levensverguizing als 't ware meent zijn hoogheid te boeten.
"Concipit mulier cum immunditia et fetore, parit cum tristitia et dolore,
nutrit cum angustia et labore, custodit cum instantia et timore."[430] O al de

Page 153

lachende vreugden van het moederschap!—"Quis unquam vel unicam diem
totam duxit in sua delectatione jucundam ... quem denique visus vel auditus
vel aliquis ictus non offenderit?"[431] Was het christelijke wijsheid of het
pruilen van een bedorven kind?
Er is zonder twijfel in dat alles een geest van ontzaglijk materialisme, die de
gedachte aan het einde van schoonheid niet kon verdragen zonder aan die
schoonheid zelf te vertwijfelen. En let wel, hoe (althans in de litteratuur,
niet zoozeer in de beeldende kunst) in het bijzonder het vrouwenschoon
beklaagd wordt. Er is hier nauwelijks een grens tusschen de godsdienstige
vermaning, om aan den dood en aan de vergankelijkheid van het aardsche te
denken, en de spijt van de oude minnares over het verval der schoonheid,
die zij niet meer geven kan.
Ziehier eerst een voorbeeld, waar de stichtelijke vermaning nog op den
voorgrond staat. In het Celestijnen-klooster te Avignon bevond zich vóór de
Revolutie een schildering, die de overlevering aan den kunstrijken stichter
koning René zelf toeschreef. Zij stelde een rechtopstaand vrouwenlijk voor,
met een sierlijk kapsel, gehuld in haar lijkwade; de wormen verteerden het
lichaam. De eerste strofen van het onderschrift luidden:
"Une fois sur toute femme belle
Mais par la mort suis devenue telle.
Ma chair estoit très belle, fraische et tendre,
Or, est-elle toute tournée en cendre.
Mon corps estoit très plaisant et très gent,
Je me souloye souvent vestir de soye,
Or en droict fault que toute nue je soye.
Fourrée estois de gris et de menu vair,
En grand palais me logeois à mon vueil,
Or suis logiée en ce petit cercueil.
Ma chambre estoit de beaux tapis ornée,
Or est d'aragnes ma fosse environnée."[432]
Dat deze vermaningen hun werking niet misten, bewijst de legende, die zich
daaraan verder gesponnen had, hoe de koninklijke kunstenaar zelf, die
levens- en schoonheidsminnaar bij uitnemendheid, zijn geliefde drie dagen
na de teraardebestelling in het graf zou hebben gezien, en toen geschilderd.

Page 154

De stemming verandert reeds een weinig in de richting van wereldsche
zinnelijkheid, wanneer de waarschuwing voor de vergankelijkheid niet aan
het gruwelijk lijk van een ander wordt gedemonstreerd, maar de levenden
gewezen worden op hun eigen lichaam, nu nog schoon, maar spoedig voor
de wormen. Olivier de la Marche besluit zijn stichtelijk allegorisch gedicht
over de vrouwenkleeding Le parement et triumphe des dames met den
Dood, die aan alle schoonheid en ijdelheid den spiegel voorhoudt:
"Ces doulx regards, ces yeulx faiz pour plaisance,
Pensez y bien, ilz perdront leur clarté,
Nez et sourcilz, la bouche d'eloquence
Se pourriront...."[433]
Toch is dit nog een eerlijk memento mori. Maar het gaat onmerkbaar over
in een spijtig, wereldsch en zelfzuchtig beklag over de nadeelen van den
ouderdom:
"Se vous vivez le droit cours de nature
Dont LX ans est pour ung bien grant nombre,
Vostre beaulté changera en laydure,
Vostre santé en maladie obscure,
Et ne ferez en ce monde que encombre.
Se fille avez, vous luy serez ung umbre,
Celle sera requise et demandée,
Et de chascun la mère habandonnée."[434]
Alle vrome, stichtelijke zin is verre, als Villon de balladen dicht, waarin "la
belle heaulmière", eens een befaamde Parijsche courtisane, haar vroeger
onweerstaanbare bekoorlijkheden vergelijkt met al de leelijkheden van haar
vervallen lichaam.
"Qu'est devenu ce front poly,
Ces cheveulx blons, sourcils voultiz,
Grant entroeil, le regart joly,
Dont prenoie les plus soubtilz;
Ce beau nez droit, grant ne petiz,
Ces petites joinctes oreilles,
Menton fourchu, cler vis traictiz
Et ces belles levres vermeilles?

Page 155

...................................................
Le front ridé, les cheveux gris,
Les sourcilz cheuz[435], les yeuls estains...."[436]
In een der poëtische boeken van de heilige schrift der zuidelijke
Boeddhisten heeft men het lied eener vrome oude non Ambapâlî, van
eenzelfde verleden als "la belle heaulmière". Ook zij vergelijkt haar
schoonheid van eertijds met haar weerzinwekkenden ouderdom, hier met
dankbaren lof voor het verdwijnen van dat nietswaardig schoon.[437] Maar
is de afstand van het sentiment wel zoo groot, als hij schijnen wil?
De felle afschuw van de ontbinding van het aardsche lichaam heeft haar
tegenkant in de hooge waarde, die men toekent aan het onbedorven blijven
van de lijken van sommige heiligen, zooals Sint Rosa van Viterbo. Het is
een van de kostbaarste heerlijkheden van Maria, dat haar lichaam voor de
ontbinding op aarde gespaard is gebleven door haar hemelvaart.[438] Weer
op een andere wijze spreekt de materialistische geest, die zich niet kon
losmaken van de gedachte aan het lichaam, uit de bijzondere zorg, waarmee
sommige lijken behandeld worden. Er bestond een gewoonte, om terstond
na den dood de trekken van het aangezicht van een aanzienlijken gestorvene
bij te schilderen, opdat vóór de begrafenis geen bederf zichtbaar zou zijn.
[439] Het lijk van een prediker van de kettersche secte der Turlupins, die te

Parijs in de gevangenis vóór het vonnis gestorven was, wordt veertien
dagen in een vat met kalk bewaard, om het te zamen met een levende
kettersche te kunnen verbranden.[440] Van de Engelschen, die in Frankrijk
gesneuveld of gestorven zijn, wordt veelal het lijk in stukken gesneden,
gekookt, tot het vleesch loslaat van de beenderen, die gereinigd en in een
koffer naar Engeland gezonden worden, terwijl de rest begraven wordt. Zoo
geschiedt met Hendrik V, met de lords York en Oxford, bij Azincourt
gesneuveld, met Glasdale, bekend uit de geschiedenis van Jeanne d'Arc,
met een neef van Sir John Fastolfe.[441]
In de veertiende eeuw komt het wonderlijke woord macabre op, als om de
geheele laat-middeleeuwsche visie van den dood te markeeren. Het woord
(tot in de 17e eeuw luidde het macabré) is onvoldoende verklaard, wat zijn
oorsprong betreft, maar de beteekenisnuance, die het uit zijn gebruik
verworven heeft, is zoo scherp en eigen, dat zij geen omschrijving behoeft.

Page 156

De macabere opvatting van den dood is in onzen tijd nog voornamelijk te
vinden op dorpskerkhoven, waar men er in rijm en figuur den nagalm van
hoort. In het einde der Middeleeuwen is zij een groote cultuurgedachte
geweest. Er raakte in de voorstelling van den dood een nieuw, aangrijpend
fantastisch element gemengd, een rilling, die opkwam uit het ijzige
bewustzijnsgebied van spokenvrees en klammen schrik. De
allesbeheerschende godsdienstige gedachte zette haar aanstonds om in
moraal, herleidde haar tot memento mori, maar maakte gaarne gebruik van
al de huiveringwekkende suggestie, die het spectrale karakter der
voorstelling meebracht.
Rondom den Doodendans groepeeren zich de verwante voorstellingen van
het sterven, die tot verschrikking en vermaning dienen moesten. De sproke
van de Drie dooden en de drie levenden gaat aan den Doodendans vooraf.
[442] Reeds in de dertiende eeuw komt zij op in de Fransche litteratuur: drie

jonge edellieden ontmoeten plotseling drie afzichtelijke dooden, die hen
wijzen op hun eigen voormalige aardsche grootheid en op het spoedig
einde, dat hun, den levenden, wacht. De aangrijpende figuren, in het Campo
santo van Pisa zijn wel de oudste voorstelling van het thema in de groote
kunst; het beeldhouwwerk aan het portaal van de kerk der Innocents te
Parijs, waar de hertog van Berry in 1408 het onderwerp liet afbeelden, is
verloren. Maar miniatuur en houtsnee maken het in de vijftiende eeuw tot
gemeen goed, en ook als muurschildering is het zeer verbreid.
De voorstelling van de drie dooden en de drie levenden vormt de schakel
tusschen het afzichtelijke beeld der verrotting en de gedachte door den
Doodendans verbeeld, hoe voor den dood allen gelijk zijn. De
kunsthistorische ontwikkeling van het gegeven kome hier slechts even ter
sprake. Ook van den Doodendans schijnt Frankrijk het land van herkomst.
Doch hoe is hij ontstaan? als een werkelijk gespeelde vertooning, of als
afbeelding? Het is bekend, dat de these van Emile Mâle, die de uitwerking
der motieven in de beeldende kunst der vijftiende eeuw beschouwt als in
den regel ontleend aan het zien van dramatische vertooningen, in haar
algemeenheid niet voor de kritiek bestand is gebleken. Maar ten opzichte
van den Doodendans zou het kunnen zijn, dat men op die verwerping een
uitzondering moest maken; dat hier inderdaad de vertooning aan de
afbeelding is voorafgegaan. In ieder geval, 't zij vroeger of later, de
Doodendans werd gespeeld evengoed als geschilderd of in prent gebracht.

Page 157

De hertog van Bourgondië laat hem in 1449 opvoeren in zijn hôtel te
Brugge.[443] Hadden wij eenig denkbeeld van de uitmonstering van zulk een
spel: de kleuren, de bewegingen, het glijden van licht en schaduwen over de
dansenden, wij zouden nog beter de ernstige verschrikking begrijpen, die de
Doodendans over de gemoederen bracht, dan het ons de houtsneden van
Guyot Marchant en van Holbein doen.
De houtsneden, waarmee de Parijsche drukker Guyot Marchant in 1485 de
eerste uitgave van de Danse macabre versierde, waren zoo goed als zeker,
evenals de verzen, ontleend aan den beroemdsten en oudsten aller
Doodendansen, die welke in het jaar 1424 als muurschildering in de galerij
van het kerkhof der Innocents te Parijs was aangebracht.[444] Zij is in de
zeventiende eeuw door afbraak van de galerij verdwenen. Het is de meest
populaire verbeelding van den dood geweest, die de Middeleeuwen hebben
gekend: duizenden hebben dag in dag uit op die zonderlinge en macabere
plaats van samenkomst, die het kerkhof der Innocents was, de eenvoudige
figuren aanschouwd en de bevattelijke verzen, waarvan elk couplet met een
bekend spreekwoord eindigde, gelezen, zich getroost over de gelijkheid in
den dood en gehuiverd voor het einde. Nergens kon die aapachtige dood
zoo op zijn plaats zijn, die grinnikend, met de passen van een ouden stijven
dansmeester, den paus, den keizer, den edelman, den daglooner, den
monnik, het kleine kind, den zot en al de andere beroepen en standen
uitnoodigend meetrekt. Geven de houtsneden van 1485, die blijkens de
kleederdracht geen getrouwe copie zijn, nog eenigszins den indruk weer
van de vermaarde muurschildering? Misschien zal men daarvoor nog eêr
moeten zien naar den Doodendans uit de kerk van La Chaise-Dieu,[445]
waar het spookachtige van de voorstelling nog verhoogd wordt door den
half-voltooiden staat der schildering.
Het lijk, dat veertig maal terugkeert, om den levende te halen, is eigenlijk
nog niet de Dood, maar de doode. De verzen noemen de figuur Le mort (bij
den doodendans der vrouwen La morte); het is een danse des morts, niet de
la Mort. Het is ook hier niet een geraamte, maar een nog niet geheel
ontvleescht lichaam met den gespleten hollen buik. Eerst omstreeks 1500
wordt de figuur van den grooten danser een geraamte, zooals wij het van
Holbein kennen. Dan heeft zich de voorstelling van een vagen dooden
dubbelganger gecondenseerd tot die van den Dood als actieven,

Page 158

persoonlijken levenseindiger. Zoo was hij in de Middeleeuwen nog niet
verbeeld. In den ouderen doodendans is de onvermoeide danser nog de
levende zelf, zooals hij zijn zal in de naaste toekomst, een angstwekkende
verdubbeling van zijn persoon, het beeld, dat hij in den spiegel ziet; niet,
zooals sommigen willen, een vroeger gestorvene van gelijken stand of
waardigheid. Juist dit: gij zijt het zelf, gaf aan den doodendans zijn
huiveringwekkendste kracht.
Ook in het fresco, dat de gewelfde overhuiving sierde van het
grafmonument van koning René en zijn gemalin Isabella in de kathedraal
van Angers, was het feitelijk nog de koning zelf, die was voorgesteld. Men
zag er een skelet (of zal ook dit eêr een lijk zijn geweest?) in een langen
mantel, zittend op een gouden troon, dat met de voeten mijters, kronen,
wereldbol en boeken wegschopt. Het hoofd was op de dorre hand geleund,
die een wankelende kroon zocht te steunen.[446]
De oorspronkelijke doodendans gaf enkel mannen te zien. De bedoeling,
om aan de vermaning over de vergankelijkheid en ijdelheid van het
aardsche tegelijk de les der maatschappelijke gelijkheid te verbinden, bracht
uit den aard der zaak de mannen, als de dragers der maatschappelijke
beroepen en waardigheden, op den voorgrond. De doodendans was niet
alleen een vroom vermaan, maar ook een sociale satire, en er is in de
begeleidende verzen een zwakke ironie. Nu gaf echter dezelfde Guyot
Marchant als vervolg op zijn uitgave een doodendans der vrouwen,
waarvoor Martial d'Auvergne de verzen maakte. De onbekende teekenaar
der houtsneden bleef achter bij het model, dat hem de eerdere uitgave
leverde: hij vond enkel de hideuse figuur van het rif, om welks schedel nog
schaarsche vrouwenharen zwieren. In den doodendans der vrouwen nu
treedt terstond dat sensueele element weer op, dat ook het thema doortrok
van het beklag over schoonheid, die verrotting wordt. Hoe kon het ook
anders? Er waren geen veertig beroepen en waardigheden van vrouwen te
vermelden; met de voornaamste standen, koningin, edelvrouw enz., enkele
geestelijke functies of staten, en een paar bedrijven als koopvrouw, baker
enz. was de voorraad uitgeput. De rest kon slechts worden aangevuld, door
de vrouw te beschouwen in de verschillende staten van haar vrouwenleven
zelf: als maagd, geliefde, bruid, jonggetrouwde, zwangere. En zoo is het
ook hier weer de klacht om verdwenen of nooit genoten vreugde en
schoonheid, die den toon van het memento mori schriller doet klinken.

Page 159

Eén beeld ontbrak nog in de verschrikkende verbeelding van het sterven:
dat van het doodsuur zelf. De schrik voor die stonde kon den geest niet
levendiger worden ingeprent dan door te herinneren aan Lazarus: deze had
na zijn herrijzenis, heette het, niet anders gekend dan jammerlijk afgrijzen
voor den dood, dien hij reeds eens geleden had. En als de rechtvaardige zoo
moest vreezen, hoe dan de zondaar?[447] De voorstelling van den
doodsstrijd was de eerste der Vier uitersten, Quattuor hominum novissima,
die het den mensch goed was staâg te overdenken: dood, jongste gericht,
hel en hemel. Als zoodanig reikt zij in het gebied van de
hiernamaalsvoorstellingen. Hier komt voorloopig alleen de voorstelling van
het lichamelijke sterven zelf ter sprake. Nauw verwant met het thema der
Vier uitersten is de Ars moriendi, een schepping der vijftiende eeuw, die
evenals de Doodendans door boekdruk en houtsnede verder werkte dan
eenige vrome gedachte tevoren. Zij behandelt de verzoekingen, vijf in getal,
waarmee de duivel den stervende belaagt: den twijfel aan het geloof, de
wanhoop over zijn zonden, de gehechtheid aan zijn aardsche goederen,
vertwijfeling over zijn eigen lijden, eindelijk den hoogmoed over eigen
deugd. Telkens komt een engel de lagen van Satan afweren met zijn troost.
De beschrijving van den doodsstrijd zelf was oude stof; men herkent er
steeds weer hetzelfde kerkelijke model in.[448]
Chastellain heeft in een uitvoerig gedicht Le Pas de la Mort[449] al de hier
besproken motieven saamgevat. Hij begint met het aangrijpende verhaal,
dat zelfs in de deftige wijdloopigheid, dezen schrijver eigen, zijn werking
niet mist, hoe zijn stervende geliefde hem bij zich riep en met gebroken
stem zeide:
"Mon amy, regardez ma face.
Voyez que fait dolante mort
Et ne l'oubliez désormais;
C'est celle qu'aimiez si fort;
Et ce corps vostre, vil et ort,
Vous perderez pour un jamais;
Ce sera puant entremais
A la terre et à la vermine:
Dure mort, toute beauté fine."

Page 160

Daarop maakt de dichter een Spiegel des doods. Eerst werkt hij het thema
Waar zijn nu de grooten der aarde? uit: veel te lang, eenigszins
schoolmeesterachtig, zonder iets van den luchtigen weemoed van Villon.
Dan volgt iets als een eerste opzet van een doodendans, maar zonder kracht
of verbeelding. Tenslotte berijmt hij de Ars moriendi. Hier is zijn
beschrijving van den doodsstrijd:

Page 161

"Il n'a membre ne facture
Qui ne sente sa pourreture.
Avant que l'esperit soit hors,
Le coeur gui veult crevier au corps
Haulce et souliève la poitrine
Qui se veult joindre à son eschine.
—La face est tainte et apalie,
Et les yeux treilliés en la teste.
La parolle luy est faillie,
Car la langue au palais se lie.
Le poulx tressault et sy halette.
.................................................
Les os desjoindent à tous lez;
Il n'a nerf qu'au rompre ne tende."[450]

Villon besluit dat alles in een half couplet, veel aangrijpender.[451] Toch
herkent men het gemeenschappelijk voorbeeld.
"La mort le fait fremir, pallir,
Le nez courber, les vaines tendre,
Le col enfler, la chair mollir,
Joinctes et nerfs croistre et estendre."
En dan weer die sensueele gedachte, die telkens door al deze voorstellingen
van verschrikking heen loopt:
"Corps femenin, qui tant est tendre,
Poly, souef, si precieux,
Te fauldra il ces maulx attendre?
Oy, ou tout vif aller es cieulx."
—Nergens was alles wat den dood voor oogen riep, zoo treffend bijeen als
op het kerkhof der Innocents te Parijs. Daar genoot de geest de huivering
van het macabere in haar volste maat. Alles werkte mee, om aan deze plek
de sombere heiligheid en bonte griezeligheid te geven, die de late
Middeleeuwen zoo hevig begeerden. Reeds de heiligen, aan wie de kerk en
het kerkhof gewijd waren, de Onnoozele kinderen, die in de plaats van
Christus geslacht waren, brachten door hun martelie die wreede roering en
bloedige verteedering aan, waarin de tijd zwelgde. Juist in deze eeuw kwam

Page 162

hun vereering sterk op den voorgrond. Men bezat meer dan één reliek van
de knaapjes van Bethlehem: Lodewijk XI schonk aan de hun gewijde kerk
te Parijs "un Innocent entier", besloten in een grooten kristallen schrijn.[452]
Het kerkhof was de plaats, waar men liever rustte dan ergens anders. Een
bisschop van Parijs liet een weinig aarde van het kerkhof der Innocents in
zijn graf leggen, daar hij er niet begraven kon worden.[453] Arm en rijk lag
er dooreen, en niet voor lang, want zoo druk was het gebruik der
begraafplaats, waarop twintig parochiën het recht van begraven hadden, dat
na verloop van eenigen tijd de beenderen werden opgegraven en de steenen
verkocht. Het heette, dat een lichaam er in negen dagen tot op de beenderen
verging.[454] Schedels en beenderen werden dan opgestapeld in de
knekelzolders boven de zuilengang, die het kerkhof aan drie zijden
omringde: bij duizenden lagen zij daar open en bloot voor het gezicht, en
preekten de les van gelijkheid. Onder de arcaden was in de schildering en
de verzen van den Doodendans diezelfde les te zien en te lezen. Voor het
maken van de "beaux charniers" had onder anderen de edele Boucicaut geld
gegeven. [455] Aan het portaal der kerk had de hertog van Berry, die daar
rusten wilde, de voorstelling van de drie dooden en de drie levenden laten
beeldhouwen. Later, in de zestiende eeuw, verrees op het kerkhof nog de
groote Dood, die in het Louvre eenzaam de eenige rest uitmaakt van al wat
daar bijeen was.
Deze plek nu was voor de Parijzenaars der vijftiende eeuw als een luguber
Palais royal van 1789. Te midden van het voortdurende begraven en weer
opgraven was het er een wandelplaats en een vereenigingspunt. Men vond
er winkeltjes bij de knekelhuizen en lichte vrouwen onder de arcaden. Een
ingemetselde kluizenares aan de zijde der kerk verhoogde de
bezienswaardigheid. Soms kwam een bedelmonnik preeken op de plaats,
die zelf een preek in middeleeuwschen stijl was. Soms verzamelde er zich
een processie van kinderen: 12500, zegt de burger van Parijs, allen met
kaarsen, die een Innocent naar de Notre Dame en weer terug droegen. Zelfs
feesten werden er gegeven.[456] Zoo was het huiveringwekkende weer
alledaagsch geworden.
In de zucht tot directe verbeelding van den dood, waarbij al het
onverbeeldbare moest worden prijsgegeven, werden alleen de grovere
aspecten van den dood in het bewustzijn gedrongen. In de macabere visie

Page 163

van den dood ontbreekt zoo goed als al het teere, al het elegische. En in den
grond is het een zeer deeszijdig, zelfzuchtig gezicht op den dood. Het is niet
de rouw om het gemis van geliefden, maar de spijt om den eigen komenden
dood, enkel gezien als onheil en verschrikking. Daar is geen gedachte in
aan den dood als trooster, aan het einde van lijden, aan de begeerde rust, de
vervulde of de afgebroken taak, geen teedere herinnering, geen berusting.
Niets van de "divine depth of sorrow". Slechts een enkele maal klinkt er een
weeker accent. In den doodendans spreekt de doode den daglooner aan:
"Laboureur qui en soing et painne
Avez vescu tout vostre temps,
Morir fault, c'est chose certainne,
Reculler n'y vault ne contens (tegenstribbeling).
De mort devez estre contens
Car de grant soussy vous delivre...."
Maar de daglooner beklaagt toch het leven, waarvan hij dikwijls het eind
heeft gewenscht.
Martial d'Auvergne laat in zijn doodendans der vrouwen het kleine meisje
tot haar moeder roepen: bewaar toch goed mijn pop, mijn bikkels en mijn
mooie jurk. De aandoenlijke accenten van het kinderleven zijn in de
litteratuur der late Middeleeuwen uitermate zeldzaam; er was geen plaats
voor in de gewichtige stijfheid van den grooten stijl. Noch de kerkelijke
noch de wereldlijke litteratuur kennen eigenlijk het kind. Wanneer Antoine
de la Salle in Le Reconfort[457] een edelvrouw wil troosten over het verlies
van haar zoontje, weet hij niet anders te geven dan het verhaal van een
knaap, die nog wreeder zijn jonge leven verloor, als gijzelaar omgebracht.
Als overwinning der smart kan hij haar niet anders bieden dan de leer, om
aan niets wat aardsch is te hechten. Maar dan laat hij volgen, wat wij
kennen als het volkssprookje van het doodshemdje: het gestorven kindje,
dat zijn moeder komt vragen om niet langer te schreien, opdat zijn
doodshemdje kan drogen. En het is opeens een veel inniger geluid dan het
in duizend tonen gezongen memento mori. Zouden niet volksverhaal en
volkslied in die eeuwen allerlei sentimenten hebben bewaard, die de
litteratuur nauwelijks kent?

Page 164

De kerkelijke gedachte der late Middeleeuwen kent alleen de twee
uitersten: de klacht om de vergankelijkheid, om het einde van macht, eer en
genot, om het vergaan van schoonheid, en den jubel om de geredde ziel in
haar zaligheid. Alles wat daartusschen ligt, blijft onuitgesproken. In de
doorgevoerde verbeelding van den doodendans en het ijselijke rif versteent
de levende aandoening.

Page 165

VI
DE TEUGELLOOZE VERBEELDING VAN HET HEILIGE

De doodsvoorstelling kan gelden als voorbeeld van het laat-
middeleeuwsche denkleven in het algemeen: het is als een uitvloeien, een
verzanden van de gedachte in het beeld. De gansche inhoud van het
gedachtenleven wil uitgedrukt worden in verbeeldingen; al het goud wordt
aangemunt in kleine, dunne schijven. Door die teugellooze behoefte aan
verbeelding was het heilige voortdurend blootgesteld aan veruiterlijking en
verstarring.
Het geheele proces van de ontwikkeling der volksvroomheid in de latere
Middeleeuwen kan niet bondiger worden uitgedrukt dan in de volgende
woorden van Jakob Burckhardt uit zijn Weltgeschichtliche Betrachtungen.
"Eine mächtige Religion entfaltet sich in alle Dinge des Lebens hinein und
färbt auf jede Regung des Geistes, auf jedes Element der Kultur ab. Freilich
reagieren dann diese Dinge mit der Zeit wieder auf die Religion; ja deren
eigentlicher Kern kann erstickt werden von den Vorstellungs- und
Bilderkreisen, die sie einst in ihren Bereich gezogen hat. Das 'Heiligen aller
Lebensbeziehungen' had seine schicksalsvolle Seite." En verderop: "Nun ist
aber keine Religion jemals ganz unabhängig von der Kultur der
betreffenden Völker und Zeiten gewesen. Gerade, wenn sie sehr souverän
mit Hilfe buchstäblich gefasster heiliger Urkunden herrscht und scheinbar
Alles sich nach ihr richtet, wenn sie sich 'mit dem ganzen Leben verflicht',
wird dieses Leben am unfehlbarsten auch auf sie einwirken, sich auch mit
ihr verflechten. Sie hat dann später an solchen innigen Verflechtungen mit
der Kultur keinen Nutzen mehr, sondern lauter Gefahren; aber gleichwohl
wird eine Religion immer so handeln, so lange sie wirklich lebenskräftig
ist."[458]
Het leven der middeleeuwsche christenheid is in al zijn betrekkingen
doortrokken, geheel verzadigd met godsdienstige voorstellingen. Daar is

Page 166

geen ding en geen handeling, waarin niet voortdurend de betrekking tot
Christus en het geloof wordt gelegd. Maar in die oververzadigde atmosfeer
is de religieuze spanning, de daadwerkelijke transcendentie, het uittreden
uit het hier-en-dit niet steeds aanwezig. Blijft die spanning uit, dan verdooft
alles tot schrikwekkende alledaagsche onheiligheid, een verbazende
deeszijdigheid in geenzijdige vormen. Zelfs bij een subliemen heilige als
Heinrich Suso, bij wien de religieuze spanning misschien geen oogenblik te
kort schoot, blijft toch de val naar het ridicule niet uit. Subliem, wanneer
hij, gelijk de ridder Boucicaut het om der wille van een aardsche geliefde
deed, allen vrouwen eer bewijst om Maria, en voor een arme terzijde in het
slijk treedt. Hij volgt de gebruiken der aardsche min, en viert den jaarsdag
en den Meidag zijn liefde voor de Wijsheid, zijn bruid, met een krans en
een liedje. Hoort hij een minneliedje, dan past hij het terstond toe op zijne
Wijsheid. Maar wat van het volgende? Aan tafel placht Suso, als hij een
appel at, dien in vieren te snijden: drie partjes at hij in naam der
Drieëenheid en het vierde at hij "in der minne, als diu himelsch muter irem
zarten kindlein Jesus ein epfelli gab ze essen", en daarom at hij dat vierde
partje met de schil, want kleine jongens eten appels ongeschild. En eenige
dagen na Kerstmis,—dus als het Jezuskind nog te klein was om appels te
eten, zal de bedoeling zijn,—at hij dat vierde partje niet, maar offerde het
aan Maria, om het aan haar zoon te geven. Zijn dronk nam hij in vijf
teugen, om de vijf wonden des Heeren, maar omdat uit Christus' zijde bloed
en water vloeide, nam hij den vijfden teug dubbel.[459]—Ziedaar het
'Heiligen aller Lebensbeziehungen' in zijn uiterste doorvoering.
Afgezien voorloopig van den graad van innigheid, en enkel beschouwd als
godsdienstige vormen, is er in de vroomheid der late Middeleeuwen zeer
veel, wat zich voordoet als woekeringen van het godsdienstig leven, mits
men dat begrip niet opvat van een protestantsch-dogmatisch standpunt. Er
was, afgezien van de qualitatieve veranderingen, die zij meebrachten, in de
Kerk een quantitatieve vermeerdering van gebruiken en begrippen ontstaan,
die de ernstige godgeleerden met schrik vervulde. Het is niet zoozeer tegen
de onvroomheid of bijgeloovigheid van al het nieuwe, dat zich opdrong, als
tegen de overlading van het geloof op zich zelf, dat de reformgeest der
vijftiende eeuw zich keert. De teekens der altijd bereide goddelijke genade
waren altijd meer geworden; naast de sacramenten bloeiden aan alle zijden
de benedicties; van de relieken kwam men tot de amuletten, de kracht van

Page 167

het gebed werd geformaliseerd in de rozenkransen, de bonte galerij der
heiligen kreeg altijd meer kleur en leven. En al ijverde de theologie voor
een goede onderscheiding van sacramenten en sacramentaliën, welk middel
was er, om het volk te weerhouden, op al dat magische en bonte hun hoop
en geloof te vestigen? Gerson had te Auxerre iemand ontmoet, die
beweerde, dat het Dwazenfeest, waarmee in kerken en kloosters de
wintermaand gevierd werd, even geheiligd was als dat van Mariae
ontvangenis.[460] Nicolas de Clemanges schreef een tractaat tegen het
instellen en vieren van nieuwe feesten; er waren er van die nieuwe,
verklaarde hij, waarbij ongeveer de geheele liturgie van apocryphen aard
was, en met instemming gewaagt hij van den bisschop van Auxerre, die de
meeste feestdagen had afgeschaft.[461] Pierre d'Ailly richt zich in zijn
geschrift De reformatione[462] tegen de voortdurende vermeerdering van
kerken, feesten, heiligen, rustdagen, tegen den overvloed van beelden en
schilderijen, de al te groote uitvoerigheid van den dienst, het opnemen van
apocryphe geschriften in de liturgie der feesten, tegen de invoering van
nieuwe hymnen en gebeden of andere willekeurige nieuwigheden, tegen de
al te strenge vermeerdering van vigiliën, gebeden, vasten, onthoudingen. Er
was een neiging, om aan elk punt uit de vereering van de Moeder Gods een
specialen dienst te verbinden. Er waren bijzondere missen, later door de
Kerk afgeschaft, van Maria's vroomheid, van haar zeven smarten, van alle
Mariafeesten te zamen, van haar zusteren Maria Jacobi en Maria Salome,
van den engel Gabriel, van al de heiligen, die den geslachtsboom des
Heeren uitmaakten.[463] Verder zijn er te veel kloosterorden, zegt d'Ailly, en
dit leidt tot verscheidenheid van gebruiken, tot afzondering en hoogmoed,
tot ijdele verheffing van den éénen geestelijken staat boven den anderen.
Vooral de bedelorden wil hij beperken. Hun toestand is schadelijk voor de
leprozenhuizen en hospitalen en voor de andere echte armen en ellendige
behoeftigen, wien het recht en de ware titel des bedelens toekomt.[464] Hij
wil de preekende questierders van den aflaat uit de kerk verbannen, die haar
bezoedelen met hun leugens en haar belachelijk maken.[465] Waar moet het
heen met de voortdurende stichting van nieuwe vrouwenconventen zonder
voldoende middelen?
Men ziet, het is meer tegen het quantitatieve euvel, dat Pierre d'Ailly te
velde trekt, dan tegen het qualitatieve. Hij trekt, met uitzondering van zijn
schimp tegen den aflaatpreek, niet uitdrukkelijk de vroomheid en heiligheid

Page 168

van al die praktijken in twijfel; hem bezwaart hun ongebreideld aangroeien
als zoodanig; hij ziet de Kerk verstikken onder dien last van
bijzonderheden. Toen Alanus de Rupe zijn nieuwe broederschap van den
rozenkrans propageert, richt zich het verzet ook meer tegen de nieuwigheid
op zich zelf dan tegen den inhoud ervan. Vertrouwend op de werking van
zulk een grootsche gebedsgemeenschap, als Alanus zich voorstelde, zou het
volk de voorgeschreven penitenties, de geestelijkheid de canonieke getijden
verwaarloozen. De parochiekerken zouden leegloopen, als de broederschap
enkel in de kerken der Franciscanen en Dominicanen vergaderde. Uit de
bijeenkomsten konden licht partijzucht en samenzweringen voortkomen. En
ten slotte verwijt men hem ook: het zijn droombeelden, phantasieën en
oudewijvenpraatjes, die de broederschap voor groote en wonderlijke
openbaringen verkoopt.[466]
De bijna mechanische wijze, waarop de heilige gebruiken zich neigden te
vermenigvuldigen, wanneer geen strenge autoriteit besnoeiend ingreep,
heeft een karakteristiek voorbeeld in de wekelijksche vereering der
Onnoozele kinderen. Aan de herdenking van den Bethlehemschen
kindermoord op 28 December verbond zich evenzeer allerlei half-heidensch
midwinter- bijgeloof als sentimenteele aandoening over den gruwel van dit
martelaarschap; de dag gold als een ongeluksdag. En nu plachten velen
gedurende het heele jaar den weekdag, waarop het laatst Onnoozele
kinderen gevallen was, als een ongeluksdag te ontzien. Men mocht dien dag
geen werk beginnen, geen tocht aanvaarden. De dag heette eenvoudig "les
Innocents" evenals het feest zelf. Lodewijk XI nam dit gebruik nauwgezet
in acht. De kroning van Eduard IV werd nog eens overgedaan, omdat men
haar eerst op den ongelukkigen dag der week had verricht. René van
Lotharingen moest van een gevecht afzien, omdat zijn landsknechten
weigerden, op grond dat het de weekdag van Onnoozele kinderen was.[467]
Johannes Gerson neemt uit dit gebruik de aanleiding tot een tractaat tegen
het bijgeloof in het algemeen en dit in het bijzonder.[468] Hij is een dergenen
geweest, die het gevaar van die woekering der godsdienstige denkbeelden
voor het kerkelijk leven duidelijk hebben gezien. Met zijn scherpen, ietwat
nuchteren geest ziet hij ook iets van den zielkundigen grond voor het
opkomen van al die denkbeelden. Zij spruiten voort "ex sola hominum
phantasiatione et melancholica imaginatione"; het is een bederf van de

Page 169

verbeeldingskracht; deze berust op een inwendig hersenletsel, en dit weer
op duivelsche begoocheling. Zoo krijgt de duivel toch nog zijn deel.
Het is een proces van voortdurende herleiding van het oneindige tot
eindigheden, een uiteenvalling van het wonder in atomen. Aan elk heiligste
mysterie hecht zich, als een korst van schelpen aan een schip, een
aangroeisel van uiterlijke geloofselementen, die het ontwijden. De
ontzaglijke doordrongenheid van het wonder der eucharistie plant zich aan
de oppervlakte voort in het nuchterste en materieelste bijgeloof: bij
voorbeeld dat men op den dag, waarop men mis gehoord heeft, niet blind
kan worden of een beroerte krijgen, dat men gedurende den tijd, dat men de
mis hoort, niet ouder wordt.[469] De Kerk heeft er voortdurend tegen te
waken, dat God niet al te zeer op aarde wordt gebracht. Zij verklaart het
kettersch, te beweren, dat Petrus, Johannes en Jacobus bij Christus'
transfiguratie het goddelijk wezen even klaar hadden gezien, als zij het nu
doen in den hemel.[470] Het was godslastering, dat een der navolgsters van
Jeanne d'Arc beweerde, God gezien te hebben in een lang wit kleed met een
rood overkleed.[471] Doch kon het volk het helpen, dat het niet de fijne
onderscheidingen wist te maken, die de theologie voorschreef, waar de
Kerk zooveel bonte stof aan de verbeelding bood?
Gerson zelf hield zich niet vrij van het euvel, dat hij bestreed. Hij verheft
zijn stem tegen de ijdele nieuwsgierigheid,[472] en bedoelt daarmee den
geest van onderzoek, die de natuur wil leeren kennen in haar uiterste
geheimen. Maar hij zelf wroet met onbescheiden nieuwsgierigheid in de
kleinste uiterlijke bijzonderheden der heilige dingen. Zijn bijzondere
vereering voor den heiligen Joseph, voor wiens feest hij op allerlei wijzen
werkt, maakt hem benieuwd, om alles van Joseph te weten. Hij verdiept
zich in al de bijzonderheden van diens huwelijk met Maria, hun
samenleven, zijn onthouding, hoe hij haar zwangerschap leerde kennen, hoe
oud hij was. Van de caricatuur, die de kunst van Joseph dreigde te maken:
den ouden slovenden man, zooals Deschamps hem beklaagde, wil Gerson
niet weten: Joseph was nog geen vijftig jaar, zegt hij.[473] Elders veroorlooft
hij zich een bespiegeling over de lichamelijke samenstelling van Johannes
den Dooper: "semen igitur materiale ex qua corpus compaginandum erat,
nec durum nimis nec rursus fluidum abundantius fuit".[474] De beroemde
volksprediker Olivier Maillard pleegt zijn gehoor na de inleiding te

Page 170

onthalen op "une belle question théologale", bij voorbeeld, of de Maagd zoo
actief had meegewerkt tot de ontvangenis van Christus, dat zij waarlijk
Moeder Gods mocht heeten; of het lichaam van Christus asch zou zijn
geworden, indien de opstanding niet tusschenbeide gekomen ware.[475] De
strijdvraag over Maria's onbevlekte ontvangenis, waarin de Dominicanen
tegen de wassende volksbehoefte in, die de Maagd van aanvang af vrij van
de erfzonde wilde zien, de ontkennende partij hielden, veroorzaakte een
vermenging van theologische en embryologische bespiegeling, die ons
weinig stichtelijk voorkomt. En zoo hardnekkig overtuigd waren de
ernstigste godgeleerden van het gewicht hunner argumenten, dat zij zich
niet ontzagen, het dispuut in preeken voor het groote publiek te brengen.
[476]
Als zoo de geest van de ernstigsten was gericht, hoe kon het dan
anders, of over een groot levensgebied moest zich door die voortgezette
uitwerking in bijzonderheden al het heilige oplossen in een alledaagschheid,
waaruit men zich slechts bij vlagen tot de ontzaglijke huivering over het
wonder verhief?
De gemeenzaamheid, waarmee men in het dagelijksch leven met God
handelde, moet van twee kanten worden bezien: het is even goed de
volstrekte vastheid en onmiddellijkheid van het geloof, die daaruit spreken,
als de schade, die dat geloof leed door zijn volkomen afvloeiing in alle
dingen van het gewone leven. Juist het innigste mysterie, de eucharistie,
lijdt voortdurend het gevaar der profanatie. Zoo ongeschokt was het geloof
aan het miswonder en de rechtgeloovige vereenzelviging der drie personen
van de Drieëenheid, dat men de gewijde hostie eenvoudig God noemde.
Zoo ontstaat een spraakgebruik, dat ons profaner schijnt dan het voor den
middeleeuwschen geest was. Een reiziger stijgt even af, en gaat een
dorpskerk binnen "pour veoir Dieu en passant". Van den priester heet het:
"quand il eut levé Dieu et calice"; gaat hij met de hostie op een ezel zijns
weegs, dan spreekt men van "un Dieu sur un asne".[477] Wekken deze
voorbeelden door de bron, waaraan zij zijn ontleend: de Cent nouvelles
nouvelles, wellicht de verdenking van een onvrome bedoeling (ik zie er
enkel het gemeenzame spraakgebruik in), deze is uitgesloten bij het
volgende uit Le livre du chevalier de la Tour-Landry pour l'enseignement de
ses filles, waar van een dame gezegd wordt: "Sy cuidoit transir de la mort,
et se fist apporter beau sire Dieux."[478] "Veoir Dieu" was een gangbare
term voor het zien heffen van de hostie.[479] —Zoodra nu de smaak van het

Page 171

wonder even uitbleef, welk een ontwijding bracht dan zulk een
spraakgebruik mede! Dan was het maar een kleine val tot gedachtenlooze
gemeenzaamheden als het spreekwoord: "Laissez faire à Dieu, qui est
homme d'aage",[480] of Froissart's: "et li prie à mains jointes, pour si hault
homme que Diex est."[481]
Hoe zulk een spraakgebruik "Dieu" voor de hostie het godsgeloof zelf
contamineeren kon, bewijst een geval als het volgende. De bisschop van
Coutances draagt een mis op in de kerk van Saint Denis. Toen hij het
lichaam des Heeren gaat heffen, vermaant men Hugues Aubriot, den prévôt
van Parijs, die de kapel rondwandelde, waar de mis gevierd werd, om te
aanbidden. Maar Hugues, een bekend esprit fort, antwoordt met een vloek,
dat hij niet geloofde in den God van zoo'n bisschop, die aan het hof
woonde.[482]
Een treffend voorbeeld van bijna onbeschaamde gemeenzaamheid met het
heilige, waar toch aan een spottende bedoeling niet valt te denken, zijn de
Mariabeeldjes, zooals de Bourgondische hertogen er een bezaten, die een
variant opleveren van het oud-hollandsche drinkvaatwerk, dat Hansje in den
kelder genoemd werd. Het was een klein gouden beeldje, rijk met
edelsteenen versierd, waarvan de buik open kon, waarbinnen men de
Drieëenheid zag.[483] Gerson zag er een bij de Carmelieten te Parijs, en
keurt het af, maar niet wegens de onvroomheid doch om de ketterij, die erin
gelegen was, de geheele Drieëenheid als de vrucht van Maria's schoot voor
te stellen.[484]
Het geheele leven was zoo doortrokken van godsdienst, dat de afstand
tusschen het aardsche en het geestelijke ieder oogenblik dreigt te loor te
gaan. Wordt aan den eenen kant alles van het gewone leven in de heilige
oogenblikken opgetrokken in wijding, aan den anderen kant wordt het
heilige voortdurend in de sfeer van het alledaagsche gehouden door zijn
onoplosbare vermenging met het dagelijksch leven. Hierboven werd
gesproken van het kerkhof der Innocents te Parijs, die afzichtelijke kermis
des doods met de doodsbeenderen al rondom opgetast en uitgestald. Kan
men zich iets vreeselijkers denken dan het leven van de kluizenares,
ingemetseld tegen den kerkmuur op die plaats der verschrikking? Maar lees
nu, hoe de tijdgenooten erover spreken: de recluses woonden er in een
keurig nieuw huisje, zij werden ingemetseld met een mooie preek, zij

Page 172

kregen van den koning een bezoldiging van acht pond 's jaars in acht
termijnen.[485] Alles alsof het gewone hofjesjuffrouwen waren. Waar blijft
het religieuze pathos? Waar blijft het, als er een aflaat wordt verbonden aan
de gewoonste huiselijke werkzaamheden: het aanmaken van den oven, het
melken van een koe, het uitboenen van een pot.[486] Bij een verloting te
Bergen-op-Zoom in 1518 waren naast elkaar "costelijcke prijsen" en aflaten
te winnen.[487] Bij de vorstelijke intochten prijkten op de hoeken der straten
afwisselend met de zinrijke vertooningen, dikwijls van heidensche
naaktheid, de kostbare reliekschrijnen der stad op altaren, bediend door
prelaten en den vorst om eerbiedig te kussen aangeboden.[488]
Die oogenschijnlijke ongescheidenheid van de religieuze en de wereldlijke
sfeer wordt het levendigst uitgedrukt door het overbekende feit, dat de
wereldlijke melodie steeds onveranderd dienen kan voor den kerkelijken
zang en omgekeerd. Guillaume Dufay componeert zijn missen op thema's
van wereldlijke liederen als "Tant je me déduis, Se la face ay pale, L'omme
armé."
Er is een voortdurend wisselverkeer tusschen de godsdienstige en
wereldlijke terminologie. Zonder aanstoot ontleent men de uitdrukking voor
aardsche dingen aan den godsdienst en omgekeerd. Boven den ingang van
de Rekenkamer te Rijssel prijkte een vers, dat aan iedereen herinnerde, hoe
hij eenmaal rekenschap zou hebben af te leggen van zijn hemelsche gaven,
voor God:
"Lors ouvrira, au son de buysine
Sa générale et grant chambre des comptes."[489]
Omgekeerd heette het in den plechtigen oproep tot een tournooi, alsof het
een plechtigheid met aflaat was:
"Oez, oez, l'oneur et la louenge
Et des armes grantdisime pardon."[490]
Het was toeval, dat in het woord "mistère" mysterium en ministerium waren
dooreengeloopen, maar deze homonymie kon niet anders dan de
verzwakking van het mysteriebesef in het dagelijksch spraakgebruik

Page 173

bevorderen: alles heette mistère, bij voorbeeld de eenhoren, de schilden en
de pop, die bij den Pas d'armes de la fontaine des pleurs gebruikt waren.[491]
Als directe tegenkant van de godsdienstige symboliek: het duiden van alle
aardsche dingen en aardsche geschiedenis als zinnebeeld en praefiguratie
van het goddelijke, vindt men omgekeerd vorstenhulde gebracht in
godsdienstige metafoor. Zoodra het ontzag voor aardsche majesteit den
middeleeuwer aanvat, dient hem de taal der heilige aanbidding voor de
uitdrukking van zijn gevoel. De vorstendienaars der vijftiende eeuw staan
hier voor geen profanatie. In het pleidooi om den moord van Lodewijk van
Orleans laat de pleiter den geest van den vermoorden vorst tot zijn zoon
spreken: aanschouw mijn wonden, waarvan er vijf in het bijzonder wreed
en doodelijk waren.[492] Hij ziet het slachtoffer dus als Christus. De
bisschop van Chalons schroomt op zijn beurt niet, Jan zonder Vrees, die
door de wraak om Orleans viel, met het Lam Gods te vergelijken.[493]
Molinet vergelijkt keizer Frederik, die zijn zoon Maximiliaan zendt, om met
Maria van Bourgondië te trouwen, met God Vader, die den Zoon op aarde
zendt, en spaart geen vrome taal tot uitwerking van het geval. Wanneer later
Frederik en Maximiliaan met den jongen Philips den Schoone te Brussel
binnenkomen, laat Molinet de Brusselaars weenend zeggen: "Véez-ci figure
de la Trinité, le Père, le Fils et Sainct Esprit." Of wel hij biedt zijn
bloemkrans aan Maria van Bourgondië als waardig beeld van Onze Lieve
Vrouw, "behoudens de maagdelijkheid."[494]

"Niet dat ik de vorsten wil vergoden", zegt deze aartshoveling.[495]
Misschien is het inderdaad meer holheid en phrase dan werkelijk gevoelde
adulatie, maar het bewijst daarom niet minder de depreciatie van de heilige
voorstellingen door hun dagelijksch gebruik. Trouwens wat zal men den
hofpoëtaster verwijten, als Gerson zelf aan de vorstelijke hoorders van zijn
preeken speciale beschermengelen toekent van een hooger hiërarchie en
ambt dan die van andere menschen?[496]
In de toepassing van godsdienstige termen op het erotische, waarvan hier
boven reeds sprake was, heeft men natuurlijk met heel iets anders te doen.
Hier is een element van werkelijke onvroomheid en spot, dat in het zooeven
behandelde spraakgebruik niet aanwezig was; beide zijn slechts verwant, in
zooverre zij voortspruiten uit de groote gemeenzaamheid met het heilige.

Page 174

De vertellers der Cent nouvelles nouvelles verlustigen zich onvermoeid in
woordspeling op "saints" en "seins", en het gebruik van "dévotion,
confesser, bénir" in obscenen zin. De schrijver van Les Quinze joyes de
mariage kiest dien titel in navolging der vreugden van Maria.[497] Van de
voorstelling der liefde als een vrome observantie is hierboven gesproken.
Van ernstiger beteekenis nog is het, wanneer de verdediger van den Roman
de la rose met heilige termen noemt "partes corporis inhonestas et peccata
immunda atque turpia."[498] Hier is wel degelijk iets van die gevaarlijke
toenadering van het godsdienstige en het erotische voelen, die de Kerk in
dezen vorm hevig vreesde. Niets geeft wellicht die toenadering zoo
levendig te zien als de Antwerpsche Madonna, aan Fouquet toegeschreven,
voorheen in het koor der Lieve Vrouwenkerk te Melun als diptiek vereenigd
met het luik, dat den stichter Etienne Chevalier, tresorier des konings, met
den heiligen Stephanus vertoont, thans te Berlijn. Een oude traditie, in de
17e eeuw door den oudheidkundige Denis Godefroy opgeteekend, wil, dat
de Madonna de trekken van Agnes Sorel weergeeft, de koninklijke
maîtresse, voor wie Chevalier zijn hartstocht niet verborg. Het is inderdaad,
bij al de groote hoedanigheden der schildering, een modepop, die wij voor
ons zien, met het gebombeerde kaalgeschoren voorhoofd, de wijd
uiteenstaande, kogelronde borsten, het hooge dunne middel. De bizarrerie
van de hermetische gelaatsuitdrukking, de stijve roode en blauwe engelen,
alles werkt mee, om aan het schilderij een waas van décadente
goddeloosheid te geven, waarbij de forsche, slichte voorstelling van den
stichter en zijn heilige op het andere luik wonderlijk afsteekt. Godefroy zag
op het blauw fluweel eener breede lijst de naamletter E in parelen, telkens
verbonden door liefdestrikken (lacs d'amour) uit goud- en zilverdraad.[499]
Ligt in het geheel niet een blasphemische vrijmoedigheid met het heilige,
die door geen Renaissance-geest te overtreffen was?
De oneerbiedigheid van het dagelijksche kerkelijk leven was schier zonder
grenzen. Men beweert, dat bij de missen, op wereldlijke thema's
gecomponeerd, in den dienst zelfs de teksten dier profane liederen: baisez-
moi, rouges nez, tusschen den liturgischen tekst door werden gezongen.[500]
David van Bourgondië, de bastaard van Philips den Goede, houdt zijn
intrede als bisschop van Utrecht te midden van een krijgsgevolg van enkel
edelen, waarmee zijn broeder de bastaard van Bourgondië hem uit
Amersfoort is komen afhalen. De nieuwe bisschop zelf is geheel geharnast,

Page 175

alsof hij een veroverend wereldlijk vorst ware; zoo rijdt hij naar den dom,
en gaat er binnen in een processie met vanen en kruisen, om voor het
hoogaltaar te bidden.[501] Leg naast die Bourgondische onbeschaamde
hoovaardij de gemoedelijke onbeschaamdheid van Rudolf Agricola's vader,
den pastoor van Baflo, die op den dag, dat hij tot abt van Selwert was
gekozen, het bericht kreeg, dat hem uit zijn bijzit een zoon geboren was, en
zeide: "Heden ben ik tweemaal vader geworden; moge Gods zegen er op
rusten."[502]
De tijdgenooten beschouwen de toenemende oneerbiedigheid jegens de
kerk als een achteruitgang der zeden van den jongsten tijd.
"On souloit estre ou temps passé
En l'église benignement
A genoux en humilité
Delez l'autel moult closement,
Tout nu le chief piteusement,
Maiz au jour d'uy, si come beste,
On vient à l'autel bien souvent
Chaperon et chapel en teste."[503]
Op de feestdagen, klaagt Nicolaas van Clemanges, gaan maar weinigen
naar de mis. Zij hooren die niet tot het einde aan, en vergenoegen zich, even
het wijwater aan te raken, door een kniebuiging Onze Lieve Vrouw te
groeten, of een heiligenbeeld te kussen. Hebben zij de hostie zien heffen,
dan beroemen zij er zich op als een groote weldaad aan Christus. De metten
en den vesper viert de priester meestal met zijn helper alleen.[504]—De heer
van het dorp en patronaatsheer der kerk laat den priester kalm wachten met
de mis, tot hij en zijn vrouw zijn opgestaan en zich gekleed hebben.[505]
De heiligste feesten, de Kerstnacht zelf, worden in ongebondenheid
doorgebracht, met kaartspelen, vloeken en schandelijke taal; vermaant men
het volk, dan beroept het er zich op, dat de groote heeren, de klerken en
prelaten het ongestraft doen.[506] Op de vigiliën der feestdagen wordt in de
kerken zelf met losbandige liederen gedanst; priesters geven het voorbeeld,
om die nachtwaken door te brengen met dobbelspel en vloeken.[507] De raad
van Straatsburg schonk jaarlijks 1100 liter wijn voor hen, die in het Munster
den Sint Adolfsnacht "wakend en in gebed" doorbrachten.[508] Een stedelijk

Page 176

magistraat beklaagt zich bij Dionysius den Kartuizer, dat de jaarlijksche
processie, in zijn stad met een heilige reliquie verricht, de aanleiding was
tot tal van onbetamelijkheden en drinkgelagen. Hoe daar een einde aan te
maken? De magistraat zelf zou er niet gemakkelijk van te overtuigen zijn,
want de processie bracht de stad voordeel aan; zij bracht volk in de stad, dat
er moest overnachten, eten en drinken. En het was nu eenmaal zoo
gewoonte. Dionysius kende het euvel; hij wist, hoe tuchteloos men bij
processies optrad, pratende, lachende, onbeschaamd rondkijkende, belust op
drinken en ruw vermaak.[509] Het past wonderwel bij den optocht der
Gentenaren naar de kermis van Houthem met den schrijn van Sint Lieven.
Vroeger, zegt Chastellain, plachten de notabelen het heilig lichaam te
dragen "en grande et haute solempnité et révérence", maar nu is het "une
multitude de respaille et de garçonnaille mauvaise"; zij dragen hem
schreeuwend en joelend, zingend en dansend, onder honderd potsen, en
allen zijn dronken. Zij zijn gewapend bovendien, en veroorloven zich
overal waar zij langs komen de grootste losbandigheid; alles schijnt dien
dag aan hen overgeleverd onder voorwendsel van hun heiligen last.[510]
De kerkgang is een belangrijk element in het gezelschapsleven. Men komt
er pronken in zijn fraaisten dos, men komt er wedijveren in rang en
deftigheid, en in hoofsche vormen en beleefdheid. Vroeger is al vermeld,
[511] hoe het kussen van het "paesbord", "la paix", de vaste aanleiding was

tot den meest stotenden beleefdheidsstrijd. Als er een jonkertje binnenkomt,
staat mevrouw op en kust hem op den mond, terwijl de priester de hostie
wijdt en het volk te bidden ligt.[512] Praten en rondwandelen onder de mis
moeten zeer gewoon zijn geweest.[513] Het gebruik van de kerk als plaats
van samenkomst, waar de jongelieden naar de meisjes komen kijken, is zoo
algemeen, dat enkel de moralisten er zich over ergeren. De jeugd komt
zelden in de kerk, roept Nicolaas van Clemanges uit,[514] dan om de
vrouwen te zien, die er haar hoovaardige kapsels en haar décolleté komen
vertoonen. De eerbare Christine de Pisan dicht zonder ergernis:
"Se souvent vais ou moustier,
C'est tout pour veoir la belle
Fresche com rose nouvelle."[515]

Page 177

Het bleef niet bij de kleine liefdediensten, waartoe de dienst den vrijer
gelegenheid gaf: de beminde het wijwater te geven, haar de "paix" te reiken,
een kaarsje voor haar aan te steken en naast haar te knielen, niet bij wat
teekens en lonkjes.[516] In de kerk zelf komen de lichtekooien haar
afspraken zoeken.[517] In de kerken zelf en op heiligendagen zijn ontuchtige
prentjes te koop, die de jeugd bederven; en geen preeken helpt tegen het
kwaad.[518] Meer dan eens wordt de kerk en het altaar door ontuchtige
daden bezoedeld.[519]
Evenzeer als het gewone kerkbezoek was de bedevaart de aanleiding tot
allerlei vermaak en vooral tot verliefde besognes. Zij worden in de
litteratuur dikwijls als gewone pleizierreisjes behandeld. De ridder de la
Tour-Landry, die het ernstig meent met zijn onderricht aan zijn dochters in
goede en deugdzame manieren, spreekt van vermaaklievende dames, die
gaarne naar tournooien en pelgrimages gaan, en vertelt waarschuwende
exempelen van vrouwen, die een bedevaart ondernamen als voorwendsel tot
een samenkomst met den geliefde. "Et pour ce a cy bon exemple comment
l'on ne doit pas aler aux sains voiaiges pour nulle folie plaisance."[520] Juist
zoo beschouwt ze Nicolaas van Clemanges: men gaat op feestdagen naar
verafgelegen kerken van heiligen ter beevaart, minder om zijn gelofte te
lossen dan om des te vrijer af te dwalen. Het is een bron van velerlei
misdrijven; daar bij de heilige plaatsen zijn steeds de verfoeilijke
koppelaarsters aanwezig, om de meisjes te verlokken.[521] Het is het
gewone geval in de Quinze joyes de mariage: de jonge vrouw wil wel eens
een verzetje en bepraat haar man, dat het kind ziek is, omdat zij de
bedevaart nog niet heeft volbracht, waartoe zij in 't kraambed de gelofte
deed.[522] De voorbereiding tot het huwelijk van Karel VI met Isabella van
Beieren wordt ingeleid met een pelgrimage.[523] Geen wonder, dat de
ernstige mannen der moderne devotie in de bedevaarten weinig nut zien.
Die vele bedevaarten doen, worden zelden heilig, zegt Thomas a Kempis,
en Frederik van Heilo wijdt aan de zaak een afzonderlijk tractaat Contra
peregrinantes.[524]
In al deze ontwijdingen van het geloof door de onbeschaamde vermenging
met het zondige leven ligt meer naïeve gemeenzaamheid met den
godsdienst dan regelrechte onvroomheid. Enkel een samenleving, die
geheel doortrokken is van het godsdienstige, en die het geloof als iets

Page 178

vanzelfsprekends aanvaardt, kent al deze excessen en ontaarding. Het waren
dezelfde menschen, die de dagelijksche sleur van een half verliederlijkte
godsdienstpraktijk volgden, en die dan plotseling onder het vlammende
woord van een preekenden bedelmonnik vatbaar waren voor de uitersten
van heilige ontroering.
Zelfs een botte zonde als het vloeken komt enkel op uit een sterk geloof.
Want in zijn oorsprong als bewuste eed is de vloek het teeken van een tot in
de nietigste dingen aanwezig besef van de tegenwoordigheid van het
goddelijke. Alleen het besef van waarlijk den hemel te tarten geeft aan den
vloek zijn zondige bekoring. Eerst waar elk besef van te zweren en elke
vrees voor de vervulling van den vloek geweken is, verslapt het vloeken tot
de eentonige ruwheid van later tijden. In het laatst der Middeleeuwen heeft
het nog dien prikkel van driestheid en hoogmoed, die het maakt tot een
adellijke sport. "Wat,—zegt de edelman tot den boer—: je geeft je ziel aan
den duivel, en je verloochent God, terwijl je geen edelman bent?"[525]
Deschamps constateert, dat het vloeken reeds afdaalt tot de geringe lieden:
"Si chetif n'y a qui ne die:
Je renie Dieu et sa mère."[526]
Men wedijvert in pittige en nieuw gevonden vloeken; wie het liederlijkst te
vloeken weet, wordt als meester geëerd.[527] Eerst vloekte men, zegt
Deschamps, overal in Frankrijk op zijn Gasconsch en Engelsch, daarna op
zijn Bretonsch, en nu op zijn Bourgondisch. Hij rijmt twee balladen aaneen
van de gebruikelijke vloeken, om ze tot vromen zin te wenden. En de
Bourgondische vloek: "Je renie Dieu", is de ergste van allen;[528] men
verzacht hem tot: "Je renie de bottes". De Bourgondiërs hadden den naam
van aartsvloekers; trouwens Frankrijk in het algemeen, klaagt Gerson, lijdt,
zoo christelijk als het is, meer dan andere landen onder die afschuwelijke
zonde, die de oorzaak is van pestilentie, oorlogen en hongersnood.[529] Zelfs
de monniken doen met bastaardvloeken mee.[530] Hij wil, dat alle
autoriteiten en alle standen, door scherpe verordeningen en lichte straffen,
die dan ook werkelijk uitgevoerd kunnen worden, het kwaad helpen
uitroeien. En inderdaad verscheen in 1397 een koninklijke ordonnantie, die
de oude verordeningen tegen het vloeken van 1269 en 1347 hernieuwde;
niet met lichte en uitvoerbare straffen evenwel, maar met de oude

Page 179

bedreigingen van lippen kloven en tong afsnijden, waaruit de heilige
verontwaardiging over de godslastering sprak. In het register, dat de
ordonnantie bevat, staat er aan den rand bij aangeteekend: "Al deze vloeken
zijn heden ten dage, 1411, overal in het rijk zeer algemeen in gebruik,
zonder eenige straf."[531] Pierre d'Ailly dringt bij het concilie van
Constanz[532] opnieuw met nadruk aan op de bestrijding van het kwaad.
Gerson kent de beide uitersten, waartusschen de zonde van het vloeken zich
beweegt. Hij kende uit zijn ervaring als biechtvader de jongelieden, die
onbedorven, eenvoudig en kuisch, gekweld werden door een scherpe
verzoeking, om woorden van godverloochening en godslastering te spreken.
Hij beveelt hun aan, om zich niet geheel aan de beschouwing van God en
zijn heiligen over te geven; zij zijn er niet sterk genoeg toe.[533] Hij kent
ook de gewoontevloekers, zooals de Bourgondiërs, wier daad, hoe
verfoeilijk ook, toch niet de schuld van meineedigheid bevat, daar er in het
geheel geen bedoeling is, om te zweren.[534]
Het punt, waar de gewoonte om de dingen van het geloof lichtvaardig te
behandelen, overgaat in bewuste ongodsdienstigheid, is niet te bepalen. Er
is zonder twijfel in het laatst der Middeleeuwen een sterke neiging, om de
vroomheid en de vromen te bespotten. Men is gaarne esprit fort, en spreekt
tegen het geloof bij wijze van scherts.[535] De novellisten doen frivool en
onverschillig, zooals in het verhaal der Cent nouvelles nouvelles, waar de
pastoor zijn hond in gewijde aarde begraaft, en hem toespreekt: "mon bon
chien, a qui Dieu pardoint." De hond gaat dan ook "tout droit au paradis des
chiens."[536] Men heeft een grooten afkeer van gehuichelde of beuzelachtige
vroomheid: het woord "papelard" ligt hun in den mond bestorven. Het
veelgebruikte spreekwoord: "De jeune angelot vieux diable" of in fraai
schoollatijn: "Angelicus juvenis senibus sathanizat in annis" is Gerson een
doorn in het oog. Zoo bederft men de jeugd, zegt hij: men prijst in de
kinderen een onbeschaamd gelaat, vuile taal en vloeken, onkuischheid in
blik en gebaar. Maar, zegt hij: ik zie niet, wat er van den jongeling, die den
duivel speelt, te hopen valt in de grijsheid.[537]
Onder de geestelijken en godgeleerden zelf onderscheidt Gerson een groep
van onwetende praters en ruziemakers, wien elk gesprek over den
godsdienst een last en een fabel is; alles wat hun wordt meegedeeld van

Page 180

verschijningen en openbaringen, verwerpen zij met groot gelach en
verontwaardiging. Anderen vallen in het andere uiterste en nemen alle
inbeeldingen van ijlhoofdige menschen, droomen en wonderlijke gedachten
van zieken en krankzinnigen, als openbaringen aan.[538] Het volk weet
tusschen die uitersten het juiste midden niet te bewaren: zij gelooven alles,
wat zieners en waarzeggers voorspellen, maar, komt een ernstig geestelijke,
die dikwijls echte revelaties heeft gehad, eens bedrogen uit, dan
beschimpen de wereldsche lieden allen, die van geestelijken wandel zijn,
noemen hem een bedrieger en een "papelard", en willen voortaan naar geen
geestelijken meer luisteren, die zij voor boosaardige huichelaars houden.
[539]

Het is steeds weer het plotseling uitblijven van de religieuze spanning in
een met godsdienstigen inhoud en vormen oververzadigd gedachtenleven.
Door de heele Middeleeuwen heen vindt men talrijke gevallen van spontaan
ongeloof, waarbij niet te denken valt aan een afwijking van de kerkleer op
grond van theologische bespiegeling, maar enkel aan een onmiddellijke
reactie. Al beteekent het niet veel, wanneer dichters of geschiedschrijvers,
de enorme zonden van hun tijd ziende, uitroepen: men gelooft niet meer aan
hemel en hel,[540] bij meer dan een was het latente ongeloof bewust en vast
geworden, zoo zelfs dat het algemeen bekend was, en zij er zelf voor
uitkwamen. "Beaux seigneurs,—zegt de kapitein Bétisac tot zijn makkers,
[541]—je ay regarde à mes besongnes et en ma conscience je tiens

grandement Dieu avoir courrouchié, car jà de long temps j'ay erré contre la
foy, et ne puis croire qu'il soit riens de la Trinité, ne que le Fils de Dieu se
daignast tant abaissier que il venist des chieulx descendre en corps humain
de femme, et croy et dy que, quant nous morons, que il n'est riens de âme....
J'ay tenu celle oppinion depuis que j'eus congnoissance, et la tenray jusques
à la fin."—Hugues Aubriot, prévôt van Parijs, is een allervurigst
papenhater; hij gelooft niet aan het altaarsacrament, spot ermee, houdt geen
Paschen, gaat niet te biecht,[542] Jacques du Clercq verhaalt verschillende
gevallen van edelen, die hun ongeloof toonden en geheel bij kennis de
laatste sacramenten weigerden.[543] Jean de Montreuil, proost van Rijssel,
schrijft aan een zijner geleerde vrienden, meer in den luchtigen trant van
een verlichten humanist dan als een waarlijk vrome: "Ge kent onzen vriend
Ambrosius de Miliis; ge hebt dikwijls gehoord, hoe hij van den godsdienst,
van het geloof, van de heilige schrift en van alle kerkelijke voorschriften

Page 181

dacht, zóó namelijk, dat Epicurus er katholiek bij moest heeten. Welnu,
deze man is thans geheel bekeerd." Maar hij werd dan ook tevoren toch
geduld in dien kring van vroege humanisten vol vromen zin.[544]
Aan de eene zijde van deze spontane gevallen van ongeloof staat het
litteraire paganisme der Renaissance en het beschaafde en behoedzame
Epicurisme, dat reeds in de 13e eeuw, naar Averroës genoemd, in zoo wijde
kringen had gebloeid. Aan de andere zijde staat de hartstochtelijke negatie
bij de arme, onwetende ketters, die allen, hoe zij ook heeten, Turlupins of
Broeders van den vrijen geest, de grenzen van de mystiek naar het
pantheïsme hadden overschreden. Doch deze verschijnselen moeten in een
later verband ter sprake komen. Voorloopig hebben wij nog te blijven in de
sfeer van de uiterlijke geloofsverbeelding en de uiterlijke vormen en
gebruiken.

Voor het dagelijksch besef van den grooten hoop maakte de aanwezigheid
van een zichtbaar beeld het intellectueel bewijs van de waarheid van het
afgebeelde volkomen overbodig. Tusschen hetgeen men in kleur en vorm
afgebeeld voor zich zag: de personen der Drieëenheid, de vlammende hel,
de tallooze heiligen, en het gelooven daaraan lag geen vraag: zou het waar
zijn? Al die voorstellingen werden onmiddellijk als verbeeldingen tot
geloof; zij stonden in den geest vast omlijnd en bont gekleurd, met al de
realiteit, die de Kerk in het geloof eischen kon, en nog wat daarenboven.
Doch waar het geloof direct berust op een beeldvoorstelling, kan het
nauwelijks qualitatieve onderscheidingen maken tusschen den aard en den
graad van heiligheid der verschillende geloofselementen. Het eene beeld is
zoo reëel en zoo ontzagbaar als het andere, en dat men God te aanbidden
heeft en de heiligen slechts te vereeren, leert de afbeelding zelf niet, als niet
de Kerk met haar leering er voortdurend toe vermaant. Nergens dreigde de
overwoekering van de vrome gedachte door de bonte verbeelding zoo
aanhoudend en zoo sterk, als op het gebied der heiligenvereering.
Het strenge standpunt van de Kerk was zuiver en hoog genoeg. Gegeven de
voorstelling van het persoonlijk voortbestaan, was de vereering der heiligen
natuurlijk en zonder bedenking. Het is geoorloofd, hun lof en eer toe te
kennen "per imitationem et reductionem ad Deum". Op dezelfde wijze mag

Page 182

men ook vereering schenken aan beelden, relieken, heilige plaatsen en aan
God gewijde dingen, voorzoover het ten slotte leidt tot vereering van God
zelf.[545] Ook de technische onderscheiding van den heilige en den gewonen
gezaligde, en de normeering van het instituut der heiligheid door de
officieele canonisatie hadden, schoon een bedenkelijke formaliseering, toch
niets wat tegen den geest van het christendom streed. De Kerk bleef zich
bewust van de oorspronkelijke gelijkwaardigheid van heiligheid en
zaligheid, en van het ontoereikende der heiligverklaring. "Het is te
gelooven,—zegt Gerson,—dat er oneindig meer heiligen gestorven zijn en
dagelijks sterven, dan zij die gecanoniseerd zijn." [546] De geoorloofdheid
der beelden zelf tegenover de uitdrukkelijke woorden van het tweede gebod
werd betoogd met het beroep, dat vóór de menschwording van Christus het
verbod noodzakelijk was geweest, omdat God toen enkel geest was, maar
dat Christus de oude wet had opgeheven door en wegens zijn komst op
aarde. Aan de rest van het tweede gebod: "Non adorabis ea neque coles",
wenschte de Kerk onvoorwaardelijk vast te houden. "Wij aanbidden de
beelden niet, doch brengen eer en adoratie aan den afgebeelde, dat wil
zeggen aan God, of aan zijn heilige, wiens beeld het is."[547] De beelden
dienen alleen, om aan de eenvoudigen, die de schrift niet kennen, te toonen,
wat zij moeten gelooven.[548] Zij zijn de boeken der onwetenden:[549] men
kent die gedachte uit het gebed aan Maria, dat Villon voor zijn moeder
maakte:
"Femme je suis pourette et ancienne,
Qui riens ne sçai; oncques lettre ne leuz;
Au moustier voy dont suis paroissienne
Paradis paint, où sont harpes et luz,
Et ung enfer où dampnez sont boulluz:
L'ung me fait paour, l'autre joye et liesse"....[550]
Dat door het openleggen van het boek der bonte beelden aan den dolenden
geest evenveel stof tot afwijking van de leer werd geboden, als de
persoonlijke schriftverklaring kon meebrengen, heeft de Kerk nimmer
verontrust. Zij heeft altijd licht geoordeeld over de zonde van hen, die uit
onwetendheid en eenvoudigheid tot aanbidding der beelden vervielen. Het
is hun reeds genoeg, zegt Gerson, als zij maar de bedoeling hebben om te
doen, zooals de Kerk doet in het eeren der beelden.[551]

Page 183

De zuiver dogmenhistorische vraag, in hoeverre de Kerk haar verbod van
directe vereering of zelfs aanbidding der heiligen, niet als voor bidders
maar als bewerkers van het gevraagde, altijd zuiver heeft weten te
handhaven, kan hier blijven rusten. De cultuurhistorische vraag is, in
hoeverre zij erin slaagde, het volk daarvan af te houden, met andere
woorden welke realiteit, welke voorstellingswaarde de heiligen hadden in
het laat-middeleeuwsche volksbesef. En hier is maar één antwoord
mogelijk: de heiligen waren zoo wezenlijke, zoo materieele en zoo
gemeenzame figuren in het alledaagsche geloofsleven, dat zich aan hen al
de meer oppervlakkige en zinnelijke godsdienstige impulsen verbonden.
Terwijl de innigste gemoedsbewegingen uitstroomden naar Christus en
Maria, kristalliseerde zich in de heiligenvereering een heele schat van
gemoedelijk, naïef en alledaagsch godsdienstig leven. Alles werkte mede,
om aan de populaire heiligen een wezenlijkheid voor den geest te geven, die
hen voortdurend midden in het leven bracht. De volksverbeelding heeft hen
vast: zij hebben hun bekende gedaante en hun attributen, men kent hun
ijselijke martelie en hun verbazende wonderen. Zij gaan gekleed en
uitgerust als het volk zelf. Men kon mijnheer Sint Rochus of Sint Jacob
iederen dag in levende pestlijders of pelgrims ontmoeten. Het zou van
belang zijn, na te gaan, tot hoe lang de kleederdracht der heiligen de mode
van den dag heeft meegemaakt. Zeker die der geheele vijftiende eeuw. Maar
waar is het punt, waarop de kerkelijke kunst hen onttrekt aan de levende
volksverbeelding, door hen te hullen in rhetorische drapeering? Het is niet
alleen een kwestie van Renaissance-gevoel voor historisch costuum; het is,
dat de volksverbeelding zelf hen begint los te laten, of althans zich niet
meer kan doen gelden in de kerkelijke kunst. Tijdens de contrareformatie
zijn de heiligen veel treden hooger geklommen, naar de Kerk het wilde:
weg uit de aanraking met het volksleven.
De lijfelijkheid, die de heiligen reeds hadden door de afbeelding, werd nog
buitengewoon verhoogd doordat de Kerk van oudsher de vereering van hun
lichamelijke overblijfselen had toegestaan en aangemoedigd. Het kon niet
anders, of van dit hechten aan de stof moest een materialiseerende invloed
op het geloof uitgaan, die somtijds tot verbazingwekkende uitersten leidde.
Waar het relieken geldt, vreest het sterke geloof der Middeleeuwen voor
geen ontnuchtering of ontwijding. Het volk in de bergen van Umbrië
omstreeks het jaar 1000 wilde den kluizenaar Sint Romuald doodslaan, om

Page 184

toch zijn gebeente niet te verliezen. De monniken van Fossanuova, waar
Thomas van Aquino gestorven was, hebben, uit vrees dat hun de kostbare
reliek zou ontgaan, het lijk van den edelen meester letterlijk ingemaakt: van
het hoofd ontdaan, gekookt, geprepareerd. [552] Toen de heilige Elisabeth
van Thüringen boven aarde stond, kwam een schaar van devoten niet alleen
stukken snijden of scheuren van de doeken, waarmee haar gelaat
omwikkeld was; men sneed de haren en nagels af, ja zelfs stukken van de
ooren en de tepels van de borsten.[553] Ter gelegenheid van een plechtig
feest deelt Karel VI ribben uit van zijn voorvader den heiligen Lodewijk:
aan Pierre d'Ailly, aan zijn ooms van Berry en Bourgondië, en aan de
prelaten een been om te verdeelen, waartoe dezen dan ook overgaan na den
maaltijd.[554]
Hoe levend en hoe lijfelijk nu ook de voorstelling der heiligen was,
niettemin treden zij betrekkelijk weinig op in de sfeer van de
bovennatuurlijke beleving. Het geheele gebied van geestenzienerij,
teekenen, verschijningen en spooksels staat grootendeels gescheiden van de
verbeeldingssfeer der heiligenvereering. Er zijn natuurlijk uitzonderingen.
Iedereen denkt terstond aan Sint Michiel, Sint Catharina en Sint Margareta,
die aan Jeanne d'Arc verschenen. Zoo zouden er uit de visionaire litteratuur
nog tal van andere voorbeelden zijn aan te halen. Maar in den regel heeft
men daar te doen met eenigszins litterair geformeerde of geïnterpreteerde
gezichten. Wanneer aan den jongen herder te Frankenthal bij Bamberg in
1446 de veertien heilige noodhelpers verschijnen, dan ziet hij dezen, die
toch in de iconografie zulke markante figuren waren,[555] niet met hun
sprekende attributen, maar als veertien engelkindertjes, onderling geheel
gelijk; zij zeggen, dat zij de veertien noodhelpers zijn. De fantasmagorie
van het directe volksgeloof is gevuld met engelen en duivelen, geesten van
afgestorvenen en witte wijven, maar niet met heiligen. Slechts bij
uitzondering speelt in het echte, niet litterair of theologisch aangekleede
bijgeloof de heilige een rol. Sint Bertulf doet het te Gent. Als er iets ernstigs
gaat gebeuren, klopt hij tegen zijn kist in de Sint Pieters abdij "moult dru et
moult fort". Het gaat soms gepaard met een lichte aardbeving, en verschrikt
de stad zoo, dat zij met groote ommegangen het onbekende onheil zoekt te
keeren.[556] In het algemeen echter hecht zich de klamme vrees aan de
slechts vaag verbeelde figuren, die niet met vaste attributen, bekende
trekken en gezellig bonte kleedij in de kerken uitgehouwen en geschilderd

Page 185

stonden, maar met een ongezien schrikgelaat in een nevelige wade
rondwaarden, of in louter hemelglans zich vertoonden, of in monsterlijk
verschietende wanvormen uit de schuilhoeken van het brein opdoken.
Dit behoeft niet te verbazen. Juist doordat de heilige zoo exacten vorm had
aangenomen, zooveel verbeeldingsstof had aangetrokken en rondom zich
gekristalliseerd, miste hij de huiveringwekkende geheimzinnigheid. De
vrees voor het bovennatuurlijke ligt in de onbepaaldheid der voorstelling, in
de verwachting, dat iets plotseling zich in een nieuwe, nooit ontwaarde
schrikwekkendheid zou kunnen vertoonen. Zoodra de voorstelling wordt
omlijnd en bepaald, ontstaat een gevoel van verzekerdheid en
gemeenzaamheid. De heiligen met hun welbekende figuren hadden het
geruststellende van een politieagent in een groote vreemde stad. De
heiligenvereering en vooral de heiligenverbeelding schiep als 't ware een
neutrale zone van gemoedelijk rustig geloof tusschen de verrukkingen van
het God-schouwen en de zoete huiveringen van de Christusliefde
eenerzijds, en anderzijds de gruwelijke fantasmen van de duivelvrees en
den heksenwaan. Men zou de stelling kunnen wagen, dat de
heiligenvereering, door veel zaligheidsgevoel en veel angsten af te leiden en
te herleiden tot gemeenzame verbeelding, een zeer hygiënische tempering
heeft opgeleverd voor den wild uitschietenden geest der Middeleeuwen.
Door die volkomen ver-beelding heeft de heiligenvereering haar plaats aan
den buitenkant van het geloofsleven. Zij gaat mee op den stroom van het
alledaagsche denken, en verliest daarin soms haar waardigheid.
Karakteristiek is in dit opzicht de laat-middeleeuwsche Joseph-vereering.
Men kan haar beschouwen als een gevolg en een terugslag van de
hartstochtelijke Maria-vereering. De onbescheiden belangstelling voor den
stiefvader is als 't ware de tegenkant van al de liefde en verheerlijking, die
de maagdelijke Moeder gold. Naarmate Maria hooger steeg, werd Joseph
meer caricatuur. De beeldende kunst gaf hem reeds een type, dat
bedenkelijk dicht naderde tot dat van den lompen, bespotten boer. Zoo ziet
men hem op Melchior Broederlam's tweeluik te Dijon. Maar in de
beeldende kunst bleef het ontwijdendste onuitgedrukt. Welk een naïeve
nuchterheid vertoont de Joseph-opvatting van Eustache Deschamps, die
hierin toch volstrekt niet als een onvrome spotter te beschouwen is. Joseph,
die Gods Moeder dienen mocht en haar zoon opvoeden, men zou meenen,

Page 186

dat geen sterveling hooger begenadigd is geweest. Deschamps gelieft hem
te zien als het type van den slovenden, beklagenswaardigen huisvader:
"Vous qui servez a femme et a enfans
Aiez Joseph toudis en remembrance;
Femmes servit toujours tristes, dolans.
Et Jhesu Crist garda en son enfance;
A piè trotoit, son fardel sur sa lance;
En plusieurs lieux est figuré ainsi,
Lez un mulet, pour leur faire plaisance,
Et si n'ot oncq feste en ce monde ci."[557]
Was het enkel, om huisvaders in zorgen met een edel voorbeeld te troosten,
dan zou het nog gaan, wat er ook aan waardigheid der voorstelling ontbrak.
Maar Deschamps bedoelt Joseph regelrecht als afschrikkend voorbeeld, om
zich toch niet met een gezin te belasten:
"Qu'ot Joseph de povreté
De durté,
De maleurté,
Quant Dieux nasqui?
Maintefois l'a comporté,
Et monté
Par bonté
Avec sa mère autressi,
Sur sa mule les ravi;
Je le vi
Paint ainsi;
En Egipte en est alé.
Le bonhomme est painturé
Tout lassé,
Et troussé,
D'une cote et d'un barry:
Un baston au coul posé,
Vieil, usé
Et rusé.
Feste n'a en ce monde cy,

Page 187

Mais de lui
Va le cri:
C'est Joseph le rassoté."[558]
Hier ziet men voor oogen, hoe uit de gemeenzame afbeelding een
gemeenzame opvatting groeide, die elke heiligheid schond. Joseph bleef in
de volksverbeelding een half-komische figuur; nog dr. Johannes Eck moest
erop aandringen, dat men hem in het kerstspel of in het geheel niet, of
althans op betamelijker wijze zou voorstellen, en hem geen pap zou laten
koken, "ne ecclesia Dei irrideatur."[559] Tegen deze onwaardige
woekeringen was de beweging van Gerson voor een passende Joseph-
vereering gericht, die tot zijn opneming in de liturgie met voorrang boven
alle andere heiligen leidde.[560] Wij zagen echter boven reeds, hoe ook
Gerson's ernstig streven hem niet vrijhoudt van die onbescheiden curiositas,
die aan het onderwerp van Joseph's huwelijk haast onvermijdelijk
verbonden scheen. Voor een nuchteren geest (en Gerson, ondanks zijn
voorliefde voor de mystiek, was in veel opzichten een nuchtere geest)
mengden zich altijd weer in de beschouwing van Maria's huwelijk
overwegingen van zeer aardschen inhoud. De ridder de la Tour-Landry, ook
een type van nuchter welmeenend geloof, ziet het geval onder dit licht.
"Dieux voulst que elle espousast le saint homme Joseph, qui estoit vieulx et
preudomme; car Dieu voulst naistre soubz umbre de mariage pour obéir à la
loy qui lors couroit, pour eschever les paroles du monde,"[561]—
Een onuitgegeven werk der vijftiende eeuw verbeeldt het mystisch huwelijk
der ziel met den hemelschen bruidegom in de termen van een burgerlijke
vrijaadje. Jezus, de bruidegom, zegt tot God Vader: "S'il te plaist, je me
mariray et auray grant foueson d'enfans et de famille." De Vader maakt
bezwaren, want de keuze des Zoons is gevallen op een zwarte Ethiopische;
hier speelt het woord van het Hooglied onder: "Nigra sum sed formosa".
Het zou een mésalliance zijn en een oneer voor de familie. De engel, die als
hijlikmaker optreedt, doet een goed woord voor de bruid. "Combien que
ceste fille soit noire, neanmoins elle est gracieuse, et a belle composicion de
corps et de membres, et est bien habile pour porter fouezon d'enfans." De
Vader antwoordt: "Mon cher fils m'a dit qu'elle est noire et brunete. Certes
je vueil que son espouse soit jeune, courtoise, jolye, gracieuse et belle et
qu'elle ait beaux membres." Nu prijst de engel haar aangezicht en al haar

Page 188

leden, dat zijn de deugden der ziel. De Vader geeft zich gewonnen, en
spreekt tot den Zoon:
"Prens la, car elle est plaisant
Pour bien amer son doulx amant;
Or prens de nos biens largement,
Et luy en donne habondamment."[562]
Aan den ernst en de stichtelijke bedoeling van dit werk valt geen oogenblik
te twijfelen. Het is enkel een bewijs, tot welke triviale voorstellingen de
onbeteugelde uitwerking der verbeelding leiden kon.
Iedere heiligenfiguur had door haar welbepaald, direct sprekend beeld een
individueel karakter,[563] in tegenstelling met de engelen, die met
uitzondering der drie groote aartsengelen volkomen onverbeeld bleven. De
individualiteit der heiligen werd nog versterkt door de speciale functie, die
aan verscheiden hunner toekwam: tot dezen wendde men zich in een
bepaalden nood, tot genen om genezing eener bepaalde ziekte. Veelal had
een trek uit de legende of een attribuut van het beeld de aanleiding gegeven
tot die specialiseering, zooals bij voorbeeld, als Sinte Apollonia tegen
kiespijn werd aangeroepen, wie zelve in haar martelie de kiezen waren
uitgetrokken. Was eenmaal de goedgunstige taak der heiligen zoo
verbijzonderd, dan kon het niet uitblijven, of er kwam in hun vereering een
half mechanisch element. Hoorde eenmaal de genezing der pest tot het
ambtsgebied van Sint Rochus, dan werd bijna onvermijdelijk de actie van
den heilige in dezen te direct opgevat, en liep de gansche, door de Kerk
gevorderde, gedachtenschakel, dat de heilige door zijn voorbidding bij God
de genezing wrocht, gevaar om uit te vallen. Met name was dit het geval bij
de vereering der veertien (soms ook vijf, acht, tien of vijftien) Noodhelpers,
die in het laatst der Middeleeuwen zoo sterk op den voorgrond kwam. Sint
Barbara en Sint Christophorus, de meest afgebeelde van allen, hooren ertoe.
Aan deze veertien had God naar de voorstelling van het volksgeloof
toegestaan, dat hunne aanroeping iedereen zou vermogen te redden uit
onmiddellijk dreigend gevaar.
"Ilz sont cinq sains, en la genealogie,
Et cinq sainctes, a qui Dieux octria
Benignement a la fin de leur vie.

Page 189

Que quiconques de cuer les requerra
En tous perilz, que Dieux essaucera
Leurs prieres, pour quelconque mesaise.
Saiges est donc qui ces cinq servira,
Jorges, Denis, Christofle, Gille et Blaise."[564]
Voor het volksbesef moest krachtens deze delegatie der almacht en de
oogenblikkelijkheid der werking elke gedachte aan de louter voorsprekende
functie der heiligen geheel wegvallen; de Noodhelpers waren de
procuratiehouders der godheid geworden. Verschillende missalen uit het
einde der Middeleeuwen, die het officie der veertien Noodhelpers behelzen,
spreken het bindend karakter van hunne tusschenkomst duidelijk uit: "Deus
qui electos sanctos tuos Georgium etc. etc. specialibus privilegiis prae
cunctis aliis decorasti, ut omnes, qui in necessitatibus suis eorum implorant
auxilium, secundum promissionem tuae gratiae petitionis suae salutarem
consequantur effectum."[565] Vandaar dat de Kerk na Trente de mis der
veertien Noodhelpers als zoodanig verboden heeft, van wege het gevaar, dat
het geloof hier zich als aan een talisman zou hechten.[566] Inderdaad gold
reeds het dagelijks aanschouwen van een geschilderden of gebeeldhouwden
Christophorus als genoegzame behoeding voor een noodlottig einde.[567]
Vraagt men, wat de aanleiding kan zijn geweest, dat juist deze veertien zulk
een compagnie des heils zijn gaan vormen, dan valt het op, dat allen in hun
beeltenis iets sensationeels hadden, dat de verbeelding prikkelde. Achatius
zag men met een doornenkroon, Aegidius met een hinde, Sint Joris met den
draak, Blasius in een hol met wilde dieren, Christoffel als een reus,
Cyriacus met den duivel aan een ketting, Dionysius met zijn hoofd in den
arm, Erasmus in zijn gruwelijke marteling met de windas, die hem de
darmen uittrekt, Eustachius met het kruisdragend hert, Pantaleon als
geneesheer, met een leeuw, Vitus in een ketel, Sint Barbara met haar toren,
Catharina met het rad en het zwaard, Margareta met een draak.[568] Het zou
niet onmogelijk zijn, dat de bijzondere opmerkzaamheid voor deze veertien
van het treffende in hun beeld haar uitgangspunt had genomen.
Tal van heiligennamen waren verbonden geraakt aan bepaalde ziekten,
zooals Sint Antonie aan verschillende vurige huidziekten, Sint Maurus aan
de jicht, Sint Sebastiaan, Sint Rochus, Sint Aegidius, Sint Christoffel, Sint
Valentijn en Sint Adriaan aan de pest. Hier school nog een ander gevaar

Page 190

voor ontaarding van het volksgeloof. Het euvel heette naar den heilige: Sint
Antonies vuur, "mal de Saint Maur" en tallooze dergelijke. De heilige stond
dus bij het denken aan de ziekte van aanvang af op den voorgrond der
gedachte. Dat denken was geladen met heftige gemoedsbeweging; vooral
waar het de gevreesde pest gold. De pestheiligen werden in de vijftiende
eeuw druk vereerd: met officiën in de kerken, met processies, met
broederschappen, een geestelijke ziekteverzekering als 't ware. Hoe licht
kon nu het sterke besef van Gods toorn, dat door iedere epidemie werd
gewekt, overslaan op den heilige, die de voorstelling in beslag nam. Niet
Gods ondoorgrondelijke rechtvaardigheid heeft de ziekte veroorzaakt, maar
de toorn van den heilige is het, die haar zendt en verzoening eischt.
Wanneer hij ze geneest, waarom zal hij haar dan ook niet veroorzaken? Zoo
was een heidensche verplaatsing van het geloof uit de religieus ethische in
de magische sfeer gegeven, waarvoor de Kerk enkel in zooverre
aansprakelijk kon worden gesteld, als zij er niet genoeg rekening mee hield,
hoe haar zuivere leer vertroebelde in een onwetenden geest. Rabelais vertelt
van volkspredikers, die der gemeente Sint Sebastiaan voorhielden als den
veroorzaker der pest, Sint Eutropius (wegens de assonantie met ydropique?)
als dien der waterzucht.[569] De werkelijke aanwezigheid van zulk een
voorstelling wordt gestaafd door meer dan één getuigenis. Eustache
Deschamps laat den door huidziekte geplaagden bedelaar zeggen:
"Saint Anthoine me vent trop chier
Son mal, le feu ou corps me boute",[570]
en den jichtige voegt hij toe: wel, als ge niet loopen kunt, spaart ge weggeld
uit:

"Saint Mor ne te fera fremir."[571]
In zijn hoongedicht De validorum per Franciam mendicantium varia
astucia beschrijft Robert Gaguin de bedelaars aldus: "Deze valt ter aarde,
terwijl hij stinkend speeksel opgeeft, en bazelt, dat dit het wonderwerk van
Sint Jan is. Anderen worden door Sint Fiacrius, den kluizenaar, met puisten
gekweld; gij, o Damianus, belemmert de waterloozing. Sint Antonie brandt
hun de gewrichten met jammerlijk vuur, Sint Pius maakt hen kreupel en
lam."[572]

Page 191

"Sainct Anthoine arde le tripot! Sainct Anthoine arde la monture!"[573] In
verwenschingen als deze is de heilige geheel een booze vuur-demon
geworden.
Zelfs de bejegening der godheid zelf kan door deze fetichistische
voorstelling aangetast worden. Te Haarlem wordt in 1492 een knaap uit de
Groningsche Ommelanden terechtgesteld, die na zijn geld bij het dobbelen
verloren te hebben, een kerk was binnengeloopen en twee dolksteken had
toegebracht aan het beeld van den Gekruisigde.[574]
De gevoels- en gedachteninhoud van de heiligenvereering was voor zulk
een groot deel vastgelegd in de kleuren en vormen der beelden, dat de
onmiddellijk aesthetische opvatting voortdurend dreigde, de religieuze
gedachte op te heffen. Tusschen het aanschouwen van den glans van het
goud, van de pijnlijk getrouwe weergave van de stoffen der kleedij, van den
vromen blik der oogen, en de levende voorstelling van den heilige in het
bewustzijn, was nauwelijks meer plaats voor de overdenking, wat de Kerk
toestond en wat zij verbood, dien heerlijken wezens aan hulde en innigheid
te bieden. De heiligen leefden in den geest des volks als goden. Wanneer dat
gevaar voor de volksvroomheid gevreesd wordt door de angstvallig
rechtgeloovige kringen der Windesheimers, verbaast het ons niet. Doch wel
sprekend is het, wanneer die gedachte plotseling opgaat aan een geest als
Eustache Deschamps, den oppervlakkigen, banalen hofdichter, die juist in
zijn begrensdheid zulk een voortreffelijke spiegel is van het gewone
geestesleven van zijn tijd.
"Ne faictes pas les dieux d'argent,
D'or, de fust,[575] de pierre ou d'arain,
Qui font ydolatrer la gent....
Car l'ouvrage est forme plaisant;
Leur painture dont je me plain,
La beauté de l'or reluisant,
Font croire à maint peuple incertain
Que ce soient dieu pour certain,
Et servent par pensées foles
Telz ymages qui font caroles[576]
Es moustiers où trop en mettons;
C'est tresmal fait: a brief paroles,

Page 192

Telz simulacres n'aourons.
............................................................
Prince, un Dieu croions seulement
Et aourons parfaictement
Aux champs, partout, car c'est raisons.
Non pas faulz dieux, fer n'ayment,
Pierres qui n'ont entendement:
Telz simulacres n'aourons."[577]
Zou het niet op te vatten zijn als een onbewuste reactie tegen de
heiligenvereering, wanneer in de late Middeleeuwen zoo sterk geijverd
wordt voor de vereering van den beschermengel? In de heiligenvereering
was het levende geloof veel te veel gekristalliseerd; men had behoefte aan
een meer liquiden staat van het vereeringsgevoel en het beschermingsbesef.
Dat kon zich hechten aan de nauwelijks verbeelde engelfiguur, terugkeeren
tot de onmiddellijkheid van het bovennatuurlijke. Het is alweer Gerson, de
nauwgezette ijveraar voor zuiverheid in het geloof, die de vereering des
beschermengels herhaaldelijk aanbeveelt.[578] Doch ook hier dreigt alweer
die zucht tot uitwerking der bijzonderheden, die het vrome gehalte der
vereering slechts schaden kon. De "studiositas theologorum" zegt Gerson,
stelt aangaande de engelen allerlei vragen: of zij ons ooit verlaten, of zij van
te voren weten, of wij uitverkoren zijn of verdoemd zullen worden, of
Christus een beschermengel had, en Maria, of de Antichrist er een hebben
zal. Of onze goede engel tot onze ziel kan spreken zonder de beelden van
phantasmen, of zij de aanspoorders zijn tot het goede, gelijk de duivelen tot
het kwade. Of zij onze gedachten zien. Wat hun getal is. Die studiositas,
besluit Gerson, blijve den godgeleerden overgelaten, maar elke curiositas
zij verre van allen, die zich meer moeten bevlijtigen tot devotie dan tot
subtiele speculatie.[579]
De Hervorming heeft een eeuw later de heiligenvereering bijna weerloos
gevonden, terwijl zij tegen het heksen- en duivelgeloof zelfs geen aanval
deed, ja niet doen wilde, daar het haar zelf nog bevangen hield. Was dit niet,
doordat de heiligenvereering voor een groot deel tot caput mortuum
geworden was, doordat bijna alles wat de gedachtensfeer der
heiligenvereering betrof, in het beeld, de legende, het gebed zoo volkomen
was uitgedrukt, dat er geen huiverend ontzag meer achter stond? De

Page 193

heiligenvereering had haar wortels in het onverbeelde en onzegbare
verloren, die zoo vreeselijk sterk waren in de demonologische
gedachtensfeer. En wanneer de Contrareformatie een gezuiverde
heiligenvereering opnieuw gaat kweeken, moet zij den geest bewerken met
snoeimes en bemesting.

Page 194

VII
DE GODSDIENSTIGE PERSOONLIJKHEID

Het volk leefde gewoonlijk in de sleur van een geheel veruiterlijkten
godsdienst bij een zeer vast geloof, dat wel angsten en verrukkingen bracht,
maar den ongeleerde geen vragen en geestelijken strijd oplegde, zooals het
Protestantisme zou doen. De gemoedelijke oneerbiedigheid en nuchterheid
van allen dag werd afgewisseld door de innigste ontroeringen van
hartstochtelijke vroomheid, die telkens spasmodisch het volk aangrijpen.
Men moet die voortdurende tegenstelling van sterke en zwakke religieuze
spanning niet willen begrijpen, door de kudde te scheiden in vromen en
wereldlingen, alsof een deel des volks blijvend hoog godsdienstig leefde,
terwijl de anderen slechts uiterlijk vroom waren. Onze voorstelling van het
laat-middeleeuwsche Noord-nederlandsche en Nederduitsche piëtisme zou
ons licht op een dwaalspoor kunnen brengen. In de moderne devotie der
Fraterhuizen en Windesheimers hadden zich inderdaad piëtistische kringen
uit het wereldsche leven afgezonderd; bij hen was de religieuze spanning
blijvend genormaliseerd; zij vormden als vromen bij uitstek een
tegenstelling tot den grooten hoop. Doch Frankrijk en de Zuidelijke
Nederlanden hebben dat verschijnsel in den vorm van een georganiseerde
beweging nauwelijks gekend. Toch hebben daar de stemmingen, die aan de
moderne devotie ten grondslag lagen, evengoed hun werking gehad als in
het stille land van den IJsel. Doch daar in het Zuiden kwam het niet tot zulk
een afscheiding; de hooge devotie bleef er deel van het algemeene
godsdienstleven; zij openbaarde zich er bij oogenblikken, heviger en korter.
Het is het verschil, dat tot den huidigen dag Romaansche volken van de
Noordelijke scheidt: de Zuidelijken nemen een tegenstrijdigheid minder
zwaar, voelen minder den eisch, er de volle consequentie uit te trekken,
kunnen gemakkelijker de gemeenzaam spottende houding van het
dagelijksch leven verbinden met de hooge exaltatie van het begenadigde
oogenblik.

Page 195

De geringschatting voor de geestelijkheid, die als onderstrooming door de
heele middeleeuwsche cultuur heenloopt naast de hooge vereering voor den
priesterstand, is ten deele te verklaren uit de verwereldlijking der hoogere
geestelijkheid en de verregaande declasseering der lagere, en ten deele uit
oude heidensche instincten. Het onvolkomen gekerstende volksgemoed had
nooit geheel den afkeer afgelegd van den man, die niet vechten mocht en
kuisch moest leven. De ridderlijke hoogmoed, geworteld in dapperheid en
liefde, stiet evenzeer als het ruwe volksbesef het geestelijk ideaal van zich.
De ontaarding der geestelijken zelf deed de rest, en zoo hadden hoogere en
lagere standen zich reeds eeuwen verlustigd in de figuur van den
onkuischen monnik en den smullenden vetten paap. Een latente haat tegen
de geestelijkheid was altijd aanwezig. Hoe heftiger een prediker uitvoer
tegen de zonden van zijn eigen stand, hoe liever het volk hem hoorde.[580]
Zoodra de preeker, zegt Bernardinus van Siena, tegen de geestelijken te
velde trekt, vergeten de hoorders de rest; er is geen beter middel, om de
aandacht gaande te houden, als het volk slaperig wordt of het te warm of te
koud krijgt. Dan wordt alles terstond wakker en welgemoed.[581] Terwijl
juist de hevige godsdienstige beroering door de reizende volkspredikers in
de veertiende en vijftiende eeuw uitgaat van een herleving der bedelorden,
zijn het aan den anderen kant juist de bedelmonniken, wier verbastering hen
tot het gewone voorwerp van spot en verachting maakt. De onwaardige
priester der novellenlitteratuur, die als een armzalige loondienaar voor drie
grooten de mis leest, of bij wien men als biechtvader geabonneerd is "pour
absoudre du tout", pleegt een bedelmonnik te zijn.[582] De vrome Molinet
rijmt spottend in een nieuwjaarswensch:
"Prions Dieu que les Jacobins
Puissent manger les Augustins,
Et les Carmes soient pendus
Des cordes des Frères Menus."[583]
Het dogmatische armoede-begrip, zooals het in de bedelorden belichaamd
was, voldeed den geest niet meer. In plaats van de symbolisch-formeele
Armoede begon men de sociaal-reëele ellende te zien; Pierre d'Ailly stelt
tegenover de mendicanten de "vere pauperes", de echte armen, en het is
geen toeval, dat de verernstiging van het geloof bij de moderne devoten hen
in zekere tegenstelling tot de bedelorden bracht.

Page 196

De naïeve nuchterheid van den alledaagschen volksgodsdienst spreekt uit
menige bladzijde. Er is in 1437, na den terugkeer van den Franschen koning
in zijn hoofdstad, een zeer plechtige lijkdienst voor de ziel van den graaf
van Armagnac, het slachtoffer, met wiens moord de nu verleden troebele
jaren begonnen waren. Het volk stroomt erheen, maar is zeer teleurgesteld,
toen er geen uitdeeling van geld gehouden wordt. Want wel vier duizend
lieden, zegt de burger van Parijs gemoedelijk, gingen erheen, die niet
gegaan zouden zijn, als zij niet gedacht hadden, dat er iets gegeven zou
worden. "Et le maudirent qui avant prièrent pour lui." [584] Toch is het
dezelfde bevolking van Parijs, die met een vloed van tranen de talrijke
processies aanschouwt en ineenkrimpt onder het woord van een reizenden
prediker. Ghillebert de Lannoy zag te Rotterdam een oproer stillen door een
priester, die het Corpus Domini ophief.[585]
De groote tegenstrijdigheid en de sterke spanningsovergangen vertoonen
zich in het godsdienstig leven van den beschaafden enkele zoo goed als in
dat der onwetende massa. Het is altijd weer met een slag, dat de
godsdienstige verheldering komt, altijd weer de flauwere herhaling van wat
Franciscus onderging, toen hij opeens de woorden van het evangelie hoorde
als een onmiddellijk bevel. Een ridder hoort het doopformulier lezen, gelijk
hij het misschien twintig keer had gehoord; maar plotseling dringt nu de
volle heiligheid en wonderlijke werkdadigheid van die woorden tot hem
door, en hij neemt zich voor, om voortaan alleen door de herinnering aan
den doop den duivel te verjagen, zonder het kruisteeken te maken.[586]— Le
Jouvencel zal een kampgevecht bijwonen; de partijen staan gereed, om op
de hostie hun goed recht te bezweren. Opeens doorgrondt de ridder de
peillooze noodzakelijkheid, dat een dier beide eeden valsch moet zijn, dat
een van beiden zich verdoemen gaat, en zegt: zweert niet, vecht alleen om
den inzet van 500 schilden, zonder een eed te doen.[587]
De vroomheid van de hoogaanzienlijken met hun zwaren levensballast van
wijdloopige praal en felle geneuchten heeft juist daardoor zeer dikwijls het
spasmodische, dat ook de volksvroomheid kenmerkt. Karel V van Frankrijk
laat dikwijls op het opwindendste oogenblik de jacht in den steek, om naar
de mis te gaan.[588] De jonge Anne de Bourgogne, Bedford's gemalin, ergert
den eenen keer de burgers van Parijs, door in woesten rit een processie met
slijk te bespatten. Maar een andermaal verlaat zij te middernacht den bonten

Page 197

zwijmel van een hoffeest, om bij de Celestijnen metten te hooren. En haar
droeven jongen dood beloopt zij door de ziekte, die zij opdeed bij het
bezoeken van de arme kranken in het Hôtel Dieu.[589]
Tot in raadselachtige uitersten voltrekt zich de tegenstelling van vroomheid
en felle zonde in een figuur als Lodewijk van Orleans, onder al de groote
dienaren van weelde en genot de meest gedebaucheerde, de
hartstochtelijkste wereldling. Hij is zelfs overgegeven aan tooverkunsten, en
weigert er zich van te bekeeren.[590] Dezelfde Orleans is niettemin zoo
devoot, dat hij zijn cel heeft bij de Celestijnen in het gemeene dormter; hij
deelt er het kloosterlijk leven, hoort er metten te middernacht, en soms vijf
of zes missen per dag. [591]—Gruwelijk is die verbinding van godsdienst en
misdaad bij Gilles de Rais, die temidden van zijn kindermoorden te
Machecoul een dienst sticht ter eere der Onnoozele kinderkens, voor het
heil van zijn ziel, en verbaasd is, als zijn rechters hem voorhouden, dat hij
een ketter is. Al is het met minder scharlaken zonden, dat de vroomheid bij
anderen gepaard gaat, het type van den devoten wereldling vertoonen velen:
de barbaarsche Gaston Phébus, graaf van Foix, de frivole koning René, de
verfijnde Charles d'Orléans. Jan van Beieren, de hardvochtige en
heerschzuchtige, komt vermomd Lidwina van Schiedam spreken over den
staat zijner ziel.[592] Jean Coustain, de ontrouwe dienaar van Philips den
Goede, een goddelooze, die nauwelijks mis hoorde en nimmer aalmoes gaf,
keert zich onder beulshanden tot God in zijn ruw Bourgondisch patois met
een hartstochtelijke aanroeping.[593]
Philips de Goede zelf is een der treffendste voorbeelden van die verbinding
van vroomheid met wereldschen zin. De man van de overdadige feesten en
de talrijke bastaarden, van de sluwe politieke berekening, den geweldigen
trots en toorn, is een ernstig devote. Hij pleegt tot lang na de mis in zijn
bidvertrek te blijven. Hij vast vier dagen in de week met water en brood, en
bovendien op alle vigiliën van Onze Lieve Vrouw en de apostelen. Somtijds
heeft hij om vier uur na den middag nog niets gegeten. Hij geeft veel
aalmoezen, en in het geheim.[594] Na de verrassing van Luxemburg blijft hij
zoo lang na de mis verdiept in zijn getijden en daarna in bijzondere
dankgebeden, dat zijn gevolg, dat hem te paard afwacht, want de strijd was
nog niet afgeloopen, ongeduldig wordt: de hertog kon het een andermaal
wel inhalen, om al die paternosters te zeggen. Men waarschuwt hem, dat er

Page 198

gevaar dreigt, als hij langer toeft. Maar Philips antwoordt enkel: "Si Dieu
m'a donné victoire, il la me gardera."[595]
Er is in dat alles geen schijnheiligheid of ijdele bigotterie te zoeken, maar
een spanning tusschen twee geestelijke polen, die in den modernen geest
nauwelijks meer bestaanbaar is. Het is het volstrekte dualisme in de
opvatting van de zondige wereld tegenover het rijk Gods, dat deze
mogelijkheid toelaat. In den middeleeuwschen geest zijn alle hoogere en
zuiverder sentimenten geabsorbeerd in religie, terwijl de natuurlijke,
zinnelijke aandriften, bewust verworpen, zinken moeten tot een niveau van
zondig geachten wereldzin. In het middeleeuwsche bewustzijn vormen zich
als 't ware twee levensopvattingen naast elkander: de vrome, ascetische
opvatting heeft alle zedelijke gevoelens tot zich getrokken: des te
bandeloozer wreekt zich de wereldzin, geheel aan den duivel overgelaten.
Overheerscht een van beide geheel, dan ziet men den heilige of den
teugelloozen zondaar; maar in den regel houden zij elkaar in wankel
evenwicht met wijden doorslag, en ziet men de felle menschen, wier rood
bloeiende zonden bij wijlen hun overstortende vroomheid des te heviger
doen uitbarsten.
Wanneer men een middeleeuwsch dichter de vroomste lofdichten ziet
maken naast allerlei profaneering en obsceniteit, zooals het zoovelen doen:
Deschamps, Antoine de la Salle, Jean Molinet, dan is er nog minder
aanleiding dan bij een modernen dichter, om die producten over
hypothetische tijdperken van wereldzin en inkeer te verdeelen. De
tegenstrijdigheid, die ons bijna onbegrijpelijk is, moet worden aanvaard.
Er komen zonderlinge vermengingen voor van de bizarre prachtliefde van
den tijd met strenge devotie. Het is niet alleen in de overlading van het
geloof met schilderkunst, edelsmeedkunst en sculptuur, dat zich de
ongebreidelde behoefte uit, om alles van het leven en van de gedachte bont
te versieren en te verbeelden. In de aankleeding van het geestelijk leven zelf
dringt somtijds die honger naar kleur en schittering door. Broeder Thomas
vaart heftig uit tegen alle weelde en overdaad, maar het eigen getimmerte,
vanwaar hij spreekt, is door het volk behangen met de rijkste tapisserieën,
die men krijgen kon.[596] Philippe de Mézières is het volkomenste type van
die prachtlievende vroomheid. Hij heeft voor de orde van de Passie, die hij
stichten wilde, alles wat kleedij betreft, haarfijn vastgesteld. Het is als een

Page 199

feest van kleuren, dat hij zich droomt. De ridders zullen al naar hun rang in
't rood, in 't groen, scharlaken of hemelsblauw gaan; de grootmeester in 't
wit; wit zullen ook de feestgewaden zijn. Het kruis zal rood zijn, de gordels
van leer of van zijde met hoornen gesp en verguld koperen versiering. De
laarzen zullen zwart zijn en de kaproen rood. Ook het ordekleed der
broeders, servanten, klerken en vrouwen wordt nauwkeurig beschreven.[597]
—Van die orde kwam niets, Philippe de Mézières bleef zijn leven lang de
groote kruistochtfantast en plannenmaker. Maar hij vond te Parijs in het
klooster der Celestijnen de plaats, die hem bevredigen kon: zoo streng de
orde was, zoo schitterend van goud en edele steenen waren kerk en klooster,
een mausoleum van vorsten en vorstinnen.[598] Christine de Pisan achtte de
kerk volmaakt van schoonheid. Mézières vertoefde er als leek, deelde in het
strenge leven der kloosterlingen en bleef toch in het verkeer met de groote
heeren en schoone geesten van zijn dagen, een mondain-artistieke
tegenhanger van Gerard Groote. Hierheen trok hij ook zijn vorstelijken
vriend Orleans, die er den inkeer van zijn woeste leven en ook zijn vroege
rustplaats vond.
De oude koning René ontdekte op de jacht in de buurt van Angers een
kluizenaar: een priester, die zijn prebende had opgegeven en van zwart
brood en veldvruchten leefde. De koning was getroffen door zijn strenge
deugd, en liet voor hem een kluis en een kapelletje bouwen. Voor zich zelf
voegde hij daar een tuin en een bescheiden buitenhuis aan toe, dat hij met
schilderwerk en allegorieën versieren liet. Dikwijls wandelde hij daarheen,
om in "son cher ermitage de Reculée" met zijn kunstenaars en geleerden te
keuvelen.[599] Is het middeleeuwsch, is het renaissance, of is het niet
achttiende-eeuwsch?
Een hertog van Savoie wordt kluizenaar met vergulde ceintuur, roode muts,
gouden kruis en goeden wijn.[600]
Het is maar één stap van die pracht in devotie tot de uitingen van
hyperbolische nederigheid, die zelf ook vol vertoon zijn. Olivier de la
Marche bewaarde uit zijn jongensjaren de herinnering van den intocht van
koning Jacques de Bourbon van Napels, die op aandrang van Sainte Colette
de wereld had vaarwel gezegd. De koning, armzalig gekleed, liet zich
dragen in een mestbak, "telle sans aultre difference que les civieres en quoy
l'on porte les fiens et les ordures communement". Daar achteraan volgde

Page 200

een keurige hofstoet. "Et ouys racompter et dire,—zegt La Marche vol
bewondering,—que en toutes les villes où il venoit, il faisoit semblables
entrees par humilité."[601]
Van een niet zóo schilderachtige nederigheid zijn de door veel heilige
voorbeelden aanbevolen voorschriften voor een begrafenis, die al het
nietswaardige van den gestorvene treffend verbeelden moet. De heilige
Pierre Thomas, de boezemvriend en geestelijke meester van Philippe de
Mézières, laat, als hij den dood voelt naderen, zich hullen in een zak, een
touw om den hals binden en op den grond leggen. Hij werkt daarmee het
voorbeeld uit van Sint Franciscus, die zich immers ook in het sterven op
den grond liet leggen. Begraaft mij, zegt Pierre Thomas, in den ingang van
het koor, opdat alle menschen moeten trappen op mijn lijk, ja zelfs de geiten
en de honden, als het kan.[602]—Mézières, de bewonderende leerling, wil
weer den meester overtreffen in fantastische nederigheid. Hem zal men in
de laatste ure een zware ijzeren keten om den hals leggen. Zoodra hij den
geest heeft gegeven, zal men hem naakt bij de voeten naar het koor sleuren;
daar zal hij blijven liggen, tot men hem in het graf legt, de armen in
kruisvorm uitgestrekt, met drie touwen aan een plank gebonden, die de
plaats inneemt van de kostbaar versierde kist, waarop men misschien zijn
ijdele wereldsche wapen zou hebben geschilderd, "se Dieu l'eust tant hay
qu'il fust mors ès cours des princes de ce monde." De plank, bedekt met
twee ellen canevas of ruw zwart linnen, zal op dezelfde wijze naar de
groeve gesleept worden, waarin "het kreng van den armen pelgrim" naakt
als het is, in gestort zal worden. Er zal een klein grafteeken worden
opgericht. En men moet niemand waarschuwen dan zijn goeden vriend in
God, Martin, en de uitvoerders van zijn laatsten wil.
Het spreekt bijna vanzelf, dat deze geest van protocol en ceremonie,
plannenmaker en uitwerker van bijzonderheden, ook een maker van vele
testamenten is geweest. In de latere is van deze beschikking van 1392 geen
sprake meer, en toen Mézières in 1405 stierf, kreeg hij een gewone
begrafenis in het ordekleed van zijn geliefde Celestijnen, en twee
grafschriften, waarschijnlijk van hem zelf.[603]
In het ideaal van heiligheid, men zou bijna kunnen zeggen: het romantisme
der heiligheid, heeft de vijftiende eeuw nog niets gebracht, wat den nieuwen
tijd aankondigt. De Renaissance zelf heeft het ideaal der heiligheid niet

Page 201

veranderd. Terzijde van de groote stroomingen, die de beschaving in nieuwe
beddingen stortten, blijft het heiligenideaal zoo na als vóór de groote crisis,
wat het altijd geweest was. De heilige is tijdloos als de mysticus. De
heiligentypen der Contrareformatie zijn dezelfde als die der late
Middeleeuwen, en deze verschillen door geen essentieelen trek van die der
vroegere Middeleeuwen. In het eene als in het andere tijdperk zijn het de
groote heiligen van het brandende woord en de gloeiend gesmede daad: hier
Ignatius de Loyola, Franciscus Naverius, Karel Borromeus, daar Bernardino
van Siena, Vincentius Ferrer, Johannes Capistrano. Daarnaast de stille in
godsliefde verdwaasden, die naderen tot het moslimsche en boeddhistische
heiligentype, als Aloysius Gonzaga in de zestiende eeuw, Franciscus de
Paula, Colette, Pieter van Luxemburg in de vijftiende en veertiende.
Tusschen die beide typen in al de figuren, die van beide uitersten wat
hebben, ja zelfs somtijds de eigenschappen ervan in de hoogste macht
vereenigen.
Het romantisme der heiligheid zou men gelijkwaardig naast het romantisme
der ridderschap kunnen stellen, ermee bedoelende: de behoefte, om zekere
ideale verbeeldingen van een bepaalden levensvorm in menschen
verwezenlijkt te zien of te scheppen in litteratuur. Het is opmerkelijk, dat dit
romantisme der heiligheid zich te allen tijde veel meer vermeit in de
fantastisch prikkelende uitersten van nederigheid en onthouding dan in de
groote daden ter verheffing van godsdienstige cultuur. Men wordt niet
heilig om zijn kerkelijk-sociale verdiensten, al zijn die nog zoo groot, maar
om zijn wonderlijke vroomheid. De groote energeten erlangen enkel dan
den roep van heiligheid, wanneer hun daden gedrenkt zijn in den schijn van
een bovennatuurlijk leven; niet Nicolaas van Cusa, wel zijn medestander
Dionysius de Kartuizer.[604]
Het is hier nu vooral van belang, op te merken, hoe de kringen der verfijnde
pronkcultuur, dezelfde, die het ridderideaal bleven huldigen en kweeken tot
over de grens der Middeleeuwen heen, tegenover het heiligenideaal hebben
gestaan. Hun aanrakingen daarmee zijn uit den aard niet zoo talrijk, maar
zij ontbreken niet. Nog enkele malen hebben de vorstelijke kringen zelf in
dezen tijd een heilige opgeleverd. Een van hen is Charles de Blois, oom van
den ons bekenden Jan van Blois van Gouda en Schoonhoven. Hij was door
zijn moeder uit het huis van Valois gesproten, en door zijn huwelijk met de
erfgename van Bretagne, Jeanne de Penthièvre, belast met een troonstrijd,

Page 202

die het beste deel van zijn leven heeft gevuld. Hem was als
huwelijksvoorwaarde gesteld, dat hij het wapen en den kreet van het
hertogdom zou aannemen. Hij vindt een anderen pretendent, Jean de
Montfort, tegenover zich, en de strijd om Bretagne valt samen met het
begin van den honderdjarigen oorlog; de verdediging van Montfort's
aanspraken is een der verwikkelingen, die Eduard III in Frankrijk brengen.
De graaf van Blois aanvaardt zijn strijd ridderlijk, en vecht als de beste
aanvoerders van zijn tijd. Gevangengenomen in 1347, kort voor het beleg
van Calais, blijft hij tot 1356 in Engeland. Eerst in 1362 kan hij den strijd
om het hertogdom hervatten, om daarin den dood te vinden bij Aurai in
1364, dapper vechtende naast Bertrand du Guesclin en Beaumanoir.
Deze krijgsheld, wiens uiterlijke levensloop in niets afwijkt van dien van
zoovele vorstelijke pretendenten en aanvoerders uit dien tijd, had van der
jeugd af een leven van strenge askese geleid. Zijn vader moest hem als
knaap uit de stichtelijke boekjes houden. Hij slaapt naast het bed van zijn
gemalin op den vloer op stroo. Men vindt bij zijn krijgsmansdood het haren
kleed onder zijn wapenrusting. Hij biecht iederen avond, eêr hij te bed gaat,
zeggend, dat geen christen in zonde moest inslapen. Tijdens zijn
gevangenschap te Londen pleegt hij de kerkhoven binnen te gaan, om er
geknield den psalm de profundis op te zeggen. De Bretonsche schildknaap,
dien hij verzoekt, de responsen te zeggen, weigert het: neen, zegt hij, daar
liggen zij, die mijn ouders en vrienden gedood en hun huizen verbrand
hebben.
Na zijn bevrijding wil hij barrevoets over het besneeuwde land van La
Roche-Derrien, waar hij indertijd gevangen was gemaakt, naar den schrijn
van Sint Yves, den vereerden beschermheilige van Bretagne, wiens leven hij
in zijn gevangenschap beschreven had, te Tréguier. Het volk verneemt het
en bestrooit zijn weg met stroo en dekens, maar de graaf van Blois kiest een
anderen weg, en loopt zich de voeten stuk, zoodat hij in vijftien weken niet
gaan kon.[605] Terstond na zijn dood stellen zijn vorstelijke verwanten,
onder wie zijn schoonzoon Lodewijk van Anjou, een poging in het werk,
om hem heilig te doen verklaren. Te Angers heeft in 1371 het proces plaats,
dat tot zijn zaligspreking leidt.
Het vreemde nu is, dat deze Charles de Blois, als men Froissart mag
vertrouwen, een bastaard heeft gehad. "Là fu occis en bon couvenant li dis

Page 203

messires Charles de Blois, le viaire sus ses ennemis (met het aangezicht
naar den vijand), et uns siens filz bastars qui s'appeloit messires Jehans de
Blois, et pluiseur aultre chevalier et escuier de Bretagne".[606] Moet men het
als evidente onwaarheid verwerpen?[607] Of zal men aannemen, dat hier de
bestaanbare tegenstrijdigheid, die op te merken viel bij Louis d'Orléans, bij
Philips den Goede en zooveel anderen, haar toppunt heeft bereikt?
Zulk een vraag stelt het leven van een anderen hoog-adellijken heilige uit
dien tijd, Pierre de Luxembourg, niet. Deze telg van het Luxemburgsche
gravengeslacht, dat in de veertiende eeuw zoowel in het Duitsche rijk als
aan de hoven van Frankrijk en Bourgondië zulk een aanzienlijke plaats
innam, is een treffend voorbeeld van wat William James "the under-witted
saint" noemt:[608] den engen geest, die slechts in een angstvallig afgesloten
wereldje van vrome gedachten kan leven. Hij was in 1369 geboren, niet
lang dus vóór zijn vader Guy in den strijd tusschen Brabant en Gelre bij
Baesweiler (1371) sneuvelde. Zijn geestelijke geschiedenis voert al weer
naar het klooster der Celestijnen te Parijs, waar hij reeds als achtjarige
knaap verkeert met Philippe de Mézières. Hij wordt als kind reeds
overladen met kerkelijke waardigheden, verscheiden kanunnikschappen; als
hij vijftien jaar is, het bisdom Metz, daarna het kardinaalschap. Nog geen
achttien jaar oud, sterft hij in 1387, en terstond wordt te Avignon moeite
gedaan voor zijn canonizatie. De gewichtigste autoriteiten worden er voor
gespannen: de koning van Frankrijk doet er het verzoek toe, het wordt
gesteund door het domkapittel van Parijs en de Universiteit. In het proces,
dat in 1389 plaats heeft, treden de grootste heeren van Frankrijk als
getuigen op: Pierre's broeder André de Luxembourg, Louis de Bourbon,
Enguerrand de Coucy. Door de nalatigheid van den Avignonschen paus
bleef weliswaar de heiligverklaring achterwege (in 1527 had de
zaligverklaring plaats), maar de vereering, die het aanzoek kon
rechtvaardigen, was reeds lang erkend, en ging ongestoord voort. Op de
plek te Avignon, waar het lichaam van Pieter van Luxemburg begraven lag,
en vanwaar dagelijks de treffendste wonderen werden gemeld, stichtte de
koning een klooster der Celestijnen, in navolging van dat te Parijs, in die
dagen het geliefkoosde heiligdom der vorstelijke kringen. De hertogen van
Orleans, Berry en Bourgondië kwamen er voor den koning den eersten
steen leggen. [609] Pierre Salmon vertelt, hoe hij eenige jaren later in de
kapel van den heilige de mis hoorde.[610]

Page 204

Het beeld, dat de getuigen in het canonizatieproces van dezen
vroeggestorven prinselijken asceet geven, heeft iets jammerlijks. Pieter van
Luxemburg is een uit zijn kracht gegroeide, teringachtige jongen, die als
kind reeds niet anders kent dan den ernst van een angstvallig streng geloof.
Hij berispt zijn broertje, als deze lacht, want men leest wel, dat onze Heer
geweend heeft, maar niet, dat hij ooit gelachen heeft. "Douls, courtois et
debonnaire—noemt Froissart hem—vierge de son corps, moult large
aumosnier. Le plus du jour et de la nuit il estoit en oroisons. En toute sa vye
il n'y ot fors humilité."[611] In den beginne tracht zijn adellijke omgeving
hem van zijn plannen van wereldverzaking af te brengen. Wanneer hij ervan
spreekt, om te gaan zwerven en prediken, krijgt hij ten antwoord: je bent
veel te lang; iedereen zou je terstond herkennen. En je zoudt niet tegen de
kou kunnen. En preeken voor den kruistocht, hoe zou je dat kunnen?—Een
oogenblik is het, alsof wij even den ondergrond van dien kleinen starren
geest zien. "Je vois bien—zegt Pieter—qu'on me veut faire venir de bonne
voye à la malvaise: certes, certes, si je m'y mets, je feray tant que tout le
monde parlera de moy."—Heer, antwoordt meester Jean de Marche, zijn
biechtvader, er is niemand, die wil, dat ge kwaad zult doen, enkel goed.
Het is duidelijk, dat de hooge verwanten, toen de ascetische neigingen van
den knaap onuitroeibaar bleken, bewondering en trots over het geval zijn
gaan voelen. Een heilige, en zulk een jonge heilige, uit en in hun midden!
Denk u den armen ziekelijken jongen, onder het gewicht van zijn kerkelijke
hoogwaardigheid, te midden van de overdadige praal en het hoogmoedig
hofleven van Berry en Bourgondië, hijzelf ontoonbaar van vuil en
ongedierte, altijd bezig met zijn armzalige kleine zonden. Het biechten zelf
was bij hem als tot een slechte gewoonte geworden. Iederen dag schreef hij
zijn zonden op een lijstje, en als hij het op een reis of tocht niet had kunnen
doen, haalde hij het achterna met uren lang schrijven in. Men zag hem er 's
nachts aan schrijven, of bij de kaars zijn lijstjes lezen. Dan stond hij midden
in den nacht op, om bij een zijner kapelaans te biechten. Soms klopte hij
vergeefs aan hun slaapvertrekken; zij hielden zich doof. Vond hij gehoor,
dan las hij de zonden van zijn papiertjes af. Van twee of driemaal per week
werd het in zijn laatste dagen tweemaal per dag; de biechtvader mocht niet
meer van zijn zijde weg. En toen hij aan de tering eindelijk gestorven was,
na te hebben verzocht om van den arme begraven te worden, vond men een

Page 205

heele kist vol van de ceêltjes, waarop de zonden van dit kleine leven dag
aan dag waren neergekrabbeld.[612]
Er is nog een geval, dat ons de verhouding van hofkringen en heiligheid
eenigermate doet kennen: het verblijf van Saint François de Paule aan het
hof van Lodewijk XI. Het zonderlinge vroomheidstype van den koning is
zoo bekend, dat het hier niet uitvoerig behoeft te worden behandeld.
Lodewijk, "qui achetoit la grace de Dieu et de la Vierge Marie à plus grans
deniers que oncques ne fist roy",[613] vertoont al de hoedanigheden van het
onmiddellijkste en nuchterste fetichisme. In zijn reliekenvereering, zijn
hartstocht voor pelgrimages en processies schijnt elke hoogere wijding, elke
zweem van eerbiedige reserve, te ontbreken. Hij solt met de heilige
voorwerpen, als waren het enkel dure huismiddeltjes. Het kruis van Saint
Laud te Angers moet expresselijk naar Nantes komen, om er een eed op te
laten doen,[614] want een eed op het kruis van Saint Laud gold Lodewijk
meer dan eenige andere eed. Wanneer de connétable de Saint Pol, in 's
konings tegenwoordigheid geroepen, hem verzoekt, op het kruis van Saint
Laud hem zijn veiligheid te bezweren, antwoordt de koning: ieder anderen
eed, maar dezen niet. [615] Bij het naderen van het zoo buitensporig door
hem gevreesde einde worden hem van alle kanten de kostbaarste relieken
toegezonden: de paus zendt onder meer het corporale van Sint Pieter zelf;
zelfs de Groote Turk biedt een verzameling relieken, die nog te
Constantinopel waren. Op het buffet naast 's konings ziekbed staat la Sainte
Ampoule zelf, uit Reims gehaald, waar zij nimmer vandaan was geweest;
sommigen zeiden, dat de koning de wonderdadigheid van het heilige zalfvat
zelfs wilde beproeven tot een zalving van zijn gansche lichaam.[616] Het
zijn godsdienstige trekken, zooals men ze vindt bij de Merowingische
koningen.
Er is nauwelijks een grens waar te nemen tusschen Lodewijk's
verzamelwoede, waar het vreemde dieren geldt: rendieren, elanden, en waar
het kostbare relieken geldt. Hij correspondeert met Lorenzo de'Medici over
den ring van Sint Zanobi, een plaatselijk-florentijnschen heilige, en over
een "agnus Dei", dat wil zeggen het plantaardige groeisel, ook wel agnus
scythicus genoemd, dat als een wonderdadige rariteit werd aangezien.[617]
In de wonderlijke huishouding van het kasteel Plessis les Tours in
Lodewijk's laatste dagen vond men vrome voorbidders en muzikanten bont

Page 206

dooreen. "Oudit temps le roy fist venir grant nombre et grant quantité de
joueurs de bas et doulx instrumens, qu'il fist loger à Saint-Cosme près
Tours, où illec ilz se assemblerent jusques au nombre de six vingtz, entre
lesquelz y vint pluseurs bergiers du pays de Poictou. Qui souvent jouerent
devant le logis du roy, mais ilz ne le veoyent pas, affin que ausdiz
instrumens le roy y prensist plaisir et passetemps et pour le garder de
dormir. Et d'un autre costé y fist aussy venir grant nombre de bigotz,
bigottes et gens de devocion comme hermites et sainctes créatures, pour
sans cesser prier à Dieu qu'il permist qu'il ne mourust point et qu'il le
laissast encores vivre."[618]
Ook Saint François de Paule, de Calabrische heremiet, die de nederigheid
der Minderbroeders overtroefde door de stichting der Minimen, is in
letterlijken zin het voorwerp van Lodewijk's verzamelwoede. Het was met
de uitgesproken bedoeling, dat de heilige door zijn voorbidding 's konings
leven zal verlengen, dat deze in zijn laatste ziekte diens tegenwoordigheid
begeerde.[619] Nadat verschillende zendingen aan den koning van Napels
niet hebben gebaat, weet de koning zich door een diplomatiek optreden bij
den paus de overkomst van den wonderman, zeer tegen diens zin, te
verzekeren. Een adellijk geleide haalt hem af uit Italië.[620] Is hij eenmaal
aangekomen, dan voelt Lodewijk zich toch nog niet zeker, "omdat hij reeds
door verscheidenen onder de schaduw van heiligheid bedrogen was", en
laat op aanstoken van zijn lijfarts Frans bespieden en op allerlei wijzen de
deugd van den man Gods beproeven. [621] De heilige bestaat al die proeven
voortreffelijk. Zijn askese is van de meest barbaarsche soort, herinnerend
aan zijn tiende-eeuwsche landgenooten Sint Nilus en Sint Romuald. Hij
vlucht, als hij vrouwen ziet. Hij had sedert zijn jongelingsjaren nooit een
geldstuk aangeraakt. Hij slaapt meest staande of leunende; hij scheert
nimmer haar noch baard. Hij eet nimmer eenig dierlijk voedsel, en laat zich
enkel wortels geven.[622] Nog in zijn laatste maanden schrijft de koning
persoonlijk, om de geschikte kost voor zijn zeldzamen heilige te bekomen:
"Monsieur de Genas, je vous prie de m'envoyer des citrons et des oranges
douces et des poires muscadelles et des pastenargues, et c'est pour le saint
homme qui ne mange ny chair ny poisson; et vous me ferés ung fort grant
plaisir."[623] Hij noemt hem nooit anders dan "le saint homme", zoodat zelfs
Commines, die den heilige herhaaldelijk zag, diens naam nooit schijnt te
hebben geweten.[624] Maar "saint homme" noemden hem ook degenen, die

Page 207

spotten over de komst van dezen zonderlingen gast, of die zijn heiligheid
niet vertrouwden, zooals 's konings lijfarts Jacques Coitier. Uit de
mededeelingen van Commines spreekt een nuchter voorbehoud. "Il est
encores vif—besluit hij—par quoy se pourroit bien changer ou en myeulx
ou en pis, par quoy me tays, pour ce que plusieurs se mocquoient de la
venue de ce hermite, qu'ilz appelloient sainct homme."[625] Toch getuigt
Commines zelf, nooit iemand te hebben gezien "de si saincte vie, ne où il
semblast myeulx que le Sainct Esperit parlast par sa bouche". En de
geleerde theologen uit Parijs, Jean Standonck en Jean Quentin, uitgezonden
om met den heiligen man te spreken naar aanleiding van het verzoek tot
stichting van een convent der Minimen te Parijs, komen onder den diepsten
indruk van zijn persoon, en keeren genezen van hun tegenkanting terug.[626]
De belangstelling van de Bourgondische hertogen voor de heiligen van hun
dagen is van een minder zelfzuchtigen aard dan die van Lodewijk XI voor
Sint Franciscus de Paula. Het is opmerkelijk, hoe meer dan een van de
groote visionairen en buitensporige asceten geregeld optreedt als
bemiddelaar en raadgever in politieke zaken. Het is het geval met Sint
Colette en met den zaligen Dionysius van Ryckel of den Kartuizer. Colette
werd door het huis van Bourgondië met bijzondere onderscheiding
behandeld; Philips de Goede en zijn moeder Margareta van Beieren kenden
haar persoonlijk, en wonnen haar raad in. Zij geeft haar bemiddeling in
verwikkelingen tusschen de huizen van Frankrijk, Savoie en Bourgondië.
Het zijn Karel de Stoute, Maria en Maximiliaan, Margareta van Oostenrijk,
die steeds blijven aandringen op haar heiligverklaring. [627] Veel
belangrijker nog is de rol, die Dionysius de Kartuizer gespeeld heeft in het
openbare leven van zijn tijd. Ook hij is in herhaalde relaties met het huis
van Bourgondië, en treedt op als raadgever van Philips den Goede. Samen
met den kardinaal Nicolaas van Cusa, dien hij op diens beroemde reis door
het Duitsche rijk begeleidt en ter zijde staat, wordt hij in 1451 te Brussel
door den hertog ontvangen. Dionysius, altijd beklemd door het gevoel, dat
het der Kerk en christenheid slecht gaat, en groote onheilen naderen, vraagt
in een vizioen: Heer, zullen de Turken in Rome komen? Hij maant den
hertog tot den kruistocht.[628] De "inclytus devotus ac optimus princeps et
dux", aan wien hij zijn tractaat over het vorstelijk leven en bestuur
opdraagt, kan haast niemand anders wezen dan Philips. Karel de Stoute
werkte met Dionysius samen voor de stichting van de Kartuize te 's

Page 208

Hertogenbosch, ter eere van Sinte Sophia van Constantinopel, door den
hertog niet onbegrijpelijk voor een vrouwelijke heilige gehouden, terwijl
het de Eeuwige Wijsheid was.[629] Hertog Arnold van Gelre vraagt
Dionysius raad in den strijd met zijn zoon Adolf.[630]
Niet enkel vorsten, ook tal van edelen, geestelijken en burgers bestormen
zonder ophouden zijn cel te Roermond om raad; hij geeft voortdurend
tallooze oplossingen van moeilijkheden, twijfelingen en gewetensvragen.
Dionysius de Kartuizer is het volledigste type van den machtigen
godsdienstigen enthousiast, dat de laatste Middeleeuwen hebben
opgeleverd. Het is een onbegrijpelijk energisch leven; hij vereenigt de
vervoeringen van de groote mystieken, de wildste askese, de voortdurende
gezichten en revelaties van den geestenziener met een schier onafzienbare
werkzaamheid als theologisch schrijver en praktisch geestelijk raadsman.
Hij staat even na aan de groote mystici als aan de praktische
Windesheimers, aan Brugman, voor wien hij zijn beroemde handleiding
voor het christelijk leven schrijft,[631] als aan Nicolaas van Cusa, aan de
heksenvervolgers[632] als aan de geestdriftigen voor een zuivering der Kerk.
Zijn arbeidskracht moet onverwoestbaar zijn geweest. Zijn geschriften
vullen 45 quarto deelen. Het is alsof de geheele middeleeuwsche theologie
nog eens uit hem terugstroomt. "Qui Dionysium legit, nihil non legit",
heette het onder de theologen der 16e eeuw. Hij behandelt evengoed de
diepste vragen van wijsgeerigen aard, als dat hij voor een ouden leek, broer
Willem, op diens verzoek schrijft over de wederkeerige herkenning der
zielen in het hiernamaals. Hij zal het zoo eenvoudig mogelijk zeggen,
belooft hij, en broer Willem kan het in het Dietsch laten overbrengen.[633] In
een eindeloozen vloed van eenvoudig uitgedrukte gedachten geeft hij alles,
wat de groote voorgangers gedacht hadden, terug. Het is echt laat werk:
samenvattend, concludeerend, niet nieuw scheppend. De citaten van
Bernard van Clairvaux of Hugo van Sint Victor schitteren als juweelen op
het slichte eenkleurige kleed van Dionysius' proza. Al zijn werken werden
door hem zelf geschreven, nagezien, verbeterd, gerubriceerd en
geïllumineerd, totdat hij in het eind zijns levens welbedacht met schrijven
ophoudt: "Ad securae taciturnitatis portum me transferre intendo".[634]

Page 209

Rust kent hij niet. Hij zegt dagelijks bijna het geheele souter op; minstens
de helft is noodzakelijk, verklaart hij. Onder alle bezigheid, bij het aan- en
uitkleeden, bidt hij. Na de metten; als de anderen weer ter ruste gaan, blijft
hij wakker. Hij is sterk en groot, en kan alles van zijn lichaam vergen: Ik
heb een ijzeren hoofd en een koperen maag, zegt hij. Zonder walging, ja bij
voorkeur, gebruikt hij bedorven spijzen: boter met wurmen, kersen door
slakken aangevreten; dit soort ongedierte heeft niets van doodelijk venijn,
zegt hij, men kan ze gerust eten. Te zoute haring hangt hij op, tot ze rot: ik
eet liever stinkende dan zoute dingen.[635]
Al den denkarbeid van de diepste theologische beschouwing en uitdrukking
verricht hij, niet in een onbewogen evenwichtig geleerdenleven, maar onder
de voortdurende schokken van een geest, die vatbaar is voor elke heftige
aandoening van het bovennatuurlijke. Als jongen staat hij 's nachts in het
maanlicht op, meenend, dat het tijd is, om naar school te gaan.[636] Hij is
een stotteraar: "Taterbek" scheldt hem een duivel, dien hij uitdrijven wil.
Hij ziet de kamer van de stervende vrouwe van Vlodrop vol duivelen; zij
slaan hem den stok uit de hand. Niemand heeft de vreeselijke benauwing
der "vier utersten" zoo ondergaan als hij; de hevige aanval der duivelen bij
het sterven zijn een herhaald onderwerp van zijn preeken. Hij verkeert
voortdurend met afgestorvenen. Of hem dikwijls geesten van afgestorvenen
verschijnen, vraagt hem een broeder. O, honderden en honderden malen,
antwoordt hij. Hij herkent zijn vader in het vagevuur en verwerft diens
bevrijding. Zijn verschijningen, openbaringen en gezichten vervullen hem
zonder ophouden, maar hij spreekt er niet dan met tegenzin van. Hij
schaamt zich voor de ekstasen, die hem door allerlei uiterlijke aanleidingen
geworden: vooral door muziek, soms te midden van een adellijk
gezelschap, dat naar zijn wijsheid en vermaningen luistert. Onder de
eernamen der groote theologen is de zijne die van Doctor ecstaticus.
Men meene niet, dat een groote figuur als Dionysius de Kartuizer aan de
verdenking en spot ontkwam, die den zonderlingen wonderman van
Lodewijk XI troffen; ook hij heeft voortdurend te kampen met den smaad
en de verguizing der wereld. De geest der vijftiende eeuw staat in een
wankel evenwicht tegenover de opperste uitingen van het middeleeuwsch
geloof.

Page 210

Page 211

VIII
AANDOENING EN VERBEELDING

Van den tijd af, dat de zoet-lyrische mystiek van Bernard van Clairvaux in
de twaalfde eeuw de fuga geopend had van bloeiende verteedering over het
lijden Christi, was de geest in steeds stijgende mate vervuld van de
smeltende aandoening over de passie; hij was doortrokken en verzadigd
geworden van Christus en het kruis. In de vroegste kindsheid werd het
beeld van den gekruisigde in het teer gemoed geplant zoo groot en zoo
donker, dat het alle aandoeningen overschaduwde met zijn ernst. Toen Jean
Gerson een kind was, ging zijn vader met uitgestrekte armen tegen den
muur staan, en zeide: "'zie, mijn jongen, zoo is uw God gekruisigd en
gestorven, die u gemaakt heeft en verlost heeft'. Dit beeld bleef den knaap
tot in zijn grijsheid, groeiende met het groeien der jaren, en hij zegende er
nog dien vromen vader om, nadat deze juist op kruisverheffingsdag
gestorven was."[637]—Colette hoorde als kind van vier jaar haar moeder
iederen dag schreien en zuchten in gebed over het lijden, mee lijdende over
den smaad, de slagen en de pijnigingen. Met zulk een hevigheid zette zich
die herinnering in haar overgevoelig gemoed, dat zij haar leven lang iederen
dag op het uur der kruisiging een allerheftigste benauwing en hartepijn
voelde, en bij het lezen van het lijden meer leed dan eenige vrouw in
barensnood.[638]—Een prediker bleef somtijds voor zijn gehoor een
kwartier lang zwijgend in kruishouding staan.[639]
Zoo overvuld van Christus was de geest, dat bij de geringste uiterlijke
overeenkomst van eenige handeling of gedachte met 's Heeren leven of
lijden de Christustoon onmiddellijk ging klinken. Een arme non, die
brandhout aandraagt voor de keuken, verbeeldt zich, dat zij daarmee het
kruis draagt: enkel de voorstelling hout dragen is genoeg, om de handeling
te drenken in den lichtschijn van de opperste daad van liefde. Het blinde
vrouwtje, dat de wasch doet, neemt tobbe en waschhok voor kribbe en stal.

Page 212

[640] Maar evengoed een uitwerking van die overvolheid met godsdienstigen

inhoud is het profaneerende overvloeien van vorstenhulde in religieuze
verbeelding: de vergelijking van Lodewijk XI met Jezus, van Maximiliaan
met zijn vader en zijn zoon met de Drieëenheid.[641]
De vijftiende eeuw vertoont de sterke godsdienstige aandoenlijkheid in een
dubbelen vorm. Zij openbaart zich eensdeels in de heftige beroeringen, die
van tijd tot tijd het geheele volk aangrepen, als een reizend prediker met
zijn woord alle geestelijke brandstof ontvlammen deed als takkenbossen.
Dat is de krampachtige uiting, hartstochtelijk, geweldig, doch spoedig weer
uitgesnikt. Daarnaast is door sommigen de aandoenlijkheid blijvend in een
stille bedding geleid, genormaliseerd tot een nieuwen levensvorm, dien der
innigheid. Het is de piëtistische kring van hen, die zichzelven in het
bewustzijn van vernieuwers te zijn, moderne devoten hebben genoemd. Als
gereglementeerde beweging beperkt zich de moderne devotie tot de
Noordelijke Nederlanden en het Nederduitsche gebied, doch den geest, die
haar het aanzijn gaf, vindt men in Frankrijk even goed.
Van de geweldige werking der predikatie is maar weinig als blijvend
element in de geestelijke cultuur overgegaan. Wij weten, welk een
ontzaglijken indruk de predikers maakten,[642] maar de ontroering, die van
hen uitging, na te voelen, is ons niet gegeven. Uit de geschreven
overlevering der preeken komt zij niet tot ons; en hoe kon het ook? Reeds
tot de tijdgenooten sprak de geschreven preek niet meer. Velen, die Vincent
Ferrer hoorden, en nu zijn preeken lezen, zegt diens levensbeschrijver,
verzekeren, dat zij nauwelijks een schaduw krijgen van dat wat uit zijn
eigen mond weerklonk.[643] Wij kennen de stof der preeken: de
aangrijpende schildering van de verschrikkingen der hel, het dreunend
dreigen met de straf der zonde, al de lyrische uitstortingen over de passie en
de godsliefde. Wij weten, met welke middelen de predikers werkten: geen
effekt was te grof, geen overgang van lachen naar weenen te groot, geen
onmatige uitzetting der stem te kras.[644] Maar wij kunnen de schokken, die
zij daarmee teweegbrachten, toch eigenlijk alleen bevroeden uit het altijd
weer gelijksoortig verhaal, hoe stad met stad streed om de toezegging van
een preekbeurt, hoe magistraat en volk de predikers inhaalden met een
staatsie, zooals men ze een vorst gaf, hoe de prediker soms moest ophouden
om het luid geween der schare. Terwijl Vincent Ferrer preekte, werden eens

Page 213

twee terdoodveroordeelden voorbij gebracht, een man en een vrouw, op
weg naar de terechtstelling. Vincent verzocht, het beulswerk op te schorten;
hij borg de slachtoffers zoolang onder zijn spreekgestoelte, en preekte over
hun zonden. Na de preek vond men hen er niet meer, doch enkel wat
beenderen, en het volk geloofde niet anders, dan dat het woord van den
heiligen man de zondaars had verbrand en tevens gered.[645]
De krampachtige aandoening der massa onder het woord van de predikers is
telkens weer vervlogen zonder in de geschreven overlevering zich te
hebben kunnen vastleggen. Des te beter kennen wij de "innicheit" der
moderne devoten. Als in elken piëtistischen kring gaf hier de godsdienst
niet enkel den levensvorm maar ook den gezelligheidsvorm: het knusse
geestelijk verkeer in stille intimiteit van eenvoudige mannetjes en
vrouwtjes, wier groote hemel zich welfde boven een minuskuul wereldje,
waar al het sterke ruischen van den tijd aan voorbij streek. De vrienden
bewonderden in Thomas a Kempis zijn onkunde van de gewone wereldsche
dingen; een prior van Windesheim droeg als eervollen bijnaam Jan Ik-weet-
niet. Zij kunnen geen andere wereld gebruiken dan een vereenvoudigde; zij
zuiveren haar door het slechte buiten hun sfeer te sluiten.[646] Binnen die
enge sfeer leven zij in de vreugde van een sentimenteele genegenheid voor
elkander: de blik van den een is zonder ophouden op den ander geslagen,
om alle teekens van genade op te merken; elkaar bezoeken is hun vermaak.
[647] Vandaar hun bijzondere neiging tot de levensbeschrijving, waaraan wij

de nauwkeurige kennis van dezen geestelijken staat te danken hebben.
In haar Nederlandschen, gereglementeerden vorm had de moderne devotie
een vaste conventie van vroom leven geschapen. Men kende de devoten aan
hun afgemeten stille bewegingen, hun gebogen gang, sommigen aan de tot
een lach geplooide gezichten of de opzettelijk gelapte nieuwe kleeren. En
niet het minst aan hun overvloedige tranen. "Devotio est quaedam cordis
teneritudo, qua quis in pias faciliter resolvitur lacrimas". Men moet God
bidden om "den dagelijkschen doop der tranen", zij zijn de vleugelen van
het gebed, of naar Sint Bernard's woord de wijn der engelen. Men moet zich
aan de genade der loffelijke tranen geven, zich er toe voorbereiden en
aanzetten, het geheele jaar door, maar vooral in de Vasten, opdat men met
den psalmist zeggen moge: "Fuerunt mihi lacrimae meae panes die ac
nocte". Soms komen zij zoo gewillig, dat wij bidden met snikken en huilen

Page 214

("ita ut suspiriose ac cum rugitu oremus"), maar wanneer zij niet vanzelve
komen, moet men ze niet bovenmatig uitpersen, en zich vergenoegen met
de tranen des harten. En in tegenwoordigheid van anderen moet men de
teekenen van een buitengewone geestelijke devotie naar vermogen
vermijden.[648]
Vincent Ferrer stortte, zoo dikwijls hij de hostie wijdde, zooveel tranen, dat
bijna allen mee weenden, en er soms een weeklagen ontstond als van een
doodenklacht. Het weenen was hem zoo zoet, dat hij noode zijn tranen
staakte.[649]
In Frankrijk ontbreekt de bijzondere normaliseering der nieuwe vroomheid
in een bepaalden nieuwen vorm als de Nederlandsche Fraterhuizen en de
congregatie van Windesheim. De verwante geesten in Frankrijk blijven of
geheel in de wereld, of zij treden in bestaande orden, waar dan de nieuwe
devotie de doorvoering van een strenger observantie teweegbrengt. Als
algemeene houding van wijde burgerkringen is het verschijnsel er niet
bekend. Misschien droeg daartoe bij, dat de Fransche vroomheid een
hartstochtelijker, spasmodischer karakter had dan de Nederlandsche, lichter
tot geëxaspereerde vormen verviel en ook lichter weer vervaagde. Tegen het
einde der Middeleeuwen worden bezoekers der Noordelijke Nederlanden
uit Zuidelijker landen meer dan eens getroffen door de ernstige en
algemeene vroomheid, die zij er onder het volk als iets bijzonders
opmerken.[650]
De Nederlandsche devoten hadden in het algemeen de aanrakingen laten
varen met de intensieve mystiek, uit welker voorbereidende stadiën hun
levensvorm was opgebloeid. Daarmee hadden zij ook het gevaar voor
fantastische afdwalingen tot ketterij grootendeels bezworen. De
Nederlandsche moderne devotie was gehoorzaam en rechtgeloovig,
praktisch zedelijk en soms zelfs nuchter. Het Fransche devote type
daarentegen schijnt een veel grootere slingerwijdte te hebben gehad: het
raakt telkens de extravagante geloofsverschijnselen.
Toen de Groningsche Dominicaan Mattheus Grabow naar Constanz was
getogen, om daar op het Concilie al de grieven van de bedelorden tegen de
nieuwe broeders des gemeenen levens te luchten, en zoo mogelijk hun
veroordeeling te verwerven, is het de groote leider der algemeene kerkelijke

Page 215

politiek, Johannes Gerson, zelf geweest, in wien de belaagde volgelingen
van Geert Groote hun verdediger vonden. Gerson was alleszins bevoegd,
om te beoordeelen, of men hier te doen had met een uiting van echte
vroomheid en een geoorloofden vorm van organisatie daarvan. Want het
onderscheiden van echte vroomheid van overdreven geloofsuitingen is een
der onderwerpen, die zijn geest voortdurend hebben beziggehouden. Gerson
was een voorzichtige, nauwgezette academische geest, eerlijk, zuiver en
welmeenend, met die ietwat angstvallige zorg voor den goeden vorm, die in
een fijnen geest, uit bescheiden omstandigheden tot een werkelijk
aristocratische houding gegroeid, dikwijls nog de afkomst verraadt. Daarbij
was hij een psycholoog en iemand met stijlgevoel. Stijlgevoel en
rechtzinnigheid nu zijn ten nauwste verwant. Geen wonder dus, dat de
uitingen van het geloofsleven van zijn dagen herhaaldelijk zijn argwaan en
bezorgdheid wekten. Nu is het merkwaardig, hoe de typen van vroomheid,
die hij afkeurt als overdreven en gevaarlijk, ons levendig herinneren aan de
moderne devoten, die hij verdedigd had. Toch is dit zeer verklaarbaar. Zijn
Fransche schapen misten de veilige schaapskooi, de discipline en
organisatie, die de al te vurigen van zelve binnen de perken hield van
hetgeen de Kerk dulden kon.
Gerson ziet overal de gevaren van de populaire devotie. Hij vindt het
verkeerd, dat de mystiek op straat wordt gebracht.[651] De wereld, zegt hij,
is in dit laatste tijdperk kort voor haar einde als een ijlhoofdige grijsaard,
ten prooi aan allerlei fantazieën, droomgezichten en illusies, die menigeen
van de waarheid af brengen.[652] Velen geven zich zonder behoorlijke
leiding over aan al te strenge vasten, al te gerekte nachtwaken, te
overvloedige tranen, waarmee zij hun brein troebel maken. Zij luisteren
naar geen vermaan tot matiging. Laat hen oppassen, want zij kunnen licht
vervallen in begoochelingen des duivels. Te Atrecht had hij nog kort
geleden een vrouw en moeder bezocht, die tegen den zin van haar
echtgenoot door haar volstrekt vasten, twee tot vier dagen achtereen, veler
bewondering wekte. Hij had met haar gesproken, haar ernstig beproefd, en
bevonden, dat haar onthouding louter hoogmoedige en ijdele halsstarrigheid
was. Want na zulk een vasten at zij met onverzadelijke vraatzucht; als reden
voor haar zelfkastijding gaf zij niet anders op, dan dat zij onwaardig was
om brood te eten. Haar uiterlijk verried hem reeds den naderenden waanzin.
[653] Een ander vrouwtje, een epileptica, wier eksteroogen staken, zoo

Page 216

dikwijls er een ziel ter helle voer, die de zonden aan het voorhoofd zag en
beweerde, dagelijks drie zielen te redden, bekende onder bedreiging met de
tortuur, dat zij zich zoo gedroeg, omdat het haar broodwinning was.[654]
Gerson achtte de vizioenen en revelaties van den jongsten tijd, die overal
gelezen werden, niet veel waard. Zelfs die van befaamde heiligen als
Brigitta van Zweden en Catharina van Siena verloochent hij.[655] Hij had er
zooveel gehoord, die hem het vertrouwen benamen. Velen verklaarden, dat
hun geopenbaard was, dat zij paus zouden worden; een geleerd man had het
zelfs eigenhandig beschreven en met bewijzen gestaafd. Een ander was
eerst overtuigd geweest, dat hij paus zou worden, maar daarna, dat hij de
Antichrist of althans diens voorlooper zou zijn, waarom hij had omgegaan
met de gedachte, zich het leven te benemen, om de christenheid niet zulk
een onheil aan te doen. [656]—Niets is zoo gevaarlijk, zegt Gerson, als een
onkundige devotie. Wanneer de arme vromen hooren, dat Maria's geest zich
verblijdde in haren God, dan trachten zij ook zich te verblijden, en stellen
zich van allerlei voor, nu met minnen, nu met vreezen; daarbij zien zij
allerlei beelden, die zij niet kunnen onderscheiden van de waarheid en die
zij allen voor wonder houden en voor het bewijs van hun voortreffelijke
devotie.[657] Maar dit was juist hetgeen de moderne devotie aanbeval. "Soe
wie hem in desen artikel mit herten ende mit al sinen crachten den liden ons
Heren innichlic geliken ende gheconformieren wil, die sal hem selven
pinen, druckich ende wemoedich te maken. Ende is hi in enighen
teghenwoerdighen druc, die sel hi mitter druckelicheit Christi verenighen
ende begheren mit hem te deilen".[658]
Het schouwende leven heeft groote gevaren, zegt Gerson; velen zijn er
zwaarmoedig of gek van geworden.[659] Hij weet, hoe licht een te
aanhoudend vasten tot waanzin of hallucinaties leidt; hij weet ook, welk een
rol het vasten speelt in de praktijken der tooverij.[660] Waar moest een man
met zulk een scherpen blik voor het psychologische moment in de uitingen
van het geloof de grens trekken tusschen het heilige en geoorloofde en het
verwerpelijke? Hij voelde zelf, dat enkel zijn rechtzinnigheid hem hier nog
niet genoeg gaf; het was gemakkelijk genoeg, om als geschoold
godgeleerde overal den staf te breken, waar van het dogma klaarblijkelijk
werd afgeweken. Maar daarnaast stonden al de gevallen, waar de ethische
beoordeeling der uitingen van vroomheid hem het richtsnoer moest zijn,

Page 217

waar zijn gevoel voor maat en goeden smaak hem het vonnis moest
ingeven. Er is geen deugd, zegt Gerson, die in deze ellendige tijden van het
schisma meer uit het oog wordt verloren dan de Discretio.[661]
Was reeds voor Jean Gerson het dogmatische criterium niet meer het
eenige, dat den doorslag gaf ter onderscheiding van ware en valsche
vroomheid, des te eêr vallen voor óns de typen van godsdienstige
aandoening niet meer samen volgens de lijnen van hun orthodoxie of
ketterij, maar volgens hun psychologischen aard. Ook het volk van den tijd
zelf zag de dogmatische lijnen niet. Het hoorde den ketterschen broer
Thomas met evenveel stichting als den heiligen Vincent Ferrer, het schold
de heilige Colette en haar volgelingen voor Begarden en hypocriten.[662]—
Colette vertoont al de eigenschappen van wat James den theopathischen
toestand noemt,[663] wortelend op een bodem van de pijnlijkste
overgevoeligheid. Zij kan geen vuur zien of den gloed ervan verdragen,
behalve kaarsen. Zij is ontzettend bang voor vliegen, slakken, mieren, voor
stank en onreinheid. Zij heeft denzelfden rabiden afschuw van de
sexualiteit, die later de heilige Aloysius Gonzaga vertoont, zoodat zij enkel
maagden in haar congregatie wil hebben, niet houdt van getrouwde heiligen
en het betreurt, dat haar moeder met haar vader in tweede huwelijk was
getrouwd.[664] Deze hartstocht voor de zuiverste maagdelijkheid werd door
de Kerk nog altijd als stichtelijk en navolgenswaard geprezen. Hij was
ongevaarlijk, zoolang hij beleden werd in den vorm van een persoonlijk
afgrijzen van al het sexueele. Doch datzelfde sentiment werd in een anderen
vorm gevaarlijk voor de Kerk en bij gevolg voor den persoon, die het
beleed: wanneer deze namelijk niet meer als de slak de horens introk, maar
de toepassing van die zucht naar kuischheid wilde zien op het kerkelijk en
maatschappelijk leven der anderen. Steeds weer, als het streven naar die
zuiverheid revolutionaire vormen aannam, heeft de Kerk het moeten
verloochenen, omdat zij wist, dat het onuitvoerbaar was. Jean de Varennes
boette die consequentie in een ellendigen kerker, waar de aartsbisschop van
Reims hem had doen opsluiten. Deze Jean de Varennes was een geleerd
theoloog en befaamd prediker, die aan het pauselijk hof te Avignon als
kapelaan van den jeugdigen kardinaal van Luxemburg zelf beschikt scheen
voor een myter of kardinaalshoed, toen hij plotseling van al zijn beneficiën
afstand deed behalve een kanunnikschap van Notre Dame te Reims, zijn
staat opgaf, en uit Avignon naar zijn geboorteland terugging, waar hij te

Page 218

Saint Lié een heilig leven begon te leiden en te preeken. "Et avoit moult
grant hantise de poeuple qui le venoient veir de tous pays pour la simple vie
très-noble et moult honneste que il menoit." Men vond, dat hij wel paus kon
worden; men noemde hem "le saint homme de S. Lié", en raakte hem aan
om de wonderdadigheid van zijn persoon; sommigen hielden hem voor een
godsgezant of een goddelijk wezen zelf. Heel Frankrijk sprak een tijdlang
van niets anders.[665]
Maar niet iedereen geloofde aan de oprechtheid van zijn bedoelingen; er
waren er ook, die van "le fou de Saint Lié" spraken, of hem verdachten,
langs dezen opzienbarenden weg de prelatuur te willen bereiken, die hem
anders was ontgaan. Bij hem had, gelijk bij zooveel vroegeren, die als
ketters verworpen waren, de hartstocht voor geslachtelijke zuiverheid het
karakter aangenomen van een heftig revolutionaire prediking, waarin zich
al de grieven over de ontaarding der Kerk schikten onder die eene groote
verontwaardiging. "Au loup, au loup" riep hij de schare toe, en deze riep
willig terug: "Hahay, aus leus, mes bones gens, aus leus." Maar hij zei
immers niet, dat hij den aartsbisschop bedoelde, aldus zijn verdediging uit
den kerker; hij placht enkel het spreekwoord te zeggen: "qui est tigneus, il
ne doit pas oster son chaperon".[666] Hoever hij ook gegaan moge zijn, zijn
hoorders verstonden hem zoo, dat hij al het oude verzet tegen de onkuische
priesters had gepreekt: hun sacramenten ongeldig, de hostie, die zij wijden,
niet dan brood, hun doopsel en hun absolutie waardeloos. En meer nog
tegen de onkuischheid in het algemeen: de priesters mogen zelfs niet wonen
met een zuster of een oude van dagen; aan het huwelijk zijn 22 of 23
zonden verbonden; men moest de echtbrekers straffen naar de leer van het
Oude Verbond; Christus zelf zou, indien hij zekerheid had gehad omtrent
haar schuld, bevolen hebben, de overspelige te steenigen; er was geen
goede vrouw in Frankrijk, er kon geen bastaard iets goeds doen of zalig
worden.[667]
Tegen dien ingrijpenden vorm van afkeer der onkuischheid heeft de Kerk
zich steeds uit zelfbehoud moeten verzetten: werd eenmaal de twijfel
gewekt aan de geldigheid der sacramenten van onwaardige priesters, dan
was het geheele kerkelijk leven ontwricht. Gerson stelt Jean de Varennes
naast Johannes Hus als een, die met oorspronkelijk goede bedoelingen door
zijn ijver op het dwaalspoor is geleid.[668]

Page 219

De Kerk is aan den anderen kant in het algemeen uiterst toegefelijk geweest
op een ander gebied: in het dulden van de hoogst zinnelijke verbeeldingen
der godsliefde. De nauwgezette kanselier van de Parijsche universiteit
evenwel heeft ook daar het gevaar gevoeld en ervoor gewaarschuwd.

Page 220

Hij kende het uit zijn groote zielkundige ervaring, hij kende het van
verschillende zijden, als dogmatisch en als zedelijk gevaar. "De dag zou mij
niet genoeg zijn, zegt hij, als ik al de tallooze waanzinnigheden wilde
opsommen van de minnenden, de zinneloozen: amantium, immo et
amentium."[669] Ja, hij wist het bij ondervinding: "Amor spiritualis facile
labitur in nudum carnalem amorem."[670] Want wie zou het anders zijn dan
Gerson zelf, die man, dien hij kende, die uit loffelijke devotie een
gemeenzame vriendschap in den Heer had gekweekt met een geestelijke
zuster: "aanvankelijk ontbrak het vuur van eenige vleeschelijkheid, maar
gaandeweg wies uit den geregelden omgang een liefde, die niet geheel en al
meer in God was, zoodat hij zich niet meer kon weerhouden, haar te
bezoeken, of in haar afwezigheid aan haar te denken. Nog vermoedde hij
niets zondigs, geen duivelsch bedrog, totdat een langere afwezigheid hem
tot het inzicht bracht van het gevaar, dat God nog ter juister tijd van hem
had gewend."[671] Hij was voortaan "un homme averti" en trok er profijt
van. Zijn geheele tractaat De diversis diaboli tentationibus[672] is als een
scherpe analyse van den geestesstaat, die ook die van de Nederlandsche
moderne devoten was. Het is vooral de "dulcedo Dei", de "zueticheit" der
Windesheimers, welke Gerson wantrouwt. De duivel, zegt hij, boezemt den
menschen somtijds een onmetelijke en wonderlijke zoetheid (dulcedo) in,
op de wijze van en gelijkende op devotie, opdat de mensch in het genieten
van die zoetheid (suavitas) zijn eenig doel zoeke, en God enkel meer wil
beminnen en volgen, om die genieting te erlangen.[673] En elders,[674] van
dezelfde dulcedo Dei: velen heeft de al te sterke kweeking van dergelijke
gevoelens bedrogen: zij hebben de razernijen van hun hart als het voelen
Gods omhelsd en jammerlijk gedwaald. Het leidt tot allerlei ijdel streven:
sommigen trachten een staat te bereiken van volkomen gevoelloosheid of
passiviteit, waarin slechts God door hen handelt, of een mystische kennis en
vereeniging met God, waarin Hij niet meer onder eenig begrip des zijns, des
waren of des goeden wordt opgevat.—Hier liggen ook Gerson's bezwaren
tegen Ruusbroec, aan wiens eenvoudigheid hij niet gelooft, wien hij de
meening van zijn Chierheit der gheesteliker brulocht verwijt, dat de
volmaakte ziel, God schouwende, Hem niet enkel ziet door de klaarheid,
die de goddelijke essentie is, maar dat zij zelve de goddelijke klaarheid is.
[675]

Page 221

Het gevoel van de volstrekte vernietiging der individualiteit, dat de
mystieken van alle tijden gesmaakt hebben, kon de voorstander van een
matige, ouderwetsche, Bernardijnsche mystiek, die Gerson was, niet
gedoogen. Een zieneres had hem verteld, dat haar geest in het schouwen
Gods vernietigd was geworden met een werkelijke vernietiging en daarna
opnieuw geschapen. Hoe weet ge dat? had hij haar gevraagd. Zij had het
zelf ondervonden, was haar antwoord. De logische absurditeit dier
verklaring is voor den intellectueelen kanselier het triomfantelijk bewijs,
hoe verwerpelijk zulk een gevoelen was.[676] Het was gevaarlijk, zulke
gewaarwordingen in een gedachte uit te drukken; de Kerk kon ze enkel
dulden in den vorm van een beeld: het hart van Catharina van Siena was
veranderd in het hart van Christus. Maar Marguerite Porete uit
Henegouwen, van de Broeders van den vrijen geest, die ook haar ziel in
God vernietigd waande, was in 1310 te Parijs verbrand.[677]
Het groote gevaar van het zelfvernietigingsgevoel lag in de conclusie,
waartoe evenzeer de Indische als sommige christelijke mystieken kwamen,
dat de volmaakte schouwende en minnende ziel niet meer zondigen kan.
Immers, opgegaan in God, heeft zij geen wil meer; slechts het goddelijk
willen is gebleven, en waarin zij ook de vleeschelijke neigingen volgen,
daarin is geen zonde meer.[678] Tal van armen en onwetenden waren door
zulke leeringen verleid tot een leven van de vreeselijkste ongebondenheid,
zooals de secten der Begarden, de Broeders van den vrijen geest, de
Turlupijnen te zien hadden gegeven. Telkens als Gerson van de gevaren der
uitgelaten godsminne spreekt, komt hem het waarschuwend voorbeeld van
die secten in de gedachte.[679] Toch is men hier voortdurend vlak bij de
kringen der devoten. De Windesheimer Hendrik van Herp beschuldigt zijn
eigen geestverwanten van geestelijk overspel.[680] Er lagen in deze sfeer
duivelsche valstrikken tot de meest perverse goddeloosheid. Gerson vertelt
van een aanzienlijk man, die aan een Kartuizer had bekend, dat hem een
doodzonde, en hij noemde met name die der onkuischheid, de minne Gods
niet belemmerde, maar hem integendeel ontvlamde om de goddelijke
zoetheid nog inniger te prijzen en te begeeren.[681]
De Kerk waakte, zoodra de smeltende aandoeningen van de mystiek zich
omzetten in geformuleerde overtuigingen of in toepassing op het
maatschappelijk leven. Zoolang het bleef bij louter hartstochtelijke

Page 222

verbeeldingen van symbolischen aard, liet zij ook het meest exuberante toe.
Johannes Brugman kon ongestraft al de eigenschappen van den dronkaard,
die zich zelf vergeet, geen gevaar ziet, niet toornig wordt om bespotting,
alles weggeeft, toepassen op Jezus' menschwording: "O en was hi niet wael
droncken, doe hem die mynne dwanck, dat hi quam van den oversten hemel
in dit nederste dal der eerden?" In den hemel gaat hij rond, "schyncken ende
tappen mit vollen toyten" aan de profeten, "ende sij droncken, dat sij
borsten, ende daer spranck David mit sijnre herpen voer der tafelen, recht of
hij mijns heren dwaes waer."[682]
De groteske Brugman niet alleen, ook de zuivere Ruusbroec geniet de
godsminne onder het beeld der dronkenschap. Naast dat der dronkenschap
staat het beeld van den honger. Mogelijk lag voor beide de aanleiding in het
bijbelwoord: "qui edunt me, adhuc esurient, et qui bibunt me, adhuc
sitient,"[683] dat, door Sapientia gesproken, als woord des Heeren werd
geduid. De voorstelling van des menschen geest, geteisterd door een
eeuwigen honger naar God, was dus gegeven. "Hier beghint een ewich
honger, die nemmermeer vervult en wert, dat es een inwendich ghieren ende
crighen der minnender cracht ende dies ghescapens geestes in een
ongescapen goet.... Dit sijn die armste liede die leven; want si sijn ghierich
ende gulsich ende si hebben den mengherael (verklaring: "dat is die vraet of
den ghier of den heeten onversadeliken hongher"). Wat si eten ende
drinken, si en werden nemmermeer sat in deser wijs, want dese hongher es
ewich.... Al gave God desen mensche alle die gaven die alle heylighen
hebben ... sonder hem selven, nochtan bleve die gapende ghier des gheests
hongherich ende onghesaedt."—Doch evenals het beeld der dronkenschap
is ook dat van den honger voor omkeering vatbaar: "Sijn (Christus')
hongher is sonder mate groet; hi verteert ons al uut te gronde; want hi is een
ghierich slockaert ende heeft den mengerael: hi verteert dat merch uut
onsen benen. Nochtan gonnen wijs hem wale, ende soe wijs hem meer
ghonnen, soe wij hem bat smaken. Ende wat hi op ons teert, hi en mach niet
vervult werden, want hi heeft den mengerael ende sijn hongher is sonder
mate: ende al sijn wi arm, hi en achtes niet, want hi en wilt ons niet laten.
Ierstwerf bereyt hi sine spise, ende verbernt in minnen al onse sonden ende
ghebreken. Ende alse wi dan ghesuvert sijn ende in minnen ghebraden, soe
gaept hi alse die ghier diet al verslocken wilt.... Mochten wi sien die
ghierighe ghelost (lust) die Christus heeft tote onser salicheit, wi en

Page 223

mochten ons niet onthouden wi en souden hem in die kele vlieghen. Al
verteert ons Jhesus te male in hem, daer vore gheeft hi ons hem selven,
ende hi gheeft ons gheesteliken hongher ende dorst sijns te ghesmaken met
ewigher lost. Hi gheeft ons gheesteliken hongher, ende onser herteliker
liefde sijn lichame in spisen. Ende alse wi dien in ons eten ende teren met
ynnigher devocien, soe vloyet uut sinen lichame sijn gloriose heete bloet in
onse nature ende in alle onse aderen.... Siet, aldus selen wi altoes eten ende
werden gheten, ende met minnen op ende nedergaen, ende dit is onse leven
in der ewicheit".[684]
Een kleine schrede, en men is van deze hoogste vervoeringen der mystiek
weer bij een plat symbolisme. "Vous le mangerés,—zegt van de eucharistie
Le livre de crainte amoureuse van Jean Berthelemy—, rôti au feu, bien cuit,
non point ars ou brulé. Car ainsi l'aigneau de Pasques entre deux feux de
bois ou de charbon estoit cuit convenablement et roty, ainsi ledoulx Jésus,
le jour du Vendredi sacré, fut en la broche de la digne croix mis, attachié, et
lié entre les deux feux de tres angoisseuse mort et passion, et de tres
ardentes charité et amour qu'il avoit à nos ames et à nostre salut, il fut
comme roty et langoureusement cuit pour nous saulver."[685]
Het beeld van de dronkenschap en den honger weerspreekt reeds de
meening, dat elk godsdienstig zaligheidsgevoel erotisch geïnterpreteerd zou
moeten worden.[686] Het instroomen van den goddelijken invloed wordt
evengoed als een drinken of een gebaad worden ondergaan. Een
Diepenveensche devote voelt zich geheel overstort met het bloed van
Christus en bezwijmt.[687] De bloedfantazie, voortdurend door het geloof
aan de transsubstantiatie levend gehouden en geprikkeld, uit zich in de
bedwelmendste uitersten van rooden gloed. De wonden van Jezus, zegt
Bonaventura, zijn de bloedroode bloemen van ons zoete en bloeiende
paradijs, waarover de ziel als een vlinder zweven moet, dan aan deze dan
aan gene drinkende. Door de zijwond moet zij binnendringen tot het hart
zelf. Tegelijk stroomt het bloed als beken in het paradijs. Al het roode en
warme bloed van alle wonden is door Suso's mond in zijn hart en ziel
gevloeid.[688] Catharina van Siena is een der heiligen, die uit de zijwond
van Christus gedronken hebben, gelijk het anderen ten deel viel, de melk
van Maria's borsten te proeven: Sint Bernard, Heinrich Suso, Alain de la
Roche.

Page 224

Alain de la Roche, in het latijn Alanus de Rupe, bij zijn Nederlandsche
vrienden Van der Klip geheeten, kan als een der meest markante typen
gelden van de Fransche, meer fantastische devotie en van de ultra-concrete
geloofsverbeelding der laatste Middeleeuwen. Omstreeks 1428 in Bretagne
geboren, heeft hij als Dominicaan hoofdzakelijk in het Noorden van
Frankrijk en in de Nederlanden gewerkt. Hij is te Zwolle bij de Fraters, met
wie hij levendige betrekkingen onderhield, in 1475 gestorven. Zijn
voornaamste werk was het ijveren voor het gebruik van den rozenkrans,
waartoe hij een gebedsbroederschap over de geheele wereld stichtte, aan
welke hij het bidden voorschreef van vaste stelsels van Ave's, door Pater's
afgewisseld. In het werk van dezen visionair, hoofdzakelijk preeken en
beschrijvingen van zijn gezichten,[689] treft het sterk sexueele van zijn
verbeeldingen, doch tegelijk het ontbreken van dien toon van gloeiende
passie, die de sexueele verbeelding van het heilige rechtvaardigen kon. De
zinnelijke uitdrukking der smeltende godsminne is hier louter procédé
geworden. Er is niets van de overstroomende innigheid, die de honger-,
dorst-, bloed- en liefde-fantazieën van de groote mystieken verheft. In de
meditaties over elk van Maria's lichaamsdeelen, die hij aanbeveelt, in de
nauwkeurige beschrijving van zijn herhaalde laving met de melk van Maria,
in de symbolische systematiek, waarbij hij elk der woorden van het Onze
Vader het bruidsbed van een der deugden noemt, spreekt een geest op zijn
laatst, het verval van de hooggekleurde vroomheid der latere Middeleeuwen
tot een uitgebloeiden vorm.
Ook in de duivelenfantazie had het sexueele element een plaats: Alain de la
Roche ziet de beesten der zonde met afschuwelijke teeldeelen, waaruit een
vurige en zwavelige stortvloed breekt, die met zijn smook de aarde
verduistert; hij ziet de meretrix apostasiae, die de afvalligen verslindt, weer
uitbraakt en uitscheidt, weer verslindt, hen als een moeder kust en koestert,
hen telkens opnieuw baart uit haren schoot. [690]
Daar lag de tegenkant van de "zueticheit" der devoten. Als onvermijdelijk
complement van de zoete hemelsche fantazie borg de geest een zwarten
poel van hellevoorstellingen, die eveneens hun uitdrukking vonden in de
gloeiende taal der aardsche zinnelijkheid. Het is zoo vreemd niet, dat er
verbindingen zijn aan te wijzen tusschen de stille kringen der
Windesheimers en het duisterste wat de Middeleeuwen tegen haar einde
hebben voortgebracht: de heksenwaan, thans uitgegroeid tot dat noodlottig

Page 225

sluitende systeem van theologischen ijver en rechterlijke strengheid. Alanus
de Rupe vormt zulk een schakel. Hij, de gaarne geziene gast van de
Zwolsche fraters, was ook de leermeester van zijn ordebroeder Jakob
Sprenger, die niet alleen met Heinrich Institoris den Heksenhamer
geschreven heeft, maar ook in Duitschland de ijverige bevorderaar is
geweest van Alanus' broederschap van den rozenkrans.

Page 226

IX
VERBEELDING EN GEDACHTE

De aandoening wilde zich altijd onmiddellijk omzetten in bonte en
gloeiende verbeelding. De geest meende het wonder te hebben begrepen,
wanneer hij het voor oogen zag. De behoefte, om het onuitsprekelijke onder
zichtbare teekenen te aanbidden, schiep steeds nieuwe figuren. In de
veertiende eeuw zijn het kruis en het lam niet meer genoeg, om aan de
overstroomende liefde voor Jezus een zichtbaar object te geven: de
vereering van den naam Jezus voegt zich daaraan toe, en dreigt zelfs bij
sommigen de kruisvereering in de schaduw te stellen. Heinrich Suso
tatoeërt zich den naam Jezus op de hartstreek, en vergelijkt het met de
beeltenis eener geliefde, die de minnaar in zijn kleed genaaid draagt. Hij
zendt doekjes, waarop de zoete naam geborduurd staat, aan zijn geestelijke
kinderen.[691]—Als Bernardino van Siena een geweldige preek besloten
heeft, ontsteekt hij twee kaarsen en vertoont een bord van een el groot,
waarop in goud op blauw de naam Jezus te midden van stralen; "het volk
dat de kerk vult, ligt op de knieën, allen te zamen huilend en schreiend van
zoete aandoening en teedere liefde tot Jezus". [692] Vele andere
Franciscanen, en ook predikers van andere orden, volgden het na:
Dionysius de Kartuizer wordt met zulk een naambord in de hoogopgeheven
handen afgebeeld. De zonnestralen als helmteeken boven het wapen van
Genève worden uit deze vereering afgeleid.[693] Zij scheen den kerkelijken
autoriteiten bedenkelijk; men sprak van bijgeloof en idolatrie, er ontstonden
tumulten voor en tegen het gebruik. Bernardino werd voor de curie
gedaagd, en paus Martinus V verbood de gewoonte. [694] Doch in een
anderen vorm vond weldra de behoefte, om den Heer zichtbaar te
aanbidden, gewettigde bevrediging: de monstrans stelde de gewijde hostie
zelf tot aanbidding ten toon. Voor den torenvorm, dien zij bij haar eerste
opkomen in de veertiende eeuw had, kreeg de monstrans weldra dien van de
stralende zon, symbool der goddelijke liefde. Ook hier had de Kerk

Page 227

aanvankelijk nog bedenkingen gekoesterd; het gebruik der monstrans was
enkel gedurende de week van het sacramentsfeest toegestaan.
De overmaat van verbeeldingen, waarin de uitbloeiende middeleeuwsche
gedachte bijna alles had opgelost, zou louter wilde fantasmagorie zijn
geweest, wanneer niet bijna elke figuur, elk beeld, zijn plaats had gehad in
het groote, alles omvattende denksysteem van het symbolisme.
Er was geen groote waarheid, die de middeleeuwsche geest stelliger wist,
dan die van het woord aan de Corinthen: "Videmus nunc per speculum in
aenigmate, tunc autem facie ad faciem"; "Want wij zien nu door eenen
spiegel in eene duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot
aangezicht".—Zij hebben nooit vergeten, dat elk ding absurd zou zijn, als
zijn beteekenis uitgeput was in zijn onmiddellijke functie en
verschijningsvorm, dat alle dingen met een heel stuk reiken in de wereld
aan den anderen kant. Dat weten is ook ons als ongeformuleerd gevoel nog
op ieder oogenblik gemeenzaam, wanneer het geluid van den regen op de
bladeren of het schijnsel van de lamp over de tafel even doordringt tot een
dieper perceptie dan die van den praktischen denk- en handelingszin. Het
kan zich voordoen als een ziekelijke oppressie, zoodat de dingen zwanger
schijnen van een dreigende persoonlijke bedoeling of van een raadsel, dat
men kennen moet en niet kennen kan. Het kan ook, en zal vaker, ons vullen
met de rustige en sterkende verzekerdheid, dat ook ons eigen leven deel
heeft aan dien geheimen zin der wereld. En hoe meer dat gevoel zich
verdicht tot de huivering voor het Eene, waarvan alle dingen uitstroomen,
hoe lichter het van de zekerheid van enkele klare oogenblikken zal
overgaan tot een blijvend aanwezig levensgevoel, of zelfs een
geformuleerde overtuiging. "By cultivating the continuous sense of our
connection with the power that made things as they are, we are tempered
more towardly for their reception. The outward face of nature need not
alter, but the expressions of meaning in it alter. It was dead and is alive
again. It is like the difference between looking on a person without love, or
upon the same person with love.... When we see all things in God, and refer
all things to him, we read in common matters superior expressions of
meaning."[695]
Dit is de gevoelsgrond, waarop het symbolisme opgroeit. Bij God bestaat
niets ledigs of zonder beteekenis: "nihil vacuum neque sine signo apud

Page 228

Deum".[696] Zoodra God verbeeld was, moest ook dat al, wat van hem
uitging en in hem zijn zin had, stollen of kristalliseeren tot geformuleerde
gedachten. En zoo ontstaat die grootsche en edele verbeelding van de
wereld als één groot symbolisch verband, een kathedraal van ideeën, de
allerrijkst rythmische en polyphone uitdrukking van al het denkbare.
De symbolische denkorde staat zelfstandig en op zich zelf gelijkwaardig
naast de genetische. De laatste: het begrijpen van de wereld als
ontwikkeling, was den Middeleeuwen niet zóo vreemd, als men het wel
eens voorstelt. Doch het voortkomen van de dingen uit elkander werd nog
alleen gezien onder de naïeve figuur van directe voortteling of van
vertakking, en nog alleen toegepast volgens logische deductie, op de dingen
van den geest. Die werden gaarne gezien in de geleding van genealogieën
of van boomen met vertakkingen: een "arbor de origine juris et legum"
rangschikte alles van het recht in het beeld van een wijdgespreiden boom.
Enkel deductief toegepast behield de ontwikkelingsgedachte iets
schematisch, willekeurigs en onvruchtbaars.
Het symbolisme is, van het standpunt van het causale denken beschouwd,
als een geestelijke kortsluiting. Het verband der dingen wordt niet gezocht
als een band van oorzaak en gevolg, maar als een van beteekenis en doel.
De overtuiging van zulk een verband kan ontstaan, zoodra twee dingen één
essentieele eigenschap gemeen hebben, die te betrekken is op iets van
algemeene waarde. Of met andere woorden: elke associatie op grond van
eenigerlei gelijkheid kan zich onmiddellijk omzetten in het besef van een
wezenlijk en mystisch verband. Dit kan van psychologisch gezichtspunt een
zeer povere geestesfunctie schijnen. En van ethnologisch gezichtspunt kan
men het bovendien een zeer primitieve geestesfunctie noemen. Het
primitieve denken kenmerkt zich door een zwakheid van de waarneming
der identiteitsgrenzen tusschen de dingen; het incorporeert in de
voorstelling van een bepaald ding alles wat daarmee door gelijkenis of
toebehooren in eenig verband staat. De symboliseerende functie hangt
daarmede ten nauwste samen.
Het symbolisme verliest evenwel dien schijn van willekeurigheid en
onvoldragenheid, zoodra men zich er rekenschap van geeft, dat het
onverbrekelijk verbonden is met die opvatting van het bestaande, welke in

Page 229

de Middeleeuwen realisme heette, en die wij, eigenlijk minder treffend,
platonisch idealisme noemen.
Alleen dan heeft de symbolische gelijkstelling op grond van
gemeenschappelijke kenmerken zin, wanneer die kenmerken het wezenlijke
aan de dingen zijn, wanneer de eigenschappen, die het symbool en het
gesymboliseerde gemeen hebben, waarlijk als essentiën beschouwd worden.
Rozen wit en rood bloeien tusschen doornen. De middeleeuwsche geest ziet
terstond een symbolische beteekenis: maagden en martelaars stralen in
heerlijkheid tusschen hun vervolgers. Hoe komt de gelijkstelling tot stand?
Doordat de hoedanigheden dezelfde zijn: de schoonheid, teerheid,
zuiverheid, de bloedroodheid der rozen zijn ook die der maagden en
martelaars. Doch dit verband is alleen dan waarlijk zinrijk en vol van
mystische beteekenis, wanneer in het verbindende lid, in de hoedanigheid
dus, het wezen der beide termen van het symbolisme ligt opgesloten, met
andere woorden, wanneer de roodheid en de witheid niet gelden als louter
benamingen voor physisch onderscheid op quantitatieven grondslag, maar
gezien worden als realiën, wezenlijkheden. Ook óns denken vermag nog elk
oogenblik ze zoo te zien,[697] als het maar even terugkeert tot de wijsheid
van den wilde, het kind, den dichter en den mysticus, voor wie de
natuurlijke gesteldheid der dingen ligt opgesloten in hun algemeene
hoedanigheid. De hoedanigheid is hun watheid, de kern van hun zijn.
Schoonheid, teerheid, witheid, essentiën zijnde, zijn eenheden: alles wat
schoon, teer, wit is, moet in wezen samenhangen, heeft denzelfden
bestaansgrond, dezelfde beteekenis (be-teekenis) voor God.
Zoo is er een onverbrekelijk verband tusschen symbolisme en realisme (in
den middeleeuwschen zin).
Men moet hier niet te veel denken aan den strijd over de universalia. Zeker,
het realisme, dat de "universalia ante res" verklaarde, dat aan de algemeene
begrippen wezen en praeëxistentie toekende, is geen alleenheerscher
geweest op het gebied van het middeleeuwsche denken. Er zijn ook
nominalisten geweest: ook het "universalia post rem" heeft zijn
voorstanders gehad. Doch de stelling is niet te gewaagd, dat het radicale
nominalisme nooit anders dan tegenstrooming, reactie, oppositie is geweest,
en dat het jongere, gematigde nominalisme enkel zekere philosophische
bezwaren tegen een extreem realisme tegemoet kwam, maar aan de

Page 230

inhaerent-realistische denkrichting der gansche middeleeuwsche
geestesbeschaving niets in den weg legde.
Inhaerent aan de gansche beschaving. Want het komt niet in de eerste plaats
op dien strijd van scherpzinnige theologen aan, maar op de voorstellingen,
die het geheele verbeeldings- en gedachtenleven, zooals het zich uit in de
kunst, de moraal, het dagelijksch leven, beheerschen. Deze zijn extreem
realist, niet omdat de hooge theologie in een lange school van
neoplatonisme was geformeerd, maar omdat het realisme, buiten alle
philosophie om, de primitieve denkwijze is. Voor den primitieven geest
neemt alles wat benoembaar is, terstond wezen aan, of het hoedanigheden
zijn, begrippen of wat ook. Zij projecteeren zich terstond automatisch aan
den hemel. Hun wezen kan bijna altijd (behoeft niet altijd) worden opgevat
als persoonlijk wezen; ieder oogenblik kan de reidans van anthropomorphe
begrippen beginnen.
Alle realisme, in den middeleeuwschen zin, is tenslotte
anthropomorphisme. Wanneer de gedachte, die aan de idee een zelfstandig
wezen heeft toegekend, wil worden gezien, dan kan zij dat niet anders dan
door personificatie. Hier ligt de overgang van symbolisme en realisme naar
allegorie. De allegorie is het naar de oppervlakkige verbeeldingskracht
geprojecteerde symbolisme, de opzettelijke uitwerking, daarmee ook
uitputting, van een symbool, het overbrengen van een hartstochtelijken
kreet tot een grammatisch correcten zin. Goethe beschrijft de tegenstelling
aldus: "Die Allegorie verwandelt die Erscheinung in einen Begriff, den
Begriff in ein Bild, doch so, dass der Begriff im Bilde immer noch begrenzt
und vollständig zu halten und zu haben und an demselben auszusprechen
sei. Die Symbolik verwandelt die Erscheinung in Idee, die Idee in ein Bild,
und so, dass die Idee im Bild immer unendlich wirksam und unerreichbar
bleibt und selbst in allen Sprachen ausgesprochen doch unaussprechlich
bleibe."[698]
De allegorie heeft dus inzichzelf reeds het karakter van schoolsche
normaliseering, en tegelijk van een vertering, een opgaan der gedachte in
het beeld. De wijze, waarop zij het middeleeuwsche denken was
binnengekomen: als litteraire aflegger van de late Oudheid in de
allegorische producten van Martianus Capella en Prudentius, verhoogde het
schoolsche en oudachtige karakter. En toch meene men niet, dat het de

Page 231

middeleeuwsche allegorie en personificatie aan echtheid en leven ontbrak.
Trouwens, had zij die niet bezeten, hoe zou dan de middeleeuwsche
beschaving haar zoo aanhoudend en met zulk een voorliefde hebben
gecultiveerd?
Te zamen vereenigd hebben deze drie denkwijzen: realisme, symbolisme en
personificatie, den middeleeuwschen geest doorschenen als een stroom van
licht. De psychologie zou wellicht het geheele symbolisme willen afdoen
met den term ideeënassociatie. Maar de geschiedenis der geestesbeschaving
heeft dien denkvorm eerbiediger te beschouwen. De levenswaarde van de
symbolische verklaring van het bestaande was onschatbaar. Het symbolisme
schiep een wereldbeeld van nog strenger eenheid en inniger verband, dan
het causaal-natuurwetenschappelijk denken vermag. Het omvademde met
zijn sterke armen de geheele natuur en de geheele geschiedenis. Het schept
daarin een onverbrekelijke rangorde, een architectonische geleding, een
hiërarchische subordinatie. Want in elk symbolisch verband moet een lager
en een hooger zijn; gelijkwaardige dingen kunnen elkanders symbool niet
zijn, maar enkel samen wijzen naar een derde, dat hooger is. In het
symbolisch denken is ruimte voor een onmetelijke veelvuldigheid van
betrekkingen tusschen de dingen. Want elk ding kan met zijn verschillende
hoedanigheden symbool zijn van velerlei andere, en ook met één en
dezelfde hoedanigheid verschillende dingen beteekenen; en de hoogste
dingen hebben hun duizenderlei symbolen. Geen ding is te nederig om het
hoogste te beduiden en aan te wijzen ter verheerlijking. De okkernoot
beteekent Christus: de zoete kern is de goddelijke natuur, de vleezige
buitenschil de menschelijke, en de houten schaal daartusschen is het kruis.
Alle dingen bieden stut en steun voor het opstijgen der gedachte naar het
eeuwige; alle beuren elkaar van trede tot trede omhoog. Het symbolische
denken geeft een voortdurende transfusie van het gevoel van God's
majesteit en eeuwigheid in al het waarneembare en denkbare. Het houdt
voortdurend het mystische levensgevoel brandend. Het doordringt de
voorstelling van elk ding met verhoogde aesthetische en ethische waarde.
Denk het genot, als elke edelsteen fonkelt met de glanzen van al zijn
symbolische waarden, als de vereenzelviging van rozen en maagdelijkheid
meer is dan een dichterlijk zondagskleed, als zij het wezen van beide
aangeeft. Het is een waarlijke polyphonie der gedachte. Bij een doorgedacht
symbolisme klinkt in elke voorstelling een harmonisch accoord van

Page 232

symbolen. Het symbolisch denken geeft dien zwijmel der gedachte, die
prae-intellectueele vervloeiing van de identiteitsgrenzen der dingen, die
tempering van het verstandelijk denken, welke het levensbesef op zijn
hoogste heft.
Een harmonisch verband verbindt voortdurend alle gebieden der gedachte.
De feiten van het Oude Testament beduiden, praefigureeren die van het
Nieuwe, die der profane geschiedenis weerspiegelen hetzelfde. Bij elk
denken valt, als in een kaleidoscoop, uit de ongeordende massa partikels
een schoone en symmetrische figuur samen. Elk symbool krijgt een
overwaarde, een veel sterkere graad van wezenlijkheid, doordat allen
tenslotte geschaard staan rondom het centrale wonder der eucharistie, en
daar is de gelijkheid geen symbolische meer, maar identiteit: de hostie is
Christus. En de priester, die haar tot zich neemt, wordt daarmee het graf des
Heeren; het afgeleide symbool deelt in de werkelijkheid van het opperste
mysterie, elk beduiden wordt een mystisch één-zijn.[699]
Door het symbolisme werd het mogelijk, de wereld, die in zich zelf
verwerpelijk was, toch te waardeeren en te genieten, en ook het aardsche
bedrijf te veredelen. Want elk beroep had zijn symbolische betrekking op
het hoogste en heiligste. De arbeid van den handwerker is de eeuwige
generatie en incarnatie des Woords en de bond tusschen God en de ziel. [700]
Zelfs tusschen de aardsche liefde en de goddelijke liepen de draden van het
symbolisch contact. Het sterke religieuze individualisme, dat wil zeggen de
cultiveering van de eigen ziel tot deugd en zaligheid, vond zijn heilzaam
tegenwicht in het realisme en symbolisme, die het eigen leed, de eigen
deugd, losmaakten uit de bijzonderheid van het persoonlijke, en ophieven in
de sfeer van het universeele.
De zedelijke waarde van de symbolische denkwijze is onafscheidelijk van
haar verbeeldingswaarde. De symbolische verbeelding is als de muziek op
den tekst der logisch uitgedrukte leerstellingen. "En ce temps où la
spéculation est encore toute scolaire, les concepts définis sont facilement en
désaccord avec les intuitions profondes."[701] Door het symbolisme stond de
geheele godsdienstige voorstellingsrijkdom open voor de kunst, om haar uit
te drukken, klank- en kleurrijk, en tegelijk vaag en zwevend, zoodat de
diepste intuïties erop konden wegvlieden naar het besef van het onzegbare.

Page 233

De eindigende Middeleeuwen vertoonen die geheele denkwereld in haar
laatsten uitbloei. De wereld lag volkomen uitgespreid in die alomvattende
verzinnebeelding, en de symbolen werden als versteende bloemen. Van
oudsher had overigens het symbolisme de neiging bezeten, om zuiver
mechanisch te worden. Eenmaal als beginsel gegeven, ontspruit het niet
alleen uit dichterlijke verbeelding en vervoering, maar hecht zich als een
woekerplant aan het denken, en ontaardt tot louter hebbelijkheid en een
ziekte der gedachte. Met name wanneer het symbolisch contact eenvoudig
voortvloeit uit gelijkheid van getal, ontstaan heele verschieten van ideëele
afhankelijkheden. Het worden rekensommetjes. De twaalf maanden zullen
de twaalf apostelen beduiden, de vier jaargetijden de evangelisten, en het
geheele jaar moet dan Christus zijn.[702] Er conglomereeren zich gansche
systemen van zeventallen. Met de zeven hoofddeugden correspondeeren de
zeven beden van het Onze Vader, de zeven gaven van den heiligen geest, de
zeven zaligsprekingen en de zeven boetpsalmen. Zij hebben weer
betrekking op de zeven momenten van de passie en op de zeven
sacramenten. Elk nummer van elk zevental correspondeert weer als
tegenstelling of geneesmiddel met de zeven hoofdzonden, die weer door
zeven dieren verbeeld en door zeven ziekten gevolgd worden.[703] Bij een
zielzorger en moralist als Gerson, aan wien deze voorbeelden zijn ontleend,
overweegt de praktisch zedelijke waarde van het symbolisch verband. Bij
een visionair als Alain de la Roche overweegt daarin het aesthetische.[704]
Hij moet een systeem hebben, waarin vijftien en tien de getallen zijn, want
de gebedencyclus van de broederschap van den rozekrans, waarvoor hij
ijverde, omvat 150 Ave's, afgewisseld door 15 Pater's. Die vijftien Pater's
zijn de vijftien oogenblikken der passie, de 150 Ave's zijn de psalmen. Zij
zijn nog veel meer. Door de elf hemelsferen plus de vier elementen te
vermenigvuldigen met de tien categorieën: substantia, qualitas, quantitas
enz., krijgt men 150 habitudines naturales; evenzoo 150 habitudines
morales, door de tien geboden te vermenigvuldigen met vijftien deugden:
de drie theologale, de vier cardinale, de zeven capitale deugden, maakt
veertien; "restant duae: religio et poenitentia", nu is er één te veel, maar
temperantia, de cardinale, is gelijk aan abstinentia,[705] de capitale, blijft
over vijftien. Elk dier vijftien deugden is een koningin, die haar bruidsbed
heeft in een der fracties van het Onze Vader. Elk der woorden van het Ave
beduidt een der vijftien volmaaktheden van Maria, en tegelijk een edelsteen
aan de rupis angelica, die zij zelve is; elk woord verdrijft een zonde of het

Page 234

dier, dat die verbeeldt. Zij zijn bovendien de takken van een boom vol
vruchten, waarin alle gezaligden zitten, en de treden van een trap. Zoo
beduidt bij voorbeeld het woord Ave de onschuld van Maria, en den
diamant, en verdrijft den hoogmoed, die den leeuw tot dier heeft. Het woord
Maria is haar wijsheid en de karbonkel en verdrijft den nijd, een bijster
zwarten hond. Alanus ziet in zijn vizioenen de gruwelijke gedaanten der
zondedieren en de schitterende kleuren der edele steenen, wier oud
befaamde wonderkracht weer nieuwe symbolische associaties wekt. De
sardonix is zwart, rood en wit, gelijk Maria zwart was in nederigheid, rood
in haar smarten, en wit in glorie en genade. Zij trekt als zegelsteen niets aan
van de was: deugd der eerzaamheid, verdrijft onkuischheid en maakt
eerzaam en schaamachtig. De parel is het woord gratia, en ook Maria's
eigen gratie; zij ontstaat in de zeeschelp uit een dauw des hemels "sine
admixtione cuiuscunque seminis propagationis". Maria zelf is die schelp;
hier verspringt het symbolisme even, want in de reeks der overige zou men
haar als de parel verwachten. Hier komt ook het kaleidoscopische der
symboliek treffend uit: met de woorden "uit een dauw des hemels geteeld"
is meteen, onuitgedrukt, die andere trope der maagdelijke geboorte: het
vlies, waarop Gideon het hemelsch teeken afsmeekte, in het bewustzijn
geroepen.
De symboliseerende denkvorm was zoo goed als versleten. Het vinden van
symbolen en allegorieën was een ijdel spel geworden, een oppervlakkig
fantazeeren op een enkel gedachtenverband. Het symbool behoudt zijn
gevoelswaarde alleen door de heiligheid der dingen, die het verbeeldt:
zoodra het symboliseeren van het zuiver godsdienstige gebied afvloeit naar
het enkel moreele, ziet men het in zijn hopelooze verbastering. Froissart
weet in een uitvoerig gedicht Li orloge amoureus alle eigenschappen der
liefde met de onderdeelen van een uurwerk te vergelijken.[706] Chastellain
en Molinet wedijveren in politieke symbolismen: in de drie standen zijn de
eigenschappen van Maria gefigureerd; de zeven keurvorsten, drie
geestelijke en vier wereldlijke, beteekenen de drie theologale en vier
cardinale deugden; de vijf steden Saint-Omer, Aire, Rijssel, Douai en
Valenciennes, die in 1477 Bourgondië trouw blijven, worden de vijf wijze
maagden.[707] Eigenlijk heeft men hier te doen met een omgekeerd
symbolisme, waarbij niet het lagere naar het hoogere wijst, maar het
hoogere naar het lagere. Want in den geest van den schrijver staan de

Page 235

aardsche dingen, die hij met wat hemelsche versiering verheerlijken wil,
vooraan. De Donatus moralisatus seu per allegoriam traductus, die wel
eens aan Gerson is toegeschreven, bracht de latijnsche grammatica bij, met
theologische symboliek gemengd: het nomen is de mensch, het pronomen
beduidt, dat hij een zondaar is. Op den laagsten trap van de symboliseering
staat een gedicht als Le parement et triumphe des dames van Olivier de la
Marche, waarin het gansche vrouwelijk toilet wordt vergeleken met
deugden en voortreffelijkheden, een brave zedepreek van den ouden
hoveling, met een enkel schuin knipoogje. De pantoffel beduidt de
nederigheid:
"De la pantouffle ne nous vient que santé
Et tout prouffit sans griefve maladie,
Pour luy donner tiltre d'auctorité
Je luy donne le nom d'humilité."
Zoo worden de schoenen zorg en vlijt, de kousen volharding, de kouseband
vastberadenheid, het hemd eerbaarheid en het keurs kuischheid.[708]
Toch is natuurlijk, zelfs in haar meest zoutelooze uitingen, de symboliek en
allegorie voor den middeleeuwschen geest van een veel levender
gevoelswaarde geweest, dan wij ons voorstellen. De functie van het
symbolisch gelijkstellen en het persoonlijk verbeelden was zoo ontwikkeld,
dat haast vanzelve elke gedachte zich kon omzetten in een personnage, een
vertooning. Elke idee werd immers als wezen gezien, elke hoedanigheid als
zelfstandigheid, en als wezen kregen zij voor het beeldende gezicht terstond
persoonlijken vorm. Dionysius de Kartuizer ziet in zijn revelaties de Kerk
juist even persoonlijk en tooneelmatig, als zij vertoond werd op het hoffeest
van Rijsel. In een zijner openbaringen ziet hij de toekomstige reformatio,
die naar welke de vaderen van het concilie en Dionysius' geestverwant
Nicolaas van Cusa streefden: de Kerk derhalve in haar toekomstige
zuiverheid. De geestelijke schoonheid dier gezuiverde Kerk ziet hij als een
overschoon en allerkostbaarst kleed van onbeschrijfelijke fraaiheid in
allerkunstigste mengeling van kleuren en figuren. Een andermaal ziet hij de
Kerk in haar verdrukking: leelijk, ruig en bloedeloos, arm, zwak en
verschopt. De Heer zegt: hoor uwe Moeder, mijne bruid, de heilige Kerk, en
daarop hoort Dionysius de innerlijke stem als uit de figuur der Kerk
komende: "quasi ex persona Ecclesiae".[709] Zoo onmiddellijk komt hier de

Page 236

gedachte in beeldvorm, dat de herleiding van het beeld tot gedachte, de
verklaring der allegorie in bijzonderheden, nauwelijks als noodig wordt
gevoeld, als het gedachtenthema maar even is aangegeven. Het bonte kleed
is volkomen adequaat aan de voorstelling van geestelijke volmaaktheid; er
is hier een oplossing van de gedachte in het beeld, zooals ons een oplossing
der gedachte in muziek gemeenzaam is.
Men denke hier opnieuw aan de allegorische figuren uit den Roman de la
rose. Wij kunnen ons niet dan met inspanning iets denken bij Bel Accueil,
Doulce Mercy, Humble Requeste. Maar zij hebben voor de tijdgenooten een
met levenden vorm bekleede en met passie gekleurde wezenlijkheid gehad,
die hen volkomen op één lijn stelt met de Romeinsche speciale
godenfiguren. Wat Usener van deze zegt, is bijna geheel toe te passen op de
middeleeuwsche allegorische personnages. "Die Vorstellung trat mit
sinnlicher Kraft vor die Seele und übte eine solche Macht aus, dass das
Wort, das sie sich schuf, trotz der adjectivischen Beweglichkeit, die ihm
verblieb, dennoch ein göttliches Einzelwesen bezeichnen konnte".[710]
Anders zou immers de Roman de la rose onleesbaar zijn geweest. Doux
Penser, Honte, Souvenirs en de rest hebben in de geesten der latere
Middeleeuwen een quasi-goddelijk leven gehad. Een recrudescentie van die
voorstelling beleefde één der Rose-figuren, namelijk Danger, wat in de
amoureuze taal den te bedriegen echtgenoot ging beteekenen.
Herhaaldelijk ziet men, om een gedachte uit te drukken, waar het bijzonder
op aankomt, naar de allegorie grijpen. Wanneer de bisschop van Chalons
aan Philips den Goede een zeer ernstige waarschuwing omtrent zijn politiek
beleid wil geven, giet hij de remonstrance, die hij in het kasteel van Hesdin
op Sint Andriesdag 1437 voor den hertog, de hertogin en hun gevolg ten
beste geeft, in den vorm van een allegorie. Hij vindt Haultesse de Signourie
troosteloos zitten, die eerst in het Keizerrijk, daarna aan het Fransche,
tenslotte aan het Bourgondische hof heeft gewoond, en nu klaagt, ook daar
te worden belaagd door Zorgeloosheid des vorsten, Slapheid van raad, Nijd
van dienaren, Afpersing van onderdanen. Hij stelt er andere personnages
tegenover, als Waakzaamheid des vorsten enz., die het ontrouwe hofgezin
moeten verdrijven.[711] Elke hoedanigheid is hier verzelfstandigd en als
persoon verbeeld.

Page 237

De Burger van Parijs is een nuchter man, die zich zelden verlustigt in
stijlversiering of gedachtenspel. Maar wanneer hij genaderd is tot het
vreeselijkste, dat hij te beschrijven heeft: de Bourguignonsche moorden, die
het Parijs van Juni 1418 den bloedgeur van September 1792 gaven, neemt
hij de allegorie te baat.[712] "Lors se leva la deesse de Discorde, qui estoit en
la tour de Mau-conseil, et esveilla Ire la forcenée et Convoitise et Enragerie
et Vengence, et prindrent armes de toutes manières et bouterent hors d'avec
eulx Raison, Justice, Memoire de Dieu et Atrempance moult
honteusement." Zoo gaat het verder, afgewisseld door de directe
beschrijving van den gruwel: "Et en mains que on yroit cent pas de terre
depuis que mors estoient, ne leur demouroit que leurs brayes, et estoient en
tas comme porcs ou millieu de la boe...."; de stortregens wasschen hun
wonden schoon.—Wat beteekent juist hier de allegorie? Heeft zij hier niet
de functie van een uitdrukkingsmiddel voor het tragische besef, de
overbrenging van de vreeselijke gebeurtenissen op een plan boven dat van
den individueelen toeleg der menschen?
Hoe levend de functie der personificatie en allegoriseering nog in de laatste
Middeleeuwen was, blijkt juist uit die trekken, welke ons in dat alles het
storendst schijnen. Wij kunnen een allegorie nog eenigermate genieten in
tableau-vivant, de geijkte figuren behangen met onwezenlijke draperie, die
aan iedereen zegt, dat het maar gekheid is. Maar de vijftiende eeuw kan de
allegorische figuren zoo goed als de heiligen nog laten rondloopen in de
kleeren van den dag. En zij kan ieder oogenblik nog nieuwe
verpersoonlijkingen scheppen voor elke gedachte, die zij wil uitdrukken.
Als Charles de Rochefort in l'Abuzé en court de moraliteit wil verhalen van
den lichtzinnigen jongeling, die door het hofleven op 't slechte pad wordt
gebracht, schudt hij een gansche reeks nieuwe allegorieën in den trant van
de Rose uit zijn mouw; en al die voor ons zoo bleeke wezens: Fol cuidier,
Folle bombance, tot het eind, wanneer Pauvreté en Maladie den jongeling
meenemen naar het hospitaal, treden in de miniaturen, die het gedicht
verluchten, op als jonkers van den tijd; zelf le Temps heeft geen baard of
zeis van noode, en komt in wambuis en hozen. Ons maken de illustraties
met hun naïeve strakheid de voorstelling van dat alles al te primitief; al het
teere en bewegelijke, dat de tijd zelf in die concepties voelde, is voor ons
vervluchtigd. Juist in hun alledaagschheid ligt het kenmerk van hun
levendheid. Het heeft voor Olivier de la Marche niets storends, dat de

Page 238

twaalf deugden, die een entremets bij het hoffeest van Rijssel in 1454
vertoonen, nadat hun versje is voorgelezen, aan het dansen gaan "en guise
de mommerie et à faire bonne chiere, pour la feste plus joyeusement
parfournir." [713]—Aan deugden en aandoeningen verbindt zich een
menschvormige voorstelling nog eenigermate ongewild, maar ook in
gevallen, waar voor ons het begrip niets anthropomorphs zou hebben,
schroomt de middeleeuwsche geest niet, om er een persoon van te maken.
Quaresme als persoonlijke figuur is niet een schepping van Breughel's dolle
brein, die hem laat optrekken tegen het heir van Vastenavond; al veel eerder
treedt hij als zoodanig in de litteratuur op.[714] Ook het spreekwoord kent
hem zoo: "Quaresme fait ses flans la nuit de Pasques."
Welk graadverschil is er geweest in de wezenlijkheid der voorstelling
tusschen de heiligen en de zuiver zinnebeeldige figuren? De eersten hadden
de bevestiging der Kerk, hun historisch karakter, hun beelden van hout en
steen. Maar de laatsten hadden de aanraking met het eigen zieleleven en
met de vrije fantazie. Men kan in ernst twijfelen, of niet Fortune en Faux
Semblant evenveel leven hebben gehad als Sinte Barbara en Sint
Christoffel. Vergeten wij niet, dat één figuur, buiten elke dogmatische of
traditioneele sanctie opgekomen uit de vrije fantazie, meer realiteit heeft
verworven dan eenige heilige, en hen allen heeft overleefd: de Dood.
Een wezenlijk contrast tusschen de allegorie der Middeleeuwen en de
mythologie der Renaissance is er eigenlijk niet. Vooreerst begeleiden de
mythologische figuren reeds gedurende een goed stuk der Middeleeuwen de
vrije allegorie: Venus speelt haar rol in het zuiverst middeleeuwsche, wat er
gedicht is. Aan den anderen kant behoudt de vrije allegorie haar fleur nog
lang in de zestiende eeuw en later. In de veertiende eeuw begint als 't ware
een wedstrijd tusschen allegorie en mythologie. In de gedichten van
Froissart treden naast Doux Semblant, Jonece, Plaisance, Refus, Dangier,
Escondit, Franchise een zonderling stel van soms onkenbaar verminkte
mythologemen op: Atropos, Cloto, Lachesis, Telephus, Ydrophus,
Neptisphoras! De goden en godinnen leggen het in volheid van verbeelding
nog af bij de personages van de Rose; zij blijven nog hol en schimmig. Of
zij worden, als zij 't rijk alleen hebben, uitermate barok en onklassiek,
zooals in de Epistre d'Othéa à Hector van Christine de Pisan. Het komen
der Renaissance is de omkeering van die verhouding. Gaandeweg winnen
de Olympiërs en de nimfen het van de Rose en de Sinnekens. Uit de

Page 239

rijkdommen der Oudheid stroomt hun een volheid toe van stijl en
sentiment, een dichterlijke schoonheid, en bovenal een eenheid met het
natuurgevoel, waarbij de eens zoo levende allegorie verbleekte en
verdween.
Het symbolisme met zijn dienares de allegorie was een speling van het
vernuft geworden; het zinrijke werd zinloos. De symbolische denkwijze
belemmerde de ontplooiing van het causaal-genetische denken. Niet dat het
door het symbolisme werd uitgesloten; het natuurlijk-genetisch verband der
dingen had zijn plaats naast het symbolisch verband, maar het bleef
onbelangrijk, zoolang de belangstelling zich niet verplaatst had van het
symbolisme naar de natuurlijke ontwikkeling. Een voorbeeld ter
verduidelijking. Voor de verhouding van het geestelijk en het wereldlijk
gezag stonden in de Middeleeuwen twee symbolische vergelijkingen vast:
het zijn de twee hemellichamen, zooals God ze bij de schepping het een
boven het ander had gesteld, en het zijn de twee zwaarden, die de discipelen
bij zich hadden, toen Christus gevangengenomen werd. Deze symbolen nu
zijn voor de middeleeuwsche gedachte niet maar een geestige vergelijking;
zij geven den grond aan der gezagsverhouding, die zich aan dat mystisch
verband niet mag onttrekken. Zij hebben dezelfde voorstellingswaarde als
dat Petrus de rots der Kerk is. De dwang van het symbool staat het
onderzoek naar de historische ontwikkeling der beide machten in den weg.
Wanneer Dante dit laatste als noodzakelijk en beslissend onderkent, dan
moet hij, in zijn Monarchia, eerst de kracht van het symbool ontzenuwen,
door zijn toepasselijkheid te bestrijden, eer de weg vrij is voor het historisch
onderzoek.
Een woord van Luther keert zich tegen de euvelen van de willekeurige,
beuzelachtige allegorie in de godgeleerdheid. Hij spreekt van grootmeesters
der middeleeuwsche theologie, van Dionysius den Kartuizer, van
Guilielmus Durandus, den schrijver van het Rationale divinorum
officiorum, van Bonaventura en Gerson, als hij uitroept: "die allegorische
studiën zijn het werk van lieden zonder bezigheid. Of meent gij, dat het mij
moeilijk zou vallen, over elke geschapen zaak met allegorieën te spelen?
Wie is zoo gering van vernuft, dat hij zich niet in allegorieën zou kunnen
beproeven!"[715]

Page 240

Het symbolisme was een gebrekkige uitdrukking voor vast geweten
samenhangen, zooals zij ons soms bewust worden bij het hooren van
muziek—"Videmus nunc per speculum in aenigmate". Men wist, dat men in
een raadsel zag, en toch had men getracht, de beelden in den spiegel te
onderscheiden, en beelden met beelden verklaard, en spiegel tegenover
spiegel gezet. De gansche wereld lag verbeeld in zelfstandige figuren: het is
een getijde van overrijpheid en uitbloeiing. De gedachte was al te
afhankelijk geworden van de verbeelding; de visueele aanleg, den laatsten
Middeleeuwen zoo bovenmate eigen, was oppermachtig geworden. Alle
denkbaarheden waren plastisch en picturaal geworden. De
wereldvoorstelling had de rust bereikt van een kathedraal in het maanlicht,
waarin de gedachte kon gaan slapen.

Page 241

X
HET FALEN DER VERBEELDING

Het symbolisme was als de levende adem der middeleeuwsche gedachte.
De gewoonte, om alle dingen in hun zinrijk verband en hun betrekking tot
het eeuwige te zien, hield in de denkbeeldenwereld de schittering gaande
van verschietende kleuren en de wisseling van vervloeiende grenzen.
Wanneer de symboliseerende functie òf uitblijft, òf louter mechanisch is
geworden, dan wordt het grootsche gebouw der van God gewilde
afhankelijkheden een necropool. Een systematisch idealisme, dat overal de
betrekkingen tusschen de dingen stelt krachtens hun als essentieel
beschouwde algemeene hoedanigheid, leidt licht tot starheid en
onvruchtbare classificeering. De indeeling en onderverdeeling der
begrippen, enkel deductief verricht, is zoo gemakkelijk; de ideeën laten zich
zoo gewillig rangschikken aan het gewelf van den wereldbouw. Er is
behoudens de regelen der abstracte logica geen correctief, dat ooit een fout
in de classificatie aanwijst, en daardoor wordt de geest misleid omtrent de
waarde van zijn denkarbeid, en de stelligheid van het systeem wordt
overschat. Elke notie, elk begrip staat als een ster aan het firmament. Om
van eenig ding het wezen te kennen, vraagt men niet naar zijn inwendigen
bouw, ziet men niet naar de lange schaduw der geschiedenis achter het,
maar kijkt op naar den hemel, waar het straalt als idee.
De gewoonte, om de dingen altijd te verlengen met een hulplijn naar den
kant der idee komt voortdurend uit in de middeleeuwsche behandeling van
elke staatkundige, maatschappelijke of zedelijke twistvraag. Men kan ook
het geringste en meest alledaagsche niet anders beschouwen dan in een
universeel verband. Er is bij voorbeeld aan de universiteit te Parijs een
geschil gaande, of er voor den graad van licentiaat eenige betaling te
eischen valt. Pierre d'Ailly zelf neemt het woord, om tegen den kanselier
der universiteit de vordering te bestrijden. Het wordt geheel scholastiek
opgezet: uitgaande van den tekst: "Radix omnium malorum cupiditas", stelt

Page 242

hij een drieledig te bewijzen: dat het vorderen van dat recht simonie is, dat
het strijdt tegen het natuurlijk en goddelijk recht, en dat het ketterij is.[716]
—Om zekere ongebondenheden te berispen, die een bepaalde processie
ontsieren, haalt Dionysius de Kartuizer alles wat processies betreft, van
oorsprong af op: hoe het toeging onder de oude wet enz.,[717] zonder
eigenlijk op de zaak zelf in te gaan. Dit is wat bijna elk middeleeuwsch
betoog zoo vermoeiend en teleurstellend maakt: het wijst terstond naar den
hemel en verdwaalt van den beginne af in schriftgevallen en moreele
algemeenheden.
Het volkomen doorgewerkt idealisme openbaart zich overal. Van elken
levensvorm, elken maatschappelijken staat of beroep staat een godsdienstig-
zedelijk ideaal omschreven, waarnaar iedereen zichzelf te reformeeren heeft
al naar den eisch van zijn bijzonder beroep, om den Heer waardig te dienen.
[718] Men heeft iets van den nieuwen tijd, iets wat de Hervorming

aankondigt, willen zien in den nadruk, waarmee Dionysius de Kartuizer de
heiligheid van het aardsch "beroep" op den voorgrond stelt. Hij heeft in zijn
tractaten De vita et regimine nobilium enz., die hij voor zijn vriend
Brugman tenslotte samenvatte in twee boeken De doctrina et regulis vitae
christianorum, aan elk beroep het ideaal van heiligende plichtsvervulling
voorgehouden: den bisschop, prelaat, aartsdiaken, kanunnik, pastoor,
scholier, den vorst, den edelman, den ridders, den kooplieden, den
gehuwden, weduwen, maagden, kloosterlingen.[719] Maar juist in die
strenge verbijzondering van elken staat als iets zelfstandigs ligt iets echt
middeleeuwsch, en de uitwerking van die plichtenleer heeft dat abstracte en
algemeene, dat nergens in de werkelijke sfeer van het behandelde beroep
zelf binnen leidt.
In die herleiding van alles tot het algemeene ligt de eigenschap, die onder
den naam typisme door Lamprecht als de bij uitstek kenmerkende van den
middeleeuwschen geest is gesteld. Zij is echter veeleer een gevolg van die
onderschikkende behoefte van den geest, welke voortspruit uit het
ingewortelde Idealisme. Het is-niet zoozeer een onvermogen, om het
bijzondere aan de dingen te zien, als de bewuste wil, om overal den zin der
dingen aan te duiden in hun betrekking tot het hoogste, hun zedelijke
idealiteit, hun algemeene beteekenis. Men zoekt in alles juist het
onpersoonlijke, de gelding als model, als standaardgeval. Het gebrek aan

Page 243

individueele opvatting is tot zekere hoogte opzettelijk, eer een uitvloeisel
van de allesbeheerschende universalistische denkgewoonte dan een
kenmerk van een geringen geestelijken ontwikkelingsgraad.
De werkzaamheid van den geest bij uitnemendheid was het uiteenleggen
van de gansche wereld en het gansche leven in zelfstandige ideeën, en het
rangschikken van die ideeën in groote en talrijke leenverbanden of
hierarchieën van gedachte. Vandaar die vatbaarheid van den
middeleeuwschen geest, om elke qualiteit uit het complex van een geval af
te zonderen in haar wezenlijke zelfstandigheid. Wanneer de bisschop Fulco
van Toulouse erop wordt aangezien, dat hij een Albigensische vrouw een
aalmoes geeft, antwoordt hij: "Ik geef niet aan de kettersche maar aan de
arme". En de Fransche koningin, Margareta van Schotland, die den
slapenden dichter Alain Chartier op den mond kust, verontschuldigt zich:
"Je n'ay pas baisé l'homme mais la précieuse bouche de laquelle sont yssuz
et sortis tant de bons mots et vertueuses paroles".[720] Een spreekwijze
zeide: "Haereticare potero, sed haereticus non ero". [721]—Is dit alles niet op
het gebied van het gewone denken wat in de opperste speculatiën der
theologie een onderscheiding was als die van God's voluntas antecedens,
krachtens welke hij allen zalig wil, en de voluntas consequens, die slechts
den uitverkorenen geldt?[722]
Het wordt een slapeloos doordenken van alle dingen, zonder de beperking
van het werkelijk waargenomen oorzakelijk verband, een schier
automatische analyse, die tenslotte uitloopt op een eeuwig nummeren. Geen
gebied lokte tot die doorwerking zoozeer uit als dat der deugden en zonden.
Elke zonde heeft haar vast getal van oorzaken, haar soorten, haar dochteren,
haar schadelijke werkingen. Twaalf dwaasheden, zegt Dionysius, misleiden
den zondaar: hij verblindt zichzelven, hij verstrikt zich aan den duivel, hij
slaat de hand aan zich zelven, hij versmijt zijn rijkdom (de deugd), hij
verkoopt zich voor niets (terwijl hij zelf gekocht is voor Christus' bloed), hij
keert zich af van den allertrouwsten minnaar, hij meent den almachtige te
weerstaan, hij dient den duivel, hij verwerft zich onvrede, hij opent zich den
toegang der hel, verspert zich den weg naar den hemel, en gaat dien ter
helle op. Elk nummer wordt met schriftplaatsen, beelden en bijzonderheden
geïllustreerd, verbeeld, vastgelegd, zoodat het de stellige zekerheid en
zelfstandigheid krijgt van een figuur aan een kerkportaal. Terstond daarop

Page 244

wordt dezelfde reeks opnieuw in dieperen zin gegrond. Uit zeven
oogpunten moet de zwaarte der zonde worden overdacht: uit het oogpunt
Gods, uit dat van den zondaar, van de stof, van de omstandigheden, van de
bedoeling, van het wezen der zonde zelf, en van de gevolgen. Sommige dier
punten zijn weer onderverdeeld in acht, in veertien, bij voorbeeld het
tweede: de zonde is zwaarder naar de mate van beweldadigdheid, van
kennis, van voormalige deugd, van het ambt, de wijding, van de
gemakkelijkheid om weerstand te bieden, van de gelofte, van den leeftijd.
Er zijn zes zwakheden des geestes, die tot de zonde geschikt maken.[723]
Het is alles juist zoo als in het boeddhisme: ook daar die moreele
systematiek, om houvast te geven aan de oefeningen der deugd.
Deze anatomie der zonde zou licht het zondigheidsbesef, dat zij versterken
moet, verzwakken door het af te leiden op het uitpluizen der classificatie,
wanneer niet tegelijk de fantazie der zonde en de verbeelding der straf tot
het uiterste waren geëxaspereerd. Niemand kan in het tegenwoordige leven
de enormiteit der zonde volkomen bevatten of ten volle verstaan.[724] Alle
moreele voorstellingen worden met een ondragelijk overwicht beladen,
door ze steeds weer in onmiddellijke betrekking te stellen tot Gods
majesteit. Bij elke zonde, ook de geringste, is het heelal betrokken. Gelijk
de boeddhistische litteratuur het applaus der hemelingen met
bloemenregens, lichtschijn en zachte beving der aarde kent bij een groote
daad van een Bodhisattva, zoo hoort Dionysius, somberder gestemd, hoe
alle gezaligden en rechtvaardigen, de hemelsche sferen, alle elementen, ja
zelfs de onredelijke wezens en onbezielde dingen wraak roepen over de
onrechtvaardigen.[725] Zijn proeve, om door gedetailleerde beschrijving en
opzettelijke verbeeldingen ter benauwing de vrees voor zonde, dood,
oordeel en hel tot het allersmartelijkste aan te scherpen, mist haar
ijzingwekkende werking niet, misschien juist door haar ondichterlijkheid.
Dante had de duisternissen en gruwelijkheden der hel met schoonheid
aangeraakt: Farinata en Ugolino zijn in hun verworpenheid heroïsch, en de
klapwiekende Lucifer vertroost ons door zijn majesteit. Doch een bij al zijn
mystische intensiteit toch volkomen ondichterlijke monnik als Dionysius de
Kartuizer geeft de hel als pure angst- en ellendigheids- voorstelling. De
lichamelijke pijnen en smarten worden in schroeiende kleuren geschilderd.
De zondaar moet opzettelijk trachten, het zich zoo levendig mogelijk voor
te stellen. "Laten wij ons voor oogen verbeelden —zegt Dionysius—een

Page 245

allerheetsten en allergloeiendsten oven, en daarin liggende een naakten
man, die nimmer uit zulk een pijniging zal worden verlost. Zal ons niet die
kwelling, ja het gezicht ervan alleen, ondragelijk schijnen? Hoe rampzalig
zou ons die man dunken! Denken wij, hoe die man zich heen en weer zou
werpen in dien oven, hoe hij zou schreeuwen, zou huilen, zou leven, welk
een angst hem persen zou, welk een smart hem zou doordringen, vooral
wanneer hij bemerkte, dat zulk een ondragelijke straf nooit zou eindigen."
[726]

Men denkt onwillekeurig: hoe konden zij, die zich zulke voorstellingen van
helsche pijn voor oogen stelden, een mensch op aarde levend doen
verbranden? De heetheid van het vuur, de gruwelijke koude, de
walgelijkheid der wormen, de stank, de honger en dorst, de kluistering en
de duisternis, de onuitsprekelijke vuilheid der hel, het eindeloos
weerklinken van gehuil en geschreeuw in de ooren, het gezicht der
duivelen, het wordt alles als de verstikkende wade van een angstdroom over
ziel en zinnen van den lezer gespreid. Maar nog scherper is de benauwing
met de cerebrale smarten: de rouw, de vrees, het holle gevoel van een
oneindig gemis en verworpenheid, de onzegbare haat tegen God en nijd
over de zaligheid van al zijn uitverkorenen; in het brein niets dan
verwarring en drukking, het bewustzijn vol van dwaling en valsche
voorstelling, verblinding en wanbegrippen. En het weten, dat dit alles zal
zijn in eeuwigheid, wordt door kunstige vergelijkingen tot een zwijmelende
verschrikking opgevoerd.[727]
Dat de vrees voor de eeuwige pijn, hetzij inslaande als een plotselinge
"goddelijke angst", hetzij knagende als een lange ziekte en druk, telkens als
motief tot inkeer en devotie wordt vermeld, behoeft bewijs noch betoog.
[728] Alles was daarop toegelegd. Een tractaat van de Vier utersten: dood,

oordeel, hel en eeuwig leven, misschien vertaald naar dat van Dionysius,
was de gewone tafellectuur voor de gasten van het klooster Windesheim.
[729] Wel een bittere kruiding van den maaltijd. Maar met zoo scherpe

middelen werd altijd weer de zedelijke volmaking aangedrongen. De
middeleeuwer is als iemand, die reeds te lang met te sterke geneesmiddelen
is bewerkt. Hij reageert slechts op de krachtigste prikkels. Om de
loffelijkheid eener deugd ten volle te doen schitteren, kunnen voor den
middeleeuwschen geest slechts die uiterste exempelen dienen, waarbij een

Page 246

minder geëxaspereerd zedelijkheidsbesef de deugd reeds in haar caricatuur
zou zien verkeerd. Voor het geduld het voorbeeld van Sint Aegidius, die
door een pijl gewond, God bad, dat zijn wonde, zoolang hij leefde, niet
mocht genezen. Voor matigheid de heiligen, die asch in hun spijzen
mengden, voor kuischheid zij, die een vrouw bij zich in bed namen, om hun
vastheid te beproeven, of de jammerlijke fantazieën van de maagden, die
om den belager harer kuischheid te ontgaan, een baard kregen of geheel
ruig behaard werden. Of wel de prikkel wordt gevonden in het exorbitante
van het voorbeeld in verband met den leeftijd des voorbeeldigen: Sint
Nicolaas weigerde op hooge feestdagen de moedermelk; voor
standvastigheid beveelt Gerson het voorbeeld aan van Sint Quiricus, een
martelaartje van drie jaren of zelfs negen maanden, die zich door den
praefect niet wou laten troosten, en in den afgrond werd geworpen.[730]
De behoefte, om de heerlijkheid der deugd in zoo sterke doseering te
genieten, staat ook alweer in verband met het allesbeheerschende Idealisme.
Het zien van de deugd als idee onttrok om zoo te zeggen aan haar
waardeering den bodem van het werkelijke leven; haar schoonheid werd
gezien in haar zelfstandig wezen als uiterste volmaking, niet in haar
moeizame betrachting van iederen dag onder vallen en opstaan.
Het middeleeuwsche Realisme (dus gelijk hyper-idealisme) moet ondanks
allen inslag van gekerstend neoplatonisme beschouwd worden als een
primitieve geesteshouding. Het is, in de school voorzeker gesublimeerd en
verijld, in het leven de houding van den primitieven mensch, die aan alle
abstracte dingen wezen en substantie toekent. Kan men de hyperbolische
vereering der deugd in haar ideaalsten vorm als een hoog-religieuze
gedachte aanmerken, in haar tegenkant: de verachting der wereld, ziet men
duidelijk de schakel, die het middeleeuwsche denken nog aan de
gedachtenvormen van een verren voortijd verbindt. Ik bedoel het feit, dat de
tractaten "de contemptu mundi" zich niet kunnen losmaken van een
overmatig gewicht hechten aan de slechtheid van het materieele. Niets
weegt hun zoo zwaar als motief om de wereld te versmaden als de
afstootelijkheid der lichaamsverrichtingen, met name die van uitscheiding
en voortplanting. Het is het poverste gedeelte der middeleeuwsche zedeleer:
die afschuw van den mensch "formatus de spurcissimo spermate, conceptus
in pruritu carnis, sanguine menstruo nutritus, qui fertur esse tam detestabilis
et immundus, ut ex ejus contactu fruges non germinent, arescant arbusta ...

Page 247

et si canes inde comederint, in rabiem efferantur." [731] Wat is dit, naast
omgeslagen zinnelijkheid, anders dan de uitlooper van dien primitieven
vorm van Realisme, die den wilde in excrementen en in alles wat conceptie
en geboorte begeleidt, magische substanties en potenties doet vreezen? Er
loopt een rechte en niet zeer lange lijn tusschen de magische vrees,
waarmee de natuurvolken zich afwenden van de vrouw in haar
vrouwelijkste verrichtingen, en den ascetischen vrouwenhaat en -smaad, die
sedert Tertullianus en Hieronymus de christelijke litteratuur had ontsierd.
Alles wordt substantieel gedacht. In de dertiende eeuw komt de leer op van
den schat van goede werken: thesaurus operum supererogationum, den
voorraad der overvloedige verdiensten van Christus en de heiligen, die door
de Kerk in 't klein kon worden gesleten. Al leerde de Kerk met nadruk, dat
de zonde geen essentie of geen ding was,[732] haar eigen techniek der
zondenvergeving tezamen met de bonte verbeelding en uitgewerkte
systematiek der zonde kon niet anders dan in het onwetend gemoed de
overtuiging vestigen, als ware de zonde een substantie, zooals zij in den
Atharvaveda wordt gezien. Hoe moest, ook al bedoelde Dionysius slechts
vergelijkingen, de substantieele opvatting der zonde, als een smetstof,
gevoed worden, wanneer hij haar gelijk noemt aan een koorts, een koud,
bedorven, overtollig lichaamsvocht.[733] Het recht, dat zich niet zoo
angstvallig om dogmatische zuiverheid te bekommeren had, weerspiegelt
zulk een opvatting, wanneer de Engelsche juristen werken met de
voorstelling, dat er in felonie een corruptie van het bloed aanwezig is.[734]
Ook ten opzichte van het bloed van den Verlosser heerscht die hyper-
substantieele opvatting: het is een reëele stof; één droppel zou genoeg zijn
geweest, om de wereld te verlossen, maar er is een overvloed gegeven, zegt
Sint Bernard, en Thomas van Aquino dicht:
"Pie Pelicane, Jesu domine,
Me immundum munda tuo sanguine,
Cuius una stilla salvum facere
Totum mundum quit ab omni scelere."[735]
Bij Dionysius den Kartuizer zien wij een wanhopige worsteling, om de
voorstellingen van het eeuwig leven uit te drukken in termen van
ruimtelijke uitgebreidheid. Het eeuwige leven is van een onmetelijke
waardigheid; God in zich zelven te genieten, is een oneindige

Page 248

volmaaktheid; in den Verlosser was noodig een oneindige waardigheid en
afdoendheid (efficacia); de zonde is van oneindige enormiteit, omdat zij een
uitspatting is tegen de onmetelijke heiligheid; daarom wordt een
genoegdoener van onmetelijke geschiktheid vereischt.[736] Het negatieve
ruimte-adjectief moet hier steeds het gewicht, de potentie van het heilige
voorstelbaar maken. Om de eeuwigheidsvoorstelling in te boezemen, laat
Dionysius een beeld dienen: denk u een zandberg zoo groot als het heelal;
om de tien- of honderdduizend jaar wordt van dien berg een korreltje
afgenomen. Die berg zal opraken. Maar na zulk een onbeseffelijken
tijdsduur zal de hellestraf nog niet verminderd zijn, en niet dichter bij haar
einde, dan toen het eerste korreltje van den berg werd afgenomen. En toch,
als de verdoemden wisten, dat zij bevrijd zouden worden, wanneer die berg
op was, zou het hun een groote troost zijn.[737]
Zijn het de hemelvreugden, of Gods majesteit, die men wil uitdrukken, dan
wordt het enkel een zich overschreeuwen van de gedachte. Hemelvreugde
blijft in de uitdrukking altijd uiterst primitief. Een zoo felle visie van geluk
als van vreeselijkheid kan de menschelijke taal niet geven. Om de overmaat
van het leelijke en ellendige nog te verergeren, behoefde men slechts dieper
te dalen in de spelonken der menschelijkheid, maar om de opperste
gelukzaligheid te beschrijven moest men den nek verrekken in het opzien
naar den hemel. Dionysius put zich uit in wanhopige superlatieven, dat is
een louter mathematische versterking van de voorstelling, zonder
verheldering of verdieping ervan: "Trinitas supersubstantialis,
superadoranda et superbona ... dirige nos ad superlucidam tui ipsius
contemplationem." De Heer is "supermisericordissimus, superdignissimus,
superamabilissimus, supersplendidissimus, superomnipotens et
supersapiens,supergloriosissimus." [738]
Maar wat hielp het opeenstapelen van al-termen, van voorstellingen van
hoogte, wijdheid, onmetelijkheid en onuitputtelijkheid? Het bleven altijd
beelden, altijd het herleiden van het oneindige tot
eindigheidsvoorstellingen, en daarmee de verzwakking en veruiterlijking
van het oneindigheidsbesef. Eeuwigheid was geen onmeetbare tijd. Elke
sensatie, die uitgedrukt was, verloor haar onmiddellijkheid; elke
eigenschap, aan God toegekend, ontnam hem iets van zijn ontzaglijkheid.

Page 249

Nu begint de geweldige worsteling, om met den geest tot de volstrekte
beeldeloosheid der Godheid op te klimmen. Aan geen cultuur of tijdperk
gebonden, is zij overal en altijd weer gelijk. "There is about mystical
utterances an eternal unanimity which ought to make a critic stop and think,
and which brings it about that the mystical classics have, as has been said,
neither birthday nor native land."[739]—Maar de steun der verbeelding kan
niet aanstonds worden prijsgegeven. Stuk voor stuk wordt het
ontoereikende der uitdrukking erkend. De concrete belichamingen der idee,
en de veelkleurige gewaden der symboliek vallen het eerst weg: dan is er
geen sprake meer van bloed en genoegdoening, niet meer van eucharistie,
niet meer van Vader, Zoon en Heiligen Geest. In Eckhart's mystiek wordt
Christus bijna niet meer genoemd, en evenmin de Kerk en de sacramenten.
Doch de uitdrukking van het mystische schouwen van het Zijn, de
Waarheid, de Godheid, blijft ook dan nog gebonden aan natuurlijke
voorstellingen: van licht, van uitgebreidheid. Dan slaan deze om in het
negatieve: stilte, ledigheid, duisternis. Dan wordt ook van die vorm- en
inhoudlooze begrippen het ontoereikende erkend, en men tracht hun
gebrekkigheid op te heffen door ze voortdurend te koppelen aan hun
tegenstelling. Tenslotte blijft niets over dan de zuivere negatie. "Deus
propter excellentiam non immerito Nihil vocatur", zegt Scotus Erigena, en
Angelus Silesius dicht:
"Gott ist ein lauter Nichts, ihn rührt kein Nun noch Hier;
Je mehr du nach ihm greiffst, je mehr entwind er dir".[740]
Dit voortschrijden van den schouwenden geest tot de prijsgave van elke
verbeelding is in werkelijkheid natuurlijk niet in die strikte volgorde
geschied. De meeste mystische uitingen vertoonen al die phasen gelijktijdig
en dooreen. Zij zijn aanwezig bij de Indiërs, zij zijn volkomen ontwikkeld
reeds bij den Pseudo-Dionysius Areopagita, de bron van alle christelijke
mystiek, zij zijn herleefd in de Duitsche mystiek der veertiende eeuw.

Ziehier een voorbeeld uit de revelaties van Dionysius den Kartuizer. [741]
Hij spreekt met God, die toornig is. "Bij dit antwoord zag de broeder, naar
binnen gekeerd, zich als in een sfeer van onmetelijk licht geplaatst, en
allerzoetst, in een ontzaglijke kalmte, riep hij met een heimelijk niet naar
buiten klinkend roepen tot den allerheimelijksten en waarlijk verborgenen,
onbegrijpelijken God: O overbeminnelijkste God, gij zijt zelf het licht en de

Page 250

sfeer des lichts, waarin uw uitverkorenen zoet ter ruste gaan, bekomen,
sluimeren en inslapen. Gij zijt als een allerwijdste, allervlakste en
ondoorloopbare woestenij, waarin de waarlijk vrome geest, geheel
gezuiverd van bijzondere liefde, van boven verlicht en krachtig ontvlamd,
zwerft zonder dwalen, en dwaalt zonder zwerven, zaliglijk bezwijkt en
onbezweken geneest." Hier is eerst de lichtverbeelding, nog positief, dan
die van den slaap, daarna die van de woestenij (de
uitgebreidheidsvoorstelling in twee dimensies), eindelijk de elkaar
opheffende tegenstellingen.
Het beeld der woestenij—dat is de horizontale ruimtevoorstelling, wisselt af
met dat van den afgrond—dat is de verticale ruimtevoorstelling. Dit laatste
was een geweldige vond der mystische verbeelding. De uitdrukking toch
van de eigenschapsloosheid der godheid in Eckhart's woorden van "den
wijzeloozen en vormeloozen afgrond der stille, woeste godheid", gaf bij het
begrip eener oneindigheid tevens het gevoelsmoment eener duizeling. Van
Pascal heet het, dat hij voortdurend een afgrond naast zich zag: zulk een
gewaarwording is hier als 't ware tot een vasten mystischen term herleid.
Met deze beelden van den afgrond en de stilte wordt de levendigste
uitdrukking van de onbeschrijfelijke mystieke beleving bereikt. "Wol uf dar,
herz und sin und muot,—jubelt Suso—in daz grundlos abgründ aller
lieplichen dingen!"[742] Meister Eckhart in zijn ademlooze strakheid: "De
vonk der ziel (de mystische kern van het enkele wezen) heeft niet genoeg
aan Vader, noch aan Zoon, noch aan Heiligen geest, noch aan de drie
personen, zooverre als elk dezer bestaat in hun eigenschap. Ik spreek
waarlijk, dat dit licht niet genoeg heeft aan de eenbaarheid van den
vruchtbaren aard goddelijker natuur. Ik wil nog meer spreken, dat nog
wonderlijker klinkt: ik spreek met goede waarheid, dat dit licht niet genoeg
heeft aan het eenvoudige, stilstaande goddelijke wezen, dat noch geeft noch
neemt; meer: het wil weten, vanwaar dit wezen komt, het wil in den
eenvoudigen grond, in de stille woestenij, waar nimmer onderscheid in te
schouwen was, noch Vader, noch Zoon, noch Heilige geest, in het innige,
waar niemand tehuis is, daar vindt dat licht genoeg, en daar is het eeniger
dan in zich zelven, want deze grond is een eenvoudige stilte, die in zich
zelve onbewegelijk is."—De ziel wordt alleen daardoor volkomen zalig,
"dat zij zich werpt in de woeste godheid, waar noch werk noch beeld is, dat
zij zich daar verlieze en verzinke in de woestenij."[743]

Page 251

Bij Tauler: "In dezen verzinkt de gelouterde, verklaarde geest in de
goddelijke duisternis, in een stille zwijgen en in een onbegrijpelijk en
onuitsprekelijk vereeren, en in dit inzinken wordt verloren alle gelijk en
ongelijk, en in dezen afgrond verliest de geest zichzelven en weet van God
noch van zich zelven, noch gelijk noch ongelijk, noch van niets iets, want
hij is gezonken in Gods eenigheid en heeft verloren alle onderscheiden."
[744]

Bij Ruusbroec worden al de middelen tot uitdrukking van de mystische
beleving nog plastischer aangewend dan bij de Duitschers.
"Roept dan alle met openre herten:
O gheweldich slont!
Al sonder mont,
Voere ons in dinen afgront;
Ende make ons dine minne cont."
Het genieten van de zaligheid der vereeniging met God "is wilt ende
woeste, alse een verdolen; want daer en is wise, noch wech, noch pat, noch
zate, noch mate." "Daer in selen wi sijn ons selven onthoecht, ontsonken,
ontbreit ende ontlingt (opheffing van alle ruimte- voorstellingen) in ene
ewighe verlorenheit sonder wederkeer." [745] De genieting der zaligheid is
zoo groot, "dat God ende alle heylighen ende dese hoghe menschen (die
haar beleven) hierin verswolghen sijn in onwisen, dat is in een niet weten
ende in ene ewighe verlorenheit."[746] God geeft de weelde der zaligheid
aan allen gelijk, "maer die se ontfaen die sijn onghelijc: nochtan blivet hem
allen over, na der ghebrukelicheit in der verenicheit", d.w.z. zij kunnen, wat
betreft het genieten der zaligheid in de vereeniging met God, niet alle
weelde op, die hun geschonken wordt. "Mer na der verlorenheit in der
woestinen demsterheit, daer en blivet niet over: want daer en is gheven
noch nemen, mer een simpel eenvoldich wesen. Daer is God ende alle die
verenichde in versonkenende verloren, ende nimmermeer en moghen se
hem vinden in desen wiselosen wesene."[747]
Al de negaties zijn vereenigd in het volgende. "Hier na volcht die sevende
trappe (van minnen), dat edelste ende dat hoechste dat men leven mach in
tijt ende in ewicheit. Dat is, alse wi, boven al bekinnen ende weten, in ons
bevinden een grondeloes niet weten; alse wi boven alle name die wi Gode

Page 252

gheven ofte creaturen, versterven ende overliden in ene ewighe
onghenaemtheit daer wi ons verliesen: ende alse wi, boven alle oefeninghen
van doechden, in ons aensien ende bevinden ewighe ledicheit, daer nieman
in werken en mach; ende boven alle salige gheeste, ene grondelose
salicheit, daer wi alle één sijn, ende dat selve één dat die salicheit selve es,
in haers selfsheit: ende alse wi aensien alle salighe gheeste, weselic
ontsonken, ontvloten ende verloren in haer overwesen, in ene wiselose
onbekende demsterheid."[748] In de eenvoudige, wijzelooze zaligheid
vergaat alle onderscheid der creaturen: "Dair ontvallen si hem selven in ene
verlorenheit, ende in onwetene sonder gront; daer is alle claerheit
wederboecht in deimsterheit, daer die drie persone wiken der weseliker
enicheit."[749]
Het is altijd weer de vruchtelooze poging, om alle beelden op te geven, om
uit te drukken "onsen ledighen staet, dats bloete onghebeeltheit", dien God
alleen geven kan. "Hi maect ons bloet van alle beelden, ende trect ons in
ons begin: daer en vinden wi anders niet dan wilde, woeste, onghebeelde
bloetheit, die altoes antwoert der ewicheit."[750]
In deze aanhalingen uit Ruusbroec zijn ook de twee laatste
beschrijvingsmiddelen reeds uitgeput: het licht, dat in duister verkeert, en
de zuivere negatie, het afzien van alle weten. Het innigst heimelijke wezen
Gods zijn duisternis te noemen, was reeds van den Pseudo-Areopagiet. En
zijn naamgenoot, bewonderaar en commentator, de Kartuizer, werkt dien
term uit. "En de alleruitmuntendste, onmetelijke, onzichtbare volheid zelve
van uw eeuwig licht wordt de goddelijke duisternis genoemd, waarin gij
gezegd wordt te wonen, die de duisternissen tot uw schuilplaats stelt."[751]
"En de goddelijke duisternissen zelve zijn bedekt voor alle licht en
verborgen voor alle gezicht, wegens den onomschrijfelijken en
ondoordringbaren glans der eigen klaarheid." De duisternis is het niet
weten, het ophouden van alle begrip: "Hoe meer de geest uw
overschitterend goddelijk licht nadert, hoe voller hem uw
onbenaderbaarheid en onbegrijpelijkheid blijken, en als hij de duisternis is
ingegaan, bezwijken spoedig alle naam en alle kennen geheel (omne nox
nomen omnisque cognitio prorsus deficient). Maar dit zal den geest zijn, u
te zien: te zien, dat gij geheel onzichtbaar zijt; en hoe klaarder hij dat ziet,
hoe helderder hij u aanschouwt. Naar deze overlichte duisternis bidden wij

Page 253

te mogen worden, o gezegende Drievuldigheid, en door onzichtbaarheid en
onwetendheid u te zien en te kennen, die boven alle gezicht en kennis zijt.
Aan hen alleen verschijnt gij, die, na al het waarneembare en begrijpbare te
zijn te boven gekomen en te hebben achtergelaten, en ook al het geschapene
en desgelijks zich zelven, intreden in de duisternis, waarin gij waarlijk zijt."
[752]

Zooals het licht in duister verkeert, zoo verkeert het hoogste leven in den
dood. Als de ziel, zegt Eckhart, begrepen heeft, dat in het rijk Gods geen
schepsel komen kan, dan gaat de ziel haar eigen weg en zoekt God niet
meer. "Und allhie so stirbet si iren hohsten tot. In disem tot verleuset di sele
alle begerung und alle bild und alle verstentnüzz und alle form und wirt
beraubt aller wesen. Und daz seit sicher als got lebt: als wenik mak di sele,
di also geistlich tot ist, einik weis oder einik bild vorgetragen einigen
menschen. Wann diser geist ist tot und ist begraben in der gotheit." Ziel, als
ge niet u zelve verdrinkt in deze bodemlooze zee der godheid, zoo kunt gij
niet bekennen dezen goddelijken dood.[753]
Het schouwen Gods door ontkenningen, zegt Dionysius elders, is
volkomener dan dat door bevestigingen. "Want wanneer ik zeg: God is
goedheid, zijn (essentia), leven, schijn ik aan te duiden, wát God is, alsof
dat hetgeen hij is, iets gemeen had met of eenigszins gelijk ware aan het
geschapene, terwijl het vaststaat, dat hij onbegrijpelijk en onbekend,
ondoorgrondelijk en onuitsprekelijk is, en van alles wat hij werkt,
gescheiden is door een onmetelijke en geheel onvergelijkelijke
verschillendheid en uitnemendheid."[754]—De eenigende wijsheid (sapientia
unitiva) wordt geheeten onredelijk, zinneloos en dwaas.[755]
Hoe verwant en hoe anders toch weer klinken de klanken uit het verre oude
Indië. De leerling komt tot den meester en zegt: "Leer mij het brahma,
eerwaarde!—Gene echter zweeg stil. Toen nu de ander ten tweeden male en
ten derden male vroeg: Leer mij het brahma, eerwaarde! sprak de meester:
Ik leer het u immers, maar gij verstaat het niet: deze âtman (het Zelf) is
stil."[756] De goden willen van Prajâpati den âtman leeren kennen. Twee en
dertig jaren wonen zij bij hem als brahma-leerlingen. Dan leert hij hun, dat
het mannetje in het oog of het spiegelbeeld in het water het Zelf is, maar
hen naziende spreekt hijzelf: Zonder het Zelf begrepen te hebben, gaan zij
heen.—Na nog twee en dertig jaren openbaart hij aan Indra op diens

Page 254

bedenkingen: Die daar wandelt in den droom, dat is de âtman. En na nog
eens denzelfden tijd: Datgene wat, als de mensch is ingeslapen,
weggezonken, geheel tot rust gekomen, geen droom meer aanschouwt, dat
is het Zelf.[757]—"Hij echter, de âtman is niet zoo en niet zoo"; de gansche
reeks van tegengestelde ontkenningen wordt uitgeput, om zijn wezen te
verklaren. "Gelijk iemand, door een geliefde vrouw omstrengeld, geen
bewustzijn heeft van wat buiten of binnen is, zoo heeft ook de geest, door
het uit-erkennen-bestaande Zelf omstrengeld, geen bewustzijn van wat
buiten of binnen is. Dat is zijn wezensvorm, gestild van verlangen, zelf zijn
verlangen, zonder verlangen, gescheiden van leed. Dan is vader niet-vader,
moeder niet-moeder, wereld niet-wereld...."[758]

Was de verbeelding overwonnen?—Zonder beeld en metafoor kan geen
enkele gedachte worden uitgedrukt, en van het onkenbare wezen der dingen
gezegd, is ieder woord beeld. Van het hoogste en innigst begeerde enkel in
negaties te kunnen spreken, bevredigt het gemoed niet, en telkens als de
wijze is uitgepraat, moet de dichter weer komen. Het zoete lyrische gemoed
van Suso vond van de sneeuwtoppen van het schouwen altijd weer den weg
terug naar de bloemrijke verbeeldingen der oudere Bernardijnsche mystiek.
Midden in de ekstase der hoogste contemplatie keert al de kleur en vorm
der allegorie terug. Suso ziet de eeuwige Wijsheid, zijn geliefde: "Si swepte
hoh ob ime in einem gewülkten throne (hemel): sie luhte als der
morgensterne, und schein als diu spilndiu sunne; ire krone waz ewikeit, ire
wat waz selikeit, ire wort süzzekeit, ire umbfang alles lustes gnuhsamkeit:
si waz verr und nahe, hoh und nider; si waz gegenwürtig und doch
verborgen; si liess mit ir umbgan, und moht si doch nieman begriffen."[759]
Er waren nog andere wegen terug van de eenzame hoogten der
individueele, vorm- en beeldlooze mystiek. Men bereikte die hoogten
slechts door het smaken van het liturgisch-sacramenteele mysterie heen:
eerst het ten volle doorvoeld hebben van het symbolisch-aesthetische
wonder der dogma's en sacramenten stelde in staat, om alle beeldvormen af
te schudden en op te stijgen naar het begriploos schouwen van het al-eene.
Maar de geest kon die helderheid niet genieten, wanneer en zoo vaak hij
wilde; en dan wachtte beneden altijd weer de Kerk, met haar wijs en
spaarzaam systeem van mysterie. De Kerk immers had de aanraking van

Page 255

den geest met het goddelijke in haar liturgie gecondenseerd en
geïntensifieerd tot de beleving van bepaalde oogenblikken, en vorm en
kleur gegeven aan het mysterie. Daarom heeft zij de teugellooze mystiek
altijd overleefd: zij spaarde energie. De Kerk liet de bloeiendste
vervoeringen van aesthetische mystiek gerustelijk toe, maar zij vreesde de
ware, woeste mystiek, waarin alles waaruit zij was opgebouwd: haar
harmonisch symbolisme, haar dogma's en sacramenten, vervlamde en
verteerde.
"De eenigende wijsheid is onredelijk, zinneloos en dwaas." Het pad van den
mysticus leidt in de oneindigheid binnen en in de bewustzijnsloosheid.
Door het ontkennen van alle wezensgelijkheid tusschen de godheid en al het
afzonderlijke en benoembare is elke werkelijke transcendentie opgeheven;
de brug naar het leven terug is afgebroken. "Alle crêatûre sint ein lûter niht.
Ich spriche niht, daz sie kleine sîn oder iht sîn: sie sind ein lûter niht. Swaz
niht wesens hât, daz ist niht. Alle crêatûre hânt kein wesen, wan ir wesen
swebet an der gegenwertikeit gotes."[760] De intensieve mystiek beduidt een
terugkeer tot een prae-intellectueel zieleleven. Alles van beschaving gaat er
in te loor, wordt overwonnen en overbodig. Indien de mystiek niettemin
voor de cultuur rijke vruchten draagt, dan is het, omdat zij steeds door
voorbereidende staten heen opklimt, en eerst gaandeweg alle levensvorm en
cultuur afwerpt. Haar vruchten voor de beschaving draagt zij in haar
aanvangstrappen, beneden de boomgrens. Daar bloeit de boomgaard van de
zedelijke volmaking, die als voorbereiding van elken schouwende
gevorderd wordt: de vrede en zachtmoedigheid, de demping der begeerte,
de eenvoud, matigheid, arbeidzaamheid, ernst en innigheid. Zoo is het in
Indië geweest en zoo hier: de aanvangswerking der mystiek is een moreele
en praktische. Zij is bovenal de beoefening van daadwerkelijke
naastenliefde. Al de groote mystieken hebben die praktische werkzaamheid
ten zeerste geprezen: heeft niet Meister Eckhart zelf Martha boven Maria
gesteld,[761] en gezegd, dat men zelfs de ekstase van Paulus moest laten
varen, als men een arme met een soepje kon helpen? Van hem over zijn
leerling Tauler gaat de lijn der mystiek steeds meer naar de waardeering van
het praktische element: ook Ruusbroec verheft den stillen nederigen arbeid,
en Dionysius de Kartuizer is de volkomen vereeniging in één persoon van
den praktischen zin voor het dagelijksch godsdienstleven en het heftigste
individueele mysticisme. Het is in de Nederlanden, dat de begeleidende

Page 256

verschijnselen der mystiek: moralisme, piëtisme, liefdadigheid en
arbeidzaamheid, hoofdzaak worden; dat zich uit de intensieve mystiek voor
het onttrokken oogenblik van enkelen de extensieve mystiek voor iederen
dag van velen ontplooit: de duurzame gezamenlijke innigheid der moderne
devoten in plaats van de eenzame en zeldzame ekstase. De nuchtere
mystiek, als men niet valt over een woord.
In de Fraterhuizen en de kloosters der Windesheimer congregatie is over het
stille dagelijksch werk de glans gegoten van de voortdurend
bewustgehouden religieuze innigheid. Het hevig lyrische en het teugelloos
opstreven is prijsgegeven, en daarmee ook het gevaar van geloofsafwijking
geweken; de broeders en zusters zijn volkomen rechtgeloovig en
conservatief. Het was mystiek en détail: men had maar "een inslag
gekregen", "een vonkske ontvangen", en beleefde in den engen, stillen,
nederigen kring de vervoering in vertrouwelijken geestelijken omgang, in
briefwisseling en zelfbeschouwing. Het gevoels- en gemoedsleven werd als
een kasplant gekweekt; er heerschte veel klein puritanisme, geestelijke
dressuur, verstikking van den lach en de gezonde aandriften, veel
piëtistische onnoozelheid.
Doch uit dien kring is de Imitatio voortgekomen. Hier is de man, die geen
theoloog was en geen humanist, geen wijsgeer en geen dichter, en eigenlijk
ook geen mysticus, en die het boek schreef, dat eeuwen vertroosten zou.
Thomas a Kempis, de stille, eenzelvige, vol teerheid voor het miswonder en
met de smalste opvattingen van het godsbestuur, kende niets van de felle
verontwaardiging over kerkbestuur of wereldleven, zooals het de preekers
bezielde, niets van het alzijdig streven van Gerson, Dionysius of Nicolaas
van Cusa, niets van de breughelsche fantazie van Johannes Brugman of het
bonte symbolisme van Alain de la Roche. Hij zocht maar de rust in alle
dingen, en vond haar "in angello cum libello". "O quam salubre quam
iucundum et suave est sedere in solitudine et tacere et loqui cum Deo!"[762]
En zijn boek van eenvoudige levenswijsheid en stervenswijsheid voor het
begeven gemoed werd een boek van alle tijden. Hier was alle
neoplatonistische mystiek weer opgegeven, en enkel de stemming van den
geliefden schrijver Bernard van Clairvaux de grondslag. Er is geen
philosophische ontwikkeling van gedachten; er staan slechts een aantal
hoogst eenvoudige gedachten in spreukvorm om een centraal punt
gegroepeerd; elke loopt in een kort zinnetje af; er is geen subordinatie en

Page 257

nauwelijks correlatie van gedachten. Er is niets van de lyrische siddering
van Heinrich Suso of van de strakke fonkeling van Ruusbroec. Met haar
geklingel van evenwijdig voortloopende zinnen en matte assonanties zou de
Imitatio dubbel proza zijn, wanneer niet juist dat eentonige rythme haar
maakte als de zee op een zachten regenavond, of het zuchten van den wind
in den herfst. Hier is geen kracht, geen élan, geen diepte en volheid; het is
alles effen en gedrukt, alles en mineur: er is slechts vrede, rust, stil gelaten
verwachting en troost. "Taedet me vitae temporalis."[763]
Eén ding heeft het meest boeddhistische werk van het christendom, het
boek voor de vermoeiden van alle eeuwen, gemeen met de voortbrengselen
der hevige mystiek. Ook hier was de verbeelding, zoover dat mogelijk was,
overwonnen, het kleurige gewaad van schitterende symbolen afgelegd. En
daarom zit ook de Imitatio niet vast aan een cultuur-tijdperk; evenals de
ekstatische schouwingen van het al-eene leidt zij af van alle cultuur. Zij
hoort tot geen bijzonder beschavingstijdperk. Vandaar zoowel haar twee
duizend uitgaven, als de mogelijkheid van een twijfel omtrent den auteur en
den tijd van ontstaan, die twee eeuwen verschil toeliet. Thomas had het
"Ama nesciri" niet vergeefs gezegd.

Page 258

XI
DE DENKVORMEN IN DE PRAKTIJK

Men moet de hechte vormen van het denken niet enkel bestudeeren aan de
voorstellingen van het geloof en de hoogere bespiegeling, maar evengoed
aan die van de dagelijksche levenswijsheid en de nuchtere praktijk. Dan
eerst kan de middeleeuwsche geest als een eenheid en een geheel worden
gezien. Want het zijn dezelfde groote denkrichtingen, die zijn hoogere en
zijn lagere uitingen beheerschen. En terwijl op het gebied van geloof en
bespiegeling steeds de vraag aan de orde blijft, in hoeverre de
gedachtenvormen resultaat en weerklank zijn van een lange schriftelijke
traditie, die tot in Grieksche en Joodsche, ja Egyptische en Babylonische
oorsprongen reikt, ziet men ze in het gewone leven naïef en spontaan
werken, onbeladen met het gewicht van neoplatonisme en wat niet al.
In het dagelijksch leven denkt de middeleeuwsche mensch in dezelfde
vormen als in zijn theologie. De grondslag is zoo hier als daar dat
architecturale idealisme, dat de scholastiek realisme noemde: de behoefte
om elke notie af te zonderen en vorm te geven als een wezenheid, en om ze
samen te schikken in hiërarchische verbanden, er altijd weer tempels en
kathedralen van te bouwen, als een kind, dat met blokken speelt.
Alles wat zich in het leven een vaste plaats verovert, wat levensvorm wordt,
geldt als geordineerd, zoo goed als de hoogste dingen in het goddelijke
wereldplan. Zeer duidelijk openbaart zich dit bijvoorbeeld in de opvatting
van de regelen der hofetikette bij de beschrijvers van den hofstaat, als
Olivier de la Marche en Alienor de Poitiers. De oude dame beschouwt die
regelen als wijze wetten, in de hoven der koningen oudtijds met keuze en
oordeel verordineerd, in acht te nemen voor alle komende tijden. Zij spreekt
ervan als van de wijsheid der eeuwen: "et alors j'ouy dire aux anciens qui
sçavoient...." Zij ziet de tijden ontaarden: sedert een jaar of tien zetten
sommige dames in Vlaanderen het kraambed voor het vuur, "de quoy l'on

Page 259

s'est bien mocqué"; vroeger deed men dat nooit; waar moet het heen? "mais
un chacun fait à cette heure à guise: par quoy est à doubter, que tout ira
mal".[764]
La Marche stelt zich en den lezer gewichtige vragen omtrent de redelijkheid
van al die deftige dingen: waarom heeft de "fruitier" meteen de verlichting,
"le mestier de la cire", onder zijn departement? Het antwoord luidt: omdat
de was door de bijen uit de bloemen wordt getrokken, waarvan ook de
vruchten komen: "pourquoy on a ordonné très bien ceste chose".[765] De
sterke middeleeuwsche neiging, om voor iedere functie een orgaan te
scheppen, is niet anders dan een uitvloeisel van de denkwijze, die aan elke
qualiteit zelfstandigheid toekende, haar als idee zag. De koning van
Engeland had onder zijn "magna sergenteria" een ambt, om 's konings
hoofd vast te houden, als hij het Kanaal overstak, en zeeziek werd; het werd
in 1442 bekleed door zekeren John Baker, van wien het erfde op zijn beide
dochters.[766]
Onder hetzelfde licht valt te beschouwen de gewoonte, om alle dingen, ook
de levenlooze, namen te geven. Het is, hoe verbleekt ook, een trek van
primitief anthropomorphisme, wanneer ook thans nog in het krijgsleven, dat
in vele opzichten den terugkeer tot een primitieve levenshouding beduidt,
kanonnen namen krijgen. In de Middeleeuwen is die trek veel sterker: gelijk
de zwaarden in den ridderroman hebben de bombarden in de oorlogen der
14e en 15e eeuw hun namen: "le Chien d'Orléans, la Gringade, la
Bourgeoise, de Dulle Griete". Als een survival dragen thans nog de
beroemde diamanten hun naam, zooals de juweelen van Karel den Stoute
alle benaamd zijn: "le sancy, les trois frères, la hote, la balle de Flandres".
Wanneer in onzen tijd de schepen hun naam behouden hebben, maar de
huizen en de klokken niet, dan is het eensdeels, omdat het schip van plaats
verandert en te allen tijde moet kunnen worden geïdentificeerd, maar toch
ook wel omdat het schip iets persoonlijkers heeft behouden dan het huis,
wat ook in het "she" van het Engelsche spraakgebruik is uitgedrukt. Die
persoonlijke opvatting der levenlooze dingen moet men zich in de
Middeleeuwen als veel sterker voorstellen: in de Middeleeuwen kreeg elk
ding zijn naam: de cachotten der kerkers zoo goed als elk huis en elke klok.
Aan alle dingen wordt gezocht naar de "moraliteit", zooals de
middeleeuwer zeide, als het meest wezenlijke ervan. Elk historisch of

Page 260

litterair geval heeft de neiging, om te kristalliseeren tot een parabel, een
moreel voorbeeld, een bewijsnummer; elke uitspraak tot een sententie, een
tekst, een spreuk. Evenals de heilige symbolische verbanden tusschen het
Nieuwe en het Oude Testament ontstaan er moreele verbanden, waardoor
aan elk levensgeval terstond de spiegel kan worden voorgehouden van een
voorbeeld, een type uit de schrift, de geschiedenis of de litteratuur. Om
iemand tot vergeving te bewegen, somt men bijbelsche gevallen van
vergiffenis op. Om voor het huwelijk te waarschuwen, rangschikt men al de
ongelukkige huwelijken, waarvan de Oudheid spreekt. Jan zonder Vrees
vergelijkt, om den moord op Orleans te verontschuldigen, zichzelven met
Joab en zijn slachtoffer met Absalom, en prijst zich beter dan Joab, want de
koning had den doodslag niet uitdrukkelijk verboden. "Ainssy avoit le bon
duc Jehan attrait ce fait à moralité."[767]—Het is als 't ware een ruime en
naïeve toepassing van het jurisprudentiebegrip, dat immers zelf in het
hedendaagsche rechtsleven een residu van verouderde denkvormen begint
te worden.
Elk ernstig betoog grondt zich gaarne op een tekst als steun- en
uitgangspunt: de twaalf proposities voor en tegen de onttrekking van
gehoorzaamheid aan den paus van Avignon, waarmee in 1406 te Parijs op
het nationaal concilie de zaak van het schisma wordt bepleit, gaan ieder uit
van een schriftwoord.[768] Ook een wereldlijk feestredenaar kiest, zoo goed
als een prediker, zijn tekst.[769]
Geen duidelijker voorbeeld van al de genoemde trekken dan het beruchte
pleidooi, waarmede meester Jean Petit den hertog van Bourgondië trachtte
te rechtvaardigen wegens den moord op Lodewijk van Orleans.
Het was ruim drie maanden geleden, dat 's konings broeder des avonds door
de gehuurde sluipmoordenaars, die Jan zonder Vrees tevoren in een huis in
de Rue vieille du Temple gehuisvest had, was neergestooten. De
Bourgondiër had eerst bij de lijkplechtigheid grooten rouw gedreven,
daarna, toen hij zag, dat het onderzoek zich zou uitstrekken tot in zijn hotel
d'Artois, waar hij de moordenaars verborgen hield, had hij in den raad zijn
oom Berry ter zijde genomen en hem bekend, dat hij door inblazing des
duivels den moord had laten plegen. Hij was daarop uit Parijs gevlucht naar
Vlaanderen. Te Gent had hij reeds een eerste rechtvaardiging van zijn
euveldaad laten uitspreken; thans keerde hij naar Parijs terug, vertrouwend

Page 261

op den haat, die alom Orleans gegolden had, en zijn eigen populariteit bij
het volk van Parijs, dat hem inderdaad ook nu nog blijde inhaalde. De
hertog had te Amiens raad gepleegd met twee mannen, die op de
kerkvergadering te Parijs in 1406 zich onder de sprekers opmerkelijk
hadden gemaakt: meester Jean Petit en Pierre aux Boeufs. Aan hen was
opgedragen, het Gentsche pleidooi van Simon de Saulx uit te werken, om
het als een indrukwekkende rechtvaardiging voor te dragen voor de prinsen
en hooge heeren te Parijs.
Daarmede verscheen nu meester Jean Petit, godgeleerde, preeker en dichter,
den 8sten Maart 1408 in het hotel de Saint Pol te Parijs voor het luisterrijke
gehoor, waarin de dauphin, de koning van Napels, de hertogen van Berry en
Bretagne de eersten waren. Hij begon met gepaste nederigheid: hij arme
was theoloog noch jurist, "une très grande paour me fiert au cuer, voire si
grande, que mon engin et ma mémoire s'en fuit, et ce peu de sens que je
cuidoie avoir, m'a jà du tout laissé." Dan ontplooit hij het kunstwerk van de
zwartste politieke boosaardigheid, dat zijn geest in strengen stijl gebouwd
had op den tekst: Radix omnium malorum cupiditas. Op schoolsche
onderscheidingen en neventeksten is het geheel kunstig gedisponeerd;
verlucht met exempelen uit de schrift en de historie; het krijgt een
duivelsche levendigheid en een romantische spanning door de kleurige
uitvoerigheid, waarmee de pleiter de snoodheden van den verslagene
beschrijft. Het begint met de opsomming van twaalf verplichtingen,
waardoor de hertog van Bourgondië gehouden was, den koning van
Frankrijk te eeren, te beminnen en te wreken. Dan beveelt hij zich aan in de
hulp van God, de Maagd en Sint Jan den Evangelist, om het eigenlijke
betoog te beginnen: verdeeld in een major, een minor en een conclusie. Nu
stelt hij zijn tekst voorop: Radix omnium malorum cupiditas. Daaruit
worden twee toepassingen afgeleid: de begeerte maakt afvalligen, zij maakt
verraders. Deze boosheden van apostasie en verraad worden verdeeld en
onderverdeeld en daarna gedemonstreerd aan drie voorbeelden. Als de
archetypen van den verrader rijzen Lucifer, Absalom en Athalia voor de
verbeelding der hoorders op. Dan volgt de opstelling van acht waarheden,
die den tyrannenmoord rechtvaardigen: wie tegen den koning conspireert,
verdient dood en verdoemenis; hoe hooger hij staat, hoeveel te meer; ieder
mag hem dooden. "Je prouve ceste verité par douze raisons en l'honneur des
douze apostres": drie uitspraken van doctores, drie van philosophi, drie van

Page 262

juristen en drie uit de schrift. Zoo gaat het voort, tot de acht waarheden
compleet zijn: een citaat uit De casibus virorum illustrium van "le
philosophe moral Boccace" wordt aangehaald, om te bewijzen, dat men den
tyran mag aanvallen uit een hinderlaag. Uit de acht waarheden volgen acht
"correlaria" met een negende als toegift, waarin met toespelingen geduid
werd op al de geheimzinnige gebeurtenissen, waarin de laster en de
argwaan aan Orleans een gruwelijke rol hadden toegekend. Al de oude
verdenkingen, die den hoogstrevenden en losbandigen prins van zijn jonge
jaren af hadden vervolgd, werden tot gloeihitte weer opgerakeld: hoe hij in
1392 de opzettelijke aanlegger was geweest van het rampzalige "bal des
ardents", toen zijn broeder de jonge koning ternauwernood was ontkomen
aan den jammerlijken vuurdood van zijn gezellen in hun vermomming als
wildemannen, door een onvoorzichtig bijgehouden toorts geraakt. Orleans'
samensprekingen in het klooster der Celestijnen met "den toovenaar"
Philippe de Mézières leverden de stof tot allerlei zinspelingen op
moordplannen en giftmengerij. Zijn algemeen bekende gehechtheid aan
tooverkunsten geeft aanleiding tot de levendigste gruwelverhalen: hoe
Orleans op een Zondagmorgen met een afvalligen monnik, een ridder, een
knape en een knecht naar la Tour Montjay aan de Marne reed; hoe de
monnik daar twee duivelen deed verschijnen, gekleed in bruin-groen en
geheeten Heremas en Estramain, die een degen, een dolk en een ring van
een helsche wijding voorzagen, waarop het gezelschap een gehangene van
de galg van Montfaucon ging halen enz. Tot uit den zinneloozen praat van
den waanzinnigen koning wist meester Jan sinisteren zin te puren.
Nadat aldus eerst de beoordeeling op het niveau van het algemeen-
zedelijke was verheven, door de zaak te stellen in het licht der
schriftuurlijke modellen en moreele sententiën, en vervolgens de stemming
van afgrijzen en huivering kunstig is gaande gemaakt, breekt in de minor,
die stuk voor stuk de geledingen van de major volgt, de stroom van
regelrechte beschuldigingen los. De hartstochtelijke partijhaat doet den
aanval op de nagedachtenis van den vermoorde met al de hevigheid,
waartoe de toomelooze geest in staat was.
Vier uren lang was Jean Petit aan 't woord, en toen hij uitgesproken had,
sprak zijn lastgever, de hertog van Bourgondië: "Je vous avoue". Er werden
van de justificatie vier kostbare boekjes gemaakt, gebonden in geperst leer,
verlucht met goud en miniaturen, voor den hertog en zijn naaste verwanten.

Page 263

Een daarvan wordt nog te Weenen bewaard. Ook was het vertoog te koop.
[770]

De behoefte, om elk levensgeval uit te beelden tot een moreel voorbeeld,
elk oordeel af te zonderen tot een sententie, waardoor het iets substantieels
en onaantastbaars krijgt, kortom dat kristallisatieproces der gedachte, vindt
haar meest algemeene en natuurlijke uiting in het spreekwoord. Het
spreekwoord neemt in de middeleeuwsche gedachte een zeer belangrijke
plaats in. Het treedt als 't ware in concurrentie met de heilige schrift.
Tegenover de onbereikbare verhevenheid der bijbelsche moraal handhaaft
in het spreekwoord de nuchtere, laag-bij-den-grondsche, baatzuchtige
levenswijsheid haar gezag. Tegenover de jammerklacht over de aardsche
zondigheid en verdorvenheid stelt de volkswijsheid in het spreekwoord haar
nuchtere, goedmoedige, ironische berusting in de slechtheid der wereld. Uit
het spreekwoord klinkt de diepe genoegzaamheid, die grenst aan de
wijsheid van hen, die de wereld tot den grond hebben gepeild, en haar
aanzien met een glimlach; de weldadige wijsheid van het spreekwoord ligt
in zijn resignatie. "Les grans poissons mangent les plus petis."—"Les mal
vestus assiet on dos au vent." Daar ligt de sociale rechtvaardigheid. "Nul
n'est chaste si ne besongne" (als het niet noodig is). "Il n'est si ferré qui ne
glice" (niemand zoo goed beslagen, dat hij niet uitglijdt). "L'homme est bon
tant qu'il craint sa peau". "Au besoing on s'aide du diable". Daar ligt de
moraal. "Moyen dueil vault mieux que trop joye". "Chascun a chose qui le
myne". "Le jeu vault tant comme on y met". "Trop quiert (begeert) qui veult
happer la lune".
Het is verbazend, welk een aantal spreekwoorden er in de late
Middeleeuwen gangbaar zijn geweest.[771] In hun alledaagsche geldigheid
sluiten zij zoo goed aan bij den gedachteninhoud der litteratuur, dat de
dichters van dien tijd er een druk gebruik van maken. Zeer in trek is bij
voorbeeld het gedicht, waarvan elke strofe eindigt met een spreekwoord.
Een ongenoemde wijdt in zulk een vorm een schimpdicht aan den gehaten
prévôt van Parijs, Hugues Aubriot, bij diens smadelijken val.[772]
Vervolgens komt Alain Chartier met zijn Ballade de Fougères [773] Molinet
met verschillende stukken uit zijn Faictz et Dictz, [774] Coquillart's
Complaincte de Eco,[775] Villon's ballade, geheel uit spreekwoorden
opgebouwd.[776] Ook Le passé temps d'oysiveté van Robert Gaguin[777]

Page 264

hoort ertoe; de 171 strofen eindigen op enkele na met een passend
spreekwoord. Of zijn deze spreekwoordachtige zedelijke uitspraken
(waarvan ik maar enkele weervind in de mij bekende collecties van
spreekwoorden) eigen gedachten van den dichter? In dat geval zou het nog
sterker bewijs zijn, welk een levende functie in het laat- middeleeuwsche
denken aan het spreekwoord, dat is aan het afgeronde, geijkte, algemeen
verstaanbare oordeel, toekwam, indien wij ze hier in onmiddellijke
aansluiting bij een gedicht uit den geest van een individueelen dichter zien
ontstaan.
Zelfs de preek versmaadt naast de heilige teksten het spreekwoord niet, en
het ernstig betoog in staats- of kerkvergaderingen maakt er een ruim
gebruik van. Gerson, Jean de Varennes, Jean Petit, Guillaume Fillastre,
Olivier Maillard brengen in hun preeken en oraties de meest alledaagsche
spreekwoorden tot sterking van hun betoog te pas: "Qui de tout se tait, de
tout a paix, Chef bien peigné porte mal bacinet (helm), D'aultrui cuir large
courroye, Qui commun sert, nul ne l'en paye, Qui est tigneux, il ne doit pas
oster son chaperon."[778]—Ja, er is zelfs een schakel tusschen het
spreekwoord en de Imitatio, die immers naar den vorm berust op de
spreukenverzamelingen of rapiaria, waarin men wijsheid van allerlei aard
en herkomst placht te vergaren.
Er zijn in de latere Middeleeuwen tal van schrijvers, wier kracht van
oordeel zich eigenlijk niet boven het spreekwoord verheft, dat zij dan ook
voortdurend toepassen. Een kroniekschrijver uit het begin der veertiende
eeuw, Geoffroi de Paris, doorspekt zijn berijmd geschiedverhaal met
spreekwoorden, die de moraal van het gebeurde geven, [779] en daaraan doet
hij wijzer dan Froissart en Le Jouvencel, wier sententies van eigen maaksel
dikwijls als halfgare spreekwoorden uitvallen: "Enssi aviennent li fait
d'armes: on piert une fois et l'autre fois gaagn'on." "Or n'est-il riens dont on
ne se tanne." "On dit, et vray est, que il n'est chose plus certaine que la
mort."[780]
Een soortgelijke kristallisatievorm der gedachte als het spreekwoord is het
devies, dat in de laatste Middeleeuwen met bijzondere voorliefde
gecultiveerd wordt. Het is geen wijsheid van algemeene strekking, zooals
het spreekwoord, maar een persoonlijke aansporing of levensles, die door
den drager tot een teeken is verheven, dat hij met gouden letters in zijn

Page 265

leven zelf aanbrengt, een les, die door de gestyleerde herhaling, waarmee
zij op al de stukken van garderobe en uitrusting wederkeert, hem en de
anderen moet suggereeren en vast houden. De stemming van de deviezen is
veelal een van berusting, evenals bij het spreekwoord, van verwachting,
soms met een onuitgesproken element, dat ze geheimzinnig moest maken:
"Quand sera ce? Tost ou tard vienne, Va oultre, Autre fois mieulx, Plus dueil
que joye." Verreweg de meeste hebben betrekking op de liefde: "Aultre
naray, Vostre plaisir, Souvienne vous, Plus que toutes." Dat zijn ridderlijke
spreuken, op dekkleed en wapenrusting aangebracht. Op de ringen stonden
zij met intiemer klank: "Mon cuer avez, Je le desire, Pour tousjours, Tout
pour vous."
Met de emblemen, die het devies òf zichtbaar illustreeren òf ermee in los
verband van zin staan, maken de zinspreuken deel uit van de heraldische
gedachtensfeer. Het blazoen is voor den middeleeuwer meer dan een
genealogische liefhebberij. De wapenfiguur krijgt voor zijn geest een
waarde, welke nadert tot die van een totem.[781] De leeuwen, de leliën, de
kruisen worden symbolen, waarin een heel complex van trots en streven,
aanhankelijkheid en gemeenschapsgevoel in beeld is uitgedrukt,
gemarkeerd als een zelfstandig, ondeelbaar ding.
De behoefte, om elk geval te isoleeren als een zelfstandig bestaand iets, het
te zien als idee, uit zich in de Middeleeuwen in een sterke neiging tot
casuïstiek. Deze vloeit al weer voort uit het ver strekkende idealisme. Aan
elke vraag, die zich voordoet, moet een ideale oplossing eigen zijn; deze is
gegeven, zoodra men de juiste betrekking heeft erkend tusschen het
aanwezige geval en de eeuwige waarheden, en die betrekking wordt
afgeleid uit de toepassing van formeele regels op de feiten. Niet alleen
vragen van zedelijkheid en recht vinden zoo hun oplossing, de casuïstische
beschouwing beheerscht allerlei andere levensgebieden bovendien. Overal
waar stijl en vormen hoofdzaak zijn, waar het spel-element van een
cultuurvorm op den voorgrond treedt, viert de casuïstiek hoogtij. Dat geldt
in de eerste plaats van alles wat ceremonieel en etikette betreft. Hier is de
casuïstische beschouwing op haar plaats; hier is zij als denkvorm adequaat
aan de gestelde vragen, immers hier zijn het enkel een reeks van gevallen,
bepaald door eerbiedwaardige precedenten en formeele regels. Hetzelfde
geldt van het wapenspel en de jacht. Gelijk vroeger reeds ter sprake kwam,

Page 266

[782] schept ook de opvatting der liefde als een schoon gezelschapsspel van

stijlvolle vormen en regels de behoefte aan een uitgewerkte casuïstiek.
Tenslotte hecht zich allerlei casuïstiek aan de gebruiken van den oorlog. De
sterke invloed van de ridderidee op de opvatting van den krijg gaf ook aan
dezen een element van spel. De gevallen van buitrecht, van aanvalsrecht,
van trouw aan een parool, kwamen onder het aspect van spelregels, zooals
zij golden voor tournooi en jachtvermaak. De zucht, om in het geweld recht
en regel te brengen, sproot niet zoo zeer voort uit volkenrechtelijk instinct
als uit ridderlijk besef van eer en levensstijl. Alleen een nauwgezette
casuïstiek en het opstellen van strenge formeele regels maakten het
mogelijk, het oorlogsgebruik eenigermate in harmonie te brengen met
ridderlijke standseer.
Zoo vinden wij de beginselen van het volkenrecht gemengd met de
spelregels van de wapenoefening. Geoffroy de Charny legt in 1352 aan
koning Jan II van Frankrijk, in diens hoedanigheid van grootmeester der
juist door hem gestichte ridderorde van de Ster, een reeks van casuïstische
vragen ter beslissing voor: twintig betreffen de "jouste", eenentwintig het
tournooi en drieënnegentig den oorlog.[783] Een kwarteeuw later draagt
Honoré Bonet, prior van Salon in Provence en doctor in het canonieke
recht, aan den jongen Karel VI zijn Arbre des batailles op, een tractaat over
oorlogsrecht, dat nog in de zestiende eeuw, blijkens nieuwe uitgaven, van
praktische waarde werd geacht.[784] Men vindt hier bijeen en dooreen
vragen van het hoogste gewicht voor het volkenrecht en beuzelachtige
kwesties, die niet veel meer dan spelregels betreffen. Mag men de
ongeloovigen zonder noodzaak beoorlogen? Bonet antwoordt nadrukkelijk:
neen, zelfs niet om hen te bekeeren. Mag een vorst den ander den doortocht
over zijn gebied weigeren? Moet het (veel geschonden) privilege, dat de
ploeger en zijn os veilig zijn voor het oorlogsgeweld, ook uitgestrekt
worden tot den ezel en den knecht?[785] Moet een geestelijke zijn vader of
zijn bisschop helpen? Wanneer men een geleende wapenrusting in den slag
verliest, is men dan teruggave verschuldigd? Mag men slag leveren, op
feestdagen? Is het beter, nuchter slag te leveren, of na den maaltijd?[786]
Voor dit alles heeft de prior raad, uit bijbelplaatsen, canoniek recht en
glosse.

Page 267

Een der gewichtigste punten van het krijgsgebruik was in dezen tijd alles
wat het maken van gevangenen betrof. De losprijs voor een aanzienlijk
gevangene was voor edelman en soudenier een der uitlokkendste beloften
van den strijd. Hier was een onbeperkt veld voor casuïstische regels
gegeven. Ook hier loopen volkenrecht en ridderlijk point d'honneur
dooreen. Mogen de Franschen wegens den oorlog met Engeland de arme
kooplui, landbouwers en herders op het Engelsche gebied gevangen nemen
en hun hunne goederen ontnemen? In welke gevallen mag men uit zijn
gevangenschap ontsnappen? Wat is de waarde van een vrijgeleide? [787]—In
den biographischen roman Le Jouvencel worden van die gevallen uit de
praktijk behandeld. Men brengt voor den aanvoerder een twist van twee
kapiteins over een gevangene. "Ik heb hem, zegt de een, het eerst bij zijn
arm en zijn rechterhand gegrepen en hem den handschoen afgerukt". "Maar
mij, zegt de ander, heeft hij het eerst de rechterhand en zijn woord
gegeven." Beide gaf aanspraak op het kostbare bezit, maar de laatste
aanspraak wordt als de hoogere erkend. Van wien is een gevangene, die
ontvlucht en weer gevangen is? Oplossing: in het oorlogsgebied behoort hij
aan den nieuwen vanger, maar daarbuiten aan den oorspronkelijken vanger.
Mag een gevangene, die zijn woord gegeven heeft, wegloopen, als zijn
vanger hem niettemin aan een ketting legt? Of als men verzuimd heeft, hem
zijn woord te vragen?[788]
Naast de casuïstische denkwijze nog een ander uitvloeisel van de
middeleeuwsche neiging, om de zelfstandige waarde van een ding of een
geval te overschatten. Men kent Le Testament van François Villon, het
groote satirische gedicht, waarin hij al zijn hebben en houden vermaakt aan
vrienden en vijanden. Er zijn meer van die dichterlijke Testamenten, zooals
dat van Barbeau's muilezel door Henri Baude.[789] Het is een geijkte vorm.
Deze vorm echter is slechts begrijpelijk, als men zich herinnert, dat
inderdaad de middeleeuwsche menschen gewoon waren, per testament tot
over het geringste van hun bezittingen afzonderlijk en uitvoerig te
beschikken. Een arme vrouw vermaakt aan haar parochie haar
zondagskleed en haar kap; haar bed aan haar petekind, een pels aan haar
verpleegster, haar daagsche rok aan een arme, en vier pond tournoois, die
haar vermogen uitmaakten, met nog een kleed en een kap aan de
Minderbroeders.[790] Is ook daarin niet een zeer alledaagsche uiting te zien
van dezelfde denkrichting, die ieder geval van deugdbetrachting als een

Page 268

eeuwig exempel, elke gewoonte als een goddelijke ordinantie aanzag? Het
is dat kleven van den geest aan de bijzonderheid en waarde van het enkele
ding, dat als een ziekte den verzamelaar en den gierigaard beheerscht.
Al de opgesomde trekken laten zich vereenigen onder het begrip
formalisme. Het ingeschapen besef van de transcendentale wezenlijkheid
der dingen brengt mee, dat elke voorstelling in onwrikbare grenzen staat
omlijnd, geïsoleerd in een plastischen vorm, en die vorm heerscht.
Doodzonden en dagelijksche zonden zijn naar vaste regels te
onderscheiden. Het rechtsgevoel is muurvast, het behoeft geen oogenblik te
twijfelen: de daad richt den man, zei de oude rechtsspreuk. Bij de
beoordeeling van een daad is haar formeele inhoud nog altijd hoofdzaak.
Eenmaal, in het primitieve recht van den oudgermaanschen tijd, was dat
formalisme zoo sterk geweest, dat de rechtspraak geen rekening hield met
opzet of onopzettelijkheid: de daad was de daad, en bracht als zoodanig de
straf mede, terwijl een niet voltooide daad, een poging tot misdrijf,
straffeloos was. Eerst langzamerhand dringt in het middeleeuwsche recht de
uitzondering door, dat men niet door een onwillekeurige verspreking in het
eedsformulier zijn recht verliest. De sporen van dat formalisme in
rechtzaken zijn ook in de latere Middeleeuwen nog voor 't grijpen.
De buitengewone gevoeligheid voor de formeele eer is een verschijnsel van
die denkwijze. Te Middelburg was in 1445 heer Jan van Domburg wegens
een doodslag gevlucht in een kerk, om het asylrecht te genieten. Men
blokkeerde hem in zijn toevluchtsoord, gelijk de gewoonte was.
Herhaaldelijk zag men toen zijn zuster, een non, hem komen aansporen, om
zich liever al vechtende te laten dooden, dan de schande over zijn geslacht
te brengen van in beulshanden te vallen. En als dat tenslotte toch is
geschied, verwerft de juffer van Domburg zijn lichaam. [791]—Bij een
tournooi is het dekkleed van het paard van een edelman versierd met 's
mans wapen. Dat was zeer ongepast, vindt Olivier de la Marche, want als
het paard, "une beste irraisonnable", nu eens struikelde en het wapen sleepte
in het zand, dan was de geheele familie geblameerd. [792]—Kort na een
bezoek van den hertog van Bourgondië op Chastel en Porcien doet aldaar
een edelman in waanzin een poging tot zelfmoord. Men is er
onbeschrijfelijk ontdaan over, "et n'en savoit-on comment porter la honte
après si grant joye demenée." Ofschoon het bekend was, dat het in waanzin

Page 269

was geschied, wordt de ongelukkige, genezen, uit het kasteel verbannen "et
ahonty à tousjours."[793]
Een treffend voorbeeld van de plastische wijze, waarop aan een behoefte tot
herstel van geschonden eer werd voldaan, levert het volgende geval. Te
Parijs was in 1478 een zekere Laurent Guernier bij vergissing gehangen. Hij
had namelijk nog juist remissie gekregen van zijn misdrijf, maar deze was
hem niet bijtijds aangezegd. Na een jaar was dit gebleken, en werd het
lichaam op verzoek van zijn broeder eervol begraven. Voor de baar gingen
vier stadsomroepers met hun ratels, het wapen van den doode op hun borst;
rondom de baar vier kaarsen en acht fakkeldragers in rouwgewaad en met
hetzelfde wapen. Zoo ging het door Parijs van de Porte Saint Denis tot de
Porte Saint Antoine, vanwaar het vervoer naar 's mans geboorteplaats
Provins begon. Een der omroepers nu roept voortdurend: "Bonnes gens,
dictes voz patenostres pour l'âme de feu Laurent Guernier, en son vivant
demourant à Provins, qu'on a nouvellement trouvé mort soubz ung chesne."
[794]

De sterke levenskracht van het bloedwraakprincipe, dat juist in zoo
bloeiende en hoogbeschaafde streken als Noord-Frankrijk en de Zuidelijke
Nederlanden zoo welig tierde,[795] is een andere kant van dezelfde
geestesgesteldheid. Ook die wraaklust heeft iets formeels. Men overlegt
somtijds zorgvuldig, iemand niet te dooden, en steekt hem daarom
welberaamd in dijen, armen en aangezicht; het slachtoffer moet vooral niet
zonder biecht sterven: du Clercq vertelt een geval van lieden, die hun
schoonzuster gaan vermoorden en opzettelijk een priester meebrengen. [796]
Het formeele karakter van zoen en wraak brengt weer mee de bevrediging
van het ongelijk door symbolische straffen of boetedoeningen. In al de
groote politieke verzoeningen der vijftiende eeuw komt een groot gewicht
toe aan dat symbolisch element: het afbreken van de huizen, die aan het
misdrijf herinnerden, het stichten van gedenkkruisen, het toemetselen van
poorten, om van openbare boetceremoniën en het stichten van zielmissen en
kapellen niet te spreken. Zoo bij den eisch der Orleansen tegen Jan zonder
Vrees, zoo bij den vrede van Atrecht in 1435, bij den zoen van het oproerige
Brugge in 1437, en den zwaarderen zoen van het opstandige Gent in 1453,
waar de lange stoet, geheel in 't zwart, zonder gordels, blootshoofds en
barrevoets, de hoofdschuldigen in het hemd vooraan, optrekt in den

Page 270

stortregen, om allen te zamen voor den hertog pardon te roepen.[797]—Bij
de verzoening met zijn broeder in 1469 vraagt Lodewijk XI allereerst den
ring, waarmee de bisschop van Lisieux den prins als hertog aan Normandië
heeft gehuwd, en laat dien te Rouen in 't bijzijn van notabelen op een
aambeeld breken.[798]
Het algemeene formalisme ligt ook ten grondslag aan het geloof in de
werking van het gesproken woord, dat zich in de primitieve cultuur in zijn
volheid openbaart, en zich in de late Middeleeuwen nog handhaaft in
zegenspreuken, tooverspreuken, dingtalen. Een plechtig verzoek heeft nog
iets solemneels, iets van het dwingende van den sprookjeswensch. Wanneer
alle smeekbeden Philips den Goede niet kunnen vermurwen, om genade te
schenken aan een veroordeelde, gaat men het verzoek opdragen aan Isabella
van Bourbon, zijn geliefde schoondochter, in de hoop, dat hij het haar niet
zal kunnen weigeren,—want, zegt zij: ik heb u nog nooit iets belangrijks
gevraagd.[799] En het doel wordt bereikt.—In hetzelfde licht is de verbazing
van Gerson te beschouwen, dat ondanks alle prediking de zeden nog niet
verbeterden: ik weet niet, wat ik zeggen moet: voortdurend worden er
preeken gehouden, maar altijd tevergeefs.[800] Onmiddellijk uit het
algemeene formalisme vloeien voort die eigenschappen, die aan den geest
der latere Middeleeuwen zoo dikwijls een karakter van holheid en
oppervlakkigheid geven. Vooreerst het buitengewone simplisme in de
motiveering. Hiërarchisch geanalyseerd als het begrippenstelsel was,
gegeven de plastische zelfstandigheid van elke voorstelling en de behoefte
om elk verband te verklaren uit een algemeen geldige waarheid, werkt de
causale geestesfunctie als een telefooncentrale: er kunnen steeds allerlei
verbindingen tot stand worden gebracht, maar altijd slechts van twee
nummers tegelijk. Men ziet van elken toestand, elken samenhang slechts
enkele trekken, en deze hevig geëxaggereerd en bont gekleurd; het beeld
van een gebeurtenis heeft steeds de enkele zware lijnen van een primitieve
houtsnede. Eén motief is steeds voldoende ter verklaring, en bij voorkeur
het algemeenste, het onmiddellijkste of het ruwste. Voor de Bourgondiërs
kan het motief tot den moord op den hertog van Orleans slechts op één
grond berusten: de koning heeft den hertog van Bourgondië verzocht, den
echtbreuk der koningin met Orleans te wreken.[801] De oorzaak van den
grooten Gentschen opstand is voor het oordeel der tijdgenooten door een
vormkwestie over een briefformulier geheel voldoende aangegeven.[802]

Page 271

De middeleeuwsche geest generaliseert gereedelijk uit één geval. Olivier de
la Marche concludeert uit één geval van Engelsche onpartijdigheid uit
vroeger tijd, dat de Engelschen in die dagen deugdzaam waren, en dat dit de
oorzaak was, dat zij Frankrijk hadden kunnen veroveren.[803] De geweldige
overdrijving, die onmiddellijk voortspruit uit het te bont en te zelfstandig
zien der gevallen, wordt nog in de hand gewerkt, doordat altijd naast het
geval terstond een parallel uit de heilige geschiedenis gereed staat, die het
geval optrekt in een sfeer van hooger potentie. Wanneer bijvoorbeeld in
1404 een processie der Parijsche studenten is verstoord, waarbij er twee zijn
gewond en van één het kleed gescheurd, dan is voor den verontwaardigden
kanselier der Universiteit de klank van een teeder woord: "les enfans, les
jolis escoliers comme agneaux innocens", genoeg, om het geval te
vergelijken met den kindermoord van Bethlehem.[804]
Waar voor ieder geval een verklaring zoo gemakkelijk wordt aanvaard, en,
eenmaal aanvaard, zoo vast geloofd, daar heerscht een buitengewone
gemakkelijkheid van het valsche oordeel. Indien men met Nietzsche moet
aannemen, dat "der Verzicht auf falsche Urteile das Leben unmöglich
machen würde", dan kan juist daaraan voor een deel het krachtige, felle
leven, dat ons in vroeger tijden treft, worden toegeschreven. In elken tijd,
die een buitengewone spanning van alle krachten vraagt, moet het valsche
oordeel in versterkte mate de zenuwen te hulp komen. De middeleeuwers
leefden eigenlijk doorloopend in zulk een geestelijke crisis; zij konden geen
oogenblik buiten de grofste valsche oordeelen, die onder den invloed van
partijgevoel een ongeëvenaarden graad van boosaardigheid bereiken. De
geheele houding van de Bourgondiërs tegenover de groote veete met
Orleans getuigt ervan. De verhouding van de aantallen gesneuvelden wordt
door den overwinnaar in het belachelijke verschoven: Chastellain laat in
den slag bij Gavere vijf edelen vallen aan de zijde van den vorst tegen 20 of
30.000 der opstandige Gentenaars. [805] Het is een der moderne trekken van
Commines, dat hij aan die overdrijvingen niet meedoet.[806]
Hoe is tenslotte die eigenaardige lichthoofdigheid op te vatten, die zich in
oppervlakkigheid, onnauwkeurigheid en lichtgeloovigheid bij de latere
middeleeuwers voortdurend openbaart? Het is dikwijls, alsof zij niet de
geringste behoefte hebben aan werkelijke gedachten, alsof een
voorbijglijden van ijle droombeelden voedsel voor hun geest genoeg was:

Page 272

uiterlijke feiten oppervlakkig beschreven, dat is de signatuur van schrijvers
als Froissart en Monstrelet. Hoe hebben de eindelooze onbeslissende
gevechten en belegeringen, waaraan Froissart zijn gaven heeft verspild, hun
aandacht kunnen boeien? Naast de felle partijmannen staan onder de
kroniekschrijvers zij, wier politieke sympathieën in het geheel niet zijn vast
te stellen, zooals Froissart en Pierre de Fenin; zoozeer put hun geest zich uit
in het verhaal der uiterlijke gebeurtenissen. Zij onderscheiden het
belangrijke niet van het onbelangrijke. Monstrelet is bij het onderhoud van
den hertog van Bourgondië met de gevangen Jeanne d'Arc tegenwoordig
geweest, maar herinnert zich niet, wat er gesproken werd.[807] De
onnauwkeurigheid, zelfs ten opzichte van gewichtige gebeurtenissen,
waarin zij zelf betrokken waren, kent geen grenzen. Thomas Basin, die zelf
het rehabilitatie-proces van Jeanne d'Arc leidde, laat haar in zijn kroniek
geboren zijn te Vaucouleurs, laat haar door Baudricourt zelf, dien hij heer in
plaats van kapitein der stad noemt, naar Tours brengen, vergist zich drie
maanden betreffende haar eerste samenkomst met den dauphin. [808] Olivier
de la Marche, het puik der hovelingen, vergist zich voortdurend in de
afstamming en verwantschap der hertogelijke familie, en plaatst zelfs het
huwelijk van Karel den Stoute met Margareta van York, waarvan hij de
feesten in 1468 had meegemaakt en beschreven, na het beleg van Neuss in
1475.[809] Zelfs Commines ontkomt niet aan dergelijke verwarringen: hij
vergroot een aantal jaren herhaaldelijk met twee; hij vertelt tot driemaal toe
den dood van Adolf van Gelre.[810]

Page 273

Het gebrek aan kritische onderscheiding en de lichtgeloovigheid spreken
zoo duidelijk uit elke bladzijde der middeleeuwsche litteratuur, dat het
onnoodig is voorbeelden aan te halen. Natuurlijk bestaat hier een groot
verschil in graad al naar de ontwikkeling van den persoon. Onder het volk
der Bourgondische landen heerschte ten opzichte van Karel den Stoute nog
die eigenaardige vorm van barbaarsche lichtgeloovigheid, die aan den dood
van de indrukwekkende heerschersfiguur nooit recht gelooven deed, zoodat
men tot tien jaar na den slag van Nancy elkaar nog leende op afbetaling, als
de hertog zou terugkomen. Basin, die het meedeelt, behandelt het als louter
dwaasheid.[811] Doch bij allen vat onder den invloed van den sterken
hartstocht en de gereede verbeelding het geloof aan de realiteit van het
verbeelde zeer licht post. Bij een geestesgesteldheid, waarin zoo sterk in
zelfstandige verbeeldingen wordt gedacht, geeft de bloote aanwezigheid
van een voorstelling in den geest een groote presumptie van
geloofwaardigheid. Zoodra een denkbeeld eenmaal met naam en vorm in
het brein rondwandelt, is het als 't ware opgenomen in het systeem van
moreele en godsdienstige figuren, en deelt onwillekeurig in hun hooge
geloofwaardigheid.
Terwijl nu aan den eenen kant de begrippen door hun scherpe omlijning,
hun hiërarchisch verband en hun dikwijls anthropomorph karakter bijzonder
vast en onbewegelijk zijn, dreigt aan den anderen kant het gevaar, dat juist
in dien levendigen vorm van het begrip de inhoud zoek raakt. Eustache
Deschamps wijdt een lang, allegorisch en satirisch leergedicht Le Miroir de
Mariage[812] aan de nadeelen van het huwelijk; als hoofdpersoon treedt
daarin op Franc Vouloir, door Folie en Désir aangespoord om te trouwen,
door Repertoire de science daarvan teruggebracht. In de uiterlijke
personificatie nu put zich de voorstelling van den dichter zoozeer uit, dat
zijn opvatting van wat Franc Vouloir eigenlijk beteekent, wankelt tusschen
den abstracten vrijen wil en de vrijheid van den vroolijken jonggezel.
Hetzelfde gedicht illustreert nog in een ander opzicht, hoe in de uitgewerkte
verbeeldingen de gedachte licht bleef wankelen of zich vervluchtigde. De
toon van het gedicht is die van de bekende philisterachtige en in den grond
zinnelijke vrouwenverguizing: de bespotting van haar zwakheid, de
verdachtmaking van haar eer, waarin de gansche Middeleeuwen zich
verlustigd hebben. Voor ons gevoel dissoneert met dien toon op schrille
wijze de vrome aanprijzing van het geestelijk huwelijk en het schouwende

Page 274

leven, waarop Repertoire de science zijn vriend Franc Vouloir in het latere
gedeelte van het gedicht onthaalt.[813] Even vreemd doet het ons aan, dat de
dichter door Folie en Désir soms hooge waarheden laat bewijzen, die men
van den kant der tegenpartij zou verwachten.[814]
Hier als zoo dikwijls bij de middeleeuwsche uitingen rijst de vraag: heeft de
dichter gemeend, wat hij aanprees? Zooals men ook vragen mocht: hebben
Jean Petit en zijn Bourgondische beschermers geloofd in al de gruwelen,
waarmee zij de nagedachtenis van Orleans bekladden? Of: hebben de
vorsten en edelen ernst gezien in al de bizarre fantazie en vertooning,
waarmee zij hun ridderlijke krijgsplannen en geloften aankleedden? Het is
uiterst moeilijk, om ten opzichte van de middeleeuwsche gedachte de
grenzen tusschen overtuiging en geveinsdheid, tusschen ernst en spel zuiver
te trekken. Soms schijnt alles geveinsd, soms schijnt alles naïef gemeend.
Vermenging van ernst en spel kenmerkt de zeden op allerlei gebied. Vooral
in den oorlog wordt gaarne een komisch element gebracht: de spot der
belegerden over hun vijand, dien zij dikwijls bloedig boeten. Die van
Meaux brengen een ezel op den muur, om Hendrik V van Engeland te
hoonen; die van Condé verklaren zich nog niet te kunnen overgeven, want
zij zijn nog bezig hun paasch-pannekoeken te bakken; te Montereau stoffen
de burgers, op den muur staande, hun kaproenen af, wanneer het kanon der
belegeraars heeft losgebrand.[815] In dezelfde lijn ligt het, wanneer het kamp
van Karel den Stoute voor Neuss wordt ingericht als een groote kermis: de
edelen laten "par plaisance" hun tenten bouwen in den vorm van kasteelen,
met galerijen en tuinen; er is allerlei vermaak. [816]
Er is één gebied, waar die bijmenging van spot in de ernstigste dingen
bijzonder grillig aandoet: de sombere sfeer van het duivel- en heksengeloof.
Al wortelde de duivelfantazie onmiddellijk in den grooten diepen angst, die
haar voortdurend voedt, toch kleurde ook hier de naïeve verbeelding de
figuren zoo kinderlijk bont, en maakt ze zoo gemeenzaam, dat zij soms het
angstwekkende verliezen. Het is niet alleen in de litteratuur, dat de duivel
als komische figuur optreedt: ook in den gruwelijken ernst van de
tooverijprocessen blijft het gezelschap van Satan vaak breughelsch en
rabelaisiaansch, en vermengt zich de helsche zwavellucht met de veesten
van de klucht. De duivelen, die een nonnenklooster in onrust brengen,
onder hun kapiteins Tahu en Gorgias, dragen namen "assez consonnans aux

Page 275

noms des mondains habits, instruments et jeux du temps présent, comme
Pantoufle, Courtaulx et Mornifle."[817]
De vijftiende eeuw is die der heksenvervolgingen bij uitstek geweest. In
den tijd, waarmee wij de Middeleeuwen plegen te sluiten en blijde opzien
naar het bloeiende Humanisme, wordt de stelselmatige uitwerking van den
heksenwaan, die vreeselijke uitgroei van de middeleeuwsche gedachte,
bezegeld door den Malleus maleficarum en de bul Summis desiderantes
(1487 en 1484). En geen Humanisme of Hervorming keeren dien waan:
geeft niet de humanist Jean Bodin nog na het midden der zestiende eeuw in
zijn Démonomanie het meeste en geleerdste voedsel aan de vervolgzucht?
De nieuwe tijd en het nieuwe weten hebben niet aanstonds den gruwel der
heksenvervolging van zich gewezen. Omgekeerd zijn de meedoogender
opvattingen omtrent hekserij, die in het laatst der zestiende eeuw door den
Gelderschen geneesheer Johannes Wier verkondigd werden, reeds in de
vijftiende eeuw ruimschoots vertegenwoordigd.
De houding toch van den laat-middeleeuwschen geest tegenover het
bijgeloof, met name tegenover heksen en tooverij, is zeer gevarieerd en
weinig vast. Zóó hulpeloos overgeleverd aan alle spooksel en waan, als men
uit de algemeene lichtgeloovigheid en het gemis aan kritiek verwachten
zou, is de tijd niet. Er zijn tal van uitingen van twijfel of van rationeele
opvatting. Telkens weer zijn het haarden van demonomanie, waar het
kwaad uitbreekt en zich soms langen tijd handhaaft. Daar waren toover- en
heksenlanden bij uitnemendheid, meest bergstreken: Savoye, Zwitserland,
Lotharingen, Schotland. Doch ook daarbuiten komen van die epidemieën
voor. Omstreeks 1400 was het Fransche hof zelf zulk een haard van
tooverij. Een prediker waarschuwde den hofadel, dat men oppassen moest,
of de spreekwijze zou in plaats van "vieilles sorcières" "nobles sorciers"
gaan luiden.[818] In het bijzonder rondom Lodewijk van Orleans zweefde de
atmosfeer van duivelskunsten; de beschuldigingen en verdachtmakingen
van Jean Petit misten in dit opzicht niet allen grond. Orleans' vriend en
raadsman, de oude Philippe de Mézières, die bij de Bourgondiërs gold als
de geheimzinnige inblazer van al diens misdaden, vertelt zelf, hoe hij
indertijd de tooverkunst geleerd had van een Spanjaard, en hoeveel moeite 't
hem had gekost, om die snoode kennis weer te vergeten. Nog tien of twaalf
jaar sedert hij uit Spanje weg was, "à sa volenté ne povoit pas bien extirper
de son cuer les dessusdits signes et l'effect d'iceulx contre Dieu", totdat hij

Page 276

eindelijk, biechtende en zich verzettende, door Gods goedheid verlost werd
"de ceste grant folie, qui est à l'âme crestienne anemie".[819] De meesters
der tooverkunst zocht men bij voorkeur in wilde streken: een persoon, die
gaarne den duivel zou spreken en niemand kan vinden, om hem die kunst te
leeren, wordt verwezen naar "Ecosse la sauvage".[820]
Orleans had zijn eigen heksenmeesters en nigromanciens. Een hunner,
wiens kunst hem niet voldeed, liet hij verbranden.[821] Aangemaand om
over het geoorloofde van zijn bijgeloovige praktijken het gevoelen van
godgeleerden te vragen, antwoordde hij: "Waarom zou ik denzulken
vragen? ik weet immers, dat zij het mij zouden ontraden, en toch ben ik
volkomen besloten, zoo te handelen en zoo te gelooven, en ik zal het niet
nalaten."[822]—Gerson brengt met dat hardnekkig zondigen Orleans'
plotselingen dood in verband; hij keurt ook de proeven af, om den
krankzinnigen koning door tooverij te genezen, die reeds door meer dan één
bij mislukking met den vuurdood geboet waren.[823]
Eén tooverpraktijk in het bijzonder werd aan de vorstenhoven herhaaldelijk
genoemd: die welke in het Latijn "invultare", in het Fransch "envoûtement"
heette, de toeleg, over de geheele wereld bekend, om een vijand te
verderven door een gedoopt wassen beeldje of andere figuur, in zijn naam
vervloekt, te doen smelten of te doorsteken. Philips VI van Frankrijk zou
zulk een beeldje, dat hem in handen kwam, zelf in het vuur hebben
geworpen met de woorden: "Wij zullen zien, of de duivel machtiger is om
mij te verderven, dan God om mij te redden." [824]—Ook de Bourgondische
hertogen worden ermee vervolgd. "N'ay-je devers moy—beklaagt Charolais
zich bitter—les bouts de cire baptisés dyaboliquement et pleins
d'abominables mystères contre moy et autres?" [825] —Philips de Goede, die
in zoo vele opzichten tegenover zijn koninklijke neven de meer
conservatieve levensopvatting vertegenwoordigt: in zijn zin voor
ridderschap en staatsie, in zijn kruistochtplan, in de meer ouderwetsche
litteraire vormen, die hij beschermde,—schijnt op het stuk van bijgeloof
verlichter meeningen toegedaan te zijn geweest dan het Fransche hof, met
name Lodewijk XI. Philips hecht niet aan den ongeluksdag van Onnoozele
kinderen, die zich ieder week herhaalde; hij vorscht niet naar de toekomst
bij astrologen en waarzeggers, "car en toutes choses se monstra homme de
léalle entière foy envers Dieu, sans enquérir riens de ses secrets", zegt

Page 277

Chastellain, die dat standpunt deelt.[826] Het is de hertog, wiens ingrijpen
een einde maakt aan de vreeselijke vervolgingen van heksen en toovenaars
te Atrecht in 1461, een der groote epidemieën van den heksenwaan.
De ongeloofelijke verblinding, waarmee de heksencampagnes geleid
werden, sproot tendeele voort uit het feit, dat zich de begrippen tooverij en
ketterij vermengd hadden. In het algemeen had zich alle afschuw, vrees en
haat over ongehoorde vergrijpen, ook die buiten het directe geloofsgebied
lagen, uitgedrukt in het begrip ketterij. Monstrelet noemt bij voorbeeld de
sadistische misdaden van Gilles de Rais eenvoudig "hérésie".[827] Het
gewone woord voor tooverij was in de vijftiende eeuw in Frankrijk
"vauderie", dat zijn verband met de Waldenzen verloren had. In de groote
"Vauderie d'Arras" nu ziet men zoowel den ontzettenden ziekelijken waan,
waaruit weldra de Malleus maleficarum zou worden uitgebroeid, als den
algemeenen twijfel, zoo bij het volk als bij de hooggeplaatsten, aan de
werkelijkheid van al de ontdekte misdrijven. Een der inquisiteurs beweert,
dat een derde gedeelte der christenheid met vauderie is besmet. Zijn
godsvertrouwen brengt hem tot de huiveringwekkende consequentie, dat
ieder van tooverij beschuldigde ook schuldig moet zijn. God toch laat niet
toe, dat iemand ervan wordt beschuldigd, die geen toovenaar is. "Et quand
on arguoit contre lui, fuissent clercqs ou aultres, disoit qu'on debvroit
prendre iceulx comme suspects d'estre vauldois." Houdt iemand vol, dat
sommige der verschijnselen op inbeelding berusten, dan noemt hij hem
verdacht. Ja, deze inquisiteur meende op het zien van iemand te kunnen
oordeelen, of hij bij de vauderie betrokken was of niet. Later werd de man
krankzinnig, maar de heksen en toovenaars waren verbrand.
De stad Atrecht geraakte door de vervolgingen zoo in opspraak, dat men
haar kooplui niet meer wilde herbergen of hun crediet verleenen, uit vrees,
dat zij wellicht morgen van tooverij aangeklaagd, hun goed door
verbeurdverklaring zouden verliezen. Niettemin, zegt Jacques du Clercq,
geloofde buiten Atrecht niet één op duizend aan de waarheid van dat alles:
"oncques on n'avoit veu es marches de par decha tels cas advenu." Als de
slachtoffers bij hun terechtstelling hun euvele daden herroepen moeten,
twijfelt het volk van Atrecht zelf. Een gedicht vol haat tegen de vervolgers
beschuldigt hen, alles uit hebzucht te hebben aangespannen; de bisschop
zelf noemt het een opgezette zaak, "une chose controuvée par aulcunes

Page 278

mauvaises personnes".[828] De hertog van Bourgondië roept het advies in
der faculteit van Leuven, van welke meerderen verklaren, dat de vauderie
niet reëel is, dat het enkel illusies zijn. Toen zendt Philips zijn wapenkoning
Toison d'or naar de stad, en sedert dien tijd werden geen nieuwe slachtoffers
meer gevat, en die nog in staat van beschuldiging waren, zachter behandeld.
Tenslotte zijn al de Atrechtsche heksenprocessen vernietigd. En de stad
vierde dat feit met een vroolijk feest en stichtelijke zinnespelen. [829]
De waan der heksen zelf van haar luchtritten en sabbathorgieën is niet dan
haar eigen inbeelding, dat was het standpunt, in de vijftiende eeuw reeds
door verscheidenen ingenomen. Daarmee was evenwel nog niet de rol van
den duivel geschrapt, want hij is het, die de noodlottige illusie
teweegbrengt; het is een dwaling, maar zij komt van den duivel. Dat is ook
nog het standpunt van Johannes Wier in de zestiende eeuw. Bij Martin
Lefranc, proost van de kerk van Lausanne, den dichter van het groote werk
Le Champion des Dames, dat hij in 1440 aan Philips den Goede opdroeg,
vindt men de volgende verlichte voorstelling van den heksenwaan.
"Il n'est vieille tant estou(r)dye,
Qui fist de ces choses la mendre (de geringste)
Mais pour la faire ou ardre ou pendre,
L'ennemy de nature humaine,
Qui trop de faulx engins scet tendre,
Les sens faussement lui demaine.
Il n'est ne baston ne bastonne
Sur quoy puist personne voler,
Mais quant le diable leur estonne
La teste, elles cuident aler
En quelque place pour galer
Et accomplir leur volonté.
De Romme on les orra parler,
Et sy n'y auront jà esté.
...................................................
Les dyables sont tous en abisme,
—Dist Franc-Vouloir—enchaienniez (geketend)
Et n'auront turquoise ni lime
Dont soient jà desprisonnez.

Page 279

Comment dont aux cristiennez
Viennent ilz faire tant de ruzes
Et tant de cas désordonnez?
Entendre ne sçay tes babuzes."
En elders in hetzelfde gedicht:
"Je ne croiray tant que je vive
Que femme corporellement
Voit par l'air comme merle ou grive,
—Dit le Champion prestement.—
Saint Augustin dit plainement
C'est illusion et fantosme;
Et ne le croient aultrement
Gregoire, Ambroise ne Jherosme.
Quant la pourelle est en sa couche,
Pour y dormir et reposer,
L'ennemi qui point ne se couche
Se vient encoste alle poser.
Lors illusions composer
Lui scet sy tres soubtillement,
Qu'elle croit faire ou proposer
Ce qu'elle songe seulement.
Force la vielle songera
Que sur un chat ou sur un chien
A l'assemblée s'en ira;
Mais certes il n'en sera rien:
Et sy n'est baston ne mesrien (balk)
Qui le peut ung pas enlever."[830]
.......................................................
Ook Froissart houdt het geval van den Gasconschen edelman met zijn
volggeest Horton, dat hij zoo meesterlijk beschrijft, voor een "erreur". [831]
Gerson heeft een neiging, om in de beoordeeling der duivelsche illusiën nog
een schrede verder te gaan, en een natuurlijke verklaring te zoeken voor
allerlei bijgeloovige verschijnselen. Veel daarvan, zegt hij, komt enkel voort
uit de menschelijke verbeelding en melancholische waanvoorstellingen, en
deze berusten in duizenden gevallen op eenig bederf van de

Page 280

verbeeldingskracht, bij voorbeeld door een inwendig letsel der hersenen.
Hierin schijnt hij zeer verlicht, evenals waar hij in het bijgeloof een
belangrijk aandeel toeschrijft aan heidensche overleefsels en dichterlijke
verzinselen. Maar hoewel Gerson toegeeft, dat veel gewaande duivelarij aan
natuurlijke oorzaken is toe te schrijven, laat ook hij tenslotte den duivel de
eer: dat inwendige hersenletsel komt weer voort uit duivelsche illusiën.[832]
Buiten de vreeselijke sfeer der heksenvervolging werkte de Kerk met
heilzame en gepaste middelen het bijgeloof tegen. De prediker broeder
Richard laat zich de "madagoires" (mandragora, alruin) brengen, om ze te
verbranden, "que maintes sotes gens gardoient en lieux repos, et avoient si
grant foy en celle ordure, que pour vray ilz creoient fermement, que tant
comme ilz l'avoient, mais qu'il fust bien nettement en beaux drapeaulx de
soie ou de lin enveloppé, que jamais jour de leur vie ne seroient pouvres."
[833]
—De burgers, die zich door een troep Zigeuners de hand hebben laten
lezen, worden geëxcommuniceerd, en er wordt een processie gehouden, om
het onheil af te weren, dat uit die goddeloosheid zou kunnen voortvloeien.
[834]

Een tractaat van Dionysius den Kartuizer toont helder aan, langs welke
lijnen de grenzen tusschen geloof en bijgeloof getrokken werden, op welken
grondslag de kerkleer ten deele verwierp, ten deele de voorstellingen door
waarlijk godsdienstigen inhoud trachtte te zuiveren. Amuletten,
besprekingen, zegenspreuken enz., zegt Dionysius, hebben in zich zelf niet
de kracht, om een uitwerking teweeg te brengen, gelijk die wel zich hecht
aan de sacramentswoorden, waaraan, indien zij met de juiste bedoeling
gesproken worden, ontwijfelbare uitwerking toekomt, daar God aan die
woorden als 't ware zijn macht verbonden heeft. De benedicties evenwel
zijn enkel te beschouwen als een nederige smeekbede, alleen te verrichten
met de gepaste vrome woorden en met de hoop alleen op God gevestigd.
Indien zij gemeenlijk effect hebben, dan is dit òf doordat, bij behoorlijke
verrichting, God die uitwerking verleent, òf, worden zij anders verricht, bij
voorbeeld het kruisteeken anders dan recht gemaakt, en hebben toch
niettemin uitwerking, dan is het effekt des duivels werk. 's Duivels werken
zijn geen wonderen, want de duivelen kennen de geheime krachten der
natuur; de werking is dus een natuurlijke, evenals de voorbeduidende
beteekenis van vogels enz. op natuurlijke oorzaken berust.—Dionysius

Page 281

erkent, dat de volkspraktijk aan al die zegenspreuken, amuletten enz. wel
degelijk de zelfstandige waarde toekent, die hij loochent, en meent, dat de
geestelijken dan ook liever maar al die gewoonten moesten verbieden.[835]
In het algemeen kan men de houding tegenover alles wat bovennatuurlijk
scheen, kenschetsen als een weifelen tusschen redelijke, natuurlijke
verklaring, spontane, vrome aanvaarding en argwaan in duivelsche list en
bedrog. Het woord, dat door het gezag van Augustinus en Thomas van
Aquino was gestaafd: "Omnia quae visibiliter fiunt in hoc mundo, possunt
fieri per daemones," liet den vrome van goeden wille in groote onzekerheid,
en de gevallen, dat een arme hysterica een gansche burgerij tijdelijk in
vrome opwinding bracht en ten slotte ontmaskerd werd, zijn niet zeldzaam.
[836]

Page 282

XII
DE KUNST IN HET LEVEN
[837]

De Fransch-Bourgondische cultuur der laatste Middeleeuwen is aan het nu
levende geslacht het best bekend uit haar beeldende kunst, en met name
haar schilderkunst. De gebroeders Van Eyck, Rogier van der Weyden en
Memlinc beheerschen voor ons het gezicht op dien tijd. Dat is niet altijd
zoo geweest. Een halve eeuw of iets meer geleden, toen men Memlinc nog
Hemlinc schreef, kende de ontwikkelde leek dien tijd in de eerste plaats uit
zijn geschiedenis, weliswaar in den regel niet uit Monstrelet en Chastellain
zelf, maar dan toch uit De Barante's Histoire des ducs de Bourgogne, dat
daaruit is afgeleid. En zou naast en boven De Barante niet vooral Victor
Hugo's Notre Dame de Paris voor de meesten het beeld van die tijden
vertegenwoordigd hebben?
Het beeld, dat daaruit oprees, was fel en duister. In de kroniekschrijvers zelf
en in de verwerking van hun stof door de negentiendeëeuwsche romantiek
komt bovenal het sombere en gruwelijke der late Middeleeuwen naar voren:
de bloedige wreedheid, de felle hartstocht en hebzucht, de krijschende
hoovaardij en wraakgierigheid en de jammerlijke ellende. De lichtere
kleuren werden bijgevoegd door de bonte, opgeblazen ijdelheid der
vermaarde hoffeesten met al hun geflonker van versleten allegorie en
ondragelijke weelde.
En nu? Nu straalt voor ons over dien tijd de hooge, waardige ernst en de
diepe vrede van Van Eyck en Memlinc; die wereld van vijf eeuwen her
schijnt ons vervuld met een helderen glans van eenvoudige blijheid, een
schat van innigheid. Ons beeld ervan is van woest en donker vredig en
sereen geworden. Want wat wij naast de beeldende kunst nog weten van
andere levensuitingen dier tijden, het is alles uitdrukking van schoonheid en
stille wijsheid: de muziek van Dufay en zijn gezellen, het woord van
Ruusbroec en Thomas a Kempis. Zelfs waar de wreedheid en ellende der

Page 283

tijden nog luide doorklinkt: in de geschiedenis van Jeanne d'Arc en de
poëzie van Villon, gaat er toch enkel verheffing en verteedering van die
figuren uit.
Waarop berust dat diepgaande verschil tusschen het tijdsbeeld uit de kunst
en het tijdsbeeld uit de geschiedenis en de litteratuur? Is aan dien tijd in het
bijzonder een groote onevenredigheid eigen tusschen de verschillende
gebieden en vormen van levensuiting? Was de levenssfeer, waaruit de
zuivere en innige kunst der schilders sproot, een andere en betere dan die
der vorsten, edelen en litteraten? Hooren zij bij geval met Ruusbroec, de
Windesheimers en het volkslied in een vredigen limbus aan den rand van
die bonte hel?—Of is het een algemeen verschijnsel, dat de beeldende kunst
een helderder beeld van een tijd nalaat dan het woord der dichters en
geschiedschrijvers?
Op de laatste vraag kan het antwoord onmiddellijk bevestigend luiden.
Inderdaad, van alle vroegere beschavingen is ons beeld serener geworden
dan voorheen, sedert wij ons meer en meer van het lezen naar het kijken
gewend hebben, en het historische zintuig steeds meer visueel is geworden.
Want de beeldende kunst, waaruit wij bovenal de aanschouwing van het
verleden putten, weeklaagt niet. Uit haar vervluchtigt zich terstond de
bittere smaak van de smart der tijden, die haar hebben voortgebracht. Maar
de klacht over al het leed der wereld, in het woord geuit, behoudt altijd haar
toon van onmiddellijke smartelijkheid en onbevredigdheid, doordringt ons
altijd weer van droefheid en medelijden, terwijl het leed, zooals de
beeldende kunst het uitdrukt, terstond overgaat in de sfeer van het elegische
en den stillen vrede.
Meent men derhalve uit de aanschouwing der kunst het volledige beeld van
een tijd in zijn werkelijkheid te putten, dan blijft een algemeene fout in het
historisch gezicht ongecorrigeerd. Ten opzichte van den Bourgondischen
tijd in het bijzonder bestaat bovendien het gevaar van een speciale
gezichtsfout: dat men namelijk de verhouding tusschen beeldende kunst en
cultuuruitdrukking in het woord niet juist ziet.
In deze fout vervalt de beschouwer, wanneer hij er zich geen rekenschap
van geeft, dat reeds de stand der overlevering hem tegenover kunst en
litteratuur in zeer verschillende positie plaatst. De litteratuur der late

Page 284

Middeleeuwen is ons, behoudens bijzondere uitzonderingen, vrijwel
volledig bekend. Wij kennen haar in haar hoogste uitingen en haar laagste,
in al haar genres en vormen, van het meest verhevene tot het meest
alledaagsche, van het vroomste tot het uitgelatenste, van het meest
theoretische tot het meest actueele. Het gansche leven van den tijd wordt
door de litteratuur weerspiegeld en uitgedrukt. En de schriftelijke
overlevering is nog niet uitgeput met de litteratuur; er is bovendien nog
alles wat de acten en bescheiden zeggen, om onze kennis aan te vullen. Van
de beeldende kunst daarentegen, die reeds door haar aard het leven van den
tijd minder direct en volledig uitdrukt, bezitten wij niet dan een speciaal
fragment. Buiten de kerkelijke kunst immers zijn het slechts minieme
resten. Alle wereldlijke beeldende kunst, alle toegepaste kunst ontbreken
bijna geheel: juist de vormen, waarin zich de samenhang van
kunstvoortbrenging en gemeenschapsleven voortdurend openbaarde, zijn
ons gebrekkig bekend. Onze kleine schat van altaarstukken en
grafmonumenten leert ons van dien samenhang lang niet genoeg: het beeld
van de kunst blijft geïsoleerd staan buiten onze kennis van het bonte leven
van den tijd. Om de functie van de beeldende kunst in de Fransch-
Bourgondische samenleving, de verhouding van kunst en leven te
begrijpen, is de bewonderende aanschouwing van de bewaarde
meesterwerken niet genoeg; ook het verlorene vraagt onze aandacht.
De kunst gaat in dien tijd nog op in het leven. Het leven staat in sterke
vormen bepaald. Het wordt bijeengehouden en gemeten door de
sacramenten der Kerk, de feesten van het jaar en de getijden des daags. 's
Levens werken en vreugden hebben alle hun vasten vorm: godsdienst,
ridderschap en hoofsche min leveren de gewichtigste vormen des levens.
De taak der kunst is, om die vormen zelf, waarin het leven verliep, met
schoonheid te versieren. Wat men zoekt, is niet de kunst zelf, maar het
schoone leven. Men treedt niet, zooals latere tijden, uit een min of meer
onverschillige levenssleur naar buiten, om tot troost en verheffing kunst te
genieten in eenzelvige contemplatie; men vindt de kunst aangewend tot
verhooging van den luister des levens zelf. Zij is bestemd om mee te
klinken in de vervoeringen van het leven, hetzij in de hoogste vlucht van
vroomheid of in het hoovaardigste genieten van het wereldsche. Als een
eigen ding van schoonheid wordt de kunst in de Middeleeuwen nog niet
begrepen. Zij is voor het overgroote deel toegepaste kunst, ook in de

Page 285

voortbrengselen, die wij als zelfstandige kunstwerken zouden aanmerken;
dat wil zeggen: haar bestemming, haar dienstbaarheid aan eenigen
levensvorm is het motief, om haar te begeeren; de zuivere
schoonheidsbedoeling moge des ondanks den scheppenden kunstenaar zelf
besturen, het geschiedt half onbewust. De eerste kiemen van een kunstliefde
om haars zelfs wil doen zich voor als woekeringen der kunstproductie: bij
vorsten en edelen hoopen zich de kunstvoorwerpen op tot verzamelingen;
nu worden zij nutteloos en geniet men ze als weelderige curiositeit, als
kostbare deelen van den vorstelijken schat, en daaraan eerst kweekt men
den eigenlijken kunstzin, die in de Renaissance is volgroeid.
In de groote kunstwerken der vijftiende eeuw, met name in de altaarstukken
en de grafkunst, ging voor den tijdgenoot de gewichtigheid van het
onderwerp en de bestemming ver vóór de waardeering van de schoonheid.
De werken moesten schoon zijn, omdat het onderwerp zoo heilig of de
bestemming zoo verheven was. Die bestemming is altijd min of meer een
praktische. Het altaarstuk heeft een tweeledige bestemming: het dient tot
plechtig vertoon bij hooge feesten, om de vrome aanschouwing der schare
te verlevendigen, en het bewaart de herinnering aan de vrome stichters, wier
gebed blijft opgaan uit hun geknielde beeltenis. Het is bekend, dat de
Aanbidding van het Lam van Hubert en Jan van Eyck maar heel zelden
geopend werd. Wanneer de Nederlandsche stadsmagistraten ter versiering
van de vierschaar in het raadhuis tafereelen van vermaarde vonnissen of
rechtsplegingen bestelden, zooals het oordeel van Cambyses door Gerard
David te Brugge, of dat van keizer Otto door Dirk Bouts te Leuven, of de
verloren Brusselsche schilderijen van Rogier van der Weyden, dan was het,
om den rechters een plechtig en bloedig vermaan tot hun plicht voor oogen
te houden.—Hoe gevoelig men was voor het onderwerp van wat men aan
de wanden prijken zag, moge blijken uit het volgende geval. Te Lelinghem
wordt in 1384 een samenkomst gehouden, om tot een wapenstilstand
tusschen Frankrijk en Engeland te geraken. Berry, de prachtlievende, wien
dit wel was toevertrouwd, heeft de kale muren van de oude kapel, waar de
vorstelijke onderhandelaars elkaar zullen ontmoeten, laten behangen met
tapijten, waarop veldslagen der Oudheid zijn voorgesteld. Maar toen bij het
eerste binnenkomen de hertog van Lancaster, John of Gaunt, ze
aanschouwt, wil hij, dat die tafereelen van strijd weggenomen worden: zij
die naar den vrede streven, moeten geen oorlog en vernieling voor hun

Page 286

oogen hebben. En er worden andere tapijten gehangen, waarop de
instrumenten van het lijden des Heeren staan afgebeeld.[838]
De praktische beteekenis van het onderwerp is onverbrekelijk verbonden
aan het portret, dat immers tot den huidigen dag zijn moreele waarde als
familiestuk behoudt, omdat de levensgevoelens, waaraan het dienstbaar is,
die van de ouderliefde en den familietrots, veel minder zijn afgesleten dan
de vormen van het sociale leven, waarin het justitietafereel paste. Het
portret had bovendien nog dikwijls de bestemming tot kennismaking bij
verlovingen. Met het gezantschap, dat Philips de Goede in 1428 naar
Portugal zendt, om hem een bruid te werven, gaat ook Jan van Eyck, om de
beeltenis der koningsdochter te schilderen. Er wordt soms een fictie
volgehouden, alsof de vorstelijke bruidegom door het zien van het portret
de onbekende prinses heeft liefgekregen, zoo bij het werven van Richard II
van Engeland om de zesjarige Isabella van Frankrijk.[839] Er is zelfs wel
eens sprake van een keuze bij vergelijking naar portret. Als de jonge Karel
VI van Frankrijk een vrouw moet hebben, en men weifelt tusschen een
hertogsdochter van Beieren, Oostenrijk of Lotharingen, wordt een
uitnemend schilder gezonden, om van alle drie het portret te maken. Men
legt ze den koning voor, en hij kiest de veertienjarige Isabella van Beieren,
die hij verreweg de schoonste acht.[840]
Nergens is de praktische bestemming van het kunstwerk zoo overwegend
als bij het grafteeken, waaraan de beeldhouwkunst van dien tijd haar
werkzaamheid bij uitstek vond. En niet alleen de beeldhouwkunst: de
hevige behoefte aan een zichtbaar beeld van den gestorvene moest ook
reeds bij de begrafenis bevredigd worden. Soms werd de doode voorgesteld
door een levend mensch: bij den lijkdienst voor Bertrand du Guesclin te
Saint Denis verschenen vier geharnaste ridders te paard in de kerk,
"representans la personne du mort quand il vivoit".[841] Een rekening uit
1375 vermeldt van een lijkplechtigheid in het huis van Polignac: "cinq sols
à Blaise pour avoir fait le chevalier mort à la sepulture." [842] Bij de
koninklijke begrafenissen is het meestal een leeren pop, geheel gekleed in
vorstelijken staat, en waarbij naar groote gelijkenis wordt gestreefd.[843]
Soms zijn er zelfs, naar 't schijnt, meer dan een van die beeltenissen in den
stoet. De aandoening van het volk concentreert zich op het zien van die
beelden.[844] Het doodenmasker, dat in de vijftiende eeuw in Frankrijk

Page 287

opkomt, heeft wellicht uit de vervaardiging van deze lijk-staatsiepoppen
zijn uitgangspunt genomen.
De opdracht van een kunstwerk geschiedt bijna altijd met een bedoeling
voor het leven, met een praktische bestemming. Hierdoor wordt de grens
tusschen de vrij beeldende kunst en het kunsthandwerk feitelijk uitgewischt,
of liever zij is nog niet getrokken. Ook wat de personen der kunstenaars
betreft, bestaat die grens nog niet. De schaar van zeer persoonlijke meesters
in den hofdienst van Vlaanderen, Berry en Bourgondië wisselt het
schilderen van zelfstandige tafereelen niet enkel af met het verluchten van
handschriften en het polychromeeren van beeldhouwwerk; zij moeten ook
hun krachten wijden aan het beschilderen van wapenschilden en banieren,
het ontwerpen van tournooicostuums en plechtgewaden. Melchior
Broederlam, eerst schilder van den Vlaamschen graaf Lodewijk van Male,
daarna van diens schoonzoon, den eersten hertog van Bourgondië, decoreert
vijf gebeeldhouwde zetels voor 's graven huis. Hij herstelt en beschildert de
mechanieke rariteiten in het kasteel van Hesdin, waarmee de gasten
besproeid of bestoven werden. Hij werkt aan een reiswagen der hertogin.
Hij leidt de buitensporige versiering van de vloot, die de Bourgondische
hertog in 1387 verzameld had in de haven van Sluis, voor een tocht tegen
Engeland, die nimmer plaats had. Bij de vorstelijke bruiloften en
begrafenissen worden steeds de hofschilders in het werk gesteld. In de
werkplaats van Jan van Eyck werden standbeelden beschilderd, en hij zelf
vervaardigde voor hertog Philips een soort van wereldkaart, waarop steden
en landen wonderbaarlijk fijn en duidelijk geschilderd te zien waren. Van
Gerard David vindt men vermeld, dat hij de tralies of luiken van het vertrek
in het broodhuis te Brugge, waar Maximiliaan in 1488 opgesloten zat, met
schilderwerk versieren moest, om den koninklijken gevangene het verblijf
wat te veraangenamen.
Van al het werk, dat uit de handen der groote en geringere kunstenaars
gekomen is, heeft men slechts een fragment van tamelijk specialen aard
over. Het zijn in hoofdzaak grafmonumenten, altaarstukken, portretten en
miniaturen. Van de wereldlijke schilderkunst is, buiten de portretten, slechts
zeer weinig bewaard. Van de sierkunst en het kunsthandwerk hebben wij
sommige bepaalde genres: kerkgerei, kerkgewaden, eenige meubelkunst.
Hoe zou ons inzicht in het karakter der vijftiendeëeuwsche kunst verlengd
worden, indien wij de badstoof van Jan van Eyck en zijn jachttafereelen

Page 288

konden plaatsen naast de vele pieta's en madonna's. Van geheele gebieden
der toegepaste kunst hebben wij nauwelijks een voorstelling. Naast de
kerkelijke paramenten moesten wij de met juweelen en schelletjes bezette
prachtgewaden van het hof kunnen leggen. Wij moesten de pralend
getooide schepen kunnen zien, waarvan ons de miniaturen slechts een
hoogst gebrekkige, schematische voorstelling geven. Er zijn weinig dingen,
wier schoonheid Froissart zoo heeft getroffen als van de schepen.[845] De
wimpels, rijk met wapens versierd, die van den top van den mast
wapperden, waren bij wijlen zoo lang, dat zij het water raakten. Nog op de
scheepsafbeeldingen van Pieter Breughel ziet men die buitensporig lange en
breede wimpels. Het schip van Philips den Stoute, waaraan Melchior
Broederlam in 1387 te Sluis werkte, was bedekt met blauw en goud; groote
wapenschilden versierden het paviljoen op het achterkasteel; de zeilen
waren bestrooid met margrieten en de voorletters van het hertogelijk paar,
met hun devies Il me tarde. Het was een wedijver onder de edelen, wie zijn
schip voor die gefaalde expeditie tegen Engeland het kostbaarst zou
versieren. De schilders hadden een goeden tijd, zegt Froissart;[846] zij
verdienden wat zij maar vragen wilden, en men kon er niet genoeg vinden.
Hij beweert, dat velen de masten geheel met bladgoud lieten vergulden.
Vooral Guy de la Trémoïlle spaarde geen kosten; hij besteedde er meer dan
2000 ponden aan. "L'on ne se povoit de chose adviser pour luy jolyer, ne
deviser, que le seigneur de la Trimouille ne le feist faire en ses nefs. Et tout
ce paioient les povres gens parmy France...."
De trek, die ons in al de verloren wereldsche sierkunst het meest zou
hebben getroffen, zou ongetwijfeld het overdadige, schitterend extravagante
zijn geweest. Ook aan de bewaarde kunstwerken is die trek van het
extravagante wel degelijk eigen, maar daar wij die eigenschap in deze kunst
het minst waardeeren, letten wij er het minst op. Wij zoeken er enkel de
diepste schoonheid in te genieten. Alles wat louter praal en luister is, heeft
voor ons zijn prikkeling verloren. Maar voor den tijdgenoot was juist die
praal en luister van ontzaglijk gewicht.
De Fransch-Bourgondische cultuur der laatste Middeleeuwen is er een,
waarin pracht schoonheid wil verdrijven. De eind-middeleeuwsche kunst
weerspiegelt getrouw den eind-middeleeuwschen geest, een geest, die zijn
pad ten einde was geloopen. Wat wij hierboven beschouwden als een der
voornaamste kenmerken van het laat-middeleeuwsche denken: de

Page 289

uitbeelding van al het denkbare tot in al zijn consequentie, de overvulling
van den geest met een oneindig systeem van formeele verbeeldingen, dat is
ook het wezen der kunst van dien tijd. Ook zij streeft ernaar, niets
ongevormd, niets onverbeeld of onversierd te laten. De flamboyante gothiek
is als een eindeloos orgelnaspel: zij lost alle vormen op in zelfontbinding,
geeft aan elk détail zijn voortgezette doorwerking, aan elke lijn haar
tegenlijn. Het is een ongebonden woekeren van den vorm over de idee; het
versierende détail tast alle vlakken en lijnen aan. Er heerscht in deze kunst
die horror vacui, die misschien een kenmerk van eindigende
geestesperioden mag heeten.
Dat alles wil zeggen, dat de grenzen tusschen praal en schoonheid
verflauwen. Tooi en versiering dienen niet meer, om het natuurlijk schoone
te verheerlijken, maar overwoekeren het en dreigen het te verstikken. Die
woekering van de formeele versieringselementen over den inhoud is des te
toomeloozer, naarmate men zich verder van de zuiver beeldende kunst
verwijdert. In de beeldhouwkunst is, zoolang zij losstaande figuren schept,
voor de vormenwoekering weinig plaats: de beelden van den Mozesput en
de "plourants" van de graftomben wedijveren in strenge, sobere
natuurlijkheid met Donatello. Maar zoodra de beeldhouwkunst een
versierende taak krijgt, of in het domein van de schilderkunst treedt, en,
zich bindend aan de verminderde dimensies van het relief, geheele
tafereelen weergeeft, gaat ook zij zich te buiten aan woelige overlading. In
den tabernakel te Dijon ziet men het naast elkaar in het snijwerk van
Jacques de Baerze en het schilderwerk van Broederlam: in het laatste, het
zuiver verbeeldende, heerscht eenvoud en rust; in het eerste, het
versierende, verdringen de vormen elkaar. Van denzelfden aard is het
verschil tusschen het schilderij en het tapijt. De weefkunst blijft door haar
onvrijer techniek, ook waar zij de taak op zich neemt van zuiver af te
beelden, nader staan bij de versieringskunst, en kan zich niet onttrekken aan
de overdreven versieringsbehoefte: de tapijten zijn overvuld met figuren en
kleur. Verwijdert men zich nog verder van de zuiver beeldende kunst, dan
komt de kleeding aan de beurt. Ook deze is ontegenzeggelijk kunst. Maar
hier is ten eerste de bedoeling van praal en tooi reeds overwegend boven die
van zuivere schoonheid, en bovendien trekt de persoonlijke hoovaardij de
kleedingkunst in de sfeer van het hartstochtelijke en zinnelijke, waar de

Page 290

eigenschappen, die het wezen der hooge kunst uitmaken: de evenmaat en
harmonie, bezwijken.
De buitensporigheid der kleederdracht van 1350 tot 1480 is in zoo
algemeenen en zoo langdurigen vorm niet weer geëvenaard. Er zijn ook
later extravagante modes geweest, zooals de landsknechtendracht omstreeks
1520 en het Fransche adellijke costuum van omstreeks 1660, maar die
teugellooze overdrijving en overlading, die de Fransch- bourgondische
dracht een eeuw lang gekenmerkt heeft, blijft zonder voorbeeld. Hier ziet
men, wat de schoonheidszin dier tijden, aan zijn ongestoorde drift
overgelaten, wrocht. Een enkel hofcostuum wordt overladen met honderden
edele steenen. Alle afmetingen worden tot in het zotte geoutreerd. Het
vrouwenkapsel neemt den suikerbroodvorm van den "hennin" aan: het haar
wordt aan de slapen en bij de inplanting op het voorhoofd verwijderd of
verborgen, om de zonderling gebombeerde voorhoofden te vertoonen, die
als schoon golden; het décolleté is plotseling begonnen. Doch in de
mannenkleeding zijn de buitensporigheden nog talrijker. Hier heeft men
bovenal de lange schoenpunten of "poulaines", die de ridders bij Nicopolis
zich moesten afsnijden, om te kunnen vluchten; dan de ingesnoerde
middels, de ballonachtig opgepofte mouwen, die bij de schouders omhoog
staan, de houppelandes, die tot op de voeten hangen, en de buizen zoo kort,
dat zij de billen zichtbaar laten; de hooge, puntige of cilindervormige
mutsen en hoeden, de kaproenen wonderlijk om het hoofd gedrapeerd als
een hanekam of een vlammend vuur. Hoe plechtiger, hoe buitensporiger;
want al dit fraais beduidt staatsie, "estat".[847] Het rouwkleed, waarin
Philips de Goede na den moord van zijn vader te Troyes den koning van
Engeland ontvangt, is zoo lang, dat het van het hooge ros af, dat hij berijdt,
de aarde raakt.[848]
De overdadige pronk heeft haar toppunt in het hoffeest. Iedereen herinnert
zich de beschrijvingen van die Bourgondische hoffeesten, zooals het banket
te Rijssel in 1454, waar de gasten bij den opgedragen fazant hun geloften
aflegden, om tegen den Turk ter kruisvaart te trekken, of het bruiloftsfeest
van Karel den Stoute en Margareta van York te Brugge in 1468.[849] Niets
kan in onze voorstelling verder af staan van de stille wijding van het
Gentsche of Leuvensche altaarstuk dan deze uitingen van barbaarsche
vorstenweelde. Uit de beschrijving van al die "entremets" met hun pasteien,

Page 291

waarin muzikanten spelen, hun opgetuigde schepen en kasteelen, de apen,
walvisschen, reuzen en dwergen, met al de afgezaagde allegorie, die daarbij
hoort, kunnen wij ze ons niet anders voorstellen dan als buitengewoon
wansmakelijke vertooningen.
Toch zien wij hier licht de kloof tusschen de beide uitersten der kunst: de
kerkelijke en die van het hoffeest, in meer dan één opzicht te groot.
Allereerst moet men zich rekenschap geven van de functie, welke het feest
in die samenleving vervulde. Het feest had nog vrij wat behouden van de
functie, die het bij primitieve volken vervult, van te zijn de souvereine
uiting der cultuur, de vorm, waarin men gezamenlijk zijn hoogste
levensvreugde uit en zijn gemeenschapsgevoel verbeeldt. In tijden van
groote vernieuwing der gemeenschap, zooals in de Fransche revolutie,
verwerft het feest soms die belangrijke sociale en aesthetische functie
opnieuw.
De moderne mensch kan op ieder oogenblik van rust in zelfgekozen
ontspanning individueel de bevestiging van zijn levensinzicht en de
zuiverste genieting van zijn levensvreugde zoeken. Een tijd, waarin de
geestelijke genotmiddelen nog weinig verspreid en toegankelijk zijn,
behoeft daartoe een gezamenlijke daad, het feest. En hoe grooter het
contrast is van de ellendigheid des dagelijkschen levens, des te
onmisbaarder is het feest, en des te sterker middelen zijn van noode, om die
bedwelming in schoonheid en genot, die tempering der realiteit te
ondergaan, zonder welke het leven dof is. De vijftiende eeuw nu is een tijd
van ontzettende depressie en grondig pessimisme. Hierboven is gesproken
van die eeuwige beklemming van onrecht en geweld, hel en oordeel, pest,
brand en honger, duivel en heksen, waaronder die eeuw leeft. De arme
menschheid behoeft daartegen niet alleen de dagelijks herhaalde belofte van
het hemelsch heil en van Gods wakende zorg en goedheid; van tijd tot tijd is
ook nog een plechtige en gezamenlijke, glorieuze verzekering van de
schoonheid des levens zelf noodig. Het levensgenot in zijn primaire
vormen: spel, min, drank, dans en zang, is niet genoeg; het moet veredeld
worden met schoonheid, gestyleerd in een gemeenschappelijk
vreugdebedrijf. Want voor elk voor zich: in de boeken, of in het aanhooren
van muziek, in het aanschouwen van kunst, in het genieten der natuur, was
die bevrediging nog niet bereikbaar; de boeken waren te kostbaar, de natuur
te onveilig, de kunst maakte juist deel uit van het feest.

Page 292

Het volksfeest had zijn eigen, oorspronkelijke bronnen van schoonheid
enkel in het lied en in den dans. Voor het schoon van kleur en vorm leunde
het op het kerkfeest, waarbij het zich gewoonlijk aansloot, en dat daarvan
overvloed bood. De losmaking van het burgerlijke feest uit den kerkelijken
vorm, en de opluistering ervan met eigen sier, wordt juist in de vijftiende
eeuw door de rederijkers volbracht. Tot dusver was alleen het vorstenhof in
staat geweest, een zuiver wereldlijk feest te tooien met weelde van kunst, er
een eigen pracht aan te geven. Maar weelde en pracht zijn voor het feest
niet genoeg; niets is ervoor zoo onmisbaar als stijl.
Het kerkfeest had dien stijl krachtens de liturgie zelf. Daar was altijd
aanwezig de indrukwekkende verbeelding van één verheven idee in een
schoon gebaar van velen samen. De heilige waardigheid en de hooge vaste
gang werden er zelfs door de uiterste woekeringen van het feestelijk détail,
tot in het burleske toe, niet verbroken. Doch waaraan ontleende het hoffeest
zijn stijl? wat was hier de idee, die het uitdrukte?—Het kon geen andere
zijn dan het ridderideaal, want daarop berustte de geheele levensvorm van
het hof. Was aan het ridderideaal een eigen stijl, een liturgie om zoo te
zeggen, verbonden?—Ja, alles wat ridderslag, orderegels, tournooi,
préséance, hulde en dienst betrof: het gansche spel van wapenkoningen,
herauten, blazoenen, maakte dien stijl uit. Voorzoover het hoffeest uit die
elementen was opgebouwd, had het voor de tijdgenooten wel degelijk een
grooten, eerbiedwaardigen stijl. Nu nog kan zelfs iemand zonder
monarchale of adellijke geestdrift bij het aanschouwen van elke
willekeurige staatsie de huivering van zulk een zuiver wereldsche liturgie
ondergaan. Hoe moet het dan geweest zijn voor de bevangenen in den waan
van dat ridderideaal, bij de pompeuze aankleeding met lange gewaden en
schitterende kleuren!
Maar het hoffeest wilde nog meer. Het wilde den droom van het heroïsche
leven tot het uiterste verbeelden. Hier nu brak de stijl. Die gansche toestel
van ridderlijke fantazie en staatsie was niet meer van echt leven vervuld.
Het was alles teveel litteratuur geworden, een vooze renaissance en een
ijdele conventie. De overlading met staatsie en etikette moest het innerlijk
verval van den levensvorm bedekken. De ridderlijke gedachte der vijftiende
eeuw zwelgt in een romantiek, die door en door hol en versleten is. Dat was
de bron, waaruit het hoffeest de fantazie voor zijn vertooningen en
verbeeldingen putten moest. Hoe zou het stijl scheppen uit een litteratuur,

Page 293

zoo stijlloos, ongebonden en verschaald als de ridderlijke romantiek in haar
ontaarding?
In dit licht moet men de schoonheidswaarde van de "entremets" bezien: het
is toegepaste litteratuur, waarbij het eenige, wat die litteratuur nog dragelijk
kon maken: haar vluchtig, oppervlakkig voortdroomen over al haar bonte
gedaanten, plaats maakt voor de opdringendheid van het stoffelijk
voorgestelde.
De zware, barbaarsche ernst, die uit dat alles spreekt, past juist bij het
Bourgondische hof, dat door zijn aanraking met het Noorden den luchtiger
en harmonischer Franschen geest scheen te hebben verloren. Plechtig en
gewichtig wordt al die geweldige pronk opgevat. Het groote feest van den
hertog te Rijssel vormde het besluit en de bekroning van een reeks van
banketten, die de hofadel elkander in wedijver aanbood. Het was eenvoudig
begonnen, en met geringe kosten, en dan gestegen in aantal van gasten,
weelderigheid van menu en entremets; door het aanbieden van een krans
gaf de gastheer een ander de beurt; zoo ging het over van ridders op groote
heeren en van heeren op prinsen, in steeds stijgende mate van uithaal en
vertoon, totdat het eindelijk aan den hertog zelf kwam. Voor Philips moest
het meer zijn dan een schitterend feest; daar zouden de geloften plaats
hebben voor den kruistocht tegen de Turken ter herovering van
Constantinopel, een jaar tevoren gevallen: 's hertogen luid beleden
levensideaal. Ter voorbereiding wees hij een commissie aan onder leiding
van den vliesridder Jean de Lannoy. Ook Olivier de la Marche had er zitting
in. Wanneer deze in zijn gedenkschriften tot die zaken genaderd is, wordt
het hem nog plechtig te moede. "Pour ce que grandes et honnorables
oeuvres desirent loingtaine renommée et perpétuelle mémoire," aldus begint
hij die groote dingen te gedenken.[850] De eerste en nauwste raden van den
hertog waren herhaaldelijk tegenwoordig bij de beraadslagingen: de
kanselier Nicolaas Rolin zelf en Antoine de Croy, de eerste kamerheer
werden ertoe geroepen, eer men het eens was, hoe "les cérimonies et les
mistères" moesten worden opgezet.
Het relaas van al dat fraais is zoo dikwijls gedaan, dat het hier niet behoeft
te worden herhaald. Men was zelfs van over zee gekomen, om het
schouwspel te zien. Er waren buiten de gasten tal van adellijke
toeschouwers, de meesten in vermomming. Men ging eerst rond, om de in

Page 294

beeldwerk uitgevoerde, vaste pronkstukken te bewonderen; eerst later
volgden de vertooningen en tableaux-vivants van levende personen. Olivier
zelf speelde de hoofdrol, die van Sainte Eglise in het voornaamste stuk, als
deze binnenkomt in een toren op den rug van een olifant, door een
Turkschen reus geleid. Op de tafels prijkten de geweldigste decoraties: een
bemande en opgetuigde kraak, een weide uitgemonsterd met boomen, een
bron, rotsen en een beeld van Sint Andries, het kasteel Lusignan met de fee
Mélusine, een windmolen, waarbij naar den vogel geschoten werd, een
bosch met bewegelijke wilde dieren en tenslotte de kerk met een orgel en
zangers, die muziek ten beste gaven, afgewisseld door het orkest van 28
personen, dat in de pastei zat.
Waar het hier op aan komt, is de mate van smaak of wansmaak, die in dat
alles tot uiting kwam. In de stof zelve kunnen wij niet veel anders zien dan
een poespas van mythologische, allegorische en moraliseerende figuren.
Doch hoe was de uitvoering? Zonder twijfel werd de voornaamste werking
gezocht in het extravagante. De toren van Gorkum, die bij het bruiloftsfeest
van 1468 als tafelopzet prijkte, was 46 voet hoog.[851] Van een walvisch, die
bij diezelfde gelegenheid dienst deed, zegt La Marche: "et certes ce fut un
moult bel entremectz, car il y avoit dedans plus de quarante personnes."[852]
Voorzoover het kwistig gebruik van de wonderen der mechaniek strekt,
kunnen wij er geen denkbeeld van kunst aan verbinden: levende vogels, die
uit den muil van een draak vliegen, dien Hercules bevecht en dergelijke
verbazingwekkendheden. Het komische element erin is van zeer laag allooi:
uit den Gorkumschen toren blazen wilde zwijnen de trompet; geiten voeren
een motet uit, wolven spelen fluit, vier groote ezels treden als zangers op,
dit alles voor Karel den Stoute, die zelf een fijn muziekkenner was.
Toch zou ik er niet aan willen twijfelen, dat bij al die feestartikelen, bij de
vaste stukken met name, naast veel matelooze, verdwaasde pronk, menig
echt kunstwerk, is geweest. Laat ons toch niet vergeten, dat de menschen,
die aan al deze gargantueske pracht hun hart ophaalden en hun ernstigste
gedachten wijdden, de opdrachtgevers van Jan van Eyck en Rogier van der
Weyden zijn geweest. Het was de hertog zelf, het was Rolin, de stichter van
het altaar van Beaune en van Autun, Jean Chevrot, die van de Zeven
sacramenten van Rogier, de Lanoy's. En wat meer zegt: de vervaardigers
van deze of soortgelijke pronkstukken waren de schilders zelf. Al weet men
het toevallig niet van Jan of Rogier, men weet het van anderen, hoe zij bij

Page 295

zulke feesten meewerkten: Colard Marmion, Simon Marmion, Jacques
Daret. Voor het feest van 1468, dat plotseling vervroegd heette, werd, om
tijdig klaar te zijn, het gansche schildersvak gemobiliseerd: haastig werden
er gezellen naar Brugge ontboden uit Gent, Brussel, Leuven, Thienen,
Bergen, Quesnoy, Valenciennes, Douai, Kamerijk, Atrecht, Rijsel, Yperen,
Kortrijk en Oudenaarde.[853] Het kan niet ten eenenmale leelijk zijn
geweest, wat uit die handen kwam. De dertig opgetuigde schepen van het
banket van 1468, met de wapens van 's hertogen heerschappijen, de zestig
vrouwtjes in verschillende landsdracht,[854] met vruchtenmandjes en
vogelkooien, die windmolen met vogelschieters,—men zou er menig
middelmatig kerkelijk stuk voor willen geven.
Er is in die dagen nog een zekere ongescheidenheid van smaak en
wansmaak in de geesten: kunstzin en lust aan pronk en rariteiten hebben
zich nog niet van elkaar afgezonderd. De naïeve fantazie kan nog
ongestoord het bizarre genieten, alsof het schoonheid was. Hooge kunst en
kostbare prullenkraam worden nog gemoedelijk dooreengemengd en
gelijkelijk bewonderd. Een verzameling als die van het Grüne Gewölbe te
Dresden vertoont het uitgescheiden caput mortuum van de vorstelijke
kunstcollectie, waarmee zij eenmaal één geheel uitmaakte. In het kasteel
van Hesdin, schatkamer van kunstwerken en lustoord tevens, vol van die
mechanieke vermakelijkheden, "engins d'esbatement", die zoo lang bij het
vorstelijke lustverblijf zijn blijven behooren, zag Caxton een kamer,
versierd met schilderijen, die de geschiedenis voorstelden van Jason, den
held van het Gulden vlies. Ter opluistering waren er bliksem-, donder-,
sneeuw- en regeninstrumenten aangebracht, om daarmee Medea's
tooverijen na te bootsen.[855]
Ook bij de vertooningen, "personnages", die bij vorstelijke intochten op de
hoeken der straten stonden opgesteld, kon de fantazie veel verdragen. Naast
heilige tafereelen zag men te Parijs in 1389, bij den intocht van Isabella van
Beieren als gemalin van Karel VI, een wit hert met vergulde horens en een
kroon om den hals; het ligt op een "lit de justice", en beweegt oogen,
horens, pooten, om tenslotte een zwaard omhoog te houden. Bij denzelfden
intocht daalt een engel "par engins bien faits" van de torens der Notre
Dame, dringt juist als de koningin passeert, door een spleet in de
bespanning van blauw taffetas met gouden leliën, waarmee de geheele brug

Page 296

is overdekt, zet haar een kroon op het hoofd, en verdwijnt weer, zooals hij
gekomen is, "comme s'il s'en fust retourné de soy-mesmes au ciel".[856]
Philips de Goede wordt bij een intocht te Gent op een soortgelijke
nederdaling van een meisje onthaald,[857] evenzoo Karel VIII te Reims in
1484.[858] Wij kunnen ons moeilijk iets zotters voorstellen dan een
zoogenaamd tooneelpaard, waar een man in loopt. In de vijftiende eeuw
vond men het blijkbaar niet lachwekkend, althans Le Fèvre de Saint Remy
vertelt zonder een zweem van spot van een vertooning van vier trompetters
en twaalf edellieden "sur chevaulx de artifice", "saillans et poursaillans
tellement que belle chose estoit à veoir".[859]
De scheiding, die onze kunstzin eischt, en die de verwoestende tijd ons
heeft helpen maken tusschen al dien bizarren opschik, die spoorloos is
vergaan, en de enkele hooge kunstwerken, die ons bewaard zijn, heeft voor
den tijdgenoot nauwelijks bestaan. Het kunstleven van den Bourgondischen
tijd lag nog geheel besloten in de vormen van het gezelschapsleven. De
kunst diende. Zij had in de eerste plaats een sociale functie, en deze is
bovenal het tentoonspreiden van praal, en het accentueeren van de
persoonlijke belangrijkheid, niet van den kunstenaar, maar van den stichter.
Dit wordt niet weggenomen door het feit, dat in de kerkelijke kunst de
pralende heerlijkheid dient, om heilige gedachten omhoog te voeren, en dat
de stichter zijn persoon op den voorgrond heeft gesteld uit vromen zin. Aan
den anderen kant is de aard van het wereldlijk schilderij volstrekt niet altijd
die overdadig hoogmoedige, die paste bij het opgeblazen hofleven. Om
goed te zien, hoe kunst en leven bij elkaar aansloten, in elkaar opgingen,
missen wij veel te veel van de omgeving, waarin de kunst geplaatst was, is
onze kennis van de kunst zelf veel te fragmentair. Hof en kerk zijn samen
het leven van den tijd nog niet.
Daarom zijn voor ons die weinige kunstwerken van zoo bijzonder gewicht,
waarin iets van het leven buiten die twee sferen tot uiting komt. Eén straalt
daaronder in ongeëvenaarde kostbaarheid: het portret van het echtpaar
Arnolfini. Hier heeft men de kunst der vijftiende eeuw in haar zuiversten
vorm; hier nadert men het dichtst tot den raadselachtigen persoon van den
maker Jan van Eyck. Ditmaal behoefde hij noch de schitterende majesteit
van het goddelijke uit te drukken, noch de hoovaardij van hooge heeren te
dienen: het waren zijn vrienden, die hij schilderde, ter gelegenheid van hun

Page 297

huwelijk. Is het werkelijk Jean Arnoulphin, zooals hij in Vlaanderen heette,
de koopman uit Lucca, geweest? Dit gezicht, dat tweemaal door Van Eyck
geschilderd is,[860] schijnt wel het minst Italiaansche, dat ooit uit oogen
keek. Doch de aanduiding van het stuk als "Hernoul le fin avez sa femme
dedens une chambre" in den inventaris der schilderijen van Margareta van
Oostenrijk uit 1516[861] blijft wel een sterk argument, om er Arnolfini in te
zien. In dat geval beschouwe men het eigenlijk niet als een "burgerlijk
portret". Want Arnolfini was een groot heer, herhaaldelijk raadsman der
hertogelijke regeering in gewichtige zaken. Hoe het zij, de man, die hier is
afgebeeld, was een vriend van Jan van Eyck. Dat getuigt die fijn zinrijke
wijze, waarop de schilder zijn werk heeft gewaarmerkt, het opschrift boven
den spiegel: "Johannes de Eyck fuit hic, 1434". Jan van Eyck is hier
geweest. Zooeven nog. In de suizende stilte van die binnenkamer toeft nog
de klank van zijn stem. De innige teerheid en de stille vrede, zooals eerst
Rembrandt ze opnieuw zal geven, liggen in dit stuk besloten, alsof het Jan's
eigen hart was. Hier is opeens die avond der Middeleeuwen terug, dien wij
kennen, en toch zoo dikwijls in de litteratuur, de geschiedenis, het
geloofsleven dier tijden vergeefs zoeken: de gelukkige, edele, serene en
eenvoudige Middeleeuw van het volkslied en de kerkmuziek. Hoe ver zijn
wij nu weer van dien schellen lach en den toomeloozen hartstocht!
Dan ziet wellicht onze verbeelding een Jan van Eyck, die buiten het felle,
bonte leven van zijn tijd stond, een eenvoudige, een droomer, die met
gebogen hoofd, den blik naar binnen gekeerd, door 't leven sloop.
Voorzichtig, of het wordt een kunsthistorische novelle: hoe 's hertogen
"varlet de chambre" met weerzin de hooge heeren diende, hoe zijn
kunstmakkers met diepe smart hun hooge kunst moesten verloochenen, om
mee te werken aan hoffeesten en vlootuitrusting.
Er is niets, wat zulk een voorstelling rechtvaardigt. De kunst der Van
Eyck's, die wij bewonderen, stond midden in het hofleven, dat ons afstoot.
Het weinige wat wij van het leven dier schilders weten, toont hen ons als
lieden van de wereld. De hertog van Berry is met zijn hofschilders op den
besten voet. Froissart ontmoette hem in gemeenzaam onderhoud met André
Beauneveu in zijn wonderkasteel Mehun sur Yevre. [862] De drie gebroeders
van Limburg, de groote verluchters, verblijden den hertog op nieuwjaar met
een surprise: een nieuw verlucht handschrift, dat "un livre contrefait" blijkt,

Page 298

"d'une pièce de bois blanc paincte en semblance d'un livre, où il n'a nulz
feuillets ne riens escript".[863] Jan van Eyck heeft zich zonder twijfel
midden in het hofleven bewogen. Voor de geheime diplomatieke zendingen,
waarmee Philips de Goede hem belastte, was een wereldkenner noodig. Hij
gold in zijn eeuw als een geletterde, die klassieken las en meetkunde
bestudeerde. Met een lichte bizarrerie heeft hij zijn bescheiden zinspreuk
"Als ik kan" in Grieksche karakters vermomd.
Werden wij niet door deze en dergelijke gegevens gewaarschuwd, dan
zouden wij allicht geneigd zijn, de kunst der Van Eyck's op een verkeerde
plaats in het leven der vijftiende eeuw te zien. Daar zijn in dien tijd twee
voor onzen blik scherp gescheiden levenssferen. Hier is de cultuur van het
hof, den adel en de rijke burgerij; praalziek, eer- en hebzuchtig, kakelbont,
gloeiend hartstochtelijk. Daar is de stille, effen grijze sfeer der moderne
devotie, de ernstige mannen en de gedweeë burgervrouwtjes, die hun
toeverlaat zochten in de Fraterhuizen en bij de Windesheimers, waar de
verre zachte branding der Imitatio fluistert, —de sfeer ook van Ruusbroec
en de heilige Colette. Dat is de sfeer, waarin voor ons gevoel de kunst der
Van Eyck's, met haar vrome, stille mystiek, zou passen. Toch is haar plaats
eêr in de andere. De moderne devoten stonden afwijzend tegenover de
groote kunst, die zich in hun tijd ontplooide. Zij verzetten zich tegen de
veelstemmige muziek, zelfs tegen de orgels,[864] terwijl het de
prachtlievende Bourgondiërs zijn: bisschop David van Utrecht en Karel de
Stoute zelf, die in hun kapellen de eerste meesters als leiders hebben:
Obrecht te Utrecht, Busnois bij den hertog, die hem zelfs meeneemt naar
het kamp voor Neuss. De ordinarius van Windesheim verbood elke
versiering van den zang, en Thomas a Kempis zegt: "kunt gij niet zingen als
de leeuwerik en de nachtegaal, zingt dan als de raven en de kikvorschen in
den poel, die zingen zooals God het hun gegeven heeft."[865] Over de
schilderkunst hebben zij zich uit den aard der zaak minder uitgelaten; maar
zij wilden hun boeken eenvoudig hebben, en niet terwille van de kunst ze
verluchten.[866] Hoogstwaarschijnlijk zouden zij zelfs een werk als de
Aanbidding van het Lam louter hoogmoed geacht hebben.
Is overigens de scheiding tusschen die beide levenssferen wel zóo scherp
geweest, als wij haar zien? Hierboven is het reeds gezegd. Er zijn talrijke
aanrakingen tusschen de hofkringen en die van den streng godsdienstigen

Page 299

wandel. De heilige Colette en Dionysius de Kartuizer verkeeren met de
hertogen; Margareta van York, de tweede gemalin van Karel den Stoute,
stelt levendig belang in de "gereformeerde" kloosters van België. Beatrix
van Ravestein, een der eersten aan het Bourgondische hof, draagt onder de
pronkgewaden het haren kleed. "Vestue de drap d'or et de royaux
atournemens à luy duisans, et feignant estre la plus mondaine des autres,
livrant ascout à toutes paroles perdues, comme maintes font, et monstrant
de dehors de pareil usages avecques les lascives et huiseuses, portoit
journellement la haire sur sa chair nue, jeunoit en pain et en eau mainte
journée par fiction couverte, et son mary absent couchoit en la paille de son
lit mainte nuyt."[867] Den inkeer, die voor de moderne devoten blijvende
levensvorm geworden was, kennen de groote hoovaardigen ook, doch
slechts bij vlagen, als de naweeën der overdaad. Wanneer Philips de Goede
na het groote feest van Rijsel naar Regensburg is vertrokken, om met den
keizer te spreken, begeven zich verscheiden edelen en vrouwen van het hof
in de observantie, "qui menèrent moult belle et saincte vie."[868]—De
kroniekschrijvers, die met zooveel gewichtige uitvoerigheid al dien praal en
staat beschrijven, laten niet na, herhaaldelijk hun afkeer van "pompes et
beubans" te uiten. Zelfs Olivier de la Marche bepeinst na het feest van
Rijsel "les oultraigeux excès et la grant despense qui pour la cause de ces
banquetz ont esté faictz." En hij vindt er geen "entendement de vertu" in,
behalve wat het entremets betreft, waarin de Kerk optrad; doch een ander
hofwijze legt hem uit, waarom dat alles zoo had moeten zijn.[869] Lodewijk
XI had uit zijn verblijf aan het hof van Bourgondië een haat behouden tegen
al wat weelde was.[870]
De kringen, waarin en waarvoor de kunstenaars werkten, zijn gansch andere
geweest dan die der moderne devotie. Al heeft de opbloei der schilderkunst
evenzeer als die van het geloof zijn wortels in de stedelijke samenleving,
burgerlijk kan de kunst der Van Eyck's en die hen volgen, niet meer heeten.
Het hof en de adel hadden de kunst tot zich getrokken. De verheffing der
miniatuurkunst tot die hoogten van artistieke verfijning, die het werk der
gebroeders van Limburg en van de Heures de Turin kenmerkt, was zelfs aan
het vorstelijk maecenaat bij uitstek te danken. En ook de rijke burgerijen
van de groote steden van België streefden zelf naar een adellijken
levensvorm. Het verschil tusschen de Zuid-nederlandsche en Fransche
kunst eenerzijds, en het weinige, wat uit de vijftiende eeuw als Noord-

Page 300

nederlandsch is te beschouwen, anderzijds, kan het best worden gezien als
een verschil van milieu: daar het weelderige, rijpe leven van Brugge, Gent,
Brussel, in voortdurende aanraking met het hof; hier een afgelegen
landstadje als Haarlem, in alles veel meer verwant aan de stille IJselsteden
der moderne devotie. Indien de kunst van Dirk Bouts Haarlemsch mag
heeten (wat wij van hem hebben, is gemaakt in het Zuiden, dat ook hem
getrokken had), dan kan het slichte, strakke, ingetogene, dat zijn werk eigen
is, gelden als de echt burgerlijke uitdrukking tegenover de aristocratische
allure, den pompeuzen zwier, de praal en schittering der zuidelijke
meesters. De Haarlemsche school staat inderdaad nader tot de sfeer van den
burgerlijken levensernst.
De werkgevers van de groote schilderkunst, voorzoover wij hen kennen,
zijn bijna zonder uitzondering de vertegenwoordigers geweest van het
groote kapitaal van die dagen. Het zijn de vorsten zelf, de hooge heeren van
het hof en de groote parvenu's, waaraan het Bourgondische tijdvak rijk is,
en die evenzeer als de anderen graviteeren naar het hof. De Bourgondische
macht berust immers juist op het indiensttrekken der geldmachten en het
scheppen van nieuwe adellijke geldmachten door schenking en
begunstiging. De levensvorm van die kringen is die van het zwierige
ridderideaal, waar men zwelgt in de staatsie van het Gulden Vlies en de
praal van feesten en tournooien. Op dat innig-vrome stuk de Zeven
sacramenten in het Antwerpsche museum wijst een wapen als den
vermoedelijken stichter den bisschop van Doornik, Jean Chevrot, aan. Deze
was naast Rolin de nauwste raadsman van den hertog,[871] ijverig dienaar in
de zaken van het Gulden Vlies en van het groote kruistochtplan. Het type
van den grooten kapitalist dier dagen is Pieter Bladelyn, wiens stemmige
figuur bekend is van het drieluik, dat het altaar van de kerk in zijn stadje
Middelburg in Vlaanderen gesierd heeft. Van ontvanger van zijn
geboortestad Brugge was hij opgeklommen tot algemeen hertogelijk
tresorier. Door zuinigheid en goede controle bracht hij verbetering in de
financiën. Hij werd tresorier van het Gulden Vlies, ridder; hij werd op de
gewichtige diplomatieke zending gebruikt, om in 1440 Charles d'Orléans
uit de Engelsche gevangenschap los te koopen; hij zou mee op den
kruistocht tegen de Turken voor het beheer der geldmiddelen. Zijn
rijkdommen maakten de verbazing der tijdgenooten gaande. Hij besteedde
ze aan inpolderingen, waaraan nog de Bladelijnspolder tusschen Sluis en

Page 301

Zuidzande herinnert, en aan het stichten van een nieuwe stad, Middelburg
in Vlaanderen.[872]
Jodocus Vydt, die als stichter op het Gentsche altaarstuk prijkt, en de
kanunnik Van de Paele, behooren eveneens tot de groote rijken van dien
tijd; de Croy's en de Lannoy's zijn adellijke nouveaux riches. De
tijdgenooten zijn het meest van al getroffen geweest door de opklimming
van Nicolaas Rolin, den kanselier, "venu de petit lieu", en als jurist,
financier en diplomaat tot de hoogste diensten gebruikt. De groote
verdragen der Bourgondiërs van 1419 tot 1435 zijn zijn werk geweest.
"Soloit tout gouverner tout seul et à part luy manier et porter tout, fust de
guerre, fust de paix, fust en fait des finances."[873] Hij had door niet
onverdachte middelen ontzaglijke rijkdommen opgehoopt, die hij besteedde
aan tal van stichtingen. Toch sprak men met haat van zijn hebzucht en zijn
hoogmoed. Want men geloofde niet aan den vromen zin, die tot die
stichtingen dreef. Rolin, zoo vroom geknield op het stuk van Jan van Eyck
in het Louvre, dat hij liet schilderen voor zijn geboortestad Autun, en
nogmaals vroom geknield op dat van Rogier van der Weyden voor zijn
gasthuis te Beaune, stond bekend als een, die enkel het aardsche telt. "Hij
oogstte altijd op aarde, zegt Chastellain, alsof de aarde hem eeuwig ware,
waarin hem zijn verstand afdwaalde, toen hij geen paal en perk wilde
stellen aan dat, waarvan zijn hooge jaren hem het nabije einde voor oogen
hielden." En Jacques du Clercq zegt: "Le dit chancellier fust reputé ung des
sages hommes du royaume à parler temporellement; car au regard de
l'espirituel, je m'en tais".[874]
Zal men nu in het gelaat van den stichter van La vierge au chancelier Rolin
een huichelachtig wezen gaan zoeken? Of is ook hier veeleer te denken aan
die wonderlijke tegenstrijdigheid, die samenbestaanbaarheid van de
schreeuwendste zonden van hoogmoed, hebzucht en onkuischheid met
diepe vroomheid en sterk geloof, welke hierboven als een der ethische
typen van den tijd werd gesteld?
De schilderkunst der vijftiende eeuw ligt in de sfeer, waar de uitersten van
het mystische en het grof aardsche elkander raken. Het geloof, dat hier
spreekt, is zoo onmiddellijk, dat geen aardsche verbeelding er te zinnelijk of
te zwaar voor is. Van Eyck kan zijn engelen en goddelijke figuren behangen
met de zware praal van stijve gewaden, druipende van goud en steenen; om

Page 302

naar omhoog te wijzen behoeft hij nog niet de fladderende slippen en
spartelende beenen der barok.
Doch al is dat geloof zeer onmiddellijk en sterk, primitief is het daarom
niet. De benaming primitieven voor de schilders der vijftiende eeuw behelst
het gevaar van een misverstand. Primitief mag hier slechts de beteekenis
hebben van eerstkomend, in zooverre er geen oudere schilderkunst bekend
is, als een louter tijdrekenkundige term dus. Gewoonlijk echter is men
geneigd, daaraan tevens de voorstelling te verbinden, alsof de geest dier
kunstenaars primitief was. En dit is volkomen onjuist. De geest van die
kunst is die van het geloof zelve, zooals hij hier boven werd beschreven: de
uiterste doorwerking en uitwerking van alles wat des geloofs is met de
verbeelding.
Eens had men de goddelijke figuren oneindig ver af gezien: strak en star.
Toen was het pathos der innigheid gekomen. Met een vloed van tranen en
gezang was het opgebloeid in de mystiek der twaalfde eeuw, Sint Bernard
bovenal. Men had de godheid bestormd met zijn snikkende aandoening. Om
toch maar beter mee te mogen voelen in het goddelijk lijden, had men
Christus en den heiligen al de kleuren en vormen opgedrongen, die de
fantazie uit het aardsche leven putte. Een stroom van rijke menschelijke
verbeelding was door alle hemelen gevloeid. En steeds verder vlood die
stroom in ontelbare kleine vertakkingen af. In altijd verderschrijdende
uitwerking was gaandeweg al het heilige tot in de kleinste bijzonderheden
in beeld gebracht. Men had met zijn smachtende armen den hemel naar
omlaag getrokken.
Eerst was langen tijd het woord de plastische en picturale schepping vóór
geweest in uitbeeldend vermogen. In de dertiende eeuw, toen de sculptuur
nog veel van het schematische der oudere voorstelling bewaarde, door haar
materieele middelen en haar kader beperkt, begonnen reeds de Meditationes
van Pseudo-Bonaventura al de lijfelijke houdingen en al de aandoeningen
van het kruisdrama tot in de geringste bijzonderheden te beschrijven. Doch
inmiddels schreed ook de picturale techniek voort; de beeldende kunst haalt
den voorsprong in, en meer dan in. Met de kunst der Van Eyck's heeft de
picturale uitbeelding der heilige dingen een graad van détailleering en
naturalisme bereikt, die misschien strikt kunsthistorisch een begin kan
heeten, maar cultuurhistorisch een einde beduidt. De uiterste spanning in

Page 303

het aardsch verbeelden van het goddelijke was hier bereikt; de mystische
inhoud dier verbeelding stond gereed om uit die beelden te ontvlieden en
enkel den lust aan den bonten vorm achter te laten.
Zoo is het naturalisme der Van Eyck's, dat men in de kunstgeschiedenis
pleegt op te vatten als een element, dat de Renaissance aankondigt, veeleer
te beschouwen als de volledige ontplooiing van den laat- middeleeuwschen
geest. Het is datzelfde natuurlijk verbeelden van het heilige, dat waar te
nemen viel in alles, wat de heiligenvereering betreft, in de sermoenen van
Johannes Brugman, in de uitgewerkte bespiegelingen van Gerson en de
beschrijvingen der hellepijn van Dionysius den Kartuizer.
Het is altijd weer de vorm, die den inhoud dreigt te overwoekeren, en hem
belet, zich te verjongen. In de kunst der Van Eyck's is de inhoud nog
volkomen middeleeuwsch. Nieuwe gedachten spreekt zij niet uit. Zij is een
uiterste, een eindpunt. Het middeleeuwsche begrippensysteem stond ten
hemel toe volbouwd; er viel nog slechts aan te kleuren en te versieren.
In de bewondering der groote schilderkunst zijn aan den tijdgenoot twee
dingen bewust geworden: de treffende voorstelling van het onderwerp en de
onbegrijpelijke kunstvaardigheid, de wonderlijke perfectie der détails, het
volstrekt natuurgetrouwe. Aan den eenen kant een waardeering, die meer in
de sfeer van de vroomheid dan van de schoonheidsontroering ligt, aan den
anderen kant een naïeve verbazing, die naar onze opvattingen aan
schoonheidsontroering niet toekomt. Een Genueesch litteraat omstreeks
1450, Bartolomeo Fazio, is de eerste van wien kunstkritische
beschouwingen over werken van Jan van Eyck, ten deele thans verloren,
bekend zijn. Hij roemt de schoonheid en eerbaarheid van een Mariafiguur,
de haren van den engel Gabriel, "die echte haren overtreffen", de heilige
strengheid der askese, die uit des Doopers aangezicht straalt, de wijze
waarop een Hieronymus "leeft". Verder bewondert hij het perspectief in
Hieronymus' studeervertrek, den zonnestraal, die door een reet valt, het
spiegelbeeld van de eene badende vrouw, de zweetdruppels op het lichaam
der andere, de brandende lamp, het landschap met wandelaars en bergen,
bosschen, dorpen en kasteelen, de eindelooze verten van het verschiet, en
nogmaals den spiegel,[875] De termen, waarin dit geschiedt, verraden louter
curiositeit en verbazing. Hij laat zich genoegelijk meedrijven op den stroom
van ongebreidelde verbeelding; naar de schoonheid van het geheel vraagt

Page 304

hij niet. Dat is de nog middeleeuwsche waardeering van het
middeleeuwsche werk.
Wanneer een eeuw later de schoonheidsopvattingen der Renaissance zijn
doorgedrongen, wordt juist die bovenmatige uitwerking van het
zelfstandige détail de Vlaamsche kunst aangerekend als haar fundamenteele
gebrek. Indien Francesco de Holanda, de Portugeesche schilder, die zijn
kunstbespiegelingen voor gesprekken met Michel Angelo laat doorgaan,
naar waarheid de meening van den machtigen meester heeft weergegeven,
dan zou deze het volgende hebben gezegd.
"De Vlaamsche schilderkunst bevalt allen vromen beter dan de Italiaansche.
Deze laat hen nooit tranen vergieten, gene doet hen rijkelijk weenen, en dat
is geenszins het gevolg van de kracht en de verdienste van die kunst, het is
alleen te wijten aan de groote aandoenlijkheid der vromen. De Vlaamsche
schilderkunst valt in den smaak van de vrouwen, vooral van de oudere en
de heel jonge, evenals van de monniken, de nonnen en alle voorname
lieden, die niet ontvankelijk zijn voor de ware harmonie. In Vlaanderen
schildert men hoofdzakelijk, om het uiterlijk aanzien der dingen
bedriegelijk weer te geven, en meest onderwerpen, die in vervoering
brengen of onberispelijk zijn, zooals heiligen en profeten. In den regel
schilderen zij echter wat men een landschap pleegt te noemen en daarin
veel figuren. Hoewel dit het oog aangenaam aandoet, is daarin inderdaad
noch kunst noch rede; daarin is geen symmetrie, geen verhouding; daarin
heerscht geen keuze, er is geen grootheid in, in één woord: deze
schilderkunst is zonder kracht of heerlijkheid; zij wil vele dingen tegelijk
volkomen afbeelden, waarvan één belangrijk genoeg zou zijn, om er alle
krachten aan te besteden."
De vromen, dat zijn hier de middeleeuwschen van geest. Voor dezen groote
is de oude schoonheid een zaak der kleinen en zwakken geworden. Niet
allen oordeelden zoo. Voor Dürer en Quinten Metsys, en voor Jan van
Scorel, die de Aanbidding van het Lam heet te hebben gekust, was de oude
kunst geenszins dood. Maar het is Michel Angelo, die hier in meer
volstrekten zin de Renaissance vertegenwoordigt. Wat hij in de Vlaamsche
kunst verwerpt, het zijn juist de essentieele trekken van den laat-
middeleeuwschen geest: de heftige sentimentaliteit, het zien van elke
bijzonderheid als een zelfstandig ding, van elke waargenomen hoedanigheid

Page 305

als iets wezenlijks, het opgaan in de veelheid en de bontheid van het
geziene. Daartegen verzet zich het nieuwe kunst- en levensinzicht der
Renaissance, dat, als altijd, slechts verkregen wordt ten koste van een
tijdelijke blindheid voor de schoonheid of waarheid, die voorafging.
De bewustheid van een aesthetisch genieten en de uitdrukking ervan in
woorden heeft zich laat ontwikkeld. Den vijftiendeëeuwer staan voor zijn
kunstbewondering nog maar de termen ten dienste, die wij verwachten van
den verbaasden burgerman. Zelfs het begrip kunstschoon kent hij nog niet.
Wat hem aan schoonheidshuivering uit de kunst doorstraalde, werd door
hem onmiddellijk omgezet of in godsvervuldheid of in levensbehagen.
Dionysius de Kartuizer schreef een verhandeling De venustate mundi et
pulchritudine Dei.[876] Terstond in den titel wordt dus de ware schoonheid
enkel aan God toegekend; de wereld kan slechts "venustus", fraai, mooi
zijn. De schoonheden van het geschapene, zegt hij, zijn niet anders dan
beekjes van de opperste schoonheid; een schepsel wordt schoon genoemd,
in zooverre het iets deelachtig is van de schoonheid der goddelijke natuur,
en daardoor aan dezelve eenigermate gelijkvormig wordt.[877]—Op deze
ruime en verheven schoonheidsleer, waarmee Dionysius steunt op den
Pseudo-Areopagiet, Augustinus, Hugo van Sint Victor en Alexander van
Hales,[878] zou een zuivere ontleding van alle schoonheid te bouwen zijn.
Doch hierin schiet de geest der vijftiende eeuw nog verre te kort. Dionysius
ontleent zelfs de voorbeelden van aardsche schoonheid: een blad, de van
kleur verwisselende zee, de woelige zee, steeds aan zijn voorgangers, met
name aan die twee fijne geesten der twaalfde eeuw uit het klooster van Sint
Victor: Richard en Hugo. Wanneer hij zelf schoonheid ontleden wil, blijft
het uiterst oppervlakkig. De kruiden zijn schoon, omdat zij groen zijn, de
steenen, omdat zij schitteren, het menschelijk lichaam, de dromedaris en de
kameel, omdat zij doelmatig zijn. De aarde is schoon, omdat zij lang en
breed is, de hemellichamen, omdat zij rond en licht zijn. In de bergen
bewonderen wij de grootte, in de rivieren de langgestrektheid, in velden en
bosschen de uitgestrektheid, in de aarde zelf de onmetelijke massa.
Dionysius dwaalt van de aardsche schoonheid telkens terstond weer af naar
de schoonheid der engelen en van het empyreum. Of hij zoekt haar in de
abstracte dingen: de schoonheid des levens is de levenswandel zelf volgens
de leiding en het bevel der goddelijke wet, ontdaan van de leelijkheid der

Page 306

zonde. Van de schoonheid der kunst spreekt hij niet, zelfs niet van die,
welke het meest als iets zelfstandigs treffen moest: de muziek.
Toen deze Dionysius eens de Sint Janskerk te 's Hertogenbosch was
binnengetreden, terwijl het orgel speelde, werd hij door de zoete melodie
terstond, met smeltend hart, aan zichzelf ontrukt in een langdurige ekstase.
[879] De schoonheidsaandoening werd onmiddellijk religie. Het zal niet in

hem opgekomen zijn, dat hij in de schoonheid van muziek of afbeelding iets
anders zou kunnen bewonderen dan het heilige zelf.
Dionysius was een dergenen, die de invoering der moderne, meerstemmige
muziek in de kerk afkeurden. Het breken der stem (fractio vocis), spreekt
hij een oudere na, schijnt het teeken eener gebroken ziel; het is te
vergelijken met gefriseerde haren bij een man of geplisseerde kleederen bij
een vrouw, louter ijdelheid. Sommigen, die zulk veelstemmig zingen
beoefend hadden, hadden hem toevertrouwd, dat daarin een hoogmoed en
een zekere wulpschheids des gemoeds (lascivia animi) gelegen waren. Hij
erkent, dat er vromen zijn, die door melodieën ten sterkste tot contemplatie
en devotie opgewekt worden, weshalve de Kerk orgels toelaat. Maar indien
de kunstige muziek dient om het gehoor te behagen, en vooral om de
aanwezigen, de vrouwen met name, te vermaken, dan is zij zonder twijfel
verwerpelijk.[880]
Men ziet hier, hoe de middeleeuwsche geest, wanneer hij het wezen der
muzikale aandoening wil beschrijven, nog geen andere termen vindt dan die
van zondige beroeringen: een hoogmoed en een zekere wulpschheid des
gemoeds.
Over de muzikale aesthetiek werd voortdurend veel geschreven. Men
bouwde daarbij in den regel voort op de niet meer begrepen
muziektheorieën der Oudheid. Maar over de wijze, waarop muzikale
schoonheid werkelijk genoten werd, leeren ons de tractaten tenslotte niet
veel. Wanneer het er op aan kwam, wat men in muziek eigenlijk mooi vond,
dan blijft het bij vage uitingen, die in hun aard sterk verwant zijn aan de
uitdrukking van de bewondering der schilderkunst. Aan den eenen kant is
het de hemelsche verblijding, die men in muziek geniet, aan den anderen
kant de treffende nabootsing, die men erin bewondert. Alles werkte ertoe
mee, om den overgang van muzikale ontroering tot hemelsche genieting

Page 307

voor den geest haast onmiddellijk te maken; het was hier niet een afbeelden
van heilige dingen, zooals bij de schilderkunst, maar een afschaduwing van
de hemelvreugde zelf. Wanneer de brave Molinet, die blijkbaar zelf veel
van muziek heeft gehouden, vertelt, hoe Karel de Stoute, een groot
muziekliefhebber zooals bekend is, in zijn legerkamp voor Neuss zich
onledig hield met litteratuur en vooral met muziek, dan juicht zijn
rederijkersgemoed: "Car musique est la résonnance des cieux, la voix des
anges, la joie de paradis, l'espoir de l'air, l'organe de l'Eglise, le chant des
oyselets, la récréacion de tous cueurs tristes et désolés, la persécution et
enchassement des diables."[881]—Het ekstatische element in het
muziekgenieten werd natuurlijk zeer goed gekend. "De kracht der
harmonieën, zegt Pierre d'Ailly, ontrukt de menschelijke ziel zoozeer tot
zich, dat zij die niet alleen onttrekt aan andere hartstochten en zorgen, maar
ook aan zichzelve."[882]
Bewonderde men in de schilderkunst de treffende nabootsing van de
voorwerpen der natuur, in de muziek was het gevaar, dat men in nabootsing
de schoonheid ging zoeken, nog grooter. Want de muziek had reeds lang
van haar expressieve middelen een ijverig gebruik gemaakt. De caccia, die
oorspronkelijk een jacht voorstelde, is er het bekendste voorbeeld van.
Olivier de la Marche vertelt, hoe hij er in een de kleine hondjes keffen en de
doggen bassen hoorde en trompetgeschal, alsof men in het bosch was.[883]
Vogelgeluiden, straatroepen, het slaggewoel werden in muzikalen vorm
weergegeven.
De theoretische analyse van het schoone is dus gebrekkig, de uitdrukking
der bewondering is oppervlakkig. In het eerste komt men niet veel verder,
dan dat ter verklaring van de schoonheid de begrippen van maat,
sierlijkheid, orde, grootte, doelmatigheid ervoor in de plaats worden
gesteld. En bovenal dat van schittering, licht. Om de schoonheid te
verklaren van de dingen des geestes, herleidt Dionysius ze tot licht: het
verstand is een licht, de wijsheid, de wetenschap, de kunstvaardigheid zijn
niet anders dan lichtvormige glanzen, die met hun klaarheid den geest
verlichten.[884]
Wanneer men het schoonheidsgevoel dier tijden naspeurt, niet in hun
bepaling van het begrip der schoonheid, noch in hetgeen zij van hun
aandoening zeggen over schilderkunst en muziek, maar in hun spontane

Page 308

uitingen van blijde schoonheidsontroering, dan treft het, hoe die uitingen
bijna altijd gewaarwordingen gelden van schittering of van levendige
beweging.
Froissart komt zelden onder een schoonheidsindruk; hij had het er te druk
voor met zijn eindelooze verhalen; maar er is één schouwspel, dat hem
altijd weer woorden van blijde verrukking ontlokt: schepen op het water
met wapperende vlaggen en wimpels, waarvan de kleurige blazoenen
schitteren in de zon. Of het is het spel van de zonnestralen op helmen,
harnassen, lanspunten, vaantjes en banieren van een optrekkende
ruitertroep.[885] Eustache Deschamps bewondert het schoone van draaiende
molens, en van de zon in een dauwdruppel; La Marche merkt op, hoe mooi
het zonlicht op de blonde haren schijnt van een troep Duitsche en
Boheemsche ridders.[886]—Met die bewondering voor wat schittert staat
ook de versiering der kleeding in verband, die in de vijftiende eeuw nog
voornamelijk gezocht wordt in het opzetten van een overmatig groot aantal
edele steenen. Eerst later maken deze plaats voor linten en strikken. Om die
schittering nog met geklink te verhoogen, draagt men schelletjes of
geldstukken. La Hire draagt een rooden mantel geheel beladen met groote
zilveren koeklokken. De kapitein Salazar verschijnt bij een intocht van
1465 met twintig geharnasten, wier paarden alle bedekt zijn met groote
zilveren klokken; op het dekkleed van zijn eigen paard is aan elk der
figuren, waarmee het bezaaid is, een groote schel van verguld zilver
gehecht. Bij den intocht van Lodewijk XI te Parijs in 1461 dragen de
paarden van Charolais, Croy, Saint Pol en anderen op hun dekkleeden tal
van groote klokken; dat van Charolais draagt er een op den rug, die
tusschen vier pijlertjes hangt. Karel de Stoute verschijnt op een tournooi in
een feestgewaad bedekt met rinkelende rijnsguldens; Engelsche edelen
dragen hun kleed bezet met gouden nobels.[887] Op het bruiloftsfeest van
den graaf van Genève te Chambéry in 1434 voert een groep van heeren en
dames een dans uit, allen gekleed in het wit, bedekt met "or clinquant", de
heeren bovendien met breede gordels vol schelletjes.[888]
Hetzelfde naïeve behagen aan wat sterk de aandacht trekt, is ook op te
merken in den kleurenzin van den tijd. Om dezen volledig te bepalen, zou
een uitgebreid en statistisch onderzoek noodig zijn, dat zoowel de
kleurenschaal der beeldende kunst als die van kleeding en versieringskunst

Page 309

betrof: wat de kleeding aangaat, zou zij meer uit de talrijke beschrijvingen
op te maken zijn, dan uit de schaars bewaarde overblijfselen van stoffen.
Hier volgen enkel eenige voorloopige indrukken, gewonnen uit de
beschrijving der kleedij bij tournooien en intochten. Men heeft hier dus te
doen met praal- en staatsiegewaden, waarin natuurlijk een andere toonaard
heerscht dan in de dagelijksche kleeding. De gewone kleeding maakt reeds
zeer veel gebruik van grijs, zwart en paars.[889] Wat in de feest- en
staatsiekleeding in de eerste plaats treft, is het overheerschen van het rood.
Niemand zal het trouwens van dezen rooden tijd anders verwachten.
Intochten zijn dikwijls geheel in rood uitgemonsterd.[890] Daarnaast
bekleedt het wit als uniforme feestkleur een groote plaats. In de
nevenschikking van kleuren wordt elke combinatie geduld: rood-blauw,
blauw-violet komen voor. Op een feestvertooning, die La Marche beschrijft,
verschijnt een meisje in violette zijde op een hakkenei met een dekkleed
van blauwe zijde, geleid door drie mannen in vermiljoenroode zijde met
kaproenen van groene zijde.[891] Een voorliefde voor somber-gloeiende en
dof-bonte kleurschikkingen schijnt niet te miskennen.
Opmerkelijk is, dat als hoofdkleur van den dos het zwart en het violet veel
grooter plaats innemen dan het groen en blauw, terwijl geel en bruin bijna
geheel ontbreken. Het zwart, vooral in fluweel gebruikt, vertegenwoordigt
ontegenzeggelijk de trotsche, sombere praal, die de tijd bemint, den
hoogmoedigen afstand van het vroolijk bonte, dat alom schatert. Philips de
Goede gaat na de jaren zijner jeugd altijd in 't zwart, en dost er ook zijn
gevolg en zijn paarden in.[892] Koning René, die nog ijveriger naar distinctie
en verfijning zocht, gebruikt als kleuren grijs-wit-zwart.[893]
De geringe plaats van het blauw en het groen moet overigens niet geheel als
een directe uiting van den kleurenzin worden verklaard. Onder al de kleuren
hadden vooral blauw en groen hun symbolisch gewicht, en die beteekenis
was zoo bijzonder, dat zij daardoor als kleuren van kleeding bijna
onbruikbaar werden. Beide toch waren het de kleuren der liefde: groen
verbeeldde de verliefdheid, blauw de trouw.[894] Of beter gezegd, zij waren
bij uitstek de kleuren der liefde, want ook de andere kleuren konden dienst
doen in de symboliek der minne. Deschamps zegt van de minnaars:
"Li uns se vest pour li de vert,

Page 310

L'autre de bleu, l'autre de blanc,
L'autre s'en vest vermeil com sanc,
Et cilz qui plus la veult avoir
Pour son grant dueil s'en vest de noir."[895]
Doch het groen was toch inzonderheid de kleur van de jonge, hoopvolle
liefde:
"Il te fauldra de vert vestir,
C'est la livrée aux amoureulx."[896]

Daarom behoort ook de dolende ridder in 't groen gekleed te gaan. [897]—
Met blauwe kleeding betoogt de minnaar zijn trouw; daarom laat Christine
de Pisan de dame antwoorden, als de minnaar op zijn blauwe dos wijst:
"Au bleu vestir ne tient mie le fait,
N'à devises porter, d'amer sa dame,
Mais au servir de loyal cuer parfait
Elle sans plus, et la garder de blasme
... Là gist l'amour, non pas au bleu porter,
Mais puet estre que plusieurs le meffait
De faulseté cuident couvrir soubz lame
Par bleu porter...."[898]
Daar ligt waarschijnlijk meteen de verklaring, waarom de blauwe kleur,
geveinsd gebruikt, ook de ontrouw ging beduiden, en met een overspringing
niet alleen de trouwelooze maar ook den bedrogene toekwam. De blauwe
huik beduidt in het Nederlandsch de echtbreekster, en de "cote bleue" is het
gewaad van den bedrogene:
"Que cils qui m'a de cote bleue armé
Et fait monstrer au doy, soit occis."[899]
Of hieruit weer de beteekenis van het blauw als kleur der dwaasheid in het
algemeen te verklaren is, immers de "blauwe scute" beduidt het vehikel der
mallen, blijve in het midden.
Wanneer geel en bruin zoozeer op den achtergrond blijven, dan zal daarbij
de tegenzin tegen deze kleuren om hun kleurqualiteit, dus de directe

Page 311

kleurenzin, wel met hun negatieve symbolische beteekenis oorzakelijk
samenhangen: met andere woorden, men hield niet van geel en bruin, omdat
men ze leelijk vond, en men kende er een ongunstige beteekenis aan toe,
omdat men ze leelijk vond. De ongelukkig gehuwde zegt:
"Sur toute couleur j'ayme la tennée
Pour ce que je l'ayme m'en suys habillée,
Et toutes les aultres ay mis en obly.
Hellas! mes amours ne sont pas ycy."
Of in een ander liedje:
"Gris et tannée puis bien porter
Car ennuyé suis d'espérance".[900]
Het grijs komt, in tegenstelling met het bruin, overigens veel in de
feestkleedij voor; het had als kleur der treurigheid waarschijnlijk een meer
elegische nuance dan het bruin.
Het geel had reeds de beteekenis van vijandschap. Hendrik van Wurtemberg
trekt den hertog van Bourgondië voorbij, met zijn gansche gevolg in het
geel gedost, "et fut le duc adverty que c'estoit contre luy."[901]
Een oppervlakkige indruk, dat na het midden der vijftiende eeuw wit en
zwart afnemende zijn, terwijl blauw en geel toenemen, zou nadere
bevestiging behoeven.

Page 312

XIII
HET BEELD EN HET WOORD

De nieuwe gedachten, die straks als Renaissance en Hervorming aan het
firmament zullen staan, vinden in de Fransch-Nederlandsche kunst en
litteratuur der vijftiende eeuw nog zoo goed als geen uitdrukking. De
beeldende kunst en de letterkunde dienen nog uitsluitend den geest, die
afstervende is: den geest der eindigende Middeleeuwen. Zij vinden
nauwelijks een andere taak dan het volkomen uitbeelden en versieren van
lang doordachte voorstellingen. De gedachte schijnt uitgeput, de geest
wacht nieuwe bevruchting.
In perioden, waarin de schepping van schoonheid zich bepaalt tot louter
omschrijving en uitdrukking van reeds bezonken en doorwerkt gedachten-
materiaal, krijgt de beeldende kunst een dieper waarde dan de litteratuur.
Dat geldt niet voor den tijdgenoot. Voor hem heeft de gedachte, al bloeit zij
niet meer, nog zooveel treffends en belangrijks, dat hij haar in den
versierden vorm, waarin de litteratuur haar kleedt, bemint en bewondert. Al
de voor ons zoo hopeloos eentonige en oppervlakkige gedichten, waarin de
vijftiende eeuw haar lied zingt, zijn door de tijdgenooten met veel
uitbundiger lof bedacht, dan zij aan eenig schilderstuk hebben gewijd. De
diepe gevoelswaarde van de beeldende kunst is hun nog niet bewust
geworden, althans niet zoo, dat zij die konden uitdrukken.
Het feit, dat uit het overgroote deel dier litteratuur voor ons alle geur en
heerlijkheid geweken is, terwijl de kunst ons dieper roert dan mogelijk ooit
den tijdgenoot, valt te verklaren uit het fundamenteele verschil van de
werking van kunst en woord. Het zou te gemakkelijk en tevens te
onbegrijpelijk zijn, indien men het zocht in de hoedanigheid der talenten:
zoo, dat de dichters, met uitzondering van Villon en Charles d'Orléans,
louter conventioneele leeghoofden geweest zouden zijn, en de schilders
genieën.

Page 313

Waar twee hetzelfde doen, is het niet hetzelfde. Als de schilder zich bepaalt
tot het eenvoudig weergeven eener uiterlijke werkelijkheid in lijn en kleur,
dan legt hij toch steeds achter die louter formeele nabootsing een overschot
van het onuitgesprokene en onuitsprekelijke. Maar de dichter, die niet
hooger poogt dan een zichtbare of reeds doordachte werkelijkheid in het
woord uit te drukken, put in het woord den schat van het onuitgesprokene
uit. Het kan zijn, dat rythme en klank daarin nieuwe onuitgesproken
schoonheid brengt. Maar zijn ook deze elementen zwak, dan behoudt het
gedicht zijn werking slechts zoo lang, als de gedachte zelf den hoorder
boeit. De tijdgenoot reageert nog op het woord van den dichter met een
drom van levende associaties, want de gedachte zit in zijn leven geweven,
en hij waant haar nieuw en bloeiend in den tooi van het nieuw gevonden
woord.
Doch als de gedachte niet meer treft om haarzelve, dan heeft het gedicht,
tenzij het onuitgesproken rijkdom heeft, zijn werking verloren. De
litteratuur der vijftiende eeuw nu heeft nauwelijks een waarlijk nieuwe
gedachte. Het is een eindeloos postludeeren op afgezaagde thema's. Daarbij
heeft zij veelal geringe qualiteiten van rythme en klank. Waaraan zou het
gedicht dan zijn duurzame werking kunnen ontleenen?
De tijd voor den schilder van zulk een geestestijdperk komt eerst later. Want
hij leeft van den schat van het uitgesprokene, en het is de volheid van dien
schat, welke de diepste en duurzaamste werking van alle kunst bepaalt.
Aanschouw de portretten van Jan van Eyck. Hier is het spitse, zuinige
gezicht van zijn vrouw. Daar is de strakke, morose aristocratenkop van
Baudouin de Lannoy. Daar is de huiveringwekkende gesloten tronie van
den kanunnik Van de Paele. Daar is de ziekelijke gelatenheid van den
Berlijnschen Arnolfini, de Egyptische geheimzinnigheid van "Leal
souvenir". In allen ligt het wonder van de tot den bodem gepeilde
persoonlijkheid. Het is de diepste karakterschildering, die mogelijk is:
gezien, onuitgesproken. Al ware Jan van Eyck tevens de grootste dichter
van zijn eeuw geweest, de geheimenis, die hij in het beeld openbaarde, zou
hij in het woord niet hebben kunnen benaderen.
Dat is de diepste grond, waarom er, bij gelijkheid van houding en geest,
tusschen kunst en litteratuur der vijftiende eeuw geen evenredigheid te
verwachten is. Is eenmaal dit verschil erkend, dan blijkt bij een vergelijking

Page 314

van de litteraire en de picturale uitdrukking aan bepaalde voorbeelden, en in
bijzonderheden, de gelijksoortigheid toch weer veel grooter, dan zij
aanvankelijk scheen.
Indien men aan de eene zijde als de meest representatieve kunstuiting het
werk der Van Eyck's en hun volgers kiest, welke voortbrengselen der
letterkunde moeten dan daarnevens worden gesteld, om zuiver te kunnen
vergelijken? Niet in de eerste plaats die, welke dezelfde onderwerpen
behandelen, maar die welke ontspringen aan dezelfde bronnen, voortkomen
uit dezelfde levenssfeer. Dat is, gelijk hierboven werd aangetoond, de sfeer
van het weelderige hof en de rijke, grootdoende burgerij. De letterkunde,
die op één lijn staat met de kunst der Van Eyck's, is de hoofsche, althans
aristocratische letterkunde, in het Fransch geschreven, gelezen en
bewonderd door de kringen, die de opdrachten gaven aan de groote
schilders.
Schijnbaar is hier een groot contrast, dat bijna elke vergelijking doelloos
maakt: de stof der schilderkunst is overwegend godsdienstig, die der
Fransch-Bourgondische letterkunde overwegend wereldsch. Doch naar twee
zijden is hier onze blik te kort: in de beeldende kunst heeft eenmaal het
wereldlijk element een veel breeder plaats ingenomen, dan het bewaarde
ons doet vermoeden, en in de litteratuur pleegt onze aandacht te sterk
bepaald te worden bij de wereldlijke genres. Het minnedicht, de uitloopers
van den Roman de la rose, de afleggers van den ridderroman, de
opkomende novelle, de satire, de geschiedschrijvers, dat zijn de uitingen,
waarmee de litteratuurgeschiedenis zich in de eerste plaats bezig houdt. De
schilderkunst, dat is voor ons allereerst de diepe ernst van het altaarstuk en
het portret; de litteratuur, dat is allereerst de wulpsche glimlach der
erotische satire en de eentonige gruwelen der kroniek. Het is bijna, alsof die
eeuw slechts haar deugden geschilderd en haar zonden beschreven had.
Doch ook naar den kant der litteratuur is zulk een blik te beperkt. Niet
alleen namen in de rijke boekerij der Bourgondische hertogen de vrome
boeken nog altijd de voornaamste plaats in, maar ook in de wereldsche
letterkunde zelve doet het vrome, stichtelijke en moraliseerende element
zich voortdurend gelden, vaak te midden van de grootste frivoliteit.
Gaan wij nog eenmaal uit van de sterke onevenredigheid van werking, die
kunst en litteratuur der vijftiende eeuw in ons teweegbrengen. Met

Page 315

uitzondering van enkele dichters, werkt de litteratuur vermoeiend en
vervelend. Eindeloos uitgesponnen allegorieën, waarin geen figuur iets
nieuws of eigens vertoont, en waarvan de inhoud niet anders is dan de lang
gebottelde en vaak verschaalde zedelijke wijsheid van eeuwen her. Altijd
weer dezelfde formeele thema's: de slaper in den boomgaard, waar hem een
zinnebeeldige dame verschijnt, de ochtendwandeling in den jongen Mei, het
twistgesprek tusschen de dame en den minnaar of tusschen twee
vriendinnen of welke andere combinatie ook over een punt uit de casuïstiek
der liefde. Wanhopige oppervlakkigheid, klatergoud van stijlversiering,
bloemzoet romantisme, versleten fantazie, nuchtere moralisatie:—steeds
weer komt bij ons de verzuchting op: Zijn dit de tijdgenooten van Jan van
Eyck? Zou hij dit alles bewonderd hebben?—Zeer waarschijnlijk wel. Het
is niet vreemder, dan dat Bach zich behielp met de kleinburgerlijkste
rijmelaars van een rheumatisch kerkgeloof.
De tijdgenoot, die de werken der kunst ziet geboren worden, neemt ze alle
gelijkelijk op in zijn levensdroom. Hij waardeert ze niet op hun objectieve
aesthetische volmaaktheid, maar op de volheid van weerklank, dien zij
wekken door de heiligheid of de hartstochtelijke levendheid van hun stof.
Wanneer met den tijd die oude levensdroom is voorbijgegaan, en de
heiligheid en de hartstocht zijn vergaan als de geur van een roos, dan eerst
begint het kunstwerk zuiver als kunst te werken, dat wil zeggen door zijn
middelen van uitdrukking, door zijn stijl, zijn bouw, zijn harmonie. Deze
kunnen ten opzichte van beeldende kunst en litteratuur feitelijk dezelfde
zijn en toch het aanzijn geven aan een geheel verschillende kunstwaarde.
Litteratuur en kunst der vijftiende eeuw deelen beide in die algemeene
eigenschap, die hierboven als een der meest essentieele van den laat-
middeleeuwschen geest werd aangemerkt: de volledige uitwerking van alle
bijzonderheden, de zucht om geen gedachte of voorstelling, die zich
opdrong, onontplooid te laten, om alles in zijn scherpste zichtbaarheid en
doordachtheid te verbeelden. Erasmus vertelt, dat hij eens te Parijs een
geestelijke veertig dagen lang hoorde preeken over de gelijkenis van den
verloren zoon, om daarmee den ganschen vastentijd te vullen. Hij beschreef
de heenreis en de terugreis, hoe hij nu eens in een herberg middagmaalde
met tongenpastei, dan weer een watermolen voorbijkwam, dan dobbelde,
dan in een gaarkeuken afstapte, en hij wrong de woorden van de profeten en
evangelisten, om op die verzonnen beuzelpraatjes te slaan. "En daarmee

Page 316

leek hij aan de onervaren schare en aan de vette groote heeren een god
gelijk."[902]
Die eigenschap der ongebreidelde uitwerking worde hier eenigermate
analyseerend gedemonstreerd aan twee schilderijen van Jan van Eyck.
Vooreerst de Madonna van den kanselier Rolin in het Louvre.
De pijnlijke nauwgezetheid, waarmee de stof der gewaden, het marmer van
de vloertegels en zuilen, de glinstering der vensterruiten, het misboek van
den kanselier zijn behandeld, zou ons bij ieder ander dan Van Eyck de
qualificatie schoolmeesterachtig ontlokken. Er is zelfs één détail, waarin de
overmatige geacheveerdheid werkelijk storend werkt: de versiering der
kapiteelen, waarop in den hoek als 't ware tusschen haakjes de verdrijving
uit het Paradijs, het offer van Caïn en Abel, het verlaten der arke Noach's en
de zonde van Cham zijn verbeeld. Doch eerst buiten de open hal, die de
hoofdfiguren omhult, bereikt de lust aan de uitwerking der détails zijn volle
kracht. Daar ontrolt zich als doorkijk door de kolonnade het
wonderbaarlijkste vergezicht, dat Van Eyck ooit heeft geschilderd. De
beschrijving ervan moge ontleend worden aan Durand-Gréville.[903]
"Si, attiré par la curiosité, on a l'imprudence de l'approcher d'un peu trop
près, c'est fini, on est pris pour tout le temps que peut durer l'effort d'une
attention soutenue; on s'extasie devant la finesse du détail; on regarde,
fleuron à fleuron, la couronne de la Vierge, une orfèvrerie de rêve; figure à
figure, les groupes qui remplissent, sans les alourdir les chapiteaux des
piliers; fleur à fleur, feuille à feuille, les richesses du parterre; l'oeil stupéfait
découvre, entre la tête de l'enfant divin et l'épaule de la Vierge, dans une
ville pleine de pignons et d'élégants clochers, une grande église aux
nombreux contreforts, une vaste place coupée en deux dans toute sa largeur
par un escalier où vont, viennent, courent d'innombrables petits coups de
pinceau qui sont autant de figures vivantes; il est attiré par un pont en dos
d'âne chargé de groupes qui se pressent et s'entrecroisent; il suit les
méandres d'un fleuve sillonné de barques minuscules, au milieu duquel,
dans une île plus petite que l'ongle d'un doigt d'enfant, se dresse, entouré
d'arbres, un château seigneurial aux nombreux clochetons; il parcourt, sur la
gauche, un quai planté d'arbres, peuplé de promeneurs; il va toujours plus
loin, franchit une à une les croupes de collines verdoyantes; se repose un
moment sur une ligne lointaine de montagnes neigeuses, pour se perdre

Page 317

ensuite dans l'infini d'un ciel à peine bleu, où s'estompent de flottantes
nuées."
En nu het wonder: in dit alles gaat, anders dan Michel Angelo's discipel
beweerde, de eenheid en harmonie niet te loor. "Et quand le jour tombe, une
minute avant que la voix des gardiens ne vienne mettre fin à votre
contemplation, voyez comme le chef d'oeuvre se transfigure dans la
douceur du crépuscule; comme son ciel devient encore plus profond;
comme la scène principale, dont les couleurs se sont évanouies, se plonge
dans l'infini mystère de l'Harmonie et de l'Unité...."
Een ander stuk, dat zich voor de beschouwing van de eigenschap der
onbeperkte détailleering bijzonder leent, is de Annunciatie in de Ermitage te
Petrograd. Wanneer het drieluik, waarvan dit stuk het rechterblind uitmaakt,
in zijn geheel heeft bestaan, welk een wonderrijke schepping moet het zijn
geweest! Het is, alsof Van Eyck hier al de voor niets terugschrikkende
virtuositeit van den meester, die alles kan en alles durft, heeft willen
uitvoeren. Het is tegelijk het meest primitieve, meest hieratische van zijn
werken en het meest geraffineerde. De boodschap van den Engel wordt niet
gebracht in de intimiteit van de binnenkamer (het tooneel, waarvan de
gansche binnenhuisschildering haar oorsprong nam), maar, zooals de
vormencode van de oudere kunst het had voorgeschreven, in een kerk. In
houding en gelaatsuitdrukking missen beide figuren de zachte gevoeligheid
der Annunciatie op den buitenkant van het Lam. Het is een staatsiebuiging,
waarmee de Engel Maria begroet, en hij komt niet met den lelietak zooals
daar, niet met het hoofd omgord door een smallen diadeem, doch met een
schepter en een rijke kroon, en op zijn aangezicht de strakke, aeginetische
lach. In gloeiende kleurenpracht en schittering van paarlen, goud en
gesteente overtreft hij alle engelfiguren, die Van Eyck schilderde. Groen en
goud het kleed, donkerrood en goud de brokaatmantel, en de vleugelen
bezet met pauweveeren. Het boek voor Maria, het kussen op de schemel
zijn weer met de doordringendste zorg afgewerkt. In het kerkgebouw zijn
de détails met een anecdotische uitvoerigheid aangebracht. De vloersteenen
vertoonen behalve de teekenen van den dierenriem, waarvan er vijf
zichtbaar zijn, drie tafereelen uit de geschiedenis van Simson en een uit die
van David. De achterwand van de kerkruimte is versierd met beeltenissen
van Isaac en Jacob in medaillons tusschen de bogen, van Christus op den
aardbol met twee Seraphs in een glasvenster geheel bovenin, en daarnaast

Page 318

als muurschilderingen nog het vinden van het kind Mozes, en het ontvangen
van de tafelen der wet, alles opgehelderd door leesbare opschriften. Eerst in
de vakken van de houten zoldering wordt de decoratie, die ook daar nog is
aangeduid, onduidelijk voor het oog.
En dan weer het wonder: bij die opeenhooping van uitgewerkte
bijzonderheden gaat evenmin als bij de Madonna van Rolin de eenheid van
toon en stemming verloren. Daar was het de vroolijkheid van een helder
buitenlicht, dat den blik over de hoofdvoorstelling heen in wijde verten
trok; hier hult de geheimzinnigste donkerte van het hooge kerkgebouw het
geheel in zulk een waas van ernst en mysterie, dat het oog schier met
moeite de anecdotische détails komt te ontwaren.
Ziedaar het effekt der "ongebreidelde uitwerking" in de schilderkunst. De
schilder, deze schilder, kon binnen een ruimte van nog geen halven
vierkanten meter zijn ongebondensten lust tot détailleering den vrijen loop
laten, (of moet het zijn: aan de lastigste opdrachten van een ondeskundigen
vrome voldoen?), zonder ons meer te vermoeien dan een blik op het levend
gewemel der werkelijkheid het zelve doet. Want het bleef één blik; de
dwang der dimensiën legde beperking op, en het doordringen in de
schoonheid en de bijzonderheid van dat alles, wat afgebeeld staat, geschiedt
zonder denkinspanning; veel geacheveerdheden worden niet eens
opgemerkt, of verdwijnen terstond weer uit het bewustzijn, en werken enkel
coloristisch of perspectivisch.
Wanneer men die algemeene eigenschap "oneindige uitwerking der
bijzonderheden" ook aan de litteratuur der vijftiende eeuw toekent, dan is
het in anderen zin. Niet in den zin van een ragfijn détailleerend naturalisme,
dat zich vermeit in de uitvoerige beschrijving van het uiterlijk der dingen.
Zoo kent deze letterkunde haar nog niet. De natuur- en
persoonsbeschrijving werkt nog met de eenvoudige middelen der
middeleeuwsche poëzie: de afzonderlijke objecten, die tot de stemming van
den dichter meewerken, worden vermeld, niet beschreven; het substantief
overheerscht het adjectief; enkel de hoofdqualiteiten dier objecten, b.v. de
kleuren, het geluid, worden geconstateerd. De ongebreidelde uitwerking der
bijzonderheden is in de litteraire verbeelding meer quantitatief dan
qualitatief; zij bestaat meer in het opsommen van zeer vele objecten dan in
het ontleden van de hoedanigheid der objecten afzonderlijk. De dichter

Page 319

verstaat de kunst van weglaten niet, hij kent het ledige vlak niet, hij mist het
orgaan voor het effekt van het verzwegene. Dit geldt evenzeer de
gedachten, die hij uitdrukt, als de beelden, die hij oproept. Ook de
gedachten, doorgaans zeer eenvoudig, die het onderwerp wekt, worden in
de uiterste volledigheid opgesomd. Het geheele raam van het dichtwerk is
evenzeer overvuld met détails als het schilderstuk. Hoe komt het nu, dat
daar die overvuldheid zoo veel minder harmonisch werkt?
Dit is tot zekere hoogte zoo op te vatten, dat de verhouding van hoofdzaak
en bijzaken ten opzichte van de poëzie juist andersom is als ten opzichte der
schilderkunst. In het schilderij is het verschil tusschen hoofdzaak (dat is: de
adequate uitdrukking van het onderwerp) en bijwerk gering. Alles is er
essentieel. Een enkel détail kan voor ons de volkomenste harmonie van het
werk bepalen.
Is het in de schilderkunst der vijftiende eeuw wel in de eerste plaats de
diepe vroomheid, dus de adequate uitdrukking van het onderwerp, welke
wij bewonderen? Neem het Gentsche altaar. Hoe weinig aandacht trekken
de groote figuren van God Vader, Maria en Johannes den Dooper. In het
hoofdtafereel gaat onze blik steeds weer van het Lam, de centrale
voorstelling, de hoofdzaak van het kunstwerk, terzijde naar de stoeten der
aanbidders, naar den achtergrond, naar de natuurschildering. En nog meer
daarbuiten wordt de blik getrokken naar Adam en Eva, naar de portretten
der stichters. Al ligt dan althans in het tafereel der Annunciatie de innige,
ernstige bekoring in de figuren van den engel en de maagd, dus in het
expressief-vrome, zelfs daar verblijdt ons haast nog meer het koperen
keteltje en de doorkijk in de zonnige straat. Het zijn de détails, die voor den
maker louter bijwerk waren, welke hier doen bloeien in zijn stillen schijn
het mysterie van het alledaagsche, de onmiddellijke aandoening over het
wonder van alle dingen, en dat verbeeld. Er is, tenzij wij voor het Lam
komen met een primair godsdienstige waardeering, geen verschil tusschen
onze kunstemotie over de heilige voorstelling van de aanbidding der
eucharistie, en over het vischstalletje van Emanuel de Witte in het Museum
Boymans.
Nu is juist in het détail de schilder volkomen vrij. Wat de hoofdzaak betreft,
de voorstelling van het heilige onderwerp, is hem een strenge conventie
opgelegd; elk kerkelijk tafereel heeft zijn iconografischen code, waarvan

Page 320

geen afwijking wordt gedoogd. Maar hij behoudt een onbegrensd veld voor
de vrije ontplooiing van zijn scheppingslust. In de gewaden, de accessoires,
den achtergrond kan hij ongehinderd en ongedwongen doen, wat des
schilders is: schilderen namelijk, door geen conventie belemmerd, geven
wat hij ziet en zooals hij 't ziet. De hechte, strakke bouw van het heilige
tafereel draagt den rijkdom der détails als een lichten schat, als een vrouw
bloemen op haar kleed.
In de poëzie der vijftiende eeuw nu is de verhouding in zekeren zin
andersom. In de hoofdzaak is de dichter vrij; hij mag een nieuwe gedachte
vinden, als hij kan, terwijl juist het détail, de achtergrond, in hooge mate
door conventie beheerscht worden. Er bestaat voor ongeveer alle
bijzonderheden een norm van uitdrukking, een schablone, die men ongaarne
prijsgeeft. Bloemen, natuurgenot, smarten en vreugden, ze hebben hun
geijkte uitdrukkingsvormen, waaraan de dichter wat poetsen en kleuren kan,
zonder ze te vernieuwen.
Hij poetst en kleurt in het oneindige, want hij mist de heilzame beperking,
die den schilder is opgelegd door het te vullen vlak; des dichters vlak is
altijd onbeperkt. Hij is vrij van de beperking der materieele middelen, en
juist wegens die vrijheid moet hij naar verhouding een grooter geest zijn
dan de schilder, om iets goeds te maken. Ook de middelmatige schilders
blijven een vreugde voor het nageslacht, maar de middelmatige dichter
zinkt in vergetelheid.
Om het effekt der "ongebreidelde uitwerking" aan een dichtwerk der
vijftiende eeuw te demonstreeren, zou men er eigenlijk een in zijn geheel
(en ze zijn lang!) op den voet moeten volgen. Daar dit niet mogelijk is,
mogen enkele staaltjes volstaan.
Alain Chartier gold in zijn tijd als een der grootste dichters; hij is
vergeleken met Petrarca; nog Clément Marot telt hem onder de eersten. Van
de vereering, die hij genoot, getuigt het verhaaltje, dat hierboven reeds werd
meegedeeld.[904] Men mag hem dus, uitgaande van zijn tijd zelf, naast een
der grootste schilders plaatsen. Het begin van zijn gedicht Le livre des
quatre dames, een samenspraak van vier edelvrouwen, wier minnaars bij
Azincourt gestreden hebben, geeft, zooals de regel is, het landschap, den
achtergrond van het beeld.[905] Dit landschap zij vergeleken met het

Page 321

welbekende landschap van het Gentsche altaarstuk: de wonderlijke
bloemenweide met haar minutieus uitgevoerde vegetatie, met de kerktorens
achter de lommerige heuvelkruinen, een voorbeeld van de ongebreideldste
uitwerking.
De dichter gaat den lentemorgen in, om zijn langdurige zwaarmoedigheid te
verdrijven.
"Pour oublier melencolie,
Et pour faire chiere plus lie,
Ung doulx matin aux champs issy,
Au premier jour qu' amours ralie
Les cueurs en la saison jolie...."
Dit is alles louter conventioneel, en geen schoonheid van rythme of klank
verheft het boven het glad-middelmatige. Nu komt de schildering van den
lentemorgen.
"Tout autour oiseaulx voletoient,
Et si très-doulcement chantoient,
Qu'il n'est cueur qui n'en fust joyeulx.
Et en chantant en l'air montoient,
Et puis l'un l'autre surmontoient
A l'estriveé a qui mieulx mieulx.
Le temps n'estoit mie nueux,
De bleu estoient vestuz les cieux,
Et le beau soleil cler luisoit."
De eenvoudige vermelding van de heerlijkheden van tijd en plaats zou hier
zeer goed werken, wanneer de dichter zich had weten te beperken. Er is wel
een bekoring in het heel simpele van dit natuurgedicht, maar het mist elken
sterken vorm. In een sukkeldraf gaat de opsomming voort; na een nadere
beschrijving van het vogelgezang volgt:
"Les arbres regarday flourir,
Et lièvres et connins courir.
Du printemps tout s'esjouyssoit.
Là sembloit amour seignourir.
Nul n'y peult vieillir ne mourir,

Page 322

Ce me semble, tant qu'il y soit.
Des erbes ung flair doulx issoit,
Que l'air sery adoulcissoit,
Et en bruiant par la valee
Ung petit ruisselet passoit,
Qui les pays amoitissoit,
Dont l'eaue n'estoit pas salee.
Là buvoient les oysillons,
Apres ce que des grisillons,
Des mouschettes et papillons
Ilz avoient pris leur pasture.
Lasniers, aoutours, esmerillons
Vy, et mouches aux aguillons,
Qui de beau miel paveillons
Firent aux arbres par mesure.
De l'autre part fut la closture
D'ung pré gracieux, où nature
Sema les fleurs sur la verdure,
Blanches, jaunes, rouges et perses.
D'arbres flouriz fut la ceinture,
Aussi blancs que se neige pure
Les couvroit, ce sembloit paincture,
Tant y eut de couleurs diverses."
Een beekje murmelt over kiezelsteenen; visschen zwemmen erin, een
boschje spreidt zijn takken als groene gordijnen over den oever. En
opnieuw volgt een opsomming van vogels: daar nestelen eenden, duiven,
reigers, fazanten.
Wat is het effekt van de uitgebreide uitwerking van het natuurtafereel in het
gedicht, vergeleken met het schilderstuk, de uitdrukking derhalve van
eenzelfde inspiratie met verschillende middelen?—Dat de schilder door den
aard van zijn kunst gedwongen is tot eenvoudige natuurgetrouwheid, terwijl
de dichter zich verliest in vormlooze oppervlakkigheid en het opsommen
van conventioneele motieven.
De poëzie staat in dit opzicht niet zoo na aan de schilderkunst als het proza.
Dit laatste is minder gebonden aan bepaalde motieven. Het beoogt soms

Page 323

nadrukkelijker de nauwkeurige weergave van een geziene werkelijkheid.
Het voert die uit met vrijer middelen. Daardoor vertoont het proza
misschien beter dan de poëzie de diepere verwantschap van litteratuur en
kunst.
De grondtrek van den laat-middeleeuwschen geest is zijn overmatig visueel
karakter. Deze staat in nauw verband met de atrophieering der gedachte. Er
wordt in gezichtsvoorstellingen gedacht. Alles wat men uitdrukken wil,
wordt neergelegd in een zichtbaar beeld. De volstrekte gedachtenleegheid
van de allegorische vertooningen of gedichten kon worden geduld, omdat
de bevrediging geheel in het geziene lag. De neiging om het uiterlijk
zichtbare onmiddellijk weer te geven vond een sterker en volkomener uiting
door picturale middelen dan door litteraire. En eveneens een sterker uiting
door de middelen van het proza dan door die der poëzie. Vandaar dat het
proza der vijftiende eeuw in vele opzichten middenevenredig staat tusschen
de schilderkunst en de poëzie. Alle drie hebben zij gemeen de onbeteugelde
uitwerking der bijzonderheden, maar deze leidt in de schilderkunst en het
proza tot een direct realisme, dat de poëzie niet kent, zonder dat zij er veel
beters voor in de plaats heeft.
Het is met name één schrijver, in wiens werken dezelfde kristalheldere visie
op het uiterlijk der dingen ons treft, die Van Eyck heeft bezeten, namelijk
Georges Chastellain. Hij was een Vlaming uit het land van Aalst. Al noemt
hij zich "léal François", "François de naissance", het schijnt wel, dat het
Dietsch toch zijn moedertaal is geweest. La Marche noemt hem "natif
Flameng, toutesfois mettant par escript en langaige franchois". Hij zelf stelt
met nederig welgevallen zijn Vlaamsche eigenschappen van grove
landelijkheid in het licht; hij spreekt van "sa brute langue", noemt zich
"homme flandrin, homme de palus bestiaux, ygnorant, bloisant de langue,
gras de bouche et de palat et tout enfangié d'autres povretés corporelles à la
nature de la terre."[906] Aan dien volksaard dankt hij den al te zwaren
cothurnengang van zijn opgesierd proza, die plechtstatige "grandiloquence",
welke hem voor Fransche lezers altijd min of meer ongenietbaar maakt.
Zijn prachtstijl heeft een zekere elefantische plompheid; hij heet met recht
bij een tijdgenoot "cette grosse cloche si haut sonnant."[907]—Doch aan zijn
Vlaamschen aard dankt hij wellicht ook het scherp geziene en de sappige
kleurigheid, waarmee hij herhaaldelijk aan hedendaagsche Belgische
schrijvers doet denken.

Page 324

Tusschen Chastellain en Jan van Eyck is onmiskenbare verwantschap, bij
verschil in hoogheid. Van Eyck op zijn slechtst is ongeveer Chastellain op
zijn best, en het is al wel, om in het mindere Van Eyck te evenaren. Ik denk
bij voorbeeld aan de zingende engelen op het Gentsche altaarstuk. Die
zware gewaden, vol donker rood en goud en fonkelende steenen, die al te
uitdrukkelijke grimas, die ietwat beuzelachtige versiering van den
muzieklessenaar, dat vertegenwoordigt in de schilderkunst de pronkende
grootsprakigheid van den litterairen Bourgondischen hofstijl. Doch terwijl
in de schilderkunst dit rhetorische element een ondergeschikte plaats
inneemt, is het hoofdzaak in het proza van Chastellain. Zijn scherpe
observatie en levend realisme verdrinkt veelal in den vloed van al te fraai
aangekleede frazen en ronkende woordenpraal.
Zoodra evenwel Chastellain een gebeurtenis beschrijft, die zijn Vlaamschen
geest bijzonder boeit, komt er bij alle statigheid een directe, beeldende
forschheid in zijn verhaal, die het uiterst treffend maakt. Van gedachte is hij
niet rijker dan zijn tijdgenooten; het is de lang rondgegane pasmunt van
godsdienstige, zedelijke en ridderlijke overtuigingen, die bij hem als
gedachte fungeert. De voorstelling verloopt geheel aan de oppervlakte.
Doch de verbeelding is scherp en levend.
Zijn portret van Philips den Goede heeft bijna de onmiddellijkheid van een
Van Eyck.[908] Met de behagelijkheid van een chroniqueur, die in zijn hart
novellist is, heeft hij een bijzonder uitvoerig verhaal gegeven van een twist
tusschen den hertog en zijn zoon Karel uit het begin van het jaar 1457.
Nergens komt zijn sterk visueel opnemen van de dingen zoo goed uit; al de
uiterlijke omstandigheden van deze gebeurtenis zijn met volmaakte
scherpte weergegeven. Het zal noodig zijn, eenigszins omvangrijke
passages te citeeren.
Er was een kwestie over een post in de hofhouding van den jongen graaf
van Charolais. De oude hertog wilde, tegen een vroeger gegeven belofte, de
plaats gunnen aan een der Croy's, bij hem in blakende gunst; Karel, die deze
gunst ongaarne zag, verzette zich er tegen.

"Le duc donques par un lundy qui estoit le jour Saint-Anthoine,[909] après sa
messe, aiant bien désir que sa maison demorast paisible et sans discention
entre ses serviteurs, et que son fils aussi fist par son conseil et plaisir, après

Page 325

que jà avoit dit une grant part de ses heures et que la cappelle estoit vuide
de gens, il appela son fils à venir vers luy et lui dist doucement: "Charles,
de l'estrif qui est entre les sires de Sempy et de Hémeries pour le lieu de
chambrelen, je vueil que vous y mettez cès et que le sire de Sempy
obtiengne le lieu vacant." Adont dist le conte: "Monseigneur, vous m'avez
baillié une fois vostre ordonnance en laquelle le sire de Sempy n'est point,
et monseigneur, s'il vous plaist, je vous prie que ceste-là je la puisse
garder."—"Déa, ce dit le duc lors, ne vous chailliez des ordonnances, c'est à
moy à croistre et à diminuer, je vueil que le sire de Sempy y soit
mis."—"Hahan! ce dist le conte (car ainsi jurait tousjours), monseigneur, je
vous prie, pardonnez-moy, car je ne le pourroye faire, je me tiens à ce que
vous m'avez ordonné. Ce a fait le seigneur de Croy qui m'a brassé cecy, je le
vois bien."—"Comment, ce dist le duc, me désobéyrez-vous? ne ferez-vous
pas ce que je vueil?"—"Monseigneur, je vous obéyray volentiers, mais je ne
feray point cela." Et le duc, à ces mots, enfelly de ire, respondit: "Hà!
garsson, désobéyras-tu à ma volenté? va hors de mes yeux," et le sang,
avecques les paroles, lui tira à coeur, et devint pâle et puis à coup enflambé
et si espoentable en son vis, comme je l'oys recorder au clerc de la chapelle
qui seul estoit emprès luy, que hideur estoit à le regarder"....
Is dit niet krachtig? het stille begin, het in korte woordenwisseling
opvlammen van den toorn, de hortende spraak van den zoon, waarin men
als 't ware den heelen Karel den Stoute al herkent?
De blik, dien de hertog op zijn zoon werpt, verschrikt de hertogin (wier
aanwezigheid tot dusver nog niet was vermeld) zoozeer, dat zij haastig, haar
zoon voor zich uit duwende, uit het bidvertrek,[910] door de kapel, zwijgend,
haar gemaal's toorn wil ontvlieden. Maar zij moesten verscheiden hoeken
om tot de deur, en de klerk had den sleutel. "Caron, ouvre-nous", zegt de
hertogin, maar de klerk valt haar te voet, en smeekt, dat haar zoon
vergiffenis moge vragen, eer zij de kapel verlaten. Zij wendt zich met een
smeekende vermaning tot Karel, doch deze antwoordt hooghartig en luid:
"Déa, madame, monseigneur m'a deffendu ses yeux et est indigné sur moy,
par quoy, après avoir eu celle deffense, je ne m'y retourneray point si tost,
ains m'en yray à la garde de Dieu, je ne sçay où." Toen klinkt opeens de
stem van den hertog, die, mat van woede, in zijn bidstoel is blijven zitten ...
en de hertogin, in doodelijken angst, tot den klerk: "Mon amy, tost, tost
ouvrez-nous, il nous convient partir ou nous sommes morts."

Page 326

—Nu werkt bij Philips het felle bloed der Valois bedwelmend: in zijn
vertrekken teruggekeerd, vervalt de oude hertog in een soort van
jongensachtige verdwazing. Tegen den avond rijdt hij, alleen en
onvoldoende beschut, heimelijk uit Brussel. "Les jours pour celle heurre
d'alors estoient courts, et estoit jà basse vesprée quant ce prince droit-cy
monta à cheval, et ne demandoit riens autre fors estre emmy les champs
seul et à par luy. Sy porta ainsy l'aventure que ce propre jour-là, après un
long et âpre gel, il faisoit un releng,[911] et par une longue épaisse bruyne,
qui avoit couru tout ce jour la, vesprée tourna en pluie bien menue, mais
très-mouillant et laquelle destrempoit les terres et rompoit glasces avecques
vent qui s'y entrebouta." Is dit geen Camille Lemonnier?
Dan volgt de beschrijving van den nachtelijken dwaaltocht door velden en
bosschen, waarin het levendste naturalisme en een zonderling gewichtig
doende, moraliseerende rhetoriek merkwaardig zijn dooreengemengd.
Vermoeid en hongerig zwerft de hertog rond; op zijn roepen klinkt geen
antwoord. Een rivier, die hem een weg toeschijnt, lokt hem; het paard
schrikt nog te rechter tijd terug. Hij valt met het paard en verwondt zich.
Vergeefs luistert hij naar een hanengekraai of het blaffen van een hond, dat
hem naar menschenwoningen zou kunnen leiden. Eindelijk ziet hij een
lichtschijnsel, dat hij tracht te naderen; hij verliest het weer, vindt het terug,
en bereikt het tenslotte. "Mais plus l'approchoit, plus sambloit hideuse
chose et espoentable, car feu partoit d'une mote [912] d'en plus de mille
lieux, avecques grosse fumière, dont nul ne pensast à celle heure fors que ce
fust ou purgatoire d'aucune âme ou autre illusion de l'ennemy...." Hij houdt
plotseling stil. Maar opeens herinnerde hij zich, hoe de kolenbranders diep
in het woud hun kolen plegen te branden. Het was zulk een brandheuvel,
maar geen huis of hut was in de nabijheid. Eerst na hernieuwd dwalen
brengt het blaffen van een hond hem bij de hut van een armen man, waar hij
rust en spijziging vindt.
Dergelijke treffende gedeelten uit het werk van Chastellain zijn de
beschrijving van den burgerlijken tweekamp te Valenciennes, de nachtelijke
twist van het Friesche gezantschap in Den Haag met de Bourgondische
edelen, die zij in hun nachtrust storen, door op de bovenkamer op klompen
krijgertje te spelen, het tumult te Gent in 1467, toen Karel's eerste bezoek

Page 327

als hertog samenvalt met de kermis te Houthem, vanwaar het volk met den
schrijn van Sint Lieven terugkeert. [913]
Telkens bemerkt men aan ongewilde kleinigheden, hoe sterk de schrijver al
de uiterlijke dingen ziet. De hertog, die tegenover het volksoproer staat,
heeft voor zijn gezicht "multitude de faces en bacinets[914] enrouillés et
donc les dedans estoient grignans barbes de vilain, mordans lèvres." Het
roepen gaat van omlaag naar omhoog. De kerel, die zich naast den hertog
aan het venster dringt, draagt een handschoen van zwart gevernist ijzer,
waarmee hij op de vensterbank slaat, om stilte te gebieden.[915]
Dit nauwkeurig en direct waargenomene te beschrijven in een kernachtig
eenvoudig woord is in het litteraire, wat de geweldige visueele scherpte van
Van Eyck tot volmaaktheid van uitdrukking in de schilderkunst vermocht.
In de letterkunde wordt dat naturalisme veelal gestoord en in de uitdrukking
belemmerd door conventioneele vormen, en het blijft uitzondering te
midden van bergen dorre rhetoriek, terwijl het in de schilderkunst schittert
als bloesems aan een appelboom.
De schilderkunst is hier in middelen van uitdrukking de litteratuur verre
voor. Zij heeft reeds een verwonderlijke virtuositeit in het weergeven van
lichteffekten. Het zijn vooral de miniaturisten, die er naar streven, den
schijn van een oogenblik vast te leggen. In het schilderij ziet men die gave
eerst ten volle ontplooid in de Geboorte van Geertgen tot Sint Jans. De
verluchters hebben reeds lang te voren het spel van toortslicht op harnassen
beproefd in Christus' gevangenneming. Een stralende zonsopgang is reeds
gelukt aan den meester, die koning Réné's Coeur d'amour épris illustreerde.
Die van de Heures d'Ailly heeft al het doorbreken van de zon na een storm
aangedurfd.[916]
De letterkunde beschikt voor het opzettelijke weergeven van lichteffekten
nog slechts over primitieve middelen. Een groote gevoeligheid voor
lichtglans en schittering is er wel; gelijk hierboven betoogd werd, wordt
zelfs de schoonheid in de eerste plaats als glans en schittering bewust. Alle
schrijvers en dichters der vijftiende eeuw merken gaarne den glans van het
zonlicht op, den schijn van kaarsen en toortsen, de spiegeling van
glimplichten op helmen en wapens. Doch het blijft een eenvoudig
vermelden, er is nog geen litterair procédé tot beschrijving er van.

Page 328

Het litteraire equivalent van het lichteffekt in de schilderkunst is veeleer op
een ander gebied te zoeken. Hier wordt de indruk van het oogenblik
bovenal vastgehouden door een levendig gebruik van de directe rede. Er is
nauwelijks een letterkunde, die er zoo op uit is, de samenspraak altijd
onmiddellijk weer te geven. Het ontaardt in een vermoeiend misbruik: zelfs
de uiteenzetting van een politieken toestand wordt door Froissart en de
zijnen in vraag en antwoord ingekleed. De eeuwige beurtspraken van
plechtigen val en hollen klank verhoogen somtijds de eentonigheid, inplaats
van haar te breken. Dikwijls echter ook komt de illusie van het
onmiddellijke en oogenblikkelijke er wel treffend uit te voorschijn.
Froissart vooral is in die levendige wisselrede een meester.
"Lors il entendi les nouvelles que leur ville estoit prise. (Het gesprek gaat
roepende.) 'Et de quel gens?', demande-il. Respondirent ceulx qui a luy
parloient: 'Ce sont Bretons!'—'Ha, dist-il, Bretons sont mal gent, ils
pilleront et ardront la ville et puis partiront.' (Vervolgens weer roepende):
'Et quel cry crient-ils?' dist le chevalier.—'Certes, sire, ils crient La
Trimouille!"
Om een zekeren haastigen gang in zulk een gesprek te brengen, gebruikt
Froissart den vasten truc, den aangesprokene het laatste woord van den
spreker verwonderd te laten herhalen.—"Monseigneur, Gaston est
mort.'—'Mort?' dist le conte.—'Cestes, mort est-il pour vray, monseigneur."
Elders: "Si luy demanda, en cause d'amours et de lignaige, conseil.
—'Conseil', respondi l'archevesque, 'certes, beaux nieps, c'est trop tard.
Vous voulés clore l'estable quant le cheval est perdu."[917]

Page 329

Ook de poëzie past dit stijlmiddel ruimschoots toe. In een korten versregel
wisselen soms vraag en antwoord tot tweemaal toe:
"Mort, je me plaing.—De qui?—De toy.
—Que t'ay je fait?—Ma dame as pris.
—C'est vérité.—Dy moy pour quoy.
—Il me plaisoit.—Tu as mespris."[918]
Hier is het telkens afgebroken beurtgesprek van middel reeds doel
geworden: een virtuositeit. De dichter Jean Meschinot heeft die
kunstvaardigheid tot het uiterste weten op te voeren. In een ballade, waarin
het arme Frankrijk haar koning (Lodewijk XI) zijn schuld voorhoudt,
wisselt de rede in elk der dertig regels van drie tot vier keer. En het moet
gezegd worden, dat de werking van het gedicht als politieke satire onder
dien vreemden vorm niet lijdt. Ziehier de eerste strofe:
"Sire ...—Que veux?—Entendez....—Quoy?—Mon cas.
—Or dy.—Je suys....—Qui?—La destruicte France!
—Par qui?—Par vous.—Comment?—En tous estats.
—Tu mens.—Non fais.—Qui le dit?—Ma souffrance.
—Que souffres tu?—Meschief.—Quel?—A oultrance.
—Je n'en croy rien.—Bien y pert[919]—N'en dy plus!
—Las! si feray.—Tu perds temps.—Quelz abus!
—Qu'ay-je mal fait?—Contre paix.—Et comment?
—Guerroyant....—Qui?—Vos amys et congnus.
—Parle plus beau.—Je ne puis, bonnement."[920]
Een andere uiting van dit oppervlakkige naturalisme in de litteratuur van
dezen tijd is het volgende. Hoewel Froissart's zin gericht is op het
beschrijven van ridderlijke heldendaden, geeft hij toch, zijns ondanks zou
men zeggen, in hooge mate de prozaïsche realiteit van den oorlog.
Evengoed als Commines, die maling had aan de ridderij, beschrijft Froissart
juist bijzonder goed de vermoeienis, de vergeefsche vervolgingen, de
bewegingen zonder samenhang, het onrustige van een nachtverblijf. Hij
weet meesterlijk talmen en wachten te beschrijven. [921]
In het sobere en exacte verhaal van de uiterlijke omstandigheden van een
gebeurtenis bereikt hij soms zelfs een bijna tragische kracht, zooals in dat

Page 330

van den dood van den jongen Gaston Phébus, door zijn vader in drift
doorstoken.[922]—Hij werkt zoo fotografisch, dat men onder zijn woorden
de qualiteit van de vertellers, die hem zijn eindelooze faits divers
meedeelden, kan herkennen. Alles bij voorbeeld, wat hij dankt aan zijn
reisgenoot den ridder Espaing du Lyon, is voortreffelijk verteld. Overal
waar de litteratuur eenvoudig observeerend werkt, zonder belemmering
door conventie, is zij met de schilderkunst vergelijkbaar, al evenaart zij haar
niet.
Juist omdat het aankomt op de onbevangen observatie van een geval, dat
verhaald zal worden, moet men de litteraire schilderingen, die de
schilderkunst het meest nabij komen, niet zoeken in de beschrijving der
natuur. Want deze berust in de vijftiende eeuw nog niet op directe
onbevangen observatie. Men vertelt een geval, omdat het belang inboezemt,
en geeft dan de uiterlijke omstandigheden weer, zooals een gevoelige plaat
ze opneemt. Van een bewust litterair procédé is daar nog geen sprake. Maar
de natuurschildering, die in de schilderkunst als accessoire fungeert, dus
onbevangen geschiedt, is in de letterkunde een bewust kunstmiddel. In de
schilderkunst was de natuurafbeelding louter bijwerk, en kon daardoor
zuiver en sober blijven. Juist omdat de vergezichten er voor het onderwerp
niet op aan kwamen, niet deel hadden in den hieratischen stijl, konden de
schilders der vijftiende eeuw in hun landschap een mate van harmonische
natuurlijkheid geven, die de strenge ordonnantie van hun onderwerp hun
nog in de hoofdvoorstelling ontzegde. De Egyptische kunst vertoont van dit
verschijnsel een zuivere parallel: zij geeft in het modelleeren van een
slavenfiguurtje, omdat het niet ter zake doet, den vormencode prijs, die
anders de menschelijke gestalte verwringt, zoodat dan de mensenfiguren
dezelfde onvergelijkelijke sobere natuurgetrouwheid bezitten als de
dierfiguren.
Hoe minder verband het landschap houdt met de centrale voorstelling, des
te harmonischer en natuurlijker wordt het in zich zelf afgesloten. Achter de
drukke, bizarre, pompeuze aanbidding der koningen in de Très riches
heures de Chantilly[923] verrijst het gezicht op Bourges in verdroomde
teerheid, volmaakt van atmosfeer en rythme.
In de litteratuur zit de natuurbeschrijving nog geheel gehuld in het kleed der
pastorale. Hierboven is reeds gesproken van den hoofschen strijd voor en

Page 331

tegen het eenvoudig buitenleven. Het was evenals in de dagen, dat
Rousseau opgang maakte, goede toon, dat men zich de ijdelheid van het
hofleven moe bekende, en een wijze hofvlucht affecteerde, om zich te
vergenoegen met het bruine brood en de zorgelooze liefde van Robin en
Marion. Het was een sentimenteele reactie op de volbloedige praal en het
trotsche egoïsme der werkelijkheid, niet ten eenenmale onecht, maar toch in
hoofdzaak een litteraire houding.
In die houding hoort de liefde tot de natuur. De poëtische uitdrukking ervan
is een conventie. De natuur was een gezocht element in het groote
gezelschapsspel der hoofsch-erotische cultuur. De uitdrukking der
schoonheid van bloemen en vogelgezang werd opzettelijk gecultiveerd in
de geijkte vormen, die ieder speler verstond. Zoodoende staat de
natuurbeschrijving in de letterkunde op een geheel ander niveau dan in de
schilderkunst.
Buiten het herdersdicht en het obligate motief van den lentemorgen als
aanhef bestaat er nog nauwelijks behoefte aan natuurbeschrijving. Een
enkele maal mogen er in het verhaal eens een paar woorden van
natuurschildering invloeien, zooals toen Chastellain den invallenden dooi
beschreef (en juist de onopzettelijke natuurschildering is dan doorgaans
verreweg het meest suggestief), het blijft de pastorale poëzie, waarin men
het opkomen van het litteraire natuurgevoel moet nagaan. Naast de
bladzijden van Alain Chartier, die hierboven werden aangehaald, om het
effekt van de uitwerking der détails in het algemeen te laten zien, kan men
bij voorbeeld leggen het gedicht Regnault et Jehanneton, waarin de
koninklijke herder René zijn liefde voor Jeanne de Laval verkleedt. Ook
hier geen saamgehouden visie op een stuk natuur, geen eenheid zooals de
schilder door kleur en licht aan zijn landschap kon geven, maar een
gemoedelijke aaneenrijging van bijzonderheden. De zingende vogels een
voor een, de insecten, de kikvorschen, dan de ploegende boeren:
"Et d'autre part, les paisans au labour
Si chantent hault, voire sans nul séjour,
Resjoyssant
Leurs beufs, lesquelx vont tout-bel charruant
La terre grasse, qui le bon froment rent;
Et en ce point ilz les vont rescriant,

Page 332

Selon leur nom:
A l'un Fauveau et l'autre Grison,
Brunet, Blanchet, Blondeau ou Compaignon;
Puis les touchent tel foiz de l'aiguillon
Pour avancer."[924]
Er is wel frischheid in en een blij geluid, maar denk nu eens aan de
kalendervoorstellingen der getijboeken. Koning René geeft om zoo te
zeggen al de ingrediënten voor een goede natuurbeschrijving, een palet met
kleuren, maar meer niet. Verderop, waar het vallen van den avond
beschreven wordt, is de poging om een stemming uit te drukken
onmiskenbaar. De andere vogels zwijgen, maar de kwartel roept nog,
patrijzen snorren naar hun leger, herten en konijnen komen te voorschijn.
Nog even schijnt de zon op een torenspits, dan wordt de lucht koel, uilen en
vleermuizen beginnen rond te vliegen, en het klokje der kapel luidt het Ave.
De kalenderbladen van de Très-riches heures geven ons gelegenheid,
eenzelfde motief in kunst en litteratuur te vergelijken. Men kent de
glorieuze kasteelen, die in het werk der gebroeders Van Limburg den
achtergrond van het maandwerk vullen. Zij hebben hun litterair pendant in
het dichtwerk van Eustache Deschamps. In een zevental korte gedichten
zingt deze den lof van verscheiden Noord-fransche kasteelen: Beauté, dat
later Agnes Sorel zou herbergen, Bièvre, Cachan, Clermont, Nieppe, Noroy
en Coucy.[925] Deschamps had een dichter van heel wat machtiger
vleugelslag moeten zijn, om hier te bereiken, wat de gebroeders Van
Limburg in deze teerste en fijnste uitingen der miniatuurkunst wisten uit te
drukken. Op het Septemberblad rijst achter den wijnoogst het kasteel van
Saumur als uit een droom omhoog: de torenspitsen met hun hooge
windvanen, de pinnakels, de lelieornamenten op de tinnen, de twintig
slanke schoorsteenen, het bloeit op als een wild perk van hooge witte
bloemen in de donkerblauwe lucht. Daarnaast de majestueuze breede ernst
van het vorstelijk Lusignan op het Maartblad, de sombere torens van
Vincennes dreigend uitstekende boven de dorre blaren van het bosch van
December.[926]
Had de dichter, deze althans, een gelijkwaardig middel, om zulke gezichten
te evoceeren? Natuurlijk niet. De beschrijving der bouwkunstige vormen
van het kasteel, zooals in het gedicht op Bièvre, kon geen effekt opleveren.

Page 333

Een optelling van de geneuchten, die het kasteel biedt, dat is eigenlijk alles,
wat hij weet te geven. Uit den aard der zaak ziet de schilder naar het kasteel
toe, en de dichter van het kasteel uit.
"Son filz ainsné, daulphin de Viennois,
Donna le nom à ce lieu de Beauté.
Et c'est bien drois, car moult est delectables:
L'en y oit bien le rossignol chanter;
Marne l'ensaint, les haulz bois profitables
Du noble parc puet l'en veoir branler....
Les prez sont pres, les jardins deduisables,
Les beaus preaulx, fontenis bel et cler,
Vignes aussi et les terres arables,
Moulins tournans, beaus plains à regarder."
Welk een verschil in werking is hier! Toch hebben de afbeelding en het
gedicht hier zoowel procédé als stof gemeen: zij sommen het zichtbare (en
voor het gedicht ook het hoorbare) op. Maar des schilders blik is vast
gericht: hij moet, opsommende, toch eenheid, beperking en samenhang
geven. Paul van Limburg kan in zijn Februari-tafereel al de dingen van den
winter opeenhoopen: de boeren zich warmend voor het vuur, het waschgoed
dat te drogen hangt, de bonte kraaien op de sneeuw, de schaapskooi, de
bijenkorven, de tonnen en de kar, en het heele wintersche verschiet met het
stille dorpje en de eenzame hofstede op den heuvel. De rustige eenheid van
het beeld blijft volmaakt. Des dichters blik evenwel dwaalt rond, vindt geen
rustpunt; hij geeft de eenheid niet.
De vorm is den inhoud voor. In de litteratuur zijn vorm en inhoud beide
oud, in de schilderkunst is de inhoud oud, maar de vorm nieuw. In de
schilderkunst bergt de vorm veel meer van de uitdrukking dan in de
litteratuur. De schilder kan al de onuitgesproken wijsheid in den vorm
leggen: de idee, de stemming, de psychologie, alles geeft hij zonder zich te
behoeven kwellen om er taal van te maken. Het tijdperk is overwegend
visueel. Dit verklaart de superioriteit van de picturale boven de litteraire
uitdrukking: een litteratuur, die overwegend visueel waarneemt, schiet te
kort.

Page 334

De dichtkunst der vijftiende eeuw schijnt bijna zonder nieuwe gedachten te
leven. Er is een algemeene onmacht tot nieuwe fictie; het is slechts
bewerken, moderniseeren van de oude stof. Er is een pauze in de gedachte;
de geest is klaar met het middeleeuwsch gebouw, en talmt vermoeid. Er is
leegheid en dorheid. Men vertwijfelt aan de wereld; alles gaat achteruit; er
is een sterke malaise van gemoed. Deschamps verzucht:
"Helas! on dit que je ne fais mès rien,
Qui jadis fis mainte chose nouvelle;
La raison est que je n'ay pas merrien (stof)
Dont je fisse chose bonne ne belle."[927]
Niets schijnt ons meer te getuigen van stilstand en verval dan het ontrijmen
van de oude ridderromans en andere gedichten tot ellenlang effen proza.
Toch beduidt die "dérimage" der vijftiende eeuw een overgang tot een
nieuwen geest. Het is het afscheid aan de gebonden rede als primair
uitdrukkingsmiddel, het afscheid aan den stijl van den middeleeuwschen
geest. Nog in de dertiende eeuw kon men alles in rijm brengen, tot
geneeskunde en natuurlijke historie toe, evenals de Oud-Indische
letterkunde alle wetenschap in versvorm bracht. De gebonden vorm
beduidt, dat de voordracht het beoogde middel van mededeeling is. Niet de
persoonlijke, gevoelvolle, expressieve voordracht, maar het opdreunen. De
nieuwe behoefte aan proza beduidt de zucht naar expressie, de opkomst van
het moderne lezen tegenover de oude voordracht. Daartoe dient ook de
verdeeling van de stof in kleine kapittels met resumeerende opschriften, die
in de vijftiende eeuw algemeen wordt. Aan het proza worden naar
verhouding hooger eischen gesteld dan aan de poëzie; in den ouden
rijmvorm slikt men alles nog.
Doch de hoogere qualiteit in het algemeen van het proza zit in zijn formeele
elementen; nieuwe gedachte heeft het evenmin. Froissart is het volledige
type van den geest, die in het woord niet denkt, maar enkel verbeeldt. Hij
heeft nauwelijks gedachten, enkel voorstellingen van feiten. Hij kent slechts
een paar zedelijke motieven en gevoelens: trouw, eer, hebzucht, moed, en
die alleen in hun allereenvoudigsten vorm. Hij gebruikt geen theologie,
geen allegorie, geen mythologie, ternauwernood eenige moraal; hij vertelt
maar door, correct, moeiteloos, geheel adequaat aan het geval, maar toch
inhoudloos en nooit treffend, met de mechanische uiterlijkheid, waarmee de

Page 335

bioscoop de werkelijkheid weergeeft. Zijn bespiegelingen zijn van
ongeëvenaarde banaliteit: alles verveelt, niets is zekerder dan de dood, soms
verliest men en soms wint men. Bij bepaalde voorstellingen treden met
werktuigelijke zekerheid vaste uitspraken op: bij voorbeeld zoo dikwijls hij
van Duitschers spreekt, zegt hij, dat zij hun gevangenen slecht behandelen
en bijzonder hebzuchtig zijn.[928]
Zelfs wat men gewoonlijk van Froissart citeert als puntig gezegde, verliest
veelal die kracht in den samenhang. Het geldt als een scherpe karakteristiek
van den eersten hertog van Bourgondië, wanneer Froissart hem noemt
"sage, froid et imaginatif, et qui sur ses besognes veoit au loin." Maar
Froissart zegt het van iedereen![929] Ook het bekende "Ainsi ot messire
Jehan de Blois femme et guerre qui trop luy cousta," [930] heeft
welbeschouwd in het verband niet de pointe, die men erin voelt.
Eén element mist Froissart: het rhetorische. Juist de rhetoriek was het die
den tijdgenoot het gemis aan nieuwen inhoud in de literatuur vergoedde. Hij
zwelgde in de praal van den versierden stijl; de gedachten schijnen hem
nieuw door hun statigen dos. Zij dragen alle stijve brokaatgewaden. De
begrippen van eer en plicht dragen het bonte pak van den ridderlijken waan.
De natuurzin steekt in de plunje van de pastorale en de liefde in het
knellendste van al, de allegorie van den Roman de la Rose. Geen enkele
gedachte is naakt en vrij. Zij kunnen zich haast niet anders meer bewegen
dan voortschrijdende in rustige maat, in eindelooze optochten.
Dit rhetorisch-versierende element ontbreekt overigens volstrekt niet in de
beeldende kunst. Er zijn tal van partijen, die men geschilderde rederijkerij
zou kunnen noemen. Zoo bijvoorbeeld op Van Eyck's Madonna van den
kanunnik Van de Paele de Sint Joris, die den stichter aan de Maagd
aanbeveelt. Hoe duidelijk heeft de kunstenaar willen antikiseeren in dat
gouden harnas en den pronkhelm; hoe slap rhetorisch is het gebaar,
waarmee de heilige optreedt. De aartsengel Michael op het Dresdensche
triptiekje draagt denzelfden al te fraaien tooi. Ook het werk van Paul van
Limburg vertoont dat bewust rhetorische element, in de overrijke, bizarre
praal waarmee de drie koningen optreden, in het streven naar een exotische,
theatrale uitdrukking, dat onmiskenbaar is.

Page 336

De poëzie der vijftiende eeuw is op haar best, wanneer zij geen
zwaarwichtige gedachte poogt uit te drukken, en ontslagen is van de taak,
om het mooi te doen. Wanneer zij maar even een gezicht, een stemming
oproept. Haar werking berust op haar formeele elementen: het beeld, den
toon, het rythme. Vandaar dat zij weinig vermag in de werken van hoogen
opzet en langen adem, waar de rythmische en toonqualiteiten ondergeschikt
zijn, maar frisch kan zijn in de genres, waar de vorm hoofdzaak is: het
rondeau, de ballade, die doorgaans op één lichte gedachte zijn gebouwd, en
hun kracht ontleenen aan visie, toon en rythme. Het zijn de eenvoudig en
onmiddellijk beeldende eigenschappen van het volkslied; daar waar het
kunstlied zich het naast aansluit aan het volkslied, gaat er de meeste
bekoring van uit.
In de veertiende eeuw heeft een kentering plaats in de verhouding van
lyrische dichtkunst en muziek. In de oudere periode was het gedicht
onverbrekelijk aan muzikale voordracht gebonden, zelfs niet alleen het
lyrische; immers men neemt aan, dat ook de chansons de geste gezongen
werden, elk vers van tien of twaalf syllaben op dezelfde wijs (juist als de
Indische çloka). Het normale type van den middeleeuwschen lyrischen
dichter is hij, die zoowel het gedicht als de muziek er op maakt. Dat doet in
de veertiende eeuw nog Guillaume de Machaut. Hij is het tevens, die de
meest gebruikelijke lyrische vormen voor zijn tijd fixeert: de balladen, het
rondeau enz.; hij vindt den vorm van het débat. Machaut's rondeau's en
balladen kenmerken zich door groote effenheid, weinig kleur, nog minder
gedachte; en dat mochten zij, want zij waren maar de helft van 's dichters
werk: het liedje op muziek is er te beter om, als het niet te expressief en te
bont is, zooals dit simpele rondel:
"Au departir de vous mon cuer vous lais
Et je m'en vois dolans et esplourés.
Pour vous servir, sans retraite jamais,
Au departir de vous mon cuer vous lais.
Et par m'ame, je n'arai bien ne pais
Jusqu'au retour, einsi desconfortés.
Au departir de vous mon cuer vous lais
Et je m'en vois dolans et esplourés."[931]

Page 337

Deschamps is niet meer zelf de toondichter van zijn balladen, en hij is dan
ook veel bonter en drukker dan Machaut, daardoor dikwijls
belangwekkender, maar lager van poëtischen stijl. Natuurlijk sterft het ijle,
lichte, bijna inhoudlooze, voor muziek bestemde gedicht niet af, wanneer de
dichters er niet zelf meer de muziek op maken. Het rondel bewaart den
trant, zooals bij voorbeeld dit van Jean Meschinot:
"M'aimerez-vous bien,
Dictes, par vostre ame?
Mais (mits) que je vous ame
Plus que nulle rien (ding),
M'aimerez-vous bien?
Dieu mit tant de bien
En vous, que c'est basme (balsem);
Pour ce je me clame
Vostre. Mais combien
M'aimerez-vous bien?"[932]
Het zuivere, eenvoudige talent van Christine de Pisan leende zich bijzonder
voor deze vluchtige effekten. Zij heeft even gemakkelijk verzen gemaakt
als al haar tijdgenooten, zeer weinig gevarieerd in vorm en gedachte, effen
en weinig gekleurd, stil en rustig, met een lichte, geestige melancholie. Het
zijn echt litteraire gedichten, volkomen hoofsch van toon en gedachte. Zij
doen denken aan die ivoren plaques der veertiende eeuw, die in zuiver
conventioneele afbeelding steeds weer dezelfde motieven geven: een
jachttafereel, een motief uit Tristan et Yseult of uit den Roman de la rose,
gracieus, koel en bekoorlijk. Waar nu Christine met haar zachte hoofschheid
tegelijk den toon van het volkslied treft, ontstaat soms iets heel zuivers.
Een weerzien:
"Tu soies le très bien venu,
M'amour, or m'embrace et me baise
Et comment t'es tu maintenu
Puis ton depart? Sain et bien aise
As tu esté tousjours? ça vien
Coste moy, te sié et me conte
Comment t'a esté, mal ou bien,

Page 338

Car de ce vueil savoir le compte.
—Ma dame, a qui je suis tenu
Plus que aultre, a nul n'en desplaise,
Sachés que desir m'a tenu
Si court qu'oncques n'oz tel mesaise,
Ne plaisir ne prenoie en rien
Loings de vous. Amours, qui cuers dompte.
Me disoit: "Loyauté me tien,
Car de ce vueil savoir le compte."
—Dont m'as tu ton serment tenu,
Bon gré t'en sçay, par saint Nicaise;
Et puis que sain es revenu
Joye arons assez; or t'apaise
Et me dis se scez de combien
Le mal qu'en as eu a plus monte
Que cil qu'a souffert le cuer mien,
Car de ce vueil savoir le compte.
—Plus mal que vous, si com retien,
Ay eu, mais dites sanz mesconte,
Quans baisiers en aray je bien?
Car de ce vueil savoir le compte."[933]
Een gemis:
"Il a au jour d'ui un mois
Que mon ami s'en ala.
Mon cuer remaint morne et cois,
Il a au jour d'ui un mois.
"A Dieu, me dit, je m'en vois";
Ne puis a moy ne parla,
Il a au jour d'ui un mois."[934]
Een overgave:
"Mon ami, ne plourez plus;

Page 339

Car tant me faittes pitié
Que mon cuer se rent conclus
A vostre doulce amistié.
Reprenez autre maniere;
Pour Dieu, plus ne vous doulez,
Et me faittes bonne chiere:
Je vueil quanque vous voulez."
............................................
Het is de teere, spontane vrouwelijkheid van deze gedichtjes, ontdaan van
de mannelijk-gewichtige, fantastische bespiegeling, en van den bonten
opschik met de Rose-figuren, die ze voor ons genietbaar maakt. 't Is maar
een enkele even ontwaarde stemming, die geboden wordt. Het thema heeft
maar even in het hart geklonken, en is toen direct verbeeld, zonder dat de
gedachte er aan te pas kwam. Maar daarom ook vertoont deze poëzie zoo
bijzonder dikwijls die eigenschap, welke zoowel in muziek als poëzie alle
tijdperken kenmerkt, waarin de inspiratie uitsluitend op de enkele visie van
een oogenblik berust: het thema is zuiver en sterk, het lied begint in een
klaar en vast geluid, als een merelslag, maar reeds na de eerste strofe heeft
de dichter of toondichter zijn gegeven uitgezegd; de stemming zakt er uit
weg, en de uitwerking verloopt in zwakke rhetoriek. Het is de eeuwige
teleurstelling, die bijna alle dichters der vijftiende eeuw u bereiden.
Hier een voorbeeld uit de balladen van Christine:
"Quant chacun s'en revient de l'ost
Pour quoy demeures tu derriere?
Et si scez que m'amour entiere
T'ay baillée en garde et depost."[935]
Men zou een fijne, middeleeuwsch-Fransche Lenore-ballade verwachten.
Maar de dichteres had niets anders te zeggen dan dit begin, en in nog twee
korte onbelangrijke strofen draait zij er een eind aan.
Hoe frisch begint Le debat dou cheval et dou levrier van Froissart:
"Froissart d'Escoce revenoit
Sus un cheval qui gris estoit,
Un blanc levrier menoit en lasse.

Page 340

'Las', dist le levrier, 'je me lasse,
Grisel, quant nous reposerons?
Il est heure que nous mengons'."[936]
Doch deze toon wordt niet volgehouden, het gedicht zakt terstond. Het
thema is alleen gezien, niet gedacht. Ze zijn soms prachtig suggestief, de
thema's. In Pierre Michault's Danse aux Aveugles ziet men de menschheid
eeuwig dansende om de tronen van Liefde, Fortuin en Dood. [937] Maar de
uitwerking blijft van het begin af beneden het middelmatige. Een
naamlooze Exclamacion des os Sainct Innocent begint met den toeroep der
beenderen in de knekelgalerijen van het beroemde kerkhof:
"Les os sommes des povres trespassez.
Cy amassez par monceaulx compassez.
Rompus, cassez, sans reigle ne compas...."[938]
Een aanhef, om de luguberste doodsklacht op te bouwen; maar het wordt
niet anders dan een memento mori van twaalf in het dozijn.
Het zijn alles louter beeld-thema's. Voor den schilder behelst zulk een
enkele visie in zich zelf de stof tot de verst doorgevoerde uitwerking, maar
voor den dichter is zij niet genoeg.
Is dan de schilderkunst der vijftiende eeuw in uitdrukkingsvermogen de
litteratuur in alle opzichten de baas? Neen. Er blijven altijd gebieden,
waarop de litteratuur over rijker en meer directe uitdrukkingsmiddelen
beschikt dan de beeldende kunst. Zulk een gebied is bovenal dat van den
spot. De beeldende kunst kan, tenzij zij zich verlaagt tot caricatuur, slechts
een geringe potentie van het komische uitdrukken. Het komische, enkel
zichtbaar afgebeeld, heeft een neiging, weer in het ernstige over te gaan.
Slechts daar, waar de bijmenging van het komische element in de
levensverbeelding zeer gering is, waar het enkel kruiderij is, en niet den
eigen smaak van het gerecht overstemmen mag, kan de afbeelding gelijken
tred houden met de uitdrukking in woorden. Als zulk een komiek in
zwakste potentie kan men de genreschildering beschouwen.
Hier is de beeldende kunst nog volkomen op haar terrein. De ongebreidelde
uitwerking der détails, die wij hierboven aan de schilderkunst der vijftiende
eeuw toekenden, gaat ongemerkt over in het behagelijke vertellen van

Page 341

kleinigheden, in het genre-achtige. Bij den meester van Flémalle is de
gedétailleerdheid louter 'genre' geworden. Zijn Joseph de timmerman zit
muizenvallen te maken. Het genre-achtige steekt in al zijn détails: tusschen
de wijze, waarop Van Eyck en waarop de meester van Flémalle een
vensterblind laat openstaan, een buffetje of een haard schildert, is de stap
gedaan van de zuiver picturale visie naar het genre.
Doch reeds op dit gebied heeft nu het woord opeens een dimensie meer dan
de afbeelding. Het kan de gemoedsstemming expliciet weergeven. Denk
nog eens aan Deschamps' beschrijvingen van de schoonheid der kasteelen.
Ze waren eigenlijk mislukt en bleven oneindig ver achter bij wat de
miniatuurkunst daarvan wist te maken. Maar vergelijk nu de ballade, waar
Deschamps in een genretafereel beschrijft, hoe hij zelf ziek ligt in zijn
armzalig kasteeltje te Fismes.[939] De uilen, spreeuwen, kraaien, musschen,
die in zijn toren nestelen, houden hem uit den slaap:
"C'est une estrange melodie
Qui ne semble pas grant deduit
A gens qui sont en maladie.
Premiers les corbes font sçavoir
Pour certain si tost qu'il est jour:
De fort crier font leur pouoir,
Le gros, le gresle, sanz sejour;
Mieulx vauldroit le son d'un tabour
Que telz cris de divers oyseaulx,
Puis vient la proie;[940] vaches, veaulx,
Crians, muyans, et tout ce nuit,
Quant on a le cervel trop vuit,
Joint du moustier la sonnerie,
Qui tout l'entendement destruit
A gens qui sont en maladie."
's Avonds komen de uilen en verschrikken door hun klagelijk roepen den
zieke met doodsgedachten:
"C'est froit hostel et mal reduit
A gens qui sont en maladie."

Page 342

Zoodra maar een zweem van het komische, of ook maar van het
genoegelijk- vertellende, doordringt, werkt het aaneenrijgende,
opsommende procédé niet meer vermoeiend. Levendige schilderingen van
burgerlijke zeden, lange behagelijke beschrijvingen van het vrouwelijk
toilet breken de eentonigheid. In zijn lang allegorisch gedicht L'espinette
amoureuse verkwikt Froissart u plotseling met een opsomming van wel
zestig kinderspelen, die hij als kleine jongen te Valenciennes te spelen
placht.[941] De litteraire dienst van den duivel der gulzigheid heeft reeds een
aanvang genomen. De savoureuze maaltijden van Zola, Huysmans, Anatole
France hebben reeds hun prototypen in de Middeleeuwen. Hoe glimt de
gulzigheid, als Deschamps en Villon lekkebaarden naar malsche boutjes.
Hoe smakelijk beschrijft Froissart de Brusselsche bonvivants, die den
vetten hertog Wencelijn omringen in den slag bij Baesweiler; zij hebben
hun knechten bij zich met groote flesschen wijn aan den zadelknop, met
brood en kaas, pasteien van zalm, forellen en paling, alles netjes in kleine
servetten gewikkeld; zoo staan zij de slagorde in den weg.[942]
Door haar gave voor het genre-achtige is de litteratuur van dien tijd in staat,
ook het nuchterste in vers te brengen. Deschamps kan in een gedicht om
geld manen, zonder van zijn gewone dichterniveau af te dalen; hij bedelt in
een reeks van balladen om een beloofden tabbert, om brandhout, om een
paard, om achterstallig salaris.[943]
Het is maar één schrede van het genre-achtige naar het bizarre, het burleske,
of als men wil: het breugheleske. Ook in dezen vorm van het komische is de
schilderkunst nog gelijkwaardig aan de litteratuur. Het breughelsche
element is in de kunst omstreeks 1400 reeds ten volle aanwezig. Men vindt
het in den Joseph op Broederlam's Vlucht naar Egypte te Dijon, in de
slapende krijgsknechten op de Drie Maria's bij het graf, die aan Hubert van
Eyck zijn toegeschreven. Niemand is in het opzettelijk bizarre zoo sterk als
Paul van Limburg. Een toeschouwer bij Maria's tempelgang draagt een
ellenhooge, kromme toovenaarsmuts en mouwen van een vadem lang.
Burlesk is hij in de doopvont, die drie monsterachtige maskers draagt met
uitgestoken tong, en in de omlijsting van Maria en Elisabeth, waar een held
uit een toren een slak bevecht, een ander man op een kruiwagen een varken
kruit, dat den doedelzak speelt.[944]

Page 343

Bizar is de litteratuur der vijftiende eeuw haast op elke bladzijde; haar
gekunstelde stijl, de zonderling fantastische aankleeding van haar
allegorieën getuigt het. Motieven, waaraan Breughel zijn uitgelaten fantazie
zou botvieren, zooals het Débat de Carême et de Mardi Gras, Débat de chair
et de poisson, zijn in de litteratuur der vijftiende eeuw reeds zeer in trek.
Breughelsch in den hoogsten zin schijnt een felle visie als van Deschamps,
waar de wachter de troepen, die zich te Sluis verzamelen tegen Engeland,
als een heirleger van ratten en muizen ziet:
"'Avant, avant! tirez-vous ça.
Je voy merveille, ce me semble.'
—'Et quoy, guette, que vois-tu là?'
'Je voy dix mille rats ensemble
Et mainte souris qui s'assemble
Dessus la rive de la mer....'
Een andermaal zit hij triest en verstrooid aan den maaltijd ten hove; opeens
ziet hij, hoe de hovelingen eten: de een kauwt als een varken, de ander
knabbelt als een muisje, een gebruikt zijn tanden als een zaag, deze vertrekt
zijn gezicht, bij genen veegt de baard op en neer, "al etende leken het
duivelen."[945]
Zoodra de litteratuur volksleven schildert, vervalt zij van zelve in dat
sappige, met luim gekruide realisme, dat in de beeldende kunst weldra zich
zoo bloeiend zou ontwikkelen. Chastellain's beschrijving van den armen
boer, die den verdwaalden hertog van Bourgondië opneemt, valt uit als een
stuk van Breughel.[946] De Pastorale wordt met haar schildering van etende,
dansende en vrijende herders telkens van haar sentimenteele en romantische
grondthema afgeleid naar het pad van een frisch naturalisme van licht
komische werking. Hier behoort ook de belangstelling voor het havelooze,
die zich zoowel in de litteratuur als in de beeldende kunst der vijftiende
eeuw reeds begint te openbaren. De kalenderminiaturen markeeren met
welgevallen de doorgesleten knieën van de maaiertjes in het koren, of de
schilderkunst de lompen van de bedelaars, die barmhartigheid vinden. Hier
begint de lijn, die over Rembrandt's etsen en Murillo's bedelknapen naar de
straattypen van Steinlen leidt.

Page 344

Doch hier springt ook weder het groote verschil der picturale en litteraire
appreciatie in het oog. Terwijl de beeldende kunst reeds het schilderachtige
van den bedelaar ziet, de bekoring van den vorm dus, is de litteratuur enkel
nog vervuld van de beteekenis van den bedelaar, 't zij zij hem beklaagt, of
prijst, of verwenscht. De prototypen nu van het litteraire realisme der
armoede-schildering liggen juist in die verwenschingen. De bedelaars
waren in het einde der Middeleeuwen een ontzettende plaag geworden. In
de kerken krioelde hun jammerlijke menigte, en belette den dienst met hun
geschreeuw en gedruisch; onder hen was veel kwaad volk, "validi
mendicantes". Het kapittel van Notre Dame te Parijs tracht in 1428 vergeefs
hen naar de kerkdeuren te verwijderen, en slaagt er slechts later in, hen
althans uit het koor naar het schip der kerk te verwijzen.[947] Deschamps
wordt niet moede, zijn haat tegen die ellendigen te luchten; hij scheert hen
allen over één kam als huichelaars en bedriegers: ranselt hen de kerk uit,
hangt ze op, verbrandt ze![948] Vanhier naar de moderne litteraire
schildering der ellende schijnt de weg veel langer dan die, welke de
beeldende kunst had af te leggen; in de schilderkunst vulde zich het beeld
vanzelf met nieuw sentiment, in de literatuur moest het langzaam rijpende
sociale gevoel zich eerst geheel nieuwe vormen van uitdrukking scheppen.
Waar het komische element, zwakker of sterker, grover of fijner, in de
uiterlijke visie van een geval zelf ligt opgesloten, zooals in het genre en in
het burleske, daar kon de beeldende kunst het woord bijhouden. Maar
daarbuiten lagen sferen van het komische, die voor picturale uitdrukking
volstrekt ontoegankelijk waren, waar kleur noch lijn iets vermocht. Overal
waar het komische positief lachwekkend moet zijn, was de litteratuur
onbeperkt meester, dus op het zoo welig begroeide gebied van den
schaterlach: de klucht, sotternie, boerde, de fabliaux, kortom al de vormen
van het grof-komische. Uit dien rijken schat van laat-middeleeuwsche
litteratuur spreekt een eigen geest.
De litteratuur is ook meester op het gebied van den matten glimlach, daar,
waar de spot zijn hoogste tonen strijkt, zich uitgiet over het ernstigste van
het leven, de liefde, en over het eigen leed. De gekunstelde, gepolijste,
versleten vormen der erotiek ondergingen een verfijning en zuivering door
de bijmenging der ironie.

Page 345

Buiten het erotische is de ironie nog plomp en naïef. De Franschman van
1400 neemt af en toe nog de voorzichtigheid in acht, die den Hollander van
1900 blijft aanbevolen, om het erbij te zeggen, als hij ironisch spreekt.
Deschamps prijst den goeden tijd: alles gaat best, overal heerscht vrede en
gerechtigheid:
"L'en me demande chascun jour
Qu'il me semble du temps que voy,
Et je respons: c'est tout honour,
Loyauté, verité et foy,
Largesce, prouesce et arroy,
Charité et biens qui s'advance
Pour le commun; mais, par ma loy,
Je ne di pas quanque je pence."
Of elders aan het eind van een ballade van dezelfde strekking: "Tous ces
poins a rebours retien";[949] en in een derde met het refrein: "C'est grant
pechiez d'ainsy blasmer le monde":
"Prince, s'il est par tout generalment
Comme je say, toute vertu habonde;
Mais tel m'orroit qui diroit: 'Il se ment'...."[950]
Zelfs een bel-esprit uit de tweede helft der vijftiende eeuw betitelt een
epigram: "Soubz une meschante paincture faicte de mauvaises couleurs et
du plus meschant peinctre du monde, par maniere d'yronnie par maître
Jehan Robertet."[951]
Hoe fijn daarentegen kan de ironie reeds zijn, zoodra zij de liefde raakt. Zij
mengt zich dan met de zachte melancholie, de matte teerheid, die de erotiek
der vijftiende eeuw in de oude vormen tot iets nieuws maakt. Het droge hart
smelt in een snik. Er klinkt een geluid, dat in de aardsche liefde nog niet
was gehoord: de profundis.
Het is de aanbiddelijke zelfbespotting, de figuur van "l'amant remis et
renié", die Villon aanneemt, het zijn de matte liedjes der desillusie, die
Charles d'Orléans zingt. Het is de lach in tranen: "Je riz en pleurs" is niet
enkel Villon's vinding geweest. Een oude bijbelsche gemeenplaats: "risus
dolore miscebitur et extrema gaudii luctus occupat",[952] kreeg hier een

Page 346

nieuwe toepassing, een nieuw sentiment, een verfijnde bittere
gevoelswaarde. Alain Chartier, de gladde hofpoëet, heeft dit motief
evengoed als Villon, de vagebond.
"Je n'ay bouche qui puisse rire,
Que les yeulx ne la desmentissent:
Car le cueur l'en vouldroit desdire
Par les lermes qui des yeulx issent."
Of meer uitgewerkt, van een droeven minnaar:
"De faire chiere s'efforçoit
Et menoit une joye fainte,
Et à chanter son cueur forçoit
Non pas pour plaisir, mais pour crainte,
Car tousjours ung relaiz de plainte
S'enlassoit au ton de sa voix,
Et revenoit à son attainte
Comme l'oysel au chant du bois."[953]
Aan het slot van een gedicht verloochent de dichter zijn leed, in den toon
van het vagantenlied, zooals hier:
"Cest livret voult dicter et faire escripre
Pour passer temps sans courage villain
Ung simple clerc que l'en appelle Alain,
Qui parle ainsi d'amours pour oyr dire."[954]
Of in een uitgewerkte fantazie, zooals die waarmee koning René zijn
eindeloos Cuer d'amour espris besluit: de kamerdienaar komt met een kaars
kijken, of 's konings hart niet weg is; maar hij kan geen gat in de zijde
ontdekken:
"Sy me dist tout en soubzriant
Que je dormisse seulement
Et que n'avoye nullement
Pour ce mal garde de morir."[955]
De oude conventioneele vormen kregen door het nieuwe sentiment nieuwe
frischheid. Niemand heeft de gebruikelijke verpersoonlijking der

Page 347

sentimenten zoo ver doorgevoerd als Charles d'Orléans. Hij ziet zijn hart als
een afzonderlijk wezen:

"Je suys celluy au cueur vestu de noir...."[956]
In de oudere lyriek, zelfs in den dolce stil nuovo, waren die
verpersoonlijkingen nog strakke ernst geweest. Maar bij Orléans zijn de
grenzen van ernst en spot niet meer te trekken; hij chargeert de
verpersoonlijking, zonder dat het fijne sentiment te loor gaat:
"Un jour à mon cueur devisoye
Qui en secret à moy parloit,
Et en parlant lui demandoye
Se point d'espargne fait avoit
D'aucuns biens quant Amours servoit:
Il me dist que très voulentiers
La vérité m'en compteroit,
Mais qu'eust visite ses papiers.
Quant ce m'eut dit, il print sa voye
Et d'avecques moy se partoit.
Après entrer je le véoye
En ung comptouer qu'il avoit:
Là, de ça et de là quéroit,
En cherchant plusieurs vieulx caïers
Car le vray monstrer me vouloit,
Mais qu'eust visitez ses papiers...."[957]
Hier overweegt het komische, maar in het volgende de ernst:
"Ne hurtez plus à l'uis de ma pensée,
Soing et Soucy, sans tant vous travailler;
Car elle dort et ne veult s'esveiller,
Toute la nuit en peine a despenseé.
En dangier est, s'elle n'est bien panseé;
Cessez, cessez, laissez la sommeiller;
Ne hurtez plus à l'uis de ma pensée,
Soing et Soucy, sans tant vous travailler...."[958]

Page 348

De week-droeve erotiek kreeg voor den vijftiendeëeuwer een nog scherper
smaak door de bijmenging van het profane, waarmee hij haar zoo gaarne
kruidt. De travesti van het amoureuze in kerkelijke vormen dient niet enkel
tot obscene beeldspraak en grove oneerbiedigheid, zooals in de Cent
nouvelles nouvelles. Zij levert ook den vorm van het meest teere, bijna
elegische liefdedicht, dat de vijftiende eeuw heeft voortgebracht: L'amant
rendu cordelier à l'observance d'amours.
Het motief van de minnaars als de observanten eener geestelijke orde had
reeds in den kring van Charles d'Orléans aanleiding gegeven tot een
dichterlijke confrérie, die zich "les amoureux de l'observance" noemde. Is
het werkelijk Martial d'Auvergne geweest, die het heeft uitgewerkt tot het
treffende gedicht, dat zich zoover boven het van hem bekende verheft?
De arme, teleurgestelde minnaar komt de wereld begeven in het
wonderlijke klooster, waar men enkel de droeve verliefden, "les amoureux
martyrs", opneemt. In stille samenspraak met den heer Prior doet hij het
zachte verhaal van zijn versmade liefde, en wordt vermaand, die te
vergeten. Het is onder het middeleeuwsch-satirieke gewaad reeds volkomen
de stemming van Watteau en den Pierrot-cultus, slechts zonder maneschijn.
—Was zij niet gewoon, vraagt de Prior, u een lieven blik toe te werpen, of
in 't voorbijgaan een "Dieu gart" te zeggen?—Zoo ver kwam ik nooit,
antwoordt de minnaar: maar 's nachts stond ik drie heele uren voor haar
deur, en keek op naar de goot:
"Et puis, quant je oyoye les verrières
De la maison qui cliquetoient,
Lors me sembloit que mes prières
Exaussées d'elle sy estoient."
"Waart ge zeker, dat zij u opmerkte?" vraagt de Prior.
"Se m'aist Dieu, j'estoye tant ravis,
Que ne savoye mon sens ne estre,
Car, sans parler, m'estoit advis
Que le vent ventoit sa fenestre
Et que m'avoit bien peu congnoistre,
En disant bas: 'Doint bonne nuyt',
Et Dieu scet se j'estoye grant maistre

Page 349

Après cela toute la nuyt."[959]
In die zaligheid sliep hij heerlijk:
"Tellement estoie restauré
Que, sans tourner ne travailler,
Je faisoie un somme doré,
Sans point la nuyt me resveiller.
Et puis, avant que m'abiller,
Pour en rendre à Amours louanges,
Baisoie troys fois mon orillier,
En riant à par moy aux anges."
Bij zijn plechtige opneming in de orde bezwijmt de dame, die hem
versmaad had, en een gouden hartje, geëmailleerd met tranen, dat hij haar
geschonken had, valt uit haar kleed.
"Les aultres, pour leur mal couvrir
A force leurs cueurs retenoient,
Passans temps a clorre et rouvrir
Les heures qu'en leurs mains tenoient,
Dont souvent les feuilles tournoient
En signe de devocion;
Mais les deulz et pleurs que menoient
Monstroient bien leur affection."
Als de Prior hem ten slotte zijn nieuwe plichten opsomt, en hem
waarschuwt, om nooit te luisteren naar den nachtegaal, nooit te slapen
onder "eglantiers et aubespines", en vooral nooit in vrouwenoogen te zien,
klaagt het gedicht op het thema "Doux yeux" een eindelooze melodie van
strofen, die altijd weer varieeren:
"Doux yeulx qui tousjours vont et viennent;
Doulx yeulx eschauffans le plisson,
De ceulx qui amoureux deviennent...."
"Doux yeulx a cler esperlissans,
Qui dient: C'est fait quant tu vouldras,
A ceulx qu'ils sentent bien puissans...."[960]

Page 350

Die zachte, matte toon, die gelaten melancholie heeft ongemerkt in de
vijftiende eeuw alle conventioneele vormen der erotiek doordrongen. De
oude satire van cynische vrouwenverguizing krijgt er op eens een heel
andere, verfijnde stemming door: in de Quinze joyes de mariage is de botte
vrouwensmaad van voorheen getemperd door een toon van stille desillusie
en gedruktheid, die er het navrante aan geeft van een moderne
huwelijksnovelle: de gedachten zijn ijl, vluchtig uitgedrukt; de gesprekken
zijn te teer voor de boosaardige bedoeling.
In alles wat de uitdrukking der liefde betrof, had de litteratuur een school
van eeuwen achter zich, met meesters van zoo verscheiden geest als Plato
en Ovidius, de troubadours en de vaganten, Dante en Jean de Meun.—De
beeldende kunst daarentegen was hierin nog buitengewoon primitief, en is
dat nog lang gebleven. Eerst in de achttiende eeuw haalt de afbeelding der
liefde de beschrijving ervan in verfijning en volheid van expressie in. De
schilderkunst der vijftiende eeuw kon nog niet frivool of sentimenteel zijn.
Tusschen het kuische en het obscene had zij nog geen uitdrukkingsmiddel
gevonden. Van het liefdeleven zegt zij weinig, en dat in naïeve en
onschuldige vormen. Wel moet men zich hier opnieuw herinneren, dat het
meeste wat er van dien aard bestaan heeft, verloren is. Het zou van
buitengewoon belang zijn, als men het naakt van Van Eyck in zijn
Vrouwenbad, waarvan Fazio verhaalt, kon vergelijken met zijn Adam en
Eva. In de laatste ontbreekt het erotische element volstrekt niet geheel:
immers de kunstenaar heeft wel degelijk den conventioneelen code van
vrouwenschoonheid gevolgd, in de kleine, te hoog geplaatste borsten, de
lange slanke armen, den vooruitstekenden buik. Doch hoe naïef heeft hij dat
alles gedaan, zonder eenige zucht of vermogen om te bekoren.—Bekoring
moet het essentieele element zijn van het kleine Liefdetooverijtje, wel met
'school van Jan van Eyck' betiteld,[961] een kamer, waar een meisje, naakt,
zooals dat bij tooverij hoort, door toovermiddelen den minnaar dwingt, zich
te vertoonen. Hier is het naakt van die bescheiden wulpschheid, die zich in
Cranach's naaktfiguren voortzet.
Het was geen preutschheid, die de rol der afbeelding in de erotiek zoo
beperkt hield. De late Middeleeuwen vertoonen een zonderlinge
tegenstrijdigheid tusschen een sterk schaamtegevoel en een verbazende
licentie. Voor het laatste is het aanhalen van voorbeelden onnoodig; zij
spreekt op iedere bladzijde. De schaamte spreekt bij voorbeeld uit het

Page 351

volgende. Bij de ergste moord- en plunderpartijen laat men den slachtoffers
het hemd of de onderbroek; de Burger van Parijs is over niets zoo
verontwaardigd als over het feit, dat die regel werd geschonden: "et ne
volut pas convoitise que on leur laissast neis leurs brayes, pour tant qu'ilz
vaulsissent 4 deniers, qui estoit un des plus grans cruaultés et inhumanité
chrestienne à aultre de quoy on peut parler." Bij het verhaal van de
wreedheid van den bastaard van Vauru tegen een arme vrouw, is hij nog
meer dan van de overige kwellingen ontzet van het schendig stuk, dat hij
haar de kleeren kort onder het middel laat afsnijden.[962]—Daarom blijft het
dubbel opmerkelijk, dat men aan het vrouwelijk naakt, in de kunst nog zoo
weinig gecultiveerd, zulk een vrije plaats gaf in het tableau vivant. Bij geen
intocht ontbraken de vertooningen, "personnages", van naakte godinnen of
nimfen, door Dürer aanschouwd bij den intocht van Karel V te Antwerpen
in 1520, [963] en door Hans Makart misverstaan, alsof de vrouwen
meeliepen in den optocht. Deze vertooningen waren op getimmerten op
bepaalde plaatsen opgesteld, soms zelfs in het water, zooals de sirenen, die
bij de brug in de Leie zwommen, "toutes nues et échevelées ainsi comme on
les peint", bij den intocht van Philips den Goede te Gent in 1457.[964] Paris'
oordeel was het meest gebruikte onderwerp dezer vertooningen. —Men
zoeke er noch Griekschen schoonheidszin noch platte onbeschaamdheid in,
maar een naïeve, populaire zinnelijkheid. Jean de Roye beschrijft de
sirenen, die bij den intocht van Lodewijk XI te Parijs in 1461, niet ver van
een gekruisigde tusschen de twee schakers, stonden opgesteld, in deze
woorden: "Et si y avoit encores trois bien belles filles, faisans personnages
de seraines toutes nues, et leur veoit on le beau tetin droit, separé, rond et
dur, qui estoit chose bien plaisant, et disoient de petiz motetz et bergeretes;
et près d'eulx jouoient plusieurs bas instrumens qui rendoient de grandes
melodies." [965] Molinet vertelt, met hoeveel welbehagen het volk naar het
oordeel van Paris keek bij den intocht van Philips den Schoone te
Antwerpen in 1494: "mais le hourd où les gens donnoient le plus affectueux
regard fut sur l'histoire des trois déesses, que l'on véoit au nud et de femmes
vives."[966] Hoe ver was zuivere schoonheidszin, als men de vertooning van
dat onderwerp in 1468 te Rijssel bij den intocht van Karel den Stoute
geparodieerd ziet door een zwaarlijvige Venus, een magere Juno en een
gebochelde Minerva, met gouden kronen op het hoofd![967]—Tot diep in de
zestiende eeuw bleven de naakte vertooningen in gebruik: te Rennes in

Page 352

1532 bij den intocht van den hertog van Bretagne zag men een naakte Ceres
en Bacchus,[968] en nog Willem van Oranje werd bij zijn inkomst binnen
Brussel op 18 September 1578 vergast op een Andromeda, "een ionghe
maeght, met ketenen ghevetert, alsoo naeckt als sy van moeder lyve
gheboren was; men soude merckelyck geseydt hebben, dattet een marberen
beeldt hadde geweest", aldus Johan Baptista Houwaert, die de tableaux
gearrangeerd had.[969]

De achterlijkheid van het picturale uitdrukkingsvermogen vergeleken bij de
litteratuur beperkt zich overigens niet tot de gebieden, die wij tot nu toe
behandelden: het komische, het sentimenteele, het erotische. Dat vermogen
vindt zijn grenzen, zoodat het niet meer gedragen wordt aan dien overmatig
visueelen aanleg, waarin wij de toenmalige superioriteit van de
schilderkunst in het algemeen boven de litteratuur gegrond achtten. Zoodra
er iets meer noodig is dan enkel een onmiddellijke, scherpe visie van het
natuurlijke, begeeft die superioriteit de schilderkunst van lieverlede, en ziet
men opeens de gegrondheid van Michel Angelo's verwijt: die kunst wil vele
dingen tegelijk volkomen afbeelden, waarvan één belangrijk genoeg zou
zijn, om er alle krachten aan te besteden.
Neem nogmaals een tafereel van Jan van Eyck. Onovertroffen blijft zijn
kunst, zoolang zij van nabij ziende, om zoo te zeggen microscopisch, werkt:
in de gelaatstrekken, de stoffen der gewaden, de juweelen. De volstrekt
scherpe observatie is daar genoeg. Doch zoodra de geziene werkelijkheid
eenigermate moet worden herleid, gelijk reeds het geval is in de
voorstelling van gebouwen en landschappen, vallen er, bij alle innige
bekoring van het vroege vergezicht, zwakheden te bespeuren: een zekere
onsamenhangendheid, een ietwat gebrekkige dispositie. En hoe meer de
voorstelling opzettelijk moet worden gecomponeerd, er een beeldvorm voor
het geval vrij moet worden geschapen, hoe sterker de daling wordt.
Niemand zal tegenspreken, dat in de verluchte getijboeken de
kalenderbladen die, waarop de heilige geschiedenis staat afgebeeld,
overtreffen. Dáár kon men met directe waarneming en vertellend weergeven
volstaan. Maar om een gewichtige handeling, een bewogen voorstelling met
veel personen op te zetten, was bovenal dat gevoel voor rythmischen
opbouw en eenheid noodig, dat eertijds Giotto gekend had, en dat opnieuw

Page 353

door Michel Angelo werd begrepen. Het wezen nu der vijftiende-eeuwsche
kunst was veelheid. Slechts daar, waar de veelheid zelf tot eenheid werd,
werd het effekt van hooge harmonie bereikt, zooals in de Aanbidding van
het Lam. Daar is inderdaad rythme, een onvergelijkelijk sterk rythme, een
triomfantelijk rythme van al die stoeten schrijdend naar het middelpunt toe.
Doch het is als 't ware door een bloot rekenkundige nevenschikking, uit de
veelheid zelf, gevonden. Van Eyck ontloopt de moeilijkheden der
compositie, door slechts voorstellingen te geven in strenge rust; hij bereikt
een statische, geen dynamische harmonie.
Hier bovenal ligt de groote afstand, die Rogier van der Weyden van Van
Eyck scheidt. Rogier beperkt zich, om het rythme te vinden; hij slaagt niet
altijd, maar hij streeft.
Nu bestond er voor de voornaamste onderwerpen der heilsgeschiedenis een
strenge, oude verbeeldingstraditie. De schilder behoefde de ordonnantie van
zijn tafereel niet meer zelf te zoeken.[970] Sommige dier onderwerpen
brachten een rythmischen bouw bijna vanzelve mee. In een beweening, een
kruisafneming, een aanbidding der herders, kwam het rythme als van zelve.
Men denke aan de pieta's van Rogier van der Weyden te Madrid, die van de
Avignonsche school in het Louvre en te Brussel, van Petrus Cristus, van
Geertgen tot Sint Jans, van de Belles heures d'Ailly.[971]
Wordt echter het tafereel woeliger, zooals bij de bespotting, de
kruisdraging, de aanbidding der koningen, dan stijgen de moeilijkheden der
compositie, en een zekere onrustigheid, onvoldoende eenheid der
voorstelling is veelal het gevolg. En als de kerkelijke iconografische norm
den kunstenaar geheel begeeft, dan staat hij vrijwel hulpeloos. Reeds de
rechtspraaktafereelen van Dirk Bouts en Gerard David, die nog een zekere
statige ordonnantie meebrachten, zijn vrij zwak van compositie. Linksch en
onbeholpen wordt zij in de marteling van Sint Erasmus, "het
dermwinderken" van Leuven, en van Sint Hippolytus, door paarden
uiteengetrokken, te Brugge. Daar werkt de gebrekkige bouw reeds stuitend.
Wanneer nu nooit geziene fantazie moet worden verbeeld, dan vervalt de
vijftiende-eeuwsche kunst in het belachelijke. De groote schilderkunst bleef
daarvoor gespaard door haar strenge onderwerpen, maar de boekverluchting
kon zich niet onttrekken aan het afbeelden van al de mythologische en

Page 354

allegorische fantazie, die de litteratuur aanbracht. Een goed voorbeeld levert
de illustratie van de Epitre d'Othéa à Hector,[972] een uitgewerkte
mythologische fantazie van Christine de Pisan. Het is het onbeholpenste
wat men zich kan voorstellen. De Grieksche goden dragen groote vlerken
achter aan hun hermelijnmantels of bourgondische tabberts; de geheele
opzet en uitdrukking mislukt: Minos, Saturnus, die zijn kinderen verslindt,
Midas, die den prijs uitdeelt, zij vallen allen even zot uit. Doch zoodra de
verluchter in den achtergrond even zijn hart kan ophalen aan een herdertje
met schaapjes of een heuveltje met galg en rad, vertoont hij de gewone
vaardigheid. [973] Men is hier aan de grens van het beeldend vermogen
dezer kunstenaars. In vrij scheppende verbeelding zijn zij tenslotte
ongeveer even beperkt als de dichters.

De allegorische verbeelding had de fantazie in een impasse geleid. De
allegorie kluistert wederkeerig het beeld en de gedachte. Het beeld kan niet
vrij geschapen worden, omdat het de gedachte volkomen moet omschrijven,
en de gedachte wordt in haar vlucht belemmerd door het beeld. De fantazie
heeft zich gewend, de gedachte zoo nuchter mogelijk in beeld over te
brengen, zonder eenig gevoel voor stijl. Temperantia draagt op haar hoofd
een uurwerk, om haar aard aan te duiden. De verluchter van de Epitre
d'Othéa nam daartoe eenvoudig het hangklokje, dat hij ook bij Philips den
Goede aan den wand plaatste.[974]—Wanneer een scherp natuurlijk
observeerende geest als Chastellain uit eigen vinding allegorische figuren
teekent, valt het bijster barok uit. Hij ziet bij voorbeeld in het
rechtvaardigingsbetoog naar aanleiding van zijn gewaagd politiek gedicht
Le dit de vérité[975] vier dames, die hem aanklagen. Zij heeten Indignation,
Réprobation, Accusation, Vindication. Ziehier, hoe hij de tweede beschrijft.
[976]
"Ceste dame droit-cy se monstroit avoir les conditions seures,[977]
raisons moult aguës et mordantes; grignoit les dens et mâchoit ses lèvres;
niquoit de la teste souvent; et monstrant signe d'estre arguëresse, sauteloit
sur ses pieds et tournoit l'un costé puis çà, l'autre costé puis là; portoit
manière d'impatience et de contradiction; le droit oeil avoit clos et l'autre
ouvert; avoit un sacq plein de livres devant lui, dont les uns mit en son
escours[978] comme chéris, les autres jetta au loin par despit; deschira
papiers et feuilles; quayers jetta au feu félonnement; rioit sur les uns et les

Page 355

baisoit; sur les autres cracha par vilennie et les foula des pieds; avoit une
plume en sa main, pleine d'encre, de laquelle roioit maintes ecritures
notables ...; d'une esponge aussy noircissoit aucunes ymages, autres
esgratinoit aux ongles ... et les tierces rasoit toutes au net et les planoit
comme pour les mettre hors de mémoire; et se monstroit dure et felle
ennemie à beaucoup de gens de bien, plus volontairement que par raison."
Elders ziet hij, hoe Dame Paix haar mantel uitspreidt en hoog oplicht, en in
vier nieuwe dames uiteenvalt: Paix de coeur, Paix de bouche, Paix de
semblant, Paix de vray effet.[979] In weer een ander van zijn allegorieën
komen vrouwenfiguren voor, die heeten "Pesanteur de tes pays, Diverse
condition et qualité de tes divers peuples, L'envie et haine des François et
des voisines nations", alsof een politiek hoofdartikel zich liet allegoriseeren.
[980]
—Dat al die figuren niet gezien maar bedacht zijn, blijkt ten overvloede
uit het feit, dat zij hun namen op banderoles dragen; hij put de beelden niet
direct uit zijn levende fantazie, maar stelt ze zich voor als op een schilderij
of in een vertooning.
In La mort du duc Philippe, mystère par manière de lamentation ziet hij zijn
hertog verbeeld als een flesch vol kostbare zalf, die aan een draad uit den
hemel hangt; de aarde heeft die flesch aan haar borsten gezoogd.[981]
Molinet ziet Christus als pelikaan (een gewone trope) niet alleen met zijn
bloed de jongen voeden, maar tevens er den spiegel des doods mee
afwasschen.[982]
Schoonheidsinspiratie is hier zoek; het is spelend en valsch vernuft, een
uitgeputte geest, die nieuwe bevruchting wacht. In het altijd weer gebruikte
droommotief als raam eener handeling zijn bijna nooit echte
droomelementen waar te nemen, zooals ze bij Dante en bij Shakespeare zoo
treffend voorkomen. De illusie, dat de dichter zijn voorstelling als vizioen
heeft gezien, wordt dikwijls niet eens volgehouden: Chastellain noemt zich
zelf "l'inventeur ou le fantasieur de ceste vision."[983]
Op het verdorde veld der allegorische verbeelding kan alleen de spot
telkens weer frisch kruid doen bloeien. Zoodra het even in 't luimige
geworpen wordt, werkt de allegorie nog. Deschamps vraagt den dokter, hoe
de deugden en het recht het maken:
"Phisicien, comment fait Droit?

Page 356

—Sur m'ame, il est en petit point....
—Que fait Raison?...
Perdu a son entendement,
Elle parle mais faiblement,
Et Justice est toute ydiote...."[984]
De verschillende sferen van fantazie worden stijlloos dooreengemengd.
Geen product zoo bizar als het politieke schotschrift in het kleed der
pastorale. De onbekende dichter, die zich Bucarius noemt, heeft in Le
Pastoralet al den laster van het huis Bourgondië tegen Orleans in de kleur
der herderij geschilderd: Orleans, Jan zonder Vrees en al hun trotsch en
grimmig gevolg als zoete herders, wonderlijke Leeuwendalers! De
herdersrok is beschilderd met fleurs de lis of klimmende leeuwen; er zijn
"bergiers à long jupel", dat zijn de geestelijken.[985] De herder Tristifer, dat
is Orleans, neemt den anderen hun brood en kaas, hun appelen en noten,
hun fluitjes af, en den schapen de klokjes; hij dreigt de weerstrevenden met
zijn grooten herdersstaf. Totdat hij zelf met een herdersstaf wordt
doodgeslagen. Soms vergeet de dichter bijna zijn sinistere strekking en
vermeit zich in de zoetste pastorale, dan weer wordt de herderlijke fantazie
zonderling gestoord door den boozen politieken smaad.[986] Ook hier nog
niets van de maat en smaak der Renaissance.
Molinet haspelt de motieven van het geloof, den krijg, de heraldiek en de
min dooreen, in den vorm van een proclamatie van den Schepper aan alle
ware minnenden:
"Nous Dieu d'amours, créateur, roy de gloire
Salut à tous vrays amans d'humble affaire!
Comme il soit vray que depuis la victoire
De nostre filz sur le mont de Calvaire
Plusieurs souldars par peu de congnoissance
De noz armes, font au dyable allyance...."
Daarom wordt hun het rechte wapen beschreven: schild van zilver, chef van
goud met vijf wonden, en de militante Kerk octrooi verleend, om allen in
haar dienst op te nemen, die tot dat wapen willen terugkeeren,
"mais qu'en pleurs et en larmes,

Page 357

De cueur contrict et foy sans abuser."[987]
De kunstenmakerijen, waarmee Molinet den lof zijner tijdgenooten als
vernuftig rhétoriqueur en poëet behaalde, schijnen ons de laatste ontaarding
van een uitdrukkingsvorm vóór zijn ondergang. Hij vermeit zich in de
meest zoutelooze woordspelletjes: "Et ainsi demoura l'Escluse en paix qui
lui fut incluse, car la guerre fut d'elle excluse plus solitaire que rencluse."
[988]
In de inleiding op zijn gemoraliseerde prozabewerking van den Roman
de la rose speelt hij met zijn naam Molinet. "Et affin que je ne perde le
froment de mal labeur, et que la farine que en sera molue puisse avoir fleur
salutaire, j'ay intencion, se Dieu m'en donne la grace, de tourner et convertir
soubz mes rudes meulles le vicieux au vertueux, le corporel en l'espirituel,
la mondanité en divinité, et souverainement de la moraliser. Et par ainsi
nous tirerons le miel hors de la dure pierre, et la rose vermeille hors des
poignans espines, où nous trouverons grain et graine, fruict, fleur et feuille,
très souefve odeur, odorant verdure, verdoyant floriture, florissant
nourriture, nourissant fruict et fructifiant pasture."[989] Wat lijkt het eind-
eeuwsch en versleten! Toch bewonderde de tijdgenoot juist dit als het
nieuwe; de middeleeuwsche poëzie had dat spelen met woorden eigenlijk
niet gekend, die speelde meer met beelden. Zooals bij voorbeeld Olivier de
la Marche, Molinet's geestverwant en bewonderaar:
"Là prins fièvre de souvenance
Et catherre de desplaisir,
Une migraine de souffrance,
Colicque d'une impascience,
Mal de dens non à soustenir.
Mon cueur ne porroit plus souffrir
Les regretz de ma destinée
Par douleur non accoustumée."[990]
Meschinot is nog even verslaafd aan de slappe allegorie als La Marche; van
zijn Lunettes des princes zijn Prudence en Justice de glazen, Force de
montuur, Temperance de nagel, die alles bijeenhoudt. Raison geeft den
dichter dien bril met een gebruiksaanwijzing; door den hemel gezonden
komt Raison zijn geest binnen, en wil daar haar festijn aanrichten, maar
vindt er alles bedorven door Desespoir, zoodat er niets is "pour disner
bonnement."[991]

Page 358

't Schijnt alles ontaarding en verval. En toch is het de tijd, waarin de nieuwe
geest der Renaissance reeds blaast, waar hij wil. Waar is de groote, jonge
bezieling en de nieuwe, zuivere vorm?

Page 359

XIV
HET KOMEN VAN DEN NIEUWEN VORM

De verhouding van het opbloeiende Humanisme en den afstervenden geest
der Middeleeuwen is veel minder eenvoudig, dan wij geneigd zijn, ons haar
voor te stellen. Ons, die die beide cultuurcomplexen scherp gescheiden
zien, schijnt het, alsof de ontvankelijkheid voor de eeuwige jeugd der
Ouden en de verloochening van den ganschen versleten toestel der
middeleeuwsche gedachtenuitdrukking gekomen moet zijn als een
openbaring. Alsof de geesten, ten doode vermoeid van allegorie en
flamboyantisme, plotseling moeten hebben begrepen: neen, niet dit, maar
dat! Alsof de gouden harmonie van het klassieke hun opeens als een
redding voor oogen moet hebben gestraald, alsof zij de Oudheid hebben
moeten omhelsd met de vervoering van wie zijn heil heeft gevonden.
Maar zoo is het niet. Midden in den tuin der middeleeuwsche gedachte,
tusschen de welige woekering van het oude gewas, is het klassicisme van
lieverlede opgegroeid. Eerst is het enkel een formeel fantazie-element. Een
groote nieuwe bezieling wordt het eerst laat, en de geest en de
uitdrukkingsvormen, die wij als de oude, middeleeuwsche plegen te
beschouwen, sterven ook dan nog niet af.
Om dat alles goed te zien, zou het nuttig zijn, uitvoeriger dan hier
geschiedt, het komen der Renaissance gade te slaan, niet in Italië, maar in
het land, dat de vruchtbaarste bodem was geweest voor alles, wat den
heerlijken rijkdom der echt-middeleeuwsche cultuur uitmaakte: Frankrijk
Wanneer men het Italiaansche quattrocento beschouwt in zijn glorieuze
tegenstelling tot het laat-middeleeuwsche leven elders, dan begaat men licht
deze vergissing: men houdt de signatuur van het quattrocento: de blijheid,
de vrijheid, het serene en het sonore, voor die van den nieuwen tijd, en zegt:
daar waar het leven in dien toonaard klinkt, daar is de Renaissance. Doch is
het niet veeleer de signatuur van den Italiaanschen geest, is zij niet reeds

Page 360

evenzeer aanwezig in het Italië der dertiende eeuw? Men komt altijd weer
terecht, of bij de absurde consequentie, om de Renaissance steeds hoogerop
in de Middeleeuwen te verlengen, of bij de erkentenis, dat de Renaissance
met haar Italiaanschen verschijningsvorm volstrekt niet volledig is
getypeerd, en dat het begrip Renaissance slechts één aspect
vertegenwoordigt van de bonte cultuur der eindigende Middeleeuwen.
Midden in de oude levensopvattingen en levensverhoudingen komen de
nieuwe, klassicistische vormen op. Voor het aannemen van volkomen
ontwikkelde humanistische uitdrukkingsvormen is niet anders noodig, dan
dat een geletterde kring zich wat meer dan gewoonlijk bevlijtigd op zuiver
latijn en klassieken zinsbouw. Zulk een kring bloeit omstreeks 1400 in
Frankrijk; zij bestaat uit eenige geestelijken en magistraten: Jean de
Monstreuil, kanunnik van Rijssel en koninklijk secretaris, Nicolas de
Clemanges, de beroemde woordvoerder der reform-gezinde geestelijkheid,
Gontier Col, Ambrosius de Miliis, vorstelijke geheimschrijvers evenals de
eerstgenoemde. Zij wisselen fraaie en deftige humanistenbrieven, die voor
de latere producten van het genre in niets onderdoen: de holle algemeenheid
van gedachte, het gewild gewichtige, de gewrongen zinsbouw en
ondoorzichtige uitdrukking, en ook het behagen aan geleerde beuzelingen.
Jean de Monstreuil maakt zich druk over de spelling van "orreolum" en
"scedula", met of zonder h, over het gebruik van de k in latijnsche woorden.
"Als ge mij niet te hulp komt, waarde leermeester en broeder,—schrijft hij
aan Clemanges—,[992] ben ik mijn goeden naam kwijt en als des doods
schuldig. Daar heb ik bemerkt, dat ik in mijn laatsten brief aan mijn heer en
vader, den bisschop van Kamerijk, in plaats van den comparativus
"propior", overhaast en slordig als de pen is, "proximior" heb gezet!
Verbeter het toch, anders zullen onze bedillers er schotschriften op maken."
[993]
—Men ziet, de brieven zijn voor de openbaarheid bestemd, als geleerde
letteroefeningen. Echt humanistisch is ook zijn bestrijding van zijn vriend
Ambrosius, die Cicero van tegenstrijdigheid beschuldigd had, en Ovidius
boven Vergilius stelde.[994]
In een der brieven geeft hij een gemoedelijke beschrijving van het klooster
Charlieu bij Senlis, en het is opmerkelijk, hoe hij, nu naar middeleeuwschen
trant eenvoudig weergevend wat daar te zien was, opeens veel leesbaarder
wordt. Hoe de musschen meeëten in het reefter, zoodat men zou twijfelen,

Page 361

of de koning de prebende voor de monniken of voor de vogels heeft
ingesteld, hoe een winterkoninkje doet, alsof het de abt was, hoe de ezel
van den tuinman den briefschrijver verzoekt, ook hèm in zijn epistel niet te
vergeten; het is alles frisch en bekoorlijk, maar niet specifiek humanistisch.
[995] Herinneren wij ons, dat Jean de Monstreuil en Gontier Col dezelfden

zijn, die wij als geestdriftige vereerders van den Roman de la rose leerden
kennen, en als leden van den Cours d'amours van 1401. Geeft het niet te
verstaan, welk een uiterlijk levenselement dit vroege Humanisme nog is
geweest? Het is eigenlijk niet dan een versterkte werking van de
middeleeuwsche schooleruditie, en verschilt weinig van die oplevingen van
klassieke latiniteit, die Alcuin en de zijnen tijdens Karel de Groote te zien
geven, en de Fransche scholen der twaalfde eeuw opnieuw.
Hoewel dit eerste Fransche Humanisme nog, zonder onmiddellijke
voortzetters te vinden, uitbloeit in den kleinen kring der mannen, die het
gekweekt hadden, zit het toch reeds vast aan de groote internationale
geestesbeweging. Petrarca is voor Jean de Monstreuil en de zijnen reeds het
illuster voorbeeld. Ook Coluccio Salutati, de Florentijnsche kanselier, die in
het midden der veertiende eeuw de nieuwe Latijnsche rhetoriek in de taal
der staats-acten had ingevoerd, wordt herhaaldelijk door hem genoemd.[996]
Petrarca is evenwel, als men het zoo zeggen kan, in Frankrijk nog
opgenomen in den middeleeuwschen geest. Wanneer inderdaad, gelijk
Paulin Paris vermoedde,[997] Machaut's Peronne d'Armentières bij haar
zucht naar een dichterlijk liefdesverkeer niet enkel door het voorbeeld van
Heloïse, maar ook reeds door dat van Laura bezeten is geweest, dan levert
Le Voir-Dit een opmerkelijk getuigenis, hoe een inspiratie op het werk,
waarin wij vooral den advent van de moderne gedachte zien, toch weder
een zuiver middeleeuwsche schepping kon opleveren.
Het was overigens niet als Laura's dichter, dat Petrarca buiten Italië zijn
naam verworven had. Hij is voor Jean de Monstreuil de "devotissimus,
catholicus ac celeberrimus philosophus moralis."[998] Ook als zoodanig
wordt hij nog opgenomen in de echt middeleeuwsche gedachte. Er is sprake
van betrekkingen tusschen Petrarca en Geert Groote. Jean de Varennes, de
geestdrijver van Saint Lié,[999] ontleent voor een nieuw gebed, dat hij
samenstelt, den tekst aan Petrarca: Tota caeca christianitas. Hij roept diens
gezag in, om zich te vrijwaren voor de verdenking van ketterij.[1000]

Page 362

Dionysius de Kartuizer neemt uit Petrarca's De Vita solitaria een klacht
over om het verlies van het heilige graf; "maar omdat de stijl van
Franciscus rhetorisch en moeilijk is, zal ik liever den zin dan den vorm van
Franciscus' woorden aanhalen."[1001]
De schoone geesten in Frankrijk werden nog tot een bijzonderen ijver in
hun klassieke letteroefeningen geprikkeld, om den schimp van hun
bewonderden Petrarca, dat buiten Italië geen redenaars en dichters te
zoeken waren,[1002] te logenstraffen. Nicolas de Clemanges en Jean de
Monstreuil komen tegen zulk een uitspraak in verzet.[1003]
Evenals Petrarca is ook Boccaccio om zijn moraliseerende geschriften
vermaard, als de beschrijver van het lot der beroemde mannen, "le docteur
de patience en adversité". Voor Chastellain[1004] is messire Jehan Bocace
een soort impresario der Fortuin geworden; Le Temple de Bocace betitelt hij
een zeer barok tractaat over allerlei tragisch lotgeval van zijn tijd, waarin de
geest van den "noble historien" wordt aangeroepen, om troost in haar
rampspoed te schenken aan Margareta van Engeland.
Terwijl de geleerde auteurs den klassiek Latijnschen briefstijl reeds
beheerschen met volkomen vaardigheid, vertoonen de wereldlijken, bij al
hun bewondering voor de Oudheid, somtijds nog een diepe onwetendheid.
Machaut (hoewel geestelijke geen geleerde en wereldsch als dichter)
verhaspelt de namen der zeven wijzen op de wanhopigste manier.
Chastellain verwart Peleus met Pelias, La Marche doet het Proteus en
Pirithous. De dichter van Le Pastoralet spreekt van "le bon roy Scypion
d'Afrique", de schrijvers van Le Jouvencel leiden "pollitique" af van[greek:
polyt] en een gewaand Grieksch "icos, gardien, qui est à dire gardien de
pluralité."[1005]
Toch wil bij hen midden in hun middeleeuwsch allegorischen vorm af en
toe de klassieke visie doorbreken. Een dichter als van dat verwrongen
herdersspel Le Pastoralet geeft in een beschrijving van den god Silvanus en
een gebed aan Pan even een glimp van den schijn van het quattrocento, om
dan weer voort te sukkelen in de uitgesleten sporen van zijn oude pad.[1006]
Evenals Jan van Eyck soms klassicistische architectuurvormen aanbrengt
op zijn zuiver middeleeuwsch geziene tafereelen, zoeken de schrijvers,
louter formeel nog en ter versiering, antieke trekken te verwerken. De

Page 363

kroniekschrijvers beproeven hun kracht op staats- en krijgsredevoeringen,
contiones, in Liviaanschen trant, of vermelden wonderteekens, prodigia,
omdat Livius het ook deed.[1007] Daar waar de verwerking der klassieke
vormen met den ouden geest het onvolkomenst uitvalt, leeren wij het meest
omtrent de wording der Renaissance. De bisschop van Chalons, Jean
Germain, beproeft het vredescongres van Atrecht in 1435 te schilderen in
den dringenden, gemarkeerden stijl der Romeinen; het valt uit als een
middeleeuwsch kalenderblad.[1008] Het gezicht op de Oudheid is nog
buitengewoon bizar. Bij de lijkplechtigheid van Karel den Stoute te Nancy
komt de jonge hertog van Lotharingen, Karel's overwinnaar, het lijk van
zijn vijand de eer bewijzen in een rouwgewaad "à l'antique", dat wil
zeggen, hij draagt een langen gouden baard tot op den gordel, waarmee hij
een der negen "preux" voorstelt,[1009] en zijn eigen zegepraal viert. Zoo
vermomd bidt hij een kwartier lang.[1010]
Het antieke wordt voor de geesten in Frankrijk omstreeks 1400 gedekt door
de begrippen "rhétorique, orateur, poésie". Zij zien de benijdenswaardige
volmaaktheid der Ouden bovenal in een gekunstelden vorm. Al deze
dichters der vijftiende eeuw en iets vroeger maken, als zij hun hart laten
spreken en regelrecht iets te zeggen hebben, een vloeiend, eenvoudig, vaak
pittig en soms teer gedicht. Maar als het eens heel mooi moet, brengen zij er
mythologie aan te pas, en precieuze latiniseerende termen, en vinden zich
"rhétoricien". Christine de Pisan onderscheidt een mythologisch gedicht
uitdrukkelijk van haar gewone werk als "balade pouétique".[1011] Wanneer
Eustache Deschamps aan zijn kunstbroeder en bewonderaar Chaucer zijn
werken toezendt, vervalt hij in de meest ongenietbare quasi-klassieke
poespas.
"O Socrates plains de philosophie,
Seneque en meurs et Anglux en pratique,
Ovides grans en ta poeterie,
Bries en parler, saiges en rethorique
Aigles tres haulz, qui par ta théorique
Enlumines le regne d'Eneas,
L'Isle aux Geans, ceuls de Bruth, et qui as
Semé les fleurs et planté le rosier,
Aux ignorans de la langue pandras,

Page 364

Grant translateur, noble Geffroy Chaucier!
............................................................
A toy pour ce de la fontaine Helye
Requier avoir un buvraige autentique,
Dont la doys est du tout en ta baillie,
Pour rafrener d'elle ma soif ethique,
Qui en Gaule seray paralitique
Jusques a ce que tu m'abuveras."[1012]
Dit is het begin van wat weldra groeit tot die belachelijke latiniseering van
het edele Fransch, welke den spot van Villon en van Rabelais zou treffen.
[1013]
Het is steeds weer in de dichterlijke correspondentie, in de opdrachten
en oraties, met andere woorden, als het bijzonder mooi moet, dat men dien
trant aantreft. Dan spreekt Chastellain van "vostre très-humble et obéissante
serve et ancelle, la ville de Gand", "la viscérale intime douleur et
tribulation", La Marche van "nostre francigène locution et langue
vernacule", Molinet van "abreuvé de la doulce et melliflue liqueur
procedant de la fontaine caballine", "ce vertueux duc scipionique", "gens de
mulièbre courage". [1014]
Deze idealen van verfijnde "rhétorique" zijn geen idealen van zuivere
litteraire uitdrukking alleen, maar tegelijk en nog meer idealen van
hoogeren litterairen omgang. Het geheele Humanisme is evenzeer als de
poëzie der troubadours het geweest was, een gezelschapsspel, een vorm van
conversatie, een streven naar een hoogeren levensvorm. Zelfs de geleerden
correspondentie der zestiende en zeventiende eeuw heeft dat element
geenszins verzaakt. Frankrijk nu toont in dat opzicht zich middenevenredig
tusschen Italië en de Nederlanden. In Italië, waar taal en gedachte het minst
verwijderd waren van de echte, zuivere Oudheid, konden de humanistische
vormen ongedwongen worden opgenomen in de natuurlijke ontplooiing van
het hoogere volksleven. De Italiaansche taal werd door eenige meerdere
latiniteit van uitdrukking nauwelijks geweld aangedaan. De humanistische
clubgeest sloot er zeer wel aan bij de zeden der samenleving. De
Italiaansche humanist vertegenwoordigde den geleidelijken uitgroei der
Italiaansche volksbeschaving, en daarmee het eerste type van den modernen
mensch. In de Bourgondische landen daarentegen was de geest en de vorm
der samenleving nog zoo middeleeuwsch, dat het streven naar een

Page 365

vernieuwde en gezuiverde uitdrukking er zich aanvankelijk slechts
belichamen kon in volkomen ouderwetschen vorm: de rederijkerskamers.
Als genootschappen zijn zij enkel een voortzetting van de middeleeuwsche
broederschap, en de geest, die in hen spreekt, heeft zich nog enkel in het
zeer uiterlijk formeele vernieuwd. Eerst het bijbelsch Humanisme van
Erasmus inaugureert er de moderne beschaving.
Frankrijk kent niet den ouderwetschen toestel der rederijkerskamers, maar
zijn "nobles rhétoriciens" gelijken ook nog niet op Italiaansche humanisten.
Ook zij bewaren nog veel van middeleeuwschen geest en vormen. Ten
opzichte der Fransche letterkunde der vijftiende eeuw kan men zonder
overdrijving zeggen, dat die schrijvers en dichters, die zich het meest vrij
houden van klassicisme, nader staan tot de moderne ontwikkeling der
litteratuur dan zij, die de idealen van latiniteit en oratorie huldigen. De
modernen, dat zijn er de onbevangenen van geest, zelfs als zij dien nog
kleeden in den middeleeuwschen vorm: Villon, Coquillart, Henri Baude,
ook Charles d'Orléans en de dichter van L'amant rendu cordelier. Juist het
klassicistische streven doet zich hier, althans wat dicht en proza betreft, als
den remmenden invloed gelden. De pompeuze woordvoerders van het
zwaar gedrapeerde Bourgondische ideaal: Chastellain, La Marche, Molinet,
dat zijn de ouderwetsche geesten der Fransche litteratuur. Zoodra ook zij
zich nu en dan losmaken van hun ideaal van kunstvaardigheid, en dichten of
schrijven, wat hun ter harte gaat, eenvoudigweg, worden zij leesbaar, en
doen zij tegelijk moderner aan.
Een dichter van den tweeden rang, Jean Robertet (1420-1490), secretaris
van drie hertogen van Bourbon en drie Fransche koningen, zag in Georges
Chastellain, den Vlaming-Bourgondiër, het puik der edele dichtkunst. Uit
die bewondering sproot een litteraire correspondentie voort, die het zooeven
beweerde kan illustreeren. Om met Chastellain in kennis te komen, bedient
Robertet zich van de bemiddeling van zekeren Montferrant, die als
gouverneur van een jongen Bourbon, aan 't hof van zijn oom van
Bourgondië opgevoed, te Brugge woonde. Hij zond dezen twee brieven
voor Chastellain, een in 't Latijn en een in 't Fransch, benevens een
hoogdravend lofdicht op den bejaarden hofchronist en dichter. Toen deze
niet terstond op den aandrang van een litteraire briefwisseling inging,
vervaardigde Montferrant een wijdloopige aansporing naar het oude recept:
"les Douze Dames de Rhétorique" waren hem verschenen, genaamd

Page 366

Science, Eloquence, Gravité de Sens, Profondité enz. Voor die verlokking
bezweek Chastellain, en rondom les Douze Dames de Rhétorique
groepeeren zich nu de brieven van het drietal;[1015] het duurde overigens
niet lang, of Chastellain had er genoeg van, en sneed verdere briefwisseling
af.
Bij Robertet ziet men de quasi-moderne latiniteit op haar malst. "J'ay esté
en aucun temps en la case nostre en repos, durant une partie de la brumale
froidure", aldus een verkoudheid.[1016] Even zot zijn de hyperbolische
termen, waarin hij zijn bewondering uit. Als hij eindelijk zijn dichterlijken
brief van Chastellain (zeer veel beter dan zijn eigen poëzie inderdaad) beet
heeft, schrijft hij aan Montferrant:
"Frappé en l'oeil d'une clarté terrible
Attaint au coeur d'éloquence incrédible,
A humain sens difficile à produire,
Tout offusquié de lumière incendible
Outre perçant de ray presqu'impossible
Sur obscur corps qui jamais ne peut luire,
Ravi, abstrait me trouve en mon déduire,
En extase corps gisant à la terre,
Foible esperit perplex à voye enquerre
Pour trouver lieu et oportune yssue
Du pas estroit où je suis mis en serre,
Pris à la rets qu'amour vraye a tissue."
En in proza voortgaande: "Où est l'oeil capable de tel objet visible, l'oreille
pour ouyr le haut son argentin et tintinabule d'or?" Wat zegt Montferrant,
"amy des dieux immortels et chéri des hommes, haut pis Ulixien, plein de
melliflue faconde" er wel van? "N'est-ce resplendeur équale au curre
Phoebus?" Is het niet meer dan Orpheus' lier, "la tube d'Amphion, la
Mercuriale fleute qui endormyt Argus?" enz. enz.[1017]
Gelijken tred met de uiterste gezwollenheid houdt de diepe
schrijversnederigheid, waarmee deze dichters het middeleeuwsche
voorschrift getrouw blijven. En zij niet alleen; al hun tijdgenooten huldigen
nog dien vorm. La Marche hoopt, dat men zijn Mémoires zal kunnen
gebruiken als mindere bloempjes in een krans, vergelijkt zijn arbeid met het

Page 367

herkauwen van een hert. Molinet verzoekt alle "orateurs", om zijn werk te
besnoeien van het overbodige. Zelfs Commines hoopt, dat de aartsbisschop
van Vienne, wien hij zijn werk zendt, het misschien zal kunnen opnemen in
een Latijnsch geschrift.[1018]
In de dichterlijke correspondentie van Robertet, Chastellain en Montferrant
ziet men het verguldsel van het nieuwe klassicisme slechts opgeplakt op een
echt middeleeuwsch beeld. En nu, let wel, deze Robertet is in Italië
geweest, "en Ytalie, sur qui les respections du ciel influent aorné parler, et
vers qui tyrent toutes douceurs élémentaires pour là fondre harmonie."[1019]
Maar van die harmonie van het quattrocento had hij blijkbaar niet veel mee
thuisgebracht. De voortreffelijkheid van Italië bestond voor deze geesten
louter in het "aorné parler", in de uiterlijke cultiveering van een
kunstvaardigen stijl.
Het eenige, wat dien indruk van fraai opgepoetste ouderwetschheid even
twijfelachtig maakt, is de zweem van ironie, die in deze opgeschroefde
ontboezemingen soms even onmiskenbaar is. Uw Robertet, zeggen de
Dames de Rhétorique tot Montferrant,[1020]—"il est exemple de Tullian art,
et forme de subtilité Térencienne ... qui succié a de nos seins notre plus
intériore substance par faveur; qui, outre la grâce donnée en propre terroir,
se est allé rendre en pays gourmant pour réfection nouvelle (d.i. Italië), là
où enfans parlent en aubes à leurs mères, frians d'escole en doctrine sur
permission de eage". Chastellain zegt de correspondentie op, omdat het hem
te machtig wordt: de poort heeft lang genoeg wijd opengestaan voor "Dame
Vanité"; hij gaat haar grendelen. "Robertet m'a surfondu de sa nuée, et dont
les perles, qui en celle se congréént comme grésil, me font resplendir mes
vestements; mais qu'en est mieux au corps obscur dessoubs, lorsque ma
robe deçoit les voyans?" Als Robertet zoo voortgaat, zal hij zijn brieven
ongelezen in het vuur gooien. Wil hij gewoon spreken, zooals het onder
vrienden hoort, dan zal George's genegenheid hem niet begeven.
Dat er onder het klassieke gewaad nog een middeleeuwsche geest huist,
komt minder sterk uit, wanneer de humanist zich enkel van het latijn
bedient. Dan verraadt zich het onvolkomen begrip voor den waren geest der
Oudheid niet in onhandige verwerking; dan kan de geletterde nabootsen
zonder meer, en bedriegelijk nabootsen. Een humanist als Robert Gaguin
(1433-1501) doet ons in zijn brieven en oraties reeds bijna even modern aan

Page 368

als Erasmus, die aan hem zijn eerste beroemdheid te danken had, doordat
Gaguin achter zijn Compendium der Fransche geschiedenis, het eerste
wetenschappelijke geschiedwerk in Frankrijk (1495), een brief van Erasmus
opnam, die zich daardoor voor het eerst gedrukt zag.[1021] Al kende Gaguin
nog even slecht Grieksch als Petrarca,[1022] een echte humanist is hij er niet
minder om. Tegelijk evenwel zien wij ook in hem den ouden geest
voortleven. Hij wijdt zijn Latijnsche welsprekendheid nog aan de oude
middeleeuwsche thema's, zooals de diatribe tegen het huwelijk[1023] of de
misprijzing van het hofleven, door Alain Chartier's Curial in het latijn terug
te vertalen, of de maatschappelijke waarde der standen, in den
veelgebruikten vorm van een twistgesprek, le Debat du Laboureur, du
Prestre et du Gendarme. In zijn Fransche gedichten doet juist Gaguin, die
den Latijnschen stijl volkomen beheerschte, aan de rhetorische fraaiigheden
in het geheel niet mee; geen gelatiniseerde vormen, geen hyperbolische
wendingen, geen mythologie; als Fransch dichter staat hij geheel aan de
zijde van hen, die in hun middeleeuwschen vorm de natuurlijkheid en
daarmee de leesbaarheid bewaren. De humanistische vorm is nog niet veel
meer dan een gewaad, dat hij aandoet; het zit hem goed, maar hij beweegt
zich toch vrijer zonder dien tabbert. Bij den Franschen geest der vijftiende
eeuw zit de Renaissance er nog maar los buiten op.
Men is veelal gewend, om als een doorslaand criterium van de intrede der
Renaissance het opkomen van heidensch klinkende uitingen aan te merken.
Ieder kenner van de middeleeuwsche litteratuur weet, dat dit litteraire
paganisme volstrekt niet beperkt is tot de sfeer der Renaissance. Wanneer
de humanisten God "princeps superum" en Maria "genitrix tonantis"
noemen, begaan zij niets ongehoords. Het louter uiterlijke transponeeren
van de personen van het christelijk geloof in benamingen der heidensche
mythologie is reeds zeer oud, en beteekent weinig of niets voor den inhoud
van het religieuze gevoel. Reeds de Archipoeta der twaalfde eeuw rijmt in
zijn geestige biecht onbeschroomd:
"Vita vetus displicet, mores placent novi;
Homo videt faciem, sed cor patet lovi."

Wanneer Deschamps van "Jupiter venu de Paradis" spreekt,[1024] bedoelt hij
geenerlei onvroomheid, evenmin als Villon, wanneer hij in de roerende

Page 369

ballade, die hij voor zijn moeder maakte, om tot Onze Lieve Vrouw te
bidden, haar "haulte Deesse" noemt.[1025]
Een zeker heidensch tintje hoorde ook bij het herdersdicht; daar kon men
argeloos goden laten optreden. In Le Pastoralet heet het Celestijnen-
klooster te Parijs "temple au hault bois pour les diex prier."[1026] Van zulk
een onschuldig paganisme werd niemand de dupe. En ten overvloede
verklaart de dichter: "Se pour estrangier ma Muse je parle des diex des
païens, sy sont les pastours crestiens et moy." [1027] Evenzoo schuift
Molinet, wanneer hij in een droomgezicht Mars en Minerva laat optreden,
de verantwoordelijkheid op "Raison et Entendement", die hem zeiden: "Tu
le dois faire non pas pour adjouter foy aux dieux et déesses, mais pour ce
que Nostre Seigneur seul inspire les gens ainsi qu'il lui plaist, et souventes
fois par divers inspirations."[1028]
Veel van het litteraire paganisme der vol ontwikkelde Renaissance valt niet
ernstiger op te nemen dan deze uitingen. Van meer beteekenis voor het
doordringen van den nieuwen geest is het, wanneer zich een besef van
waardeering van het heidensch geloof, met name het heidensche offer, als
zoodanig aankondigt. Ook dit besef kan doorbreken bij hen, die met hun
gedachtenvormen nog stevig in de Middeleeuwen staan, gelijk Chastellain
deed.
"Des dieux jadis les nations gentiles
Quirent l'amour par humbles sacrifices,
Lesquels, posé que ne fussent utiles,
Furent nientmoins rendables et fertiles
De maint grant fruit et de haulx bénéfices,
Monstrans par fait que d'amour les offices
Et d'honneur humble, impartis où qu'ils soient
Pour percer ciel et enfer suffisoient."[1029]
Midden in het middeleeuwsche leven klinkt soms opeens het geluid der
Renaissance. Bij een pas d'armes te Atrecht in 1446 verschijnt Philippe de
Ternant, zonder naar de gewoonte een "bannerole de devocion" te dragen,
een lint met een vrome spreuk of figuur. "Laquelle chose je ne prise point",
zegt La Marche van deze verwatenheid. Maar nog verwatener is het devies,

Page 370

dat Ternant draagt: "Je souhaite que avoir puisse de mes desirs
assouvissance et jamais aultre bien n'eusse."[1030] Het kon de lijfspreuk zijn
van den vrijdenkendsten virtuoso der zestiende eeuw.
Niet uit de klassieke litteratuur behoefden de geesten dit werkelijke
paganisme te putten. Zij konden het leeren uit hun eigen middeleeuwschen
schat, uit den Roman de la rose. In de erotische cultuurvormen, daar lag het
ware heidendom. Daar hadden van eeuwen her Venus en de Liefdegod een
schuilhoek gehad, waar zij iets meer dan een louter rhetorische vereering
vonden. Jean de Meun, dat was de groote heiden geweest. Niet zijn
vermenging van godennamen der Oudheid met die van Jezus en Maria,
maar zijn vermenging van de stoutste aanprijzing van aardschen wellust
met christelijke zaligheidsvoorstellingen was voor tallooze lezers sinds de
dertiende eeuw de school van het paganisme geweest. Er was geen grooter
blasphemie mogelijk dan de verzen, waarin hij het woord van Genesis: toen
berouwde het den Heere, dat Hij den mensch op de aarde gemaakt had, met
omgekeerden zin in den mond legde van Nature, die bij hem volkomen als
demiurg optreedt:
"Si m'aïst Diex li crucefis,
Moult me repens dont homme fis."[1031]
Het blijft verwonderlijk, dat de Kerk, die tegen kleine dogmatische
afwijkingen van strikt bespiegelenden aard zoo angstvallig waakte en zoo
heftig optrad, de leeringen van dit brevier der aristocratie ongehinderd in de
geesten heeft laten voortwoekeren.

De nieuwe vorm en de nieuwe geest dekken elkander niet. Zoogoed als de
gedachten van den komenden tijd uiting vonden in middeleeuwsch gewaad,
zoo goed zijn de meest middeleeuwsche gedachten gezegd in sapphische
metra, met een heelen stoet van mythologische figuren. Klassicisme en
Renaissance zijn twee geheel verschillende dingen. Het litteraire
klassicisme is een oud geboren kind. De Oudheid is voor de vernieuwing
van de litteratuur nauwelijks meer geweest dan de pijlen van Philoktetes.
Niet wat de beeldende kunst, en niet wat het wetenschappelijk denken
aangaat: daar is de antieke zuiverheid van verbeelding en uitdrukking veel
meer geweest dan een dorre staf. Het overwinnen van het overdadige, van

Page 371

het overdrevene, van het verdraaide, van de grimas en de flamboyante krul,
het is alles het werk der Oudheid geweest. Maar in het litteraire is de
eenvoud en de zuiverheid opgegroeid buiten, ja ondanks het klassicisme.
De enkelen, die in het Frankrijk der vijftiende eeuw humanistische vormen
aannemen, luiden nog geen Renaissance in. Want hun stemming, hun
oriënteering is nog middeleeuwsch. De Renaissance komt eerst, wanneer de
levenstoon verandert, wanneer het getij van doodelijke levensverzaking
kentert, en er een bolle frissche wind gaat blazen; wanneer het blijde besef
rijpt, dat men al de heerlijkheid der oude menschheid, waaraan men zich al
zoo lang gespiegeld had, zal kunnen terugwinnen.

NOTEN

[1]
Oeuvres de Georges Chastellain, ed. Kervyn de Lettenhove, 8
vol., Bruxelles 1863-'66, III p. 44.

[2]
Chastellain, II p. 267; Mémoires d'Olivier de la Marche, ed.
Beaune et d'Arbaumont, (Soc. de l'hist. de France), 1883-'88, 4
vol., II p. 248.

[3]
Journal d'un bourgeois de Paris, ed. A. Tuetey, (Publ. de la Soc.
de l'histoire de Paris, Doc. no. III) 1881, p. 5, 56.

[4]
Journal d'un bourgeois, p. 20-24. Vgl. Journal de Jean de Roye,
dite Chronique scandaleuse, ed. B. de Mandrot (Soc. de l'hist. de
France) 1894-'96, 2 vol., I p. 330.

Page 372

[5]
Chastellain, III p. 461, vgl. V p. 403.

[6]
Jean Juvenal des Ursins, 1412, ed. Michaud et Poujoulat,
Nouvelle collect. des mémoires, II p. 474.

[7]
Journal d'un bourgeois, p. 6; 70; Jean Molinet, Chronique, ed.
Buchon, Coll. de chron. nat., 1827/28, 5 vol, II p. 23; Lettres de
Louis XI, ed. Vaesen, Charavay, de Mandrot, (Soc. de l'hist. de
France) 1883-1909, 11 vol., 20 Apr. 1477, VI p. 158; Chronique
scandaleuse, II p. 47, id. Interpolations, II p. 364.

[8]
Journal d'un bourgeois, p. 234/7.

[9]
Chron. scand., II p. 70, 72.

[10]
Vita auct. Petro Ranzano O.P. (1455), Acta sanctorum Apr. t. 1 p.
494 sq.

[11]
Enguerrand de Monstrelet, Chroniques, ed. Douët d'Arcq (Soc. de
l'hist. de France) 1857-'62, 6 vol., IV p. 302-306.

[12]
Wadding, Annales Minorum, X p. 72; K. Hefele, Der h.
Bernhardin von Siena und die franziskanische Wanderpredigt in
Italien, Freiburg, 1912, S. 47, 80.

Page 373

[13]
Chron. scand., I p. 22, 1461; Jean Chartier, Hist. de Charles VII,
ed. D. Godefroy, 1661, p. 320.

[14]
Chastellain, III pp. 36, 98, 124, 125, 210, 238, 239, 247, 474;
Jacques du Clercq, Mémoires (1448-1467), ed. de Reiffenberg,
Bruxelles, 1823, 4 vol., IV. p. 40, II p. 280, 355, III p. 100;
Juvenal des Ursins, p. 405, 407, 420; Molinet, III p. 36, 314.

[15]
Jean Germain, Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae, ed.
Kervyn de Lettenhove, Chron. rel. à l'hist. de la Belg. sous la
dom. des ducs de Bourg. (Coll. des chron. belges) 1876, II, p. 50.

[16]
La Marche, I p. 61.

[17]
Chastellain, IV p. 333 s.

[18]
Chastellain, III p. 92.

[19]
Jean Froissart, Chroniques, ed. S. Luce et G. Raynaud (Soc. de
l'hist. de France) 1869-1899,11 vol. (niet verder dan 1385), IV, p.
89-93.

[20]
Chastellain, III p. 85 ss.

[21]

Page 374

Ib. III p. 279.

[22]
La Marche. II p. 421.

[23]
Juvenal des Ursins, p. 379.

[24]
Martin Le Franc, Le Champion des dames, bij G. Doutrepont, La
littérature française à la cour des ducs de Bourgogne (Bibl. du
XVe siècle t. VIII) Paris, Champion. 1909, p. 304.

[25]
Acta sanctorum Apr. t. 1 p. 496; A. Renaudet, Préréforme et
humanisme à Paris 1494-1517, Paris, Champion, 1916, p. 163.

[26]
Chastellain, IV p. 300 s., VII p. 75; vgl. Thomas Basin, De rebus
gestis Caroli VII et Lud. XI historiarum libri XII, ed. Quicherat,
(Soc. de l'hist. de France) 1855-1859, 4 vol, I p. 158.

[27]
Journal d'un bourgeois, p. 219.

[28]
Chastellain, III p. 30.

[29]
La Marche, I p. 89.

[30]

Page 375

Chastellain, I p. 82, 79; Monstrelet, III p. 361.

[31]
La Marche, I p. 201.

[32]
Het tractaat o.a. bij La Marche, I p. 207.

[33]
Chastellain, I p. 196.

[34]
Basin, III p. 74.

[35]
Chastellain, IV p. 201. Vergelijk mijn studie Uit de
voorgeschiedenis van ons nationaal besef, in De Gids 1912, I.

[36]
Journal d'un bourgeois, p. 242; vgl. Monstrelet, IV p. 341.

[37]
Jan van Dixmude, ed. Lambin, Ypres 1839, p. 283.

[38]
Froissart, ed. Luce, XI p. 52.

[39]

Mémoires de Pierre le Fruictier dit Salmon, Buchon, 3e suppl. de
Froissart. XV p. 22.

[40]

Page 376

Chronique du Religieux de Saint Denis, ed. Bellaguet (Coll. des
documents inédits) 1839-'52. 6 vol., I p. 34; Juvenal des Ursins, p.
342, 467-471; Journal d'un bourgeois, p. 12, 31, 44.

[41]
Molinet, III p. 487.

[42]
Molinet, III p. 226, 241, 283-7; La Marche, III p. 289, 302.

[43]
Clementis V constitutiones, lib. V. tit. 9, c. I; Joannis Gersonii
Opera omnia, ed. L. Ellies Dupin, ed. II Hagae Comitis 1728, 5
vol., II p. 427; Ordonnances des rois de France, t. VIII p. 122; N.
Jorga, Philippe de Mézières et la croisade au XIVe siècle (Bibl. de
l'école des hautes études, fasc. 110) 1896, p. 438: Religieux de S.
Denis, II p. 533.

[44]
Journal d'un bourgeois, p. 223, 229.

[45]
Jacques du Clercq, IV p. 265. Petit-Dutaillis, Documents
nouveaux sur les moeurs populaires et le droit de vengeance dans
les Pays-Bas au XVe siècle. (Bibl. du XVe siècle) Paris,
Champion 1908, p. 7, 21.

[46]
Pierre de Fenin (Petitot, Coll. de mém. VII) p. 593; vgl. zijn
verhaal van den doodgeslagen nar, p. 619.

[47]
Journal d'un bourgeois, p. 204.

Page 377

[48]
Jean Lefèvre de Saint Remy, Chronique, ed. F. Morand (Soc. de
l'hist. de France) 1876, 2 vol, II p. 168; Laborde, Les ducs de
Bourgogne. Etudes sur les lettres, les arts et l'industrie pendant le
XVe siècle. Paris, 1849-'53, 3 vol, II p. 208.

[49]
La Marche, III p. 135; Laborde. II p. 325.

[50]
Laborde, III p. 355, 398. Le Moyen-âge, XX 1907 p. 193-201.

[51]
Juvenal des Ursins, p. 438, 1405; vgl. echter Rel. de S. Denis, III
p. 349.

[52]
Piaget, Romania XX p. 417 en XXXI 1902 p. 597-603.

[53]
Journal d'un bourgeois, p. 95.

[54]
Jacques du Clercq, III p. 262.

[55]
Jacques du Clercq passim; Petit Dutaillis, Documents etc. p. 131.

[56]
Hugo van St. Victor, De fructibus carnis et spiritus, Migne
CLXXVI p. 997.

Page 378

[57]
Tobias 4, 14.

[58]
I Timotheus 6, 10.

[59]
Petrus Damiani, Epist. lib. I, 15, Migne CXLIV p. 234, id. Contra
philargyriam ib. CXLV p. 533; Pseudo-Bernardus, Liber de modo
bene vivendi § 44, 45, Migne CLXXXIV p. 1266.

[60]
Journal d'un bourgeois, p. 325, 343, 357 en de gegevens uit de
registers van het Parlement aldaar in de noot.

[61]
L. Mirot, Les d'Orgemont, leur origine, leur fortune, etc. (Bibl. du
XVe siècle) Paris, Champion 1913; P. Champion, François Villon,
sa vie et son temps, id. Paris, Champion 1913, II p. 230s.

[62]
Mathieu d'Escouchy, Chronique, ed. G. du Fresne de Beaucourt
(Soc. de l'hist. de France) 1863-'64, 3 vol., I p. IV-XXIII.

[63]

P. Champion, François Villon, sa vie et son temps (Bibl. du XVe
siècle) Paris, 1913, 2 vol.

[64]
Poliziano, Le stanze, l'Orfeo e le rime, ed. G. Carducci, Firenze,
1863, p. 362.

[65]

Page 379

Eustache Deschamps, Oeuvres complètes, ed. De Queux de Saint
Hilaire et G. Raynaud (Soc. des anciens textes francais) 1878-
1903, 11 vol., no. 31 (I p. 113), vgl. nos. 85, 126, 152, 162, 176,
248, 366, 375, 386, 400, 933, 936, 1195, 1196, 1207, 1213, 1239,
1240 enz. enz.; Chastellain, I p. 9, 27, IV 5, 56, VI 206, 208, 219,
295; Alain Chartier, Oeuvres, ed. A. Duchesne, Paris 1617, p.
262; Alanus de Rupe, Sermo II p. 313, (B. Alanus redivivus, ed.
J.A. Coppenstein, Napels, 1642).

[66]
Deschamps no. 562 (IV p. 18).

[67]
A. de la Borderie, Jean Meschinot, sa vie et ses oeuvres, Bibl. de
l'Ecole des chartes LVI 1895, pp. 277, 280, 305, 310, 312, 622,
etc.

[68]
Chastellain, I p. 10, Prologue, vgl. Complainte de fortune, VIII p.
334.

[69]
La Marche, I p. 186, IV p. LXXXIX; H. Stein, Etude sur Olivier
de la Marche, historien, poète et diplomate, (Mém. couronnés etc.
de l'Acad. royale de Belg. t. XLIX) Bruxelles 1888, frontispice.

Page 380

[70]
Monstrelet, IV p. 430.

[71]
Froissart ed. Luce, X. p. 275; Deschamps no. 810 (IV p. 327);
vgl. Les Quinze joyes de mariage, (Paris, Marpon et Flammarion)
p. 64 (quinte joye); Le livre messire Geoffroi de Charny, Romania
XXVI 1897, p. 399.

[72]
Joannis de Varennis responsiones ad capitula accusationum etc. §
17, bij Gerson, Opera, I p. 920.

[73]
Deschamps no. 95 (I p. 203).

[74]
Deschamps, Le miroir de mariage, IX p. 25, 69, 81, no. 1004 (V
p. 259), verder II p. 8, 183-7. III p. 39, 373, VII p. 3, IX p. 209
enz.

[75]
Convivio lib. IV. cap. 27, 28.

[76]
Discours de l'excellence de virginité, Gerson, Opera III p. 382;
vgl. Dionysius Cartusianus, De vanitate mundi, Opera omnia,
cura et labore monachorum sacr. ord. Cart., Monstrolii-Tornaci
1896-1913, 41 vol. XXXIX p. 472.

[77]
Chastellain, V p. 364.

Page 381

[78]
La Marche, IV p. cxiv.—De oude Nederl. vertaling van zijn Estat
de la maison du duc Charles de Bourgogne bij Matthaeus,
Analecta I p. 357-494.

[79]
Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, ed. M. Roy (Soc. des
anciens textes francais) 1886-1896, 3 vol., I p. 251 no. 38; Leo
von Rozmital's Reise, ed. Schmeller, (Bibl. des lit. Vereins zu
Stuttgart t. VII) 1844, p. 24, 149.

[80]
La Marche, IV. p. 4ss.; Chastellain, V p. 370.

[81]
Ernst.

[82]
Een staatsiezetel.

[83]
Gekleed.

[84]
Chastellain, V. p. 368.

[85]
La Marche, IV, Estat de la maison, p. 34ss.

[86]
La Marche, I p. 277.

Page 382

[87]
La Marche, IV, Estat de la maison, p. 34, 51, 20, 31.

[88]
Froissart, ed. Luce, III p. 172.

[89]
Journal d'un bourgeois, § 218 p. 105.

[90]
Chronique scandaleuse, I p. 53.

[91]
Molinet, I p. 184; Basin. II p. 376.

[92]
Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, ed. La Curne de
Sainte Palaye, Mémoires sur l'ancienne chevalerie, 1781, II p.
201.

[93]
Chastellain, III p. 196-212, 290, 292, 308, IV p. 412/4, 428;
Alienor de Poitiers, p. 209, 212.

[94]
Alienor de Poitiers, p. 210; Chastellain, IV p. 312; Juvenal des
Ursins, p. 405; La Marche, I p. 278, Froissart, I p. 16, 22, enz.

[95]
Molinet, V p. 194, 192.

[96]

Page 383

Alienor de Poitiers, p. 190; Deschamps, IX p. 109.

[97]
Chastellain, V. p. 27-33.

[98]
Maxime u. Reflexionen V.

[99]
Alleen om u moet de priester wachten. Deschamps, IX Le miroir
de mariage, p. 109/110.

[100]
Verscheiden exemplaren van zulke "paix" bij Laborde, II nos. 43,
45, 75, 126, 140, 5293.

[101]
De baljuwsche.

[102]
Deschamps ib.; p. 300, vgl. VIII p. 156 ballade no. 1462; Molinet,
V p. 195; Les cent nouvelles nouvelles, ed. Th. Wright, II p. 123;
vgl. Les Quinze joyes de mariage p. 185.

[103]
Canonisatieproces te Tours, Acta Sanctorum Apr. t. I p. 152.

[104]
Over zulke rangtwisten onder den Hollandschen adel, waarop
reeds even gewezen is door W. Moll, Kerkgeschiedenis van
Nederland vóór de hervorming, Utrecht 1864-'69, 2 deelen (5
stukken) II 3 p. 2842, is uitvoerig gehandeld door H. Obreen,
Bijdr. v. Vad. Gesch. en Oudhk. X p. 308.

Page 384

[105]
Deschamps, IX p. 111-114.

[106]
Jean de Stavelot, Chronique, ed. Borgnet (Coll. des chron. belges)
1861, p. 96.

[107]
Pierre de Fenin, p. 607; Journal d'un bourgeois, p. 9.

[108]
Aldus Juvenal des Ursins, p. 543, en Thomas Basin, I p. 31. Het
Journal d'un bourgeois, p. 110 geeft een andere reden voor het
doodvonnis, evenzoo Le Livre des trahisons, ed. Kervyn de
Lettenhove (Chron. rel. à l'hist. de Belg. sous les ducs de Bourg.)
II p. 1381.

[109]
Rel. de S. Denis, I p. 30; Juvenal des Ursins, p. 341.

[110]
Pierre de Fenin, p. 606; Monstrelet, IV p. 9.

[111]
Pierre de Fenin, p. 604.

[112]
Christine de Pisan, I p. 251 no. 38; Chastellain, V p. 364ss;
Rozmital 's Reise, p. 24, 149.

[113]

Page 385

Deschamps, I nos. 80, 114, 118, II nos. 256, 266, IV nos. 800,
803, V nos. 1018, 1024, 1029, VII no. 253, X nos. 13, 14.

[114]

Anonym bericht der 15e eeuw in Journal de l'inst. hist., IV p. 353,
vgl. Juvenal des Ursins, p. 569, Religieux de S. Denis, VI p. 492.

[115]
Jean Chartier, Hist. de Charles VII, ed. D. Godefroy 1661, p. 318.

[116]
Intocht van den dauphin als hertog van Bretagne te Rennes in
1532 bij Th. Godefroy, Le cérémonial françois, 1649, p. 619.

[117]
Rel. de S. Denis, I p. 32.

[118]
Journal d'un bourgeois, p. 277.

[119]
Thomas Bassin, II p. 9.

[120]
A. Renaudet, Préréforme et humanisme à Paris, p. 11, naar de
processtukken.

[121]
de Laborde, Les ducs de Bourgogne, I p. 172, 177.

[122]
Livre des trahisons, p. 156.

Page 386

[123]
Chastellain, I p. 188.

[124]
Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 254.

[125]
Rel. de S. Denis, II p. 114.

[126]
Chastellain, I p. 49, V p. 240; vgl. La Marche, I p. 201;
Monstrelet, III p. 358; Lefèvre de S. Remy, I p. 380.

[127]
Chastellain. V p. 228, vgl. IV p. 210.

[128]
Chastellain, III p. 296; IV p. 213, 216.

[129]
Chronique scandaleuse. Interpol. II p. 332.

[130]
Lettres de Louis XI, X p. 110.

[131]
Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 254-256.

[132]
Lefèvre de S. Remy, II p. 11; Pierre de Fenin, p. 599, 605;
Monstrelet, III p. 347; Theod. Pauli, De rebus actis sub ducibus

Page 387

Burgundiae compendium, ed. Kervyn de Lettenhove (Chron. rel.
à l'hist. de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. t. III) p. 267.

[133]
Alienor de Poitiers, p. 217-245; Laborde, II p. 267, Inventaris van
1420.

[134]

Continuateur de Monstrelet, 1449 (Chastellain, V p. 3671).

[135]
Vgl. Petit Dutaillis, Documents nouveaux sur les moeurs
populaires etc., p. 14; La Curne de S. Palaye, Mémoires sur
l'ancienne chevalerie, I p. 272.

[136]
Chastellain, Le Pas de la mort, VI p. 61.

[137]
Hefele, Der h. Bernhardin v. Siena etc., p. 42. Vervolging van
sodomie in Frankrijk, Jacques du Clercq, II p. 272, 282, 337, 338,
350, III 15.

[138]
Philippe de Commines, Mémoires, ed. B. de Mandrot (Coll. de
textes pour servir à l'enseignement de l'histoire) 1901-'3, 2 vol., I
p. 316.

[139]
La Marche, II p. 425; Molinet, II p. 29, 280; Chastellain, IV p. 41.

[140]

Page 388

Les cent nouvelles nouvelles, II p. 61; Froissart, ed. Kervyn, XI p.
93.

[141]
Froissart id., ib. XIV p. 318; Le livre des faits de Jacques de
Lalaing. p. 29, 247 (Chastellain VIII); La Marche I p. 268;
L'hystoire du petit Jehan de Saintré. ch. 47.

[142]
Chastellain, IV p. 237.

[143]
Deschamps, II p. 226.

[144]
Chastellain, Le miroer des nobles hommes en France, VI p. 204,
Exposition sur vérité mal prise, VI p. 416, L'entrée du roy Loys
en nouveau règne, VII p. 10.

[145]
Froissart, ed. Kervyn, XIII, p. 22; Jean Germain, Liber de
virtutibus ducis Burg., p. 109; Molinet, I p. 83, III p. 100.

[146]
Monstrelet, II p. 241.

[147]
Chastellain. VII p. 13-16.

[148]
Chastellain. III p. 82, IV p. 170, V p. 279, 309.

[149]

Page 389

Jacques du Clercq. II p. 245. vgl. p. 339.

[150]
Zie hierboven blz. 15.

[151]
Chastellain, III p. 82-89.

[152]
Chastellain, VII p. 90ss.

[153]
Chastellain, II p. 345.

[154]
Deschamps no. 113, t. I p. 230.

[155]
N. de Clemanges, Opera ed. Lydius. Leiden 1613, p. 48, cap. IX.

[156]
Gerson, Opera, IV p. 583-622, zie Denifle & Chatelain,
Chartularium Univ. Paris. IV no. 1819.

[157]
Bij H. Denifle, La désolation des églises etc. en France. Paris
1897-'99, 2 vol., I p. 497-513.

[158]
Alain Chartier, Oeuvres, ed. Duchesne, p. 402.

[159]

Page 390

Rob. Gaguini Epistole et orationes, ed. L. Thuasne (Bibl. litt. de
la Renaissance t. II) Paris 1903, 2 vol., II p. 321, 350.

[160]
Froissart. ed. Kervyn, XII p. 4; Le livre des trahisons p. 19, 26;
Chastellain, I p. XXX, III p. 325, V p. 260. 275, 325, VII p. 466-
480; Thomas Basin, passim, vooral I p. 44, 56, 59, 115; vgl. La
complainte du povre commun et des povres laboureurs de France
(Monstrelet, VI p. 176-190.)

[161]
Les Faictz et Dictz de messire Jehan Molinet, Paris, Jehan Petit,
1537, f. 87vso.

[162]
Ballade 19, bij A. de la Borderie, Jean Meschinot, sa vie et ses
oeuvres, Bibl. de l'école des chartes LVI, 1895, p. 296; vgl. Les
Lunettes des princes ib. p. 607, 613.

[163]
Masselin, Journal des Etats Généraux de France tenus à Tours en
1484, ed. A. Bernier, (Coll. des documents inédits) p. 672.

[164]
Deschamps, VI no. 1140, p. 67.

[165]
Deschamps, VI p. 124 no. 1176.

[166]
Molinet, II p. 104-107; Jean le Maire de Belges, Les chansons de
Namur 1507.

[167]

Page 391

Chastellain. Le miroir des nobles hommes de France, VI p. 203,
211, 214.

[168]
Le Jouvencel, ed. C. Favre et L. Lecestre (Soc. de l'hist. de
France) 1887-'89, 2 vol., I p. 13.

[169]
Livre des faicts du mareschal de Boucicaut, Petitot. Coll. de
mém., VI p. 375.

[170]
Philippe de Vitri, Le chapel des fleurs de lis (1335), ed. A. Piaget,
Romania XXVII 1898, p. 80ss.

[171]
Zie daarover La Curne de Sainte Palaye, Mémoires sur l'ancienne
chevalerie, 1781, II p. 94-96.

[172]
Molinet, I p. 16/17.

[173]
N. Jorga, Philippe de Mézières, p. 469.

[174]
l.c., p. 506.

[175]
Froissart, ed. Luce, I p. 2/3; Monstrelet, I p. 2; d'Escouchy, I p. I;
Chastellain, I prologue, II p. 116. VI p. 266; La Marche, I p. 187;
Molinet, I p. 17, II p. 54.

Page 392

[176]
Lefèvre de S. Remy, II p. 249; Froissart. ed. Luce, I p. I; vgl. Le
débat des hérauts d'armes de France et d'Angleterre, ed. L.
Pannier et P. Meyer, (Soc. des anciens textes francais) 1887, p. 1.

[177]
Chastellain, V p. 443.

[178]
Les origines de la France contemporaine. La Révolution, I p. 190.

[179]

Die Kultur der Renaissance in Italien, 10 II p. 155.

[180]
l.c., I p. 152-165.

[181]
Froissart, ed. Luce, IV p. 112.

[182]
Le Dit de Vérité, Chastellain, VI p. 221.

[183]
Le livre de la paix, Chastellain, VII p. 367.

[184]
Froissart, ed. Luce, I p. 3.

[185]
Le cuer d'amours épris, Oeuvres du roi René, ed. De
Quatrebarbes, Angers 1845, 4 vol., t. III p. 112.

Page 393

[186]
Lefèvre de S. Remy, II p. 68.

[187]
Doutrepont, p. 183.

[188]
La Marche, II p. 216, 334.

[189]
Ph. Wielant, Antiquités de Flandre, ed. De Smet (Corp. chron.
Flandriae IV) p. 56.

[190]
Commines, I p. 390, vgl. de anecdote bij Doutrepont, p. 185.

[191]
Chastellain, V p. 316-319.

[192]
P. Meyer, Bull. de la soc. des anc. textes français 1883, p. 45-54.

[193]
Deschamps. nos. 12, 93, 207, 239, 362, 403, 432, 652. I p. 86,
199, II p. 29, 69, X p. xxxv. lxxvi ss.

[194]
Journal d'un bourgeois, p. 274. Een gedicht van 9 strofen over de
9 dapperen in verschillende handschriften van Haarlemsche
keuren uit de XVe eeuw, zie mijn Rechtsbronnen van Haarlem, p.
xlvi vg. In het midden der 16e eeuw kent John Coke hen nog als

Page 394

The Nyne Worthyes, The debate betwene the Heraldes, ed. L.
Pannier et P. Meyer, Le debat des hérauts d'armes, p. 108 § 171.

[195]

Molinet, faictz et dictz, f. 151v.

[196]
La Curne de Sainte Palaye, II p. 88.

[197]
Deschamps, no. 206, 239, II p. 27, 69, no. 312, II p. 324, Le lay
du tres bon connestable B. du Guesclin.

[198]
S. Luce, La France pendant la guerre de cent ans, p. 231: Du
Guesclin, dixième preux.

[199]
La mort du roy Charles VII. Chastellain, VI p. 440.

[200]
Laborde, II p. 242, no. 4091; 138, no. 242, id. p. 146, no. 3343, p.
260, no. 4220, p. 266, no. 4255. Het souter is tijdens den
Spaanschen successieoorlog verworven door Joan van den Berg,
commissaris der Staten in België, en berust thans in de Leidsche
Universiteitsbibliotheek.

[201]

Burckhardt, Kultur der Ren. I14 p. 246.

[202]
Le livre des faicts du mareschal Boucicaut, ed. Petitot, Coll. de
mémoires 1e série, t. VI, VII.

Page 395

[203]
Le livre des faicts, VI p. 379.

[204]
Ib. VII. p. 214, 185. 200/1.

[205]
Chr. de Pisan, Le débat des deux amants, Oeuvres poétiques, II p.
96.

[206]
Antoine de la Salle, La salade, chap. 3, Paris, M. Le Noir, 1521, f.
4vso.

[207]
Le livre des cent ballades, ed. G. Raynaud (Soc. des anciens
textes français), p. lv.

[208]
Ed. C. Favre et L. Lecestre, Soc. de l'hist. de France, 1887/9.

[209]
Le Jouvencel, I p. 25.

[210]
Le livre des faits du bon chevalier Messire Jacques de Lalaing,
ed. Kervyn de Lettenhove. Chastellain, Oeuvres VIII.

[211]
II p. 20.

[212]

Page 396

W. James, The varieties of religious experience, Gifford lectures
1901/2, London 1903, p. 318.

[213]
Le livre des faicts, p. 398.

[214]
ed. G. Raynaud, Société des anciens textes francais, 1905.

[215]
Twee heidenen uit den roman van Aspremont.

[216]
Les Voeux du héron vs. 354-371, ed. Soc. des bibliophiles de
Mons, no. 8, 1839.

[217]
Brief van den graaf van Chimay aan Chastellain, Oeuvres, VIII p.
266.

[218]
Perceforest, bij Quatrebarbes, Oeuvres du roi René II p. xciv.

[219]
Des trois chevaliers et del chainse, van Jakes de Baisieux, ed.
Scheler, Trouvères belges I, 1876, p. 162.

[220]
Rel. de S. Denis, I p. 594ss.; Juvenal des Ursins, p. 379.

[221]
Dionysii Cartusiani Opera t. XXXVI p. 206.

Page 397

[222]
Deschamps, I p. 222, no. 108, I p. 223, no. 109.

[223]
Journal d'un bourgeois de Paris, p. 59, 56.

[224]

La Marche, II p. 119, 144; d'Escouchy, I p. 2451, 2478; Molinet,
III p. 460.

[225]
Chastellain, VIII p. 238.

[226]
La Marche, I p. 292.

[227]
Le livre des faits de Jacques de Lalaing, bij Chastellain, VIII p.
188 s.

[228]
Oeuvres du roi René, I p. lxxv.

[229]
La Marche, III p. 123; Molinet, V p. 18.

[230]
La Marche, II p. 118, 121, 122, 133, 341; Chastellain, I p. 256,
VIII p. 217, 246.

[231]
La Marche, II p. 173, I p. 285; Oeuvres du roi René, I p. lxxv.

Page 398

[232]
Oeuvres du roi René, I p. lxxxvi, II p. 57.

[233]
N. Jorga, Phil. de Mézières. p. 348.

[234]
Chastellain, II p. 7, IV p. 233 cf. 269, VI p. 154.

[235]
La Marche, I p. 109.

[236]
Statuten der orde, bij Luc d'Achéry, Spicilegium, III p. 730.

[237]
Chastellain. II p. 10.

[238]
Chronique scandaleuse, I p. 236.

[239]
Le songe de la thoison d'or, bij Doutrepont, p. 154.

[240]
Fillastre. Le premier volume de la toison dor, Paris 1515, fol. 2.

[241]

Boucicaut, I p, 504; Jorga, Ph. de Mézières, p. 83, 4638; Romania,
XXVI p. 3951, 3962; Deschamps, XI p. 28; Oeuvres du roi René,
I p. xi; Monstrelet, V p. 449.

Page 399

[242]
Deschamps, no. 908/10, XI p. 232, 14, 68.

[243]
Froissart. Poésies, ed. A. Scheler, (Acad. royale de Belgique)
1870-'72, 3 vol., II p. 341.

[244]
Alain Chartier, La ballade de Fougères, p. 718.

[245]
Richteren 6.

[246]
La Marche, IV p. 164; Jacques du Clercq, II p. 6.

[247]
Liber Karoleidos vs. 88 (Chron. rel. à l'hist. de Belg. sous la dom.
des ducs de Bourg. III).

[248]
Gen. 30.32; 4 Reg. (2 Kon.) 3.4; Job 31.20; Psalm 71.6.
(Statenvert. 72.6: "nagras", waar Vulg. "vellus" heeft).

[249]
Guillaume Fillastre, Le Second volume de la toison dor, Paris,
Franc. Regnault, 1516. fol. 1, 2.

[250]
La Marche, III p. 201, IV p. 67; Lefèvre de S. Remy, II p. 292; het
ceremonieel van zulk een doop bij Humphrey van Glocester's

Page 400

heraut Nicolas Upton, De officio militari, ed. E. Bysshe
(Bissaeus) London, 1654, lib. I, c. XI, p. 19.

[251]
Le livre du chevalier de la Tour Landry, ed. A. de Montaiglon,
(Bibl. elzevirienne) Paris, 1854, p. 241 ss.

[252]
Voeu du héron, ed. Soc. des bibl. de Mons, p. 17.

[253]
Froissart, ed. Luce, I p. 124.

[254]
Sedert eenigen tijd.

[255]
Zal uitgaan.

[256]
Rel. de S. Denis, III p. 72. Harald Harfagri doet de gelofte, zijn
haar niet te laten afsnijden, eêr hij heel Noorwegen veroverd
heeft, Haraldarsaga Harfagra, cap. 4; vgl. Voluspa 33.

[257]
Jorga, Ph. de Mézières, p. 76.

[258]
Claude Menard, Hist. de Bertrand du Guesclin, p. 39, 55, 410,
488, La Curne, I p. 240.

[259]

Page 401

Douet d'Arcq, Choix de Pièces inédites rel. au règne de Charles
VI. (Soc. de l'hist. de France 1863) I p. 370.

[260]
Le livre des faits de Jacques de Lalaing, chap. XVI ss.,
Chastellain, VIII p. 70.

[261]
Le petit Jehan de Saintré, chap. 48.

[262]
Germania cap. 31; La Curne, I p. 236.

[263]
Heimskringla, Olafssaga Tryggvasonar, cap. 35; Weinhold,
Altnordisches Leben, p. 462.

[264]
La Marche, II p. 366.

[265]
La Marche. II p. 381-387.

[266]
La Marche, l.c.; d'Escouchy, II p. 166, 218.

[267]
d'Escouchy, II p. 189.

[268]
Doutrepont, p. 513.

[269]

Page 402

ib. p. 110, 112.

[270]
Chastellain, III p. 376.

[271]
Hierboven blz. 123.

[272]
Chronique de Berne (Molinier no. 3103) bij Kervyn, Froissart, II
p. 531.

[273]
d'Escouchy, II p. 220.

[274]
Froissart, ed. Luce, X p. 240, 243.

[275]
Le livre des faits de Jacques de Lalaing, Chastellain, VIII p. 158-
161.

[276]
La Marche, IV Estat de la maison p. 34, 47.

[277]
Zie mijn verhandeling Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal
besef, de Gids 1912, 1.

[278]
Ps. 50, 19 (51, 20).

[279]

Page 403

Monstrelet, IV p. 112; Pierre de Fenin, p. 363; Lefèvre de Saint
Remy, II p. 63; Chastellain, I p. 331.

[280]
Zie J.D. Hintzen, De kruistochtplannen van Philips den Goede,
Leidsche dissertatie 1918.

[281]
Chastellain, III p. 6, 10, 34, 77, 118, 119, 178, 334; IV p. 125,
128, 171, 431, 437, 451, 470; V p. 49.

[282]
La Marche, II p. 382.

[283]
Uit de voorgeschiedenis van ons nat. besef, de Gids 1912, I.

[284]
Monstrelet, I p. 43ss.

[285]
Monstrelet, IV p. 219.

[286]
Pierre de Fenin, p. 626/7; Monstrelet, IV p. 244; Liber de
Virtutibus, p. 27.

[287]
Lefèvre de Saint Remy, II p. 107.

[288]
Laborde, I p. 201s.

Page 404

[289]
La Marche, II p. 27, 382.

[290]
Bandello, I nov. 39: Filippo duca di Burgogna si mette fuor di
proposito a grandissimo periglio.

[291]
F. von Bezold, Aus dem Briefwechsel der Markgräfin Isabella
von Este-Gonzaga, Archiv f. Kulturgesch. VIII p. 396.

[292]
Chastellain. III p. 38-49; La Marche, II p. 400ss.; d'Escouchy, II
p. 300ss.; Corp. chron. Flandr., III p. 525; Petit Dutaillis,
Documents nouveaux, p. 113, 137.—Over een blijkbaar
ongevaarlijken vorm van gerechtelijk tweegevecht: Deschamps
IX p. 21.

[293]
Froissart, ed. Luce, IV p. 89/94.

[294]
Froissart, IV p. 127/8.

[295]
Lefèvre de S. Remy, I p. 241.

[296]
Froissart, XI p. 3.

[297]
Rel. de S. Denis, III p. 175.

Page 405

[298]
Froissart, XI p. 24ss., VI p. 156.

[299]
Ib., IV p. 110, 115. Andere soortgelijke gevechten b.v. Molinier,
Sources, IV no. 3707; Molinet, IV p. 294.

[300]
Rel. de S. Denis, I p. 392.

[301]
Le Jouvencel, I p. 209, II p. 99, 103.

[302]
Froissart, I p. 65. IV p. 49, II p. 32.

[303]
Chastellain, II p. 140.

[304]
Monstrelet, III p. 101; Lefèvre de S. Remy, I p. 247.

[305]
Molinet, II p. 36, 48, III p. 98, 453. IV p. 372.

[306]
Froissart. III p. 187, XI p. 22.

[307]
Chastellain, II p. 374.

[308]

Page 406

Molinet, I p. 65.

[309]
Monstrelet, IV p. 65.

[310]
ib., III p. 111, Lefèvre de S. Remy, I p. 259.

[311]
Basin, III p. 57.

[312]
Froissart, IV p. 80.

[313]
Chastellain, I p. 260; La Marche, I p. 89.

[314]
Commines, I p. 55.

[315]
Chastellain, III p. 82ss.

[316]
Froissart, XI p. 58.

[317]

Ms. Kroniek van Oudenaarde, bij Rel. de S. Denis, I p.2291.

[318]
Froissart, IX p. 220, XI p. 202.

Page 407

[319]
Chastellain, II p. 259.

[320]
La Marche, II p. 324.

[321]
Chastellain, I p. 28, Commines, I p. 31; vgl. Petit Dutaillis in
Lavisse, Histoire de France, IV2 p. 33.

[322]
Deschamps, IX p. 80, vgl. vs. 2228, 2295, XI p. 173.

[323]
Froissart, II p. 37.

[324]
La Débat des hérauts d'armes § 86, 87, p. 33.

[325]

Livre des faits, bij Chastellain, VIII p. 2522 en xix.

[326]
Froissart, ed. Kervyn, XI p. 24.

[327]
Froissart, IV p. 83, ed. Kerv., XI p. 4.

[328]
Deschamps, IV no. 785, p. 289.

[329]

Page 408

Chastellain, V p. 217.

[330]
Le Songe véritable, Mém. de la soc. de l'hist. de Paris, t. XVII p.
325, bij Raynaud, Les cent ballades, p. 1v1.

[331]
Commines, I, p. 295.

[332]
Livre messires Geoffroi de Charny, Romania XXVI.

[333]
Commines, I p. 36-42, 86, 164.

[334]
Froissart, IV p. 70, 302; vgl. ed. Kervyn de Lettenhove, Bruxelles
1869-1877, 26 vol., V p. 513.

[335]
Froissart, ed. Kervya, XV p. 227.

[336]
Doutrepont, p. 112.

[337]
Emerson, Nature, ed. Routledge, 1881, p. 230/1.

[338]
A. Piaget, Romania, XXVII 1898, p. 63.

[339]

Page 409

Lez ru = bij een beek, o = met, bij, matton = roomkaas, aulx =
knoflook, escaillongne = sjalot.

[340]
Jame = gemme.

[341]
Deschamps, no. 315, III p. 1.

[342]
Deschamps, I p. 161, no.65, vgl. I p. 78 no. 7, p. 175 no. 75.

[343]
Deschamps, no. 1287, 1288, 1289. VII p. 33, vgl. no. 178, I p.
313.

[344]
Deschamps, no. 240, II p. 71, vgl., no. 196, II p. 15.

[345]
Deschamps, no. 184, I p. 320. Chartons = voerman, ouvrant =
werkende.

[346]
Deschamps no. 1124, no. 307, VI p. 41, II p. 213, Lai de
franchise.

[347]
Vgl. verder Deschamps, no. 199, 200, 201, 258, 291, 970, 973,
1017, 1018, 1021, 1201, 1258.

[348]

Page 410

Deschamps, XI p. 94.

[349]
Romania XXVII 1898, p. 64.

[350]
N. de Clemanges, Opera ed. 1613, Epistolae no. 14, p. 57, no. 18,
p. 72, no. 104, p. 296.

[351]
Joh. de Monasteriolo. Epistolae, Martène & Durand, Ampl.
Collectio. II. c. 1398.

[352]
Ib. c. 1459.

[353]
Alain Chartier, Oeuvres ed. Duchesne, 1617, p. 391.

[354]
Zie Thuasne. I p. 37, II p. 202.

[355]
Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes, IV p. 73, vgl. Thuasne, II
p. 204.

[356]
Meschinot, ed. 1522, f. 94, bij La Borderie, Bibl. de l'Ec. des
Chartes, LVI, 1895, p. 313.

[357]
Vgl. Thuasne, l.c., p. 205.

Page 411

[358]
Aldus wil de nieuwste uitgever van den Roman de la rose, E.
Langlois, den naam herstellen.

[359]
Chastellain, IV p. 165.

[360]
Basin, II p. 224.

[361]

La Marche, II p. 3502.

[362]
Froissart, IX p. 223-236; Deschamps, VII no. 1282.

[363]
Cent nouvelles nouvelles, ed. Wright, II p. 15, vgl. I p. 277, II p.
20, 168 etc. en Quinze joyes de mariage, passim.

[364]
Petit de Julleville, Jean Regnier, bailli d'Auxerre, Revue d'hist.
litt. de la France, 1895 p. 157, bij Doutrepont, p. 383; vgl.
Deschamps, VIII p. 43.

[365]
H.F. Wirth, Der Untergang des niederländischen Volksliedes,
Haag, 1911.

[366]
Deschamps, VI p. 112, no. 1169, La leçon de musique.

Page 412

[367]
Charles d'Orléans, Poésies complètes, Paris 1874, 2 vol., I p. 12.
42.

[368]
ib. p. 88.

[369]
Deschamps, VI p. 82, no 1151; zie b.v. V p. 132, no. 926, IX p.
94, c. 31, VI p. 138, no. 1184, XI 18, no. 1438, en XI p. 269,
2861.

[370]
Christine de Pisan, l'Epistre au dieu d'amours, Oeuvres poétiques,
ed. M. Roy, II p. 1.

[371]
Martène et Durand, Amplissima Collectio, II col. 1421.

[372]
Joh. de Monasteriolo, Epistolae, Martène et Durand, Ampl. coll.,
II p. 1409, 1421, 1422.

[373]
Piaget, Etudes romanes dédiées à Gaston Paris, p. 119.

[374]
Gerson, Opera, III p. 297; id. Considérations sur St. Joseph, III p.
866; Sermo contra luxuriem, III p. 923, 925, 930, 968.

[375]

Page 413

Volgens Gerson. De brief van Pierre Col, bewaard in een hs. der
Bibl. nationale, mss. français 1563 f. 183, was mij niet
toegankelijk.

[376]
Bibl. de l'école des chartes LX 1899. p. 569.

[377]
E. Langlois, Le Roman de la rose (Société des anciens textes
français) 1914, t. I Introduction, p. 36.

[378]
A. Piaget, La cour amoureuse dite de Charles VI, Romania, XX p.
417, XXXI p. 599, Doutrepont, p. 367.

[379]
Leroux de Lincy, Tentative de rapt etc. en 1405, Bibl. de l'école
des chartes, 2e serie, III 1846, p. 316.

[380]
Piaget, Romania. XX p. 447.

[381]
Rabelais, Gargantua, 1. I. ch. 9.

[382]
Guillaume de Machaut, Le livre du Voir-Dit, ed. P. Paris. (Société
des bibliophiles françois 1875), p. 82, 213, 214, 240, 299, 309,
313, 347, 351.

[383]
Juvenal des Ursins, p. 496.

Page 414

[384]
Rabelais, Gargantua, 1. I ch. 9.

[385]
Coquillart, Droits nouveaux, I p. 111.

[386]
Christine de Pisan, I p. 187ss.

[387]
E. Hoepffner, Frage- und Antwortspiele in der franz. Literatur des
14. Jahrh., Zeitschr. f. roman. Philologie, XXXIII 1909, p. 695,
703.

[388]
Christine de Pisan, Le dit de la rose vs. 75, Oeuvres poétiques, II
p. 31.

[389]
Machaut, Remede de fortune vs. 3879ss., Oeuvres, ed. E.
Hoepffner (Soc. des anc. textes français) 1908/11, 2 vol., II p.
142.

[390]
Christine de Pisan, Le livre des trois jugements, Oeuvres
poétiques II p. 111.

[391]
Le livre du Voir-Dit, ed. P. Paris, Société des bibliophiles françois,
1875. De hypothese, dat er geen reëele liefdesgeschiedenis aan
het werk van Machaut ten grondslag zou liggen (aldus Hanf,
Zeitschr. f. Rom. Phil. XXII p. 145), mist elken grond.

Page 415

[392]
Een kasteel bij Château Thierry.

[393]
Voir-Dit, lettre II p. 20.

[394]
Voir-Dit, lettre XXVII p. 203.

[395]
Voir-Dit, p. 20, 96, 146, 154, 162.

[396]
Voir-Dit, p. 371.

[397]
De kus met een blad ter isoleering komt meer voor: vgl. Le grand
garde derrière, str. 6, W.G.C. Bijvanck, Un poète inconnu de la
société de François Villon, Paris, Champion, 1891, p. 27.

[398]
Voir-Dit, p. 143, 144.

[399]
Voir-Dit, p. 110.

[400]
Zie hierboven p. 66.

[401]
Voir-Dit, p. 98, 70.

Page 416

[402]
Le livre du chevalier de la Tour Landry, ed. A. de Montaiglon
(Bibl. elzevirienne) 1854.

[403]
p. 245 (zie Hoofdstuk IV, noot 464)

[404]
p. 28 (tekst volgend op noot 44, hoofdstuk I. M.D.)

[405]
p. 45 (zie Hoofdstuk II, noot 71)

[406]
De zin is geheel onlogisch (pensée ... fait penser ... à pensiers) en
loopt niet rond; vat op: nergens zoo dikwijls, als in de kerk.

[407]
p. 249, p. 252 (zie hoofdstuk IV, noot 481)

[408]
Recollection des merveilles, bij Chastellain VII p. 200; vergelijk
de beschrijving der Joutes de Saint Ingelevert in een gedicht,
vermeld bij Froissart ed. Kervyn, XIV p. 406.

[409]
Le Pastoralet, ed. Kervyn de Lettenhove, (Chron. rel. à l'hist. de
Belg. sous la dom. des ducs de Bourg.) II p. 573.

[410]
Meschinot, Les Lunettes des princes, bij La Borderie l.c., p. 606.

Page 417

[411]
La Marche, III p. 135, 137.

[412]
Molinet, IV p. 389.

[413]
Molinet, I p. 190, 194; III p. 138; vgl. Juvenal des Ursins, p. 382.

[414]
Deschamps, II p. 213. Lay de franchise; vgl. Chr. de Pisan, Le dit
de la Pastoure, Le Pastoralet, roi René, Regnault et Jehanneton,
Martial d'Auvergne, Vigilles du roi Charles VII, etc., etc.

[415]
Deschamps, no. 923, vgl. XI p. 322.

[416]
Villon, ed. Longnon, p. 83.

[417]
Gerson, Opera, III p. 302.

[418]
L'epistre au dieu d'amours, II p. 14.

[419]
Quinze joyes de mariage, p. 222.

[420]
Oeuvres poétiques, I p. 237, no. 26.

Page 418

[421]
Directorium vitae nobilium, Dionysii Opera, t. XXXVII, p. 550; t.
XXXVIII p. 358.

[422]
Bernardi Morlanensis, De contemptu mundi, ed. Th. Wright, The
Anglo-latin satirical poets and epigrammatists of the twelfth
century (Rerum Britannicarum medii aevi scriptores), London,
1872, 2 vol., II p. 37.

Page 419

[423]
Vroeger toegeschreven aan Bernard van Clairvaux, door
sommigen voor het werk van Walter Mapes gehouden; vgl. H.L.
Daniel, Thesaurus hymnologicus, Lipsiae 1841-1856, IV p. 288.

[424]
Deschamps, III no. 330, 345, 368, 399.—Gerson, Sermo III de
defunctis, Opera, III p. 1568; Dion. Cart. De quatuor hominum
novissimis, Opera, t. XLI p. 511; Chastellain, VI p. 52.

[425]
Villon, ed. Longnon, p. 33.

[426]
Ib. p. 34.

[427]
Emile Mâle, l'Art religieux à la fin du moyen âge, Paris, 1908, p.
376.

[428]
Zie mijn De Vidûshaka in het Indisch tooneel, Groningen, 1897,
p. 77.

[429]
Odo van Cluny, Collationum lib. III, Migne t. CXXXIII, p. 556.

[430]
Innocentius III, de contemptu mundi sive de miseria conditionis
humanae libri tres, Migne t. CCXVII p. 702. Het tractaat is
overigens uit den tijd vóór zijn pausschap.

[431]

Page 420

Ib. p. 713.

[432]

Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes I p. cl. Na den 5en den 8en
regel schijnt een vers te ontbreken; waarschijnlijk rijmde op
"menu vair" "mangé des vers" of iets dergelijks.

[433]
Olivier de la Marche, Le Parement et triumphe des dames, Paris,
Michel le Noir, 1520, aan het slot.

[434]
Ib.

[435]
Uitgevallen.

[436]
Villon, Testament, vs. 453 ss., ed. Longnon, p. 39.

[437]
H. Kern, Het lied van Ambapâlî uit de Therîgâthâ, Versl. en
Meded. der Kon. Akad. v. wetenschappen6 III p. 153, 1917.

[438]
Molinet, Faictz et dictz, fo. 4, fo. 42v.

[439]
Proces over de zaligverklaring van Pieter van Luxemburg, 1390,
Acta sanctorum Julii, I p. 562.

[440]

Page 421

Les Grandes chroniques de France, ed. Paulin Paris, Paris 1836-
'38, 6 vol., VI p. 334.

[441]
Juvenal des Ursins, p. 567; Journal d'un bourgeois, p. 237, 307,
671; Lefèvre de S. Remy, I p. 260.

[442]
Zie over dit alles Emile Male, l'Art religieux à la fin du moyen-
age, II, 2 La Mort.

[443]
Laborde, II. I, 393.

[444]
Journal d'un bourgeois, p. 203.

[445]
Eenige reproducties bij Mâle t.a.p. en in Gazette des beaux arts
1918, avril-juin p. 167.

[446]
Oeuvres du roi René, I p. clii.

[447]
Chastellain, Le pas de la mort, VI p. 59.

[448]
Vgl. Innocentius III, de contemptu mundi, II c. 42; Dion. Cart. de
IV hominum novissimis, t. XLI p. 496.

[449]

Page 422

Oeuvres, VI p. 49.

[450]
T.a. p. 60.

[451]
Villon, Testament, XLI, vs.321-328, ed. Longnon, p. 33.

[452]
Champion, Villon, 1 p. 303.

[453]
Mâle l.c. p. 389.

[454]
Leroux de Lincy, Livre des légendes, p. 95.

[455]
Le livre des faits etc., II p. 184.

[456]
Journal d'un bourgeois, I p. 233/4, 392, 276. Zie verder
Champion, Villon, I p. 306.

[457]
A. de la Salle, Le Reconfort de Madame du Fresne, ed. J. Nève,
Paris. 1903.

[458]
J. Burckhardt, Weltgeschichtliche Betrachtungen, 1905, S. 97,
147.

[459]

Page 423

Heinrich Seuse, Leben, ed. Bihlmeyer, Deutsche Schriften, 1907,
p. 24, 25.

[460]
Gerson, Opera, III p. 309.

[461]
Nic. de Clemanges, De novis festivitatibus non instituendis,
Opera, ed. Lydius, Lugd. Bat. 1613, p. 151, 159.

[462]
Bij Gerson, Opera, II p. 911.

[463]
Acta sanctorum Apr. t. III p. 149.

[464]
ac aliis vere pauperibus et miserabilibus indigentibus, quibus
convenit jus et verus titulus mendicandi.

[465]
qui ecclesiam suis mendaciis maculant et eam irrisibilem reddunt.

[466]
Alanus Redivivus, ed. J. Coppenstein, 1642, p. 77.

[467]
Commines, I p. 310; Chastellain, V p. 27; Le Jouvencel, I p. 82;
Jean Lud, in Deutsche Geschichtsblätter, XV p. 248; Journal d'un
bourgeois, p. 384; Paston Letters, II p. 18; J. H. Ramsay,
Lancaster and York, II p. 275; Play of sir John Oldcastle, II p. 2
enz.

Page 424

[468]
Contra superstitionem praesertim Innocentum, Gerson, Opera, I p.
203.

[469]
Gerson, Quaedam argumentatio adversus eos qui publice volunt
dogmatizare etc. Opera, II p. 521/522.

[470]
Johannis de Varennis Responsiones etc., Gerson, I p. 909.

[471]
Journal d'un bourgeois, p. 259. Voor "une hucque vermeille par
dessoubz" zal "par dessus" te lezen zijn.

[472]
Contra vanam curiositatem, Opera, I p. 86.

[473]
Considérations sur saint Joseph, III p. 842/68. Josephina IV p.
753; Sermo de natalitate beatae Mariae Virginis, III p. 1351;
verder IV p. 729, 731, 732, 735, 736.

[474]
Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 50.

[475]
C. Schmidt, Der Prediger Olivier Maillard, Zeitschr. f. hist.
Theologie, 1856, p. 501.

[476]
Zie Thuasne, Rob. Gaguini Ep. et Or., I p. 72ss.

Page 425

[477]
Les cent nouvelles nouvelles, ed. Wright, II p. 75ss. 122ss.

[478]
Le livre du chevalier de la Tour-Landry, ed. de Montaiglon, p. 56.

[479]
L.c., p. 257; "Se elles ouyssent sonner la messe ou à veoir Dieu."

[480]

Leroux de Lincy, Le livre des Proverbes français2, Paris, 1859, 2
vol., I p. 21.

[481]
Froissart, ed. Luce, V p. 24.

[482]
"Cum juramento asseruit non credere in Deum dicti episcopi,"
Rel. de S. Denis, I p. 102.

[483]
Laborde, II p. 264. no. 4238. Inventaris van 1420; ib. II p. 10 no.
77, Inventaris van Karel den Stoute, waar wel sprake zal zijn van
hetzelfde exemplaar.

[484]
Gerson, Opera, III p. 947.

[485]

Journal d'un bourgeois, p. 3662.

[486]

Page 426

Een nederl. aflaatbrief uit de 14e eeuw, ed. J. Verdam, Ned.
Archief voor Kerkgesch. 1900, p. 117-122.

[487]
A. Eekhof, De questierders van den aflaat in de Noordelijke
Nederl., 's Grav. 1909, p. 12.

[488]
Chastellain, Ip. 187/89: intocht van Hendrik V en Philips van
Bourgondië te Parijs in 1420; II p. 16: intocht van den laatste te
Gent in 1430.

[489]
Doutrepont, p. 379.

[490]
Deschamps, III p. 89 no. 357; le roi René, Traicté de la forme et
devise d'un tournoy. Oeuvres, II p. 9.

[491]
Olivier de la Marche. II p. 202.

[492]
Monstrelet, I p. 285. cf. 306.

[493]
Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae, p. 13, 16, (Chron.
rel. à l'hist. de la Belgique sous la dom. des ducs de Bourg. II).

[494]
Molinet, II p. 84-94, III p. 98, Faictz et Dictz, fo. 47, vgl. I p. 240,
en ook Chastellain, III p. 209, 260, IV p. 48, V p. 301, VII p. 1ss.

Page 427

[495]
Molinet, III p. 109.

[496]
Gerson, Oratio ad regem Franciae, Opera, IV p. 662.

[497]
Quinze joyes de Mariage, p. xiii.

[498]
Gerson, Opera, III p. 299.

[499]
Friedländer, Jahrb. d. K. Preuss. Kunstsammlungen, XVII. 1896,
p. 206.

[500]
Wetzer und Welte, Kirchenlexikon, s. v. Musik, col., 2040.

[501]
Chastellain, III p. 155.

[502]
H. van den Velden, Rod. Agricola, een Nederlandsen humanist
der vijftiende eeuw, 1e dl., Leiden 1911, p. 44.

[503]
Deschamps, X no. 33, p. xli. In den voorlaatsten regel staat
"l'ostel", wat natuurlijk geen zin geeft.

[504]

Page 428

Nic. de Clemanges, De novis celebritatibus non instituendis,
Opera, ed. Lydius, 1613, p. 143.

[505]
Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 66, 70.

[506]
Gerson, Sermo de nativitate Domini, Opera, III p. 946, 947.

[507]
Nic. de Clemangiis, l.c., p. 147.

[508]
O. Winckelmann, Zur Kulturgesch. des Strassburger Münsters,
Zeitschr. f. d. Gesch. des Oberrheins NF XXII 2.

[509]
Dionysius Cartusianus, De modo agendi processiones etc., Opera,
XXXVI p. 198s.

[510]
Chastellain, V p. 253ss.

[511]
Hierboven p. 66. (zie Hoofdstuk II, noot 100)

[512]
Michel Menot, Sermones f. 144vs., bij Champion, Villon, I p.
202.

[513]

Page 429

Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 65; Olivier de la
Marche, II p. 89; l'Amant rendu cordelier, p. 25, huitain 68; Rel.
de S. Denis. I p. 102.

[514]
L.c., p. 144.

[515]
Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, I p. 172, vgl. p. 60,
l'Epistre au dieu d'Amours, II 3; Deschamps, V p. 51 no. 871, II p.
185 vs. 75; vgl. hierboven p. 207. (zie Hoofdstuk IV, noot 399)

[516]
L'Amant rendu cordelier, l.c.

[517]
Menot, l.c.

[518]
Gerson, Expostulatio ... adversus corruptionem juventutis per
lascivas imagines et alia hujusmodi, Opera, III p. 291; cf. De
parvulis ad Christum trahendis, ib. p. 281; Contra tentationem
blasphemiae, ib. p. 246.

[519]
Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 80, 81, vgl. Machaut,
Livre du Voir-Dit, p. 143ss.

[520]
Ib. p. 55, 63, 73, 79.

[521]
Nic. de Clemangiis, l.c. p. 145.

Page 430

[522]
Quinze joyes de mariage, p. 127, vgl. p. 19, 29. 124.

[523]
Froissart, ed. Luce et Raynaud, XI p. 225ss.

[524]
Chron. Montis S. Agnetis, p. 341; J. C. Pool, Frederik v. Heilo en
zijne schriften, Amsterdam, 1866, p. 126; vgl. Hendrik Mande bij
W. Moll, Joh. Brugman en het godsd. leven onzer vaderen in de
15e eeuw, 1854, 2 dln., I p. 264.

[525]
Gerson, Centilogium de impulsibus, Opera, III p. 154.

[526]
Deschamps, IV p. 322 no. 807; vgl. I p. 272 no. 146: "Si n'y a Si
meschant qui encor ne die Je regni Dieu...."

[527]
Gerson, Adversus lacivas imagines, Op. III p. 292; Sermo de
nativitate Domini, III p. 946.

[528]
Deschamps, I p. 271ss. no. 145, 146, p. 217 no. 105, vgl. II p. lvi
en Gerson III p. 85.

[529]
Gerson, Considérations sur le peché de blasphème, Op. III p. 889.

[530]
Regulae morales, ib. III p. 85.

Page 431

[531]
Ordonnances des rois de France, t. VIII p. 130, Rel. de S. Denis,
II p. 533.

[532]
P. d'Ailly, De reformatione, cap. 6; de reform, laicorum, bij
Gerson, Opera, II p. 914.

[533]
Gerson, Contra foedam tentationem blasphemiae. Opera, III p.
243.

[534]
Gerson, Regulae morales. Opera, III p. 85.

[535]
Gerson, Contra foedam tentationem blasphemiae. Opera, III p.
246: hi qui audacter contra fidem loquuntur in forma joci etc.

[536]
Cent nouvelles nouvelles, II p. 205.

[537]
Gerson, Sermo de S. Nicolao, Op. III p. 1577; De parvulis ad
Christum trahendis ib. p. 279. Tegen hetzelfde spreekwoord ook
Dionysius Cart., Inter Jesum et puerum dialogus, art. 2, Opera t.
XXXVIII p. 190.

[538]
Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 45.

[539]

Page 432

Ib. p. 58.

[540]
Deschamps, VI p. 109, no. 1167, id. no. 1222; Commines, I p.
449.

[541]
Froissart, ed Kervyn. XIV p. 67.

[542]
Rel. de S. Denis, I p. 102, 104; Jean Juvenal des Ursins, p. 346.

[543]
Jacques du Clercq. II p. 277, 340; IV p. 59; vgl. Molinet, IV p.
390, Rel. de S. Denis, I p. 643.

[544]
Joh. de Monasteriolo, Epistolae, Martène et Durand, Ampl. Coll.
II p. 1415, vgl. ep. 75, 76, p. 1456 van Ambr. de Miliis aan
Gonthier Col, waar hij zich beklaagt over Jean de Montreuil.

[545]
Gerson, Sermo III in die Sancti Ludovici, Opera, III p. 1451.

[546]
Gerson, Contra impugnantes ordinem carthusiensium, Opera. II p.
713.

[547]
Gerson, De decem praceptis, Opera, I p. 245.

[548]

Page 433

Gerson, Sermo de nativ. Domini, Opera, III p. 947.

[549]
Nic. de Clemanges, De novis celebr. etc. p. 151.

[550]
Villon, Testament, vs. 893ss., ed. Longnon, p. 57.

[551]
Gerson, Sermo de nativitaté Domini, Opera, III p. 947, Regulae
morales, ib. p. 86, Liber de vita spirituali animae, ib. p. 66.

[552]
Hist. translationis corporis sanctissimi ecclesiae doctoris divi
Thom. de Aq., 1368, auct. fr. Raymundo Hugonis O.P., Acta
sanctorum Martii, I p. 725.

[553]
Bericht van de pauselijke commissaris-bisschop Konrad van
Hildesheim en abt Hermann van Georgenthal over het
getuigenverhoor aangaande de heilige Elisabeth te Marburg in
Januari 1235, uitgegeven Historisches Jahrbuch der Görres-
Gesellschaft XXVIII p. 887.

[554]
Rel. de S. Denis, II p. 37.

[555]
Zie beneden p. 280. (zie Hoofdstuk VI, noot 565)

[556]
Chastellain, III p. 407, IV p. 216.

Page 434

[557]
Deschamps, I p. 277 no. 150.

[558]
Ib. II p. 348 no. 314.

[559]
Uit Johann Eck's Pfarrbuch für U.L. Frau in Ingolstadt,
aangehaald Archiv f. Kulturgesch. VIII p. 103.

[560]
Joseph Seitz, Die Verehrung des hl. Joseph in ihrer geschichtl.
Entwicklung usw., Freiburg, Herder, 1908.

[561]
Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 212.

[562]
B. Nat. Ms. fr. 1875, bij Ch. Oulmont, Le Verger, le Temple et la
Cellule, essai sur la sensualité dans les oeuvres de mystique
religieuse, Paris, 1912, p. 284ss.

[563]
Zie over de heiligenfiguren vooral E. Mâle, L'art religieux à la fin
du Moyen âge, chap. IV.

[564]
Deschamps, I p. 114 no. 32, VI p. 243 no. 1237.

[565]
Bambergsch missaal van 1490, bij Uhrig, Die 14 hl. Nothelfer
(XIV Auxiliatores), Theol. Quartalschrift LXX, 1888, p. 72; vgl.

Page 435

Utrechtsch missaal van 1514 en Dominicaansch missaal van
1550, Acta sanctorum Aprilis t. III p. 149.

[566]
L.l.c.c.

[567]
Erasmus, Ratio seu methodus compendio perveniendi ad veram
theologiam, ed. Bazel, 1520, p. 171.

[568]
In de zooeven aangehaalde ballade van Deschamps ook Martha,
die de Tarasque te Tarascon vernietigde.

[569]
Gargantua, l.I ch. 45.

[570]
ou = au.

[571]
Deschamps, no. 1230, VI p. 323.

[572]
Rob. Gaguini Epistole et Orationes, ed. Thuasne. II p. 176.

[573]
Oeuvres de Coquillart, ed. Ch. d'Héricault (Bibl. elzevirienne)
1857. 2 vol., II p. 281.

[574]
Molinet, IV p. 284.

Page 436

[575]
Fust = hout.

[576]
font caroles = in 't rond staan.

[577]
Deschamps, VIII p. 201, no. 1489.

[578]
Gerson, de Angelis, Opera, III p. 1481, De praeceptis decalogi, I
p. 431, Oratio ad bonum angelum suum, III p. 511, Tractatus VIII
super Magnificat, IV p. 370; vgl. III p. 137, 553, 739.

[579]
Opera. IV p. 389.

[580]
Monstrelet, IV p. 304.

[581]
Bernh. v. Siena, Opera, I p. 100 bij Hefele l.c. p. 36.

[582]
Les cent nouvelles nouvelles, II p. 157; Les quinze joyes de
mariage, p. 111, 215.

[583]
Molinet, Faictz et dictz, f. 188vso.

[584]
Journal d'un bourgeois, p. 336, vgl. p. 242 no. 514.

Page 437

[585]
Ghillebert de Lannoy, Oeuvres, ed. Ch. Potvin, Louvain, 1878, p.
163.

[586]
Les cent nouvelles nouvelles, II p. 101.

[587]
Le Jouvencel, II p. 107.

[588]

Songe du viel pelerin, bij Jorga, Phil. de Mézières. p. 4236.

[589]

Journal d'un bourgeois, p. 214, 2892.

[590]
Gerson, Opera, I p. 206.

[591]
Jorga, Phil. de Mézières, p. 506.

[592]
W. Moll, Johannes Brugman, II p. 125.

[593]
Chastellain, IV p. 263/5.

[594]
Chastellain, II p. 300; VII p. 222. Jean Germain, Liber de
Virtutibus, p. 10 (de hier vermelde minder strenge vastenpraktijk

Page 438

kan op een anderen tijd slaan); Jean Jouffroy, De Philippo duce
oratio (Chron. rel. à l'hist. de Belg. sous la dom. des ducs de
Bourg. III) p. 118.

[595]
La Marche, II p. 40.

[596]
Monstrelet, IV p. 302.

[597]
Jorga, Phil. de Mézières, p. 350.

[598]
Vgl. Jorga, l.c. p. 444, Champion, Villon, I p. 17.

[599]
Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes, I p. cx.

[600]
Monstrelet, V p. 112.

[601]
La Marche, I p. 194.

[602]
Acta Sanctorum Jan., t. II p. 1018.

[603]
Jorga, l.c. p. 509, 512.

[604]

Page 439

Het is in dit verband van geen belang, of de Kerk de personen in
kwestie heilig of slechts zalig heeft verklaard.

[605]
André Du Chesne, Hist. de la maison de Chastillon sur Marne,
Paris, 1621, Preuves, p. 126-131, Extraict de l'enqueste faite pour
la canonization de Charles de Blois, p. 223, 234.

[606]
Froissart, ed. Luce, VI p. 168.

[607]
De gronden, waarop Dom Plaine, Revue des questions
historiques, XI p. 41, Froissart's getuigenis wraakt, schijnen mij
niet afdoende.

[608]
W. James, The varieties of religious experience, p. 370s.

[609]
Ordonnances des rois de France, t. VIII, p. 398, Nov. 1400, 426,
18 Maart 1401.

[610]
Mémoires de Pierre Salmon, ed. Buchon, Coll. de chron.
nationales, 3e Supplément de Froissart, t. XV p. 49.

[611]
Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 40.

[612]
Acta Sanctorum Julii, t. I p. 486-628.

Page 440

[613]
La Marche, I p. 180.

[614]
Lettres de Louis XI, t. VI p. 514, cf. V p. 86, X p. 65.

[615]
Commines, I p. 291.

[616]
Commines, II p. 67, 68.

[617]
Commines, II p. 57; Lettres, X p. 16, IX p. 260. Er was indertijd
zulk een agnus scythicus in het Koloniaal Museum te Haarlem.

[618]
Chron. scand., II p. 122.

[619]
Commines, II p. 55, 77.

[620]
Acta sanctorum Apr., t. I p. 115.—Lettres de Louis XI, t. X p. 76,
90.

[621]
Sed volens caute atque astute agere, propterea quod a pluribus
fuisset sub umbra sanctitatis deceptus, decrevit variis modis
experiri virtutem servi Dei, Acta Sanctorum, l.c.

[622]

Page 441

Acta Sanctorum, l.c.p. 108; Commines, II p. 55.

[623]
Lettres, X p. 124. 29 Juni 1483.

[624]
Lettres, X p. 4 etc., Commines, II p. 54.

[625]
Commines, II p. 56, Acta Sanctorum, l.c.p. 115.

[626]
A. Renaudet, Préréforme et Humanisme à Paris, p. 172.

[627]
Doutrepont, p. 226.

[628]
Vita Dionysii auct. Theod. Loer, Dion. Opera, I. p. xlii ss., id. De
vita et regimine principum, t. XXXVII p. 497.

[629]
Opera, t. XLI p. 621; D. A. Mougel, Denys le chartreux, sa vie
etc., Montreuil, 1896, p. 63.

[630]
Opera. t. XLI, p. 617; Vita, I p. xxxi; Mougel, p. 51; Bijdr. en
mededeel. v. h. hist. genootschap te Utrecht, XVIII p. 331.

[631]
Opera, t. XXXIX p. 496, Mougel, p. 54; Moll, Johannes
Brugman, I p. 74; Kerkgesch., II 2 p. 124; K. Krogh-Tonning, Der

Page 442

letzte Scholastiker Eine Apologie, Freiburg 1904, p. 175.

[632]
Mougel, p. 58.

[633]
Opera, t. XXXVI p. 178: De mutua cognitione.

[634]
Vita, Opera, t. I p. xxiv, xxxviii.

[635]
Vita, Opera, t. I p. xxvi.

[636]
De munificentia et beneficiis Dei, Opera, t. XXXIV, art. 26 p.
319.

[637]
Gerson, Tractatus VIII super Magnificat, Opera, IV p. 386.

[638]
Acta Sanctorum Martii, t. I p. 561, vgl. 540, 601.

[639]
K. Hefele, Der bl. Berhardin voor Siena und die franziskanische
Wanderpredigt in Italien während des XV. Jahrhunderts, Freiburg,
1912, p. 79.

[640]
W. Moll, Johannes Brugman, II p. 74, 86.

[641]

Page 443

Zie boven blz. 255. (zie Hoofdstuk VI, noot 495)

[642]
Zie boven blz. 6 vgg. (zie Hoofdstuk I, tekst volgend op noot 7)

[643]
Acta Sanctorum Aprilis, t. I p. 195.—Noch van Vincent Ferrer,
noch van Olivier Maillard en Clement Menot heb ik de Sermones
in Nederland kunnen vinden. Het beeld, dat Hefele t.a.p. van de
prediking in Italië geeft, kan echter in veel opzichten ook op de
fransch-sprekende landen toepasselijk worden geacht.

[644]
Leven van S. Petrus Thomasius, Carmeliet, door Philippe de
Mézières, Acta sanctorum Jan., t. II p. 997; Dionysius Cartus over
Brugman's preektrant: De vita etc. christ.

[645]
Acta Sanctorum Apr., t. I p. 513.

[646]
James, l.c., p. 348: "For sensitiveness and narrowness, when they
occur together, as they often do, require above all things a
simplified world to dwell in"; cf. p. 3531.

[647]
Moll, Brugman, I p. 52.

[648]
Dionys. Cartus. De quotidiano baptismate lacrimarum, t. XXIX,
p. 84; Deoratione. t. XLI p. 31-55; Expositio hymni Audi benigne
conditor, t. XXXV p. 34.

Page 444

[649]
Acta sanctorum Apr., t. I p. 485, 494.

[650]
Chastellain, III p. 119; Antonio de Beatis (1517), L. Pastor, Die
Reise des Kardinals Luigi d'Aragona, Freiburg 1905, p. 513, 52;
Polydorus Vergilius, Anglicae historiae libri XXVI, Basileae,
1546, p. 15.

[651]
Gerson, Epistola contra libellum Johannis de Schonhavia, Opera,
I p. 79.

[652]
Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 44.

[653]
Ib. p. 48.

[654]
Gerson, De examinatione doctrinarum. Opera, I p. 19.

[655]
Ib. p. 16, 17.

[656]
Gerson, De distinctione etc., I p. 44.

[657]
Gerson, Tractatus II super Magnificat, Opera, IV p. 248.

[658]

Page 445

65 nutte artikelen van der passien ons Heren, Moll, Brugman, II
p. 75.

[659]
Gerson, De monte contemplationis, Opera, III p. 562.

[660]
Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 49.

[661]
Ib.

[662]
Acta sanctorum Martii, t. I p. 562.

[663]
James, l.c., p. 343.

[664]
Acta sanctorum, l.c., p. 552ss.

[665]
Froissart, ed. Kervyn, XV p. 132; Religieux de Saint Denis, II p.
124; Joannis de Varennis Responsiones ad capita accusationum
bij Gerson, Opera, I p. 925, 926.

[666]
Responsiones, l.c., p. 936.

[667]
Ib. p. 910ss.

[668]

Page 446

Gerson, De probatione spirituum. Opera, I p. 41.

[669]
Gerson, Epistola contra libellum Joh. de Schonhavia, Opera, I p.
82.

[670]
Gerson, Sermo contra luxuriam. Opera, III p. 924.

[671]
Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 55.

[672]
Opera, III p. 589ss.

[673]
Ib. p. 593.

[674]
Gerson, De consolatione theologiae, Opera, I p. 174.

[675]
Gerson, Epistola ... super tertia parte libri Joannis Ruysbroeck De
ornatu nupt. spir., Opera, I p. 59, 67 etc.

[676]
Gerson, Epistola contra defensionem joh. de Schonhavia
(polemiek over Ruusbroec), Opera, I p. 82.

[677]
Hetzelfde gevoel bij een moderne: "I committed myself to Him in
the profoundest belief that my individuality was going to be

Page 447

destroyed, that he would take all from me, and I was willing",
James, l.c., p. 223.

[678]
Gerson, De distinctione etc., I p. 55; De libris caute legendis, I p.
114.

[679]
Gerson, De examinatione doctrinarum, Opera, I p. 19; De
distinctione, I p. 55; De libris caute legendis, I p. 114; Epistola
super Joh. Ruysbroeck De ornatu, I p. 62; De consolatione
theologiae, I p. 174; De susceptione humanitatis Christi, I p. 455;
De nuptiis Christi et ecclesiae, II p. 370; De triplici theologia, III
p. 369.

[680]
Moll, Johannes Brugman, I p. 57.

[681]
Gerson, De distinctione etc., I p. 55.

[682]
Moll, Brugman. I p. 234, 314.

[683]
Ecclesiasticus 24, 29; vgl. Meister Eckhart, Predigten no. 43, p.
146. 26.

[684]
Ruusbroec, Die Spieghel der ewigher salicheit, cap. 7, Die
chierheit der gheesteleker brulocht, 1. II c. 53, Werken, ed. David
en Snellaert (Maatsch. der Vlaemsche bibliophilen) 18602, 1868,
III p. 156/9, VI p. 132.

Page 448

[685]
Naar het hs. bij Oulmont, l.c., p. 277.

[686]

Vgl. de bestrijding dier meening door James, l.c., p. 101, 191,
276.

[687]
Moll, Brugman, II p. 84.

[688]
Oulmont, l.c., p. 204, 210.

[689]
B. Alanus redivivus, ed. J. A. Coppenstein, Napels, 1462, p. 29,
31, 105, 108, 116 etc.

[690]
Alanus redivivus, p. 209, 218.

[691]
Seuse, Leben, kap. 4, 45, Deutsche Schriften, p. 15, 154; Acta
Sanctorum Jan., t. II p. 656.

[692]
Hefele, l.c., p. 167; vgl. p. 259 "Over den naam van Jezus", B.'s
verdediging van het gebruik.

[693]
Eug. Demole, Le soleil comme cimier des armes de Genève,
vermeld Revue historique CXXIII p. 450.

Page 449

[694]
Rod. Hospinianus, De templis etc. ed. IIa, Tiguri, 1603, p. 213.

[695]
James, Varieties of religieus experience, p. 474, 475.

[696]

Irenaeus, Adversus haereses libri V, 1. IV c. 213.

[697]
Over de noodwendigheid van zulk realisme James, l.c., p. 56.

[698]
Goethe, Sprüche in Prosa.

[699]
St. Bernard, Libellus ad quendam sacerdotem, bij Dion. Cart. De
vita et regimine curatorum, t. XXXVII p. 222.

[700]
Bonaventura, De reductione artium ad theologiam, Opera, ed.
Paris, 1871, t. VII, p. 502.

[701]
P. Rousselot, Pour l'histoire du problème de l'amour (Bäumker &
Von Hertling, Beitr. zur Gesch. der Philosophie im Mittelalter, VI
6) Münster, 1908.

[702]
Sicard, Mitrale sive de officiis ecclesiasticis summa, Migne, t.
CCXIII c. 232.

Page 450

[703]
Gerson, Compendium Theologiae, Opera, I p. 234, 303s, 325,
Meditatio super septimo psalmo poenitentiali, IV p. 26.

[704]
Alanus redivivus, passim.

[705]
Op blz. 12 (zie Hoofdstuk I, tekst voor noot 17) wordt fortitudo
met abstinentia gelijkgesteld, maar op p. 201 (zie Hoofdstuk IV
tekst voor noot 386) is het temperantia, die in de reeks ontbreekt;
dit zal de bedoeling zijn. Er zijn ook nog andere verschillen.

[706]
Froissart, Poésies, ed. Scheler. I p. 53.

[707]
Chastellain, Traité par forme d'allégorie mystique sur l'entrée du
roy Loys en nouveau règne, Oeuvres, VII p. 1; Molinet, II p. 71,
III p. 112.

[708]
Vgl. Coquillart, Les droits nouveaux, ed. d'Héricault, I p. 72.

[709]
Opera, I p. xliv sq.

[710]
H. Usener, Götternamen, Versuch zu einer Lehre von der
religiösen Begriffsbildung, Bonn, 1896, p. 73.

[711]

Page 451

J. Mangeart, Catalogue des mss. de la bibl. de Valenciennes,
1860. p. 687.

[712]
Journal d'un bourgeois, p. 96.

[713]
La Marche, II p. 378.

[714]
Les cent nouvelles nouvelles, II p. 183. Vgl Rabelais, Pantagruel,
I. IV ch. 29.

[715]
De captivitate babylonica ecclesiae praeludium. Werke ed.
Weimar, VI p. 562.

[716]
Petri de Alliaco Tractatus I adversus cancellarium Parisiensem, bij
Gerson, Opera, I p. 723.

[717]
Dion. Cart., Opera, t. XXXVI p. 200.

[718]
Dion. Cart. Revelatio II, Opera, I p. xlv.

[719]
Dion. Cart., Opera, t. XXXVII, XXXVIII, XXXIX p. 496.

[720]
Alain Chartier, Oeuvres, p. xi.

Page 452

[721]
Gerson, Opera, I p. 17.

[722]
Dion. Cart., Opera, t. XVIII p. 433.

[723]
Dion. Cart., Opera, t. XXXIX p. 18sq. De vitiis et virtutibus, p.
363, De gravitate et enormitate peccati, ib. t. XXIX p. 50.

[724]
L.c. XXXIX p. 37.

[725]
Ib. p. 56.

[726]
Dion. Cart., De quatuor hominum novissimis, Opera, t. XLI p.
545.

[727]
Dion. Cart., De quatuor hominum novissimis, t. XLI p. 489ss.

[728]
Moll, Brugman, I p. 20, 23. 28.

[729]

Ib. p. 3201.

[730]
Het voorbeeld van Sint Aegidius, Germanus, Quiricus bij Gerson,
De via imitativa, III p. 777; vgl. Contra gulam sermo, ib. p. 909.

Page 453

—Olivier Maillard, Serm. de sanctis fol. 8a.

[731]
Innocentius III, De contemptu mundi 1. I, c. I, Migne, t. CCXVII
p. 702ss.

[732]
Bonaventura, In secundum librum sententiarum, dist. 41, art. 1.
qu. 2, ib. 30, 2, 1, 34; in quart. lib. sent. d. 34, a. I, qu. 2,
Breviloquii pars II, Opera, ed. Paris, 1871, t. III p. 577a, 335, 438,
VI p. 327b, VII p. 271ab.

[733]
Dion. Cart., De vitiis et virtutibus, Opera, t. XXXIX p. 20.

[734]
M' Kechnie, Magna Carta, p. 401.

[735]
Uit den hymnus "Adoro te devote". Vergelijk Marlowe, Faustus:
"See, where Christ's blood streams in the firmament! One drop of
blood will save me."

[736]
Dion. Cart. Dialogion de fide cath., Opera, t. XVIII p. 366.

[737]
L.c., t. XLI p. 489.

[738]
Dion. Cart. De laudibus sanctae et individuae trinitatis t. XXXV
p. 137; de laud. glor. Virg. Mariae, en passim. Het gebruik der
supertermen ontleent hij reeds aan Dionysius treopagita.

Page 454

[739]
James, Varieties of rel. exp., p. 419.

[740]
Beide voorbeelden naar James, l.c., p. 417.

[741]
Opera, I p. xliv.

[742]
Seuse, Leben, cap. 3, ed. K. Bihlmeyer, Deutsche Schriften,
Stuttgart, 1907, p. 14. Vgl. cap. 5, p. 21, 1.3 v.o.

[743]
Meister Eckhart, Predigten, no. 60 en 76, ed. F. Pfeiffer, Deutsche
Mystiker des XIV. Jh., Leipzig 1857, II p. 1931. 34ss.; p. 242, 1.
2ss.

[744]
Tauler, Predigten, no. 28, ed. F. Vetter, (Deutsche Texte des
Mittelalters XI) Berlin, 1910, p. 117 1. 30ss.

[745]
Ruusbroec, Dat boec van seven sloten, cap. 19, Werken ed.
David, IV p. 106-108.

[746]
Ruusbroec, Dat boec van den rike der ghelieven, cap. 43. ed.
David, IV p. 264.

[747]
Ib. cap. 35, p. 246.

Page 455

[748]
Ruusbroec, Van seven trappen in den graet der gheesteliker
minnen, cap. 14, ed. David, IV p. 53. Voor "ontfonken" lees ik:
"ontsonken".

[749]
Ruusbroec, Boec van der hoechster waerheit, ed. David, p. 263;
vgl. Spieghel der ewigher salicheit, cap. 25. p. 231.

[750]
Spieghel der ewigher salicheit, cap. 19, p. 144, cap. 23, p. 227;—
antwoert = beantwoordt aan.

[751]
II Par. 6, I: Dominus pollicitus est, ut habitaret in caligine. Ps.
17.13: Et posuit tenebras latibuum suum.

[752]
Dion. Cart. De laudibus sanctae et individuae trinitatis per
modum horarum, Opera, t. XXXV p. 137/8, id. XLI p. 263 etc.;
vgl. De passione dni salvatoris dialogus, t. XXXV p. 274:
"ingrediendo caliginem, hoc est ad supersplendidissimae ac
prorsus incomprehensibilis Deitatis praefatam notitiam
pertingendo per omnem negationem ab ea."

[753]
Jostes, Meister Eckhart und seine Jünger, 1895, p. 95.

[754]
Dion. Cart. De contemplatione lib. III art. 5, Opera, t. XLI p. 259.

[755]
Dion. Cart. De contemplatione, t. XLI p. 269, naar Dion. Areop.

Page 456

[756]
Cankara ad Brahmasûtram, 3. 2. 17.

[757]
Chândogya-upanishad, 8.

[758]
Brhadâranyaka-upanishad, 4, 3, 21, 22.

[759]
Seuse, Leben, kap. 4, Bihlmeyer, Deutsche Schriften 1907, p. 14.

[760]
Eckhart, Predigten, no. 40, p. 136. 23.

[761]
Eckhart, Predigten, no. 9, p. 47ff.

[762]
Soliloquium animae, Thomas a Kempis, Opera omnia, ed. M.J.
Pohl, Freiburg 1902-'10, 7 vol., I p. 230.

[763]
L.c., p. 222.

[764]
Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 184, 189, 242,
266.

[765]
Olivier de la Marche, l'Estat de la maison etc., t. IV p. 56, zie
dergelijke vragen hierboven blz. 60. (zie Hoofdstuk II, tekst

Page 457

volgend op noot 86)

[766]
J.H. Round, The king's serjeants and officers of state with their
coronation services, London 1911, p. 41.

[767]
Le livre des trahisons, p. 27.

[768]
Rel. de S. Denis, III p. 464s, Juvenal des Ursins, p. 440; Noël
Valois, La France et le grand schisme d'occident, Paris, 1896-
1902, 4 vol., III p. 433.

[769]
Juvenal des Ursins, p. 342.

[770]
Monstrelet, I p. 177-242; Coville, Le véritable texte de la
justification du duc de Bourgogne par Jean Petit, Bibliothèque de
l'école des chartes, 1911, p. 57.

[771]

Page 458

Leroux de Lincy, Le proverbe français, vgl. E. Langlois, Bibl. de
l'Ecole des chartes LX, 1899, p. 569, J. Ulrich, Zeitschr. f. franz.
Sprache & Lit. XXIV, 1902, p. 191.

[772]
Achter Les Grandes chroniques de France, ed. P. Paris, IV p. 478.

[773]
Alain Chartier, ed. Duchesne p. 717.

[774]
Jean Molinet, Faictz et Dictz, ed. Parijs 1537, f. 80, 119, 152,
161, 170, 194.

[775]
Coquillart, Oeuvres, I p. 6.

[776]
Villon, ed. Long-nom, p. 134.

[777]
Roberti Gaguini, Ep. et or., ed. Thuasne, II p. 366.

[778]
Gerson, Opera, IV p. 657; ib. I p. 936; vgl. Leroux de Lincy, Le
proverbe français, I p. lii.

[779]
Geffroi de Paris, ed. de Wailly et Delisle, Bouquet, Recueil des
Historiens des Gaules et de la France, XXII p. 87, zie index rerum
et personarum s. v. Proverbia, p. 926.

Page 459

[780]
Froissart, ed. Luce, XI p. 119; ed. Kervyn, XIII p. 41, XIV p. 33,
XV p. 10; Le Jouvencel, I p. 60, 62, 63, 74, 78, 93.

[781]
Zie mijn Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal besef, De
Gids 1912, I.

[782]
Hierboven blz. 202. (zie Hoofdstuk IV, tekst volgend op noot
389)

[783]
A. Piaget, Le livre Messire Geoffroy de Charny, Romania, XXVI,
1897, p. 396.

[784]
Larbre des batailles, Paris, Michel le Noir 1515. Zie over Bonet
Molinier, Sources de l'histoire de France, no. 3694.

[785]
Chap. 35, 85 bis (de nos. 80-90 komen in de uitgave van 1515
tweemaal voor), 124/6.

[786]
Chap. 56, 60, 84, 132.

[787]
Chap. 82, 89, 80 bis en vg.

[788]
Le Jouvencel, I p. 222, II p. 8, 93, 96, 133, 214.

Page 460

[789]

Les vers de maître Henri Baude, poète du XVe siècle, ed.
Quicherat (Trésor des pièces rares ou inédites), 1856, p. 20-25.

[790]
Champion, Villon, II p. 182.

[791]
La Marche. II p. 80.

[792]
L.c., II p. 168.

[793]
Chastellain, IV p. 169.

[794]
Chron. scand., II p. 83.

[795]
Petit-Dutaillis, Documents nouveaux sur les moeurs populaires
etc.; vgl. Chastellain, V p. 399 en Jacques du Clercq, passim.

[796]
Du Clercq, IV p. 264; vgl. III p. 180, 184, 206, 209.

[797]
Monstrelet, I p. 342, V p. 333; Chastellain, II p. 389; La Marche,
II p. 284, 331; Le livre des trahisons, p. 34, 226.

[798]
Quicherat, Th. Basin, I p. xliv.

Page 461

[799]
Chastellain, III p. 106.

[800]
Sermo de nativ. domini, Gerson, Opera, III p. 947.

[801]
Le Pastoralet, vs. 2043.

[802]
Jean Jouffroy, Oratio, I p. 188.

[803]
La Marche, I p. 63.

[804]
Gerson, Querela nomine Universitatis etc., Opera, IV p. 574; vgl.
Rel. de S. Denis, III p. 185.

[805]
Chastellain, II p. 375, vgl. 307.

[806]
Commines, I p. 111, 363.

[807]
Monstrelet, IV p. 388.

[808]
Bassin, I p. 66.

[809]

Page 462

La Marche, I p. 60, 63, 83, 88, 91, 94, 1341; III p. 101.

[810]
Commines, I p. 170, 391, 262, 413, 460.

[811]
Basin, II p. 417, 419.

[812]
Deschamps, Oeuvres, t. IX.

[813]
L.c., p. 219ss.

[814]
L.c., p. 293ss.

[815]
Monstrelet, IV p. 93; Livre des trahisons, p. 157; Molinet, II p.
129; vgl. du Clercq, IV p. 203, 273; Th. Pauli, p. 278.

[816]
Molinet, I p. 65.

[817]
Molinet, IV p. 417; Courtaulx = een muziekinstrument, Mornifle
= een kaartspel.

[818]
Gerson, Opera, I p. 205.

[819]

Page 463

Le songe du vieil pelerin, bij Jorga, Phil. de Mézières, p. 691.

[820]
Juvenal des Ursins, p. 425.

[821]
L.c., p. 415.

[822]
Gerson, Opera, I p. 206.

[823]
Gerson, Sermo coram rege Franciae, Opera, IV p. 620; Juvenal
des Ursins, p. 415, 423.

[824]
Gerson, Opera, I p. 216.

[825]

Chastellain, IV p. 324, 323, 3141, vgl. du Clercq, III p. 236.

[826]

Chastellain, II p. 376, III p. 446, 4471, 448, IV p. 213, V p. 32.

[827]
Monstrelet, V p. 425.

[828]
Chronique de Pierre le Prêtre, bij Bourquelot, La vauderie
d'Arras, Bibliothèque de l'école des chartes, 2e série, III p. 109.

[829]

Page 464

Jacques du Clercq, III passim; Matthieu d'Escouchy, II p. 416ss.

[830]
Martin le Franc, Le Champion des dames, bij Bourquelot, l.c., p.
86; bij Thuasne, Gaguin, II p. 474.

[831]
Froissart, ed. Kervyn, XI p. 193.

[832]
Gerson, Contra superstitionem praesertim Innocentum, Op. I p.
205; De erroribus circa artem magicam, I p. 211; De falsis
prophetis, I p. 545; De passionibus animae, III p. 142.

[833]
Journal d'un bourgeois, p. 236.

[834]
L.c., p. 220.

[835]
Dionysius Cartusianus, Contra vitia superstitionum quibus circa
cultum veri Dei erratur, Opera, t. XXXVI p. 211ss.; vgl. A. Franz,
Die kirchlichen Benediktionem im Mittelalter, Freiburg 1909, 2
bde.

[836]
B.v. Jacques du Clercq, III p. 104-107.

[837]
De Hoofdstukken XII en XIII vormen een omwerking en
uitbreiding van het essay: De kunst der Van Eyck's in het leven
van hun tijd. De Gids 1916, no. 6 en 7.

Page 465

[838]
Rel. de S. Denis, II p. 78.

[839]
Rel. de S. Denis, II p. 413.

[840]
L.c., I p. 358.

[841]
Rel. de S. Denis, I p. 600; Juvenal des Ursins, p. 379.

[842]
La Curne de Ste Palaye, I p. 388; vgl. ook Journal d'un bourgeois
de Paris, p. 67.

[843]
Bourgeois de Paris, p. 179 (Karel VI); 309 (Isabella van Beieren);
Chastellain, IV p. 42, (Karel VII), I p. 332 (Henry V); Lefèvre de
S. Remy, II p. 65; M. d'Escouchy, II p. 424, 432; Chron. scand., I
p. 21; Jean Chartier, p. 319 (Karel VII); Quatrebarbes, Oeuvres du
roi René, I p. 129; Gaguini compendium super Francorum gestis,
ed. Paris, 1500, begrafenis van Karel VIII, f. 164.

[844]
Martial d'Auvergne, Vigilles de Charles VII. Les poésies de
Martial de Paris, dit d'Auvergne, Paris 1724, 2 vol., II p. 170.

[845]
B.v. Froissart, ed. Luce, VIII p. 43.

[846]

Page 466

Froissart, ed. Kervyn, XI p. 367. Een variant leest "proviseurs"
voor "peintres", maar het zinsverband maakt het laatste
aannemelijker.

[847]
Pierre de Fenin, p. 624 van Bonne d'Artois: "et avec ce ne portoit
point d'estat sur son chief comment autres dames à elle pareilles".

[848]
La livre des trahisons, p. 156.

[849]
Chastellain, III p. 375; La Marche, II p. 340, III p. 165;
d'Escouchy, II p. 116; Laborde, II; zie Molinier, Les sources de
l'hist. de France, nos. 3645, 3661, 3663, 5030; Inv. des arch. du
Nord, IV p. 195.

[850]
La Marche, II p. 340ss.

[851]
Laborde, II p. 326.

[852]
La Marche, III p. 197.

[853]
Laborde, II p. 375, no. 4880.

[854]
Laborde, II p. 322, 329.

[855]

Page 467

Chastellain. V p. 262, Doutrepont, p. 156.

[856]
Juvenal des Ursins, p. 378.

[857]
Jacques du Clercq, II p. 280.

[858]

Foulquart, bij d'Héricault, Oeuvres de Coquillart, I p. 231.

[859]
Lefèvre de S. Remy, II p. 291.

[860]
Londen, National gallery; Berlijn, Kaiser Friedrich Museum.

[861]
W.H.J. Weale, Hubert and John van Eyck, Their life and work,
London-New York, 1908, p. 701.

[862]
Froissart, ed. Kervyn, XI p. 197.

[863]
P. Durrieu, Les très richcs heures de Jean de France, duc de Berry
(Heures de Chantilly), Paris, 1904, p. 81.

[864]

Moll, Kerkgesch. II3 p. 313 vg.; J.G.R. Acquoy, Het klooster van
Windesheim en zijn invloed, Utrecht, 1875-'80, 3 vol., II p. 249.

Page 468

[865]
Th. a Kempis, Sermones ad novitios no. 28, Opera ed. Pohl. t. VI
p. 287.

[866]

Moll, l.c., II2 p. 321, Acquoy. l.c., p. 222.

[867]
Chastellain. IV p. 218.

[868]
La Marche, II p. 398.

[869]
La Marche, II p. 369.

[870]
Chastellain, IV p. 136, 275, 359, 361, V p. 225; du Clercq, IV p.
7.

[871]
Chastellain. III p. 332; du Clercq, III p. 56.

[872]
Chastellain, V p. 44, II p. 281; La Marche, II p. 85; du Clercq, III
p. 56.

[873]
Chastellain, III p. 330.

[874]
du Clercq, III p. 203.

Page 469

[875]
Facius, Liber de viris illustribus, ed. 1745, p. 46, bij Weale,
Hubert and John van Eyck, p. lxxiii.

[876]
Dion. Cartus., Opera, t. XXXIV p. 223.

[877]
L.c., p. 247, 230.

[878]
O. Zöckler, Dionys des Kartäusers Schrift De venustate mundi,
Beitrag zur Vorgeschichte der Asthetik, Theol. Studiën und
Kritiken, 1881, p. 651.

[879]
Dion. Cart., Opera, t. I Vita p. xxxvi.

[880]
Dion. Cart., De vita canonicorum, art. 20, Opera, t. XXXVII, p.
197: An discantus in divino obsequio sit commendabilis.

[881]
Molinet, I p. 73; vgl. 67.

[882]
Petri Alliaci De falsis prophetis, bij Gerson, Opera, I p. 538.

[883]
La Marche, II p. 361.

[884]

Page 470

De venustate etc., t. XXXIV p. 242.

[885]
Froissart, ed. Luce, IV p. 90, VIII p. 43, 58, XI p. 53, 129; ed.
Kervyn, XI p. 340, 360, XIII p. 150, XIV p. 157, 215.

[886]
Deschamps, I p. 155; II p. 211, II no. 307, p. 208; La Marche, I p.
274.

[887]
Livre des trahisons, p. 150, 156; La Marche, II p. 12, 347, III p.
127, 89; Chastellain, IV p. 44; Chron. scand., I p. 26, 126.

[888]
Lefèvre de S. Remy, II p. 294, 296.

[889]

Couderc, Les comptes d'un grand couturier parisien au XVe
siècle, Bulletin de la soc. de l'hist. de Paris. XXXVIII, 1911, p.
125ss.

[890]
b.v. Monstrelet. V p. 2; du Clercq, I p. 348.

[891]
La Marche, II p. 343.

[892]
Chastellain, VII p. 223; La Marche, I p. 276, II p. 11, 68, 345; du
Clercq, II p. 197; Jean Germain, Liber de virtutibus, p. 11;
Jouffroy, Oratio, p. 173.

Page 471

[893]
d'Escouchy, I p. 234.

[894]
Zie hierboven p. 201. (zie Hoofdstuk IV, noot 384)

[895]
Le miroir de mariage, XVII vs. 1650; Deschamps, Oeuvres, IX p.
57.

[896]
Chansons françaises du quinzième siècle, ed. G. Paris, (Soc. des
anciens textes français), 1875, no. XLX, p. 50; vgl. Deschamps,
no. 415, III p. 217, no. 419, ib. p. 223, no. 423, ib. p. 227, no.
481, ib. p. 302, no. 728, IV p. 199; l'Amant rendu cordelier, h. 62,
p. 23; Molinet, Faictz et Dictz, fol. 176.

[897]
Blason des couleurs van den heraut Sicile (bij La Curne de Sainte
Palaye, Mémoires sur l'ancienne chevalerie II p. 56). Dit tractaat,
dat nog door Rabelais wordt bespot als het eertijds
toonaangevende op het stuk van de beteekenis der kleuren, was
mij helaas niet toegankelijk.

[898]
Cent balades d'amant et de dame no. 92, Christine de Pisan,
Oeuvres poétiques, III p. 299. Vgl. Deschamps, X no. 52;
L'histoire et plaisante cronicque du petit Jehan de Saintré, ed. G.
Hellény, Paris, 1890. p. 415.

[899]
Le Pastoralet, vs. 2054, p. 636; vgl. Les cent nouvelles nouvelles,
II p. 118: "craindroit très fort estre du rang des bleuz vestuz, qu'on

Page 472

appelle communement noz amis."

[900]

Chansons du XVe siècle, no. 5, p. 5, no. 87, p. 85.

[901]
La Marche, II p. 207.

[902]
Erasmus, Ratio seu Methodus compendio perveniendi ad veram
theologiam, ed. Bazel 1520, p. 146.

[903]
E. Durand Gréville, Hubert et Jean van Eyck, Bruxelles, 1910, p.
119.

[904]
p. 361. (zie Hoofdstuk X, noot 720)

[905]
Alain Chartier, Oeuvres, ed. Duchesne, p. 594.

[906]
Chastellain, I p. 11, 12. IV p. 21, 393, VII p. 160; La Marche, I p.
14; Molinet, I p. 23.

[907]
Jean Robertet, bij Chastellain, VII p. 182.

[908]
Chastellain, VII p. 219.

Page 473

[909]
Chastellain, III p. 231ss.—Sint Antoine valt op 17 Januari.

[910]
Oratoire, een door tapijten afgeschoten vertrekje in een kapel.

[911]
Dooi.

[912]
Een heuveltje, een aardhoop.

[913]
Chastellain, III p. 46, zie hierboven blz. 154 (zie Hoofdstuk III,
noot 294). vg. III 104, V 259.

[914]
Helmen.

[915]
Chastellain, V p. 273, 269, 271.

[916]
Zie de reproducties bij A. Michel, Histoire de l'art etc., Paris,
1907 etc. 7 vol. parus, IV, 2 p. 711 en P. Durrieu. Les belles
heures du duc de Berry, Gazette des beaux arts 1906, t. 35, p. 283.

[917]
Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 50, XI p. 99. XIII p. 4.

[918]

Page 474

Dichter onbekend, gedrukt Deschamps, Oeuvres X no. 18, vgl. Le
Debat du cuer et du corps de Villon, evenzoo Charles d'Orléans,
rondel 192.

[919]
Dat blijkt.

[920]
Ed. de 1522, fol. 101, bij A. de la Borderie, Jean Meschinot etc.,
Bibl. de l'école des chartes LVI, 1895, p. 301. Vgl. de balladen
van Henri Baude, ed. Quicherat (Trésor des pièces rares ou
inédites, Paris 1856), p. 26, 37, 55, 79.

[921]
Froissart, ed. Luce. I p. 56, 66. 71, XI p. 13, ed. Kervyn. XII p. 2,
23; vgl. ook Deschamps, III p. 42.

[922]
Froissart ed. Kervyn, XI p. 89.

[923]
P. Durrieu, Les très-riches heures de Jean de France duc de Berry,
1904, pl. 38.

[924]
Oeuvres du roi René, ed. de Quatrebarbes, II p. 105.

[925]
Deschamps, I nos. 61, 144; III nos. 454, 483, 524; IV nos. 617,
636.

[926]
Durrieu. l.c. pl. 3, 9, 12.

Page 475

[927]
Deschamps, VI p. 191, no. 1204.

[928]
Froissart, ed. Luce, V p. 64, VIII p. 5, 48, XI p. 110, ed. Kervyn,
XIII p. 14, 21, 84, 102, 264.

[929]
Froissart, ed. Kervyn, XV p. 54, 109, 184, XVI p. 23, 52, ed.
Luce. I p. 394.

[930]
Froissart, XIII p. 13.

[931]
G. de Machaut, Poésies lyriques, ed. V. Chichmaref (Zapiski ist.
fil. fakulteta imp. S. Peterb. universiteta XCII 1909) no. 60, I p.
74.

[932]
La Borderie, l.c., p. 618.

[933]
Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, I p. 276.

[934]
Ib. p. 164, no. 30.

[935]
Ib. I p. 275, no. 5.

[936]

Page 476

Froissart, Poésies, ed. Scheler, II p. 216.

[937]
P. Michault, La dance aux aveugles etc., Lille, 1748.

[938]

Recueil de poésies françoises des XVe et XVIe siècles, ed. de
Montaiglon (Bibl. elzevirienne) t. IX p. 59.

[939]
Deschamps, VI no. 1202, p. 188.

[940]
Het vee dat naar de wei gaat.

[941]
Froissart, Poésies. I p. 91.

[942]
Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 22.

[943]
Deschamps, I p. 196, no. 90, p. 192, no. 87. IV p. 294, no. 788, V
no.903, 905, 919, VII p. 220, no. 1375, vgl. II p. 86, no. 250,
no.247.

[944]
Durrieu, Les tres riches heures, pl. 38, 39, 60, 27, 28.

[945]
Deschamps, no. 1060, V p. 351. no. 844, V p. 15.

Page 477

[946]
Chastellain, III p. 256ss.

[947]

Journal d'un bourgeois, p. 3252.

[948]
Deschamps, nos. 1229, 1230, 1233, 1259, 1299, 1300, 1477, VI
p. 230, 232, 237, 279, VII p. 52, 54, VIII p. 182, vgl. Gaguin's De
validorum mendicantium astucia, Thuasne, II p. 169ss.

[949]
Deschamps. no. 219, II p. 44, no. 2, I p. 71.

[950]
Ib. IV, p. 291, no. 786.

[951]

Bibliothèque de l'école des chartes, 2e série III 1846, p. 70.

[952]
Proverbia, 14.13.

[953]
Alain Chartier, La belle dame sans mercy, p. 503, 505, vgl. Le
debat du reveille-matin, p. 498; Chansons du XVe siècle, p. 71,
no. 73; L'amant rendu cordelier à l'observance d'amours, vs. 371;
Molinet, Faictz et dictz, ed. 1537, f. 172.

[954]
Alain Chartier, Le debat des deux fortunes d'amours, p. 581.

Page 478

[955]
Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes, III p. 194.

[956]
Charles d'Orléans, Poésies complètes, p. 68.

[957]
L.c., p. 88, ballade no. 19.

[958]
L.c., chanson no. 62.

[959]
Vgl. Alain Chartier, p. 559: "Ou se le vent une fenestre boute,
Dont il cuide que sa dame l'escoute, S'en va coucher joyeulx...."

[960]
Huitains 51, 53, 57, 167, 188, 192, ed. de Montaiglon, Soc. des
anc. textes francais, 1881.

[961]
Museum te Leipzig, no. 509.

[962]
Juvenal des Ursins, 1418, p. 541; Journal d'un bourgeois de Paris,
p. 92, 172.

[963]
J. Veth & S. Muller Fz., A. Dürer's Niederländische Reise, Berlin-
Utrecht, 1918, 2 bde, I p. 13.

[964]

Page 479

Chastellain, III p. 414.

[965]
Chron. scand., I p. 27.

[966]
Molinet, V p. 15.

[967]
Lefebvre, Théatre de Lille, p. 54, bij Doutrepont, p. 354.

[968]
Th. Godefroy, Le ceremonial françois, 1649, p. 617.

[969]
J. B. Houwaert, Declaratie van die triumphante Incompst van den
... Prince van Oraingnien etc.; t'Antwerpen, Plantijn 1579, p. 39.

[970]
De these van Emile Male omtrent den invloed der
theatervoorstelling op de schilderkunst moge hier blijven rusten.

[971]
Zie P. Durrieu, Gazette des beaux arts, 1906, t. 35, p. 275.

[972]
Christine de Pisan, Epitre d'Othéa à Hector, Ms. 9392 de Jean
Miélot, ed. J. van den Gheyn, Bruxelles 1913.

[973]
L.c., pl. 5, 8, 26, 24, 25.

[974]

Page 480

Van den Gheyn, Epitre d'Othéa, pl. I en 3; Michel, Histoire de l'art
IV, 2 p. 603, Michel Colombe, grafmonument uit de kathedraal
van Nantes, id. 616, figuur van Temperantia aan het
grafmonument der kardinalen van Amboise in de kathedraal van
Rouen.

[975]
Zie daarover mijn opstel Uit de voorgeschiedenis van ons
nationaal besef, De Gids 1912, I.

[976]
Exposition sur verité mal prise, Chastellain, VI p. 249.

[977]
zuur.

[978]
gordel.

[979]
Le livre de paix, Chastellain, VII p. 375.

[980]
Advertissement au duc Charles, Chastellain. VII p. 304 ss.

[981]
Chastellain, VII p. 237 ss.

[982]
Molinet, Le miroir de la mort, fragment bij Chastellain, VI p. 460.

[983]

Page 481

Chastellain. VII p. 419.

[984]
Deschamps, I p. 170.

[985]
Le Pastoralet, vs. 501, 7240, 5768.

[986]
Vgl. voor de vermenging van pastorale en politiek Deschamps, III
p. 62, no. 344, p. 93, no. 359.

[987]
Molinet, Faictz et dictz, f. 1.

[988]
Molinet, Chronique, IV p. 307.

[989]
Bij E. Langlois, Le roman de la rose (Soc. des anc. textes) 1914, I
p. 33.

[990]
Recueil de Chansons etc. (Soc. des bibliophiles belges), III p. 31.

[991]
La Borderie, l.c., p. 603, 632.

[992]
N. de Clemanges, Opera ed. Lydius, Lugd. Bat., 1613; Joh. de
Monasteriolo, Epistolae, Martène & Durand, Amplissima
Collectio, II col. 1310.

Page 482

[993]
Ep. 69 c. 1447, ep. 15 c. 1338.

[994]
Ep. 59 c. 1426, 58, c. 1423.

[995]
Ep. 40, col. 1388, 1396.

[996]
Ep. 59, 67, col. 1427, 1435.

[997]
Le livre du Voir-Dit, p. xviii.

[998]
Ep. 38, col. 1385.

[999]
Zie hierboven p. 324. (zie Hoofdstuk VIII, tekst voor noot 665)

[1000]
Gerson, Opera, I p. 922.

[1001]
Dion. Cart., t. XXXVII p. 495.

[1002]
Petrarca, Opera, ed. Bazel 1581, p. 847.

[1003]

Page 483

Clemanges, Opera. Ep. 5, p. 24; J. de Monstr., Ep. 50, col. 1428.

[1004]
Chastellain, VII p. 75-143, vgl. V p. 38-40, VI p. 80; VIII p. 358,
Le livre des trahisons, p. 145.

[1005]
Machaut, Le Voir-Dit, p. 230; Chastellain, VI p, 194, La Marche,
III p. 166; Le Pastoralet vs.2806; Le Jouvencel, I p. 16.

[1006]
Le Pastoralet vs. 541, 4612.

[1007]
Chastellain, III p. 173, 117, 359 enz.; Molinet, II p. 207.

[1008]
J. Germain, Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae (Chron.
rel. à l'hist. de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. III).

[1009]
Zie hierboven p. 107. (zie Hoofdstuk III, tekst volgend op noot
194)

[1010]
Chronique scandaleuse, II p. 42.

[1011]
Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, I no. 90. p. 90.

[1012]
Deschamps, no. 285, II p. 138.

Page 484

[1013]
Villon, ed. Longnon p. 15, h. 36-38; Rabelais, Pantagruel, 1. 2.
ch. 6.

[1014]
Chastellain, V p. 292ss; La Marche, Parement et triumphe des
dames, Prologue; Molinet, Faictz et dictz, Prologue, id.
Chronique, I p. 72, 10. 54.

[1015]
Uittreksels bij Kervyn de Lettenhove, Oeuvres de Chastellain, VII
p. 145-186; zie P. Durrieu, Un barbier de nom français à Bruges,
Académie des inscriptions et belles-lettres, Comptes rendus 1917,
p. 542-558.

[1016]
Chastellain, VII p. 146.

[1017]
Ib. p. 180.

[1018]
La Marche, I p. 15, 184-186; Molinet, I p. 14, III p. 99;
Chastellain, VI: Exposition sur verité mal prise, VII p. 76, 29,
142, 422; Commines, I p. 3; vgl. Doutrepont, p. 24.

[1019]
Chastellain, VII p. 159.

[1020]
Ib.

[1021]

Page 485

Thuasne, R. Gaguini Ep. & Or, I p. 126.

[1022]
Thuasne, I p. 20.

[1023]
Thuasne. I p. 178, II p. 509.

[1024]
Deschamps, no. 63, I p. 158.

[1025]
Villon, Testament vs. 899, ed. Longnon, p. 58.

[1026]
Le Pastoralet vs. 2094.

[1027]
Ib. vs. 30, p. 574.

[1028]
Molinet, V p. 21.

[1029]
Chastellain, Le dit de verité, VI p. 221, vgl. Exposition sur verité
mal prise, ib. p. 297, 310.

[1030]
La Marche, II p. 68.

[1031]
Roman de la rose vs. 20141; aïst=helpe, dont=dat ik.

Page 486

REGISTER

Cursief gedrukte namen verwijzen naar den volledigen titel van afgekort
aangehaalde werken.

Page 487

Abuzé en Court, L'; 175
Adel, Taak van den; 97.
Adeldom in deugd; 94.
Adellijke levensvormen nagevolgd door de burgerij; 146.
Agricola, Rudolf; 258.
Ailly, Pierre d'; 174, 245, 246, 265, 273, 290, 359, 459.
Alain de la Roche; 246, 333 vg., 347, 382.
Alain de la Roche; noot 65.
Alanus de Rupe, zie Alain de la Roche.
Alcuin; 536.
Alienor, zie Poitiers.
Allegoriel; 188-192, 342 vg., 526, 529.
Amadis-romans; 119.
Amant rendu cordelier, L'; 185, 517 vg., 542.
Amoureux de l'observance; 184.
Amuletten; 419.
Andrieskruis; 23, 25, 153.
Anjou, Isabella van; 234.
Anjou, Lodewijk van; 69, 301.
Anjou, Margareta van, koningin van Engeland; 17, 64, 128, 538.
Anjou, René van; zie René, koning.
Anthropomorphisme; 342.
Antieke helden; 105.
Aquino, Thomas van; 273, 368, 420.
Arbre des batailles, L'; 398.
Arc, Jeanne d'; 6, 109, 113, 230, 249, 274, 407, 422.
Archipoeta; 547.
Arkel; 167.
Armagnacs; 3, 23, 25, 31.
Armentières, Peronnelle d'; 204 vg., 209, 211, 536.
Arnemuyden, Margareta van; 167.
Arnolfini, Jean; 443 vg., 469.
Arrestz d'amour; 184, 203.
Ars moriendi; 235, 236.
Artevelde, Philips van; 45, 146, 163.
Artois, Philippe d'; 121.

Page 488

Artois, Robert van; 139, 144.
Atharvaveda; 368.
Aubriot, Hugues; 252, 268, 393.
Augustinus; 34, 420, 456.
Aurea mediocritas; 170.
Auvergne, Martial d'; 203, 234, 240, 517.
Azincourt 110, 157, 160, 162, 230.
Azincourt, Regnault d'; 199.

Bach, Johann Sebastian; 471.
Baerze, Jacques de; 432.
Bajazid; 110, 121, 125.
Ball, John; 95.
Balue, Jean, bisschop van Evreux, kardinaal enz.; 62.
Bandello; 154.
Bar, Louis de, kardinaal; 68.
Barante, De; 421.
Basin, Thomas, bisschop van Lisieux; 100, 403, 407, 408.
Basin, Thomas; noot 26.
Baude, Henri; 400, 542.
Baudricourt, Robert de, gouverneur van Vaucouleurs; 407.
Beaugrant, Madame de; 30.
Beaumanoir, Robert de; 104, 300.
Beaumont, Jan van; 123, 145.
Beauneveu, André; 445.
Bedelaars; 512.
Bedevaarten; 207.
Bedford, John of Lancaster, hertog van; 70, 79, 132, 159, 292.
Begarden; 329.
Begrafenis, Vorstelijke; 70.
Beieren, Albrecht van, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland; 134,
167.
Beieren, Jan van, elect van Luik, later graaf van Holland en Zeeland; 68,
293.
Beieren, Margareta van, hertogin van Bourgondië; 309.
Beieren, Willem VI van, graaf van Henegouwen, Holland en Zeeland; 168.
Beleefdheidsstrijd; 62-68.

Page 489

Belon la Folle; 30.
Benedictus XIII; 17, 24, 141.
Bernard van Clairvaux; 311, 314, 318, 333, 368, 383, 425.
Bernardino van Siena; 82, 289, 299, 336.
Beroepsideaal; 360.
Berry, Jan, hertog van; 159, 193, 231, 238, 273, 303, 390, 426, 445.
Berry, Karel, hertog van; 162.
Berry, heraut; 102.
Berthelemy, Jean; 332.
Bespotting van het geloof; 266.
Bétisac, Jean; 267.
Beurtgesprek, als stijlmiddel; 490 vg.
Bizarre in schilderkunst en litteratuur, Het; 510.
Bladelyn, Pieter; 449 vg.
Bloed des Verlossers; 333, 368.
Bloedwraak; 20.
Blois, Charles de; 300 vg.
Blois, Jean de, heer van Gouda en Schoonhoven; 300, 500.
Blois, Jean de; 302.
Boccaccio; 391, 537 vg.
Bodin, Jean; 411.
Boeddhisme; 46, 363, 383.
Boeufs, Pierre aux; 389.
Bois, Manssart du; 5.
Bonaventura; 333, 356.
Bonet, Honoré; 398.
Boniface, Jean de; 142.
Borgia, Cesare; 154.
Borromeus, Karel; 299.
Boucicaut, Jean le Meingre, maréchal de; 97, 110 vg., 113, 121, 133, 166,
193,
198, 199, 238, 243.
Boucicaut, Livre des faicts du mareschal de; noot 169.
Bourbon, Isabella van; zie Charolais.
Bourbon, Jacques de; 297.
Bourbon, Jean de; 142.
Bourbon, Louis de; 134, 198, 303.

Page 490

Bourgeois de Paris; 352, 521.
Bourgeois de Paris; zie Journal.
Bourgogne, Mademoiselle de; 30.
Bourgondië, Anna van, hertogin van Bedford; 292.
Bourgondië, David van, bisschop van Utrecht; 258, 446.
Bourgondië, zie onder de voornamen.
Bourguignons; 3, 23, 25, 152.
Bouts, Dirk; 426, 448, 525.
Brabant, Antonie van Bourgondië, hertog van; 182, 198, 199.
Brabant, Wencelyn, hertog van; 509.
Brandebourch; 104.
Breauté, Pierre de; 160.
Bretagne, Frans II, hertog van; 162.
Bretagne, Jan V, hertog van; 389.
Bretagne, Frans III, hertog van; 523.
Breughel, Pieter; 354, 430, 510, 511.
Brigitta van Zweden; 322.
Broederlam, Melchior; 276, 429, 430, 432, 510.
Broeders van den Vrijen Geest; 329.
Brugman, Johannes; 16, 311, 330, 360, 382, 453.
Bruiloft; 181.
Bueil, Jean de; 109, 110, 112.
Burckhardt, Jakob; 20, 58, 103, 242.
Burgerij; 90.
Burne Jones, Edward; 117.
Busnois, Antoine; 446.
Bussy, Oudart de; 5.
Bijgeloof; 411 vg.

Capeluche, beul van Parijs; 69.
Capistrano, Johannes; 299.
Carr, Robert; 81.
Casuïstiek; 396.
Casuïstiek der liefde; 202.
Catharina van Siena; 322, 329, 333.
Caxton, William; 441.
Celestijnen, klooster der, te Parijs; 292, 293, 296, 298, 302, 548.

Page 491

Cent ballades; 121, 193.
Cent Ballades, Le livre des; noot 207.
Cent nouvelles nouvelles; 182, 184, 211, 251, 256, 266, 517.
Chaise-Dieu, La; 233.
Champion, P.; 39.
Champion, P. zie Villon.
Charny, Geoffroi de; 397.
Charny, Le livre messire Geoffroi de; 45.
Charolais, Isabella van Bourbon, gravin van; 76, 78, 79, 404.
Charolais; zie Karel de Stoute.
Chartier, Alain; 93, 134, 175, 361, 393, 479, 494, 514 vg., 546.
Chartier, Alain; noot 65.
Chartier, Jean; noot 13.
Chastellain, Georges; 3, 11, 12, 13, 18, 20, 44, 57, 58, 63, 75, 76, 77, 82,
88,
89, 90, 91, 100, 102, 104, 106, 109, 132, 155, 156, 163, 166, 222, 236, 260,
349,
406, 414, 421, 451, 483 vg., 494, 511, 527, 529, 538, 541 vg., 548.
Chastellain, Georges; noot 1.
Châtel, Guillaume du; 158.
Châtelier, Jacques du, bisschop van Parijs; 36.
Chaucer, Geoffrey; 540.
Chevalier, Etienne; 257.
Chevalier du guet; 61.
Chevaliers Nostre Dame de la Noble Maison; zie Orde van de Ster.
Chevrot, Jean, bisschop van Doornik; 151, 440, 449.
Chopinel; zie Clopinel.
Chronique scandaleuse; noot 4.
Cicero 95, 535.
Cleef, Jan I, hertog van; 83.
Cleef, Adolf van, heer van Ravestein; 76.
Clemanges, Nicolaas van; 92, 174, 194, 245, 259, 261, 262, 534 vg.
Clemanges, Nicolaas van; noot 155.
Clemens V; 27.
Clercq, Jacques du; 39, 135, 268, 403, 415, 451.
Clercq, Jacques du; noot 14.
Clisson, Olivier de, connétable van Frankrijk; 158.

Page 492

Clopinel, Jean; 178, 189, 192, 193, 194, 195, 520, 549.
Coeur, Jacques; 91, 147.
Coïmbra, Jan van; 10.
Coitier, Jacques; 308.
Col, Gontier; 175, 194, 200, 534 vg.
Col, Pierre; 194, 195, 196, 200.
Colette Boellet, Sainte; 297, 299, 309, 314, 324, 446, 447.
Combat des Trente; 104, 158, 167.
Commines, Philippe de; 82, 100, 106, 162, 166, 167, 169, 308, 309, 406,
407, 544.
Commines, Philippe de; noot 138.
Compositie in de schilderkunst; 523 vg.
Contemptus mundi; zie Verachting der wereld.
Coquillart, Guillaume; 201, 394, 542.
Coquinet,le fou de Bourgogne; 16.
Cordeliers, klooster der; 7.
Coucy, Enguerrand de; 134, 158, 303.
Cour d'amours 31, 82, 198, 536.
Courtenay, Pierre de; 159.
Coustain, Jean; 293.
Cranach, Lucas; 521.
Craon, Pierre de; 27.
Cresecque; 121.
Cristus, Petrus; 525.
Crokart; 167.
Croy, Antoine de; 438.
Croy, Philippe de; 123, 461.
Curial, Le; 175, 546.
Curtius, Quintus; 105.
Cusa, Nicolaas van; 300, 310, 311, 350, 382.

Danse aux Aveugles; 506.
Dante; 34, 47, 103, 177, 178, 356, 363, 520, 529.
Daret, Jacques; 440.
David, Gerard; 426, 429, 525.
Débat des hérauts d'armes; 164.
Débat des hérauts d'armes; noot 176.

Page 493

Deschamps, Eustache; 42, 43, 45, 46, 47, 69, 95, 107, 108, 134, 164,
165, 172, 174, 182, 186, 217, 222, 249, 264, 276, 277, 283, 295, 408,
461, 496, 498, 502, 508 vg., 512, 513, 529, 540, 547.
Deschamps, Eustache noot 65.
Deviezen; 201, 395 vg.
Devotie, Moderne; 288, 311, 315, 317 vg., 365, 381 vg., 422, 446.
Dichtkunst en muziek; 501 vg.
Dieu, Spraakgebruik, voor de hostie; 251.
Dionysius de Kartuizer, of: van Ryckel; 16, 220, 222, 260, 300, 309,
310 vg., 336, 350 vg., 356, 359, 360, 362 vg., 368, 371, 376 vg., 381,
382, 419, 447, 453, 456 vg., 537.
Dionysius Cartusianus; noot 76.
Dixmude, Jan van; noot 37.
Dolce stil nuovo; 178.
Domburg, Jan van; 401.
Donatello; 432.
Doodendans; 230 vg.
Doodsstrijd; 235.
Doornik, Jean de Thoisy, bisschop van; 75.
Dorpers; 91.
Douet d'Arcq, Pièces inédites; 142.
Doutrepont, G.; noot 24.
Drie dooden en drie levenden, Sproke der; 230 vg.
Dufay, Guillaume; 254, 422.
Duivelfantazie; 411.
Dunois, Jan van Orleans, graaf van; 109.
Durand-Gréville, E.; 473.
Durandus, Guilielmus; 356.
Dürer, Albrecht; 455, 521.
Dwergen; 29.

Eck, Johannes; 278.
Eckhart, Meister; 372 vg., 377, 380, 381.
Eduard II, koning van Engeland; 17.
Eduard III, koning van Engeland; 15, 137, 139, 140, 145, 157, 162, 300.
Eduard IV, koning van Engeland; 18, 57, 247.
Eergevoel; 68.

Page 494

Egmond, Lamoraal, graaf van; 141.
Elisabeth, Sint, van Thüringen; 273.
Emerson, R.W.; 65.
Emprise; 142.
Engeland, Koningen van; zie onder de voornamen.
Engeland, Maria van; 182.
Engelen; 279, 285 vg.
Entremets; 30, 434 vg.
Envoûtement; 413.
Epithalamische stijl; 181.
Erasmus, Desiderius; 472, 542, 546.
Erotiek, Droeve; 514 vg.
Erotische allegorie; 184.
Escouchy, Mathieu d'; 37, 38, 100.
Escouchy, Mathieu d'; noot 62.
Estats; zie Standen.
Exdamacion des os Sainct Innocent; 506.
Extravagant karakter der beeldende kunst; 431.
Eyck, Gebroeders van; 32, 421, 422, 426.
Eyck, Hubert van; 510.
Eyck, Jan van; 427, 429, 440, 443 vg., 450, 454, 469, 471 vg., 483, 484,
488, 500, 507, 520, 521, 523 vg., 538.

Fantaziesferen, Dooreenmenging van; 530.
Fastolfe, Sir John; 230.
Faukemont, Jehan de; 140.
Fazio, Bartolomeo; 454, 520.
Feesten; 434 vg.
Fénélon; 94.
Fenin, Pierre de; 29, 407.
Fenin, Pierre de; noot 46.
Ferrer, Vincent; 7, 8, 16, 299, 316 vg., 319, 324.
Ferrer, Vincent, Vita; noot 10.
Fillastre, Guillaume, kardinaal enz.; 394.
Fillastre, Guillaume, bisschop van Doornik; 77, 133, 135, 151.
Fillastre, Guillaume, Toison dor; noot 239.
Flémalle, Meester van; 507 vg.

Page 495

Foix, Gaston Phébus, graaf van; 82, 293, 492.
Formalisme; 400 vg.
Fouquet, Jean; 257.
Fradin, Antoine, volksprediker; 7.
Franc Gontier, Le dit de; 171, 172, 174, 212, 216.
Franc Gontier, Les contrediz; 217.
France, Anatole; 509.
Franciscus van Assisi; 291, 297.
François, zie Paule; 67.
Frankrijk, Koningen van; zie onder de voornamen.
Frans I, koning van Frankrijk; 108.
Fraterhuizen; zie Devotie, Moderne.
Frederik III; 255.
Froissart, Jean; 45, 100, 104, 119, 134, 140, 157, 158, 162, 163, 164,
165, 167, 182, 252, 301, 304, 349, 355, 395, 407, 418, 430, 460, 490,
492, 499 vg., 506, 509.
Froissart, Jean; noot 19.
Froment, Jean; 38.
Fulco van Marseille, bisschop van Toulouse; 361.

Gaguin, Robert; 93, 175, 283, 394, 546.
Gaguin, Robert; noot 159.
Galois et Galoises; 138.
Geertgen tot Sint Jans; 489, 525.
Geloften; zie Ridderlijke gelofte, en Voeu.
Gelre, Adolf van; 23, 310, 407.
Gelre, Arnold van; 23, 310.
Gelijkheidsidee; 94.
Generaliseering; 405.
Genève, Lodewijk van Savoye, graaf van; 462.
Genreschildering; 507 vg.
Geoffroi de Paris; 395.
Gerechtigheidsgevoel; 25.
Geringschatting der geestelijkheid; 289.
Germain, Jean, bisschop van Chalons; 11, 135, 255, 352, 539.
Germain, Jean, Liber de virtutibus etc.; noot 15.
Gerson, Jean; 27, 47, 92, 195, 218, 222, 245, 248 vg., 252, 256, 264,

Page 496

265, 266, 270, 271, 278, 286, 314, 320, 321 vg., 326 vg., 330, 347,
349, 356, 366, 382, 394, 404, 405, 413, 418, 453.
Gerson, Jean; noot 43.
Gevangenen; 398.
Gezelschapsspelen; 201.
Giotto; 524.
Glocester, Humphrey van; 153.
Godefroy, Denis; 257.
Godefroy, Théodore; noot 116.
Goethe; 65, 342.
Gonzaga, Aloysius; 299, 324.
Gonzaga, Francesco; 154.
Grabow, Mattheus; 320.
Grafteeken; 427.
Gregorius de Groote; 95.
Groote, Gerard; 296, 320, 537.
Guernier, Laurent; 402
Guesclin, Bertrand du; 108, 109, 141, 300, 427.
Gulden Vlies; 101.

Hagenbach, Peter van; 15.
Hales, Alexander van; 457.
Hames, Nicolaas de; 136.
Hans, acrobaat; 30.
Hardvochtigheid; 29.
Hautbourdin, Jean de Saint-Pol, heer van; 125.
Hauteville, Pierre de; 198.
Hebzucht; 33.
Heethoofdigheid; 11.
Hefele, K., Der h. Bernhardin von Siena usw.; noot 12.
Heiligen en Ziekten; 280, 282.
Heiligenbeelden; 270 vg., 285.
Heiligenvereering; 269-287.
Heilo, Frederik van; 263.
Heksenkamer; zie Malleus maleficarum.
Heksenvervolging; 31, 411 vg.
Hel, Voorstelling der; 363 vg.

Page 497

Heldenideaal; 56.
Heloïse; 536.
Hendrik IV, koning van Engeland; 152.
Hendrik V, koning van Engeland; 69, 105, 150, 157, 162, 230, 410, 434.
Hendrik VI, koning van Engeland; 18, 71, 79, 107.
Henouars; 70.
Herauten; 101, 136.
Herdersideaal; 170.
Herp, Hendrik van; 330.
Hervorming; 359, 411, 467.
Heures d'Ailly; 489, 525.
Heures de Chantilly, Trés-riches; 493, 495 vg.
Heures de Turin; 448.
Hieronymus; 367.
Hoekschen en Kabeljauwschen; 22.
Hofceremonieel; 57.
Hofleven; 69.
Hofstaat; 56.
Hof vlucht; 170, 171.
Holanda, Francesco de; 454.
Holland; 167, 168.
Holbein, Hans; 232 vg.
Hoofsche minne; 177, 178 vg., 192.
Hoogmoed; 32, 102.
Houwaert, Johan Baptista; 523.
Hugo, Victor; 421.
Humanisme; 119, 411, 533-551.
Humanisten; 174.
Hus, Johannes; 326.
Hutten, Ulrich von; 42.
Huysmans, Joris Karl; 509.

Idealisme; 359 vg., 365, 366, 396.
Imitatio Christi; 382 vg., 394.
Innocentius III; 225.
Innocents; zie Onnoozele kinderen.
Innocents, kerkhof der; 6, 36, 231 vg., 237 vg., 253.

Page 498

Institoris, Heinrich; 335.
Ironie; 513.
Isabella van Beieren, koningin van Frankrijk; 16, 182, 263, 405, 427,
442.
Isabella van Frankrijk, koningin van Engeland; 427.

Jacobus I, koning van Engeland; 81.
Jaille, sire de; 158.
James, William; 302, 324.
Jan II, koning van Frankrijk; 132, 133, 148, 157, 379.
Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondië, eerder graaf van Nevers; 5,
17, 20, 21, 32, 69, 74, 79, 80, 110, 121, 167, 198, 255, 388 vg., 403,
405, 529.
Jeruzalem; 148.
Johanniters; 130.
Jorga, N.; noot 43.
Joseph, Sint; 249, 276 vg., 507.
Journal d'un bourgeois de Paris; noot 3.
Jouvencel, Le; 107, 112, 113, 114, 159, 292, 395, 399, 538.
Jouvencel, Le; noot 168.
Jouvenel, Jean, bisschop van Beauvais; 93.
Juvenal des Ursins; noot 6.

Kamp van Neuss; 161.
Karel de Groote; 536.
Karel V, keizer; 81, 154, 522.
Karel V, koning van Frankrijk; 27, 292.
Karel VI, koning van Frankrijk; 15, 25, 27, 31, 69, 70, 88, 99, 151,
163, 198, 263, 273, 391, 398, 427, 442.
Karel VII, koning van Frankrijk; 10, 70, 109, 147, 182.
Karel VIII, koning van Frankrijk; 442.
Karel de Stoute, hertog van Bourgondië, eerder graaf van Charolais; 12,
23, 33, 38, 53, 57, 58, 59, 64, 75, 76, 105, 106, 123, 132, 133, 135,
155, 161, 162, 180, 216, 309, 310, 407, 408, 410, 413, 434, 440, 446,
447, 459, 461, 484 vg., 522, 539.
Kempis, Thomas a; 263, 317, 382 vg., 422.
Kerkelijk-erotische travesti; 184, 185.

Page 499

Kerkgang; 66, 67.
Kethulle, Lodewijk van de; 160.
Keuken; 59.
Kinderen; 240.
Klassicisme; 538 vg., 550.
Kleederdracht; 83, 433, 462 vg.
Kleuren, Symbolische beteekenis der; 200, 463 vg.
Kleurenzin; 462.
Klokgelui; 3.
Kluisters bij geloften; 142.
Kok; 60.
Koningschap; 12.
Kraamkamer; 79.
Krankzinnigen; 31.
Kroningsmaal; 71.
Kruistochtideaal; 148.
Krijgsmoed; 114.
Krijgsmuziek; 161.

Laborde, L. de; noot 48.
La Borderie, A. de; noot 67.
La Bruyère; 94.
La Curne de Sainte Palaye; 142.
La Curne de Sainte Palaye; noot 92.
La Hire, Etienne de Vignolles, dit; 109, 461.
Lalaing, Jacques de; 83, 110, 114, 142, 147, 163, 164, 165.
Lalaing, Le livre des faits de Jacques de; noot 141.
Lam, Aanbidding van het (Gentsch altaarstuk); 425, 446, 455, 477, 479,
524.
La Marche, Olivier de; 21, 57, 59, 100, 155, 164, 223, 227, 297, 349,
354, 386, 401, 405, 407, 438 vg., 447, 460, 461, 463, 483, 531 vg.,
538, 541, 542, 544, 549.
La Marche, Olivier de; noot 2.
Lamprecht, Karl; 360.
Lancaster, Huis; 18.
Lancaster, John of Gaunt, hertog van; 426.
Lannoy, Baudouin de; 469.

Page 500

Lannoy, Ghillebert de; 291.
Lannoy, Jean de; 438.
Lannoy, Hue de; 68.
La Noue, François de; 119.
La Salle, Antoine de; 240, 295.
La Salle, Antoine de; noot 206.
Latiniseering; 540.
La Tour Landry, ridder de; 138, 139, 208, 209, 210, 251, 262, 278.
La Trémoïlle, Guy de; 159, 430.
Laura; 536.
Laval, Jeanne de; 128, 494.
Lebègue, Jean; 197.
Lefèvre de Saint Remy, Jean; 101, 136, 442.
Lefèvre de Saint Remy, Jean; noot 48.
Le Franc, Martin; 416.
Le Franc, Martin; noot 24.
Legris, Estienne; 197.
Lekkerbeetje, Gerard Abrahams, gezegd; 160.
Lemonnier, Camille; 487.
Leo X, Paus; 110.
Leo van Lusignan, koning van Armenië; 75.
Levensbangheid; 46, 224.
Levensgenot; 53.
Lhuillier, Jean; 72.
Lichteffekten, Schildering en beschrijving van; 489.
Lichtgeloovigheid; 408.
Lidwina van Schiedam; 293.
Liefde en huwelijk; 209-211.
Limburg, Gebroeders van; 445, 448, 496.
Limburg, Paul van; 497, 500, 510.
L'Isle Adam, Jean de Villiers de; 69.
Livius; 109, 539.
Livre des trahisons; noot 108.
Lodewijk IX, de Heilige, koning van Frankrijk; 109, 273.
Lodewijk XI, koning van Frankrijk; 5, 10, 18, 62, 63, 65, 72, 77, 82,
132, 166, 238, 247, 305 vg., 313, 315, 403, 414, 448, 461, 491, 522.
Lodewijk XII, koning van Frankrijk; 154.

Page 501

Longuyon, Jacques de; 107.
Lorris, Guillaume de; 178, 188, 189.
Louis XI, Lettres de; noot 7.
Loyola, Ignatius de; 299.
Lucena, Vasco de; 105.
Lumey, Guillaume de la Marck, heer van; 141.
Luna, Peter van; zie Benedictus XIII.
Lunettes des princes; 215, 532.
Lusignan, Pierre de; 133.
Luther; 356.
Luxemburg, Andreas van; 304.
Luxemburg, Guy van; 302.
Luxemburg, Pieter van; 299, 302 vg., 325.
Lijden Christi, Vervuldheid van het; 314 vg.
Lijkstaatsie, Beeltenissen bij de; 427.
Lyon, Espaing du; 492.

Macabre; 230.
Machaut, Guillaume de; 107, 200, 204, 205 vg., 209, 211, 501 vg., 536.
Machaut, Guillaume de; noot 382.
Madame d'Or; zie Or.
Maerlant, Jacob van; 105.
Mahuot; 155, 156.
Maillard, Olivier, volksprediker; 16, 250, 394.
Makart, Hans; 522.
Male, Lodewijk van, graaf van Vlaanderen; 429.
Male, Emile; 231.
Malleus malencarum; 335, 411, 415.
Mandragora; 419.
Mapes, Walter; 171.
Marchant, Guyot; 232.
Marche, Jean de; 304.
Margareta, koningin van Engeland; zie Anjou.
Margareta van Oostenrijk; 216, 309, 444.
Margareta van Schotland, koningin van Frankrijk; 361.
Margareta van York, hertogin van Bourgondië; 407, 434, 447.
Maria van Bourgondië; 76, 80, 255, 309.

Page 502

Mariabeeldjes met de Drieëenheid; 252.
Marieken van Nimwegen; 23.
Marmion, Colard; 440.
Marmion, Simon; 440.
Marot, Clement; 198, 479.
Martianus Capella; 343.
Martinus V, Paus; 337.
Maupassant, Guy de; 213.
Maximiliaan van Oostenrijk; 26, 255, 309, 315, 429.
Medelijden met het volk; 92.
Medici, Cosimo de'; 138.
Medici, Lorenzo de', il Magnifico; 33, 53, 121, 138, 178, 306.
Melancholie; 45.
Méliador; 119.
Memlinc, Hans; 421, 422.
Meschinot, Jean; 43, 93, 175, 215, 491, 502, 532.
Meschinot, Jean; noot 67.
Metaphora, Godsdienstige, voor aardsche dingen; 255.
Metsys, Quinten; 455.
Meun, Jean de; zie Clopinel.
Mézières, Philippe de; 27, 99, 130, 131, 141, 149, 295 vg., 297 vg.,
302, 391, 412.
Mézières, Philippe de; zie forga.
Michault, Pierre; 133, 506.
Michel Angelo; 455, 474, 523, 524.
Michelle de France, hertogin van Bourgondië; 62, 75.
Mignons; 81.
Miliis, Ambrosius de; 174, 268, 534 vg.
Militair nationalisme; 108, 113.
Minimen, Orde der; 307, 309.
Mirabeau, marquis de; 94.
Mismaakten; 29.
Molinet, Jean; 93, 100, 108, 197, 255, 290,
295, 349, 393, 459, 522,
528, 530 vg., 541, 542, 544, 548.
Molinet, Jean; noot 7.
Molinet, Jean—Faictz et Dictz; noot 161.

Page 503

Monstrans; 337.
Monstrelet, Enguerrand de; 8, 9, 100, 152, 162, 407, 414, 421.
Monstrelet, Enguerrand de; noot 11.
Monstreuil, Jean de; 174, 194, 200, 268, 534 vg.
Monstreuil, Jean de; noot 351.
Montaigu, Jean de; 5.
Montereau; 148.
Montferrant; 543 vg.
Montfort, Jean de; 300.
Morgante; 121.
Morlay, Bernard van; 221.
Moulins, Denys de, bisschop van Parijs; 36.
Murillo; 511.
Mutsert der ijdelheden; 9.
Muziekaesthetiek; 458 vg.
Mystiek, Praktische; 381.
Mystiek, Verbeeldingsvormen der; 370 vg.
Mystisch huwelijk; 278.
Mythologie; 355, 526, 538.

Naakt, Het, in kunst en litteratuur; 520 vg.
Naam van Jezus; 336.
Natuurbeschrijving; 494.
Nicopolis; 110, 121, 149, 167, 433.
Nietzsche, Friedrich; 406.
Nilus, Sint; 308.
Nominalisme; 341.
Noodhelpers, Veertien; 274, 280 vg.
Nugis curialium, De; 171.

Obrecht, Jacob; 446.
Omgangsvormen; 64.
Oneerbiedigheid jegens den godsdienst; 257 vg.
Ongeloof; 267.
Onnoozele kinderen; 247, 414.
Onveiligheid; 37.
Oppervlakkigheid; 406.

Page 504

Or, Madame d'; 30.
Oranje, Willem van; 81, 523.
Oranje, Willem II, prins van; 182.
Orde; zie ook Ordre.
Orde der Annonciade; 134.
Orde van St. Antonius; 134.
Orde van het Gouden schild; 134.
Orde van het Gulden Vlies; 131, 133, 134, 135, 136.
Orde van de Kouseband; 132.
Orde van de Ster; 132, 133, 157, 398.
Orde van de Kroon; 134.
Orde van het Zwaard; 133.
Ordre; 131.
Ordre de la Dame blanche; 133, 198.
Ordre de la Passion; 130, 141, 295.
Orgemont, le Boiteux d'; 5.
Orgemont, geslacht; 36.
Orgemont, Pierre d'; 27.
Orléans, Charles d'; noot 367.
Orleans, Karel van; 184, 293, 450, 468, 514, 516, 517, 542.
Orleans, Lodewijk van; 17, 31, 82, 99, 108, 152, 175, 255, 292, 302,
303, 388 vg., 405, 409, 412, 413, 529.
Oudheid; 533 vg.
Oulmont, Ch.; noot 562.
Overdrijving; 405.
Ovidius; 520, 535.

Paele, Joris van de; 450, 469, 500.
Paesberd; zie Paix.
Paganisme; 547 vg.
Paix; 66, 207, 261.
Panetiers; 60.
Parement et triumphe des dames; 223, 227.
Paris, Paulin; 536.
Partijgevoel; 22.
Partijschap; 152.
Partijteekens; 24.

Page 505

Pas d'armes; 125 vg., 255.
Pas de la mort, Le; 236.
Pascal, Blaise; 372.
Pastorale; 170, 212 vg., 493 vg., 511, 529.
Pastorale en politiek; 215.
Pastoralet, Le; 215, 529, 538, 548.
Pastourelle; 213.
Paule, Saint François de; 67, 299, 305 vg.
Pauli, Theodericus; 135.
Pauli, Theodericus; noot 132.
Pelgrimages; 262.
Penthièvre, Jeanne de; 300.
Perceforest; 119.
Personificatie; 191, 342 vg., 516.
Petit, Jean; 388 vg., 394, 409, 412.
Petit-Dutaillis; noot 45.
Petrarca, Francesco; 125, 171, 178, 207, 479, 536 vg., 546.
Philippa van Henegouwen, koningin van Engeland; 140.
Philips VI, koning van Frankrijk; 61, 139, 160, 413.
Philips de Goede, hertog van Bourgondië; 10, 14, 15, 20, 30, 33, 45, 62,
63, 65, 74, 76, 88, 132, 133, 135, 136, 137, 148, 150, 152, 153, 154,
155, 160, 162, 180, 198, 232, 258, 293 vg., 302, 309, 352, 401, 404,
407, 414, 416, 427, 429, 434, 438, 442, 445, 447, 463, 466, 484 vg.,
511, 522, 527.
Philips de Schoone, aartshertog van Oostenrijk; 64, 255, 522.
Philips de Stoute, hertog van Bourgondië; 31, 32, 69, 148, 151, 159,
193, 198, 273, 303, 429, 430, 500.
Pisan, Christine de; 111, 193, 198, 199, 200, 214, 218, 219, 261, 296,
355, 464, 503 vg., 526, 540.
Pisan, Christine de; noot 79.
Plato; 520.
Plourants; 76.
Plouvier, Jacotin; 155, 156.
Poggio, Giov. Franc.—Bracciolini; 94.
Poitiers; 148.
Poitiers, Alienor de; 79, 386.
Poitiers, Alienor de; noot 92.

Page 506

Poliziano, Angelo; 42.
Poliziano; noot 64.
Ponchier, Etienne, bisschop van Parijs; 27.
Porete, Marguerite; 329.
Portret; 426.
Pot, Philippe; 15, 144.
Poursuivants; 136.
Predikers; 6, 315 vg.
Preuses, Les neuf; 107.
Preux, Les neuf; 107, 539.
Processies; 4, 239, 260, 359.
Protestantisme; 35.
Proza en poëzie; 498 vg.
Prudentius; 343.
Pseudo-Bonaventura; 452.
Pseudo-Dionysius Areopagita; 371, 376, 456.
Pulci, Luigi; 121.
Puritanisme; 54.

Quentin, Jean; 309.
Quinze joyes de mariage; 219, 256, 262, 520.
Quinze joyes de mariage; noot 71.

Rabelais, François; 200, 201, 540.
Rais, Gilles de; 91, 293, 414.
Rallart, Gaultier; 61.
Ravestein, Beatrix van; 447.
Ravestein, Philips van; 216.
Raynaud, Gaston; 174.
Realisme; 340 vg., 366 vg.
Rebreviettes, Jennet de; 145.
Reconfort de Madame du Fresne, Le; noot 457.
Reformpartij; 174.
Religieux de Saint Denis; noot 40.
Reliquieën; 273.
Rembrandt; 444, 511.
Renaissance; 35, 41, 42, 50, 52, 53, 54, 56, 58, 94, 103, 104, 119, 146,

Page 507

154, 169, 191, 355, 425, 453, 454, 455, 456, 467, 530, 532, 533-551.
Renaudet, A.; noot 25.
René van Anjou, koning van Sicilië; 17, 18, 128, 175, 214,
226, 233, 293, 296, 463, 489, 494 vg., 515.
René, Koning; 105.
René II van Lotharingen; 247, 539.
Rhetoriek; 500, 539 vg.
Rhétorique, Les Douze Dames de; 543 vg.
Ribeumont, Eustache de; 162, 165.
Richard II, koning van Engeland; 17, 99, 427.
Richard, broeder, volksprediker; 6, 9, 23, 419.
Ridderideaal; 98.
Ridderideaal en askese; 115.
Ridderideaal en erotiek; 116 vg.
Ridderideaal en ethiek; 102.
Ridderideaal en historie; 101.
Ridderideaal en krijgvoering; 157.
Ridderideaal en sport; 119.
Ridderideaal en staatkunde; 147 vg.
Ridderlijke gelofte; 137-145.
Ridderlijkheid als kastegevoel; 163.
Ridderlijkheid en gewin; 165.
Ridderlijkheid en krijgstaktiek; 164.
Ridderorden; 111, 129 vg.
Ridderschap; 97.
Ridderwezen; 85.
Robertet, Jean; 514, 542 vg.
Rochefort, Charles de; 175, 353.
Roemzucht; 103.
Rolin, Nicolas; 21, 77, 438, 440, 449 vg., 472, 475.
Roman de la rose; 175, 178, 179, 187 vg., 193, 194, 195, 197, 200, 202,
216, 218, 256, 351, 353, 355, 470, 500, 503, 531, 549.
Romanov; 60.
Romantiek; 85.
Romantisme der heiligheid; 298, 299.
Romuald, Sint; 273, 308.
Rosa van Viterbo, Sint; 229.

Page 508

Rose; zie Roman.
Rousseau, Jean Jacques; 494.
Rouw; 10, 73-76.
Roye, Jean de; 522.
Roye, Jean de, zie Chronique scandaleuse; noot 4.
Rozebeke; 24.
Rozenkrans, Broederschap van den; 246, 334.
Rozmital, Leo von; noot 79.
Ruusbroec, Jan van; 330, 374 vg., 381, 383, 422, 446.

Sainte Palaye; zie La Curne.
Saint Pol, Louis de Luxembourg, graaf van, connétable van Frankrijk; 62,
306, 461.
Saintré, Petit Jehan de; 142.
Salazar, Jean de; 461.
Salisbury, Johannes van; 171.
Salisbury, William Montague, graaf van; 139.
Salmon, Pierre le Fruictier, dit; 303.
Salmon, Pierre; noot 39.
Salutati, Coluccio; 536.
Sancerre, Louis de, maréchal de France; 71.
Saulx, Simon de; 389.
Savonarola, Girolamo; 9.
Savoye, Amadeus VI van; 134.
Savoye, Amadeus VIII van; 297.
Schaamte; 521.
Schaamteloosheid; 180, 182.
Schisma; 3, 17, 24, 388.
Schoonheid en zonde; 53-56.
Schoonheidsgevoel; 453 vg.
Scorel, Jan van; 455.
Scotus Erigena, Johannes; 371.
Seneca; 95.
Sens, Etienne Tristan de Salazar, aartsbisschop van; 72.
Seuse, Heinrich; noot 459.
Shakespeare; 529.
Silesius, Angelus; 371.

Page 509

Simplisme; 404 vg.
Sint Andriesbroederschap; 31.
Sint Victor, Hugo van; 311, 457.
Sint Victor, Richard van; 457.
Sorel, Agnes; 81, 257.
Spel en ernst, Vermenging van; 410.
Spreekwoorden; 392 vg.
Sprenger, Jakob; 335.
Standen; 86-91.
Standonck, Jean; 309.
Stavelot, Jean de; noot 106.
Steinlen; 511.
Styleering der liefde; 179.
Substantieele voorstelling van het abstracte; 367 vg., 386 vg.
Summis desiderantes, Bul; 411.
Suso, Heinrich; 243, 333, 336, 372 vg., 379, 383.
Symbolisme; 337 vg.
Systematiek van deugd en zonde; 361 vg.

Tacitus; 142.
Taine, Hippolyte; 102.
Tauler, Johannes; 373, 381.
Tempeliers; 130.
Terechtstellingen; 4.
Ternant, Philippe de; 549.
Tertullianus; 367.
Testamenten; 399.
Theocritus; 170.
Thomas, broeder, volksprediker; 8, 9, 295, 324.
Thomas, Saint Pierre; 297.
Thucydides; 101.
Todi, Jacopone van; 222.
Toity, Joffroy de; 151.
Tonnerre, Louis de Chalon, graaf van; 200.
Tooverij; 412.
Tournooi; 124.
Tranen; 10, 11, 318.

Page 510

Trazegnies, Gilles de; 110, 114.
Trois chevaliers et del chainse, Des; 124.
Troubadours; 177, 192, 520, 541.
Tuetey, A.; 39.
Turken; 149.
Turlupins; 229, 269, 329.
Tweegevecht; 159.
Tweegevecht te Valenciennes; 154, 488.

Ubi sunt..., Motief; 221 vg.
Uitwerking der bijzonderheden; 472 vg.
Upanishad's; 378.
Upton, Nicolas, De officio militari; noot 250.
Urbanisten; 24.
Usener, Hermann; 351.

Vaganten; 520.
Varennes, Jean de; 324 vg., 537.
Vauderie; 414.
Velazquez; 29.
Verachting der wereld; 225, 366 vg.
Vergilius; 535.
Verlichting; 41.
Verrotting, Motief der; 223 vg.
Verschijningen; 274.
Vertooningen; 441.
Vienne, Angelo Cato, aartsbisschop van; 544.
Vier utersten; 235, 365.
Villiers, George; 81.
Villon, François; 39, 217, 222, 228, 236, 237, 394, 399, 422, 468,
509, 514, 540, 542.
Villon, François; noot 63.
Visueele aanleg; 482.
Vita nuova; 177, 178.
Vitri, Philippe de; 97, 171, 216.
Vitri, Philippe de; noot 170.
Vloeken; 263 vg.

Page 511

Voeu du héron; 123, 139, 140, 145.
Voeux du faisan; 143 vg., 145, 168.
Voir-Dit, Livre du; 204 vg., zie ook Machaut.
Voorrang; 62.
Vorstenduel; 152.
Vorstentrouw; 13.
Vredesideaal; 99.
Vrouwenverachting; 192.
Vrouwenvereering; 192.
Vrouwenverguizing; 218.
Vydt, Jodocus; 450.

Wapenkoning; 136.
Wapenkreet; 161.
Watteau, Antoine; 518.
Weelde; 8.
Wenzel, Roomsch koning; 16.
Weyden, Rogier van der; 421, 426, 440, 450, 525.
Wier, Johannes; 411, 416.
Wilhelmus van Nassouwen; 216.
Willem IV, graaf van Henegouwen en Holland; 160, 167.
Windesheimers, zie Devotie, Moderne;
Witte, Emanuel de; 478.
Woekeringen van het godsdienstleven; 244 vg.
Woordenspel; 530 vg.
Wraakzucht; 402.
Wreedheid; 26.
Wurtemberg, Hendrik van; 466.

Xaintrailles, Pothon de; 109.
Xaverius, Franciscus; 299.

Zeeoorlog; 164.
Zegenspreuken; 419.
Zelfbespotting; 514.
Zigeuners; 18, 419.
Zola, Emile; 509.

Page 512

Zueticheit; 327.
Zwaarmoedigheid; 41.

Page 513

*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HERFSTTIJ DER
MIDDELEEUWEN ***

Updated editions will replace the previous one—the old editions will be
renamed.

Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright law
means that no one owns a United States copyright in these works, so the
Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United States
without permission and without paying copyright royalties. Special rules,
set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to copying
and distributing Project Gutenberg™ electronic works to protect the
PROJECT GUTENBERG™ concept and trademark. Project Gutenberg is a
registered trademark, and may not be used if you charge for an eBook,
except by following the terms of the trademark license, including paying
royalties for use of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge
anything for copies of this eBook, complying with the trademark license is
very easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
of derivative works, reports, performances and research. Project Gutenberg
eBooks may be modified and printed and given away—you may do
practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected by
U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark license,
especially commercial redistribution.

START: FULL LICENSE

Page 514

THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work (or any
other work associated in any way with the phrase “Project Gutenberg”), you
agree to comply with all the terms of the Full Project Gutenberg License
available with this file or online at www.gutenberg.org/license.

Section 1. General Terms of Use and Redistributing
Project Gutenberg electronic works

1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg electronic work,
you indicate that you have read, understand, agree to and accept all the
terms of this license and intellectual property (trademark/copyright)
agreement. If you do not agree to abide by all the terms of this agreement,
you must cease using and return or destroy all copies of Project Gutenberg
electronic works in your possession. If you paid a fee for obtaining a copy
of or access to a Project Gutenberg electronic work and you do not agree to
be bound by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be used on
or associated in any way with an electronic work by people who agree to be
bound by the terms of this agreement. There are a few things that you can
do with most Project Gutenberg electronic works even without complying
with the full terms of this agreement. See paragraph 1.C below. There are a
lot of things you can do with Project Gutenberg electronic works if you
follow the terms of this agreement and help preserve free future access to
Project Gutenberg electronic works. See paragraph 1.E below.

1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the Foundation”
or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
Gutenberg electronic works. Nearly all the individual works in the
collection are in the public domain in the United States. If an individual
work is unprotected by copyright law in the United States and you are

Page 515

located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
copying, distributing, performing, displaying or creating derivative works
based on the work as long as all references to Project Gutenberg are
removed. Of course, we hope that you will support the Project Gutenberg
mission of promoting free access to electronic works by freely sharing
Project Gutenberg works in compliance with the terms of this agreement for
keeping the Project Gutenberg name associated with the work. You can
easily comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
same format with its attached full Project Gutenberg License when you
share it without charge with others.

1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in a
constant state of change. If you are outside the United States, check the
laws of your country in addition to the terms of this agreement before
downloading, copying, displaying, performing, distributing or creating
derivative works based on this work or any other Project Gutenberg work.
The Foundation makes no representations concerning the copyright status
of any work in any country other than the United States.

1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
access to, the full Project Gutenberg License must appear prominently
whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work on which the
phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase “Project
Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, copied
or distributed:

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States
and most other parts of the world at no cost and with almost no
restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
under the terms of the Project Gutenberg™ License included with
this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in
the United States, you will have to check the laws of the country
where you are located before using this eBook.

Page 516

1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is derived from
texts not protected by U.S. copyright law (does not contain a notice
indicating that it is posted with permission of the copyright holder), the
work can be copied and distributed to anyone in the United States without
paying any fees or charges. If you are redistributing or providing access to a
work with the phrase “Project Gutenberg” associated with or appearing on
the work, you must comply either with the requirements of paragraphs
1.E.1 through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
Project Gutenberg trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted with the
permission of the copyright holder, your use and distribution must comply
with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional terms imposed
by the copyright holder. Additional terms will be linked to the Project
Gutenberg License for all works posted with the permission of the
copyright holder found at the beginning of this work.

1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg License
terms from this work, or any files containing a part of this work or any
other work associated with Project Gutenberg.

1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without prominently
displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with active links or
immediate access to the full terms of the Project Gutenberg License.

1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
distribute copies of a Project Gutenberg work in a format other than “Plain
Vanilla ASCII” or other format used in the official version posted on the
official Project Gutenberg website (www.gutenberg.org), you must, at no
additional cost, fee or expense to the user, provide a copy, a means of
exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon request, of the work
in its original “Plain Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format
must include the full Project Gutenberg License as specified in paragraph
1.E.1.

Page 517

1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, performing,
copying or distributing any Project Gutenberg works unless you comply
with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing access to
or distributing Project Gutenberg electronic works provided that:

• You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the
use of Project Gutenberg works calculated using the method you
already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the
owner of the Project Gutenberg trademark, but he has agreed to donate
royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days
following each date on which you prepare (or are legally required to
prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly
marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation at the address specified in Section 4, “Information about
donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.”

• You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does
not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You
must require such a user to return or destroy all copies of the works
possessed in a physical medium and discontinue all use of and all
access to other copies of Project Gutenberg™ works.

• You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
receipt of the work.

• You comply with all other terms of this agreement for free distribution
of Project Gutenberg™ works.

1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg™
electronic work or group of works on different terms than are set forth in
this agreement, you must obtain permission in writing from the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of the Project

Page 518

Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3
below.

1.F.

1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread works
not protected by U.S. copyright law in creating the Project Gutenberg™
collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ electronic works, and
the medium on which they may be stored, may contain “Defects,” such as,
but not limited to, incomplete, inaccurate or corrupt data, transcription
errors, a copyright or other intellectual property infringement, a defective or
damaged disk or other medium, a computer virus, or computer codes that
damage or cannot be read by your equipment.

1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except
for the “Right of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the
Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all liability to
you for damages, costs and expenses, including legal fees. YOU AGREE
THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT
EXCEPT THOSE PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE
THAT THE FOUNDATION, THE TRADEMARK OWNER, AND ANY
DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE LIABLE
TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL,
PUNITIVE OR INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE
NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE.

1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you
discover a defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you
can receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from. If you
received the work on a physical medium, you must return the medium with
your written explanation. The person or entity that provided you with the
defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a refund.
If you received the work electronically, the person or entity providing it to

Page 519

you may choose to give you a second opportunity to receive the work
electronically in lieu of a refund. If the second copy is also defective, you
may demand a refund in writing without further opportunities to fix the
problem.

1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth in
paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO OTHER
WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING
BUT NOT LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR
FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied warranties or
the exclusion or limitation of certain types of damages. If any disclaimer or
limitation set forth in this agreement violates the law of the state applicable
to this agreement, the agreement shall be interpreted to make the maximum
disclaimer or limitation permitted by the applicable state law. The invalidity
or unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
remaining provisions.

1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in accordance
with this agreement, and any volunteers associated with the production,
promotion and distribution of Project Gutenberg™ electronic works,
harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, that
arise directly or indirectly from any of the following which you do or cause
to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg work, (b)
alteration, modification, or additions or deletions to any Project Gutenberg
work, and (c) any Defect you cause.

Section 2. Information about the Mission of Project
Gutenberg

Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of electronic
works in formats readable by the widest variety of computers including
obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists because of the

Page 520

efforts of hundreds of volunteers and donations from people in all walks of
life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the assistance
they need are critical to reaching Project Gutenberg’s goals and ensuring
that the Project Gutenberg collection will remain freely available for
generations to come. In 2001, the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation was created to provide a secure and permanent future for
Project Gutenberg and future generations. To learn more about the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation and how your efforts and donations
can help, see Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
www.gutenberg.org.

Section 3. Information about the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit 501(c)
(3) educational corporation organized under the laws of the state of
Mississippi and granted tax exempt status by the Internal Revenue Service.
The Foundation’s EIN or federal tax identification number is 64-6221541.
Contributions to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation are tax
deductible to the full extent permitted by U.S. federal laws and your state’s
laws.

The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516,
Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up
to date contact information can be found at the Foundation’s website and
official page at www.gutenberg.org/contact

Section 4. Information about Donations to the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation

Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread
public support and donations to carry out its mission of increasing the
number of public domain and licensed works that can be freely distributed
in machine-readable form accessible by the widest array of equipment

Page 521

including outdated equipment. Many small donations ($1 to $5,000) are
particularly important to maintaining tax exempt status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United States.
Compliance requirements are not uniform and it takes a considerable effort,
much paperwork and many fees to meet and keep up with these
requirements. We do not solicit donations in locations where we have not
received written confirmation of compliance. To SEND DONATIONS or
determine the status of compliance for any particular state visit
www.gutenberg.org/donate.

While we cannot and do not solicit contributions from states where we have
not met the solicitation requirements, we know of no prohibition against
accepting unsolicited donations from donors in such states who approach us
with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make any
statements concerning tax treatment of donations received from outside the
United States. U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg web pages for current donation methods
and addresses. Donations are accepted in a number of other ways including
checks, online payments and credit card donations. To donate, please visit:
www.gutenberg.org/donate.

Section 5. General Information About Project Gutenberg
electronic works

Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg
concept of a library of electronic works that could be freely shared with
anyone. For forty years, he produced and distributed Project Gutenberg
eBooks with only a loose network of volunteer support.

Project Gutenberg eBooks are often created from several printed editions,
all of which are confirmed as not protected by copyright in the U.S. unless a

Page 522

copyright notice is included. Thus, we do not necessarily keep eBooks in
compliance with any particular paper edition.

Most people start at our website which has the main PG search facility:
www.gutenberg.org.

This website includes information about Project Gutenberg, including how
to make donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation,
how to help produce our new eBooks, and how to subscribe to our email
newsletter to hear about new eBooks.

Page 523

PDF language

简体中文 https://pdftoflip.com/view.php?t=06e2fafb1bf79d1d9252596a14d25145&bl=zh Translating…
Español https://pdftoflip.com/view.php?t=06e2fafb1bf79d1d9252596a14d25145&bl=es Translating…
Français https://pdftoflip.com/view.php?t=06e2fafb1bf79d1d9252596a14d25145&bl=fr Translating…
Deutsch https://pdftoflip.com/view.php?t=06e2fafb1bf79d1d9252596a14d25145&bl=de Translating…
日本語 https://pdftoflip.com/view.php?t=06e2fafb1bf79d1d9252596a14d25145&bl=ja Translating…
한국어 https://pdftoflip.com/view.php?t=06e2fafb1bf79d1d9252596a14d25145&bl=ko Translating…
Português https://pdftoflip.com/view.php?t=06e2fafb1bf79d1d9252596a14d25145&bl=pt Translating…
Русский https://pdftoflip.com/view.php?t=06e2fafb1bf79d1d9252596a14d25145&bl=ru Translating…
العربية https://pdftoflip.com/view.php?t=06e2fafb1bf79d1d9252596a14d25145&bl=ar Translating…